Achtste hoofdstuk.Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en instrumenten in de handen hielden, stonden.Cambyzestoch was eerst voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren, hem met vernieuwde woede aangegrepen1.Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van Phaedime, die ter wille van de Egyptische ’s konings gunst verloren had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den achtergrond bevonden zichhonderdenwaardigheidbekleeders en grooten.Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware leugens bevlekt!”Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât2; want hij heeft de hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft, de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt, al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden3.”»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters, en verworgt hem! Voert hem weg!—Zwijg, ellendeling, ik wil uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!”De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder, raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden, die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uwlevensstroom niet meer verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn.”Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan, in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene, had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij zich vermeten had den edelen Bartja een brief...”»Zwijg,” viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!”»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem, in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen, en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon, en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden, een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren geleider ons te gemoet kwam.»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij, op geen vier schreden afstands van ons.zoodat wij gelegenheid hadden hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in haar slaapvertrek liggen.”Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?”»Ja!”»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?”»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars.”»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning.”»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja, gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden.”»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?”»Ja!”»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?”»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden.”Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide: »Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen, wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?”»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen, dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben.”»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?” vroeg Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.»Wij!” »Ik!” »Wij!” riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als uit éen mond.»Verraders, schurken!” schreeuwde de koning. Als echter zijn oog den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht.”»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode,” zeide Araspes; »maar wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat wevan de jacht tehuis gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben.”»En,” liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges, zijne vlucht moet hebben begunstigd.”Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog: »Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?”»Spreek!”»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden, en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief, en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en gij verzekerdet: ‘Ik deed het niet,’ ik, Bartja, geheel Perzië zou logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen.”Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten, mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt, dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap ten grave dalen!”Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd, dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenstealler menschen te houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?”»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken.”Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis’ slaapvertrek gevonden.Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.»Dit is uw dolk, ellendeling!” brulde hij, en vloog andermaal in woeste drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had, den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen, want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?”»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij...”»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u, meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen, en breng de Egyptische vóor mij.—Maar neen, ik wil de slang niet meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik..”Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen, en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen,en haar eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis, schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar het rustbed van haar zoon, den koning.De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier lijfartsen4, zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken, hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid moest zijn.»Gij hebt gelijk, moeder,” antwoordde de koning, op smartelijken toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke broeder zal zijne boeleerster volgen.”Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten, en deze man was geen dief,maar de schoonste van alle Perzen, aan wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen.”»Kent gij den inhoud van dat schrijven?” waagde Cresus te vragen, terwijl hij het bed naderde.»Neen, het is in ’t Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte is te ontcijferen.”»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?”Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen voorlezen.”Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen op de dichters, die de vrouwen beschimpen5. Alle, alle zijn valsch en trouwloos!—O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden, gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden, dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!”En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem de volgende woorden las:»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den grooten Cyrus.»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen, en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet.”Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige, sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer, tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes niet tweemaal laten roepen, en zich doorvalsche eeden onteerd. Zijne vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster, dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans, ik moet alleen zijn.”Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven, onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn,” riep Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen, zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk voor ons leven verwedden.”»Zopyrus heeft gelijk,” voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig genoeg en wel voor altijd sluiten.”»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren,” zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!”»Hé, Bartja en Darius!” riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis6, want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen leven.”»Vóor alle dingen,” zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in den kring der drinkers,»moeten wij beproeven het voorgevallene te verklaren.”»Mij is het onverschillig,” riepZopyrus, »of ik met dan zonder deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldigben, en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze laatste levensuren gebrek lijden.”»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong te moeten sterven, verbittert u den wijn,” zeide Bartja.»Zoo waar ik nog leef, neen!” riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt.” Dit gezegd hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?”»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een booze Diw Bartja’s gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische is gegaan om ons in ’t ongeluk te storten.”»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen.”»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?”»Zeker!” riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?”»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!” riepen de jongelingen. Een oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend, halfzingend:“Als Kawoes koning was van ’t Perzisch rijk,En er geen koning was aan hem gelijk.Als hij de wereld voor zich beven zag,Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,Zijn kroon met diamanten overstrooid,Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,En zich verzaadde aan fonklend druivennatVertoonde een Diw zich aan de poort van ’t hof,In zangerdos gehuld, en vroeg verlofOm tot den koning in ’t paleis te gaan:‘Ik ben een zanger uit Masenderan7,’Zóo klonk zijn taal;‘ontga mij ’t voorrecht nietDes konings oor te streelen met mijn lied.’’t Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.“Hij nader,” sprak de vorst, “en toon zijn’ kunst!”Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,En zong dit loflied op Masenderan.”»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?”»Zing steeds voort!”“O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;De zegen Gods dale op uw vlakten neer,Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,Waar ’t groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,De nachtegaal in ’t loof der wouden zingt,De hinde langs den rug der bergen springt,De lucht steeds klaar is en het leven zoet,Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,En weelde en wellust in de zielen giet;—Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen:8Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,De zilvren vloed zich voort; daar is de jachtNooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.Daar schittert alles. Louter goud is daarHet hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.De grooten spreiden er hun glans ten toonIn gouden borstborduursels, rijk en schoon.Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,Die kent het waar geluk des levens niet.”9»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan, alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd.”»Maar,” viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf den blinde het gezicht weder, door hemhet bloed der gedoode Diws in de oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen zullen bevrijd,Cambyzesen onzen met blindheid geslagen vaders zullen de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun, dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers.”»Ik heb het altijd wel gezegd,” viel Araspes hem in de rede, »dat slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd.”»Gruwzaam mensch!” riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren, dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den hals in een strop?”»Gij hebt volkomen gelijk!” antwoordde de oude;»ik heb menigeen zien sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze, ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden geweest, dan de tegenwoordige.”»Vertel ons iets uit die dagen!”»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken.”»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!—Toen ik jong was, vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteenoprichten, die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze eenvoudige woorden zijn er op vermeld: ‘Aan Panthea, aan Abradat, en aan de trouwsten van alle dienaren!’—Ziet, kinderen, wie eenmaal zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere denken.”10De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep: »O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken dood sterven?”Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet, en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met geopende armen.Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng; zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis vergiftigd.”Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter Cresus het woord »bedrogen” uitsprak, balde hij zijne vuisten, en stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!”Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan, en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend, om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet bij uwe trouweloosheid.”Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne wangen werden doodsbleek.Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om ’s jongelings hals, en vroeg hem, gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve, arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan den booze overgaf?”Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed, onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn, om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken.Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide: »Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden geloofdet, zoo hard te veroordeelen.”De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als een brandende fakkelin zijn hart geworpen, om het laatste overschot van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.»Ik verliet den koning,” zoo besloot hij,»vast en zeker overtuigd van de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp, die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?”»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?” riep Bartja, de handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden gelooven. Waart gij mij slechts genegen....”»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was, den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!”Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der verdachten.Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals de onmogelijkheid van Bartja’s schuld. Daarop eischte hij dat Bartja, dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen, en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al detegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren allen het eens, dat Nitetis Bartjabeminde, en den brief met booze bedoelingen geschreven had.»Wie haar gezien heeft,” riep Darius uit,—»op het oogenblik dat Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen, kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen: de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers.”Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen.»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken,” mompelde Bartja.»Neen,” sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in de eeuwigheid.”1Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen “de heilige” noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.2Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô gebonden en naar de hel gesleept. Vgl.Tiele, a. w. bl. 251 v.3Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.4Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde aan het leven hechtten, zich in ’t bijzonder op de geneeskunst toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.5Zie boven blz.92.6Een booze geest, die de menschen doodt.7Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.8In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.9Dit schoone gezang is ontleend aan het “Koningsboek” van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het “Zend-Avesta” een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.10Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft ter wille van zijn held Cyrus.Negende hoofdstuk.Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen, had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart, dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking is gebracht.” Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken, dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd was, haar wel vurig liefhebben.Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven, mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende stralen verzengde, en er nog altijdgeene boodschap van hem, dien zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde, naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis, en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster, dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd, haar minnaar rustig kunnen verbeiden.Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden, of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!” beval zij de dienstmaagdenwelke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven, in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden, beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan; ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen, of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef gelukkig, mijn hartediefje!”De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven, verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen, en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu het ergste van ’s vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder, en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden: »ik ben onschuldig,” beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat, gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen, zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu afverheugde zij er zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve: »Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde.” Eindelijk kwam zij op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen, vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja, dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve, om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren.”Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen, want ik heb nog maar korten tijd te waken!”Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land, die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden, die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare ziel, behouden mocht blijven1. Dit »indien ten minste”bracht haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel afhankelijk was van het behouden blijven van ’s menschen stoffelijk overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis, en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten:“U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,Dien elke dag door eigen scheppingskrachtVerjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.“U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,Zoover ’t azuren vlak des hemels strekt,O bron des lichts, die uit het blauwe meir,Daar boven zegen stort, en leven wekt!“Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkransRoept vreugde en hoop in ’t onbevlekt gemoed,Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten transUw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.“Zoo roepen mensch en goden blij te moê,O hemeltelg! u ’t welkom, welkom toe2.”Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht, in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen, mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep, en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland zijn van den Phoenix3, den vogel uit het palmenland, die, gelijk de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde, om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel, uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen, een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen, althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno4, de vogel van Ra. In deze godsdienstigestemming zonk zij andermaal op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:“Ik roei door den ether, ik spreid aan den transMijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.Die dank ik den Schepper; zijn glorie en machtStraalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en prachtHet bloementapijt evenaart, dat in MeiDen akker bedekt en de grazige wei,Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;’t Is kunstig geweven, ’t is heerlijk gemaakt,Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt5.”Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had, waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest, met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was, op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon gewoonlijk troost in ’t harte, terwijl dezelfde zon met haar rein licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane, gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen, teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben, indien zij daardoorhare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op, zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad, dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven, neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis, ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen, hoe deze zoo gerust kon slapen.Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen, op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest; want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning verliet, om zich naar Phaedime te begeven.De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds wasde mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen, zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet, hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.»Bedaar, mijn duifje!” zeide Boges, zijne vleezige hand op haar schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.—Ja, deze liefkoozing heb ik wel verdiend!—Zoo, nu lig ik goed en kan beginnen.—Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn zaakgelastigde....”»Altemaal dwaasheid!” riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik wil weten wat er heden is voorgevallen.”»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind6! Zoo gij mij nog eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt.”»Neen, neen,” begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren, wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van slavinnen en eunuchen tot mijkwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij, wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren.”Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende: »Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb.”Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden, en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht, scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken, als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen7. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest8daar was, verzamelden zich alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij, juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen, om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den koning moest overbrengen, meende ik eengeestverschijning te zien, zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden, en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten, spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op, dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje, dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde, naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af, zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou, indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon, als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er op aan de ijverzucht van den koningopnieuwte doen ontbranden, en de Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen, bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken bleef, dat zij als in het nest van den Simurg9leefde. Het overige weet gij!”»Maar hoe ontkwam Gaumata?”»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan, dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja ’s avonds met zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen, zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!‘Nitetis, de overspelige dochter van den koning van Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode levend begraven worden.—Dit bevel wordt den overste der eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.’»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen,toen de moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen de zaal binnenvloog.—Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken, beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar, en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den mond.—Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn van hare schuld.—Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!”Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten, met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om den hals.1zie boven bl.59, v. Daar de afgestorvene, volgens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.2Naar eengrafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt bewaard.3zie boven bl.59.4Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.5Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doodenboek, “het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel” geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of van andere vogels voorgesteld.6Ader bet. Maart.7De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.8In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.9De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.
Achtste hoofdstuk.Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en instrumenten in de handen hielden, stonden.Cambyzestoch was eerst voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren, hem met vernieuwde woede aangegrepen1.Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van Phaedime, die ter wille van de Egyptische ’s konings gunst verloren had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den achtergrond bevonden zichhonderdenwaardigheidbekleeders en grooten.Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware leugens bevlekt!”Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât2; want hij heeft de hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft, de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt, al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden3.”»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters, en verworgt hem! Voert hem weg!—Zwijg, ellendeling, ik wil uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!”De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder, raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden, die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uwlevensstroom niet meer verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn.”Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan, in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene, had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij zich vermeten had den edelen Bartja een brief...”»Zwijg,” viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!”»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem, in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen, en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon, en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden, een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren geleider ons te gemoet kwam.»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij, op geen vier schreden afstands van ons.zoodat wij gelegenheid hadden hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in haar slaapvertrek liggen.”Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?”»Ja!”»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?”»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars.”»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning.”»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja, gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden.”»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?”»Ja!”»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?”»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden.”Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide: »Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen, wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?”»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen, dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben.”»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?” vroeg Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.»Wij!” »Ik!” »Wij!” riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als uit éen mond.»Verraders, schurken!” schreeuwde de koning. Als echter zijn oog den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht.”»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode,” zeide Araspes; »maar wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat wevan de jacht tehuis gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben.”»En,” liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges, zijne vlucht moet hebben begunstigd.”Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog: »Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?”»Spreek!”»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden, en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief, en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en gij verzekerdet: ‘Ik deed het niet,’ ik, Bartja, geheel Perzië zou logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen.”Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten, mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt, dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap ten grave dalen!”Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd, dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenstealler menschen te houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?”»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken.”Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis’ slaapvertrek gevonden.Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.»Dit is uw dolk, ellendeling!” brulde hij, en vloog andermaal in woeste drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had, den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen, want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?”»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij...”»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u, meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen, en breng de Egyptische vóor mij.—Maar neen, ik wil de slang niet meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik..”Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen, en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen,en haar eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis, schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar het rustbed van haar zoon, den koning.De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier lijfartsen4, zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken, hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid moest zijn.»Gij hebt gelijk, moeder,” antwoordde de koning, op smartelijken toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke broeder zal zijne boeleerster volgen.”Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten, en deze man was geen dief,maar de schoonste van alle Perzen, aan wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen.”»Kent gij den inhoud van dat schrijven?” waagde Cresus te vragen, terwijl hij het bed naderde.»Neen, het is in ’t Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte is te ontcijferen.”»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?”Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen voorlezen.”Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen op de dichters, die de vrouwen beschimpen5. Alle, alle zijn valsch en trouwloos!—O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden, gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden, dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!”En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem de volgende woorden las:»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den grooten Cyrus.»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen, en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet.”Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige, sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer, tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes niet tweemaal laten roepen, en zich doorvalsche eeden onteerd. Zijne vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster, dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans, ik moet alleen zijn.”Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven, onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn,” riep Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen, zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk voor ons leven verwedden.”»Zopyrus heeft gelijk,” voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig genoeg en wel voor altijd sluiten.”»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren,” zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!”»Hé, Bartja en Darius!” riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis6, want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen leven.”»Vóor alle dingen,” zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in den kring der drinkers,»moeten wij beproeven het voorgevallene te verklaren.”»Mij is het onverschillig,” riepZopyrus, »of ik met dan zonder deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldigben, en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze laatste levensuren gebrek lijden.”»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong te moeten sterven, verbittert u den wijn,” zeide Bartja.»Zoo waar ik nog leef, neen!” riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt.” Dit gezegd hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?”»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een booze Diw Bartja’s gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische is gegaan om ons in ’t ongeluk te storten.”»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen.”»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?”»Zeker!” riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?”»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!” riepen de jongelingen. Een oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend, halfzingend:“Als Kawoes koning was van ’t Perzisch rijk,En er geen koning was aan hem gelijk.Als hij de wereld voor zich beven zag,Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,Zijn kroon met diamanten overstrooid,Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,En zich verzaadde aan fonklend druivennatVertoonde een Diw zich aan de poort van ’t hof,In zangerdos gehuld, en vroeg verlofOm tot den koning in ’t paleis te gaan:‘Ik ben een zanger uit Masenderan7,’Zóo klonk zijn taal;‘ontga mij ’t voorrecht nietDes konings oor te streelen met mijn lied.’’t Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.“Hij nader,” sprak de vorst, “en toon zijn’ kunst!”Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,En zong dit loflied op Masenderan.”»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?”»Zing steeds voort!”“O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;De zegen Gods dale op uw vlakten neer,Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,Waar ’t groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,De nachtegaal in ’t loof der wouden zingt,De hinde langs den rug der bergen springt,De lucht steeds klaar is en het leven zoet,Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,En weelde en wellust in de zielen giet;—Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen:8Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,De zilvren vloed zich voort; daar is de jachtNooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.Daar schittert alles. Louter goud is daarHet hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.De grooten spreiden er hun glans ten toonIn gouden borstborduursels, rijk en schoon.Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,Die kent het waar geluk des levens niet.”9»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan, alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd.”»Maar,” viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf den blinde het gezicht weder, door hemhet bloed der gedoode Diws in de oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen zullen bevrijd,Cambyzesen onzen met blindheid geslagen vaders zullen de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun, dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers.”»Ik heb het altijd wel gezegd,” viel Araspes hem in de rede, »dat slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd.”»Gruwzaam mensch!” riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren, dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den hals in een strop?”»Gij hebt volkomen gelijk!” antwoordde de oude;»ik heb menigeen zien sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze, ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden geweest, dan de tegenwoordige.”»Vertel ons iets uit die dagen!”»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken.”»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!—Toen ik jong was, vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteenoprichten, die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze eenvoudige woorden zijn er op vermeld: ‘Aan Panthea, aan Abradat, en aan de trouwsten van alle dienaren!’—Ziet, kinderen, wie eenmaal zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere denken.”10De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep: »O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken dood sterven?”Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet, en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met geopende armen.Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng; zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis vergiftigd.”Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter Cresus het woord »bedrogen” uitsprak, balde hij zijne vuisten, en stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!”Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan, en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend, om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet bij uwe trouweloosheid.”Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne wangen werden doodsbleek.Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om ’s jongelings hals, en vroeg hem, gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve, arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan den booze overgaf?”Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed, onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn, om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken.Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide: »Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden geloofdet, zoo hard te veroordeelen.”De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als een brandende fakkelin zijn hart geworpen, om het laatste overschot van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.»Ik verliet den koning,” zoo besloot hij,»vast en zeker overtuigd van de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp, die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?”»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?” riep Bartja, de handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden gelooven. Waart gij mij slechts genegen....”»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was, den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!”Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der verdachten.Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals de onmogelijkheid van Bartja’s schuld. Daarop eischte hij dat Bartja, dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen, en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al detegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren allen het eens, dat Nitetis Bartjabeminde, en den brief met booze bedoelingen geschreven had.»Wie haar gezien heeft,” riep Darius uit,—»op het oogenblik dat Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen, kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen: de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers.”Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen.»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken,” mompelde Bartja.»Neen,” sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in de eeuwigheid.”1Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen “de heilige” noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.2Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô gebonden en naar de hel gesleept. Vgl.Tiele, a. w. bl. 251 v.3Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.4Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde aan het leven hechtten, zich in ’t bijzonder op de geneeskunst toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.5Zie boven blz.92.6Een booze geest, die de menschen doodt.7Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.8In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.9Dit schoone gezang is ontleend aan het “Koningsboek” van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het “Zend-Avesta” een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.10Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft ter wille van zijn held Cyrus.Negende hoofdstuk.Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen, had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart, dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking is gebracht.” Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken, dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd was, haar wel vurig liefhebben.Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven, mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende stralen verzengde, en er nog altijdgeene boodschap van hem, dien zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde, naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis, en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster, dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd, haar minnaar rustig kunnen verbeiden.Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden, of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!” beval zij de dienstmaagdenwelke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven, in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden, beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan; ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen, of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef gelukkig, mijn hartediefje!”De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven, verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen, en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu het ergste van ’s vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder, en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden: »ik ben onschuldig,” beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat, gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen, zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu afverheugde zij er zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve: »Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde.” Eindelijk kwam zij op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen, vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja, dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve, om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren.”Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen, want ik heb nog maar korten tijd te waken!”Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land, die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden, die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare ziel, behouden mocht blijven1. Dit »indien ten minste”bracht haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel afhankelijk was van het behouden blijven van ’s menschen stoffelijk overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis, en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten:“U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,Dien elke dag door eigen scheppingskrachtVerjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.“U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,Zoover ’t azuren vlak des hemels strekt,O bron des lichts, die uit het blauwe meir,Daar boven zegen stort, en leven wekt!“Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkransRoept vreugde en hoop in ’t onbevlekt gemoed,Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten transUw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.“Zoo roepen mensch en goden blij te moê,O hemeltelg! u ’t welkom, welkom toe2.”Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht, in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen, mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep, en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland zijn van den Phoenix3, den vogel uit het palmenland, die, gelijk de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde, om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel, uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen, een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen, althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno4, de vogel van Ra. In deze godsdienstigestemming zonk zij andermaal op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:“Ik roei door den ether, ik spreid aan den transMijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.Die dank ik den Schepper; zijn glorie en machtStraalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en prachtHet bloementapijt evenaart, dat in MeiDen akker bedekt en de grazige wei,Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;’t Is kunstig geweven, ’t is heerlijk gemaakt,Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt5.”Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had, waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest, met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was, op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon gewoonlijk troost in ’t harte, terwijl dezelfde zon met haar rein licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane, gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen, teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben, indien zij daardoorhare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op, zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad, dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven, neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis, ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen, hoe deze zoo gerust kon slapen.Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen, op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest; want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning verliet, om zich naar Phaedime te begeven.De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds wasde mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen, zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet, hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.»Bedaar, mijn duifje!” zeide Boges, zijne vleezige hand op haar schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.—Ja, deze liefkoozing heb ik wel verdiend!—Zoo, nu lig ik goed en kan beginnen.—Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn zaakgelastigde....”»Altemaal dwaasheid!” riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik wil weten wat er heden is voorgevallen.”»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind6! Zoo gij mij nog eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt.”»Neen, neen,” begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren, wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van slavinnen en eunuchen tot mijkwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij, wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren.”Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende: »Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb.”Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden, en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht, scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken, als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen7. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest8daar was, verzamelden zich alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij, juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen, om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den koning moest overbrengen, meende ik eengeestverschijning te zien, zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden, en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten, spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op, dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje, dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde, naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af, zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou, indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon, als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er op aan de ijverzucht van den koningopnieuwte doen ontbranden, en de Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen, bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken bleef, dat zij als in het nest van den Simurg9leefde. Het overige weet gij!”»Maar hoe ontkwam Gaumata?”»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan, dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja ’s avonds met zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen, zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!‘Nitetis, de overspelige dochter van den koning van Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode levend begraven worden.—Dit bevel wordt den overste der eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.’»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen,toen de moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen de zaal binnenvloog.—Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken, beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar, en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den mond.—Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn van hare schuld.—Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!”Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten, met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om den hals.1zie boven bl.59, v. Daar de afgestorvene, volgens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.2Naar eengrafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt bewaard.3zie boven bl.59.4Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.5Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doodenboek, “het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel” geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of van andere vogels voorgesteld.6Ader bet. Maart.7De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.8In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.9De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.
Achtste hoofdstuk.Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en instrumenten in de handen hielden, stonden.Cambyzestoch was eerst voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren, hem met vernieuwde woede aangegrepen1.Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van Phaedime, die ter wille van de Egyptische ’s konings gunst verloren had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den achtergrond bevonden zichhonderdenwaardigheidbekleeders en grooten.Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware leugens bevlekt!”Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât2; want hij heeft de hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft, de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt, al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden3.”»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters, en verworgt hem! Voert hem weg!—Zwijg, ellendeling, ik wil uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!”De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder, raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden, die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uwlevensstroom niet meer verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn.”Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan, in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene, had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij zich vermeten had den edelen Bartja een brief...”»Zwijg,” viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!”»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem, in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen, en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon, en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden, een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren geleider ons te gemoet kwam.»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij, op geen vier schreden afstands van ons.zoodat wij gelegenheid hadden hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in haar slaapvertrek liggen.”Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?”»Ja!”»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?”»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars.”»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning.”»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja, gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden.”»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?”»Ja!”»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?”»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden.”Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide: »Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen, wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?”»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen, dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben.”»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?” vroeg Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.»Wij!” »Ik!” »Wij!” riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als uit éen mond.»Verraders, schurken!” schreeuwde de koning. Als echter zijn oog den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht.”»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode,” zeide Araspes; »maar wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat wevan de jacht tehuis gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben.”»En,” liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges, zijne vlucht moet hebben begunstigd.”Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog: »Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?”»Spreek!”»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden, en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief, en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en gij verzekerdet: ‘Ik deed het niet,’ ik, Bartja, geheel Perzië zou logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen.”Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten, mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt, dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap ten grave dalen!”Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd, dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenstealler menschen te houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?”»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken.”Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis’ slaapvertrek gevonden.Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.»Dit is uw dolk, ellendeling!” brulde hij, en vloog andermaal in woeste drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had, den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen, want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?”»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij...”»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u, meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen, en breng de Egyptische vóor mij.—Maar neen, ik wil de slang niet meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik..”Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen, en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen,en haar eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis, schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar het rustbed van haar zoon, den koning.De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier lijfartsen4, zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken, hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid moest zijn.»Gij hebt gelijk, moeder,” antwoordde de koning, op smartelijken toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke broeder zal zijne boeleerster volgen.”Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten, en deze man was geen dief,maar de schoonste van alle Perzen, aan wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen.”»Kent gij den inhoud van dat schrijven?” waagde Cresus te vragen, terwijl hij het bed naderde.»Neen, het is in ’t Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte is te ontcijferen.”»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?”Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen voorlezen.”Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen op de dichters, die de vrouwen beschimpen5. Alle, alle zijn valsch en trouwloos!—O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden, gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden, dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!”En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem de volgende woorden las:»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den grooten Cyrus.»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen, en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet.”Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige, sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer, tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes niet tweemaal laten roepen, en zich doorvalsche eeden onteerd. Zijne vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster, dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans, ik moet alleen zijn.”Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven, onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn,” riep Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen, zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk voor ons leven verwedden.”»Zopyrus heeft gelijk,” voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig genoeg en wel voor altijd sluiten.”»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren,” zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!”»Hé, Bartja en Darius!” riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis6, want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen leven.”»Vóor alle dingen,” zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in den kring der drinkers,»moeten wij beproeven het voorgevallene te verklaren.”»Mij is het onverschillig,” riepZopyrus, »of ik met dan zonder deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldigben, en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze laatste levensuren gebrek lijden.”»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong te moeten sterven, verbittert u den wijn,” zeide Bartja.»Zoo waar ik nog leef, neen!” riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt.” Dit gezegd hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?”»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een booze Diw Bartja’s gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische is gegaan om ons in ’t ongeluk te storten.”»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen.”»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?”»Zeker!” riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?”»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!” riepen de jongelingen. Een oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend, halfzingend:“Als Kawoes koning was van ’t Perzisch rijk,En er geen koning was aan hem gelijk.Als hij de wereld voor zich beven zag,Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,Zijn kroon met diamanten overstrooid,Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,En zich verzaadde aan fonklend druivennatVertoonde een Diw zich aan de poort van ’t hof,In zangerdos gehuld, en vroeg verlofOm tot den koning in ’t paleis te gaan:‘Ik ben een zanger uit Masenderan7,’Zóo klonk zijn taal;‘ontga mij ’t voorrecht nietDes konings oor te streelen met mijn lied.’’t Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.“Hij nader,” sprak de vorst, “en toon zijn’ kunst!”Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,En zong dit loflied op Masenderan.”»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?”»Zing steeds voort!”“O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;De zegen Gods dale op uw vlakten neer,Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,Waar ’t groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,De nachtegaal in ’t loof der wouden zingt,De hinde langs den rug der bergen springt,De lucht steeds klaar is en het leven zoet,Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,En weelde en wellust in de zielen giet;—Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen:8Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,De zilvren vloed zich voort; daar is de jachtNooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.Daar schittert alles. Louter goud is daarHet hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.De grooten spreiden er hun glans ten toonIn gouden borstborduursels, rijk en schoon.Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,Die kent het waar geluk des levens niet.”9»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan, alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd.”»Maar,” viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf den blinde het gezicht weder, door hemhet bloed der gedoode Diws in de oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen zullen bevrijd,Cambyzesen onzen met blindheid geslagen vaders zullen de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun, dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers.”»Ik heb het altijd wel gezegd,” viel Araspes hem in de rede, »dat slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd.”»Gruwzaam mensch!” riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren, dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den hals in een strop?”»Gij hebt volkomen gelijk!” antwoordde de oude;»ik heb menigeen zien sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze, ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden geweest, dan de tegenwoordige.”»Vertel ons iets uit die dagen!”»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken.”»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!—Toen ik jong was, vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteenoprichten, die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze eenvoudige woorden zijn er op vermeld: ‘Aan Panthea, aan Abradat, en aan de trouwsten van alle dienaren!’—Ziet, kinderen, wie eenmaal zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere denken.”10De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep: »O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken dood sterven?”Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet, en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met geopende armen.Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng; zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis vergiftigd.”Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter Cresus het woord »bedrogen” uitsprak, balde hij zijne vuisten, en stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!”Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan, en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend, om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet bij uwe trouweloosheid.”Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne wangen werden doodsbleek.Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om ’s jongelings hals, en vroeg hem, gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve, arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan den booze overgaf?”Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed, onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn, om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken.Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide: »Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden geloofdet, zoo hard te veroordeelen.”De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als een brandende fakkelin zijn hart geworpen, om het laatste overschot van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.»Ik verliet den koning,” zoo besloot hij,»vast en zeker overtuigd van de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp, die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?”»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?” riep Bartja, de handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden gelooven. Waart gij mij slechts genegen....”»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was, den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!”Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der verdachten.Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals de onmogelijkheid van Bartja’s schuld. Daarop eischte hij dat Bartja, dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen, en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al detegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren allen het eens, dat Nitetis Bartjabeminde, en den brief met booze bedoelingen geschreven had.»Wie haar gezien heeft,” riep Darius uit,—»op het oogenblik dat Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen, kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen: de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers.”Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen.»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken,” mompelde Bartja.»Neen,” sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in de eeuwigheid.”1Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen “de heilige” noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.2Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô gebonden en naar de hel gesleept. Vgl.Tiele, a. w. bl. 251 v.3Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.4Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde aan het leven hechtten, zich in ’t bijzonder op de geneeskunst toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.5Zie boven blz.92.6Een booze geest, die de menschen doodt.7Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.8In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.9Dit schoone gezang is ontleend aan het “Koningsboek” van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het “Zend-Avesta” een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.10Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft ter wille van zijn held Cyrus.
Twee uren later stonden Bartja en zijne vrienden voor den koning. Doodsbleek en met holle oogen zat de sterke man op zijn gouden zetel, waarachter twee lijfartsen, die allerlei vaatwerk en instrumenten in de handen hielden, stonden.Cambyzestoch was eerst voor eenige minuten weer tot zijn bewustzijn gekomen, nadat hij langer dan een uur, onder een aanval dier vreeselijke krankheid, die lichaam en ziel beiden uitput en sloopt, en die wij met den naam van vallende ziekte of epilepsie bestempelen, had neergelegen. Sedert de aankomst van Nitetis was hij van zulke aanvallen verschoond gebleven, maar heden had de ziekte, tengevolge van gemoedsbewegingen van de laatste uren, hem met vernieuwde woede aangegrepen1.
Had hij Bartja een paar uur geleden ontmoet, hij zou hem met eigen hand gedood hebben. Het toeval had evenwel zijne woede, zoo al niet geheel neergezet, dan toch in zooverre doen bedaren, dat hij in staat was beschuldigers en beschuldigden beiden te hooren. Rechts van den troon stonden Hystaspes, de grijze vader van Darius, Gobryas, de toekomstige schoonvader van dezen, de hoogbejaarde Intaphernes, de grootvader van Phaedime, die ter wille van de Egyptische ’s konings gunst verloren had, de opperpriester Oropastes, Cresus, en achter dezen Boges, de overste der eunuchen. Links stonden Bartja, wiens handen met zware ketenen beladen waren, Araspes, Darius, Zopyrus en Gyges. Meer op den achtergrond bevonden zichhonderdenwaardigheidbekleeders en grooten.
Na lang het stilzwijgen bewaard te hebben, hief de koning zijne oogen op, liet ze een oogenblik vol afkeer en toorn op den geketenden jongeling rusten, en sprak dan met doffe stem:
»Opperpriester, zeg ons, wat hem te wachten staat, die zijn broeder bedriegt, den koning onteert en beleedigt en zijn hart met zware leugens bevlekt!”
Oropastes trad vooruit en antwoordde: »Hem wacht, zoodra hij van zijne misdaden overtuigd zal zijn, een pijnlijken dood in deze wereld en een vreeselijk oordeel op de brug Schinvât2; want hij heeft de hoogste geboden overtreden en, omdat hij drie misdaden begaan heeft, de genade onzer wet verbeurd, welke hem die slechts eenmaal zondigt, al ware het maar een slaaf, het leven laat behouden3.”
»Derhalve is Bartja des doods schuldig! Voert hem weg, wachters, en verworgt hem! Voert hem weg!—Zwijg, ellendeling, ik wil uw huichelachtig geteem nimmermeer hooren, nimmermeer in deze leugenachtige oogen zien, die slechts tot verleiding geschapen zijn en den Diws hunnen oorsprong danken. Voort met hem, wachters!”
De hoofdman Bischen naderde, om het bevel ten uitvoer te leggen. Thans trad echter Cresus voor den koning, wierp zich voor den troon neder, raakte den grond met het voorhoofd aan, hief de handen smeekend op en sprak: »Ieder jaar, iedere dag brenge u niets dan geluk! Aoeramazda schenke u al het goede des levens en de Amescha Çpenta mogen de wachters van uw troon zijn! Sluit uw oor niet voor de woorden van een grijsaard, en bedenk dat Cyrus, uw vader, mij als uw raadsman heeft aanbevolen. Gij wilt uw broeder doen ombrengen; ik waarschuw u echter aan uw toorn geen gehoor te geven, maar met al de kracht die in u is u zelven te beheerschen! Bedachtzaamheid is de plicht van wijzen en koningen. Wacht u wel het bloed van een broeder te vergieten, want weet, dat de dampen er van opstijgen ten hemel en tot wolken worden, die al de dagen van een moordenaar verduisteren, en eindelijk den bliksem der wrake op hem nederslingeren. Maar ik weet dat gij richten en niet moorden wilt. Handel dus naar de wijze van hen, die bij het rechtspreken beide partijen hooren, alvorens uitspraak te doen. Hebt gij dit gedaan, is de misdadiger overtuigd geworden en heeft hij zijn schuld moeten belijden, dan zal de bloedwolk uwlevensstroom niet meer verduisteren, maar u beschaduwen. In de plaats van de straf der goden zult gij u den roem verwerven van een verstandig rechter te zijn.”
Cambyzes hoorde den grijsaard zwijgend aan, wenkte Bischen om terug te treden, en beval Boges zijn aanklacht te herhalen.
De eunuch boog en begon: »Ik was ziek, en moest daarom het opzicht over de Egyptische opdragen aan mijn ambtgenoot Candaules, die zijne onachtzaamheid met den dood bekocht. Tegen den avond voelde ik mij veel beter, en beklom dus de hangende tuinen, om te zien of alles in orde was, en de zeldzame bloem, die dezen nacht in bloei moest staan, in oogenschouw te nemen. De koning, wien Aoeramazda zege verleene, had geboden de Egyptische strenger te bewaken dan anders, wijl zij zich vermeten had den edelen Bartja een brief...”
»Zwijg,” viel de koning den eunuch in de rede, »en blijf bij de zaak!”
»Toen de Tistar-ster was opgegaan, kwam ik op de tuinen, en stond eenigen tijd met deze edele Achaemeniden, den opperpriester en den koning Cresus bij de blauwe lelie, want die was inderdaad betooverend schoon. Daarop riep ik mijn ambtgenoot Candaules, en vroeg hem, in tegenwoordigheid dezer aanzienlijke getuigen, of alles in orde was. Hij beantwoordde deze vraag toestemmend, en voegde er bij, dat hij juist van Nitetis kwam, die den ganschen dag geweend had en drank noch spijze had willen gebruiken. Bezorgd voor de gezondheid mijner hooge gebiedster, droeg ik Candaules op een geneesheer te halen, en juist wilde ik, om mij zelven van den toestand uwer gemalin te overtuigen, van de edele Achaemeniden afscheid nemen, toen ik in den maneschijn eene mannelijke gedaante gewaar werd. Ik was zoo zwak tengevolge der doorgestane koorts, dat ik ter nauwernood staan kon, en had niemand tot hulp bij mij dan den tuinman.
»Mijne onderhoorigen hielden op grooten afstand van ons, aan de ingangen de wacht. Ik klapte in de handen, om te waarschuwen dat er onraad was, en toen zij niet verschenen, naderde ik het huis, door deze edelen vergezeld. De mannelijke gedaante stond voor de vensters der Egyptische, en liet, toen wij in dezelfde richting voortwandelden, een zacht gefluit hooren. Aanstonds verscheen, duidelijk zichtbaar bij het heldere maanlicht, eene tweede gedaante, die uit het venster van het slaapvertrek der Egyptische in den tuin sprong, en met haren geleider ons te gemoet kwam.
»Wie beschrijft mijne verbazing toen ik in den indringer den edelen Bartja herkende. Een vijgenboschje onttrok de vluchtenden voor een oogenblik aan ons gezicht. Eene minuut later snelden zij voorbij, op geen vier schreden afstands van ons.zoodat wij gelegenheid hadden hen nogmaals goed op te nemen. Terwijl ik mij nog bedacht, of ik wel het recht had aan een zoon van Cyrus de handen te slaan, en Cresus hem bij zijn naam riep, verdwenen de vluchtelingen plotseling achter een cypres. Wij volgden hen, en zochten lang, doch te vergeefs naar de op onverklaarbare wijze ontkomenen. Toen ik terstond daarop het huis onderzocht, vond ik de Egyptische in onmacht op den divan in haar slaapvertrek liggen.”
Al de aanwezigen luisterden in angstige spanning. Cambyzes verbeet zich van woede, en vroeg met een verschrikkelijke stem: »Kunt gij de woorden van den eunuch bevestigen, Hystaspes?”
»Ja!”
»Waarom hebt gij den misdadiger niet gevat?”
»Wij zijn krijgslieden, maar geene gerechtsdienaars.”
»Zeg liever: wij hebben dien knaap liever dan onzen koning.”
»Wij eeren u, maar hebben een afschuw van den misdadigen Bartja, gelijk wij den schuldeloozen zoon van Cyrus liefhadden.”
»Zijt gij wel zeker, dat Bartja die indringer was?”
»Ja!”
»En gij, Cresus, kunt gij mijne vraag ontkennend beantwoorden?”
»Neen. Ik geloof in den maneschijn uw broeder, even duidelijk als hij hier voor mij staat, gezien te hebben; en toch schijnt het mij, dat wij allen door een onverklaarbaar gezichtsbedrog misleid zijn geworden.”
Bij deze woorden verbleekte Boges, die tot dusverre in zijn vuistje had gelachen. Cambyzes schudde echter afkeurend het hoofd, en zeide: »Wie zou ik mogen gelooven, wanneer de oogen mijner beproefde helden zich hebben kunnen bedriegen? Wie zou nog rechter kunnen wezen, wanneer getuigenissen, als de uwe, niet meer van kracht zijn?”
»Andere getuigen, wier verklaring even geldig is, zullen u bewijzen, dat wij stellig en zeker gedwaald moeten hebben.”
»Wie waagt het voor dezen misdadiger in de bres te springen?” vroeg Cambyzes, terwijl hij opvloog en stampvoette van drift.
»Wij!” »Ik!” »Wij!” riepen Araspes, Darius, Gyges en Zopyrus, als uit éen mond.
»Verraders, schurken!” schreeuwde de koning. Als echter zijn oog den kalmen, afkeurenden blik van Cresus ontmoette, daalde zijne stem aanmerkelijk, en sprak hij: »Wat hebt gijlieden dan ten gunste van dezen misdadiger in te brengen? Bedenk u wel, eer gij spreekt, en acht de straf die den valschen getuige bedreigt, niet te licht.”
»Wij hebben deze waarschuwing niet van noode,” zeide Araspes; »maar wij kunnen bij Mithra bezweren, dat wij, nadat wevan de jacht tehuis gekomen zijn, Bartja en zijn tuin geen oogenblik verlaten hebben.”
»En,” liet Darius volgen, »ik, de zoon van Hystaspes, kan de onschuld van uw broeder zonneklaar bewijzen, want ik sloeg met hem de Tistar-ster gade, wier licht, volgens het getuigenis van Boges, zijne vlucht moet hebben begunstigd.”
Hystaspes keek na deze verklaring zijn zoon met verbazing en vragend aan. Cambyzes wendde, onderzoekend en besluiteloos, nu eens den blik naar de eene dan naar de andere partij, die beide zoo volkomen zeker waren van hunne zaak en elkander toch niet gelooven konden.
Bartja had tot hiertoe gezwegen, en slechts weemoedig neergezien op de ketenen, die zijne handen boeiden. Hij maakte nu gebruik van de heerschende stilte, en zeide, terwijl hij diep ter aarde boog: »Veroorlooft ge mij, eenige woorden te spreken mijn koning?”
»Spreek!”
»Onze vader gaf ons het voorbeeld, om slechts het goede en reine na te streven; daarom was mijn wandel tot hiertoe onbevlekt. Kunt gij mij van eene enkele booze handeling overtuigen, zoo geloof mij niet. Vindt gij evenwel geene vlekken op mijn verleden, zoo vertrouw mijne woorden, en overweeg, dat een zoon van Cyrus liever sterft dan een leugen te spreken. Ik erken dat nog nooit een rechter in moeilijker toestand verkeerde, dan gij thans. De besten van uw rijk getuigen tegen den beste, de vriend tegen den vriend, de vader tegen den zoon. Ik echter zeg u dat, wanneer geheel Perzië zijne hand tegen u ophief, en allen bezweren wilden: Cambyzes heeft dit of dat bedreven, en gij verzekerdet: ‘Ik deed het niet,’ ik, Bartja, geheel Perzië zou logenstraffen en zeggen: Gij zijt allen valsche getuigen, want eer zal de zee vuur uitwerpen, dan de mond eens zoons van Cyrus leugens verkondigen! Wij beiden zijn van zoo hooge geboorte, dat gij slechts tegen mij, gij echter alleen tegen u zelven moogt getuigen.”
Cambyzes zag na deze woorden minder toornig op zijn broeder neder. Deze vervolgde: »ik bezweer u dus, bij Mithra en alle reine geesten, mijne onschuld. Wanneer ik, sedert mijne terugkomst uit Egypte, op de hangende tuinen ben geweest, wanneer mijn mond u thans leugens vertelt, dan moge het leven mij ontnomen worden, en ik zonder nakomelingschap ten grave dalen!”
Bartja had dezen eed op zulk een vasten, overtuigenden toon afgelegd, dat Cambyzes gebood hem zijne ketenen af te nemen. Na zich nog eene wijle bezonnen te hebben, zeide hij: »Ik wil u gelooven, want het is mij niet mogelijk u voor den verdorvenstealler menschen te houden. Morgen zullen wij de sterrenwichelaars, zieners en priesters raadplegen. Wellicht kunnen zij de waarheid aan den dag brengen. Ziet gij eenig licht in deze duisternis, Oropastes?”
»Uw knecht vermoedt, dat een Diw de gestalte van Bartja heeft aangenomen, om uw broeder in het ongeluk te storten en uwe koninklijke ziel met het bloed van den zoon uws vaders te bevlekken.”
Cambyzes en al de aanwezigen gaven door een teeken te kennen dat zij hiermede instemden; ja, reeds wilde de koning zijn broeder de hand reiken, toen een stafdrager binnentrad, en den koning een dolk overhandigde. Een eunuch had dien onder het venster van Nitetis’ slaapvertrek gevonden.
Cambyzes beschouwde het wapen, waarvan het kostbare gevest met robijnen en turkooizen rijk bezet was, met onderzoekenden blik. Op eens werd hij doodsbleek en wierp den dolk met zulk eene kracht voor de voeten van zijn broeder, dat de edelgesteenten uit hunne kassen sprongen.
»Dit is uw dolk, ellendeling!” brulde hij, en vloog andermaal in woeste drift op. »Heden morgen hebt gij er den ever, dien ik geveld had, den laatsten stoot mede gegeven. Ook gij, Cresus, moet hem kennen, want mijn vader nam hem uit uwe schatkamer te Sardes. Thans zijt gij overtuigd, gij, leugenaar en bedrieger! De Diws hebben geene wapenen van noode en dolken als deze zijn niet overal te vinden. Gij grijpt naar uw gordel? Gij verbleekt? Uw mes is verdwenen?”
»Het is weg. Ik moet het verloren hebben, en een vijand van mij...”
»Bind hem, boei hem, Bischen! Leid den verrader en zijne valsche getuigen naar den kerker! Morgen worden ze allen geworgd. De dood is de straf voor den meineed. Als zij ontkomen, dan verbeuren de wachters hunne hoofden. Geen woord wil ik meer hooren; voort met u, meineedige schurken! Gij Boges, spoedt u naar de hangende tuinen, en breng de Egyptische vóor mij.—Maar neen, ik wil de slang niet meer zien. Weldra breekt de morgen aan; omstreeks den middag zal de verraderes met zweepslagen door de stad gedreven worden. Dan wil ik..”
Hier verstomde de koning. Hij stortte op den marmeren vloer neder. Een nieuwe aanval der vreeselijke ziekte had hem getroffen.
In dit schrikkelijk oogenblik trad de blinde Cassandane, door den grooten veldheer Megabyzus geleid, de zaal binnen. Het bericht van het voorgevallene was tot in haar stil vertrek doorgedrongen, en dadelijk had zij zich, ondanks dit nachtelijk uur, gereed gemaakt om, zoo mogelijk, achter de waarheid te komen,en haar eerstgeborene voor overijling te waarschuwen. Vast en onwankelbaar was hare overtuiging betreffende de onschuld van Bartja en Nitetis, schoon zij het raadselachtige in het gedrag der laatste, en van de verschijning des eersten op de hangende tuinen niet vermocht op te lossen. Bij herhaling had zij beproefd met de Egyptische een onderhoud te hebben, doch het had haar niet mogen gelukken. Toen zij eindelijk in persoon naar de hangende tuinen was gegaan, hadden de wachters de stoutmoedigheid gehad haar af te wijzen.
Cresus trad de edele vrouw te gemoet, deelde haar in vergoelijkende bewoordingen mede, wat er had plaats gegrepen, versterkte de blinde in haar geloof aan de onschuld der aangeklaagden, en leidde haar naar het rustbed van haar zoon, den koning.
De aanval der ziekte was ditmaal niet van langen duur. Uitgeput en bleek lag hij op zijn gouden rustbed, onder een purperzijden dek. Naast hem zat zijne blinde moeder, aan het voeteneind stonden Cresus en Oropastes en aan het andere einde der zaal beraadslaagden vier lijfartsen4, zacht fluisterend, over den toestand van den lijder.
Cassandane vermaande haar zoon met liefderijke woorden, om zich toch te wachten voor dat hartstochtelijk opvliegen, en te bedenken, hoe noodlottig iedere nieuwe vlaag van drift voor zijne gezondheid moest zijn.
»Gij hebt gelijk, moeder,” antwoordde de koning, op smartelijken toon. »Het zal noodig zijn alles wat mijne drift gaande maakt uit den weg te ruimen. De Egyptische moet sterven, en mijn verraderlijke broeder zal zijne boeleerster volgen.”
Cassandane gebruikte al hare welsprekendheid, om de onschuld der veroordeelden te bewijzen en den woedenden man neder te zetten. Maar beden, noch tranen, noch moederlijke vermaningen waren in staat Cambyzes te doen wankelen in zijn besluit, om zich namelijk te ontdoen van de gewaande moordenaars van zijn geluk en zijne rust.
Eindelijk belette Cambyzes de weeklagende vrouw met hare verdediging voort te gaan, en zeide: »Ik gevoel mij doodelijk afgemat, en kan uw snikken en kermen niet meer aanhooren. De schuld van Nitetis is bewezen. Een man heeft tegen den nacht haar slaapvertrek verlaten, en deze man was geen dief,maar de schoonste van alle Perzen, aan wien zij gisterenavond beproefd heeft een brief te doen toekomen.”
»Kent gij den inhoud van dat schrijven?” waagde Cresus te vragen, terwijl hij het bed naderde.
»Neen, het is in ’t Grieksch gesteld. De trouwlooze kiest voor hare misdadige boodschappen teekens, die niemand aan dit hof bij machte is te ontcijferen.”
»Veroorlooft gij mij den brief voor u te vertolken?”
Cambyzes wees met de hand op een elpenbeenen kastje, waarin het gewichtig schrijven geborgen was, en zeide: »Neem en lees! Maar verzwijg mij geen enkel woord, want morgen zal ik den brief nogmaals door een der kooplieden van Sinope, die te Babylon wonen, doen voorlezen.”
Cresus ademde nu weder vrijer. Nieuwe hoop bezielde hem, terwijl hij den brief ontrolde. Maar als hij die gelezen had, stonden er tranen in zijne oogen en zijne lippen fluisterden: »De sage van Pandora behelst dan toch waarheid, en ik heb geene reden meer mij te vertoornen op de dichters, die de vrouwen beschimpen5. Alle, alle zijn valsch en trouwloos!—O, Cassandane, hoe misleiden ons de goden. Zij schenken ons een hoogen ouderdom; maar alleen om ontbladerd te worden, gelijk de boomen als de winter nadert, en om ons te doen ondervinden, dat alles, wat wij voor goud hielden slechts koper is, dat hetgeen waarvan wij verkwikking en sterkte verwachtten, enkel gif bevat!”
En hij stortte zulk een vloed van tranen, dat hij de letters nauwelijks kon onderscheiden. Cassandane weende met hem en scheurde haar kostbaar gewaad. Cambyzes echter balde de vuisten, als Cresus met bevende stem de volgende woorden las:
»Nitetis, dochter van Amasis van Egypte, aan Bartja, zoon van den grooten Cyrus.
»Ik heb u, maar u alleen iets gewichtigs te zeggen. Morgen spreek ik u misschien bij uwe moeder. Gij hebt het in uwe hand, een arm beminnend hart te troosten en het alvorens het sterft, een gelukkig oogenblik te doen smaken. Ik heb u vele en zeer treurige dingen mede te deelen, en herhaal dus, dat ik u spoedig spreken moet.”
Het gelach van Cambyzes, dat klonk als de lach van een waanzinnige, sneed Cassandane door de ziel. Zij boog zich over hem heen en wilde een kus op zijn voorhoofd drukken; doch hij weerde hare liefkoozingen af, met te zeggen: »Het is een twijfelachtige eer, tot uwe lievelingen te behooren. Bartja heeft zich door de verraderes niet tweemaal laten roepen, en zich doorvalsche eeden onteerd. Zijne vrienden, de bloem onzer jongelingschap, hebben zich om zijnentwil met onuitwischbare schande bedekt, en uwe meest geliefde dochter is door hem.... Maar neen, Bartja heeft aan den misdaad van dit monster, dat de gestalte eener Peri heeft aangenomen, geene schuld. Haar leven was een samenweefsel van huichelarij, leugen en bedrog. Haar dood zal u bewijzen, dat ik weet te straffen. Verlaat mij thans, ik moet alleen zijn.”
Nauw hadden zich de aanwezigen verwijderd of Cambyzes sprong van zijne legerstede op, en vloog als een razende het vertrek op en neder, totdat de heilige vogel Parôdar het aanbreken van den dag verkondde. Toen de zon was opgegaan, legde hij zich wederom te bed en verzonk in een vasten slaap, die hem echter verkwikking noch rust kon schenken.
Intusschen zaten de jeugdige gevangenen en de oude Araspes, nadat Bartja Gyges een afscheidsbrief aan Sappho in de pen had gegeven, onder een beker wijn bij elkander. »Laat ons vroolijk zijn,” riep Zopyrus; »want ik geloof, dat het met de vreugde spoedig gedaan zal zijn! Ik wil niet langer leven, als wij morgenochtend niet allen, zoo als wij hier zitten, dood zijn. Jammer dat wij menschen maar éen hals hebben; hadden wij er twee, dan zou ik meer dan éen goudstuk voor ons leven verwedden.”
»Zopyrus heeft gelijk,” voegde Araspes er bij; »we moeten vroolijk zijn, en de oogen ter dege openhouden, want ze zullen zich spoedig genoeg en wel voor altijd sluiten.”
»Wie onschuldig den dood tegengaat, heeft geen reden om te treuren,” zeide Gyges. »Vul den beker, schenker!”
»Hé, Bartja en Darius!” riep Zopyrus dezen toe, die zich fluisterend met elkaar onderhielden. »Hebt gijlieden weer geheimen? Komt naderbij en neemt den beker. Ik heb, bij Mithra, nog nooit naar mijn dood gewenscht, heden echter verbeid ik met vreugde den zwarten Azis6, want hij zal ons allen tegelijk van de aarde doen verdwijnen. Zopyrus sterft liever met zijne vrienden, dan dat hij zonder hen zou willen leven.”
»Vóor alle dingen,” zeide Darius, nu hij met Bartja plaats nam in den kring der drinkers,»moeten wij beproeven het voorgevallene te verklaren.”
»Mij is het onverschillig,” riepZopyrus, »of ik met dan zonder deze opheldering sterf, zoo ik slechts weet, dat ik onschuldigben, en de dood van een valsch getuige niet verdiend heb. Bezorg ons gouden bokalen, Bischen! Uit deze ellendige ijzeren kroezen smaakt de wijn niet. Al verbiedt Cambyzes onzen vrienden en vaders ook ons te bezoeken, hij zal toch wel niet van ons vergen, dat wij in onze laatste levensuren gebrek lijden.”
»Niet de slechte beker, maar het smartelijke dat er in ligt zoo jong te moeten sterven, verbittert u den wijn,” zeide Bartja.
»Zoo waar ik nog leef, neen!” riep Zopyrus. »Ik had bijna reeds vergeten, dat op het worgen gewoonlijk de dood volgt.” Dit gezegd hebbende, stiet hij Gyges aan, en fluisterde dezen in: »Wees toch wat opgeruimder! Ziet gij dan niet dat onzen Bartja het scheiden van de aarde moeilijk valt? Wat zegt gij, Darius?”
»Ik houd het er voor, dat het is gelijk Oropastes vermoedt, dat een booze Diw Bartja’s gestalte heeft aangenomen, en tot de Egyptische is gegaan om ons in ’t ongeluk te storten.”
»Dwaasheid, ik geloof niet aan zulke dingen.”
»Herinnert gij u niet de sage van koning Kawoes, aan wien ook een Diw verscheen, in de schoone gestalte van een dichter?”
»Zeker!” riep Araspes. »Cyrus liet deze sage zoo dikwijls onder den maaltijd zingen, dat ik ze van buiten ken. Wilt gij ze hooren?”
»Gaarne, gaarne! Zing op! Laat hooren!” riepen de jongelingen. Een oogenblik bedacht Araspes zich, dan begon hij, halfsprekend, halfzingend:
“Als Kawoes koning was van ’t Perzisch rijk,En er geen koning was aan hem gelijk.Als hij de wereld voor zich beven zag,Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,Zijn kroon met diamanten overstrooid,Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.
“Als Kawoes koning was van ’t Perzisch rijk,
En er geen koning was aan hem gelijk.
Als hij de wereld voor zich beven zag,
Van pracht en rijkdom zich omgeven zag,
Zijn troon met goud en paarlen zag getooid,
Zijn kroon met diamanten overstrooid,
Zijn Thasir-paarden van het edelst bloed,
Zoo werd hij trotsch, en zwol van overmoed.
Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,En zich verzaadde aan fonklend druivennatVertoonde een Diw zich aan de poort van ’t hof,In zangerdos gehuld, en vroeg verlofOm tot den koning in ’t paleis te gaan:‘Ik ben een zanger uit Masenderan7,’Zóo klonk zijn taal;‘ontga mij ’t voorrecht nietDes konings oor te streelen met mijn lied.’’t Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.“Hij nader,” sprak de vorst, “en toon zijn’ kunst!”Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,En zong dit loflied op Masenderan.”
Eens toen hij op zijn geurig rustbed zat,
En zich verzaadde aan fonklend druivennat
Vertoonde een Diw zich aan de poort van ’t hof,
In zangerdos gehuld, en vroeg verlof
Om tot den koning in ’t paleis te gaan:
‘Ik ben een zanger uit Masenderan7,’
Zóo klonk zijn taal;‘ontga mij ’t voorrecht niet
Des konings oor te streelen met mijn lied.’
’t Gedwee verzoek vond bij den koning gunst.
“Hij nader,” sprak de vorst, “en toon zijn’ kunst!”
Toen kwam de Diw en sloeg de snaren aan,
En zong dit loflied op Masenderan.”
»Wilt gij het lied van Masenderan hooren?”
»Zing steeds voort!”
“O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;De zegen Gods dale op uw vlakten neer,Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,Waar ’t groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,De nachtegaal in ’t loof der wouden zingt,De hinde langs den rug der bergen springt,De lucht steeds klaar is en het leven zoet,Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,En weelde en wellust in de zielen giet;—Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen:8Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,De zilvren vloed zich voort; daar is de jachtNooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.Daar schittert alles. Louter goud is daarHet hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.De grooten spreiden er hun glans ten toonIn gouden borstborduursels, rijk en schoon.Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,Die kent het waar geluk des levens niet.”9
“O vaderland, u klinkt mijn lied ter eer;
De zegen Gods dale op uw vlakten neer,
Waar zich de roos in wonderpracht ontplooit,
Waar anemoon en tulp de heuvlen tooit,
Waar ’t groenend veld in eeuwgen feestdos prijkt,
De lentelucht voor koû noch hitte wijkt,
De nachtegaal in ’t loof der wouden zingt,
De hinde langs den rug der bergen springt,
De lucht steeds klaar is en het leven zoet,
Waar alles zwemt in geur en kleurengloed,
Waar rozenwater stroomt door beek en vliet,
En weelde en wellust in de zielen giet;—
Daar groeit de bonte tulp in elk seizoen:8
Daar slingert, tusschen nooit verwelkend groen,
De zilvren vloed zich voort; daar is de jacht
Nooit vruchteloos en toont de valk zijn kracht.
Daar schittert alles. Louter goud is daar
Het hoofdsieraad der achtbre priesterschaar.
De grooten spreiden er hun glans ten toon
In gouden borstborduursels, rijk en schoon.
Wie dáar den toegang zich geweigerd ziet,
Die kent het waar geluk des levens niet.”9
»En Kai Kawoes luisterde naar de woorden van den Diw, die in de gestalte van een zanger tot hem gekomen was en trok naar Masenderan, alwaar hij door de Diws geslagen en van zijn gezicht beroofd werd.”
»Maar,” viel Darius in, »Rustem, de groote held kwam, en sloeg den Erscheng en de andere booze geesten, en bevrijdde den gevangene, en gaf den blinde het gezicht weder, door hemhet bloed der gedoode Diws in de oogen te druppelen. Evenzoo zal het ons gaan vrienden! Wij gevangenen zullen bevrijd,Cambyzesen onzen met blindheid geslagen vaders zullen de oogen geopend worden, zoodat zij onze onschuld erkennen. Hoor eens, Bischen, wanneer wij toch ter dood gebracht worden, ga dan tot de magiërs, de Chaldeërs en den Egyptenaar Nebenchari, en zeg hun, dat zij nimmermeer naar de sterren moeten opzien, want dat Darius ze heeft leeren kennen als leugenaars en bedriegers.”
»Ik heb het altijd wel gezegd,” viel Araspes hem in de rede, »dat slechts droomen ons de toekomst kunnen onthullen. Voordat Abradat in den slag voor de muren van Sardes viel, zag de onvergelijkelijke Panthea in den droom, hoe hij door een Lydischen pijl doorboord werd.”
»Gruwzaam mensch!” riep Zopyrus. »Moet gij er ons aan herinneren, dat het vrij wat schooner is op het slagveld te sterven, dan met den hals in een strop?”
»Gij hebt volkomen gelijk!” antwoordde de oude;»ik heb menigeen zien sterven, wiens dood mij verreweg verkieselijker voorkwam dan de onze, ja, dan het leven zelfs. Ach, kinderen, daar zijn veel betere tijden geweest, dan de tegenwoordige.”
»Vertel ons iets uit die dagen!”
»Verhaal ons, waarom gij nooit gehuwd zijt geweest. In de andere wereld zal het u niet schaden, zoo wij soms uw geheim openbaar maken.”
»Ik heb geene geheimen; want hetgeen gij wilt, dat ik u verhalen zal, kan ieder uwer vaders u mededeelen. Luistert dan!—Toen ik jong was, vermaakte ik mij met de vrouwen, maar dreef den spot met de liefde. Nu wilde het toeval dat Panthea, de schoonste van alle vrouwen, in onze handen viel. Cyrus stelde mij tot haar bewaker aan, omdat ik mij meermalen beroemd had een onkwetsbaar hart te hebben. Ik zag Panthea dagelijks, en, mijne vrienden, ik deed de ervaring op, dat de liefde sterker is dan onze wilskracht. Zij wees mijne aanzoeken af, bewoog Cyrus mij uit hare nabijheid te verwijderen, en een verbond te sluiten met haar echtgenoot Abradat. De trouwe, edele vrouw tooide daarna haar gade, toen hij ten strijde toog, met al wat zij kostbaars had, en zeide, dat hij de deugd van Cyrus, die haar als gevangene gelijk eene zuster behandeld had, slechts met zelfopofferende vriendschap en de grootste dapperheid vergelden kon. Abradat dacht gelijk zijne vrouw, streed als een leeuw voor Cyrus, en viel. Bij zijn lijk doodde Panthea zich zelve. Toen hare dienaren dit vernamen, maakten ook zij, bij het graf der schoonste meesteres, een einde aan hun leven. Cyrus beweende het edele paar, en liet te hunner eere een lijksteenoprichten, die tot op den huidigen dag bij Sardes te zien is. Slechts deze eenvoudige woorden zijn er op vermeld: ‘Aan Panthea, aan Abradat, en aan de trouwsten van alle dienaren!’—Ziet, kinderen, wie eenmaal zulk een vrouw bemind heeft, kan voorzeker nimmermeer aan een andere denken.”10
De jonge helden hadden den grijsaard zwijgend aangehoord en bewaarden, nog lang nadat hij had opgehouden met spreken, het stilzwijgen. Eindelijk hief Bartja de handen ten hemel, en riep: »O, groote Aoeramazda! Waarom laat gij mij dit leven niet besluiten als Abradat; waarom moeten wij als moordenaars een schandelijken dood sterven?”
Op dit oogenblik trad Cresus, door zweepdragers geleid, met geketende handen, in den kerker. De vrienden snelden den grijsaard tegemoet, en bestormden hem met vragen. Gyges wierp zich aan de borst van zijn vader, en Bartja naderde den door hem zoo hooggeschatten man met geopende armen.
Het anders zoo opgeruimd gelaat van den grijsaard was somber en streng; zijne heldere, zachte oogen stonden dof en bijkans dreigend. Met eene koele, gebiedende beweging van zijne hand wees hij den koningszoon terug, en zeide met bevende en verwijtende stem: »Raak mij niet aan, verblinde knaap! Gij zijt de liefde niet waard, die ik u tot op heden toedroeg. Trouweloos zonder wedergade, hebt gij uw broeder bedrogen, uwe vrienden verleid, het arme kind, dat in Naucratis naar u smacht, verraden, en het hart van de ongelukkige dochter van Amasis vergiftigd.”
Aanvankelijk luisterde Bartja bedaard en lijdzaam toe; toen echter Cresus het woord »bedrogen” uitsprak, balde hij zijne vuisten, en stampvoetende riep hij op woesten toon: »Uwe jaren, uwe zwakheid en de groote verplichting die ik aan u heb, beschermen u, oude; anders ware deze uwe hoonende taal uw laatste woord geweest!”
Cresus hoorde deze uitbarsting van rechtmatigen toorn gelaten aan, en antwoordde: »Cambyzes en gij zijt van één bloed; dit bewijst uwe dwaze opvliegendheid. Het ware u echter beter, zoo gij berouw toondet over uwe euveldaden; zoo ge mij, uw leermeester en vriend, om vergeving wildet bidden, en niet nog de ondankbaarheid voegdet bij uwe trouweloosheid.”
Deze woorden deden den toorn van den beleedigden jongeling een weinig bedaren. Zijne gebalde vuisten zonken krachteloos neder en zijne wangen werden doodsbleek.
Aan deze schijnbare teekenen van berouw kon het zachtmoedige hart van den ouden man geen weerstand bieden. Zijne liefde was sterk genoeg, dat zij zoowel den schuldigen, als den onschuldigen Bartja kon omvatten. Hij sloeg zijn arm om ’s jongelings hals, en vroeg hem, gelijk eene moeder haar kind vraagt, als zij op het dierbare gelaat de sporen van lijden meent op te merken: »Beken mij toch, mijn lieve, arme zoon, hoe was het mogelijk, dat uw rein hart zich zoo snel aan den booze overgaf?”
Bartja hoorde deze woorden huiverend aan. Zijn aangezicht kleurde zich wederom vuurrood, en zijne ziel werd met wrevel vervuld. Voor de eerste maal in zijn leven gaf hij het geloof aan de rechtvaardigheid der goden prijs. Hij noemde zichzelven het slachtoffer van een wreed, onverbiddelijk noodlot. Hij gevoelde hetzelfde, wat het onschuldige gejaagde wild moet ondervinden, als het nederstort en het rumoer van het naderen der honden en jagers verneemt. Zijn teeder gemoed was nog zoo kinderlijk gestemd, dat hij niet wist hoe zich onder deze eerste ernstige slagen van het lot te gedragen. Men was er wel op bedacht geweest zijn lichaam en zijn moed voor den strijd met aardsche vijanden te harden en te ontwikkelen, maar zijne opvoeders hadden hem, evenmin als zijn broeder geleerd, de slagen van het lot af te weren. Want Cambyzes en Bartja schenen toch slechts bestemd te zijn, om uit den beker van het geluk en der vreugde te drinken.
Zopyrus kon de diepe neerslachtigheid van zijn vriend niet langer aanzien. Toornig voerde hij den grijsaard tegen, dat hij hard en onrechtvaardig was. Gyges zag zijn vader smeekend aan. Araspes plaatste zich tusschen den bestraffenden grijsaard en den gekrenkten jongeling. Doch Darius, die een tijd lang al de aanwezigen peinzend had gadegeslagen, trad met kalm overleg op Cresus toe, en zeide: »Gij kwetst en beleedigt elkaar, zonder dat de beschuldigde schijnt te weten, wat men hem ten laste legt, en zonder dat de rechter zijne verdediging aanhoort. Ik bid u Cresus, deel ons mede ter wille van de vriendschap die ons tot heden toe aan elkander verbond, wat u toch bewogen heeft Bartja, aan wiens onschuld gij nog zoo kort geleden geloofdet, zoo hard te veroordeelen.”
De grijsaard voldeed aan dit verlangen, en verhaalde dat hij een eigenhandigen brief van de Egyptische gelezen had, waarin zij Bartja hare liefde belijdt, en tot eene geheime samenkomst uitnoodigt. Zijne eigene oogen, het getuigenis der eerste mannen in het rijk, ja zelfs de voor het huis van Nitetis gevonden dolk, dat alles had hem niet van de schuld van zijn lieveling kunnen overtuigen. Maar die brief was als een brandende fakkelin zijn hart geworpen, om het laatste overschot van zijn geloof aan deugd en vrouwelijke reinheid te verteren.
»Ik verliet den koning,” zoo besloot hij,»vast en zeker overtuigd van de werkelijkheid eener misdadige verbintenis tusschen uw vriend en de Egyptische, wier hart ik tot nu toe voor den spiegel hield van al wat goed is en schoon. Kunt ge het mij euvel duiden, dat ik hem berisp, die dezen helderen spiegel en de niet minder vlekkelooze reinheid van zijne eigene ziel zoo schandelijk bezoedelde?”
»Hoe zal ik u mijne onschuld toch bewijzen?” riep Bartja, de handen wringende. »Zoo gij mij liefhadt, zoudt gij mijne woorden gelooven. Waart gij mij slechts genegen....”
»Knaap! om uw leven te redden, heb ik weinige oogenblikken geleden het mijne verspeeld. Toen ik vernam, dat Cambyzes werkelijk bevel had gegeven tot uwe terechtstelling, spoedde ik mij tot hem, bestormde hem met beden, en had de vermetelheid, ziende dat mijn smeeken ijdel was, den billijk vertoornden man bittere verwijten te doen. Maar op eens scheurde het dunne weefsel van zijn geduld, en opstuivende gebood hij den trawanten mij onmiddellijk het hoofd voor de voeten te leggen. De overste der zweepdragers, Giw, nam mij in hechtenis, doch schonk mij tot morgen het leven. Hij heeft verplichting aan mij, en zal de opschorting van het vonnis wel geheim weten te houden. Het verblijdt mij intusschen, mijne zonen, dat ik u niet behoef te overleven en dat ik onschuldig sterf. Mocht ik dit laatste ook van u kunnen getuigen!”
Deze woorden verwekten eene nieuwe uitbarsting van de zijde der verdachten.
Alleen Darius bleef andermaal kalm en bedaard, te midden der algemeene onstuimigheid. Hij verhaalde den grijsaard opnieuw, op welke wijze zij te zamen den avond hadden doorgebracht, en bewees daardoor nogmaals de onmogelijkheid van Bartja’s schuld. Daarop eischte hij dat Bartja, dien Cresus van trouweloosheid had beschuldigd, zelf zou spreken. Deze ontkende zoo stellig en zoo beslissend, dat hij ooit eene samenkomst met Nitetis zou hebben gehad, en bekrachtigde zijne verklaring met zulk een duren eed, dat de overtuiging van Cresus begon te wankelen, en hij ten laatste in het geheel geen geloof meer sloeg aan al detegen den jongeren zoon van Cyrus ingebrachte beschuldigingen. Toen Bartja zweeg, zuchtte de oude man diep, als was zijne borst van een zwaren last ontheven, en hij sloot den jongeling in zijne armen.
Hoe zich de vrienden nu verder ook inspanden om het voorgevallene te verklaren, hun peinzen en gissen bleef zonder vrucht. Hierin waren allen het eens, dat Nitetis Bartjabeminde, en den brief met booze bedoelingen geschreven had.
»Wie haar gezien heeft,” riep Darius uit,—»op het oogenblik dat Cambyzes den gasten mededeelde, dat Bartja zich eene vrouw had gekozen, kan niet langer aan haar hartstocht voor hem twijfelen. Toen zij den beker liet vallen, hoorde ik den vader van Phaedime reeds zeggen: de Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers.”
Gedurende dit gesprek was de zon boven de kim gerezen, en wierp haar helder, vriendelijk licht in het verblijf der gevangenen.
»Mithra wil ons het scheiden moeilijk maken,” mompelde Bartja.
»Neen,” sprak Cresus, »hij licht ons slechts vriendelijk voor in de eeuwigheid.”
1Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen “de heilige” noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.2Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô gebonden en naar de hel gesleept. Vgl.Tiele, a. w. bl. 251 v.3Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.4Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde aan het leven hechtten, zich in ’t bijzonder op de geneeskunst toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.5Zie boven blz.92.6Een booze geest, die de menschen doodt.7Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.8In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.9Dit schoone gezang is ontleend aan het “Koningsboek” van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het “Zend-Avesta” een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.10Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft ter wille van zijn held Cyrus.
1Als Herodotus verhaalt, dat Cambyzes reeds geboren was met den aanleg tot eene gevaarlijke krankheid, die sommigen “de heilige” noemen, dan bedoelt hij daarmede waarschijnlijk de epilepsie.
2Op den derden dag na den dood, zoodra de heldere zon opging, werden de zielen door de Diws gevoerd naar de brug Schinvât, om ondervraagd te worden over hetgeen zij gedacht en gedaan hadden. Daar kampen de beide hemelsche machten om de ziel. De zielen der vromen vinden steun bij de reine geesten Yazatas, en trekken zegepralend den hemel binnen. De zielen der boozen worden door den Diw Vîzareshô gebonden en naar de hel gesleept. Vgl.Tiele, a. w. bl. 251 v.
3Volgens Herodotus mocht zelfs de koning niemand om een enkel misdrijf laten ombrengen. Eerst wanneer na rijpe overweging bleek, dat de misdaden menigvuldiger en gewichtiger waren dan de bewezen diensten, mocht men aan zijn toorn den vrijen loop laten.
4Het was natuurlijk dat de Perzen, die zulk eene hooge waarde aan het leven hechtten, zich in ’t bijzonder op de geneeskunst toelegden. In de Avesta werden dan ook vele geneeskundige voorschriften gevonden. Wij vinden daarin zelfs eene gedetailleerde opgave van hetgeen men voor verschillende genezingen betalen moest, en welk examen iedere geneesheer moest afleggen, alvorens hij bekwaam werd geacht.
5Zie boven blz.92.
6Een booze geest, die de menschen doodt.
7Eene streek aan den noordelijken rand van Iran, in de heldensagen om hare vruchtbaarheid zeer geroemd, maar ook het verblijf van booze geesten genoemd. Tegenwoordig wordt daar nog een tropische plantengroei gevonden, terwijl de aanzienlijken zich, met zekeren trots, Diws noemen.
8In Maart, April, Mei en Juli, staat er in het oorspronkelijk.
9Dit schoone gezang is ontleend aan het “Koningsboek” van Firdusi. Deze werd omstreeks 940 n. C. geboren en bezong de oude Perzische sage in zijne onsterfelijke epische liederen. Deze Kai Kawoes behoorde tot de familie der Kajaniden, die niet met de Achaemeniden op éene lijn gesteld mag worden, maar stellig lang voor deze regeerde; of liever, stellig nooit regeerde. Kai Kawoes is een Vedische en oud-Perzische vuurgodheid, die in het “Zend-Avesta” een heros geworden is, en later in de legende opgenomen, door Firdusi als historisch persoon werd opgevat. Daar Firdusi zich in zijne gezangen aan de oud-Perzische traditie gehouden heeft, ofschoon hij haar bewerkte als een poëet, meende Ebers vrijheid te hebben een dichter sprekend te mogen invoeren, die zooveel eeuwen later leefde.
10Het verhaal is van Xenophon, die het misschien verzonnen heeft ter wille van zijn held Cyrus.
Negende hoofdstuk.Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen, had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart, dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking is gebracht.” Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken, dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd was, haar wel vurig liefhebben.Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven, mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende stralen verzengde, en er nog altijdgeene boodschap van hem, dien zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde, naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis, en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster, dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd, haar minnaar rustig kunnen verbeiden.Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden, of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!” beval zij de dienstmaagdenwelke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven, in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden, beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan; ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen, of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef gelukkig, mijn hartediefje!”De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven, verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen, en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu het ergste van ’s vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder, en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden: »ik ben onschuldig,” beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat, gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen, zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu afverheugde zij er zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve: »Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde.” Eindelijk kwam zij op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen, vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja, dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve, om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren.”Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen, want ik heb nog maar korten tijd te waken!”Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land, die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden, die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare ziel, behouden mocht blijven1. Dit »indien ten minste”bracht haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel afhankelijk was van het behouden blijven van ’s menschen stoffelijk overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis, en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten:“U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,Dien elke dag door eigen scheppingskrachtVerjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.“U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,Zoover ’t azuren vlak des hemels strekt,O bron des lichts, die uit het blauwe meir,Daar boven zegen stort, en leven wekt!“Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkransRoept vreugde en hoop in ’t onbevlekt gemoed,Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten transUw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.“Zoo roepen mensch en goden blij te moê,O hemeltelg! u ’t welkom, welkom toe2.”Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht, in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen, mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep, en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland zijn van den Phoenix3, den vogel uit het palmenland, die, gelijk de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde, om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel, uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen, een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen, althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno4, de vogel van Ra. In deze godsdienstigestemming zonk zij andermaal op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:“Ik roei door den ether, ik spreid aan den transMijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.Die dank ik den Schepper; zijn glorie en machtStraalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en prachtHet bloementapijt evenaart, dat in MeiDen akker bedekt en de grazige wei,Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;’t Is kunstig geweven, ’t is heerlijk gemaakt,Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt5.”Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had, waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest, met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was, op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon gewoonlijk troost in ’t harte, terwijl dezelfde zon met haar rein licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane, gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen, teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben, indien zij daardoorhare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op, zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad, dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven, neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis, ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen, hoe deze zoo gerust kon slapen.Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen, op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest; want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning verliet, om zich naar Phaedime te begeven.De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds wasde mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen, zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet, hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.»Bedaar, mijn duifje!” zeide Boges, zijne vleezige hand op haar schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.—Ja, deze liefkoozing heb ik wel verdiend!—Zoo, nu lig ik goed en kan beginnen.—Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn zaakgelastigde....”»Altemaal dwaasheid!” riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik wil weten wat er heden is voorgevallen.”»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind6! Zoo gij mij nog eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt.”»Neen, neen,” begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren, wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van slavinnen en eunuchen tot mijkwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij, wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren.”Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende: »Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb.”Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden, en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht, scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken, als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen7. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest8daar was, verzamelden zich alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij, juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen, om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den koning moest overbrengen, meende ik eengeestverschijning te zien, zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden, en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten, spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op, dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje, dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde, naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af, zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou, indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon, als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er op aan de ijverzucht van den koningopnieuwte doen ontbranden, en de Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen, bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken bleef, dat zij als in het nest van den Simurg9leefde. Het overige weet gij!”»Maar hoe ontkwam Gaumata?”»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan, dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja ’s avonds met zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen, zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!‘Nitetis, de overspelige dochter van den koning van Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode levend begraven worden.—Dit bevel wordt den overste der eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.’»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen,toen de moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen de zaal binnenvloog.—Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken, beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar, en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den mond.—Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn van hare schuld.—Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!”Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten, met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om den hals.1zie boven bl.59, v. Daar de afgestorvene, volgens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.2Naar eengrafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt bewaard.3zie boven bl.59.4Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.5Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doodenboek, “het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel” geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of van andere vogels voorgesteld.6Ader bet. Maart.7De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.8In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.9De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.
Nitetis, de onschuldige oorzaak van al deze treurige verwikkelingen, had, sinds den geboortedag van den koning, onbeschrijfelijk smartelijke uren doorleefd. Na de harde woorden, waarmede Cambyzes de arme jonkvrouw de deur der zaal had gewezen, wijl haar onverklaarbaar gedrag zijn ijverzucht had opgewekt, was niet de minste tijding van haar toornigen geliefde, van zijne moeder of zuster tot haar gekomen. Sedert zij te Babylon aankwam, was zij iederen dag gedurende eenige uren met Cassandane en Atossa samengeweest. Toen zij zich tot de eerwaardige weduwe wilde doen brengen, om deze hare zonderlinge houding te verklaren, verbood Candaules, haar nieuwe bewaker haar, in weinige niet zeer eerbiedige bewoordingen, het huis te verlaten. Tot dusverre had zij zich gevleid, dat eene vrijmoedige openbaring van wat zij uit den brief harer moeder had vernomen, alle misverstand uit den weg zou ruimen. In hare verbeelding zag zij Cambyzes reeds, berouw gevoelende over zijne dwaze ijverzucht, haar om vergeving biddende en de hand reikende. Eindelijk kwam er een weinig opgeruimdheid in hare ziel, als zij zich een woord te binnen bracht, eens uit den mond van Ibycus opgevangen: »Gelijk een krachtig man veel heviger dan een zwak mensch door de koorts wordt aangetast, zoo oefent de ijverzucht ook grooteren invloed uit op een waarlijk beminnend hart, dan op een, dat slechts door oogenblikkelijken hartstocht in verrukking is gebracht.” Had de groote kenner der liefde de waarheid gesproken, dan moest Cambyzes, wiens ijverzucht zoo snel en zoo heftig ontvlamd was, haar wel vurig liefhebben.
Maar te midden dezer gedachten, die haar weder eenige hoop gaven, mengden zich voortdurend andere droeve herinneringen aan het land harer geboorte en duistere vermoedens, voor welke zij haar hart niet vermocht te sluiten. Toen de middagzon het aardrijk met hare gloeiende stralen verzengde, en er nog altijdgeene boodschap van hem, dien zij beminde, tot haar werd gebracht, werd zij door eene koortsachtige onrust overvallen, die van oogenblik tot oogenblik haar meer benauwde, naarmate de nacht zijne schaduwen begon uit te breiden. Toen het begon te schemeren, trad Boges in haar vertrek, en verhaalde haar in de grievendste en beleedigendste bewoordingen, dat de koning in het bezit was van haar brief aan Bartja, en dat de tuinmansjongen, die dezen had moeten bezorgen, ter dood gebracht was. Hare gemartelde zenuwen waren niet sterk genoeg dezen nieuwen schok te weerstaan. Alvorens Boges haar verliet, had hij de bewustelooze in haar bijzonder vertrek moeten dragen, hetwelk hij zorgvuldig van buiten had gesloten.
Weinige minuten later klommen twee mannen, een jongeling en een oude man, door de valdeur, die Boges twee dagen te voren zoo nauwkeurig had onderzocht. De oude hield zich dicht aan den muur van het huis, en bleef daar staan, terwijl de jongeling den wenk van eene uit het venster wuivende hand volgde, en in de kamer sprong. Er werden ettelijke verzekeringen van liefde en de namen Gaumata en Mandane zacht gefluisterd, tal van kussen gewisseld en beloften van trouw vernieuwd. Eindelijk klapte de oude in de handen. De jongeling gaf onmiddellijk aan dit afgesproken teeken gehoor. Na de dienstmaagd van Nitetis nog eenmaal omarmd te hebben, sprong hij wederom door het venster in den tuin, liep haastig voort in de richting van de plek waar de Achaemeniden zich bevonden, die toen juist de blauwe lelie kwamen bewonderen, vloog deze rakelings voorbij, sloop met zijn geleider door de opengelatene valdeur en sloot deze zorgvuldig boven zich dicht.
Mandane spoedde zich nu naar het vertrek, waar hare gebiedster gewoon was den avond door te brengen. Zij kende hare gewoonten, en wist, dat zij alle avonden bij het opkomen der sterren nederzat aan het venster, dat op den Euphraat uitzag, om van daar uren achtereen in den stroom en over de vlakte te staren, terwijl zij de dienstjuffers, wier hulp zij dan niet noodig had, de vrijheid liet dien tijd naar welgevallen te besteden. Aldus had zij, zonder van deze zijde voor ontdekking te vreezen te hebben, en door den overste der eunuchen zelven beschermd, haar minnaar rustig kunnen verbeiden.
Nauw had zij hare gebiedster in haren bewusteloozen toestand gevonden, of zij hoorde hoe de tuin met menschen werd gevuld, hoe mannen en eunuchen verward dooreenschreeuwden, en hoe de trompetten werden gestoken om de wachters te verzamelen. In den beginne beefde zij voor haar geliefde, vreezende dat hij ontdekt mocht zijn. Toen Boges echter verscheen, en haar toefluisterde: »Hij is gelukkig ontkomen!” beval zij de dienstmaagdenwelke uit het vrouwenverblijf, waar zij dezen ter wille harer afgesproken samenkomst bevolen had te blijven, in menigte kwamen aanloopen, de Egyptische in haar slaapvertrek te dragen. Daarop wendde Mandane alle mogelijke middelen aan, om Nitetis weder bij te brengen. En deze had nog ternauwernood de oogen opgeslagen, toen Boges binnentrad en de twee eunuchen, die hem volgden, beval de teedere armen van Nitetis te ketenen.
Onmachtig om een woord uit te brengen, liet Nitetis de mannen begaan; ja, zij dacht er zelfs niet aan iets te antwoorden, toen Boges haar bij het verlaten van het vertrek toeriep: »Moge het u in uw kooitje goed bevallen, mijn vogeltje! Zoo even heeft men uw heer het bericht gebracht, dat zich een koningsmarter in zijne duiventil is komen vermaken. Het ga u goed! Wees er den armen geplaagden Boges dankbaar voor, als bij deze hitte de vochtige aarde u een weinigje zal afkoelen, of misschien wel zeer koud maken. Ja, mijn duifje, in den dood leert men zijne ware vrienden kennen; daarom zal ik u niet in een zak van grof linnen, maar in een laken van zachte zijde doen begraven. Leef gelukkig, mijn hartediefje!”
De zwaarbeproefde vrouw hoorde deze woorden sidderend aan. Nadat de eunuch zich verwijderd had, bad zij Mandane haar het voorgevallene op te helderen. Overeenkomstig den raad, door Boges haar gegeven, verhaalde Mandane haar, dat Bartja in de hangende tuinen was geslopen, en door verscheidene Achaemeniden was opgemerkt, juist op het oogenblik dat hij door een venster wilde klimmen. Men had den koning kennis gegeven van het door zijn broeder gepleegde verraad, en vreesde nu het ergste van ’s vorsten ijverzucht. Het lichtzinnige meisje stortte onder dit verhaal een vloed van tranen van bitter berouw, die een balsem waren voor hare niets kwaads vermoedende meesteres, wijl deze ze beschouwde als een bewijs van hare oprechte liefde en deelneming.
Toen Mandane zweeg, zag Nitetis in doffe wanhoop op hare ketenen neder, en er verliep een geruime tijd, eer zij zich eene tamelijk heldere voorstelling van haar toestand kon maken. Zij las den brief van hare moeder nog eens over, schreef op een briefje de enkele woorden: »ik ben onschuldig,” beval hare snikkende kamerjuffer na haren dood beide aan de moeder van den koning te overhandigen, en doorwaakte daarna een nacht, waarop geen dag meer scheen te zullen volgen. In haar zalvenkastje was een middel ter verfraaiing van de huid, dat, gelijk zij wist, den dood ten gevolge had, wanneer men er eene zekere hoeveelheid van innam. Dit vergift liet zij zich brengen, en met kalm overleg nam zij het besluit zichzelve het leven te benemen, zoodra de beul tot haar mocht komen. Van nu afverheugde zij er zich over, zoo spoedig te zullen sterven, en zeide tot zichzelve: »Hij doodt u wel, maar hij doodt u uit liefde.” Eindelijk kwam zij op de gedachte hem een brief te schrijven, en hem daarin den omvang en de diepte harer liefde te openbaren. Eerst na haren dood zou hij dit schrijven ontvangen, opdat hij niet zou gelooven, dat zij het gedaan had om haar leven te redden. De hoop, dat de onbuigzaam sterke man dezen laatsten groet misschien met zijne tranen zou bevochtigen, vervulde hare ziel met eene weemoedige vreugde.
In weerwil van hare zware ketenen, schreef zij dus de volgende woorden: »Cambyzes zal dezen brief eerst dan, wanneer ik niet meer zijn zal, ontvangen. Dit schrijven strekt om mijn vorst te doen weten, dat ik hem vuriger liefheb dan de goden, dan de wereld, ja, dan mijn eigen jeugdig leven. Cassandane en Atossa mogen mij in liefde blijven gedenken! Uit den brief van mijne moeder zullen zij vernemen dat ik onschuldig ben, en Bartja alleen ter wille mijner arme zuster verlangde te spreken. Boges heeft mij gezegd, dat mijn dood onherroepelijk besloten is. Zoodra de beul nadert, zal ik zelve een eind aan mijn leven maken. Ik bega eene misdaad aan mij zelve, om u, Cambyzes, voor eene verachtelijke daad te bewaren.”
Dit schrijven stelde zij, met den brief van hare moeder in de handen van de snikkende Mandane, met verzoek beide aan Cambyzes te doen toekomen, wanneer zij niet meer onder de levenden zou zijn. Vervolgens wierp zij zich op de knieën, verhief het hart tot de goden van haar vaderland, en smeekte dezen om vergiffenis voor haren afval.
Toen Mandane haar aanmaande om toch aan hare zwakte te denken, en toch wat rust te nemen, antwoordde zij: »Ik behoef niet meer te slapen, want ik heb nog maar korten tijd te waken!”
Hoe langer zij bad en de oude Egyptische hymnen zong, des te inniger wijdde zij zich weder met haar gansche hart aan de goden van haar land, die zij, na zoo korten strijd, verloochend had. Bijna al de gebeden, die zij kende, hadden betrekking op het leven na den dood. In het rijk van Osiris, de onderwereld, waar de twee en veertig doodenrechters de waarde of onwaarde der ziel, nadat deze door de godin der waarheid en den hemelschrijver Thoth zou zijn gewogen, moesten beoordeelen, durfde zij hopen hare dierbaren weer te zullen zien, indien ten minste hare ongerechtvaardigde ziel niet den tocht door de lichamen der dieren moest aanvaarden, indien ten minste haar lichaam, de woning van hare ziel, behouden mocht blijven1. Dit »indien ten minste”bracht haar in eene koortsachtige onrust. De leer, dat het geluk van de ziel afhankelijk was van het behouden blijven van ’s menschen stoffelijk overblijfsel, was haar van kindsbeen ingeprent. Zij stond vast in dezelfde overtuiging, die pyramiden had gebouwd en rotsen tot graven uitgehold. Zij beefde, zoo vaak zij er aan dacht, hoe haar lijk volgens Perzisch gebruik, aan honden, roofvogels en de vernielende machten der natuur prijsgegeven, en daarmede aan hare ziel alle hoop op het eeuwige leven ontnomen zou worden. Ook kwam de gedachte bij haar op om andermaal de oude goden te verloochenen, en zich voor de nieuwe geesten des lichts neder te werpen. Deze toch gaven het gestorven lichaam terug aan de elementen, waaruit het gevormd was, en hielden slechts gericht over de ziel van den overledene. Doch toen zij hare handen tot de groote zon ophief, die zoo even met hare gouden stralen de in het dal van den Euphraat hangende nevelen verdreven had, toen zij wilde beginnen met zich tot Mithra te verheffen en liederen te zingen, die zij pas had aangeleerd, begaf haar de stem, en in plaats van Mithra, zag zij in het gesternte van den dag den god, dien zij in Egypte zoo menigmaal geprezen en gedankt had, den grooten Ra Harmachis, en in plaats van de hymne der magiërs, zong zij het lied, waarmede de Egyptische priesters de opkomende zon plachten te begroeten:
“U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,Dien elke dag door eigen scheppingskrachtVerjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.
“U, hoogverheven Ra, zij lof gebracht,
U, hemeltelg, verheft ons staamlend lied,
Dien elke dag door eigen scheppingskracht
Verjeugdigd en vernieuwd, herrijzen ziet.
“U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,Zoover ’t azuren vlak des hemels strekt,O bron des lichts, die uit het blauwe meir,Daar boven zegen stort, en leven wekt!
“U prijst ons hart. Gij schiept het schepslenheir,
Zoover ’t azuren vlak des hemels strekt,
O bron des lichts, die uit het blauwe meir,
Daar boven zegen stort, en leven wekt!
“Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkransRoept vreugde en hoop in ’t onbevlekt gemoed,Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten transUw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.
“Gij koestert en gij waakt. Uw stralenkrans
Roept vreugde en hoop in ’t onbevlekt gemoed,
Zoo dikwijls Ge aan den ongemeten trans
Uw kreitsloop aflegt met gewiekten voet.
“Zoo roepen mensch en goden blij te moê,O hemeltelg! u ’t welkom, welkom toe2.”
“Zoo roepen mensch en goden blij te moê,
O hemeltelg! u ’t welkom, welkom toe2.”
Haar hart putte rijken troost uit dit gezang. Met vochtige oogen zag zij, terwijl zij zich hare kindsheid weder voor den geest bracht, in het licht der rijzende zon, welker stralen haar oog nog niet verblindden. Dan liet zij haren blik over de vlakte weiden. Daar kabbelde de Euphraat met zijne geelachtige golven, die haar deed denken aan den geliefden Nijl. Evenals langs den reuzenstroom in haar vaderland, vertoonden zich ook hier talrijke dorpen, te midden van rijke korenvelden en vijgenboschjes. Naar het westen strekte zich de diergaarde des konings, met hare hooge cypressen en noteboomen, mijlen ver uit. Op ieder blad, op elken halm fonkelde de dauw, en in de boschjes en struiken van den door haar bewoonden tuin lieten tallooze vogels hunne liefelijke stemmen hooren. Daar verhief zich een zacht koeltje, dat zoete rozengeuren tot haar voerde, en met de kronen der palmen speelde, die langs de oevers van den stroom en op alle akkers in de rondte, in eene ontelbare menigte verrezen. Dikwerf had zij deze schoone boomen bewonderd, dikwerf had zij ze met danseressen vergeleken, wanneer de wind hunne zware kronen aangreep, en hunne slanke stammen nu naar deze dan naar gene zijde overboog. Hoe menigmaal had zij niet tot zichzelve gezegd: hier moet het vaderland zijn van den Phoenix3, den vogel uit het palmenland, die, gelijk de priesters verhaalden, om de vijfhonderd jaar naar den tempel van Ra te Heliopolis kwam, waar hij zich in heilige wierookvlammen verbrandde, om weder schooner uit zijne asch te verrijzen, en na drie dagen naar zijn vaderland in het Oosten terug te keeren. En terwijl zij aan dezen vogel dacht, en de wensch bij haar opkwam, evenals deze vogel, uit de vernedering van het ongeluk tot een nieuw en schooner geluk op te staan, vloog uit de cypressen, die de woning van hem, dien zij liefhad en die haar zoo miskend had, voor haar oog verborgen, een groote vogel met schitterende vederen op, die hooger en hooger steeg, en zich ten laatste op een palmboom op kleinen afstand van haar venster neerzette. Zulk een vogel had zij nog nooit gezien, en het kon ook geene alledaagsche verschijning wezen, want een gouden kettinkje hing aan zijn poot, en zijn staart bestond niet uit vederen, althans naar zij meende, maar uit zonnestralen. Het was Benno4, de vogel van Ra. In deze godsdienstigestemming zonk zij andermaal op de knieën en zong het oude Phoenix-lied, terwijl zij inmiddels den blik niet afwendde van den prachtigen luchtbewoner:
“Ik roei door den ether, ik spreid aan den transMijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.Die dank ik den Schepper; zijn glorie en machtStraalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en prachtHet bloementapijt evenaart, dat in MeiDen akker bedekt en de grazige wei,Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;’t Is kunstig geweven, ’t is heerlijk gemaakt,Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt5.”
“Ik roei door den ether, ik spreid aan den trans
Mijn kleuren ten toon, in haar vlekloozen glans.
Die dank ik den Schepper; zijn glorie en macht
Straalt af op mijn kleed, dat in rijkdom en pracht
Het bloementapijt evenaart, dat in Mei
Den akker bedekt en de grazige wei,
Of het blinkend gewaad, dat de godheid omgeeft,
Wier eeuwige hoede de wereld omzweeft;
’t Is kunstig geweven, ’t is heerlijk gemaakt,
Als het kleed van den god, die de wolken bewaakt5.”
Het met golvende vederen versierde kopje met de verstandige oogjes nieuwsgierig her- en derwaarts bewegende, luisterde de vogel naar dit gezang. Zoodra het geëindigd was vloog hij weg. Nitetis zag den gewaanden Phoenix, een paradijsvogel, die het kettinkje gebroken had, waarmede hij aan een boom van de diergaarde bevestigd was geweest, met vriendelijken blik na. Zij was zoo wonderbaar te moede. Vertrouwen op redding daalde in haar hart, daar zij geloofde dat de god Ra zijn vogel tot haar gezonden had, welks gestalte zij als gezaligde geest zou aannemen. Zoolang men nog wenscht en hoopt, kan men veel smart dragen; en komt het geluk niet, dan blijft toch de verwachting er van in ons levend, en met deze het zoet gevoel, dat tot het wezen van het geluk behoort. Deze stemming is op zichzelve voldoende, om eene soort van genot te schenken, dat ons de werkelijkheid kan doen vergeten. Met vernieuwde hoop legde Nitetis zich, afgemat als zij was, op den divan neder, en viel weldra tegen haar wil, zonder het vergif te hebben aangeraakt, in een diepen door geene droomen verontrusten slaap.
Ongelukkigen, die den nacht doorweenen, stort de opgaande zon gewoonlijk troost in ’t harte, terwijl dezelfde zon met haar rein licht in den regel voor de schuldigen, die de duisternis zoeken, eene onwelkome verschijning is. Terwijl Nitetis sliep, waakte Mandane, gekweld door het vreeselijke knagen van haar geweten. Hoe gaarne zou zij de zon, die hare meesteres door hare schuld den dood zou brengen, teruggehouden en van nu af in een eeuwigen nacht geleefd hebben, indien zij daardoorhare den vorigen dag gepleegde daden ongedaan had kunnen maken. Het goede maar lichtzinnige schepsel hield niet op, zichzelve eene verachtelijke moordenares te noemen. Honderdmaal nam zij zich voor, alles overeenkomstig de waarheid te bekennen en Nitetis te redden; maar telkens behaalden de begeerte om te blijven leven en de vrees voor den dood de zege over haar zwak hart. Beleed zij, wat zij gedaan had, dan was haar dood zeker, en het leven was haar nog zoo lief, het graf was haar zulk een gruwel, zij hoopte nog zooveel van de aarde! Had zij slechts eene levenslange gevangenschap te vreezen gehad, dan zou zij misschien voor de waarheid zijn uitgekomen; maar sterven, neen, sterven kon zij niet! En buitendien, zou de veroordeelde door hare bekentenis te redden zijn? Had zij zelve dan niet den ongelukkigen tuinmansjongen met een brief voor Bartja belast? Deze geheime briefwisseling was ontdekt geworden, en dus zou Nitetis, ook zonder hare medewerking, toch verloren zijn geweest! Nooit zijn wij verstandiger en listiger, dan wanneer het er op aankomt het door ons gepleegde onrecht in ons eigen oog te vergoelijken.
Toen de zon opging, knielde Mandane bitter weenende neder voor den divan, waarop hare meesteres rustte, en kon maar niet begrijpen, hoe deze zoo gerust kon slapen.
Ook Boges, de eunuch, had een slapeloozen, maar toch een allergelukkigsten nacht gehad. Zijn plaatsvervanger en ambtgenoot Candaules, dien hij met zijne gansche ziel haatte, was om zijne onachtzaamheid, ja misschien wel omdat hij zich had laten omkoopen, op bevel des konings op staanden voet ter dood gebracht, en Nitetis was niet alleen in ongenade gevallen, maar zelfs tot een smadelijken dood veroordeeld. De invloed der koningin-moeder was aanmerkelijk minder geworden. Maar vooral verheugde hij zich over zijne eigene slimheid, in de zekerheid dat zijn ontwerp volkomen gelukt was, en in de hoop weldra weder, door zijn lieveling Phaedime, de alvermogende gunsteling van voorheen te zullen worden. Het over Cresus en de jonge helden uitgesproken doodvonnis was hem niet minder welkom geweest; want waren zij in het leven gebleven, dan had eene ontdekking van zijne duivelsche listen niet onder de onmogelijkheden behoord. De dag begon reeds aan te breken, toen hij het vertrek van den koning verliet, om zich naar Phaedime te begeven.
De trotsche Perzische had zich nog niet ter rust begeven. In koortsachtig ongeduld verbeidde zij den eunuch, want reeds wasde mare van het voorgevallene in het vrouwenverblijf en tot hare ooren doorgedrongen. Slechts in een dun zijden hemd gekleed, en met gele pantoffels, die van turkooizen en parelen schitterden, aan de voeten, lag zij, door een twintigtal dienstmaagden omgeven, op den purperen divan in hare kleedkamer. Zoodra zij Boges hoorde naderen, zond zij hare slavinnen weg, sprong overeind en liep hem te gemoet, hem overstelpende met een vloed van onsamenhangende vragen, die alle betrekking hadden op hare vijandin Nitetis.
»Bedaar, mijn duifje!” zeide Boges, zijne vleezige hand op haar schouder leggende. »Bedaar! Zoo gij niet doodstil en zonder te vragen mijn verslag kunt aanhooren, verneemt gij heden geen enkel woord. Ja, mijne gouden koningin, ik heb u zooveel te zeggen, dat ik niet voor morgen gedaan zou hebben, als ik u toestond mij naar hartelust in de rede te vallen. Ach, mijn lammetje, ik heb heden nog zooveel te doen! Vooreerst een Egyptischen ezelrit bij te wonen, ten tweede getuige te zijn van eene Egyptische terechtstelling.... Maar ik loop mij zelven vooruit, en wil van het begin af alles ordelijk verhalen. Gij moogt weenen, lachen, ja juichen van blijdschap, zooveel gij wilt; maar vragen is u verboden, totdat ik aan het einde ben.—Ja, deze liefkoozing heb ik wel verdiend!—Zoo, nu lig ik goed en kan beginnen.—Daar leefde in Perzië een groot koning, die vele vrouwen had, van welke hij Phaedime het meest beminde, en boven al de anderen stelde. Maar op zekeren dag kwam hij op den inval, de hand van de dochter des konings Amasis van Egypte te vragen. Dus vaardigde hij een groot gezantschap naar Saïs af, met zijn eigen broeder, als zijn zaakgelastigde....”
»Altemaal dwaasheid!” riep Phaedime, van ongeduld overmeesterd. »Ik wil weten wat er heden is voorgevallen.”
»Geduld, geduld, mijn onstuimige Ader-wind6! Zoo gij mij nog eenmaal in de rede valt, dan ga ik heen en vertel aan de boomen mijne geschiedenis. Gun mij toch de vreugde de laatste maanden nog eens in den geest te doorleven. Terwijl ik verhaal, voel ik me zoo recht wel te moede, als een beeldhouwer, die den hamer uit zijne hand heeft gelegd, en nu zijn voltooid werk beschouwt.”
»Neen, neen,” begon Phaedime nogmaals, »ik kan thans niet aanhooren, wat ik al lang weet. Ik sterf van ongeduld. Sedert uren wacht ik hier in de vreeselijkste spanning. Elk nieuw gerucht, dat door den mond van slavinnen en eunuchen tot mijkwam, deed mijn ongeduld stijgen. Ik heb de koorts van verlangen en kan niet langer wachten. Begeer van mij, wat gij wilt, maar verlos mij uit deze ontzettende spanning. Later wil ik, zoo gij dat wenscht, dagen achtereen naar u luisteren.”
Boges glimlachte vergenoegd, en zeide, zich in de handen wrijvende: »Reeds als kind kende ik geen heerlijker vermaak, dan een aan den hengel spartelend vischje gade te slaan. Thans hangt gij, de schoonste goudkarper dien mijne oogen ooit zagen, aan mijn snoer, en ik kan u niet loslaten, voordat ik mij aan uw ongeduld verzadigd heb.”
Phaedime sprong nu van het rustbed op, dat zij met Boges had gedeeld, stampte met den voet en ging te keer als een kind, dat om de vervulling van zijn wensch dwingt. Den eunuch scheen haar woeden en razen ontzaglijk te vermaken, want hij wreef zich onophoudelijk de handen, lachte dat hem de tranen langs de bolle wangen biggelden, en ledigde verscheidene bekers wijn op de gezondheid der gemartelde schoone, alvorens hij op deze wijze zijn verslag vervolgde: »Het was voor mij niet geheim gebleven, dat Cambyzes zijn broeder Bartja, die de Egyptische hierheen had geleid, enkel en alleen uit ijverzucht tegen de Tapoeren zond. Doch de hoogmoedige vrouw, wie ik niets bevelen mocht, scheen naar mij docht, even weinig aan den schoonen knaap te denken, als een Jood aan varkensvleesch, of een Egyptenaar aan witte boonen7. Desniettemin besloot ik de ijverzucht van den koning aan te wakkeren, door de onbeschaamde, wie het scheen te zullen gelukken ons beiden uit de gunst van Cambyzes te verdringen, onschadelijk te maken. Maar ik zocht lang tevergeefs naar een deugdelijk plan.
»Toen eindelijk het nieuwjaarsfeest8daar was, verzamelden zich alle priesters uit het rijk te Babylon. Acht dagen lang was de stad het tooneel van gejuich, maaltijden en drinkgelagen. Ook aan het hof was het een lustig leventje, en ik had weinig tijd, om over mijne plannen te peinzen. Doch daar deed de goedgunstige Amescha Çpenta mij, juist toen ik het allerminst uitzicht had op welslagen, een jongeling ontmoeten, dien Angramainjus zelf voor mijne plannen scheen te hebben geschapen. Gaumata, de broeder van Oropastes, was naar Babylon gekomen, om het groote nieuwjaarsoffer bij te wonen. Toen ik den jongeling voor de eerste maal zag bij zijn broeder, wien ik eene boodschap van den koning moest overbrengen, meende ik eengeestverschijning te zien, zoo volmaakt geleek hij op Bartja. Nadat ik mijne zaken met Oropastes had afgehandeld, geleidde de knaap mij naar mijn wagen. Ik liet hem niets van mijne verbazing blijken, overlaadde hem met beleefdheden, en verzocht hem dringend, mij een bezoek te komen brengen. Denzelfden avond klopte hij aan mijne deur. Ik liet den besten wijn opzetten, spoorde hem tot drinken aan, en deed bij vernieuwing de ervaring op, dat de voortreffelijkste eigenschap van het druivensap deze is, dat het den minst spraakzame aan het praten brengt. In zijn roes bekende de jongeling, dat hij niet om het offer, maar ter wille van een meisje, dat de betrekking van eerste kamerjuffer bij de Egyptische bekleedde, naar Babylon was gekomen. Hij beminde haar van zijne kindsheid af, zeide hij, maar zijn eerzuchtige broeder had hoogere plannen met hem voor, en wist de schoone Mandane, alleen om die twee te scheiden, eene plaats bij de nieuwe gemalin van den koning te bezorgen. Eindelijk verzocht hij mij dringend, hem in de gelegenheid te stellen zijne liefste te spreken. Ik hoorde hem bedaard aan, opperde een tal van bezwaren, en verzocht hem ten slotte zich den volgenden dag nogmaals bij mij aan te melden. Hij kwam. Ik zeide dat zich alles schikken zou, indien hij beloofde mijne bevelen blindelings te volgen. Hij maakte natuurlijk geene zwarigheid, reisde dadelijk op mijn verzoek naar Rhagae terug, en kwam eerst eergisteren heimelijk binnen Babylon, als wanneer ik hem in mijn huis eene schuilplaats bezorgde.
»Intusschen was Bartja uit den strijd teruggekeerd. Nu kwam het er op aan de ijverzucht van den koningopnieuwte doen ontbranden, en de Egyptische met een enkelen slag te doen vallen. Door uwe vernedering wekte ik den wrevel uwer bloedverwanten jegens de Egyptische op en maakte verder alle toebereidselen tot de groote onderneming. Het lot was mij bijzonder gunstig. Gij weet hoe, geheel buiten mijn toedoen, bij gelegenheid van den feestmaaltijd, Nitetis zich aanstelde. Maar gij weet niet, dat zij dienzelfden avond een tuinmansjongen met een brief tot Bartja in den koningsburcht zond. De onhandige bode liet zich betrappen, en werd in dien eigen nacht, op bevel van den woedenden koning, een hoofd kleiner gemaakt. Ik droeg intusschen zorg, dat Nitetis zoo geheel van alle gemeenschap met hare vrienden verstoken bleef, dat zij als in het nest van den Simurg9leefde. Het overige weet gij!”
»Maar hoe ontkwam Gaumata?”
»Door eene mij alleen bekende valdeur, die den vluchteling opeens aan alle verdere nasporingen onttrok. Alles is uitnemend in zijn werk gegaan; zelfs was het mij gelukt een dolk van Bartja, dien hij op de jacht verloren had, in handen te krijgen, en ongemerkt onder het venster van Nitetis te leggen. Om den prins te verwijderen, en hem te beletten op het beslissend oogenblik bij den koning of in gezelschap van andere invloedrijke getuigen te zijn, had ik den Griekschen koopman Colaeus, die tegenwoordig te Babylon Milesische lakens verkoopt, en veel voor mij overheeft, wijl ik hem al de voor het vrouwenverblijf benoodigde wollen stoffen laat leveren, verzocht, een brief in de Grieksche taal te schrijven, die Bartja namens zijne beminde, die Sappho heet, uitnoodigde, zich geheel alleen, op het tijdstip van het opkomen der Tistar-ster, aan de eerste pleisterplaats buiten de Euphraat-poort te laten vinden. Doch met dien brief liep het mij tegen, want de bode, die met de bezorging er van belast was, kweet zich slecht van zijne taak. Wel beweert hij, dat hij den brief aan Bartja zelven heeft ter hand gesteld, maar daar is geen twijfel aan, dat hij hem aan iemand anders, waarschijnlijk aan Gaumata, bezorgd heeft. Ik ontstelde hevig, toen ik vernam dat Bartja ’s avonds met zijne vrienden onder een beker wijn te zamen was geweest. Maar het gebeurde kon niet ongedaan worden gemaakt, en getuigenissen als die van uw vader, Hystaspes, Cresus en Intaphernes wogen rijkelijk op tegen de verklaringen van Darius, Gyges en Araspes. Hier sprak men tegen, daar vóor den vriend. Ten slotte kwam toch alles best in orde. De jonge heeren zijn ter dood veroordeeld, en Cresus, die zich als altijd aanmatigde den koning onbeschaamde dingen te zeggen, zal zijn laatste uurtje reeds achter den rug hebben. Met betrekking tot de Egyptische heeft de opperschrijver zoo even het volgende stuk moeten opstellen. Hoor maar eens, mijn duifje, en wees blijde!
‘Nitetis, de overspelige dochter van den koning van Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode levend begraven worden.—Dit bevel wordt den overste der eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.’
‘Nitetis, de overspelige dochter van den koning van Egypte, zal, tot straf voor hare schanddaden, volgens al de gestrengheid der wet worden terechtgesteld, en wel op de volgende wijze: Men plaatse haar schrijdelings op een ezel, en voere haar door de straten der stad, opdat het volk van Babylon erkenne, dat Cambyzes de dochter van een koning even streng weet te tuchtigen, als zijne rechters de geringste bedelaars straffen. Na het ondergaan der zon zal de snoode levend begraven worden.—Dit bevel wordt den overste der eunuchen, Boges, ter uitvoering in handen gesteld.
De opperschrijver Ariabignes, op last van den koning Cambyzes.’
»Nauwelijks had ik dit geschrift in mijne mouwen geborgen,toen de moeder van den koning, door Atossa geleid, met gescheurde kleederen de zaal binnenvloog.—Aan huilen, schreien, verwijtingen, vloeken, beden en bezweringen geen gebrek! Maar de koning was onvermurwbaar, en ik geloof waarlijk, dat Cassandane en Atossa, Cresus en Bartja naar de andere wereld zouden zijn nagezonden, indien niet de vrees voor de schim van zijn vader den zoon had weerhouden, de hand te slaan aan de weduwe van Cyrus. Althans van woede stond hem het schuim om den mond.—Ten gunste van Nitetis verspilde Cassandane overigens geen enkel woord. Zij schijnt, even als wij, ten volle overtuigd te zijn van hare schuld.—Den verliefden Gaumata hebben wij ook niet meer te vreezen, want ik heb drie mannen gehuurd, die hem, als hij naar Rhagae terugkeert, een koel bad in de golven van den Euphraat zullen doen nemen. De visschen en wormen zullen vroolijke dagen hebben, ha, ha!”
Phaedime stemde van ganscher harte in met dit gelach, overstelpte den eunuch met de vleiendste namen, die zij van hem geleerd had, en zich te dezer stonde herinnerde, en hing hem eene zware gouden keten, met kostbare edelgesteenten bezet, als bewijs harer dankbaarheid om den hals.
1zie boven bl.59, v. Daar de afgestorvene, volgens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.2Naar eengrafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt bewaard.3zie boven bl.59.4Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.5Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doodenboek, “het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel” geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of van andere vogels voorgesteld.6Ader bet. Maart.7De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.8In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.9De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.
1zie boven bl.59, v. Daar de afgestorvene, volgens het Doodenboek, zijne ledematen noodig heeft, moesten deze alle behouden blijven. De Egyptenaren wisten de idee der onsterfelijkheid in alle richtingen toe te passen. Evenals de zon des nachts niet sterft, maar de benedenwereld verlicht, zoo is ook de gestorven Egyptenaar niet dood. Zijne eeuwige ziel begint veeleer, na het scheiden van deze aarde, eerst recht te leven. Zij gaat naar de onderwereld, om daar, of gerechtvaardigd te worden, en dan in het reine licht van het oosten in de vlakte Aloe heerlijke akkers te bezaaien, tot zij rijp is als een deel der wereldziel in Osiris op te gaan, of na vreeselijke martelingen uit de onderwereld gezweept te worden, om door allerlei dierlijke lichamen om te zwerven. Na deze omzwerving kan zij, gereinigd en verzoend, zich met Osiris vereenigen, of moet zij opnieuw dezen reinigingsweg afleggen.
2Naar eengrafopschrift, dat in het museum te Berlijn wordt bewaard.
3zie boven bl.59.
4Naam van den phoenix in het oud-Egyptisch.
5Vrije vertolking van het begin van het 83e hoofdst. uit het Doodenboek, “het hoofdstuk van de verandering in den Benno-vogel” geheeten. De zielen worden vaak in de gedaante van een phoenix of van andere vogels voorgesteld.
6Ader bet. Maart.
7De Egyptenaren mochten inderdaad geene boonen eten. Pythagoras ontleende dit verbod aan hen. In den papyrus-Ebers komen boonen als geneesmiddelen voor.
8In Maart, gedurende de voorjaars-dag- en nachtevening.
9De Perzische wondervogel, die met den vogel Rock of Grijp te vergelijken is. In het nest van dien vogel werd Sal, de vader van Rustem, opgevoed.