Bij het beoordeelen van deze en dergelijke plaatsen moet men op het bijzondere niet te veel nadruk leggen. Erasmus kan onder het schetsen van zijn Evangeliedrager somtijds aan een bepaald persoon gedacht hebben, doch de meeste trekken van het beeld zijn aan de onwaardige lutheranen in het algemeen ontleend. Hij leed er onder dat zulke lieden zich van zijn naam en zijn Nieuw Testament bedienden als schild van hunne ondeugden, hunne hartstogten, of hun chiliasme. De fijne smaak van den filoloog gruwde van dit beduimelen zijner denkbeelden door de schare; en hij wreekte zich in het latijn.
Verschillende beroemde plaatsen uit Erasmus'Zamenspraken, zuivere kleine genre-schilderijen zonder polemische strekking, kan men overal aangehaald vinden.[55]Zijne beschrijving van sommige duitsche logementen, als tegenstelling van sommige fransche, in het hoofdstukHerbergen.[56]Zijne geschiedenis van denPaardekooperdie meende bedot te hebben en zelf bedot werd.[57]Zijne onschuldigeTartufferie: de ontmoeting van twee litterarische vrienden die zoeken te verbergen dat het latijnsch proza, waarin zij elkander toespreken, latijnsche verzen zijn.[58]ZijnDichterlijk Gastmaal, waar eene vrijpostige dienstmaagd haar onpraktischen meester verwijt slechts verstand te hebben van konjekturen-smeden, en dat hij beetwortels voor kropsla aanziet.[59]
Opmerkelijk is de karakterbeschrijving van een zwitsersch dorpsherbergier, bij wien twee franciskanen logies en eene plaats aan tafel komen vragen. Erasmus trekt partij voor die regtschapen monniken, en de waard zelf dankt hen ten slotte voor hun aangenaam onderhoud. Doch aanvankelijk is de man uit het volk louter achterdocht en onwil; en wanneer zijne vrouw een goed woord voor de broeders komt doen, dan snaauwt hij haar af:
"Welke diersoort komt daar aan?—Beste vriend, wij zijn knechten Gods, zoonen van den Heiligen Franciscus.—Ik kan niet beoordeelen of God schik heeft in zulke knechten; ik voor mij zou er niet gaarne veel van in huis hebben. Wanneer het op eten en drinken aankomt, dan zijt gijlieden heel wat mans; maar om te werken hebt gij handen noch voeten. Och kom! zijt gij zoonen van den Heiligen Franciscus? Gij spreekt altijd over Franciscus' maagdelijken staat; hoe komt hij dan aan al die zoonen?—Wij zijn zijne zoonen naar den geest.—Nu, dan beklaag ik uw vader; want uwlieder geest is uw slechtste deel.—Gij schijnt ons voor ontaarde leden onzer orde aan te zien; weet dat wij observanten zijn.[60]—Des te scherper zal ik u observeren, dat gij niets kwaads uitvoert; uwe observanten zijn mij bij uitnemendheid tegen de borst. Tanden brengen zij mede, maar geen geld, en zulke gasten kan ik missen. Ik weet zeer goed dat gijlieden beweert voor ons te arbeiden; maar zal ik u toonen hoe gij arbeidt? Kijkt eens naar deze prent hier, aan uw linkerhand. De vos houdt een boetpredikatie; maar op zijn rug, uit de kap zijner pij, komt een ganzehals te voorschijn. Die wolf, daar, geeft de absolutie aan een biechteling; maar onder zijn voorkleed, dat gij ziet zwellen, is een lamsbout verstopt. Gindsche aap in franciskanergewaad waakt bij een zieke: de eene hand houdt een crucifix omhoog, de andere grabbelt in 's kranken beurs."
Nu komt de vrouw tusschenbeide:
"Man, laat die twee van nacht onder ons dak blijven. Ligt dat gij als boete voor uw vele zonden dit eene goede werk verrigt. Het zijn brave mannen. Naderhand zal het u tot voordeel gedijen.—Hoor die wijfjestaalman! Vast ligt gijlieden onder één dek. Ik haat een vrouw die andere mannen dan den haren braaf noemt.—Zoo meen ik het niet. Maar bedenk hoe vaak gij misdreven hebt door dobbelen, drinken, vechten, ruzie maken. Eén aalmoes voor zooveel zonden zal geen weelde zijn. Werp deze mannen niet uit. Op uw sterfbed zult gij om hen vragen. Potsemakers en koordedansers laat gij toe bij de vleet; en hen jaagt gij weg?—Zult gij uitscheiden met uw gepreek? Voort naar uw keuken!—Ik ga al."[61]
Deze toon derZamenspraken; te vaak slechts gedachtewisselingen van den auteur met zijne lezers, gekleed in vragen en antwoorden welke de ten tooneele gevoerde personen in den mond gelegd worden; is geheel dezelfde als van denLof der Dwaasheid. Wie het niet wist zou niet gelooven dat het kleinere geschrift tien of vijftien jaren vóór het grootere voltooid werd,—gewigtige jaren in Erasmus' leven, want toen hij deColloquia Familiariauitgaf was hij een beroemd man, terwijl bij het verschijnen derStultitiae LausEuropa van zijn bestaan zich nog naauwlijks bewust was.[62]
De tijdgenooten hebben in dit boekje bovenal eene satire van de maatschappelijke en kerkelijke misbruiken der eeuw gezien; en werkelijk behoeft men het slechts te doorbladeren om zich te vergewissen dat de auteur zich heeft voorgesteld al schertsend een zwaren slag te slaan.
Zijn aanval op de verschillende geestelijke orden is geweldig. "Zonder het zelfbedrog dat zij aan mijn invloed danken," laat hij de Dwaasheid zeggen, "zouden deze lieden de rampzaligsten der menschen zijn. De geheele wereld haat hen; zelfs hen toevallig te ontmoeten geldt voor een boos voorteeken. Niettemin zijn zij met zichzelven ten hoogste ingenomen, en laten op hunne goede werken zich zooveel voorstaan dat één hemel hun te klein dunkt voor hunne verdiensten,—niet bedenkend dat Christus in den oordeelsdag al die kerkgebaren en nietige overleveringen versmaden, en alleen vragen zal naar het nakomen van zijn liefdegebod. Een zal dan zijn buik vertoonen, gezwollen van het visch-eten. Een ander tien mud psalmen uitstorten. Een derde opsommen hoeveel duizend keeren hij gevast heeft, en dat zijne maagziekte voortkomt uit het veelvuldig gebruiken van maar één maaltijd daags. Een zal zulk een stapel ceremonien komen aandragen, dat zeven vrachtschuiten dien naauwlijks zouden kunnen laden. Een zich beroemen in geen zestig jaren een stuk geld te hebben aangeraakt, tenzij met dubbel omwoelde vingers. Een zijne pij laten zien, zoo vies en vet dat geen schipper haar zou willen aantrekken. Een zal laten klinken dat hij als een spons vijfenvijftig jaren heeft vastgezeten aan dezelfde plaats; een bewijzen dat hij door het gestadig metten-zingen heesch, een dat hij door de eenzaamheid stompzinnig, een dat door het stelselmatig zwijgen zijne tong stijf geworden is. Waar, zal Christus hen in de rede vallen, vreezend dat zij anders honderd uit zullen roemen, waar komen deze nieuwe Joden vandaan? Er is maar één wet die ik voor de mijne erken, en van haar hoor ik niet reppen. Onverholen en zonder gelijkenissen heb ik weleer het erfdeel mijns Vaders toegezegd, niet aan pijen, schietgebeden, onthoudingen van spijs of drank, maar aan werken der barmhartigheid, ik erken niet voor de mijnen wie zichzelven in die mate overschatten en heiliger willen schijnen dan ik.—Met welke gezigten zullen zij elkander aanzien, denkt gij, wanneer zij deze taal vernemen, en bemerken dat zij de minderen geacht worden van matrozen en koetsiers? Onderwijl zijn zij zalig in hope, dank zij mijne gunst."[63]
De lofrede op zichzelve, welke Erasmus de Dwaasheid laat houden, is gedeeltelijk onopregt, naar men ziet. Eene noodlottige verblinding in het zedelijke wordt voorgesteld kwanswijs als eene goede gave des Hemels; voor het minst als eene aangename zwakheid welke men de arme menschelijke natuur ten goede moet houden. Hoe radeloos ongelukkig zouden de monniken zijn, indien zij wisten wat Christus eigenlijk van hen denkt!
Voor iemand die het wapen der ironie wist te hanteren was dit eene gelukkige vondst, en Erasmus blijft niet in gebreke de ader te ontginnen. "Indien een bisschop," gaat de schijnbaar zachtmoedige Dwaasheid voort, "indien een bisschop overwoog om welke reden hij een linnen overkleed draagt, blank als sneeuw: zinnebeeld van een smetteloos leven; wat de verbindingsknoop tusschen de twee hoornen van zijn mijter beteekent: eene volmaakte kennis van beide Testamenten, het Oude en het Nieuwe; wat het schoeisel zijner handen: de zuivere en door niets menschelijks verontreinigde bediening der sakramenten; wat de herderlijke kromstaf: het zorgvuldig weiden der toevertrouwde kudde; wat het vooruitgedragen crucifix: de zegepraal over alle menschelijke hartstogten,—zou hij dan niet een verdrietig en kommervol leven leiden?
"Indien de opperste kerkvoogden, Christus' stedehouders, het leven van Christus poogden na te volgen, zijne armoede, zijn zwoegen, zijn leeren, zijn kruis, zijne doodsverachting: ware er dan op aarde een droefgeestiger bestaan denkbaar? Wie zou zijn geheele fortuin opofferen voor het koopen van den pauselijken rang? Wie door het zwaard, door vergif, door allerlei geweldenarijen, in het bezit van het gekochte zich willen handhaven? Geen paus met één grein wijsheid, één korrel van het door Christus geprezen zout, zou dit verlangen. En zoo heeft de wereld het aan mij te danken dat geen sterveling weelderiger en onbezorgder leeft dan Hunne Heiligheden, die in voldoende mate Christus het zijne meenen gegeven te hebben, wanneer zij te midden van symbolische en schier bij het tooneel geborgde handelingen hun opperbisschopsbedrijf uitoefenen. Wonderen verrigten, dit ware ouderwetsch; den volke het evangelie verkondigen, een vermoeijend werk; den bijbel verklaren, schoolmeesterachtig; bidden, tijdroovend; tranen storten, onwaardig en verwijfd; armoede lijden, niet fatsoenlijk; geslagen worden, schandelijk en onbestaanbaar met den rang van personen die te naauwernood de bloem der koningen tot het kussen hunner gezegende voeten toelaten; sterven, eindelijk, hoogst verdrietig; gekruisigd worden, een onuitwischbaar schandmerk. Bouwvallige grijsaards worden er onder hen gevonden die den krijgsmoed van jongelingen ten toon spreiden,[64]en noch hunne schatkist vreezen te ledigen, noch tegen veldtogten opzien, noch het als een schrikbeeld aanmerken de wetten, de godsdienst, den vrede, en alle menschelijke zaken onderstboven te keeren."[65]
Bij al de satirieke schrijvers van het tijdvak vindt men deze invektieven terug; niet het schaarst bij de gewezen monniken onder hen. Erasmus, Skelton, Luther, Rabelais, allen zijn renegaten van het klooster- en het priesterleven; allen hebben bij ondervinding den valschen schijn eener overeengekomen wereldverzaking leeren kennen. Ongevoelig voor de beschuldiging zich als apostelen des vleesches aan te stellen, ijveren zij uit alle magt voor het natuurleven, en hameren wat zij kunnen op het kerkdom. Het eenige wat Erasmus onderscheidt (en na hem de schrijvers derObscuranten-brievenonderscheiden zal) is dat zijn latijn hem ontoegankelijk maakt voor het volk.[66]
In eene andere reeks plaatsen van denLof der Dwaasheidheeft deze opgehouden eene ondeugd te zijn, maar blijft zij nog steeds eene berispelijke neiging. De mensch vindt behagen in uitspanningen die vergefelijk potsierlijk waren, indien zij er niet toe bijdroegen hem in zijne aangeboren woestheid te stijven. Aldus de hartstogt der vorsten en der groote heeren voor het jagtvermaak.
Inzonderheid door zijn herhaald logeren op de landgoederen van engelsche edelen kende Erasmus uit eigen aanschouwen de tragi-komische praktijken, destijds bij het jagen in gebruik; en zijn jongste engelsche levensbeschrijver doet hem regt wanneer hij het volgende,—waar men de antipathie van den eenzijdig ontwikkelden letterkundige namens het gezond verstand en de zachte zeden tegen de buitensporigheden en de wreedheid van hetsporthoort opkomen,—voor eene persoonlijke herinnering houdt:[67]
"Van één soort met de ziende blinden zijn zij voor wie de jagt boven alles gaat, en wier gemoed, beweren zij, door een niet onder woorden te brengen gevoel van welbehagen overstroomd wordt, wanneer zij de verfoeilijke melodie der waldhorens of het bassen der honden vernemen. Er zijn er, op mijn woord, wier reuk door den drek-zelf der honden aangenaam wordt geprikkeld, als ware het kaneel. En welk een genot, wanneer het gevangen dier ontweid ligt te worden! Het gepeupel mag ossen en schapen slagten: het afmaken van wild is den edelman voorbehouden. Deze, het hoofd ontbloot, de knie gebogen, trekt een mes dat voor dit doel bestemd is en voor geen ander gebruikt mag worden. In zekere orde, met zekere gebaren, snijdt hij plegtstatig zekere stukken uit. Hoewel de omstanders hetzelfde tooneel ontelbare malen bijgewoond hebben, staan zij opnieuw eerbiedig-zwijgend toe te zien, niet anders dan of er eene nog onbekende godsdienstige handeling gevierd werd. Zij wien daarna het voorregt te beurt valt te mogen proeven van de vangst, stellen dit met eene bevordering in den adelstand gelijk. Vraagt men of deze jagers, door hun gestadig nazetten en eten van wild wel iets hoogers bereiken dan dat zij zelven allengs in weinig minder dan wilde dieren ontaarden? Neen; maar onderwijl verbeelden zij zich niettemin een koningsleven te leiden."[68]
Thans komen de plaatsen waar de dwaasheid begint te zweemen naar eene deugd; in zulke mate dat wij haar niet geheel kunnen veroordeelen zonder het gemeenebest van een nuttig steunsel, of het leven der bijzondere personen van een onschuldig en aangenaam tijdverdrijf te berooven.
Tot afwisseling ontleen ik eene bladzijde aan eene andereStultitiae Laus, geschreven door eene jongere tijdgenoot van Erasmus in Frankrijk, Louise Labé (1525—1565). Sommige trekken zijner vinding zijn door de schoone lyonesche Cordière in haarDébat de Folie et d'Amourzoo gelukkig nagevolgd, dat de europesche letterkunde van het tijdvak misschien geen volmaakter proeve van erasmiaansche renaissancestijl in de landstaal heeft aan te wijzen.[69]
Men hoore Mercurius, advokaat van Folie, de merkbare teekenen van waanzin bij het verliefd jong meisje opsommen. De gedachte en de wending zijn van Erasmus; maar ons geeft dit oude fransch een betere voorstelling van den algemeenen toon zijner satire, dan de beste vertaling in hedendaagsch nederlandsch vermag. "Et dans tous ces actes de la pauvrette," pleit Mercurius, "quels traits trouvez-vous que de Folie? Avoir le coeur séparé de soymesme, être maintenant en paix, ores en guerre, ores en treves; couvrir et cacher sa douleur: changer visage mille fois le iour: sentir le sang, qui lui rougit la face, y montant: puis soudein s'enfuit, la laissant palle, ainsi qui honte, espérance, ou peur, nous gouvernent. Chercher ce qui nous tourmente, feignant le fuir, et néanmoins avoir crainte de le trouver: n'avoir qu'un petit ris entre mille soupirs: se tromper soymesme: brusler de loin: geler de près: un parler interrompu: un silence venant tout à coup: ne sont-ce tous signes d'une personne aliénée de son bon entendement?"[70]
Nog een thema van Erasmus wordt door de uitnemende prozaschrijfster, tevens dichteres, niet minder bevallig uitgewerkt. Het is: dat de zamenleving groote verpligtingen heeft aan den moed en het blind zelfvertrouwen van enkele onbesuisden: waaghalzen en dwazen inderdaad, maar gevierder burgers van hun land somtijds dan de wikkende wijzen en voorzigtigen. Weder voert Mercurius het woord en konkludeert: "Pour le dire en un mot, mettez moy au monde un homme totalement sage d'un coté en un fol de l'autre: et prenez garde lequel sera plus estimé. Monsieur le sage attendra que l'on le prie, et demeurera avec sagesse tout seul, sans que l'on l'apelle à gouverner les villes, sans que l'on l'apelle en conseil; il voudra escouter, aller posément où il sera mandé: et on a afaire de gens qui soient pronts et diligens, qui faillent plus tot que demeurer en chemin.Il aura tout loisir d'aller planter des chous. Le fol ira tant en viendra, en donnera tant à tort et à travers, qu'il rencontrera en fin quelque cerveau pareil au sien qui le poussera: et se fera estimer grand homme. Le fol se mettra entre dix mille arquebuzades, et possible en eschapera; il sera estimé, loué, prisé, suivi d'un chacun. Il dressera quelque entreprise escervelée, de laquelle s'il retourne il sera mis jusques au Ciel. Et trouverez vray en somme que pour un homme sage dont on parlera au monde, y en aura dix mille fols qui seront à la vogue de peuple."[71]
Het voorname onderscheid tusschen hetDébat de Folie et d'Amouren denLof der Dwaasheidis, dat onder de vele beteekenissen waarin Erasmus om beurten zich van hetzelfde woord bedient, ééne allengs en onopgemerkt de overhand gaat krijgen. Al vroeg had zijne moeijelijke jeugd hem tot op den bodem der zamenleving leeren zien, en menig ander zou in zijne plaats misanthroop geworden zijn. Hem daarentegen vermaakt in de eenzaamheid de gedachte dat alle menschelijke handelingen en drijfveren hare humoristische zijde hebben. Hij stelt zijne opmerkingen te boek; en zoo ontstaat, uit zijne eigen levensbeschouwing, zijne satire. Het treft hem dat elke vader en elke moeder hun uiltje voor een valk aanzien, elk jong meisje haar minnaar voor een fenix houdt, elke jonge man in de oogen zijner beminde zich den Hemel ziet ontsluiten. Echtgenooten verdragen elkander uit blindheid voor elkanders gebreken, bemerkt hij. Stokpaarden vormen het gewone vervoermiddel van denkers, dichters, en geleerden. Volken zijn groote kinderen. De scepters der koningen gelijken somtijds zotskolven. De voortplanting van het menschelijk geslacht onderstelt lachwekkende gemeenzaamheden. Ieder heeft zijne eerzucht, en ieders eerzucht haakt naar eene onderscheiding. Eenvoudigen ontcijferen somtijds raadselen, aan wier oplossing de wijzen en de verstandigen hunne vlijt en hunne olie verspilden.
"Zegt niet," vraagt de Dwaasheid, "zegt niet tot lof der Brabanders een brabantsch spreekwoord:Hoe ouder hoe gekker? Hetgeen beteekent dat dit volk meer dan eenig ander zich door een gezelligen aard onderscheidt, en door de gebreken van den ouderdom in mindere mate gekweld wordt. Niet anders mijne Hollanders, door ligging en levenstrant den Brabanders zoo naauw verwant. En waarom zou ik nietmijneHollanders zeggen, daar zij aan hun volharden in mijne dienst hun bijnaam danken, en zij zich dien zoo weinig schamen, dat zij hem als hun voornaamsten eeretitel beschouwen? Laat anderen dan de Medea's, de Circe's, de Venussen, de Aurora's, en weet ik welke tooverbronnen aangaan! Anderen bij andere godinnen het geheim der bloedvernieuwing zoeken!Bij mij alleen vindt men daartoe het vermogen, bij mij de praktijk.[72]
Even diep als Holbein, die in een verloren oogenblik zijn boekje illustreerde, gevoelt Erasmus dat het leven der menschen met het uitvoeren van een doodedans gelijkstaat.[73]De onverbiddelijke god Terminus is hem geen oogenblik uit de gedachten.[74]Doch de herinnering verbittert hem niet. Over geen onderwerp kan hij nadenken, of altijd gluurt in zijne verbeelding over den schouder der godinnen van deugd, waarheid, schoonheid, de glimlagchende met de bellekap, de alomtegenwoordige Fantasie.[75]Het geloof, de wetenschap, de liefde, de geestdrift, de zelfopoffering, alles schijnt hem toe slechts tot op zekere hoogte ernst te zijn, en geen ernst te kunnen blijven, tenzij door eengrain de folievoor bederf bewaard.
Van eene zijner invallende gedachten, den Hofnar, hebben andere groote vernuften der 16de eeuw levende wezens weten te maken, even populair geworden als de algemeene beschaving zelve: Rabelais van Panurge, Cervantes van Sancho, Shakespeare van Falstaff. Maar allen was hij vóór met de opmerking dat er een natuurlijk verband bestond tusschen de vrijpostigheid dier geestige zotten, en het goed humeur waarmede zelfs ligtgeraakte koningen hunne aanmerkingen verdroegen. Het was een gelukkig denkbeeld van Erasmus, een van de vele verschijningsvormen der fantasie op deze wijze aanschouwelijk te maken.
De misbouwde knaap in dienst van keizer Karel V, dien Antonis Mor voortreffelijk schilderde,[76]treedt onwillekeurig ons voor den geest, wanneer de Dwaasheid diepzinnig maar lagchend redeneert: "Kan het ulieden ontgaan dat zelfs magtige vorsten hun gezelschap op den hoogsten prijs stellen, zoodat zonder dezen de maaltijd noch de wandeling smaakt, en zij niet één uur buiten mijne narren kunnen? Fluks geven zij die dwazen de voorkeur boven hunne stemmige wijzen, hoewel ook dezen fatsoenshalve door hen nagehouden worden. De reden is niet ver te zoeken, dunkt mij. De wijzen hebben den vorsten niets dan onaangename zaken mede te deelen, en, steunend op hunne uitgebreide kennis, ontzien zij zich niet altijd tedere ooren bijtend te grieven. De narren daarentegen brengen voort hetgeen waarop de vorsten alom en bovenal belust zijn: kwinkslagen, geestigheden, dingen die doen schaterlagchen en zich verkneukelen. Voegt daar het niet te versmaden voorregt bij, datzijalleen in hunne eenvoudigheid de zaken bij haar waren naam noemen! En ik vraag u, wat is loffelijker dan de gulle waarheid?
"Maar de ooren der vorsten schuwen de waarheid, zal iemand beweren, en bovenal om die reden mijden zij de wijzen in hunne dienst; vreezend dat er onder hen een onafhankelijk man gevonden worde, die den moed heeft meer te letten op hetgeen is dan op hetgeen behaagt.
"Ik erken dit: den koningen is de waarheid hatelijk. Doch hetgeen ik in mijne narren bewonder is juist dat niet alleen waarheden, maar onbewimpelde strafredenen uit hun mond met instemming aangehoord worden; zoodat dezelfde openhartigheid die een wijze het hoofd zou kosten, in de hoogste mate welgevallig is indien zij betracht wordt door een dwaas. De waarheid namelijk bezit, wanneer zij van niets kwetsends vergezeld gaat, een natuurlijk bekoringsvermogen; maar alleen aan de narren verleenden de goden die gaaf."[77]
De heldin van Erasmus heet Moria, en gelooft in hare olympische afkomst. Met niet minder regt zouden wij haar Love-in-Idleness kunnen doopen; naar den naam van het bloempje door welks sap, uitgedrukt op de oogleden zijner sluimerende gade, Oberon in Shakespeare'sMidsummernight's DreamTitania met de dwaasste begoochelingen straft. Moria beroemt er zich op, tegelijk de ziel der wereld en het levend zelfbedrog te zijn. Zij is het die bij menschen en onsterfelijken de beminlijke chronische ziekte der hersenschimmen onderhoudt, en door hunne hersenschimmen hen gelukkig maakt. "Ik rijd bij de stervelingen veelvuldig over de tong," is haar eerste woord het beste; "want meent niet dat ik onkundig zij hoe kwalijk bij de keur der dwazen de dwaasheid aangeschreven staat!" Nogtans houd ik vol dat mijn genie, en het mijne alleen, goden en menschen het gemoed verkwikt. Redenaars van beroep slagen te naauwernood, door lange en langdurig overdachte toespraken, den hoorders hunne zorgen te doen vergeten: ik, ik behoef mij slechts te vertoonen, en eene ongekende vrolijkheid verspreidt zich over de aangezigten, eene onzigtbare hand strijkt de voorhoofden glad, er rijst een vriendelijk, toejuichend lagchen. Wat mijne herkomst betreft, weet dat ik noch Chaos, noch Orcus, noch Saturnus, noch Iapetus tot vader heb, of hoe die afgeleefde en vermolmde goden heeten mogen; maar Plutus, den eenigen waren aarde- en hemelvader: wat Hesiodus, Homerus, en Iupiter zelf, beweren mogen. En niet den Plutus van Aristofanes, reeds met één voet in het graf, reeds van het gezigt beroofd; maar den nog ongedeerden, tintelend van jongelingsvuur. En niet van jongelingsvuur alleen, maar ook en vooral van den onversneden nectar dien hij op een keer met volle teugen aan den godemaaltijd dronk. Mijne moeder was Neotès, aanvalligste en levenslustigste der nimfen, de beligchaamde jeugd."[78]
Het toppunt zijner paradoxale stelling wordt door Erasmus bereikt, wanneer hij in de laatste bladzijden van zijn geschrift, met verwijzing naar teksten uit het Nieuwe Testament, waar gesproken wordt over de dwaasheid des Kruises, over de dwaasheid Gods welke wijzer is dan de menschen, ook van het christendom zelf eene goddelijke komedie en van de christelijke vroomheid, welke alle aardsche voorregten versmaadt ten einde den hemel te winnen, eene soort van heiligen waanzin maakt.[79]"Geeft daarbij wel acht," zegt Moria, "dat het de kinderen zijn, de grijsaards, de vrouwen, de armen van geest, die door de godsdienstoefeningen het meest bekoord worden en, slechts natuurkinderen zijnde, het ijverigst zich om de altaren verdringen. Let er ook op dat de godsdienststichters in den regel felle vijanden der letteren zijn, en belijdenis doen van eene verwonderlijke eenvoudigheid."
Dit scepticisme is het beste bewijs dat men ten onregte Sebastiaan Brand'sNarrenschiff, welks oudste druk tot 1494 teruggaat, als een voorlooper van Erasmus'Lof der Dwaasheidpleegt aan te duiden. Er zijn vele plaatsen in Erasmus' boekje waar hij op hetzelfde aanbeeld slaat als Brand en, tot regtvaardiging van zijn geloof aan de algemeene heerschappij van den onzin, evenzoo op tallooze dwazen wijst (boeke-narren, vrouwe-narren, gouden kalf-narren, wijn- en bier-narren, gelijk de straatsburgsche burgemeester ze noemt) die het geluk in allerlei onwezenlijke genoegens of voorregten zoeken. Brand's boetpredikers-bedoeling echter is Erasmus vreemd; en bij den Rotterdammer vormt de ééne, door den Straatsburger onveranderlijk berispte dwaasheid, slechts een incident. De schuit van Brand is een platbooms vaartuig, hetwelk desverkiezend op rollen gezet, en op Vastenavond door de straten gevoerd kan worden.[80]Met Erasmus' schuitje, vlug getuigd, kan men in weerwil van den ranken bouw eene reis om de wereld doen. Zijne boot schijnt een wimpel van het fosforescerend vuur te voeren, dat volgens de etymologen zijn naam aan den Heiligen Erasmus der christelijke oudheid dankt.[81]
Ondanks het hemelsbreed verschil van taal en omvang komt geen ander geschrift der 16de eeuw, wat de filosofische strekking betreft, het boekje van onzen landgenoot nader dan de groote roman van Rabelais, verschenen van 1533 tot 1554, en insgelijks eene de geheele zamenleving omvattende satire. Erasmus'Dwaasheidheet bij Rabelaisla Dive Bouteille, vertegenwoordigster derzelfde welwillende wijsbegeerte of levensbeschouwing, die te midden der onzekerheid en dikwijls gemaakte deftigheid van het ondermaansche, het goed regt van den roes der vrolijkheid handhaaft.[82]Levendig hebben beiden beseft, Erasmus en Rabelais, dat de mensch, al spant zijne scherpzinnigheid hare beste krachten in, toch niet achter het geheim van zijn wezen komen kan; geloof en eeuwig leven moeten kunnen verdragen, tot het gebied der fantasie gebragt te worden; en ons bestaan, trots elk onderzoek, een ondoorgrondelijk mengsel blijft van komisch en tragisch, verheven en alledaagsch.
Wat de inkleeding betreft is deLof der Dwaasheideen offer aan de mode. De geletterde wereld van Erasmus' dagen had voor het eerst weder kennis gemaakt met de werken van sommige grieksche sofisten, of met de sofistische uitspanningen van voorname grieksche redenaars en schrijvers. Als met eene nieuwigheid vermaakte men zich met denLof der Mugdoor Lucianus, met Lucianus' ironischenLof van Phalaris, den siciliaanschen tiran. Men herinnerde zich met welgevallen dat Glauco schertsend denLof van het Onregt, Synesius denLof der Kaalheid, Favorinus denLof van Thersites, den mismaakten homerischen zwetser, en denLof der Derdendaagsche Koortsgeschreven had. Die voorbeelden stonden Erasmus voor den geest; en hij verhoogde meteen het pikante van het genre, door in den mond der Dwaasheid, die niet uit hare rol mogt vallen eene lofrede op zichzelve te leggen. Zij, niet hij, is de sofist die van het begin tot het einde derdeclamatiohet woord voert.[83]
In de 18e eeuw is Erasmus geestig nagevolgd door Mandeville, wiens bije-fabel een vermomdeLof der Ondeugdin de maatschappij; door Holberg, wiens onderaardsche reis van Klaas Klim vaak eenLof der Ligtzinnigheidin den Staat is.[84]Doch niemand heeft een geheel zamengesteld, dat in zoo hooge mate, evenals de schrijver zelf, het karakter van een natuurprodukt bezit. DeLof der Dwaasheidis niet diepzinnig gelijk een stelsel van metafysica, maar gelijk een artisjok. De kern der vrucht smaakt zoet, en geeft eene juiste voorstelling van den bloedzuiverenden invloed der werken van Erasmus in het algemeen. Een voor een kan men de puntige bladen, die hare kroon vormen, afplukken. Zelven eene specerij, behoeven zij niet afzonderlijk in olie en azijn gedoopt, of met zout en peper gekruid te worden.
Indien onze nederlandsche schilders van den tegenwoordigen tijd te bewegen waren, voor eene poos zich aan de omhelzing hunner dorpsvertellingen te ontrukken, dan zouden zij door het behandelen van een historisch onderwerp roem kunnen behalen: Erasmus te viervoet, gevolgd door zijn burgerlijken rijknecht, door zijne rijdende bibliotheek, en opziend uit het schrijfboek waarin hij bezig is gelukkige invallen voor denLof der Dwaasheidop te teekenen.
Werkelijk is het kleine geschrift, dat door de vergankelijkheid nu weldra sedert vier eeuwen geëerbiedigd werd, op deze wijze zoo niet voltooid, dan toch aangevangen: in den zadel, gedurende de eerste terugreis uit Italië in 1509.[85]Erasmus telde op dat tijdstip, naar de gewone berekening, tweeënveertig jaren; had Rome en Venetië gezien; had te Turin den dokterstitel gehaald;[86]zou in Engeland bij lord Mountjoy of bij Thomas Morus gaan logeren, buiten; werd op dat oogenblik door zorgen noch ziekte gekweld; en was, nog onberoemd, juist in de stemming een werk der verbeelding te dichten, waarin hij onder den sluijer der allegorie den vrijen teugel vieren kon aan zijne luim.
Betrekkelijk vroegtijdig schijnt Erasmus, hoe jong van harte hij ten einde toe moge gebleven zijn, vreemden aan een grijsaard te hebben doen denken; hetgeen, wanneer men zijn zwervend leven en de tien folianten zijner werken in aanmerking neemt, die lang niet al de weleer door hem gekorrigeerde drukproeven behelzen, in zichzelf niet buitengewoon te verwonderen is. Krachtiger ligchamen dan het zijne zouden van zulk een ingespannen bezig-zijn na verloop van zeker aantal jaren de sporen vertoond hebben.
Ik maak deze opmerking naar aanleiding der karaktervolle apostrofe aan Erasmus in het dagverhaal van Albert Dürer's zuidnederlandsche reis van 1521, toen Dürer zelf de vijftig genaderd was, Erasmus hoogstens zes of zeven jaren ouder kon zijn.
Het is bekend dat Erasmus op dat tijdstip te Antwerpen vertoefde, bevriend met den stads-sekretaris Aegidius en met Quinten Metsys den schilder, en dat kort na Pinksteren van genoemd jaar er in de stad een onrustbarend gerucht liep. Maarten Luther, heette het, die op den rijksdag te Worms zulk eene stoute taal gevoerd had (men begreep niet dadelijk dat de keurvorst van Saksen hem met voordacht had doen opligten en op den Wartburg in veiligheid brengen); Luther was in de handen zijner vijanden gevallen! Ondanks het keizerlijk vrijgeleide hadden zij hem gevangen! Vermoord misschien!
Dürer, die in dezelfde dagen te Antwerpen verscheiden openbare personen portretteerde en onder anderen ook Erasmus uitteekende,[87]kan in de algemeene dwaling niet lang gedeeld hebben. Bij het eerste vernemen evenwel maakte de tijding op hem, tevens goed roomsch en goed hervormingsgezind een verpletterenden indruk. De vereerder van den onversaagden jongen Luther achtte door dezen slag de zaak der godsdienst verloren, en teekende, overstelpt door droefheid, in zijn dagboek een weeklagt in proza op,—bladzijden die voor de geschiedenis te meer waarde hebben, en van hetgeen destijds omging in de gemoederen, eene te juister voorstelling geven, omdat hier noch een theoloog, noch een monnik, noch een letterkundige spreekt, maar een eenvoudig, welonderwezen burger, slechts buitengewoon als kunstenaar en de godsdienst enkel om haarzelve liefhebbend, als verhevensten vorm van het schoone en zuiverste bron der deugd.
Onder het voortschrijven met bewogen gemoed en ongeoefende pen valt het Dürer in, dat zoo Luther verloren is Erasmus nog leeft, deze op dat oogenblik zich in zijne onmiddellijke nabijheid bevindt, en zoolang Erasmus strijdvaardig blijft de christenheid niet behoeft te wanhopen. "O, gij alle vrome christenmenschen," is het laatste woord zijner hulde aan Luther, "helpt mij vlijtig beweenen dezen godgeestigen mensch, en God bidden dat hij ons een ander verlicht man zende! O Erasme Roterodame, hoor gij ridder des Heeren Christus: rijd nevens den Heer Christus voort: bescherm de waarheid: verkrijg der martelaren kroon:gij zijt toch reeds een oud manneken. Ik heb u hooren zeggen dat gij uzelven nog twee jaren toegegeven hebt, in welke gij nog dacht iets te doen. Leg dezelve wel aan, het evangelie en het ware christelijk geloof ten goede, en laat u dan hooren. Dan zullen de poorten der helle, gelijk Christus zegt, niets tegen u vermogen; en schoon gij hier uw meester Christus gelijkvormig wierdt, en in dezen tijd schande van de leugenaars leedt, en daarom een kleinen tijd des te eer stierft, zoo zult gij toch eer uit den dood in het leven komen en door Christus verheerlijkt worden. O Erasmus, houd u hier zoo dat God u roeme, gelijk van David geschreven staat; want gij moogt het doen, en voorwaar gij moogt den Goliath slaan."[88]
In hare huiselijkheid vindt ik dit de merkwaardigste voorstelling welke de tijdgenooten van Erasmus ons van zijn persoon en zijn karakter gegeven hebben. Altijd wordt uit zijne brieven het gezegde aangehaald: "Niet allen bezitten kracht genoeg voor het martelaarschap; ik zou bij het ontstaan van eenig rumoer, vrees ik, het voorbeeld van Petrus volgen." Altijd het ironische: "Laten anderen het martelaarschap begeeren, ik acht mij zulk eene eer niet waardig."[89]
In gewone omstandigheden zou men de braafheid prijzen van den man, die op het papier durfde stellen hetgeen duizenden niet wagen zichzelf te bekennen, laat staan aan anderen mede te deelen. Erasmus op het schavot ware eene even groote tegenstrijdigheid geweest, als in onze dagen het sneuvelen van een predikant of een pastoor in een tweegevecht zijn zou. Hem echter heeft het niet gebaat uitdrukkelijk te verzekeren: "Ik ben bereid te sterven voor Christus, indien hijzelf mij daartoe de kracht geeft; maar sterven voor Luther, dat doe ik niet."[90]
De gangbare geschiedenis heeft van die vaste zetten. Wanneer paus Julius II oorlog voert, dan noemen wij hem een onwaardig stedehouder van den God der liefde; Zwingli daarentegen, die bij de zwitsersche huurtroepen van Julius als aalmoezenier diende, hem bewonderen wij wanneer hij in den slag bij Kappel, aanvoerder van een leger, valt met het zwaard in de vuist; en niets verhindert ons te erkennen dat die soldaat, gewezen priester, eene zeer verstandige leer van het Heilig Avondmaal heeft uitgedacht. Wij nemen het Luther noch Kalvyn kwalijk te zijn gestorven in hun bed, hoewel beiden onschuldig bloed op het geweten hadden; maar Erasmus, die nooit eene vlieg kwaad deed, nooit om een ander zwaard dan zijne pen vroeg, Erasmus noemen wij laf, omdat hij terugdeinsde voor den brandstapel. Hij alleen had door beulshanden behooren om te komen, vinden wij.
Deze ongelijkheid aan onszelf kan slechts hieruit voortkomen dat Luther, Zwingli, en Kalvyn, ondanks gebreken die zij met voorbeeldigen ootmoed de eersten waren te belijden, de zaak van den vooruitgang gediend hebben; Erasmus, ondanks zijne deugden, de zaak van het behoud of der reaktie; en het van te voren bij ons vaststaat dat wie dit laatste doet minder diensten aan de zamenleving bewijst.
De feiten met dat al komen alleen tot hun regt, wanneer wij bij het beschouwen van Erasmus ons op het medegevoelend standpunt van Albrecht Dürer plaatsen; die wel is waar hem al vroeg voor een oud manneke, maar tevens voor een dapperen kleinen David en ridder van den Heer Christus hield. Het is de schuld van Hendrik de Keyser niet dat de bronzen reus op de rotterdamsche Markt aan die voorstelling zoo weinig beantwoordt: op den top eener vendômezuil zou het fraaije beeld beter geplaatst zijn dan op dat lage voetstuk.[91]De Erasmus van het Louvre-Muzeum, door Holbein, is eene alles afdoende rechtvaardiging van Dürer's zienswijze.[92]
Erasmus leefde in zulk een moeijelijken tijd dat het ons niet betaamt over het gebruik dat hij van zijne bewonderenswaardige gaven gemaakt heeft een beslissend oordeel te vellen, en wij er ons bij moeten nederleggen dat hij, gelijk de bijbel zegt, ten volle verzekerd is geweest in zijn eigen gemoed. Voorts mag het onze nationale eigenliefde streelen dat slechts driemalen in de geschiedenis van Europa één vernuft zulk eene europeesche vermaardheid bezeten, en de beschaving van zijn tijd in zulke mate beheerscht heeft: Petrarca in de 14de, Erasmus in de 16de, Voltaire in de 18de eeuw.
Erasmus is een eenzijdig litterarisch genie geweest. Hij heeft noch in de wiskunde uitgemunt, noch als jurist, noch als geschiedschrijver. In de leerstellige godgeleerdheid en de bijbelsche uitlegkunde was hij een dilettant, in de staatkunde een droomer.[93]Zelfs als wetenschappelijk filoloog liet hij te wenschen over: zijn tekst van het Nieuwe Testament heeft te langen tijd voor klassiek gegolden.[94]DeThesaurus linguae latinaevan Robert Estienne (1532), vooral deThesaurus linguae graecaevan Henri Estienne Jr. (1572), waren werken van blijvender waarde dan de geleerde uitgaven vanzijnehand.
Doch hij was het beligchaamd gezond verstand zijner eeuw, en dankte aan zijne fabelachtige vaardigheid in het schrijven eener doode taal het voorregt, in een tijd toen in alle landen van Europa wie maar een glimp van opvoeding had het latijn even gemakkelijk als de moedertaal verstond, door het bespelen van één klavier aller aandacht te kunnen boeijen.
Ook om die reden hield hij van Bazel, en was een zwitsersch typograaf een zijner bemindste vrienden. Niet in een hoekje met een boekje wilde hij wonen, zooals Thomas a Kempis, maar tusschen de bergen met eene drukpers. Met dien hefboom was hij zich bewust eene wereld te kunnen vertillen, en zijn schoonste eeretitel is misschien dat hij onder dit gevaarlijk zelfgevoel vergelijkenderwijs zoo nederig en altijd zoo eenvoudig gebleven is.
[1]Plaatsen betreffende Erasmus' geboorte, in het woordenboek van Bayle.—Nieuwe berichten bij Wilhelm Vischer, Erasmiana, Bazel 1876, en bij R. Fruin in Nijhoff's Bijdragen, N. R., 1878, X 85 vgg.; D. R., 1881, I 55 vg.
[1]Plaatsen betreffende Erasmus' geboorte, in het woordenboek van Bayle.—Nieuwe berichten bij Wilhelm Vischer, Erasmiana, Bazel 1876, en bij R. Fruin in Nijhoff's Bijdragen, N. R., 1878, X 85 vgg.; D. R., 1881, I 55 vg.
[2]Duifhuis (1531-1581), de voortreffelijke rotterdamsch-utrechtsche pastoor, had van zijne huishoudster Krijntje Pieters drie kinderen die in hetzelfde geval als vóór hen Erasmus en zijn broeder verkeerden. Wiarda, Huibert Duifhuis, 1858, bladz. 8 vgg.
[2]Duifhuis (1531-1581), de voortreffelijke rotterdamsch-utrechtsche pastoor, had van zijne huishoudster Krijntje Pieters drie kinderen die in hetzelfde geval als vóór hen Erasmus en zijn broeder verkeerden. Wiarda, Huibert Duifhuis, 1858, bladz. 8 vgg.
[3]Leven van Erasmus door Beatus van Rheinau, en leven van Erasmus door hemzelf, vóór de uitgaaf van Le Clerc.
[3]Leven van Erasmus door Beatus van Rheinau, en leven van Erasmus door hemzelf, vóór de uitgaaf van Le Clerc.
[4]Getuigenis van Calvete de Estrella bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 99.—Geboortehuis van Erasmus naar eene teekening van Kortebrant, 18e eeuw, in Oude Tijd 1869, bladz. 9.
[4]Getuigenis van Calvete de Estrella bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 99.—Geboortehuis van Erasmus naar eene teekening van Kortebrant, 18e eeuw, in Oude Tijd 1869, bladz. 9.
[5]Als schilder wordt hij in Houbraken's Grooten Schouwburg vermeld I 17 met portret.—De anecdote omtrent de kruisiging door Erasmus, die Kornelis Musius te Delft zal toebehoord hebben, ook bij Weyerman, Levensbeschrijvingen, 1729-1769, I 197.—Alles ontleend aan Van Bleijswijck, Beschrijving van Delft, 1667, bladz. 321, 360.
[5]Als schilder wordt hij in Houbraken's Grooten Schouwburg vermeld I 17 met portret.—De anecdote omtrent de kruisiging door Erasmus, die Kornelis Musius te Delft zal toebehoord hebben, ook bij Weyerman, Levensbeschrijvingen, 1729-1769, I 197.—Alles ontleend aan Van Bleijswijck, Beschrijving van Delft, 1667, bladz. 321, 360.
[6]Hij spreekt ergens over de "barbaarsche" van Hegius, dien hij overigens dankbaar herdenkt. Reichling, Murmellius, bladz. 7.
[6]Hij spreekt ergens over de "barbaarsche" van Hegius, dien hij overigens dankbaar herdenkt. Reichling, Murmellius, bladz. 7.
[7]Over Emmaüs bij Römer, Kloosters en Abdijen, I 384 vgg.
[7]Over Emmaüs bij Römer, Kloosters en Abdijen, I 384 vgg.
[8]De contemtu mundi, bij Le Clerc, V 1239-1262.
[8]De contemtu mundi, bij Le Clerc, V 1239-1262.
[9]"Una hilari Margareta." De contemtu mundi, c. ii.
[9]"Una hilari Margareta." De contemtu mundi, c. ii.
[10]De contemtu mundi, c. ii.—Bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 105 vgg.
[10]De contemtu mundi, c. ii.—Bij R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 105 vgg.
[11]Oratio in Funere Bertae de Heijen Goudanae, bij Le Clerc VIII 551.—Inleiding van Ch. Ruelens tot het fotolitografisch facsimile der Silva Carminum van 1513, Brussel 1864, bladz. XXXIV vgg.
[11]Oratio in Funere Bertae de Heijen Goudanae, bij Le Clerc VIII 551.—Inleiding van Ch. Ruelens tot het fotolitografisch facsimile der Silva Carminum van 1513, Brussel 1864, bladz. XXXIV vgg.
[12]Virgo Misogamos, Virgo Poenitens, Ie Deel der Colloquia Familiaria, bladz. 158 vgg. en 167 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf.
[12]Virgo Misogamos, Virgo Poenitens, Ie Deel der Colloquia Familiaria, bladz. 158 vgg. en 167 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf.