DE GANZENKOOPMAN VAN NEURENBERG.

Reeds zestig jaren zijt gij oud, en hebt veel storm beleefd.

Reeds zestig jaren zijt gij oud, en hebt veel storm beleefd.

Reeds zestig jaren zijt gij oud, en hebt veel storm beleefd.

Er hebben na dien tijd nog heel wat stormen over mijn hoofd gewaaid, doch allen zijn door Gods goedheid opgevolgd geworden door zonneschijn en kalm weder. Hem daarvoor de dank, Hem alleen de eer!”

„O, ganzendief! ganzendief!” werd in het dorp geroepen. „Ganzendief! ganzendief!” weerklonk het in de verte. Waar men liep of stond, ieder oogenblik hoorde men de jeugd die leelijke woorden herhalen. Het gold een kleinen, armen knaap, die er niet ouder uitzag dan tien of elf jaren, maar die reeds dertien jaren achter den rug had.

Het is een bizondere liefhebberij, hoofdzakelijk voor de jeugd op het platte land, om haar gelijken, en voornamelijk het arme deel der gemeente, te bespotten en bijnamen te geven, te meer, wanneer eenig lichaamsgebrek hiertoe aanleiding geeft.

Men deed echter een groot onrecht met Balthasar Teppel, want dien gold het scheldwoord, „ganzendief” te noemen. Men had hemliever den naam van ganzenvriend moeten geven.

Ieder mensch moet op aarde iets hebben waarmede hij ingenomen is, en Balthasar bezat op aarde niets dan twee kleine jonge ganzen, die nog niet eens vederen, maar goudgeele haren bezaten. Hij had noch vader noch moeder, noch broeders, noch zusters, zelfs geen naaste bloedverwant—hij was een verlaten wees. Hij bezat niets dan het vertrouwen op God en de twee jonge ganzen, die hij van den watermolenaar gekregen had. Balthasar wist niet dat ganzen eenmaal het Kapitool van Rome gered hadden, evenmin wist hij hoe lekker een boterham, met ganzenlever besmeerd, smaakte. Niettegenstaande dat, hield hij veel van de ganzen en benijdde hen dikwerf, omdat zij volstrekt geen last van de bittere kou hadden, en zelfs, al liepen zij in den regen, niet nat werden, daar zij het water van hun vederen afschudden. Ook van koud noch van warm weder hadden zij eenige last. Hij hoorde veel liever het geschater van een gans dan het kakelen van een haan of het koeren van een duif, of het blaffen van een hond. Zoo heeft ieder zijn smaak.

Op zekeren dag had een dozijn jonge ganzen, die eenige dagen geleden uit den dop gekropen waren, zich van de moederlijke zorg onttrokken en in de nabij zijnde molenvliet begeven, waar zij, door den stroom voortgedreven, hunne zwakke zwemvliezen nauwelijks behoefden te gebruiken. Zoo naderden zij, dicht aaneengesloten, het snel ronddraaiende rad van den watermolen, dat, als het hun in zijn vaart medesleurde, allen in één oogwenk uit het water zoude opbeuren en tusschen de kamraderen vermorselen. Nog één oogenblik en het zou met het leven der jeugdige waaghalzen gedaan zijn, doch juist op dit oogenblik naderde hun redder de plaats des onheils. Balthasar, die het ongeluk zag aankomen, snelde, zonder aan eigen levensgevaar te denken, te hulp. De moedige knaap sprong op een balk, die dwars in het water over een beek lag, plaatste zich daarop in liggende houding en zwaaide met handen en voeten. De ganzen, hierdoor verschrikt, vlogen links en rechts en trachtten hun verschrikker te ontvlieden.

De molenaar en zijn vrouw kwamen op het geschreeuw van Balthasar buiten, en, hetgevaarziende, brachten zij eerst hunne ganzen in veiligheid, en hielpen daarna Balthasar uit zijn benauwden toestand, aan wie twee der geredde gansjes als loon voor zijn edelmoedigheid ten geschenke gegeven werd.

Er is voor hem, die niet veel gewoon is, weinig noodig om zich gelukkig te gevoelen. Menig vorst is niet zoo gelukkig met het overwinnen van twee koningrijken als onze Balthasar was met zijn twee ganzen. Hij vergat zijn toestand en voelde niet eens dat zijn armen en beenen nat waren, veel minder hinderde hem de koude, ofschoon hij liep te sidderen. Hij hield de ganzen in beide handen en drukte ze tegen zijn borst. Opgeruimd van vreugde vervolgde hij zijn weg en zocht de eenzaamheid op, om daar zijn schatten goed te kunnen bekijken en de jeugdige vogeltjes in het gras te laten loopen. Even als een goede huismoeder, die alle zorgen aan haar lievelingen besteed, zoo ook was Balthasar, of liever Balzer, want zoo werd hij algemeen genoemd, vol zorg voor zijn lievelingen, en voorzag ze van goed voedsel en drinken.

Balzer woonde, even als andere arme weezen, in het dorpsarmhuis; hij had op denzolder een klein kamertje, dat hij zijn eigendom kon noemen; dat vertrek had de eigenschap van in den winter verschrikkelijk koud en in den zomer brandend heet te zijn; dit hinderde hem echter volstrekt niet. Van jongs af aan ontbeeringen gewend, was hij niet beter gewoon. Balzer maakte in een hoek van het dakkamertje een stal voor zijn lievelingen.

Des morgens werd hij door hun gesnater gewekt, en dan was zijn eerste bezigheid hen te voederen. Hij deelde met hen zijn grof roggebrood, ofschoon de portie, die hij dagelijks van het armenhuis kreeg, niet groot was.

Het ging echter in het armenhuis, waar Balzer verpleegd werd, juist zooals het overal gaat: mendulddeniet dat iemand, die door de gemeente onderhouden werd, iets voor zijn liefhebberij er op nahield, en zoo werd het Balzer ook verboden twee ganzen te onderhouden. De goede jongen kon echter niet scheiden van de beesten, die hij innig lief gekregen had.

Door het dorp, waar onze Balzer woonde, stroomde een tamelijk breed water, dat in de naaste rivier uitliep. Het was dus natuurlijk,dat de bewoners van Dortingen, zoo heette het dorp, daarin hunne ganzen lieten zwemmen; het kweeken van deze vogels verschafte aan menigeen een groot deel van hun bestaan.

Nu wilde het toeval dat de persoon, die door het dorpsbestuur aangesteld was om toezicht over de ganzen te houden, een betere betrekking kon krijgen, en alzoo voor den post van ganzenbewaker bedankte.

De molenaarsvrouw, die de edelmoedige daad van Balzer nog niet vergeten was, sprak met de invloedrijke personen van het dorp en maakte dat Balzer benoemd werd tot waker over de ganzen.

Hierdoor raakte het gemeentebestuur uit het armenhuis een wees kwijt, want nu kon Balzer zijn eigen brood verdienen. Het gemeentebestuur ondersteunde gaarne deze zaak, daar het in zijn voordeel was, en tevens maakte het Balzer meer dan gelukkig.

Nu was er niemand die hem beletten kon, om zijn twee ganzen tegelijk met de anderen, zoowel in het water als op de weide te verzorgen.

Hij bond, om alle verwarring te voorkomen,om de nekken en linker pooten van zijn ganzen een rood bandje. Deze voorzorgsmaatregel, door Balzer genomen, was zeer verstandig en bleek spoedig niet overbodig te zijn geweest.

Nu had de knaap gelegenheid en tijd om de natuur, de levenswijs, den aard, de ziekten en kwalen der ganzen te leeren kennen, alsook om te bestudeeren welk voedsel goed of schadelijk voor hen was. Hij was geen luie, gedachtelooze ganzenhoeder; den geheelen dag hield hij zich met de vogels, die aan zijn zorg toevertrouwd waren, bezig, en zeer terecht verwierf hij spoedig algemeen den bijnaam van Ganzenvriend. De vogels betoonden zich dankbaar voor de liefderijke zorg en verpleging, die dagelijks aan hen besteed werd; zij volgden Balzer waar hij ging en bleven altijd in zijn onmiddelijke nabijheid.

Toen de ganzen van Balzer volwassen waren en er gezond en prachtig uitzagen, trachtte een boosaardige dorpsjongen hem zijn eigendom afhandig te maken. Met dit doel had hij de roode bandjes van de halzen losgemaakt en deze om de halzen gebonden van twee magere ganzen, die hem toebehoordenen die hij aldus wilde laten doorgaan voor ganzen van Balzer.

Deze, die door zijn dagelijkschen omgang met de vogels, allen aan hun vederen kende, bemerkte spoedig het bedrog; hij riep de ganzen die hem toebehoorden; deze naderden hem en hadden de lintjes nog om de pooten; hierop had de dief niet gelet en daardoor kwam het bedrog spoedig uit.

Een wreed gevaar bedreigde op nieuw de ganzen van Balzer, en ditmaal was het veel erger.

Onzen ganzenhoeder had dit gemeen met alle jongens van zijn jaren, dat hij des nachts zeer vast sliep, en dat zelfs het gebulder van een kanonschot niet in staat was hem wakker te maken.

Maar, even als een zorgvuldige moeder terstond ontwaakt als haar jeugdige lieveling schreeuwt of als het iets overkomt, zoo ook was het met Balzer; er kon des nachts niets met de ganzen gebeuren of hij ontwaakte; het minste vreemde geluid of de minste onrust onder hen deden hem terstond ontwaken en in de duisternis van zijn legerstede opstaan. Spoedig begaf hij zich dan bij devogels, verzorgde hen en wist menigmaal door spoedige hulp groote ongelukken te voorkomen.

Op zekeren nacht vernam hij, nadat hij eenigen tijd geslapen had, een onrustige beweging onder zijn kudde; het bed uit te springen was voor hem het werk van een seconde; hij greep in het duister rond, en kwam spoedig tot de ervaring dat er een dief in den stal was; het gelukte hem een vrouw bij de kleeren te pakken, en, wat hij eenmaal vast had, liet hij niet gemakkelijk los. Er ontstond tusschen hem en de diefegge een vreeselijke worsteling; de vrouw sprak geen woord, maar deed alle mogelijke moeite om zich uit de handen van Balzer te bevrijden. Eindelijk gelukte het haar; de rok, waaraan Balzer haar vast hield, scheurde; zij ontvluchtte en de ganzenhoeder bleef met een lap in de handen staan.

Balzer, die gedurende de worsteling om hulp geroepen had, werd spoedig door de buren bijgestaan; zelfs de nachtwacht kwam op het hulpgeschreeuw toeloopen, en had het geluk de diefegge te grijpen, juist op het oogenblik dat zij den stal wilde ontvluchten;de vrouw werd in arrest gebracht en met veertien dagen gevangenis gestraft.

Het werd herfst, de lucht werd dagelijks bewolkt, het gras op de weide groeide niet meer, en alzoo moest er een einde gemaakt worden aan het ganzenhoeden.

De volwassen en vette ganzen gingen den weg op van het vleesch, dat wil zeggen: zij werden gedeeltelijk levend, gedeeltelijk dood verkocht, terwijl slechts een klein gedeelte voor de fokkerij behouden bleef. Balzer moest ook van het geliefd tweetal scheiden; vooreerst omdat hij in de eerste maanden buiten betrekking gesteld werd, en ten tweede omdat er nu geen groen voedsel meer te vinden was.

Op een guren dag in de maand November toog Balzer met zijn twee ganzen naar de stad Neurenberg, die twee uren van het dorp verwijderd lag. In zijn zakken had hij een paar stukken roggebrood en de ganzen droeg hij onder zijn armen. Al wat hij bezat droeg hij bij zich.

Terwijl de ganzen, die volstrekt geen begrip hadden van het treurige lot dat hen te wachten stond, vroolijk heen en weder keken,was het hart van hem die hen droeg, o zoo gedrukt. Hij moest van datgene wat hem het liefst was voor altijd scheiden, en eenzaam den langen somberen winter doorleven. Eerst liep hij langs den weg te weenen, doch eindelijk bemoeide hij zich meer met zijn vogels en sprak hen op troostenden toon toe; hij scheen behoefte te gevoelen hen nogmaals vriendelijk toe te spreken, ofschoon hij zeer goed wist dat zij hem toch niet begrepen.

„Och,”zuchtte hij eindelijk, „sterven moeten wij allen—allen zonder onderscheid. Eerst heb ik mijn beste vader en vier weken daarna mijn onvergetelijke moeder zien sterven! Oude menschenmoetensterven, doch somwijlen sterven jonge menschen ook. Niemand wil een oude gans koopen, dus het lot van die arme beesten is, om jong te sterven, daarom moet ik van u scheiden, want nu is uw vleesch nog jong en zacht. Het verdriet om u te zien sterven, zal mij bespaard worden, en als ik veel geld voor u weet te krijgen, dan zal ik in 't voorjaar in staat zijn weder eenige jonge ganzen te koopen.”

Zoo denkende en pratende, naderde Balzereindelijk den Vrouwentoren te Neurenberg. Hij liep de brug, die over de stadsgracht voerde, over, en naderde de hoog gewelfde poort, die hij spoedig achter den rug had. Eensklaps hoorde hij achter zich geweldig luid roepen: „Hé, knaap! Wilt gij eensklaps uw ganzen zien verbeurd verklaard, of wilt gij eerst marktgeld betalen?”

„Marktgeld!” antwoordde Balzer, die niets van deze woorden begreep en den stadsportier, die tevens het ambt van commies vervulde, verwonderlijk aanstaarde.

„Ja, marktgeld,” antwoordde de commies, terwijl hij de open hand naar hem uitstrekte. „Een kreutzer voor iedere gans.”

„Ik heb geen geld,” antwoordde Balzer met bevende stem.

„Maak dan maar spoedig dat gij weêr buiten de stad komt,” hernam de commies, „en gaat van waar gij gekomen zijt.”

„Niet zoo driftig, mijnheer,” antwoordde Balzer op smeekenden toon. „Ik ben een arme wees, en bezit niets dan deze twee ganzen, die ik gaarne in de stad zou willen verkoopen.”

„Dat gaat mij allemaal niet aan,” grauwdede man hem toe. „Al waart gij de eigen zoon van den keizer, dan zoudt gij toch moeten betalen. Daarvoor is Neurenberg een vrije rijksstad en stelt zich tevreden met een onnoozelen kreutzer van iederen gulden die het landvolk hier in de stad draagt.”

„Ik wil u die twee kreutzers gaarne betalen,” antwoordde Balzer, „als ik weder de stad verlaat en mijn ganzen verkocht heb.”

„Ja, dan moest ik wel een ezel zijn,” hernam de commies op lachenden toon, „als ik mij met zulke praatjes liet afschepen. Dus komaan, betaal wat gij schuldig zijt, of...”

„Ik heb ze niet,” antwoordde Balzer, „maar zijt gij tevreden als ik u mijn buis als pand achterlaat?”

„Dat buis?” antwoordde de man, terwijl hij het kleedingstuk met een verachtelijken blik aanzag. „Wel, het ziet er kakelbont genoeg uit; allerlei lappen, het heeft wel iets van de landkaart van het Duitsche rijk. Ik zal het wel laten om dat oude ding in mijn handen te nemen. Voort, jongen, maak dat je weg komt.”

Balzer stond bitter te weenen. Een fruithandelaar, die oor- enooggetuigegeweestwas van hetgeen er tusschen Balzer en den commies had plaats gehad, riep den knaap bij zich in den winkel. „Hier hebt gij twee kreutzer,” zeide hij op deelnemenden toon tot den knaap. „Maar gij moet mij uw buis tot pand achterlaten; er wordt tegenwoordig zooveel bedrog gepleegd, dat men niemand meer kan vertrouwen, en ik kan de twee kreutzer ook niet missen.”

Balzer zette de twee ganzen op den grond, trok zijn buis uit en overhandigde het onder dankbetuiging aan den fruithandelaar. Hij betaalde de twee kreutzer aan den commies, die, zonder verder een woord te spreken, weder op zijn stoeltje in de poort ging zitten. Daarna nam Balzer de ganzen onder den arm en ging met een beklemd hart naar de markt.

Veel nieuws was hier voor onzen jeugdigen koopman te zien. Niet ver van een prachtige kerk verwijderd, zag hij een sierlijk bewerkte pomp, die haar heldere waterstralen uit gebeeldhouwde koppen te voorschijn bracht.

Onze voorvaderen rekenden onder de heerlijkste voortbrengselen der natuur het water als een reine stof, en bouwden daarom rijk versierde gedenkzuilen, waaruit zij het volkvan water voorzagen. Dit is de reden dat men nog in vele oude steden zulke prachtige fonteinen en pompen op de markten ziet.

Ofschoon Balzer geen kunstkenner was, voelde hij zich toch bizonder aangetrokken tot dat gedenkstuk. Eerst liet hij zijn ganzen drinken, laafde toen zich zelf en deelde daarna zijn brood met zijn twee lievelingen. Toen zocht hij een plaats dicht bij de pomp op en bleef daar staan met onder iederen arm een gans; zijn aandacht was onverdeeld gevestigd op de heldere waterstralen der pomp en op de steeds aangroeiende menigte op de markt.

Geruimen tijd stond Balzer op zijn plaats, steeds te wachten of er een kooper voor zijn ganzen zou komen opdagen. Het scheen alsof niemand eenige attentie had voor den ongeoefenden koopman, die zijn ganzen al vaster en vaster tegen zich aandrukte om ze te verwarmen. Eindelijk liep een welgekleede burgervrouw met een mand aan den arm op hem toe.

„Wat kost zoo'n gans?” vroeg zij, terwijl zij de vogels bevoelde.

„Vijf en twintig kreutzer!” antwoorddeBalzer, terwijl hij alle moeite deed om zijn waar aan te prijzen. De vrouw antwoordde niet, nam dan de eene en dan de andere gans in de hand, woog en bevoelde ze, en zeide eindelijk: „Ik houd niet van loven, dus kort en goed, ik geef u een blanken gulden.”

Zij haalde het groote geldstuk uit haar beugeltas en hield dat den knaap voor de oogen.

„Doe er nog twee kreutzer bij,” antwoordde hij met bevende stem, „die zijn voor het marktgeld dat ik heb moeten betalen.”

De vrouw keek met doordringende blikken den knaap aan en haalde nog twee kreutzer uit haar tas. „Ziedaar,” antwoordde zij, „maar dan moet gij de ganzen te huis brengen, ik woon hier niet ver van daan.”

„Dat wil ik gaarne doen,” antwoordde Balzer.

Onder het loopen vroeg de vrouw, waarom hij in November zoo ligt gekleed was. De knaap vertelde haar zijn wedervaren en tevens eenige van zijn verdere lotgevallen. De vrouw had medelijden met den armen knaap en gaf hem, toen zij te huis gekomen was, een buis,dat er veel beter uitzag dan dat hetwelk hij verpand had. Daarna zette zij hem een kom warme soep voor, die hem zoo lekker smaakte als hij ooit iets geproefd had. Eindelijk kwam de heer des huizes uit zijn winkel, waar hij verschillende koopwaren verkocht, in de kamer.

„Gij hebt ganzen gekocht, Barbaratje,” zeide hij, „gij weet toch, dat er zijn die slechte schachten in de vleugelen hebben.” Dit zeggende, trok hij een paar veeren uit de vleugelen en vergeleek deze met de veeren pen, welke hij achter het oor had. „Ziet gij,” vervolgde hij, terwijl hij minachtend de schachten op den grond wierp, „zij zijn veel te zwak en te week, ik heb veel liever bereide Hamburger pennen.”

„Bereide?” vroeg Balzer verwonderd, „kan men ganzenpennen bereiden? Hoe gaat dat?”

„Alles wordt bereid wil het goed bruikbaar worden,” antwoordde de koopman, „leder, hout, ja, mensch en dier, tot zelfs de geweren voor de soldaten.” Daarna vertelde hij den knaap, op welke wijze versche ganzenvederen tot bruikbare schrijfpennen gemaakt worden. Toen hij van Balzer vernam, dat dezehet geld, dat hij voor de ganzen ontvangen had, tot het voorjaar wilde bewaren om er dan weder jonge voor te koopen, vond hij dit voornemen zeer goed. „Maar,” zeide hij, „als ik in uw plaats was, zou ik dat geld niet zoolang doelloos laten liggen, maar ik kocht daarvoor eenige kleine koopwaren, voorwerpen, die het boerenvolk altijd gebruiken kunnen en die zij altijd uit de stad moeten halen; bijvoorbeeld: garen, band, naai- en breinaalden, leien en griffels, vragenboeken en dergelijke zaken. Ik handel in die artikelen en wil ze u voor billijken prijs verkoopen. Gij moet met een kleine winst tevreden zijn, dan hebt gij kans, dat gij uw gulden, vóór den winter verstreken is, tot drie of vier gulden vermeerderd ziet.”

Dit voorstel stond Balzer Tippel bijzonder goed aan en hij nam het voorstel gretig aan. Beladen met zijn nieuwe koopwaren, nam hij den terugtocht aan; eerstlostehij zijn buis, dat hij verpand had, weder in, en had de zelfvoldoening door den koopman een eerlijken jongen genoemd te worden. In plaats van nu den geheelen dag in ledigheid door te brengen, (scholen bestonden er toen op dedorpen nog niet, ons voorval heeft plaats gehad in het jaar 1548) liep Balzer met zijn koopwaar van het eene dorp naar het andere. Daar zijn waar uit benoodigdheden bestond en niet te hoog in prijs waren, was hij spoedig uitverkocht en moest hij op nieuw naar den koopman Wormser, in Neurenberg, om nieuwe voorraad op te doen.

Balzer leefde zoo zuinig mogelijk, en daar hij in de wintermaanden nog eenige ondersteuning uit de gemeentekas ontving, had hij bijna niets van zijn verdiensten uit te geven. In dien tijd bestond er nog wat meer gastvrijheid dan tegenwoordig, zoodat het menigmaal gebeurde, dat Balzer bij een boer ten eten gevraagd werd of een nachtverblijf bekwam, zonder dat hij er iets voor behoefde te betalen. Toen het voorjaar aangebroken was, nam hij weder het ambt van ganzenhoeder bij de hand, en toen het weder herfst was voerde Balzer vier paar vette ganzen, die onbezwaard en zijn eigendom waren, naar de markt te Neurenberg. Zoo verliepen er eenige jaren, waarin Balzer door vlijt, spaarzaamheid en overleg, zijn inkomen zag vergrooten.

Eindelijk had hij zijn post van ganzenhoederneergelegd en een onbewoonde hut met den daaraan grenzenden tuin gehuurd, waarin hij woonde en zijn koopwaar borg. Hij was nu niet meer de arme ganzenhoeder, die bij de vogels in den stal sliep, maar een knappe, flinke jongeling, die door rijken en armen gaarne werd ontmoet.

Op zekeren dag in de maand Augustus dreef Balzer Tippel een kudde vette ganzen voor zich op den landweg, die naar Neurenberg leidde, uit. Onder luid gesnater dreef hij een honderdtal vogels voort, terwijl zij, die aan den buitenkant liepen, zich te goed deden aan het gras dat langs den weg groeide.

Vier jonge heeren uit den deftigen stand reden op prachtige paarden de poort van Neurenberg uit den troep tegemoet. Toen de voorste den troep ganzen gewaar werd, gaf hij zijn paard de sporen, zoodat dit begon te steigeren, waarna het in wilden draf door de ganzen heen reed.

Dit heldenstuk kostte aan drie ganzen het leven en aan eenige anderen gebroken pooten of vleugels, terwijl zij, die ongedeerd bleven, angstig heen en weder vlogen.

Toornig over deze behandeling, liep Balzernaar hem toe, die aanleiding gegeven had tot dit ongeval, om hem zijn misdrijf onder het oog te brengen en schadevergoeding te vragen.

In plaats van antwoord ontving hij een slag met de zweep over zijn aangezicht, terwijl de ruiter hem toeriep: „Uit den weg, ganzenlummel!”

Terwijl Balzer bedremmeld en weenende van pijn daar stond, vervolgden de ruiters, voldaan over hunnen wreedaard, in vliegenden galop hun weg.

Eindelijk verzamelde Balzer de doode en gewonde vogels, terwijl hij de verstrooide weder tot rust trachtte te brengen; gelukkig voor hem ondervond hij hierbij de hulp van een paar jongens, die ooggetuigen geweest waren van het wreede schouwspel. Daarna ging hij naar een fontein en verkoelde zijn aangezicht, dat brandend heet was van de bekomen slagen.

Hierna begaf hij zich naar een stalhouder, waar hij zijn vogels in verzekerde bewaring gaf en liep toen de stad in, om te weten te komen waar de wreede ruiters te huis behoorden en hoe hunne namen waren. Omhierin te slagen liep hij naar den fruithandelaar, die hem de twee kreutzers geleend had en met wien hij na dien tijd altijd kennis gehouden had.

„Vrouw Mertens,” vroeg Balzer, nadat hij de vrouw vriendelijk goeden morgen gewenscht had, „hebt gij hier ook vier ruiters voorbij zien rijden?”

„Ja zeker,” antwoordde zij, „het waren allen vier zonen van groothandelaars uit de stad, jongens, die alles verzwelgen wat hunne vaders verdiend hebben. De ergste van allen is de jonge Siebold, die nu vier weken geleden zijn vader heeft helpen begraven. In plaats van de voetsporen van zijn vader te volgen, mishandelt hij zijn onderhoorigen en leidt een verkeerd leven; zijn moeder, die alle mogelijke zorg aan zijn opvoeding heeft besteed, heeft niets over hem te zeggen en moet zich naar zijn grillen schikken. Nu, het gevolg is dat hij niets doet dan geld verteeren en uitgaan.”

Nadat Balzer uitgelegd had hoe de wreedaard er uitzag en gekleed was, moest dat Siebold geweest zijn. Balzer begaf zich naar diens woning.

Hier moest hij over balen en kisten springen om aan den ingang te komen, die hem toegang tot een trap gaf, welke hem den weg naar de keuken deed vinden, waarin zich twee meiden en een net gekleede jongejuffrouw bevonden. Balzer was in bijna alle groote huizen bekend als de ganzenhoeder; het was dus niets vreemds, dat de jongejuffrouw, die een arme verre bloedverwant van het huis Siebold was, naar hem toeliep met de woorden: „wij hebben heden niets noodig, want, zooals gij ziet, wij zijn reeds voorzien.”

Dit zeggende, wees de jongejuffrouw met haar vingers op een blank geschuurden schotel, waarop vier prachtige vette ganzen gereed lagen om te worden gebraden.

Voor een oogenblik vergat Balzer zijn leed; als een echte liefhebber en met het oog van een kenner liep hij naar de ganzen; hij onderzocht den ouderdom, de hoeveelheid vet, de dikte der lever, en kwam tot het besluit, dat de laatste vogel het beste was. Nog zelden had hij zulke mooie en prachtig schoongemaakte ganzen gezien.

„Hebt gij deze ganzen zelf gefokt en geslacht?”vroeg hij op vriendelijken toon aan de jongejuffrouw.

„Wel zeker,” antwoordde zij.

„Geslacht ook?” herhaalde Balzer.

„Ja,” antwoordde het meisje, „het is geen prachtig werk om een gans den hals om te draaien, maar ik doe het liever zelf, dan het aan anderen over te laten, die de arme dieren somwijlen noodeloos martelen.”

Eindelijk vertelde Balzer zijn wedervaren en toonde, als bewijs van de waarheid, de striemen op zijn gezicht. Het meisje had hem met belangstelling aangehoord; zuchtend antwoordde zij: „dat is een slechte streek.” Daarna keerde zij zich om en kwam spoedig terug met een potje zalf. „Daar,” zeide zij, „smeer uw wonden met deze zalf in, in dien tijd zal ik naar mijn tante gaan, haar het gebeurde vertellen en schadevergoeding voor u vragen.”

Toen zij weg was, wilde Balzer weten wie deze jongejuffer was. De beide dienstmeiden prezen haar zeer en verafschuwden den jongenheer.

„Mijn tante,” luidde het antwoord van de jongejuffer, toen deze weder in de keukenverscheen, „kan het verhaal, zooals gij het vertelt, nog niet geheel gelooven; zij wil er eerst met den jongenheer over spreken, en vraagt of gij na den middag zoudt willen terugkomen?”

Toen Balzer eenige uren later weder in de keuken verscheen, zag hij het jonge meisje met de handen onder het hoofd aan een tafel zitten. Het meisje schrikte geweldig, toen zij eenige oogenblikken later het hoofd ophief en Balzer zag staan wachten. Met tranen in de oogen zag zij hem aan en zeide: „Ganzenvriend, (onder een anderen naam was Balzer in Neurenberg niet bekend) gij komt in vele huizen en bij vele familien, weet gij niet een dienst voor mij? Ik zie niet tegen werken op, maar nooit wil ik weer in een dienst zijn, waar een jongenheer in huis is. Loon heb ik niet noodig.”

„Op het oogenblik weet ik geen betrekking voor u,” antwoordde Balzer, „maar ik wil wel eens voor u uitkijken, misschien weet ik binnen eenige dagen wel iets voor u.”

„Hier is,” vervolgde Marianne, terwijl zij den ganzenkoopman een zakje met geld ter hand stelde, „het geld voor de ganzen, die gedood en beschadigd zijn.”

Na zich eenigen tijd bedacht te hebben, nam Balzer het geld aan. „Het was mij,” zeide hij, „minder om het geld te doen, dan wel, dat ik wilde dat de jongeheer voor zijn baldadigheid gestraft werd. Mijn plan was, hem voor het gerecht te laten komen, maar om u geen verder verdriet te doen, zal ik het er nu bij laten.”

Een week later verscheen Balzer weder in de keuken van mevrouw Siebold. „Ik heb,” zeide hij, na Marianne vriendelijk gegroet te hebben, „een dienst voor u, maar zij is op het platteland, twee uren van hier.”

„Dat is mij onverschillig,”viel Marianne hem in de rede.

„Men biedt u twintig gulden loon per jaar, benevens kost en inwoning,” vervolgde hij.

„Te veel, dat is veel te veel,” riep het meisje. „Ik heb om geen loon gevraagd. Waar woont die milde heerschap?”

„Het is geen heerschap,” antwoordde Balzer, „maar slechts een landman. En dat moet ik er u bijzeggen: er moet flink gewerkt worden; voor twintig gulden loon kan men ook iets vorderen.”

„Ik werk gaarne,” antwoordde Marianne,„deze beide dienstmeiden en zelfs mijn tante Siebold zullen moeten erkennen dat ik nooit met de handen in mijn boezelaar gezeten heb.”

„Dat hoor ik gaarne,” zeide Balzer, „want ik zou gaarne met mijn aanbeveling eer in leggen.”

„Welnu, zeg mij dan,” vervolgde Marianne, „waar het is en hoe de naam van den boer is, opdat ik een en ander aan tante vertellen kan.”

„Het dorp heet Dortingen,”antwoordde Balzer kalm, „en de naam van hem, die u huren wil, is Balthasar Tippel, hier in Neurenberg bekend onder den naam van Ganzenvriend.”

„Lieve Hemel! Gij?” riep Marianne, door deze inlichting getroffen. „Spot gij nu met een arme wees?”

„Volstrekt niet,” antwoordde Balzer op ernstigen toon, „het is zooals ik u gezegd heb.”

„Maar gij zijt,” vervolgde het meisje, terwijl een roode kleur haar wangen verfden, „nog een jongmensch, en ik heb u toch vooruit mijne bedenkingen gemaakt.”

„Ik ben dertig jaren oud,” vervolgde Balzer lachende, „daarbij ben ik geen jongenheeren ook weinig te huis. Bovendien, ik schenk u niet weinig vertrouwen, iets dat ik hoop dat door u gewaardeerd zal worden. Ik oefen in Dortingen een winkel uit in kramerijen, die door u gedreven moet worden. Zijt gij oneerlijk—iets dat ik niet geloof—dan kunt gij mij langen tijd benadeelen zonder dat ik er iets van bemerk. Denk over mijn voorstel na, totdat ik over drie dagen terugkom. In dien tijd kunt gij naar mij onderzoeken; verneemt gij iets in mijn nadeel, dan moet gij het mij openhartig zeggen, en kan ik het niet met grond tegenspreken, welnu, dan hebt gij verder niets met mij te maken.”

„Houd mij niet voor ondankbaar,” antwoordde Marianne, „dat ik uw aanbod niet terstond aanneem, maar er eerst rijpelijk over wil nadenken. Het zou zeer lichtzinnig van mij zijn en gij zoudt mij terecht voor onbezonnen houden als ik uw voorstel terstond aannam.”

„Dat antwoord had ik van u verwacht,” zeide Balzer, „uw besluit doet mij veel genoegen. Het blijft dus bij onze afspraak. Tot wederziens.”

Marianne besteedde de drie dagen, die zij had om te bedenken, met overal naar den handel, wandel en huiselijken toestand van Balzer te onderzoeken. Overal zwaaide men Ganzenvriend de grootste lof toe; bij ieder stond hij bekend als een eerlijk en vlijtig koopman en als een rechtschapen jongmensch.

Toen Balzer op den bestemden dag terugkwam, verklaarde Marianne zich bereid om de aangeboden betrekking te aanvaarden, en daar zij geen vaste verbindtenis met het huis Siebold aangegaan had, kon zij vertrekken zoo spoedig als zij wilde; iets, dat Balzer zeer aangenaam was.

Eenige dagen later kwam Balzer met zijn wagen, bespannen met twee paarden, voor de deur, waarop de bezittingen van Marianne geladen werden.

De jonge Siebold vond het allerprettigst dat Marianne dienstmeid werd bij Ganzenvriend. Hij kon het dan ook niet nalaten haar bij het vertrek hartelijk te bespotten.

Hij ging in zijn pakhuis en keerde met een gevulden grof linnen zak terug, die hij bij den inboedel van Marianne wierp. „Daar,” riep hij, tot een van zijn pakhuisknechten, „daar, gooidien zak bij den boedel van Marianne, dan kan zij haar pleegkinderen, de ganzen, daarmede voeden. Als zij die noten opeten, zullen zij dorst krijgen, en zich vet drinken. Marianne, als gij dezen zak ziet, denk dan aan mij; gij ziet, ik wil geen kwaad met kwaad vergelden.”

Marianne antwoordde geen woord op deze reden. Zij liet het zonder iets te zeggen toe, dat de knecht den zak op den wagen wierp. Het zou werkelijk een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen als het muskaatnoten waren; zij rekende daarop echter niet, want zij verbeelde zich, dat de zak, onder het op den wagen gooien, een zonderling geluid gaf.

Marianne ging naar haar tante, nam hartelijk afscheid, dankte voor alles wat zij bij haar genoten had, waarna de beide vrouwen als vriendinnen van elkander gingen.

„Zij schijnt nietnieuwsgierigte zijn,” dacht Balzer onder het huiswaarts rijden, „want zij onderzoekt niet eens wat er zich in den zak bevindt; als het muskaatnoten zijn, kan er wel vijf en twintig pond in zitten.”

Toen zij Dortingen binnen gereden waren, hield de wagen voor een eenzaam huisje stil, dat er uitzag als een dorpshuisje, met stroodakoverdekt, en slechts één verdieping hoog.

Balzer en Marianne stegen af en begonnen de pakken en kisten in huis te dragen. Een vrouw, die uit den winkel te voorschijn kwam, liep de nieuwe juffrouw tegemoet, en, na haar van boven tot onder waargenomen te hebben, bood zij haar hulp bij het werk aan. Balzer wees deze dienst van de hand, waarna zij zich weder in den winkel begaf.

Nadat de goederen op de slaapkamer van Marianne gebracht waren, leidde Balzer de nieuwe huishoudster het geheele huis door. Het gevolg hiervan was, dat Marianne een geheel ander en hooger denkbeeld van haar nieuwen heer en meester kreeg. Eerst kwam zij in een vertrek, dat rondom met kasten betimmerd was, waarin de bossen pennen, allen in verschillende soorten, geborgen waren. Daarna in een vertrek, waar de zakken veeren hemelhoog opgestapeld lagen; een derde vertrek werd gebruikt om alles, wat er verder van de gans bruikbaar gemaakt werd, te bewaren. In een vierde vertrek zag Marianne eenige vrouwen en meisjes, die zich bezig hielden met het zuiveren van dons en bereiden der pennen; overal heerschte bedrijvigheid,en men kon hieruit opmaken, dat in deze woning uitgebreide zaken gedreven werden. Het woonvertrek was eenvoudig, maar goed ingericht. Marianne merkte op, dat overal een onverbeterlijke orde heerschte, ofschoon men aan alles kon zien, dat er in de huishouding een goede vrouwenhand ontbrak, die, zonder zich weelde te veroorloven, alles tot een aangenaam geheel kon maken. Zij zag al spoedig, dat er met een weinig smaak veel, dat niet mooi was, opgeknapt kon worden; andere kleine snuisterijen opgepoetst of verwijderd moesten worden, in één woord, zij gevoelde dat zij in dat huis een dankbare rol spelen kon.

Balzer liet de oudste huishoudster niet vertrekken, vóór zij Marianne geheel op de hoogte van alles gebracht had, iets dat met een week afgeloopen was. Het was voor Marianne alsof haar een zwaar pak van het hart genomen werd, toen haar voorgangster vertrokken was, want zij was gedurende deze dagen niet lief voor Marianne geweest, en had duidelijk laten blijken dat zij haar de betrekking niet gunde. Nu eerst begon Marianne haar nieuwe taak. Het allereerst namzij den winkel tot taak; het koperwerk werd geschuurd, de laden en kasten schoon gemaakt, de toonbank gewreven, in één woord, de winkel was in een paar dagen zoo veranderd, dat ieder die er in kwam verbaasd stond te kijken, en nu nog veel meer dan vroeger kwamen om het een of ander te koopen.

Nu was de keuken aan de beurt om opgeknapt te worden. Het hout-, koper- en ijzerwerk werd van de wanden afgenomen, en toen het er weder tegen aan gehangen werd, glom alles als een spiegel. Daarna de woon- en slaapkamer, en zoo eindelijk alle vertrekken. Balzer gevoelde zich nu in huis nog gelukkiger dan vroeger. Ongemerkt werd hij bij alles wat hij deed nog ordelijker en zindelijker, en zorgde wel dat er geen vlekje op het heldere witte tafelkleed kwam, en liep niet meer op klompen het woonvertrek in, en nooit zag men hem van nu af meer buiten zijn werkplaats met een broek vol vlekken en modderspatten. Het was alsof hem het eten lekkerder smaakte, nu het door Marianne in zindelijke schotels op tafel gebracht werd, en ook de messen, lepels envorken glommen helderder dan vroeger. Hij genoot in stilte en sprak tegen Marianne nergens over; zij kon echter aan zijn gedrag zeer goed bemerken dat hetgeen zij deed niet onopgemerkt bleef.

Hij was, zooals Balzer gezegd had toen hij Marianne gehuurd had, dikwijls van huis; zijn uitgebreide zaken vorderden, dat hij veel reizen moest. Al spoedig bekorte hij zijn tochten en kwam vroeger te huis dan gewoonlijk. Eindelijk scheen hij minder lust in reizen te krijgen, en dikwerf liet hij zich woorden ontglippen, waaruit men kon opmaken, dat hij liever te huis bleef.

Balzer droeg Marianne de grootste achting toe, erkende het goede dat zij hem bewees, en ofschoon dit maakte, dat hij haar als zijn zuster behandelde, wist hij toch dien ernst te paren aan wat de afstand tusschen heer en dienstbode niet beletten.

Balzer bezat, buiten zijn woonhuis, nog een schoone boerderij, die door een zetbaas met zijn vrouw onder zijn beheer gedreven werd. Toen Balzer Marianne deze bezitting liet zien, zeide hij met eenigzins bevende stem: „Toen ik nog een arme ganzenjongen was, en nietsbezat dan twee jonge ganzen, die ik van de molenaarsvrouw present gekregen had, toen wilde de eigenaar van deze boerderij mij mijne bezitting ontstelen, iets, dat hem echter niet gelukt is. Later werd hij door eigen schuld arm, doordat hij zich in luiheid, dobbelen en drinken te buiten ging. Mijn pogingen om vooruit te komen, werden gezegend, zoodat ik, toen deze bezitting aan den meest biedende verkocht werd, eigenaar ben geworden van een landgoed, waaraan voor mij zulke merkwaardige herinneringen verbonden waren.”

Toen de drie eerste maanden verstreken waren, waarin Marianne de post van huishoudster vervuld had, betaalde Balzer haar, in plaats van vijf, tien gulden loon. Toen het meisje hierover zeer verwonderd was, zeide hij: „Neem dit geld, Marianne, gij hebt in deze drie maanden door uw vlijt en zindelijkheid meer dan het dubbele uitgewonnen, en mij het leven aangenaam gemaakt.”

Dit was de eerste keer dat Balzer zijn tevredenheid openlijk kenbaar maakte. Deze betuiging deed Marianne meer genoegen dan het verdubbelde loon. Toen het tweede kwartaalverstreken was en Balzer haar weder het loon gaf, zeide hij met bevende stem: „Marianne, ik moet u iets gewichtigs mededeelen, ik ben namelijk tot de overtuiging gekomen, dat ik een huisvrouw noodig heb.”

Toen Marianne dit vernam, werd zij bleek van schrik en keek Balzer met verbaasde oogen aan. Toen Balzer verder geen woord sprak, antwoordde het meisje op vragenden toon:

„Zijt gij dan niet meer met mijn werk tevreden?”

„Dat zeg ik niet,” antwoordde Balzer, „integendeel, ik heb alle reden om over uw werk meer dan tevreden te zijn. Maar laat mij openhartig zijn. Zooals gij weet, Marianne, mijn inboedel, voorraadschuren en huisraad zijn goed voorzien, en toch ontbreekt mij iets. Voor wie werk ik? Ik heb op de wereld geen sterveling, die deel in mijn geluk of ongeluk neemt, die mij in mijn ziekte zou willen oppassen, of bij sterven de oogen zou willen sluiten. Tot nu toe hebben de aardsche zorgen mij geen tijd gelaten hierover na te denken. Maar nadat het huiselijke leven zooveel aangenamer geworden is,gevoel ik inniger behoefte een deelgenoote in mijn geluk te hebben. Marianne, gij hebt een half jaar mij kunnen gadeslaan, zeg mij openhartig: zou een vrouw met mij gelukkig kunnen zijn? Gij weet, ik heb, evenals alle menschen, mijn gebreken.”

„Wel, baas,” antwoordde Marianne, „gij schat u zelve te gering, welke vrouw zou met u niet gelukkig kunnen zijn?”

„O,” antwoordde Balzer, „het zou mijn levensgeluk volmaken als ik een degelijke, vlijtige, deugdzame levensgezellin bezat. Marianne, zoudtgijmet mij lief en leed willen deelen?”

Deze laatste woorden maakten een diepen indruk op het meisje. Balzer, die nooit een overhaast besluit nam, wilde dit ook niet van Marianne; hij gaf haar daarom tijd om over zijn voorstel na te denken.

Marianne werd de vrouw van Balzer. Beiden deden wat in hun vermogen was om elkander het leven gelukkig te maken. Het huis Balthasar Tippel nam in welvaart toe, terwijl het huis Siebold in Hamburg jaarlijksachteruit ging. De jonge Siebold was door eigen schuld arm geworden; zijn moeder was van verdriet overleden; de zaak was te niet gegaan, en het huis stond ledig. Eerstdaags zouden de laatste goederen publiek verkocht worden.

In dezen tijd—het was jaarmarkt te Neurenberg—reed Balzer met zijn vrouw en drie gezonde kinderen in een net wagentje, met twee flinke paarden bespannen, naar de stad. Juist in dezelfde straat, waarin hij eenmaal met zijn ganzen geloopen, en de striemen over het gezicht gekregen had van den jongen Siebold, kwam hem een man in gebogen houding met versleten kleederen en ingevallen oogen tegen. Het was Siebold, die vroeger door zijn baldadigheid en geschreeuw diezelfde straat zooveel keeren in beweging gebracht had. Marianne herkende hem terstond en Siebold dook in elkander, toen hij zijn vroegere dienstbode gewaar werd. Sluw als een dief ontweek hij haar aanblik; Marianne weende bij dit gezicht en deelde haar man deze ontmoeting mede.

„Lieve hemel,” zeide zij, „wie had dat ooit gedacht, toen hij mij de baal galnoten, die hijvoor muskaatnoten hield, toewierp. Nog maak ik van deze noten de prachtige zwarte schrijfinkt, waarmede gij schrijft, en die wij nu nog aan de eerste kantoren verkoopen.”

„Die ongelukkige,” antwoordde Balzer op deelnemenden toon. „Zonder zijn toedoen is hij ons geluk bevorderlijk geweest, want had het voorval met de zweep niet plaats gehad, dan had ik u nimmer leeren kennen. Daarom zullen wij ons over hem ontfermen en zien of wij hem uit zijn ellendigen toestand redden kunnen. Willen wij het huis koopen en in de stad gaan wonen?” vroeg Balzer aan zijn vrouw, toen zij met het rijtuig voor het koopmanshuis stonden.

„Neen, o neen,” viel Marianne hem in de reden. „Waar zouden wij ons gelukkiger kunnen gevoelen dan in ons lief Dortingen. Neen, neen, en bovendien, het huis van Siebold heeft voor mij geen aangename herinneringen.”

„Ik meende het ook niet,” antwoordde Balzer op lachenden toon, „ofschoon Neurenberg voor mij altijd iets aantrekkelijks heeft.”

Terwijl Marianne met haar kinderen de markt overliepen en verschillende inkoopenin de stad deden, vervoegde Balzer zich bij een beroemd steenhouwer, Pankras Labenwolf genaamd, een leerling van den alombekenden Peter Besiler. Hij vond hem in gepeins verzonken in een leunstoel zitten, terwijl er een voltooide grafzerk, met zinnebeelden van den koophandel versierd, voor hem stond.

„Meester Labenwolf,” zoo begon Balzer, na eerst vriendelijk gegroet te hebben. „Ik kom bij u een monumentaal stuk bestellen.”

„Hebt gij geld?” vroeg de kunstenaar op niet zeer vriendelijken toon.

„Kent gij mij niet?” vroeg Balzer. „Ik ben Ganzenvriend.”

„Al waart gij onze burgemeester in eigen persoon,” schreeuwde de kunstenaar, „dan deed ik nog niets voor u zonder eerst geld te zien. Hebt gij den rijken koopman Siebold gekend? Die bestelde mij, eenige jaren geleden, dit gedenkteeken; het moest dienen om op het graf van zijn vader te prijken. Toen het stuk gereed en goed uitgevoerd was, was de rijke Siebold bankroet, en daar staat nu de gedenkzuil renteloos. Als gij wilt kunt gij haar voor den halven prijs koopen.”

„Ik dank u,” antwoordde Balzer hoofdschuddend.„Ik geloof gaarne, dat het een kunststuk is, maar ik moet geen gedenkstuk hebben voor een begraafplaats, ik wil iets hebben dat vrij en frank op de markt van Neurenberg prijken kan. Het moet tot nut zijn voor menschen en dieren. Maakt uw berekening en ik zal u vooruit betalen.”

De beide mannen spraken geruimen tijd met elkander, en nadat zij het over den koop eens geworden waren, voegde Balzer zich weder bij de zijnen, dien hij echter niets van zijn plan mededeelde.

Er verliepen twee jaren. In dien tijd had Balzer gezorgd, dat de jonge Siebold als klerk op een der eerste kantoren te Neurenberg geplaatst was.

Het was weder jaarmarkt en Balzer ging met vrouw en kinderen naar Neurenberg. Hij stalde in de eerste herberg binnen de poort en ging met de zijnen te voet de stad in. Spoedig waren zij op de markt bij de Lieve Vrouwenkerk. Hier stonden een menigte menschen belangstellend te kijken en met elkander te praten. Wat was het, dat daar boven al die hoofden zoo prachtig blonk? Balzer en de zijnen naderden den volksdrom.

„Dat heeft Ganzenvriend laten maken. Ja, het is Ganzenvriend,” hoorde men hier en daar roepen.

Met moeite drong Balzer met de zijnen door de menigte. Toen men hem echter herkende, gingen eenige lieden ter zijde om hem vrijen doortocht te verleenen. Marianne en de kinderen begrepen niets van alles wat zij rondom zich zagen. Eindelijk stonden zij voor het meesterstuk.

„Hoe vindt gij dit, Marianne?” vroeg Balzer, terwijl hij haar wees naar een prachtige fontein, die heldere waterstralen om zich heen wierp. Het was een meesterstuk van beeldhouwwerk; boven de fontein stond een jongen met twee ganzen onder de armen. Zoo kwam het, dat iedereen begreep dat Ganzenvriend de gever zijn moest van dit kunststuk.

Diep geroerd sprak Ganzenvriend tot zijn, vrouw en kinderen: „Hier op deze plaats stond ik eens met twee ganzen onder de armen, het was alles wat ik bezat; hier op deze plaats leerde ik vrouw Wimner kennen, die met Gods hulp den grondsteen gelegd heeft, waarop mijn geluk werd voortgebouwd. Uiterkentelijkheid voor al het goede, dat mij in deze stad is te beurt gevallen, heb ik haar dit blijvend gedenkteeken willen stichten. God zij gedankt voor zijn rijke weldaden.”

„Leve Ganzenvriend!” klonk het uit duizend monden.

Sedert zijn er driehonderd jaren verloopen. De tijd heeft alle daar aanwezenden naar het graf gevoerd. Hunne graven zijn reeds vervallen, met slijk en modder overdekt en onkenbaar geworden. Maar nog staat de fontein met den ganzenjongen op haar oude plaats; onvermoeid draagt hij zijne ganzen onder de armen, en stralen de heldere waterstroomen, die menschen en dieren verkwikken, over de markt. Er zijn op het gedenkstuk geen lofspreuken of zelfverheffende woorden gebeiteld; dat heeft Balthasar nimmer willen hebben.

De levensgeschiedenis van Ganzenvriend gaat over van geslacht tot geslacht, en nog wordt hij door de ouders den kinderen voorgespiegeld als een toonbeeld van vlijt en spaarzaamheid.

Rijke menschen hebben dikwerf, niettegenstaande zij veel geld bezitten, met vele kwalen te doen, waarvan de arme menschen geen begrip hebben. Want het zijn kwalen, die niet in de lucht zitten, maar in de vette schotels en gevulde glazen, in de zachte bedden en in de gemakkelijke stoelen. Zeker Amsterdammer wist daar alles van; den ganschen voormiddag zat hij gemakkelijk in zijn leuningstoel en rookte zijn pijp, als hij er niet te lui toe was, of zat door de glazen naar buiten te staren; des middags at hij zooveel als twee gewone menschen. Den geheelen namiddag besteedde hij met eten; nu koude, dan warme spijzen, niet omdat hij honger had, maar alleen uit tijdverdrijf. Dit hield hij vol tot des avonds, zoodat men eigenlijk niet bepalen kon wanneer zijn middagmaal afgeloopen of zijn avondmaal begonnen was. Als het laatste eindelijk afgeloopen was, vleidde hij zich ter ruste en was zoo vermoeid, alsof hij geheele dagen steenen gestapeldof hout gedragen had. Door deze levenswijze kreeg hij zoo'n dik lichaam, dat hij zich niet bewegen kon. Eindelijk had hij geen lust meer in eten en kon niet slapen; hij gevoelde zich niet goed en was wel niet ziek, maar ook niet gezond. Als men hem sprak, dan had hij 365 kwalen; iederen dag had hij iets anders dat hem kwelde. Hij riep den raad in van alle doktoren, die in Amsterdam waren. Hij slikte alle drankjes, poeders en pillen, waardoor hij den bijnaam kreeg van de wandelende apotheek. Het baatte hem echter niets, want hij volgde den raad niet op, die de geneesheeren hem gaven.

„Wat baat mij al mijn rijkdom,” klaagde hij, „als ik een leven slijten moet als een hond; de geneesheeren willen mij voor geld niet beter maken.”

Eindelijk hoorde hij, dat er, honderd uren van Amsterdam verwijderd, een geneesheer woonde, die dusdanige kranken volmaakt genezen kon. In dezen man stelde hij vertrouwen en beschreef hem zijn toestand. De geneesheer begreep terstond aan welke kwaal hij lijdende was, en dat geen geneesmiddelen, maar matigheid en beweging hem herstellenmoesten. Hij schreef hem daarom een brief van den volgenden inhoud:


Back to IndexNext