HOOFDSTUK III.

randranddecoratieve illustratieHOOFDSTUK III.30 April 1909.„Marietje, Betsy, Willy, ik ga je allemaal voor het raam zetten, Anton is met den kruier bezig de vlag uit te steken, er is bericht uit Den Haag gekomen; het lieve kind is in het paleis,” zoo spreekt Dora en plaatst haar zestal op stoelen en stoeltjes voor de groote ramen in de voorkamer in haar ouders huis. Doch wat is dat? „Halen ze de vlag weer in?” Haar gezichtje stijf tegen de ruiten gedrukt, staart ze naar buiten en vergeet zelfs het aan haar poppen te vertellen. Ja! Papa's vlag gaat weer weg, aan den overkant haalt men ze ook weer binnen. Nu begrijpt ze er niets meer van, en snelt naar beneden, bijnaloopt ze Mademoiselle omver, en hoort geen woord van haar vermaning om toch zoo onbesuisd niet te loopen.„Mama, Mama, is het er niet? Papa vertelde het toch.”„Wat lief kind, wat?”„Het kindje, het kindje van de Koningin,” en schreiend bracht ze het uit; „is het Prinsesje er niet?”„Lieve Dora, stoute menschen in Den Haag hebben gejokt; misschien konden ze het niet helpen en hadden ze het verkeerd verstaan. Papa heeft nu bij Mevrouw van Loon,la dame du Palais, laten vragen en die berichtte Papa, dat de tijding niet waar was. Huil maar niet; wie weet, misschien eten morgen de arme kindertjes in Den Haag al die beschuitjes met Oranje-muisjes wel lekkertjes op.”„Wat eten ze, Mama?”„Een dame in Den Haag heeft 10.000 beschuitjes laten bakken, smeren en met Oranje-muisjes bestrooien, in trommels laten pakken en klaar zetten, om die uit te deelen zoo gauw, als het Koningskindje geboren is. Ik zal bij de Bont enLeyten er laten halen voor jou en ons allemaal zoodra als de klokken spelen en de kanonnen afgeschoten worden, vindt je dat niet best? Rose-muisjes heb je dikwijls, maar Oranje-muisjes nooit gegeten, is 't wel, kleintje?”In tal van plaatsen werden de menschen teleurgesteld en al uitten ze het op andere wijs, hun verdriet was niet minder groot dan dat der kleine meid in Amsterdam.Wel maakte menigeen zich vroolijk over Rotterdam, waar om 12 uur de vlag uit den toren van de beurs werd gestoken; mannen van zaken, schoolkinderen en negotiemenschen, allen stonden stil en staarden naar die vlag, de trams stopten van wege de ophooping der kijkende menschen, maar geen kwartier daarna werd de vlag ingehaald. Loos alarm! Alle klokken luidden in Oud-Pekela om half 11 's avonds, en 's morgens vernam men, 't was een valsch bericht geweest.Het Nieuwsblad van het Noorden gaf een bulletin uit: Een Prinses geboren. In dichte drommen stroomden de Groningers naar hun prachtige Groote Markt; het was er stampvol, dochde Provinciale Groninger Courant zegt: „Neen, 'k heb later bericht ontvangen; de toestand van H. M. is bevredigend; H. M. Koningin Emma is den geheelen dag in het paleis Noord-Einde; maar de oranjezegels op de telegram-enveloppen hebben anderen, doch ons niet gefopt.”Iedereen had dien Donderdagavond wat te vertellen. De een hoorde een conducteur van een tram zeggen: „Eriseen Prinses geboren;—maar Mevrouw,ikweet er nog niets van.”—Een ander zat in een tram en vroeg: „Mijnheer u heeft van uw familie in Den Haag mogelijk iets vernomen?”—„Neen, mijnheer, ik weet absoluut van niets.”—„O!” zei een burgerjuffrouw,„ik ben de tante van een nicht van de vaste schoonmaakster van een deftige meneer, hier uit Amsterdam, die nu in Den Haag woont, want die meheer is minister van de Koningin geworde; ik kom er net effetjes van daan, en die nicht van me had zoo om 3 uur nog niks gehoord, niks zeg ik uwé, dus uwé hoeft 't niet te gloove, ze zulle de vlagge in de Kalverstraat wel weer inhale.”—Op de redactiebureaux der groote dagbladen liet de telefoon geen oogenblikden bedienenden klerk met rust; altijd weer hoorde men antwoorden: „Niets bekend Mijnheer, of Geen Prins of Prinses Mijnheer;—of geen enkel woord van onzen berichtgever Mijnheer; om weder met: Niets bekend mijnheer niets bekend!” te beginnen tot antwoord aan een volgenden belangstellende.Het was maar goed, dat de couranten in de laatste dagen nog van allerlei mededeelden, waarover in den gespannen toestand waarin het geheele land verkeerde eens gepraat kon worden. Zoo vond men een opsomming der hoven, waaraan het huis van Oranje sedert Prins Willem I door diens nakomelingen verwant is; alles goed nalezende, komt men tot de verbazingwekkende slotsom, dat alle gekroonde hoofden in Europa afstammelingen of bloedverwanten zijn in de mannelijke of vrouwelijke lijn van Prins Willem, twee vorsten uitgezonderd: de koning van Servië, enlast not least, de sultan van Turkije!Enkele dagen geleden werd H. M. een Bundel „Kinderliederen van P. Jonkers” aangeboden, het geschenk werd door de Koningin gaarne aangenomen en de komponist in een schrijven namensH. M. bedankt. Er kan dus van het allernieuwste, laat ons hopen van het allerbeste, voor het kindeken gezongen worden.Een aardige ontmoeting had de onderwijzeres en een leerling der naaischool uit Scheveningen, die, met een zeer fraai wagenspreitje naar het Noord-Einde getogen, het ongedachte voorrecht genoten, dat Z. K. H. de Prins in eigen persoon het geschenkaannam, bezichtigde en het aan H. M. ging overhandigen; Die nog denzelfden avond per telegram bedankte.Een zeker zeldzaam begeleidend schrijven vergezelde een ander zeer fraai bewerkt wagenkleedje, n.l. een brief in Brailschrift, uitdrukking gevende aan de beste wenschen van Elizabeth van den Berg, een blinde onderwijzeres in het R. K. Gesticht „de Wijngaard” te Grave. Het schrijven van Hr. Ms. secretaris zal zeker zeer zorgvuldig in dit Blindengesticht bewaard worden en niet minder in het geheugen der vriendelijke en bekwame werkster.Intusschen wordt het laat, het plasregent, de menigte voor het paleis in het Noord-Einde staat geduldig en stilzwijgend te staren naar de 9ramen in den hoofdgevel; een gezelschap heeren en dames der hofhouding, van tafel komende, blijft even kijken naar die tallooze menschenmassa en.... gaat verder. Om 10 uur verzekert de hofmaarschalk: „Geen Prins of Prinses; toestand van H. M. gunstig.” Om half drie is er niemand meer op het plein voor het paleis:„'t kan duren tot aan den morgen.”—En intusschen wordt daar binnen.... daar buiten.... gewaakt en gebeden door tal van harten.... En God verhoorde.Vrijdagmorgen snellen velen op het land naar het gemeentehuis, anderen stoutmoediger bellen in den vroegen ochtend bij den burgemeester aan; Z.E.A. weet nog niets. De dagbladbureaux zien al om 6 uur troepen menschen voor het raam der bulletins staan; doch daar vinden ze alleen dat van 's nachts 3 uur; dit bevredigt hen niet en daarom.... zij blijven wachten.„Gustaaf, Gustaaf!” de aangeroepene kijkt om en zegt: „Wat, Willem jij al op?”„Is dat zoo'n wonder? Veel meer wonder! een heer student uit Amsterdam naar Den Haag getogen,om dáár te zes uur op straat te loopen, wat beweegt jou daartoe?”„Zeker dezelfde bewegende oorzaak of drijfkracht, of.... 't doet er niet toe wat, die een Haagsch ambtenaar aan het Min. van Kol. zijn bed uitjaagt. Ik ga naar het Noord-Einde om het eerste en echte nieuws. Gisteren liet Papa de vlag uitsteken eninhalen, om daarover onze kleine Dora te troosten, stoomde ik naar Grootmama en beloofde de kleuter dadelijk een telegram te sturen, als ikhierietszekerswist.”Intusschen bereiken de jongelieden het Noord-Einde en vergrooten de menigte belangstellenden achter het Ruiterbeeld.Z. K. H. de Prins verlaat even 7 uur het paleis en begeeft zich naar het telegraafbureau om zelf Zijn Moeder de heugelijke tijding te zenden. Nauwelijks heeft Z. K. H. zich verwijderd, daar berichten, neen! dat is te zwak! vol trots, opgewonden van blijdschap proclameeren de dienstdoende politieagenten voor het paleis aan alle grage ooren: „H. M. heeft een Prinses, alles wel! Een Prinses, alles wel!”Heerlijke, blijde tijding! In ademlooze stiltedoor de eerste rijen vernomen en fluisterend overgebracht, want vol liefde gevoelen allen het, stilte, volmaakte stilte is noodig!—En, 't klinkt wel familiaar, maar och! zoo echt hartelijk en innig, wat Gustaaf en Willem, die zich tot rennende nieuwsboden maken, telkens hooren vragen: „Is het echt waar, geen valsch gerucht, geen loos alarm mijnheer en dan onmiddellijk: is moeder en kind wel, mijnheer?” Na deze verzekering: Welke opgeklaarde gezichten, welke blijde blikken! vergezeld van een: God zij gedankt! Welk een zegen! Hoe heerlijk! Wat een gebedsverhooring! Hoe blij ben ik voor de Koningin! Een weldaad voor ons land! Die gelukkige Koningin-Moeder! en nog veel meer zulke uitingen ving hun oor op.Aan het telegraaf- noch telefoonkantoor zou Gustaaf vooreerst geen beurt krijgen. „Dora moet maar wat wachten. Willem haal jou fiets en ik de mijne en dan naar het Malieveld; wij moeten de schoten hooren lossen.” Grootmama schreide van louter vreugde, toen haar oudste kleinzoon de blijde tijding bracht. „Eerst ontbijten jongen, dan mag je naar het Malieveld, we moetensamen danken, kindlief. O, sedert mijn eerste geboren werd, ben ik zoo bezorgd niet geweest als nu. Het is een pak van mijn hart; den heelen nacht heb ik, zelfs als ik maar even sluimerde, aan onze Koningin gedacht.”„Grootmama, Grootmama, maken uw 70 jaren u zenuwachtig; u is nooit zoo geweest! Wat zal Papa zeggen, als ik hem dat vertel? Papa zal me niet gelooven. En u wist toch, toen ik om 12 uur van nacht het laatste bulletin ging lezen, dat de toestand gunstig was. U moet u toch niet noodeloos ongerust maken.”„Hoor me die jeugd nu eens; van 12 tot 7 uur kind, is een heele tijd van wachten en spanning en er kon zooveel gebeurd wezen, als God het niet verhoed had! Denk toch aan ons vaderland, aan alles wat geducht kon worden. Heeft niet de Koningin een voogd of voogdes, een raad van voogdij moeten benoemen al in Maart? Welke aanstaande moeder, die haar echtgenoot bezit, wordt tot zoo iets geroepen?”„Maar beste Grootmoeder, het is heel eenvoudig naar de Grondwet, en die kent H. M. op haar duimpje en houdt zich daar stipt aan,dat H. M. zeer tot eer verstrekt; maar daarin is nietsvreeselijks,—om met Lize te spreken.”„Jongenlief, als je eens drie kruisjes telt en vader hoopt te worden, zul je begrijpen, dat er ontzaglijk veel in de ziel der Koningin is omgegaan, toen die benoemingen moesten gedaan worden. Geve God, dat alles welga en het een doode letter blijve.Nu eerst den Bijbel!” Gustaaf belde en de dienstboden binnengekomen, wenschten om strijd de oude dame geluk metonze Prinsesen daarna kreeg de blijde boodschapper ook een handdruk. Psalm 103 verving het hoofdstuk, dat aan de orde was; en Gustaaf begreep heel goed, (al wou hij het zich zelf niet bekennen,) waarom Grootmama 's stem soms zoo beefde, terwijl zij anders altijd zoo statig las.Op de fiets, in gezelschap van honderde fietsers en duizende voetgangers werd het Malieveld bereikt. Om 9 uur 1 min. viel het eerste schot! De hooge hoed in de hand, de pet van het hoofd hoorden heer en werkman dit vredig losbranden aan; en daarna werd elk der 51 schoten met zakdoekgewuifen hoerageroep begeleid. De beide neven reden weldra weg.„Kijk eens Guus, daar stormen de schoolkinderen de deuren weer uit,” „Wel jongens, geen school?” „Neen, mijnheer, geen school, weetuhet nog niet?”—„Wat?” „De Koningin heeft van morgen een Prinsesje gekregen; nu hebben we den heelen dag vrij!”—„Gekheid jongens!” „Neen, dan weet u er niks van heeren, het staat op al de borden, kijkt u maar even in school.” En weg draafden de praters. Weg! naar het lokaal, waar de beschuitjes uitgedeeld zouden worden. Mevrouw Tjaden-Modders liet de uitdeeling onder muziek plaats hebben; en ieder kind kreeg, tot vergoeding voor het lange wachten, een reep van Houtens chocolade op den koop toe. Men genoot van de vroolijke kijkers der smullende, arme kinderen, gedurig echter wachtten dezen en genen even om met de muziek in te stemmen; vooral alsPiet HeinofAl is ons Prinsje nog zoo klein, gespeeld werd.Naar de landsdrukkerij fietsten Gustaaf en Willem, daar verscheen om 10½ uur een buitengewoon nummer van de Staatscourant luidende:„H. M. de Koningin is hedenmorgen door Gods goedheid voorspoedig bevallen van eene Prinses.” Volgen de bulletins. Zeer druk werd deze extra oplaag gekocht; ook daarin uitten zich de algemeene opgewektheid en blijdschap, die ontspanning bracht na de angstig doorleefde dagen en nachten.„Nu maak ik, dat ik van onze Amsterdamsche opgetogenheid genieten kan, Willem, dus wil ik den trein nog halen, vaarwel! Maar wat is daar in de verte? Het lijken wel herauten te paard. Ja! met trompetters er bij.”„Het feestcomité zendt 4 herauten, ieder door 2 trompetters met bazuinen vergezeld, de heele stad door; laat ons gauw peddelen om er bij te komen, Guus, dan maar een lateren trein naar jegeboortegrond.”Zoo gezegd, zoo gedaan. Van plein 1813 vertrekken ze.De Heraut houdt een perkamenten rol in zijn rechterhand, met Oud-Hollandsche letter bedrukt; van den rechter hoek aan den benedenkant hangt een breed, dubbel Oranjelint af, door een groot zegellak verbonden. Hij is in Oud-Hollandschekleedij gedost, rood met zilver afgezet; daaroverheen een loshangende dalmatiek van Oranje fluweel (over borst en rug) versierd met het wapen der Koningin en van den Prins. Een breedgerande, grijs vilten hoed, met afhangende oranjeveder dekt zijn hoofd. De trompetters zijn in een zwart met rood afgezet wambuis met stalen halsstuk gestoken, dragen een slappen hoed met roode tressen opgetoomd; ook de paarden zijn op Oud-Hollandsche manier opgetuigd.Met een triomfantelijke stem roept de heraut uit:„Ingezetenen,Met groote vreugde maakt het Feestcomité de blijde boodschap bekend, dat H. M. de Koningin door Gods goedheid bevallen is van een Prinses. Geheel de burgerij van 's-Gravenhage deelt van harte in de gevoelens van vreugde, die dit heugelijk feit bij het Nederlandsche volk opwekt! Dankbaar erkent het den zegen, die aan het Koninklijk Huis en aan het Vaderland is geschonken.Moge deze blijde gebeurtenis strekken tot versterkingvan den eeuwenouden band tusschen Nederland en Oranje.Leve de Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje!”De hoeden zwaaien, de zakdoeken wuiven, de menschen klappen in de handen of drukken, hoewel volkomen vreemd, elkaar hartelijk de hand en tegelijkertijd klinkt het spontaan, nu uit honderde kelen: Leve de Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje! gevolgd door een Oranje Boven! Hoera! Hoezee!De herauten rijden weg en herhalen overal met dezelfde uitwerking dezelfde blijde tijding. Dichte drommen van menschen en kinderen volgen hen; een klein meisje roept een vriendinnetje toe: „Ik heb hem al 9 maal gehoord en jij?” „Ik kan het al opzeggen!”„Grootmama komt beslist op de stoep om te luisteren Willem,” zegt Gustaaf en zij rijden nog even naar het voorvaderlijk huis om van dit tooneeltje te genieten. 't Was zoo. Grootmama en de dienstboden, tot het schellemeisje toe, allen rijkelijk met oranje gesierd, staan op de stoep. Na een kort afscheid zit de heer student in den treinen verhandelt met zijn reisgenooten wat hij zag en hoorde in de zoo gelukkige residentiestad.„Ida, word eens gauw wakker, toe vlug wat, luister!” Een ruk vergezelde deze woorden van Lize. Ontwaakt, begreep Ida dadelijk den vinger op Lize's lippen en fluisterend vroeg zij haar: „Is er wat gebeurd, Lize?”„Niet dat ik weet, maar Mama heeft al om Anna gebeld; wat zou er wezen?”Intusschen gingen beiden zonder eenig gedruisch te veroorzaken zich kleeden, om gereed, in gang of portaal haar meisjesachtige nieuwsgierigheid te bevredigen. Had Mademoiselle 't geweten, zij zou genoten hebben van de vlugheid en stilte, waarmede het anders vrij drukke en bij het kleeden tamelijk langzame tweetal, thans haar bedden netjes afgehaald, gekapt en gekleed de gang doorliep en over de leuning keek om naar Anna uit te zien.„Anna, Anna!” half luid, half zacht, „scheelt Mama iets?—zeg gauw op, wat?”„Neen, jongejuffrouwen, maar Mevrouw is al gekleed naar beneden gegaan.”Na enkele sekonden wordt er aan Mama's kamerdeur geklopt en op het binnen! klinkt het als uit één mond: „Mama, heeft Gustaaf getelegrafeerd? Weetuer alles van? Is de Koningin wel?”„Maar kinderen, ondeugden! Zul je eerst je Moeder goeden morgen zeggen; jullie doet me schrikken met al je nieuwsgierige vragen.”Na de behoorlijke morgenbegroeting vernam Mevrouw dezelfde vragen met nog enkele andere vermeerderd: eer zij beantwoord waren, kwam, zonder op het binnen te wachten, Jan in, pakte Mama eerst hartelijk en vroeg toen: „Waarom is Papa al naar het kantoor gegaan, Mama? Al driemaal heb ik de telefoon gehoord; zeker is het antwoord:in gesprek; of zou Guus nog niet op wezen?”„Hij slaapt altijd zoo lang, als hij 's avonds gewerkt heeft,” valt Ida in. „Dat doet hij bij Grootmama toch niet, zou ik meenen;” vult Lize aan.„Kind'ren wat zijt ge allen opgewonden, bedaar een beetje. Papa is op mijn verzoek naar 't kantoor gegaan, niet om Gustaaf op te bellen,want Grootmama is niet intercommunaal aangesloten, waar zou het lieve menschje 't voor noodig hebben?—maar oom Willem wilden we telefoneeren.—Ben je nu tevreden? Ik weet niets meer dan jij.”—„Mama, laat mij gauw even naar Mevrouw van Loon loopen, die krijgt beslist een telegram, en anders naar de jonge barones Roëll, de vriendin der Koningin. U weet wel, de Mama van kleinen Willem, het petekind van H. M. Toe, lieve Moeder, zeg maar gauw ja!”Mevrouw, verbaasd over zooveel belangstelling van de kinderen, zag Jan een oogenblik besluiteloos aan; wat zou Mevrouw van Loon zeggen of denken van zooveel vrijpostigheid, daarna keek ze naar de pendule; pas kwartier over zevenen!„Mama, wie zwijgt, stemt toe, niet waar? Zoo gauw ik het echte weet, kom ik thuis,” en weg was Jan. „Echt goed bedacht!” riep Lize uit. „Waarom ben ik ook geen jongen, dan liep ik 's morgens en 's avonds alleen over straat,” voegde zij er aan toe.„Zeker, zoo praten altijd alle meisjes, die nog op een leerkamer zijn,” spot Mevrouw met eenlachje; „gaat nu gauw uw bedden afhalen, wat zou Anna anders wel denken.”„Wat doen jullie hier? Al beneden schelmpjes?” vraagt haar vader, die juist binnenkomt.„Alles belangstelling beste Henk, pure belangstelling in het groote nieuws, dat we verwachten.”„Zag ik Jan de stoep afgaan, Amélie? Met één sprong was hij op straat.”„Hij vroeg mij verlof om naar Mevrouw van Loon-Egidius te gaan, eer ik mij nog bedacht had, holde hij de gang al in. Wat zal Mevrouw wel van ons denken?”„Jan zal wel netjes zijn boodschap doen; lang geen kwade inval; aan de telefoon kon ik geen beurt krijgen; 5 maal heb ik intercommunaal gevraagd en altijd weer hoorde ik „In gesprek.””Jan draaft voort tot op de brug der Spiegelstraat; even staat hij stil. „Waar zal hij heengaan, rechtuit naar Mevrouw van Loon, of eerst naar de jonge mevrouw Roëll?” Terwijl hij zich dit afvraagt, ziet hij mevrouw van Loon de brug aan de Vijzelstraat oversteken, zoo gauw als zij maar loopen kan, ze zweeft letterlijk. „Die gaat naar baron Roëll, ik ook; daar komt de baronop de stoep en loopt naar Mevrouw toe. Ha, Ha! die twee weten het.” En als ging het om zijn leven zoo draaft Jan; als een pijl uit een boog schiet hij voort en hoort het juist: „Mevrouw, ik wou het u even komen vertellen!” „Mijnheer, ik kon aan de telefoon maar geen beurt krijgen om het u te berichten; heerlijk hé?”De samensprekenden drukken elkaar innig hartelijk de hand en zien er beiden recht verheugd en gelukkig uit. Jan slaat zijn slag: „Mevrouw, ik mocht even naar u of naar den baron toe, is het kindje geboren?”„Ja, Jan, een Prinses, zeg maar tegen je mamaalles wel!”Voor Jan zijn „dank u mevrouw!” ten antwoord geeft, maakt hij een flinken sprong, zwaait zijn pet en geeft zijn gemoed lucht in zulk een luid hoera! dat de baron en mevrouw in een lach schieten, daarop rent hij, even snel als hij gekomen was, naar huis.Hier brengt hij door zijn mededeeling alles in opschudding. Dora danst met twee poppen in iederen arm en zingt van „Willemientje, 't lieve kindje.” Lize loopt naar de dienstboden, om 't tevertellen aan wie het nog niet van Jan vernamen; Louis sjort Anton mee naar zolder. „Gauw, Anton, gauw! nu echt de vlag uit en vooreerst niet weer inhalen, hoor! wel 14 dagen of langer uit, tot de visites beginnen net als toen Dora er pas was.”Ida opende haar geliefde piano en speelde en zong Wilhelmus en Wien Neerlands bloed; niemand dacht aan zijn werk, allen verblijdden zich!—En Jan kreeg verlof, terwijl Louis de vlag hielp uitsteken om den ooms het door hem verkregen bericht te gaan meedeelen. De ooms alleen hoorden het niet van den aardigen jongen; neen, ieder op straat die luisteren wou kreeg het verhaal van de samenspraak der beide waardigheid-bekleeders ten paleize.Even haalt Jan zijn horloge uit, ja, ik kan nog best naar de Hollandsche juffrouw gaan. Het ontbijt loopt toch in de war en we krijgen op school geen uitbrander voor te laat komen. Het arme mensch is al dagen in onrust geweest en ze ligt ziek, wie weet hoe lang het anders duurt eer ze het hoort.„Wie kan daar zoo hard schellen?—De bakkeren de melkboer zijn er al geweest, doe eens gauw open, Aagje, gauw.”„Juffrouw, kompliment van mevrouw.... ('t is jongeheer Jan, weet u,) de Koningin kreeg van morgen vroeg een Prinses, en alles is wel! Zijn Mama weet het van mevrouw van Loon; u wenscht hij beterschap;—en meteen ging de jongeheer de stoep weer af.”„Aagje, meisje, laat ons God danken. Hij heeft onze vrees beschaamd.—Welk een genade, welk een zegen! Zulk een tijding zou me half beter maken!”„Maar juffrouw zou het wel waar wezen? Zoo meteen zeide de vischvrouw nog: „Ze zegge dat er 'n Prinses is, 'kgloof er niks van, 'tzalle wel weer praatjes wesen, net as gistere.”—”„Had die vischvrouw Mevrouw Van Loon gesproken per telefoon, of aan haar huis misschien, Aagje?”„Als die mevrouw nu ook een valsch bericht kreeg, juffrouw, ze hebben gisteren in de Kalverstraat en zelfs in „De Bocht” gevlagd en 't wastochniet waar!”„Ja, het ochtendblad zal die vergissing wel ophelderen,maar denk eens, Mevrouw Van Loon is dame du palais, dat is in Amsterdam, wat een hofdame in Den Haag is, die dame zelve kreeg beslist een telegram.”Aagje haalde haar schouders op, ging naar de keuken al mompelend: „de juffrouw boven kreeg ook zoo'n boodschap van d'r man, die is aan een krant en zij geloofde d'r ook niemendal van; de vischvrouw kwam heel van de Ruyterkade, 't mensch had nergens geen een vlag gezien, maar me juffrouw is zoo op al die grootelui kinderen!—nou ze mot het zelvers wete.”„Wat voor groente van daag, Aagje? Wel meid, wat kijk je boos.”„Och, 'k geloof er niks van dat er 'n Prinses is, heb jij er wat van gezien, Mozes?”„Neen, Aagie; ze reie met een auto van 't Handelsblad en met rijtuigen van 't Nieuws, ze strooide bulletijns; maar de kranten, zie je, die liege zoo dikkels; 'k zeg maar as de kanonne afgaan, de klokken speule, de vlagge op de tores komme dan zeg 'k 't is waar.—Nou meisie, wat mot je hebbe?”Aagje kende haar meesteres te goed om detwijfelingen van den groenjood over te brieven, juist ging ze met mand en bak gewapend naar de stoep, toen een loopjongen van Gladschaaf ademloos kwam aanhollen, haar een briefkaart overreikte met een: „Even je juffrouw laten lezen.” In stomme verbazing hoorde ze toe: „Beste Tante, De Heer schonk voorspoedig een Prinses, alles wel!” Haar juffrouw krabbelde vlug er onder: „De Heer zij geprezen! Hartelijk dank voor je boodschap;” en Aagje moest den jongen nog een kwartje tot belooning in de hand stoppen. Zij èn de buurjuffrouw èn de groentenverkooper èn de vischvrouw volhardden in hun meesmuilen en hoofdschudden doch geen tien tellen later snelde Mozes de stoep weer op, trok aan de bel en riep: „Kijk, aan den overkant steken ze op het politiebureau de vlag uit, kijk Aagje, 't is waar, Goddank!”Ze waren geen eenlingen. Och, neen! Overal in de saaie buitenwijken, in het hartje der stad, in de vroegrit-trams, aan de stations, overal ongeloovige gezichten. De mannen van de pers werden hoofdschuddend aangehoord of nagekeken. En toch, men hoopte, men verlangdenaar bericht! Op den Dam werd het al voller.„Wacht maar, als de bulletins de waarheid zeggen, komt zoo meteen de burgemeester op het balkon om het voor te lezen,” zegt er een.„Wel neen, mensch! daar gebeurt nooit zoo iets op het balkon.”„En bij de inhuldiging dan? Toen stonden ze aan weerszij aan de hoeken het uit te trompetten.”„Ja, wel, das heel wat anders weet uwé! Maar de klokke beginne subiet te speulen, als de burgemeester het weet.”„Wat is het hier uiïg, hé Jan?” riep Louis. „Zullen we nog een poosje blijven luisteren?”„Neen, ga mee naar de kanonnen.”„Jongens ja, dat zal leuk wezen. Vooruit!”Reeds den 29n had een heer plaats genomen in de Roelof Hartstraat, (hij bracht daartoe een stoel mee,) om getuige te wezen van het schieten, vooralvan het eersteschot; en dan te blijven om tot 101 of tot 51 te tellen; dàn alleen, dàn pas stond het voor hem vast: Er is een Prins of Prinses. Hij kwam juist met zijn stoel weer aansjouwen, met hem verschenen ontelbaar velen op die gewichtige plaats, sommigen voorzien vanhun kodaks, want van het afvuren moest een kiekje genomen.Jans ooren als immer gespitst, vingen weer veel op om aan de zussen als het allernieuwste nieuws te verhalen. Weet u het zeker, commandant? 't klonk deftig in de ooren van den luitenant, die de order tot 't afvuren moest geven. Heeft u een dagorder voor een Prins of een Prinses gekregen? Neen, hij had een met Oranje gesierden verslaggever van het N. v. d. Dag in de politiepost geroepen; die had het hem stellig verzekerd, dat er een Prinses geboren was; doch hij wachtte nog op het telegrafisch bevel voor het losbranden.„Zouwe de kanonne blijve staan, as ze schiete?”„Wà bedoel je? Denk je dasse verschove worre?”„Nee, dat niet; maar van 't dreune ziet uwé? Ze motte ommers de rame ook opedoen hier in de buurt.”„Ja wel! maor dat is eel wot aors,” valt een Zeeuw in. „En waor is et, 'k eb zelvers de vlag op het Paleis van Justitie ezien.”—Jan en Louis begrepen, dat het wachten op heteerste schot heel lang kon duren en gingen daarom verder. „Louis! niet meer naar de nieuwe stad; naar 't Leidsche plein en de Kalverstraat.”„Best Jan!”—En daar hoorden ze een agent op den hoek van het Koningsplein aan de voorbijgangers verklaren: „Mensche, van Baron Roëll zelvers heb ik het gehoord: Een Prinses en alles wèl.”—De man moest een bloedverwant wezen van hem, die dicht bij het N. v. d. Dag op post stond die, toen een berichtgever met de bulletins in een rijtuig wipte, een sprong van louter blijdschap maakte, bij het vernemen van het heugelijke nieuws! Een dier medegenomen bulletins werd aan de erfelijke oranjevrouw van den Zandhoek, juffrouw Vork, gegeven. Zij, haar armen vol met vlaggen en wimpels, dadelijk op weg naar den Oranjeboom van '98, las het eerst tot aan „alles wel!” En toen riep ze.„Kom jonges, de boom versiere! Meheer u krijgt het blaadje niet werom; het moet aan de boom; bovenaan weet uwé.” Daar kreeg het papier tusschen de vlaggen de eereplaats!Vader Gladschaaf, door de spoedbestelling van zijn knappen zoon vroeg op de hoogte gebracht,riep eerst zijn gezin bijeen, om God te danken voor de aanvankelijke verhooring der gebeden van ons volk; om ook even vurig te smeeken om alles wat voor de doorluchtige Moeder en het Kindeken verder noodig was; daarna moest Greta het orgel openen en ruischte het:God zij altoos op 't hoogst geprezen!Lof zij Gods goedertierenheid,Die nimmer mij heeft afgewezen,Noch mijn gebed gehoor ontzeid.zóó van harte gezongen door de kamer, dat de moeder het met geen droge oogen kon aanhooren.„Vader,”vroeg Maria daarop,„nu nog als 't u belieft: „Mijn schild en mijn betrouwen,” toe Greet begin maar,” voegde ze er bij.„Vrouw, laat de Vrijdag nu de Vrijdag en 't werk, 't werk, zoo gauw als we ontbeten hebben gaan we allemaal uit, om de nationale vreugde in onze stad te zien.”„Vader! eerst Coosje en Mientje afhalen, die moeten ook mee, als Fer niet met hen uit kan.”„Goed zoo kinderen. O ik kan maar aan nietsanders denken dan aan die groote gave aan de Koningin en ons allen,” zegt de moeder, die van vreugde eet noch drinkt.Hoe verrukkelijk is het op straat! Men ziet een bekende, stapt op hem toe en wenscht elkaar hartelijk geluk. Loopt er iemand zonder oranje, hij wordt aangesproken: „Weet u het nog niet? Een Prinses. Moeder en Kind zijn wel. Wat een blijdschap, hè?” Wie nog zonder strik is uitgegaan, koopt oranje. De winkels tooien zich op allerlei manieren, en de waaiende driekleur van alle torens, openbare gebouwen, vele schepen en de meeste huizen geeft heel Amsterdam een gelukkig aanzien.De draaiorgels laten vaderlandsche liederen hooren of nooden op het asphalt tot een bal van louter vreugdebetoon; de beursbengel luidt volle drie kwartier om heel Amsterdam te zeggen, hoe de handel in de algemeene blijdschap deelt! Het klokkenspel op het Paleis en op de torens van 12–1 en van 1–5 laten oude en nieuwe liederen van nationale gebeurtenissen hooren. Zoo luidde een geboorteklok, al trok Vondel niet aan het klokketouw!De beurs zelf ziet wat gebeuren dien 30n April! In plaats van zaken te doen, wenschen de handelslui elkaar geluk, hartelijker veelal dan op 1 Januari; daarop zingen zij vaderlandsche liederen; de jongeren werpen met serpentines en steken kamer- nubeursvuurwerk af. Een voorbijtrekkend muziekkorps wordt ingeroepen en marcheert het geheele gebouw door en daar zingen honderde stemmen mee! Geen officiëele prijsnoteering komt dezen Vrijdag uit!....In Frascatie maken de tabakkers het nog beter! In de groote zaal keurig versierd met groen en vlaggen, wordt een piano binnengedragen; daarop wordt het Wilhelmus gespeeld waarmee allen staande instemmen. Oranjemutsjes dekken oogenblikkelijk menig denkend hoofd en met de grootste geestdrift wordt het merk „Vorstenlanden” begroet. Na de noteering klinkt nogmaals het Wilhelmus door de ruimte.Pas na enkele weken zal men het vernemen, hoe groote blijdschap de telegrammen van den Minister van Koloniën in Oost- en West-Indië verwekten!Geen grootje bleef aan het spinnewiel, zei menvroeger, thans lijkt het er naar. Mademoiselle stelt eigener beweging Mevrouw voor, dien dag vrij af te geven en zij gaat met de 3 meisjes er op uit! Mogelijk doet het voorbijtrekken van al de leerlingen der machinisten- en handelsschool, der gymnasia en H. B. Scholen er het zijne toe, om Mademoiselle zoo vaderlandslievend te stemmen. Zij kon toch niet weten, dat de Belgische gezant, (die altijd vroeg een wandeling maakt,) naar zijn gewoonte zelf informeerde naar den toestand der Koningin en zoo doende de allereerste was, die het felicitatie-register teekende;—eenBelgischebaron daarop bovenaan, dan mocht eenFranschegouvernante wel uit de gewone sleur raken en uitgaan.Door een tegenovergestelde oorzaak vertoont 1909 gedurende één dag althans wat 1672 zoo lang deed aanschouwen. „Scholen en rechtbanken hadden vacantie, ambachten en bedrijven stonden stil, plaatsen van vermaak waren ledig, doch de kerken waren te klein voor alle benauwde harten.” De plaatsen van vermaak en vooral de kerken schijnen nu aan den avond van Vrijdag en den morgen van Zaterdag ook te klein dochheden voor alleblijdeharten. Ze stroomen vol; aandachtige, verheugde gezichten en tintelende blikken worden tot de leeraars opgeheven; dankbare tonen ontlokken de organisten aan hun heerlijke instrumenten; vol aangrijpende geestdrift stemmen de scharen in met de opgegeven zangverzen.Doch wat is dat? Daar heeft de dienaar des woords vol warmte nagegaan wat God in de vervlogen eeuwen door en met Oranje Neerland schonk, heeft in een vurig dank- en smeekgebed, de Koningin en Haar huis en de Jonggeborene den Heere opgedragen; de menschen zullen naar hun woningen wederkeeren, niemand gaat. De orgelist laat de eerste tonen van het Wilhelmus hooren en allen, allen vallen in. Zie eens rond. Vaders en moeders zeggen kleinen van 5 of 6 jaar voor, opdat ze mede kunnen zingen; en heel wat kinderstemmetjes, op de scholen met woorden en melodie vertrouwd gemaakt, zingen luidkeels mede. Na enkele coupletten van ons echte volkslied, zetten een paar jongelui Da Costa's: „Zij zullen het niet hebben” in; en het heerlijke lied met de Liefde's zielvolle melodie, wordt metsteeds klimmender geestdrift gezongen. Het schijnt, of de menschen niet weg kunnen gaan; zij willen en moeten in het huis des gebeds lucht geven aan het gevoel van verademing, dat aller hart vervult.Overal, in kerken en kerkjes van stad en dorp, bij elke gezindte jubel, dank en lof aan God, Die ons Vorstenhuis en Vaderland gedacht.En de armen varen wel bij de nationale blijdschap, want allen geven mild.Een aardige tegenstelling vormt de gave van 51 guldens in het kerkzakje der Remonstrantsche Broederschap te Utrecht met de bekende gift in Amsterdam van het jaar 1650. Bij 51 guldens, (zeker 51 om de 51 kanonschoten!) was het volgende versje gevoegd:Een nieuwe Oranjeloot!Dies zij mijn gaaf vergroot.—Ik weet geen beter maarIn acht en twintig jaar!Dag Groomoe! ik filiciteer u met ons Pinsesje! daarmee stapte Mientje op de vriendelijke oude toe; met haar vader en moeder kwam ze naar gewoonte Zondags op de koffie.„Wel liefje, dat is goed. Heb je al Oranje-muisjes geproefd?”„Ja Groomoe!”„Wil je ze vandaag ook nog?”Daaraan valt niet te twijfelen, zij en allen eten oranjemuisjes en spreken aanhoudend over wat ze hoorden van of over de blijde gebeurtenis. De behandelde teksten, de gezongen psalm- en gezangverzen, de geestdriftige dagbladartikelen, alles, alles wordt verhandeld.„Ik zal jullie iets voorlezen, kinderen,” zegt de grootvader over de heugelijke gebeurtenis.„Nu heeft God een kindeken aan H. M., aan den Prins, aan ons volk geschonken!—Eens was er een vleug der hope, maar wreed als het over ons land gehengd scheen, tastte juist in die dagen een giftige krankheid het leven onzer dierbare Koningin aan. Er zijn toen uren geweest, dat elk oogenblik het schriktelegram van 't Loo geducht werd. Vreeze beving aller hart, dat niet alleen onze hope op de geboorte van een Vorstelijke Spruit zou beschaamd worden, maar dat onze Koningin zelve ons zou ontnomen worden! Dat bangste is toen, God zij lof, afgewend.”„Vader,” viel Maria in de rede, „Da Costa zegt iets dergelijks van den Prins van Oranje, onzen lateren tweeden Koning.”„Zoo meisje? Laat hooren.”„Of eindelijk als die maarHet land met doodschrik sloeg,Krank, zorg'lijk in gevaar!”....„Mooi aangehaald, waaruit, kind?”„Uit De Vijf-en-twintig Jaar, Vader.”Het mooiste versierde woonhuis in de bocht der Heerengracht, Amsterdam.Het mooiste versierde woonhuis in de bocht der Heerengracht, Amsterdam.„Hoor nu maar verder: „Een gerucht deed straks de blijde zekerheid opgaan, dat het onzen God toch nog beliefd had, de smeekbede van heel ons volk te verhooren. Het hoopvolle woord van „Blijde Verwachting” deed zijn intrede. En opeens was het of Nederland weer opleefde. Een belangstelling, als nooit in eenig land bij zulk een gebeurtenis gekend is, waakte op. Het gebed was nu niet meer om afwending van het bangste, maar of onze God voleinden mocht wat Zijn hand begon. Gelijk nooit de liefde voor Oranje in de harten getrild had, zóó trilde ze nu. Algemeen werd de behoefte gevoeld om aan zijn blijdschap uiting te geven. Het stroomde geschenken naarhet Vorstelijk Paleis. Het werd één saamleven in blijde verwachting van onze Koningin mèt haar Volk. Reeds rekende men den dag uit. Ieder zon er op, hoe, als die dag eindelijk kwam, heel 't volk in al zijn steden en dorpen dien dag van nationale verheffing naar waarde vieren zou. Zelfs in het buitenland trok het de aandacht, hoe sterk hier Dynastie en Natie aan elkaar verknocht waren. En de natiën van rondom, over eigen profijt heenziende, juichten met het volk van Nederland, dat toch eindelijk onze nationale hope in vervulling ging.Nudankthet volk, gelijk het eerstgebedenheeft. En hetNun danket alle Gott!spreekt aller hart toe.Het Vorstelijk kind dat geboren werd, heeft onze liefde, al heeft ons oog 't nog niet aanschouwd. Nu reeds is deze telg uit het geliefde stamhuis, mocht zij eens de Kroon dragen, van onze trouw en onze gehechtheid verzekerd. Voor dit Vorstelijke kind en voor onze Koningin zullen we bidden. Bidden, dat de Heere God de Moeder en het Koninklijke Kind genadig zij en blijve.Een vreemde vorst zou ons zoo hard zijn gevallen;nu Oranje blijft, steken we 't hoofd weer omhoog, in het geloof dat Neerland nog zijn eerekroon zal dragen.”„Wel, wat zegt ge, zoons! is het niet uit ons hart gesproken?”„Ja, Vader, echt.”„Groomoe, mag tante Eta spelen en wij zingen? is het Zondag?” met deze vraag maakte de kleine een einde aan de plechtige stilte.„Ja, liefling, Tante zal spelen.”„Vader,” zoo begon Coosje, „ons Prinsesje heeft mooie namen, vindt u niet?”Maria verstoute zich om gauw te antwoorden: „Mooie, mooie, Coosje? Zeg: heerlijke, dierbare, onvergetelijke, zuiver historische!Juliana, je zult het hooren is naar de stammoeder der beide takken Oranje èn Oranje-Nassau; Louise zal naar Louise de Coligny wezen.„Zij was de Dochter, Weeuw en Moeder van de Helden,Die goed en bloed voor God, voor Staat en vrijheid stelden.”Of Zij heet naar Louise Henriëtte, de prinses van Oranje, die met den Keurvorst van Brandenburgtrouwde. Het is innig, onbegrijpelijk innig, diep gevoeld van de Koningin om juistdie namente geven!”„Heeft je peettante je dit alles voorgezegd?” spotte haar Vader.„Neen, o, neen! Vader, maar u zegt in uw hart volmaakt hetzelfde, ik ken u veel te goed; u heeft 't Oranjehuis lief, zielslief. En Moeder niet minder, al zegt ze nu geen woord.”„Wat zou Nederland wezen zonder Oranje? Een speelbal van regenten- en familieregeering, anders niet. Heeft God onze ondankbaarheid van 1795 niet bezocht, met dien schrikkelijken Franschen tijd? 't Schrikkelijkst zeker omdat het grootste deel des volks Zijn straffende hand niet erkende. Toe Vader! lach me niet uit maar val me liever bij; 't is de waarheid, vraag het Groen maar.”„Als je met Groen aankomt zusje, nieuw-bakken onderwijzeresje, dan moet het slot op onzen mond, niet waar?” zei Mientjes vader. „Coosje,” ging hij voort, „vraag Marie van alles over Juliana van Stolberg en die twee Louise's, maar dan van avond, na de kerk; dan heb je de heele weekwat om over te denken; nu moeten we naar huis, kijk eens op de pendule.”—„Gunst! zoo laat al, Fer?”„Ja, ja, de kleine Prinses stuurt al wat in de war, tot jou tijdrekenkunde toe, hè? Maar dat is niet de eerste maal.”Allen lachten. Weldra waren de aanzittenden van de gezellige koffietafel opgestaan en toog ieder zijns weegs.decoratieve illustratierandrand

rand

rand

decoratieve illustratie

30 April 1909.

„Marietje, Betsy, Willy, ik ga je allemaal voor het raam zetten, Anton is met den kruier bezig de vlag uit te steken, er is bericht uit Den Haag gekomen; het lieve kind is in het paleis,” zoo spreekt Dora en plaatst haar zestal op stoelen en stoeltjes voor de groote ramen in de voorkamer in haar ouders huis. Doch wat is dat? „Halen ze de vlag weer in?” Haar gezichtje stijf tegen de ruiten gedrukt, staart ze naar buiten en vergeet zelfs het aan haar poppen te vertellen. Ja! Papa's vlag gaat weer weg, aan den overkant haalt men ze ook weer binnen. Nu begrijpt ze er niets meer van, en snelt naar beneden, bijnaloopt ze Mademoiselle omver, en hoort geen woord van haar vermaning om toch zoo onbesuisd niet te loopen.

„Mama, Mama, is het er niet? Papa vertelde het toch.”

„Wat lief kind, wat?”

„Het kindje, het kindje van de Koningin,” en schreiend bracht ze het uit; „is het Prinsesje er niet?”

„Lieve Dora, stoute menschen in Den Haag hebben gejokt; misschien konden ze het niet helpen en hadden ze het verkeerd verstaan. Papa heeft nu bij Mevrouw van Loon,la dame du Palais, laten vragen en die berichtte Papa, dat de tijding niet waar was. Huil maar niet; wie weet, misschien eten morgen de arme kindertjes in Den Haag al die beschuitjes met Oranje-muisjes wel lekkertjes op.”

„Wat eten ze, Mama?”

„Een dame in Den Haag heeft 10.000 beschuitjes laten bakken, smeren en met Oranje-muisjes bestrooien, in trommels laten pakken en klaar zetten, om die uit te deelen zoo gauw, als het Koningskindje geboren is. Ik zal bij de Bont enLeyten er laten halen voor jou en ons allemaal zoodra als de klokken spelen en de kanonnen afgeschoten worden, vindt je dat niet best? Rose-muisjes heb je dikwijls, maar Oranje-muisjes nooit gegeten, is 't wel, kleintje?”

In tal van plaatsen werden de menschen teleurgesteld en al uitten ze het op andere wijs, hun verdriet was niet minder groot dan dat der kleine meid in Amsterdam.

Wel maakte menigeen zich vroolijk over Rotterdam, waar om 12 uur de vlag uit den toren van de beurs werd gestoken; mannen van zaken, schoolkinderen en negotiemenschen, allen stonden stil en staarden naar die vlag, de trams stopten van wege de ophooping der kijkende menschen, maar geen kwartier daarna werd de vlag ingehaald. Loos alarm! Alle klokken luidden in Oud-Pekela om half 11 's avonds, en 's morgens vernam men, 't was een valsch bericht geweest.

Het Nieuwsblad van het Noorden gaf een bulletin uit: Een Prinses geboren. In dichte drommen stroomden de Groningers naar hun prachtige Groote Markt; het was er stampvol, dochde Provinciale Groninger Courant zegt: „Neen, 'k heb later bericht ontvangen; de toestand van H. M. is bevredigend; H. M. Koningin Emma is den geheelen dag in het paleis Noord-Einde; maar de oranjezegels op de telegram-enveloppen hebben anderen, doch ons niet gefopt.”

Iedereen had dien Donderdagavond wat te vertellen. De een hoorde een conducteur van een tram zeggen: „Eriseen Prinses geboren;—maar Mevrouw,ikweet er nog niets van.”—Een ander zat in een tram en vroeg: „Mijnheer u heeft van uw familie in Den Haag mogelijk iets vernomen?”—„Neen, mijnheer, ik weet absoluut van niets.”—„O!” zei een burgerjuffrouw,„ik ben de tante van een nicht van de vaste schoonmaakster van een deftige meneer, hier uit Amsterdam, die nu in Den Haag woont, want die meheer is minister van de Koningin geworde; ik kom er net effetjes van daan, en die nicht van me had zoo om 3 uur nog niks gehoord, niks zeg ik uwé, dus uwé hoeft 't niet te gloove, ze zulle de vlagge in de Kalverstraat wel weer inhale.”—Op de redactiebureaux der groote dagbladen liet de telefoon geen oogenblikden bedienenden klerk met rust; altijd weer hoorde men antwoorden: „Niets bekend Mijnheer, of Geen Prins of Prinses Mijnheer;—of geen enkel woord van onzen berichtgever Mijnheer; om weder met: Niets bekend mijnheer niets bekend!” te beginnen tot antwoord aan een volgenden belangstellende.

Het was maar goed, dat de couranten in de laatste dagen nog van allerlei mededeelden, waarover in den gespannen toestand waarin het geheele land verkeerde eens gepraat kon worden. Zoo vond men een opsomming der hoven, waaraan het huis van Oranje sedert Prins Willem I door diens nakomelingen verwant is; alles goed nalezende, komt men tot de verbazingwekkende slotsom, dat alle gekroonde hoofden in Europa afstammelingen of bloedverwanten zijn in de mannelijke of vrouwelijke lijn van Prins Willem, twee vorsten uitgezonderd: de koning van Servië, enlast not least, de sultan van Turkije!

Enkele dagen geleden werd H. M. een Bundel „Kinderliederen van P. Jonkers” aangeboden, het geschenk werd door de Koningin gaarne aangenomen en de komponist in een schrijven namensH. M. bedankt. Er kan dus van het allernieuwste, laat ons hopen van het allerbeste, voor het kindeken gezongen worden.

Een aardige ontmoeting had de onderwijzeres en een leerling der naaischool uit Scheveningen, die, met een zeer fraai wagenspreitje naar het Noord-Einde getogen, het ongedachte voorrecht genoten, dat Z. K. H. de Prins in eigen persoon het geschenkaannam, bezichtigde en het aan H. M. ging overhandigen; Die nog denzelfden avond per telegram bedankte.

Een zeker zeldzaam begeleidend schrijven vergezelde een ander zeer fraai bewerkt wagenkleedje, n.l. een brief in Brailschrift, uitdrukking gevende aan de beste wenschen van Elizabeth van den Berg, een blinde onderwijzeres in het R. K. Gesticht „de Wijngaard” te Grave. Het schrijven van Hr. Ms. secretaris zal zeker zeer zorgvuldig in dit Blindengesticht bewaard worden en niet minder in het geheugen der vriendelijke en bekwame werkster.

Intusschen wordt het laat, het plasregent, de menigte voor het paleis in het Noord-Einde staat geduldig en stilzwijgend te staren naar de 9ramen in den hoofdgevel; een gezelschap heeren en dames der hofhouding, van tafel komende, blijft even kijken naar die tallooze menschenmassa en.... gaat verder. Om 10 uur verzekert de hofmaarschalk: „Geen Prins of Prinses; toestand van H. M. gunstig.” Om half drie is er niemand meer op het plein voor het paleis:„'t kan duren tot aan den morgen.”—En intusschen wordt daar binnen.... daar buiten.... gewaakt en gebeden door tal van harten.... En God verhoorde.

Vrijdagmorgen snellen velen op het land naar het gemeentehuis, anderen stoutmoediger bellen in den vroegen ochtend bij den burgemeester aan; Z.E.A. weet nog niets. De dagbladbureaux zien al om 6 uur troepen menschen voor het raam der bulletins staan; doch daar vinden ze alleen dat van 's nachts 3 uur; dit bevredigt hen niet en daarom.... zij blijven wachten.

„Gustaaf, Gustaaf!” de aangeroepene kijkt om en zegt: „Wat, Willem jij al op?”

„Is dat zoo'n wonder? Veel meer wonder! een heer student uit Amsterdam naar Den Haag getogen,om dáár te zes uur op straat te loopen, wat beweegt jou daartoe?”

„Zeker dezelfde bewegende oorzaak of drijfkracht, of.... 't doet er niet toe wat, die een Haagsch ambtenaar aan het Min. van Kol. zijn bed uitjaagt. Ik ga naar het Noord-Einde om het eerste en echte nieuws. Gisteren liet Papa de vlag uitsteken eninhalen, om daarover onze kleine Dora te troosten, stoomde ik naar Grootmama en beloofde de kleuter dadelijk een telegram te sturen, als ikhierietszekerswist.”Intusschen bereiken de jongelieden het Noord-Einde en vergrooten de menigte belangstellenden achter het Ruiterbeeld.

Z. K. H. de Prins verlaat even 7 uur het paleis en begeeft zich naar het telegraafbureau om zelf Zijn Moeder de heugelijke tijding te zenden. Nauwelijks heeft Z. K. H. zich verwijderd, daar berichten, neen! dat is te zwak! vol trots, opgewonden van blijdschap proclameeren de dienstdoende politieagenten voor het paleis aan alle grage ooren: „H. M. heeft een Prinses, alles wel! Een Prinses, alles wel!”

Heerlijke, blijde tijding! In ademlooze stiltedoor de eerste rijen vernomen en fluisterend overgebracht, want vol liefde gevoelen allen het, stilte, volmaakte stilte is noodig!—En, 't klinkt wel familiaar, maar och! zoo echt hartelijk en innig, wat Gustaaf en Willem, die zich tot rennende nieuwsboden maken, telkens hooren vragen: „Is het echt waar, geen valsch gerucht, geen loos alarm mijnheer en dan onmiddellijk: is moeder en kind wel, mijnheer?” Na deze verzekering: Welke opgeklaarde gezichten, welke blijde blikken! vergezeld van een: God zij gedankt! Welk een zegen! Hoe heerlijk! Wat een gebedsverhooring! Hoe blij ben ik voor de Koningin! Een weldaad voor ons land! Die gelukkige Koningin-Moeder! en nog veel meer zulke uitingen ving hun oor op.

Aan het telegraaf- noch telefoonkantoor zou Gustaaf vooreerst geen beurt krijgen. „Dora moet maar wat wachten. Willem haal jou fiets en ik de mijne en dan naar het Malieveld; wij moeten de schoten hooren lossen.” Grootmama schreide van louter vreugde, toen haar oudste kleinzoon de blijde tijding bracht. „Eerst ontbijten jongen, dan mag je naar het Malieveld, we moetensamen danken, kindlief. O, sedert mijn eerste geboren werd, ben ik zoo bezorgd niet geweest als nu. Het is een pak van mijn hart; den heelen nacht heb ik, zelfs als ik maar even sluimerde, aan onze Koningin gedacht.”

„Grootmama, Grootmama, maken uw 70 jaren u zenuwachtig; u is nooit zoo geweest! Wat zal Papa zeggen, als ik hem dat vertel? Papa zal me niet gelooven. En u wist toch, toen ik om 12 uur van nacht het laatste bulletin ging lezen, dat de toestand gunstig was. U moet u toch niet noodeloos ongerust maken.”

„Hoor me die jeugd nu eens; van 12 tot 7 uur kind, is een heele tijd van wachten en spanning en er kon zooveel gebeurd wezen, als God het niet verhoed had! Denk toch aan ons vaderland, aan alles wat geducht kon worden. Heeft niet de Koningin een voogd of voogdes, een raad van voogdij moeten benoemen al in Maart? Welke aanstaande moeder, die haar echtgenoot bezit, wordt tot zoo iets geroepen?”

„Maar beste Grootmoeder, het is heel eenvoudig naar de Grondwet, en die kent H. M. op haar duimpje en houdt zich daar stipt aan,dat H. M. zeer tot eer verstrekt; maar daarin is nietsvreeselijks,—om met Lize te spreken.”

„Jongenlief, als je eens drie kruisjes telt en vader hoopt te worden, zul je begrijpen, dat er ontzaglijk veel in de ziel der Koningin is omgegaan, toen die benoemingen moesten gedaan worden. Geve God, dat alles welga en het een doode letter blijve.

Nu eerst den Bijbel!” Gustaaf belde en de dienstboden binnengekomen, wenschten om strijd de oude dame geluk metonze Prinsesen daarna kreeg de blijde boodschapper ook een handdruk. Psalm 103 verving het hoofdstuk, dat aan de orde was; en Gustaaf begreep heel goed, (al wou hij het zich zelf niet bekennen,) waarom Grootmama 's stem soms zoo beefde, terwijl zij anders altijd zoo statig las.

Op de fiets, in gezelschap van honderde fietsers en duizende voetgangers werd het Malieveld bereikt. Om 9 uur 1 min. viel het eerste schot! De hooge hoed in de hand, de pet van het hoofd hoorden heer en werkman dit vredig losbranden aan; en daarna werd elk der 51 schoten met zakdoekgewuifen hoerageroep begeleid. De beide neven reden weldra weg.

„Kijk eens Guus, daar stormen de schoolkinderen de deuren weer uit,” „Wel jongens, geen school?” „Neen, mijnheer, geen school, weetuhet nog niet?”—„Wat?” „De Koningin heeft van morgen een Prinsesje gekregen; nu hebben we den heelen dag vrij!”—„Gekheid jongens!” „Neen, dan weet u er niks van heeren, het staat op al de borden, kijkt u maar even in school.” En weg draafden de praters. Weg! naar het lokaal, waar de beschuitjes uitgedeeld zouden worden. Mevrouw Tjaden-Modders liet de uitdeeling onder muziek plaats hebben; en ieder kind kreeg, tot vergoeding voor het lange wachten, een reep van Houtens chocolade op den koop toe. Men genoot van de vroolijke kijkers der smullende, arme kinderen, gedurig echter wachtten dezen en genen even om met de muziek in te stemmen; vooral alsPiet HeinofAl is ons Prinsje nog zoo klein, gespeeld werd.

Naar de landsdrukkerij fietsten Gustaaf en Willem, daar verscheen om 10½ uur een buitengewoon nummer van de Staatscourant luidende:

„H. M. de Koningin is hedenmorgen door Gods goedheid voorspoedig bevallen van eene Prinses.” Volgen de bulletins. Zeer druk werd deze extra oplaag gekocht; ook daarin uitten zich de algemeene opgewektheid en blijdschap, die ontspanning bracht na de angstig doorleefde dagen en nachten.

„Nu maak ik, dat ik van onze Amsterdamsche opgetogenheid genieten kan, Willem, dus wil ik den trein nog halen, vaarwel! Maar wat is daar in de verte? Het lijken wel herauten te paard. Ja! met trompetters er bij.”

„Het feestcomité zendt 4 herauten, ieder door 2 trompetters met bazuinen vergezeld, de heele stad door; laat ons gauw peddelen om er bij te komen, Guus, dan maar een lateren trein naar jegeboortegrond.”

Zoo gezegd, zoo gedaan. Van plein 1813 vertrekken ze.

De Heraut houdt een perkamenten rol in zijn rechterhand, met Oud-Hollandsche letter bedrukt; van den rechter hoek aan den benedenkant hangt een breed, dubbel Oranjelint af, door een groot zegellak verbonden. Hij is in Oud-Hollandschekleedij gedost, rood met zilver afgezet; daaroverheen een loshangende dalmatiek van Oranje fluweel (over borst en rug) versierd met het wapen der Koningin en van den Prins. Een breedgerande, grijs vilten hoed, met afhangende oranjeveder dekt zijn hoofd. De trompetters zijn in een zwart met rood afgezet wambuis met stalen halsstuk gestoken, dragen een slappen hoed met roode tressen opgetoomd; ook de paarden zijn op Oud-Hollandsche manier opgetuigd.

Met een triomfantelijke stem roept de heraut uit:

„Ingezetenen,

Met groote vreugde maakt het Feestcomité de blijde boodschap bekend, dat H. M. de Koningin door Gods goedheid bevallen is van een Prinses. Geheel de burgerij van 's-Gravenhage deelt van harte in de gevoelens van vreugde, die dit heugelijk feit bij het Nederlandsche volk opwekt! Dankbaar erkent het den zegen, die aan het Koninklijk Huis en aan het Vaderland is geschonken.

Moge deze blijde gebeurtenis strekken tot versterkingvan den eeuwenouden band tusschen Nederland en Oranje.

Leve de Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje!”

De hoeden zwaaien, de zakdoeken wuiven, de menschen klappen in de handen of drukken, hoewel volkomen vreemd, elkaar hartelijk de hand en tegelijkertijd klinkt het spontaan, nu uit honderde kelen: Leve de Koningin! Leve de jonge Prinses van Oranje! gevolgd door een Oranje Boven! Hoera! Hoezee!

De herauten rijden weg en herhalen overal met dezelfde uitwerking dezelfde blijde tijding. Dichte drommen van menschen en kinderen volgen hen; een klein meisje roept een vriendinnetje toe: „Ik heb hem al 9 maal gehoord en jij?” „Ik kan het al opzeggen!”

„Grootmama komt beslist op de stoep om te luisteren Willem,” zegt Gustaaf en zij rijden nog even naar het voorvaderlijk huis om van dit tooneeltje te genieten. 't Was zoo. Grootmama en de dienstboden, tot het schellemeisje toe, allen rijkelijk met oranje gesierd, staan op de stoep. Na een kort afscheid zit de heer student in den treinen verhandelt met zijn reisgenooten wat hij zag en hoorde in de zoo gelukkige residentiestad.

„Ida, word eens gauw wakker, toe vlug wat, luister!” Een ruk vergezelde deze woorden van Lize. Ontwaakt, begreep Ida dadelijk den vinger op Lize's lippen en fluisterend vroeg zij haar: „Is er wat gebeurd, Lize?”

„Niet dat ik weet, maar Mama heeft al om Anna gebeld; wat zou er wezen?”

Intusschen gingen beiden zonder eenig gedruisch te veroorzaken zich kleeden, om gereed, in gang of portaal haar meisjesachtige nieuwsgierigheid te bevredigen. Had Mademoiselle 't geweten, zij zou genoten hebben van de vlugheid en stilte, waarmede het anders vrij drukke en bij het kleeden tamelijk langzame tweetal, thans haar bedden netjes afgehaald, gekapt en gekleed de gang doorliep en over de leuning keek om naar Anna uit te zien.

„Anna, Anna!” half luid, half zacht, „scheelt Mama iets?—zeg gauw op, wat?”

„Neen, jongejuffrouwen, maar Mevrouw is al gekleed naar beneden gegaan.”

Na enkele sekonden wordt er aan Mama's kamerdeur geklopt en op het binnen! klinkt het als uit één mond: „Mama, heeft Gustaaf getelegrafeerd? Weetuer alles van? Is de Koningin wel?”

„Maar kinderen, ondeugden! Zul je eerst je Moeder goeden morgen zeggen; jullie doet me schrikken met al je nieuwsgierige vragen.”

Na de behoorlijke morgenbegroeting vernam Mevrouw dezelfde vragen met nog enkele andere vermeerderd: eer zij beantwoord waren, kwam, zonder op het binnen te wachten, Jan in, pakte Mama eerst hartelijk en vroeg toen: „Waarom is Papa al naar het kantoor gegaan, Mama? Al driemaal heb ik de telefoon gehoord; zeker is het antwoord:in gesprek; of zou Guus nog niet op wezen?”

„Hij slaapt altijd zoo lang, als hij 's avonds gewerkt heeft,” valt Ida in. „Dat doet hij bij Grootmama toch niet, zou ik meenen;” vult Lize aan.

„Kind'ren wat zijt ge allen opgewonden, bedaar een beetje. Papa is op mijn verzoek naar 't kantoor gegaan, niet om Gustaaf op te bellen,want Grootmama is niet intercommunaal aangesloten, waar zou het lieve menschje 't voor noodig hebben?—maar oom Willem wilden we telefoneeren.—Ben je nu tevreden? Ik weet niets meer dan jij.”—

„Mama, laat mij gauw even naar Mevrouw van Loon loopen, die krijgt beslist een telegram, en anders naar de jonge barones Roëll, de vriendin der Koningin. U weet wel, de Mama van kleinen Willem, het petekind van H. M. Toe, lieve Moeder, zeg maar gauw ja!”

Mevrouw, verbaasd over zooveel belangstelling van de kinderen, zag Jan een oogenblik besluiteloos aan; wat zou Mevrouw van Loon zeggen of denken van zooveel vrijpostigheid, daarna keek ze naar de pendule; pas kwartier over zevenen!

„Mama, wie zwijgt, stemt toe, niet waar? Zoo gauw ik het echte weet, kom ik thuis,” en weg was Jan. „Echt goed bedacht!” riep Lize uit. „Waarom ben ik ook geen jongen, dan liep ik 's morgens en 's avonds alleen over straat,” voegde zij er aan toe.

„Zeker, zoo praten altijd alle meisjes, die nog op een leerkamer zijn,” spot Mevrouw met eenlachje; „gaat nu gauw uw bedden afhalen, wat zou Anna anders wel denken.”

„Wat doen jullie hier? Al beneden schelmpjes?” vraagt haar vader, die juist binnenkomt.

„Alles belangstelling beste Henk, pure belangstelling in het groote nieuws, dat we verwachten.”

„Zag ik Jan de stoep afgaan, Amélie? Met één sprong was hij op straat.”

„Hij vroeg mij verlof om naar Mevrouw van Loon-Egidius te gaan, eer ik mij nog bedacht had, holde hij de gang al in. Wat zal Mevrouw wel van ons denken?”

„Jan zal wel netjes zijn boodschap doen; lang geen kwade inval; aan de telefoon kon ik geen beurt krijgen; 5 maal heb ik intercommunaal gevraagd en altijd weer hoorde ik „In gesprek.””

Jan draaft voort tot op de brug der Spiegelstraat; even staat hij stil. „Waar zal hij heengaan, rechtuit naar Mevrouw van Loon, of eerst naar de jonge mevrouw Roëll?” Terwijl hij zich dit afvraagt, ziet hij mevrouw van Loon de brug aan de Vijzelstraat oversteken, zoo gauw als zij maar loopen kan, ze zweeft letterlijk. „Die gaat naar baron Roëll, ik ook; daar komt de baronop de stoep en loopt naar Mevrouw toe. Ha, Ha! die twee weten het.” En als ging het om zijn leven zoo draaft Jan; als een pijl uit een boog schiet hij voort en hoort het juist: „Mevrouw, ik wou het u even komen vertellen!” „Mijnheer, ik kon aan de telefoon maar geen beurt krijgen om het u te berichten; heerlijk hé?”

De samensprekenden drukken elkaar innig hartelijk de hand en zien er beiden recht verheugd en gelukkig uit. Jan slaat zijn slag: „Mevrouw, ik mocht even naar u of naar den baron toe, is het kindje geboren?”

„Ja, Jan, een Prinses, zeg maar tegen je mamaalles wel!”

Voor Jan zijn „dank u mevrouw!” ten antwoord geeft, maakt hij een flinken sprong, zwaait zijn pet en geeft zijn gemoed lucht in zulk een luid hoera! dat de baron en mevrouw in een lach schieten, daarop rent hij, even snel als hij gekomen was, naar huis.

Hier brengt hij door zijn mededeeling alles in opschudding. Dora danst met twee poppen in iederen arm en zingt van „Willemientje, 't lieve kindje.” Lize loopt naar de dienstboden, om 't tevertellen aan wie het nog niet van Jan vernamen; Louis sjort Anton mee naar zolder. „Gauw, Anton, gauw! nu echt de vlag uit en vooreerst niet weer inhalen, hoor! wel 14 dagen of langer uit, tot de visites beginnen net als toen Dora er pas was.”Ida opende haar geliefde piano en speelde en zong Wilhelmus en Wien Neerlands bloed; niemand dacht aan zijn werk, allen verblijdden zich!—En Jan kreeg verlof, terwijl Louis de vlag hielp uitsteken om den ooms het door hem verkregen bericht te gaan meedeelen. De ooms alleen hoorden het niet van den aardigen jongen; neen, ieder op straat die luisteren wou kreeg het verhaal van de samenspraak der beide waardigheid-bekleeders ten paleize.

Even haalt Jan zijn horloge uit, ja, ik kan nog best naar de Hollandsche juffrouw gaan. Het ontbijt loopt toch in de war en we krijgen op school geen uitbrander voor te laat komen. Het arme mensch is al dagen in onrust geweest en ze ligt ziek, wie weet hoe lang het anders duurt eer ze het hoort.

„Wie kan daar zoo hard schellen?—De bakkeren de melkboer zijn er al geweest, doe eens gauw open, Aagje, gauw.”

„Juffrouw, kompliment van mevrouw.... ('t is jongeheer Jan, weet u,) de Koningin kreeg van morgen vroeg een Prinses, en alles is wel! Zijn Mama weet het van mevrouw van Loon; u wenscht hij beterschap;—en meteen ging de jongeheer de stoep weer af.”

„Aagje, meisje, laat ons God danken. Hij heeft onze vrees beschaamd.—Welk een genade, welk een zegen! Zulk een tijding zou me half beter maken!”

„Maar juffrouw zou het wel waar wezen? Zoo meteen zeide de vischvrouw nog: „Ze zegge dat er 'n Prinses is, 'kgloof er niks van, 'tzalle wel weer praatjes wesen, net as gistere.”—”

„Had die vischvrouw Mevrouw Van Loon gesproken per telefoon, of aan haar huis misschien, Aagje?”

„Als die mevrouw nu ook een valsch bericht kreeg, juffrouw, ze hebben gisteren in de Kalverstraat en zelfs in „De Bocht” gevlagd en 't wastochniet waar!”

„Ja, het ochtendblad zal die vergissing wel ophelderen,maar denk eens, Mevrouw Van Loon is dame du palais, dat is in Amsterdam, wat een hofdame in Den Haag is, die dame zelve kreeg beslist een telegram.”

Aagje haalde haar schouders op, ging naar de keuken al mompelend: „de juffrouw boven kreeg ook zoo'n boodschap van d'r man, die is aan een krant en zij geloofde d'r ook niemendal van; de vischvrouw kwam heel van de Ruyterkade, 't mensch had nergens geen een vlag gezien, maar me juffrouw is zoo op al die grootelui kinderen!—nou ze mot het zelvers wete.”

„Wat voor groente van daag, Aagje? Wel meid, wat kijk je boos.”

„Och, 'k geloof er niks van dat er 'n Prinses is, heb jij er wat van gezien, Mozes?”

„Neen, Aagie; ze reie met een auto van 't Handelsblad en met rijtuigen van 't Nieuws, ze strooide bulletijns; maar de kranten, zie je, die liege zoo dikkels; 'k zeg maar as de kanonne afgaan, de klokken speule, de vlagge op de tores komme dan zeg 'k 't is waar.—Nou meisie, wat mot je hebbe?”

Aagje kende haar meesteres te goed om detwijfelingen van den groenjood over te brieven, juist ging ze met mand en bak gewapend naar de stoep, toen een loopjongen van Gladschaaf ademloos kwam aanhollen, haar een briefkaart overreikte met een: „Even je juffrouw laten lezen.” In stomme verbazing hoorde ze toe: „Beste Tante, De Heer schonk voorspoedig een Prinses, alles wel!” Haar juffrouw krabbelde vlug er onder: „De Heer zij geprezen! Hartelijk dank voor je boodschap;” en Aagje moest den jongen nog een kwartje tot belooning in de hand stoppen. Zij èn de buurjuffrouw èn de groentenverkooper èn de vischvrouw volhardden in hun meesmuilen en hoofdschudden doch geen tien tellen later snelde Mozes de stoep weer op, trok aan de bel en riep: „Kijk, aan den overkant steken ze op het politiebureau de vlag uit, kijk Aagje, 't is waar, Goddank!”

Ze waren geen eenlingen. Och, neen! Overal in de saaie buitenwijken, in het hartje der stad, in de vroegrit-trams, aan de stations, overal ongeloovige gezichten. De mannen van de pers werden hoofdschuddend aangehoord of nagekeken. En toch, men hoopte, men verlangdenaar bericht! Op den Dam werd het al voller.

„Wacht maar, als de bulletins de waarheid zeggen, komt zoo meteen de burgemeester op het balkon om het voor te lezen,” zegt er een.

„Wel neen, mensch! daar gebeurt nooit zoo iets op het balkon.”

„En bij de inhuldiging dan? Toen stonden ze aan weerszij aan de hoeken het uit te trompetten.”

„Ja, wel, das heel wat anders weet uwé! Maar de klokke beginne subiet te speulen, als de burgemeester het weet.”

„Wat is het hier uiïg, hé Jan?” riep Louis. „Zullen we nog een poosje blijven luisteren?”

„Neen, ga mee naar de kanonnen.”

„Jongens ja, dat zal leuk wezen. Vooruit!”

Reeds den 29n had een heer plaats genomen in de Roelof Hartstraat, (hij bracht daartoe een stoel mee,) om getuige te wezen van het schieten, vooralvan het eersteschot; en dan te blijven om tot 101 of tot 51 te tellen; dàn alleen, dàn pas stond het voor hem vast: Er is een Prins of Prinses. Hij kwam juist met zijn stoel weer aansjouwen, met hem verschenen ontelbaar velen op die gewichtige plaats, sommigen voorzien vanhun kodaks, want van het afvuren moest een kiekje genomen.

Jans ooren als immer gespitst, vingen weer veel op om aan de zussen als het allernieuwste nieuws te verhalen. Weet u het zeker, commandant? 't klonk deftig in de ooren van den luitenant, die de order tot 't afvuren moest geven. Heeft u een dagorder voor een Prins of een Prinses gekregen? Neen, hij had een met Oranje gesierden verslaggever van het N. v. d. Dag in de politiepost geroepen; die had het hem stellig verzekerd, dat er een Prinses geboren was; doch hij wachtte nog op het telegrafisch bevel voor het losbranden.

„Zouwe de kanonne blijve staan, as ze schiete?”

„Wà bedoel je? Denk je dasse verschove worre?”

„Nee, dat niet; maar van 't dreune ziet uwé? Ze motte ommers de rame ook opedoen hier in de buurt.”

„Ja wel! maor dat is eel wot aors,” valt een Zeeuw in. „En waor is et, 'k eb zelvers de vlag op het Paleis van Justitie ezien.”—

Jan en Louis begrepen, dat het wachten op heteerste schot heel lang kon duren en gingen daarom verder. „Louis! niet meer naar de nieuwe stad; naar 't Leidsche plein en de Kalverstraat.”

„Best Jan!”—En daar hoorden ze een agent op den hoek van het Koningsplein aan de voorbijgangers verklaren: „Mensche, van Baron Roëll zelvers heb ik het gehoord: Een Prinses en alles wèl.”—De man moest een bloedverwant wezen van hem, die dicht bij het N. v. d. Dag op post stond die, toen een berichtgever met de bulletins in een rijtuig wipte, een sprong van louter blijdschap maakte, bij het vernemen van het heugelijke nieuws! Een dier medegenomen bulletins werd aan de erfelijke oranjevrouw van den Zandhoek, juffrouw Vork, gegeven. Zij, haar armen vol met vlaggen en wimpels, dadelijk op weg naar den Oranjeboom van '98, las het eerst tot aan „alles wel!” En toen riep ze.„Kom jonges, de boom versiere! Meheer u krijgt het blaadje niet werom; het moet aan de boom; bovenaan weet uwé.” Daar kreeg het papier tusschen de vlaggen de eereplaats!

Vader Gladschaaf, door de spoedbestelling van zijn knappen zoon vroeg op de hoogte gebracht,riep eerst zijn gezin bijeen, om God te danken voor de aanvankelijke verhooring der gebeden van ons volk; om ook even vurig te smeeken om alles wat voor de doorluchtige Moeder en het Kindeken verder noodig was; daarna moest Greta het orgel openen en ruischte het:

God zij altoos op 't hoogst geprezen!Lof zij Gods goedertierenheid,Die nimmer mij heeft afgewezen,Noch mijn gebed gehoor ontzeid.

God zij altoos op 't hoogst geprezen!Lof zij Gods goedertierenheid,Die nimmer mij heeft afgewezen,Noch mijn gebed gehoor ontzeid.

zóó van harte gezongen door de kamer, dat de moeder het met geen droge oogen kon aanhooren.

„Vader,”vroeg Maria daarop,„nu nog als 't u belieft: „Mijn schild en mijn betrouwen,” toe Greet begin maar,” voegde ze er bij.

„Vrouw, laat de Vrijdag nu de Vrijdag en 't werk, 't werk, zoo gauw als we ontbeten hebben gaan we allemaal uit, om de nationale vreugde in onze stad te zien.”

„Vader! eerst Coosje en Mientje afhalen, die moeten ook mee, als Fer niet met hen uit kan.”

„Goed zoo kinderen. O ik kan maar aan nietsanders denken dan aan die groote gave aan de Koningin en ons allen,” zegt de moeder, die van vreugde eet noch drinkt.

Hoe verrukkelijk is het op straat! Men ziet een bekende, stapt op hem toe en wenscht elkaar hartelijk geluk. Loopt er iemand zonder oranje, hij wordt aangesproken: „Weet u het nog niet? Een Prinses. Moeder en Kind zijn wel. Wat een blijdschap, hè?” Wie nog zonder strik is uitgegaan, koopt oranje. De winkels tooien zich op allerlei manieren, en de waaiende driekleur van alle torens, openbare gebouwen, vele schepen en de meeste huizen geeft heel Amsterdam een gelukkig aanzien.

De draaiorgels laten vaderlandsche liederen hooren of nooden op het asphalt tot een bal van louter vreugdebetoon; de beursbengel luidt volle drie kwartier om heel Amsterdam te zeggen, hoe de handel in de algemeene blijdschap deelt! Het klokkenspel op het Paleis en op de torens van 12–1 en van 1–5 laten oude en nieuwe liederen van nationale gebeurtenissen hooren. Zoo luidde een geboorteklok, al trok Vondel niet aan het klokketouw!

De beurs zelf ziet wat gebeuren dien 30n April! In plaats van zaken te doen, wenschen de handelslui elkaar geluk, hartelijker veelal dan op 1 Januari; daarop zingen zij vaderlandsche liederen; de jongeren werpen met serpentines en steken kamer- nubeursvuurwerk af. Een voorbijtrekkend muziekkorps wordt ingeroepen en marcheert het geheele gebouw door en daar zingen honderde stemmen mee! Geen officiëele prijsnoteering komt dezen Vrijdag uit!....

In Frascatie maken de tabakkers het nog beter! In de groote zaal keurig versierd met groen en vlaggen, wordt een piano binnengedragen; daarop wordt het Wilhelmus gespeeld waarmee allen staande instemmen. Oranjemutsjes dekken oogenblikkelijk menig denkend hoofd en met de grootste geestdrift wordt het merk „Vorstenlanden” begroet. Na de noteering klinkt nogmaals het Wilhelmus door de ruimte.

Pas na enkele weken zal men het vernemen, hoe groote blijdschap de telegrammen van den Minister van Koloniën in Oost- en West-Indië verwekten!

Geen grootje bleef aan het spinnewiel, zei menvroeger, thans lijkt het er naar. Mademoiselle stelt eigener beweging Mevrouw voor, dien dag vrij af te geven en zij gaat met de 3 meisjes er op uit! Mogelijk doet het voorbijtrekken van al de leerlingen der machinisten- en handelsschool, der gymnasia en H. B. Scholen er het zijne toe, om Mademoiselle zoo vaderlandslievend te stemmen. Zij kon toch niet weten, dat de Belgische gezant, (die altijd vroeg een wandeling maakt,) naar zijn gewoonte zelf informeerde naar den toestand der Koningin en zoo doende de allereerste was, die het felicitatie-register teekende;—eenBelgischebaron daarop bovenaan, dan mocht eenFranschegouvernante wel uit de gewone sleur raken en uitgaan.

Door een tegenovergestelde oorzaak vertoont 1909 gedurende één dag althans wat 1672 zoo lang deed aanschouwen. „Scholen en rechtbanken hadden vacantie, ambachten en bedrijven stonden stil, plaatsen van vermaak waren ledig, doch de kerken waren te klein voor alle benauwde harten.” De plaatsen van vermaak en vooral de kerken schijnen nu aan den avond van Vrijdag en den morgen van Zaterdag ook te klein dochheden voor alleblijdeharten. Ze stroomen vol; aandachtige, verheugde gezichten en tintelende blikken worden tot de leeraars opgeheven; dankbare tonen ontlokken de organisten aan hun heerlijke instrumenten; vol aangrijpende geestdrift stemmen de scharen in met de opgegeven zangverzen.

Doch wat is dat? Daar heeft de dienaar des woords vol warmte nagegaan wat God in de vervlogen eeuwen door en met Oranje Neerland schonk, heeft in een vurig dank- en smeekgebed, de Koningin en Haar huis en de Jonggeborene den Heere opgedragen; de menschen zullen naar hun woningen wederkeeren, niemand gaat. De orgelist laat de eerste tonen van het Wilhelmus hooren en allen, allen vallen in. Zie eens rond. Vaders en moeders zeggen kleinen van 5 of 6 jaar voor, opdat ze mede kunnen zingen; en heel wat kinderstemmetjes, op de scholen met woorden en melodie vertrouwd gemaakt, zingen luidkeels mede. Na enkele coupletten van ons echte volkslied, zetten een paar jongelui Da Costa's: „Zij zullen het niet hebben” in; en het heerlijke lied met de Liefde's zielvolle melodie, wordt metsteeds klimmender geestdrift gezongen. Het schijnt, of de menschen niet weg kunnen gaan; zij willen en moeten in het huis des gebeds lucht geven aan het gevoel van verademing, dat aller hart vervult.

Overal, in kerken en kerkjes van stad en dorp, bij elke gezindte jubel, dank en lof aan God, Die ons Vorstenhuis en Vaderland gedacht.

En de armen varen wel bij de nationale blijdschap, want allen geven mild.

Een aardige tegenstelling vormt de gave van 51 guldens in het kerkzakje der Remonstrantsche Broederschap te Utrecht met de bekende gift in Amsterdam van het jaar 1650. Bij 51 guldens, (zeker 51 om de 51 kanonschoten!) was het volgende versje gevoegd:

Een nieuwe Oranjeloot!Dies zij mijn gaaf vergroot.—Ik weet geen beter maarIn acht en twintig jaar!

Een nieuwe Oranjeloot!Dies zij mijn gaaf vergroot.—Ik weet geen beter maarIn acht en twintig jaar!

Dag Groomoe! ik filiciteer u met ons Pinsesje! daarmee stapte Mientje op de vriendelijke oude toe; met haar vader en moeder kwam ze naar gewoonte Zondags op de koffie.

„Wel liefje, dat is goed. Heb je al Oranje-muisjes geproefd?”

„Ja Groomoe!”

„Wil je ze vandaag ook nog?”

Daaraan valt niet te twijfelen, zij en allen eten oranjemuisjes en spreken aanhoudend over wat ze hoorden van of over de blijde gebeurtenis. De behandelde teksten, de gezongen psalm- en gezangverzen, de geestdriftige dagbladartikelen, alles, alles wordt verhandeld.

„Ik zal jullie iets voorlezen, kinderen,” zegt de grootvader over de heugelijke gebeurtenis.

„Nu heeft God een kindeken aan H. M., aan den Prins, aan ons volk geschonken!—Eens was er een vleug der hope, maar wreed als het over ons land gehengd scheen, tastte juist in die dagen een giftige krankheid het leven onzer dierbare Koningin aan. Er zijn toen uren geweest, dat elk oogenblik het schriktelegram van 't Loo geducht werd. Vreeze beving aller hart, dat niet alleen onze hope op de geboorte van een Vorstelijke Spruit zou beschaamd worden, maar dat onze Koningin zelve ons zou ontnomen worden! Dat bangste is toen, God zij lof, afgewend.”

„Vader,” viel Maria in de rede, „Da Costa zegt iets dergelijks van den Prins van Oranje, onzen lateren tweeden Koning.”

„Zoo meisje? Laat hooren.”

„Of eindelijk als die maarHet land met doodschrik sloeg,Krank, zorg'lijk in gevaar!”....

„Of eindelijk als die maarHet land met doodschrik sloeg,Krank, zorg'lijk in gevaar!”....

„Mooi aangehaald, waaruit, kind?”

„Uit De Vijf-en-twintig Jaar, Vader.”

Het mooiste versierde woonhuis in de bocht der Heerengracht, Amsterdam.Het mooiste versierde woonhuis in de bocht der Heerengracht, Amsterdam.

Het mooiste versierde woonhuis in de bocht der Heerengracht, Amsterdam.

„Hoor nu maar verder: „Een gerucht deed straks de blijde zekerheid opgaan, dat het onzen God toch nog beliefd had, de smeekbede van heel ons volk te verhooren. Het hoopvolle woord van „Blijde Verwachting” deed zijn intrede. En opeens was het of Nederland weer opleefde. Een belangstelling, als nooit in eenig land bij zulk een gebeurtenis gekend is, waakte op. Het gebed was nu niet meer om afwending van het bangste, maar of onze God voleinden mocht wat Zijn hand begon. Gelijk nooit de liefde voor Oranje in de harten getrild had, zóó trilde ze nu. Algemeen werd de behoefte gevoeld om aan zijn blijdschap uiting te geven. Het stroomde geschenken naarhet Vorstelijk Paleis. Het werd één saamleven in blijde verwachting van onze Koningin mèt haar Volk. Reeds rekende men den dag uit. Ieder zon er op, hoe, als die dag eindelijk kwam, heel 't volk in al zijn steden en dorpen dien dag van nationale verheffing naar waarde vieren zou. Zelfs in het buitenland trok het de aandacht, hoe sterk hier Dynastie en Natie aan elkaar verknocht waren. En de natiën van rondom, over eigen profijt heenziende, juichten met het volk van Nederland, dat toch eindelijk onze nationale hope in vervulling ging.

Nudankthet volk, gelijk het eerstgebedenheeft. En hetNun danket alle Gott!spreekt aller hart toe.

Het Vorstelijk kind dat geboren werd, heeft onze liefde, al heeft ons oog 't nog niet aanschouwd. Nu reeds is deze telg uit het geliefde stamhuis, mocht zij eens de Kroon dragen, van onze trouw en onze gehechtheid verzekerd. Voor dit Vorstelijke kind en voor onze Koningin zullen we bidden. Bidden, dat de Heere God de Moeder en het Koninklijke Kind genadig zij en blijve.

Een vreemde vorst zou ons zoo hard zijn gevallen;nu Oranje blijft, steken we 't hoofd weer omhoog, in het geloof dat Neerland nog zijn eerekroon zal dragen.”

„Wel, wat zegt ge, zoons! is het niet uit ons hart gesproken?”

„Ja, Vader, echt.”

„Groomoe, mag tante Eta spelen en wij zingen? is het Zondag?” met deze vraag maakte de kleine een einde aan de plechtige stilte.

„Ja, liefling, Tante zal spelen.”

„Vader,” zoo begon Coosje, „ons Prinsesje heeft mooie namen, vindt u niet?”

Maria verstoute zich om gauw te antwoorden: „Mooie, mooie, Coosje? Zeg: heerlijke, dierbare, onvergetelijke, zuiver historische!Juliana, je zult het hooren is naar de stammoeder der beide takken Oranje èn Oranje-Nassau; Louise zal naar Louise de Coligny wezen.

„Zij was de Dochter, Weeuw en Moeder van de Helden,Die goed en bloed voor God, voor Staat en vrijheid stelden.”

„Zij was de Dochter, Weeuw en Moeder van de Helden,Die goed en bloed voor God, voor Staat en vrijheid stelden.”

Of Zij heet naar Louise Henriëtte, de prinses van Oranje, die met den Keurvorst van Brandenburgtrouwde. Het is innig, onbegrijpelijk innig, diep gevoeld van de Koningin om juistdie namente geven!”

„Heeft je peettante je dit alles voorgezegd?” spotte haar Vader.

„Neen, o, neen! Vader, maar u zegt in uw hart volmaakt hetzelfde, ik ken u veel te goed; u heeft 't Oranjehuis lief, zielslief. En Moeder niet minder, al zegt ze nu geen woord.”

„Wat zou Nederland wezen zonder Oranje? Een speelbal van regenten- en familieregeering, anders niet. Heeft God onze ondankbaarheid van 1795 niet bezocht, met dien schrikkelijken Franschen tijd? 't Schrikkelijkst zeker omdat het grootste deel des volks Zijn straffende hand niet erkende. Toe Vader! lach me niet uit maar val me liever bij; 't is de waarheid, vraag het Groen maar.”

„Als je met Groen aankomt zusje, nieuw-bakken onderwijzeresje, dan moet het slot op onzen mond, niet waar?” zei Mientjes vader. „Coosje,” ging hij voort, „vraag Marie van alles over Juliana van Stolberg en die twee Louise's, maar dan van avond, na de kerk; dan heb je de heele weekwat om over te denken; nu moeten we naar huis, kijk eens op de pendule.”—„Gunst! zoo laat al, Fer?”

„Ja, ja, de kleine Prinses stuurt al wat in de war, tot jou tijdrekenkunde toe, hè? Maar dat is niet de eerste maal.”

Allen lachten. Weldra waren de aanzittenden van de gezellige koffietafel opgestaan en toog ieder zijns weegs.

decoratieve illustratie

rand

rand

randranddecoratieve illustratieHOOFDSTUK IV.Van Hier en Daar.(Nà 30 April 1909.)„Ligt ons Juliaantje nu in onze wieg, Mama?” zoo begon Dora aan de thee.„Neen, Dora; Koningin Emma liet de wieg, waarin onze Koningin zelve lag, in orde maken en die moet door het Prinsesje het eerst gebruikt worden.”„Is die nog mooier dan de Amsterdamsche, Mama?” vroeg Lize thans.„Naar wat 'k in de courant las is die wieg heel deugdelijk, heel gepast in een paleis, maar eenvoudiger en daardoor zeker beter geschikt voor alledaagsch gebruik. En dan is het zulk eenlieve gedachte, dat Mama en Grootmama 't kleintje in de wieg zien, waarbij Koning Willem III zoo gaarne stond om naar zijn eenig dochtertje te kijken.”„Dat zal je wel aan het rechte eind hebben, Amélie,” veronderstelde mijnheer;„Prins Hendrik heeft althans net gedaan bij de aangifte van dit Prinsesje als Z. M. bij die van het Zijne.”„Zoo? Hoe dan, Henk?”„Na Hr. Ms. geboorte, toen de officiëele personen voor de aangifte ten paleize in het Noord-Einde gekomen waren, liet de Koning het Prinsesje binnenbrengen en zei: „Mijne Heeren, u ziet dat ze er wezenlijk is;” en zelf nam daarop Z. M. het kindje in Zijn arm om het den ministers te toonen. Gisteren nadat de wethouder de Wilde met den chef van den burgerlijken stand Meys en de beide ministers, als getuigen in de zaal waren aangekomen, verscheen Z. K. H. de Prins vergezeld van Jhr. van Suchtelen.Z. K. H. drukte ieder der vier heeren de hand zeggende: „Ik ben toch zoo hartelijk verheugd.” Onmiddellijk daarop werd de Prinses binnengedragen door een verpleegster. De Prins toondeHaar eerst aan den wethouder, daarna aan de getuigen. Een blozend kindje, goed van gewicht was de indruk.De heer Meys las de geboorteacte voor en die werd vervolgens geteekend. De heer de Wilde vroeg verlof nog iets te mogen zeggen en sprak ongeveer 't volgende. „Hij rekende het eene hooge eere voor den burgerlijken stand van 's Gravenhage om in zijne registers te mogen zien aangeteekend het vorstelijk kind, zoo lang door het Nederlandsche volk verbeid. Hij hoopte, dat dit vorstelijke kind tot in lengte van dagen onder de levenden in de registers van den burgerlijken stand blijve aangeteekend, tot vreugd van het Koninklijk Huis, tot heil en zegen van het dierbaar Vaderland.”De Prins-Vader dankte den Wethouder met een handdruk; waarna de heeren vertrokken.”„Wel hoe alleraardigst en hartelijk ging dat toe; staat het letterlijk zoo in de courant?”„Ja, Mama,” sprak Ida die over Papa's schouder medelas, „en als 't Prinsesje gedoopt wordt mogen wij drieën in Den Haag bij Grootmama komen.”„Is 't echt waar, Ida?” riepen Lize en Dora tegelijk uit.„Vraag het Mademoiselle maar, Grootmama heeft 't haar gevraagd en zij gaat mee, niet waar, Mademoiselle?”„Dat is weer een meisjesgenot, die verzuimen maar, als ze 't goedvinden!” klaagde Louis.„En H. B. S.-jongens gaan het den burgemeester vragen,” plaagde Jet.„Neen, de Handels- en Machinistenschool zijn op het stadhuis geweest, wij niet;” bracht Jan fier in, die in zijn eerste jaar van Hoogerburgerschap was.„In Dusseldorf woei den 30n de Hollandsche driekleur, Papa! In Pruisen moet zoo iets aangevraagd worden; de daar wonende Nederlanders hadden al lang geleden permissie gevraagd en gekregen. Op de Noordzee wist men het groote nieuws eer dan in Amsterdam.”„Kom Gustaaf! geen studentenmopjes, welke „men” is dat? De kabeljauwen mogelijk?” vroeg Mevrouw.„Mama, het is volle ernst. De Batavier, een stoomschip, kreeg een Marconi-bericht, heeschoogenblikkelijk de groote vlag en al de seinvlaggetjes volgden. De Hollanders jubelden, de Engelschen, verbeeldt je, de Engelschen! drukten hun het eerst de hand en wenschten hen geluk, „Wilhelmus” en „Wien Neerlands bloed” weerklonken, toen de boot aan den Hoek van Holland binnen liep, waar, evenals op de Maas alle booten floten.”„Weet je nog wat bijzonders, Guus?” klinkt het uit alle jonge monden.„De stationschef in Haarlem liet een locomotief heen en weer rijden om knalsignalen te geven. In Berlijn (trouwens dat is overal zoo in 't buitenland) eten ze geen muisjes bij geboortefeest of doopmaal, ze kennen ze niet eens! De Berlijnsche vereeniging „Nederland en Oranje” laat ze bakken, in mooie zakjes doen, met oranjelintjes toegestrikt en aan alle te Berlijn wonende Nederlanders uitdeelen. Als ik jelui van de feestelijkheden in ons land vertellen moet, die al plaats hadden, en op 10 Mei zullen wezen, wel dan zit ik van avond om 10 uur hier nog. Maar iets aardigs las ik, aan Prins Hendrik een dag of wat geleden overkomen. Iemand vroeg een der verslaggevers van de groote bladen (ze logeerdenin „De Zalm” achter het paleis Noord-Einde): „Is het niet vervelend zoo aanhoudend voor schildwacht te spelen?”„Niet zoo vervelend als u denkt, men ziet en hoort van allerlei en 2 uur is dan gauw om. Zoo bijv. gisterenmorgen. U weet misschien, dat aan het Hof de goede, voorvaderlijke gewoonte nog stand houdt: Vroeg op en vroeg naar bed.”—„Wat noemt u vroeg?”—„Wel om 7 uur ziet men Z. K. H. in dezen tijd van het jaar in eenvoudige burgerkleeding uitgaan voor een loopje. Gisterenochtend dan, komt de Prins in het Noord-Einde met een pijp in den mond. Een werkman stapt op Z. K. H. toe met een: „Vuur, asjeblieft meheer?” De Prins heeft blijkbaar schik, dat hij niet herkend wordt, doet even een flinken trek en houdt zijn pijp aan den onbekende voor en vraagt, terwijl die een goeden haal doet: „Gaat het?” „Opperbest meneer!” en daarop: „Dank je wel menheer!” met een tik aan zijn pet. „Tot je dienst,” van den Prins, die glimlachend verder gaat.””Allen lachen en de zusters vragen natuurlijk: „Weet je nog meer, Guus?” beantwoord met een „Voor van avond genoeg.”„Mama, hoe gelukkig zullen de Koninginnen nu wel zijn! en zeker denkt de Koningin aan al die mooie geschenken, die de menschen stuurden, omdat zij zoo blij waren, dat er een kindje kwam; dunkt u niet, dat de Koningin nu dubbel blij is met alles en metonze wieg?”„Doraatje, als ik de Koningin goed begrijp, dan is H. M. het blijdst met dat lieve dotje in de wieg en daarna over alle arme menschjes en kindertjes, die van alles krijgen door de geboorte van haar lieverdje!”„Ik begrijp u niet, Mama.”„Vraag dan eens wat Jetje van mijn woorden verstaat,” zegt haar moeder.„Toen de menschen veel geld verzamelden om uit liefde en vreugde rijke geschenken te koopen, vroeg de Koningin hun dit niet te doen; maar als de menschen dit verzoek onaangenaam vonden, daar ze zoo heel graag het kindje wilden verrassen, dan zou het, dacht de Koningin het heerlijkste wezen, de meeste gelden voor arme of ongelukkige kindertjes of zieke moeders te gebruiken.”„Deelt nu de Koningin alle dagen melk eneieren uit en laat de keukenmeid bouillon en soep koken, Jet?”Gelukkig voorkwam Mama's wenk een algemeene lachbui, en Dora keek haar zuster zoo ernstig aan, dat zij van de onderdrukte vroolijkheid niets merkte.„Neen, Dora,” zei de oudste zus, die door eerst een kopje thee te drinken haar ernst behield; „dat zou te druk voor H. M. wezen; je weet wel die heeft altijd zooveel te lezen en te schrijven, alle dagen uren lang; maar de dames hebben met die guldens, rijksdaalders en tientjes net gedaan wat Papa met het geld doet, dat jij van je Peettante op je verjaardag en met Nieuwjaar krijgt, weet je dat kleintje?”„O, ja, heel goed, het wordt weggeborgen in de brandkast en Papa teekent het op in een boekje en dan wordt het altijd meer en meer. Lach me niet uit Jan, Papa heeft het zoo gezegd, en als ik dan groot ben en ga trouwen, evenals Jet, dan ga ik voor al dat geld met mijn man op reis.”Niemand kon nu zijn lachen inhouden, tot Mijnheer vroeg: „Hoe kom je aan zoo'n plan Dora?”„Ik heb het Mama aan Jet hooren vertellen; u en Mama hebben het ook gedaan.”„Kleine potten hebben ook ooren, Henk!”„Jet, vertel me verder van al die guldens.”„De Nederlandsche dames in Londen zorgen voor een arme juffrouw of kind, dat voor gezondheid naar zee moet. Alle jaren één, weet je. Van de baronie van Breda kreeg 't Prinsesje een gouden speld om haar boezelaartje vast te steken; voor al het andere geld zullen ze voor zieke kleintjes zorgen. Andere steden of provincies laten zwakke kinderen naar vacantiekolonies gaan of bouwen een kinder-ziekenhuis zooals er hier in Amsterdam een is. En de dames van de kolonels en generaals laten overal vragen, welke onderofficieren op 30 April ook een kindje kregen, en dan krijgt zulk een kindje een spaarbankboekje zooals jij hebt; dat bewaart de vader dan tot 't groot is. In Antwerpen zullen ze zorgen voor arme moeders, die kleintjes hebben en zooals jij zegt, daarom alle dagen melk, eieren en soep krijgen. Heb ik het je goed uitgelegd, en kan je het Zondag je poppenfamilie oververtellen, Dora?”„Heel best en ik vind het mooi en lief van de Koningin en al die menschen. Is er van onze wieg geld overgebleven, Mama?”„Ik weet het niet, kleine vraagster, wel weet ik nog iets heel liefs. Herinner jullie je nog die aardige luiermandjes van den winter op de bazar? zulke luiermandjes heeft de Koningin ten geschenke gekregen om uit Haar naam te sturen aan behoeftige moeders, die op denzelfden dag een klein kindje krijgen. De meisjes van de Vakschool in Den Haag hebben er voor genaaid en gebreid en er was veel en van alles in; Grootmama schreef mij: „Ze zien er keurig fijn uit.””„Kom, Papa! vertel ons ook eens iets, dat Mama of de grooten niet weten;” opperde Lize.„Ondeugd, denk je dat je Papa tijd heeft om evenals Gustaaf nieuwtjes in de couranten op te snorren?”„O, u weet wat, u weet wat, anders zei u geen ondeugd!” riep Ida uit.„Ida, met welk schip heeft de Koningin Paul Kruger laten afhalen?”„Met de Gelderland, Papa!”„Ferm zoo. Diezelfde Gelderland kwam vandaag aan de ree te Willemstad en werd van den top van den mast tot de waterlinie electrisch verlicht.”„Heeft Willemstad een ree, Papa?”„Zeker Louis, het is de hoofdstad van Curaçao waarvan ik spreek; de Curaçaosche dames zonden een doop- of draagkleed in 'n mahoniehouten kistje, en in Bonairiaansch geelhout staat op het deksel:Kolonie Curaçao 1909.Van binnen is het kistje met licht blauw satijn gevoerd; heb ik dat niet mooi onthouden?„Ik vind het merkwaardig,” ging Mijnheer voort, „dat de koloniën zoo vol belangstelling medeleven met 't Moederland. De gouverneur van Suriname stelde f 1000 ter beschikking voor feestelijkheden en die van Curaçao f 500 en er werd bij bepaald,dathet Lazarushuis van St. Eustatius daarin ook moest deelen.”„Wat is dat voor een huis, Henk?”„Een gesticht voor melaatschen, die arme ongeneeslijken worden daar liefdevol verpleegd.”„Hoe treffend dat aan armen en ongelukkigenen zulke beklagelijke menschen gedacht wordt, omdat 't heele volk zich verheugt! 't Is toch maar een zegen om in een Christenland te wonen;” besloot Mevrouw. „Hier zullen we geen bijzondere feesten hebben vóór dat ons lief Prinsesje in Amsterdam komt; dus zullen we Dora nu naar bed zenden en moeten allen met haar leeren wachten en geduld oefenen tot April 1910!”De Zomermaand bracht heerlijke dagen, en Dora, gelukkig niet ongesteld, zag een hartewensch bevredigd, toen zij bij Grootmama met Mademoiselle en de zussen, vertoevende, zag hoe de grootmeesteres in de koets het Koninklijke wichtje ophief om het aan de saamgestroomde, wachtende menigte te toonen; toen ons Prinsesje naar de Willemskerk gereden werd, om aldaar het teeken van den Heiligen Doop te ontvangen; dezelfde kerk, waarin onze Koningin ook gedoopt werd.Wel aanschouwde de kleine meid niets van de pracht ten toon gespreid in de ambtsgewaden van alle grootwaardigheidsbekleeders, die als genoodigden of vertegenwoordigers hunner souvereinendaar bijeen waren; maar naar dàt schouwspel ging haar kinderhart niet uit.Te gretiger luisterde zij naar het verhaal bij Grootmoeder aan tafel. Onder plechtig gezang kwamen H.H. M.M. en Z.K.H. de kerk binnen, en namen, als gewone menschen, plaats op de stoelenrij tegenover den preekstoel. Slechts met groen (zonder bloemen) uit H. M.'s park afkomstig was de kerk stemmig voor de plechtigheid versierd.Dr. Gerretsen, waarnemend hofprediker, preekte op uitnemende wijze. Z. W. E. W. las het geheele doopsformulier met de beide gebeden, en plechtig weerklonken de namen onzer geliefde Prinses: Juliana, Louise, Maria, Emma, Wilhelmina, vóór de Naam des Drieëenigen werd uitgesproken. Als elk kind, zonder titulatuur werd het Vorstelijke wichtje als dooplid bij de Kerk gevoegd. God vervulle in Zijn genade de gezongen zegenbede van Psalm 134 vers 3.H. M. hield het Prinsesje al dien tijd in Haar armen; daarna kuste H. M. het lieve Kindje en hield het daartoe ook den Prins-Gemaal voor. Toen pas werd de Prinses met hetzelfde ceremoniëel weggedragen, als Zij gekomen was.Gustaaf, voor dien Zaterdag, 5 Juni, overgewipt naar de Hofstad, kwam de meisjes halen; hij had haar een plaatsje bereid, van waar ze H.H. M.M. en Z. K. H. het paleis konden zien binnengaan bij de terugkomst uit de kerk.Aan het gejubel scheen geen einde te komen, toen de dierbare Vorstin, aan den arm van Haar Gemaal, voor de vensters verscheen; het begon opnieuw toen Koningin Emma Haar Kleindochtertje toonde aan de verheugde schare, en ten teeken van groetenis het lieve, kleine handje ophief.„Heerlijkjes Guus, eenig lief van je,” zei Doraatje met een omhelzing. „Heb jij het ook goed gezien?”„Met jou op zijn hoofd, hoe kon hij dan zelf zien?” riep Lize uit.Een nieuwe omhelzing en liefkoozingen, als ware hij nog een kleine jongen, beloonde den grooten broer voor zijn zelfverloochening.Het Zondagsch koffieuurtje bracht bij den ouden Gladschaaf alle kinderen om de tafel, en het Prinsesje er op zooals het zeggen luidt.Over niets anders liep het gesprek dan over de doopplechtigheid die plaats had gegrepen, over wat daarbij gesproken en voorgevallen was.Moeder Gladschaaf was maar innig dankbaar, zeide zij, dat de lieve Moeder gelukkig bewaard was geworden, toen de paarden schrikten, „het is al acht dagen geleden, we kunnen nu hopen, dat H.M. en het Kleintje er geen gevolgen van ondervonden,” voegde zij er bij.Nog een oogenblikje luisteren we aan de koffietafel. „Vader,” aldus Maria, „was u niet blij, dat Dr. Gerretsen van Juliana van Stolberg sprak, de vrome moeder van den eenigen Willem I.„Zonder Juliana van Stolberg geen Prins Willem van Oranje; zonder Willem van Oranje geen vrijheidsoorlog; zonder vrijheidsoorlog geen vrijheid; zonder vrijheid geen Nederland!” zoo stond het in de courant. En die vrijheidsoorlog in de dagen van den Prins, was om vrijheid van godsdienst, zei de Prins niet: „Liever dijken en dammen doorgestoken, de molens in vlam gezet en op schepen aan gene zijde der zee een nieuw vaderland gezocht, dan Gods Woord opgeofferd.” Kijk me niet hoofdschuddend aan Fer! het iszóó, al was het maar een plan om het volk in de bangste jaren voor vertwijfelen te bewaren. Alles opgeven, alles verzaken, behalve het Woord Gods dat was en bleef 's Prinsen leuze na 1572. Heeft Filips zelfs niet eens bij langdurigevredesonderhandelingenden Prins aangeboden, Oranje alle bezittingen buiten de Nederlanden gelegen terug te geven, zijn voor ons gemaakte schulden te betalen en.... Filips Willem de vrijheid te schenken, als de Prins zijn handen maar van de oproerlingen (zei hij) aftrok, hun noch raad, noch bijstand schonk. En hij, Willem van Oranje, had zelfs zijn zoon niet liever dan de verdrukten in dit land; o, ja! Prins Willem was zijner vrome moeder waardig!”—„Zeg liever kind: Op dezen prins kunnen we het woord van Jezusniettoepassen: „Die zoon of dochter lief heeft boven Mij, is mijns niet waardig. Gode daarvoor de eere!”...„Moge onder de trouwe leiding van onze Koningin, Haar Prinselijken Gemaal, Haar vrome Moeder, onze jonge Prinses opwassen in oprechte godsvrucht; worde Haar naam eens met eere genoemd onder die vele vrome vorstinnen, waaraan 't Oranjehuis steeds zoo rijk is geweest!”randrand

rand

rand

decoratieve illustratie

Van Hier en Daar.

(Nà 30 April 1909.)

„Ligt ons Juliaantje nu in onze wieg, Mama?” zoo begon Dora aan de thee.

„Neen, Dora; Koningin Emma liet de wieg, waarin onze Koningin zelve lag, in orde maken en die moet door het Prinsesje het eerst gebruikt worden.”

„Is die nog mooier dan de Amsterdamsche, Mama?” vroeg Lize thans.

„Naar wat 'k in de courant las is die wieg heel deugdelijk, heel gepast in een paleis, maar eenvoudiger en daardoor zeker beter geschikt voor alledaagsch gebruik. En dan is het zulk eenlieve gedachte, dat Mama en Grootmama 't kleintje in de wieg zien, waarbij Koning Willem III zoo gaarne stond om naar zijn eenig dochtertje te kijken.”

„Dat zal je wel aan het rechte eind hebben, Amélie,” veronderstelde mijnheer;„Prins Hendrik heeft althans net gedaan bij de aangifte van dit Prinsesje als Z. M. bij die van het Zijne.”

„Zoo? Hoe dan, Henk?”

„Na Hr. Ms. geboorte, toen de officiëele personen voor de aangifte ten paleize in het Noord-Einde gekomen waren, liet de Koning het Prinsesje binnenbrengen en zei: „Mijne Heeren, u ziet dat ze er wezenlijk is;” en zelf nam daarop Z. M. het kindje in Zijn arm om het den ministers te toonen. Gisteren nadat de wethouder de Wilde met den chef van den burgerlijken stand Meys en de beide ministers, als getuigen in de zaal waren aangekomen, verscheen Z. K. H. de Prins vergezeld van Jhr. van Suchtelen.

Z. K. H. drukte ieder der vier heeren de hand zeggende: „Ik ben toch zoo hartelijk verheugd.” Onmiddellijk daarop werd de Prinses binnengedragen door een verpleegster. De Prins toondeHaar eerst aan den wethouder, daarna aan de getuigen. Een blozend kindje, goed van gewicht was de indruk.

De heer Meys las de geboorteacte voor en die werd vervolgens geteekend. De heer de Wilde vroeg verlof nog iets te mogen zeggen en sprak ongeveer 't volgende. „Hij rekende het eene hooge eere voor den burgerlijken stand van 's Gravenhage om in zijne registers te mogen zien aangeteekend het vorstelijk kind, zoo lang door het Nederlandsche volk verbeid. Hij hoopte, dat dit vorstelijke kind tot in lengte van dagen onder de levenden in de registers van den burgerlijken stand blijve aangeteekend, tot vreugd van het Koninklijk Huis, tot heil en zegen van het dierbaar Vaderland.”

De Prins-Vader dankte den Wethouder met een handdruk; waarna de heeren vertrokken.”

„Wel hoe alleraardigst en hartelijk ging dat toe; staat het letterlijk zoo in de courant?”

„Ja, Mama,” sprak Ida die over Papa's schouder medelas, „en als 't Prinsesje gedoopt wordt mogen wij drieën in Den Haag bij Grootmama komen.”

„Is 't echt waar, Ida?” riepen Lize en Dora tegelijk uit.

„Vraag het Mademoiselle maar, Grootmama heeft 't haar gevraagd en zij gaat mee, niet waar, Mademoiselle?”

„Dat is weer een meisjesgenot, die verzuimen maar, als ze 't goedvinden!” klaagde Louis.

„En H. B. S.-jongens gaan het den burgemeester vragen,” plaagde Jet.

„Neen, de Handels- en Machinistenschool zijn op het stadhuis geweest, wij niet;” bracht Jan fier in, die in zijn eerste jaar van Hoogerburgerschap was.

„In Dusseldorf woei den 30n de Hollandsche driekleur, Papa! In Pruisen moet zoo iets aangevraagd worden; de daar wonende Nederlanders hadden al lang geleden permissie gevraagd en gekregen. Op de Noordzee wist men het groote nieuws eer dan in Amsterdam.”

„Kom Gustaaf! geen studentenmopjes, welke „men” is dat? De kabeljauwen mogelijk?” vroeg Mevrouw.

„Mama, het is volle ernst. De Batavier, een stoomschip, kreeg een Marconi-bericht, heeschoogenblikkelijk de groote vlag en al de seinvlaggetjes volgden. De Hollanders jubelden, de Engelschen, verbeeldt je, de Engelschen! drukten hun het eerst de hand en wenschten hen geluk, „Wilhelmus” en „Wien Neerlands bloed” weerklonken, toen de boot aan den Hoek van Holland binnen liep, waar, evenals op de Maas alle booten floten.”

„Weet je nog wat bijzonders, Guus?” klinkt het uit alle jonge monden.

„De stationschef in Haarlem liet een locomotief heen en weer rijden om knalsignalen te geven. In Berlijn (trouwens dat is overal zoo in 't buitenland) eten ze geen muisjes bij geboortefeest of doopmaal, ze kennen ze niet eens! De Berlijnsche vereeniging „Nederland en Oranje” laat ze bakken, in mooie zakjes doen, met oranjelintjes toegestrikt en aan alle te Berlijn wonende Nederlanders uitdeelen. Als ik jelui van de feestelijkheden in ons land vertellen moet, die al plaats hadden, en op 10 Mei zullen wezen, wel dan zit ik van avond om 10 uur hier nog. Maar iets aardigs las ik, aan Prins Hendrik een dag of wat geleden overkomen. Iemand vroeg een der verslaggevers van de groote bladen (ze logeerdenin „De Zalm” achter het paleis Noord-Einde): „Is het niet vervelend zoo aanhoudend voor schildwacht te spelen?”„Niet zoo vervelend als u denkt, men ziet en hoort van allerlei en 2 uur is dan gauw om. Zoo bijv. gisterenmorgen. U weet misschien, dat aan het Hof de goede, voorvaderlijke gewoonte nog stand houdt: Vroeg op en vroeg naar bed.”—„Wat noemt u vroeg?”—„Wel om 7 uur ziet men Z. K. H. in dezen tijd van het jaar in eenvoudige burgerkleeding uitgaan voor een loopje. Gisterenochtend dan, komt de Prins in het Noord-Einde met een pijp in den mond. Een werkman stapt op Z. K. H. toe met een: „Vuur, asjeblieft meheer?” De Prins heeft blijkbaar schik, dat hij niet herkend wordt, doet even een flinken trek en houdt zijn pijp aan den onbekende voor en vraagt, terwijl die een goeden haal doet: „Gaat het?” „Opperbest meneer!” en daarop: „Dank je wel menheer!” met een tik aan zijn pet. „Tot je dienst,” van den Prins, die glimlachend verder gaat.””

Allen lachen en de zusters vragen natuurlijk: „Weet je nog meer, Guus?” beantwoord met een „Voor van avond genoeg.”

„Mama, hoe gelukkig zullen de Koninginnen nu wel zijn! en zeker denkt de Koningin aan al die mooie geschenken, die de menschen stuurden, omdat zij zoo blij waren, dat er een kindje kwam; dunkt u niet, dat de Koningin nu dubbel blij is met alles en metonze wieg?”

„Doraatje, als ik de Koningin goed begrijp, dan is H. M. het blijdst met dat lieve dotje in de wieg en daarna over alle arme menschjes en kindertjes, die van alles krijgen door de geboorte van haar lieverdje!”

„Ik begrijp u niet, Mama.”

„Vraag dan eens wat Jetje van mijn woorden verstaat,” zegt haar moeder.

„Toen de menschen veel geld verzamelden om uit liefde en vreugde rijke geschenken te koopen, vroeg de Koningin hun dit niet te doen; maar als de menschen dit verzoek onaangenaam vonden, daar ze zoo heel graag het kindje wilden verrassen, dan zou het, dacht de Koningin het heerlijkste wezen, de meeste gelden voor arme of ongelukkige kindertjes of zieke moeders te gebruiken.”

„Deelt nu de Koningin alle dagen melk eneieren uit en laat de keukenmeid bouillon en soep koken, Jet?”

Gelukkig voorkwam Mama's wenk een algemeene lachbui, en Dora keek haar zuster zoo ernstig aan, dat zij van de onderdrukte vroolijkheid niets merkte.

„Neen, Dora,” zei de oudste zus, die door eerst een kopje thee te drinken haar ernst behield; „dat zou te druk voor H. M. wezen; je weet wel die heeft altijd zooveel te lezen en te schrijven, alle dagen uren lang; maar de dames hebben met die guldens, rijksdaalders en tientjes net gedaan wat Papa met het geld doet, dat jij van je Peettante op je verjaardag en met Nieuwjaar krijgt, weet je dat kleintje?”

„O, ja, heel goed, het wordt weggeborgen in de brandkast en Papa teekent het op in een boekje en dan wordt het altijd meer en meer. Lach me niet uit Jan, Papa heeft het zoo gezegd, en als ik dan groot ben en ga trouwen, evenals Jet, dan ga ik voor al dat geld met mijn man op reis.”

Niemand kon nu zijn lachen inhouden, tot Mijnheer vroeg: „Hoe kom je aan zoo'n plan Dora?”

„Ik heb het Mama aan Jet hooren vertellen; u en Mama hebben het ook gedaan.”

„Kleine potten hebben ook ooren, Henk!”

„Jet, vertel me verder van al die guldens.”

„De Nederlandsche dames in Londen zorgen voor een arme juffrouw of kind, dat voor gezondheid naar zee moet. Alle jaren één, weet je. Van de baronie van Breda kreeg 't Prinsesje een gouden speld om haar boezelaartje vast te steken; voor al het andere geld zullen ze voor zieke kleintjes zorgen. Andere steden of provincies laten zwakke kinderen naar vacantiekolonies gaan of bouwen een kinder-ziekenhuis zooals er hier in Amsterdam een is. En de dames van de kolonels en generaals laten overal vragen, welke onderofficieren op 30 April ook een kindje kregen, en dan krijgt zulk een kindje een spaarbankboekje zooals jij hebt; dat bewaart de vader dan tot 't groot is. In Antwerpen zullen ze zorgen voor arme moeders, die kleintjes hebben en zooals jij zegt, daarom alle dagen melk, eieren en soep krijgen. Heb ik het je goed uitgelegd, en kan je het Zondag je poppenfamilie oververtellen, Dora?”

„Heel best en ik vind het mooi en lief van de Koningin en al die menschen. Is er van onze wieg geld overgebleven, Mama?”

„Ik weet het niet, kleine vraagster, wel weet ik nog iets heel liefs. Herinner jullie je nog die aardige luiermandjes van den winter op de bazar? zulke luiermandjes heeft de Koningin ten geschenke gekregen om uit Haar naam te sturen aan behoeftige moeders, die op denzelfden dag een klein kindje krijgen. De meisjes van de Vakschool in Den Haag hebben er voor genaaid en gebreid en er was veel en van alles in; Grootmama schreef mij: „Ze zien er keurig fijn uit.””

„Kom, Papa! vertel ons ook eens iets, dat Mama of de grooten niet weten;” opperde Lize.

„Ondeugd, denk je dat je Papa tijd heeft om evenals Gustaaf nieuwtjes in de couranten op te snorren?”

„O, u weet wat, u weet wat, anders zei u geen ondeugd!” riep Ida uit.

„Ida, met welk schip heeft de Koningin Paul Kruger laten afhalen?”

„Met de Gelderland, Papa!”

„Ferm zoo. Diezelfde Gelderland kwam vandaag aan de ree te Willemstad en werd van den top van den mast tot de waterlinie electrisch verlicht.”

„Heeft Willemstad een ree, Papa?”

„Zeker Louis, het is de hoofdstad van Curaçao waarvan ik spreek; de Curaçaosche dames zonden een doop- of draagkleed in 'n mahoniehouten kistje, en in Bonairiaansch geelhout staat op het deksel:

Kolonie Curaçao 1909.

Van binnen is het kistje met licht blauw satijn gevoerd; heb ik dat niet mooi onthouden?

„Ik vind het merkwaardig,” ging Mijnheer voort, „dat de koloniën zoo vol belangstelling medeleven met 't Moederland. De gouverneur van Suriname stelde f 1000 ter beschikking voor feestelijkheden en die van Curaçao f 500 en er werd bij bepaald,dathet Lazarushuis van St. Eustatius daarin ook moest deelen.”

„Wat is dat voor een huis, Henk?”

„Een gesticht voor melaatschen, die arme ongeneeslijken worden daar liefdevol verpleegd.”

„Hoe treffend dat aan armen en ongelukkigenen zulke beklagelijke menschen gedacht wordt, omdat 't heele volk zich verheugt! 't Is toch maar een zegen om in een Christenland te wonen;” besloot Mevrouw. „Hier zullen we geen bijzondere feesten hebben vóór dat ons lief Prinsesje in Amsterdam komt; dus zullen we Dora nu naar bed zenden en moeten allen met haar leeren wachten en geduld oefenen tot April 1910!”

De Zomermaand bracht heerlijke dagen, en Dora, gelukkig niet ongesteld, zag een hartewensch bevredigd, toen zij bij Grootmama met Mademoiselle en de zussen, vertoevende, zag hoe de grootmeesteres in de koets het Koninklijke wichtje ophief om het aan de saamgestroomde, wachtende menigte te toonen; toen ons Prinsesje naar de Willemskerk gereden werd, om aldaar het teeken van den Heiligen Doop te ontvangen; dezelfde kerk, waarin onze Koningin ook gedoopt werd.

Wel aanschouwde de kleine meid niets van de pracht ten toon gespreid in de ambtsgewaden van alle grootwaardigheidsbekleeders, die als genoodigden of vertegenwoordigers hunner souvereinendaar bijeen waren; maar naar dàt schouwspel ging haar kinderhart niet uit.

Te gretiger luisterde zij naar het verhaal bij Grootmoeder aan tafel. Onder plechtig gezang kwamen H.H. M.M. en Z.K.H. de kerk binnen, en namen, als gewone menschen, plaats op de stoelenrij tegenover den preekstoel. Slechts met groen (zonder bloemen) uit H. M.'s park afkomstig was de kerk stemmig voor de plechtigheid versierd.

Dr. Gerretsen, waarnemend hofprediker, preekte op uitnemende wijze. Z. W. E. W. las het geheele doopsformulier met de beide gebeden, en plechtig weerklonken de namen onzer geliefde Prinses: Juliana, Louise, Maria, Emma, Wilhelmina, vóór de Naam des Drieëenigen werd uitgesproken. Als elk kind, zonder titulatuur werd het Vorstelijke wichtje als dooplid bij de Kerk gevoegd. God vervulle in Zijn genade de gezongen zegenbede van Psalm 134 vers 3.

H. M. hield het Prinsesje al dien tijd in Haar armen; daarna kuste H. M. het lieve Kindje en hield het daartoe ook den Prins-Gemaal voor. Toen pas werd de Prinses met hetzelfde ceremoniëel weggedragen, als Zij gekomen was.

Gustaaf, voor dien Zaterdag, 5 Juni, overgewipt naar de Hofstad, kwam de meisjes halen; hij had haar een plaatsje bereid, van waar ze H.H. M.M. en Z. K. H. het paleis konden zien binnengaan bij de terugkomst uit de kerk.

Aan het gejubel scheen geen einde te komen, toen de dierbare Vorstin, aan den arm van Haar Gemaal, voor de vensters verscheen; het begon opnieuw toen Koningin Emma Haar Kleindochtertje toonde aan de verheugde schare, en ten teeken van groetenis het lieve, kleine handje ophief.

„Heerlijkjes Guus, eenig lief van je,” zei Doraatje met een omhelzing. „Heb jij het ook goed gezien?”

„Met jou op zijn hoofd, hoe kon hij dan zelf zien?” riep Lize uit.

Een nieuwe omhelzing en liefkoozingen, als ware hij nog een kleine jongen, beloonde den grooten broer voor zijn zelfverloochening.

Het Zondagsch koffieuurtje bracht bij den ouden Gladschaaf alle kinderen om de tafel, en het Prinsesje er op zooals het zeggen luidt.Over niets anders liep het gesprek dan over de doopplechtigheid die plaats had gegrepen, over wat daarbij gesproken en voorgevallen was.

Moeder Gladschaaf was maar innig dankbaar, zeide zij, dat de lieve Moeder gelukkig bewaard was geworden, toen de paarden schrikten, „het is al acht dagen geleden, we kunnen nu hopen, dat H.M. en het Kleintje er geen gevolgen van ondervonden,” voegde zij er bij.

Nog een oogenblikje luisteren we aan de koffietafel. „Vader,” aldus Maria, „was u niet blij, dat Dr. Gerretsen van Juliana van Stolberg sprak, de vrome moeder van den eenigen Willem I.„Zonder Juliana van Stolberg geen Prins Willem van Oranje; zonder Willem van Oranje geen vrijheidsoorlog; zonder vrijheidsoorlog geen vrijheid; zonder vrijheid geen Nederland!” zoo stond het in de courant. En die vrijheidsoorlog in de dagen van den Prins, was om vrijheid van godsdienst, zei de Prins niet: „Liever dijken en dammen doorgestoken, de molens in vlam gezet en op schepen aan gene zijde der zee een nieuw vaderland gezocht, dan Gods Woord opgeofferd.” Kijk me niet hoofdschuddend aan Fer! het iszóó, al was het maar een plan om het volk in de bangste jaren voor vertwijfelen te bewaren. Alles opgeven, alles verzaken, behalve het Woord Gods dat was en bleef 's Prinsen leuze na 1572. Heeft Filips zelfs niet eens bij langdurigevredesonderhandelingenden Prins aangeboden, Oranje alle bezittingen buiten de Nederlanden gelegen terug te geven, zijn voor ons gemaakte schulden te betalen en.... Filips Willem de vrijheid te schenken, als de Prins zijn handen maar van de oproerlingen (zei hij) aftrok, hun noch raad, noch bijstand schonk. En hij, Willem van Oranje, had zelfs zijn zoon niet liever dan de verdrukten in dit land; o, ja! Prins Willem was zijner vrome moeder waardig!”—„Zeg liever kind: Op dezen prins kunnen we het woord van Jezusniettoepassen: „Die zoon of dochter lief heeft boven Mij, is mijns niet waardig. Gode daarvoor de eere!”...

„Moge onder de trouwe leiding van onze Koningin, Haar Prinselijken Gemaal, Haar vrome Moeder, onze jonge Prinses opwassen in oprechte godsvrucht; worde Haar naam eens met eere genoemd onder die vele vrome vorstinnen, waaraan 't Oranjehuis steeds zoo rijk is geweest!”

rand

rand


Back to IndexNext