IV.“Wat zien mijne oogen!” riep mevrouw Gerlings den volgenden dag uit, toen zij met Renée voor het raam zat te werken en een blik in het spionnetje wierp. “Daar heb je Huug zoo waarlijk!” en ontevreden merkte zij in stilte op dat hij niemand bij zich had.Het gezichtje van Renée bleef volkomen kalm, ook toen hij binnentrad.“Wel, waarde broeder,” riep mevrouw Gerlings hem toe, “waaraan hebben wij de eer van je ongewone verschijning te danken?”“Aan twee redenen,” antwoordde hij,terwijl hij zich naast zijne zuster in een hoek der canapé liet neerzinken juist tegenover Renée; “1º. kom ik vragen hoe de dames geslapen hebben; 2º. heb ik, naar het schijnt, hier mijne handschoenen laten liggen.”“Renée,” zeide zijne zuster lachend, (zij was in een bijzonder vroolijke luim, wijl haar soiréetje zoo goed geslaagd was) “ik zweer je plechtig dat de handschoenen de eenige aanleiding zijn. Onze nachtrust bekommert hem geen zier!—Zeg, Huug, een aardig avondje, hé? Uitstekend geslaagd. Wat hebben we ons laatst bij de Van Bevelant’s verveeld!”“Ja, nogal,” antwoordde hij verstrooid, naar Renée ziende, die aandachtig de steken van haar stramienwerk zat uit te tellen; want mevrouw Gerlings had voor eenigen tijd prijzen beloofd voor een liefdadigheidsloterij en was met veel ijver aan een canapékussen begonnen, dat echter onvoltooid was gebleven, tot Renée er zich nu vriendelijk over ontfermd had.“Jij hebt je ook goedgehouden. Je waart heel aardig, heel aardig,” ging zij voort, hem aanziende en juist den peinzenden blik opvangend, dien hij op Renée’s gebogen hoofdje vestigde. “Maar Albert had het land. Heb je gezien hoe Kleevers hem bij een knoop van zijne jas vasthield, om over die vervelende letterkundige beweging te spreken? Mevrouw Kleevers stootte mij aan en wees het mij lachend; maar zij moest toch eens bedenken dat het voor de slachtoffers van haar man allesbehalve aangenaam is. Je moet weten, Renée, haar man schrijft zelf, zie je, en....”Zij praatte maar voort, schijnbaar volkomen natuurlijk; maar intusschen ontging het haar niet hoe Hugo zonder ophouden Renée gadesloeg met een bij hem ongewone belangstelling. Renée echter, die al hare aandacht verdeelde tusschen haar werk en het gesprek, bemerkte er niets van. Alleen gevoelde zij, toen zijne groote, maar zachte hand bij het afscheid de hare drukte, een hartelijkheid in dien druk, welke haargoeddeed; maar naar hem opziende, las zij in zijn blik meer ernst dan vroolijke vriendelijkheid, en hij zeide zóó eerbiedig: “Dag juffrouw Gerlings!” dat zij er zich zonderling door getroffen gevoelde en zich verwonderd afvroeg, waarom hij haar toch niet bij den naam noemde.“En de handschoenen?” riep mevrouw Gerlings, toen hij reeds bij de deur was.“O ja, dat is waar.”De meiden werden ondervraagd; men zocht ijverig onder de kasten en commodes, tot zelfs de vazen op den schoorsteen werden omgekeerd, maar geen spoor van de verloren handschoenen was te ontdekken.“Nu, zij zullen wel terechtkomen,” zeide hij eindelijk vrij onverschillig. “Adieu!”—en mevrouw Gerlings wist genoeg.“Vindt je hem geen knap man, zooals hij daar heengaat, Renée?” vroeg zij, schijnbaar alleen uit zustertrots, terwijl zij hem in het spion aanwees.“Ja, heel knap,”antwoorddeRenée vriendelijk.—“Zie eens, tante, wat zegt u ervan? Vindt u niet dat ik flink gevorderd ben van middag?” en recht voldaan hield zij het werk omhoog en vroeg met hare lieve oogen een woordje van lof.“Albert!”Zij waren laat thuis gekomen van een avondje bij kennissen, zoodat mevrouw Gerlings nog niet veel tijd had kunnen vinden over hare ontdekking na te denken; maar nu—in bed—had zij de zaak nog eens rustig overwogen en kon niet laten haar man zijne meening te vragen.“Albert!”“Nu?” vroeg hij knorrig.“Neen, als je al slaapt, zeg ik niets.”“Ik slaap nog niet. Wat is er?”Hij was eenmaal een flinke, vierkante, vroolijke jongen geweest, juist als zijn broeder, Renée’s vader, en evenals deze had hij liever de wereld moeten ingaan, om lucht te geven aan het stormachtige en avontuurlijke in zijn karakter. Maarzijne levensomstandigheden hadden hem tot een eerzaam advocaat gemaakt, gekluisterd aan een vrouw, die hij met al den hartstocht van een reedseenigszinsgevorderde jeugd had bemind, maar welke hem niet begreep en ook nimmer begrijpen zou.Gelijk zij hem, den ernstigen man van studie, twintig jaren geleden had gevangen in een net van uiterlijke lieftalligheid en bekoorlijkheid, zoo had zij hem gedurende haar huwelijk gevangen weten te houden, fluweelig, zacht, vriendelijk, glimlachend. Hij haatte die gevulde salons, waarheen zij hem medesleepte;—die concertzalen, waar zij coquetteerde,—die balzalen, waar zij nog als jong meisje mededeed;—hij haatte ze, niet omdat hij haar nog liefhad, gelijk hij tot zichzelf met veel overtuiging zeide, maar omdat hij van eenvoud hield, van degelijkheid en waarheid. En toch gloorde daar nog een vonkje der oude liefde in zijn hart, dat—zij wist het wel—tot een hoog vuur had kunnen opvlammen, had zij zulks gewild en zichom zijnentwil veranderd. Maar zij was er volkomen onverschillig voor, en daar hij dit maar al te zeer begreep, was zijn humeur onaangenaam en prikkelbaar geworden. Soms nog brak hij wel met zijne breede schouders door de mazen van het net heen en bulderde het uit dat het hem verveelde en dat hij er den brui van gaf; maar dan glimlachte zij en herstelde met zijden draden, zacht maar ijzersterk, de verscheurde mazen, en hij schikte zich weer; reeds lang schikte hij zich en verschanste zich in zijne studeerkamer, en las of werkte. Zoo was hij langzamerhand een zeer knap en zeer belezen man geworden, maar ook een zeer knorrig huisgenoot.“Hebt je niets gemerkt?”“Wat dan?”“Neen, mannen merken nooit iets. Maar weet je wat ik gemerkt heb?—Dat Huug wel eens op den inval kon komen met Renée te trouwen.”“Zoo-oo?” vroeg hij, blijkbaar verwonderd, zweeg toen een poos en snoof daarop. Hij snoof altijd als hij boos was.“Wat vindt je er van?”Zijn antwoord klonkbrusque. “Dat zij veel te goed voor hem is.”“Dat was mijne eerste gedachte ook,” jokte zij slim. “Maar bij nader inzien zou ik het toch een uitstekend huwelijk voor beiden vinden. Hij komt er door tot rust en zij doet toch ook een goede partij met hem. Zij blijft dan in de familie, altijd onder jouw toezicht als ’t ware: dat is een prettige gedachte voor je als oom en voogd. En Huug is toch zoo kwaad niet. Hem kennen we ten minste en van anderen weten wij niets. Ook zou Huug wel eens een minder prettig persoontje in de familie kunnen brengen.—Albert!”“Nu?”“Wat vindt je er van?”“Ik weet het nog niet,” antwoordde hij kregel; maar zij hoorde zeer goed dat zij reeds veel gewonnen had.Pauze.“Albert!”Albert echter sliep reeds of hield zichzoo. Hij was nijdig over de combinatie, maar vond—slaperig als hij was—geen argumenten genoeg om een woordenstrijd te beginnen, waarin hij toch reeds vermoedde het onderspit te zullen delven. Honderdmaal sterker gevoelde hij zich tegenover zijne wel gewapende tegenpartijen in het gerechtshof; dáár won hij meestal het pleit.Toen Hugo Freeze dienzelfden avond uit de restauratie thuiskwam, waar hij had gedineerd, strekte hij zich als gewoonlijk op zijne sofa uit en greep een boek uit de pas gekomen portefeuille om zich den tijd te korten. Maar na eenigen tijd bleef zijn oog op enkele regels staren, die hij telkens en telkens herlas tot hij eindelijk opsprong, het boek van zich werpend. Het waren slechts weinige woorden uit een roman van Massi Bruhn, welke die uitwerking hadden:Per Gynt trok de groote, bonte menschenwereld in, omdat hij geen vrijheid vond hetkind Solvegj aan zijn bedorven, verwoest leven te verbinden.En terwijl hij met groote stappen en gebogen hoofd de kamer op en neer liep, dacht hij aan een anderen Per Gynt en een ander kind Solvegj, maar deze laatste Per Gynt had zelfzuchtig en zonder zweem van wroeging het kind Solvegj “aan zijn bedorven, verwoest leven” willen verbinden.Op eens viel zijn oog op een aan hem geadresseerd briefje, dat tijdens zijne afwezigheid op zijne tafel was neergelegd.Hij opende het, als verlangend naar afleiding voor zijne pijnigende gedachten. Een hem welbekend parfum steeg naar hem op. Een kwartier lang liep hij met het papier in zijne hand, blijkbaar in heftigen tweestrijd. Toen,—als verdroot hem dat dobberen en weifelen—wierp hij haastig hoed en jas weer aan en verdween in de duisternis der straten.V.Het was midden December, maar het scheen nog najaar, een sombere najaarsavond met geheimzinnig knappende vensters en onrustige jaloezieën; een donkere lucht, die volstrekt geen licht meer wierp door de zware draperieën voor de vensters, en in de straat een wilde jacht van pas afgewaaide bladeren—eerst in de lucht, dan op den grond;—een dolle dans, als wilden zij nog eens voor het laatst het leven genieten, eer zij voor altijd zouden vastkleven in het slijk en vergaan.In de achterkamer der suite van mevrouw Gerlings was het bijna geheel donker. Op de sofa lag mijnheer, een roerlooze gedaante, in zaligen namiddagsluimer verzonken, terwijl boven zijne vrouw hetzelfde genot smaakte.In de voorkamer brandde het blokkenvuur levendiger en wierp grillige schijnsels op meubels en wanden; ook op Renée, die droomerig in het vuur zat te staren, harevoeten koesterend weggedoken in de schapenvacht voor den haard, haar hoofd geleund tegen het fluweel van den fauteuil, haar oog in den spiegel tegenover haar den vlammenweerschijn bewonderd op het geschilderd plafond.En zij luisterde naar het lied van den wind, die steeds woester opstak. Van waar kwam hij, als hij zoo langs de vensters gierde, om in het volgend oogenblik weer uren verder te zijn? Had hij misschien juist met zijn onmeedoogend spel schepelingen tot wanhoop gebracht, en waren het wellicht hunne angstkreten, die hij medevoerde in zijne dolle vaart? Of was hij pas over den stillen grafheuvel gestreken, waaraan zij zoo dikwerf dacht, en ruischte wellicht het geritsel van het laatste beukenloover in zijn zang? Hoor, hoe weemoedig, hoe klagend! Wat zeide hij toch? Nu eens als in toorn, dan in stil, wanhopig geklaag ging hij voorbij, of floot in den schoorsteen, als riep hij haar, eenzame....Wat zeide hij, haar oude, lieve vriend?—Ach, de tijd was voorbij dat zij zich door hem liet voortduwen in het veld of hem lachend trotseerde; dat hij haar plagend den hoed van het hoofd wierp of droppelen van de natte takken op haar neerschudde; dat hij hare krachten staalde en hare wangen rood kleurde. Neen, zij was nu een stadsnufje geworden: hij kende haar gewis niet meer....Zou zij hier altijd zoo blijven leven?’s Morgens opstaan en ontbijten, dan wat piano spelen of handwerken doen, koffiedrinken, visites maken of ontvangen, eten, schemeren en des avonds meest menschen zien of met oom en tante omberen.Van tante hield zij niet, neen, bepaald niet. Zij wist wel dat het verkeerd van haar was zulk een besliste antipathie te gevoelen: papa had haar daarover dikwerf onderhouden en zij deed ook wel haar best in tante het goede te zien. Maar het ging niet, het wou niet gaan.... Zij kon haar jeugdig bruisend bloed zoo gemakkelijk geen wetten voorschrijven, en die afkeer werkte neerdrukkend op hare stemming.En oom was zoo anders dan zij zich hem gedroomd had; goed, heel goed, maar in huis niet prettig. Zij begreep hem niet. Toch kon zij wel van hem houden, al was die genegenheid te lauw om haar geluk te verhoogen....Wat was het stil in de kamer! Slechts nu en dan eenige haastige voetstappen in de straat, het samenspreken van enkele voorbijgangers of een snel voortrollend rijtuig—dat was alles, wat men van buiten hoorde. En binnen slechts de tik der pendule, het knappen van het vuur en de eenigszins zware ademhaling van den slapende.Nu gingen er officieren voorbij; zij hoorde hunne beschaafde, vroolijke stemmen, die langzaam wegstierven, en het gerinkel hunner sabels, dat haar aan Hugo Freeze herinnerde.Hij trok haar aan. En eerst had zij gemeend ook inzijnsmaak te vallen: hoe had zijne vriendelijkheid haar goedgedaan! Maar sedert dat bezoek ter wille der handschoenen,die nooit gevonden waren, was hij niet teruggekomen, en zelfs van zijn gewoon veertiendaagsch avondje had hij zich reeds tweemaal afgemaakt.Eerst gisteren op een wandeling hadden tante en zij hem toevallig weder ontmoet, en hij had zich bij hen gevoegd en hen vergezeld. Zij had bewondering gelezen in zijn blik, toen hij haar begroette, en hij had haar met zonderlingen ernst een sneeuwklokje genoemd. Niet heel toepasselijk, vond zij, want het pakje was van donkergroen laken met grijs bont afgezet, en haar groote Rembrandthoed van vilt met witte veer; maar zij wist niet dat hare geheele verschijning opnieuw met overweldigende bekoring een indruk van onschuld en reinheid op hem gemaakt had.Wat hadden zij veel gepraat, veel, waaraan zij sedert met genoegen terugdacht! En een arm klein meisje, dat “een centje” vroeg had hij een kwartje in de verkleumde vingertjes geduwd met een hartelijke vermaning nu naar huis te gaan.“Zoo lief!” vond zij, glimlachend bij de herdenking.Ja, dat was een prettige wandeling geweest. Voor hem gevoelde zij sympathie;—maar hoewel hij heel vriendelijk voor haar was, hem aantrekken deed zij toch niet, vreesde zij. Dan zou hij immers meer komen!....En zij zuchtte; en terwijl zij naar den langzaam verminderden gloed achter het koperen vuurschermpje staarde, gevoelde zij zich eenzamer dan ooit. Haar hart dorstte naar liefde, naar warmte, en het versmachtte; het wensen te zijne schatten in ruil te geven en niemand vroeg er naar.... Maar dit alles begreep zij niet. Zij beknorde zichzelf, omdat zij niet tevreden was, en zou niemand hebben durven vertellen dat zij soms heimelijk schreide, zonder eigenlijk te weten waarom.Zij keek eens naar de achterkamer, verlangend naar afleiding. Neen, het reeds grijzende hoofd van oom, het eenige, wat zij in de duisternis van hem kon onderscheiden, lag nog even roerloos.Daar werd zacht aan de huisdeur gescheld, en even behoedzaam werd na eenigen tijd de deur der voorkamer geopend. Tot hare verwondering herkende Renée, toen zij omzag, het fijnbesneden gelaat van Hugo Freeze.“Juist zoo dacht ik u te vinden,” zeide hij met gedempte stem, terwijl hij haar de hand reikte. “U zei mij gisteren het schemeruurtje zoo eenzaam te vinden. Mag ik u wat gezelschap houden?”Vijf weken lang had hij de machtige ontroering, door zijne ontmoeting met Renée gewekt, dwaasheid genoemd, en zijn best gedaan zich “dien onzin uit het hoofd te zetten.” Haar fortuin was immers niet groot genoeg om zijn huwelijk “brillant” te maken, en dan: zij was “zoo’n kind!” Hij was geheel de oude Hugo Freeze weer geworden en, toch—toch was haar beeld hem soms verschenen, juist waar hij haar het liefst vergeten had; toch was hare stem in zijn oor blijven hangen als zachte, gewijde muziek, die tot het goede wekt.De onverwachte ontmoeting van gisteren, toen hij haar zag naderen over de sneeuw in hare onbewuste bekoorlijkheid, had voor het oogenblik uit zijn hart alle andere indrukken weggevaagd. Sedert die wandeling beheerschte hem een vurig verlangen haar opnieuw te zien en te spreken, en hij wist niet beter te doen dan maar dadelijk zichzelf zijn zin te geven, als een bedorven kind, dat weer een nieuw stuk speelgoed opgemerkt heeft, en er telkens weer naar gaat zien, hopende het te krijgen.“Het is heel vriendelijk van u,” zeide zij, en hij zag met voldoening een blijden glans in hare “kinderoogen.”“Neen, neen, er is ook egoïsme bij,” wierp hij tegen, een fauteuil aanrollend. “Eigenlijk vrees ik dat het geheel en al egoïsme is.—O, wat zitten wij gezellig nu!”Zij lachte om zijn welbehagen.“Ja, dat lijkt u nu misschien overdreven,” ging hij voort op zijne eigenaardige, vertrouwelijke manier, “wantdames hebben hetaltijd gezellig. Zij scheppen dadelijk op eene of andere manier gezelligheid om zich heen, maar een man verstaat die kunst niet. Ik ten minste niet. Op mijne kamer is het nooit gezellig.”“Misschien omdat u er alleen ben....”“Misschien wel, ik weet het niet,” antwoordde hij langzaam en keerde zijn gelaat naar het vuur, gevoelende dat zij hem uit haar donker hoekje met sympathie gadesloeg. “Ik denk dikwijls,” ging hij zacht voort, “aan de woorden van ik weet niet welken schrijver: Laat het vriendelijk schijnsel van uw gezellig tehuis lichten voor den eenzamen wandelaar daarbuiten.—Die woorden zou ik wel alle getrouwde dames willen toeroepen ten aanzien van jongelui, die geen gezellig te huis hebben.”Er was een weemoedige klank in zijne stem, die haar medelijden wekte, en zij kon niet dadelijk antwoorden, denkende hoe gaarne zij zelf in de gelegenheid zou zijn hem zulk een gezelligpied-à-terreaan te bieden.“Knap-knap!” zeiden de spattende vonkjes in den haard en vlogen den schoorsteen in, waarin de wind zoo weemoedig zong en suisde, dat beiden onwillekeurig er een oogenblik naar luisterden.“Tante klaagt toch dat u zoo zelden komt,” zeide Renée eindelijk, als slotsom van haren gedachtengang.Hij glimlachte—niet zonder verlegenheid.“Ja, zij heeft gelijk: ik kom niet dikwijls.”Hij kon hier niet zeggen dat hij in het geheel niet van zijn schoonbroeder en weinig van zijne zuster hield; maar Renée’s vlug verstand deed haar het laatste raden.“Hij is ook van ander hout gesneden,” dacht zij met zekere vreugde, en gevoelde zich te meer tot hem aangetrokken.“Maar ik zal voortaan dikwijls komen,” ging hij voort. “Hoe kan ik straks naar huis wandelen en op mijne eenzame kamer terugkeeren zonder heimwee te gevoelen naar dit gezellig plekje aan den haard?”Hij zeide niet dat hij iederen avond uit was. Hij vond het aangenaam in hareoogen medelijden te lezen, ja, verbeeldde zich op dat oogenblik zelf beklagenswaardig te zijn en daarin duizend verontschuldigingen voor zichzelf te mogen vinden. Dien morgen had hij met zekeren theatralen ernst tot zichzelf gezegd dat hij een ander mensch worden moest, en onder den invloed van zijn verlangen naar haar had hij dien ganschen dag een zekere sentimentaliteit in zien gekweekt, die hem in eene weeke stemming bracht.“Hebt u wel eens heimwee gevoeld?” vroeg hij met een hem anders geheel vreemden ernst.“Ik geloof het wel,”antwoorddezij en hare oogen kregen een vochtigen glans, maar dat zag niemand.“Het is nog niets,” vond hij, “als men maar ergens heen kan gaan om het te verzetten, zooals ik nu, bij voorbeeld.... Wanneer voelt u heimwee?”“Och soms!” antwoordde zij zacht.“Hier natuurlijk!” hernam hij, voor haar gevoelende.“Het was dáár zeker een heel ander leventje,” ging hij vriendelijk voort, denkende dat het haar goed zou doen eens over het verleden te spreken. “Ik kan mij het echte buitenleven zoo moeilijk voorstellen. U weet: ik ben tusschen huizen en menschen geboren en groot geworden. Vertel mij eens: hoe leeft men daar bij u?”En zij verhaalde met hare lieve, melodieuze stem, terwijl de wind met verdubbelde kracht tegen de vensters blies, als wilde hij haar overstemmen. Zij verhaalde—eerst beschroomd, daarna vrijer, eindelijk met geestdrift—van hare bosschen en weiden, van zonsondergang en sterrenhemel, van verre tochten en lievelingsplekjes.... tot hij wenschte te zijn groot geworden als zij. Misschien, zoo dacht hij, met het onbestemde verlangen naar volmaking, zwakkelingen eigen, zou daar een ander, een beter man uit hem geworden zijn. En hij wenschte altijd in hare nabijheid te kunnen zijn, altijd dien reinigenden invloed te mogen ondervinden....Zij zweeg reeds eenigen tijd, toen hij daaraan nog altijd dacht.“Vindt u niet dat dit weer iemand in een geheel bijzondere stemming brengt?” vroeg zij, meenende dat hij naar den wind luisterde. “Wat bent u in gepeins!”“Ja,” antwoordde hij, terwijl juist de voetstap zijner zuster op de trap gehoord werd, “onwillekeurig geraakt men onder den invloed. Weet u waaraan ik dacht,” vervolgde hij met een zonderlingen klank van aandoening in zijne stem, die zijne woorden tot gefluister deed dalen, “terwijl ik zoo stil naar u luisterde, dacht ik aan de woorden van La Bruyère:l’harmonie la plus douce est le son de voix de celle que l’on aime.”Toen stond hij haastig op om zijne zuster te gemoet te gaan, die juist de deur opende. En Renée keerde haar gezichtje van het vuur af om den blos te verbergen, dien zijn woorden hadden te voorschijn geroepen.VI.Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend toevoegde: “Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je bleef maar snorken.”“Wie—wij?” vroeg Albert stug, die door Hugo’s lange afwezigheid alle vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.“Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen dezelfde muziek hebben gemaakt!”“Het ware te wenschen,” zeide Albert vinnig, terwijl hij in den fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, “dat alle jongelui zulke lange nachten maakten als ik!”En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot zichzelf zeggend dat deze woordenad remwaren.De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die algemeen hoog gezien en geacht werd.“Ja, ja,” antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het gas aanstak, “dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal wist!....”Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en staarde met verbitterden blik in het vuur.“Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik.”“Zeker—in de militaire wereld gaat heel wat om.Qu’y faire!’t Is de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?”“Neen, dat ben ik volstrekt niet met jeeens.... Och, Renée, je staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij niet juist.”Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den kalender ging en de woorden van Lavater voorlas:“Vereer al wat eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert.”“Daar heb je ’t!” vervolgde Albert, “en de toepassing is niet ver te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen man van karakter onwaardig.”“Tut, tut!—Il faut que jeunesse se passe,” kwam zijne vrouw vergoelijkend tusschenbeide.“Ziedaar het devies van onze riddersà la mode!” riep hij uit met een minachtendhandgebaar. “Dat devies staat op het vaandel, waarmede zij de wereld inmarcheeren:il faut que jeunesse se passe. En daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven, want....il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?—O, schijnbaar heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen en—rust—ziedaar hunne levensidealen.”“Hm!” waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.“Il faut que jeunesse se passe!.... En als diejeunessevoorbij is, zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!—Dan hebben ze geleerd het huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening, hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen, en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd.”Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten; hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet wist hoe den bruisenden stroom van Albert’s woorden te stuiten, of hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.“Inmijnejeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is; in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren zeggendat hij wenschte bij de muziek van Weber’sLetzte Gedankete kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:In die Kneipen laufen,Und sein Geld versaufenIst ein höher, herrlicher Beruf.Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het verschil tusschen passie en liefde weten ze ook alniet meer!) en wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen.”Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom’s redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende oogen aan.“Als de meisjes nu ook eens zoo deden,” barstte Albert weer los. “Zoo heel geniepig, weet je, en dan trouwden—met allerlei herinneringen en oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan....”“En wie wil er nu een lekkeren kop thee?” viel zijne vrouw op eens in. “Ha, ha, ha!—Maar man, wat heb je toch voor invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig en warm,—Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!....Zie zoo.—Zeg, Huug, blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!”“En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert, in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.—Hier Renée, de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen nemen, hè?—Vindt je dat hij gelijkt, man?”Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier “toch wel prettig” vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen gestild was en haar heimwee een einde had.VII.Het was Nieuwjaarsmorgen.De winterzon keek door alle vensters, waar zij kon binnendringen en sprak vanblijdschap en hoop. In de straten klonk het vroolijk gedruisch van vele voetstappen, van hartelijke begroetingen en opgewekte menschenstemmen.Binnen was de eigenaardige rust van den Zondag: een opstaan zonder doel, een langzaam ontbijt en dan.... een wachten op koffietijd.Mijnheer Gerlings zat in zijne studeerkamer, want hij zou dien middag op reis gaan naar een goed vriend, wiens recht in een proces hij bepleiten zou, en snuffelde nu nog wat in zijne aanteekeningen. Mevrouw dribbelde heen en weer door het huis enRenéestond, na het ontbijt te hebben weggeruimd, bij de tafel en las beurtelings al de reeds bezorgde kaartjes.Zij droeg een bijzonder elegante peignoir van crêmekleurig laken met witte kant, een japon, die zij in allen ernst “veel te mooi!” had verklaard, toen tante die wel geschikt voor haar vond. Maar nadat het gebleken was dat de peignoir haar uitstekend kleedde, had tante haar die laten thuis bezorgen.“Och, een aardigheidje!” zei ze afwerend, toen Renée haar hartelijk dankzegde,”alleen—iederen dag dragen, hoor!”Mevrouw Gerlings toonde in alle opzichten de grootste belangstelling in Renée’s uiterlijk.“Ja, ja, ik pronk graag met mijn nichtje,” zeide zij wel eens bij wijze van verklaring, als zij weer eens een bevallig wandeltoiletje had uitgedacht of een élégante avondjapon; maar in werkelijkheid was daar een geheel andere reden voor die belangstelling. Het denkbeeld, Hugo en Renée een paartje te zien worden, lachte haar zóó toe, dat zij, wetende hoe gevoelig hij was voor de bekoring eener goedgekleede vrouw, alles deed om Renée’s aantrekkelijkheid te verhoogen.En zoo stond zij daar nu, slank en bevallig, half vrouw, half kind. Zij nam de kaartjes beurtelings op en las de namen; maar zij deed het werktuiglijk: hare eigenlijke bezigheid was denken.Zij dacht aan de verloopen veertien dagen, die als een heerlijke droom warenvoorbijgegaan met vele ontmoetingen, en vele gesprekjes, en vele handdrukken vol gloed, en vele blikken vol onuitgesproken wenschen.Zou hij haar liefhebben?—zóó lief, dat hij haar vragen zou?Zij was in een voortdurende spanning, maar het was een heerlijke spanning, vond zij. Er was immers geen twijfel meer, zijne liefde verried zich op duizenden wijzen, eenvoudig omdat hij die niet verbergen kon. De vraag was niet meer òf hij spreken zou, alleen wanneer?....Oom Albert had blijkbaar tegen hem.... Waarom toch?.... Neen, dat kon zij maar niet doorgronden.... Maar oom Albert was een brompot.... Men moest natuurlijk rekening met hem houden als voogd, maar tante had veel invloed op hem, en Huug had veel invloed op tante. Zoo zou alles wel in orde komen.... De persoonlijke meening van oom behoefte haar niet te verontrusten. Hij was blind. Kon zij hem de blinde oogen toch openen!.... Hoekonhij eigenlijkblind zijn!—Het was haar als moest Huugs’ volmaaktheid ieder in het oog vallen.... Voor háár ging er licht en warmte van hem uit als van een zon, en het verwonderde haar hoe iemand hare zon onopgemerkt kon voorbijgaan. Zij benijdde zijne hospita en zijn oppasser, die voor hem mochten zorgen, en zijne kameraden, die veel met hem omgingen. Zijne minderen moesten hem wel hoog vereeren, meende zij, en zijne meerderen hem hartelijk genegen zijn.... Voor haar ging er bekoring uit van alles wat hem toebehoorde of van verre maar met hem in betrekking stond.Wat ging die bel vandaag!.... Maar nu scheen het wel een bezoeker....Zij hief het hoofd op, luisterend.Ja, dat waszijnestem, die de meid vroeg of de familie in de suite was. Een blos van blijde verrassing steeg haar naar het gelaat, en met dubbele aandacht begon zij het kaartje te bekijken, dat zij in de hand had.Monsieur et madame Verhulst, p. f....Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Wat klopte dat hart toch!—Monsieur et madame....Daar ging de deur open, en hij zag haar staan, slank en rijzig in haar rijk gewaad, haar blozend kopje uitkijkend boven den kraag van breede witte kant, terwijl twee beschroomde oogen naar hem werden opgeheven.“Tref ik u alleen?” vroeg hij, schijnbaar verwonderd. “Ik kwam om u mijne hartelijke gelukwenschen aan te bieden, juffrouw Gerlings.”“Dank u,” antwoordde zij lachend. “Maar nu moet ik toch eerst weten wat u mij als geluk toewenscht.—U komt toch niet met een gemeenplaats hier?” vervolgde zij plagend.Zij dacht hem in het nauw gebracht te hebben, maar hij was niet gewoon zich in het nauw te laten brengen.“Zeg mij dan,” vervolgde hij, terwijl hij dicht bij haar kwam staan en met teederen glimlach op haar neerzag, “wat u dit jaar u als geluk droomt.”Een gloeiende blos overtoog opnieuw haar gezichtje, zij sloeg de oogen neer en bleef het antwoord schuldig. Want voor haar was maar één geluk mogelijk: zijne liefde.“Kunt u ook raden watikmij als geluk droom?” vroeg hij zacht.Zij verzamelde al hare krachten om zich goed te houden en zeide: “Promotie natuurlijk!”Hij gevoelde zich teleurgesteld; hij dorstte naar bewijzen harer liefde, niet beseffende dat hij ze vooral begeerde om zijne declaratie voor zichzelf te kunnen verontschuldigen. Want hij dacht er wel aan hoe jong zij nog was en hoe.... nu ja, hoe anders dan hij.... Hij gevoelde zich als een wilde knaap, gereed een lelie te knakken voor eigen genoegen, en plotseling bedenkende dat het de arme bloem misschien beter ware te blijven waar zij was.... Maar die aarzelingen waren even zeldzaam als vluchtig.“Neen, geen promotie,” zeide hij, zijnewenkbrauwen samentrekkend als een lastig, bedorven kind, dat zijn zin niet krijgt; en hij bleef haar vragend aanzien, maar op dat oogenblik trad mevrouw Gerlings binnen.Zij begroette hem hartelijk met een kus en vele goede wenschen, en begon toen, vermoedende dat zij hen in aangenaam en misschien gewichtig gesprek had gestoord, in de andere kamer ijverig piano te spelen. Maar Hugo en Renée wisten den draad niet weer op te vatten van het gesprek, dat veel meer in gedachten dan in woorden had bestaan, zoodat Lucie maar weer met spelen ophield en begon stof af te nemen.“Van middag,” zeide Hugo tot zijne zuster, “gaan wij een toertje doen. Zijn jullie dan thuis?—Dan komen we even voorbij.”Hij wist wel welk een goed figuur hij maakte op zijn fraai paard, en liet zich gaarne bewonderen.“Dat beloven wij niet,” zeide mevrouw Gerlings lachend, terwijl zij met haar plumeaude prisma’s der gaskroon deed rinkelen. “Wat zeg jij, Renée?—dan zijn wij maar gebonden. Ga je met je vrienden?”“Ja—denkelijk. En anders toch alleen.”“Ik zie je liever met een troepje cavalleristen. Dan zie je er zoo krijgshaftig uit, Huug.—Zeg eens, denk je dat de soldaten graag onder jou ten oorlog zouden trekken?”Hij streek zich den goed verzorgden knevel eens op—wat hij gaarne deed, als hij over zichzelf sprak,—en zeide met een ijdel lachje: “Ja, dat kan ik wel eens merken.”“Hoe zou je ze dapper maken?” vroeg mevrouw Gerlings, terwijl zij de plumeau liet rusten. Zij zag wel met welk een afgodischen blik Renée hem heimelijk gadesloeg en deed maar een vraag in het wilde heen.“Door mijn voorbeeld,” antwoordde hij dadelijk: want het was werkelijk altijd een zijner vurigste wenschen geweest ten oorlog te kunnen trekken, en zeker ware hij in dit geval een zeer dapper en flink soldaat geworden—misschien wel een edel mensch.Maar zijne weinige bezigheden, zijn rijkdom en vele verleidingen hadden zijne wilskracht verlamd en zijne eerzucht gedood. Voor sommige karakters zijn rijkdommen een vloek, hun door een boosaardige fee op den levensweg medegegeven. “Het voorbeeld is alles. Voor een aanvoerder, tegen wien de soldaat kan opzien, doet hij alles, maar van een, die zelf niet uitmunt, kan ook geen kracht en bezieling uitgaan.”“Dat beweerde papa ook altijd,” zeide Renée met schitterende oogen. “Als ik een jongen geweest was, zou ik stellig in dienst gegaan zijn.”Mevrouw Gerlings begon nu in de voorkamer het stof te vervolgen, en Renée kreeg haar kamergietertje en opende de deuren der serre. Zij wist wel dat hij haar volgen zou, en begon ijverig de breede, glanzende bladeren der azalia’s, die bij den ingang stonden, af te sponsen.Hij bleef tegen den deurpost leunen, haar stil beschouwende zooals zij daar stond in het licht der morgenzon, dat zich door deneergelaten gordijnen niet liet afschrikken, maar de serre vulde met gouden gloed. Zij bewoog zich zoo aardig met die zekere waardigheid, welke al hare manieren kenmerkte en toch zoo eenvoudig en kinderlijk. Zij stak zoo bekoorlijk af in haar lichtkleurig kleed tegen het groen der palmen en azalia’s, varens en cactusplanten, liefelijk afgebroken door een reeks primula chinensis, door haar zelf in bloei gebracht. Hij kon niet laten haar met zeker artistiek genot te beschouwen; en hij dacht er aan welk een heerlijk vrouwtje zij zijn zou, juist een, dat ieder hem zou benijden.... Wat zou zij een elegant gastvrouwtje zijn!.... Hij genoot reeds bij het denkbeeld. Hij hield van weelde en schoonheid en, terwijl hij haar met peinzenden blik volgde, zag hij haar in den geest in een keurig salon met mollige divans en zachte fauteuils, achter een theeblad, schitterend van fijn porselein en zilver.“U bent natuurlijk als een echt soldatenkind grootgebracht?” vroeg hij haar toelachend,in antwoord op hare laatste opmerking.“Ja.... Papa vertelde er mij reeds vroeg van, altijd oorlogsverhalen. Het mooist vond ik altijd het verhaal van een kleinen schildwacht—kent u dat misschien?—die trouw op post stond voor de tent van zijn vorst en dapper: “Werda!” riep bij het minste verdachte gedruisch. Toen zijn aangebeden vorst echter een lafaard bleek te zijn, doorstak hij zich.—Het is langen tijd mijn ideaal geweest met papa in den oorlog te gaan en zijn kleine schildwacht te zijn zooals die jongen.”“En ook dood te gaan?” vroeg hij glimlachend.Zij zag ernstig naar hem op.“Waarom niet? In sommige gevallen schijnt de dood mij veel begeerlijker dan het leven;—dan een lang bitter, teleurgesteld leven zonder doel, bij voorbeeld.”Hij beschouwde haar, maar sprak niet, verwonderd als hij was over haar ernst. Lang, lang daarna herinnerde hij het zich.“Hebt u daar dan zoo diep over nagedacht?”“Ja, nogal eens, naar aanleiding van dat verhaal. Ik zou ook niet hebben kunnen verdragen dat papa mij tegenviel. Het zou mij gedood hebben, vanzelf geloof ik.”Hare bruine oogen fonkelden; om hare lippen kwam een harde, vastberaden trek.En weder verwonderde zij hem; zooveel hartstochtelijkheid had hij niet in haar verwacht....“Een vreemd ideaal voor een meisje!” ging hij voort. “Nu zal het al wel op den achtergrond geschoven zijn door andere idealen, is ’t niet?”“Neen, het is mij altijd bijgebleven. Het ligt in een vrouw evengoed of liever nog: het ligt juist bijzonder in een vrouw zich zoo geheel te wijden, gelooft u niet? In figuurlijken zin kan ik tòch nog eenmaal een kleine schildwacht zijn.”“Voor uw man,” antwoordde hij, vlug hare bedoeling vattend.Zij glimlachte; haar oog zag vol licht naar hem op.“Ja, voor mijn man. Ook voor hem kan ik dag en nacht waken en “werda!” roepen bij ieder naderend gevaar. Dat verlangen ligt eenmaal in een vrouw, in iedere vrouw geloof ik.”Even zweeg hij.“En als hij u eens teleurstelde?” vroeg hij langzaam met een zonderlinge ontroering in zijne stem.Zij zag naar hem op. Hare ziel lag in dien blik, vol onwrikbaar geloof. Toen kleurde zij hevig en antwoordde, zacht hoofdschuddend op vasten toon: ”Dat zal hij niet doen.”Een oogenblik zagen zij elkaar recht in de oogen. Toen sloeg hij de zijne neer, keerde zich om zonder een woord te spreken en verliet het huis.
IV.“Wat zien mijne oogen!” riep mevrouw Gerlings den volgenden dag uit, toen zij met Renée voor het raam zat te werken en een blik in het spionnetje wierp. “Daar heb je Huug zoo waarlijk!” en ontevreden merkte zij in stilte op dat hij niemand bij zich had.Het gezichtje van Renée bleef volkomen kalm, ook toen hij binnentrad.“Wel, waarde broeder,” riep mevrouw Gerlings hem toe, “waaraan hebben wij de eer van je ongewone verschijning te danken?”“Aan twee redenen,” antwoordde hij,terwijl hij zich naast zijne zuster in een hoek der canapé liet neerzinken juist tegenover Renée; “1º. kom ik vragen hoe de dames geslapen hebben; 2º. heb ik, naar het schijnt, hier mijne handschoenen laten liggen.”“Renée,” zeide zijne zuster lachend, (zij was in een bijzonder vroolijke luim, wijl haar soiréetje zoo goed geslaagd was) “ik zweer je plechtig dat de handschoenen de eenige aanleiding zijn. Onze nachtrust bekommert hem geen zier!—Zeg, Huug, een aardig avondje, hé? Uitstekend geslaagd. Wat hebben we ons laatst bij de Van Bevelant’s verveeld!”“Ja, nogal,” antwoordde hij verstrooid, naar Renée ziende, die aandachtig de steken van haar stramienwerk zat uit te tellen; want mevrouw Gerlings had voor eenigen tijd prijzen beloofd voor een liefdadigheidsloterij en was met veel ijver aan een canapékussen begonnen, dat echter onvoltooid was gebleven, tot Renée er zich nu vriendelijk over ontfermd had.“Jij hebt je ook goedgehouden. Je waart heel aardig, heel aardig,” ging zij voort, hem aanziende en juist den peinzenden blik opvangend, dien hij op Renée’s gebogen hoofdje vestigde. “Maar Albert had het land. Heb je gezien hoe Kleevers hem bij een knoop van zijne jas vasthield, om over die vervelende letterkundige beweging te spreken? Mevrouw Kleevers stootte mij aan en wees het mij lachend; maar zij moest toch eens bedenken dat het voor de slachtoffers van haar man allesbehalve aangenaam is. Je moet weten, Renée, haar man schrijft zelf, zie je, en....”Zij praatte maar voort, schijnbaar volkomen natuurlijk; maar intusschen ontging het haar niet hoe Hugo zonder ophouden Renée gadesloeg met een bij hem ongewone belangstelling. Renée echter, die al hare aandacht verdeelde tusschen haar werk en het gesprek, bemerkte er niets van. Alleen gevoelde zij, toen zijne groote, maar zachte hand bij het afscheid de hare drukte, een hartelijkheid in dien druk, welke haargoeddeed; maar naar hem opziende, las zij in zijn blik meer ernst dan vroolijke vriendelijkheid, en hij zeide zóó eerbiedig: “Dag juffrouw Gerlings!” dat zij er zich zonderling door getroffen gevoelde en zich verwonderd afvroeg, waarom hij haar toch niet bij den naam noemde.“En de handschoenen?” riep mevrouw Gerlings, toen hij reeds bij de deur was.“O ja, dat is waar.”De meiden werden ondervraagd; men zocht ijverig onder de kasten en commodes, tot zelfs de vazen op den schoorsteen werden omgekeerd, maar geen spoor van de verloren handschoenen was te ontdekken.“Nu, zij zullen wel terechtkomen,” zeide hij eindelijk vrij onverschillig. “Adieu!”—en mevrouw Gerlings wist genoeg.“Vindt je hem geen knap man, zooals hij daar heengaat, Renée?” vroeg zij, schijnbaar alleen uit zustertrots, terwijl zij hem in het spion aanwees.“Ja, heel knap,”antwoorddeRenée vriendelijk.—“Zie eens, tante, wat zegt u ervan? Vindt u niet dat ik flink gevorderd ben van middag?” en recht voldaan hield zij het werk omhoog en vroeg met hare lieve oogen een woordje van lof.“Albert!”Zij waren laat thuis gekomen van een avondje bij kennissen, zoodat mevrouw Gerlings nog niet veel tijd had kunnen vinden over hare ontdekking na te denken; maar nu—in bed—had zij de zaak nog eens rustig overwogen en kon niet laten haar man zijne meening te vragen.“Albert!”“Nu?” vroeg hij knorrig.“Neen, als je al slaapt, zeg ik niets.”“Ik slaap nog niet. Wat is er?”Hij was eenmaal een flinke, vierkante, vroolijke jongen geweest, juist als zijn broeder, Renée’s vader, en evenals deze had hij liever de wereld moeten ingaan, om lucht te geven aan het stormachtige en avontuurlijke in zijn karakter. Maarzijne levensomstandigheden hadden hem tot een eerzaam advocaat gemaakt, gekluisterd aan een vrouw, die hij met al den hartstocht van een reedseenigszinsgevorderde jeugd had bemind, maar welke hem niet begreep en ook nimmer begrijpen zou.Gelijk zij hem, den ernstigen man van studie, twintig jaren geleden had gevangen in een net van uiterlijke lieftalligheid en bekoorlijkheid, zoo had zij hem gedurende haar huwelijk gevangen weten te houden, fluweelig, zacht, vriendelijk, glimlachend. Hij haatte die gevulde salons, waarheen zij hem medesleepte;—die concertzalen, waar zij coquetteerde,—die balzalen, waar zij nog als jong meisje mededeed;—hij haatte ze, niet omdat hij haar nog liefhad, gelijk hij tot zichzelf met veel overtuiging zeide, maar omdat hij van eenvoud hield, van degelijkheid en waarheid. En toch gloorde daar nog een vonkje der oude liefde in zijn hart, dat—zij wist het wel—tot een hoog vuur had kunnen opvlammen, had zij zulks gewild en zichom zijnentwil veranderd. Maar zij was er volkomen onverschillig voor, en daar hij dit maar al te zeer begreep, was zijn humeur onaangenaam en prikkelbaar geworden. Soms nog brak hij wel met zijne breede schouders door de mazen van het net heen en bulderde het uit dat het hem verveelde en dat hij er den brui van gaf; maar dan glimlachte zij en herstelde met zijden draden, zacht maar ijzersterk, de verscheurde mazen, en hij schikte zich weer; reeds lang schikte hij zich en verschanste zich in zijne studeerkamer, en las of werkte. Zoo was hij langzamerhand een zeer knap en zeer belezen man geworden, maar ook een zeer knorrig huisgenoot.“Hebt je niets gemerkt?”“Wat dan?”“Neen, mannen merken nooit iets. Maar weet je wat ik gemerkt heb?—Dat Huug wel eens op den inval kon komen met Renée te trouwen.”“Zoo-oo?” vroeg hij, blijkbaar verwonderd, zweeg toen een poos en snoof daarop. Hij snoof altijd als hij boos was.“Wat vindt je er van?”Zijn antwoord klonkbrusque. “Dat zij veel te goed voor hem is.”“Dat was mijne eerste gedachte ook,” jokte zij slim. “Maar bij nader inzien zou ik het toch een uitstekend huwelijk voor beiden vinden. Hij komt er door tot rust en zij doet toch ook een goede partij met hem. Zij blijft dan in de familie, altijd onder jouw toezicht als ’t ware: dat is een prettige gedachte voor je als oom en voogd. En Huug is toch zoo kwaad niet. Hem kennen we ten minste en van anderen weten wij niets. Ook zou Huug wel eens een minder prettig persoontje in de familie kunnen brengen.—Albert!”“Nu?”“Wat vindt je er van?”“Ik weet het nog niet,” antwoordde hij kregel; maar zij hoorde zeer goed dat zij reeds veel gewonnen had.Pauze.“Albert!”Albert echter sliep reeds of hield zichzoo. Hij was nijdig over de combinatie, maar vond—slaperig als hij was—geen argumenten genoeg om een woordenstrijd te beginnen, waarin hij toch reeds vermoedde het onderspit te zullen delven. Honderdmaal sterker gevoelde hij zich tegenover zijne wel gewapende tegenpartijen in het gerechtshof; dáár won hij meestal het pleit.Toen Hugo Freeze dienzelfden avond uit de restauratie thuiskwam, waar hij had gedineerd, strekte hij zich als gewoonlijk op zijne sofa uit en greep een boek uit de pas gekomen portefeuille om zich den tijd te korten. Maar na eenigen tijd bleef zijn oog op enkele regels staren, die hij telkens en telkens herlas tot hij eindelijk opsprong, het boek van zich werpend. Het waren slechts weinige woorden uit een roman van Massi Bruhn, welke die uitwerking hadden:Per Gynt trok de groote, bonte menschenwereld in, omdat hij geen vrijheid vond hetkind Solvegj aan zijn bedorven, verwoest leven te verbinden.En terwijl hij met groote stappen en gebogen hoofd de kamer op en neer liep, dacht hij aan een anderen Per Gynt en een ander kind Solvegj, maar deze laatste Per Gynt had zelfzuchtig en zonder zweem van wroeging het kind Solvegj “aan zijn bedorven, verwoest leven” willen verbinden.Op eens viel zijn oog op een aan hem geadresseerd briefje, dat tijdens zijne afwezigheid op zijne tafel was neergelegd.Hij opende het, als verlangend naar afleiding voor zijne pijnigende gedachten. Een hem welbekend parfum steeg naar hem op. Een kwartier lang liep hij met het papier in zijne hand, blijkbaar in heftigen tweestrijd. Toen,—als verdroot hem dat dobberen en weifelen—wierp hij haastig hoed en jas weer aan en verdween in de duisternis der straten.V.Het was midden December, maar het scheen nog najaar, een sombere najaarsavond met geheimzinnig knappende vensters en onrustige jaloezieën; een donkere lucht, die volstrekt geen licht meer wierp door de zware draperieën voor de vensters, en in de straat een wilde jacht van pas afgewaaide bladeren—eerst in de lucht, dan op den grond;—een dolle dans, als wilden zij nog eens voor het laatst het leven genieten, eer zij voor altijd zouden vastkleven in het slijk en vergaan.In de achterkamer der suite van mevrouw Gerlings was het bijna geheel donker. Op de sofa lag mijnheer, een roerlooze gedaante, in zaligen namiddagsluimer verzonken, terwijl boven zijne vrouw hetzelfde genot smaakte.In de voorkamer brandde het blokkenvuur levendiger en wierp grillige schijnsels op meubels en wanden; ook op Renée, die droomerig in het vuur zat te staren, harevoeten koesterend weggedoken in de schapenvacht voor den haard, haar hoofd geleund tegen het fluweel van den fauteuil, haar oog in den spiegel tegenover haar den vlammenweerschijn bewonderd op het geschilderd plafond.En zij luisterde naar het lied van den wind, die steeds woester opstak. Van waar kwam hij, als hij zoo langs de vensters gierde, om in het volgend oogenblik weer uren verder te zijn? Had hij misschien juist met zijn onmeedoogend spel schepelingen tot wanhoop gebracht, en waren het wellicht hunne angstkreten, die hij medevoerde in zijne dolle vaart? Of was hij pas over den stillen grafheuvel gestreken, waaraan zij zoo dikwerf dacht, en ruischte wellicht het geritsel van het laatste beukenloover in zijn zang? Hoor, hoe weemoedig, hoe klagend! Wat zeide hij toch? Nu eens als in toorn, dan in stil, wanhopig geklaag ging hij voorbij, of floot in den schoorsteen, als riep hij haar, eenzame....Wat zeide hij, haar oude, lieve vriend?—Ach, de tijd was voorbij dat zij zich door hem liet voortduwen in het veld of hem lachend trotseerde; dat hij haar plagend den hoed van het hoofd wierp of droppelen van de natte takken op haar neerschudde; dat hij hare krachten staalde en hare wangen rood kleurde. Neen, zij was nu een stadsnufje geworden: hij kende haar gewis niet meer....Zou zij hier altijd zoo blijven leven?’s Morgens opstaan en ontbijten, dan wat piano spelen of handwerken doen, koffiedrinken, visites maken of ontvangen, eten, schemeren en des avonds meest menschen zien of met oom en tante omberen.Van tante hield zij niet, neen, bepaald niet. Zij wist wel dat het verkeerd van haar was zulk een besliste antipathie te gevoelen: papa had haar daarover dikwerf onderhouden en zij deed ook wel haar best in tante het goede te zien. Maar het ging niet, het wou niet gaan.... Zij kon haar jeugdig bruisend bloed zoo gemakkelijk geen wetten voorschrijven, en die afkeer werkte neerdrukkend op hare stemming.En oom was zoo anders dan zij zich hem gedroomd had; goed, heel goed, maar in huis niet prettig. Zij begreep hem niet. Toch kon zij wel van hem houden, al was die genegenheid te lauw om haar geluk te verhoogen....Wat was het stil in de kamer! Slechts nu en dan eenige haastige voetstappen in de straat, het samenspreken van enkele voorbijgangers of een snel voortrollend rijtuig—dat was alles, wat men van buiten hoorde. En binnen slechts de tik der pendule, het knappen van het vuur en de eenigszins zware ademhaling van den slapende.Nu gingen er officieren voorbij; zij hoorde hunne beschaafde, vroolijke stemmen, die langzaam wegstierven, en het gerinkel hunner sabels, dat haar aan Hugo Freeze herinnerde.Hij trok haar aan. En eerst had zij gemeend ook inzijnsmaak te vallen: hoe had zijne vriendelijkheid haar goedgedaan! Maar sedert dat bezoek ter wille der handschoenen,die nooit gevonden waren, was hij niet teruggekomen, en zelfs van zijn gewoon veertiendaagsch avondje had hij zich reeds tweemaal afgemaakt.Eerst gisteren op een wandeling hadden tante en zij hem toevallig weder ontmoet, en hij had zich bij hen gevoegd en hen vergezeld. Zij had bewondering gelezen in zijn blik, toen hij haar begroette, en hij had haar met zonderlingen ernst een sneeuwklokje genoemd. Niet heel toepasselijk, vond zij, want het pakje was van donkergroen laken met grijs bont afgezet, en haar groote Rembrandthoed van vilt met witte veer; maar zij wist niet dat hare geheele verschijning opnieuw met overweldigende bekoring een indruk van onschuld en reinheid op hem gemaakt had.Wat hadden zij veel gepraat, veel, waaraan zij sedert met genoegen terugdacht! En een arm klein meisje, dat “een centje” vroeg had hij een kwartje in de verkleumde vingertjes geduwd met een hartelijke vermaning nu naar huis te gaan.“Zoo lief!” vond zij, glimlachend bij de herdenking.Ja, dat was een prettige wandeling geweest. Voor hem gevoelde zij sympathie;—maar hoewel hij heel vriendelijk voor haar was, hem aantrekken deed zij toch niet, vreesde zij. Dan zou hij immers meer komen!....En zij zuchtte; en terwijl zij naar den langzaam verminderden gloed achter het koperen vuurschermpje staarde, gevoelde zij zich eenzamer dan ooit. Haar hart dorstte naar liefde, naar warmte, en het versmachtte; het wensen te zijne schatten in ruil te geven en niemand vroeg er naar.... Maar dit alles begreep zij niet. Zij beknorde zichzelf, omdat zij niet tevreden was, en zou niemand hebben durven vertellen dat zij soms heimelijk schreide, zonder eigenlijk te weten waarom.Zij keek eens naar de achterkamer, verlangend naar afleiding. Neen, het reeds grijzende hoofd van oom, het eenige, wat zij in de duisternis van hem kon onderscheiden, lag nog even roerloos.Daar werd zacht aan de huisdeur gescheld, en even behoedzaam werd na eenigen tijd de deur der voorkamer geopend. Tot hare verwondering herkende Renée, toen zij omzag, het fijnbesneden gelaat van Hugo Freeze.“Juist zoo dacht ik u te vinden,” zeide hij met gedempte stem, terwijl hij haar de hand reikte. “U zei mij gisteren het schemeruurtje zoo eenzaam te vinden. Mag ik u wat gezelschap houden?”Vijf weken lang had hij de machtige ontroering, door zijne ontmoeting met Renée gewekt, dwaasheid genoemd, en zijn best gedaan zich “dien onzin uit het hoofd te zetten.” Haar fortuin was immers niet groot genoeg om zijn huwelijk “brillant” te maken, en dan: zij was “zoo’n kind!” Hij was geheel de oude Hugo Freeze weer geworden en, toch—toch was haar beeld hem soms verschenen, juist waar hij haar het liefst vergeten had; toch was hare stem in zijn oor blijven hangen als zachte, gewijde muziek, die tot het goede wekt.De onverwachte ontmoeting van gisteren, toen hij haar zag naderen over de sneeuw in hare onbewuste bekoorlijkheid, had voor het oogenblik uit zijn hart alle andere indrukken weggevaagd. Sedert die wandeling beheerschte hem een vurig verlangen haar opnieuw te zien en te spreken, en hij wist niet beter te doen dan maar dadelijk zichzelf zijn zin te geven, als een bedorven kind, dat weer een nieuw stuk speelgoed opgemerkt heeft, en er telkens weer naar gaat zien, hopende het te krijgen.“Het is heel vriendelijk van u,” zeide zij, en hij zag met voldoening een blijden glans in hare “kinderoogen.”“Neen, neen, er is ook egoïsme bij,” wierp hij tegen, een fauteuil aanrollend. “Eigenlijk vrees ik dat het geheel en al egoïsme is.—O, wat zitten wij gezellig nu!”Zij lachte om zijn welbehagen.“Ja, dat lijkt u nu misschien overdreven,” ging hij voort op zijne eigenaardige, vertrouwelijke manier, “wantdames hebben hetaltijd gezellig. Zij scheppen dadelijk op eene of andere manier gezelligheid om zich heen, maar een man verstaat die kunst niet. Ik ten minste niet. Op mijne kamer is het nooit gezellig.”“Misschien omdat u er alleen ben....”“Misschien wel, ik weet het niet,” antwoordde hij langzaam en keerde zijn gelaat naar het vuur, gevoelende dat zij hem uit haar donker hoekje met sympathie gadesloeg. “Ik denk dikwijls,” ging hij zacht voort, “aan de woorden van ik weet niet welken schrijver: Laat het vriendelijk schijnsel van uw gezellig tehuis lichten voor den eenzamen wandelaar daarbuiten.—Die woorden zou ik wel alle getrouwde dames willen toeroepen ten aanzien van jongelui, die geen gezellig te huis hebben.”Er was een weemoedige klank in zijne stem, die haar medelijden wekte, en zij kon niet dadelijk antwoorden, denkende hoe gaarne zij zelf in de gelegenheid zou zijn hem zulk een gezelligpied-à-terreaan te bieden.“Knap-knap!” zeiden de spattende vonkjes in den haard en vlogen den schoorsteen in, waarin de wind zoo weemoedig zong en suisde, dat beiden onwillekeurig er een oogenblik naar luisterden.“Tante klaagt toch dat u zoo zelden komt,” zeide Renée eindelijk, als slotsom van haren gedachtengang.Hij glimlachte—niet zonder verlegenheid.“Ja, zij heeft gelijk: ik kom niet dikwijls.”Hij kon hier niet zeggen dat hij in het geheel niet van zijn schoonbroeder en weinig van zijne zuster hield; maar Renée’s vlug verstand deed haar het laatste raden.“Hij is ook van ander hout gesneden,” dacht zij met zekere vreugde, en gevoelde zich te meer tot hem aangetrokken.“Maar ik zal voortaan dikwijls komen,” ging hij voort. “Hoe kan ik straks naar huis wandelen en op mijne eenzame kamer terugkeeren zonder heimwee te gevoelen naar dit gezellig plekje aan den haard?”Hij zeide niet dat hij iederen avond uit was. Hij vond het aangenaam in hareoogen medelijden te lezen, ja, verbeeldde zich op dat oogenblik zelf beklagenswaardig te zijn en daarin duizend verontschuldigingen voor zichzelf te mogen vinden. Dien morgen had hij met zekeren theatralen ernst tot zichzelf gezegd dat hij een ander mensch worden moest, en onder den invloed van zijn verlangen naar haar had hij dien ganschen dag een zekere sentimentaliteit in zien gekweekt, die hem in eene weeke stemming bracht.“Hebt u wel eens heimwee gevoeld?” vroeg hij met een hem anders geheel vreemden ernst.“Ik geloof het wel,”antwoorddezij en hare oogen kregen een vochtigen glans, maar dat zag niemand.“Het is nog niets,” vond hij, “als men maar ergens heen kan gaan om het te verzetten, zooals ik nu, bij voorbeeld.... Wanneer voelt u heimwee?”“Och soms!” antwoordde zij zacht.“Hier natuurlijk!” hernam hij, voor haar gevoelende.“Het was dáár zeker een heel ander leventje,” ging hij vriendelijk voort, denkende dat het haar goed zou doen eens over het verleden te spreken. “Ik kan mij het echte buitenleven zoo moeilijk voorstellen. U weet: ik ben tusschen huizen en menschen geboren en groot geworden. Vertel mij eens: hoe leeft men daar bij u?”En zij verhaalde met hare lieve, melodieuze stem, terwijl de wind met verdubbelde kracht tegen de vensters blies, als wilde hij haar overstemmen. Zij verhaalde—eerst beschroomd, daarna vrijer, eindelijk met geestdrift—van hare bosschen en weiden, van zonsondergang en sterrenhemel, van verre tochten en lievelingsplekjes.... tot hij wenschte te zijn groot geworden als zij. Misschien, zoo dacht hij, met het onbestemde verlangen naar volmaking, zwakkelingen eigen, zou daar een ander, een beter man uit hem geworden zijn. En hij wenschte altijd in hare nabijheid te kunnen zijn, altijd dien reinigenden invloed te mogen ondervinden....Zij zweeg reeds eenigen tijd, toen hij daaraan nog altijd dacht.“Vindt u niet dat dit weer iemand in een geheel bijzondere stemming brengt?” vroeg zij, meenende dat hij naar den wind luisterde. “Wat bent u in gepeins!”“Ja,” antwoordde hij, terwijl juist de voetstap zijner zuster op de trap gehoord werd, “onwillekeurig geraakt men onder den invloed. Weet u waaraan ik dacht,” vervolgde hij met een zonderlingen klank van aandoening in zijne stem, die zijne woorden tot gefluister deed dalen, “terwijl ik zoo stil naar u luisterde, dacht ik aan de woorden van La Bruyère:l’harmonie la plus douce est le son de voix de celle que l’on aime.”Toen stond hij haastig op om zijne zuster te gemoet te gaan, die juist de deur opende. En Renée keerde haar gezichtje van het vuur af om den blos te verbergen, dien zijn woorden hadden te voorschijn geroepen.VI.Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend toevoegde: “Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je bleef maar snorken.”“Wie—wij?” vroeg Albert stug, die door Hugo’s lange afwezigheid alle vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.“Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen dezelfde muziek hebben gemaakt!”“Het ware te wenschen,” zeide Albert vinnig, terwijl hij in den fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, “dat alle jongelui zulke lange nachten maakten als ik!”En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot zichzelf zeggend dat deze woordenad remwaren.De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die algemeen hoog gezien en geacht werd.“Ja, ja,” antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het gas aanstak, “dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal wist!....”Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en staarde met verbitterden blik in het vuur.“Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik.”“Zeker—in de militaire wereld gaat heel wat om.Qu’y faire!’t Is de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?”“Neen, dat ben ik volstrekt niet met jeeens.... Och, Renée, je staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij niet juist.”Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den kalender ging en de woorden van Lavater voorlas:“Vereer al wat eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert.”“Daar heb je ’t!” vervolgde Albert, “en de toepassing is niet ver te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen man van karakter onwaardig.”“Tut, tut!—Il faut que jeunesse se passe,” kwam zijne vrouw vergoelijkend tusschenbeide.“Ziedaar het devies van onze riddersà la mode!” riep hij uit met een minachtendhandgebaar. “Dat devies staat op het vaandel, waarmede zij de wereld inmarcheeren:il faut que jeunesse se passe. En daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven, want....il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?—O, schijnbaar heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen en—rust—ziedaar hunne levensidealen.”“Hm!” waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.“Il faut que jeunesse se passe!.... En als diejeunessevoorbij is, zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!—Dan hebben ze geleerd het huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening, hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen, en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd.”Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten; hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet wist hoe den bruisenden stroom van Albert’s woorden te stuiten, of hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.“Inmijnejeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is; in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren zeggendat hij wenschte bij de muziek van Weber’sLetzte Gedankete kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:In die Kneipen laufen,Und sein Geld versaufenIst ein höher, herrlicher Beruf.Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het verschil tusschen passie en liefde weten ze ook alniet meer!) en wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen.”Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom’s redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende oogen aan.“Als de meisjes nu ook eens zoo deden,” barstte Albert weer los. “Zoo heel geniepig, weet je, en dan trouwden—met allerlei herinneringen en oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan....”“En wie wil er nu een lekkeren kop thee?” viel zijne vrouw op eens in. “Ha, ha, ha!—Maar man, wat heb je toch voor invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig en warm,—Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!....Zie zoo.—Zeg, Huug, blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!”“En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert, in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.—Hier Renée, de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen nemen, hè?—Vindt je dat hij gelijkt, man?”Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier “toch wel prettig” vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen gestild was en haar heimwee een einde had.VII.Het was Nieuwjaarsmorgen.De winterzon keek door alle vensters, waar zij kon binnendringen en sprak vanblijdschap en hoop. In de straten klonk het vroolijk gedruisch van vele voetstappen, van hartelijke begroetingen en opgewekte menschenstemmen.Binnen was de eigenaardige rust van den Zondag: een opstaan zonder doel, een langzaam ontbijt en dan.... een wachten op koffietijd.Mijnheer Gerlings zat in zijne studeerkamer, want hij zou dien middag op reis gaan naar een goed vriend, wiens recht in een proces hij bepleiten zou, en snuffelde nu nog wat in zijne aanteekeningen. Mevrouw dribbelde heen en weer door het huis enRenéestond, na het ontbijt te hebben weggeruimd, bij de tafel en las beurtelings al de reeds bezorgde kaartjes.Zij droeg een bijzonder elegante peignoir van crêmekleurig laken met witte kant, een japon, die zij in allen ernst “veel te mooi!” had verklaard, toen tante die wel geschikt voor haar vond. Maar nadat het gebleken was dat de peignoir haar uitstekend kleedde, had tante haar die laten thuis bezorgen.“Och, een aardigheidje!” zei ze afwerend, toen Renée haar hartelijk dankzegde,”alleen—iederen dag dragen, hoor!”Mevrouw Gerlings toonde in alle opzichten de grootste belangstelling in Renée’s uiterlijk.“Ja, ja, ik pronk graag met mijn nichtje,” zeide zij wel eens bij wijze van verklaring, als zij weer eens een bevallig wandeltoiletje had uitgedacht of een élégante avondjapon; maar in werkelijkheid was daar een geheel andere reden voor die belangstelling. Het denkbeeld, Hugo en Renée een paartje te zien worden, lachte haar zóó toe, dat zij, wetende hoe gevoelig hij was voor de bekoring eener goedgekleede vrouw, alles deed om Renée’s aantrekkelijkheid te verhoogen.En zoo stond zij daar nu, slank en bevallig, half vrouw, half kind. Zij nam de kaartjes beurtelings op en las de namen; maar zij deed het werktuiglijk: hare eigenlijke bezigheid was denken.Zij dacht aan de verloopen veertien dagen, die als een heerlijke droom warenvoorbijgegaan met vele ontmoetingen, en vele gesprekjes, en vele handdrukken vol gloed, en vele blikken vol onuitgesproken wenschen.Zou hij haar liefhebben?—zóó lief, dat hij haar vragen zou?Zij was in een voortdurende spanning, maar het was een heerlijke spanning, vond zij. Er was immers geen twijfel meer, zijne liefde verried zich op duizenden wijzen, eenvoudig omdat hij die niet verbergen kon. De vraag was niet meer òf hij spreken zou, alleen wanneer?....Oom Albert had blijkbaar tegen hem.... Waarom toch?.... Neen, dat kon zij maar niet doorgronden.... Maar oom Albert was een brompot.... Men moest natuurlijk rekening met hem houden als voogd, maar tante had veel invloed op hem, en Huug had veel invloed op tante. Zoo zou alles wel in orde komen.... De persoonlijke meening van oom behoefte haar niet te verontrusten. Hij was blind. Kon zij hem de blinde oogen toch openen!.... Hoekonhij eigenlijkblind zijn!—Het was haar als moest Huugs’ volmaaktheid ieder in het oog vallen.... Voor háár ging er licht en warmte van hem uit als van een zon, en het verwonderde haar hoe iemand hare zon onopgemerkt kon voorbijgaan. Zij benijdde zijne hospita en zijn oppasser, die voor hem mochten zorgen, en zijne kameraden, die veel met hem omgingen. Zijne minderen moesten hem wel hoog vereeren, meende zij, en zijne meerderen hem hartelijk genegen zijn.... Voor haar ging er bekoring uit van alles wat hem toebehoorde of van verre maar met hem in betrekking stond.Wat ging die bel vandaag!.... Maar nu scheen het wel een bezoeker....Zij hief het hoofd op, luisterend.Ja, dat waszijnestem, die de meid vroeg of de familie in de suite was. Een blos van blijde verrassing steeg haar naar het gelaat, en met dubbele aandacht begon zij het kaartje te bekijken, dat zij in de hand had.Monsieur et madame Verhulst, p. f....Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Wat klopte dat hart toch!—Monsieur et madame....Daar ging de deur open, en hij zag haar staan, slank en rijzig in haar rijk gewaad, haar blozend kopje uitkijkend boven den kraag van breede witte kant, terwijl twee beschroomde oogen naar hem werden opgeheven.“Tref ik u alleen?” vroeg hij, schijnbaar verwonderd. “Ik kwam om u mijne hartelijke gelukwenschen aan te bieden, juffrouw Gerlings.”“Dank u,” antwoordde zij lachend. “Maar nu moet ik toch eerst weten wat u mij als geluk toewenscht.—U komt toch niet met een gemeenplaats hier?” vervolgde zij plagend.Zij dacht hem in het nauw gebracht te hebben, maar hij was niet gewoon zich in het nauw te laten brengen.“Zeg mij dan,” vervolgde hij, terwijl hij dicht bij haar kwam staan en met teederen glimlach op haar neerzag, “wat u dit jaar u als geluk droomt.”Een gloeiende blos overtoog opnieuw haar gezichtje, zij sloeg de oogen neer en bleef het antwoord schuldig. Want voor haar was maar één geluk mogelijk: zijne liefde.“Kunt u ook raden watikmij als geluk droom?” vroeg hij zacht.Zij verzamelde al hare krachten om zich goed te houden en zeide: “Promotie natuurlijk!”Hij gevoelde zich teleurgesteld; hij dorstte naar bewijzen harer liefde, niet beseffende dat hij ze vooral begeerde om zijne declaratie voor zichzelf te kunnen verontschuldigen. Want hij dacht er wel aan hoe jong zij nog was en hoe.... nu ja, hoe anders dan hij.... Hij gevoelde zich als een wilde knaap, gereed een lelie te knakken voor eigen genoegen, en plotseling bedenkende dat het de arme bloem misschien beter ware te blijven waar zij was.... Maar die aarzelingen waren even zeldzaam als vluchtig.“Neen, geen promotie,” zeide hij, zijnewenkbrauwen samentrekkend als een lastig, bedorven kind, dat zijn zin niet krijgt; en hij bleef haar vragend aanzien, maar op dat oogenblik trad mevrouw Gerlings binnen.Zij begroette hem hartelijk met een kus en vele goede wenschen, en begon toen, vermoedende dat zij hen in aangenaam en misschien gewichtig gesprek had gestoord, in de andere kamer ijverig piano te spelen. Maar Hugo en Renée wisten den draad niet weer op te vatten van het gesprek, dat veel meer in gedachten dan in woorden had bestaan, zoodat Lucie maar weer met spelen ophield en begon stof af te nemen.“Van middag,” zeide Hugo tot zijne zuster, “gaan wij een toertje doen. Zijn jullie dan thuis?—Dan komen we even voorbij.”Hij wist wel welk een goed figuur hij maakte op zijn fraai paard, en liet zich gaarne bewonderen.“Dat beloven wij niet,” zeide mevrouw Gerlings lachend, terwijl zij met haar plumeaude prisma’s der gaskroon deed rinkelen. “Wat zeg jij, Renée?—dan zijn wij maar gebonden. Ga je met je vrienden?”“Ja—denkelijk. En anders toch alleen.”“Ik zie je liever met een troepje cavalleristen. Dan zie je er zoo krijgshaftig uit, Huug.—Zeg eens, denk je dat de soldaten graag onder jou ten oorlog zouden trekken?”Hij streek zich den goed verzorgden knevel eens op—wat hij gaarne deed, als hij over zichzelf sprak,—en zeide met een ijdel lachje: “Ja, dat kan ik wel eens merken.”“Hoe zou je ze dapper maken?” vroeg mevrouw Gerlings, terwijl zij de plumeau liet rusten. Zij zag wel met welk een afgodischen blik Renée hem heimelijk gadesloeg en deed maar een vraag in het wilde heen.“Door mijn voorbeeld,” antwoordde hij dadelijk: want het was werkelijk altijd een zijner vurigste wenschen geweest ten oorlog te kunnen trekken, en zeker ware hij in dit geval een zeer dapper en flink soldaat geworden—misschien wel een edel mensch.Maar zijne weinige bezigheden, zijn rijkdom en vele verleidingen hadden zijne wilskracht verlamd en zijne eerzucht gedood. Voor sommige karakters zijn rijkdommen een vloek, hun door een boosaardige fee op den levensweg medegegeven. “Het voorbeeld is alles. Voor een aanvoerder, tegen wien de soldaat kan opzien, doet hij alles, maar van een, die zelf niet uitmunt, kan ook geen kracht en bezieling uitgaan.”“Dat beweerde papa ook altijd,” zeide Renée met schitterende oogen. “Als ik een jongen geweest was, zou ik stellig in dienst gegaan zijn.”Mevrouw Gerlings begon nu in de voorkamer het stof te vervolgen, en Renée kreeg haar kamergietertje en opende de deuren der serre. Zij wist wel dat hij haar volgen zou, en begon ijverig de breede, glanzende bladeren der azalia’s, die bij den ingang stonden, af te sponsen.Hij bleef tegen den deurpost leunen, haar stil beschouwende zooals zij daar stond in het licht der morgenzon, dat zich door deneergelaten gordijnen niet liet afschrikken, maar de serre vulde met gouden gloed. Zij bewoog zich zoo aardig met die zekere waardigheid, welke al hare manieren kenmerkte en toch zoo eenvoudig en kinderlijk. Zij stak zoo bekoorlijk af in haar lichtkleurig kleed tegen het groen der palmen en azalia’s, varens en cactusplanten, liefelijk afgebroken door een reeks primula chinensis, door haar zelf in bloei gebracht. Hij kon niet laten haar met zeker artistiek genot te beschouwen; en hij dacht er aan welk een heerlijk vrouwtje zij zijn zou, juist een, dat ieder hem zou benijden.... Wat zou zij een elegant gastvrouwtje zijn!.... Hij genoot reeds bij het denkbeeld. Hij hield van weelde en schoonheid en, terwijl hij haar met peinzenden blik volgde, zag hij haar in den geest in een keurig salon met mollige divans en zachte fauteuils, achter een theeblad, schitterend van fijn porselein en zilver.“U bent natuurlijk als een echt soldatenkind grootgebracht?” vroeg hij haar toelachend,in antwoord op hare laatste opmerking.“Ja.... Papa vertelde er mij reeds vroeg van, altijd oorlogsverhalen. Het mooist vond ik altijd het verhaal van een kleinen schildwacht—kent u dat misschien?—die trouw op post stond voor de tent van zijn vorst en dapper: “Werda!” riep bij het minste verdachte gedruisch. Toen zijn aangebeden vorst echter een lafaard bleek te zijn, doorstak hij zich.—Het is langen tijd mijn ideaal geweest met papa in den oorlog te gaan en zijn kleine schildwacht te zijn zooals die jongen.”“En ook dood te gaan?” vroeg hij glimlachend.Zij zag ernstig naar hem op.“Waarom niet? In sommige gevallen schijnt de dood mij veel begeerlijker dan het leven;—dan een lang bitter, teleurgesteld leven zonder doel, bij voorbeeld.”Hij beschouwde haar, maar sprak niet, verwonderd als hij was over haar ernst. Lang, lang daarna herinnerde hij het zich.“Hebt u daar dan zoo diep over nagedacht?”“Ja, nogal eens, naar aanleiding van dat verhaal. Ik zou ook niet hebben kunnen verdragen dat papa mij tegenviel. Het zou mij gedood hebben, vanzelf geloof ik.”Hare bruine oogen fonkelden; om hare lippen kwam een harde, vastberaden trek.En weder verwonderde zij hem; zooveel hartstochtelijkheid had hij niet in haar verwacht....“Een vreemd ideaal voor een meisje!” ging hij voort. “Nu zal het al wel op den achtergrond geschoven zijn door andere idealen, is ’t niet?”“Neen, het is mij altijd bijgebleven. Het ligt in een vrouw evengoed of liever nog: het ligt juist bijzonder in een vrouw zich zoo geheel te wijden, gelooft u niet? In figuurlijken zin kan ik tòch nog eenmaal een kleine schildwacht zijn.”“Voor uw man,” antwoordde hij, vlug hare bedoeling vattend.Zij glimlachte; haar oog zag vol licht naar hem op.“Ja, voor mijn man. Ook voor hem kan ik dag en nacht waken en “werda!” roepen bij ieder naderend gevaar. Dat verlangen ligt eenmaal in een vrouw, in iedere vrouw geloof ik.”Even zweeg hij.“En als hij u eens teleurstelde?” vroeg hij langzaam met een zonderlinge ontroering in zijne stem.Zij zag naar hem op. Hare ziel lag in dien blik, vol onwrikbaar geloof. Toen kleurde zij hevig en antwoordde, zacht hoofdschuddend op vasten toon: ”Dat zal hij niet doen.”Een oogenblik zagen zij elkaar recht in de oogen. Toen sloeg hij de zijne neer, keerde zich om zonder een woord te spreken en verliet het huis.
IV.“Wat zien mijne oogen!” riep mevrouw Gerlings den volgenden dag uit, toen zij met Renée voor het raam zat te werken en een blik in het spionnetje wierp. “Daar heb je Huug zoo waarlijk!” en ontevreden merkte zij in stilte op dat hij niemand bij zich had.Het gezichtje van Renée bleef volkomen kalm, ook toen hij binnentrad.“Wel, waarde broeder,” riep mevrouw Gerlings hem toe, “waaraan hebben wij de eer van je ongewone verschijning te danken?”“Aan twee redenen,” antwoordde hij,terwijl hij zich naast zijne zuster in een hoek der canapé liet neerzinken juist tegenover Renée; “1º. kom ik vragen hoe de dames geslapen hebben; 2º. heb ik, naar het schijnt, hier mijne handschoenen laten liggen.”“Renée,” zeide zijne zuster lachend, (zij was in een bijzonder vroolijke luim, wijl haar soiréetje zoo goed geslaagd was) “ik zweer je plechtig dat de handschoenen de eenige aanleiding zijn. Onze nachtrust bekommert hem geen zier!—Zeg, Huug, een aardig avondje, hé? Uitstekend geslaagd. Wat hebben we ons laatst bij de Van Bevelant’s verveeld!”“Ja, nogal,” antwoordde hij verstrooid, naar Renée ziende, die aandachtig de steken van haar stramienwerk zat uit te tellen; want mevrouw Gerlings had voor eenigen tijd prijzen beloofd voor een liefdadigheidsloterij en was met veel ijver aan een canapékussen begonnen, dat echter onvoltooid was gebleven, tot Renée er zich nu vriendelijk over ontfermd had.“Jij hebt je ook goedgehouden. Je waart heel aardig, heel aardig,” ging zij voort, hem aanziende en juist den peinzenden blik opvangend, dien hij op Renée’s gebogen hoofdje vestigde. “Maar Albert had het land. Heb je gezien hoe Kleevers hem bij een knoop van zijne jas vasthield, om over die vervelende letterkundige beweging te spreken? Mevrouw Kleevers stootte mij aan en wees het mij lachend; maar zij moest toch eens bedenken dat het voor de slachtoffers van haar man allesbehalve aangenaam is. Je moet weten, Renée, haar man schrijft zelf, zie je, en....”Zij praatte maar voort, schijnbaar volkomen natuurlijk; maar intusschen ontging het haar niet hoe Hugo zonder ophouden Renée gadesloeg met een bij hem ongewone belangstelling. Renée echter, die al hare aandacht verdeelde tusschen haar werk en het gesprek, bemerkte er niets van. Alleen gevoelde zij, toen zijne groote, maar zachte hand bij het afscheid de hare drukte, een hartelijkheid in dien druk, welke haargoeddeed; maar naar hem opziende, las zij in zijn blik meer ernst dan vroolijke vriendelijkheid, en hij zeide zóó eerbiedig: “Dag juffrouw Gerlings!” dat zij er zich zonderling door getroffen gevoelde en zich verwonderd afvroeg, waarom hij haar toch niet bij den naam noemde.“En de handschoenen?” riep mevrouw Gerlings, toen hij reeds bij de deur was.“O ja, dat is waar.”De meiden werden ondervraagd; men zocht ijverig onder de kasten en commodes, tot zelfs de vazen op den schoorsteen werden omgekeerd, maar geen spoor van de verloren handschoenen was te ontdekken.“Nu, zij zullen wel terechtkomen,” zeide hij eindelijk vrij onverschillig. “Adieu!”—en mevrouw Gerlings wist genoeg.“Vindt je hem geen knap man, zooals hij daar heengaat, Renée?” vroeg zij, schijnbaar alleen uit zustertrots, terwijl zij hem in het spion aanwees.“Ja, heel knap,”antwoorddeRenée vriendelijk.—“Zie eens, tante, wat zegt u ervan? Vindt u niet dat ik flink gevorderd ben van middag?” en recht voldaan hield zij het werk omhoog en vroeg met hare lieve oogen een woordje van lof.“Albert!”Zij waren laat thuis gekomen van een avondje bij kennissen, zoodat mevrouw Gerlings nog niet veel tijd had kunnen vinden over hare ontdekking na te denken; maar nu—in bed—had zij de zaak nog eens rustig overwogen en kon niet laten haar man zijne meening te vragen.“Albert!”“Nu?” vroeg hij knorrig.“Neen, als je al slaapt, zeg ik niets.”“Ik slaap nog niet. Wat is er?”Hij was eenmaal een flinke, vierkante, vroolijke jongen geweest, juist als zijn broeder, Renée’s vader, en evenals deze had hij liever de wereld moeten ingaan, om lucht te geven aan het stormachtige en avontuurlijke in zijn karakter. Maarzijne levensomstandigheden hadden hem tot een eerzaam advocaat gemaakt, gekluisterd aan een vrouw, die hij met al den hartstocht van een reedseenigszinsgevorderde jeugd had bemind, maar welke hem niet begreep en ook nimmer begrijpen zou.Gelijk zij hem, den ernstigen man van studie, twintig jaren geleden had gevangen in een net van uiterlijke lieftalligheid en bekoorlijkheid, zoo had zij hem gedurende haar huwelijk gevangen weten te houden, fluweelig, zacht, vriendelijk, glimlachend. Hij haatte die gevulde salons, waarheen zij hem medesleepte;—die concertzalen, waar zij coquetteerde,—die balzalen, waar zij nog als jong meisje mededeed;—hij haatte ze, niet omdat hij haar nog liefhad, gelijk hij tot zichzelf met veel overtuiging zeide, maar omdat hij van eenvoud hield, van degelijkheid en waarheid. En toch gloorde daar nog een vonkje der oude liefde in zijn hart, dat—zij wist het wel—tot een hoog vuur had kunnen opvlammen, had zij zulks gewild en zichom zijnentwil veranderd. Maar zij was er volkomen onverschillig voor, en daar hij dit maar al te zeer begreep, was zijn humeur onaangenaam en prikkelbaar geworden. Soms nog brak hij wel met zijne breede schouders door de mazen van het net heen en bulderde het uit dat het hem verveelde en dat hij er den brui van gaf; maar dan glimlachte zij en herstelde met zijden draden, zacht maar ijzersterk, de verscheurde mazen, en hij schikte zich weer; reeds lang schikte hij zich en verschanste zich in zijne studeerkamer, en las of werkte. Zoo was hij langzamerhand een zeer knap en zeer belezen man geworden, maar ook een zeer knorrig huisgenoot.“Hebt je niets gemerkt?”“Wat dan?”“Neen, mannen merken nooit iets. Maar weet je wat ik gemerkt heb?—Dat Huug wel eens op den inval kon komen met Renée te trouwen.”“Zoo-oo?” vroeg hij, blijkbaar verwonderd, zweeg toen een poos en snoof daarop. Hij snoof altijd als hij boos was.“Wat vindt je er van?”Zijn antwoord klonkbrusque. “Dat zij veel te goed voor hem is.”“Dat was mijne eerste gedachte ook,” jokte zij slim. “Maar bij nader inzien zou ik het toch een uitstekend huwelijk voor beiden vinden. Hij komt er door tot rust en zij doet toch ook een goede partij met hem. Zij blijft dan in de familie, altijd onder jouw toezicht als ’t ware: dat is een prettige gedachte voor je als oom en voogd. En Huug is toch zoo kwaad niet. Hem kennen we ten minste en van anderen weten wij niets. Ook zou Huug wel eens een minder prettig persoontje in de familie kunnen brengen.—Albert!”“Nu?”“Wat vindt je er van?”“Ik weet het nog niet,” antwoordde hij kregel; maar zij hoorde zeer goed dat zij reeds veel gewonnen had.Pauze.“Albert!”Albert echter sliep reeds of hield zichzoo. Hij was nijdig over de combinatie, maar vond—slaperig als hij was—geen argumenten genoeg om een woordenstrijd te beginnen, waarin hij toch reeds vermoedde het onderspit te zullen delven. Honderdmaal sterker gevoelde hij zich tegenover zijne wel gewapende tegenpartijen in het gerechtshof; dáár won hij meestal het pleit.Toen Hugo Freeze dienzelfden avond uit de restauratie thuiskwam, waar hij had gedineerd, strekte hij zich als gewoonlijk op zijne sofa uit en greep een boek uit de pas gekomen portefeuille om zich den tijd te korten. Maar na eenigen tijd bleef zijn oog op enkele regels staren, die hij telkens en telkens herlas tot hij eindelijk opsprong, het boek van zich werpend. Het waren slechts weinige woorden uit een roman van Massi Bruhn, welke die uitwerking hadden:Per Gynt trok de groote, bonte menschenwereld in, omdat hij geen vrijheid vond hetkind Solvegj aan zijn bedorven, verwoest leven te verbinden.En terwijl hij met groote stappen en gebogen hoofd de kamer op en neer liep, dacht hij aan een anderen Per Gynt en een ander kind Solvegj, maar deze laatste Per Gynt had zelfzuchtig en zonder zweem van wroeging het kind Solvegj “aan zijn bedorven, verwoest leven” willen verbinden.Op eens viel zijn oog op een aan hem geadresseerd briefje, dat tijdens zijne afwezigheid op zijne tafel was neergelegd.Hij opende het, als verlangend naar afleiding voor zijne pijnigende gedachten. Een hem welbekend parfum steeg naar hem op. Een kwartier lang liep hij met het papier in zijne hand, blijkbaar in heftigen tweestrijd. Toen,—als verdroot hem dat dobberen en weifelen—wierp hij haastig hoed en jas weer aan en verdween in de duisternis der straten.
“Wat zien mijne oogen!” riep mevrouw Gerlings den volgenden dag uit, toen zij met Renée voor het raam zat te werken en een blik in het spionnetje wierp. “Daar heb je Huug zoo waarlijk!” en ontevreden merkte zij in stilte op dat hij niemand bij zich had.
Het gezichtje van Renée bleef volkomen kalm, ook toen hij binnentrad.
“Wel, waarde broeder,” riep mevrouw Gerlings hem toe, “waaraan hebben wij de eer van je ongewone verschijning te danken?”
“Aan twee redenen,” antwoordde hij,terwijl hij zich naast zijne zuster in een hoek der canapé liet neerzinken juist tegenover Renée; “1º. kom ik vragen hoe de dames geslapen hebben; 2º. heb ik, naar het schijnt, hier mijne handschoenen laten liggen.”
“Renée,” zeide zijne zuster lachend, (zij was in een bijzonder vroolijke luim, wijl haar soiréetje zoo goed geslaagd was) “ik zweer je plechtig dat de handschoenen de eenige aanleiding zijn. Onze nachtrust bekommert hem geen zier!—Zeg, Huug, een aardig avondje, hé? Uitstekend geslaagd. Wat hebben we ons laatst bij de Van Bevelant’s verveeld!”
“Ja, nogal,” antwoordde hij verstrooid, naar Renée ziende, die aandachtig de steken van haar stramienwerk zat uit te tellen; want mevrouw Gerlings had voor eenigen tijd prijzen beloofd voor een liefdadigheidsloterij en was met veel ijver aan een canapékussen begonnen, dat echter onvoltooid was gebleven, tot Renée er zich nu vriendelijk over ontfermd had.
“Jij hebt je ook goedgehouden. Je waart heel aardig, heel aardig,” ging zij voort, hem aanziende en juist den peinzenden blik opvangend, dien hij op Renée’s gebogen hoofdje vestigde. “Maar Albert had het land. Heb je gezien hoe Kleevers hem bij een knoop van zijne jas vasthield, om over die vervelende letterkundige beweging te spreken? Mevrouw Kleevers stootte mij aan en wees het mij lachend; maar zij moest toch eens bedenken dat het voor de slachtoffers van haar man allesbehalve aangenaam is. Je moet weten, Renée, haar man schrijft zelf, zie je, en....”
Zij praatte maar voort, schijnbaar volkomen natuurlijk; maar intusschen ontging het haar niet hoe Hugo zonder ophouden Renée gadesloeg met een bij hem ongewone belangstelling. Renée echter, die al hare aandacht verdeelde tusschen haar werk en het gesprek, bemerkte er niets van. Alleen gevoelde zij, toen zijne groote, maar zachte hand bij het afscheid de hare drukte, een hartelijkheid in dien druk, welke haargoeddeed; maar naar hem opziende, las zij in zijn blik meer ernst dan vroolijke vriendelijkheid, en hij zeide zóó eerbiedig: “Dag juffrouw Gerlings!” dat zij er zich zonderling door getroffen gevoelde en zich verwonderd afvroeg, waarom hij haar toch niet bij den naam noemde.
“En de handschoenen?” riep mevrouw Gerlings, toen hij reeds bij de deur was.
“O ja, dat is waar.”
De meiden werden ondervraagd; men zocht ijverig onder de kasten en commodes, tot zelfs de vazen op den schoorsteen werden omgekeerd, maar geen spoor van de verloren handschoenen was te ontdekken.
“Nu, zij zullen wel terechtkomen,” zeide hij eindelijk vrij onverschillig. “Adieu!”—en mevrouw Gerlings wist genoeg.
“Vindt je hem geen knap man, zooals hij daar heengaat, Renée?” vroeg zij, schijnbaar alleen uit zustertrots, terwijl zij hem in het spion aanwees.
“Ja, heel knap,”antwoorddeRenée vriendelijk.—“Zie eens, tante, wat zegt u ervan? Vindt u niet dat ik flink gevorderd ben van middag?” en recht voldaan hield zij het werk omhoog en vroeg met hare lieve oogen een woordje van lof.
“Albert!”
Zij waren laat thuis gekomen van een avondje bij kennissen, zoodat mevrouw Gerlings nog niet veel tijd had kunnen vinden over hare ontdekking na te denken; maar nu—in bed—had zij de zaak nog eens rustig overwogen en kon niet laten haar man zijne meening te vragen.
“Albert!”
“Nu?” vroeg hij knorrig.
“Neen, als je al slaapt, zeg ik niets.”
“Ik slaap nog niet. Wat is er?”
Hij was eenmaal een flinke, vierkante, vroolijke jongen geweest, juist als zijn broeder, Renée’s vader, en evenals deze had hij liever de wereld moeten ingaan, om lucht te geven aan het stormachtige en avontuurlijke in zijn karakter. Maarzijne levensomstandigheden hadden hem tot een eerzaam advocaat gemaakt, gekluisterd aan een vrouw, die hij met al den hartstocht van een reedseenigszinsgevorderde jeugd had bemind, maar welke hem niet begreep en ook nimmer begrijpen zou.
Gelijk zij hem, den ernstigen man van studie, twintig jaren geleden had gevangen in een net van uiterlijke lieftalligheid en bekoorlijkheid, zoo had zij hem gedurende haar huwelijk gevangen weten te houden, fluweelig, zacht, vriendelijk, glimlachend. Hij haatte die gevulde salons, waarheen zij hem medesleepte;—die concertzalen, waar zij coquetteerde,—die balzalen, waar zij nog als jong meisje mededeed;—hij haatte ze, niet omdat hij haar nog liefhad, gelijk hij tot zichzelf met veel overtuiging zeide, maar omdat hij van eenvoud hield, van degelijkheid en waarheid. En toch gloorde daar nog een vonkje der oude liefde in zijn hart, dat—zij wist het wel—tot een hoog vuur had kunnen opvlammen, had zij zulks gewild en zichom zijnentwil veranderd. Maar zij was er volkomen onverschillig voor, en daar hij dit maar al te zeer begreep, was zijn humeur onaangenaam en prikkelbaar geworden. Soms nog brak hij wel met zijne breede schouders door de mazen van het net heen en bulderde het uit dat het hem verveelde en dat hij er den brui van gaf; maar dan glimlachte zij en herstelde met zijden draden, zacht maar ijzersterk, de verscheurde mazen, en hij schikte zich weer; reeds lang schikte hij zich en verschanste zich in zijne studeerkamer, en las of werkte. Zoo was hij langzamerhand een zeer knap en zeer belezen man geworden, maar ook een zeer knorrig huisgenoot.
“Hebt je niets gemerkt?”
“Wat dan?”
“Neen, mannen merken nooit iets. Maar weet je wat ik gemerkt heb?—Dat Huug wel eens op den inval kon komen met Renée te trouwen.”
“Zoo-oo?” vroeg hij, blijkbaar verwonderd, zweeg toen een poos en snoof daarop. Hij snoof altijd als hij boos was.
“Wat vindt je er van?”
Zijn antwoord klonkbrusque. “Dat zij veel te goed voor hem is.”
“Dat was mijne eerste gedachte ook,” jokte zij slim. “Maar bij nader inzien zou ik het toch een uitstekend huwelijk voor beiden vinden. Hij komt er door tot rust en zij doet toch ook een goede partij met hem. Zij blijft dan in de familie, altijd onder jouw toezicht als ’t ware: dat is een prettige gedachte voor je als oom en voogd. En Huug is toch zoo kwaad niet. Hem kennen we ten minste en van anderen weten wij niets. Ook zou Huug wel eens een minder prettig persoontje in de familie kunnen brengen.—Albert!”
“Nu?”
“Wat vindt je er van?”
“Ik weet het nog niet,” antwoordde hij kregel; maar zij hoorde zeer goed dat zij reeds veel gewonnen had.
Pauze.
“Albert!”
Albert echter sliep reeds of hield zichzoo. Hij was nijdig over de combinatie, maar vond—slaperig als hij was—geen argumenten genoeg om een woordenstrijd te beginnen, waarin hij toch reeds vermoedde het onderspit te zullen delven. Honderdmaal sterker gevoelde hij zich tegenover zijne wel gewapende tegenpartijen in het gerechtshof; dáár won hij meestal het pleit.
Toen Hugo Freeze dienzelfden avond uit de restauratie thuiskwam, waar hij had gedineerd, strekte hij zich als gewoonlijk op zijne sofa uit en greep een boek uit de pas gekomen portefeuille om zich den tijd te korten. Maar na eenigen tijd bleef zijn oog op enkele regels staren, die hij telkens en telkens herlas tot hij eindelijk opsprong, het boek van zich werpend. Het waren slechts weinige woorden uit een roman van Massi Bruhn, welke die uitwerking hadden:Per Gynt trok de groote, bonte menschenwereld in, omdat hij geen vrijheid vond hetkind Solvegj aan zijn bedorven, verwoest leven te verbinden.
En terwijl hij met groote stappen en gebogen hoofd de kamer op en neer liep, dacht hij aan een anderen Per Gynt en een ander kind Solvegj, maar deze laatste Per Gynt had zelfzuchtig en zonder zweem van wroeging het kind Solvegj “aan zijn bedorven, verwoest leven” willen verbinden.
Op eens viel zijn oog op een aan hem geadresseerd briefje, dat tijdens zijne afwezigheid op zijne tafel was neergelegd.
Hij opende het, als verlangend naar afleiding voor zijne pijnigende gedachten. Een hem welbekend parfum steeg naar hem op. Een kwartier lang liep hij met het papier in zijne hand, blijkbaar in heftigen tweestrijd. Toen,—als verdroot hem dat dobberen en weifelen—wierp hij haastig hoed en jas weer aan en verdween in de duisternis der straten.
V.Het was midden December, maar het scheen nog najaar, een sombere najaarsavond met geheimzinnig knappende vensters en onrustige jaloezieën; een donkere lucht, die volstrekt geen licht meer wierp door de zware draperieën voor de vensters, en in de straat een wilde jacht van pas afgewaaide bladeren—eerst in de lucht, dan op den grond;—een dolle dans, als wilden zij nog eens voor het laatst het leven genieten, eer zij voor altijd zouden vastkleven in het slijk en vergaan.In de achterkamer der suite van mevrouw Gerlings was het bijna geheel donker. Op de sofa lag mijnheer, een roerlooze gedaante, in zaligen namiddagsluimer verzonken, terwijl boven zijne vrouw hetzelfde genot smaakte.In de voorkamer brandde het blokkenvuur levendiger en wierp grillige schijnsels op meubels en wanden; ook op Renée, die droomerig in het vuur zat te staren, harevoeten koesterend weggedoken in de schapenvacht voor den haard, haar hoofd geleund tegen het fluweel van den fauteuil, haar oog in den spiegel tegenover haar den vlammenweerschijn bewonderd op het geschilderd plafond.En zij luisterde naar het lied van den wind, die steeds woester opstak. Van waar kwam hij, als hij zoo langs de vensters gierde, om in het volgend oogenblik weer uren verder te zijn? Had hij misschien juist met zijn onmeedoogend spel schepelingen tot wanhoop gebracht, en waren het wellicht hunne angstkreten, die hij medevoerde in zijne dolle vaart? Of was hij pas over den stillen grafheuvel gestreken, waaraan zij zoo dikwerf dacht, en ruischte wellicht het geritsel van het laatste beukenloover in zijn zang? Hoor, hoe weemoedig, hoe klagend! Wat zeide hij toch? Nu eens als in toorn, dan in stil, wanhopig geklaag ging hij voorbij, of floot in den schoorsteen, als riep hij haar, eenzame....Wat zeide hij, haar oude, lieve vriend?—Ach, de tijd was voorbij dat zij zich door hem liet voortduwen in het veld of hem lachend trotseerde; dat hij haar plagend den hoed van het hoofd wierp of droppelen van de natte takken op haar neerschudde; dat hij hare krachten staalde en hare wangen rood kleurde. Neen, zij was nu een stadsnufje geworden: hij kende haar gewis niet meer....Zou zij hier altijd zoo blijven leven?’s Morgens opstaan en ontbijten, dan wat piano spelen of handwerken doen, koffiedrinken, visites maken of ontvangen, eten, schemeren en des avonds meest menschen zien of met oom en tante omberen.Van tante hield zij niet, neen, bepaald niet. Zij wist wel dat het verkeerd van haar was zulk een besliste antipathie te gevoelen: papa had haar daarover dikwerf onderhouden en zij deed ook wel haar best in tante het goede te zien. Maar het ging niet, het wou niet gaan.... Zij kon haar jeugdig bruisend bloed zoo gemakkelijk geen wetten voorschrijven, en die afkeer werkte neerdrukkend op hare stemming.En oom was zoo anders dan zij zich hem gedroomd had; goed, heel goed, maar in huis niet prettig. Zij begreep hem niet. Toch kon zij wel van hem houden, al was die genegenheid te lauw om haar geluk te verhoogen....Wat was het stil in de kamer! Slechts nu en dan eenige haastige voetstappen in de straat, het samenspreken van enkele voorbijgangers of een snel voortrollend rijtuig—dat was alles, wat men van buiten hoorde. En binnen slechts de tik der pendule, het knappen van het vuur en de eenigszins zware ademhaling van den slapende.Nu gingen er officieren voorbij; zij hoorde hunne beschaafde, vroolijke stemmen, die langzaam wegstierven, en het gerinkel hunner sabels, dat haar aan Hugo Freeze herinnerde.Hij trok haar aan. En eerst had zij gemeend ook inzijnsmaak te vallen: hoe had zijne vriendelijkheid haar goedgedaan! Maar sedert dat bezoek ter wille der handschoenen,die nooit gevonden waren, was hij niet teruggekomen, en zelfs van zijn gewoon veertiendaagsch avondje had hij zich reeds tweemaal afgemaakt.Eerst gisteren op een wandeling hadden tante en zij hem toevallig weder ontmoet, en hij had zich bij hen gevoegd en hen vergezeld. Zij had bewondering gelezen in zijn blik, toen hij haar begroette, en hij had haar met zonderlingen ernst een sneeuwklokje genoemd. Niet heel toepasselijk, vond zij, want het pakje was van donkergroen laken met grijs bont afgezet, en haar groote Rembrandthoed van vilt met witte veer; maar zij wist niet dat hare geheele verschijning opnieuw met overweldigende bekoring een indruk van onschuld en reinheid op hem gemaakt had.Wat hadden zij veel gepraat, veel, waaraan zij sedert met genoegen terugdacht! En een arm klein meisje, dat “een centje” vroeg had hij een kwartje in de verkleumde vingertjes geduwd met een hartelijke vermaning nu naar huis te gaan.“Zoo lief!” vond zij, glimlachend bij de herdenking.Ja, dat was een prettige wandeling geweest. Voor hem gevoelde zij sympathie;—maar hoewel hij heel vriendelijk voor haar was, hem aantrekken deed zij toch niet, vreesde zij. Dan zou hij immers meer komen!....En zij zuchtte; en terwijl zij naar den langzaam verminderden gloed achter het koperen vuurschermpje staarde, gevoelde zij zich eenzamer dan ooit. Haar hart dorstte naar liefde, naar warmte, en het versmachtte; het wensen te zijne schatten in ruil te geven en niemand vroeg er naar.... Maar dit alles begreep zij niet. Zij beknorde zichzelf, omdat zij niet tevreden was, en zou niemand hebben durven vertellen dat zij soms heimelijk schreide, zonder eigenlijk te weten waarom.Zij keek eens naar de achterkamer, verlangend naar afleiding. Neen, het reeds grijzende hoofd van oom, het eenige, wat zij in de duisternis van hem kon onderscheiden, lag nog even roerloos.Daar werd zacht aan de huisdeur gescheld, en even behoedzaam werd na eenigen tijd de deur der voorkamer geopend. Tot hare verwondering herkende Renée, toen zij omzag, het fijnbesneden gelaat van Hugo Freeze.“Juist zoo dacht ik u te vinden,” zeide hij met gedempte stem, terwijl hij haar de hand reikte. “U zei mij gisteren het schemeruurtje zoo eenzaam te vinden. Mag ik u wat gezelschap houden?”Vijf weken lang had hij de machtige ontroering, door zijne ontmoeting met Renée gewekt, dwaasheid genoemd, en zijn best gedaan zich “dien onzin uit het hoofd te zetten.” Haar fortuin was immers niet groot genoeg om zijn huwelijk “brillant” te maken, en dan: zij was “zoo’n kind!” Hij was geheel de oude Hugo Freeze weer geworden en, toch—toch was haar beeld hem soms verschenen, juist waar hij haar het liefst vergeten had; toch was hare stem in zijn oor blijven hangen als zachte, gewijde muziek, die tot het goede wekt.De onverwachte ontmoeting van gisteren, toen hij haar zag naderen over de sneeuw in hare onbewuste bekoorlijkheid, had voor het oogenblik uit zijn hart alle andere indrukken weggevaagd. Sedert die wandeling beheerschte hem een vurig verlangen haar opnieuw te zien en te spreken, en hij wist niet beter te doen dan maar dadelijk zichzelf zijn zin te geven, als een bedorven kind, dat weer een nieuw stuk speelgoed opgemerkt heeft, en er telkens weer naar gaat zien, hopende het te krijgen.“Het is heel vriendelijk van u,” zeide zij, en hij zag met voldoening een blijden glans in hare “kinderoogen.”“Neen, neen, er is ook egoïsme bij,” wierp hij tegen, een fauteuil aanrollend. “Eigenlijk vrees ik dat het geheel en al egoïsme is.—O, wat zitten wij gezellig nu!”Zij lachte om zijn welbehagen.“Ja, dat lijkt u nu misschien overdreven,” ging hij voort op zijne eigenaardige, vertrouwelijke manier, “wantdames hebben hetaltijd gezellig. Zij scheppen dadelijk op eene of andere manier gezelligheid om zich heen, maar een man verstaat die kunst niet. Ik ten minste niet. Op mijne kamer is het nooit gezellig.”“Misschien omdat u er alleen ben....”“Misschien wel, ik weet het niet,” antwoordde hij langzaam en keerde zijn gelaat naar het vuur, gevoelende dat zij hem uit haar donker hoekje met sympathie gadesloeg. “Ik denk dikwijls,” ging hij zacht voort, “aan de woorden van ik weet niet welken schrijver: Laat het vriendelijk schijnsel van uw gezellig tehuis lichten voor den eenzamen wandelaar daarbuiten.—Die woorden zou ik wel alle getrouwde dames willen toeroepen ten aanzien van jongelui, die geen gezellig te huis hebben.”Er was een weemoedige klank in zijne stem, die haar medelijden wekte, en zij kon niet dadelijk antwoorden, denkende hoe gaarne zij zelf in de gelegenheid zou zijn hem zulk een gezelligpied-à-terreaan te bieden.“Knap-knap!” zeiden de spattende vonkjes in den haard en vlogen den schoorsteen in, waarin de wind zoo weemoedig zong en suisde, dat beiden onwillekeurig er een oogenblik naar luisterden.“Tante klaagt toch dat u zoo zelden komt,” zeide Renée eindelijk, als slotsom van haren gedachtengang.Hij glimlachte—niet zonder verlegenheid.“Ja, zij heeft gelijk: ik kom niet dikwijls.”Hij kon hier niet zeggen dat hij in het geheel niet van zijn schoonbroeder en weinig van zijne zuster hield; maar Renée’s vlug verstand deed haar het laatste raden.“Hij is ook van ander hout gesneden,” dacht zij met zekere vreugde, en gevoelde zich te meer tot hem aangetrokken.“Maar ik zal voortaan dikwijls komen,” ging hij voort. “Hoe kan ik straks naar huis wandelen en op mijne eenzame kamer terugkeeren zonder heimwee te gevoelen naar dit gezellig plekje aan den haard?”Hij zeide niet dat hij iederen avond uit was. Hij vond het aangenaam in hareoogen medelijden te lezen, ja, verbeeldde zich op dat oogenblik zelf beklagenswaardig te zijn en daarin duizend verontschuldigingen voor zichzelf te mogen vinden. Dien morgen had hij met zekeren theatralen ernst tot zichzelf gezegd dat hij een ander mensch worden moest, en onder den invloed van zijn verlangen naar haar had hij dien ganschen dag een zekere sentimentaliteit in zien gekweekt, die hem in eene weeke stemming bracht.“Hebt u wel eens heimwee gevoeld?” vroeg hij met een hem anders geheel vreemden ernst.“Ik geloof het wel,”antwoorddezij en hare oogen kregen een vochtigen glans, maar dat zag niemand.“Het is nog niets,” vond hij, “als men maar ergens heen kan gaan om het te verzetten, zooals ik nu, bij voorbeeld.... Wanneer voelt u heimwee?”“Och soms!” antwoordde zij zacht.“Hier natuurlijk!” hernam hij, voor haar gevoelende.“Het was dáár zeker een heel ander leventje,” ging hij vriendelijk voort, denkende dat het haar goed zou doen eens over het verleden te spreken. “Ik kan mij het echte buitenleven zoo moeilijk voorstellen. U weet: ik ben tusschen huizen en menschen geboren en groot geworden. Vertel mij eens: hoe leeft men daar bij u?”En zij verhaalde met hare lieve, melodieuze stem, terwijl de wind met verdubbelde kracht tegen de vensters blies, als wilde hij haar overstemmen. Zij verhaalde—eerst beschroomd, daarna vrijer, eindelijk met geestdrift—van hare bosschen en weiden, van zonsondergang en sterrenhemel, van verre tochten en lievelingsplekjes.... tot hij wenschte te zijn groot geworden als zij. Misschien, zoo dacht hij, met het onbestemde verlangen naar volmaking, zwakkelingen eigen, zou daar een ander, een beter man uit hem geworden zijn. En hij wenschte altijd in hare nabijheid te kunnen zijn, altijd dien reinigenden invloed te mogen ondervinden....Zij zweeg reeds eenigen tijd, toen hij daaraan nog altijd dacht.“Vindt u niet dat dit weer iemand in een geheel bijzondere stemming brengt?” vroeg zij, meenende dat hij naar den wind luisterde. “Wat bent u in gepeins!”“Ja,” antwoordde hij, terwijl juist de voetstap zijner zuster op de trap gehoord werd, “onwillekeurig geraakt men onder den invloed. Weet u waaraan ik dacht,” vervolgde hij met een zonderlingen klank van aandoening in zijne stem, die zijne woorden tot gefluister deed dalen, “terwijl ik zoo stil naar u luisterde, dacht ik aan de woorden van La Bruyère:l’harmonie la plus douce est le son de voix de celle que l’on aime.”Toen stond hij haastig op om zijne zuster te gemoet te gaan, die juist de deur opende. En Renée keerde haar gezichtje van het vuur af om den blos te verbergen, dien zijn woorden hadden te voorschijn geroepen.
Het was midden December, maar het scheen nog najaar, een sombere najaarsavond met geheimzinnig knappende vensters en onrustige jaloezieën; een donkere lucht, die volstrekt geen licht meer wierp door de zware draperieën voor de vensters, en in de straat een wilde jacht van pas afgewaaide bladeren—eerst in de lucht, dan op den grond;—een dolle dans, als wilden zij nog eens voor het laatst het leven genieten, eer zij voor altijd zouden vastkleven in het slijk en vergaan.
In de achterkamer der suite van mevrouw Gerlings was het bijna geheel donker. Op de sofa lag mijnheer, een roerlooze gedaante, in zaligen namiddagsluimer verzonken, terwijl boven zijne vrouw hetzelfde genot smaakte.
In de voorkamer brandde het blokkenvuur levendiger en wierp grillige schijnsels op meubels en wanden; ook op Renée, die droomerig in het vuur zat te staren, harevoeten koesterend weggedoken in de schapenvacht voor den haard, haar hoofd geleund tegen het fluweel van den fauteuil, haar oog in den spiegel tegenover haar den vlammenweerschijn bewonderd op het geschilderd plafond.
En zij luisterde naar het lied van den wind, die steeds woester opstak. Van waar kwam hij, als hij zoo langs de vensters gierde, om in het volgend oogenblik weer uren verder te zijn? Had hij misschien juist met zijn onmeedoogend spel schepelingen tot wanhoop gebracht, en waren het wellicht hunne angstkreten, die hij medevoerde in zijne dolle vaart? Of was hij pas over den stillen grafheuvel gestreken, waaraan zij zoo dikwerf dacht, en ruischte wellicht het geritsel van het laatste beukenloover in zijn zang? Hoor, hoe weemoedig, hoe klagend! Wat zeide hij toch? Nu eens als in toorn, dan in stil, wanhopig geklaag ging hij voorbij, of floot in den schoorsteen, als riep hij haar, eenzame....
Wat zeide hij, haar oude, lieve vriend?—Ach, de tijd was voorbij dat zij zich door hem liet voortduwen in het veld of hem lachend trotseerde; dat hij haar plagend den hoed van het hoofd wierp of droppelen van de natte takken op haar neerschudde; dat hij hare krachten staalde en hare wangen rood kleurde. Neen, zij was nu een stadsnufje geworden: hij kende haar gewis niet meer....
Zou zij hier altijd zoo blijven leven?
’s Morgens opstaan en ontbijten, dan wat piano spelen of handwerken doen, koffiedrinken, visites maken of ontvangen, eten, schemeren en des avonds meest menschen zien of met oom en tante omberen.
Van tante hield zij niet, neen, bepaald niet. Zij wist wel dat het verkeerd van haar was zulk een besliste antipathie te gevoelen: papa had haar daarover dikwerf onderhouden en zij deed ook wel haar best in tante het goede te zien. Maar het ging niet, het wou niet gaan.... Zij kon haar jeugdig bruisend bloed zoo gemakkelijk geen wetten voorschrijven, en die afkeer werkte neerdrukkend op hare stemming.
En oom was zoo anders dan zij zich hem gedroomd had; goed, heel goed, maar in huis niet prettig. Zij begreep hem niet. Toch kon zij wel van hem houden, al was die genegenheid te lauw om haar geluk te verhoogen....
Wat was het stil in de kamer! Slechts nu en dan eenige haastige voetstappen in de straat, het samenspreken van enkele voorbijgangers of een snel voortrollend rijtuig—dat was alles, wat men van buiten hoorde. En binnen slechts de tik der pendule, het knappen van het vuur en de eenigszins zware ademhaling van den slapende.
Nu gingen er officieren voorbij; zij hoorde hunne beschaafde, vroolijke stemmen, die langzaam wegstierven, en het gerinkel hunner sabels, dat haar aan Hugo Freeze herinnerde.
Hij trok haar aan. En eerst had zij gemeend ook inzijnsmaak te vallen: hoe had zijne vriendelijkheid haar goedgedaan! Maar sedert dat bezoek ter wille der handschoenen,die nooit gevonden waren, was hij niet teruggekomen, en zelfs van zijn gewoon veertiendaagsch avondje had hij zich reeds tweemaal afgemaakt.
Eerst gisteren op een wandeling hadden tante en zij hem toevallig weder ontmoet, en hij had zich bij hen gevoegd en hen vergezeld. Zij had bewondering gelezen in zijn blik, toen hij haar begroette, en hij had haar met zonderlingen ernst een sneeuwklokje genoemd. Niet heel toepasselijk, vond zij, want het pakje was van donkergroen laken met grijs bont afgezet, en haar groote Rembrandthoed van vilt met witte veer; maar zij wist niet dat hare geheele verschijning opnieuw met overweldigende bekoring een indruk van onschuld en reinheid op hem gemaakt had.
Wat hadden zij veel gepraat, veel, waaraan zij sedert met genoegen terugdacht! En een arm klein meisje, dat “een centje” vroeg had hij een kwartje in de verkleumde vingertjes geduwd met een hartelijke vermaning nu naar huis te gaan.
“Zoo lief!” vond zij, glimlachend bij de herdenking.
Ja, dat was een prettige wandeling geweest. Voor hem gevoelde zij sympathie;—maar hoewel hij heel vriendelijk voor haar was, hem aantrekken deed zij toch niet, vreesde zij. Dan zou hij immers meer komen!....
En zij zuchtte; en terwijl zij naar den langzaam verminderden gloed achter het koperen vuurschermpje staarde, gevoelde zij zich eenzamer dan ooit. Haar hart dorstte naar liefde, naar warmte, en het versmachtte; het wensen te zijne schatten in ruil te geven en niemand vroeg er naar.... Maar dit alles begreep zij niet. Zij beknorde zichzelf, omdat zij niet tevreden was, en zou niemand hebben durven vertellen dat zij soms heimelijk schreide, zonder eigenlijk te weten waarom.
Zij keek eens naar de achterkamer, verlangend naar afleiding. Neen, het reeds grijzende hoofd van oom, het eenige, wat zij in de duisternis van hem kon onderscheiden, lag nog even roerloos.
Daar werd zacht aan de huisdeur gescheld, en even behoedzaam werd na eenigen tijd de deur der voorkamer geopend. Tot hare verwondering herkende Renée, toen zij omzag, het fijnbesneden gelaat van Hugo Freeze.
“Juist zoo dacht ik u te vinden,” zeide hij met gedempte stem, terwijl hij haar de hand reikte. “U zei mij gisteren het schemeruurtje zoo eenzaam te vinden. Mag ik u wat gezelschap houden?”
Vijf weken lang had hij de machtige ontroering, door zijne ontmoeting met Renée gewekt, dwaasheid genoemd, en zijn best gedaan zich “dien onzin uit het hoofd te zetten.” Haar fortuin was immers niet groot genoeg om zijn huwelijk “brillant” te maken, en dan: zij was “zoo’n kind!” Hij was geheel de oude Hugo Freeze weer geworden en, toch—toch was haar beeld hem soms verschenen, juist waar hij haar het liefst vergeten had; toch was hare stem in zijn oor blijven hangen als zachte, gewijde muziek, die tot het goede wekt.
De onverwachte ontmoeting van gisteren, toen hij haar zag naderen over de sneeuw in hare onbewuste bekoorlijkheid, had voor het oogenblik uit zijn hart alle andere indrukken weggevaagd. Sedert die wandeling beheerschte hem een vurig verlangen haar opnieuw te zien en te spreken, en hij wist niet beter te doen dan maar dadelijk zichzelf zijn zin te geven, als een bedorven kind, dat weer een nieuw stuk speelgoed opgemerkt heeft, en er telkens weer naar gaat zien, hopende het te krijgen.
“Het is heel vriendelijk van u,” zeide zij, en hij zag met voldoening een blijden glans in hare “kinderoogen.”
“Neen, neen, er is ook egoïsme bij,” wierp hij tegen, een fauteuil aanrollend. “Eigenlijk vrees ik dat het geheel en al egoïsme is.—O, wat zitten wij gezellig nu!”
Zij lachte om zijn welbehagen.
“Ja, dat lijkt u nu misschien overdreven,” ging hij voort op zijne eigenaardige, vertrouwelijke manier, “wantdames hebben hetaltijd gezellig. Zij scheppen dadelijk op eene of andere manier gezelligheid om zich heen, maar een man verstaat die kunst niet. Ik ten minste niet. Op mijne kamer is het nooit gezellig.”
“Misschien omdat u er alleen ben....”
“Misschien wel, ik weet het niet,” antwoordde hij langzaam en keerde zijn gelaat naar het vuur, gevoelende dat zij hem uit haar donker hoekje met sympathie gadesloeg. “Ik denk dikwijls,” ging hij zacht voort, “aan de woorden van ik weet niet welken schrijver: Laat het vriendelijk schijnsel van uw gezellig tehuis lichten voor den eenzamen wandelaar daarbuiten.—Die woorden zou ik wel alle getrouwde dames willen toeroepen ten aanzien van jongelui, die geen gezellig te huis hebben.”
Er was een weemoedige klank in zijne stem, die haar medelijden wekte, en zij kon niet dadelijk antwoorden, denkende hoe gaarne zij zelf in de gelegenheid zou zijn hem zulk een gezelligpied-à-terreaan te bieden.
“Knap-knap!” zeiden de spattende vonkjes in den haard en vlogen den schoorsteen in, waarin de wind zoo weemoedig zong en suisde, dat beiden onwillekeurig er een oogenblik naar luisterden.
“Tante klaagt toch dat u zoo zelden komt,” zeide Renée eindelijk, als slotsom van haren gedachtengang.
Hij glimlachte—niet zonder verlegenheid.
“Ja, zij heeft gelijk: ik kom niet dikwijls.”
Hij kon hier niet zeggen dat hij in het geheel niet van zijn schoonbroeder en weinig van zijne zuster hield; maar Renée’s vlug verstand deed haar het laatste raden.
“Hij is ook van ander hout gesneden,” dacht zij met zekere vreugde, en gevoelde zich te meer tot hem aangetrokken.
“Maar ik zal voortaan dikwijls komen,” ging hij voort. “Hoe kan ik straks naar huis wandelen en op mijne eenzame kamer terugkeeren zonder heimwee te gevoelen naar dit gezellig plekje aan den haard?”
Hij zeide niet dat hij iederen avond uit was. Hij vond het aangenaam in hareoogen medelijden te lezen, ja, verbeeldde zich op dat oogenblik zelf beklagenswaardig te zijn en daarin duizend verontschuldigingen voor zichzelf te mogen vinden. Dien morgen had hij met zekeren theatralen ernst tot zichzelf gezegd dat hij een ander mensch worden moest, en onder den invloed van zijn verlangen naar haar had hij dien ganschen dag een zekere sentimentaliteit in zien gekweekt, die hem in eene weeke stemming bracht.
“Hebt u wel eens heimwee gevoeld?” vroeg hij met een hem anders geheel vreemden ernst.
“Ik geloof het wel,”antwoorddezij en hare oogen kregen een vochtigen glans, maar dat zag niemand.
“Het is nog niets,” vond hij, “als men maar ergens heen kan gaan om het te verzetten, zooals ik nu, bij voorbeeld.... Wanneer voelt u heimwee?”
“Och soms!” antwoordde zij zacht.
“Hier natuurlijk!” hernam hij, voor haar gevoelende.
“Het was dáár zeker een heel ander leventje,” ging hij vriendelijk voort, denkende dat het haar goed zou doen eens over het verleden te spreken. “Ik kan mij het echte buitenleven zoo moeilijk voorstellen. U weet: ik ben tusschen huizen en menschen geboren en groot geworden. Vertel mij eens: hoe leeft men daar bij u?”
En zij verhaalde met hare lieve, melodieuze stem, terwijl de wind met verdubbelde kracht tegen de vensters blies, als wilde hij haar overstemmen. Zij verhaalde—eerst beschroomd, daarna vrijer, eindelijk met geestdrift—van hare bosschen en weiden, van zonsondergang en sterrenhemel, van verre tochten en lievelingsplekjes.... tot hij wenschte te zijn groot geworden als zij. Misschien, zoo dacht hij, met het onbestemde verlangen naar volmaking, zwakkelingen eigen, zou daar een ander, een beter man uit hem geworden zijn. En hij wenschte altijd in hare nabijheid te kunnen zijn, altijd dien reinigenden invloed te mogen ondervinden....
Zij zweeg reeds eenigen tijd, toen hij daaraan nog altijd dacht.
“Vindt u niet dat dit weer iemand in een geheel bijzondere stemming brengt?” vroeg zij, meenende dat hij naar den wind luisterde. “Wat bent u in gepeins!”
“Ja,” antwoordde hij, terwijl juist de voetstap zijner zuster op de trap gehoord werd, “onwillekeurig geraakt men onder den invloed. Weet u waaraan ik dacht,” vervolgde hij met een zonderlingen klank van aandoening in zijne stem, die zijne woorden tot gefluister deed dalen, “terwijl ik zoo stil naar u luisterde, dacht ik aan de woorden van La Bruyère:l’harmonie la plus douce est le son de voix de celle que l’on aime.”
Toen stond hij haastig op om zijne zuster te gemoet te gaan, die juist de deur opende. En Renée keerde haar gezichtje van het vuur af om den blos te verbergen, dien zijn woorden hadden te voorschijn geroepen.
VI.Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend toevoegde: “Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je bleef maar snorken.”“Wie—wij?” vroeg Albert stug, die door Hugo’s lange afwezigheid alle vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.“Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen dezelfde muziek hebben gemaakt!”“Het ware te wenschen,” zeide Albert vinnig, terwijl hij in den fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, “dat alle jongelui zulke lange nachten maakten als ik!”En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot zichzelf zeggend dat deze woordenad remwaren.De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die algemeen hoog gezien en geacht werd.“Ja, ja,” antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het gas aanstak, “dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal wist!....”Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en staarde met verbitterden blik in het vuur.“Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik.”“Zeker—in de militaire wereld gaat heel wat om.Qu’y faire!’t Is de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?”“Neen, dat ben ik volstrekt niet met jeeens.... Och, Renée, je staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij niet juist.”Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den kalender ging en de woorden van Lavater voorlas:“Vereer al wat eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert.”“Daar heb je ’t!” vervolgde Albert, “en de toepassing is niet ver te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen man van karakter onwaardig.”“Tut, tut!—Il faut que jeunesse se passe,” kwam zijne vrouw vergoelijkend tusschenbeide.“Ziedaar het devies van onze riddersà la mode!” riep hij uit met een minachtendhandgebaar. “Dat devies staat op het vaandel, waarmede zij de wereld inmarcheeren:il faut que jeunesse se passe. En daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven, want....il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?—O, schijnbaar heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen en—rust—ziedaar hunne levensidealen.”“Hm!” waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.“Il faut que jeunesse se passe!.... En als diejeunessevoorbij is, zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!—Dan hebben ze geleerd het huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening, hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen, en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd.”Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten; hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet wist hoe den bruisenden stroom van Albert’s woorden te stuiten, of hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.“Inmijnejeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is; in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren zeggendat hij wenschte bij de muziek van Weber’sLetzte Gedankete kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:In die Kneipen laufen,Und sein Geld versaufenIst ein höher, herrlicher Beruf.Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het verschil tusschen passie en liefde weten ze ook alniet meer!) en wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen.”Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom’s redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende oogen aan.“Als de meisjes nu ook eens zoo deden,” barstte Albert weer los. “Zoo heel geniepig, weet je, en dan trouwden—met allerlei herinneringen en oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan....”“En wie wil er nu een lekkeren kop thee?” viel zijne vrouw op eens in. “Ha, ha, ha!—Maar man, wat heb je toch voor invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig en warm,—Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!....Zie zoo.—Zeg, Huug, blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!”“En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert, in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.—Hier Renée, de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen nemen, hè?—Vindt je dat hij gelijkt, man?”Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier “toch wel prettig” vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen gestild was en haar heimwee een einde had.
Ook oom Albert ontwaakte, onbewust van het gesprek in zijne nabijheid gevoerd; maar geprikkeld tot kregeligheid, toen Hugo hem lachend toevoegde: “Wel, Albert, Albert, ik dacht niet dat je zulke slechte nachten maakte. Wij hebben hier zitten praten als redenaars en je bleef maar snorken.”
“Wie—wij?” vroeg Albert stug, die door Hugo’s lange afwezigheid alle vrees voor een mogelijke verbintenis reeds uit zijn hoofd gezet had.
“Juffrouw Gerlings en ik natuurlijk. Luus zal boven wel in mol-tonen dezelfde muziek hebben gemaakt!”
“Het ware te wenschen,” zeide Albert vinnig, terwijl hij in den fauteuil ging zitten, zoo even door Hugo verlaten, “dat alle jongelui zulke lange nachten maakten als ik!”
En toen snoof hij eens recht verontwaardigd, met voldoening tot zichzelf zeggend dat deze woordenad remwaren.
De beide schoonbroeders stonden altijd tegenover elkaar in bedekten strijd; maar Hugo sloeg er zich altijd met zekere gratie doorheen. Hij vond drift en boosheid en hatelijkheid lastige dingen, vermoeiende dingen, waarmede hij zich liever niet inliet, en niets scheen hem onaangenamer dan een feitelijke breuk met een bloedverwant, die algemeen hoog gezien en geacht werd.
“Ja, ja,” antwoordde hij luchtig, terwijl hij voor zijne zuster het gas aanstak, “dat is tegenwoordig treurig: als je dat eens allemaal wist!....”
Albert plaatste zijne beide handen binnenwaarts op zijne knieën en staarde met verbitterden blik in het vuur.
“Ja, jij zult wel beter op de hoogte zijn dan ik.”
“Zeker—in de militaire wereld gaat heel wat om.Qu’y faire!’t Is de geest van den tijd, en dien moet men eerbiedigen, niet waar?”
“Neen, dat ben ik volstrekt niet met jeeens.... Och, Renée, je staat er zoo dicht bij; lees eens voor wat er vandaag op den kalender staat. Het heeft mij van morgen getroffen, maar ik herinner het mij niet juist.”
Hugo volgde de slanke gedaante met warmen blik, toen zij naar den kalender ging en de woorden van Lavater voorlas:“Vereer al wat eerwaardig is, hoezeer de geest van den tijd het veracht. Veracht al wat verachtelijk is, hoezeer de geest van den tijd het vereert.”
“Daar heb je ’t!” vervolgde Albert, “en de toepassing is niet ver te zoeken. Er wordt tegenwoordig door vele jongelui eene levenswijze vereerd, die door en door verachtelijk is, een levenswijze, iederen man van karakter onwaardig.”
“Tut, tut!—Il faut que jeunesse se passe,” kwam zijne vrouw vergoelijkend tusschenbeide.
“Ziedaar het devies van onze riddersà la mode!” riep hij uit met een minachtendhandgebaar. “Dat devies staat op het vaandel, waarmede zij de wereld inmarcheeren:il faut que jeunesse se passe. En daarmede gooien zij alle zelfbeheersching, allen innerlijken strijd overboord. Welke verzoeking ook lokt, de jonge man mag toegeven, want....il faut que jeunesse se passe. Ha, ha, prachtig! En wat zijn de resultaten? Hoe treden zij in de maatschappij?—O, schijnbaar heel netjes en ordentelijk, en zij trouwen en nemen hunne betrekking waar. Maar karakter brengen zij niet mee. Waar zouden de ventjes dat ook in eens vandaan halen, na altijd aan al hunne zinnen en lusten te hebben toegegeven! Lekker eten, goede sigaren, mooie vrouwen en—rust—ziedaar hunne levensidealen.”
“Hm!” waarschuwde zijne vrouw met een blik op Renée, die ijverig bezig was thee te zetten; maar hij bemerkte het niet.
“Il faut que jeunesse se passe!.... En als diejeunessevoorbij is, zullen ze op eens veranderen, meen je? Poe!—Dan hebben ze geleerd het huwelijk als een eenvoudige handelszaak te beschouwen, een uitrekening, hoe men wel het luist en gemakkelijkst aan zijn eind kan komen, en die het niet naar zijn zin kan doen, blijft maar liever ongetrouwd.”
Hugo, die in muziek bladerde, begon zacht een deuntje te fluiten; hem hinderde dit gesprek in tegenwoordigheid van Renée. Hij kende die duistere zijde van het leven, maar háár wilde hij slechts de zonzijde doen kennen. Het was hem, terwijl hij daar stond en niet wist hoe den bruisenden stroom van Albert’s woorden te stuiten, of hij hare ooren moest dichtstoppen, opdat geene gedachte zelfs aan die sombere schaduwen hare reine ziel bezoedelen zou.
“Inmijnejeugd spotten we nog niet met alles, wat hoog en goed is; in geestdrift zagen we nog niets belachelijks en godsdienst vonden we nog wel waard om er over te disputeeren, ook toen we al dertig jaar waren. In dien tijd heb ik wel eens iemand in heiligen ernst hooren zeggendat hij wenschte bij de muziek van Weber’sLetzte Gedankete kunnen sterven; nu zingen de jongelui op die wijs:
In die Kneipen laufen,Und sein Geld versaufenIst ein höher, herrlicher Beruf.
In die Kneipen laufen,
Und sein Geld versaufen
Ist ein höher, herrlicher Beruf.
Ik ontken niet dat sommige auteurs wat te sentimenteel waren, maar men is nu tot een ander, veel treuriger, uiterste vervallen, en boek na boek legt men onvoldaan uit de hand. Het hooge in de menschelijke ziel blijft onbevredigd, en het geslacht dat nu opgroeit zal heimwee gaan gevoelen naar wat ouderwetsche warmte, wat ernst, wat geestdrift en gevoel.... Als ik kinderen had, zou ik ze ouderwetsche lectuur in handen geven, niet de lamlendige, ziellooze pennevruchten, waarmede wij nu worden bedeeld door droomende jongens en overprikkelde mannen. Wij noemden een huwelijk uit liefde nog geen dwaasheid uit passie, (het verschil tusschen passie en liefde weten ze ook alniet meer!) en wij vonden nog niet voornaam om voor alles onverschillig te schijnen.”
Hij poosde even om op adem te komen of was misschien in bittere gedachten verdiept, en dit oogenblik nam Hugo Freeze waar om een smeekenden blik op zijne zuster te werpen en haar met dienzelfden blik Renée aan te wijzen, die in een fauteuil was gaan zitten, zeer op haar gemak, blijkbaar om eens aandachtig te luisteren naar oom’s redeneeringen; ten minste, zij staarde hem met groote, peinzende oogen aan.
“Als de meisjes nu ook eens zoo deden,” barstte Albert weer los. “Zoo heel geniepig, weet je, en dan trouwden—met allerlei herinneringen en oude bekenden en geheimen! Welke ideaal-huwelijken zouden we dan....”
“En wie wil er nu een lekkeren kop thee?” viel zijne vrouw op eens in. “Ha, ha, ha!—Maar man, wat heb je toch voor invallen! Ha, ha! Komaan, houd nu op met brommen.... Kijk, geurig en warm,—Alsjeblieft!.... Alsjeblieft!....Zie zoo.—Zeg, Huug, blijf je vanavond: dan maken we een gezellig partijtje, hè!”
“En hier is de portefeuille van het leesgezelschap. Kijk eens, Albert, in dat tijdschrift staat het portret van je ouden vriend, hoe heet hij ook weer? Zijne levensgeschiedenis staat er ook bij.—Hier Renée, de modejournalen, zoek nu eens uit hoe wij je nieuwe japonnetje zullen nemen, hè?—Vindt je dat hij gelijkt, man?”
Dien avond dacht Renée, toen zij zich ter ruste legde, dat zij het hier “toch wel prettig” vond. Zij gevoelde zich minder eenzaam. Het was haar alsof zij een vriend gevonden had, of haar onbestemd verlangen gestild was en haar heimwee een einde had.
VII.Het was Nieuwjaarsmorgen.De winterzon keek door alle vensters, waar zij kon binnendringen en sprak vanblijdschap en hoop. In de straten klonk het vroolijk gedruisch van vele voetstappen, van hartelijke begroetingen en opgewekte menschenstemmen.Binnen was de eigenaardige rust van den Zondag: een opstaan zonder doel, een langzaam ontbijt en dan.... een wachten op koffietijd.Mijnheer Gerlings zat in zijne studeerkamer, want hij zou dien middag op reis gaan naar een goed vriend, wiens recht in een proces hij bepleiten zou, en snuffelde nu nog wat in zijne aanteekeningen. Mevrouw dribbelde heen en weer door het huis enRenéestond, na het ontbijt te hebben weggeruimd, bij de tafel en las beurtelings al de reeds bezorgde kaartjes.Zij droeg een bijzonder elegante peignoir van crêmekleurig laken met witte kant, een japon, die zij in allen ernst “veel te mooi!” had verklaard, toen tante die wel geschikt voor haar vond. Maar nadat het gebleken was dat de peignoir haar uitstekend kleedde, had tante haar die laten thuis bezorgen.“Och, een aardigheidje!” zei ze afwerend, toen Renée haar hartelijk dankzegde,”alleen—iederen dag dragen, hoor!”Mevrouw Gerlings toonde in alle opzichten de grootste belangstelling in Renée’s uiterlijk.“Ja, ja, ik pronk graag met mijn nichtje,” zeide zij wel eens bij wijze van verklaring, als zij weer eens een bevallig wandeltoiletje had uitgedacht of een élégante avondjapon; maar in werkelijkheid was daar een geheel andere reden voor die belangstelling. Het denkbeeld, Hugo en Renée een paartje te zien worden, lachte haar zóó toe, dat zij, wetende hoe gevoelig hij was voor de bekoring eener goedgekleede vrouw, alles deed om Renée’s aantrekkelijkheid te verhoogen.En zoo stond zij daar nu, slank en bevallig, half vrouw, half kind. Zij nam de kaartjes beurtelings op en las de namen; maar zij deed het werktuiglijk: hare eigenlijke bezigheid was denken.Zij dacht aan de verloopen veertien dagen, die als een heerlijke droom warenvoorbijgegaan met vele ontmoetingen, en vele gesprekjes, en vele handdrukken vol gloed, en vele blikken vol onuitgesproken wenschen.Zou hij haar liefhebben?—zóó lief, dat hij haar vragen zou?Zij was in een voortdurende spanning, maar het was een heerlijke spanning, vond zij. Er was immers geen twijfel meer, zijne liefde verried zich op duizenden wijzen, eenvoudig omdat hij die niet verbergen kon. De vraag was niet meer òf hij spreken zou, alleen wanneer?....Oom Albert had blijkbaar tegen hem.... Waarom toch?.... Neen, dat kon zij maar niet doorgronden.... Maar oom Albert was een brompot.... Men moest natuurlijk rekening met hem houden als voogd, maar tante had veel invloed op hem, en Huug had veel invloed op tante. Zoo zou alles wel in orde komen.... De persoonlijke meening van oom behoefte haar niet te verontrusten. Hij was blind. Kon zij hem de blinde oogen toch openen!.... Hoekonhij eigenlijkblind zijn!—Het was haar als moest Huugs’ volmaaktheid ieder in het oog vallen.... Voor háár ging er licht en warmte van hem uit als van een zon, en het verwonderde haar hoe iemand hare zon onopgemerkt kon voorbijgaan. Zij benijdde zijne hospita en zijn oppasser, die voor hem mochten zorgen, en zijne kameraden, die veel met hem omgingen. Zijne minderen moesten hem wel hoog vereeren, meende zij, en zijne meerderen hem hartelijk genegen zijn.... Voor haar ging er bekoring uit van alles wat hem toebehoorde of van verre maar met hem in betrekking stond.Wat ging die bel vandaag!.... Maar nu scheen het wel een bezoeker....Zij hief het hoofd op, luisterend.Ja, dat waszijnestem, die de meid vroeg of de familie in de suite was. Een blos van blijde verrassing steeg haar naar het gelaat, en met dubbele aandacht begon zij het kaartje te bekijken, dat zij in de hand had.Monsieur et madame Verhulst, p. f....Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Wat klopte dat hart toch!—Monsieur et madame....Daar ging de deur open, en hij zag haar staan, slank en rijzig in haar rijk gewaad, haar blozend kopje uitkijkend boven den kraag van breede witte kant, terwijl twee beschroomde oogen naar hem werden opgeheven.“Tref ik u alleen?” vroeg hij, schijnbaar verwonderd. “Ik kwam om u mijne hartelijke gelukwenschen aan te bieden, juffrouw Gerlings.”“Dank u,” antwoordde zij lachend. “Maar nu moet ik toch eerst weten wat u mij als geluk toewenscht.—U komt toch niet met een gemeenplaats hier?” vervolgde zij plagend.Zij dacht hem in het nauw gebracht te hebben, maar hij was niet gewoon zich in het nauw te laten brengen.“Zeg mij dan,” vervolgde hij, terwijl hij dicht bij haar kwam staan en met teederen glimlach op haar neerzag, “wat u dit jaar u als geluk droomt.”Een gloeiende blos overtoog opnieuw haar gezichtje, zij sloeg de oogen neer en bleef het antwoord schuldig. Want voor haar was maar één geluk mogelijk: zijne liefde.“Kunt u ook raden watikmij als geluk droom?” vroeg hij zacht.Zij verzamelde al hare krachten om zich goed te houden en zeide: “Promotie natuurlijk!”Hij gevoelde zich teleurgesteld; hij dorstte naar bewijzen harer liefde, niet beseffende dat hij ze vooral begeerde om zijne declaratie voor zichzelf te kunnen verontschuldigen. Want hij dacht er wel aan hoe jong zij nog was en hoe.... nu ja, hoe anders dan hij.... Hij gevoelde zich als een wilde knaap, gereed een lelie te knakken voor eigen genoegen, en plotseling bedenkende dat het de arme bloem misschien beter ware te blijven waar zij was.... Maar die aarzelingen waren even zeldzaam als vluchtig.“Neen, geen promotie,” zeide hij, zijnewenkbrauwen samentrekkend als een lastig, bedorven kind, dat zijn zin niet krijgt; en hij bleef haar vragend aanzien, maar op dat oogenblik trad mevrouw Gerlings binnen.Zij begroette hem hartelijk met een kus en vele goede wenschen, en begon toen, vermoedende dat zij hen in aangenaam en misschien gewichtig gesprek had gestoord, in de andere kamer ijverig piano te spelen. Maar Hugo en Renée wisten den draad niet weer op te vatten van het gesprek, dat veel meer in gedachten dan in woorden had bestaan, zoodat Lucie maar weer met spelen ophield en begon stof af te nemen.“Van middag,” zeide Hugo tot zijne zuster, “gaan wij een toertje doen. Zijn jullie dan thuis?—Dan komen we even voorbij.”Hij wist wel welk een goed figuur hij maakte op zijn fraai paard, en liet zich gaarne bewonderen.“Dat beloven wij niet,” zeide mevrouw Gerlings lachend, terwijl zij met haar plumeaude prisma’s der gaskroon deed rinkelen. “Wat zeg jij, Renée?—dan zijn wij maar gebonden. Ga je met je vrienden?”“Ja—denkelijk. En anders toch alleen.”“Ik zie je liever met een troepje cavalleristen. Dan zie je er zoo krijgshaftig uit, Huug.—Zeg eens, denk je dat de soldaten graag onder jou ten oorlog zouden trekken?”Hij streek zich den goed verzorgden knevel eens op—wat hij gaarne deed, als hij over zichzelf sprak,—en zeide met een ijdel lachje: “Ja, dat kan ik wel eens merken.”“Hoe zou je ze dapper maken?” vroeg mevrouw Gerlings, terwijl zij de plumeau liet rusten. Zij zag wel met welk een afgodischen blik Renée hem heimelijk gadesloeg en deed maar een vraag in het wilde heen.“Door mijn voorbeeld,” antwoordde hij dadelijk: want het was werkelijk altijd een zijner vurigste wenschen geweest ten oorlog te kunnen trekken, en zeker ware hij in dit geval een zeer dapper en flink soldaat geworden—misschien wel een edel mensch.Maar zijne weinige bezigheden, zijn rijkdom en vele verleidingen hadden zijne wilskracht verlamd en zijne eerzucht gedood. Voor sommige karakters zijn rijkdommen een vloek, hun door een boosaardige fee op den levensweg medegegeven. “Het voorbeeld is alles. Voor een aanvoerder, tegen wien de soldaat kan opzien, doet hij alles, maar van een, die zelf niet uitmunt, kan ook geen kracht en bezieling uitgaan.”“Dat beweerde papa ook altijd,” zeide Renée met schitterende oogen. “Als ik een jongen geweest was, zou ik stellig in dienst gegaan zijn.”Mevrouw Gerlings begon nu in de voorkamer het stof te vervolgen, en Renée kreeg haar kamergietertje en opende de deuren der serre. Zij wist wel dat hij haar volgen zou, en begon ijverig de breede, glanzende bladeren der azalia’s, die bij den ingang stonden, af te sponsen.Hij bleef tegen den deurpost leunen, haar stil beschouwende zooals zij daar stond in het licht der morgenzon, dat zich door deneergelaten gordijnen niet liet afschrikken, maar de serre vulde met gouden gloed. Zij bewoog zich zoo aardig met die zekere waardigheid, welke al hare manieren kenmerkte en toch zoo eenvoudig en kinderlijk. Zij stak zoo bekoorlijk af in haar lichtkleurig kleed tegen het groen der palmen en azalia’s, varens en cactusplanten, liefelijk afgebroken door een reeks primula chinensis, door haar zelf in bloei gebracht. Hij kon niet laten haar met zeker artistiek genot te beschouwen; en hij dacht er aan welk een heerlijk vrouwtje zij zijn zou, juist een, dat ieder hem zou benijden.... Wat zou zij een elegant gastvrouwtje zijn!.... Hij genoot reeds bij het denkbeeld. Hij hield van weelde en schoonheid en, terwijl hij haar met peinzenden blik volgde, zag hij haar in den geest in een keurig salon met mollige divans en zachte fauteuils, achter een theeblad, schitterend van fijn porselein en zilver.“U bent natuurlijk als een echt soldatenkind grootgebracht?” vroeg hij haar toelachend,in antwoord op hare laatste opmerking.“Ja.... Papa vertelde er mij reeds vroeg van, altijd oorlogsverhalen. Het mooist vond ik altijd het verhaal van een kleinen schildwacht—kent u dat misschien?—die trouw op post stond voor de tent van zijn vorst en dapper: “Werda!” riep bij het minste verdachte gedruisch. Toen zijn aangebeden vorst echter een lafaard bleek te zijn, doorstak hij zich.—Het is langen tijd mijn ideaal geweest met papa in den oorlog te gaan en zijn kleine schildwacht te zijn zooals die jongen.”“En ook dood te gaan?” vroeg hij glimlachend.Zij zag ernstig naar hem op.“Waarom niet? In sommige gevallen schijnt de dood mij veel begeerlijker dan het leven;—dan een lang bitter, teleurgesteld leven zonder doel, bij voorbeeld.”Hij beschouwde haar, maar sprak niet, verwonderd als hij was over haar ernst. Lang, lang daarna herinnerde hij het zich.“Hebt u daar dan zoo diep over nagedacht?”“Ja, nogal eens, naar aanleiding van dat verhaal. Ik zou ook niet hebben kunnen verdragen dat papa mij tegenviel. Het zou mij gedood hebben, vanzelf geloof ik.”Hare bruine oogen fonkelden; om hare lippen kwam een harde, vastberaden trek.En weder verwonderde zij hem; zooveel hartstochtelijkheid had hij niet in haar verwacht....“Een vreemd ideaal voor een meisje!” ging hij voort. “Nu zal het al wel op den achtergrond geschoven zijn door andere idealen, is ’t niet?”“Neen, het is mij altijd bijgebleven. Het ligt in een vrouw evengoed of liever nog: het ligt juist bijzonder in een vrouw zich zoo geheel te wijden, gelooft u niet? In figuurlijken zin kan ik tòch nog eenmaal een kleine schildwacht zijn.”“Voor uw man,” antwoordde hij, vlug hare bedoeling vattend.Zij glimlachte; haar oog zag vol licht naar hem op.“Ja, voor mijn man. Ook voor hem kan ik dag en nacht waken en “werda!” roepen bij ieder naderend gevaar. Dat verlangen ligt eenmaal in een vrouw, in iedere vrouw geloof ik.”Even zweeg hij.“En als hij u eens teleurstelde?” vroeg hij langzaam met een zonderlinge ontroering in zijne stem.Zij zag naar hem op. Hare ziel lag in dien blik, vol onwrikbaar geloof. Toen kleurde zij hevig en antwoordde, zacht hoofdschuddend op vasten toon: ”Dat zal hij niet doen.”Een oogenblik zagen zij elkaar recht in de oogen. Toen sloeg hij de zijne neer, keerde zich om zonder een woord te spreken en verliet het huis.
Het was Nieuwjaarsmorgen.
De winterzon keek door alle vensters, waar zij kon binnendringen en sprak vanblijdschap en hoop. In de straten klonk het vroolijk gedruisch van vele voetstappen, van hartelijke begroetingen en opgewekte menschenstemmen.
Binnen was de eigenaardige rust van den Zondag: een opstaan zonder doel, een langzaam ontbijt en dan.... een wachten op koffietijd.
Mijnheer Gerlings zat in zijne studeerkamer, want hij zou dien middag op reis gaan naar een goed vriend, wiens recht in een proces hij bepleiten zou, en snuffelde nu nog wat in zijne aanteekeningen. Mevrouw dribbelde heen en weer door het huis enRenéestond, na het ontbijt te hebben weggeruimd, bij de tafel en las beurtelings al de reeds bezorgde kaartjes.
Zij droeg een bijzonder elegante peignoir van crêmekleurig laken met witte kant, een japon, die zij in allen ernst “veel te mooi!” had verklaard, toen tante die wel geschikt voor haar vond. Maar nadat het gebleken was dat de peignoir haar uitstekend kleedde, had tante haar die laten thuis bezorgen.
“Och, een aardigheidje!” zei ze afwerend, toen Renée haar hartelijk dankzegde,”alleen—iederen dag dragen, hoor!”
Mevrouw Gerlings toonde in alle opzichten de grootste belangstelling in Renée’s uiterlijk.
“Ja, ja, ik pronk graag met mijn nichtje,” zeide zij wel eens bij wijze van verklaring, als zij weer eens een bevallig wandeltoiletje had uitgedacht of een élégante avondjapon; maar in werkelijkheid was daar een geheel andere reden voor die belangstelling. Het denkbeeld, Hugo en Renée een paartje te zien worden, lachte haar zóó toe, dat zij, wetende hoe gevoelig hij was voor de bekoring eener goedgekleede vrouw, alles deed om Renée’s aantrekkelijkheid te verhoogen.
En zoo stond zij daar nu, slank en bevallig, half vrouw, half kind. Zij nam de kaartjes beurtelings op en las de namen; maar zij deed het werktuiglijk: hare eigenlijke bezigheid was denken.
Zij dacht aan de verloopen veertien dagen, die als een heerlijke droom warenvoorbijgegaan met vele ontmoetingen, en vele gesprekjes, en vele handdrukken vol gloed, en vele blikken vol onuitgesproken wenschen.
Zou hij haar liefhebben?—zóó lief, dat hij haar vragen zou?
Zij was in een voortdurende spanning, maar het was een heerlijke spanning, vond zij. Er was immers geen twijfel meer, zijne liefde verried zich op duizenden wijzen, eenvoudig omdat hij die niet verbergen kon. De vraag was niet meer òf hij spreken zou, alleen wanneer?....
Oom Albert had blijkbaar tegen hem.... Waarom toch?.... Neen, dat kon zij maar niet doorgronden.... Maar oom Albert was een brompot.... Men moest natuurlijk rekening met hem houden als voogd, maar tante had veel invloed op hem, en Huug had veel invloed op tante. Zoo zou alles wel in orde komen.... De persoonlijke meening van oom behoefte haar niet te verontrusten. Hij was blind. Kon zij hem de blinde oogen toch openen!.... Hoekonhij eigenlijkblind zijn!—Het was haar als moest Huugs’ volmaaktheid ieder in het oog vallen.... Voor háár ging er licht en warmte van hem uit als van een zon, en het verwonderde haar hoe iemand hare zon onopgemerkt kon voorbijgaan. Zij benijdde zijne hospita en zijn oppasser, die voor hem mochten zorgen, en zijne kameraden, die veel met hem omgingen. Zijne minderen moesten hem wel hoog vereeren, meende zij, en zijne meerderen hem hartelijk genegen zijn.... Voor haar ging er bekoring uit van alles wat hem toebehoorde of van verre maar met hem in betrekking stond.
Wat ging die bel vandaag!.... Maar nu scheen het wel een bezoeker....
Zij hief het hoofd op, luisterend.
Ja, dat waszijnestem, die de meid vroeg of de familie in de suite was. Een blos van blijde verrassing steeg haar naar het gelaat, en met dubbele aandacht begon zij het kaartje te bekijken, dat zij in de hand had.
Monsieur et madame Verhulst, p. f....Monsieur et madame Verhulst, p. f.... Wat klopte dat hart toch!—Monsieur et madame....
Daar ging de deur open, en hij zag haar staan, slank en rijzig in haar rijk gewaad, haar blozend kopje uitkijkend boven den kraag van breede witte kant, terwijl twee beschroomde oogen naar hem werden opgeheven.
“Tref ik u alleen?” vroeg hij, schijnbaar verwonderd. “Ik kwam om u mijne hartelijke gelukwenschen aan te bieden, juffrouw Gerlings.”
“Dank u,” antwoordde zij lachend. “Maar nu moet ik toch eerst weten wat u mij als geluk toewenscht.—U komt toch niet met een gemeenplaats hier?” vervolgde zij plagend.
Zij dacht hem in het nauw gebracht te hebben, maar hij was niet gewoon zich in het nauw te laten brengen.
“Zeg mij dan,” vervolgde hij, terwijl hij dicht bij haar kwam staan en met teederen glimlach op haar neerzag, “wat u dit jaar u als geluk droomt.”
Een gloeiende blos overtoog opnieuw haar gezichtje, zij sloeg de oogen neer en bleef het antwoord schuldig. Want voor haar was maar één geluk mogelijk: zijne liefde.
“Kunt u ook raden watikmij als geluk droom?” vroeg hij zacht.
Zij verzamelde al hare krachten om zich goed te houden en zeide: “Promotie natuurlijk!”
Hij gevoelde zich teleurgesteld; hij dorstte naar bewijzen harer liefde, niet beseffende dat hij ze vooral begeerde om zijne declaratie voor zichzelf te kunnen verontschuldigen. Want hij dacht er wel aan hoe jong zij nog was en hoe.... nu ja, hoe anders dan hij.... Hij gevoelde zich als een wilde knaap, gereed een lelie te knakken voor eigen genoegen, en plotseling bedenkende dat het de arme bloem misschien beter ware te blijven waar zij was.... Maar die aarzelingen waren even zeldzaam als vluchtig.
“Neen, geen promotie,” zeide hij, zijnewenkbrauwen samentrekkend als een lastig, bedorven kind, dat zijn zin niet krijgt; en hij bleef haar vragend aanzien, maar op dat oogenblik trad mevrouw Gerlings binnen.
Zij begroette hem hartelijk met een kus en vele goede wenschen, en begon toen, vermoedende dat zij hen in aangenaam en misschien gewichtig gesprek had gestoord, in de andere kamer ijverig piano te spelen. Maar Hugo en Renée wisten den draad niet weer op te vatten van het gesprek, dat veel meer in gedachten dan in woorden had bestaan, zoodat Lucie maar weer met spelen ophield en begon stof af te nemen.
“Van middag,” zeide Hugo tot zijne zuster, “gaan wij een toertje doen. Zijn jullie dan thuis?—Dan komen we even voorbij.”
Hij wist wel welk een goed figuur hij maakte op zijn fraai paard, en liet zich gaarne bewonderen.
“Dat beloven wij niet,” zeide mevrouw Gerlings lachend, terwijl zij met haar plumeaude prisma’s der gaskroon deed rinkelen. “Wat zeg jij, Renée?—dan zijn wij maar gebonden. Ga je met je vrienden?”
“Ja—denkelijk. En anders toch alleen.”
“Ik zie je liever met een troepje cavalleristen. Dan zie je er zoo krijgshaftig uit, Huug.—Zeg eens, denk je dat de soldaten graag onder jou ten oorlog zouden trekken?”
Hij streek zich den goed verzorgden knevel eens op—wat hij gaarne deed, als hij over zichzelf sprak,—en zeide met een ijdel lachje: “Ja, dat kan ik wel eens merken.”
“Hoe zou je ze dapper maken?” vroeg mevrouw Gerlings, terwijl zij de plumeau liet rusten. Zij zag wel met welk een afgodischen blik Renée hem heimelijk gadesloeg en deed maar een vraag in het wilde heen.
“Door mijn voorbeeld,” antwoordde hij dadelijk: want het was werkelijk altijd een zijner vurigste wenschen geweest ten oorlog te kunnen trekken, en zeker ware hij in dit geval een zeer dapper en flink soldaat geworden—misschien wel een edel mensch.Maar zijne weinige bezigheden, zijn rijkdom en vele verleidingen hadden zijne wilskracht verlamd en zijne eerzucht gedood. Voor sommige karakters zijn rijkdommen een vloek, hun door een boosaardige fee op den levensweg medegegeven. “Het voorbeeld is alles. Voor een aanvoerder, tegen wien de soldaat kan opzien, doet hij alles, maar van een, die zelf niet uitmunt, kan ook geen kracht en bezieling uitgaan.”
“Dat beweerde papa ook altijd,” zeide Renée met schitterende oogen. “Als ik een jongen geweest was, zou ik stellig in dienst gegaan zijn.”
Mevrouw Gerlings begon nu in de voorkamer het stof te vervolgen, en Renée kreeg haar kamergietertje en opende de deuren der serre. Zij wist wel dat hij haar volgen zou, en begon ijverig de breede, glanzende bladeren der azalia’s, die bij den ingang stonden, af te sponsen.
Hij bleef tegen den deurpost leunen, haar stil beschouwende zooals zij daar stond in het licht der morgenzon, dat zich door deneergelaten gordijnen niet liet afschrikken, maar de serre vulde met gouden gloed. Zij bewoog zich zoo aardig met die zekere waardigheid, welke al hare manieren kenmerkte en toch zoo eenvoudig en kinderlijk. Zij stak zoo bekoorlijk af in haar lichtkleurig kleed tegen het groen der palmen en azalia’s, varens en cactusplanten, liefelijk afgebroken door een reeks primula chinensis, door haar zelf in bloei gebracht. Hij kon niet laten haar met zeker artistiek genot te beschouwen; en hij dacht er aan welk een heerlijk vrouwtje zij zijn zou, juist een, dat ieder hem zou benijden.... Wat zou zij een elegant gastvrouwtje zijn!.... Hij genoot reeds bij het denkbeeld. Hij hield van weelde en schoonheid en, terwijl hij haar met peinzenden blik volgde, zag hij haar in den geest in een keurig salon met mollige divans en zachte fauteuils, achter een theeblad, schitterend van fijn porselein en zilver.
“U bent natuurlijk als een echt soldatenkind grootgebracht?” vroeg hij haar toelachend,in antwoord op hare laatste opmerking.
“Ja.... Papa vertelde er mij reeds vroeg van, altijd oorlogsverhalen. Het mooist vond ik altijd het verhaal van een kleinen schildwacht—kent u dat misschien?—die trouw op post stond voor de tent van zijn vorst en dapper: “Werda!” riep bij het minste verdachte gedruisch. Toen zijn aangebeden vorst echter een lafaard bleek te zijn, doorstak hij zich.—Het is langen tijd mijn ideaal geweest met papa in den oorlog te gaan en zijn kleine schildwacht te zijn zooals die jongen.”
“En ook dood te gaan?” vroeg hij glimlachend.
Zij zag ernstig naar hem op.
“Waarom niet? In sommige gevallen schijnt de dood mij veel begeerlijker dan het leven;—dan een lang bitter, teleurgesteld leven zonder doel, bij voorbeeld.”
Hij beschouwde haar, maar sprak niet, verwonderd als hij was over haar ernst. Lang, lang daarna herinnerde hij het zich.
“Hebt u daar dan zoo diep over nagedacht?”
“Ja, nogal eens, naar aanleiding van dat verhaal. Ik zou ook niet hebben kunnen verdragen dat papa mij tegenviel. Het zou mij gedood hebben, vanzelf geloof ik.”
Hare bruine oogen fonkelden; om hare lippen kwam een harde, vastberaden trek.
En weder verwonderde zij hem; zooveel hartstochtelijkheid had hij niet in haar verwacht....
“Een vreemd ideaal voor een meisje!” ging hij voort. “Nu zal het al wel op den achtergrond geschoven zijn door andere idealen, is ’t niet?”
“Neen, het is mij altijd bijgebleven. Het ligt in een vrouw evengoed of liever nog: het ligt juist bijzonder in een vrouw zich zoo geheel te wijden, gelooft u niet? In figuurlijken zin kan ik tòch nog eenmaal een kleine schildwacht zijn.”
“Voor uw man,” antwoordde hij, vlug hare bedoeling vattend.
Zij glimlachte; haar oog zag vol licht naar hem op.
“Ja, voor mijn man. Ook voor hem kan ik dag en nacht waken en “werda!” roepen bij ieder naderend gevaar. Dat verlangen ligt eenmaal in een vrouw, in iedere vrouw geloof ik.”
Even zweeg hij.
“En als hij u eens teleurstelde?” vroeg hij langzaam met een zonderlinge ontroering in zijne stem.
Zij zag naar hem op. Hare ziel lag in dien blik, vol onwrikbaar geloof. Toen kleurde zij hevig en antwoordde, zacht hoofdschuddend op vasten toon: ”Dat zal hij niet doen.”
Een oogenblik zagen zij elkaar recht in de oogen. Toen sloeg hij de zijne neer, keerde zich om zonder een woord te spreken en verliet het huis.