HOOFDSTUK XVII.GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573.Guy en Haring worden met zooveel vreugde begroet, als alleen belegerden, tot wanhoop gedreven en van alles afgesneden, bij het zien van vrienden uit de buitenwereld, aan den dag kunnen leggen.“Brengt gij tijding van naderende hulp?” roept een Hollandsche burger van de wacht hun toe.“Is de vloot van den Prins bijna gereed?” fluistert een ander met angstige lippen. “Wij hebben door een postduif bericht gekregen, dat hij troepen uitrust te land.”“Vertel mij van mijn vrouw in Delft, Margriet Enkhuysen—gij hebt haar toch gezien, nietwaar?” vraagt een ander.Zij deelen de reden hunner komst mee en leveren hun drie zakken af, waarna zij de stad in worden geleid door de Schalkwijker poort. Men heeft niet noodig Guy te vertellen, dat hij in een stad is, die reeds weken lang belegerd wordt en waar de nood op het hoogste is gestegen.De straten zijn in duisternis gehuld, er branden geen lichten, behalve in de Groote Kerk, nu gebruikt voor hospitaal, en in het Stadhuis, waar Ripperda, de commandant, krijgsraad houdt met zijne officieren.Het is onnatuurlijk stil in de stad. Men hoort geen blaffende honden, men ziet geen katten, zij zijn alle opgegeten. Het eenige geluid in de straten is de geregelde stap van patrouilles, die elkaar aflossen, of van compagnieën, die naar de wallen trekken. De stemmen van de schildwachten klinken hol en zwak van den honger.Guy verlaat Haring bijDe Zwaan, waar nu geen gelukkige burgers zitten en waarbinnen alles donker is, om zich te begeven naar het groote ravelijn tusschen de St.-Jans- en de Kruispoort teneinde Pieter Kies te zoeken, die, zooals hem gezegd is, daar de wacht heeft.“Waarom hebt gij de dochter van Niklaas Bodé Volckers niet uit de stad gezonden, voordat zij belegerd werd?” vraagt Guy verontwaardigd.“Omdat wij haar noodig hadden.”“Haarnoodig hadden? Hoe zoo? Zij is een vrouw, een non-combattante.”“Vrouwen zijn hier geen non-combattanten. Hadden wij de vrouwen niet, dan zouden wij mannen de stad niet kunnen houden.”“Gij wilt toch niet zeggen, dat Mina vecht?”“Neen, zij vult zandzakken en naait die dicht, maar er zijn anders vrouwen genoeg, die vechten. Vechten, evengoed als mannen. Vrouwen zijn hier mannen! Neen, zij zijn meer dan dat, zij zijn engelenvan barmhartigheid en—engelen van den dood, die met dezelfde handen den eenen dag de gewonden verplegen en den anderen de Spanjaarden dooden. Daar hebt gij bijvoorbeeld de weduwe Kenau Hasselaer,—de Spanjaarden vluchten voor haar veel eerder, dan voor menigen man van het garnizoen.”“Alles goed en wel,” zegt Guy, “maar ik heb mijn vriend, den beminde van het meisje, beloofd, haar veilig buiten Haarlem te brengen.”“Hoe zoudt gij dat kunnen?” vraagt de burger grimmig.“Dat is mijn zaak, als zij het er op wagen wil.”“Zie dan, dat gij den commandant Ripperda te spreken krijgt. Als hij zijn toestemming geeft, is het mij ook goed. Weigert hij, dan weiger ik ook. Zij is hier veiliger. Meent gij, dat wij van plan zijn, ons over te geven? Niet zoolang wij nog iets te eten hebben.”Hiermee gaat Guy heen. Doch Ripperda, de commandant, heeft het druk en is niet te spreken; Chester begeeft zich dus naarDe Zwaan, naar Haring; de herberg is zindelijker dan ooit; eigenlijk te zindelijk, want er is niets, wat haar vuil kan maken—er is niets te eten, behalve een soep, gekookt van het gras uit de straten. Daarom spreekt het tweetal dan ook maar zijn eigen voorraad aan, dien zij uit voorzorg hebben meegebracht.Doch de reuk van de gezouten haring is zoo sterk, dat de kinderen zich aan de deur verdringen, en de weduwe Hasselaer, die juist van de wallen komt en zich van haar borstkuras ontdoet, woedend uitroept: “Laffe kerels, wat doet gij? Zulke lekkerebeetjes zijn voor de gewonden!” En zij grijpt den Spaanschen wijn, den brandewijn, het brood en de haring en alles wat zij hebben en loopt er, zoo vlug als zij kan, mee naar de kerk, nu een hospitaal, ofschoon zij zelve watertandt bij het zien van zulke ongekende lekkernijen,—gevolgd door de kinderen, die snikken en smeeken om een stukje haring—een heel klein hapje,—of om er tenminste even aan te mogen ruiken.Doch Kenau Hasselaer is onverbiddelijk en de gewonden krijgen de haring.Guy en Haring kijken elkaar verbluft aan. “Wij zullen ons morgen vroeg,” zegt de Engelschman, “moeten melden om op rantsoen gesteld te worden. Het is, geloof ik, een half pond beschimmeld brood, gemaakt van zemels.”“Voor den duivel!” bromt de Hollander. “Wij moeten hier zien uit te komen, zoolang wij nog krachten hebben. Als dat satansche wijf ons tenminste den brandewijn nog maar gelaten had!”Zij besluiten maar naar bed te gaan en vallen weldra in een diepen slaap, daar zij geheel en al op zijn door de inspanning van den vorigen nacht.Zij worden echter al spoedig gewekt door het gekletter van wapenen, het luiden van de klokken van de Groote Kerk en de kleinere klokken, vermengd met het gedonder van het geschut.Bovendien worden zij heen en weer geschud door de onzachte hand van vrouw Hasselaer.“Wordt wakker, luilakken,” roept zij uit, “en vecht voor uw leven! Op! Ik zal u den weg wijzen.”Wel wetende, dat de Spanjaarden ook hen zullen ombrengen, als zij de stad innemen, grijpen Guy en zijn metgezel haastig naar de wapenen en spoeden zich met de weduwe door de donkere straten, welke nu vol mannen zijn, die uittrekken, om voor hun bedreigde haardsteden te vechten.Als zij zijn aangekomen op den wal ten Oosten van de Kruispoort, die in een blokhuis is herschapen, zien de beide mannen, die aan de oorlogstooneelen gewoon zijn, zich verplaatst te midden van een strijd, zooals zij nog nooit hebben bijgewoond. Want zij bevinden zich hier bij de vrouwen-afdeeling.“Hel en duivel! Er is hier geen enkele man. Wij met ons beiden zullen hier niet veel uitrichten,” roept Haring uit.“Gij niet?” roept Kenau Hasselaer uit; “nu, wij wel. Vrouwen van Haarlem, toont dezen knapen, wat vechten is!”Zij doen het en maken Haring, die een held is, evenals Chester, den wakkeren Engelschman, bijna beschaamd door haar daden van dapperheid—Kenau Hasselaer en andere zestiende-eeuwsche Amazonen.“Duivels! Katten moeten voor haar onderdoen!” roept Haring uit, als hij ziet, hoe zij de Spaansche veteranen ontvangen, die aanrukken in de meening dat de stad reeds in hun macht is; want het is een aanval bij verrassing geweest en hij zou bijna geslaagd zijn.Om voorbereidingen te treffen voor den grooten uitval, in vereeniging met Oranje’s aanval vanhet meer uit, die door middel van postduiven de stad is aangekondigd, zijn de wachten verzwakt op het ravelijn, het groote vestingwerk juist achter de gracht, dat loopt tusschen de Kruis- en de St-Janspoort, vlak tegenover het hoofdkwartier van Don Frederik.Dit ravelijn is platgeschoten en vernield onder het onafgebroken vuur van de zware Spaansche batterijen, in den nacht is de gracht haastig overbrugd door pontons, die er door Vargas zijn overgeworpen.De veteranen van Romero, De Billy en Vargas zijn er overgetrokken en hebben kalm postgevat aan den voet van het ravelijn.Nadat zij een oogenblik hebben uitgeblazen, heeft hun voorhoede de bressen beklommen, en eer de Hollandsche schildwachten, die uitgeput waren door nachtwaken, honger en vermoeienis, wisten wat er met hen gebeurde, hadden zij de meesten hunner gedood en bezit genomen van het verdedigingswerk, dat de Spanjaarden voor den sleutel der stad houden.Bovendien hebben zij het groote blokhuis bij de Kruispoort vermeesterd en heeft Romero de St-Janspoort bezet.“Slaat er op in! Houwt dood—Haarlem is ons!” is de kreet, die Don Frederik’s gelukkige ooren bereiken, als hij beveelt versterkingen te zenden, om zijn succes te verzekeren.Doch op hetzelfde oogenblik, dat de Spanjaarden dwars over het ravelijn denken binnen te stormen, doen zij een ontdekking, die hun minder aangenaam verrast.Terwijl het geschut, week aan week, het ravelijn heeft gebeukt, hebben de belegerden, voornamelijk de vrouwen en de kinderen, er vlak achter een hulpravelijn opgericht, van zakken zand en aarde, die beter bestand tegen het geschutvuur en even moeilijk te beklimmen is als het ravelijn. Ze was onzichtbaar voor de Spanjaarden en zij hebben er dan ook niets van bemerkt, eer zij, na de eerste versterking te hebben beklommen, de tweede voor zich zien oprijzen.Terwijl Alva’s krijgslieden een oogenblik verrast blijven staan, wordt het hulpravelijn bezet door de gealarmeerde bevolking van de naburige straten. Een oogenblik later worden de verdedigers versterkt door de Duitsche troepen van het garnizoen, en met den kreet: “De Spanjaarden komen!” begint hetgevecht.De zwakste plaats in Haarlem’s muur is die, vlak bij het blokhuis aan de Kruispoort, die nu bezet is door Vargas’ veteranen. Deze verschansing wordt verdedigd door Kenau en haar medestrijdsters. Dit is een eerepost, en Ripperda, de bevelhebber der stad, weet, dat hij dit zwakke punt aan niemand beter kan toevertrouwen dan aan haar, die hij er heeft geplaatst, en hij heeft toch veteranen onder zijn bevel, die menige campagne hebben meegemaakt, en achthonderd dappere Schotten, die nu zijn teruggebracht totanderhalf honderd, alsmede de Fransche compagnie onder Courie.Want deze vrouwen vechten niet alleen voor al hetgeen waarop een man prijs stelt, maar bovendien om zich te vrijwaren voor martelingen. Allen zonder uitzondering, meisje, vrouw of weduwe, rillen als zijdenken aan de Spaansche barmhartigheid tegenover de hulpelooze vrouwen van een veroverde stad.Alva’s veteranen schrijden thans weer vol vertrouwen voorwaarts. Zij hebben zich van den eersten wal meester gemaakt, waarom zouden zij nu ook den tweeden niet nemen?Zij beklimmen de helling met de kreten: “Philips!” en: “Don Frederico!” om op den top een hartelijk welkom van Sorosis te ontvangen.Achter den wal is een groot vuur aangemaakt, waarover een reusachtige ketel hangt vol kokende pekel. Eerst wordt de vijand met een salvo begroet, zoodat hij een oogenblik terugdeinst, iedere vrouw vuurtà bout portanthaar musket af op den naderenden vijand, die aarzelt onder die slachting.“Spoel die Spanjaarden weg!—vooruit met het water!” roept de weduwe uit, en terwijl zij den eersten emmer met het kokende vocht grijpt, werpt zij den inhoud in het gelaat van een Italiaanschen kapitein, wiens wapenrusting, hoe solide ook, hem toch niet kan bewaren voor vreeselijke brandwonden. Terwijl hij het uitbrult van pijn, maakt zij hem af met haar zwaard.En haar gezellinnen storten de kokende pekel met vlugge handen over de Spanjaarden uit, die brullen en schreeuwen en zich wringen van pijn.Maar anderen, van achteren opdringende, nemen hun plaats in; de vrouwen gaan dezen te lijf met slagzwaarden. Daar zij geen vrees voor den dood kennen, dragen zij geen schild, doch zwaaien haar groote wapenen met beide handen, en tegen de kracht van zulk een slag baat geen handigheid in het pareeren.“Piekeniers vooruit!” schreeuwt De Billy, doch een oogenblik later wordt hij gewond en van het tooneel van den strijd weggedragen en de piekeniers rukken niet snel genoeg aan, want Kenau Hasselaer veegt, aan het hoofd van haar vrouwen, het hulpravelijn schoon en drijft iederen Spanjaard, die nog leeft, in het blokhuis bij de Kruispoort.Daarna lacht zij schor: “Wij hebben het gevuld. Nu, vrouw Jannaps—uw taak!”En een vrouw, die geduldig heeft gewacht op den top van het hulpravelijn, springt naar beneden en roept, als zij een oogenblik later terugkomt, uit: “Ik heb de lont in het kruit gestoken!”Deze woorden worden bijna op hetzelfde oogenblik bevestigd en het groote blokhuis aan de Kruispoort, dat vooraf met ongeveer twintig vaten kruit in gereedheid was gebracht voor zijn Spaansche bezoekers, vliegt in de lucht, met honderd man Waalsch voetvolk van De Billy en een detachement van Vargas’ veteranen.Daarna drijven zij de laatste nog niet gewonde Spanjaarden terug over de kleine brug, en ofschoon Romero met zijn compagnie de St.-Janspoort bezet houdt, aan den anderen kant van het hulpravelijn, kan niet één der schildwachten zijn hoofd ongestraft naar buiten steken, door de hevigheid van het vuur uit de nabijgelegen huizen en van twee of drie kleine kanonnen. Voor deze ontvangst trekt Romero, die een oog bij het gevecht heeft verloren, zich met zijn manschappen terug, dat wil zeggen, met degenen die er nog toe in staat zijn, want nu komt het verschrikkelijkste van alles.Het voorbeeld volgend van den vijand, die zich berucht heeft gemaakt door zijn wreedheden, dringen de Hollanders vooruit, en langzaam en in koelen bloede, zooals slagers te werk gaan, maken zij de Spaansche gewonden af, die tevergeefs om genade smeeken.Gedurende het gevecht zijn Guy en Haring steeds aan de zijde van Kenau Hasselaer gebleven. Zoo vaak de vrouwen een uitval hebben gedaan, hebben de twee mannen er aan deelgenomen, en als zij terugkomt, klopt zij hen op den schouder, uitroepend: “Goed zoo jongens, gij hebt u flink gehouden, haast zoo flink als wij vrouwen! Gij hebt den moed om te vechten; hebt gij ook den moed om met ons den hongerdood te sterven?”In dat laatste hebben noch Haring noch Guy veel lust; zij zijn buitendien ook met een bepaald doel hier gekomen. Guy zoekt dus Ripperda op, die op den wal staat, omringd door zijn officieren, en vraagt hem verlof, om de dochter van Bodé Volckers buiten de stad te mogen brengen.“Ik ben zeer verheugd, u weer te zien, ‘Eerste der Engelschen’, en ik dacht, dat gij bij ons wildet blijven,” antwoordt de Hollandsche bevelhebber.“O, gij hebt geen gebrek aan soldaten, mannen noch vrouwen,” antwoordt Guy. “Gij hebt reeds te veel eters in de stad.”“Gij denkt toch niet, dat de vijand de stad zal innemen?”“Niet door geweld van wapenen,” antwoordt de Engelschman. “Daarom zeg ik, hoe minder monden er zijn om te voeden, hoe beter. Eenige booten met meelzouden u beter te pas komen dan een duizendtal veteranen.”“Gij hebt gelijk,” antwoordt Ripperda, terwijl zijn gelaat betrekt. “Doch ik en de mijnen, wij blijven hier, zelfs met zoodanige verschrikkingen onder onze oogen—kijk!”Het is nu dag geworden, en voorzichtig door een schietgat kijkend, uit vrees voor de Spaansche kogels, ziet Guy voor zijn oogen het beeld van een Hollandsche stad, belegerd door de Spanjaarden. Vóór hem het hulpravelijn bezaaid met dooden, de gracht er mee gevuld. Daartegenover staat een andere wal, die door de Spanjaarden is genomen en nog door hen bezet wordt gehouden. Daarachter de gracht, gevoed door het water uit het Spaarne, bewaakt door de Spaansche batterijen.Links groepen boomen en het Leprozen-hospitaal; daarachter en overal in het rond de tenten van de belegeraars, die de ongelukkige stad afsnijden van vrienden en voedsel.Chester kan op dezen afstand het wapengekletter hooren der compagnieën, die ter aflossing naar de versterkingen trekken.Verspreid over dit tooneel staan een half dozijn windmolens, en vlak tegenover hen een ander gevaarte, dat Chester als krijgsman de tanden op elkaar doet klemmen van verontwaardiging.Het is een reusachtige galg, waaraan twintig lijken bengelen, eenige aan het hoofd, andere aan de voeten opgehangen.En nu komt, als allergrootste verschrikking, de Spaansche beul met zijn helpers, om opnieuw zijnwerk te verrichten. Zij voeren op ruwe wijze eenige wanhopige schepsels met zich mede, die aan handen en voeten gebonden zijn. Zij nemen de dooden af, om de levenden op te hangen, die in het gezicht van hun kameraden en stadgenooten de lucht met hun doodskreten zullen vervullen.Een kreet van woede en smart stijgt van den wal omhoog—deze gemartelden zijn buren, waarmee men nog den dag te voren heeft gesproken, die bij een uitval in de handen der Spanjaarden zijn gevallen. En één der vrouwen gilt: “Barmhartige God, ik zie hem—zij hangen mijn Klaas op!” en kreunend valt zij neer.“Wij zullen hetzelfde doen,” roept Ripperda, “hoofd om hoofd! Roep den provoost-geweldige!”Weldra bengelen ongeveer twintig Spanjaarden op de wallen, als een afgrijselijk antwoord op de wreede uitdaging.Dit wekt opnieuw de woede van Alva’s manschappen op en zij werpen van het naburige ravelijn iets in het Hollandsche hulpravelijn.Het valt bijna aan de voeten van Guy en Ripperda.De Hollandsche bevelhebber bukt zich, om het te onderzoeken en mompelt plotseling tot Guy: “Er is een plakkaat aan het hoofd bevestigd. Kapitein Oliver van Bergen.”“Groote God!” en ontzet kijkt Guy nog eens, en nu voor het laatst, in het gelaat van zijn dooden vriend.“Wist gij dat hij dood was?” vraagt Ripperda.“Ja,” mompelt Guy, “maar ik kon het hier nietvertellen, uit vrees, dat zijn verloofde het zou hooren.”“Ja, dat meisje, Mina, zou met den patriot trouwen!” zucht de bevelhebber. Daarna vervolgt hij op schorren toon: “Neem haar met u, als gij haar levend weg kunt krijgen. Breng haar snel van hier; vertel haar niets, eer zij deze verschrikkingen achter zich heeft. Vaarwel, mijn Engelsche vriend. Als wij elkaar weer ontmoeten, zal Haarlem vrij zijn van Spaansche moordenaars.”En de beide mannen nemen afscheid, vol eerbied voor elkaar.Guy begeeft zich naar Pieter Kies en zegt: “Ik heb het verlof van den commandant. Breng mij bij Mina Bodé Volckers!”Als het meisje, dat vermagerd is door honger en angst, de kamer binnentreedt, snikt zij: “Gij zijt gekomen om mij bij Antony te brengen. Ik weet het. Ik lees het op uw gelaat.”“Ja,” antwoordt Guy met veel inspanning.“Waar is hij? Waarom kwam Antony niet met u mede?”“O hij—hij wacht ons,” stamelt Guy en gaat met Haring mee, om de toebereidselen voor de reis te treffen.De eenige kans, om het meisje uit de stad te krijgen, is, den weg over het meer te nemen. Daartoe moeten zij ’s nachts ontvluchten.Terwijl zij Mina door de Schalkwijker poort naar buiten brengen, langs de korte lijn van versterkingen en verschansingen op den linkeroever van het Spaarne, waardoor de belegerden nog gemeenschap met het meer hebben, bereiken zij het fort aan den oever,waarvan de Oranjevlag waait, en wachten den nacht af, terwijl zij hun boot gereedmaken.De nacht komt, doch voor hen veel te langzaam, want zij hebben zulk een honger. De duisternis echter is bevorderlijk aan hun onderneming.Vijf Spaansche galeien bewaken de Fuik. Er worden zeilen gezien in het Zuid-oosten. Vier van de galeien breiden haar zeilen uit, gaan op verkenning en als het nacht is, zijn zij nog niet teruggekeerd. Er blijft dus slechts één galei over, die zij hebben te verschalken, schoon zij twee patrouille-booten uitzendt.“Ik denk dat ik met deze vervloekte schepen, die ons van proviand verstoken houden, eens goed zal afrekenen,” zegt de Hollandsche bevelhebber van het fort. Hierop maakt hij drie booten gereed, om de patrouille-booten der Spanjaarden ’s nachts te overvallen.Terwijl deze uittrekken, begeven ook Chester en Haring zich in hun sloep op weg, en de galei ontsnappend, die nu in een gevecht is gewikkeld met de Haarlemmers, zijn zij weldra op het open meer, en zeilen naar het Zuiden.Vóór de dag aanbreekt, hebben zij de Kaag bereikt en gaan verder naar Delft; den volgenden avond heeft Guy aan zijn eed voldaan.Nadat hij het geredde meisje onder dak heeft gebracht en goed verzorgd weet in de herberg genaamdDe Vergulde Toren, begeeft Chester zich naar de gelagkamer en heeft daar een wonderbaarlijke ontmoeting. Een man, wiens oogen wild in hun kassen rollen, staat op als hij hem ziet,en mompelt klappertandend: “Hel en duivel! Dat is een doode!”Het is de koopman Bodé Volckers, die zich reeds maanden lang in Delft ophoudt, om den prins van Oranje te smeeken, zijn dochter te redden.“Dat ben ik niet,” fluistert Guy, en voegt er norsch aan toe: “Houd op met dat klappertanden, totdat gij mij hebt aangehoord,” en Niklaas’ arm nemend, brengt hij hem naar een afzonderlijk vertrek.“Dus hebt gij mij herkend?” vraagt de Engelschman met gedempte stem.“Ja, maar gij zijt dood. Reeds maanden geleden kwam het bericht in Antwerpen, dat kolonel Guido Amati gedood was in het gevecht op het ijs door den ‘Eerste der Engelschen’!”“Neen, ik ben hersteld van mijn wonden!”“Dan, ongelukkige man, zijt gij, als zij u, een kolonel in het Spaansche leger, hier ontdekken, er nog erger aan toe, dan dat gij dood waart. Ik zal u echter niet verraden,” mompelt Bodé Volckers. “Gij hebt mijn kind eens gered, al hebt gij haar ook naar een plaats gebracht, waar haar nog grooter gevaar wachtte.” En eensklaps roept hij uit, zijn handen wringend: “Red haar opnieuw, mijn Mina! Zij is in Haarlem! In de oogen der Spanjaarden een uitgewekene, omdat zij zich aan de justitie onttrokken heeft. Als zij de stad innemen, is zij verloren. Gij staat bij Alva in gunst, smeek hem om genade voor haar. Gij hebt invloed bij zijn dochter, spreek tot haar!”“Dat is onnoodig,” antwoordt Guy. “Ik heb uw dochter reeds in veiligheid gebracht!”“Hoe is dat mogelijk? Er waar is zij dan?”“Hier, inDe Vergulde Toren!”“Hier? Goddank! Hebt gij haar uit Haarlem bevrijd? Breng haar bij mij, mijn Mina, die verloren was—mijn Mina, die teruggevonden is!”En de oude man is als krankzinnig van vreugde, grijpt Guy’s hand en overlaadt hem met zegenwenschen.Het volgend oogenblik wil hij heensnellen om zijn kind te zien, voor wie hij zooveel angst heeft uitgestaan, maar Guy houdt hem terug en zegt: “Eerst moet ik u iets zeggen.”“Wat is het? Houd mij niet tegen.”“Het is slechts terwille van haar,” antwoordt hij en doet verslag van Oliver’s dood, er fluisterend aan toevoegend: “Deel het haar mede—ik heb het trachten te doen, maar ik kon het niet.”Chester is nu genoodzaakt, om in zijn verhaal te laten invloeien, wie hij werkelijk is, en dit schijnt Bodé Volckers zelfs nog meer te treffen, dan de dood van den schilder. Hij brengt verwonderd uit: “Gij! De ‘Eerste der Engelschen’! Gij? En gij zijt in Antwerpen geweest—heeft een sterveling ooit zoo iets durven wagen? Tien duizend kronen staan nu op uw hoofd, sinds het gevecht op het ijs. Hoe hebt gij zoo uw leven kunnen wagen?” Maar nu roept hij plotseling uit: “O! Bij den hemel! Gij zijt verliefd op Alva’s dochter!”“Ja,” zegt Guy, die voelt, dat hij dezen man op zulk een wijze aan zich heeft verplicht, dat zijn geheim veilig bij hem is. “Zij is mijn verloofde, ik hoop met de dochter van den Hertog te trouwen.”“Dan moet gij u haasten, jonge man, dan moetgij u haasten,” zegt Bodé Volckers op plechtigen toon.“Waarom?”“Omdat—o, nu vermoed ik ook de reden!—het was na den dood van Guido Amati—omdat zij vroom is geworden. Men zegt, dat zij non wil worden.”“Non!” krijt Guy. “Omdat zij gehoord heeft, dat Guido Amati dood is! Dat is een zonderling wreede scherts!” en hij barst terwijl hem het hart in de schoenen zinkt, in een afgrijselijk gelach uit en bespot zichzelven, terwijl Bodé Volckers heensnelt om zijn dochter in zijn armen te sluiten.HOOFDSTUK XVIII.“IS HET EEN DROOM?”Na eenigen tijd keert Bodé Volckers terug van het onderhoud met zijn dochter, en in zijn Vlaamsche oogen ligt een treurige uitdrukking. Als hij Guy ziet, die op hem heeft gewacht barst hij uit: “Die schilder Oliver! Welk recht had zulk een man, om iets anders lief te hebben dan zijn vaderland? Welk recht had hij, wiens leven aan een zijden draad hing, om mijn kind lief te hebben?”“Het recht, dat alle menschen hebben om het schoone te beminnen,” zucht Guy, die door de verrassende mededeelingen van Bodé Volckers met betrekking tot Dona de Alva’s kloosterplannen, niet enkel romantisch gestemd is, maar ook weemoedig.“Doch niet het recht om het schoone op te offeren. Oliver’s verraad tegenover Alva bracht Mina in gevaar, en nu heeft zijn dood haar het hart gebroken. Zij kan zelfs niet meer naar huis gaan uit vrees voor Alva’s pijnbank. Alva!” roept de koopman met verheffing van stem uit, “die mij en de mijnen in ellende heeft gestort, die mij heeft geruïneerd!”“U geruïneerd? Hoe?” vraagt Guy teleurgesteld. Hij heeft op den koopman gewacht, daar hij geldelijke hulp noodig heeft, en diens woorden klinken hem dus niet heel aangenaam in de ooren.“Hoe?” herhaalt Bodé Volckers. “Allereerst door mijn huiselijk leven te verwoesten, in de tweede plaats door mijn handelszaak naar den kelder te brengen met zijn tienden penning, en in de derde plaats door mij, als een gedwongen leening aan het Spaansche gouvernement, vijfhonderd duizend kronen af te nemen.”“Wenscht gij ze terug te hebben?”“Hemel en aarde,—ja! Maar het geld is zoo goed als verloren. Wat praat gij voor onzin?” zegt de koopman op spottenden toon.“Het is geen onzin!”“Geen onzin te beweren, dat Alva zijn schulden zal terugbetalen?”“Neen, want ik zal ze voor hem terugbetalen.”“Gij—een krijgsman—vijfhonderd duizend kronen betalen! Gij zijt uw verstand kwijtgeraakt door al uw avonturen,” roept Bodé Volckers uit, die denkt, dat Guy hem voor den gek wil houden.“Volstrekt niet. Schiet mij tien duizend kronen voor, waag u leven, evenals ik het mijne waag, en ik zal u vijfhonderd duizend kronen teruggeven en u in de gelegenheid stellen, u te wreken.”De Engelschman zegt dit alles fluisterend, doch op vasten toon, hij heeft de zaak goed overdacht en is tot het resultaat gekomen, dat, nu Oliver is heengegaan, Bodé Volckers met zijn Antwerpsche pakhuizen, Antwerpsche schepen en kennis vanAntwerpsche toestanden, juist de man is om hem in deze zaak te helpen, als hij er tenminste den moed toe heeft.“Mijn leven wagen? Ik zou het honderdmaal wagen als ik mij daardoor wreken kon op den man, die mij van alles heeft beroofd!”“Goed, kom dan mee naar mijn kamer, wij moeten die zaak in het geheim bespreken,” zegt Guy, die er nu zeker van is, dat, al zou Bodé Volckers zijn leven ook niet wagen uit vaderlandsliefde, hij het een dozijn keeren zou doen, om zijn vijfhonderd duizend kronen terug te krijgen. De beweegredenen, waaruit de man handelt, gaan hem echter niet aan, alleen zijn daden.Als zij op Chester’s kamer zijn gekomen, zegt de koopman: “Wat wenscht gij van mij?”“Allereerst heb ik honderd kronen noodig om Jan Haring te betalen, die mij heeft geholpen om uw dochter buiten de wallen van Haarlem te brengen.”“Ik wil—ik wil Haring heel gaarne zelfs duizend kronen geven. En u mijn liefde, mijn genegenheid, en alles wat gij slechts wenscht, omdat gij mijn Mina voor vernedering en dood hebt bewaard,” antwoordt de koopman op dankbaren toon.“Uw leven soms ook?”“Ja, dat wil ik ook geven, om mij op Alva te wreken.”“Als dat zoo is,” zegt Guy, “luister dan naar mij.” En nadat hij Bodé Volckers geheimhouding heeft laten zweren, vertelt hij hem alles van het geheim van Alva’s standbeeld, alles van Alva’s schat, want hij begrijpt, dat hij dezen man, wiensleven hij in de waagschaal stelt ten behoeve van zijn eigen zelfzuchtige bedoelingen, zijn volkomen vertrouwen moet schenken.“Goed. Wat verlangt gij dat ik zal doen?” herneemt de Vlaming, wiens oogen beginnen te schitteren, als hij hoort van Alva’s verborgen schatten, terwijl zijn ziel van vreugde wordt vervuld, als hij denkt aan den buit. “Zou ik niet een weinig meer kunnen terugkrijgen—interest tenminste?”“Top, ook interest—zeshonderd duizend, als uw leven u iets waard is—wij zullen er zevenhonderd en vijftig duizend van maken.”“Goed—nu tot de zaak! Wat hebt gij noodig?”“Allereerst, want de tijd dringt, heb ik zoo spoedig mogelijk papieren van uitklaring noodig van de stad Amsterdam voor deEsperanza, die nog in de haven van Vlissingen ligt. Kunt gij ze mij verschaffen?”“Van Amsterdam? Onmogelijk! Doch ik kan u uitklaring en carga van Stockholm verschaffen.”“Dat zal ons twee weken ophouden—noem een haven, die dichter bij is.”“Van Duinkerken? Daarmee zijn slechts drie of vier dagen gemoeid.”“Van Duinkerken! Best,” antwoordt Chester. “Met deEsperanzazeil ik dan, op u geconsigneerd als kapitein Andrea Blanco, nog eens rechtstreeks de haven van Antwerpen binnen en blijf daar liggen, totdat ik mij van Alva’s schat en Alva’s dochter heb meester gemaakt. Is het in die stad bekend, dat gij hier zijt?”“Neen. Daarvoor heb ik gezorgd,” zegt BodéVolckers. “Men denkt, dat ik in Frankrijk ben, om Lyonsche zijde te koopen. Ik zal zelf met u naar Duinkerken varen. Dat werpt een schijn van waarheid over alles—Lyonsche zijde uit een Fransche haven.”“En als het later ontdekt wordt, dan kost het u het leven.”“Om ’t even,” zegt de Vlaming. “Antwerpen’s handel gaat te gronde en ik ga de stad uit met alles, wat ik bij elkander kan brengen. Die zevenhonderd en vijftig duizend kronen zullen er mij weer bovenop helpen.”Zoo worden alle schikkingen gemaakt en ieder onderdeel geregeld; er wordt besloten, dat Mina rustig in Delft zal blijven, dat op het oogenblik de meest geschikte plaats voor het meisje is.“Zij is onverschillig voor alles,” klaagt Bodé Volckers en voegt er, op de tanden knarsend, aan toe: “Doch ik zal mij op den man wreken, die haar tot de geeseling en het spinhuis wilde veroordeelen en mij, enkel omdat ik haar vader ben, heeft beroofd van vijfhonderd duizend kronen.”Denzelfden avond overhandigt Guy Jan Haring van Hoorn een beurs met goud, zeggende: “Dit is een belooning voor het gevaar, waaraan gij u om mijnentwille hebt blootgesteld.”“Wel, sapperloot!” roept de Hollandsche visscher uit. “Dit is meer geld, dan ik ooit bij elkaar heb gezien. Ik neem echter niets aan voor een goede daad.”“Gij hebt vrouw en kinderen, neem het voor hen en voor de uitgaven, die gij hebt te doen om naarhet Noorden terug te keeren; ik wenschte buitendien dat gij een particuliere boodschap van mij daarheen overbracht.”Zoo wordt het dus geschikt, dat Haring terstond naar Noord-Holland vertrekt met orders voor Dalton om deDover Lassonmiddellijk naar Vlissingen te brengen en zoo hij Guy en deEsperanzadaar niet mocht vinden, naar Zuid-Beveland te zeilen en het anker uit te werpen in het Kromvliet. Dit is voor het oogenblik niet zeer gevaarlijk, daar de Spaansche galjoenen zich bijna alle te Amsterdam bevinden, om hulp te verleenen aan de belegeraars rondom Haarlem.Den volgenden morgen vertrekt Haring naar het Noorden en begeven Guy en Bodé Volckers zich per schip naar Vlissingen, waar deEsperanzaligt.Guy heeft ongeveer tien zijner manschappen aan boord van dit schip gelaten en dit aantal is voldoende, om naar Duinkerken te zeilen, waar hij carga inneemt van Bodé Volckers’ agenten in die plaats en papieren van uitklaring op Antwerpen krijgt.Als zij deze haven verlaten, zeilen zij opnieuw naar Vlissingen en vinden tot hun groote vreugde deDover Lassop hen wachtend, daar Haring zeer snel heeft gereisd, Dalton zijn orders stipt heeft uitgevoerd en deDover Lassbuitendien terstond onder zeil kon gaan, omdat de haven van Enkhuizen reeds geheel vrij was van ijs.“Bij alle zeemeerminnen!” roept zijn eerste officier uit, als hij zijn commandant ziet, “wij dachten, dat gij dood waart—verdronken bij dien vervloekten Diemer dijk. Dat is kostelijk nieuws.”“En ik heb toch nog beter nieuws voor u,” lacht Guy.“En dat is?”“Geld om de bemanning te betalen!” Waarop de Britsche pikbroeken luide juichkreten doen hooren.Daarna haalt Guy het geld van Bodé Volckers voor den dag en rekent met zijn zeelieden af.Den volgenden morgen kiest hij de manschappen uit, die den vorigen keer ook reeds mee zijn geweest naar Antwerpen en laat zich door deDover Lassvergezellen tot aan het Kromvliet, waar zij het anker uitwerpt bij de Bevelandsche kust, terwijl hij verder gaat naar Antwerpen, de wachtbooten bij Lillo passeert en naar de dokken zeilt, nog ongeduldiger verlangend naar een ontmoeting met Alva’s dochter dan naar het buitmaken van Alva’s schat.Hij begrijpt, dat het zaak is, met het laatste zooveel mogelijk haast te maken. Gedurende zijn gevechten en schermutselingen is zijn gelaat aan vele Spaansche krijgslieden bekend geworden, en ofschoon de meeste nog in Holland zijn, zijn er toch eenige, die gewond werden, voor hun herstel hier. Gelukkig zijn dezen gebonden aan hun kamer en hun bed, daar enkel de zwaar gewonden uit het leger worden weggezonden,—Spanje toch heeft iederen man noodig bij het beleg van Haarlem—maar met tien duizend kronen op zijn hoofd bevindt de “Eerste der Engelschen” zich in elk geval in groot levensgevaar.Om geen tijd verloren te laten gaan, begeeft Chester zich, zoo goed mogelijk vermomd als kapitein Andrea Blanco, naar het huis van den koopman,om schikkingen te treffen, teneinde zijn carga te lossen. Weldra zijn zij in een ernstig gesprek gewikkeld, waarin Guy Bodé Volckers, die de zaak nu met hart en ziel is toegedaan, opdraagt, zooveel mogelijk informatiën in te winnen omtrent het huis van de Spaansche vrouw, senora Sebastian, als hij opeens alleraangenaamst wordt verrast.Hij hoort de stem van de gravin De Pariza in den winkel achter het kantoor, waar hij met den koopman zit. Deze stem kwam hem tot nu toe altijd hard, onaangenaam en afstootend voor, maar nu klinkt zij hem zoo zoet als een engelenstem in de ooren, als zij zegt: “Ik kom om een weinig wit Fransch mousseline voor Dona de Alva te koopen. Gij behoeft er niet veel ellen van uit te meten, daar Dona Hermoine weldra naar Spanje vertrekt, om in een klooster te gaan.”“Zal ik het goed voor Uwe Genade in de Citadel laten bezorgen?” vraagt de volijverige bediende.“Neen, ik zal het zelf meenemen. Het weer is zoo prachtig, dat Dona Hermoine en ik nu reeds voor den zomer onzen intrek hebben genomen in het landhuis te Sandvliet. Doch snel wat, jonge man, de staatsbarge wacht.”Deze woorden verjagen alle gedachten aan Alva’s schat uit Guy’s hoofd.“Geef mij eenige nadere inlichtingen,” fluistert de koopman, “omtrent het huis van de Spaansche vrouw.”“Ik heb u gezegd, waar het ligt. Morgen zal ik verder met u spreken. Wat is de snelste manier, om te Sandvliet te komen?”“De snelste is te paard, maar zij is niet de veiligste.”“Ik kies de snelste.”“Door de schildwachten van Lillo? Gij zult aangehouden worden! Gij moet een pas hebben!” Vervolgens fluistert de koopman, waarschuwend: “Gaat gij als kapitein Andrea Blanco of als kolonel Guido Amati, of als die andere?” Bodé Volckers wordt zoo wit als de dood, als hij die laatste opmerking maakt.“Als—Goede God! Ikmoetimmers gaan als kolonel Guido Amati!”“Meent gij, dat gij fort Lillo kunt passeeren met een pas ten name van kolonel Guido Amati, die reeds drie of vier maanden geleden als dood is opgegeven?” zegt Bodé Volckers. “Een jaar geleden zoudt gij Lillo hebben kunnen passeeren alskapiteinGuido Amati, maar alskolonelGuido Amati, een man van rang, een man, die aan het hoofd van een regiment stond, een man bovendien, die in een dagorder vermeld werd onder de dooden—neen, neen, gij werpt uw leven weg en zult het meisje niet winnen. Gij werpt den schat weg en offert mijn leven op.”“Gij hebt gelijk,” zegt Chester neerslachtig, “maar ik moet haar zien.”“Ga dan met een boot, dat is de eenige veilige manier,” antwoordt Niklaas.“Nu goed; ik zal de sloep van deEsperanzanemen; daarmee komt men snel vooruit en ik zal alle mogelijke zorg voor mijzelf dragen—omharentwillehet meest,” antwoordt Guy. “Het zou niet goed voor haar zijn, opnieuw om Guido Amati te treuren. Doe gij intusschen hier, wat gij kunt. Ik ben morgen vroeg terug.”Met deze woorden verlaat kapitein Andrea Blanco het kantoor van den koopman, begeeft zich aan boord van deEsperanzaen vermomt zich, zoo goed als hij kan, als kolonel Guido Amati; want tengevolge van zijn wonden, ziet hij bleek, terwijl vermoeienissen en angst rimpels van zorg in zijn voorhoofd hebben gegroefd.Ondanks dit alles ligt er een glans van innig geluk en vreugdevolle verwachting op het gelaat van den stoutmoedigen jongen man, als hij in zijn boot, voortgeroeid door zes flinke mannen, de Schelde afglijdt.En zijn gelukkige stemming wordt nog verhoogd, als hij, met vluggen stap en zwierig uitgedost in satijn en zijde,—zooals het een cavalier betaamt, die de dame van zijn hart gaat bezoeken,—uit zijn boot aan den dijk stapt, ongeveer een halven mijl ten Westen van Sandvliet, waar een nette landingsplaats is met sierlijke treden tot aan het water ten gebruike van dames, en vanwaar een lommerrijke laan van populieren leidt naar het fraaie kasteel, door Alva voor zijn dochter gebouwd, om er de zomermaanden door te brengen.Het huis ligt aan het eind van de laan op den dijk, en men heeft daar een heerlijk uitzicht op de Schelde. Een der vleugels reikt zelfs tot aan het water, een boot zou tot vlak onder de ramen kunnen varen.Het is een ruim gebouw, bestaande uit het hoofdgebouw en twee vleugels; de eene vleugel aan het water, met zijn balkons en zonneblinden, is zeker het gedeelte, waar de dochter van den Onderkoningzelve woont, de andere vleugel is, voor zoover Guy, als hij naderbij komt, er over kan oordeelen, bestemd voor het gebruik van de bedienden en bevat de keuken, de provisiekamers enzoovoort. Het hoofdgebouw wordt waarschijnlijk gebruikt voor de ontvangst van bezoekers en het geven van partijen.Het geheel is een schoone en ruime villa, gebouwd met Moorsche bevalligheid en Oostersche pracht. Dit kan men gemakkelijk reeds op een afstand zien, want overal zijn van buiten zonneblinden aangebracht en sommige ramen zijn van geschilderd glas.Voor het huis langs den dijk is een aardige tuin; de boomen,—het is reeds Mei,—zijn vol jonge blaadjes in hun eerste groen en frissche schoonheid. In de grasperken zijn eenige bloemen geplant, waarschijnlijk gekweekt in broeikassen.Aan het eind van den tuin is een klein tuinhuisje, begroeid met wijngaardranken en met de open zijde naar den waterkant. Dit trekt dadelijk Guy’s aandacht, als hij een onderzoekenden blik in het rond werpt, alvorens zijn komst aan te kondigen door, volgens het gebruik van die dagen, in de handen te klappen.Als hij nauwkeuriger uitkijkt, ontdekt hij een witte japon. Zijn hart begint sneller te kloppen, zijn liefde zegt hem, dat zij het is, die hij eens in zijn armen hield.Bij de haag staat een populier. Guy grijpt hem vast en springt over de heg in den tuin, nadert het tuinhuisje—en wat hij daarbinnen ziet, berooft hem bijkans van zijn bezinning.Hermoine de Alva—haar gelaat gedeeltelijk vanhem afgewend en haar oog op de Schelde gericht, achterover liggend op een lage rustbank met zijden kussens bedekt, haar eene hand het fraaie hoofdje ondersteunend, een harer voetjes te voorschijn komend onder de plooien van haar gewaad, haar bevallige figuur gekleed in een zacht wit gewaad, afgezet aan den hals, de mouwen en den zoom met een smal, zwart randje—vertoont een beeld, waarop zijn oogen, die dien aanblik zoolang hebben ontbeerd, uren lang onbeweeglijk zouden kunnen staren in een soort van droomende verrukking.Doch Chester is niet de man om te droomen, als hij in de gelegenheid is, zijn beminde te omhelzen. Hij staat slechts een oogenblik stil, om er over na te denken, hoe hij den schok kan voorkomen, dien het zien van een dood gewaande haar zou kunnen geven.“Zij zal mij voor een geest houden en bang voor mij zijn,” overlegt hij; want geesten en hekserij en het bovennatuurlijke waren in dien tijd aan de orde van den dag.Terwijl hij daar nog aarzelend staat, neemt het meisje een gebedenboek op, dat naast haar ligt, en dwingt zichzelve om te lezen, doch zuchtend legt zij het weer uit de hand. Als zij zich beweegt, schittert er iets aan haar blanke hand. Het is de ring, dien hij haar gaf, en Guy kan zich niet langer bedwingen.“Van vreugde sterft men niet, anders was ik zelf al lang dood,” denkt hij; vervolgens zegt hij op lossen toon, bijna aan haar oor: “Dona Hermoine, waarom heet gij mij niet welkom?”“Heilige Maagd! die stem—,” stamelt het meisje. “Die stem—!” Opspringend en hem scherp aanziende, hijgt zij: “Madre mia! Guido! Mijn Guido, die dood is!” en fluistert vervolgens met bleeke lippen: “Uw geest kan niet gekomen zijn, om mij verwijten te doen—dat kunt gij niet, daar ik mij aan den hemelschen Bruidegom heb gewijd na uw dood!” En haar mooie oogen staren hem vol schrik en ontzetting aan.“Niet dood, maar enkel gewond; daarom heb ik verlof tot herstel van gezondheid. Aan dooden geven zij zulk een verlof niet.” En meenende het bovennatuurlijke het best met het alledaagsche te kunnen verdrijven, vervolgt Guy:“Zoudt gij mij niet uitnoodigen voor het middagmaal?”“Een middagmaal voor eengeest!” Dit komt als een wilde kreet over Hermoine’s lippen, en haar gebedenboek met het vergulde kruis op zijn fluweelen omslag omhoog houdend, begint zij: “Exorcizare te—”Doch hij roept uit: “Ik ben geen geest! Bezweer mij niet, ik ben geen geest!”“Geen geest?Onmogelijk! Ik heb rouw over u gedragen—sinds—die Jobstijding—van het gevecht op het ijs—toen die wreede Engelsche moordenaar en zijn manschappen u doodden.”“Mij niet! Ofschoon zij mij hier en daar leelijk toetakelden—een houw over het hoofd en een kogel in het lichaam. Ik wil u bewijzen, dat ik niet dood ben. Zijn dit de lippen van een geest? Herinnert gij ze u?”Guy slaat zijn armen om het meisje heen, dat half bezwijmd is, en tracht door kussen een eind aan haar twijfel te maken.En hij bereikt zijn doel zóó goed, dat het meisje uitroept: “Levend! Ja, ja, gij zijt levend! uw hart klopt tegen het mijne. Mijn Guido leeft!” en zij barst in tranen uit, alsof zij smart in plaats van vreugde ondervond.Wat Guy betreft, hij stelt zich ruimschoots schadeloos voor zijn langdurige gedwongen afwezigheid, zoodat Dona de Alva bloost doch tegelijkertijd straalt van geluk en opnieuw bloost en fluistert: “Gij—gij behoeft mij niet zoo herhaaldelijk te bewijzen, dat gij leeft. Ik weet nu wel, dat uw lippen niet die van een geest zijn.” En zij voegt er op verwijtenden toon aan toe: “En gij liet mij zoolang treuren.”“Ik was een gevangene—” begint Chester.“Een gevangene!—Zij maken geen gevangenen!”“De ‘Eerste der Engelschen’ wel! En dan mijn wonden!” zoo verdedigt Guy zich op meewarigen toon.“O ja, uw zware wonden. Ik—ik zal u verplegen.”“Ja, onder uw handen zal ik zeker spoedig herstellen,” zegt hij met een stralend gelaat en vervolgt opgewonden:“Ik zal niet gezond worden eer—”“Eer wat?”“Eer ik met u getrouwd ben.”“Met mij getrouwd zijt!” En juffrouw Brunette bloost tot in haar sneeuwwitten hals, zij slaat de oogen neer, ofschoon zij van geluk schitteren.“Ja, dezen keer, dat ik hier ben, trouw ik met u!” Hij fluistert het, en toch klinkt het wild en hartstochtelijk.En nu brengt Hermoine hem in verbazing, want zij antwoordt, hem dapper in de oogen kijkend, op vasten toon: “Ja, dezen keer zal het gebeuren!” en zij stamelt: “Ik zou niet opnieuw zooveel kunnen lijden. Als gij vertrekt, ga ik met u, kolonel Guido Amati de Medina zal een vrouw hebben. Doch gij moogt er niet over denken, naar het leger terug te keeren, eer gij volkomen hersteld zijt, en dat zal lang duren, vrees ik,” en het meisje beschouwt het kleine litteeken op het voorhoofd van haar beminde, alsof het een doodelijke wonde was.En hij beschuldigt zich nu van groote onhartelijkheid, hij noemt zich een ellendeling, dat hij haar zoolang heeft laten treuren; wat beteekende plicht, wat beteekende zijn eed, vergeleken bij de wreede smart, die haar gelaat heeft omfloerst?Een oogenblik later doet zijn liefste Guy schrikken. Zij roept plotseling uit: “Wel, wat is de kleine De Busaco toch een goed profeet! Hij—hij heeft zeker het tweede gezicht!”“De Busaco! Hebt gij hem dan gesproken?” roept de gewaande Guido Amati onthutst uit.“Ja, hij is op fort Lillo in garnizoen, daarheen gezonden om te herstellen. De arme kleine luitenant kreeg het koudvuur in zijn wonden, die hij had opgedaan in het gevecht op het ijs. Toen ik hoorde, dat hij het was, die u het laatst had gezien, mijn Guido,”—zij neemt, dit zeggende Guy’s hand in de hare, alsof zij vreesde, dat zij hem opnieuw zou verliezen,—“zond ik om hem en informeerde handig—als geschiedde het slechts uit belangstelling in een goede kennis—o, ik beheerschte mij goed!—hoe gij waart gevallen. En hij vertelde het mij; doch eer hij mij verliet, zeide hij: ‘Ik wed, dat gij kolonel Guido Amati toch niet voor het laatst hebt gezien.’ ‘Waarom niet?’ bracht ik met moeite uit, met nieuwe hoop in mijn hart. ‘Zaagt gij hem dan niet vallen?’ ‘Ja,’ zeide De Busaco achteloos, en ik vond zijn manier van doen heel vreemd, ‘doch mijn vriend, kolonel Guido Amati, heeft, als een kat,negenlevens en hij heeft er nog maar één van opgeofferd.’ Vermoedde hij misschien, dat zij uw leven zouden sparen?”“Misschien,” antwoordde Guy. “Deze Engelsche moordenaar, zooals gij hem noemt, spaarde mij niet alleen, doch redde mijn leven, zorgde voor mij, nam mij mee naar Enkhuizen en toen ik daar doodziek lag met hevige wondkoortsen, zorgde hij er voor, dat ik zoo goed werd opgepast, alsof hijzelf het was.”“Dus hij is geen Engelsche moordenaar?”“Neen, hij is een Engelsche ridder, en ik hoop, dat de tijd nog eens zal komen, dat gij zult zeggen, dat hij een edelman is, uw achting waard.”“Dat is hij nu reeds! Hij redde uw leven voor de messen van die wreede Hollandsche vrijbuiters,” zegt het meisje plotseling; daarna mompelt zij op verschrikten toon; “En ik zette Papa er toe aan, den prijs op het hoofd van uw redder te verhoogen. De hemel vergeve mij!—tien duizend kronen staan nu op het hoofd van den man, die uw leven redde!”“Diable!” antwoordt Guy, niet zeer ingenomenmet hetgeen hij hoort. “De Engelschman is heel goed in staat voor zichzelven te zorgen, wij zullen dus maar van hem afstappen en terugkeeren tot kolonel Guido Amati.”“Apropos van hem,” lacht Hermoine, “de geest vroeg, meen ik, om een middagmaal.—Verlangt het spook geestelijke oesters, kabouterachtige tarbot en ragout uit den heksenketel?” en het meisje, nu een beeld van stralende vreugde, klapt in de handen.“Neen,” antwoordt Guy, “maar de geest zal een reuzenmaaltijd houden met verlof van het meisje uit het betooverd kasteel, en zij mag den wijn zoo krachtig maken als zij wil.”“Kom dan, want ik ben van plan het gemeste kalf voor u te slachten!” En Hermoine wil de hand van haar ridder vatten, om hem naar het priëel te geleiden.Doch Chester aarzelt eensklaps en fluistert: “De gravin De Pariza—wat zal uw duena zeggen?”“Zij zal niets zeggen,” merkt Dona de Alva luchtig op. “De gravin De Pariza zal vanavond niet thuis zijn.”“Niet? Ik meende, dat zij de staatsbarge bij zich had.”“Ja. Zij houdt de barge bij zich in Antwerpen. Zij overnacht bij de gravin van Mansfeld. Sedert dien nacht—gij herinnert hem u immers, den nacht, dien ik zegen?—toen gij mij uit de handen der Geuzen bevrijd hebt, vreest de gravin De Pariza de Watergeuzen meer dan de vijanden uit de andere wereld, en ofschoon het heet, dat zij hier woont, is zij zooveel mogelijk iederen nacht afwezig. Zij komt niet terug voor morgenochtend.”“Dat is een buitenkansje,” lacht Guy, in zijn hart Dirk Duyvel en zijn zeeschuimers zegenend, “dat zal ons voor veel onaangenaamheid bewaren; ik zal u altijd ’s avonds komen bezoeken. De gravin De Pariza kan haar tong niet in bedwang houden.”“Neen, dat kan zij ook niet,” roept het meisje uit, “ik zal het haar echter leeren!” en op dit oogenblik is zij geheel Alva’s dochter. “Maar ga nu mee in huis. Gij zijt hongerig, en met uw wonden moet gij versterkend voedsel hebben. Kom mee aan het avondeten.”En Guy laat zich gedwee naar dezen maaltijd leiden, met den eetlust van een zeeman en volstrekt niet met dien van een geest. Dona Hermoine neemt zijn arm, alsof zij vreesde hem te zullen verliezen. Als zij in de ruime vestibule van dit schoone buitenverblijf zijn gekomen, klapt zijn schoone dame in de handen, en de twee Moorsche meisjes, die Guy reeds vroeger heeft gezien, snellen toe.“Alida, maak een kamer in orde voor dezen heer, die met mij het avondeten gebruikt,” beveelt Hermoine. Waarop een der meisjes, met een dienaresse, haar meesteres iets in het oor fluistert.Hierop barst Dona de Alva in lachen uit, en zegt: “Zeker. Hij is mijn vriend, kolonel Guido Amati, dien gij met denzelfden eerbied moet behandelen als mij. Senor, als gij terugkomt, vindt gij den reuzenmaaltijd, dien gij besteld hebt, gereed.”Waarop Guy, het Moorsche meisje,—hetzelfde, dat hem indertijd het pakje in de Citadel heeft gebracht en dat de vertrouwde dienstmaagd van zijn beminde schijnt te zijn,—volgend, zich weldra bevindt in eenzoo luxueus ingerichte kamer, als hij ooit heeft gezien, ofschoon zij duidelijk de sporen draagt, voor een heer te zijn bestemd. Aan de muren hangen wapenen, in de aangrenzende kleedkamer staan mannenlaarzen en op de toilettafel ligt een misboek, fraai ingebonden, met het kasteel met de drie torens, een raaf op iederen toren—het wapen van Alva—er op;—hierin ligt een boekelegger, kunstig bewerkt en geteekend: “Uw Hermoine”.“Welk mannelijk wezen,” denkt Guy bij zich zelven, half jaloersch, “is gewoon zich hier zoo huiselijk in te richten?” En zich tot het meisje wendend, dat hem hierheen heeft geleid en dat hem met nieuwsgierige, verwonderde oogen aankijkt, vraagt hij: “Zijn dit de vertrekken van een heer?”“Ja! Het is de kamer van Zijne Hoogheid den hertog van Alva, als hij ons met zijn tegenwoordigheid vereert,” antwoordt het meisje met een diepe buiging en verlaat Guy, die nu het heiligdom van zijn vijand opneemt.“Drommels!” denkt hij, “nu ben ik met recht in het hol van den leeuw.” En naar de pracht van de draperieën en den hemel van het bed kijkend, mompelt hij: “Een week geleden sliep ik in de herberg van Hasselaer te Haarlem!” en als al de verschrikkingen van den honger en den dood in de belegerde stad hem opnieuw voor den geest komen, schijnt zijn tegenwoordige weelderige omgeving hem bijna een droom toe.Maar om geen tijd te verliezen,—want hij verlangt naar zijn beminde en ook naar zijn maaltijd,—borstelt de jonge man alle sporen van de reis van zich afen bedient zich daarna van zachter handdoeken, dan hij ooit in zijn gespierde handen heeft gehad.En als hij vervolgens de breede eikenhouten trap afgaat naar de vestibule, wordt hij door het andere Moorsche meisje geleid in een vertrek, dat nooit uit zijn geheugen zal gaan—misschien niet om den indruk, dien het eerst op hem maakte, maar om hetgeen er later in gebeurde.Het is een statig gewelfd vertrek in den rechtervleugel van het huis; een groot, vooruitstekend venster komt vlak aan het water van de Schelde uit, waardoor men het geklots van de golven kan hooren, want het venster is geopend en de zeilen zijn neergelaten om de ondergaande zon buiten te houden. Aan de eene zijde is de muur verdeeld in drie groote nissen. Daarvoor hangen zware gordijnen van dik Vlaamsch tapijtgoed, versierd met gouden kwasten, die dit vertrek scheiden van een ander, dat er achter ligt. Hier tegenover aan den tuinkant zijn vensters, die uitkomen op een balkon, beschut door schitterend gekleurde zeilen en voorzien van gemakkelijke zitplaatsen.Op een met kussens bedekte sofa bij het vooruitstekende venster zit, terwijl de stralen van de ondergaande zon haar donker haar beschijnen, Hermoine. Bij zijn binnenkomst staat zij echter op, om hem te gemoet te gaan en zegt: “Ik heb geen toilet gemaakt; ik kon het niet over mij verkrijgen, u te laten wachten, gij zijt zoo hongerig!” waarop zij, in de handen klappend, uitroept: “Terstond opdienen!”Onmiddellijk openen zich de zware gordijnen, weggetrokken door gouden koorden voor twee van dedeuropeningen en de eetkamer wordt zichtbaar, waarin een tafel staat, bedekt met een sneeuwwit tafellaken, waarop goud en zilver schittert, Venetiaansch glaswerk fonkelt en een overvloed van bloemen een liefelijken geur verspreidt.“Kolonel Amati,” fluistert Hermoine, en haar blanke hand in de zijne leggend, gaan zij samen naar binnen, om den maaltijd te gebruiken, die zoo weelderig is aangericht, als Guy nog nooit, zelfs niet aan het hof van Elizabeth, heeft gezien; want er zijn allervreemdste voorwerpen om mee te eten, vorken genaamd, waarvan hij het gebruik niet kent, en als Engelschman geeft hij de voorkeur aan zijn vingers en een servet.Doch zijn gastvrouw is er op gesteld om hem het gebruik van deze Italiaansche uitvinding te wijzen, en toont hem, hoe hij dit instrument aan zijn mond kan brengen, zonder in zijn tong te prikken, waarbij Guy lacht en op treurigen toon uitroept: “Ik smeek u, Dona Hermoine, laat mij niet meer bloed verliezen!”Hierop verbleekt zij een weinig, en hem aankijkend, fluistert zij: “Uw wonden, o ja—uw zware wonden. Eet en word sterk om mijnentwille.” En zij noodzaakt hem vol bezorgdheid, een reuzenmaaltijd te houden, waarvan hij volstrekt niet afkeerig is, daar de keuken uitstekend is en de wijn van de fijnste Spaansche merken en afgekoeld met ijs—een nieuwe mode, waaraan de Engelschman volle recht laat wedervaren.Al dien tijd eet het meisje niets, en schijnt genoeg te hebben aan hetgeen haar oogen zien.“Gij—gij eet niets, mijn Hermoine,” fluisterthaar ridder, die nu van zijn kant ook bezorgd wordt.“O, ik ben er aan gewend, te vasten,” zegt zij, “gij weet, dat ik mij voorbereidde voor het kloosterleven. Zou het niet verschrikkelijk zijn geweest?” en het bekoorlijke pruilende mondje geeft iets pikants aan de non in den dop.“Gij zoudt in een klooster zijn gegaan om mijnentwille?”“Dat was mijn plan. Er is een groot klooster in Valladolid—waarvan ik abdis zou worden—ik zou het rijk begiftigd hebben—”“Gij abdis?”“Ja. Zie ik er niet gestreng uit?” schertst de gelukkige Hermoine. “Misschien had ik mij toch nog bedacht. Ik begon reeds genoeg te krijgen van het gebedenboek. Maar nu denk ik niet meer over middernachtelijk waken—o, Guido mio—zeg mij, dat het geen droom is.”“Ik wil meer doen—ik wil het bewijzen!” fluistert Guy en staat van de tafel op.Hij ziet er uit, alsof hij eens goed gebruik van zijn recht wil maken. En daar Hermoine er niets tegen schijnt te hebben, hem dit recht toe te staan, geeft zij haar twee Moorsche meisjes, die hen aan tafel hebben bediend, een teeken, en als Chester en Hermoine de eetkamer verlaten, om naar het andere vertrek te gaan, vallen de gordijnen achter hen dicht en zijn zij alleen.“Kom in het venster; daar krijgen wij weldra maanlicht,” zegt de jonge dame. En zij gaan naast elkaar zitten en kijken naar de kalme golven van de Schelde, terwijl een zoel zomerbriesje hun tegemoetwaait door het geopend venster. “Zal ik wat muziek voor u maken?” vraagt het meisje.“Uw stem is voor mij de schoonste muziek.”“O,” roept Hermoine uit, “ik speel op de mandoline; ik bezit daar eenige vaardigheid in. Buitendien kan ik de cachuca en de bolero dansen. Morgenavond zal ik voor meer afwisseling voor u zorgen. Mijn Moorsche meisjes bespelen de harp en de guitaar en ik zal De Busaco inviteeren.”“Inviteer, als ’t u belieft, niemand.”“Zelfs den kleinen De Busaco niet, die niet wilde gelooven, dat gij dood waart?”“Neen.”“Weet gij, dat hij misschien ons geheim vermoedt?”“Waarom?”“Toen hij bij mij kwam, bracht hij mij twee brieven, die hem in handen waren gekomen, daar hij de zorg voor uw goed op zich had genomen. Hij overhandigde ze mij, zeggende: ‘Ik denk, dat zij wel eenige waarde voor u zullen hebben.’ ‘Gij hebt ze niet goed bewaard, mijn Guido.’”Er is een verwijt in haar oogen te lezen.“Ik droeg uw brief altijd bij mij,” antwoordt Guy met veel tegenwoordigheid van geest.“Mijnbrieven,” verbetert hem het meisje; “ik zond er u drie.”“O, ja, maar ik—ik noem uw brief, dien, welken ik het laatst ontving, en dien ik bij mij droeg om hem te kleuren met mijn bloed, denzelfden, die mij aanspoorde, om bevordering te verwerven door het verslaan van den Engelschen kapitein,” en Chester haalt het epistel voor den dag, gevonden op hetlijk van Guido Amati na het gevecht op het ijs.“Ja, de brief, die mij mijzelve deed verwenschen,” roept Hermoine uit, “de brief die, zooals ik meende, u den dood had gebracht in plaats van liefde; de brief, die u opdroeg, den dapperen Engelschman,—ik wil hem nu niet meerwreednoemen,—te dooden.” En er komen tranen in haar oogen, en snikkend zegt zij: “Vertel mij al uw avonturen van het oogenblik af, dat gij van mij verwijderd waart.”Aldus gedwongen, geeft Guy een nauwkeurig verslag van het gevecht op het ijs, natuurlijk van een Spaansch standpunt uit, en zegt haar eindelijk, dat hij er zich vast van verzekerd houdt, dat de eerstvolgende slag, waaraan hij deelneemt, hem tot generaal zal doen bevorderen.Een oogenblik later vraagt hij, naar de Schelde kijkend: “Zijt gij niet bevreesd voor de Watergeuzen?”“Neen,” antwoordt Hermoine, “zij zijn allen naar Holland gegaan. Bovendien heb ik acht gewapende lakeien in huis en in de stallen nog vier als geleide bij de galei, dan ligt er garnizoen in Lillo, en een halve compagnie te Sandvliet, ginds vlak om den hoek.” Haar blanke arm maakt een bevallige beweging in de aangeduide richting. “Ik ben hier voor iedereen veilig, behalve voor u, mijn Guido.”En Guy denkt, terwijl hij naar de Schelde kijkt, die verlicht is door de maan: “Veilig, behalve voor mij.” Want hij ziet in het Kromvliet, vlak bij de Zuid-Bevelandsche kust, de masten van deDover Lassen in zijn hoofd rijpt een plan, volgens hetwelk hij Hermoine de Alva aan haar woord wil houden en haar de zijne wil maken.
HOOFDSTUK XVII.GEËMANCIPEERDE VROUWEN IN 1573.Guy en Haring worden met zooveel vreugde begroet, als alleen belegerden, tot wanhoop gedreven en van alles afgesneden, bij het zien van vrienden uit de buitenwereld, aan den dag kunnen leggen.“Brengt gij tijding van naderende hulp?” roept een Hollandsche burger van de wacht hun toe.“Is de vloot van den Prins bijna gereed?” fluistert een ander met angstige lippen. “Wij hebben door een postduif bericht gekregen, dat hij troepen uitrust te land.”“Vertel mij van mijn vrouw in Delft, Margriet Enkhuysen—gij hebt haar toch gezien, nietwaar?” vraagt een ander.Zij deelen de reden hunner komst mee en leveren hun drie zakken af, waarna zij de stad in worden geleid door de Schalkwijker poort. Men heeft niet noodig Guy te vertellen, dat hij in een stad is, die reeds weken lang belegerd wordt en waar de nood op het hoogste is gestegen.De straten zijn in duisternis gehuld, er branden geen lichten, behalve in de Groote Kerk, nu gebruikt voor hospitaal, en in het Stadhuis, waar Ripperda, de commandant, krijgsraad houdt met zijne officieren.Het is onnatuurlijk stil in de stad. Men hoort geen blaffende honden, men ziet geen katten, zij zijn alle opgegeten. Het eenige geluid in de straten is de geregelde stap van patrouilles, die elkaar aflossen, of van compagnieën, die naar de wallen trekken. De stemmen van de schildwachten klinken hol en zwak van den honger.Guy verlaat Haring bijDe Zwaan, waar nu geen gelukkige burgers zitten en waarbinnen alles donker is, om zich te begeven naar het groote ravelijn tusschen de St.-Jans- en de Kruispoort teneinde Pieter Kies te zoeken, die, zooals hem gezegd is, daar de wacht heeft.“Waarom hebt gij de dochter van Niklaas Bodé Volckers niet uit de stad gezonden, voordat zij belegerd werd?” vraagt Guy verontwaardigd.“Omdat wij haar noodig hadden.”“Haarnoodig hadden? Hoe zoo? Zij is een vrouw, een non-combattante.”“Vrouwen zijn hier geen non-combattanten. Hadden wij de vrouwen niet, dan zouden wij mannen de stad niet kunnen houden.”“Gij wilt toch niet zeggen, dat Mina vecht?”“Neen, zij vult zandzakken en naait die dicht, maar er zijn anders vrouwen genoeg, die vechten. Vechten, evengoed als mannen. Vrouwen zijn hier mannen! Neen, zij zijn meer dan dat, zij zijn engelenvan barmhartigheid en—engelen van den dood, die met dezelfde handen den eenen dag de gewonden verplegen en den anderen de Spanjaarden dooden. Daar hebt gij bijvoorbeeld de weduwe Kenau Hasselaer,—de Spanjaarden vluchten voor haar veel eerder, dan voor menigen man van het garnizoen.”“Alles goed en wel,” zegt Guy, “maar ik heb mijn vriend, den beminde van het meisje, beloofd, haar veilig buiten Haarlem te brengen.”“Hoe zoudt gij dat kunnen?” vraagt de burger grimmig.“Dat is mijn zaak, als zij het er op wagen wil.”“Zie dan, dat gij den commandant Ripperda te spreken krijgt. Als hij zijn toestemming geeft, is het mij ook goed. Weigert hij, dan weiger ik ook. Zij is hier veiliger. Meent gij, dat wij van plan zijn, ons over te geven? Niet zoolang wij nog iets te eten hebben.”Hiermee gaat Guy heen. Doch Ripperda, de commandant, heeft het druk en is niet te spreken; Chester begeeft zich dus naarDe Zwaan, naar Haring; de herberg is zindelijker dan ooit; eigenlijk te zindelijk, want er is niets, wat haar vuil kan maken—er is niets te eten, behalve een soep, gekookt van het gras uit de straten. Daarom spreekt het tweetal dan ook maar zijn eigen voorraad aan, dien zij uit voorzorg hebben meegebracht.Doch de reuk van de gezouten haring is zoo sterk, dat de kinderen zich aan de deur verdringen, en de weduwe Hasselaer, die juist van de wallen komt en zich van haar borstkuras ontdoet, woedend uitroept: “Laffe kerels, wat doet gij? Zulke lekkerebeetjes zijn voor de gewonden!” En zij grijpt den Spaanschen wijn, den brandewijn, het brood en de haring en alles wat zij hebben en loopt er, zoo vlug als zij kan, mee naar de kerk, nu een hospitaal, ofschoon zij zelve watertandt bij het zien van zulke ongekende lekkernijen,—gevolgd door de kinderen, die snikken en smeeken om een stukje haring—een heel klein hapje,—of om er tenminste even aan te mogen ruiken.Doch Kenau Hasselaer is onverbiddelijk en de gewonden krijgen de haring.Guy en Haring kijken elkaar verbluft aan. “Wij zullen ons morgen vroeg,” zegt de Engelschman, “moeten melden om op rantsoen gesteld te worden. Het is, geloof ik, een half pond beschimmeld brood, gemaakt van zemels.”“Voor den duivel!” bromt de Hollander. “Wij moeten hier zien uit te komen, zoolang wij nog krachten hebben. Als dat satansche wijf ons tenminste den brandewijn nog maar gelaten had!”Zij besluiten maar naar bed te gaan en vallen weldra in een diepen slaap, daar zij geheel en al op zijn door de inspanning van den vorigen nacht.Zij worden echter al spoedig gewekt door het gekletter van wapenen, het luiden van de klokken van de Groote Kerk en de kleinere klokken, vermengd met het gedonder van het geschut.Bovendien worden zij heen en weer geschud door de onzachte hand van vrouw Hasselaer.“Wordt wakker, luilakken,” roept zij uit, “en vecht voor uw leven! Op! Ik zal u den weg wijzen.”Wel wetende, dat de Spanjaarden ook hen zullen ombrengen, als zij de stad innemen, grijpen Guy en zijn metgezel haastig naar de wapenen en spoeden zich met de weduwe door de donkere straten, welke nu vol mannen zijn, die uittrekken, om voor hun bedreigde haardsteden te vechten.Als zij zijn aangekomen op den wal ten Oosten van de Kruispoort, die in een blokhuis is herschapen, zien de beide mannen, die aan de oorlogstooneelen gewoon zijn, zich verplaatst te midden van een strijd, zooals zij nog nooit hebben bijgewoond. Want zij bevinden zich hier bij de vrouwen-afdeeling.“Hel en duivel! Er is hier geen enkele man. Wij met ons beiden zullen hier niet veel uitrichten,” roept Haring uit.“Gij niet?” roept Kenau Hasselaer uit; “nu, wij wel. Vrouwen van Haarlem, toont dezen knapen, wat vechten is!”Zij doen het en maken Haring, die een held is, evenals Chester, den wakkeren Engelschman, bijna beschaamd door haar daden van dapperheid—Kenau Hasselaer en andere zestiende-eeuwsche Amazonen.“Duivels! Katten moeten voor haar onderdoen!” roept Haring uit, als hij ziet, hoe zij de Spaansche veteranen ontvangen, die aanrukken in de meening dat de stad reeds in hun macht is; want het is een aanval bij verrassing geweest en hij zou bijna geslaagd zijn.Om voorbereidingen te treffen voor den grooten uitval, in vereeniging met Oranje’s aanval vanhet meer uit, die door middel van postduiven de stad is aangekondigd, zijn de wachten verzwakt op het ravelijn, het groote vestingwerk juist achter de gracht, dat loopt tusschen de Kruis- en de St-Janspoort, vlak tegenover het hoofdkwartier van Don Frederik.Dit ravelijn is platgeschoten en vernield onder het onafgebroken vuur van de zware Spaansche batterijen, in den nacht is de gracht haastig overbrugd door pontons, die er door Vargas zijn overgeworpen.De veteranen van Romero, De Billy en Vargas zijn er overgetrokken en hebben kalm postgevat aan den voet van het ravelijn.Nadat zij een oogenblik hebben uitgeblazen, heeft hun voorhoede de bressen beklommen, en eer de Hollandsche schildwachten, die uitgeput waren door nachtwaken, honger en vermoeienis, wisten wat er met hen gebeurde, hadden zij de meesten hunner gedood en bezit genomen van het verdedigingswerk, dat de Spanjaarden voor den sleutel der stad houden.Bovendien hebben zij het groote blokhuis bij de Kruispoort vermeesterd en heeft Romero de St-Janspoort bezet.“Slaat er op in! Houwt dood—Haarlem is ons!” is de kreet, die Don Frederik’s gelukkige ooren bereiken, als hij beveelt versterkingen te zenden, om zijn succes te verzekeren.Doch op hetzelfde oogenblik, dat de Spanjaarden dwars over het ravelijn denken binnen te stormen, doen zij een ontdekking, die hun minder aangenaam verrast.Terwijl het geschut, week aan week, het ravelijn heeft gebeukt, hebben de belegerden, voornamelijk de vrouwen en de kinderen, er vlak achter een hulpravelijn opgericht, van zakken zand en aarde, die beter bestand tegen het geschutvuur en even moeilijk te beklimmen is als het ravelijn. Ze was onzichtbaar voor de Spanjaarden en zij hebben er dan ook niets van bemerkt, eer zij, na de eerste versterking te hebben beklommen, de tweede voor zich zien oprijzen.Terwijl Alva’s krijgslieden een oogenblik verrast blijven staan, wordt het hulpravelijn bezet door de gealarmeerde bevolking van de naburige straten. Een oogenblik later worden de verdedigers versterkt door de Duitsche troepen van het garnizoen, en met den kreet: “De Spanjaarden komen!” begint hetgevecht.De zwakste plaats in Haarlem’s muur is die, vlak bij het blokhuis aan de Kruispoort, die nu bezet is door Vargas’ veteranen. Deze verschansing wordt verdedigd door Kenau en haar medestrijdsters. Dit is een eerepost, en Ripperda, de bevelhebber der stad, weet, dat hij dit zwakke punt aan niemand beter kan toevertrouwen dan aan haar, die hij er heeft geplaatst, en hij heeft toch veteranen onder zijn bevel, die menige campagne hebben meegemaakt, en achthonderd dappere Schotten, die nu zijn teruggebracht totanderhalf honderd, alsmede de Fransche compagnie onder Courie.Want deze vrouwen vechten niet alleen voor al hetgeen waarop een man prijs stelt, maar bovendien om zich te vrijwaren voor martelingen. Allen zonder uitzondering, meisje, vrouw of weduwe, rillen als zijdenken aan de Spaansche barmhartigheid tegenover de hulpelooze vrouwen van een veroverde stad.Alva’s veteranen schrijden thans weer vol vertrouwen voorwaarts. Zij hebben zich van den eersten wal meester gemaakt, waarom zouden zij nu ook den tweeden niet nemen?Zij beklimmen de helling met de kreten: “Philips!” en: “Don Frederico!” om op den top een hartelijk welkom van Sorosis te ontvangen.Achter den wal is een groot vuur aangemaakt, waarover een reusachtige ketel hangt vol kokende pekel. Eerst wordt de vijand met een salvo begroet, zoodat hij een oogenblik terugdeinst, iedere vrouw vuurtà bout portanthaar musket af op den naderenden vijand, die aarzelt onder die slachting.“Spoel die Spanjaarden weg!—vooruit met het water!” roept de weduwe uit, en terwijl zij den eersten emmer met het kokende vocht grijpt, werpt zij den inhoud in het gelaat van een Italiaanschen kapitein, wiens wapenrusting, hoe solide ook, hem toch niet kan bewaren voor vreeselijke brandwonden. Terwijl hij het uitbrult van pijn, maakt zij hem af met haar zwaard.En haar gezellinnen storten de kokende pekel met vlugge handen over de Spanjaarden uit, die brullen en schreeuwen en zich wringen van pijn.Maar anderen, van achteren opdringende, nemen hun plaats in; de vrouwen gaan dezen te lijf met slagzwaarden. Daar zij geen vrees voor den dood kennen, dragen zij geen schild, doch zwaaien haar groote wapenen met beide handen, en tegen de kracht van zulk een slag baat geen handigheid in het pareeren.“Piekeniers vooruit!” schreeuwt De Billy, doch een oogenblik later wordt hij gewond en van het tooneel van den strijd weggedragen en de piekeniers rukken niet snel genoeg aan, want Kenau Hasselaer veegt, aan het hoofd van haar vrouwen, het hulpravelijn schoon en drijft iederen Spanjaard, die nog leeft, in het blokhuis bij de Kruispoort.Daarna lacht zij schor: “Wij hebben het gevuld. Nu, vrouw Jannaps—uw taak!”En een vrouw, die geduldig heeft gewacht op den top van het hulpravelijn, springt naar beneden en roept, als zij een oogenblik later terugkomt, uit: “Ik heb de lont in het kruit gestoken!”Deze woorden worden bijna op hetzelfde oogenblik bevestigd en het groote blokhuis aan de Kruispoort, dat vooraf met ongeveer twintig vaten kruit in gereedheid was gebracht voor zijn Spaansche bezoekers, vliegt in de lucht, met honderd man Waalsch voetvolk van De Billy en een detachement van Vargas’ veteranen.Daarna drijven zij de laatste nog niet gewonde Spanjaarden terug over de kleine brug, en ofschoon Romero met zijn compagnie de St.-Janspoort bezet houdt, aan den anderen kant van het hulpravelijn, kan niet één der schildwachten zijn hoofd ongestraft naar buiten steken, door de hevigheid van het vuur uit de nabijgelegen huizen en van twee of drie kleine kanonnen. Voor deze ontvangst trekt Romero, die een oog bij het gevecht heeft verloren, zich met zijn manschappen terug, dat wil zeggen, met degenen die er nog toe in staat zijn, want nu komt het verschrikkelijkste van alles.Het voorbeeld volgend van den vijand, die zich berucht heeft gemaakt door zijn wreedheden, dringen de Hollanders vooruit, en langzaam en in koelen bloede, zooals slagers te werk gaan, maken zij de Spaansche gewonden af, die tevergeefs om genade smeeken.Gedurende het gevecht zijn Guy en Haring steeds aan de zijde van Kenau Hasselaer gebleven. Zoo vaak de vrouwen een uitval hebben gedaan, hebben de twee mannen er aan deelgenomen, en als zij terugkomt, klopt zij hen op den schouder, uitroepend: “Goed zoo jongens, gij hebt u flink gehouden, haast zoo flink als wij vrouwen! Gij hebt den moed om te vechten; hebt gij ook den moed om met ons den hongerdood te sterven?”In dat laatste hebben noch Haring noch Guy veel lust; zij zijn buitendien ook met een bepaald doel hier gekomen. Guy zoekt dus Ripperda op, die op den wal staat, omringd door zijn officieren, en vraagt hem verlof, om de dochter van Bodé Volckers buiten de stad te mogen brengen.“Ik ben zeer verheugd, u weer te zien, ‘Eerste der Engelschen’, en ik dacht, dat gij bij ons wildet blijven,” antwoordt de Hollandsche bevelhebber.“O, gij hebt geen gebrek aan soldaten, mannen noch vrouwen,” antwoordt Guy. “Gij hebt reeds te veel eters in de stad.”“Gij denkt toch niet, dat de vijand de stad zal innemen?”“Niet door geweld van wapenen,” antwoordt de Engelschman. “Daarom zeg ik, hoe minder monden er zijn om te voeden, hoe beter. Eenige booten met meelzouden u beter te pas komen dan een duizendtal veteranen.”“Gij hebt gelijk,” antwoordt Ripperda, terwijl zijn gelaat betrekt. “Doch ik en de mijnen, wij blijven hier, zelfs met zoodanige verschrikkingen onder onze oogen—kijk!”Het is nu dag geworden, en voorzichtig door een schietgat kijkend, uit vrees voor de Spaansche kogels, ziet Guy voor zijn oogen het beeld van een Hollandsche stad, belegerd door de Spanjaarden. Vóór hem het hulpravelijn bezaaid met dooden, de gracht er mee gevuld. Daartegenover staat een andere wal, die door de Spanjaarden is genomen en nog door hen bezet wordt gehouden. Daarachter de gracht, gevoed door het water uit het Spaarne, bewaakt door de Spaansche batterijen.Links groepen boomen en het Leprozen-hospitaal; daarachter en overal in het rond de tenten van de belegeraars, die de ongelukkige stad afsnijden van vrienden en voedsel.Chester kan op dezen afstand het wapengekletter hooren der compagnieën, die ter aflossing naar de versterkingen trekken.Verspreid over dit tooneel staan een half dozijn windmolens, en vlak tegenover hen een ander gevaarte, dat Chester als krijgsman de tanden op elkaar doet klemmen van verontwaardiging.Het is een reusachtige galg, waaraan twintig lijken bengelen, eenige aan het hoofd, andere aan de voeten opgehangen.En nu komt, als allergrootste verschrikking, de Spaansche beul met zijn helpers, om opnieuw zijnwerk te verrichten. Zij voeren op ruwe wijze eenige wanhopige schepsels met zich mede, die aan handen en voeten gebonden zijn. Zij nemen de dooden af, om de levenden op te hangen, die in het gezicht van hun kameraden en stadgenooten de lucht met hun doodskreten zullen vervullen.Een kreet van woede en smart stijgt van den wal omhoog—deze gemartelden zijn buren, waarmee men nog den dag te voren heeft gesproken, die bij een uitval in de handen der Spanjaarden zijn gevallen. En één der vrouwen gilt: “Barmhartige God, ik zie hem—zij hangen mijn Klaas op!” en kreunend valt zij neer.“Wij zullen hetzelfde doen,” roept Ripperda, “hoofd om hoofd! Roep den provoost-geweldige!”Weldra bengelen ongeveer twintig Spanjaarden op de wallen, als een afgrijselijk antwoord op de wreede uitdaging.Dit wekt opnieuw de woede van Alva’s manschappen op en zij werpen van het naburige ravelijn iets in het Hollandsche hulpravelijn.Het valt bijna aan de voeten van Guy en Ripperda.De Hollandsche bevelhebber bukt zich, om het te onderzoeken en mompelt plotseling tot Guy: “Er is een plakkaat aan het hoofd bevestigd. Kapitein Oliver van Bergen.”“Groote God!” en ontzet kijkt Guy nog eens, en nu voor het laatst, in het gelaat van zijn dooden vriend.“Wist gij dat hij dood was?” vraagt Ripperda.“Ja,” mompelt Guy, “maar ik kon het hier nietvertellen, uit vrees, dat zijn verloofde het zou hooren.”“Ja, dat meisje, Mina, zou met den patriot trouwen!” zucht de bevelhebber. Daarna vervolgt hij op schorren toon: “Neem haar met u, als gij haar levend weg kunt krijgen. Breng haar snel van hier; vertel haar niets, eer zij deze verschrikkingen achter zich heeft. Vaarwel, mijn Engelsche vriend. Als wij elkaar weer ontmoeten, zal Haarlem vrij zijn van Spaansche moordenaars.”En de beide mannen nemen afscheid, vol eerbied voor elkaar.Guy begeeft zich naar Pieter Kies en zegt: “Ik heb het verlof van den commandant. Breng mij bij Mina Bodé Volckers!”Als het meisje, dat vermagerd is door honger en angst, de kamer binnentreedt, snikt zij: “Gij zijt gekomen om mij bij Antony te brengen. Ik weet het. Ik lees het op uw gelaat.”“Ja,” antwoordt Guy met veel inspanning.“Waar is hij? Waarom kwam Antony niet met u mede?”“O hij—hij wacht ons,” stamelt Guy en gaat met Haring mee, om de toebereidselen voor de reis te treffen.De eenige kans, om het meisje uit de stad te krijgen, is, den weg over het meer te nemen. Daartoe moeten zij ’s nachts ontvluchten.Terwijl zij Mina door de Schalkwijker poort naar buiten brengen, langs de korte lijn van versterkingen en verschansingen op den linkeroever van het Spaarne, waardoor de belegerden nog gemeenschap met het meer hebben, bereiken zij het fort aan den oever,waarvan de Oranjevlag waait, en wachten den nacht af, terwijl zij hun boot gereedmaken.De nacht komt, doch voor hen veel te langzaam, want zij hebben zulk een honger. De duisternis echter is bevorderlijk aan hun onderneming.Vijf Spaansche galeien bewaken de Fuik. Er worden zeilen gezien in het Zuid-oosten. Vier van de galeien breiden haar zeilen uit, gaan op verkenning en als het nacht is, zijn zij nog niet teruggekeerd. Er blijft dus slechts één galei over, die zij hebben te verschalken, schoon zij twee patrouille-booten uitzendt.“Ik denk dat ik met deze vervloekte schepen, die ons van proviand verstoken houden, eens goed zal afrekenen,” zegt de Hollandsche bevelhebber van het fort. Hierop maakt hij drie booten gereed, om de patrouille-booten der Spanjaarden ’s nachts te overvallen.Terwijl deze uittrekken, begeven ook Chester en Haring zich in hun sloep op weg, en de galei ontsnappend, die nu in een gevecht is gewikkeld met de Haarlemmers, zijn zij weldra op het open meer, en zeilen naar het Zuiden.Vóór de dag aanbreekt, hebben zij de Kaag bereikt en gaan verder naar Delft; den volgenden avond heeft Guy aan zijn eed voldaan.Nadat hij het geredde meisje onder dak heeft gebracht en goed verzorgd weet in de herberg genaamdDe Vergulde Toren, begeeft Chester zich naar de gelagkamer en heeft daar een wonderbaarlijke ontmoeting. Een man, wiens oogen wild in hun kassen rollen, staat op als hij hem ziet,en mompelt klappertandend: “Hel en duivel! Dat is een doode!”Het is de koopman Bodé Volckers, die zich reeds maanden lang in Delft ophoudt, om den prins van Oranje te smeeken, zijn dochter te redden.“Dat ben ik niet,” fluistert Guy, en voegt er norsch aan toe: “Houd op met dat klappertanden, totdat gij mij hebt aangehoord,” en Niklaas’ arm nemend, brengt hij hem naar een afzonderlijk vertrek.“Dus hebt gij mij herkend?” vraagt de Engelschman met gedempte stem.“Ja, maar gij zijt dood. Reeds maanden geleden kwam het bericht in Antwerpen, dat kolonel Guido Amati gedood was in het gevecht op het ijs door den ‘Eerste der Engelschen’!”“Neen, ik ben hersteld van mijn wonden!”“Dan, ongelukkige man, zijt gij, als zij u, een kolonel in het Spaansche leger, hier ontdekken, er nog erger aan toe, dan dat gij dood waart. Ik zal u echter niet verraden,” mompelt Bodé Volckers. “Gij hebt mijn kind eens gered, al hebt gij haar ook naar een plaats gebracht, waar haar nog grooter gevaar wachtte.” En eensklaps roept hij uit, zijn handen wringend: “Red haar opnieuw, mijn Mina! Zij is in Haarlem! In de oogen der Spanjaarden een uitgewekene, omdat zij zich aan de justitie onttrokken heeft. Als zij de stad innemen, is zij verloren. Gij staat bij Alva in gunst, smeek hem om genade voor haar. Gij hebt invloed bij zijn dochter, spreek tot haar!”“Dat is onnoodig,” antwoordt Guy. “Ik heb uw dochter reeds in veiligheid gebracht!”“Hoe is dat mogelijk? Er waar is zij dan?”“Hier, inDe Vergulde Toren!”“Hier? Goddank! Hebt gij haar uit Haarlem bevrijd? Breng haar bij mij, mijn Mina, die verloren was—mijn Mina, die teruggevonden is!”En de oude man is als krankzinnig van vreugde, grijpt Guy’s hand en overlaadt hem met zegenwenschen.Het volgend oogenblik wil hij heensnellen om zijn kind te zien, voor wie hij zooveel angst heeft uitgestaan, maar Guy houdt hem terug en zegt: “Eerst moet ik u iets zeggen.”“Wat is het? Houd mij niet tegen.”“Het is slechts terwille van haar,” antwoordt hij en doet verslag van Oliver’s dood, er fluisterend aan toevoegend: “Deel het haar mede—ik heb het trachten te doen, maar ik kon het niet.”Chester is nu genoodzaakt, om in zijn verhaal te laten invloeien, wie hij werkelijk is, en dit schijnt Bodé Volckers zelfs nog meer te treffen, dan de dood van den schilder. Hij brengt verwonderd uit: “Gij! De ‘Eerste der Engelschen’! Gij? En gij zijt in Antwerpen geweest—heeft een sterveling ooit zoo iets durven wagen? Tien duizend kronen staan nu op uw hoofd, sinds het gevecht op het ijs. Hoe hebt gij zoo uw leven kunnen wagen?” Maar nu roept hij plotseling uit: “O! Bij den hemel! Gij zijt verliefd op Alva’s dochter!”“Ja,” zegt Guy, die voelt, dat hij dezen man op zulk een wijze aan zich heeft verplicht, dat zijn geheim veilig bij hem is. “Zij is mijn verloofde, ik hoop met de dochter van den Hertog te trouwen.”“Dan moet gij u haasten, jonge man, dan moetgij u haasten,” zegt Bodé Volckers op plechtigen toon.“Waarom?”“Omdat—o, nu vermoed ik ook de reden!—het was na den dood van Guido Amati—omdat zij vroom is geworden. Men zegt, dat zij non wil worden.”“Non!” krijt Guy. “Omdat zij gehoord heeft, dat Guido Amati dood is! Dat is een zonderling wreede scherts!” en hij barst terwijl hem het hart in de schoenen zinkt, in een afgrijselijk gelach uit en bespot zichzelven, terwijl Bodé Volckers heensnelt om zijn dochter in zijn armen te sluiten.
Guy en Haring worden met zooveel vreugde begroet, als alleen belegerden, tot wanhoop gedreven en van alles afgesneden, bij het zien van vrienden uit de buitenwereld, aan den dag kunnen leggen.
“Brengt gij tijding van naderende hulp?” roept een Hollandsche burger van de wacht hun toe.
“Is de vloot van den Prins bijna gereed?” fluistert een ander met angstige lippen. “Wij hebben door een postduif bericht gekregen, dat hij troepen uitrust te land.”
“Vertel mij van mijn vrouw in Delft, Margriet Enkhuysen—gij hebt haar toch gezien, nietwaar?” vraagt een ander.
Zij deelen de reden hunner komst mee en leveren hun drie zakken af, waarna zij de stad in worden geleid door de Schalkwijker poort. Men heeft niet noodig Guy te vertellen, dat hij in een stad is, die reeds weken lang belegerd wordt en waar de nood op het hoogste is gestegen.
De straten zijn in duisternis gehuld, er branden geen lichten, behalve in de Groote Kerk, nu gebruikt voor hospitaal, en in het Stadhuis, waar Ripperda, de commandant, krijgsraad houdt met zijne officieren.
Het is onnatuurlijk stil in de stad. Men hoort geen blaffende honden, men ziet geen katten, zij zijn alle opgegeten. Het eenige geluid in de straten is de geregelde stap van patrouilles, die elkaar aflossen, of van compagnieën, die naar de wallen trekken. De stemmen van de schildwachten klinken hol en zwak van den honger.
Guy verlaat Haring bijDe Zwaan, waar nu geen gelukkige burgers zitten en waarbinnen alles donker is, om zich te begeven naar het groote ravelijn tusschen de St.-Jans- en de Kruispoort teneinde Pieter Kies te zoeken, die, zooals hem gezegd is, daar de wacht heeft.
“Waarom hebt gij de dochter van Niklaas Bodé Volckers niet uit de stad gezonden, voordat zij belegerd werd?” vraagt Guy verontwaardigd.
“Omdat wij haar noodig hadden.”
“Haarnoodig hadden? Hoe zoo? Zij is een vrouw, een non-combattante.”
“Vrouwen zijn hier geen non-combattanten. Hadden wij de vrouwen niet, dan zouden wij mannen de stad niet kunnen houden.”
“Gij wilt toch niet zeggen, dat Mina vecht?”
“Neen, zij vult zandzakken en naait die dicht, maar er zijn anders vrouwen genoeg, die vechten. Vechten, evengoed als mannen. Vrouwen zijn hier mannen! Neen, zij zijn meer dan dat, zij zijn engelenvan barmhartigheid en—engelen van den dood, die met dezelfde handen den eenen dag de gewonden verplegen en den anderen de Spanjaarden dooden. Daar hebt gij bijvoorbeeld de weduwe Kenau Hasselaer,—de Spanjaarden vluchten voor haar veel eerder, dan voor menigen man van het garnizoen.”
“Alles goed en wel,” zegt Guy, “maar ik heb mijn vriend, den beminde van het meisje, beloofd, haar veilig buiten Haarlem te brengen.”
“Hoe zoudt gij dat kunnen?” vraagt de burger grimmig.
“Dat is mijn zaak, als zij het er op wagen wil.”
“Zie dan, dat gij den commandant Ripperda te spreken krijgt. Als hij zijn toestemming geeft, is het mij ook goed. Weigert hij, dan weiger ik ook. Zij is hier veiliger. Meent gij, dat wij van plan zijn, ons over te geven? Niet zoolang wij nog iets te eten hebben.”
Hiermee gaat Guy heen. Doch Ripperda, de commandant, heeft het druk en is niet te spreken; Chester begeeft zich dus naarDe Zwaan, naar Haring; de herberg is zindelijker dan ooit; eigenlijk te zindelijk, want er is niets, wat haar vuil kan maken—er is niets te eten, behalve een soep, gekookt van het gras uit de straten. Daarom spreekt het tweetal dan ook maar zijn eigen voorraad aan, dien zij uit voorzorg hebben meegebracht.
Doch de reuk van de gezouten haring is zoo sterk, dat de kinderen zich aan de deur verdringen, en de weduwe Hasselaer, die juist van de wallen komt en zich van haar borstkuras ontdoet, woedend uitroept: “Laffe kerels, wat doet gij? Zulke lekkerebeetjes zijn voor de gewonden!” En zij grijpt den Spaanschen wijn, den brandewijn, het brood en de haring en alles wat zij hebben en loopt er, zoo vlug als zij kan, mee naar de kerk, nu een hospitaal, ofschoon zij zelve watertandt bij het zien van zulke ongekende lekkernijen,—gevolgd door de kinderen, die snikken en smeeken om een stukje haring—een heel klein hapje,—of om er tenminste even aan te mogen ruiken.
Doch Kenau Hasselaer is onverbiddelijk en de gewonden krijgen de haring.
Guy en Haring kijken elkaar verbluft aan. “Wij zullen ons morgen vroeg,” zegt de Engelschman, “moeten melden om op rantsoen gesteld te worden. Het is, geloof ik, een half pond beschimmeld brood, gemaakt van zemels.”
“Voor den duivel!” bromt de Hollander. “Wij moeten hier zien uit te komen, zoolang wij nog krachten hebben. Als dat satansche wijf ons tenminste den brandewijn nog maar gelaten had!”
Zij besluiten maar naar bed te gaan en vallen weldra in een diepen slaap, daar zij geheel en al op zijn door de inspanning van den vorigen nacht.
Zij worden echter al spoedig gewekt door het gekletter van wapenen, het luiden van de klokken van de Groote Kerk en de kleinere klokken, vermengd met het gedonder van het geschut.
Bovendien worden zij heen en weer geschud door de onzachte hand van vrouw Hasselaer.
“Wordt wakker, luilakken,” roept zij uit, “en vecht voor uw leven! Op! Ik zal u den weg wijzen.”
Wel wetende, dat de Spanjaarden ook hen zullen ombrengen, als zij de stad innemen, grijpen Guy en zijn metgezel haastig naar de wapenen en spoeden zich met de weduwe door de donkere straten, welke nu vol mannen zijn, die uittrekken, om voor hun bedreigde haardsteden te vechten.
Als zij zijn aangekomen op den wal ten Oosten van de Kruispoort, die in een blokhuis is herschapen, zien de beide mannen, die aan de oorlogstooneelen gewoon zijn, zich verplaatst te midden van een strijd, zooals zij nog nooit hebben bijgewoond. Want zij bevinden zich hier bij de vrouwen-afdeeling.
“Hel en duivel! Er is hier geen enkele man. Wij met ons beiden zullen hier niet veel uitrichten,” roept Haring uit.
“Gij niet?” roept Kenau Hasselaer uit; “nu, wij wel. Vrouwen van Haarlem, toont dezen knapen, wat vechten is!”
Zij doen het en maken Haring, die een held is, evenals Chester, den wakkeren Engelschman, bijna beschaamd door haar daden van dapperheid—Kenau Hasselaer en andere zestiende-eeuwsche Amazonen.
“Duivels! Katten moeten voor haar onderdoen!” roept Haring uit, als hij ziet, hoe zij de Spaansche veteranen ontvangen, die aanrukken in de meening dat de stad reeds in hun macht is; want het is een aanval bij verrassing geweest en hij zou bijna geslaagd zijn.
Om voorbereidingen te treffen voor den grooten uitval, in vereeniging met Oranje’s aanval vanhet meer uit, die door middel van postduiven de stad is aangekondigd, zijn de wachten verzwakt op het ravelijn, het groote vestingwerk juist achter de gracht, dat loopt tusschen de Kruis- en de St-Janspoort, vlak tegenover het hoofdkwartier van Don Frederik.
Dit ravelijn is platgeschoten en vernield onder het onafgebroken vuur van de zware Spaansche batterijen, in den nacht is de gracht haastig overbrugd door pontons, die er door Vargas zijn overgeworpen.
De veteranen van Romero, De Billy en Vargas zijn er overgetrokken en hebben kalm postgevat aan den voet van het ravelijn.
Nadat zij een oogenblik hebben uitgeblazen, heeft hun voorhoede de bressen beklommen, en eer de Hollandsche schildwachten, die uitgeput waren door nachtwaken, honger en vermoeienis, wisten wat er met hen gebeurde, hadden zij de meesten hunner gedood en bezit genomen van het verdedigingswerk, dat de Spanjaarden voor den sleutel der stad houden.
Bovendien hebben zij het groote blokhuis bij de Kruispoort vermeesterd en heeft Romero de St-Janspoort bezet.
“Slaat er op in! Houwt dood—Haarlem is ons!” is de kreet, die Don Frederik’s gelukkige ooren bereiken, als hij beveelt versterkingen te zenden, om zijn succes te verzekeren.
Doch op hetzelfde oogenblik, dat de Spanjaarden dwars over het ravelijn denken binnen te stormen, doen zij een ontdekking, die hun minder aangenaam verrast.
Terwijl het geschut, week aan week, het ravelijn heeft gebeukt, hebben de belegerden, voornamelijk de vrouwen en de kinderen, er vlak achter een hulpravelijn opgericht, van zakken zand en aarde, die beter bestand tegen het geschutvuur en even moeilijk te beklimmen is als het ravelijn. Ze was onzichtbaar voor de Spanjaarden en zij hebben er dan ook niets van bemerkt, eer zij, na de eerste versterking te hebben beklommen, de tweede voor zich zien oprijzen.
Terwijl Alva’s krijgslieden een oogenblik verrast blijven staan, wordt het hulpravelijn bezet door de gealarmeerde bevolking van de naburige straten. Een oogenblik later worden de verdedigers versterkt door de Duitsche troepen van het garnizoen, en met den kreet: “De Spanjaarden komen!” begint hetgevecht.
De zwakste plaats in Haarlem’s muur is die, vlak bij het blokhuis aan de Kruispoort, die nu bezet is door Vargas’ veteranen. Deze verschansing wordt verdedigd door Kenau en haar medestrijdsters. Dit is een eerepost, en Ripperda, de bevelhebber der stad, weet, dat hij dit zwakke punt aan niemand beter kan toevertrouwen dan aan haar, die hij er heeft geplaatst, en hij heeft toch veteranen onder zijn bevel, die menige campagne hebben meegemaakt, en achthonderd dappere Schotten, die nu zijn teruggebracht totanderhalf honderd, alsmede de Fransche compagnie onder Courie.
Want deze vrouwen vechten niet alleen voor al hetgeen waarop een man prijs stelt, maar bovendien om zich te vrijwaren voor martelingen. Allen zonder uitzondering, meisje, vrouw of weduwe, rillen als zijdenken aan de Spaansche barmhartigheid tegenover de hulpelooze vrouwen van een veroverde stad.
Alva’s veteranen schrijden thans weer vol vertrouwen voorwaarts. Zij hebben zich van den eersten wal meester gemaakt, waarom zouden zij nu ook den tweeden niet nemen?
Zij beklimmen de helling met de kreten: “Philips!” en: “Don Frederico!” om op den top een hartelijk welkom van Sorosis te ontvangen.
Achter den wal is een groot vuur aangemaakt, waarover een reusachtige ketel hangt vol kokende pekel. Eerst wordt de vijand met een salvo begroet, zoodat hij een oogenblik terugdeinst, iedere vrouw vuurtà bout portanthaar musket af op den naderenden vijand, die aarzelt onder die slachting.
“Spoel die Spanjaarden weg!—vooruit met het water!” roept de weduwe uit, en terwijl zij den eersten emmer met het kokende vocht grijpt, werpt zij den inhoud in het gelaat van een Italiaanschen kapitein, wiens wapenrusting, hoe solide ook, hem toch niet kan bewaren voor vreeselijke brandwonden. Terwijl hij het uitbrult van pijn, maakt zij hem af met haar zwaard.
En haar gezellinnen storten de kokende pekel met vlugge handen over de Spanjaarden uit, die brullen en schreeuwen en zich wringen van pijn.
Maar anderen, van achteren opdringende, nemen hun plaats in; de vrouwen gaan dezen te lijf met slagzwaarden. Daar zij geen vrees voor den dood kennen, dragen zij geen schild, doch zwaaien haar groote wapenen met beide handen, en tegen de kracht van zulk een slag baat geen handigheid in het pareeren.
“Piekeniers vooruit!” schreeuwt De Billy, doch een oogenblik later wordt hij gewond en van het tooneel van den strijd weggedragen en de piekeniers rukken niet snel genoeg aan, want Kenau Hasselaer veegt, aan het hoofd van haar vrouwen, het hulpravelijn schoon en drijft iederen Spanjaard, die nog leeft, in het blokhuis bij de Kruispoort.
Daarna lacht zij schor: “Wij hebben het gevuld. Nu, vrouw Jannaps—uw taak!”
En een vrouw, die geduldig heeft gewacht op den top van het hulpravelijn, springt naar beneden en roept, als zij een oogenblik later terugkomt, uit: “Ik heb de lont in het kruit gestoken!”
Deze woorden worden bijna op hetzelfde oogenblik bevestigd en het groote blokhuis aan de Kruispoort, dat vooraf met ongeveer twintig vaten kruit in gereedheid was gebracht voor zijn Spaansche bezoekers, vliegt in de lucht, met honderd man Waalsch voetvolk van De Billy en een detachement van Vargas’ veteranen.
Daarna drijven zij de laatste nog niet gewonde Spanjaarden terug over de kleine brug, en ofschoon Romero met zijn compagnie de St.-Janspoort bezet houdt, aan den anderen kant van het hulpravelijn, kan niet één der schildwachten zijn hoofd ongestraft naar buiten steken, door de hevigheid van het vuur uit de nabijgelegen huizen en van twee of drie kleine kanonnen. Voor deze ontvangst trekt Romero, die een oog bij het gevecht heeft verloren, zich met zijn manschappen terug, dat wil zeggen, met degenen die er nog toe in staat zijn, want nu komt het verschrikkelijkste van alles.
Het voorbeeld volgend van den vijand, die zich berucht heeft gemaakt door zijn wreedheden, dringen de Hollanders vooruit, en langzaam en in koelen bloede, zooals slagers te werk gaan, maken zij de Spaansche gewonden af, die tevergeefs om genade smeeken.
Gedurende het gevecht zijn Guy en Haring steeds aan de zijde van Kenau Hasselaer gebleven. Zoo vaak de vrouwen een uitval hebben gedaan, hebben de twee mannen er aan deelgenomen, en als zij terugkomt, klopt zij hen op den schouder, uitroepend: “Goed zoo jongens, gij hebt u flink gehouden, haast zoo flink als wij vrouwen! Gij hebt den moed om te vechten; hebt gij ook den moed om met ons den hongerdood te sterven?”
In dat laatste hebben noch Haring noch Guy veel lust; zij zijn buitendien ook met een bepaald doel hier gekomen. Guy zoekt dus Ripperda op, die op den wal staat, omringd door zijn officieren, en vraagt hem verlof, om de dochter van Bodé Volckers buiten de stad te mogen brengen.
“Ik ben zeer verheugd, u weer te zien, ‘Eerste der Engelschen’, en ik dacht, dat gij bij ons wildet blijven,” antwoordt de Hollandsche bevelhebber.
“O, gij hebt geen gebrek aan soldaten, mannen noch vrouwen,” antwoordt Guy. “Gij hebt reeds te veel eters in de stad.”
“Gij denkt toch niet, dat de vijand de stad zal innemen?”
“Niet door geweld van wapenen,” antwoordt de Engelschman. “Daarom zeg ik, hoe minder monden er zijn om te voeden, hoe beter. Eenige booten met meelzouden u beter te pas komen dan een duizendtal veteranen.”
“Gij hebt gelijk,” antwoordt Ripperda, terwijl zijn gelaat betrekt. “Doch ik en de mijnen, wij blijven hier, zelfs met zoodanige verschrikkingen onder onze oogen—kijk!”
Het is nu dag geworden, en voorzichtig door een schietgat kijkend, uit vrees voor de Spaansche kogels, ziet Guy voor zijn oogen het beeld van een Hollandsche stad, belegerd door de Spanjaarden. Vóór hem het hulpravelijn bezaaid met dooden, de gracht er mee gevuld. Daartegenover staat een andere wal, die door de Spanjaarden is genomen en nog door hen bezet wordt gehouden. Daarachter de gracht, gevoed door het water uit het Spaarne, bewaakt door de Spaansche batterijen.
Links groepen boomen en het Leprozen-hospitaal; daarachter en overal in het rond de tenten van de belegeraars, die de ongelukkige stad afsnijden van vrienden en voedsel.
Chester kan op dezen afstand het wapengekletter hooren der compagnieën, die ter aflossing naar de versterkingen trekken.
Verspreid over dit tooneel staan een half dozijn windmolens, en vlak tegenover hen een ander gevaarte, dat Chester als krijgsman de tanden op elkaar doet klemmen van verontwaardiging.
Het is een reusachtige galg, waaraan twintig lijken bengelen, eenige aan het hoofd, andere aan de voeten opgehangen.
En nu komt, als allergrootste verschrikking, de Spaansche beul met zijn helpers, om opnieuw zijnwerk te verrichten. Zij voeren op ruwe wijze eenige wanhopige schepsels met zich mede, die aan handen en voeten gebonden zijn. Zij nemen de dooden af, om de levenden op te hangen, die in het gezicht van hun kameraden en stadgenooten de lucht met hun doodskreten zullen vervullen.
Een kreet van woede en smart stijgt van den wal omhoog—deze gemartelden zijn buren, waarmee men nog den dag te voren heeft gesproken, die bij een uitval in de handen der Spanjaarden zijn gevallen. En één der vrouwen gilt: “Barmhartige God, ik zie hem—zij hangen mijn Klaas op!” en kreunend valt zij neer.
“Wij zullen hetzelfde doen,” roept Ripperda, “hoofd om hoofd! Roep den provoost-geweldige!”
Weldra bengelen ongeveer twintig Spanjaarden op de wallen, als een afgrijselijk antwoord op de wreede uitdaging.
Dit wekt opnieuw de woede van Alva’s manschappen op en zij werpen van het naburige ravelijn iets in het Hollandsche hulpravelijn.
Het valt bijna aan de voeten van Guy en Ripperda.
De Hollandsche bevelhebber bukt zich, om het te onderzoeken en mompelt plotseling tot Guy: “Er is een plakkaat aan het hoofd bevestigd. Kapitein Oliver van Bergen.”
“Groote God!” en ontzet kijkt Guy nog eens, en nu voor het laatst, in het gelaat van zijn dooden vriend.
“Wist gij dat hij dood was?” vraagt Ripperda.
“Ja,” mompelt Guy, “maar ik kon het hier nietvertellen, uit vrees, dat zijn verloofde het zou hooren.”
“Ja, dat meisje, Mina, zou met den patriot trouwen!” zucht de bevelhebber. Daarna vervolgt hij op schorren toon: “Neem haar met u, als gij haar levend weg kunt krijgen. Breng haar snel van hier; vertel haar niets, eer zij deze verschrikkingen achter zich heeft. Vaarwel, mijn Engelsche vriend. Als wij elkaar weer ontmoeten, zal Haarlem vrij zijn van Spaansche moordenaars.”
En de beide mannen nemen afscheid, vol eerbied voor elkaar.
Guy begeeft zich naar Pieter Kies en zegt: “Ik heb het verlof van den commandant. Breng mij bij Mina Bodé Volckers!”
Als het meisje, dat vermagerd is door honger en angst, de kamer binnentreedt, snikt zij: “Gij zijt gekomen om mij bij Antony te brengen. Ik weet het. Ik lees het op uw gelaat.”
“Ja,” antwoordt Guy met veel inspanning.
“Waar is hij? Waarom kwam Antony niet met u mede?”
“O hij—hij wacht ons,” stamelt Guy en gaat met Haring mee, om de toebereidselen voor de reis te treffen.
De eenige kans, om het meisje uit de stad te krijgen, is, den weg over het meer te nemen. Daartoe moeten zij ’s nachts ontvluchten.
Terwijl zij Mina door de Schalkwijker poort naar buiten brengen, langs de korte lijn van versterkingen en verschansingen op den linkeroever van het Spaarne, waardoor de belegerden nog gemeenschap met het meer hebben, bereiken zij het fort aan den oever,waarvan de Oranjevlag waait, en wachten den nacht af, terwijl zij hun boot gereedmaken.
De nacht komt, doch voor hen veel te langzaam, want zij hebben zulk een honger. De duisternis echter is bevorderlijk aan hun onderneming.
Vijf Spaansche galeien bewaken de Fuik. Er worden zeilen gezien in het Zuid-oosten. Vier van de galeien breiden haar zeilen uit, gaan op verkenning en als het nacht is, zijn zij nog niet teruggekeerd. Er blijft dus slechts één galei over, die zij hebben te verschalken, schoon zij twee patrouille-booten uitzendt.
“Ik denk dat ik met deze vervloekte schepen, die ons van proviand verstoken houden, eens goed zal afrekenen,” zegt de Hollandsche bevelhebber van het fort. Hierop maakt hij drie booten gereed, om de patrouille-booten der Spanjaarden ’s nachts te overvallen.
Terwijl deze uittrekken, begeven ook Chester en Haring zich in hun sloep op weg, en de galei ontsnappend, die nu in een gevecht is gewikkeld met de Haarlemmers, zijn zij weldra op het open meer, en zeilen naar het Zuiden.
Vóór de dag aanbreekt, hebben zij de Kaag bereikt en gaan verder naar Delft; den volgenden avond heeft Guy aan zijn eed voldaan.
Nadat hij het geredde meisje onder dak heeft gebracht en goed verzorgd weet in de herberg genaamdDe Vergulde Toren, begeeft Chester zich naar de gelagkamer en heeft daar een wonderbaarlijke ontmoeting. Een man, wiens oogen wild in hun kassen rollen, staat op als hij hem ziet,en mompelt klappertandend: “Hel en duivel! Dat is een doode!”
Het is de koopman Bodé Volckers, die zich reeds maanden lang in Delft ophoudt, om den prins van Oranje te smeeken, zijn dochter te redden.
“Dat ben ik niet,” fluistert Guy, en voegt er norsch aan toe: “Houd op met dat klappertanden, totdat gij mij hebt aangehoord,” en Niklaas’ arm nemend, brengt hij hem naar een afzonderlijk vertrek.
“Dus hebt gij mij herkend?” vraagt de Engelschman met gedempte stem.
“Ja, maar gij zijt dood. Reeds maanden geleden kwam het bericht in Antwerpen, dat kolonel Guido Amati gedood was in het gevecht op het ijs door den ‘Eerste der Engelschen’!”
“Neen, ik ben hersteld van mijn wonden!”
“Dan, ongelukkige man, zijt gij, als zij u, een kolonel in het Spaansche leger, hier ontdekken, er nog erger aan toe, dan dat gij dood waart. Ik zal u echter niet verraden,” mompelt Bodé Volckers. “Gij hebt mijn kind eens gered, al hebt gij haar ook naar een plaats gebracht, waar haar nog grooter gevaar wachtte.” En eensklaps roept hij uit, zijn handen wringend: “Red haar opnieuw, mijn Mina! Zij is in Haarlem! In de oogen der Spanjaarden een uitgewekene, omdat zij zich aan de justitie onttrokken heeft. Als zij de stad innemen, is zij verloren. Gij staat bij Alva in gunst, smeek hem om genade voor haar. Gij hebt invloed bij zijn dochter, spreek tot haar!”
“Dat is onnoodig,” antwoordt Guy. “Ik heb uw dochter reeds in veiligheid gebracht!”
“Hoe is dat mogelijk? Er waar is zij dan?”
“Hier, inDe Vergulde Toren!”
“Hier? Goddank! Hebt gij haar uit Haarlem bevrijd? Breng haar bij mij, mijn Mina, die verloren was—mijn Mina, die teruggevonden is!”
En de oude man is als krankzinnig van vreugde, grijpt Guy’s hand en overlaadt hem met zegenwenschen.
Het volgend oogenblik wil hij heensnellen om zijn kind te zien, voor wie hij zooveel angst heeft uitgestaan, maar Guy houdt hem terug en zegt: “Eerst moet ik u iets zeggen.”
“Wat is het? Houd mij niet tegen.”
“Het is slechts terwille van haar,” antwoordt hij en doet verslag van Oliver’s dood, er fluisterend aan toevoegend: “Deel het haar mede—ik heb het trachten te doen, maar ik kon het niet.”
Chester is nu genoodzaakt, om in zijn verhaal te laten invloeien, wie hij werkelijk is, en dit schijnt Bodé Volckers zelfs nog meer te treffen, dan de dood van den schilder. Hij brengt verwonderd uit: “Gij! De ‘Eerste der Engelschen’! Gij? En gij zijt in Antwerpen geweest—heeft een sterveling ooit zoo iets durven wagen? Tien duizend kronen staan nu op uw hoofd, sinds het gevecht op het ijs. Hoe hebt gij zoo uw leven kunnen wagen?” Maar nu roept hij plotseling uit: “O! Bij den hemel! Gij zijt verliefd op Alva’s dochter!”
“Ja,” zegt Guy, die voelt, dat hij dezen man op zulk een wijze aan zich heeft verplicht, dat zijn geheim veilig bij hem is. “Zij is mijn verloofde, ik hoop met de dochter van den Hertog te trouwen.”
“Dan moet gij u haasten, jonge man, dan moetgij u haasten,” zegt Bodé Volckers op plechtigen toon.
“Waarom?”
“Omdat—o, nu vermoed ik ook de reden!—het was na den dood van Guido Amati—omdat zij vroom is geworden. Men zegt, dat zij non wil worden.”
“Non!” krijt Guy. “Omdat zij gehoord heeft, dat Guido Amati dood is! Dat is een zonderling wreede scherts!” en hij barst terwijl hem het hart in de schoenen zinkt, in een afgrijselijk gelach uit en bespot zichzelven, terwijl Bodé Volckers heensnelt om zijn dochter in zijn armen te sluiten.
HOOFDSTUK XVIII.“IS HET EEN DROOM?”Na eenigen tijd keert Bodé Volckers terug van het onderhoud met zijn dochter, en in zijn Vlaamsche oogen ligt een treurige uitdrukking. Als hij Guy ziet, die op hem heeft gewacht barst hij uit: “Die schilder Oliver! Welk recht had zulk een man, om iets anders lief te hebben dan zijn vaderland? Welk recht had hij, wiens leven aan een zijden draad hing, om mijn kind lief te hebben?”“Het recht, dat alle menschen hebben om het schoone te beminnen,” zucht Guy, die door de verrassende mededeelingen van Bodé Volckers met betrekking tot Dona de Alva’s kloosterplannen, niet enkel romantisch gestemd is, maar ook weemoedig.“Doch niet het recht om het schoone op te offeren. Oliver’s verraad tegenover Alva bracht Mina in gevaar, en nu heeft zijn dood haar het hart gebroken. Zij kan zelfs niet meer naar huis gaan uit vrees voor Alva’s pijnbank. Alva!” roept de koopman met verheffing van stem uit, “die mij en de mijnen in ellende heeft gestort, die mij heeft geruïneerd!”“U geruïneerd? Hoe?” vraagt Guy teleurgesteld. Hij heeft op den koopman gewacht, daar hij geldelijke hulp noodig heeft, en diens woorden klinken hem dus niet heel aangenaam in de ooren.“Hoe?” herhaalt Bodé Volckers. “Allereerst door mijn huiselijk leven te verwoesten, in de tweede plaats door mijn handelszaak naar den kelder te brengen met zijn tienden penning, en in de derde plaats door mij, als een gedwongen leening aan het Spaansche gouvernement, vijfhonderd duizend kronen af te nemen.”“Wenscht gij ze terug te hebben?”“Hemel en aarde,—ja! Maar het geld is zoo goed als verloren. Wat praat gij voor onzin?” zegt de koopman op spottenden toon.“Het is geen onzin!”“Geen onzin te beweren, dat Alva zijn schulden zal terugbetalen?”“Neen, want ik zal ze voor hem terugbetalen.”“Gij—een krijgsman—vijfhonderd duizend kronen betalen! Gij zijt uw verstand kwijtgeraakt door al uw avonturen,” roept Bodé Volckers uit, die denkt, dat Guy hem voor den gek wil houden.“Volstrekt niet. Schiet mij tien duizend kronen voor, waag u leven, evenals ik het mijne waag, en ik zal u vijfhonderd duizend kronen teruggeven en u in de gelegenheid stellen, u te wreken.”De Engelschman zegt dit alles fluisterend, doch op vasten toon, hij heeft de zaak goed overdacht en is tot het resultaat gekomen, dat, nu Oliver is heengegaan, Bodé Volckers met zijn Antwerpsche pakhuizen, Antwerpsche schepen en kennis vanAntwerpsche toestanden, juist de man is om hem in deze zaak te helpen, als hij er tenminste den moed toe heeft.“Mijn leven wagen? Ik zou het honderdmaal wagen als ik mij daardoor wreken kon op den man, die mij van alles heeft beroofd!”“Goed, kom dan mee naar mijn kamer, wij moeten die zaak in het geheim bespreken,” zegt Guy, die er nu zeker van is, dat, al zou Bodé Volckers zijn leven ook niet wagen uit vaderlandsliefde, hij het een dozijn keeren zou doen, om zijn vijfhonderd duizend kronen terug te krijgen. De beweegredenen, waaruit de man handelt, gaan hem echter niet aan, alleen zijn daden.Als zij op Chester’s kamer zijn gekomen, zegt de koopman: “Wat wenscht gij van mij?”“Allereerst heb ik honderd kronen noodig om Jan Haring te betalen, die mij heeft geholpen om uw dochter buiten de wallen van Haarlem te brengen.”“Ik wil—ik wil Haring heel gaarne zelfs duizend kronen geven. En u mijn liefde, mijn genegenheid, en alles wat gij slechts wenscht, omdat gij mijn Mina voor vernedering en dood hebt bewaard,” antwoordt de koopman op dankbaren toon.“Uw leven soms ook?”“Ja, dat wil ik ook geven, om mij op Alva te wreken.”“Als dat zoo is,” zegt Guy, “luister dan naar mij.” En nadat hij Bodé Volckers geheimhouding heeft laten zweren, vertelt hij hem alles van het geheim van Alva’s standbeeld, alles van Alva’s schat, want hij begrijpt, dat hij dezen man, wiensleven hij in de waagschaal stelt ten behoeve van zijn eigen zelfzuchtige bedoelingen, zijn volkomen vertrouwen moet schenken.“Goed. Wat verlangt gij dat ik zal doen?” herneemt de Vlaming, wiens oogen beginnen te schitteren, als hij hoort van Alva’s verborgen schatten, terwijl zijn ziel van vreugde wordt vervuld, als hij denkt aan den buit. “Zou ik niet een weinig meer kunnen terugkrijgen—interest tenminste?”“Top, ook interest—zeshonderd duizend, als uw leven u iets waard is—wij zullen er zevenhonderd en vijftig duizend van maken.”“Goed—nu tot de zaak! Wat hebt gij noodig?”“Allereerst, want de tijd dringt, heb ik zoo spoedig mogelijk papieren van uitklaring noodig van de stad Amsterdam voor deEsperanza, die nog in de haven van Vlissingen ligt. Kunt gij ze mij verschaffen?”“Van Amsterdam? Onmogelijk! Doch ik kan u uitklaring en carga van Stockholm verschaffen.”“Dat zal ons twee weken ophouden—noem een haven, die dichter bij is.”“Van Duinkerken? Daarmee zijn slechts drie of vier dagen gemoeid.”“Van Duinkerken! Best,” antwoordt Chester. “Met deEsperanzazeil ik dan, op u geconsigneerd als kapitein Andrea Blanco, nog eens rechtstreeks de haven van Antwerpen binnen en blijf daar liggen, totdat ik mij van Alva’s schat en Alva’s dochter heb meester gemaakt. Is het in die stad bekend, dat gij hier zijt?”“Neen. Daarvoor heb ik gezorgd,” zegt BodéVolckers. “Men denkt, dat ik in Frankrijk ben, om Lyonsche zijde te koopen. Ik zal zelf met u naar Duinkerken varen. Dat werpt een schijn van waarheid over alles—Lyonsche zijde uit een Fransche haven.”“En als het later ontdekt wordt, dan kost het u het leven.”“Om ’t even,” zegt de Vlaming. “Antwerpen’s handel gaat te gronde en ik ga de stad uit met alles, wat ik bij elkander kan brengen. Die zevenhonderd en vijftig duizend kronen zullen er mij weer bovenop helpen.”Zoo worden alle schikkingen gemaakt en ieder onderdeel geregeld; er wordt besloten, dat Mina rustig in Delft zal blijven, dat op het oogenblik de meest geschikte plaats voor het meisje is.“Zij is onverschillig voor alles,” klaagt Bodé Volckers en voegt er, op de tanden knarsend, aan toe: “Doch ik zal mij op den man wreken, die haar tot de geeseling en het spinhuis wilde veroordeelen en mij, enkel omdat ik haar vader ben, heeft beroofd van vijfhonderd duizend kronen.”Denzelfden avond overhandigt Guy Jan Haring van Hoorn een beurs met goud, zeggende: “Dit is een belooning voor het gevaar, waaraan gij u om mijnentwille hebt blootgesteld.”“Wel, sapperloot!” roept de Hollandsche visscher uit. “Dit is meer geld, dan ik ooit bij elkaar heb gezien. Ik neem echter niets aan voor een goede daad.”“Gij hebt vrouw en kinderen, neem het voor hen en voor de uitgaven, die gij hebt te doen om naarhet Noorden terug te keeren; ik wenschte buitendien dat gij een particuliere boodschap van mij daarheen overbracht.”Zoo wordt het dus geschikt, dat Haring terstond naar Noord-Holland vertrekt met orders voor Dalton om deDover Lassonmiddellijk naar Vlissingen te brengen en zoo hij Guy en deEsperanzadaar niet mocht vinden, naar Zuid-Beveland te zeilen en het anker uit te werpen in het Kromvliet. Dit is voor het oogenblik niet zeer gevaarlijk, daar de Spaansche galjoenen zich bijna alle te Amsterdam bevinden, om hulp te verleenen aan de belegeraars rondom Haarlem.Den volgenden morgen vertrekt Haring naar het Noorden en begeven Guy en Bodé Volckers zich per schip naar Vlissingen, waar deEsperanzaligt.Guy heeft ongeveer tien zijner manschappen aan boord van dit schip gelaten en dit aantal is voldoende, om naar Duinkerken te zeilen, waar hij carga inneemt van Bodé Volckers’ agenten in die plaats en papieren van uitklaring op Antwerpen krijgt.Als zij deze haven verlaten, zeilen zij opnieuw naar Vlissingen en vinden tot hun groote vreugde deDover Lassop hen wachtend, daar Haring zeer snel heeft gereisd, Dalton zijn orders stipt heeft uitgevoerd en deDover Lassbuitendien terstond onder zeil kon gaan, omdat de haven van Enkhuizen reeds geheel vrij was van ijs.“Bij alle zeemeerminnen!” roept zijn eerste officier uit, als hij zijn commandant ziet, “wij dachten, dat gij dood waart—verdronken bij dien vervloekten Diemer dijk. Dat is kostelijk nieuws.”“En ik heb toch nog beter nieuws voor u,” lacht Guy.“En dat is?”“Geld om de bemanning te betalen!” Waarop de Britsche pikbroeken luide juichkreten doen hooren.Daarna haalt Guy het geld van Bodé Volckers voor den dag en rekent met zijn zeelieden af.Den volgenden morgen kiest hij de manschappen uit, die den vorigen keer ook reeds mee zijn geweest naar Antwerpen en laat zich door deDover Lassvergezellen tot aan het Kromvliet, waar zij het anker uitwerpt bij de Bevelandsche kust, terwijl hij verder gaat naar Antwerpen, de wachtbooten bij Lillo passeert en naar de dokken zeilt, nog ongeduldiger verlangend naar een ontmoeting met Alva’s dochter dan naar het buitmaken van Alva’s schat.Hij begrijpt, dat het zaak is, met het laatste zooveel mogelijk haast te maken. Gedurende zijn gevechten en schermutselingen is zijn gelaat aan vele Spaansche krijgslieden bekend geworden, en ofschoon de meeste nog in Holland zijn, zijn er toch eenige, die gewond werden, voor hun herstel hier. Gelukkig zijn dezen gebonden aan hun kamer en hun bed, daar enkel de zwaar gewonden uit het leger worden weggezonden,—Spanje toch heeft iederen man noodig bij het beleg van Haarlem—maar met tien duizend kronen op zijn hoofd bevindt de “Eerste der Engelschen” zich in elk geval in groot levensgevaar.Om geen tijd verloren te laten gaan, begeeft Chester zich, zoo goed mogelijk vermomd als kapitein Andrea Blanco, naar het huis van den koopman,om schikkingen te treffen, teneinde zijn carga te lossen. Weldra zijn zij in een ernstig gesprek gewikkeld, waarin Guy Bodé Volckers, die de zaak nu met hart en ziel is toegedaan, opdraagt, zooveel mogelijk informatiën in te winnen omtrent het huis van de Spaansche vrouw, senora Sebastian, als hij opeens alleraangenaamst wordt verrast.Hij hoort de stem van de gravin De Pariza in den winkel achter het kantoor, waar hij met den koopman zit. Deze stem kwam hem tot nu toe altijd hard, onaangenaam en afstootend voor, maar nu klinkt zij hem zoo zoet als een engelenstem in de ooren, als zij zegt: “Ik kom om een weinig wit Fransch mousseline voor Dona de Alva te koopen. Gij behoeft er niet veel ellen van uit te meten, daar Dona Hermoine weldra naar Spanje vertrekt, om in een klooster te gaan.”“Zal ik het goed voor Uwe Genade in de Citadel laten bezorgen?” vraagt de volijverige bediende.“Neen, ik zal het zelf meenemen. Het weer is zoo prachtig, dat Dona Hermoine en ik nu reeds voor den zomer onzen intrek hebben genomen in het landhuis te Sandvliet. Doch snel wat, jonge man, de staatsbarge wacht.”Deze woorden verjagen alle gedachten aan Alva’s schat uit Guy’s hoofd.“Geef mij eenige nadere inlichtingen,” fluistert de koopman, “omtrent het huis van de Spaansche vrouw.”“Ik heb u gezegd, waar het ligt. Morgen zal ik verder met u spreken. Wat is de snelste manier, om te Sandvliet te komen?”“De snelste is te paard, maar zij is niet de veiligste.”“Ik kies de snelste.”“Door de schildwachten van Lillo? Gij zult aangehouden worden! Gij moet een pas hebben!” Vervolgens fluistert de koopman, waarschuwend: “Gaat gij als kapitein Andrea Blanco of als kolonel Guido Amati, of als die andere?” Bodé Volckers wordt zoo wit als de dood, als hij die laatste opmerking maakt.“Als—Goede God! Ikmoetimmers gaan als kolonel Guido Amati!”“Meent gij, dat gij fort Lillo kunt passeeren met een pas ten name van kolonel Guido Amati, die reeds drie of vier maanden geleden als dood is opgegeven?” zegt Bodé Volckers. “Een jaar geleden zoudt gij Lillo hebben kunnen passeeren alskapiteinGuido Amati, maar alskolonelGuido Amati, een man van rang, een man, die aan het hoofd van een regiment stond, een man bovendien, die in een dagorder vermeld werd onder de dooden—neen, neen, gij werpt uw leven weg en zult het meisje niet winnen. Gij werpt den schat weg en offert mijn leven op.”“Gij hebt gelijk,” zegt Chester neerslachtig, “maar ik moet haar zien.”“Ga dan met een boot, dat is de eenige veilige manier,” antwoordt Niklaas.“Nu goed; ik zal de sloep van deEsperanzanemen; daarmee komt men snel vooruit en ik zal alle mogelijke zorg voor mijzelf dragen—omharentwillehet meest,” antwoordt Guy. “Het zou niet goed voor haar zijn, opnieuw om Guido Amati te treuren. Doe gij intusschen hier, wat gij kunt. Ik ben morgen vroeg terug.”Met deze woorden verlaat kapitein Andrea Blanco het kantoor van den koopman, begeeft zich aan boord van deEsperanzaen vermomt zich, zoo goed als hij kan, als kolonel Guido Amati; want tengevolge van zijn wonden, ziet hij bleek, terwijl vermoeienissen en angst rimpels van zorg in zijn voorhoofd hebben gegroefd.Ondanks dit alles ligt er een glans van innig geluk en vreugdevolle verwachting op het gelaat van den stoutmoedigen jongen man, als hij in zijn boot, voortgeroeid door zes flinke mannen, de Schelde afglijdt.En zijn gelukkige stemming wordt nog verhoogd, als hij, met vluggen stap en zwierig uitgedost in satijn en zijde,—zooals het een cavalier betaamt, die de dame van zijn hart gaat bezoeken,—uit zijn boot aan den dijk stapt, ongeveer een halven mijl ten Westen van Sandvliet, waar een nette landingsplaats is met sierlijke treden tot aan het water ten gebruike van dames, en vanwaar een lommerrijke laan van populieren leidt naar het fraaie kasteel, door Alva voor zijn dochter gebouwd, om er de zomermaanden door te brengen.Het huis ligt aan het eind van de laan op den dijk, en men heeft daar een heerlijk uitzicht op de Schelde. Een der vleugels reikt zelfs tot aan het water, een boot zou tot vlak onder de ramen kunnen varen.Het is een ruim gebouw, bestaande uit het hoofdgebouw en twee vleugels; de eene vleugel aan het water, met zijn balkons en zonneblinden, is zeker het gedeelte, waar de dochter van den Onderkoningzelve woont, de andere vleugel is, voor zoover Guy, als hij naderbij komt, er over kan oordeelen, bestemd voor het gebruik van de bedienden en bevat de keuken, de provisiekamers enzoovoort. Het hoofdgebouw wordt waarschijnlijk gebruikt voor de ontvangst van bezoekers en het geven van partijen.Het geheel is een schoone en ruime villa, gebouwd met Moorsche bevalligheid en Oostersche pracht. Dit kan men gemakkelijk reeds op een afstand zien, want overal zijn van buiten zonneblinden aangebracht en sommige ramen zijn van geschilderd glas.Voor het huis langs den dijk is een aardige tuin; de boomen,—het is reeds Mei,—zijn vol jonge blaadjes in hun eerste groen en frissche schoonheid. In de grasperken zijn eenige bloemen geplant, waarschijnlijk gekweekt in broeikassen.Aan het eind van den tuin is een klein tuinhuisje, begroeid met wijngaardranken en met de open zijde naar den waterkant. Dit trekt dadelijk Guy’s aandacht, als hij een onderzoekenden blik in het rond werpt, alvorens zijn komst aan te kondigen door, volgens het gebruik van die dagen, in de handen te klappen.Als hij nauwkeuriger uitkijkt, ontdekt hij een witte japon. Zijn hart begint sneller te kloppen, zijn liefde zegt hem, dat zij het is, die hij eens in zijn armen hield.Bij de haag staat een populier. Guy grijpt hem vast en springt over de heg in den tuin, nadert het tuinhuisje—en wat hij daarbinnen ziet, berooft hem bijkans van zijn bezinning.Hermoine de Alva—haar gelaat gedeeltelijk vanhem afgewend en haar oog op de Schelde gericht, achterover liggend op een lage rustbank met zijden kussens bedekt, haar eene hand het fraaie hoofdje ondersteunend, een harer voetjes te voorschijn komend onder de plooien van haar gewaad, haar bevallige figuur gekleed in een zacht wit gewaad, afgezet aan den hals, de mouwen en den zoom met een smal, zwart randje—vertoont een beeld, waarop zijn oogen, die dien aanblik zoolang hebben ontbeerd, uren lang onbeweeglijk zouden kunnen staren in een soort van droomende verrukking.Doch Chester is niet de man om te droomen, als hij in de gelegenheid is, zijn beminde te omhelzen. Hij staat slechts een oogenblik stil, om er over na te denken, hoe hij den schok kan voorkomen, dien het zien van een dood gewaande haar zou kunnen geven.“Zij zal mij voor een geest houden en bang voor mij zijn,” overlegt hij; want geesten en hekserij en het bovennatuurlijke waren in dien tijd aan de orde van den dag.Terwijl hij daar nog aarzelend staat, neemt het meisje een gebedenboek op, dat naast haar ligt, en dwingt zichzelve om te lezen, doch zuchtend legt zij het weer uit de hand. Als zij zich beweegt, schittert er iets aan haar blanke hand. Het is de ring, dien hij haar gaf, en Guy kan zich niet langer bedwingen.“Van vreugde sterft men niet, anders was ik zelf al lang dood,” denkt hij; vervolgens zegt hij op lossen toon, bijna aan haar oor: “Dona Hermoine, waarom heet gij mij niet welkom?”“Heilige Maagd! die stem—,” stamelt het meisje. “Die stem—!” Opspringend en hem scherp aanziende, hijgt zij: “Madre mia! Guido! Mijn Guido, die dood is!” en fluistert vervolgens met bleeke lippen: “Uw geest kan niet gekomen zijn, om mij verwijten te doen—dat kunt gij niet, daar ik mij aan den hemelschen Bruidegom heb gewijd na uw dood!” En haar mooie oogen staren hem vol schrik en ontzetting aan.“Niet dood, maar enkel gewond; daarom heb ik verlof tot herstel van gezondheid. Aan dooden geven zij zulk een verlof niet.” En meenende het bovennatuurlijke het best met het alledaagsche te kunnen verdrijven, vervolgt Guy:“Zoudt gij mij niet uitnoodigen voor het middagmaal?”“Een middagmaal voor eengeest!” Dit komt als een wilde kreet over Hermoine’s lippen, en haar gebedenboek met het vergulde kruis op zijn fluweelen omslag omhoog houdend, begint zij: “Exorcizare te—”Doch hij roept uit: “Ik ben geen geest! Bezweer mij niet, ik ben geen geest!”“Geen geest?Onmogelijk! Ik heb rouw over u gedragen—sinds—die Jobstijding—van het gevecht op het ijs—toen die wreede Engelsche moordenaar en zijn manschappen u doodden.”“Mij niet! Ofschoon zij mij hier en daar leelijk toetakelden—een houw over het hoofd en een kogel in het lichaam. Ik wil u bewijzen, dat ik niet dood ben. Zijn dit de lippen van een geest? Herinnert gij ze u?”Guy slaat zijn armen om het meisje heen, dat half bezwijmd is, en tracht door kussen een eind aan haar twijfel te maken.En hij bereikt zijn doel zóó goed, dat het meisje uitroept: “Levend! Ja, ja, gij zijt levend! uw hart klopt tegen het mijne. Mijn Guido leeft!” en zij barst in tranen uit, alsof zij smart in plaats van vreugde ondervond.Wat Guy betreft, hij stelt zich ruimschoots schadeloos voor zijn langdurige gedwongen afwezigheid, zoodat Dona de Alva bloost doch tegelijkertijd straalt van geluk en opnieuw bloost en fluistert: “Gij—gij behoeft mij niet zoo herhaaldelijk te bewijzen, dat gij leeft. Ik weet nu wel, dat uw lippen niet die van een geest zijn.” En zij voegt er op verwijtenden toon aan toe: “En gij liet mij zoolang treuren.”“Ik was een gevangene—” begint Chester.“Een gevangene!—Zij maken geen gevangenen!”“De ‘Eerste der Engelschen’ wel! En dan mijn wonden!” zoo verdedigt Guy zich op meewarigen toon.“O ja, uw zware wonden. Ik—ik zal u verplegen.”“Ja, onder uw handen zal ik zeker spoedig herstellen,” zegt hij met een stralend gelaat en vervolgt opgewonden:“Ik zal niet gezond worden eer—”“Eer wat?”“Eer ik met u getrouwd ben.”“Met mij getrouwd zijt!” En juffrouw Brunette bloost tot in haar sneeuwwitten hals, zij slaat de oogen neer, ofschoon zij van geluk schitteren.“Ja, dezen keer, dat ik hier ben, trouw ik met u!” Hij fluistert het, en toch klinkt het wild en hartstochtelijk.En nu brengt Hermoine hem in verbazing, want zij antwoordt, hem dapper in de oogen kijkend, op vasten toon: “Ja, dezen keer zal het gebeuren!” en zij stamelt: “Ik zou niet opnieuw zooveel kunnen lijden. Als gij vertrekt, ga ik met u, kolonel Guido Amati de Medina zal een vrouw hebben. Doch gij moogt er niet over denken, naar het leger terug te keeren, eer gij volkomen hersteld zijt, en dat zal lang duren, vrees ik,” en het meisje beschouwt het kleine litteeken op het voorhoofd van haar beminde, alsof het een doodelijke wonde was.En hij beschuldigt zich nu van groote onhartelijkheid, hij noemt zich een ellendeling, dat hij haar zoolang heeft laten treuren; wat beteekende plicht, wat beteekende zijn eed, vergeleken bij de wreede smart, die haar gelaat heeft omfloerst?Een oogenblik later doet zijn liefste Guy schrikken. Zij roept plotseling uit: “Wel, wat is de kleine De Busaco toch een goed profeet! Hij—hij heeft zeker het tweede gezicht!”“De Busaco! Hebt gij hem dan gesproken?” roept de gewaande Guido Amati onthutst uit.“Ja, hij is op fort Lillo in garnizoen, daarheen gezonden om te herstellen. De arme kleine luitenant kreeg het koudvuur in zijn wonden, die hij had opgedaan in het gevecht op het ijs. Toen ik hoorde, dat hij het was, die u het laatst had gezien, mijn Guido,”—zij neemt, dit zeggende Guy’s hand in de hare, alsof zij vreesde, dat zij hem opnieuw zou verliezen,—“zond ik om hem en informeerde handig—als geschiedde het slechts uit belangstelling in een goede kennis—o, ik beheerschte mij goed!—hoe gij waart gevallen. En hij vertelde het mij; doch eer hij mij verliet, zeide hij: ‘Ik wed, dat gij kolonel Guido Amati toch niet voor het laatst hebt gezien.’ ‘Waarom niet?’ bracht ik met moeite uit, met nieuwe hoop in mijn hart. ‘Zaagt gij hem dan niet vallen?’ ‘Ja,’ zeide De Busaco achteloos, en ik vond zijn manier van doen heel vreemd, ‘doch mijn vriend, kolonel Guido Amati, heeft, als een kat,negenlevens en hij heeft er nog maar één van opgeofferd.’ Vermoedde hij misschien, dat zij uw leven zouden sparen?”“Misschien,” antwoordde Guy. “Deze Engelsche moordenaar, zooals gij hem noemt, spaarde mij niet alleen, doch redde mijn leven, zorgde voor mij, nam mij mee naar Enkhuizen en toen ik daar doodziek lag met hevige wondkoortsen, zorgde hij er voor, dat ik zoo goed werd opgepast, alsof hijzelf het was.”“Dus hij is geen Engelsche moordenaar?”“Neen, hij is een Engelsche ridder, en ik hoop, dat de tijd nog eens zal komen, dat gij zult zeggen, dat hij een edelman is, uw achting waard.”“Dat is hij nu reeds! Hij redde uw leven voor de messen van die wreede Hollandsche vrijbuiters,” zegt het meisje plotseling; daarna mompelt zij op verschrikten toon; “En ik zette Papa er toe aan, den prijs op het hoofd van uw redder te verhoogen. De hemel vergeve mij!—tien duizend kronen staan nu op het hoofd van den man, die uw leven redde!”“Diable!” antwoordt Guy, niet zeer ingenomenmet hetgeen hij hoort. “De Engelschman is heel goed in staat voor zichzelven te zorgen, wij zullen dus maar van hem afstappen en terugkeeren tot kolonel Guido Amati.”“Apropos van hem,” lacht Hermoine, “de geest vroeg, meen ik, om een middagmaal.—Verlangt het spook geestelijke oesters, kabouterachtige tarbot en ragout uit den heksenketel?” en het meisje, nu een beeld van stralende vreugde, klapt in de handen.“Neen,” antwoordt Guy, “maar de geest zal een reuzenmaaltijd houden met verlof van het meisje uit het betooverd kasteel, en zij mag den wijn zoo krachtig maken als zij wil.”“Kom dan, want ik ben van plan het gemeste kalf voor u te slachten!” En Hermoine wil de hand van haar ridder vatten, om hem naar het priëel te geleiden.Doch Chester aarzelt eensklaps en fluistert: “De gravin De Pariza—wat zal uw duena zeggen?”“Zij zal niets zeggen,” merkt Dona de Alva luchtig op. “De gravin De Pariza zal vanavond niet thuis zijn.”“Niet? Ik meende, dat zij de staatsbarge bij zich had.”“Ja. Zij houdt de barge bij zich in Antwerpen. Zij overnacht bij de gravin van Mansfeld. Sedert dien nacht—gij herinnert hem u immers, den nacht, dien ik zegen?—toen gij mij uit de handen der Geuzen bevrijd hebt, vreest de gravin De Pariza de Watergeuzen meer dan de vijanden uit de andere wereld, en ofschoon het heet, dat zij hier woont, is zij zooveel mogelijk iederen nacht afwezig. Zij komt niet terug voor morgenochtend.”“Dat is een buitenkansje,” lacht Guy, in zijn hart Dirk Duyvel en zijn zeeschuimers zegenend, “dat zal ons voor veel onaangenaamheid bewaren; ik zal u altijd ’s avonds komen bezoeken. De gravin De Pariza kan haar tong niet in bedwang houden.”“Neen, dat kan zij ook niet,” roept het meisje uit, “ik zal het haar echter leeren!” en op dit oogenblik is zij geheel Alva’s dochter. “Maar ga nu mee in huis. Gij zijt hongerig, en met uw wonden moet gij versterkend voedsel hebben. Kom mee aan het avondeten.”En Guy laat zich gedwee naar dezen maaltijd leiden, met den eetlust van een zeeman en volstrekt niet met dien van een geest. Dona Hermoine neemt zijn arm, alsof zij vreesde hem te zullen verliezen. Als zij in de ruime vestibule van dit schoone buitenverblijf zijn gekomen, klapt zijn schoone dame in de handen, en de twee Moorsche meisjes, die Guy reeds vroeger heeft gezien, snellen toe.“Alida, maak een kamer in orde voor dezen heer, die met mij het avondeten gebruikt,” beveelt Hermoine. Waarop een der meisjes, met een dienaresse, haar meesteres iets in het oor fluistert.Hierop barst Dona de Alva in lachen uit, en zegt: “Zeker. Hij is mijn vriend, kolonel Guido Amati, dien gij met denzelfden eerbied moet behandelen als mij. Senor, als gij terugkomt, vindt gij den reuzenmaaltijd, dien gij besteld hebt, gereed.”Waarop Guy, het Moorsche meisje,—hetzelfde, dat hem indertijd het pakje in de Citadel heeft gebracht en dat de vertrouwde dienstmaagd van zijn beminde schijnt te zijn,—volgend, zich weldra bevindt in eenzoo luxueus ingerichte kamer, als hij ooit heeft gezien, ofschoon zij duidelijk de sporen draagt, voor een heer te zijn bestemd. Aan de muren hangen wapenen, in de aangrenzende kleedkamer staan mannenlaarzen en op de toilettafel ligt een misboek, fraai ingebonden, met het kasteel met de drie torens, een raaf op iederen toren—het wapen van Alva—er op;—hierin ligt een boekelegger, kunstig bewerkt en geteekend: “Uw Hermoine”.“Welk mannelijk wezen,” denkt Guy bij zich zelven, half jaloersch, “is gewoon zich hier zoo huiselijk in te richten?” En zich tot het meisje wendend, dat hem hierheen heeft geleid en dat hem met nieuwsgierige, verwonderde oogen aankijkt, vraagt hij: “Zijn dit de vertrekken van een heer?”“Ja! Het is de kamer van Zijne Hoogheid den hertog van Alva, als hij ons met zijn tegenwoordigheid vereert,” antwoordt het meisje met een diepe buiging en verlaat Guy, die nu het heiligdom van zijn vijand opneemt.“Drommels!” denkt hij, “nu ben ik met recht in het hol van den leeuw.” En naar de pracht van de draperieën en den hemel van het bed kijkend, mompelt hij: “Een week geleden sliep ik in de herberg van Hasselaer te Haarlem!” en als al de verschrikkingen van den honger en den dood in de belegerde stad hem opnieuw voor den geest komen, schijnt zijn tegenwoordige weelderige omgeving hem bijna een droom toe.Maar om geen tijd te verliezen,—want hij verlangt naar zijn beminde en ook naar zijn maaltijd,—borstelt de jonge man alle sporen van de reis van zich afen bedient zich daarna van zachter handdoeken, dan hij ooit in zijn gespierde handen heeft gehad.En als hij vervolgens de breede eikenhouten trap afgaat naar de vestibule, wordt hij door het andere Moorsche meisje geleid in een vertrek, dat nooit uit zijn geheugen zal gaan—misschien niet om den indruk, dien het eerst op hem maakte, maar om hetgeen er later in gebeurde.Het is een statig gewelfd vertrek in den rechtervleugel van het huis; een groot, vooruitstekend venster komt vlak aan het water van de Schelde uit, waardoor men het geklots van de golven kan hooren, want het venster is geopend en de zeilen zijn neergelaten om de ondergaande zon buiten te houden. Aan de eene zijde is de muur verdeeld in drie groote nissen. Daarvoor hangen zware gordijnen van dik Vlaamsch tapijtgoed, versierd met gouden kwasten, die dit vertrek scheiden van een ander, dat er achter ligt. Hier tegenover aan den tuinkant zijn vensters, die uitkomen op een balkon, beschut door schitterend gekleurde zeilen en voorzien van gemakkelijke zitplaatsen.Op een met kussens bedekte sofa bij het vooruitstekende venster zit, terwijl de stralen van de ondergaande zon haar donker haar beschijnen, Hermoine. Bij zijn binnenkomst staat zij echter op, om hem te gemoet te gaan en zegt: “Ik heb geen toilet gemaakt; ik kon het niet over mij verkrijgen, u te laten wachten, gij zijt zoo hongerig!” waarop zij, in de handen klappend, uitroept: “Terstond opdienen!”Onmiddellijk openen zich de zware gordijnen, weggetrokken door gouden koorden voor twee van dedeuropeningen en de eetkamer wordt zichtbaar, waarin een tafel staat, bedekt met een sneeuwwit tafellaken, waarop goud en zilver schittert, Venetiaansch glaswerk fonkelt en een overvloed van bloemen een liefelijken geur verspreidt.“Kolonel Amati,” fluistert Hermoine, en haar blanke hand in de zijne leggend, gaan zij samen naar binnen, om den maaltijd te gebruiken, die zoo weelderig is aangericht, als Guy nog nooit, zelfs niet aan het hof van Elizabeth, heeft gezien; want er zijn allervreemdste voorwerpen om mee te eten, vorken genaamd, waarvan hij het gebruik niet kent, en als Engelschman geeft hij de voorkeur aan zijn vingers en een servet.Doch zijn gastvrouw is er op gesteld om hem het gebruik van deze Italiaansche uitvinding te wijzen, en toont hem, hoe hij dit instrument aan zijn mond kan brengen, zonder in zijn tong te prikken, waarbij Guy lacht en op treurigen toon uitroept: “Ik smeek u, Dona Hermoine, laat mij niet meer bloed verliezen!”Hierop verbleekt zij een weinig, en hem aankijkend, fluistert zij: “Uw wonden, o ja—uw zware wonden. Eet en word sterk om mijnentwille.” En zij noodzaakt hem vol bezorgdheid, een reuzenmaaltijd te houden, waarvan hij volstrekt niet afkeerig is, daar de keuken uitstekend is en de wijn van de fijnste Spaansche merken en afgekoeld met ijs—een nieuwe mode, waaraan de Engelschman volle recht laat wedervaren.Al dien tijd eet het meisje niets, en schijnt genoeg te hebben aan hetgeen haar oogen zien.“Gij—gij eet niets, mijn Hermoine,” fluisterthaar ridder, die nu van zijn kant ook bezorgd wordt.“O, ik ben er aan gewend, te vasten,” zegt zij, “gij weet, dat ik mij voorbereidde voor het kloosterleven. Zou het niet verschrikkelijk zijn geweest?” en het bekoorlijke pruilende mondje geeft iets pikants aan de non in den dop.“Gij zoudt in een klooster zijn gegaan om mijnentwille?”“Dat was mijn plan. Er is een groot klooster in Valladolid—waarvan ik abdis zou worden—ik zou het rijk begiftigd hebben—”“Gij abdis?”“Ja. Zie ik er niet gestreng uit?” schertst de gelukkige Hermoine. “Misschien had ik mij toch nog bedacht. Ik begon reeds genoeg te krijgen van het gebedenboek. Maar nu denk ik niet meer over middernachtelijk waken—o, Guido mio—zeg mij, dat het geen droom is.”“Ik wil meer doen—ik wil het bewijzen!” fluistert Guy en staat van de tafel op.Hij ziet er uit, alsof hij eens goed gebruik van zijn recht wil maken. En daar Hermoine er niets tegen schijnt te hebben, hem dit recht toe te staan, geeft zij haar twee Moorsche meisjes, die hen aan tafel hebben bediend, een teeken, en als Chester en Hermoine de eetkamer verlaten, om naar het andere vertrek te gaan, vallen de gordijnen achter hen dicht en zijn zij alleen.“Kom in het venster; daar krijgen wij weldra maanlicht,” zegt de jonge dame. En zij gaan naast elkaar zitten en kijken naar de kalme golven van de Schelde, terwijl een zoel zomerbriesje hun tegemoetwaait door het geopend venster. “Zal ik wat muziek voor u maken?” vraagt het meisje.“Uw stem is voor mij de schoonste muziek.”“O,” roept Hermoine uit, “ik speel op de mandoline; ik bezit daar eenige vaardigheid in. Buitendien kan ik de cachuca en de bolero dansen. Morgenavond zal ik voor meer afwisseling voor u zorgen. Mijn Moorsche meisjes bespelen de harp en de guitaar en ik zal De Busaco inviteeren.”“Inviteer, als ’t u belieft, niemand.”“Zelfs den kleinen De Busaco niet, die niet wilde gelooven, dat gij dood waart?”“Neen.”“Weet gij, dat hij misschien ons geheim vermoedt?”“Waarom?”“Toen hij bij mij kwam, bracht hij mij twee brieven, die hem in handen waren gekomen, daar hij de zorg voor uw goed op zich had genomen. Hij overhandigde ze mij, zeggende: ‘Ik denk, dat zij wel eenige waarde voor u zullen hebben.’ ‘Gij hebt ze niet goed bewaard, mijn Guido.’”Er is een verwijt in haar oogen te lezen.“Ik droeg uw brief altijd bij mij,” antwoordt Guy met veel tegenwoordigheid van geest.“Mijnbrieven,” verbetert hem het meisje; “ik zond er u drie.”“O, ja, maar ik—ik noem uw brief, dien, welken ik het laatst ontving, en dien ik bij mij droeg om hem te kleuren met mijn bloed, denzelfden, die mij aanspoorde, om bevordering te verwerven door het verslaan van den Engelschen kapitein,” en Chester haalt het epistel voor den dag, gevonden op hetlijk van Guido Amati na het gevecht op het ijs.“Ja, de brief, die mij mijzelve deed verwenschen,” roept Hermoine uit, “de brief die, zooals ik meende, u den dood had gebracht in plaats van liefde; de brief, die u opdroeg, den dapperen Engelschman,—ik wil hem nu niet meerwreednoemen,—te dooden.” En er komen tranen in haar oogen, en snikkend zegt zij: “Vertel mij al uw avonturen van het oogenblik af, dat gij van mij verwijderd waart.”Aldus gedwongen, geeft Guy een nauwkeurig verslag van het gevecht op het ijs, natuurlijk van een Spaansch standpunt uit, en zegt haar eindelijk, dat hij er zich vast van verzekerd houdt, dat de eerstvolgende slag, waaraan hij deelneemt, hem tot generaal zal doen bevorderen.Een oogenblik later vraagt hij, naar de Schelde kijkend: “Zijt gij niet bevreesd voor de Watergeuzen?”“Neen,” antwoordt Hermoine, “zij zijn allen naar Holland gegaan. Bovendien heb ik acht gewapende lakeien in huis en in de stallen nog vier als geleide bij de galei, dan ligt er garnizoen in Lillo, en een halve compagnie te Sandvliet, ginds vlak om den hoek.” Haar blanke arm maakt een bevallige beweging in de aangeduide richting. “Ik ben hier voor iedereen veilig, behalve voor u, mijn Guido.”En Guy denkt, terwijl hij naar de Schelde kijkt, die verlicht is door de maan: “Veilig, behalve voor mij.” Want hij ziet in het Kromvliet, vlak bij de Zuid-Bevelandsche kust, de masten van deDover Lassen in zijn hoofd rijpt een plan, volgens hetwelk hij Hermoine de Alva aan haar woord wil houden en haar de zijne wil maken.
Na eenigen tijd keert Bodé Volckers terug van het onderhoud met zijn dochter, en in zijn Vlaamsche oogen ligt een treurige uitdrukking. Als hij Guy ziet, die op hem heeft gewacht barst hij uit: “Die schilder Oliver! Welk recht had zulk een man, om iets anders lief te hebben dan zijn vaderland? Welk recht had hij, wiens leven aan een zijden draad hing, om mijn kind lief te hebben?”
“Het recht, dat alle menschen hebben om het schoone te beminnen,” zucht Guy, die door de verrassende mededeelingen van Bodé Volckers met betrekking tot Dona de Alva’s kloosterplannen, niet enkel romantisch gestemd is, maar ook weemoedig.
“Doch niet het recht om het schoone op te offeren. Oliver’s verraad tegenover Alva bracht Mina in gevaar, en nu heeft zijn dood haar het hart gebroken. Zij kan zelfs niet meer naar huis gaan uit vrees voor Alva’s pijnbank. Alva!” roept de koopman met verheffing van stem uit, “die mij en de mijnen in ellende heeft gestort, die mij heeft geruïneerd!”
“U geruïneerd? Hoe?” vraagt Guy teleurgesteld. Hij heeft op den koopman gewacht, daar hij geldelijke hulp noodig heeft, en diens woorden klinken hem dus niet heel aangenaam in de ooren.
“Hoe?” herhaalt Bodé Volckers. “Allereerst door mijn huiselijk leven te verwoesten, in de tweede plaats door mijn handelszaak naar den kelder te brengen met zijn tienden penning, en in de derde plaats door mij, als een gedwongen leening aan het Spaansche gouvernement, vijfhonderd duizend kronen af te nemen.”
“Wenscht gij ze terug te hebben?”
“Hemel en aarde,—ja! Maar het geld is zoo goed als verloren. Wat praat gij voor onzin?” zegt de koopman op spottenden toon.
“Het is geen onzin!”
“Geen onzin te beweren, dat Alva zijn schulden zal terugbetalen?”
“Neen, want ik zal ze voor hem terugbetalen.”
“Gij—een krijgsman—vijfhonderd duizend kronen betalen! Gij zijt uw verstand kwijtgeraakt door al uw avonturen,” roept Bodé Volckers uit, die denkt, dat Guy hem voor den gek wil houden.
“Volstrekt niet. Schiet mij tien duizend kronen voor, waag u leven, evenals ik het mijne waag, en ik zal u vijfhonderd duizend kronen teruggeven en u in de gelegenheid stellen, u te wreken.”
De Engelschman zegt dit alles fluisterend, doch op vasten toon, hij heeft de zaak goed overdacht en is tot het resultaat gekomen, dat, nu Oliver is heengegaan, Bodé Volckers met zijn Antwerpsche pakhuizen, Antwerpsche schepen en kennis vanAntwerpsche toestanden, juist de man is om hem in deze zaak te helpen, als hij er tenminste den moed toe heeft.
“Mijn leven wagen? Ik zou het honderdmaal wagen als ik mij daardoor wreken kon op den man, die mij van alles heeft beroofd!”
“Goed, kom dan mee naar mijn kamer, wij moeten die zaak in het geheim bespreken,” zegt Guy, die er nu zeker van is, dat, al zou Bodé Volckers zijn leven ook niet wagen uit vaderlandsliefde, hij het een dozijn keeren zou doen, om zijn vijfhonderd duizend kronen terug te krijgen. De beweegredenen, waaruit de man handelt, gaan hem echter niet aan, alleen zijn daden.
Als zij op Chester’s kamer zijn gekomen, zegt de koopman: “Wat wenscht gij van mij?”
“Allereerst heb ik honderd kronen noodig om Jan Haring te betalen, die mij heeft geholpen om uw dochter buiten de wallen van Haarlem te brengen.”
“Ik wil—ik wil Haring heel gaarne zelfs duizend kronen geven. En u mijn liefde, mijn genegenheid, en alles wat gij slechts wenscht, omdat gij mijn Mina voor vernedering en dood hebt bewaard,” antwoordt de koopman op dankbaren toon.
“Uw leven soms ook?”
“Ja, dat wil ik ook geven, om mij op Alva te wreken.”
“Als dat zoo is,” zegt Guy, “luister dan naar mij.” En nadat hij Bodé Volckers geheimhouding heeft laten zweren, vertelt hij hem alles van het geheim van Alva’s standbeeld, alles van Alva’s schat, want hij begrijpt, dat hij dezen man, wiensleven hij in de waagschaal stelt ten behoeve van zijn eigen zelfzuchtige bedoelingen, zijn volkomen vertrouwen moet schenken.
“Goed. Wat verlangt gij dat ik zal doen?” herneemt de Vlaming, wiens oogen beginnen te schitteren, als hij hoort van Alva’s verborgen schatten, terwijl zijn ziel van vreugde wordt vervuld, als hij denkt aan den buit. “Zou ik niet een weinig meer kunnen terugkrijgen—interest tenminste?”
“Top, ook interest—zeshonderd duizend, als uw leven u iets waard is—wij zullen er zevenhonderd en vijftig duizend van maken.”
“Goed—nu tot de zaak! Wat hebt gij noodig?”
“Allereerst, want de tijd dringt, heb ik zoo spoedig mogelijk papieren van uitklaring noodig van de stad Amsterdam voor deEsperanza, die nog in de haven van Vlissingen ligt. Kunt gij ze mij verschaffen?”
“Van Amsterdam? Onmogelijk! Doch ik kan u uitklaring en carga van Stockholm verschaffen.”
“Dat zal ons twee weken ophouden—noem een haven, die dichter bij is.”
“Van Duinkerken? Daarmee zijn slechts drie of vier dagen gemoeid.”
“Van Duinkerken! Best,” antwoordt Chester. “Met deEsperanzazeil ik dan, op u geconsigneerd als kapitein Andrea Blanco, nog eens rechtstreeks de haven van Antwerpen binnen en blijf daar liggen, totdat ik mij van Alva’s schat en Alva’s dochter heb meester gemaakt. Is het in die stad bekend, dat gij hier zijt?”
“Neen. Daarvoor heb ik gezorgd,” zegt BodéVolckers. “Men denkt, dat ik in Frankrijk ben, om Lyonsche zijde te koopen. Ik zal zelf met u naar Duinkerken varen. Dat werpt een schijn van waarheid over alles—Lyonsche zijde uit een Fransche haven.”
“En als het later ontdekt wordt, dan kost het u het leven.”
“Om ’t even,” zegt de Vlaming. “Antwerpen’s handel gaat te gronde en ik ga de stad uit met alles, wat ik bij elkander kan brengen. Die zevenhonderd en vijftig duizend kronen zullen er mij weer bovenop helpen.”
Zoo worden alle schikkingen gemaakt en ieder onderdeel geregeld; er wordt besloten, dat Mina rustig in Delft zal blijven, dat op het oogenblik de meest geschikte plaats voor het meisje is.
“Zij is onverschillig voor alles,” klaagt Bodé Volckers en voegt er, op de tanden knarsend, aan toe: “Doch ik zal mij op den man wreken, die haar tot de geeseling en het spinhuis wilde veroordeelen en mij, enkel omdat ik haar vader ben, heeft beroofd van vijfhonderd duizend kronen.”
Denzelfden avond overhandigt Guy Jan Haring van Hoorn een beurs met goud, zeggende: “Dit is een belooning voor het gevaar, waaraan gij u om mijnentwille hebt blootgesteld.”
“Wel, sapperloot!” roept de Hollandsche visscher uit. “Dit is meer geld, dan ik ooit bij elkaar heb gezien. Ik neem echter niets aan voor een goede daad.”
“Gij hebt vrouw en kinderen, neem het voor hen en voor de uitgaven, die gij hebt te doen om naarhet Noorden terug te keeren; ik wenschte buitendien dat gij een particuliere boodschap van mij daarheen overbracht.”
Zoo wordt het dus geschikt, dat Haring terstond naar Noord-Holland vertrekt met orders voor Dalton om deDover Lassonmiddellijk naar Vlissingen te brengen en zoo hij Guy en deEsperanzadaar niet mocht vinden, naar Zuid-Beveland te zeilen en het anker uit te werpen in het Kromvliet. Dit is voor het oogenblik niet zeer gevaarlijk, daar de Spaansche galjoenen zich bijna alle te Amsterdam bevinden, om hulp te verleenen aan de belegeraars rondom Haarlem.
Den volgenden morgen vertrekt Haring naar het Noorden en begeven Guy en Bodé Volckers zich per schip naar Vlissingen, waar deEsperanzaligt.
Guy heeft ongeveer tien zijner manschappen aan boord van dit schip gelaten en dit aantal is voldoende, om naar Duinkerken te zeilen, waar hij carga inneemt van Bodé Volckers’ agenten in die plaats en papieren van uitklaring op Antwerpen krijgt.
Als zij deze haven verlaten, zeilen zij opnieuw naar Vlissingen en vinden tot hun groote vreugde deDover Lassop hen wachtend, daar Haring zeer snel heeft gereisd, Dalton zijn orders stipt heeft uitgevoerd en deDover Lassbuitendien terstond onder zeil kon gaan, omdat de haven van Enkhuizen reeds geheel vrij was van ijs.
“Bij alle zeemeerminnen!” roept zijn eerste officier uit, als hij zijn commandant ziet, “wij dachten, dat gij dood waart—verdronken bij dien vervloekten Diemer dijk. Dat is kostelijk nieuws.”
“En ik heb toch nog beter nieuws voor u,” lacht Guy.
“En dat is?”
“Geld om de bemanning te betalen!” Waarop de Britsche pikbroeken luide juichkreten doen hooren.
Daarna haalt Guy het geld van Bodé Volckers voor den dag en rekent met zijn zeelieden af.
Den volgenden morgen kiest hij de manschappen uit, die den vorigen keer ook reeds mee zijn geweest naar Antwerpen en laat zich door deDover Lassvergezellen tot aan het Kromvliet, waar zij het anker uitwerpt bij de Bevelandsche kust, terwijl hij verder gaat naar Antwerpen, de wachtbooten bij Lillo passeert en naar de dokken zeilt, nog ongeduldiger verlangend naar een ontmoeting met Alva’s dochter dan naar het buitmaken van Alva’s schat.
Hij begrijpt, dat het zaak is, met het laatste zooveel mogelijk haast te maken. Gedurende zijn gevechten en schermutselingen is zijn gelaat aan vele Spaansche krijgslieden bekend geworden, en ofschoon de meeste nog in Holland zijn, zijn er toch eenige, die gewond werden, voor hun herstel hier. Gelukkig zijn dezen gebonden aan hun kamer en hun bed, daar enkel de zwaar gewonden uit het leger worden weggezonden,—Spanje toch heeft iederen man noodig bij het beleg van Haarlem—maar met tien duizend kronen op zijn hoofd bevindt de “Eerste der Engelschen” zich in elk geval in groot levensgevaar.
Om geen tijd verloren te laten gaan, begeeft Chester zich, zoo goed mogelijk vermomd als kapitein Andrea Blanco, naar het huis van den koopman,om schikkingen te treffen, teneinde zijn carga te lossen. Weldra zijn zij in een ernstig gesprek gewikkeld, waarin Guy Bodé Volckers, die de zaak nu met hart en ziel is toegedaan, opdraagt, zooveel mogelijk informatiën in te winnen omtrent het huis van de Spaansche vrouw, senora Sebastian, als hij opeens alleraangenaamst wordt verrast.
Hij hoort de stem van de gravin De Pariza in den winkel achter het kantoor, waar hij met den koopman zit. Deze stem kwam hem tot nu toe altijd hard, onaangenaam en afstootend voor, maar nu klinkt zij hem zoo zoet als een engelenstem in de ooren, als zij zegt: “Ik kom om een weinig wit Fransch mousseline voor Dona de Alva te koopen. Gij behoeft er niet veel ellen van uit te meten, daar Dona Hermoine weldra naar Spanje vertrekt, om in een klooster te gaan.”
“Zal ik het goed voor Uwe Genade in de Citadel laten bezorgen?” vraagt de volijverige bediende.
“Neen, ik zal het zelf meenemen. Het weer is zoo prachtig, dat Dona Hermoine en ik nu reeds voor den zomer onzen intrek hebben genomen in het landhuis te Sandvliet. Doch snel wat, jonge man, de staatsbarge wacht.”
Deze woorden verjagen alle gedachten aan Alva’s schat uit Guy’s hoofd.
“Geef mij eenige nadere inlichtingen,” fluistert de koopman, “omtrent het huis van de Spaansche vrouw.”
“Ik heb u gezegd, waar het ligt. Morgen zal ik verder met u spreken. Wat is de snelste manier, om te Sandvliet te komen?”
“De snelste is te paard, maar zij is niet de veiligste.”
“Ik kies de snelste.”
“Door de schildwachten van Lillo? Gij zult aangehouden worden! Gij moet een pas hebben!” Vervolgens fluistert de koopman, waarschuwend: “Gaat gij als kapitein Andrea Blanco of als kolonel Guido Amati, of als die andere?” Bodé Volckers wordt zoo wit als de dood, als hij die laatste opmerking maakt.
“Als—Goede God! Ikmoetimmers gaan als kolonel Guido Amati!”
“Meent gij, dat gij fort Lillo kunt passeeren met een pas ten name van kolonel Guido Amati, die reeds drie of vier maanden geleden als dood is opgegeven?” zegt Bodé Volckers. “Een jaar geleden zoudt gij Lillo hebben kunnen passeeren alskapiteinGuido Amati, maar alskolonelGuido Amati, een man van rang, een man, die aan het hoofd van een regiment stond, een man bovendien, die in een dagorder vermeld werd onder de dooden—neen, neen, gij werpt uw leven weg en zult het meisje niet winnen. Gij werpt den schat weg en offert mijn leven op.”
“Gij hebt gelijk,” zegt Chester neerslachtig, “maar ik moet haar zien.”
“Ga dan met een boot, dat is de eenige veilige manier,” antwoordt Niklaas.
“Nu goed; ik zal de sloep van deEsperanzanemen; daarmee komt men snel vooruit en ik zal alle mogelijke zorg voor mijzelf dragen—omharentwillehet meest,” antwoordt Guy. “Het zou niet goed voor haar zijn, opnieuw om Guido Amati te treuren. Doe gij intusschen hier, wat gij kunt. Ik ben morgen vroeg terug.”
Met deze woorden verlaat kapitein Andrea Blanco het kantoor van den koopman, begeeft zich aan boord van deEsperanzaen vermomt zich, zoo goed als hij kan, als kolonel Guido Amati; want tengevolge van zijn wonden, ziet hij bleek, terwijl vermoeienissen en angst rimpels van zorg in zijn voorhoofd hebben gegroefd.
Ondanks dit alles ligt er een glans van innig geluk en vreugdevolle verwachting op het gelaat van den stoutmoedigen jongen man, als hij in zijn boot, voortgeroeid door zes flinke mannen, de Schelde afglijdt.
En zijn gelukkige stemming wordt nog verhoogd, als hij, met vluggen stap en zwierig uitgedost in satijn en zijde,—zooals het een cavalier betaamt, die de dame van zijn hart gaat bezoeken,—uit zijn boot aan den dijk stapt, ongeveer een halven mijl ten Westen van Sandvliet, waar een nette landingsplaats is met sierlijke treden tot aan het water ten gebruike van dames, en vanwaar een lommerrijke laan van populieren leidt naar het fraaie kasteel, door Alva voor zijn dochter gebouwd, om er de zomermaanden door te brengen.
Het huis ligt aan het eind van de laan op den dijk, en men heeft daar een heerlijk uitzicht op de Schelde. Een der vleugels reikt zelfs tot aan het water, een boot zou tot vlak onder de ramen kunnen varen.
Het is een ruim gebouw, bestaande uit het hoofdgebouw en twee vleugels; de eene vleugel aan het water, met zijn balkons en zonneblinden, is zeker het gedeelte, waar de dochter van den Onderkoningzelve woont, de andere vleugel is, voor zoover Guy, als hij naderbij komt, er over kan oordeelen, bestemd voor het gebruik van de bedienden en bevat de keuken, de provisiekamers enzoovoort. Het hoofdgebouw wordt waarschijnlijk gebruikt voor de ontvangst van bezoekers en het geven van partijen.
Het geheel is een schoone en ruime villa, gebouwd met Moorsche bevalligheid en Oostersche pracht. Dit kan men gemakkelijk reeds op een afstand zien, want overal zijn van buiten zonneblinden aangebracht en sommige ramen zijn van geschilderd glas.
Voor het huis langs den dijk is een aardige tuin; de boomen,—het is reeds Mei,—zijn vol jonge blaadjes in hun eerste groen en frissche schoonheid. In de grasperken zijn eenige bloemen geplant, waarschijnlijk gekweekt in broeikassen.
Aan het eind van den tuin is een klein tuinhuisje, begroeid met wijngaardranken en met de open zijde naar den waterkant. Dit trekt dadelijk Guy’s aandacht, als hij een onderzoekenden blik in het rond werpt, alvorens zijn komst aan te kondigen door, volgens het gebruik van die dagen, in de handen te klappen.
Als hij nauwkeuriger uitkijkt, ontdekt hij een witte japon. Zijn hart begint sneller te kloppen, zijn liefde zegt hem, dat zij het is, die hij eens in zijn armen hield.
Bij de haag staat een populier. Guy grijpt hem vast en springt over de heg in den tuin, nadert het tuinhuisje—en wat hij daarbinnen ziet, berooft hem bijkans van zijn bezinning.
Hermoine de Alva—haar gelaat gedeeltelijk vanhem afgewend en haar oog op de Schelde gericht, achterover liggend op een lage rustbank met zijden kussens bedekt, haar eene hand het fraaie hoofdje ondersteunend, een harer voetjes te voorschijn komend onder de plooien van haar gewaad, haar bevallige figuur gekleed in een zacht wit gewaad, afgezet aan den hals, de mouwen en den zoom met een smal, zwart randje—vertoont een beeld, waarop zijn oogen, die dien aanblik zoolang hebben ontbeerd, uren lang onbeweeglijk zouden kunnen staren in een soort van droomende verrukking.
Doch Chester is niet de man om te droomen, als hij in de gelegenheid is, zijn beminde te omhelzen. Hij staat slechts een oogenblik stil, om er over na te denken, hoe hij den schok kan voorkomen, dien het zien van een dood gewaande haar zou kunnen geven.
“Zij zal mij voor een geest houden en bang voor mij zijn,” overlegt hij; want geesten en hekserij en het bovennatuurlijke waren in dien tijd aan de orde van den dag.
Terwijl hij daar nog aarzelend staat, neemt het meisje een gebedenboek op, dat naast haar ligt, en dwingt zichzelve om te lezen, doch zuchtend legt zij het weer uit de hand. Als zij zich beweegt, schittert er iets aan haar blanke hand. Het is de ring, dien hij haar gaf, en Guy kan zich niet langer bedwingen.
“Van vreugde sterft men niet, anders was ik zelf al lang dood,” denkt hij; vervolgens zegt hij op lossen toon, bijna aan haar oor: “Dona Hermoine, waarom heet gij mij niet welkom?”
“Heilige Maagd! die stem—,” stamelt het meisje. “Die stem—!” Opspringend en hem scherp aanziende, hijgt zij: “Madre mia! Guido! Mijn Guido, die dood is!” en fluistert vervolgens met bleeke lippen: “Uw geest kan niet gekomen zijn, om mij verwijten te doen—dat kunt gij niet, daar ik mij aan den hemelschen Bruidegom heb gewijd na uw dood!” En haar mooie oogen staren hem vol schrik en ontzetting aan.
“Niet dood, maar enkel gewond; daarom heb ik verlof tot herstel van gezondheid. Aan dooden geven zij zulk een verlof niet.” En meenende het bovennatuurlijke het best met het alledaagsche te kunnen verdrijven, vervolgt Guy:
“Zoudt gij mij niet uitnoodigen voor het middagmaal?”
“Een middagmaal voor eengeest!” Dit komt als een wilde kreet over Hermoine’s lippen, en haar gebedenboek met het vergulde kruis op zijn fluweelen omslag omhoog houdend, begint zij: “Exorcizare te—”
Doch hij roept uit: “Ik ben geen geest! Bezweer mij niet, ik ben geen geest!”
“Geen geest?Onmogelijk! Ik heb rouw over u gedragen—sinds—die Jobstijding—van het gevecht op het ijs—toen die wreede Engelsche moordenaar en zijn manschappen u doodden.”
“Mij niet! Ofschoon zij mij hier en daar leelijk toetakelden—een houw over het hoofd en een kogel in het lichaam. Ik wil u bewijzen, dat ik niet dood ben. Zijn dit de lippen van een geest? Herinnert gij ze u?”
Guy slaat zijn armen om het meisje heen, dat half bezwijmd is, en tracht door kussen een eind aan haar twijfel te maken.
En hij bereikt zijn doel zóó goed, dat het meisje uitroept: “Levend! Ja, ja, gij zijt levend! uw hart klopt tegen het mijne. Mijn Guido leeft!” en zij barst in tranen uit, alsof zij smart in plaats van vreugde ondervond.
Wat Guy betreft, hij stelt zich ruimschoots schadeloos voor zijn langdurige gedwongen afwezigheid, zoodat Dona de Alva bloost doch tegelijkertijd straalt van geluk en opnieuw bloost en fluistert: “Gij—gij behoeft mij niet zoo herhaaldelijk te bewijzen, dat gij leeft. Ik weet nu wel, dat uw lippen niet die van een geest zijn.” En zij voegt er op verwijtenden toon aan toe: “En gij liet mij zoolang treuren.”
“Ik was een gevangene—” begint Chester.
“Een gevangene!—Zij maken geen gevangenen!”
“De ‘Eerste der Engelschen’ wel! En dan mijn wonden!” zoo verdedigt Guy zich op meewarigen toon.
“O ja, uw zware wonden. Ik—ik zal u verplegen.”
“Ja, onder uw handen zal ik zeker spoedig herstellen,” zegt hij met een stralend gelaat en vervolgt opgewonden:
“Ik zal niet gezond worden eer—”
“Eer wat?”
“Eer ik met u getrouwd ben.”
“Met mij getrouwd zijt!” En juffrouw Brunette bloost tot in haar sneeuwwitten hals, zij slaat de oogen neer, ofschoon zij van geluk schitteren.
“Ja, dezen keer, dat ik hier ben, trouw ik met u!” Hij fluistert het, en toch klinkt het wild en hartstochtelijk.
En nu brengt Hermoine hem in verbazing, want zij antwoordt, hem dapper in de oogen kijkend, op vasten toon: “Ja, dezen keer zal het gebeuren!” en zij stamelt: “Ik zou niet opnieuw zooveel kunnen lijden. Als gij vertrekt, ga ik met u, kolonel Guido Amati de Medina zal een vrouw hebben. Doch gij moogt er niet over denken, naar het leger terug te keeren, eer gij volkomen hersteld zijt, en dat zal lang duren, vrees ik,” en het meisje beschouwt het kleine litteeken op het voorhoofd van haar beminde, alsof het een doodelijke wonde was.
En hij beschuldigt zich nu van groote onhartelijkheid, hij noemt zich een ellendeling, dat hij haar zoolang heeft laten treuren; wat beteekende plicht, wat beteekende zijn eed, vergeleken bij de wreede smart, die haar gelaat heeft omfloerst?
Een oogenblik later doet zijn liefste Guy schrikken. Zij roept plotseling uit: “Wel, wat is de kleine De Busaco toch een goed profeet! Hij—hij heeft zeker het tweede gezicht!”
“De Busaco! Hebt gij hem dan gesproken?” roept de gewaande Guido Amati onthutst uit.
“Ja, hij is op fort Lillo in garnizoen, daarheen gezonden om te herstellen. De arme kleine luitenant kreeg het koudvuur in zijn wonden, die hij had opgedaan in het gevecht op het ijs. Toen ik hoorde, dat hij het was, die u het laatst had gezien, mijn Guido,”—zij neemt, dit zeggende Guy’s hand in de hare, alsof zij vreesde, dat zij hem opnieuw zou verliezen,—“zond ik om hem en informeerde handig—als geschiedde het slechts uit belangstelling in een goede kennis—o, ik beheerschte mij goed!—hoe gij waart gevallen. En hij vertelde het mij; doch eer hij mij verliet, zeide hij: ‘Ik wed, dat gij kolonel Guido Amati toch niet voor het laatst hebt gezien.’ ‘Waarom niet?’ bracht ik met moeite uit, met nieuwe hoop in mijn hart. ‘Zaagt gij hem dan niet vallen?’ ‘Ja,’ zeide De Busaco achteloos, en ik vond zijn manier van doen heel vreemd, ‘doch mijn vriend, kolonel Guido Amati, heeft, als een kat,negenlevens en hij heeft er nog maar één van opgeofferd.’ Vermoedde hij misschien, dat zij uw leven zouden sparen?”
“Misschien,” antwoordde Guy. “Deze Engelsche moordenaar, zooals gij hem noemt, spaarde mij niet alleen, doch redde mijn leven, zorgde voor mij, nam mij mee naar Enkhuizen en toen ik daar doodziek lag met hevige wondkoortsen, zorgde hij er voor, dat ik zoo goed werd opgepast, alsof hijzelf het was.”
“Dus hij is geen Engelsche moordenaar?”
“Neen, hij is een Engelsche ridder, en ik hoop, dat de tijd nog eens zal komen, dat gij zult zeggen, dat hij een edelman is, uw achting waard.”
“Dat is hij nu reeds! Hij redde uw leven voor de messen van die wreede Hollandsche vrijbuiters,” zegt het meisje plotseling; daarna mompelt zij op verschrikten toon; “En ik zette Papa er toe aan, den prijs op het hoofd van uw redder te verhoogen. De hemel vergeve mij!—tien duizend kronen staan nu op het hoofd van den man, die uw leven redde!”
“Diable!” antwoordt Guy, niet zeer ingenomenmet hetgeen hij hoort. “De Engelschman is heel goed in staat voor zichzelven te zorgen, wij zullen dus maar van hem afstappen en terugkeeren tot kolonel Guido Amati.”
“Apropos van hem,” lacht Hermoine, “de geest vroeg, meen ik, om een middagmaal.—Verlangt het spook geestelijke oesters, kabouterachtige tarbot en ragout uit den heksenketel?” en het meisje, nu een beeld van stralende vreugde, klapt in de handen.
“Neen,” antwoordt Guy, “maar de geest zal een reuzenmaaltijd houden met verlof van het meisje uit het betooverd kasteel, en zij mag den wijn zoo krachtig maken als zij wil.”
“Kom dan, want ik ben van plan het gemeste kalf voor u te slachten!” En Hermoine wil de hand van haar ridder vatten, om hem naar het priëel te geleiden.
Doch Chester aarzelt eensklaps en fluistert: “De gravin De Pariza—wat zal uw duena zeggen?”
“Zij zal niets zeggen,” merkt Dona de Alva luchtig op. “De gravin De Pariza zal vanavond niet thuis zijn.”
“Niet? Ik meende, dat zij de staatsbarge bij zich had.”
“Ja. Zij houdt de barge bij zich in Antwerpen. Zij overnacht bij de gravin van Mansfeld. Sedert dien nacht—gij herinnert hem u immers, den nacht, dien ik zegen?—toen gij mij uit de handen der Geuzen bevrijd hebt, vreest de gravin De Pariza de Watergeuzen meer dan de vijanden uit de andere wereld, en ofschoon het heet, dat zij hier woont, is zij zooveel mogelijk iederen nacht afwezig. Zij komt niet terug voor morgenochtend.”
“Dat is een buitenkansje,” lacht Guy, in zijn hart Dirk Duyvel en zijn zeeschuimers zegenend, “dat zal ons voor veel onaangenaamheid bewaren; ik zal u altijd ’s avonds komen bezoeken. De gravin De Pariza kan haar tong niet in bedwang houden.”
“Neen, dat kan zij ook niet,” roept het meisje uit, “ik zal het haar echter leeren!” en op dit oogenblik is zij geheel Alva’s dochter. “Maar ga nu mee in huis. Gij zijt hongerig, en met uw wonden moet gij versterkend voedsel hebben. Kom mee aan het avondeten.”
En Guy laat zich gedwee naar dezen maaltijd leiden, met den eetlust van een zeeman en volstrekt niet met dien van een geest. Dona Hermoine neemt zijn arm, alsof zij vreesde hem te zullen verliezen. Als zij in de ruime vestibule van dit schoone buitenverblijf zijn gekomen, klapt zijn schoone dame in de handen, en de twee Moorsche meisjes, die Guy reeds vroeger heeft gezien, snellen toe.
“Alida, maak een kamer in orde voor dezen heer, die met mij het avondeten gebruikt,” beveelt Hermoine. Waarop een der meisjes, met een dienaresse, haar meesteres iets in het oor fluistert.
Hierop barst Dona de Alva in lachen uit, en zegt: “Zeker. Hij is mijn vriend, kolonel Guido Amati, dien gij met denzelfden eerbied moet behandelen als mij. Senor, als gij terugkomt, vindt gij den reuzenmaaltijd, dien gij besteld hebt, gereed.”
Waarop Guy, het Moorsche meisje,—hetzelfde, dat hem indertijd het pakje in de Citadel heeft gebracht en dat de vertrouwde dienstmaagd van zijn beminde schijnt te zijn,—volgend, zich weldra bevindt in eenzoo luxueus ingerichte kamer, als hij ooit heeft gezien, ofschoon zij duidelijk de sporen draagt, voor een heer te zijn bestemd. Aan de muren hangen wapenen, in de aangrenzende kleedkamer staan mannenlaarzen en op de toilettafel ligt een misboek, fraai ingebonden, met het kasteel met de drie torens, een raaf op iederen toren—het wapen van Alva—er op;—hierin ligt een boekelegger, kunstig bewerkt en geteekend: “Uw Hermoine”.
“Welk mannelijk wezen,” denkt Guy bij zich zelven, half jaloersch, “is gewoon zich hier zoo huiselijk in te richten?” En zich tot het meisje wendend, dat hem hierheen heeft geleid en dat hem met nieuwsgierige, verwonderde oogen aankijkt, vraagt hij: “Zijn dit de vertrekken van een heer?”
“Ja! Het is de kamer van Zijne Hoogheid den hertog van Alva, als hij ons met zijn tegenwoordigheid vereert,” antwoordt het meisje met een diepe buiging en verlaat Guy, die nu het heiligdom van zijn vijand opneemt.
“Drommels!” denkt hij, “nu ben ik met recht in het hol van den leeuw.” En naar de pracht van de draperieën en den hemel van het bed kijkend, mompelt hij: “Een week geleden sliep ik in de herberg van Hasselaer te Haarlem!” en als al de verschrikkingen van den honger en den dood in de belegerde stad hem opnieuw voor den geest komen, schijnt zijn tegenwoordige weelderige omgeving hem bijna een droom toe.
Maar om geen tijd te verliezen,—want hij verlangt naar zijn beminde en ook naar zijn maaltijd,—borstelt de jonge man alle sporen van de reis van zich afen bedient zich daarna van zachter handdoeken, dan hij ooit in zijn gespierde handen heeft gehad.
En als hij vervolgens de breede eikenhouten trap afgaat naar de vestibule, wordt hij door het andere Moorsche meisje geleid in een vertrek, dat nooit uit zijn geheugen zal gaan—misschien niet om den indruk, dien het eerst op hem maakte, maar om hetgeen er later in gebeurde.
Het is een statig gewelfd vertrek in den rechtervleugel van het huis; een groot, vooruitstekend venster komt vlak aan het water van de Schelde uit, waardoor men het geklots van de golven kan hooren, want het venster is geopend en de zeilen zijn neergelaten om de ondergaande zon buiten te houden. Aan de eene zijde is de muur verdeeld in drie groote nissen. Daarvoor hangen zware gordijnen van dik Vlaamsch tapijtgoed, versierd met gouden kwasten, die dit vertrek scheiden van een ander, dat er achter ligt. Hier tegenover aan den tuinkant zijn vensters, die uitkomen op een balkon, beschut door schitterend gekleurde zeilen en voorzien van gemakkelijke zitplaatsen.
Op een met kussens bedekte sofa bij het vooruitstekende venster zit, terwijl de stralen van de ondergaande zon haar donker haar beschijnen, Hermoine. Bij zijn binnenkomst staat zij echter op, om hem te gemoet te gaan en zegt: “Ik heb geen toilet gemaakt; ik kon het niet over mij verkrijgen, u te laten wachten, gij zijt zoo hongerig!” waarop zij, in de handen klappend, uitroept: “Terstond opdienen!”
Onmiddellijk openen zich de zware gordijnen, weggetrokken door gouden koorden voor twee van dedeuropeningen en de eetkamer wordt zichtbaar, waarin een tafel staat, bedekt met een sneeuwwit tafellaken, waarop goud en zilver schittert, Venetiaansch glaswerk fonkelt en een overvloed van bloemen een liefelijken geur verspreidt.
“Kolonel Amati,” fluistert Hermoine, en haar blanke hand in de zijne leggend, gaan zij samen naar binnen, om den maaltijd te gebruiken, die zoo weelderig is aangericht, als Guy nog nooit, zelfs niet aan het hof van Elizabeth, heeft gezien; want er zijn allervreemdste voorwerpen om mee te eten, vorken genaamd, waarvan hij het gebruik niet kent, en als Engelschman geeft hij de voorkeur aan zijn vingers en een servet.
Doch zijn gastvrouw is er op gesteld om hem het gebruik van deze Italiaansche uitvinding te wijzen, en toont hem, hoe hij dit instrument aan zijn mond kan brengen, zonder in zijn tong te prikken, waarbij Guy lacht en op treurigen toon uitroept: “Ik smeek u, Dona Hermoine, laat mij niet meer bloed verliezen!”
Hierop verbleekt zij een weinig, en hem aankijkend, fluistert zij: “Uw wonden, o ja—uw zware wonden. Eet en word sterk om mijnentwille.” En zij noodzaakt hem vol bezorgdheid, een reuzenmaaltijd te houden, waarvan hij volstrekt niet afkeerig is, daar de keuken uitstekend is en de wijn van de fijnste Spaansche merken en afgekoeld met ijs—een nieuwe mode, waaraan de Engelschman volle recht laat wedervaren.
Al dien tijd eet het meisje niets, en schijnt genoeg te hebben aan hetgeen haar oogen zien.
“Gij—gij eet niets, mijn Hermoine,” fluisterthaar ridder, die nu van zijn kant ook bezorgd wordt.
“O, ik ben er aan gewend, te vasten,” zegt zij, “gij weet, dat ik mij voorbereidde voor het kloosterleven. Zou het niet verschrikkelijk zijn geweest?” en het bekoorlijke pruilende mondje geeft iets pikants aan de non in den dop.
“Gij zoudt in een klooster zijn gegaan om mijnentwille?”
“Dat was mijn plan. Er is een groot klooster in Valladolid—waarvan ik abdis zou worden—ik zou het rijk begiftigd hebben—”
“Gij abdis?”
“Ja. Zie ik er niet gestreng uit?” schertst de gelukkige Hermoine. “Misschien had ik mij toch nog bedacht. Ik begon reeds genoeg te krijgen van het gebedenboek. Maar nu denk ik niet meer over middernachtelijk waken—o, Guido mio—zeg mij, dat het geen droom is.”
“Ik wil meer doen—ik wil het bewijzen!” fluistert Guy en staat van de tafel op.
Hij ziet er uit, alsof hij eens goed gebruik van zijn recht wil maken. En daar Hermoine er niets tegen schijnt te hebben, hem dit recht toe te staan, geeft zij haar twee Moorsche meisjes, die hen aan tafel hebben bediend, een teeken, en als Chester en Hermoine de eetkamer verlaten, om naar het andere vertrek te gaan, vallen de gordijnen achter hen dicht en zijn zij alleen.
“Kom in het venster; daar krijgen wij weldra maanlicht,” zegt de jonge dame. En zij gaan naast elkaar zitten en kijken naar de kalme golven van de Schelde, terwijl een zoel zomerbriesje hun tegemoetwaait door het geopend venster. “Zal ik wat muziek voor u maken?” vraagt het meisje.
“Uw stem is voor mij de schoonste muziek.”
“O,” roept Hermoine uit, “ik speel op de mandoline; ik bezit daar eenige vaardigheid in. Buitendien kan ik de cachuca en de bolero dansen. Morgenavond zal ik voor meer afwisseling voor u zorgen. Mijn Moorsche meisjes bespelen de harp en de guitaar en ik zal De Busaco inviteeren.”
“Inviteer, als ’t u belieft, niemand.”
“Zelfs den kleinen De Busaco niet, die niet wilde gelooven, dat gij dood waart?”
“Neen.”
“Weet gij, dat hij misschien ons geheim vermoedt?”
“Waarom?”
“Toen hij bij mij kwam, bracht hij mij twee brieven, die hem in handen waren gekomen, daar hij de zorg voor uw goed op zich had genomen. Hij overhandigde ze mij, zeggende: ‘Ik denk, dat zij wel eenige waarde voor u zullen hebben.’ ‘Gij hebt ze niet goed bewaard, mijn Guido.’”Er is een verwijt in haar oogen te lezen.
“Ik droeg uw brief altijd bij mij,” antwoordt Guy met veel tegenwoordigheid van geest.
“Mijnbrieven,” verbetert hem het meisje; “ik zond er u drie.”
“O, ja, maar ik—ik noem uw brief, dien, welken ik het laatst ontving, en dien ik bij mij droeg om hem te kleuren met mijn bloed, denzelfden, die mij aanspoorde, om bevordering te verwerven door het verslaan van den Engelschen kapitein,” en Chester haalt het epistel voor den dag, gevonden op hetlijk van Guido Amati na het gevecht op het ijs.
“Ja, de brief, die mij mijzelve deed verwenschen,” roept Hermoine uit, “de brief die, zooals ik meende, u den dood had gebracht in plaats van liefde; de brief, die u opdroeg, den dapperen Engelschman,—ik wil hem nu niet meerwreednoemen,—te dooden.” En er komen tranen in haar oogen, en snikkend zegt zij: “Vertel mij al uw avonturen van het oogenblik af, dat gij van mij verwijderd waart.”
Aldus gedwongen, geeft Guy een nauwkeurig verslag van het gevecht op het ijs, natuurlijk van een Spaansch standpunt uit, en zegt haar eindelijk, dat hij er zich vast van verzekerd houdt, dat de eerstvolgende slag, waaraan hij deelneemt, hem tot generaal zal doen bevorderen.
Een oogenblik later vraagt hij, naar de Schelde kijkend: “Zijt gij niet bevreesd voor de Watergeuzen?”
“Neen,” antwoordt Hermoine, “zij zijn allen naar Holland gegaan. Bovendien heb ik acht gewapende lakeien in huis en in de stallen nog vier als geleide bij de galei, dan ligt er garnizoen in Lillo, en een halve compagnie te Sandvliet, ginds vlak om den hoek.” Haar blanke arm maakt een bevallige beweging in de aangeduide richting. “Ik ben hier voor iedereen veilig, behalve voor u, mijn Guido.”
En Guy denkt, terwijl hij naar de Schelde kijkt, die verlicht is door de maan: “Veilig, behalve voor mij.” Want hij ziet in het Kromvliet, vlak bij de Zuid-Bevelandsche kust, de masten van deDover Lassen in zijn hoofd rijpt een plan, volgens hetwelk hij Hermoine de Alva aan haar woord wil houden en haar de zijne wil maken.