[13]Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVII.
[13]Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVII.
[14]Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVI.
[14]Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XXXVI.
[15]R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 107 vgg.
[15]R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 107 vgg.
[16]Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XLI.
[16]Ch. Ruelens, Silva Carminum, Inleiding bladz. XLI.
[17]Militis et Carthusiani, in de Colloquia Familiaria, I 184 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf.
[17]Militis et Carthusiani, in de Colloquia Familiaria, I 184 vgg. der Tauchnitz-uitgaaf.
[18]Melanchton, Leven Rudolf Agricola.
[18]Melanchton, Leven Rudolf Agricola.
[19]Kervyn de Lettenhove, Étude sur les Chroniques de Froissart, 1856.
[19]Kervyn de Lettenhove, Étude sur les Chroniques de Froissart, 1856.
[20]I.C. Scaliger verweet Erasmus, korrektor geweest te zijn bij Aldo Manuzio te Venetië. Erasmus verweet Ulrich von Hutten, zich door een boekverkooper te hebben laten honoreeren voor een pamflet.Plaatsen bij Bayle, op "Erasme," en bij Drummond, II 130 vgg.
[20]I.C. Scaliger verweet Erasmus, korrektor geweest te zijn bij Aldo Manuzio te Venetië. Erasmus verweet Ulrich von Hutten, zich door een boekverkooper te hebben laten honoreeren voor een pamflet.Plaatsen bij Bayle, op "Erasme," en bij Drummond, II 130 vgg.
[21]Over Filelfo bij Burckhardt I 128 enz., II 172 enz.—Studie door Eugène Müntz, Revue des Deux-Mondes, 1 Nov. 1881.
[21]Over Filelfo bij Burckhardt I 128 enz., II 172 enz.—Studie door Eugène Müntz, Revue des Deux-Mondes, 1 Nov. 1881.
[22]Ontleend aan de hierna te noemen brieven van Erasmus uit de jaren 1497 en vgg.
[22]Ontleend aan de hierna te noemen brieven van Erasmus uit de jaren 1497 en vgg.
[23]D. Nisard, I 25 vgg.; 140 vgg.; 154 vgg.; 168 vgg. Durand de Laur, I 634.—Drummond, II 267 vgg.—Feugère, bladz. 101 vgg., 156 vgg.—Wilhelm Vischer, blz. 8 (Pensio Anglica) bladz. 33 (Pension des Herzogs von Cleve), bladz. 34 (Praepositura Daventriensis)—Dumbar, K. en W. Deventer, I 329 A en B.
[23]D. Nisard, I 25 vgg.; 140 vgg.; 154 vgg.; 168 vgg. Durand de Laur, I 634.—Drummond, II 267 vgg.—Feugère, bladz. 101 vgg., 156 vgg.—Wilhelm Vischer, blz. 8 (Pensio Anglica) bladz. 33 (Pension des Herzogs von Cleve), bladz. 34 (Praepositura Daventriensis)—Dumbar, K. en W. Deventer, I 329 A en B.
[24]Fotografisch facsimile van Erasmus' testament bij J.B. Kan, Erasmiana, Rotterdam 1881.
[24]Fotografisch facsimile van Erasmus' testament bij J.B. Kan, Erasmiana, Rotterdam 1881.
[25]Portret van Erasmus in het 5e deel van Wagenaar's Vad. Historie; portret van Groen van Prinsterer vóór het Handboek, 1870, 5e druk. Erasmiana en verzameling portretten van Erasmus, in het Rotterdamsch stadsarchief: Rariteiten-kamer.—Craandijk en Schipperus, Wandelingen, III 149, 157, 167.
[25]Portret van Erasmus in het 5e deel van Wagenaar's Vad. Historie; portret van Groen van Prinsterer vóór het Handboek, 1870, 5e druk. Erasmiana en verzameling portretten van Erasmus, in het Rotterdamsch stadsarchief: Rariteiten-kamer.—Craandijk en Schipperus, Wandelingen, III 149, 157, 167.
[26]Ook de aan hem gerigte daaronder zijn belangrijk voor de kennis van zijn persoon. De verzameling is niet volledig.
[26]Ook de aan hem gerigte daaronder zijn belangrijk voor de kennis van zijn persoon. De verzameling is niet volledig.
[27]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 19.
[27]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 19.
[28]Adam van Brescia en Sinon, 30ste Zang der Hel.
[28]Adam van Brescia en Sinon, 30ste Zang der Hel.
[29]Teekening naar het origineel door J.A. Altorffer, in het bezit van H.D. Tjeenk Willink.—Oudere teekening in de portefeuilles van het Zeeuwsch Genootschap. Lantsheer en Nachtglas, Zelandia Illustrata, 1866-1880, I 577 vg.—Afbeelding van het Stadhuis te Veere in De Aarde en haar Volken, 1875, bladz. 272.—Artikel over Anna v. Borssele in het Woordenboek van Bayle.
[29]Teekening naar het origineel door J.A. Altorffer, in het bezit van H.D. Tjeenk Willink.—Oudere teekening in de portefeuilles van het Zeeuwsch Genootschap. Lantsheer en Nachtglas, Zelandia Illustrata, 1866-1880, I 577 vg.—Afbeelding van het Stadhuis te Veere in De Aarde en haar Volken, 1875, bladz. 272.—Artikel over Anna v. Borssele in het Woordenboek van Bayle.
[30]Gargon, Walchersche Arcadia, 1746, 3e druk, I 279, II 108, en de verwijzingen naar Reigersbergh, Boxhorn, en Smallegange.—Reigersbergh van Cortgene, schrijver der oudste Zeeuwsche Kronijk (Antwerpen 1551), was met het geslacht Bourgondië-Van Borssele persoonlijk bevriend.
[30]Gargon, Walchersche Arcadia, 1746, 3e druk, I 279, II 108, en de verwijzingen naar Reigersbergh, Boxhorn, en Smallegange.—Reigersbergh van Cortgene, schrijver der oudste Zeeuwsche Kronijk (Antwerpen 1551), was met het geslacht Bourgondië-Van Borssele persoonlijk bevriend.
[31]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 6 vgg.—Uittreksels bij Drummond, I 31 vgg., 91 vgg.
[31]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 6 vgg.—Uittreksels bij Drummond, I 31 vgg., 91 vgg.
[32]Over één of twee Battussen, in Van der Aa's Biografisch Woordenboek, IIa 175.
[32]Over één of twee Battussen, in Van der Aa's Biografisch Woordenboek, IIa 175.
[33]Over lord Mountjoy bij Drummond, I 42.
[33]Over lord Mountjoy bij Drummond, I 42.
[34]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 92. Door eene schrijf- of eene drukfout, schijnt het, luidt het opschrift: "Clarissimae AnnaeBersalae, principi Verianae."
[34]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 92. Door eene schrijf- of eene drukfout, schijnt het, luidt het opschrift: "Clarissimae AnnaeBersalae, principi Verianae."
[35]Over Willem Hermansz van Gouda hiervóór, blz. 298.
[35]Over Willem Hermansz van Gouda hiervóór, blz. 298.
[36]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 52.
[36]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 52.
[37]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 94.
[37]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 94.
[38]Toespelingen op de Odyssea en de Aeneis.
[38]Toespelingen op de Odyssea en de Aeneis.
[39]Van hem en van zijn bediende.
[39]Van hem en van zijn bediende.
[40]Battus was misschien, tot een niet nader aangeduid punt, van Cortgene hem tegemoet komen rijden.
[40]Battus was misschien, tot een niet nader aangeduid punt, van Cortgene hem tegemoet komen rijden.
[41]Erasmus bij Le Clerc, III No. 6.—Arx Tornehensis of Tornenhensis vanwaar deze en nog eenige andere brieven uit denzelfden tijd gedagteekend zijn (No. 6, No. 7, No. 9, cf. No. 95 aanhef) is vermoedelijk eene schrijf- of eene drukfout voor Cortgenensis of Cortchenensis, bijvoegelijk naamwoord gevormd van Cortgene.—Over het voormalig kasteel van dien naam bij Gargon, Walchersche Arcadia, II 223; bij Lantsheer en Nagtglas, Zelandia Illustrata, II 135.
[41]Erasmus bij Le Clerc, III No. 6.—Arx Tornehensis of Tornenhensis vanwaar deze en nog eenige andere brieven uit denzelfden tijd gedagteekend zijn (No. 6, No. 7, No. 9, cf. No. 95 aanhef) is vermoedelijk eene schrijf- of eene drukfout voor Cortgenensis of Cortchenensis, bijvoegelijk naamwoord gevormd van Cortgene.—Over het voormalig kasteel van dien naam bij Gargon, Walchersche Arcadia, II 223; bij Lantsheer en Nagtglas, Zelandia Illustrata, II 135.
[42]Balen, Dordrecht, II 809 vg.—Brieven van Erasmus, 22ste Boek der oudere uitgaven.
[42]Balen, Dordrecht, II 809 vg.—Brieven van Erasmus, 22ste Boek der oudere uitgaven.
[43]Over de zeden van den roomschen klerus enz. in Nederland, eerste vierdedeel der 16e eeuw, bij De Hoop Scheffer, Kerkhervorming, bladz. 11-13.
[43]Over de zeden van den roomschen klerus enz. in Nederland, eerste vierdedeel der 16e eeuw, bij De Hoop Scheffer, Kerkhervorming, bladz. 11-13.
[44]Divina Commedia, 22ste Zang van het Paradijs, vs. 85—87.
[44]Divina Commedia, 22ste Zang van het Paradijs, vs. 85—87.
[45]Brieven en sermoenen van Bonifacius.
[45]Brieven en sermoenen van Bonifacius.
[46]De comtemtu mundi, laatste hoofdstuk.
[46]De comtemtu mundi, laatste hoofdstuk.
[47]Coll. Fam. Iste deel, bladz. 194 vgg.: Naufragium.
[47]Coll. Fam. Iste deel, bladz. 194 vgg.: Naufragium.
[48]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 148 vgg.: Proci et Puellae.
[48]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 148 vgg.: Proci et Puellae.
[49]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 141 vgg.: Apotheosis Capnionis.
[49]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 141 vgg.: Apotheosis Capnionis.
[50]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 29 vgg.: Militaria.
[50]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 29 vgg.: Militaria.
[51]Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 85 vgg.: Charon.
[51]Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 85 vgg.: Charon.
[52]Facsimilé van Holbein's titelblad voor deze uitgaaf (1519) bij Paul Mantz, Hans Holbein, 1879, bladz. 58.
[52]Facsimilé van Holbein's titelblad voor deze uitgaaf (1519) bij Paul Mantz, Hans Holbein, 1879, bladz. 58.
[53]Dit en het vorige ziet op de bejegening, welke van Ulrich von Hutten's zijde, in de burgt van Franz von Sickingen, de keulsche kettermeester Hoochstraten zal ondervonden hebben.—D.F. Strauss, Ulrich von Hutten, 1860, 2de Boek, 10de Hoofdstuk; Drummond, II 110 vgg.
[53]Dit en het vorige ziet op de bejegening, welke van Ulrich von Hutten's zijde, in de burgt van Franz von Sickingen, de keulsche kettermeester Hoochstraten zal ondervonden hebben.—D.F. Strauss, Ulrich von Hutten, 1860, 2de Boek, 10de Hoofdstuk; Drummond, II 110 vgg.
[54]Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 108 vgg.: Cyclops-evangeliophorus.
[54]Coll. Fam. 2de Deel, bladz. 108 vgg.: Cyclops-evangeliophorus.
[55]Overzigt bij Drummond II 151-179.—Nieuwe fransche vertaling der Colloquia door Victor Develay, 1876, met etsen van Chauvet.—Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance et Réforme.
[55]Overzigt bij Drummond II 151-179.—Nieuwe fransche vertaling der Colloquia door Victor Develay, 1876, met etsen van Chauvet.—Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance et Réforme.
[56]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 202 vgg. Diversoria.
[56]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 202 vgg. Diversoria.
[57]Iste Deel bladz. 296 vgg.: Hippoplanus.
[57]Iste Deel bladz. 296 vgg.: Hippoplanus.
[58]Coll. Fam. 2de Deel, blz. 106 vgg.: Impostura.
[58]Coll. Fam. 2de Deel, blz. 106 vgg.: Impostura.
[59]Iste Deel blz. 213 vgg.: Convivium Poëticum.
[59]Iste Deel blz. 213 vgg.: Convivium Poëticum.
[60]Over de minderbroeders-observanten bij Moll, Leven van Brugman, I 101 vgg.
[60]Over de minderbroeders-observanten bij Moll, Leven van Brugman, I 101 vgg.
[61]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 255 vgg.: Ptochoplousioi Franciscani.
[61]Coll. Fam. Iste Deel, bladz. 255 vgg.: Ptochoplousioi Franciscani.
[62]Morias Encomium, id est: Stultitiae Laus, Erasmi Roterodami declamatio, Parijs 1511. Uitgaaf van C.A. Abbing, Leiden 1839.—Overzigt bij Jacobus Scheltema 1819, Mengelwerk II 225 vgg.—Nieuwe fransche vertaling van Des Essarts, 1877.—Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance et Réforme.
[62]Morias Encomium, id est: Stultitiae Laus, Erasmi Roterodami declamatio, Parijs 1511. Uitgaaf van C.A. Abbing, Leiden 1839.—Overzigt bij Jacobus Scheltema 1819, Mengelwerk II 225 vgg.—Nieuwe fransche vertaling van Des Essarts, 1877.—Fragmenten bij D. Nisard, Renaissance et Réforme.
[63]Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 103 vgg.
[63]Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 103 vgg.
[64]Toespeling op den oorlogzuchtigen paus Julius II, toen nog aan het bestuur.—Negende der houtsneden van Albrecht Dürer's "Groote Apocalypsis," Cabinet des Estampes te Parijs. Facsimilé door P.W. van de Weyer te Utrecht, 1875.
[64]Toespeling op den oorlogzuchtigen paus Julius II, toen nog aan het bestuur.—Negende der houtsneden van Albrecht Dürer's "Groote Apocalypsis," Cabinet des Estampes te Parijs. Facsimilé door P.W. van de Weyer te Utrecht, 1875.
[65]Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 118 vgg.
[65]Stultitiae Laus, bij Abbing bladz. 118 vgg.
[66]Over Skelton bij Philarète Chasles, Le drame, les moeurs et la religion au 16e siècle, 1851, bladz. 289 vgg., 319 vgg.
[66]Over Skelton bij Philarète Chasles, Le drame, les moeurs et la religion au 16e siècle, 1851, bladz. 289 vgg., 319 vgg.
[67]Drummond, Life of Erasmus, I 190.
[67]Drummond, Life of Erasmus, I 190.
[68]Stultitiae Laus bij Abbing bladz. 61 vg.
[68]Stultitiae Laus bij Abbing bladz. 61 vg.
[69]Débat de Folie et d'Amour, in de Oeuvres de Louise Labé, parijsche uitgaaf van 1871, gedrukt bij Johannes Enschedé en Zoonen.—Studie over Louise Labé bij Sainte-Beuve, Nouveaux Lundis IV 289 vgg.
[69]Débat de Folie et d'Amour, in de Oeuvres de Louise Labé, parijsche uitgaaf van 1871, gedrukt bij Johannes Enschedé en Zoonen.—Studie over Louise Labé bij Sainte-Beuve, Nouveaux Lundis IV 289 vgg.
[70]Louise Labé, bladz. 95. Bij Sainte-Beuve, bladz. 308.
[70]Louise Labé, bladz. 95. Bij Sainte-Beuve, bladz. 308.
[71]Oeuvres de Louise Labé, bladz. 7 vg.
[71]Oeuvres de Louise Labé, bladz. 7 vg.
[72]Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 20 vg.
[72]Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 20 vg.
[73]Facsimilé van Holbein's "Simulachres et historiées faces de la Mort, Lyon 1538," bij Paul Mantz, bladz. 82.
[73]Facsimilé van Holbein's "Simulachres et historiées faces de la Mort, Lyon 1538," bij Paul Mantz, bladz. 82.
[74]Facsimilé van Erasmus' zegel bij Drummond, II 371.—R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 100, noot 4.
[74]Facsimilé van Erasmus' zegel bij Drummond, II 371.—R. Fruin, Erasmiana 1878, bladz. 100, noot 4.
[75]Zelfde gedachte bij Goethe: "Meine Göttin," 2de Deel van Cotta's uitgaaf der Werken, 1850, bladz. 53 vgg.
[75]Zelfde gedachte bij Goethe: "Meine Göttin," 2de Deel van Cotta's uitgaaf der Werken, 1850, bladz. 53 vgg.
[76]Louvre-Muzeum, afdeeling Duitsche, Vlaamsche en Hollandsche Scholen, katalogus 1881, No. 343: "Le nain de Charles-Quint."—Houtsnede bij Charles Blanc, École Hollandaise, op Antonio Moro.
[76]Louvre-Muzeum, afdeeling Duitsche, Vlaamsche en Hollandsche Scholen, katalogus 1881, No. 343: "Le nain de Charles-Quint."—Houtsnede bij Charles Blanc, École Hollandaise, op Antonio Moro.
[77]Stultitiae Laus, bij Abbing, blz. 55-57.
[77]Stultitiae Laus, bij Abbing, blz. 55-57.
[78]Stultitiae Laus, aanhef. Bij Abbing, bladz. 5 vg., 11 vg.
[78]Stultitiae Laus, aanhef. Bij Abbing, bladz. 5 vg., 11 vg.
[79]Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 131 vgg. tot het einde.—Over het christendom, bladz. 148: "Videtur omnino Christiana religio quandam habere cum aliqua stultitia cognationem, minimeque cum sapientia convenire."—Over het verlangen der vromen naar den hemel, bladz. 154: "Si paucis demonstraro summum illud praemium nihil aliud esse quam insaniam quandam."
[79]Stultitiae Laus, bij Abbing, bladz. 131 vgg. tot het einde.—Over het christendom, bladz. 148: "Videtur omnino Christiana religio quandam habere cum aliqua stultitia cognationem, minimeque cum sapientia convenire."—Over het verlangen der vromen naar den hemel, bladz. 154: "Si paucis demonstraro summum illud praemium nihil aliud esse quam insaniam quandam."
[80]Voorrede van Karl Simrock bij den gemoderniseerden tekst van Sebastiaan Brand's "Narrenschiff," met facsimilés der oude platen, Berlijn 1872.—Narreschip op rollen in Oude Tijd 1870, blz. 289.
[80]Voorrede van Karl Simrock bij den gemoderniseerden tekst van Sebastiaan Brand's "Narrenschiff," met facsimilés der oude platen, Berlijn 1872.—Narreschip op rollen in Oude Tijd 1870, blz. 289.
[81]De spaansche en italiaansche matrozen der Middellandsche Zee, wier patroon de Heilige Erasmus is (in 304 onder Diocletianus den Marteldood gestorven als bisschop van Formiae, thans Mola di Gaëta), verbasterden zijn naam tot Eramo, Ermo, Elmo, overgebleven in St. Elmsvuur. Zijn leven in de Acta Sanctorum; schilderij van zijn dood, door Dirc Bouts of Stuerbout van Haarlem, in de Sint-Pieterskerk te Leuven.
[81]De spaansche en italiaansche matrozen der Middellandsche Zee, wier patroon de Heilige Erasmus is (in 304 onder Diocletianus den Marteldood gestorven als bisschop van Formiae, thans Mola di Gaëta), verbasterden zijn naam tot Eramo, Ermo, Elmo, overgebleven in St. Elmsvuur. Zijn leven in de Acta Sanctorum; schilderij van zijn dood, door Dirc Bouts of Stuerbout van Haarlem, in de Sint-Pieterskerk te Leuven.
[82]Studie over Rabelais door Albert Réville, Revue des Deux-Mondes van 15 Oktober 1872.
[82]Studie over Rabelais door Albert Réville, Revue des Deux-Mondes van 15 Oktober 1872.
[83]Stultitiae Laus, Opdragt aan Thomas Morus, en bij Abbing blz. 7 vg.
[83]Stultitiae Laus, Opdragt aan Thomas Morus, en bij Abbing blz. 7 vg.
[84]Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.—Plaatsen uit Holberg's "Iter Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg.
[84]Overzigt van Mandeville's "Grumbling Hive" bij Quack, Studien op sociaal gebied, 1877, blz. 26 vgg.—Plaatsen uit Holberg's "Iter Subterraneum" bij Abbing, Inleiding, bladz. VII vgg.
[85]"Superioribus diebes quum me ex Italia in Angliam reciperem cet." Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.—"Diversabor id temporis apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le Clerc, ook bij Abbing, blz. 165.
[85]"Superioribus diebes quum me ex Italia in Angliam reciperem cet." Opdragt der Stultitiae Laus aan Thomas Morus.—"Diversabor id temporis apud Morum meum, ex Italia reversus cet." Brief aan M. Dorpius bij Le Clerc, ook bij Abbing, blz. 165.
[86]Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz. 6.
[86]Opschrift van den gedenksteen, onlangs (4 September 1876) ter herinnering van Erasmus' promotie op 4 September 1506 in het akademiegebouw te Turin geplaatst, bij Wilhelm Vischer Erasmiana, bladz. 6.
[87]Facsimilé van Dürer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Dürer et ses dessins, 1882.
[87]Facsimilé van Dürer's teekening bij Charles Ephrussi, Albert Dürer et ses dessins, 1882.
[88]Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg.
[88]Hollandsche vertaling van 1780, bladz. 53 vg.
[89]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.—Ook bij Groen van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne, Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68.
[89]Brieven van Erasmus bij Le Clerc, No. 547, No. 583.—Ook bij Groen van Prinsterer, Handboek 5de Druk, bladz. 71 vg., en bij Wijnne, Geschiedenis van het Vaderland 1879, 5de Druk, bladz. 68.
[90]"Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631 vgg. Bij Drummond, II 142.—Zie ook de plaatsen in den brief van 1523 aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor heelen kon!"
[90]"Optarem esse Christi martyr, si vires ipse suppeditet; Lutheri martyr esse nolim." Uit de Spongia tegen Von Hutten bij Le Clerc, X 1631 vgg. Bij Drummond, II 142.—Zie ook de plaatsen in den brief van 1523 aan paus Adriaan VI, bij Le Clerc No. 649, waar Erasmus schrijft desnoods "ten koste van zijn leven" de zaak van Christus tegen Luther te willen bevorderen; en van de scheuring in de christenheid: Ik zou niet aarzelen mijn leven te laten, zoo ik de openbare krankheid daardoor heelen kon!"
[91]Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema, 1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg.
[91]Geschiedenis van het standbeeld van Erasmus, bij Jacobus Scheltema, 1817, Mengelwerk Ia 101 vgg., I 258 vg.
[92]Louvre-Muzeum, Salon Carré No. 201.—Gravure naar dit portret bij Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60.
[92]Louvre-Muzeum, Salon Carré No. 201.—Gravure naar dit portret bij Paul Mantz, Hans Holbein, bladz. 60.
[93]Érasme précurseur de l'abbé de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II 501 vgg.
[93]Érasme précurseur de l'abbé de Saint Pierre, bij Durand de Laur, II 501 vgg.
[94]Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg.
[94]Geschiedenis dier uitgaaf bij Drummond, I 307 vgg.
Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon, die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik den oorlog tusschen de Christenen."
Deze dialoog, waarin wezens uit de Grieksche fabelleer door Erasmus sprekend worden ingevoerd, is geheel geschoeid op de leest van een dialoog van den Griekschen schrijver Lucianus. De knorrige Charon, die de schimmen der dooden over de rivier de Styx naar hun eeuwig verblijf moest voeren, houdt een gesprek met een boozen Genius. Hun samenspraak is een scherpe satire op de heerschzucht en den twistlust der vorsten en machthebbers van dien tijd, die aangehitst door de intriges en 't winstbejag der priesters en monniken overal strijd en oorlog trachtten te verwekken. Erasmus zelf karakteriseert in zijn betoog "Het nut der Samenspraken," deze dialoog met de volgende woorden: "In Charon verfoei en vervloek ik den oorlog tusschen de Christenen."
CHARON: Wat heb jij een geweldige haast, Alastor?—ALASTOR: Dat is net goed dat ik je tref, Charon. Ik haastte me juist naar je toe.—CHARON: Wat voor nieuws is er?[1]—ALASTOR: Ik breng een bericht dat u en de koningin der onderwereld recht veel plezier zal doen.—CHARON: Nu, zeg dan op wat je komt brengen, ontlast je!—ALASTOR: De Schrikgodinnen hebben even behendig als gelukkig haar taak vervuld: alle deelen van de aarde hebben ze met helsche kwellingen bezocht, met tweespalt, oorlogen, rooverijen, pestziekten en wel in die mate dat ze zoo goed als kaal zijn, nu ze haar slangenlokken hebben verloren en beroofd van haar gif rondwandelen, zoekend of er nog ergens iets aan slangen en adders te vinden is, daar ze zoo glad zijn als een ei, geen haar meer op haar hoofd hebben en in haar borst geen werkzaam gif. Maak gij nu maar dat ge uw boot en uw riemen klaar hebt. Want daar zal weldra zóó'n menigte van schimmen aankomen, dat ik bang ben dat ge geen voldoende middelen zult hebben om ze over den stroom te zetten.—CHARON: Wat gij daar zegt was me niet ontgaan.—ALASTOR: Hoe was je dat dan te weten gekomen?—CHARON: De Faam had mij dat een paar dagen geleden al overgebracht.—ALASTOR: Daar haalt toch niets bij de vlugheid van die Godin! Maar waarom zit je hier zoo niets doende neer en hebt ge uw boot in den steek gelaten?—CHARON: Ja, dat brachten de omstandigheden zoo mee. Ik ben hierheen gekomen om me een stevige schuit te koopen. Want mijn boot die van ouderdom rot is en veel water doorlaat, zou voor dat werk niet voldoende zijn, wanneer werkelijk waar is, 't geen de Faam heeft verteld. Maar, had ik die Faam wel noodig? De omstandigheden dwongen me toch al. Want ik heb schipbreuk geleden.—ALASTOR: Ontegenzeggelijk ben je druipnat. Ik dacht dat je zóó uit 't bad kwam.—CHARON: Neen, dat niet; maar ik kom net uit de rivier de Styx zwemmen.—ALASTOR: En waar heb-je dan je schimmen gelaten?—CHARON: Die zwemmen met de kikkers rond.—ALASTOR: Maar wat heeft de Faam u verteld?—CHARON: Dat drie monarchiën in doodelijken haat op elkaar aangevallen zijn om elkander te verdelgen en dat er geen enkel deel van de Christenwereld is waar de oorlog niet woedt: want die met hun drieën sleepen de anderen mee om samen te vechten. Allen zijn ze zóó gezind dat niemand aan een ander wil toegeven. Inmiddels weet ik, dat noch de Denen, noch de Polen, noch de Schotten, noch zelfs ook Turkije zich rustig houdt: dat zij allerlei vreeslijke maatregelen nemen; dat overal de pest woedt, in Spanje, in Engeland, in Italië, in Frankrijk. Dat daarbij een nieuw verderf is opgekomen, uit meeningsverschil ontstaan, dat alle menschen zóó heeft bedorven, dat er nergens meer ware vriendschap bestaat; dat de eene broeder den anderen wantrouwt, dat er tweedracht heerscht tusschen man en vrouw. We willen er 't beste van hopen dat ook hieruit nog wel eens een heerlijke ellende voor 't menschdom zal voortkomen, wanneer van tong en pen de zaak tot handtastelijkheden overgaat.—ALASTOR: Nu, de Faam heeft u dat alles volmaakt naar waarheid verteld. Want ik zelf heb met mijn eigen oogen nog meer gezien, ik, die de onafscheidelijke gezel en helper der Schrikgodinnen ben, die verklaard hebben dat ze haar naam nooit meer verdiend hebben dan in dezen tijd.—CHARON: Toch bestaat er gevaar dat de een of andere godheid opstaat om plotseling tot vrede aan te manen. En de menschen zijn dikwijls zoo veranderlijk. Want naar ik hoor leeft daar in de bovenwereld een zekere Veelschrijver[2]die niet ophoudt met zijn pen zich tegen den oorlog te verzetten.—ALASTOR: Nu ja, maar dat doet hij al lang tevergeefs. Indertijd heeft hij geschreven: "Klacht van den Vrede, uitgeworpen en vertrapt bij alle volkeren." Nu heeft hij weer uitgegeven een "Grafschrift op den overleden Vrede." Maar daar zijn anderen die onze zaak evenzeer helpen als de Furiën zelf.—CHARON: Wie dan?—ALASTOR: Wel, dat zijn wezens met donkerkleurige en witte mantels, met aschgrauwe onderkleeren, vogels van diverse pluimage. Nooit wijken ze van de hoven der vorsten, zij druppelen in hunne ooren krijgslust in, drijven voornamen en menschen uit 't volk daartoe aan; in hunne bekende godsdienstige bijeenkomsten verkondigen ze dat de oorlog rechtvaardig, heilig en vroom is. En opdat ge u nog meer over de driestheid van die menschen zoudt verwonderen: ze verkondigen hetzelfde van beide zijden. Bij de Franschen roepen ze den volke toe: dat God aan den kant der Franschen staat en dathijniet kan overwonnen worden die God als beschermer heeft. Bij de Engelschen en de Spanjaarden: dat deze oorlog niet door den Keizer wordt gevoerd, maar door God zelf. Als ze zich maar dapper betoonen, dat dan ook de overwinning vaststaat. En als iemand soms sneuvelt, zoo iemand sterft niet, maar vliegt regelrecht ten hemel, zóó als hij stierf, met wapens en al.—CHARON: En gelooft men nu dat alles, wat ge daar vertelt?—ALASTOR: Wat vermag geveinsde godsdienst niet? Daarbij komen nog jeugd, gebrek aan ondervinding, eerzucht, verbolgenheid en een aangeboren neiging om dat, waartoe men geroepen wordt te volbrengen. Zulke menschen laten zich gemakkelijk verlokken en een wagen die op een hellend vlak in beweging is, heeft geen sterken stoot noodig.—CHARON: Nu, ik zou die wezens gaarne eens een pleziertje doen.—ALASTOR: Welnu, maak dan maar eens een prachtig feestmaal voor hen gereed. Ge kunt hen geen grooter plezier doen.—CHARON: Een diner van malven, boonen en prei? Want iets anders oogsten wij bij ons in de onderwereld niet, zooals ge weet.—ALASTOR: Neen waarachtig niet: van patrijzen, kapoenen en fazanten, ten minste wanneer ge een gastheer wilt zijn wien men dankbaar is.—CHARON: Maar wat drijft hen toch aan om den oorlog zoo dóór te drijven of wat nut oogsten ze daarvan?—ALASTOR: Omdat ze meer voordeel hebben van de dooden dan van de levenden. Dan komen de testamenten, begrafenismaaltijden, allerlei vrijdom en vele andere, niet te versmaden zoete winstjes. Kortom: ze willen liever in een legerkamp verkeeren dan in hunne kloostercellen. Een oorlog maakt velen tot bisschoppen, die in vredestijd geen cent waard waren.—CHARON: Verstandige menschen!—ALASTOR: Maar waarvoor heb je een schip noodig?—CHARON: O, noodig hebben zou ik 't niet, als ik graag eens wéér midden in de rivier schipbreuk wilde lijden.—ALASTOR: Door de menigte van dooden?—CHARON: Wel natuurlijk.—ALASTOR: Maar je vaart toch maar alleen schimmen over, geen lichamen. En wat hebben die schimmen een onbeteekenend gewicht!—CHARON: Laten ze zoo licht zijn als mugjes; de menigte muggen kan zóó groot zijn dat ze mijn boot zwaar maken. En, dan moet ge ook niet vergeten: mijn boot is ook maar de schim van een boot.—ALASTOR: Toch herinner ik me wel eens gezien te hebben dat, toen er eens een groote troep schimmen was om overgebracht te worden en uw boot ze niet allen kon bevatten, er dikwijls aan uw roer een drieduizend schimmen hingen terwijl gij er geen gewicht van bespeurdet.—CHARON: Ik geef toe dat er zulke schimmen zijn die langzamerhand uit het lichaam weken ten gevolge van tering of aanhoudende koorts. Maar de schimmen die plotseling uit een goed doorvoed, welgedaan lichaam worden losgerukt, die dragen nog veel van de lichaamszwaarte met zich mee. En beroerte, keelziekte en pest zenden mij zulke dingen toe, maar voornamelijk de oorlog.—ALASTOR: Ik geloof niet dat Franschen of Spanjaarden veel gewicht meebrengen.—CHARON: Veel minder dan de overigen maar met dat al zijn hunne schimmen toch ook niet altijd zoo licht als een veertje. Maar van de Engelschen, van de goed doorvoede Duitschers komen er nog al dikwijls die zóó zwaar zijn, dat ik nog onlangs, toen ik er tien welgeteld overbracht, gevaar liep schipbreuk te lijden en als ik er niet wat van overboord geworpen had, zou ik, met boot en matrozen en veergeld en al, omgekomen zijn.—ALASTOR: Geen gering verschil tusschen de ééne schim en de andere.—CHARON: En wat denk-je wel dat er gebeurt wanneer dikke gouverneurs, fanfarons en ijzervreters aankomen?—ALASTOR: Wel, als er één van dezen in een echten oorlog sneuvelt, dan komt er geen een bij u. Want naar men zegt vliegen dezen regelrecht ten hemel.—CHARON: Waar ze heen vliegen weet ik niet, maar dit alleen weet ik wèl dat, zoo dikwijls er oorlog is, er zóóveel gewonden en verminkten tot mij komen dat ik me verwonder, hoe er in de bovenwereld nog één enkele over kan zijn. En niet alleen komen ze tot mij met haarpijn en met vette hangbuiken, maar ook met bullen, met priesterambten en allerlei andere zaken.—ALASTOR: Maar dat alles brengen ze toch niet mee bij u; ze komen toch naakt hierheen?—CHARON: Daar heb je gelijk in. Maar die zoo pas aankomen, brengen toch de droombeelden van al dergelijke dingen mee.—ALASTOR: En maken die droombeelden hen dan nog zoo zwaar?—CHARON: Ze verzwaren mijn boot. Wat zeg ik: verzwaren? Ze doen haar haast zinken. En dan, denkt ge dat zooveel muntstukken[3]geen gewicht hebben?—ALASTOR: Nou, dat zou ik denken, als ze kopergeld meebrengen.—CHARON: Daarom ben ik dan ook van plan rond te zien naar een boot die sterk genoeg is voor zulke vrachtjes.—ALASTOR: Jij geluksvogel!—CHARON: Hoe dan? ALASTOR: Wel, omdat je eerstdaags schatrijk zult worden.—CHARON: Wegens de menigte van schimmen?—ALASTOR: Ja!—CHARON: Dàt zou het geval zijn als ze hun bezittingen meebrachten. Maar nu brengen zij die in mijn boot zitten te jammeren, dat ze in de bovenwereld hun vorstendommen, hun landvoogdijen, hun abdijen, hun schatten aan geld hebben moeten achterlaten, niets mee dan hun muntstukje voor 't veergeld. En zoo moet 't geen ik gedurende drieduizend jaren bijeengegaard heb, door mij worden uitgegeven voor een schuit.—ALASTOR: Je moet een spierinkje uitwerpen om een kabeljauw te vangen.—CHARON: De menschen drijven tegenwoordig vrij wat voorspoediger handel, daar zij, wanneer Mercurius hen wat begunstigt, binnen drie jaren rijk worden.—ALASTOR: Ja, maar ze gaan ook vaak failliet. Uw winst is kleiner, maar ook zekerder.—CHARON: Ik weet niet waarom ge zoo zegt: zekerder. Als er nu eens een godheid opstond om de zaak tusschen de vorsten bij te leggen, dan was mijn heele buitenkansje naar de maan.—ALASTOR: Nu, ik geloof dat je, wat dit betreft, heel gerust op beide ooren kunt slapen. In tien jaren tijds behoeft men niet voor een vrede bang te wezen. Alleen de paus zet ijverig tot vrede aan; maar ... 't is boter aan de galg gesmeerd. De burgers in de landen klagen steen en been over al de rampen; sommige menschen fluisteren wel zachtjes tegen elkaar, terwijl ze beweren dat 't onbillijk is hoe wegens persoonlijken wrok of eerzucht van twee of drie menschen alles op de wereld 't onderst boven wordt gekeerd: maar, geloof me, de rechtvaardige plannen van de Schrikgodinnen zullen 't winnen. Maar waarom vondt ge het noodig om ter wille van een nieuw schip naar de bovenwereld te gaan? Zijn er dan bij ons in de onderwereld geen handwerklieden? We hebben toch Vulcanus.—CHARON: Heel mooi, wanneer ik een metalen schip noodig had.—ALASTOR: Voor een kleinigheid zou men er een timmerman kunnen ontbieden.—CHARON: Jawel, maar 't ontbreekt ons aan timmerhout.—ALASTOR: Wat zeg je? Zijn in de onderwereld dan geen bosschen meer?—CHARON: Zelfs de lieflijke bosschen uit de Elyseesche velden zijn opgebruikt.—ALASTOR: Waarvoor?—CHARON: Voor het verbranden van de schimmen van ketters. Zelfs zóó, dat we onlangs gedwongen zijn uit 's aardrijks ingewand kolen op te graven.—ALASTOR: Wat? Kunnen die schimmen niet op min kostbare wijze worden gestraft?—CHARON: 't Is Rhadamanthus die aldus besloot.—ALASTOR: En als je nu een boot gekocht hebt, hoe kom je dan aan de riemen?—CHARON: Mijn taak is 't het roer te hanteeren: de schimmen moeten roeien als ze den Styx over willen.—ALASTOR: Maar er zijn er toch ook die niet geleerd hebben te roeien.—CHARON: Bij mij bestaat voor niemand een uitzondering. Roeien moeten alleenheerschers, roeien moeten ook kardinalen op hun beurt, of ze 't geleerd hebben al dan niet.—ALASTOR: Nu ik hoop dat ge onder bescherming van Mercurius een goeden koop van een boot moogt sluiten. Ik zal je niet langer ophouden. Aan de onderwereld ga ik een blijde boodschap brengen. Maar Charon, hoor nog eens even!—CHARON: Nu wat is er?—ALASTOR: Maak dat je wat gauw terug komt, opdat je niet door de menigte van schimmen overstelpt wordt.—CHARON: Ja, je zult er al meer dan tweehonderdduizend op den oever van de rivier aantreffen, behalve die, welke al in 't water rond zwemmen. Maar 'k zal me haasten zooveel ik kan. Zeg hun intusschen dat ik er spoedig zal wezen.
[1]Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning van Frankrijk.
[1]Erasmus schreef dit ongeveer in den tijd toen keizer Karel V met Hendrik VIII, koning van Engeland, oorlog voerde tegen Frans I, koning van Frankrijk.
[2]Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer plaatsen in zijn geschriften doet.
[2]Hiermee duidt Erasmus zich zelven aan, zooals hij dat op meer plaatsen in zijn geschriften doet.
[3]Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven.
[3]Als veergeld werd den dooden een koperstukje in den mond gegeven.
Erasmus was een goed kenner der vrouwen. In onderstaand gesprek toont hij te weten, hoe de vrouwen in zijn tijd soms hunne echtgenooten behandelden; óók, hoe die verhouding bij anderen veel beter was. De practische levenswijsheid doet hier menig verstandig voorschrift aan de hand, dat in zijn tijd zeker vaak nut zal hebben gesticht, en waarvoor (al zijn de tijden gelukkig in vele opzichten veranderd) onze eeuw ook nog wel eens de ooren mag openen. "Tracht, o! vrouwen, door zachtheid, wijsheid, beleid, niet door vinnigheid en boosheid uw mannen te verbeteren," dat is de leer hier door Erasmus verkondigd. Een blik wordt hier gegeven in 't burgerlijke leven dier dagen met zijn ruwe zeden en gewoonten, eigenaardig zeker in vergelijking met die van onzen tijd.
Erasmus was een goed kenner der vrouwen. In onderstaand gesprek toont hij te weten, hoe de vrouwen in zijn tijd soms hunne echtgenooten behandelden; óók, hoe die verhouding bij anderen veel beter was. De practische levenswijsheid doet hier menig verstandig voorschrift aan de hand, dat in zijn tijd zeker vaak nut zal hebben gesticht, en waarvoor (al zijn de tijden gelukkig in vele opzichten veranderd) onze eeuw ook nog wel eens de ooren mag openen. "Tracht, o! vrouwen, door zachtheid, wijsheid, beleid, niet door vinnigheid en boosheid uw mannen te verbeteren," dat is de leer hier door Erasmus verkondigd. Een blik wordt hier gegeven in 't burgerlijke leven dier dagen met zijn ruwe zeden en gewoonten, eigenaardig zeker in vergelijking met die van onzen tijd.
EULALIE: Hartelijk gegroet, Xantippe: ik ben heel blij dat ik je zie.—XANTIPPE: Net hetzelfde, lieve Eulalie. Je bent veel mooier dan gewoonlijk!—EULALIE: Begin je nu met mij met grapjes?—XANTIPPE: Neen werkelijk niet: maar ik meen het heusch.—EULALIE: Misschien dat mijn nieuwe japon mijn vormen wat beter doen uitkomen?—XANTIPPE: Dat kan wel wezen, 'k Heb in langen tijd zoo iets beelderigs niet gezien. Mij dunkt 't is Engelsche stof.—EULALIE: Ja 't is Engelsche wol en Venetiaansche kleur.—XANTIPPE:—'t Is zachter dan batist. Maar wat een echt mooie purperkleur. Waar heb je dat van daan gekregen?—EULALIE: Van wie moeten eerbare vrouwen 't krijgen anders dan van hare mannen?—XANTIPPE: Gelukskind, als je zoo'n man hebt! 'k Wou liever dat ik een nul getrouwd had, toen ik mijn Nicolaas huwde.—EULALIE: Alsjeblieft, wat zeg je daar? Is er al zóó gauw een slechte verhouding tusschen jelui?—XANTIPPE: Daar zal ook nooit een goede verhouding tusschen ons komen. Je ziet hoe haveloos ik er uitzie. Zóó laat hij zijn vrouw loopen. 'k Mag doodvallen als ik me niet vaak schaam zóó op straat te komen, wanneer ik zie hoe netjes anderen gekleed zijn die met veel armer mannen getrouwd zijn.—EULALIE: Het sieraad van een getrouwde vrouw zit niet in haar kleeding of in anderen tooi van 't lichaam, zooals de Apostel Petrus leert, maar in een kuischen en ingetogen aard en in de goede geesteseigenschappen. Dat heb ik dikwijls in de kerk gehoord. Lichtekooien sieren zich voor den blik van velen. Wij zijn mooi genoeg als we maar aan één man mogen behagen.—XANTIPPE: Maar intusschen brengt die goede man van mij, die zoo karig is tegenover zijn vrouw, den tamelijk rijken bruidschat dien ik hem meebracht, aardig door.—EULALIE: Waarmee?—XANTIPPE: Met dingen waarin hij plezier heeft: met wijntje en Trijntje en dobbelen.—EULALIE: 't Is zonde!—XANTIPPE: Maar 't is werkelijk zoo. En als hij dan dronken, diep in den nacht thuis komt, waar ik hem lang heb zitten wachten, dan snurkt hij den geheelen nacht, braakt soms het bed vol, om van de rest maar niet te spreken.—EULALIE: Zoo mag je niet spreken; je doet je zelf schande aan, wanneer je je man de kroon van het hoofd haalt.—XANTIPPE: 'k Mag sterven wanneer ik niet liever een pad bij me heb, dan zóó'n man.—EULALIE: En wacht je hem dan niet op met een flink standje?—XANTIPPE: Zooals hij verdient. Hij merkt dat ik niet stom ben.—EULALIE: En wat bracht hij daartegen in?—XANTIPPE: In 't eerst schreeuwde hij woest, omdat hij dacht dat hij me met groote woorden op de vlucht zou jagen.—EULALIE: En is het van woorden nooit tot handtastelijkheden gekomen?—XANTIPPE: Als ik het goed naga dan is de strijd éénmaal zóó hoog geloopen, dat 't heel weinig scheelde of 't liep op vechten uit.—EULALIE: Wat moet ik hooren?—XANTIPPE: Hij zwaaide met een knuppel onder woest geschreeuw en vreeselijke dreigementen.—EULALIE: Was je toen niet bang?—XANTIPPE: Neen, zeker niet! Ik van mijn kant greep een klein bankje, en als hij me met een vinger aangeraakt had, zou hij gemerkt hebben dat ik ook handen aan mijn lijf heb.—EULALIE: Dat is een nieuw soort van schild. Daarbij ontbrak nog maar de stok van 't spinnewiel als lans.—XANTIPPE: Hij zou gevoeld hebben dat hij met een manwijf te doen had.—EULALIE: Neen Xantippe, dat gaat toch zoo niet.—XANTIPPE: Wat gaat niet? Als hij mij niet als zijn vrouw behandelt, ben ik ook niet van plan hem als mijn man te beschouwen.—EULALIE: Maar de Apostel Paulus leert toch dat de vrouwen haar mannen met allen eerbied onderdanig moeten zijn. En Petrus houdt ons het voorbeeld van Sarah voor oogen, die haar man Abraham "heer" noemde.—XANTIPPE: Ja, dat heb ik ook wel gehoord. Maar diezelfde Paulus leert ook, dat de mannen hunne vrouwen moeten liefhebben, evenals Christus Zijn bruid, de Kerk, heeft liefgehad. Laathijdenken aanzijnplicht, dan zalikook aan denmijnedenken.—EULALIE: Maar als 't nu eenmaal in dit stadium is gekomen dat er één voor een ander moet wijken, dan is 't toch ook niet meer dan billijk dat de vrouw toegeeft aan haar echtgenoot.—XANTIPPE: Alshijtenminste werkelijk echtgenoot mag heeten, die mij beschouwt als zijn dienstmeid.—EULALIE: Maar zeg eens, Xantippe, is je man later opgehouden te dreigen met klappen?—XANTIPPE: Ja, en dat is maar goed ook, want hij zou slaag gehad hebben.—EULALIE: Maar ben jij toen ook niet opgehouden met kijven?—XANTIPPE: Neen en ik ben ook niet van plan er mee op te houden.—EULALIE: En wat doet hij dan onderwijl?—XANTIPPE: Wat? Nu, soms slaapt hij eens en droomt als een mensch; soms doet hij niets dan lachen; dikwijls grijpt hij een muziekinstrument, waarop nog maar drie snaren zitten en terwijl hij daarop tokkelt zoo hard hij kan, tracht hij mijn woorden te overstemmen.—EULALIE: En dat hindert je dan toch zeker?—XANTIPPE: Meer dan ik je zeggen kan. Soms kan ik mijn handen maar met moeite thuis houden.—EULALIE: Lieve Xantippe. Permitteer je me dat ik eens heel vrijuit met je spreek?—XANTIPPE: Zeker.—EULALIE: Jij moogt dat dan over mij ook doen. De omgang dien wij bijkans van de wieg af met elkaar gehad hebben, brengt dat mee.—XANTIPPE: Je hebt gelijk; geen van mijn vriendinnen had ik ooit meer lief.—EULALIE: Hoe je man ook moge wezen, bedenk dit: je hebt niet het recht om te veranderen. Vroeger was bij onherstelbare tweespalt de echtscheiding een uiterste redmiddel. Dat is nu uit. Tot aan den laatsten levensdag moet een echtgenoot ook je man blijven, en gij de vrouw van uw man.—XANTIPPE: Ik wou dat God de menschen strafte die ons 't recht om te scheiden hebben afgenomen.—EULALIE: Spreek niet zoo, Christus heeft 't zoo ingesteld.—XANTIPPE: Dat kan ik haast niet gelooven.—EULALIE: 't Is toch zoo. Nu schiet er niets anders over dan dat gij beiden u op eendracht toelegt, door u te schikken naar elkanders karakter en aard.—XANTIPPE: Maar hoe kan ik mijn man veranderen?—EULALIE: 't Hangt heel veel van de vrouwen af, hoe de mannen zijn.—XANTIPPE: Benjijdan goed met jouw man?—EULALIE: Nu is alles in orde.—XANTIPPE: Dus was er in den beginne ook wel onraad?—EULALIE: Nooit stormde het. Maar toch waren er, zooals dat onder menschen wel meer gaat, eenige wolkjes aan den horizon, wolkjes die een storm hadden kunnen verwekken, wanneer dat niet door kalm overleg was voorkomen. Ieder heeft zoo zijn eigenaardigheden, ieder heeft zoo zijn ideeën, en als we de waarheid willen zeggen: ieder heeft ook zijn eigen gebreken. En zoo ooit of ergens dan moet men die in het huwelijk kennen en niet verafschuwen.—XANTIPPE: Wat je daar zegt is waar.—EULALIE: Maar nu gebeurt het heel vaak, dat de welwillendheid over en weer tusschen man en vrouw reeds zoek is, vóórdat ze elkander eigenlijk goed kennen. En daarvoor moet men in de allereerste plaats oppassen. Immers als er éénmaal een wrok is ontstaan, dan komt dat heel moeilijk weer in orde, vooral wanneer 't eenmaal tot harde woorden gekomen is. Pas gelijmde stukken vallen licht van elkander wanneer men er hard tegen stoot, maar wanneer ze eenmaal flink aan elkander vast zitten, als de lijm gedroogd en hard is, dan is er niets stevigers denkbaar. Daarom moet het in den aanvang daarop worden aangelegd, dat de vriendelijke gezindheid tusschen man en vrouw samengroeie en bevestigd worde. En dat kan 't best geschieden door elkander te dienen en zich aan elkanders eigenaardigheden aan te passen. Want een welwillendheid, die alleen maar voor den vorm wordt aangenomen, is doorgaans van voorbijgaanden aard.—XANTIPPE: Maar vertel me dan toch alsjeblieft door welke middelen jij je man tot jouw eigenaardigheden hebt weten te brengen.—EULALIE: 'k Wil 't je wèl vertellen, maar alleen op voorwaarde dat je tracht 't na te doen.—XANTIPPE: Als ik kan.—EULALIE: Dat zal heel licht gaan als de goede wil er maar is. 't Is nog niet te laat. Want hij is nog jong en jij bent nog haast een meisje. 'k Geloof dat er nog geen jaar sedert je getrouwd bent, verloopen is.—XANTIPPE: Dat 's waar.—EULALIE: Nu dan zal ik 't je vertellen, maar: mondje dicht!—XANTIPPE: Goed.—EULALIE: Mijn allereerste zorg was: om in alles mijn man ter wille te wezen, zoodat er niets was, waaraan hij aanstoot kon nemen. Ik ging nauwkeurig zijn lusten en liefhebberijen na, lette goed op alle tijden en gelegenheden en wat hij bijzonder graag had, óók, wat hem kon prikkelen, net zooals leeuwen- en olifanten-temmers doen met dergelijke dieren die men niet met geweld kan behandelen.—XANTIPPE: Zoo'n beest heb ik thuis.—EULALIE: Menschen die bij olifanten komen doen geen witte jas aan: bij stieren geen roode; omdat men bij ondervinding weet dat die kleuren de dieren woest maken. Zoo worden bijv. tijgers door bekkenslagen zóó wild, dat ze elkander verscheuren. En menschen die met paarden omgaan, hebben hun gewone woordjes, hun geluiden met de tong, 't streelen met de hand en allerlei andere gebaren en geluiden waarmee ze schichtige paarden kalmeeren. Hoeveel te meer moeten wij dan ook die middelen toepassen op onze echtgenooten met wie wij, of we willen of niet, ons geheele leven dóór, huis en bed moeten deelen.—XANTIPPE: Nu, ga door, je bent zoo mooi begonnen.—EULALIE: Dat in 't oog houdend trachtte ik mij naar hem te voegen, terwijl ik zooveel mogelijk oppaste dat er geen reden tot aanstoot gegeven werd.—XANTIPPE: Hoe kon je dat?—EULALIE: In de allereerste plaats door goed te zorgen voor 't huishouden, de eerste en voornaamste taak van een huisvrouw. Ik waakte er niet alleen voor dat er niets werd verzuimd, maar ook dat alles naar zijn zin uitkwam, zelfs in de kleinste zaken.—XANTIPPE: Welke bijvoorbeeld?—EULALIE: Bijv. wanneer je man van dit of van dat kostje veel houdt, als een gerecht op deze of die manier klaargemaakt hem bijzonder bevalt, als zijn bed op een bijzondere manier wordt opgemaakt.—XANTIPPE: Maar hoe was je in staat je naar hem te voegen als hij zoo zelden thuis en dan nog dronken was?—EULALIE: Geduld! Dat wilde ik juist gaan vertellen. Als mijn man soms eens wat somber scheen en de gelegenheid minder gunstig was om hem aan te spreken, dan lachte of schertste ik nooit, zooals sommige vrouwen wel eens doen; maar ik zette zelf ook een erg bedroefd en bekommerd gezicht. Gelijk een spiegel, als hij goed is, altijd 't gezicht van hem die er in kijkt juist weergeeft, zoo moet ook de huisvrouw zich weten te voegen naar de gemoedsstemming van haar man. Ze moet niet vroolijk zijn, wanneer hij somber gestemd is of zich niet blij toonen wanneer er iets is wat hem hindert. En wanneer hij dan eens wat opgewonden was, trachtte ik hem met zachte woordjes te kalmeeren, of ik liet zijn boosheid maar stilletjes bekoelen tot de gelegenheid zich aanbood 't zij voor hem om zijn boosheid kwijt te raken, 't zij voor mij om hem eens onder handen te nemen. 't Zelfde placht ik te doen wanneer hij thuis kwam, na wat meer wijn gedronken te hebben dan wel dienstig was. Dan zei ik niet anders dan vriendelijke woordjes tot hem, alleen met een zoet lijntje wist ik hem naar zijn bed te krijgen.—XANTIPPE: Je moet me toch toegeven dat de positie van de vrouwen heel ongelukkig is, dat ze maar moeten gehoorzamen aan driftige, dronken echtgenooten, die alles doen wat ze willen.—EULALIE: Alsof die volgzaamheid niet wederkeerig was! Zij zien zich toch ook genoodzaakt veel van ónze eigenaardigheden te verdragen. Er komt evenwel een tijd wanneer de vrouw de man moet waarschuwen, wanneer er iets van belang voorvalt. Bij zaken van minder gewicht is 't beter wat door de vingers te zien.—XANTIPPE: Wat dan?—EULALIE: Wanneer hij niet over iets tobt, geen muizenissen in 't hoofd heeft, geen reden tot bekommering heeft, niet gedronken heeft. Dan kan men hem onder vier oogen eens kapittelen, of liever vragen of hij hierin of daarin niet wat meer zorg kon hebben voor zijn zaken, voor zijn goeden naam, voor zijn gezondheid. En dan moet toch ook nog die waarschuwing met wat grapjes en aardigheden gekruid worden. Dikwijls stel ik vooraf als voorwaarde, dat hij niet boos op me mag worden, wanneer ik, dwaze vrouw, hem een raad geef die kan strekken tot zijn eer, tot zijn gezondheid, tot zijn heil. En als ik hem dan de waarschuwing had gegeven die ik bedoelde, dan sneed ik hem de woorden af en wendde 't over een anderen, joligen boeg. Want dit is over 't algemeen onze fout, lieve Xantippe, dat wij er geen eind aan kunnen maken als we eenmaal begonnen zijn te spreken.—XANTIPPE: Ja, dat beweren ze wel meer.—EULALIE: Maar in de allereerste plaats paste ik er op, met mijn man nooit in tegenwoordigheid van derden te kibbelen en niets van onze oneenigheid buiten de deur te brengen. Een breuk wordt veel gemakkelijker hersteld, als er iets tusschen twee personen is voorgevallen. En wanneer er eens iets gebeurt zóó dat 't onverdragelijk is en niet door vermaningen van de vrouw kan worden goedgemaakt, dan is 't passender dat de echtgenoote met haar klacht aankomt bij de ouders van haar man of bij diens bloedverwanten, dan bij haar eigen familie en haar klacht zóó matigt dat ze niet den schijn op zich laadt haar man te haten, maar wèl diens fouten. Maar toch moet ze ook weer niet alles vertellen, zoodat hij dit opmerkt (ook al zegt hij het niet) en dan de vriendelijkheid van zijn vrouw zal moeten waardeeren.—XANTIPPE: De vrouw die dat alles wat gij verlangt kan doen, moet wel wijsgeerig aangelegd zijn.—EULALIE: Door zulke tegemoetkomingen zullen we onze mannen tot gelijke welwillendheid prikkelen.—XANTIPPE: Er zijn er die men door geen vriendelijkheid, welke ook, verbetert.—EULALIE: Nu, ik geloof dat niet. Maar gesteld eens dat 't zoo was. Bedenk dan dit in de eerste plaats: we moeten onze echtgenooten nemen zooals ze zijn. Het verdient dan toch nog maar de voorkeur iemand te verdragen, die aanvankelijk een zwijn gelijkt, maar langzamerhand wat beter wordt, dan iemand die met den dag liederlijker wordt, omdat wij onaangenaam tegen hem zijn. Wat zou je er van zeggen wanneer ik eens voorbeelden aanhaalde van echtgenooten, die door zoo'n vriendelijke bejegening hunne vrouwen hebben verbeterd? Hoeveel te meer moeten wij dan 't zelfde doen tegenover onze mannen?—XANTIPPE: Als je dat doet, dan zul je een voorbeeld aanhalen geheel anders danmijnman is.—EULALIE: Ik heb kennis aan een heer van adel, geleerd, een man van een allerbeminnelijkst karakter. Hij had een jong vrouwtje getrouwd, zeventien jaar oud, altijd op 't land, in 't huis van haar ouders opgevoed, zooals adellijke heeren graag op 't land wonen om de jacht en de vogelvangst. Hij wilde juist graag een ongevormd en onontwikkeld meisje huwen om haar des te meer naar zijn zin te kunnen zetten. Hij begon haar in letterkunde en muziek te onderrichten en haar langzamerhand te gewennen hem 't geen zij in de kerk had gehoord te vertellen. Hij begon haar door allerlei wetenswaardigheden te ontwikkelen, die haar later van nut zouden kunnen zijn. Daar dit alles voor 't jonge ding vreemd was, omdat ze bij zich thuis was opgevoed bij nietsdoen en bij de conversatie en scherts van de dienstboden, begon haar dit te vervelen. Ze wilde zich tegenover haar man niet volgzaam toonen en als hij daarop aandrong dan huilde en pruilde zij zonder ophouden. Dikwijls wierp ze zich op den grond, met haar hoofd op den vloer bonzend alsof zij wenschte dood te zijn. Toen daaraan geen eind wilde komen, kwam haar echtgenoot, die deed nèt alsof hij volstrekt niet boos was, met de uitnoodiging dat ze samen voor plezier naar buiten zouden gaan, naar 't huis van zijn schoonvader. Nu, daar had zijn vrouw wel ooren naar. Toen ze daar waren aangekomen werd de jonge vrouw door haar man bij haar moeder en haar zusters gelaten. Hij ging met zijn schoonvader op de jacht. Onder vier oogen vertelt hij nu aan dezen dat hij gehoopt had een gezellige levensgezellin te krijgen, maar dat hij er een gekregen had die niets deed dan huilen en zich kwellen en martelen, zonder dat er (op welke manier ook) eenige verbetering aan te brengen was. Dat hij hem dus vriendelijk verzocht een handje te willen helpen in 't genezen van dat, wat werkelijk een ziekte was bij zijn dochter. De schoonvader antwoordt hem dat hij hem eenmaal zijn dochter heeft [png. 086]afgestaan en wanneer zij niet naar zijn woorden wil hooren, dat hij dan maar van zijn recht gebruik moet maken en haar met de karwats moet zien te verbeteren. Toen zei de schoonzoon weer, dat hij wel wist daartoe 't recht te hebben. "Maar," zei hij, "ik zou ze liever door uw overredingskracht of door uw invloed willen genezen, dan dat ik tot 't uiterste middel overga." De schoonvader belooft nu dat hij zijn maatregelen zal nemen. Na een paar dagen grijpt hij de gelegenheid aan toen hij met zijn dochter alleen is. Terwijl hij zijn gelaat in een ernstige plooi zette, begon hij er haar op te wijzen dat ze volstrekt niet mooi was, maar óók: wat een weinig beminnelijk karakter zij getoond had en hoe vaak hij gevreesd had dat ze geen man voor haar zouden kunnen vinden. "Met de grootste moeite heb ik eindelijk een man voor je gevonden, zooals ieder meisje, zelfs één dat in de meest gunstige omstandigheden verkeert, voor zich zou kunnen wenschen. En toch verzet jij je tegen hem, zonder dankbaar te erkennen wat ik voor je gedaan heb en zonder te willen inzien, dat je een man bezit die, als hij niet bovenmate vriendelijk was, je niet waard zou achten tot zijn dienstpersoneel te behooren." Om kort te gaan, uit de woorden van den vader sprak zóó de gloeiende toorn, dat 't er heel veel van had of hij slechts met moeite zijn handen kon bedwingen. Hij is een man van groote slimheid, die elke rol kan spelen, zelfs die geheel buiten zijn eigen persoon ligt. De jonge vrouw, die bang werd, maar die zich toch ook wel bewust was dat haar vader waarheid sprak, viel hem te voet en smeekte hem 't verleden te vergeten, dat ze voortaan zou weten te doen wat haar plicht was. Haar vader schonk haar vergiffenis en beloofde in 't vervolg ook een liefhebbend vader te zullen wezen, als zij maar deed wat ze beloofd had.—XANTIPPE: En verder?—EULALIE: De jonge vrouw gaat nà 't gesprek met haar vader naar haar kamer, waar ze haar man alleen aantreft. Ze valt hem te voet en zei: "Lieve man, tot nog toe heb ik noch u, noch mijzelve gekend. In 't vervolg zal-je zien dat ik anders geworden ben: vergeet 't vroeger gebeurde." Haar man ving die woorden op in een kus en beloofde haar alles wat ze maar wilde, zoo ze bij dat goede voornemen bleef.—XANTIPPE: Nu, en is ze er bij gebleven?—EULALIE: Tot aan haar laatste uur en er was niets zoo nederig of laag dat ze niet gewillig en volgaarne op zich nam, wanneer haar man het verlangde. Zulk een groote genegenheid ontstond er tusschen hen en zoo werd meer en meer de liefde tusschen hen bevestigd. Na eenige jaren wenschte zij zich dubbel en dwars geluk dat ze zoo'n uitstekend echtgenoot had mogen huwen. "Als ik dien niet gekregen had, zou ik de ongelukkigste vrouw ter wereld zijn geweest."—XANTIPPE: Maar zóó'n man is dan ook een witte raaf.—EULALIE: Wanneer je er niets tegen hebt dan wil ik je ook nog een voorbeeld aanhalen, omgekeerd, van een echtgenoot die door den tact van zijn vrouw in het rechte spoor werd gebracht, wat onlangs in deze stad hier is gebeurd.—XANTIPPE: 'k Heb op 't oogenblik niets beters te doen en ik zit zoo gezellig naar je gebabbel te luisteren.—EULALIE: Daar was een heer van hoogen adel die, zooals dat onder dat slag van menschen gewoonte is, veel aan de jacht deed. Op 't platte land trof hij een meisje aan, de dochter van een arm vrouwtje en ofschoon hij op wat gevorderden leeftijd was, werd hij smoorlijk op 't kind verliefd. Terwille van haar bracht hij vaak den nacht buiten de echtelijke woning door. De jacht was altijd een welkom voorwendsel. Zijn echtgenoote, een vrouw op wie niet 't minste te zeggen viel en van onkreukbare rechtschapenheid, kreeg eenigen argwaan en ging in 't geheim de wegen van haar man eens na. Toen hij op een keer ergens heen was gereisd ging zij naar 't huisje op 't land. Ze vischte de heele zaak uit, waar hij sliep, waaruit hij dronk, hoe 't servies was enz. enz. Huisraad was er zoo goed als niet: 't was er armoe troef. De dame ging heen en keerde weldra terug, terwijl ze een gemakkelijk bed meebracht en keukengerei, zelfs eenig zilveren vaatwerk. Ook voegde zij er nog wat geld aan toe, met de nadrukkelijke boodschap dat, als de mijnheer weer terug kwam, zij hem wat netter moest ontvangen. Zij liet intusschen volstrekt niet merken dat zij zijn vrouw was, maar gaf voor zijn zuster te zijn. Na eenige dagen komt die echtgenoot daar heimelijk weer terug. Hij ziet dat 't huisraad vermeerderd is en dat 't onthaal ruimer is dan gewoonlijk. Hij vraagt van waar die ongewone weelde komt. Zij zeggen dat een deftige dame die aan hem verwant is, dit alles heeft laten brengen en hun heeft opgedragen hem voortaan wat deftiger te ontvangen. Onmiddellijk komt 't vermoeden bij hem op, dat 't zijn vrouw is die dit heeft gedaan. Hij gaat naar huis en vraagt of zij 't geweest is. Zij zegt niet neen. Hij vroeg nu ook, met welke bedoeling zij dat huisraad daarheen had gezonden. "Wel manlief," zei ze, "je bent gewoon aan een zekere mate van comfort. Ik zag dat je daar minder netjes dan je 't gewoon bent, wordt ontvangen. Nu meende ik dat 't mijn plicht was te zorgen dat je 't daar wat beter kreegt, omdat ik weet dat je daarop gesteld bent."—XANTIPPE: Nu die dame is wel wat altegoed. Ik zou liever in plaats van een zacht bed een bundel brandnetels of spinaziezaad onder hem gestrooid hebben.—EULALIE: Hoor nu hoe het afliep. Toen de man die rechtschapenheid van zijn vrouw had leeren kennen en tevens haar vriendelijkheid, is hij nooit meer naar zijn bijzit gegaan, maar vond zijn genoegen bij zijn eigen vrouw. Ik meen te weten dat je Gilbert uit Holland wel kent?—XANTIPPE: Ja zeker.—EULALIE: Hij is getrouwd zooals je weet, ofschoon hij nog jong en krachtig is, met een vrouw van wat meer gevorderden leeftijd, al zoo'n beetje "op haar retour."—XANTIPPE: Hij heeft haar misschien getrouwd "om het gelletje, niet om het velletje" zooals ze dat noemen.—EULALIE: Je kon wel eens gelijk hebben. Hij had niet veel schik in zijn vrouw en hield veel van een ander vrouwtje dat hij zoo af en toe wel eens buitenshuis zag. Zelden gebruikte hij 't ontbijt of het middagmaal thuis. Wat zoujijin dat geval doen?—XANTIPPE: Watikzou doen? Ik zou dat liefje in de haren vliegen en wanneer mijn man uitging naar haar toe, hem een pot met water over zijn lijf gooien, dat hij goed gezalfd naar zijn feestmaal zou stappen.—EULALIE: Wat deed die andere dan toch veel verstandiger! Zij noodde 't liefje van haar man uit, om bij hem thuis te komen en ontving haar vriendelijk. Zoo hield ze haar man ook zonder tooverdranken bij zich thuis. En als hij soms eens buitenshuis met haar at, dan zond ze daar een lekkeren schotel heen met de boodschap er bij, dat ze 't er maar eens lekkertjes van moesten nemen.—XANTIPPE: Nu,ikzou liever dood gaan dan mijn mans koppelaarster te wezen.—EULALIE: Maar ga nu intusschen de zaak eens goed na. Was dit niet heel wat beter, dan wanneer zij door een kwaadaardig optreden haar man geheel en al van zich had vervreemd en verder haar geheele leven in twist en onmin had moeten doorbrengen?—XANTIPPE: Ik moet toegeven dat er nu minder kwaad is gesticht. Maarikzou het niet kunnen.—EULALIE: 'k Zal er nog één voorbeeld aan toevoegen en dan houd ik op. Onze buurman van hiernaast is een braaf en rechtschapen man, maar hij is een beetje opvliegend. Op een goeden dag had hij zijn vrouw, iemand die algemeen als lief en aardig bekend staat, geslagen. Zij ging in de achterkamer en onder tranen en snikken verkropte zij daar haar harteleed. Een poosje daarna komt toevallig haar man ook in die kamer en vindt er zijn vrouw in tranen. "Wat zit je hier te huilen en te snikken, net als kleine kinderen doen?" Zij vroeg hem voorzichtig: "Nu, is het niet beter dat ik hier mijn leed beween, dan dat ik op straat ga staan schreeuwen, zooals andere vrouwen wel doen?" Door deze zoo echt vrouwelijke en innige woorden brak zij den toorn van haar man en hij gaf zich gewonnen. Bij handslag beloofde hij zijn vrouw, dat hij nooit weer de hand aan haar zou slaan—en, hij heeft 't ook nooit weer gedaan.—XANTIPPE: Ik heb 't zelfde van mijn man op een andere manier gedaan gekregen.—EULALIE: Maar intusschen is het tusschen jelui beiden altijd vechten.—XANTIPPE: Wat zou je dan willen dat ik deed?—EULALIE: Vooreerst, zwijgen over alles wat je man verkeerd doet en zijn liefde langzamerhand winnen door voorkomendheid, vriendelijkheid en toegevendheid. Dan zul je hem eindelijk wel gewillig zien of tenminste zul-je hem thuis veel meer naar je hand gezet hebben dan hij nu is.—XANTIPPE: Hij is veel te heftig van aard dan dat ik hem zou kalmeeren door voorkomendheid.—EULALIE: Zeg dat niet! Daar is zelfs geen wild beest zóó woest of 't is door zachtheid te temmen. Daar behoef je dus bij een mensch nog minder aan te wanhopen. Probeer 't eens enkele maanden. Je mag 'tmijwijten, als je bemerkt dat deze raad je niet gebaat heeft. Verder zijn er enkele gebreken die je een beetje door de vingers moet zien. In de allereerste plaats moet je er voor oppassen geen twist in je slaapkamer of in je bed te verwekken. Je moet daarentegen zorgen dat 't daar altijd opgewekt en prettig is. Een vrouw moet er altijd voor zorgen dat haar man aan niets aanstoot kan nemen; zij moet er haar uiterste best voor doen als ze met haar man samen is, zich op alle manieren vriendelijk en opgewekt te toonen.—XANTIPPE: Ja, voor een man, maarikheb met eenbeestte doen.—EULALIE: Houd nu op met kwaadspreken. Over 't algemeen zijn de mannen door ónze schuld slecht voor ons. Maar om tot ons onderwerp terug te keeren. Zij die thuis zijn in de oude verhalen der dichters, vertellen ons dat Venus (zoo noemen zij de godin die het huwelijk beschermt) een gordel heeft, door de kunstvaardige hand van Vulcanus bewerkt. Daarin moet alles gewerkt zijn wat kan dienen om liefde te wekken. Dien gordel doet zij aan, zoo dikwijls zij van plan is naar haar man te gaan.—XANTIPPE: Nu ja, wat je daar vertelt is een fabeltje.—EULALIE: Daaraan heb je wel gelijk, maar luister eens wat de bedoeling is van dat fabeltje.—XANTIPPE: Nu, zeg eens op.—EULALIE: 't Leert ons dat een vrouw alle moeite moet aanwenden, om als ze met haar man samen is, hem ter wille te zijn, om de liefde van haar echtgenoot warm te houden en te doen opvlammen en om uit zijn geest te verdrijven al wat hem aanstoot kan geven of zijn tegenzin kan wekken.—XANTIPPE: Maar waar halen wij zoo'n gordel van daan?—EULALIE: Geen heksenkruiden of bezweringsformules hebben wij noodig. Geen betoovering is machtiger dan een rechtschapen karakter verbonden met zachtheid.—XANTIPPE: Ik kan tegen zoo'n man als de mijne is niet vriendelijk wezen.—EULALIE: En toch hangt 't geheel van je zelve af of hij zal ophouden zóó te zijn als hij nu is. Als je door de kunsten van een toovenares als Circe je man in een zwijn of een beer kon veranderen, zou je het dan doen?—XANTIPPE: Dat weet ik niet.—EULALIE: Weet je dat niet? Of zou je liever een zwijn tot man hebben dan een mensch?—XANTIPPE: Natuurlijk liever een mensch.—EULALIE: Welnu, wanneer je dan door tooverkunsten je man van een dronkenlap tot een matig mensch kon maken, van een verkwister tot een zuinig persoon, van een leeglooper tot een werkzaam man, zou je dat dan niet doen?—XANTIPPE: Ja zeker zou ik dat. Maar hoe kom ik aan die door u bedoelde toovermiddelen?—EULALIE: Wel je hebt ze tot je beschikking, als je ze maar wilt aanwenden. Hij moet van u zijn, of hij wil of niet. Hoe beter je hem maakt, des te beter behartig je je eigen belang. Je hebt nu maar altijd je oogen gericht op zijn gebreken en deze maken je afkeer van hem steeds grooter. Gij pakt hem altijd juist bij 't handvatsel aan waar hij niet bij moet worden beetgepakt. Let liever ook op zijn goede zijden, en vat hem daar aan, waar je wèl hoûvast aan hem hebt. Vóór ge met hem trouwdet hadt ge tijd om te overwegen welke slechte eigenschappen hij bezat. Immers men moet niet alleen met de oogen maar ook met de ooren den man dien men koos, leeren liefhebben. Nu is de tijd gekomen om fouten te herstellen, niet meer om er een beschuldiging van te maken.—XANTIPPE: Welke vrouw heeft ooit haar man "met de ooren" genomen?—EULALIE: Ik zou zoo zeggen: een vrouw neemt haar man met deoogen, wanneer ze op niets anders let dan op zijn mooie lichaam; met deoorendaarentegen, wanneer ze nauwkeurig nagaat wat er over hem verteld wordt.—XANTIPPE: Een goede waarschuwing, maar die wat laat komt.—EULALIE: Een poging om je man te verbeteren, komt nooit te laat. En daartoe kan heel veel bijbrengen of je je man ook een kindje schenkt.—XANTIPPE: Dat is er al.—EULALIE: Wanneer?—XANTIPPE: Al lang.—EULALIE: Hoeveel maanden al?—XANTIPPE: Bijkans zeven.—EULALIE: Wat hoor ik! Is 't een jongen?—XANTIPPE: Ja.—EULALIE: Nu, die brengt de zaak tusschen je beiden wel weer in orde, als jij je zelve maar een beetje inschikkelijk wilt toonen. En hoe spreken anderen, de vrienden van je man over hem? Met wie gaat hij buitenshuis om?—XANTIPPE: Ze zeggen algemeen dat hij gemakkelijk van karakter is, vrijgevig, meegaand, recht hartelijk voor zijn vrienden.—EULALIE: Juist al die eigenschappen geven mij goeden moed dat jij hem wel zult krijgen zooals je hem hebben wilt.—XANTIPPE: Alleen tegenover mij is hij niet zoo.—EULALIE: Maar gedraag jij je nu tegenover hem zooals ik je geraden heb. En dan mag je mij een leugenaarster noemen, als hij ook niet zoo tegenover u zal wezen. Bedenk ook wel dat hij nog jong is: 'k geloof nog niet eens vierentwintig jaar. Hij weet nog niet wat 't zeggen wil huisvader te wezen. Je behoeft nog niet over echtscheiding te denken.—XANTIPPE: Nou, ik heb er wàt vaak over gedacht.—EULALIE: Als je daarover dan wéér gaat denken, overweeg dan eerst eens bij je zelf, hoe weinig een gescheiden vrouw in de melk te brokken heeft, 't Schoonste sieraad voor een vrouw is: haar man ter wille en gehoorzaam te zijn. Zoo heeft de natuur 't ingericht, zoo heeft God het gewild, dat de vrouw geheel zou afhangen van den man. Denk er verder aan: 't vermogen behoort den man: een ander kan er niet aanraken. En denk dan aan 't knaapje dat u beiden toebehoort. Wat zult ge omtrent hem bepalen? Zultgijhem bij u houden? dan berooft ge uw man van zijn bezit. Zult ge 't ventje bijhemlaten? dan berooft gij u zelf van 't dierbaarste wat ge hebt. Zeg me ten slotte nog dit: zijn er soms menschen die je een kwaad hart toedragen?—XANTIPPE: Ja, ik heb een echte stiefmoeder, en bovendien een schoonvader, net zoo erg als zij.—EULALIE: Zijn die je zóó kwaadwillig gezind?—XANTIPPE: Ik geloof dat ze mij graag dood zouden willen zien.—EULALIE: Welnu denk dan ook eens aan die twee. Kunt ge hun wel grooter genoegen doen, dan wanneer zij je gescheiden zien van je man; dat je als een weduwe, neen erger dan een weduwe moet leven? Want weduwen mogen tenminste nog hertrouwen.—XANTIPPE: Ik vind je raad heel goed, maar ik zie op tegen de langdurige moeite.—EULALIE: Maar bedenk dan eens hoeveel moeite gij wel hebt moeten doen om dezen papegaai enkele menschelijke woorden te leeren praten.—XANTIPPE: Heel wat, dat is zeker.—EULALIE: En dan zou je opzien tegen de moeite om je man wat te verbeteren om verder met hem een prettig leven te slijten? Hoeveel moeite getroosten de menschen zich om een paard naar hun zin te krijgen en mogen wij er dan bezwaar tegen hebben om ons best te doen ten einde onze echtgenooten meer naar onze hand te zetten?—XANTIPPE: Wat moet ik dan doen?—EULALIE: Dat heb ik je al gezegd. Zorg dat in huis alles netjes en proper is: dat niets hem aanstoot kan geven, zoodat 't hem uit het huis jaagt. Wees vriendelijk tegen hem en tevens met een zeker eerbiedsvertoon dat een echtgenoote aan haar man verschuldigd is. Wees opgewekt, maar niet uitgelaten; wees niet stroef, maar ook niet dartel. Thuis moet hij zijn tafel wèlvoorzien vinden. Je kent den smaak van je man, kook dus voor hem wat hij 't lekkerst vindt. Toon je ook voor zijn vrienden toeschietelijk en welwillend. Noodig hen vaak bij je te gast. Maak aan tafel dat alles vol van vroolijkheid en opgewektheid is. En wanneer hij dan eindelijk, door den wijn een kleine verheuging heeft gekregen en op zijn cither gaat tokkelen, welnu begeleid hem dan met uw zang. Zoo zult gij uw man gewennen aan huiselijkheid en zult gij tevens zijn uitgaven verminderen. Want ten langen leste moet hij toch zóó gaan denken: "Ik ben dan toch wel gek dat ik buitenshuis met groote schade voor mijn beurs en voor mijn goeden naam met een liefje leef, terwijl ik thuis een vrouwtje heb, veel aardiger en dat dol van mij houdt en bij wie ik 't veel netter en royaler kan hebben."—XANTIPPE: En denk je dat 't mij gelukken zal wanneer ik 't probeer?—EULALIE: Zie maar naar mijn voorbeeld. Richt je naar mij. Intusschen zal ik je man wel eens te spreken krijgen en ik zal hem aan zijn plicht herinneren.—XANTIPPE: Ik vind dat wel heel vriendelijk van je, maar pas op dat hij soms geen lont ruikt: hij zou hemel en aarde bewegen.—EULALIE: Maak je niet bezorgd. 'k Zal wel zooveel omwegen gebruiken dat hij mij uit zichzelf vertelt wat voor ongenoegen er tusschen u beiden is voorgevallen. Wanneer hij dat gedaan heeft dan zal ik hem, zooals ik dat gewoonlijk doe, heel vriendelijk onder handen nemen en hem voor u, naar ik hoop, veel handelbaarder maken. En zoo ter loops zal ik wel eens ter sprake brengen hoe lief jij je over hem hebt uitgelaten.—XANTIPPE: 'k Hoop dat Christus onze pogingen zal zegenen!—EULALIE: Hij zal je helpen, als jij je zelve wilt helpen.