HERBERGEN IN DUITSCHLAND

Voor de cultuurgeschiedenis is de samenspraak die tot titel voert "Diversoria of Herbergen" hoogst gewichtig. Erasmus heeft veel gereisd en de schildering die hij geeft van de logementen zal er wel een zijn, naar waarheid geteekend, al staan wij ook verbaasd over de mededeelingen van morsigheid, ruwheid, 't gebrek aan alles wat naar comfort lijkt, de afwezigheid, van iets wat naar voorkomendheid zweemt. De beschaving was van de logementen en herbergen nog ver verwijderd: de waarden uit die inrichtingen zullen Erasmus' hekeltaal wel niet gelezen hebben en zich door haar niet hebben verbeterd. Als schildering van zeden uit de 15e eeuw heeft dezer samenspraak groote waarde.

Voor de cultuurgeschiedenis is de samenspraak die tot titel voert "Diversoria of Herbergen" hoogst gewichtig. Erasmus heeft veel gereisd en de schildering die hij geeft van de logementen zal er wel een zijn, naar waarheid geteekend, al staan wij ook verbaasd over de mededeelingen van morsigheid, ruwheid, 't gebrek aan alles wat naar comfort lijkt, de afwezigheid, van iets wat naar voorkomendheid zweemt. De beschaving was van de logementen en herbergen nog ver verwijderd: de waarden uit die inrichtingen zullen Erasmus' hekeltaal wel niet gelezen hebben en zich door haar niet hebben verbeterd. Als schildering van zeden uit de 15e eeuw heeft dezer samenspraak groote waarde.

BERTHOLF: Waarom vinden zooveel menschen 't prettig zich twee of drie dagen te Lyon op te houden? Als ik eenmaal op reis ben rust ik niet voor 'k ben waar ik wezen moet.—WILLEM: Neen, omgekeerd! Ik verwonder er mij juist over dat iemand zich uit Lyon laat weghalen.—BERTHOLF: Hoezoo?—WILLEM: Omdat 't daar een plaats is, als die van waar de gezellen van Ulysses niet konden worden losgerukt; omdat daar de Sirenen haar verblijf hebben opgeslagen. Niemand wordt in zijn eigen huis beter verzorgd dan dáár in een hotel.—BERTHOLF: Hoe komt dat?—WILLEM: Wel, aan tafel staat steeds een vrouwspersoon om de gasten door haar grappen en geestigheden op te vroolijken. Verder vindt men daar vele vrouwen van buitengewone schoonheid. Eerst kwam de vrouw des huizes ons begroeten, terwijl ze ons een opgewekt en vroolijk verblijf toewenschte en de hoop uitsprak dat wij 't geen ons werd voorgezet ons goed zouden laten smaken. Daarna kwam haar dochter binnen, een elegant persoontje, rad van tong, levenslustig en gezellig in haar optreden, zoodat ze zelfs een brompot als Cato zou kunnen opvroolijken. En ze praatten met haar gasten niet als met vreemden, maar als met oude vrienden en kennissen.—BERTHOLF: Daaraan zie je weer de beschaving van 't Fransche volk.—WILLEM: Maar daar ze toch niet voortdurend bij ons konden blijven omdat haar huiselijke bezigheden haar riepen en ook de andere gasten door haar begroet moesten worden, stond er aanhoudend een meisje bij ons, klaar voor allerlei grapjes. Zij was, in haar eentje best in staat om alle geestigheden terug te kaatsen: ze speelde haar rol goed en zette 't gesprek voort totdat de dochter des huizes terug zou komen. Want de moeder was al een beetje op jaren.—BERTHOLF: Maar hoe was nu eigenlijk wel 't eten? Want praatjes vullen de maag niet.—WILLEM: Allervoortreffelijkst, zoodat ik er verbaasd over sta, dat zij voor zóó weinig geld gasten kunnen opnemen. En na den maaltijd onderhouden zij de menschen weer zóó met aardige vertellingen, dat geen verveling hen bekruipt. Ik verbeeldde me thuis te wezen en niet in den vreemde.—BERTHOLF: En hoe was 't in de slaapkamers?—WILLEM: Daar waren overal steeds eenige kamermeisjes, lachebekjes, dartel, speelsch: uit zichzelf vroegen ze of we ook vuile kleeren hadden, en die wieschen ze dan en brachten ze ons gewasschen terug. Om kort te gaan: we zagen daar niets dan meisjes en vrouwen. Behalve in den stal—ofschoon de meisjes daar ook dikwijls kwamen binnenstuiven. Bij ons vertrek zoenden ze ons en waren bij het afscheid zóó hartelijk alsof wij allen broeders waren of ten minste zeer na-verwanten.—BERTHOLF: Nu die gewoonten zijn misschien bij de Franschen in eere: ik houd meer van die der Duitschers. Die zijn manlijker.—WILLEM: Ik heb Duitschland nog nooit mogen bezoeken en daarom zou ik je wel willen verzoeken, als 't je niet te lastig is, mij eens te vertellen hoe ze daar een gast ontvangen.—BERTHOLF: Of men overal dezelfde behandeling ondervindt, weet ik niet, maar ik zal je vertellen wat ik er zag. Bij je aankomst is er niemand die je begroet. Dat doen ze om niet den schijn te hebben dat ze je aanhalen. Dat toch houden ze voor laag en verachtelijk en de Duitsche strengheid onwaardig. Wanneer je nu lang hebt staan roepen, dan komt eindelijk uit een klein venstertje van de kamer waar de algemeene haard zich bevindt (want daar verblijven ze tot ongeveer den langsten dag) een hoofd steken, net als een schildpad haar kop uit haar schaal steekt. Aan dien persoon nu moet men vragen of men daar zijn intrek mag nemen. Als hij niet neen zegt, dan kun je er op rekenen, dat je een plaatsje gegund wordt. Op je vraag waar de stal is, wijst men u dien met een handbeweging. En daar mag je dan je paard op je eigen manier behandelen. Geen knecht toch steekt er een hand uit. Als de herberg wat druk bezocht is, dan wijst een knecht je de stalling en de minst geschikte plaats voor je paard. Want de mooiste plaatsen bewaren ze voor hen die nog later komen, vooral voor edellieden. En als je eenige bezwaren maakt, dan krijg je dadelijk te hooren: "Als 't je niet bevalt zoek dan maar een ander onderkomen." Hooi geven ze je in de steden weinig, met mondjesmaat; en je moet dit niet heel veel goedkooper dan haver betalen. Als er nu voor je paard gezorgd is, dan verhuist ge naar de gelagkamer en je gaat zitten aan den grooten haard, met kaplaarzen en bagage, beslikt en wèl. Dat vertrek is voor allen gemeenschappelijk bestemd.—WILLEM: In Frankrijk wijzen ze je vertrekken aan om je uit te kleeden of je af te boenen, je te verwarmen of ook wel uit te rusten als je er lust in hebt.—BERTHOLF: Hier niets van dat alles. In de gelagkamer doe-je je laarzen uit, trek-je je schoenen aan, schiet-je een ander hemd aan als je daar behoefte aan hebt, hang-je naast den haard de door den regen nat geworden kleeren om uit te dampen. Je schuift er zelf bij, om te droogen. Daar staat ook water klaar als je je handen wilt wasschen, maar dat is meestal zóó helder, dat je daarna weer ander water moet vragen om dat sopje af te spoelen.—WILLEM: Nu, die mannen, zóó weinig verwijfd, verdienen een pluimpje!—BERTHOLF: En bijgeval je in den namiddag te vier uren aankomt, eet je toch niet vóór 's avonds negen, soms tien uren.—WILLEM: Waarom?—BERTHOLF: Ze maken niets klaar vóór ze gezien hebben hoeveel gasten er zijn, om in ééne moeite voor allen gezamenlijk alles gereed te maken.—WILLEM: 't Zijn menschen die blijkbaar van beknoptheid houden.—BERTHOLF: Daar heb-je het. En zoo zijn er wel eens tachtig of negentig gasten, voetreizigers, ruiters, kooplieden, schippers, koetsiers, boeren, vrouwen en kinderen, gezonden en zieken bij elkander.—WILLEM: Dat lijkt wel een echte broedergemeente.—BERTHOLF: De één kamt er zijn haren, een tweede veegt zich het zweet af, een derde reinigt er zijn kaplaarzen of zijn slobkousen, een ander weer laat allerlei onsmakelijke geluiden hooren. Om kort te gaan: daar is een even groote spraak- en persoonsverwarring als indertijd bij den torenbouw van Babel. En als ze iemand zien die tot een vreemde natie behoort, die door een goed verzorgd uiterlijk zich eenigszins aanzienlijk voordoet, dan is aller aandacht op hem gericht en ze zitten hem aan te kijken alsof hij een vreemdsoortig wezen is uit Afrika aangebracht, zelfs zóó, dat wanneer ze later aan tafel aanzitten, ze hem blijven aankijken, terwijl ze naar hem òmzien en hun oogen niet van hem afhouden, terwijl ze hun eten vergeten.—WILLEM: Te Rome, te Parijs en te Venetië kijkt niemand verwonderd naar iets, wàt ook.—BERTHOLF: Intusschen mag men omnietsvragen. Wanneer de avond een goed eind gevorderd is, en ze geen gasten meer verwachten dan komt een oude knecht voor den dag, een kerel met een grauwen baard, kort geknipt haar, stuursch gelaat en vuile kleeren.—WILLEM: Zulk slag van menschen moesten de kardinalen te Rome tot tafelbedienden hebben!—BERTHOLF: Terwijl hij zijn blikken over de gasten laat gaan, telt hij zachtjes bij zich zelven hoeveel er in de gelagkamer zijn. Hoe meer hij er telt des te harder stookt hij het haardvuur onder de schouw op, ook al is 't in den tijd, dat de zon reeds lastig is door haar gloed. Bij hen geldt het voor een goede behandeling, wanneer allen 't zweet van 't lijf gudst. En als iemand, aan zooveel warmte niet gewend, het venster op een kiertje zet om niet te stikken, dan hoort hij dadelijk: "Doe dicht!" En als je dan antwoordt: "Ja maar, ik kan 't hier niet uithouden!" dan krijg je te hooren: "zoek dan maar een andere herberg op."—WILLEM: Maar toch lijkt me niets ongezonder dan dat zooveel menschen dezelfde warme stiklucht inademen, en vooral wanneer alle kleeren los zijn, alle poriën van 't lichaam openstaan, dat men in die atmosfeer gaat zitten eten en daarin eenige uren vertoeft. Ik laat nu nog zelfs dáár allerlei onsmakelijke en walgelijke uitlatingen: maar er zijn ook velen die aan verborgen ziekten lijden en elke krankheid brengt haar eigenaardige besmetting mee. Zeer velen zijn ook aangetast door de Spaansche (of zooals sommigen 't noemen: Fransche schurft[1]), terwijl ze toch net zoo goed bij alle volkeren voorkomt. Intusschen geloof ik dat daarvan even groot gevaar te duchten is, als van melaatschen. Ga maar eens na of deze kwaal heel veel verschilt van de pestziekte.—BERTHOLF: 't Zijn moedige mannen, ze lachen er wat om en—geven er niets om.—WILLEM: Maar ondertusschen zijn ze moedig met gevaar voor veel anderen.—BERTHOLF: Wat zul-je er aan doen? Zij zijn 't nu éénmaal zoo gewoon. En 't is een kenmerk van een standvastig man om niet van zijn eenmaal ingenomen standpunt af te wijken.—WILLEM: Goed, maar een vijfentwintig jaren geleden was bij de Brabanders niets meer in zwang dan de publieke badstoven: nu zijn ze overal opgeruimd. Die vreemde ziekte heeft ons wel geleerd er voor op te passen.—BERTHOLF: Maar hoor nu verder. Daarna komt die gebaarde schenker weer terug, en legt op tafel zooveel servetten als hij voor 't getal gasten genoeg oordeelt. Maar groote goden, wat een grof linnen! Je zoudt zeggen zeildoek zóó van den mast afgehaald. Voor elke tafel heeft hij op zijn minst acht gasten bestemd. Zij, die weten hoe 's lands wijs is, gaan zitten waar ze willen. Daar toch wordt geen onderscheid gemaakt tusschen rijk en arm, tusschen heer en knecht.—WILLEM: Daar heb je die gelijkheid uit den goeden ouden tijd, die de dwingelandij uit onze maatschappij heeft doen verdwijnen. Zoo verkeerde, zou ik denken, Christus ook met zijn jongeren.—BERTHOLF: Nu, wanneer allen aan tafel zitten dan komt weer die barsche Ganymedes[2]voor den dag en telt opnieuw de gasten. Dan komt hij spoedig terug en plaatst voor ieder een houten bord en een lepel van 't zelfde kostbaar materiaal, verder een glazen drinkbeker en na een poosje wat brood. Tot tijdverdrijf maakt ieder voor zich dat glas een beetje schoon, terwijl de brei gekookt wordt. En zoo zit men dan dikwijls ongeveer een heel uur te wachten.—WILLEM: En is er dan geen van de gasten die intusschen eens om eten vraagt?—BERTHOLF: Niemand die weet hoe 't in dit land toegaat. Eindelijk wordt de wijn op tafel gezet. Maar kerel! wat is dat een jong en schraal wijntje! De Sophisten moesten geen anderen drinken, zóó'n dun en scherp kostje is 't. En als een gast vraagt, of hij tegen extra betaling niet een beter merk kan krijgen, dan doen ze eerst alsof ze hem volstrekt niet begrijpen, maar met een gezicht alsof ze je willen vermoorden. Als je aanhoudt, antwoorden ze: "Hier hebben zooveel graven en markiezen hun intrek genomen, en nooit heeft er een over mijn wijn geklaagd. Als 't u niet bevalt, zoek dan maar een andere herberg op." Alleen de edellieden van hun land beschouwen ze als menschen en hunne wapens toonen ze overal met ophef.—Eindelijk hebben ze de spijs klaar om die aan uw van honger rammelende maag voor te zetten. Weldra worden dan ook de schotels met groote praal opgedragen. De eerste schotel vertoont doorgaans stukken brood geweekt in bouillon, of, als het vastendag is, in groentenat. Verder een andere soep, daarna iets van opgestoofd vleesch of een opgewarmde zoutevischschotel. Dan weer eens brei, verder wat spijs in vasteren vorm, tot ze aan de behoorlijk getemde maag gebraden vleesch of gebakken visch voorzetten, die niet geheel en al te versmaden is. Maar ze zijn er zuinig mee en nemen ze spoedig weer van de tafel af. Op die manier regelen zij den heelen maaltijd, zooals ook tooneelspelers doen die koren invoegen in hunne stukken. Zoo voegen zij om den anderen tusschen de spijzen koek en brei. Ze zorgen er voor dat het slottooneel 't meest pakkende is.—WILLEM: Dat is zooals een goed dichter zijn taak opvat.—BERTHOLF: Het zou een doodzonde wezen als iemand onder den maaltijd eens zei: "neem dien schotel maar weg. Daar eet toch niemand van." Men moet blijven zitten tot den voorgeschreven tijd, dien ze met wateruurwerken, meen ik, afmeten. Eindelijk treedt die gebaarde knecht weer op of de herbergier zelf, die in kleeding al heel weinig van zijn bedienden verschilt. Hij vraagt of men nog iets belieft? En dan komt er een beetje beter soort wijn op tafel. Die flink kunnen drinken, mogen zij 't liefst lijden, ofschoon hij die de grootste hoeveelheid wijn verzwelgt geen cent meer betaalt dan hij die 't minst dronk.—WILLEM: Vreemd volkje!—BERTHOLF: Vooral, omdat er wel eens zijn die dubbel zooveel aan wijn verteren, dan ze voor hun maal betalen. Maar vóór ik nog van de beschrijving van den maaltijd afstap, kan ik er niet genoeg op wijzen, wat een gedruisch en gegons van stemmen er ontstaat wanneer allen door den drank een beetje verhit geraken. Om kort te gaan: hooren en zien vergaan je. Dikwijls mengen zich onder het gezelschap hansworsten en potsenmakers. Ofschoon er geen soort menschen is meer verachtelijk dan zij, zou je toch niet gelooven hoeveel schik de Duitschers daarin hebben. Zij maken door hun gezang, gekakel, lawaai, gespring en gestamp dat de gelagkamer dreigt in te storten en men elkaar absoluut niet kan verstaan. Maar dat schijnt hun nu eerst een recht aardig leventje toe en men moet er, goedschiks of kwaadschiks, wel bij blijven zitten tot diep in den nacht.—WILLEM: Maak nu maar een eind aan 't verhaal van dien maaltijd, want ook mij duurt hij wat lang en hij begint me te vervelen.—BERTHOLF: Nu goed: ik zal eindigen. Nadat de kaas is weggenomen, die ze alleen lekker vinden als ze goed rot is en wegloopt van de wurmen, dan komt de baardman weer voor den dag met een houten bord in de hand, waarop hij met krijt eenige heele of halve cirkels teekent. Dat bord legt hij op tafel neer, zwijgend en somber, men zou zeggen dat hij een Charon of zoo iets was. Zij die weten wat die teekens beduiden, leggen er geld op: daarop volgt een ander, en weer een ander totdat de plank vol is. Hij noteert wie geld heeft neergelegd en rekent bij zich zelf na. Als er niets aan ontbreekt knikt hij met zijn hoofd dat 't goed is.—WILLEM: En als er eens iets te veel is?—BERTHOLF: Misschien zou hij 't dan wel teruggeven. En dat gebeurt dan ook wel eens.—WILLEM: En maakt niemand een aanmerking over te hooge rekening?—BERTHOLF: Niemand die verstandig is. Want dan zou hij dadelijk te hooren krijgen: "Wat ben jij voor een mensch? Je zult niets meer betalen dan iemand anders!"—WILLEM: Die menschen zijn nog al vrij in hun optreden.—BERTHOLF: En als nu iemand, vermoeid van de reis, spoedig na den maaltijd zijn bed wil opzoeken, dan zegt men hem om maar te wachten tot ook de anderen gaan slapen.—WILLEM: Dat is dunkt mij, zoowat de Staat van Plato.—BERTHOLF: Dan wordt aan ieder zijn nestje getoond, en dat is in den waren zin des woords ook niets dan een ligplaats. Er zijn alleen maar bedden en verder is er niets wat je kunt gebruiken of wat je kunt stelen.—WILLEM: En hoe staat 't met de reinheid?—BERTHOLF: Nu, al net als bij 't maal. De lakens zijn voor een maand of zes misschien wel eens gewasschen.—WILLEM: En hoe gaat 't intusschen met de paarden?—BERTHOLF: Ze worden naar denzelfden trant behandeld als de menschen.—WILLEM: Maar ondervindt men nu overal een dergelijke behandeling?—BERTHOLF: 't Mag hier eens wat schappelijker zijn dan ik verteld heb, dáár nòg wat minder, maar over het algemeen is 't toch zoowat hetzelfde.—WILLEM: Als ik je nu eens ging vertellen hoe gasten behandeld worden in dat deel van Italië dat ze Lombardije noemen en verder in Spanje, in Engeland, in Wales? Want de Engelschen hebben deels de gewoonten der Franschen, deels der Duitschers, daar ze immers uit een mengsel van die beide volkeren gevormd zijn. De bewoners van Wales zeggen dat ze Engelsche inboorlingen zijn.—BERTHOLF: Vertel me dat alsjeblieft maar eens. Want ik heb daar nooit mogen reizen.—WILLEM: Ja, maar op 't oogenblik heb ik geen tijd. De schipper heeft me gezegd dat ik om drie uur aan boord moest wezen als ik niet achtergelaten wilde worden en hij heeft mijn bagage. Bij een andere gelegenheid zullen we samen wel eens kunnen praten zoolang we willen.

[1]Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven, onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der overheidspersonen, verboden werden.

[1]Erasmus bedoelt de syphilis die toen haar intrede in Europa had gedaan en o.a. ook door den invloed der publieke badstoven, onrustbarende uitbreiding had gekregen, zoodat de badgelegenheden dan ook weldra, als erkende brandpunten der besmetting, op order der overheidspersonen, verboden werden.

[2]De schenker der Grieksche Goden.

[2]De schenker der Grieksche Goden.

Hoe Erasmus reeds ver verheven stond boven de bijgeloovige begrippen van zijn tijd op 't gebied van spoken en duivelbanning, bewijst onderstaande samenspraak. Vinnig spot hij met de kunsten, zelfs door priesters en goed-geloovigen uitgehaald, en 't is niet te verwonderen dat zijn scherptreffende steken en prikken de geestelijkheid zijner dagen sterk tegen hem innamen. Vooral de lagere geestelijkheid was fel op hem gebeten en 't was slechts door hulp van vrienden onder de hoogere machthebbers in de kerk, zelfs te Rome, dat Erasmus de gevolgen van den door hem gewekten haat ontging.Dat die haat diep geworteld zat, blijkt wel uit 't verhaal (waar of niet-waar) dat een zeker priester nimmer het portret van Erasmus, dat hij daartoe opzettelijk in zijn woning had opgehangen, voorbijging zonder er tegen te spuwen.

Hoe Erasmus reeds ver verheven stond boven de bijgeloovige begrippen van zijn tijd op 't gebied van spoken en duivelbanning, bewijst onderstaande samenspraak. Vinnig spot hij met de kunsten, zelfs door priesters en goed-geloovigen uitgehaald, en 't is niet te verwonderen dat zijn scherptreffende steken en prikken de geestelijkheid zijner dagen sterk tegen hem innamen. Vooral de lagere geestelijkheid was fel op hem gebeten en 't was slechts door hulp van vrienden onder de hoogere machthebbers in de kerk, zelfs te Rome, dat Erasmus de gevolgen van den door hem gewekten haat ontging.

Dat die haat diep geworteld zat, blijkt wel uit 't verhaal (waar of niet-waar) dat een zeker priester nimmer het portret van Erasmus, dat hij daartoe opzettelijk in zijn woning had opgehangen, voorbijging zonder er tegen te spuwen.

THOMAS: Wat blij nieuws is er dat je zoo vergenoegd bij je zelven lacht, alsof je een schat gevonden hadt?—ANSELMUS: Nu, zoo héél ver van de waarheid was je met je raden niet verwijderd.—THOMAS: Maar wil-je dan aan je vriend niet eens meedeelen wat dat voor goeds is?—ANSELMUS: 't Was al lang een hartewensch van me om iemand te hebben aan wiens boezem ik mijn vreugde kon uitstorten.—THOMAS: Welnu dan, deel mee.—ANSELMUS: 'k Heb daareven een allerleukst verhaal gehoord waarvan je zoudt zweren dat 't een grappig verzinsel was, als niet plaats, personen en de heele zaak mij net zoo goed bekend waren als ik u ken.—THOMAS: Je maakt me brandend nieuwsgierig.—ANSELMUS: Je kent Polus, den schoonzoon van Faunus?—THOMAS: Heel goed.—ANSELMUS: Nu hij is 't die 't heele stukje heeft bedacht en heeft gespeeld.—THOMAS: Ik wil 't graag gelooven. Want hij kan zelfs zonder masker of vermomming elke rol spelen.—ANSELMUS: Zoo is het. Dan ken-je denk ik ook 't buitentje dat hij niet ver van Londen heeft?—THOMAS: Of ik! we hebben daar menigmaal een goed glaasje gedronken.—ANSELMUS: Dan kun-je je ook nog wel dien weg voorstellen aan beide kanten met boomen op gelijken afstand beplant?—THOMAS: Links van het huis een paar pijlschoten ver?—ANSELMUS: Juist. Aan den eenen kant van den weg is een drooge sloot, begroeid met kreupelhout en doornstruiken. Over een smal bruggetje kom-je van daar in 't open veld.—THOMAS: Ja, dat weet ik.—ANSELMUS: Al lang liep het gerucht en 't praatje onder de boeren van die plaats, dat bij dit bruggetje een spook werd opgemerkt, waarvan men zoo nu en dan de klagende jammerkreten kon vernemen. Men vermoedde dat 't de ziel van den een of ander was die door vreeslijke pijnigingen werd gekweld.—THOMAS: En van wien ging dat praatje uit?—ANSELMUS: Wel, van wien anders dan van Polus? Dat was het voorspel van zijn stuk.—THOMAS: Hoe kwam hij er zoo op om dat alles te verzinnen?—ANSELMUS: Weet ik? Of 't moet zijn omdat 't een eigenaardigheid van hem is. Hij houdt er van met de domheid van 't volk door zulke spelletjes den spot te drijven. Laat ik je eens vertellen wat van dien aard hij onlangs heeft uitgedacht. Gezamenlijk reden wij in nog al grooten getale te paard naar Richmond. Daar waren er onder, die je kloeke mannen zoudt kunnen noemen. Het was een prachtige, heldere hemel, door geen wolkje verduisterd. Terwijl aller oogen naar den hemel gericht waren sloeg Polus over zijn voorhoofd en zijn borst een kruis en terwijl zich op zijn gezicht schrik afteekende, sprak hij half luid in zich zelf: "God Almachtig, wat zie ik daar?" En aan zijn gezellen die 't dichtst bij hem reden en hem vroegen wat hij zag, zei hij terwijl hij nog grooter kruisteekens maakte: "Moge de genadige God dit teeken afwenden." Toen allen aandrongen om toch te weten te komen wat er was, zei hij met star op den hemel gevestigde blikken en terwijl hij met zijn vinger een plek aan den hemel wees: "Ziet ge daar dan niet dien ontzaglijken draak met vurige horens gewapend en met zijn staart in een kring gedraaid?" Toen allen zeiden dat ze niets zagen en hij zei dat ze dan toch hun oogen goed moesten inspannen en hij hun intusschen de plek bleef aanwijzen zei eindelijk één dat hij 't óók zag, om niet den schijn te hebben dat hij slechte oogen had. Een tweede volgde hem na en nog weer een. Want deze schaamde zich niet te zien wat voor anderen zóó duidelijk scheen te zijn. Om kort te gaan: binnen een drietal dagen was 't gerucht als een loopend vuurtje door geheel Engeland verspreid, dat zich zulk een verschijning had vertoond. Verwonderlijk evenwel is het, hoeveel er in den mond van 't volk niet bijgekomen was. Ook waren er die in vollen ernst gingen uitleggen wat 't wonderteeken eigenlijk moest beduiden. Natuurlijk had hij die 't geheele stuk in elkaar gezet had ontzaglijk veel schik in de domheid der menschen.—THOMAS: O, 't is precies een bedenksel voor hèm. Maar om tot je spook terug te keeren.—ANSELMUS: Intusschen komt juist bij Polus een zekere priester Faunus logeeren, één van die orde voor wie 't niet genoeg is dat ze met den latijnschen naam Regulieren worden genoemd, maar die er ook nog graag den griekschen naam kanunnik aan zien toegevoegd: kortom, een parochie-priester uit 't een of ander dorp in de buurt, een man die zich verbeeldde, vooral van zaken van den heiligen dienst nog al heel wat verstand te hebben.—THOMAS: Ik begrijp 't. Nu hebben we de acteurs in het stuk bij elkaar.—ANSELMUS: Aan den maaltijd werd gesproken over de praatjes aangaande het spook. Toen Polus bespeurde dat Faunus niet alleen 't gerucht vernomen had, maar 't ook geloofde, begon hij den man te bezweren dat hij, zoo'n geleerd en vroom man, de arme ziel, die zoo schriklijke plagen moest verduren, te hulp zou komen. "En," zei hij, "als ge soms twijfelt, onderzoek dan de zaak, wandel tegen een uur of tien eens langs dat bruggetje en dan zul-je 't droevig gejammer hooren. Neem maar mee wien je wilt om je te vergezellen. Dan zul-je veiliger hooren en tevens zekerder."—THOMAS: Nu, en verder?—ANSELMUS: Na 't eten gaat Polus, zooals gewoonlijk, weg om te jagen of op de vogelvangst. Terwijl Faunus oploopt naar 't bruggetje, toen 't al zoo donker was geworden dat men de omgeving niet duidelijk meer kon waarnemen, hoort hij eindelijk een klagend gezucht. Polus wist dat geluid allernatuurlijkst na te bootsen, terwijl hij verborgen zat in een boschje met een aarden kruik bij zich, waardoor zijn stem, die door de holte werd weerkaatst, nog ijslijker klonk.—THOMAS: Dit komediestuk overtreft nog 't spookstuk van den dichter Menander.[1]—ANSELMUS: Je zult dat nog met meer recht zeggen, wanneer je 't geheel hoort. Faunus keert naar huis terug, vol begeerte om te vertellen wat hij gehoord had. Polus was langs een korteren weg al eerder thuis gekomen. Daar vertelt Faunus aan Polus wat er gebeurd was en dikt het nog wat aan om 't nog verwonderlijker te maken.—THOMAS: Kon Polus intusschen zijn lach bedwingen?—ANSELMUS: Hij? Hij heeft zijn gelaatsspieren geheel in zijn macht. Men zou er op gezworen hebben dat 't een hoogst ernstige zaak gold. Eindelijk neemt Faunus, op sterk aandringen van Polus de taak van de duivelbanning op zich en brengt dien ganschen nacht in slapeloosheid door, terwijl hij overlegt hoe hij op veilige wijze de zaak zal aanpakken. Want hij was voor zijn eigen hachje leelijk bang. Eerst werden dus de meest uitwerkende duivelbanningsformulieren bijeengebracht, en hij voegde er nog eenige nieuwe bij, bijv. één: "bij de ingewanden der zalige Maagd Maria," een ander: "bij het gebeente van de Heilige Werenfrieda." Vervolgens wordt er een plaats uitgezocht in 't open veld, dicht bij 't struikgewas waaruit de stem placht gehoord te worden: daaromheen was een tamelijk wijde cirkel getrokken, waarin verscheiden kruisteekens en andere figuren stonden. En dat alles geschiedde onder 't uitspreken van allerlei formulieren. Daarbij werd een groote bak geplaatst vol wijwater. Ook hing zich de duivelbanner een heilige stool om den hals, waarvan een perkament afhing dat 't begin bevatte van 't Evangelie naar Johannes. In een tasch droeg hij bij zich een wassenbeeldje, zulk een, als waarover de Paus jaarlijks zijn zegen uitspreekt en die men doorgaans "het Lam Gods" noemt. Met deze wapens beschermde men zich oudtijds tegen booze geesten, vóórdat de monnikspij van den Heiligen Franciscus van Assisi hun schrik had aangejaagd. Al deze voorzorgsmaatregelen waren genomen om te verhoeden dat de geest, als 't soms een booze was, op den duivelbanner een aanval zou doen. Maar hij durfde zich toch niet alleen toevertrouwen aan zijn cirkel. Men besloot er nog een tweeden priester bij te nemen. Nu werd Polus bang dat, als er een slimmerd bijgenomen werd, 't geheim van zijn komedie zou worden verraden, en hij gaf hem tot helper een pastoor uit de buurt, aan wien hij de geheele toedracht verhaald had. Dat toch eischte de geheele opzet van 't stuk en 't was iemand die van zoo'n stukje in 't geheel geen afkeer had. Toen op den volgenden dag alles behoorlijk gereed gemaakt was, stapt tegen tien uur Faunus met den pastoor zijn gewijden kring binnen. Polus, die vooruitgegaan was, heft uit het boschje zijn geweeklaag aan en Faunus begon nu 't banningswerk. Onderwijl sloop Polus heimelijk naar een naastbijzijnde boerderij. Vandaar brengt hij een nieuwen persoon mee voor zijn komedie, want die kon alleen gespeeld worden met behulp van velen.—THOMAS: Wat doen ze?—ANSELMUS: Ze bestijgen zwarte paarden en dragen brandende lantaarns bij zich, maar zóó dat ze die verborgen houden onder hun mantels. Toen ze niet ver van den kring af waren, hielden ze dit licht voor zich uit om Faunus bang te maken en uit zijn cirkel te verdrijven.—THOMAS: Wat een moeite deed die Polus toch om den ander te foppen!—ANSELMUS: Ja, zoo is hij. Maar dat zaakje was bijkans leelijk voor hem uitgekomen.—THOMAS: Hoe dan?—ANSELMUS: Wel, 't scheelde weinig of de paarden, verschrikt door dat zoo plotseling vertoonde licht, waren neergestort met hun berijders en al. Dat is nu 't eerste bedrijf van 't stuk. Toen ze daarop later op den avond weer bij elkander kwamen en in gesprek geraakten, vroeg Polus (alsof hij van niets afwist) wat er gebeurd was. Toen vertelt Faunus dat hij twee afschuwelijke, booze geesten aanschouwd had, uit hun neus vuur blazende, die geprobeerd hadden den cirkel te betreden, maar er door zijn krachtige tooverwoorden leelijk waren afgekomen. Toen hierdoor bij Faunus de moed toegenomen was, keerde hij op den volgenden dag met grooter praal weer terug in zijn afgesloten kring en nadat hij met machtige bezweringen 't spook opnieuw had opgeroepen, vertoonde Polus zich weer met zijn makker in de verte op hun zwarte paarden, met angstwekkend gesnuif, doende alsof zij binnen den kring wilden dringen.—THOMAS: Hadden ze hun lantaarns weer bij zich?—ANSELMUS: Neen: want dat was hun niet goed bevallen. Maar 'k zal je een ander verzinsel van hen vertellen. Ze brachten een lang touw met zich mee. Dat lieten ze zachtjes over den grond sleepen en terwijl ze beiden aan weerskanten voortreden alsof ze door de tooverspreuken van Faunus werden voortgejaagd, sloegen ze de beide pastoors tegelijk met den pot dien ze met wijwater gevuld bij zich hadden, tegen den grond.—THOMAS: Kreeg de arme kapelaan dàt nu als belooning voor zijn medewerking?—ANSELMUS: Ja: en hij wilde dat liever dulden dan zich aan de eenmaal begonnen komedie te onttrekken. Toen ze hierna weer bij elkaar kwamen en aan 't praten gingen, pochte Faunus er tegenover Polus op, in welk een groot gevaar hij had verkeerd en hoe flink hij door zijn tooverspreuken de beide booze geesten op den loop had gejaagd. Hij was innig overtuigd dat er geen geest zóó schadelijk of onbeschaamd kon wezen die binnen den door hem afgebakenden kring zou durven komen.—THOMAS: Die Faunus heeft heel veel van een grooten malloot.—ANSELMUS: Stil; je hebt eigenlijk nog niets gehoord. De komedie was nu zoover gevorderd, toen, juist van pas, de schoonzoon van Polus er bij kwam. Hij is n.l. met diens oudste dochter getrouwd. 't Is, zooals je weet, een echt vroolijke snaak.—THOMAS: Dat weet ik: van zulke grapjes heeft hij geen afkeer.—ANSELMUS: Een afkeer...? Hij zou elken borg in den steek laten, als hij zoo'n stukje kon zien vertoonen of er in mee mocht spelen. Zijn schoonvader vertelt hem de geheele toedracht en draagt hem de rol op, om voor de ziel te spelen. Hij neemt een vermomming aan en met wàt een plezier! Hij wikkelt zich in een laken, in zulk een als waarin bij ons de lijken worden afgelegd: hij neemt een aangeglommen kool in een test bij zich, die, door 't laken heen, een gloeienden weerschijn gaf. Tegen den tijd dat 't donker werd gingen ze naar de plaats waar de komedie werd afgespeeld. Men hoorde er een vreemd gezucht. Faunus komt met al zijn tooverformulieren voor den dag. Eindelijk vertoonde zich de schim tusschen het struikgewas, zoo nu en dan zijn vuur toonend en jammerlijk zuchtend. Toen Faunus hem bezwoer te zeggen wie hij toch was, sprong plotseling uit 't struikgewas Polus in de vermomming van den boozen geest voor den dag en riep met huilende stem: "ge hebt geen recht op deze schim: ze is van mij," en hij liep verscheidene malen tot aan den rand van den tooverkring, als wilde hij op den duivelbanner aanvliegen. Maar dadelijk teruggeschrikt door de woorden van het tooverformulier en door de krachtige werking van het wijwater, dat de ander in groote hoeveelheid had gesprenkeld, trok ze zich terug. Eindelijk was de booze geest verdreven die zich als beschermer van de ziel had opgedaan en er ontspon zich een gesprek tusschen Faunus en de ziel. Op de nadrukkelijke vraag van Faunus antwoordde de verschijning dat zij de ziel was van een Christen. Op de vraag hoe hij heette, was het antwoord: "Faunus." "Faunus, zoo heet ik óók." En thans trok hij zich de zaak nog meer aan, nu het een naamgenoot gold. Hij, Faunus, moest toch den anderen Faunus verlossen. Terwijl Faunus nu met allerlei vragen aankwam, pakte de schim zijn biezen, omdat hij bang werd dat het rekken van het onderhoud 't bedrog soms aan den dag zou brengen. Hij zei dat hij niet langer praten mocht, omdat het hoog tijd was daarheen terug te keeren, waarheen zijn kwelgeest hem dreef. Maar hij beloofde op den volgenden dag, als 't mocht, terug te keeren. Weer komt men ten huize van Polus bijeen, den regisseur van de komedie. Daar vertelt de duivelbanner wat er gebeurd is, er nog 't een en ander bijbordurend, maar waarvan hij zelf geloofde dat het waar was. Zóó werkte hij het in de hand dat hem die poets gebakken werd. Zóóveel wist men nu dat het de ziel was van een Christen die door een alleronbarmhartigsten kwelgeest op de gruwelijkste wijze werd gepijnigd. In die richting wordt dus gewerkt. Maar bij de volgende duivelbanning gebeurt iets lachwekkends.—THOMAS: Zeg eens, wat dan?—ANSELMUS: Toen Faunus de schim had opgeroepen, springt Polus, die de rol van den kwelgeest speelde, vooruit alsof hij in den kring wil binnendringen: en toen Faunus zich daartegen met zijn banspreuken verzette en een massa wijwater sprenkelde, riep eindelijk de kwelgeest uit, dat hij om dat alles geen cent gaf. "Je hebt," riep hij uit, "verboden omgang gehad met een meisje, en nu ben je in mijn macht." Terwijl Polus dit slechts uit de grap zei, bleek het dat hij toevalliger wijze de waarheid had gezegd. Want op den duivelbanner maakte dit grooten indruk en hij trok zich binnen in zijn tooverkring terug en fluisterde den kapelaan iets in het oor. Polus ging, toen hij dit merkte, een weinig achteruit, om niet af te luisteren wat hij niet mocht hooren.—THOMAS: Polus speelde de rol van kwelgeest op vrome en bescheiden wijze.—ANSELMUS: Ja zeker. Want zijn handelwijze had berispt kunnen worden, in zooverre dat hij de betamelijkheid wat uit het oog verloren had. Hij hoorde intusschen de stem van den pastoor die zei dat Polus eenige boete moest doen.—THOMAS: Welke boete?—ANSELMUS: Dat hij drie maal 't Onze-Vader moest bidden, waaruit hij opmaakte dat Polus in dien eigen nacht drie malen 't meisje gezoend had.—THOMAS: Dat was een ordebroeder buiten de orde!—ANSELMUS: Och, 't zijn óók menschen en een mensch kan struikelen!—THOMAS: Nu, en verder?—ANSELMUS: Faunus keert weldra nog woedender naar den rand van den kring terug en daagt den kwelgeest uit. Maar gene tracht, allengs weer schuw geworden, steeds terug te wijken. "Gij hebt mij verschalkt," zeide hij; "als ik verstandig geweest was, had ik u niet moeten waarschuwen." Ge weet dat veel menschen meenen dat 't geen men éénmaal aan een priester heeft gebiecht, geheel uit 't geheugen van den duivel is uitgewischt, zoodat deze er nooit meer gebruik van kan maken.—THOMAS: Een kostelijke grap!—ANSELMUS: Maar om nu eindelijk 't verhaal te besluiten: gedurende eenige dagen werden op die manier met de schim gesprekken gehouden. Ten slotte kwam het hierop neer: de geestenbezweerder, die vroeg of de schim op de een of andere manier van zijn kwellingen kon worden verlost, kreeg van deze ten antwoord, dat dit wel kon wanneer 't door bedrog verworven geld, dat hij ergens op een plaats verborgen had achtergelaten, werd teruggegeven. Waarop Faunus vroeg: "als 't nu eens door rechtschapen, vrome mannen tot goede doeleinden werd aangewend?" "Dat zou ook al voldoende wezen," antwoordde de schim. Verheugd over dit antwoord vroeg onze duivelbanner met groote nauwkeurigheid hoeveel de som bedroeg. De ander noemde een groote som, zooveel als hem goed dacht. Hij wees ook een plaats aan, maar nog al veraf gelegen, waar die schat begraven zou zijn. Hij gaf voorschriften, tot welke doeleinden hij wilde dat het geld zou worden besteed.—THOMAS: Waartoe moest dat?—ANSELMUS: Dat drie menschen elk een bedevaart moesten doen: één naar den zetel van Petrus, een ander om den heiligen Jacobus te Compostella te gaan begroeten en de derde moest de kam van Jezus gaan kussen, die te Trier bewaard wordt. Verder moest in verschillende kloosters een groote menigte psalmen gezongen en missen gelezen worden. En wat er overschoot van het geld mocht Faunus naar eigen believen besteden. Onze Faunus was met al zijn denken bij dien schat: hij had hem in zijn gedachten al verslonden.—THOMAS: Ja, dat is een algemeene kwaal, ofschoon in 't bijzonder de priesters in dat opzicht een kwaden naam hebben.—ANSELMUS: Toen alles op het punt van het geld geregeld was, begon de duivelbezweerder, daartoe door Polus aangezet, de schim te ondervragen over zeldzame en geheime kunsten, over goudmakerij en tooverkunst. Ook hierop antwoordde de schim 't een en ander voor de omstandigheden passend, maar met de belofte dat hij nog meer aanwijzingen zou geven zoodra hij door zijn toedoen van zijn kwelgeest bevrijd zou zijn. Dat mag je nu, als je wilt, het derde bedrijf van de komedie noemen. In het vierde bedrijf begon Faunus overal in vollen ernst de verwonderlijke zaak uit te bazuinen: hij klapte over niets anders in zijn gesprekken en aan maaltijden; hij beloofde aan kloosters prachtige geschenken, wist heelemaal niet meer van bescheidenheid in zijn spreken. Ook ging hij naar de plaats waar de schat begraven moest liggen; vond de aangewezen teekens, maar durfde toch niet naar den schat te graven, omdat de geest hem bang gemaakt had, dat 't met groot gevaar voor hem verbonden zou zijn, wanneer de schat werd aangeraakt vóór de vereischte missen waren gelezen. Veel menschen die wat fijner neus hadden dan hij, begonnen al lont te ruiken. Maar toen hij overal en bij elke gelegenheid zijn dom bijgeloof uitkraamde, kreeg hij van zijn vrienden en vooral ook van den abt van zijn klooster een wenk, om zijn goeden naam als verstandig man, dien hij tot nog toe bij de menschen had gedragen, niet te grabbelen te gooien. Maar hij was niet voor rede vatbaar en bleef de zaak als ernstig beschouwen. Zóózeer had de verbeelding in 't gemoed van den man post gevat, dat hij over niets anders sprak dan over spoken en booze geesten en van niets anders droomde. Die gemoedsgesteldheid was zelfs op zijn gezicht te lezen, dat zóó bleek was en zóó vervallen, dat hij wel een schim geleek, geen mensch. Om kort te gaan, hij zou zeker spoedig krankzinnig zijn geworden, als men hem niet met een snel toegepast middel te hulp ware gekomen.—THOMAS: Nu komt zeker het laatste bedrijf van het stuk.—ANSELMUS: 'k Zal 't je vertellen. Polus en zijn schoonzoon bedachten den volgenden streek. Zij verzonnen een brief, met vreemde letters geschreven en dat wel op niet gewoon papier, maar op zulk papier, waarin de goudfiligraanwerkers hun fijne plaatjes goud leggen, zooals je wel weet, van zoo'n roodbruine kleur. De inhoud van den brief was als volgt: "Faunus, die lang gevangen werd gehouden, maar nu vrij is, zendt zijn eeuwigen groet aan zijn edelen bevrijder Faunus. Er is geen reden, Faunus, om u langer te mijnen behoeve te kwellen. God heeft den goeden wil van uw gemoed gezien en mij daarom, terwille van de verdiensten uwer ziel, ontslagen. Thans leef ik gelukkig onder de engelen. U staat een verblijf bij den Heiligen Augustinus te wachten, die zich 't dichtst bevindt bij de rij der Apostelen. Wanneer gij tot ons komt, zal ik u persoonlijk dankzeggen. Leef gij intusschen maar behagelijk voort. Geschreven in den Hemel, op den 13en September van 't jaar 1498, met 't zegel van mijn zegelring." Deze brief werd heimelijk op 't altaar gelegd waarop Faunus de mis zou gaan bedienen. Toen de dienst was afgeloopen kwam er iemand die daartoe was aangezocht, hem opmerkzaam maken op den brief, als had hij dien bij toeval gevonden. Hij draagt nu den brief met zich rond en toont dien als een heilig iets. Hij gelooft vast en zeker dat die brief door een engel uit den hemel is aangebracht.—THOMAS: Maar wat je daar vertelt dat is niet een mensch van waanzin bevrijden, maar alleen den aard van waanzin veranderen.—ANSELMUS: Ja zoo is het: alleen met dit onderscheid dat zijn waanzin nu wat aangenamer is.—THOMAS: Vroeger hechtte ik gewoonlijk niet veel aan verhaaltjes over spoken, maar voortaan zal ik er nog veel minder om geven. Ik vermoed toch dat door goedgeloovige menschen, lieden zooals Faunus, veel als waar wordt te boek gesteld, wat met dezelfde kunstgrepen in elkaar is gezet.—ANSELMUS: Nu, ik geloof dat 't meerendeel van dien aard is.

[1]Grieksche comediedichter wiens stuk: het Spook, door den latijnschen blijspeldichter Plautus bewerkt is, onder den titel van: Aulularia, het Spookhuis.

[1]Grieksche comediedichter wiens stuk: het Spook, door den latijnschen blijspeldichter Plautus bewerkt is, onder den titel van: Aulularia, het Spookhuis.

Den dwaas, die tracht den steen der wijzen te vinden en die goud tracht te vervaardigen, schildert Erasmus ons in onderstaande samenspraak. Dat zulk een maniac door slimme vogels wordt geëxploiteerd, spreekt wel van zelf. De geheele geschiedenis teekent weer 't verlicht verstand van onzen geleerden landgenoot, die de onnoozelheid brandmerkt van zijne dikwijls lang niet domme tijdgenooten, welke zich van de alchemisterij wonderen voorstelden.

Den dwaas, die tracht den steen der wijzen te vinden en die goud tracht te vervaardigen, schildert Erasmus ons in onderstaande samenspraak. Dat zulk een maniac door slimme vogels wordt geëxploiteerd, spreekt wel van zelf. De geheele geschiedenis teekent weer 't verlicht verstand van onzen geleerden landgenoot, die de onnoozelheid brandmerkt van zijne dikwijls lang niet domme tijdgenooten, welke zich van de alchemisterij wonderen voorstelden.

PHILECOUS: Wat voor nieuws zou er wezen dat Lalus zoo bij zich zelven grinnikt en bijna in lachen uitbarst, terwijl hij zoo nu en dan een kruisje slaat? Ik zal den man in zijn gelukzalige stemming eens aanspreken. Hartelijk gegroet, mijn waarde Lalus. Je lijkt wel in den zevenden hemel van gelukzaligheid te verkeeren.—LALUS: En toch zal ik nog gelukkiger wezen wanneer ik u deelgenoot van mijn vreugd gemaakt heb.—PHILECOUS: Maak mij dan zoo spoedig mogelijk gelukkig!—LALUS: Ken-je Balbinus?—PHILECOUS: Dien geleerden ouden man, van wien iedereen niets dan goed weet te vertellen?—LALUS: Juist, zooals je zegt; maar geen sterveling is ten allen tijde verstandig of niemand is in alle opzichten volmaakt. Bij zijn vele voortreffelijke gaven heeft de man één klein gebrek: hij is reeds lang razend verzot op de kunst die ze Alchemie noemen.—PHILECOUS: Wat je daar noemt is geen klein kwaaltje: 't is een flinke ziekte.—LALUS: Hoe 't ook moge zijn—ofschoon hij door dat slag van menschen zoo dikwijls bedrogen is, heeft hij zich toch eindelijk op een verwonderlijke manier laten beetnemen.—PHILECOUS: Hoe?—LALUS: Daar komt op een goeden dag een zekere priester tot hem. Deze groette hem met den hoogsten eerbied. Daarop begon hij: "Gij zult er u misschien over verwonderen, allergeleerdste Balbinus, dat ik, een u onbekende, u zoo durf aanspreken, terwijl ik toch moet weten dat gij altijd zoo in de heiligste studiën verdiept zijt." Balbinus knikt toestemmend, zooals zijn gewoonte is, want hij is met woorden uiterst spaarzaam.—PHILECOUS: Dat is een bewijs van voorzichtigheid.—LALUS: Maar de ander was nog voorzichtiger en zei: "Ge zult mij toch, hoop ik, wel vergeven dat ik u last veroorzaak, wanneer gij de reden verneemt waarom ik tot u ben gekomen." "Spreek op," zei Balbinus, "maar als gij kunt, maakt het kort." "Nu ik zal het," zei de ander, "zoo beknopt mogelijk vertellen. Ge weet, geleerdste van alle menschen, dat het lot van de stervelingen verschillend is: ik weet niet onder welke helft ik mij moet rangschikken, onder de gelukkigen of onder de ongelukkigen. Immers als ik mijn lot van de ééne zijde beschouw, dan lijk ik me zelf heel gelukkig; van den anderen kant diep rampzalig." En toen Balbinus op bekorting aandrong, zeide hij: "goed, ik zal er een eind aan maken, hooggeleerde Balbinus. En dat zal mij gemakkelijker vallen bij een man, die van de geheele zaak zóó op de hoogte is, dat niemand ze beter kent."—PHILECOUS: Je schildert me daar een redenaar af, geen alchemist.—LALUS: Spoedig zult ge van den goudzoeker hooren. "Van jongs af aan," zei hij, "mocht ik het geluk smaken de meest gezochte kunst van alle kunsten te leeren, het merg van de heele wijsbegeerte: de alchemie." Bij 't hooren van dit woord werd Balbinus recht wakker; hij toonde dit tenminste door zijn gebaren. Al zuchtend vroeg hij hem door te gaan. De ander ging voort: "Rampzalige die ik ben, dat ik niet terechtgekomen ben op den weg dien ik had moeten inslaan." Toen Balbinus hem vroeg, welke wegen hij toch bedoelde, zei hij: "Ge weet opperbest (wat toch weet gij niet, Balbinus, gij, een man op elk gebied zoo hooggeleerd?) dat er twee wegen in die kunst bestaan: de eene die menverlengingnoemt; de andere dieverkortingheet. En nu heeft 't ongeluk gewild dat ik terecht gekomen ben bij de verlenging." Toen Balbinus vroeg wat voor verschil er was tusschen die twee wegen, zei de ander: "hoe onbedachtzaam van mij om daar bij u over te spreken, van wien ik moest weten dat dit alles hem meer dan aan iemand anders bekend is. Daarom ben ik als smeekeling tot u gekomen, dat gij uit medelijden met mij u zoudt verwaardigen, ons dien heilzamen weg der verkorting mee te deelen. Hoe meer ge van die kunst weet, des te minder moeite zal het u kosten ze aan mij mee te deelen. Verberg dus die gave Gods niet voor een broeder die van droefheid dreigt te sterven. Zoo waar moge Jezus Christus u steeds rijker maken met grootere gaven." En toen hij niet ophield met smeeken, moest Balbinus eindelijk wel bekennen, dat hij heelemaal niets wist van verlenging of verkorting. Hij vroeg dus of hij hem de beteekenis van die woorden eens wilde uitleggen. Daarop zei de priester: "Hoewel ik weet dat ik tot iemand spreek die er meer verstand van heeft dan ik, zal ik het toch doen, omdat gij 't mij vraagt. Menschen die hun geheele leven aan deze heilige kunst hebben besteed, doen op tweeërlei wijze de gedaante der stoffen veranderen: de eene is de kortste manier, maar is ook een klein beetje gevaarlijk; de andere is wel de langste, maar is daarentegen veel veiliger. Nu noem ik mij ongelukkig, omdat ik tot nog toe alle moeite heb gedaan op een manier die mij tegen de borst stuit, en ik heb tot nog toe niemand kunnen vinden, die mij den tweeden weg kon wijzen, dien ik zoo zielsgraag zou inslaan. Eindelijk gaf God mij de gedachte in, mij tot u te wenden, een man even geleerd als vroom. Geleerdheid staat u ten dienste om zonder bezwaren te geven wat ik van u vraag: uw vroomheid zal u wel aandrijven om een broeder te helpen wiens redding gij in uw hand hebt." Om kort te gaan: toen de oude slimmerd door dergelijke praatjes elke gedachte aan bedrog van zich had afgewend en bij Balbinus 't vertrouwen had gewekt, dat hij dien éénen weg op zijn duimpje kende, popelde Balbinus' hart reeds geruimen tijd van verlangen. Eindelijk hield hij zich niet in en zei: "Laat die verkorting, waarvan ik zelfs den naam nooit gehoord heb, laat staan dat ik ze ken, naar den drommel loopen! Zeg me, op uw eerewoord: verstaat ge de kunst van die verlenging ten volle?" "Nou," zei de ander, "op mijn duimpje: maar die lange duur verveelt me danig." En toen Balbinus vroeg hoeveel tijd er wel voor noodig was, kreeg hij ten antwoord: "Heel wat: bijkans wel een vol jaar. Maar intusschen is 't de meest veilige manier." "Heb maar geen bezwaar," zei Balbinus; "ook al waren er twee jaren mee gemoeid. Als je maar op je kunst vertrouwt." Om nu de zaak in enkele woorden samen te vatten: ze kwamen overeen dat zij de zaak in het geheim in 't huis van Balbinus zouden aanpakken, op deze voorwaarde: dat de één het werk zou doen, terwijl Balbinus de kosten zou dragen. De winst zou eerlijk verdeeld worden, ofschoon de bedrieger kwanswijs in alle bescheidenheid zeide, al het voordeel aan Balbinus te willen overlaten. Van beide kanten deed men een eed dat men de zaak stil zou houden, zooals zij altijd doen die in geheime plechtigheden worden ingewijd. Nu wordt onmiddellijk 't geld uitbetaald om daarvan de potten, glazen, houtskool en al het andere te koopen, wat moest dienen om de werkplaats in te richten. Dat geld bracht onze goudzoeker lekkertjes zoek met wijntje en Trijntje en dobbelspel.—PHILECOUS: Dat is de rechte manier om de gedaante der dingen te veranderen.—LALUS: Toen Balbinus er op aandrong om het zaakje nu eens flink aan te pakken, zei de ander: "Ken je het spreekwoord niet: een goed begin is 't halve werk? 't Heeft heel wat voeten in de aarde om zijn stof goed voor te bereiden." Eindelijk begon hij het fornuis gereed te maken. Maar nu was er weer opnieuw goud noodig, als een lokvink voor 't goud dat komen moest. Immers, evenmin als men visch vangt zonder aas, zoo komt ook geen goud bij de alchemisten voor den dag, zonder dat er eerst een deel goud bij gedaan wordt. Intusschen ging Balbinus geheel op in zijn berekeningen. Hij rekende uit, als één ons goud vijftien onsen opbracht, hoeveel winst er dan wel komen moest van tweeduizend onsen. Zooveel toch had hij besloten in de zaak te steken. Toen de goudmaker ook dit geld er had dóórgelapt en al een paar maanden voor de leus druk bezig was geweest met blaasbalgen en houtskool, hield hij, op een vraag van Balbinus of 't zaakje wat vorderde, eerst zijn mond. Toen de ander aanhield antwoordde hij eindelijk: "Zooals het steeds gaat met gewichtige zaken: 't begin is daarbij altijd moeilijk." Hij voegde er als verklarende reden bij, dat hij zich vergist had in 't koopen van houtskool. Hij had houtskool van eikenblokken gekocht en ze had van dennenhout moeten wezen of van hazelaarshout. Daarmee waren nu honderd goudstukken naar de maan en hij had er des te lustiger op losgedobbeld. Opnieuw werd er geld gegeven: de kolen werden verwisseld. En nu werd de zaak met grooteren ijver aangepakt dan te voren. Het ging onzen goudzoekers als soldaten in den oorlog, die wanneer 't hun tegenloopt, door grootere dapperheid hun tegenspoed trachten te herstellen. Toen nu in de werkplaats eenige maanden achtereen gestookt was, de geboorte van het goud met den dag werd verwacht en er geen greintje goud meer in de retorten te bespeuren was (want dat had onze alchemist alles doorgebracht) moest er weer een andere uitvlucht worden uitgedacht. Het heette nu: de glazen die hij gebruikt had waren niet zóó van pas geweest als ze wezen moesten. Want, zooals niet elk hout timmerhout is, zoo maakt men ook geen goud in 't eerste 't beste glas. Maar, hoe meer men had uitgegeven, des te minder mocht men ophouden.—PHILECOUS: Zoo gaat 't altijd met spelers: alsof 't niet veel verkieslijker ware slechts weinig te verliezen dan alles.—LALUS: Zoo is het. De goudzoeker zwoer bij al wat heilig was, dat hij nooit zóó bedrogen was. Maar nu de fout eenmaal ontdekt was, zou alles nu verder wel goed gaan en hij zou deze uitgaaf met grooten woeker vergoeden. De glazen worden geruild en ten derden male wordt de werkplaats ingericht. De alchemist gaf een aanwijzing dat de zaak beter zou lukken, wanneer men aan de Heilige Moeder die (zooals u bekend is) aan de Zeestad vereerd wordt, eenige goudstukken ten geschenke zond. Dat 't immers een heilige kunst was en dat de zaak niet goed kon afloopen zonder de begunstiging der goden. Dien raad vond Balbinus uitstekend, zoo'n vroom man, die geen dag liet voorbijgaan zonder zijn godsdienstplichten te vervullen. De goudmaker nam de bedevaart op zich, wel te verstaan naar een nabijgelegen stadje waar hij 't geld, als offer bestemd voor 't vrome doel, verbraste in allerlei slechte huizen. Teruggekeerd verklaart hij dat er nu gegronde hoop is om de zaak naar wensch te doen afloopen: zóó duidelijk had de Heilige Maagd hare goedkeuring aan hun plannen te kennen gegeven. Men arbeidde nu een geruimen tijd naarstig in de werkplaats, maar er kwam geen schijntje goud Voor den dag. Balbinus kreeg op zijn vraag hoe 't er toch mee stond, van den alchemist ten antwoord, dat hem in zijn heele leven nog nooit iets dergelijks was overkomen, terwijl hij toch zooveel ondervinding van de kunst had. En evenmin kon hij met eenige zekerheid gissen, wat de reden toch wel kon zijn. Toen zij lang hadden geraden, schoot aan Balbinus eindelijkditin de gedachte, of de ander soms op dien dag de mis had verzuimd, of de zoogenaamde uren-gebeden had vergeten te bidden: want als men deze overslaat, dan kan niets gelukken. De bedrieger riep toen uit: "daar heb-je het al! Je hebt gelijk! Ik domoor, heb een paar malen uit onachtzaamheid dat verzuim begaan, en nog kort geleden ben ik van een diner dat wat lang geduurd had, opgestaan, zonder 't Ave Maria te bidden." Balbinus zei 't dan ook heel natuurlijk te vinden dat de zaak geen succes had. De goudmaker nam nu op zich, voor de twee verzuimde missen, er twaalf te gaan hooren en voor 't nagelaten Ave Maria er tien op te zeggen. Maar, onze alchemist, die heel wat geld aan kon, was weer eens platzak. Redenen om van Balbinus een voorschot te vragen waren er niet. Nu nam hij het volgende kunstje te baat. Geheel buiten adem komt hij het huis van Balbinus binnen loopen en roept met jammerende stem: "Balbinus ik ben een verloren man! Geheel verloren! 't Is gedaan met mij!" Balbinus stond verstomd en verlangde de oorzaak van zoo'n groot ongeluk te weten. "De heeren van het hof hebben er lucht van gekregen wat we gedaan hebben en ik verwacht niet anders dan dat ik spoedig naar de gevangenis zal worden gebracht." Ook Balbinus werd nu in ernst bleek van schrik. Want gij weet dat 't bij ons een halsmisdaad is, als iemand zich afgeeft met alchemie zonder uitdrukkelijke toestemming van den vorst. De ander gaat voort en zegt: "Ik vrees nu wel niet den dood; ik wilde zelfs dat mij die trof! Maar ik ben bang voor iets ergers." Op de vraag: wat dat dan wel was, antwoordde hij: "Ik zal ergens naar een vesting gesleept worden. Daar zal ik mijn geheele leven dwangarbeid moeten verrichten voor menschen, voor wie ik dat niet doen wil. Is niet elke dood boven zulk een leven te verkiezen?" Nu werd er over de zaak gesproken en gepraat en beraadslaagd en ze werd van alle kanten bekeken. Balbinus die in de loopjes van de rhetorica doorkneed was, ging alle zoogenaamde geschilstaten door, om te zien of hij 't gevaar kon ontkomen. "Kunt ge," zoo vroeg hij, 't misdrijf niet loochenen?" "Volstrekt niet. De zaak is bekend onder de hovelingen van den koning en ze hebben bewijzen die niet ontzenuwd kunnen worden." 't Feit kon zelfs niet verdedigd worden omdat de wet op dit punt klaar en duidelijk was. Toen er veel in 't midden was gebracht en nergens eenig hoû-vast te vinden was, zei eindelijk de alchemist die onmiddellijk geld noodig had: "Balbinus, wij zitten hier nu plannen te beramen en maken geen voortgang. En toch eischt de zaak een oogenblikkelijke afdoening. Over enkele minuten zullen de gerechtsdienaren hier zijn om mij weg te sleepen." Toen Balbinus geen uitredding kon verzinnen, zei eindelijk de alchemist: "Er wil mij ook niets te binnen schieten. Ik geloof niet dat mij iets rest dan dat ik manmoedig sneef. Of we moesten bijgeval besluiten tot 't eenige redmiddel dat ik nog zie, meer afdoende dan eervol, waarvoor de eenige verontschuldiging is dat nood wet breekt. Ge weet: dat slag van menschen is tuk op geld en laat zich vrij gemakkelijk omkoopen om te zwijgen. Al is het ook nog zoo hard aan zulk gespuis geld te geven om dat weer gauw te verbrassen, zoo zie ik toch voor het oogenblik geen betere uitkomst." Balbinus was van dezelfde gedachte en hij telde dertig goudstukken neer om daarvoor het verlangde stilzwijgen te koopen.—PHILECOUS: Nu wat ge me daar vertelt geeft mij wel een groot denkbeeld van de scheutigheid van Balbinus.—LALUS: Daarentegen zou je hem, wanneer 't een fatsoenlijke zaak gold, eerder een tand uit zijn mond geslagen hebben dan geld uit zijn beurs. Zoo werd er voor den goudzoeker gezorgd, die geen ander gevaar had geloopen dan dat hij geen geld had voor zijn liefje.—PHILECOUS: Ik vind 't verwonderlijk dat Balbinus 't niet in de gaten kreeg.—LALUS: Ja op dit punt mist hij, als men 't goed beschouwt, elk waarnemingsvermogen, hij die anders zoo'n scherpen neus heeft. Weer wordt met een nieuwe bijdrage de oven gestookt, maar eerst een schietgebedje tot de Heilige Maagd opgezonden dat Zij hun pogingen zou willen begunstigen. Bijkans een heel jaar was reeds voorbijgegaan en nu eens onder dit, dan eens onder dat voorwendsel werd de moeite verspeeld en gingen de kosten verloren. Intusschen viel er iets kluchtigs voor.—PHILECOUS: Wat dan?—LALUS: De goudmaker had verboden omgang met de vrouw van één der heeren van het hof. Haar echtgenoot, die argwaan had gekregen, begon onzen vriend na te gaan. Toen hem eindelijk eens werd bericht dat de priester zich in de slaapkamer van zijn vrouw bevond, keert hij onverwacht naar huis terug en klopt aan de deur.—PHILECOUS: Wat wilde hij den kerel doen?—LALUS: Nou, niet veel vriendelijks! Hem dooden of hem voor goed onschadelijk maken en de gelegenheid benemen ooit weer zijn streken uit te halen. Toen de echtgenoot nadrukkelijk dreigde dat hij de deur zou intrappen als zijn vrouw niet opendeed, liep de priester angstig heen en weer, en keek rond naar een redmiddel dat hem voor 't oogenblik zou kunnen helpen. Maar er was niets te doen, dan hetgeen de gelegenheid op dat pas aanbood. Hij trok zijn kleeren uit en sprong door een nauw venster naar beneden, wat nog al gevaarlijk was en hem lichaamsletsel bezorgde: maar hij wist te ontkomen. Nu, ge weet zulke histories gaan onmiddellijk als een loopend vuurtje rond. En zoo komt 't dan ook Balbinus ter oore. Onze kunstenaar was daarop ook wel voorbereid.—PHILECOUS: Ha, nu zit onze slimmerd toch in de klem.—LALUS: Mis! Hij komt hier nog beter vandaan dan uit 't slaapvertrek van de dame. Hoor eens naar de streken van den guit. Balbinus vroeg hem nergens naar, maar zijn strak gezicht toonde genoegzaam aan, dat hij wist wat er onder de menschen werd verteld. De ander wist dat Balbinus een vroom man was, in sommige opzichten zelfs bijgeloovig. En menschen van dien aard schenken licht aan een schuldige die om vergiffenis vraagt, vergeving, al is hun zonde ook nog zoo groot. Met opzet begon hij er dus over te spreken hoe 't met de goudmakerij ging, terwijl hij er over klaagde dat de zaak niet zóóveel succes had als hij wel gewoon was of als hij wel wilde. Hij voegde er tevens aan toe dat hij er verwonderd over was, wat er toch eigenlijk aan haperde. Nu wordt Balbinus die anders 't stilzwijgen had willen bewaren, boos—en dat werd hij nog al licht—: "'t Ligt volstrekt niet in het duister wat er in den weg staat: de zonden werken ons tegen en verhinderen dat we een goeden uitslag krijgen bij dat, wat alleen door reinen rein mag worden ter hand genomen." Bij dezen uitval viel de goudmaker op zijn knieën, terwijl hij zich op de borst sloeg. Met tranen op 't gelaat en tranen in zijn stem sprak hij: "Balbinus: 't is alles waarheid wat je daar zegt: 't zijn zonden die een belemmering zijn, maar niet uwe zonden, maar de mijnen. Ik schaam er mij niet voor bij u schuld te belijden, als bij een heilig priester. De zwakheid des vleezes had mij overwonnen, en de Duivel had mij in zijn netten verstrikt. Wee mij, van priester ben ik een overspeler geworden! Maar de gave die wij aan de Heilige Maagd gezonden hebben is toch niet geheel te vergeefs geweest. Ik zou zeker geheel verloren zijn, als Zij mij niet te hulp was gekomen. De door mij bedrogen echtgenoot bonsde al op de deur, en 't venster was te nauw dan dat ik daardoor kon ontsnappen. In dat oogenblik van dreigend gevaar dacht ik aan de Heilige Maagd. Ik viel op mijn knieën, ik smeekte Haar mij te helpen, als onze gave Haar welgevallig was geweest. Na enkele oogenblikken ga ik weer naar 't venster (de nood drong; ikmoestwel) en ... ik vond het venster ruim genoeg om mij door te laten."—PHILECOUS: En geloofde Balbinus dat alles?—LALUS: Of hij het geloofde? Ja zelfs schonk hij hem vergiffenis en drukte hem op 't hart dat hij zich vroom moest gedragen en zich niet ondankbaar moest betoonen tegenover de Heilige Maagd. En wéér is hem geld uitbetaald, toen hij beloofd had, dat hij voortaan het heilige werk op reine wijze zou volbrengen.—PHILECOUS: Nu, en 't slot?—LALUS: O, 't verhaaltje is nog lang niet uit; maar ik zal 't kort maken. Toen hij met dergelijke verzinsels den man lang om den tuin had geleid en een aardige som gelds van hem had losgekregen, kwam eindelijk iemand op de proppen die den praatjesmaker van jongs af had gekend. Hij kon gemakkelijk gissen dat de kerel bij Balbinus 't zelfde spelletje speelde dat hij ook elders had gespeeld. Hij gaat dus in stilte naar Balbinus en licht hem in wat voor snaak hij in zijn huis koesterde. Hij raadt hem aan den kerel zoo spoedig mogelijk de deur te wijzen, wanneer hij soms niet wilde dat hij hem eens zou zien verdwijnen, na zijn kas geplunderd te hebben.—PHILECOUS: En wat deed Balbinus? Hij liet toch natuurlijk den spitsboef in de gevangenis opsluiten?—LALUS: In de gevangenis? Ja, dat kun-je begrijpen! Hij betaalde hem nog een reisgeld uit en bezwoer hem bij al wat heilig is, dat hij niet zou vertellen wat er gebeurd was. En mijns inziens deed hij daaraan verstandig, liever dan dat hij een onderwerp werd van praatjes in kroegen en op straat en misschien nog groot gevaar zou loopen zwaar beboet te worden. Want de bedrieger liep in het geheel geen gevaar. Hij wist niets meer van de goudmakerskunst dan iedere ezel. De bedriegerij is daarbij nogal in een voordeelige positie. Als Balbinus hem van diefstal had willen beschuldigen, dan zou zijn priesterzalving hem tegen doodstraf door ophanging hebben beschermd en niemand wil graag zoo'n doodvreter langen tijd in de gevangenis den kost geven.—PHILECOUS: Ik zou medelijden met Balbinus hebben, wanneer hij niet zelf gewild had bedrogen te worden.—LALUS: Maar nu moet ik naar het Hof. Bij een andere gelegenheid zal ik je wel eens geschiedenisjes vertellen die nog zotter zijn dan deze.—PHILECOUS: Heb ik tijd, dan zal ik er graag naar luisteren en je er een historie voor in ruil vertellen.


Back to IndexNext