[1]Ilias. XV 279. (Vosmaer).Doch weer ziende dat Hektor de schaar zijner dapperen rondging,Viel hun de schrik op het lijf, ontzonk hun de moed voor de voeten.
[1]Ilias. XV 279. (Vosmaer).Doch weer ziende dat Hektor de schaar zijner dapperen rondging,Viel hun de schrik op het lijf, ontzonk hun de moed voor de voeten.
[2]De kerk gewijd aan de Heilige Genoveva, gebouwd in 499 op hare aansporing, waarin de Heilige in het jaar 521 begraven is.
[2]De kerk gewijd aan de Heilige Genoveva, gebouwd in 499 op hare aansporing, waarin de Heilige in het jaar 521 begraven is.
[3]Door den Paus n.l.
[3]Door den Paus n.l.
[4]Zoo noemt Erasmus den monnik, die in rangorde 't dichtst bij den Prior staat.
[4]Zoo noemt Erasmus den monnik, die in rangorde 't dichtst bij den Prior staat.
[5]Men noemt zoo een opsomming van feiten in een volgorde, die de omgekeerde is van hetgeen in werkelijkheid plaats vindt. Bijv. bij Vergilius, Aeneïs I 179. "Zij maken zich gereed het graan op 't vuur te bakken en 't op den steen stuk te stooten;" in werkelijkheid gaat het stukstooten vooraf aan het bakken.
[5]Men noemt zoo een opsomming van feiten in een volgorde, die de omgekeerde is van hetgeen in werkelijkheid plaats vindt. Bijv. bij Vergilius, Aeneïs I 179. "Zij maken zich gereed het graan op 't vuur te bakken en 't op den steen stuk te stooten;" in werkelijkheid gaat het stukstooten vooraf aan het bakken.
[6]Duns Scotus, één der invloedrijkste scholastici uit de 14e eeuw, die de Onbevlekte Ontvangenis van Maria in tweehonderd bewijzen tegenover Thomas van Aquino verdedigde, waardoor hij veel bijdroeg dat dit een leerstuk der R.C. kerk werd. Zijn spitsvondige dialectiek bezorgde hem dan naam van Doctor Subtilis.
[6]Duns Scotus, één der invloedrijkste scholastici uit de 14e eeuw, die de Onbevlekte Ontvangenis van Maria in tweehonderd bewijzen tegenover Thomas van Aquino verdedigde, waardoor hij veel bijdroeg dat dit een leerstuk der R.C. kerk werd. Zijn spitsvondige dialectiek bezorgde hem dan naam van Doctor Subtilis.
[7]Verg. Ecloga III 16. Quid domini faciant, ausint quum talia fures?
[7]Verg. Ecloga III 16. Quid domini faciant, ausint quum talia fures?
[8]Verg. Aeneïs VI. 126.Facilis descensus AvernoSed revocare gradum, superasque evadere ad auras,Hoc opus, hic labor est.
[8]Verg. Aeneïs VI. 126.Facilis descensus AvernoSed revocare gradum, superasque evadere ad auras,Hoc opus, hic labor est.
[9]Toespeling op het Grieksche spreekwoord: een aap blijft een aap, ook al draagt hij gouden sandalen. Vergelijk Vader Cats:Al draagt de aap een gouden ringHij is en blijft een morsig ding.
[9]Toespeling op het Grieksche spreekwoord: een aap blijft een aap, ook al draagt hij gouden sandalen. Vergelijk Vader Cats:Al draagt de aap een gouden ringHij is en blijft een morsig ding.
[10]Patricius, St. Patrick, wordt de Iersche Apostel genoemd omdat hij, in 433 door Paus Celestinus naar Ierland gezonden, daar vele bekeerlingen maakte.
[10]Patricius, St. Patrick, wordt de Iersche Apostel genoemd omdat hij, in 433 door Paus Celestinus naar Ierland gezonden, daar vele bekeerlingen maakte.
Onder de samenspraken van Erasmus vindt men een viertal die ten titel voeren "Maaltijd." (Eéne heet 'tdichterlijkmaal, een tweede 'tgodsdienstig, een derde 'twereldschen een vierde hetSprookjesmaal.) De eerste drie bevatten gesprekken over godsdienstige onderwerpen, plaatsen uit den Bijbel, over spraakkunst en litteratuur. De laatste, het Sprookjesmaal dat hieronder volgt, is een aaneenschakeling van anecdotes, ook geschiedkundige, waarmee eenige gasten elkander den maaltijd opvroolijken.
Onder de samenspraken van Erasmus vindt men een viertal die ten titel voeren "Maaltijd." (Eéne heet 'tdichterlijkmaal, een tweede 'tgodsdienstig, een derde 'twereldschen een vierde hetSprookjesmaal.) De eerste drie bevatten gesprekken over godsdienstige onderwerpen, plaatsen uit den Bijbel, over spraakkunst en litteratuur. De laatste, het Sprookjesmaal dat hieronder volgt, is een aaneenschakeling van anecdotes, ook geschiedkundige, waarmee eenige gasten elkander den maaltijd opvroolijken.
JAN: Zooals geen welingerichte staat kan bestaan zonder wetten en zonder hoofd, zoo mag ook dit gastmaal niet zonder president en zonder reglement zijn.—HENDRIK: Uitstekend! Uit naam van ons allen durf ik wel verzekeren dat wij 't allen daarmee eens zijn.—JAN: Heidaar, bediende, breng de dobbelsteenen eens hier! Die moeten beslissen, wien Jupiter zóó heeft begunstigd dat hij hem tot tafelpresident maakt. Mooi zoo! De hemel is gunstig geweest aan Willem. 't Lotistoch niet blind. Onmogelijk kon een geschikter persoon gekozen worden, ook al had er hoofdelijke stemming plaats gehad. Doorgaans schermt men met een spreekwoord dat wel waarheid bevat, maar eigenlijk geen Latijn is: "novus rex nova lex;" nieuwe heeren nieuwe wetten: zeg ons dus, o vorst! uwe wetten.—WILLEM: Allen bij dezen maaltijd aangezeten: heil! Vooreerst doe ik bij dezen als mijn wil kennen, dat niemand hier iets anders vertelle dan lachwekkende verhalen. Wie geen vertelseltje kent, wordt met een halven gulden beboet. Dat geld worde voor wijn gebruikt. Onder de wettig erkende verhalen zullen wij ook die rekenen welke voor de vuist weg verteld worden, mits slechts de maat van 't waarschijnlijke en betamelijke niet overschreden worde. Als er niemand is die met een vertelsel in gebreke is gebleven, dan zullen twee 't gelag van den wijn betalen, nl. de een die 't aardigste, de ander die 't flauwste verhaal heeft ten beste gegeven. De gastheer moet vrijgesteld blijven van een bijdrage in de kosten van den wijn. Hij heeft alleen te zorgen voor de spijzen. Mocht hierover soms eenig geschil ontstaan, dan moet Hendrik als scheidsrechter optreden. Indien ieder dit gehoord heeft en niemand er tegen is, dan heeft dit kracht van wet. Wie aan die wet niet wil gehoorzamen, ga heen, maar met dien verstande dat hij morgen bij ons drinkgelag mag terugkomen.—HENDRIK: We willen dat de wet door onzen voorzitter gegeven bij acclamatie van kracht worde verklaard. Maar bij wien begint de kring van onze vertellingen?—WILLEM: Bij wien anders dan bij den gastheer?—KAREL: Voorzitter, een paar woordjes als ik mag.—WILLEM: Denk je soms dat we hier stommetje moeten spelen?—KAREL: De rechtsgeleerden zeggen dat een onbillijke wet geen wet is.—WILLEM: Dat geef ik toe.—KAREL: Maar toch stelt uw verordening 't beste verhaaltje gelijk met het slechtste.—WILLEM: Waar het te doen is om ons te vermaken, daar heeft hij die 't leelijkst gesproken heeft niet minder lof verdiend dan hij die heel goed sprak, en wel om deze reden: dat de een niet minder tot 't genoegen bijdroeg dan de ander. Zoo is het onder zangers bijvoorbeeld ook: niemand schenkt genot, dan wie bij uitstek goed zingt of bijzonder leelijk. Wordt er niet meer gelachen, wanneer men den koekoek hoort dan bij 't hooren van de nachtegaal? Middelmatigheid vindt hierbij geen lof.—KAREL: Maar waarom worden zij gestraft die een prijs verdienen?—WILLEM: Om te maken dat niet hun al te groot geluk een wraakgodin oproepe, wanneer ze èn den prijs èn straffeloosheid verwierven.—KAREL: Bij Bacchus! Minos, de rechtvaardigste wetgever[1]die er ooit is geweest, heeft nooit een billijker wetsbepaling gemaakt.—PIETER: En zult gij geen voorschriften geven welke regels bij 't drinken in acht moeten worden genomen?—WILLEM: Na rijp beraad zal ik het voorbeeld volgen van den Spartaanschen koning Agesilaos.—PIETER: Wat deed die?—WILLEM: Toen hij eens bij keuze van 't lot tot tafelpresident was gekozen en de hofmeester hem vroeg hoeveel wijn hij bij elken gast moest plaatsen, antwoordde hij dezen: "Als gij tamelijk veel wijn in voorraad hebt, geef dan aan ieder zooveel hij vraagt; als de voorraad wat minder rijk is, verdeel dien dan gelijkelijk onder allen."—PIETER: Wat bedoelde de Spartaan met die woorden?—WILLEM: Hij had er dit mee op het oog: om het maal niet tot een dronkemanspartij te maken, maar ook niet tot een aanleiding om te mopperen.—PIETER: Hoe dat zoo?—WILLEM: Omdat er zijn die graag veel drinken, maar ook anderen die 't liever wat kalm-aan doen. Er worden ook menschen gevonden die geheel-onthouders zijn, zooals men zegt dat koning Romulus is geweest. Als er dus aan niemand wijn gegeven wordt of hij moet er om vragen, dan wordt vooreerst niemand gedwongen om te drinken en toch behoeven zij die van een flink glas wijn houden, er niet minder om te drinken. Zoo komt 't, dat dan iedereen vroolijk is aan tafel. En omgekeerd, wanneer met schriele hand de wijn in gelijke porties wordt rondgedeeld aan iederen gast afzonderlijk, dan krijgen zij die wat matig drinken genoeg; terwijl ook niemand bij een gelijke uitdeeling murmureeren kan, wanneer hij ziet dat iemand, die van plan was het er eens goed van te nemen, zich kalm moet schikken naar matigheid. Als u dus het voorbeeld van den Spartaanschen koning bevalt dat ik daar aanhaalde, dan zullen wij dat volgen. Immers wij willen dat het maal gezellig worde door de vertellingen, niet door den invloed van veel wijn.—PIETER: Wat dronk Romulus dan?—WILLEM: Wat de hondjes ook drinken.—PIETER: Is dat een koning niet onwaardig?—WILLEM: Volstrekt niet meer onwaardig, dan wanneer koningen lucht inademen die ze ook met de honden deelen. Alleen met dit onderscheid: de koning drinkt niet hetzelfde water dat de hond drinkt, maar de lucht die de koning heeft uitgeademd, die ademt de hond in en op zijn beurt ademt de koning ook weer de lucht in, die de hond heeft uitgeademd. Alexander de Groote zou vrij wat beroemder zijn als hij zich met den hondendrank had tevreden gesteld. Niets toch is voor een koning die voor zooveel drinkende menschen moet zorgen, gevaarlijker dan dronkenschap. Maar dat Romulus geheel-onthouder is geweest, blijkt uit een niet onaardige uiting van hem. Toen eens iemand die zag dat hij geen wijn dronk, gezegd had: "wat zal de wijn goedkoop worden, wanneer allen dien drinken zooals hij," toen antwoordde hij: "Neen juist niet; ik denk dat hij heel duur zou worden, wanneer allen dien dronken zooals ik. Want ik drink juist zooveel als ik wil."—HENDRIK: Ik woû wel dat onze vriend de kanunnik Johannis Botzemus uit Constanz hier was, om ons een levend voorbeeld van dien Romulus voor oogen te stellen. Want hijiswerkelijk een even groot wijnvijand, als menzegtdat hij 't is en toch is hij een gezellig kameraad en een vroolijk dischgenoot.—JAN: Kom-aan, wanneer gij niet tegelijk kunt slurpen en blazen (wat Plautus zegt dat zoo moeilijk is) maar eten en hooren, wat heel gemakkelijk is, dan wil ik onder goede voorteekenen wel een begin maken met vertellen. Al ge soms 't verhaaltje niet heel geestig vindt, weet dan dat 't een Hollandsche mop is. Verscheidene onder u zullen den naam van een zekeren Maccus wel eens gehoord hebben.—HENDRIK: Niet lang geleden is hij gestorven.—JAN: Toen de man te Leiden aankwam en zich daar als vreemdeling door een grap bekend wilde maken (want dat was zijn "fort") ging hij een schoenenwinkel binnen en groette beleefd. De schoenmaker die graag wat van zijn waar kwijt wilde wezen, vroeg hem wat er van zijn dienst was. Toen Maccus zijn oogen liet vallen op een paar kappen van laarzen die daar hingen, vroeg hij of zijn nieuwe klant soms kappen verlangde, Maccus zei van ja en de baas ging een paar uitzoeken dat voor de beenen van zijn cliënt geschikt was. Toen hij ze gevonden had, haalde hij ze voor den dag en (zooals schoenmakers dat gewoonlijk doen) gespt ze hem aan. Toen nu Maccus keurig netjes met zijn kuiten in de kappen zat, zei hij: "Wat zou daar een paar schoenen met dubbele zolen netjes bij staan." Op de vraag van den koopman of hij ook schoenen wilde, knikte hij van ja. Die worden opgezocht en aan de voeten getrokken. Maccus prees de kappen, hij roemde de schoenen. De schoenmaker, inwendig blij, zong 't lofliedje met hem mee, hopend op een hoogeren prijs wanneer den klant de koop zóó goed beviel. Zoo waren ze reeds met elkander op een vrij gemeenzamen voet geraakt. Daarop zei Maccus: "Zeg ereis eerlijk: is 't je nooit gebeurd dat, wanneer je iemand zóó met kappen en laarzen voor een tocht hadt uitgerust, zooals gij 't mij nu gedaan hebt, dat hij er dan van door ging, zonder je te betalen?" "Nooit," was 't antwoord. "Maar als 't nu soms eens gebeurde, wat zou je dan doen?" "'k Zou hem hard achterna loopen," zei de schoenmaker. Toen zei Maccus: "Zeg je dat in ernst of in scherts?" "In vollen ernst," zei de ander, "en ik zou 't ook werkelijk doen." "Ik wil 't eens probeeren," zei Maccus. "Kijk ik loop weg: 't gaat om de schoenen! Zet mij nu na!" En tegelijk zette hij 't op een loopen. De schoenmaker hem achterna zoo hard hij kon, al roepend: "houdt den dief, houdt den dief!" Toen op dat geroep de burgers overal uit hun woningen voor den dag kwamen, wist Maccus hen door 't volgend leugentje te beletten hem tegen te houden. Hij riep hun namelijk toe: "Niemand mag ons in onzen loop tegenhouden: we loopen om 't hardst om een ton bier." En zoo keken de burgers bij den wedloop toe, zonder dien te storen. Ze vermoedden echter dat de schoenmaker zijn roep aanhief uit list, om daardoor een kansje te krijgen 't van den ander te winnen. Eindelijk moest onze schoenmaker het opgeven; bezweet en buiten adem keerde hij naar huis terug. Maccus had den prijs gewonnen.—HENDRIK: Die Maccus is wel den schoenmaker ontloopen, maar niet den dief.—JAN: Hoe zoo?—HENDRIK: Omdat hij den dief in zijn eigen persoon bij zich hield.—JAN: Misschien had hij op dat oogenblik geen contanten en heeft hij 't geld later wel betaald.—HENDRIK: Maar daar was toch grond om een gerechtelijken eisch tegen hem in te stellen.—JAN: Dieisook later ingesteld. Maar toen had Maccus al eenige kennissen onder de overheden.—HENDRIK: En waarmee kwam Maccus voor den dag?—JAN: Waarmee? Vraag je dat nog? in een zaak zoo licht te winnen? De eischer liep grooter gevaar dan de beschuldigde.—HENDRIK: Hoe dat zoo?—JAN: Omdat hij hem van laster beschuldigde en de wet op hem wilde toepassen die voorschrijft, dat iemand die een ander iets aanwrijft wat hij niet bewijzen kan, dezelfde straf moet lijden die de beschuldigde zou gekregen hebben wanneer het van hem bewezen was. Maccus verklaarde dat hij geen stuk had aangeraakt tegen den wil van den eigenaar. Dat deze daarentegen met alles uit eigen beweging was komen aandragen, dat er van een prijs niet gesproken was. Dat hij den schoenmaker tot den wedloop had uitgedaagd en dat de man die uitdaging had aangenomen. Reden tot klagen had hij niet; hij had 't in den wedloop eerlijk verloren.—HENDRIK: Dit geding heeft wel wat van dat bekende proces om de schaduw van den ezel. En hoe liep 't af?—JAN: Toen er genoeg gelachen was, noodigde één der rechters Maccus bij zich te eten en aan den schoenmaker werd 't geld uitbetaald. Iets dergelijks is in mijn jongensjaren ook te Deventer gebeurd. 't Was in den vastentijd, waarin (naar het spreekwoord zegt) de visschers 't heft in handen hebben en de slagers ledig rondloopen. Er stond iemand bij de uitstalling van een fruitvrouw, een verbazend dik wijf; met gespannen blikken keek hij naar alles wat te koop lag uitgestald. Als gewoonlijk vroeg ze of mijnheer iets noodig had. En toen zij zag hoe hij zijn oogen op de vijgen gevestigd hield vroeg ze: "Wilt u vijgen? Ze zijn overheerlijk." Toen hij geknikt had van ja, vroeg ze hoeveel pond hij verlangde. "Wil u vijf pond?" Op zijn toestemmenden knik schudde ze hem dat gewicht in een slip van zijn kleed. Terwijl zij haar weegschaal opbergt, gaat de kooper heen, niet hard wegloopend, maar kalm en bedaard. Toen de koopvrouw weer terugkwam om 't geld in ontvangst te nemen zag ze den kooper rustig wegwandelen. Zij zette hem na, meer met haar stem dan met haar beenen. Hij deed net als of hij 't niet merkte en ging door. Eindelijk bleef hij staan, toen veel menschen op 't geschreeuw van de koopvrouw kwamen aanloopen. Nu wordt te midden van 't volk de zaak behandeld. Algemeen gelach! De kooper zegt dat hij niet gekocht heeft, maar alleen dankbaar aangenomen wat hem beleefd werd aangeboden. Als ze hem voor 't gerecht wilde dagen, dat hij dan zou verschijnen.—HENDRIK: Kom aan. Ik zal ook een verhaaltje ten beste geven dat misschien wel eenigszins gelijk is aan 't uwe, maar toch niet minder aardig is. Alleen is de hoofdpersoon niet zoo beroemd als uw Maccus. De wijsgeer Pythagoras verdeelde de geheele markt in drie klassen van menschen: de eene groep komt om te verkoopen, de andere om te koopen en deze beide soorten van menschen, zei hij, hebben 't hoofd vol zorgen en zijn dus niet gelukkig. Anderen komen alleen maar op de markt om te zien wat er te koop geboden wordt of wat er omgaat: dat zijn alleen de gelukkigen, omdat ze vrij zijn van zorg en pret hebben die hun niets kost. "En zóó," zei de wijsgeer, "gaat 't ook in de wereld toe; dáár in 't groot, zooals bij den handel op de markt in 't klein." Op de plaatsen waar bij ons handel gedreven wordt, op de markt en de beurs, loopt gewoonlijk nog een vierde soort van menschen rond die niet koopen, niet verkoopen en ook geen toekijkers zijn, maar die overal op den loer liggen of ze soms iets kunnen stelen. En onder dat slag van volk treft men er die weergaasch handig zijn: men zou zeggen dat ze ter wereld waren gekomen onder bescherming van den dievengod Mercurius. Onze gastheer heeft een verhaaltje ten beste gegeven met een aanhangsel; ik zal er nu een geven waarvan ik de voorafspraak reeds gehouden heb. Hoort dan verder wat onlangs in Antwerpen is gebeurd. Een priester had er een aardig sommetje geld gebeurd, en wel in zilvergeld. Een bedrieger had dit bemerkt. Hij klampt den priester aan, die in zijn gordel de beurs droeg, gespannen van de geldstukken. Hij groet hem beleefd. Hij vertelt hem dat hem door zijn mede-parochianen is opgedragen, voor hun kapelaan een nieuw priesterkleed te koopen, zooals de geestelijken dat dragen wanneer zij de mis bedienen. Hij vraagt dus beleefd of hij hem met zijn raad wel zou willen bijstaan, of hij met hem wilde meegaan naar een winkel waar zulke kleedingstukken te koop zijn. "Ik zou dan naar de maat van uw lichaam een kleed kunnen nemen wat grooter of wat kleiner; want mij dunkt dat uwe gestalte vrijwel overeenkomt met die van onzen kapelaan." Nu, dezen dienst, die van zoo weinig beteekenis scheen, wilde de geestelijke hem graag bewijzen. Ze gaan een winkel binnen. Een priesterkleed wordt voor den dag gehaald: de geestelijke trekt 't aan; de koopman zegt dat 't prachtig past. Nadat de gauwdief den priester nu eens van voren, dan van achteren had aangezien, vindt hij het kleedingstuk niet kwaad, maar hij maakt toch de opmerking, dat 't kleed van voren korter is dan eigenlijk wel mag. Toen zei de verkooper, daar hij bang was dat de koop niet zou doorgaan, dat dit niet de schuld was van het gewaad, maar dat de goedgevulde beurs de oorzaak was dat 't opschortte en dat het daardoor te kort scheen. Om kort te gaan: de priester legt zijn beurs af, opnieuw bekijken zij 't kleedingstuk. Toen de priester zich even omdraait, grijpt de gauwdief de beurs en maakt er zich mee uit de voeten. De priester zet hem achterna, zóóals hij daar stond, met zijn priesterkleed aan, en achter den priester de kleerenkoop. De priester roept: "houdt den dief;" de koopman gilt: "pakt dien priester;" de gauwdief roept: "Houdt dien priester vast, hij is dol!" en men wilde dat graag gelooven, toen ze hem zoo opgesierd op straat zagen hollen. En terwijl dus de een den ander tegenhield kon de gauwdief ontsnappen.—WILLEM: 't Is er een die verdient dubbel gehangen te worden, zoo'n slimmerd!—HENDRIK: Als hij al niet lang hangt!—WILLEM: 'k Hoop dat hij niet alleen hangt, maar met hem de lieden, die dergelijke schurken tot nadeel van 't groote publiek begunstigen.—HENDRIK: Ze begunstigen hen niet voor niets. Het is, volgens Homerus' dichtregel, een keten die neerhangt op aarde, maar van boven met Jupiter in aanraking is.—WILLEM: Laten we tot onze anecdotes terugkeeren.—KAREL: De beurt is aan u, zoo 't ten minste geen heiligschennis is den koning zelven tot de orde te roepen.—WILLEM: Ik behoef niet geroepen te worden. Integendeel, ik keer gaarne uit me zelven tot de orde terug. Anders zou ik een tyran zijn, geen koning, wanneer ik bezwaren maakte mij te onderwerpen aan de wetten die ik aan anderen voorschrijf.—KAREL: En toch zeggen ze dat een vorst boven de wet staat.—WILLEM: Heelemaal verkeerd is dat niet gezegd, wanneer men althans onder vorst wil verstaan den vorst, dien ze toen Keizer noemden. En verder, wanneer jij 't zóó uitlegt: dat hij uit eigen beweging veel royaler datgene doet, wat anderen, hoe dan ook, gedwongen doen. Immers, wat de ziel is voor het lichaam, dat is een goed vorst voor den staat. Waartoe behoeven wij er evenwel bij te voegen "goed;" daar toch een slecht vorst geen vorst is, evenmin als een onreine ziel, die zich in een menschenlichaam genesteld heeft, een ziel van dat lichaam is. Maar kom aan! Het verhaal zou komen. Mij dunkt 't is goed van pas, wanneer ik als koning van dit maal, ook een verhaal met een koning er in, vertel. Toen Koning Lodewijk de Elfde, omdat in zijn rijk de boel in 't honderd liep, rondzwierf bij de Bourgondiërs, maakte hij bij gelegenheid van een jacht kennis met een zekeren Conon, een eenvoudigen boer, maar een man met een trouwhartig en eerlijk gemoed. Vorsten hebben dikwijls veel op met zulk slag van menschen. Na de jacht kwam de koning dikwijls in de hofstee van dien man eenige oogenblikken binnen en zooals groote heeren vaak schik hebben in plebeïsche genoegens, zoo smulde hij dikwijls bij hem aan rapen. Toen Lodewijk korten tijd daarna op zijn troon hersteld, de heerschappij over Frankrijk weer in handen had, werd Conon door zijn vrouw aangespoord om den koning toch eens te herinneren aan de vroeger bij hen genotene gastvrijheid. Conon maakte zwarigheden: 't zou toch maar verloren moeite wezen, vorsten toch denken niet aan zulke diensten. Maar de vrouw zette door en kreeg haar zin. Conon zoekt eenige bijzonder mooie rapen uit en maakt zich voor de reis gereed. Maar onderweg laat hij zich door 't aanlokkelijke van de spijs verleiden en peuzelt ze achtereenvolgens allen op, behalve één: een bijzonder grooten knol. Toen Conon tot 't binnenplein had weten door te sluipen, waarlangs de koning moest komen, herkende deze hem terstond en liet hem bij zich komen. Conon haast zich den koning de raap aan te bieden: de koning neemt die met nog grootere bereidwilligheid aan, terwijl hij aan iemand uit zijn omgeving opdraagt, het voorwerp zorgvuldig neer te leggen bij de dingen die hem het liefst zijn. Hij noodigt Conon bij zich aan tafel en toen deze weer naar zijn boerderij terug wilde gaan liet hij hem voor zijn knol duizend gouden kronen uitbetalen. Toen 't gerucht hiervan, zooals dat gaat, spoedig onder 's konings hofstoet verbreid was, gaf één der hovelingen den koning een mooi paard ten geschenke. De koning begreep heel goed, dat zijn hoveling zich had laten verlokken door de vrijgevigheid die jegens Conon was betoond, en dat de man hoopte op een rijke belooning. Maar hij nam met een bijzonder opgewekt gelaat 't geschenk aan; riep zijn rijksgrooten bijeen en legde hun de vraag voor, met welk een geschenk hij dat prachtige en kostbare paard wel zou kunnen vergelden. Intusschen koesterde hij, die 't paard geschonken had, de grootste verwachtingen. Hij redeneerde zóó bij zichzelven: "Als hij een raap door een boer gegeven zóó royaal beloont, hoeveel rijkelijker zal hij dan zoo'n prachtpaard, door een hoveling aangeboden, wel vergelden?" Toen de koning bij zijn rondvraag over deze zaak van den één dit, van den ander dàt antwoord kreeg en de inhalige winstjager lang door ijdele hoop in spanning was gehouden, sprak ten slotte de koning: "Daar schiet mij iets te binnen wat ik hem kan geven." Hij riep één der hovelingen tot zich, fluisterde hem in 't oor dat hij naar zijn slaapkamer moest gaan en van daar van een plaats die hij hem aanduidde, moest halen wat hij daar, zorgvuldig in een zijden doek gewikkeld, zou vinden. Wat brengt hij, goed ingepakt mee terug? De raap van den boer! De koning reikte eigenhandig den hoveling het pak over, terwijl hij er bijvoegde: dat naar zijn meening met een kleinood, betaald met duizend goudstukken, 't paard rijkelijk beloond was. De hoveling gaat ter zijde, knoopt den doek los en vindt in plaats van een verwachten schat wel geen "houtskool" zooals 't spreekwoord zegt, maar een half verdroogde koolraap.[2]De gefopte winstjager werd algemeen uitgelachen.—KAREL: Als gij 't toestaat, o koning, dat ik, als man uit het volk over koninklijke dingen spreek, zal ik over dienzelfden Lodewijk een verhaaltje doen dat mij nu te binnen schiet. Zoo lokt 't ééne verhaaltje 't andere uit. Een bediende zag eens op 's konings rok een luis kruipen: hij boog zich voor den koning op de knieën en gaf door zijn hand op te heffen te kennen dat hij den vorst den een of anderen dienst wilde bewijzen. Lodewijk zei dat hij zijn gang kon gaan, de man nam de luis op en wierp die heimelijk weg. Toen de koning vroeg wat 't was, schaamde hij zich 't te zeggen. Op 't aandringen van den koning, kwam 't hooge woord er uit: dat 't een luis was geweest. "Dat is een goed teeken," zei de koning, "'t Bewijst dat ik een mensch ben, daar dat soort van ongedierte speciaal bij den mensch huist, voornamelijk bij jonge menschen." En hij liet den man voor zijn dienstbetoon veertig goudkronen uitbetalen. Na eenige dagen kwam een ander die had gezien, hoe aan den eerste dat bewijzen van een nederigen dienst geen windeieren had gelegd en die niet begreep dat 't er heel wat toe doet, of men zoo iets van harte dan wel met bijbedoelingen verricht, na eenige dagen dan, kwam een ander met een dergelijk gebaar tot den koning. Deze liet hem ook weer begaan en hij deed alsof hij iets van 's konings mantel af nam dat hij onmiddellijk wegwierp. Toen de koning hem zag aarzelen en er op aandrong te weten, wat 't geweest was, antwoordde hij eindelijk met geveinsde schaamte dat 't een vloo was. "Wat?" zei de koning, die 't bedrog doorzag, "zie je mij voor een hond aan?" Hij liet den man beetpakken en in plaats van veertig goudstukken, veertig slagen toedienen.—REINIER: Mij dunkt 't is niet geraden met koningen grapjes uit te halen. Leeuwen laten zich wel eens kalm streelen, maar als ze willen, zijn 't ook weer eensklaps leeuwen en ... hij die met hen speelde ligt op den grond. Zoo is 't ook met koningen in hun goeden luim. Maar ik zal nu een verhaaltje vertellen dat met het daareven vertelde groote overeenkomst heeft. We stappen intusschen nog niet af van Lodewijk, die er steeds een groot vermaak in vond happige en inhalige hovelingen teleur te stellen. Hij had van den een of ander tienduizend goudstukken ten geschenke ontvangen. Zoo dikwijls vorsten een voorraad geld krijgen azen alle ambtenaren daarop en hopen een stukje van den buit deelachtig te worden. Ook Lodewijk wist dit heel goed. Toen dus dit geld op de tafel lag uitgeteld, om allen nog meer in hun groote verwachtingen te prikkelen, sprak hij tot de omstanders: "Wat zeg-jelui er van? Vind-je niet dat ik een rijk koning ben? Hoe zullen we zoo'n groote som beleggen? Maar, 't is gegeven geld, 't moet ook weer weggegeven worden. Waar zijn nu de vrienden aan wie ik verplichtingen heb voor mij bewezen diensten? Ze moeten zich melden voordat de geldstroom is opgedroogd." Op die roepstem komen velen aanloopen. Ieder meent voor zich zelven op iets te mogen rekenen. Toen de koning er één zag, die met bijzonder begeerige oogen naar 't geld stond te kijken, wendde hij zich tot hem en zei: "Nou vriendje, wat heb jij te vertellen?" De man deelde nu mee dat hij geruimen tijd 's konings valken had gevoederd, met nauwgezette zorg en met groote kosten: en zoo bracht de één dit, de ander dat te berde. Ieder vijzelde, zooveel hij kon, 't geen hij verricht had op, en daar liep menige leugen onder. De koning hoorde hen allen welwillend aan en gaf na ieders mededeelingen zijn goedkeuring te kennen. De beraadslaging werd opzettelijk door hem gerekt om ze allen des te langer in de pijnlijke onzekerheid te laten. Onder de aanwezigen bevond zich ook de Rijkskanselier, dien de koning mede had laten ontbieden. Deze was voorzichtiger dan de anderen, prees zijn verdienstelijke daden niet aan en gedroeg zich als lijdelijk toeschouwer. De koning wendde zich tot hem met de vraag: "En wat zegt mijn Kanselier? Hij is de eenige die niets vraagt en zijn daden niet ophemelt?" De Kanselier antwoordde: "Ik heb meer bewijzen van uw koninklijke welwillendheid ontvangen dan ik wel verdiend had en mijn grootste zorg is hoe ik die weldadigheid jegens mij zal kunnen vergelden. Zóó ver is 't er van af, dat ik nog meer zou willen vragen." En toen de koning vroeg: "Zijt gij dan de eenige onder allen die geen geld noodig hebt?" luidde het antwoord: "Uw royaliteit heeft gemaakt dat ik 't niet noodig heb." De koning wendde zich toen tot de anderen en sprak: "Waarlijk, ik ben wel de grootmachtigste van alle koningen dat ik zóó'n rijken Kanselier heb." Aller hoop werd verlevendigd daar ze dachten dat 't geld onder de anderen zou verdeeld worden, nu deze op niets aanspraak maakte. Toen de koning nu lang genoeg met hen gespeeld had, liet hij den Kanselier de geheele som naar zijn huis meenemen en zei daarop, de overigen aansprekend: "Jelui moet nu maar eens een andere gelegenheid afwachten."—REINIER: Het verhaaltje dat ik nu ga vertellen zult ge misschien minder aardig vinden, maar ik begin dadelijk u te verzoeken mij niet te verdenken van kwade trouw of booze streken, alsof ik met opzet zou pogen mij aan mijn verplichting te onttrekken. Zeker iemand kwam tot denzelfden Lodewijk met het verzoek, hem met een post die toevallig in 't dorp waar hij woonde, open was, te willen begunstigen. Zoodra de koning 't verzoek gehoord had zei hij onverwijld: "Uw verzoek zal niets uitwerken," waarmee hij onmiddellijk bij den man alle hoop afsneed om gedaan te krijgen wat hij vroeg. De sollicitant ging, met een dankbetuiging aan den koning dadelijk heen. De koning die aan zijn gezicht wel kon zien dat hij te doen had met een alles behalve onhandigen man liet hem terug roepen, daar hij vermoedde dat de man niet precies begrepen had, wat hij bedoeld had. De man komt terug. Toen zei de koning: "Had je begrepen wat ik je geantwoord had?" "Ja zeker, Sire." "Wat heb ik dan gezegd?" "Dat ik met mijn verzoek niets zou uitrichten." "En waarom bedankte je mij daarvoor?" "Omdat ik thuis heel wat te doen heb. Ik zou hier dus tot mijn groot nadeel een twijfelachtige hoop hebben nagejaagd. Nu reken ik het als een gunst van uwe zijde dat ge me dadelijk het gevraagde geweigerd hebt. Ik beschouw als winst wat ik verloren zou hebben, wanneer ik mij lang met een ijdele hoop had moeten vleien." Uit dat antwoord meende de koning te mogen opmaken, dat hij met een alles behalven laksen man te doen had, en na enkele vragen zei hij: "Je zult hebben wat je vraagt: dan kun je mij dubbel bedanken." Tevens wendde hij zich tot de hofbeambten en beval hun onmiddellijk 't bewijs van aanstelling gereed te maken om den man niet langer op te houden en hem tijdverlies te besparen.—FLIP: 'k Zou ook nog wel wat over dien zelfden Lodewijk kunnen vertellen, maar ik wil nu liever iets zeggen over onzen Keizer Maximiliaan. Evenmin als deze gewoon was zijn geld te begraven, even milddadig was hij tegenover hen die hun geld hadden verspeeld, mits ze maar een adellijken titel voerden. Toen hij eens een jongmensch van dat slag wilde helpen, gaf hij hem de opdracht, in een zekere stad onder het een of ander voorwendsel, honderdduizend gulden te gaan innen. Nu, de rechtsgrond was van dien aard dat, als de afgevaardigde door handigheid iets kon los krijgen, dit als winst kon worden beschouwd. De man wist vijftigduizend gulden te bemachtigen en droeg aan den Keizer dertigduizend af. De Keizer was blij met zijn ongehoopt voordeeltje: hij liet zijn gezant gaan zonder verder eenige navraag te doen. Intusschen kregen de ontvangers en de leden van de rekenkamer er de lucht van, dat er meer was geïnd dan er was afgedragen. Zij dringen er dus bij den Keizer op aan, dat hij den man zou laten roepen. Hij werd ontboden en komt onmiddellijk. Maximiliaan zei: "Ik hoor ge hebt vijftig duizend goudguldens ontvangen." "Ja, Sire." "En ge hebt mij maar dertig duizend uitgekeerd." Ook hierop moest hij ja zeggen. "Leg dan rekening en verantwoording af van de rest." Hij beloofde dat te zullen doen en ging heen. Doch van de rekening en verantwoording kwam niets en op aandringen van de finantiëele beambten werd de jonge man weer ontboden. Toen zei de Keizer: "Onlangs heb ik u gezegd rekening en verantwoording af te leggen." "Dat weet ik zeer goed," zei de ander, "en ik ben er juist druk mee bezig." De Keizer vermoedde dat de rekening nog niet geheel was opgemaakt en liet hem dus vertrekken. Toen hij zoo met hen speelde, drongen de beambten bij den Keizer meer en meer aan: ze verklaarden dat 't toch niet aanging dat de Keizer zóó openlijk voor den gek werd gehouden. Ze wilden dus Maximiliaan overhalen, dat de jonge man zou worden ontboden en in hunne tegenwoordigheid verantwoording zou afleggen. De Keizer gaf zijn toestemming. Ontboden kwam hij op staanden voet, zonder eenig bezwaar te maken. "Hebt ge mij niet beloofd verantwoording af te leggen?" "Zeker heb ik dat, o vorst." "Nu," zei de Keizer, "die moeten wij terstond hebben: daar zitten de personen die ze van u zullen overnemen. Langer uitstel komt niet meer te pas." De finantiëele beambten zaten daar, met de boeken voor 't doel geopend. Zeer handig zei toen de jonge man: "Ik onttrek mij, Sire, volstrekt niet aan de rekening en verantwoording. Maar in zulk soort van rekening ben ik niet heel knap, daar ik 't nooit heb behoeven te doen. De heeren die daar zitten zijn daarentegen hoogst bedreven in die kunst. Als ik maar eenmaal gezien heb hoe zij een dergelijke rekening opmaken, dan kan ik het licht nadoen. Ik verzoek u dus onderdanig hun te bevelen mij een voorbeeld te geven. Ze zullen aan mij als leerling eer beleven." De Keizer begreep den steek van den jongen man zeer goed, ofschoon zij, tegen wie hij gemunt was, dien niet voelden en hij zei lachend: "Je hebt gelijk en wat je vraagt is niet meer dan billijk." Met deze woorden liet hij den jonker vertrekken. Deze had den Keizer bedekt willen te kennen geven dat zij aan hun meester juist zóó'n rekening en verantwoording aflegden alshij't gedaan had, met dien verstande dat een goed deel van 't geld bij hen zelf was gebleven.—KOOS: 't Wordt nu tijd dat we "van den os op den ezel komen" zooals 't spreekwoord zegt, wel te verstaan van vorsten op den Leuvenschen pastoor Antonius, die bij Filips den Goeden van Bourgondië zoo in blakende gunst stond. Van dien persoon worden veel aardige zetten en veel grappige streken verteld, ofschoon de meeste wel een beetje schuin zijn. Want 't grootste deel van zijn aardigheden placht hij te kruiden met een zeker soort peper waaraan een leelijk luchtje is. Een van de minst stuitende wil ik wel vertellen. Hij had eens een paar mooie salonjonkers die hij onderweg ontmoet had, bij zich aan tafel genoodigd. Toen hij thuis kwam vond hij 't keukenfornuis koud en geen cent in zijn kas. Nu, dat kwam dikwijls bij hem voor. Hier moest goede raad geschaft worden. Hij sluipt stil zijn huis uit, gaat in de keuken van zijn buurman, den geldschieter met wien hij op goeden voet stond, omdat hij vaak zaken met hem deed en terwijl de meid een oogenblik weg was, kaapt hij één van de koperen braadpannen, mèt 't vleesch dat er in te braden stond, weg en draagt 't, onder zijn pastoorsjas verborgen, naar zijn huis. Hij geeft 't aan zijn keukenmeid en zegt haar dadelijk 't vleesch en de saus in een andere, aarden, pan over te storten en onmiddellijk de koperen braadpan van den geldschieter te poetsen tot ze blonk als een spiegel. Hierna zendt hij een jongen uit naar den geldschieter, om van dezen, tegen onderpand van den mooien koperen pot, een paar halve guldens te leenen. Maar de jongen kreeg de boodschap mee, dat hij van den geldschieter een bewijsje moest vragen, waarop hij verklaarde zoo'n braadpan te hebben ontvangen. De geldschieter herkende zijn braadpan niet: zij zag er zoo mooi gepoetst en glimmend uit! Hij neemt dus 't onderpand in ontvangst, geeft 't beleeningsbriefje en telt 't geld uit. Voor dat geld koopt de jongen wijn. Zoo werd er voor 't maal gezorgd. Toen voor den geldschieter de maaltijd zou worden opgediend, ontbrak de pot met vleesch. Een standje natuurlijk aan 't adres van de keukenmeid. En zij hield daarentegen bij kris en kras vol, dat niemand op dien morgen in haar keuken was geweest dan de pastoor. 't Leek toch wel wat al te erg een geestelijke van diefstal te verdenken! Eindelijk besluit de geldschieter naar hem toe te gaan: hij vroeg of de braadpan soms ook bij hem was. Er was geen schijn of schaduw van een pan te bekennen. Om kort te gaan, men vorderde in ernst de braadpan van hem terug, omdat hij de eenige was dien men in de keuken had gezien vóór 't oogenblik dat ze vermist werd. De pastoor bekende wel dat hij een pan te leen had genomen, maar hij had die ook weer teruggezonden aan den persoon van wien hij ze geleend had. En toen de anderen dit ontkenden en de woordenstrijd hoog liep zei Antonius, in 't bijzijn van eenige getuigen: "Nu kan men eens zien hoe gevaarlijk het is met menschen van den tegenwoordigen tijd te doen te hebben, wanneer men geen schriftelijk bewijs heeft. Men zou hier bijkans een aanklacht van diefstal tegen mij inbrengen, als ik niet een eigenhandige verklaring van den woekeraar had." En hij haalt 't beleeningsbriefje voor den dag. Nu begreep men de list. Om 't verhaal werd gelachen en 't ging rond in de geheele streek: dat de braadpan beleend was bij den eigenaar zelven. Zulk soort van streken mogen de menschen graag, wanneer ze tegen gehate personen worden uitgehaald, voornamelijk tegen lieden die er hun werk van maken anderen te bedotten.—FRITS: Nu, niet 't noemen van den naam van pastoor Antonius heb-je ons een zee van anecdoten ontsloten! Maar één wil ik er nog vertellen en wel een korte, die ik onlangs heb gehoord. Eenige losse snaken wier leventje eigenlijk niets is dan één groote pretmakerij, hadden gezamenlijk een gezellig diner. Onder anderen was Antonius daar óók bij en nòg een ander, die in dergelijke grappen en kluchten een grooten naam heeft: bijkans een mededinger van Antonius. Op dezelfde manier als dit bij wijsgeeren het geval is, wanneer zij hunne bijeenkomsten houden, dat er strijdvragen worden gesteld, over alles wat op de natuur betrekking heeft, zoo kwam ook hier de kwestie ter sprake wat wel het waardigste deel van 't menschelijk lichaam was. De één raadde de oogen, een ander 't hart; de een noemde dit, de ander dat. Ieder gaf de reden op van zijn bewering. Toen Antonius moest zeggen wat hij er van dacht, gaf hij als zijn meening te kennen dat de mond 't waardigste deel van 't lichaam is, en hij voegde er ook een bewijs aan toe. Hierop zei die andere snaak, alleen om maar van Antonius te verschillen, dat hem het zitdeel 't waardigste leek. Alle anderen vonden dit ongerijmd; maar hij gaf als verklaring 't volgende op. De meest waardige wordt doorgaans hij genoemd, die 't eerst gaat zitten en die rol nu komt juist toe aan dat deel dat ik genoemd heb. Dit gevoelen vond bijval en men lachte er braaf om. De bedoelde grappenmaker was op zijn fijnen zet heel trotsch en Antonius scheen 't onderspit te hebben gedolven. Antonius deed maar net alsof hij er niets om gaf, daar hij juist aan den mond den voorrang had toegekend, omdat hij wel wist dat zijn mededinger dan een ander deel zou noemen. Toen zij beiden na enkele dagen weer in hetzelfde gezelschap werden genoodigd, trof Antonius bij 't binnentreden zijn mededinger aan, in gesprek met eenige anderen, terwijl de tafel nog gereed gemaakt werd. Hij draait zich om en laat plotseling een zeer onfatsoenlijke uiting hooren vlak voor 't gezicht van den ander. Innig verontwaardigd zei deze: "Jouw onbeschaamde rekel. Waar heb-je dergelijke manieren geleerd?" Antonius vroeg evenwel heel bedaard: "Word-je nog boos ook? Als ik je met mijn mond begroet had, zou je mij teruggegroet hebben. Nu begroet ik je met het lichaamsdeel, dat volgens je eigen verklaring als 't meest geëerde moet worden beschouwd en noem je mij een onbeschaamden rekel." Zoo won pastoor Antonius den vroeger verloren roem terug. Thans hebben we allen ons historietje verteld. Nu moet alleen nog maar de rechter uitspraak doen.—HENDRIK: Dat zal ik wel doen, maar ieder moet eerst zijn glas leegdrinken. Komaan, ik begin. Maar ... als je van den duivel spreekt, dan zie je zijn staart. Daar heb je Lieven Goedhart!—JAN: Lieven Goedhart brengt een gunstig voorteeken met zijn naam mee.—LIEVEN GOEDHART: Wat is er te doen onder deze oolijke gasten?—JAN: Wel, wat anders dan dat we een wedstrijd hielden met vertelseltjes, tot jij juist als de wolf tusschen de schaapjes kwam.—LIEVEN GOEDHART: Dan ben ik dus hier om de maat van uwe verhalen vol te meten. Nu goed: kom dan allen morgen middag bij mij eten aan een theologisch gastmaal.—HENDRIK: Dat belooft een somber maal!—LIEVEN GOEDHART: Nous verrons! Ik wil graag aan mijn tafel "poenitets" en "ad fundums" drinken, als gij niet zult moeten bekennen dat mijn maal nog veel vroolijker is dan uw sprookjesmaal. Er is toch niets aardigers denkbaar, dan dat men beuzelingen met den grootsten ernst behandelt.
[1]Minos, koning van Creta, om zijn rechtsgevoel als beoordeelaar over de schimmen in de onderwereld aangesteld.
[1]Minos, koning van Creta, om zijn rechtsgevoel als beoordeelaar over de schimmen in de onderwereld aangesteld.
[2]Volgens het Latijnsch spreekwoord: "Ik heb in plaats van een schat houtskool gevonden: d.i. een pot met houtskool in plaats van een pot met geldstukken.
[2]Volgens het Latijnsch spreekwoord: "Ik heb in plaats van een schat houtskool gevonden: d.i. een pot met houtskool in plaats van een pot met geldstukken.
Een der vlijmendste en scherpste samenspraken van Erasmus, waarin hij de bijgeloovigheden zijner tijden geeselt en striemt. In levendige trekken schildert de schrijver een schipbreuk en bespot daarbij de dwaasheid der menschen, die, in plaats van in de bange ure van den dood op God te vertrouwen, hun toevlucht nemen tot allerlei Heiligen, geloften afleggen, die ze toch niet van plan zijn te houden. Het is een meesterlijk volgehouden ironie; bijkans elke regel is een zweepslag, een striem, een duw tegen de schijnvroomheid en het bijgeloof van Erasmus' tijd: het geheel een eerepalm voor het verlichte genie en den waren godsdienstzin van onzen Erasmus.
Een der vlijmendste en scherpste samenspraken van Erasmus, waarin hij de bijgeloovigheden zijner tijden geeselt en striemt. In levendige trekken schildert de schrijver een schipbreuk en bespot daarbij de dwaasheid der menschen, die, in plaats van in de bange ure van den dood op God te vertrouwen, hun toevlucht nemen tot allerlei Heiligen, geloften afleggen, die ze toch niet van plan zijn te houden. Het is een meesterlijk volgehouden ironie; bijkans elke regel is een zweepslag, een striem, een duw tegen de schijnvroomheid en het bijgeloof van Erasmus' tijd: het geheel een eerepalm voor het verlichte genie en den waren godsdienstzin van onzen Erasmus.
ANTOON: Wat je daar vertelt is vreeselijk. Is dàt varen? God verhoede dat mij ooit zóó iets in de gedachte kome.—ADOLF: Neen, maar wat ik je tot hiertoe heb verteld is nog niets vergeleken bij 't geen je nu zult vernemen.—ANTOON: 'k Heb al meer dan genoeg narigheid gehoord. Ik ril bij je verhaal alsof ik er zelf bij ben.—ADOLF: Na gedanen arbeid is het zoet rusten. In dien nacht gebeurde er iets wat bijna alle hoop op redding aan den kapitein benam.—ANTOON: Wat dan?—ADOLF: 't Was een half donkere nacht en hoog in den mast stond een van de matrozen op den uitkijk. Hij keek rond of hij ook land zag. Een soort van vuurbol vormde zich om hem heen. Dat is voor zeelui een heel slecht Voorteeken als 't maar één kring is: zijn het er twee, dan is 't gunstig. In de oudheid hield men die beide vuurkringen voor de verschijning van de halfgoden Castor en Pollux.—ANTOON: Wat hebben die met 't zeevolk te maken, daar de één ruiter en andere vuistvechter was?—ADOLF: Ja, dat is nu zoo'n uitvinding van de dichters. De man aan het roer riep: "Maat," (want met dien naam spreken zeelieden elkander aan), "zie je wel wat voor gezelschap je daar aan je zijde hebt?" "Ik zie 't," zei de ander, "en ik hoop dat 't geluk zal brengen." Dadelijk daarop gleed de vuurbol langs 't touwwerk naar beneden en viel vlak voor de voeten van den stuurman neer.—ANTOON: En die was zeker half dood van den schrik?—ADOLF: Och, zeelui zijn aan buitengewone dingen gewend. Een oogenblik bleef de bal daar liggen en rolde toen langs de gangboorden van 't schip, gleed door één van de openingen heen en verdween. Tegen den middag begon 't hoe langer zoo meer te spoken. Heb je de Alpen wel eens gezien?—ANTOON: Ja.—ADOLF: Nu, die bergen zijn maar wratten, vergeleken bij de golven van de zee. Zoo vaak we omhoog getild werden, hadden we de maan met onzen vinger kunnen aanraken; zoo dikwijls we in de diepte gesleurd werden had 't er veel van, alsof we door de gespleten aarde regelrecht naar de onderwereld gingen.—ANTOON: Wat zijn de menschen toch dwaas die zich aan de gevaren van de zee blootstellen!—ADOLF: Terwijl de matrozen tevergeefs tegen den storm trachten op te tornen, komt de kapitein, bleek als een doode, bij ons.—ANTOON: Die bleekheid voorspelt een groot ongeluk.—ADOLF: "Vrienden," zegt hij, "ik ben 't stuur over mijn schip kwijt: de wind is mij de baas. Er schiet niets over dan dat wij onze hoop op God stellen en dat iedereen zich op 't uiterste voorbereidt."—ANTOON: Dat is krasse taal.—ADOLF: "In de allereerste plaats moet 't schip ontlast worden: 'tmoet; al is 't een hard middel. Maar 't is beter voor ons leven te zorgen door verlies van 't een en ander, dan tegelijk met dit laatste ook zelf om-koud te gaan." Wij begrepen dat hij waarheid sprak en tal van balen en kisten met kostbare koopwaar werden overboord geworpen.—ANTOON: Dat was met recht eenkwade worp.—ADOLF: Er was ook een Italiaan bij ons gezelschap die een gezantschap had vervuld bij den koning van Schotland. Hij had een kist bij zich vol met zilverwerk, ringen, lakens en zijden stoffen.—ANTOON: En wilde de Italiaan die niet aan de zee afstaan?—ADOLF: Neen, hij wilde met zijn dierbare schatten naar den kelder gaan of mèt hen gered worden. En zoo verweerde hij zich.—ANTOON: Wat deed de kapitein?—ADOLF: Die zei: "Voor mijn part mag je met den heelen rommel verdrinken; maar 't gaat toch niet aan dat wij allen terwille van die kist kans loopen ons leven te verliezen? Weet dus wat je doet: anders werpen wij je mèt je kist in zee."—ANTOON: Dat is flinke zeemanstaal.—ADOLF: De Italiaan moest dus evengoed zijn kostbaarheden missen, al vloekte hij ook tegen hemel en hel dat hij zijn leven aan zoo'n barbaarsch element had toevertrouwd.—ANTOON: Aan dat woordbarbaarschherken ik weer den Italiaan.—ADOLF: Kort daarop scheurden de winden, die door onze geschenken niet in 't minst zachter gestemd waren, het touwwerk, het want en de zeilen aan stukken en flarden.—ANTOON: Genadige hemel!—ADOLF: Daar komt de kapitein wéér aan.—ANTOON: Wéér om een woord te spreken?—ADOLF: Hij nam zijn muts af en sprak: "Vrienden, 't is tijd dat ieder zich aan God aanbeveelt en zich tot den dood voorbereidt." Op de vraag van eenigen die van de zeevaartkunst iets afwisten, hoeveel uren ongeveer hij meende 't schip nog te kunnen houden, zei hij niets te kunnen beloven, maar dat 't zeker niet langer zou kunnen zijn dan drie uren.—ANTOON: Die taal klonk nog harder dan de vorige.—ADOLF: Toen hij dit gezegd had liet hij alle touwen kappen, den mast tot aan den ontvangkoker waarin hij past, afzagen, en vervolgens met ra's en al in zee werpen.—ANTOON: Waarom dat?—ADOLF: Omdat hij toch maar tot last was en niet tot nut als de zeilen waren weggenomen of verscheurd. Alle hoop was nu nog op 't roer gevestigd.—ANTOON: Wat deden intusschen de matrozen?—ADOLF: Daar zou je eens een jammerlijken toestand gezien hebben. Matrozen zongen luidkeels: 't "Wees gegroet, Hemelskoningin" en riepen den bijstand in van de Heilige Maagd, terwijl ze haar allerlei namen gaven van: "Star der zee, Heerscheres der wereld, Haven des heils," en allerlei andere vleiende titels die de Heilige Schrift haar nergens toekent.—ANTOON: Wat ter wereld heeft Zij met de zee te maken die toch nooit op zee gevaren heeft, voor zoover ik weet?—ADOLF: In den ouden tijd waren de zeelieden toevertrouwd aan de zorg van Venus, omdat men geloofde dat deze uit de zee geboren was. Maar sedert zij ophield er zich mee te bemoeien, is de Moedermaagd in de plaats getreden van de moeder die geen maagd was.—ANTOON: Spotter die je bent!—ADOLF: Sommigen lagen geknield op het dek en baden tot de zee, terwijl ze al wat er aan olie aan boord was op de golven uitgoten, evenzoo vriendelijk en vleiend smeekend als men gewoonlijk tot een vertoornden grooten heer spreekt.—ANTOON: Wat zeiden ze dan?—ADOLF: "O allergoedertierenste zee! o grootmoedige zee! o rijke zee! o allerschoonste zee! Word kalm. Red ons." Tal van dergelijke uitingen lieten zij de zee aan haar doove ooren hooren.—ANTOON: Wat een dwaas bijgeloof. En de overigen?—ADOLF: Sommige passagiers waren maar altijd zeeziek: de meeste deden allerlei geloften. Er was een Engelschman bij, die gouden bergen beloofde aan de Heilige Maagd van Walsingham, wanneer hij heelhuids den vasten grond mocht bereiken. Anderen beloofden veel aan 't Heilige Kruishout te zullen geven dat zich op deze of gene plaats bevindt. 't Zelfde geschiedde met de Heilige Maagd die op verschillende plaatsen wordt vereerd, en ze houden de gelofte voor ongeldig, als men er niet precies de plaats bij noemt.—ANTOON: Dat is toch belachelijk. Alsof de Heiligen niet in den hemel hun verblijfplaats hebben!—ADOLF: Daar waren er zelfs bij, die beloofden dat ze Karthuizer monnik zouden worden. Eén beloofde een bedevaart te zullen doen naar Sint Jacob van Compostella en wel barrevoets, blootshoofds, 't lichaam slechts bedekt met een stalen harnas, den kost verdienend met bedelen.—ANTOON: Dacht niemand aan Sint Christoffel?—ADOLF: Ik hoorde er een, (en ik deed dat niet zonder lachen) die met luider stemme, om toch vooral goed verhoord te worden, aan Sint Christoffel die te Parijs in de Kathedraal staat, (een beeld zoo groot als een berg) een waskaars beloofde, zoo groot als 't beeld zelf is. Terwijl hij dit met luid geschreeuw zoo hard hij kon uitbulderde, stootte zijn buurman die naast hem stond en een goede kennis van hem was, hem met den elleboog aan en zei waarschuwend tot hem: "Weet wel wat je belooft? Al houd je ook een verkoop van al wat je bezit dan kun-je 't nog niet betalen." Toen zei de ander op gedempten toon (natuurlijk mocht Sint Christoffel dit niet hooren): "Houd je mond, malloot! Denk je dat ik meen wat ik zeg? Als ik maar éénmaal vasten grond onder de voeten heb, dan krijgt hij niet anders dan een vetkaars."—ANTOON: Wat een stommerik! Dat zal wel een Hollander geweest zijn.—ADOLF: Neen, 't was een Zeeuw.—ANTOON: Het verwondert me dat niemand dacht aan den Apostel Paulus, die zelf ook een zeetocht heeft gedaan en zich uit de schipbreuk aan land redde. Paulus kende die rampen bij ondervinding en had geleerd ongelukkige lotgenooten behulpzaam te zijn.—ADOLF: Aan Paulus werd niet gedacht.—ANTOON: Baden ze intusschen ook?—ADOLF: Ja: de één al vuriger dan de ander. De één zong 't "Salve Regina," een ander zei op: "Ik geloof in God den Vader." Er waren ook enkelen die bijzondere schietgebedjes hadden, niet ongelijk aan tooverformules tegen gevaren.—ADOLF: Wat maakt droefheid de menschen toch vroom! Als iemand in voorspoed is dan denkt hij aan God noch Heiligen. Maar wat deed jij intusschen? Deed jij geen geloften aan één der Heiligen?—ADOLF: Ik dacht er niet over.—ANTOON: Waarom niet?—ADOLF: Omdat ik er niet van houd 't met de Heiligen op een accoordje te gooien. Is het eigenlijk wel iets anders dan een echt contract volgens de rechtsformule: "Ikgeef, alsgij't óók doet," of: "Ikzal het doen zoogijhet doet." "Ik zal een waskaars geven als ik niet verdrink; ik zal naar Rome een bedevaart doen als gij mij redt."—ANTOON: Maar riep je de hulp in van den een of anderen Heilige?—ADOLF: Zelfs dat niet.—ANTOON: Waarom toch niet?—ADOLF: Omdat de hemel zoo ontzaglijk groot is. Als ik aan den een of anderen Heilige mijn ziel aanbeveel, stel bijv. aan Sint Pieter, die mij misschien 't eerst zou hooren omdat hij aan de deur staat, dan ben ik al dood vóórdat hij nog bij God is gekomen en vóórdat hij dezen de zaak heeft uiteengezet.—ANTOON: Wat deed-jij dan?—ADOLF: Wel, ik wendde mij rechtstreeks tot God zelf, zeggende: "Onze Vader die in den hemel zijt." Geen der Heiligen verhoort sneller dan Hij of geeft met meer bereidwilligheid wat van Hem gevraagd wordt.—ANTOON: Maar had je intusschen niet wat gewetenswroeging? Zag je er niet tegen op Hem "Vader" te noemen, dien je zoo dikwijls aanstoot had gegeven door verkeerde daden?—ADOLF: Nu, om je de waarheid te zeggen, mijn geweten maakte mij wel ietwat bang. Maar ik vatte weldra moed, terwijl ik zóó bij mij zelf redeneerde: "Er is geen vader zoo vertoornd op zijn zoon of hij zou hem, wanneer hij hem in een maalstroom of in een meer in gevaar ziet, bij de haren grijpen en hem op den oever trekken. Onder allen die aan boord waren hield zich niemand kalmer dan een vrouw met een kindje aan de borst dat zij zoogde.—ANTOON: Wat deed die vrouw dan?—ADOLF: Zij was de eenige die niet schreeuwde, die niet schreide, die geen geloften deed, terwijl ze haar kindje in de armen gekneld hield, bad zij in stilte. Intusschen stiet 't schip op een bank en de kapitein liet er, uit vrees dat 't geheele schip uit elkander zou stooten, aan den voorsteven en aan den achtersteven kabels om heen slaan.—ANTOON: Een treurig hulpmiddel!—ADOLF: In dien tusschentijd komt een oude priester, een zestiger ongeveer, in ons midden. Hij heette Adam. Hij deed zijn kappen van zijn beenen, trok zijn schoenen uit, ontkleedde zich tot op zijn hemd en zei dat we allen 't zelfde moesten doen, om ons gereed te maken door zwemmen ons leven te redden. En zoo stond hij daar midden op 't schip, terwijl hij ons uit den een of anderen ouden theologischen schrijver over de vijf waarheden van het nut van de biecht een preek hield. Zoo spoorde hij ons allen aan om ons op leven en dood vóór te bereiden. Ook was er een Dominikaner bij. Wie wilde kon bij hen te biecht gaan.—ANTOON: En jij?—ADOLF: Toen ik alles zoo in 't ongereede zag biechtte ik God in stilte, terwijl ik bij hem mijn slechtheid bekende en van hem erbarming inriep.—ANTOON: Waarheen zou je gegaan zijn als je eens zóó verongelukt waart?—ADOLF: Dat liet ik aan God, mijn Rechter, over om te beslissen. Immers ik wilde mijn eigen rechter niet wezen. Maar ik voedde intusschen in mijn hart nog wel eenige hoop. Onderwijl keerde de kapitein met tranen in de oogen tot ons terug. "Ieder houde zich bereid. Het schip houdt 't geen kwartier meer uit." Op sommige plaatsen had 't reeds zware lekken, waardoor het veel water binnen kreeg. Even daarna komt de kapitein ons zeggen, dat hij in de verte een kerktoren zag en dat ieder de hulp moest inroepen van den Heilige, wie 't dan ook was, aan wien die kerk gewijd was. Ze vallen allen op hun knieën en roepen den onbekenden Heilige aan.—ANTOON: Als je hem bij zijn naam hadt aangeroepen had hij je misschien wel verhoord.—ADOLF: Maar den naam wisten wij juist niet. Onderwijl stuurde de kapitein in de richting van dien kerktoren zoo goed als 't ging, het gehavende schip, dat veel water in kreeg en zeker uit elkander zou gevallen zijn als 't niet door de kabels omwonden was geweest.—ANTOON: Wat een toestand!—ADOLF: Daar dreven wij dan heen zoodat de bewoners van die plaats ons uit de verte in 't oog kregen en zagen in welk een gevaar wij verkeerden. Zij liepen te hoop naar den zoom van het strand, wuifden met hun kleedingstukken, wenkten ons met hoeden, op stokken gestoken, naar zich toe en gaven ons met omhoog geheven armen te kennen dat zij ons lot bejammerden.—ANTOON: Ik ben nieuwsgierig te vernemen hoe dat afliep.—ADOLF: Het water stond reeds overal in het schip, zoodat we aan boord even groot gevaar liepen te verdrinken als in zee.—ANTOON: Nu had men zijn toevlucht moeten nemen tot 't gewijde anker.—ADOLF: 't Mocht wat! Neen! De matrozen hoozen 't water uit de sloep en laten deze te water. Allen wilden zich tegelijk daarin werpen, terwijl de matrozen riepen, dat de sloep zooveel menschen niet kon bevatten en dat ieder maar moest grijpen wat hij grijpen kon en zoo naar land moest zwemmen. Lange bedenktijd was er niet. De een greep een roeiriem, de ander een boomstok, een derde een trog, weer een ander een waterkuip, een ander een plank en zoo gaf men zich, vol goed vertrouwen op 't geen men gegrepen had, aan de golven over.—ANTOON: En wat gebeurde er intusschen met die vrouw, de eenige die niet jammerde?—ADOLF: Zij landde 't eerst van allen aan de kust.—ANTOON: Hoe kwam dat zoo?—ADOLF: Wij hadden haar op een breede plank geplaatst en zóó vastgebonden dat ze er niet licht kon afglijden. We gaven haar een plank in de hand om die bij wijze van roeiriem te gebruiken en onder onze beste wenschen stieten wij haar in de golven, haar een zetje gevende met een boomstok; want ze mocht niet dicht bij 't schip blijven: dat was gevaarlijk. In haar linkerarm hield zij haar kindje gekneld, met haar rechterhand roeide zij.—ANTOON: Dat was een manhaftige vrouw!—ADOLF: Toen er niets meer te grijpen viel, rukte nog iemand ten laatste 't houten beeld der Heilige Maagd los, dat vermolmd en uitgehold was door muizen. Met dit beeld in zijn arm begon hij te zwemmen.—ANTOON: Kwam de boot goed en wel aan land?—ADOLF: Niets van dat alles ging eerder naar den kelder. Er hadden zich wel dertig menschen ingeworpen.—ANTOON: Hoe kwam 't dat ze zoo jammerlijk verging?—ADOLF: Nog vóórdat men de boot van 't schip had kunnen losmaken sloeg ze door 't slingeren om.—ANTOON: Hoe vreeslijk! En verder?—ADOLF: Nu, terwijl ik anderen hielp, had ik er bijkans 't loodje bij gelegd.—ANTOON: Hoe zoo?—ADOLF: Omdat er niets meer over was waaraan ik mij onder 't zwemmen kon vasthouden.—ANTOON: Daar zou een kurken zwemgordel goed geholpen hebben.—ADOLF: Nu, 'k wil je wel verzekeren dat ik op dat oogenblik meer om een zwemgordel zou gegeven hebben dan om een zwaren, gouden luchter. Toen ik overal rondkeek viel mijn aandacht eindelijk op 't onderste gedeelte van den mast. Maar ik kon dat niet alleen loskrijgen en ik roep dus de hulp van een ander in. Ons vastklampend aan dat stuk mast werpen we ons in de golven,ikaan den rechter kant, hij links. Terwijl we zoo ronddobberen werpt zich die priester, die aan boord de preek gehouden had, midden tusschen ons in. 't Was iemand groot van stuk. Wij riepen: "wie is die derde man? Die zal ons allen te zamen doen verdrinken." Bedaard gaf hij ten antwoord: "Houdt maar goeden moed: daar is ruimte genoeg: God zal ons wel helpen."—ANTOON: Hoe kwam hij er toe pas zoo laat te water te gaan?—ADOLF: Wel, hij zou mee in de boot zijn gegaan tegelijk met den Dominikaner: want allen gunden hem de eer. Maar ofschoon zij over en weer elkaar in de biecht hadden genomen, gingen zij, naar 't schijnt iets vergeten hebbende, opnieuw bij elkander te biecht en legde de een den ander de hand op 't hoofd. De boot sloeg intusschen om, zoo vertelde mij priester Adam.—ANTOON: En hoe ging 't met den Dominikaner?—ADOLF: Onder aanroeping van de hulp der Heiligen ging hij na al zijn kleeren te hebben uitgetrokken naakt te water.—ANTOON: Welke Heiligen riep hij aan?—ADOLF: Dominicus, Thomas, Vincentius en den een of anderen Petrus, maar voornamelijk had hij zijn hoop gebouwd op Sinte Katrijn van Siëna.—ANTOON: Dacht hij niet aan Christus?—ADOLF: Ik vertel wat de priester mij verteld heeft.—ANTOON: Hij zou eerder uit 't water gered zijn als hij zijn monnikspij had aangehouden. Hoe kon Sinte Katrijn van Siëna hem nu herkennen, daar hij die had afgelegd? Maar vertel nu verder over je zelven.—ADOLF: Terwijl wij nog in de buurt van 't schip dobberen, dat als een speelbal van de golven heen en weer slingert, verplettert het roer waar we tegen aan slaan het dijbeen van mijn kameraad, die aan den linkerkant op den mastbalk zat. Zoo werd hij er afgesleurd: de priester bad hem een eeuwige rust toe en kroop op zijn plaats. Hij drukte mij op het hart moedig mijn hoek vast te houden en flink met mijn voeten te trappen. We kregen intusschen heel wat zout water in. Zoo had Neptunus ons niet alleen een zout bad maar ook een zouten drank bereid. De priester bedacht daartegen een middeltje.—ANTOON: Welk?—ADOLF: Zoo vaak een golf tegen ons opkwam draaide hij er 't achterhoofd tegen in terwijl hij zijn mond gesloten hield.—ANTOON: Die bejaarde man was toch per slot van rekening een flinke kerel.—ADOLF: Toen we een poos zoo rondgedreven hadden en al een eindje gevorderd waren zei de priester, die nog al flink uit de kluiten gewassen was: "Vat moed: ik voel grond." Ik durfde op zooveel geluk niet hopen en zei: "We zijn nog veel te ver van de kust dan dat we al grond kunnen verwachten." "Neen," zei hij, "ik voel grond met mijn voeten." "'t Is misschien," zei ik weer, "één van de kisten die de zee hier heen heeft gewenteld." "Neen, aan 't schuren van mijn teenen voel ik duidelijk den zandbodem." Toen we nòg een poosje hadden rondgedobberd en hij weer grond voelde zei hij: "Doe jij wat je 't beste toeschijnt: ik laat je den mast geheel over en waag me in 't ondiepe water." Hij wachtte even tot de golven weer afstroomden en liep op zijn voeten zoo hard hij kon in 't water voort. En toen de branding weer kwam aanrollen zette hij zijn beide handen op de knieën en zette zich schrap tegen de golven in, terwijl hij onder 't water dook zooals duikervogels en eenden dat doen: toen de golfslag weer terugzoog, stak hij 't hoofd omhoog en liep opnieuw hard vooruit. Daar ik zag dat hem dit goed gelukte volgde ik zijn voorbeeld. Op het strand stonden mannen die, met zeer lange stokken op een rij elkander steunend, zich tegen 't geweld der golven staande hielden. 't Waren pootige kerels, gewend aan 't water. De voorste van hen reikte aan den naastbijzijnden zwemmer een stok toe. Als de schipbreukeling dien maar éénmaal beet had, werd hij veilig op 't droge getrokken, wanneer de mannen achteruit gingen op 't strand. Zoo werden er verscheidene passagiers van 't schip gered: wel zeven; maar twee zijn toen ze bij 't vuur gelegd werden, bezweken.—ANTOON: En met je hoevelen was je op het schip?—ADOLF: Achtenvijftig koppen.—ANTOON: Wat is die zee toch wreed! Was ze ten minste maar tevreden met een tiende—daarmee is de geestelijkheid zelfs tevreden. Om van zulk een aantal maar zóó weinig in 't leven te laten, dat is hard.—ADOLF: Toen hebben wij de haast ongelooflijke menschlievendheid ondervonden van dat volkje aan zee, dat ons alles met de grootste bereidwilligheid verschafte: huisvesting, verwarming, eten, kleeren, reisgeld.—ANTOON: Wat voor landslui waren 't?—ADOLF: Hollanders.—ANTOON: Ja, die zijn de gepersonifiëerde menschlievendheid, al zijn ze ook omringd door halve barbaren. Maar 'k denk dat je nu wel genoeg hebt van de zee en Neptunus niet weer zult gaan opzoeken?—ADOLF: Neen, waarlijk niet, als God mij ten minste mijn gezond verstand laat behouden.—ANTOON: Nu, ik hoor ook liever van dergelijke ongevallenvertellendan dat ik zebeleef.