Tiende hoofdstuk.

Tiende hoofdstuk.De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen, eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door, roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!” De vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten, vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden, terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen, wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten, raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen, die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik, om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot, dat de macht en het gezag der zweepdragers te kortschoten om de rust te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken, teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam, die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel door die woelige menschenmassa’s verwacht werd.Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen, toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa, die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter hulp. »Maak plaats!” schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!”»Bedaar, mijn vriend!” antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is die voorname heer?”»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu spoedig plaats!”»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!”»Dat gaat u niet aan! De vrijpas....”»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten.”Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn, als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van ’s konings dischgenooten draagt.”Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend, zijden rolletje, waarop ’s konings zegel en eenige schrijfteekens zichtbaar waren.De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde,” mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een bedrieger!”—te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon, naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij.”De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik er uit als een bedrieger?”»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt, zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman.”»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen komen. Ik ben bereid mij zelven voorden koning te rechtvaardigen, en heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen, en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft, en wat deze verbazende volksoploop beduidt.”De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even, en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis’ dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat; ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen, sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?”»Onuitsprekelijk!”»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten1zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden.”»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman....”»Gij moet, gij moet.”»Ik kan niet!”»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu, dat ge mij helpen moet?”»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?”»Vraag niet, maar handel!—Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de veroordeelden behoort?”»Ja!”»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is.”»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus.”»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden.”»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle zekerheid, dat ik...”»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen bereiken.”Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja’s onschuld te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt mij vrienden, en maakt ons plaats!”Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem, ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen, die hem ruim baan maakten.Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen, op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger, die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen de verklaring van den zweepdragerbevestigen. Ook in zijn hart werd de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen, voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager, dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang aan de deur van ’s konings vertrek te wachten.Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige, die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld, naar vergetelheid smachtend brein.»Op de jacht!” brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde hovelingen toe.De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen, die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch2bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los, ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde eens terdege opruimen!”Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden vorst niet aanspreken. Om ’s konings aandacht op zich te vestigen, ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede lichtstraal verdeelde.Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijkenblik op dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom knielt ge?”»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade van zijn heer in te roepen!”»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen zoon te hebben.”»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius....”»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?”»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak; maar....”»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven kwaad ongedaan kunt maken.”»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden....”»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen ondersteunen?”»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan, die....”»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen, die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!”»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen, naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen.”De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom, voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed, dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil, laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet aankomt!”—Bij deze woorden fonkelde ’s konings oog opnieuw van toorn; Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe, die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik, voor hem neder en kuste den grond.Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:»Wie zijt gij?”»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden.”»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus deed behalen?”»Dezelfde.”»Wat voert u naar Perzië?”»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen.”»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid, dan gij, Hellenen!”»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van ’s menschen karakter misvormt.”»Welnu, spreek dan!”»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij echter veel tijd noodig hebben; heden echter...”»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren.Vergezelmij op de jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere behoefte aan afleiding dan thans.”»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij....”»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?”»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood.”»Volg mij dan!”Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uwbroeder dan onschuldig sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!”Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw eigen doodvonnis uitspreekt!”Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan, en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt, dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor ’t mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk, dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat, wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen.”»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het gebas der honden in het voorhof.”»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht, herkende ik dadelijk zijne trekken....”»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?”»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien deAlkmaeonidenvoor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden, de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen had geprent.”»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft, zoo trouw weer te geven!”»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijnekunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen een tweede beeltenis van uw broeder....”»Ik begeer die niet. Ga voort!”»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan, daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde....”»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden gebruik te maken?”»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne kleederen met de mijne te verwisselen.”»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër beiden,” zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze geschiedenis.—Arme Cresus!” Bij deze woorden trok er wederom een wolk over Cambyzes’ gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op zijn voorhoofd glad te strijken.De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht, door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden....”De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.»Wij waren,” ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden, aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit, en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren, om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig, geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om, bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp roepen. Mijnbesluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten, de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei, dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen, en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm- en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren....”»Zonderling!” kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden,” liet Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken.”’»Ik ben gewoon,” antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later ook zou kunnen berouwen.”»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had, en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een giftige adder van de aarde zal worden verdelgd.”»Zult gij het mij niet euvel duiden,” vroeg Phanes, die de sporen eener vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had, »als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?”»Spreek!”»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dusde goden u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig, maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts twee geneesmiddelen: hoop en geduld!”Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord »geduld” vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid, en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.»Wij droegen,” vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg, mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges, den zoon van Cresus uitgeven.»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen, voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs de waard van het posthuis zwoer, toen we ’s jongelings gelaat van het bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek3, zonder welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis te Babylon vervoerd te worden.Hij verzekerde ons echter met drift, dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar....”»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig, dit te vernemen!” viel de koning den spreker in de rede.»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden uitbracht.”»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?”»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste, Mandane geheeten.”»Mandane!” prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis dien naam.”Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen, en riep hij:»Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning, want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende tuinen geweest is!”De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding, waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws, en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de koning, ondanks Phanes’ onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak, wiens leven of dood een speelbal zijnerluimen was. Zoo machtig werkten de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch, die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben, en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was er nogietsanders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig, dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten.”Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe hofbeambten eenige vragen te richten?”»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!”Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan, dat alles in gereedheid was.»Men wachte!” sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten, die tengevolge van den gemaakten spoed, om ’s konings bevel ten uitvoer te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?”Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden te ondervragen, met den genoemden persoon terug.»Wat doen de gevangenen?” vroeg Cambyzes den voor hem op den grond liggenden hoofdman.»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is zoet door uw wil te sterven.”»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?”»Ja,mijn koning!”»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?”»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt, als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven, als gij hen hoordet spreken.”De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?”De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen: »Hij is.... hij heeft.... wij dachten....”»Wat dacht gij?” hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil de volle waarheid weten!”De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder, en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade, genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen, van welke vijftien....”»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!”»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij....”»Het is genoeg!” riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.—Ga thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen.”»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!”»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar liggenden gekwetste herwaarts te brengen.”Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?”»Spreek!”»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste.”»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!”»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is.”»Zend beiden hierheen, Datis!”»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve....”Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!”De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op deze plaats te bevelen.”De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan, hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen, en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn, gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna verneem ik gaarne ook uwe meening.”Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief, toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aanuwe rechtvaardigheid heb getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen.”Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die, gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren worden.De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger gewoonlijk wijd geopende ooren.15400 gulden.2Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent bliksem.3Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw v. Chr.Elfde hoofdstuk.Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen, dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want Bartja’s dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader, op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de stafdragers de zaal binnengeleid.De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot inleiding: »Hebt gij een broeder?”»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn, van zes broeders en zusters. Mijne ouders....”»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?”»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd.”»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en een mijner bloedverwanten opgemerkt?”»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja, dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich thans nog bevindt, den prins noemde.”»Was hij in de laatste dagen te Babylon?”»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst.”»Spreekt gij de waarheid?”»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik mijn mond opende om een leugen te zeggen.”Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond hier!—Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden.”»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik, de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren binnen Babylon is geweest.”»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid.”»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen oogenblik uwe zijde verlaten heb.”»Dat weet ik!”Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes; daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd, die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?”»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende personen bij de Egyptische koningsdochter—Aoeramazda schenke haar vergiffenis!”»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate te begunstigen?”»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer: »Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels, in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd worden.” Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok.”De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg: »Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is, niet bij u?”»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar, eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar eene zelfstandige toekomst te verzekeren.”»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?”»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd, dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje uit mijn huis te verwijderen.”»Wij weten genoeg,” zeide de koning, den opperpriester door een wenk te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!”Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe tint aangenomen.»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk, dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!”De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar een enkel woord uit te brengen.»Mijn geduld is kort!” riep Cambyzes haar waarschuwend toe.Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker, hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe, die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken, en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen, en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes zijn broeder toegestaan had mij te huwen!”Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even te glimlachen.Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest, zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.»Duizendmaal,” riep zij,»kuste mijne meesteres al de dingen, die men haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam zij bloem voor bloemin de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan uwe goedheid te bewaren.”Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes” met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te hebben gesmeekt.Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij:»Uit mijne oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!”Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit mijne oogen” klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis, om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!”Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings, terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen, en hem dood of levend over te leveren.Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen achterhaald had.Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een mondgesprek liet verzoeken.Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep: »Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten dankverschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten1te doen uitbetalen.”»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken.”»Misbruik haar dan!” antwoordde de koning met vriendelijken lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten, aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!”Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen, als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar; Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten, want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van haar woest kind te beteugelen.Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel, en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin, Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius, wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar vader vereerde;—kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige gebedentot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar de verdediging van Nitetis aan te hooren.Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken, zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen, zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten, verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï2, de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!”—Dezelfde paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon, en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij, bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg: »Hebt gij mij lief, Sabaces?”»O, meesteres!” zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn oudengoeden Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg, dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk, maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die beiden ter hand worden gesteld.”»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten.”»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen te verlustigen?”»Ik zal het beproeven.”»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer spoedig terug!”De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na, en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd groene cypres: trouw en onwankelbaar.”—Na verloop van een uur keerde de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een in bloed gedoopten Indischen doek.Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten, drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot zichzelve: »Bartja’s ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij veil heeft.”Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met bittere tranen.Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet, en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons gespaard blijven!”En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde dan haar zwakken arm.De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd, dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den druk van Atossa’s warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had gegeven, naast haar rustbed.Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende, dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde, en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin, daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet schuldig zijn!” Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der jeugdige lente over een rozenbed.»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!” riep Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen, op de knieën viel.Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene, en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!” Geen verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!”Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening, met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik, mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig.”»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!” riep Atossa, de vriendin met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het wankelen,” sprak de koningin-moeder.»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!” antwoordde Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme, kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem niet meer vergeten.—Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis, dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij vergif te nemen. Ach, mijn hart!”Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen, en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood nog eenige dagen!”Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met tranen besproeide.»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!” gebood de oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór alle dingen is rust noodig.”Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts, zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?”»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten gevolge hebben.”Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle priesters en mobeds3! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven, ik beveel het, ik, de koning!”Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met het gouden kettinkje aan den voet.—Deblikken der lijdende vielen het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O, welk een geluk!” Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!”Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.1Ongeveer 270,000 gulden.2Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.3Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.

Tiende hoofdstuk.De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen, eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door, roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!” De vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten, vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden, terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen, wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten, raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen, die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik, om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot, dat de macht en het gezag der zweepdragers te kortschoten om de rust te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken, teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam, die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel door die woelige menschenmassa’s verwacht werd.Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen, toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa, die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter hulp. »Maak plaats!” schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!”»Bedaar, mijn vriend!” antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is die voorname heer?”»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu spoedig plaats!”»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!”»Dat gaat u niet aan! De vrijpas....”»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten.”Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn, als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van ’s konings dischgenooten draagt.”Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend, zijden rolletje, waarop ’s konings zegel en eenige schrijfteekens zichtbaar waren.De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde,” mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een bedrieger!”—te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon, naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij.”De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik er uit als een bedrieger?”»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt, zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman.”»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen komen. Ik ben bereid mij zelven voorden koning te rechtvaardigen, en heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen, en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft, en wat deze verbazende volksoploop beduidt.”De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even, en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis’ dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat; ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen, sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?”»Onuitsprekelijk!”»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten1zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden.”»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman....”»Gij moet, gij moet.”»Ik kan niet!”»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu, dat ge mij helpen moet?”»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?”»Vraag niet, maar handel!—Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de veroordeelden behoort?”»Ja!”»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is.”»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus.”»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden.”»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle zekerheid, dat ik...”»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen bereiken.”Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja’s onschuld te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt mij vrienden, en maakt ons plaats!”Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem, ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen, die hem ruim baan maakten.Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen, op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger, die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen de verklaring van den zweepdragerbevestigen. Ook in zijn hart werd de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen, voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager, dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang aan de deur van ’s konings vertrek te wachten.Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige, die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld, naar vergetelheid smachtend brein.»Op de jacht!” brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde hovelingen toe.De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen, die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch2bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los, ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde eens terdege opruimen!”Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden vorst niet aanspreken. Om ’s konings aandacht op zich te vestigen, ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede lichtstraal verdeelde.Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijkenblik op dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom knielt ge?”»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade van zijn heer in te roepen!”»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen zoon te hebben.”»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius....”»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?”»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak; maar....”»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven kwaad ongedaan kunt maken.”»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden....”»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen ondersteunen?”»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan, die....”»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen, die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!”»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen, naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen.”De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom, voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed, dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil, laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet aankomt!”—Bij deze woorden fonkelde ’s konings oog opnieuw van toorn; Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe, die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik, voor hem neder en kuste den grond.Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:»Wie zijt gij?”»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden.”»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus deed behalen?”»Dezelfde.”»Wat voert u naar Perzië?”»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen.”»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid, dan gij, Hellenen!”»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van ’s menschen karakter misvormt.”»Welnu, spreek dan!”»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij echter veel tijd noodig hebben; heden echter...”»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren.Vergezelmij op de jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere behoefte aan afleiding dan thans.”»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij....”»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?”»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood.”»Volg mij dan!”Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uwbroeder dan onschuldig sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!”Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw eigen doodvonnis uitspreekt!”Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan, en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt, dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor ’t mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk, dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat, wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen.”»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het gebas der honden in het voorhof.”»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht, herkende ik dadelijk zijne trekken....”»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?”»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien deAlkmaeonidenvoor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden, de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen had geprent.”»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft, zoo trouw weer te geven!”»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijnekunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen een tweede beeltenis van uw broeder....”»Ik begeer die niet. Ga voort!”»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan, daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde....”»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden gebruik te maken?”»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne kleederen met de mijne te verwisselen.”»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër beiden,” zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze geschiedenis.—Arme Cresus!” Bij deze woorden trok er wederom een wolk over Cambyzes’ gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op zijn voorhoofd glad te strijken.De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht, door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden....”De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.»Wij waren,” ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden, aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit, en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren, om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig, geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om, bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp roepen. Mijnbesluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten, de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei, dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen, en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm- en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren....”»Zonderling!” kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden,” liet Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken.”’»Ik ben gewoon,” antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later ook zou kunnen berouwen.”»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had, en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een giftige adder van de aarde zal worden verdelgd.”»Zult gij het mij niet euvel duiden,” vroeg Phanes, die de sporen eener vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had, »als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?”»Spreek!”»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dusde goden u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig, maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts twee geneesmiddelen: hoop en geduld!”Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord »geduld” vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid, en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.»Wij droegen,” vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg, mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges, den zoon van Cresus uitgeven.»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen, voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs de waard van het posthuis zwoer, toen we ’s jongelings gelaat van het bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek3, zonder welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis te Babylon vervoerd te worden.Hij verzekerde ons echter met drift, dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar....”»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig, dit te vernemen!” viel de koning den spreker in de rede.»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden uitbracht.”»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?”»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste, Mandane geheeten.”»Mandane!” prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis dien naam.”Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen, en riep hij:»Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning, want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende tuinen geweest is!”De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding, waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws, en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de koning, ondanks Phanes’ onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak, wiens leven of dood een speelbal zijnerluimen was. Zoo machtig werkten de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch, die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben, en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was er nogietsanders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig, dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten.”Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe hofbeambten eenige vragen te richten?”»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!”Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan, dat alles in gereedheid was.»Men wachte!” sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten, die tengevolge van den gemaakten spoed, om ’s konings bevel ten uitvoer te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?”Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden te ondervragen, met den genoemden persoon terug.»Wat doen de gevangenen?” vroeg Cambyzes den voor hem op den grond liggenden hoofdman.»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is zoet door uw wil te sterven.”»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?”»Ja,mijn koning!”»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?”»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt, als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven, als gij hen hoordet spreken.”De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?”De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen: »Hij is.... hij heeft.... wij dachten....”»Wat dacht gij?” hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil de volle waarheid weten!”De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder, en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade, genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen, van welke vijftien....”»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!”»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij....”»Het is genoeg!” riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.—Ga thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen.”»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!”»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar liggenden gekwetste herwaarts te brengen.”Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?”»Spreek!”»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste.”»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!”»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is.”»Zend beiden hierheen, Datis!”»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve....”Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!”De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op deze plaats te bevelen.”De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan, hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen, en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn, gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna verneem ik gaarne ook uwe meening.”Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief, toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aanuwe rechtvaardigheid heb getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen.”Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die, gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren worden.De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger gewoonlijk wijd geopende ooren.15400 gulden.2Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent bliksem.3Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw v. Chr.Elfde hoofdstuk.Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen, dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want Bartja’s dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader, op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de stafdragers de zaal binnengeleid.De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot inleiding: »Hebt gij een broeder?”»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn, van zes broeders en zusters. Mijne ouders....”»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?”»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd.”»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en een mijner bloedverwanten opgemerkt?”»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja, dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich thans nog bevindt, den prins noemde.”»Was hij in de laatste dagen te Babylon?”»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst.”»Spreekt gij de waarheid?”»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik mijn mond opende om een leugen te zeggen.”Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond hier!—Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden.”»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik, de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren binnen Babylon is geweest.”»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid.”»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen oogenblik uwe zijde verlaten heb.”»Dat weet ik!”Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes; daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd, die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?”»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende personen bij de Egyptische koningsdochter—Aoeramazda schenke haar vergiffenis!”»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate te begunstigen?”»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer: »Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels, in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd worden.” Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok.”De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg: »Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is, niet bij u?”»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar, eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar eene zelfstandige toekomst te verzekeren.”»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?”»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd, dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje uit mijn huis te verwijderen.”»Wij weten genoeg,” zeide de koning, den opperpriester door een wenk te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!”Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe tint aangenomen.»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk, dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!”De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar een enkel woord uit te brengen.»Mijn geduld is kort!” riep Cambyzes haar waarschuwend toe.Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker, hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe, die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken, en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen, en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes zijn broeder toegestaan had mij te huwen!”Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even te glimlachen.Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest, zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.»Duizendmaal,” riep zij,»kuste mijne meesteres al de dingen, die men haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam zij bloem voor bloemin de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan uwe goedheid te bewaren.”Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes” met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te hebben gesmeekt.Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij:»Uit mijne oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!”Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit mijne oogen” klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis, om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!”Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings, terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen, en hem dood of levend over te leveren.Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen achterhaald had.Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een mondgesprek liet verzoeken.Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep: »Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten dankverschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten1te doen uitbetalen.”»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken.”»Misbruik haar dan!” antwoordde de koning met vriendelijken lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten, aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!”Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen, als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar; Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten, want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van haar woest kind te beteugelen.Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel, en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin, Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius, wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar vader vereerde;—kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige gebedentot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar de verdediging van Nitetis aan te hooren.Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken, zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen, zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten, verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï2, de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!”—Dezelfde paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon, en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij, bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg: »Hebt gij mij lief, Sabaces?”»O, meesteres!” zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn oudengoeden Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg, dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk, maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die beiden ter hand worden gesteld.”»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten.”»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen te verlustigen?”»Ik zal het beproeven.”»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer spoedig terug!”De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na, en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd groene cypres: trouw en onwankelbaar.”—Na verloop van een uur keerde de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een in bloed gedoopten Indischen doek.Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten, drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot zichzelve: »Bartja’s ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij veil heeft.”Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met bittere tranen.Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet, en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons gespaard blijven!”En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde dan haar zwakken arm.De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd, dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den druk van Atossa’s warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had gegeven, naast haar rustbed.Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende, dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde, en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin, daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet schuldig zijn!” Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der jeugdige lente over een rozenbed.»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!” riep Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen, op de knieën viel.Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene, en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!” Geen verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!”Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening, met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik, mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig.”»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!” riep Atossa, de vriendin met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het wankelen,” sprak de koningin-moeder.»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!” antwoordde Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme, kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem niet meer vergeten.—Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis, dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij vergif te nemen. Ach, mijn hart!”Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen, en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood nog eenige dagen!”Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met tranen besproeide.»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!” gebood de oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór alle dingen is rust noodig.”Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts, zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?”»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten gevolge hebben.”Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle priesters en mobeds3! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven, ik beveel het, ik, de koning!”Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met het gouden kettinkje aan den voet.—Deblikken der lijdende vielen het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O, welk een geluk!” Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!”Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.1Ongeveer 270,000 gulden.2Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.3Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.

Tiende hoofdstuk.De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen, eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door, roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!” De vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten, vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden, terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen, wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten, raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen, die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik, om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot, dat de macht en het gezag der zweepdragers te kortschoten om de rust te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken, teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam, die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel door die woelige menschenmassa’s verwacht werd.Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen, toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa, die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter hulp. »Maak plaats!” schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!”»Bedaar, mijn vriend!” antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is die voorname heer?”»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu spoedig plaats!”»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!”»Dat gaat u niet aan! De vrijpas....”»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten.”Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn, als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van ’s konings dischgenooten draagt.”Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend, zijden rolletje, waarop ’s konings zegel en eenige schrijfteekens zichtbaar waren.De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde,” mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een bedrieger!”—te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon, naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij.”De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik er uit als een bedrieger?”»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt, zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman.”»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen komen. Ik ben bereid mij zelven voorden koning te rechtvaardigen, en heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen, en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft, en wat deze verbazende volksoploop beduidt.”De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even, en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis’ dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat; ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen, sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?”»Onuitsprekelijk!”»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten1zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden.”»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman....”»Gij moet, gij moet.”»Ik kan niet!”»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu, dat ge mij helpen moet?”»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?”»Vraag niet, maar handel!—Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de veroordeelden behoort?”»Ja!”»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is.”»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus.”»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden.”»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle zekerheid, dat ik...”»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen bereiken.”Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja’s onschuld te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt mij vrienden, en maakt ons plaats!”Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem, ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen, die hem ruim baan maakten.Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen, op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger, die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen de verklaring van den zweepdragerbevestigen. Ook in zijn hart werd de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen, voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager, dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang aan de deur van ’s konings vertrek te wachten.Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige, die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld, naar vergetelheid smachtend brein.»Op de jacht!” brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde hovelingen toe.De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen, die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch2bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los, ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde eens terdege opruimen!”Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden vorst niet aanspreken. Om ’s konings aandacht op zich te vestigen, ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede lichtstraal verdeelde.Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijkenblik op dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom knielt ge?”»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade van zijn heer in te roepen!”»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen zoon te hebben.”»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius....”»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?”»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak; maar....”»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven kwaad ongedaan kunt maken.”»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden....”»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen ondersteunen?”»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan, die....”»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen, die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!”»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen, naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen.”De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom, voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed, dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil, laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet aankomt!”—Bij deze woorden fonkelde ’s konings oog opnieuw van toorn; Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe, die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik, voor hem neder en kuste den grond.Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:»Wie zijt gij?”»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden.”»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus deed behalen?”»Dezelfde.”»Wat voert u naar Perzië?”»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen.”»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid, dan gij, Hellenen!”»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van ’s menschen karakter misvormt.”»Welnu, spreek dan!”»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij echter veel tijd noodig hebben; heden echter...”»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren.Vergezelmij op de jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere behoefte aan afleiding dan thans.”»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij....”»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?”»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood.”»Volg mij dan!”Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uwbroeder dan onschuldig sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!”Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw eigen doodvonnis uitspreekt!”Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan, en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt, dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor ’t mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk, dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat, wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen.”»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het gebas der honden in het voorhof.”»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht, herkende ik dadelijk zijne trekken....”»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?”»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien deAlkmaeonidenvoor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden, de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen had geprent.”»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft, zoo trouw weer te geven!”»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijnekunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen een tweede beeltenis van uw broeder....”»Ik begeer die niet. Ga voort!”»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan, daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde....”»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden gebruik te maken?”»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne kleederen met de mijne te verwisselen.”»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër beiden,” zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze geschiedenis.—Arme Cresus!” Bij deze woorden trok er wederom een wolk over Cambyzes’ gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op zijn voorhoofd glad te strijken.De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht, door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden....”De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.»Wij waren,” ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden, aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit, en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren, om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig, geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om, bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp roepen. Mijnbesluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten, de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei, dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen, en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm- en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren....”»Zonderling!” kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden,” liet Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken.”’»Ik ben gewoon,” antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later ook zou kunnen berouwen.”»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had, en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een giftige adder van de aarde zal worden verdelgd.”»Zult gij het mij niet euvel duiden,” vroeg Phanes, die de sporen eener vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had, »als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?”»Spreek!”»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dusde goden u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig, maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts twee geneesmiddelen: hoop en geduld!”Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord »geduld” vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid, en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.»Wij droegen,” vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg, mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges, den zoon van Cresus uitgeven.»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen, voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs de waard van het posthuis zwoer, toen we ’s jongelings gelaat van het bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek3, zonder welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis te Babylon vervoerd te worden.Hij verzekerde ons echter met drift, dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar....”»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig, dit te vernemen!” viel de koning den spreker in de rede.»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden uitbracht.”»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?”»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste, Mandane geheeten.”»Mandane!” prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis dien naam.”Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen, en riep hij:»Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning, want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende tuinen geweest is!”De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding, waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws, en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de koning, ondanks Phanes’ onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak, wiens leven of dood een speelbal zijnerluimen was. Zoo machtig werkten de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch, die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben, en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was er nogietsanders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig, dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten.”Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe hofbeambten eenige vragen te richten?”»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!”Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan, dat alles in gereedheid was.»Men wachte!” sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten, die tengevolge van den gemaakten spoed, om ’s konings bevel ten uitvoer te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?”Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden te ondervragen, met den genoemden persoon terug.»Wat doen de gevangenen?” vroeg Cambyzes den voor hem op den grond liggenden hoofdman.»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is zoet door uw wil te sterven.”»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?”»Ja,mijn koning!”»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?”»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt, als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven, als gij hen hoordet spreken.”De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?”De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen: »Hij is.... hij heeft.... wij dachten....”»Wat dacht gij?” hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil de volle waarheid weten!”De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder, en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade, genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen, van welke vijftien....”»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!”»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij....”»Het is genoeg!” riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.—Ga thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen.”»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!”»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar liggenden gekwetste herwaarts te brengen.”Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?”»Spreek!”»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste.”»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!”»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is.”»Zend beiden hierheen, Datis!”»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve....”Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!”De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op deze plaats te bevelen.”De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan, hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen, en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn, gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna verneem ik gaarne ook uwe meening.”Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief, toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aanuwe rechtvaardigheid heb getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen.”Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die, gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren worden.De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger gewoonlijk wijd geopende ooren.15400 gulden.2Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent bliksem.3Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw v. Chr.

De tijding van hetgeen er voorgevallen en op handen was scheen, eer de zon hare middaghoogte bereikt had, reeds tot in de armste hutten van Babylon doorgedrongen te zijn. De straten waren opgevuld met menschen, die het zeldzame schouwspel dat de terechtstelling der trouwlooze gemalin des konings zou aanbieden, met ongeduld verbeidden. De zweepdragers hadden de handen meer dan vol met het in bedwang houden der elk oogenblik aangroeiende menigte. Toen zich later het gerucht verbreidde van de op handen zijnde terechtstelling van Bartja en zijne vrienden, openbaarde zich de belangstelling van het volk, dat nog dronken was van den palmwijn, die op het geboortefeest van den koning en de daaropvolgende dagen zoo mild had gevloeid, en dus zijne opgewondenheid bezwaarlijk meester was, op gansch andere wijze. Beschonkene mannen schoolden samen en trokken de straten door, roepende: »Bartja, de goede zoon van Cyrus, zal vermoord worden!” De vrouwen, die in hare afgelegene vertrekken waren neergezeten, vernamen nauw dien kreet, of ze ontvloden hare bewakers, en volgden, terwijl zij in drift zelfs hare sluiers vergaten, huilende de mannen, wier brooddronkenheid met ieder oogenblik toenam. De vreugde over de aanstaande vernedering eener, boven zoo vele andere, schoone en bevoorrechte zuster, maakte plaats voor deernis met het lot van den beminden jongeling. Mannen, vrouwen, kinderen schreeuwden, vloekten, raasden en tierden, elkander onophoudelijk aanhitsende tot betoogingen, die meer en meer een onrustbarend karakter aannamen. Alle werkplaatsen liepen ledig; de kooplieden sloten hunne kelders, en de schoolknapen en dienstbaren, die bij het geboortefeest van den koning gewoonlijk acht dagen vacantie hadden, maakten van hunne vrijheid gebruik, om hunne stemmen te oefenen, door boven allen uit te gillen, of luidkeels te jammeren, meerendeels zonder te weten, waarom toch zooveel misbaar werd gemaakt. Eindelijk werd het rumoer zóo groot, dat de macht en het gezag der zweepdragers te kortschoten om de rust te herstellen, en eene afdeeling van de lijfwacht moest oprukken, teneinde de straten schoon te vegen. Zoodra het volk de glinsterende wapenrustingen en lange lansen gewaarwerd, week het terug, bezette de zijstraten, en rotte opnieuw samen als de soldaten voorbij waren.

Bij de zoogenaamde Bel-poort, waar de groote weg een aanvang nam, die naar het westen voerde, was het gedrang het grootst, daar het volk vernomen had dat de Egyptische door deze poort, die zij eenige maanden geleden met zooveel luister was binnengetrokken, op eene smadelijke wijze de stad zou worden uitgevoerd. Zoo was dan ook te dezer plaatse eene sterke bende zweepdragers geposteerd, wier plicht was ruimte te maken voor de voetgangers, die door de poort moesten. Doch heden verlieten slechts weinige inwoners de stad, want de nieuwsgierigheid was sterker dan de drang der zaken, of het verlangen om zich buiten te gaan ontspannen. Die echter van buiten kwamen, hoopten zich bijna allen bij de poort op, toen zij vernamen welk belangwekkend schouwspel door die woelige menschenmassa’s verwacht werd.

Reeds stond de zon hoog aan den hemel, en moest het nog maar enkele uren duren, alvorens de ezelrit van Nitetis een aanvang zou nemen, toen een reisgezelschap, bestaande uit eene zoogenaamde harmamaxa, die met vier paarden bespannen was, een tweewielige kar en een met muildieren bespannen goederenwagen, in vliegende vaart de poort naderde. In het eerste voertuig zaten een schoon aanzienlijk man van omtrent vijftig jaren, in Perzische hofkleeding, en een grijsaard in een lang wit gewaad, terwijl onderscheidene slaven in eenvoudige hemden, met breedgerande vilten hoeden en zeer kort afgeschoren haar in de kar hadden plaats genomen. Naast deze laatste reed een oud man, in de kleeding van een Perzisch dienstknecht. De menner van het vierspan kon niet dan met de grootste moeite door de opeengepakte menigte voor zijne, met kwasten en klokjes behangene paarden ruim baan maken! Dicht voor de poort gaf hij den moed op en riep eenige zweepdragers ter hulp. »Maak plaats!” schreeuwde hij een hoofdman der politiebeambten toe, die met zijn volk tot bij het voertuig doordrong. »De koninklijke post heeft geen tijd te verliezen, en ik heb een voornaam heer in den wagen, die u voor iedere minuut uitstel zwaar zou doen boeten!”

»Bedaar, mijn vriend!” antwoordde de hoofdman. »Gij ziet wel, dat het vandaag gemakkelijker gaat, de stad uit, dan er in te komen. Wie is die voorname heer?”

»Iemand, die een vrijpas van den koning bezit. Kom, maak ons nu spoedig plaats!”

»Hm! Het gevolg ziet er niet bijzonder koninklijk uit!”

»Dat gaat u niet aan! De vrijpas....”

»Dien moet ik zien, alvorens ik u in de stad kan laten.”

Deze waarschuwing richtte hij half tot den reiziger, dien hij aandachtig en wantrouwend opnam, half tot den koetsier.

Terwijl de man die het Perzisch gewaad droeg in de mouwen van zijn kleed naar den vrijpas zocht, wendde zich de zweepdrager tot een zijner makkers, en zeide, op het onbeduidende gevolg wijzende: »Hebt gij ooit zulk een wonderlijken stoet gezien? Mijn naam zal niet Giw zijn, als deze vreemde snaken niet iets bijzonders in het schild voeren. De minste tapijtlegger van den koning reist met viermaal grooter gevolg dan deze kerel, die een vrijpas bezit, en de kleeding van ’s konings dischgenooten draagt.”

Thans overhandigde de verdachte persoon hem een, naar muscus riekend, zijden rolletje, waarop ’s konings zegel en eenige schrijfteekens zichtbaar waren.

De zweepdrager nam het aan, en onderzocht het zegel. »Dit is in orde,” mompelde hij. Daarop begon hij het schrift te ontcijferen. Maar nauw was hij daarmede begonnen, of hij zag den reiziger scherp in de oogen, en riep: »Nadert mannen, omsingelt den wagen: deze man is een bedrieger!”—te gelijk de paarden bij de teugels grijpende.

Nadat hij zich overtuigd had, dat de vreemdeling niet ontsnappen kon, naderde hij hem andermaal en zeide: »Gij toont een vrijpas, die u niet toebehoort: Gyges, de zoon van Cresus, voor wien gij u uitgeeft, zit in de gevangenis, en zal nog heden terechtgesteld worden. Gij gelijkt volstrekt niet op hem, en het zal u berouwen onder een valschen naam hier te zijn gekomen. Stijg uit en volg mij.”

De reiziger gehoorzaamde niet aan dit bevel, maar verzocht den hoofdman in gebroken Perzisch, zich naast hem in den wagen te zetten, daar hij hem belangrijke zaken had mede te deelen. Een oogenblik aarzelde de beambte; toen hij echter zag, dat eene nieuwe bende zweepdragers aanrukte, wenkte hij deze voor de van ongeduld trappelende paarden te blijven staan, en klom toen in de harmamaxa.

De vreemdeling zag den hoofdman glimlachend aan, en vroeg: »Zie ik er uit als een bedrieger?”

»Neen, want schoon uwe spraak verraadt, dat gij geen Pers zijt, zoo hebt gij toch geheel het voorkomen van een edelman.”

»Ik ben een Helleen, en hierheen gekomen, om Cambyzes een grooten dienst te bewijzen. Gyges, die mijn vriend is, leende mij, toen hij in Egypte was, zijn pas, voor het geval dat ik naar Perzië mocht willen komen. Ik ben bereid mij zelven voorden koning te rechtvaardigen, en heb niets te vreezen; integendeel zal de koning mij hoogst dankbaar zijn voor de berichten, die ik hem breng. Laat mij, als uw plicht zulks gebiedt, zonder uitstel tot Cresus brengen; deze zal borg voor mij blijven, en u uwe lieden, die gij heden hoog noodig schijnt te hebben, aanstonds terugzenden. Verdeel deze goudstukken onder hen, en zeg met een paar woorden wat mijn arme vriend Gyges misdaan heeft, en wat deze verbazende volksoploop beduidt.”

De vreemdeling had wel in gebroken Perzisch, maar met zulk eene waardigheid en overtuiging gesproken, en zijn geschenk was zóo rijk geweest, dat de dienaar, die gewoon was voor tyrannen te bukken en te kruipen, tegenover een vorst meende te zitten, zijne armen eerbiedig kruiste, verschooning vroeg voor zijne onheuschheid van zoo even, en in korte woorden begon te verhalen wat er gaande was. Hij had in den afgeloopen nacht, gedurende het verhoor in de groote zaal de wacht gehad, en kon dus den vreemdeling van het voorgevallene tamelijk nauwkeurig mededeeling doen. De Griek hoorde den man in groote spanning aan. Meermalen, vooral toen er sprake was van de ontrouw van Amasis’ dochter en van den zoon van Cyrus, schudde hij ongeloovig het hoofd. De gevelde doodvonnissen, vooral dat van Cresus, schenen hem diep te treffen. Maar de droeve trek verdween allengs van zijn levendig gelaat; ja, nadat hij eene wijle had nagedacht, nam het zelfs eene vroolijke uitdrukking aan, waaruit was op te maken, dat zijn overleg tot eenig goed resultaat had geleid. Op eenmaal begon hij hartelijk te lachen, sloeg zich met de vlakke hand op het hooggewelfde voorhoofd, vatte met de linker de hand van den verbaasden hoofdman, drukte die, en zeide:

»Zou het u verblijden, als Bartja kon worden gered?”

»Onuitsprekelijk!”

»Welnu, dan beloof ik u plechtig dat gij ten minste twee talenten1zult ontvangen, als gij mij in de gelegenheid stelt den koning te spreken, voordat het eerste der doodvonnissen voltrokken is geworden.”

»Maar, hoe zou ik, een arm hoofdman....”

»Gij moet, gij moet.”

»Ik kan niet!”

»Ik weet wel, dat het voor een vreemdeling moeilijk, ja, bijkans onmogelijk is, een gehoor bij uw gebieder te erlangen; maar mijne boodschap duldt geen uitstel, want ik kan de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewijzen. Hoort gij, dat kan ik! Gelooft gij nu, dat ge mij helpen moet?”

»Maar, hoe zou het mogelijk zijn?”

»Vraag niet, maar handel!—Zeidet gij niet, dat ook Darius tot de veroordeelden behoort?”

»Ja!”

»Ik heb gehoord, dat zijn vader een zeer aanzienlijk persoon is.”

»Hij is de eerste in het rijk, na de kinderen van Cyrus.”

»Breng mij dan tot hem. Hij zal mij vriendelijk ontvangen, als hij verneemt, dat ik het in mijn macht heb zijn zoon te redden.”

»Wonderlijke vreemdeling! Uit uwe woorden spreekt zulk eene hoopvolle zekerheid, dat ik...”

»Dat gij mij gerust kunt vertrouwen. Zorg nu maar gezwind, dat uw volk ons door het gedrang helpt, opdat wij spoedig het paleis mogen bereiken.”

Na den twijfel is er niets, dat zich schielijker verbreidt, dan de hoop op de vervulling van een vurigen wensch, vooral wanneer die hoop ons met volle overtuiging wordt voorgespiegeld. De hoofdman der zweepdragers stelde opeens een onbeperkt vertrouwen in den zonderlingen reiziger, sprong, zijn geesel zwaaiende, uit den wagen, en riep zijne onderhoorigen toe: »Deze edele heer is gekomen, om Bartja’s onschuld te bewijzen, en moet aanstonds voor den koning gebracht worden. Volgt mij vrienden, en maakt ons plaats!”

Op dit oogenblik verscheen juist eene afdeeling van de lijfwacht te paard. De hoofdman snelde op den aanvoerder toe, en bad hem, ondersteund door het geroep der menigte, die reeds begreep wat de bedoeling was, den vreemdeling naar het paleis te geleiden. Inmiddels besteeg de reiziger het paard van zijn knecht en volgde de Perzen, die hem ruim baan maakten.

Snel als de wind verbreidde zich de heuglijke tijding door de reusachtige stad. Hoe verder de ruiters kwamen, des te gewilliger scheidden zich de volksdrommen, des te luider verhief zich het gejuich der menigte, zoodat de rit van den vreemdeling ten laatste een zegetocht geleek. Na weinige minuten hielden de ruiters voor de poort van het paleis stil. Nog waren hun de metalen deuren niet geopend, toen een tweede stoet opdaagde. Aan het hoofd van dezen reed langzaam de grijze Hystaspes, in bruine, gescheurde rouwkleederen, op een blauwgeverfd paard, welks staart en manen afgeschoren waren. De grijsaard was gekomen, om den koning genade voor zijn zoon te smeeken.

Nauwelijks werd de hoofdman der zweepdragers den edelen grijsaard gewaar, of hij wierp zich vol vreugde voor zijn paard neder, en deelde hem, met de armen op de borst gekruist, mede, welke hoop de vreemdeling in hem had doen ontwaken. Hystaspes wenkte den reiziger, die zich op zijn paard bevallig voor hem boog, en liet zich door dezen de verklaring van den zweepdragerbevestigen. Ook in zijn hart werd de hoop weder levend. Hij verzocht den vreemdeling hem te volgen, voerde hem binnen het paleis en verlangde van den opperstafdrager, dat hij hem voor den koning zou brengen. Hij gebood den Griek zoolang aan de deur van ’s konings vertrek te wachten.

Cambyzes lag, op het oogenblik dat zijn grijze bloedverwant binnentrad, doodsbleek op zijn purperen divan uitgestrekt. Aan zijne voeten knielde een schenker, die bezig was met de scherven op te rapen van een kostbaren glazen bokaal, dien de koning, wijl de hem daarin geboden drank niet smaakte, ongeduldig op den grond had geworpen. Eene menigte hofbeambten omgaven hun vertoornden gebieder op eerbiedigen afstand. Het was allen aan te zien, dat zij de opbruisende drift van den vorst vreesden, en zich liefst zoo ver mogelijk van hem verwijderd hielden. Eene ademlooze stilte heerschte in de uitgestrekte zaal, door welker geopende vensters het verblindende licht en de drukkende hitte van een Babylonischen Mei-dag naar binnen stroomden. Een groote hond, van edel Epirotisch ras, was de eenige, die het waagde de diepe stilte af te breken. Cambyzes had met een forschen schop het hem liefkoozende dier afgewezen, dat nu een kermend gehuil aanhief. Voordat de stafdrager Hystaspes binnenleidde, was de koning van zijn divan afgesprongen. Hij kon de vadsige rust niet meer verdragen; hij dreigde van smart en woede te stikken. Het gehuil van den hond deed aanstonds eene gedachte opkomen in zijn afgemarteld, naar vergetelheid smachtend brein.

»Op de jacht!” brulde hij, overeindspringende, zijne ontstelde hovelingen toe.

De jagermeesters, stalmeesters en de opperbewaker der honden spoedden zich voort, om het bevel van hun heer ten uitvoer te leggen, die hun nog toeriep: »Ik wil den ontembaren hengst Reksch2bestijgen. Brengt de valken in gereedheid, laat al de honden los, ontbiedt een ieder die de speer kan voeren! Wij zullen de diergaarde eens terdege opruimen!”

Als hadden deze weinige woorden zijn geweldig lichaam geheel uitgeput, zoo viel hij opnieuw op den divan neder. Hij bemerkte niet, dat Hystaspes was binnengekomen; zijne sombere blikken volgden onafgebroken het vroolijk spel der stofjes in de door het venster vallende zonnestralen. De vader van Darius durfde den vertoornden vorst niet aanspreken. Om ’s konings aandacht op zich te vestigen, ging hij voor het venster staan, zoodat zijne schaduw de breede lichtstraal verdeelde.

Cambyzes sloeg eerst een toornigen, daarna een smartelijkenblik op dien man in zijne gescheurde kleeding, en vroeg: »Wat wilt ge? Waarom knielt ge?”

»Heil zij den koning! Uw arme dienaar en oom is gekomen, om de genade van zijn heer in te roepen!”

»Sta op en verwijder u! Gij weet, dat ik voor meineedigen en valsche getuigen geene genade ken. Beter is het een dooden, dan een eerloozen zoon te hebben.”

»Maar als Bartja eens onschuldig ware, en Darius....”

»Gij vermeet u mijne uitspraak te bedillen?”

»Dat zij verre. Wat de koning doet is goed, en duldt geene tegenspraak; maar....”

»Zwijg! Ik wil niet, dat men deze zaak opnieuw aanroere. Gij zijt als vader te beklagen, maar mij hebben de laatste uren ook geene vreugde gebracht. Ik heb medelijden met u, grijsaard, maar ik mag het vonnis van uw zoon niet intrekken, evenmin als gij het bedreven kwaad ongedaan kunt maken.”

»Maar zoo Bartja toch eens onschuldig ware. Wanneer de goden....”

»Meent gij, dat de geesten des hemels bedriegers en meineedigen ondersteunen?”

»Neen, mijn koning! Maar een nieuwe getuige heeft zich opgedaan, die....”

»Een nieuwe getuige? Voorwaar, ik zou gaarne de helft van mijn rijk geven, als ik overtuigd kon worden van de onschuld van zoo velen, die aan mijn huis zoo nauw verwant zijn!”

»Heil zij mijn heer, het oog des rijks! Buiten toeft een Helleen, naar zijne gestalte en houding te oordeelen, een der edelsten van zijn stam. Deze beweert de onschuld van Bartja te kunnen bewijzen.”

De koning hernam met een bitteren lach: »Een Helleen! Wellicht een bloedverwant van de schoone, die Bartja voorgaf zoo hartstochtelijk te beminnen? Wat zou deze vreemdeling van de aangelegenheden van mijn huis weten? Maar ik ken die Ionische hongerlijders, vermetel en schaamteloos mengen zij zich in alles, en meenen ons met hunne listigheid om den tuin te kunnen leiden. Hoeveel hebt gij, oom, voor dezen nieuwen getuige betaald? De Grieken zijn even mild met leugens, als de magiërs met zegenspreuken, en ik weet zeer goed, dat zij voor goud tot alles in staat zijn. Ik ben nieuwsgierig uw nieuwen getuige te zien. Roep hem! Maar als hij mij bedriegen wil, laat hem dan blijven waar hij is, en bedenken dat, waar het hoofd van een zoon van Cyrus valt, het op de koppen van duizend Grieken niet aankomt!”—Bij deze woorden fonkelde ’s konings oog opnieuw van toorn; Hystaspes antwoordde niets, maar liet den Helleen roepen.

Alvorens deze binnentrad, bonden de stafdragers een doek voor zijn mond, en zeiden hem, dat hij zich voor den koning moest nederwerpen. De Griek trad in eene ongedwongene, edele houding naar den vorst toe, die met zijn bliksemend oog tot op den bodem zijner ziel scheen te willen doordringen, en wierp zich, overeenkomstig Perzisch gebruik, voor hem neder en kuste den grond.

Het innemend gelaat en de fiere gestalte van den vreemdeling, die zijn blik rustig en met bescheidenheid beantwoordde, scheen een gunstigen indruk op den koning te maken; althans hij liet hem niet lang in zijne slaafsche houding, en vroeg hem, op vrij minzamen toon:

»Wie zijt gij?”

»Ik ben een Grieksch edelman, mijn naam is Phanes, mijne vaderstad Athene. Tien jaren lang heb ik, als krijgsoverste en aanvoerder der Grieksche soldaten, in dienst van Amasis niet zonder roem gestreden.”

»Zijt gij dezelfde, die de Egyptenaren de overwinning op Cyprus deed behalen?”

»Dezelfde.”

»Wat voert u naar Perzië?”

»De roem van uw naam, o Cambyzes, en de begeerte, mijn zwaard en mijne ondervinding aan u ten dienst te stellen.”

»Verder niets? Wees oprecht, en bedenk, dat een enkele leugen u het leven kan kosten. Wij Perzen, hebben andere begrippen van de waarheid, dan gij, Hellenen!”

»Ook ik haat de leugen, al ware het alleen omdat zij de schoonheid van ’s menschen karakter misvormt.”

»Welnu, spreek dan!”

»Gij hebt gelijk, o koning, er bestaat nog eene derde oorzaak, om welke ik naar Perzië kwam, en deze zal ik u ook later doen kennen. Zij betreft iets ongemeen belangrijks, tot de bespreking waarvan wij echter veel tijd noodig hebben; heden echter...”

»Juist heden wil ik gaarne iets nieuws hooren.Vergezelmij op de jacht! Gij komt, als waart gij geroepen, want nooit had ik grootere behoefte aan afleiding dan thans.”

»Ik zal u gaarne vergezellen, wanneer gij....”

»Men stelt den koning geen voorwaarden! Zijt gij bedreven in de jacht?”

»Ik heb menigen leeuw in de Lybische woestijn gedood.”

»Volg mij dan!”

Bij de gedachte aan het jachtvermaak scheen de koning zijne uitputting geheel te boven te zijn, en reeds wilde hij de zaal verlaten, toen Hystaspes zich andermaal aan zijne voeten wierp, en met opgehevene handen uitriep: »Moet mijn zoon, moet uwbroeder dan onschuldig sterven? Bij de ziel uws vaders, die mij zijn trouwsten vriend placht te noemen, bezweer ik u, dezen edelen vreemdeling aan te hooren!”

Cambyzes bleef staan. Hij fronste het voorhoofd, zijne stem klonk dreigend en hol, en zijne oogen schoten vuur, toen hij den Griek toeriep, terwijl hij zijne hand tegen hem ophief: »Zeg wat gij weet! Maar bedenk, dat gij met het eerste leugenachtige woord uw eigen doodvonnis uitspreekt!”

Phanes hoorde deze dreigende woorden met de grootste kalmte aan, en antwoordde, met eene bevallige buiging: »Voor de zon en voor mijn koning kan niets verborgen blijven. Hoe zou een arm sterveling voor den almachtige de waarheid kunnen bedekken? De edele Hystaspes zegt, dat ik stellig de onschuld van uw broeder zal bewijzen; ik kan echter slechts hopen en wenschen dat ik dit groote doel bereiken moge. Dit is zeker, dat de goden mij een spoor hebben doen ontdekken, waardoor ’t mij mogelijk schijnt een geheel nieuw licht over de gebeurtenissen van gisteren te verspreiden. Oordeel zelf of mijne hoop zoo geheel ijdel is, en of ik mij met een droombeeld gevleid heb. Maar bedenk steeds, dat het mijn oprecht verlangen was u te dienen, en dat mijne dwaling, gesteld dat ik mij bedrogen heb, zeer vergeeflijk is. Bedenk, dat er niets zekers op de wereld is, en dat een ieder geneigd is dat, wat hij waarschijnlijk acht, ontwijfelbaar zeker te noemen.”

»Gij spreekt goed, en uwe woorden doen mij denken aan... Vervloekt! Spreek, en maak het kort! Reeds verneem ik het gebas der honden in het voorhof.”

»Ik bevond mij nog in Egypte, toen uw gezantschap daar aankwam om Nitetis af te halen. In het huis mijner voortreffelijke, beroemde landgenoote en vriendin Rhodopis maakte ik kennis met Cresus en zijn zoon, terwijl ik uw broeder en zijne vrienden slechts vluchtig mocht ontmoeten. Desniettemin bleef mij de herinnering aan het schoone gelaat van den koninklijken jongeling zeer levendig bij; want toen ik later te Samos de werkplaats van den grooten beeldhouwer Theodorus bezocht, herkende ik dadelijk zijne trekken....”

»Hebt gij hem dan op Samos ontmoet?”

»Neen, maar Theodorus had aan het hoofd van een zonnegod, dien deAlkmaeonidenvoor den nieuwen tempel te Delphi bij hem besteld hadden, de gelaatstrekken van uw broeder gegeven, die hij vast in zijn geheugen had geprent.”

»Het begin van uw verhaal is reeds niet zeer geloofwaardig. Hoe was het mogelijk, de trekken van een gelaat, dat men niet vóor zich heeft, zoo trouw weer te geven!”

»Theodorus heeft dit meesterstuk volbracht, en zoo gij zijnekunstvaardigheid op de proef wilt stellen, zal hij u met genoegen een tweede beeltenis van uw broeder....”

»Ik begeer die niet. Ga voort!”

»Op mijne reis herwaarts, die ik, dank zij de voortreffelijke maatregelen uws vaders, in ongelooflijk korten tijd heb gedaan, daar ik bij iedere vierde mijl van paarden wisselde....”

»Wie heeft u vrijheid gegeven, als vreemdeling, van de postpaarden gebruik te maken?”

»De voor den zoon van Cresus opgestelde pas, die toevallig in mijn bezit kwam, toen Gyges, om mijn leven te redden, mij dwong, zijne kleederen met de mijne te verwisselen.”

»Een Lydiër bedriegt den vos, een Syriër den Lydiër; maar een Ioniër beiden,” zeide de koning zacht, terwijl er voor de eerste maal weer een glimlach om zijne lippen speelde. »Cresus verhaalde mij deze geschiedenis.—Arme Cresus!” Bij deze woorden trok er wederom een wolk over Cambyzes’ gelaat, en zijne hand beproefde de rimpels op zijn voorhoofd glad te strijken.

De Athener ging intusschen voort: »Zonder eenige ontmoeting vervolgde ik mijne reis, tot ik hedenmorgen, in het eerste uur na middernacht, door een vreemdsoortig voorval werd opgehouden....”

De koning luisterde reeds met meerdere opmerkzaamheid, en drong den Athener, die het Perzisch niet zeer vlug sprak, wat voort te maken.

»Wij waren,” ging Phanes met zijn verhaal voort, »tusschen het laatste en voorlaatste posthuis Babylon genaderd, en hoopten reeds vóor het opgaan der zon de stad te zullen bereiken. Ik dacht aan mijn veelbewogen verleden, en mijn droeve, door de herinnering aan ongewrokene beleedigingen gekwelde ziel vond geene rust, terwijl de Egyptische grijsaard aan mijne zijde, door het eentonig geluid der tegen het paardentuig bengelende klokjes, den gestadigen hoefslag der paarden en het ruischen van den stroom slaperig geworden, aan mijne zijde zachtkens ingedommeld was. De nacht was boven alle beschrijving schoon en stil. De maan goot haar licht over den weg uit, en vereenigde haar schijnsel met het flikkeren der tallooze sterren, om het vreedzaam landschap in al zijne schoonheid voor mijn bewonderend oog te ontsluieren. Sinds een uur hadden wij geen enkel voertuig, geen enkelen ruiter gezien. De geheele bevolking uit de omstreken van Babylon was, gelijk wij later vernamen, naar de stad getrokken om, bij gelegenheid van uw geboortefeest, de pracht van uwe hofhouding te aanschouwen en in uwe milde gaven te deelen. Op eens echter trof het geluid van een onregelmatigen hoefslag en het geklingel van klokjes mijn oor, en weinige oogenblikken later hoorde ik duidelijk om hulp roepen. Mijnbesluit was aanstonds genomen. Ik verzocht den Perzischen dienaar, die mij te paard begeleidde, af te stijgen, wierp mij in den zadel, beval den voerman van de kar, waarop mijne slaven zaten, de muildieren niet te ontzien, maakte mijn dolk en mijn zwaard los, gaf mijn ros de sporen, en rende naar de plaats van waar het hulpgeschrei, dat ieder oogenblik luider werd, tot mij kwam. Nog geene minuut later was ik getuige van een ontzettend tooneel. Drie knapen, van een woest voorkomen, rukten een jongeling, die het witte kleed der magiërs droeg, van zijn paard, begroetten hem met eene hagelbui van slagen, en waren, toen ik op de plek aankwam, juist voornemens hun slachtoffer in den Euphraat te werpen, die daar ter plaatse de wortels der palm- en vijgeboomen langs den weg bespoelt. Zonder mij te bedenken hief ik mijn Helleensch krijgsgeschreeuw aan, dat reeds menigen vijand deed beven, en wierp mij op de moordenaars, die laf als alle lieden van dat soort het hazenpad kozen, zoodra zij een hunner kameraden met gekloofden schedel op den grond zagen liggen. Ik liet de ellendelingen loopen, en boog mij over den zwaargewonden jongeling neder. Maar wie beschrijft mijne verbazing, toen ik in hem uw broeder Bartja meende te herkennen! Ja, dat waren volmaakt dezelfde trekken, die ik te Naucratis en in de werkplaats van Theodorus gezien had, dat waren....”

»Zonderling!” kon Hystaspes niet nalaten uit te roepen.

»Misschien al te zonderling, om geloofd te kunnen worden,” liet Cambyzes volgen. »Neem u in acht, Helleen, en bedenk, dat mijn arm ver reikt! Ik zal de waarheid van uw verhaal doen onderzoeken.”’

»Ik ben gewoon,” antwoordde de Athener met eene diepe buiging, »de leer te volgen van den wijzen Pythagoras, wiens roem misschien ook tot uw oor is doorgedrongen, en steeds, alvorens ik spreek, bij mij zelven te overleggen, of hetgeen ik zeggen ga mij vroeger of later ook zou kunnen berouwen.”

»Dat klinkt schoon en wijs; maar, bij Mithra, ik heb een schepsel gekend, dat den naam van denzelfden leeraar gestadig op de lippen had, en zich in hare daden als de trouwste leerlinge van Angramainjus heeft doen kennen. Gij kent de verraderes, die nog heden als een giftige adder van de aarde zal worden verdelgd.”

»Zult gij het mij niet euvel duiden,” vroeg Phanes, die de sporen eener vreeselijke smart op het gelaat van den koning duidelijk opgemerkt had, »als ik u eene andere spreuk van onzen grooten meester voorhoude?”

»Spreek!”

»Elk goed wordt even snel verloren, als verworven. Als dusde goden u smarten toezenden, zoo draag ze met geduld. Mor niet onwillig, maar bedenk dat de goden niemand zwaardere lasten opleggen, dan hij vermag te dragen. Hebt gij eene wonde in het hart, zoo raak die evenmin aan als een lijdend oog. Tegen zielelijden bestaan slechts twee geneesmiddelen: hoop en geduld!”

Cambyzes luisterde aandachtig naar deze gulden spreuken, uit den mond van Pythagoras opgevangen, en lachte pijnlijk, toen hij het woord »geduld” vernam. Maar het verhaal van Phanes had hem bijzonder geboeid, en hij noodigde dezen dus uit voort te gaan.

»Wij droegen,” vervolgde Phanes met eene nieuwe buiging, »den bewusteloozen jongeling in mijn wagen, en brachten hem naar het niet ver meer verwijderde posthuis. Daar sloeg hij de oogen op, en vroeg, mij angstig aanziende, wie ik was en waar hij zich bevond? De waard uit het posthuis stond bij ons; daarom moest ik mij, om den vrijpas niet te logenstraffen, die mij nieuwe paarden bezorgde, voor Gyges, den zoon van Cresus uitgeven.

»De gewonde scheen hem te kennen, wiens naam ik mij toeëigende, want hij schudde zachtkens het hoofd en fluisterde: Gij zijt niet degeen, voor wien gij u uitgeeft. Daarop sloot hij weder de oogen en kreeg eene hevige koorts. Wij ontkleedden hem, deden hem eene aderlating en verbonden zijne kwetsuren. Mijn Perzische dienaar, die Bartja had gezien aan het hof van Amasis, alwaar hij de betrekking van opzichter over de stallen bekleed had, en de Egyptische grijsaard, die mij vergezelde, boden mij de behulpzame hand, en de eerste hield niet op te verzekeren, dat de gekwetste niemand anders dan uw broeder was. Zelfs de waard van het posthuis zwoer, toen we ’s jongelings gelaat van het bloed gezuiverd hadden, dat de aangerande zonder eenigen twijfel de jongere zoon van uw grooten vader was. Intusschen was mijn Egyptische reisgenoot naar buiten gegaan, en had uit de reisapotheek3, zonder welke een Egyptenaar niet dan ongaarne zijn vaderland verlaat, een drank gekregen, waarvan hij den kranke een weinig ingaf. De droppels werkten zoo wonderbaar, dat het door de koorts heftig bewogen bloed na weinige uren tot rust kwam, en de jongeling bij het opkomen der zon wederom de oogen opsloeg. Nu bogen wij ons voor hem neder, als voor uw broeder, en vroegen hem of hij verlangde naar het paleis te Babylon vervoerd te worden.Hij verzekerde ons echter met drift, dat hij niet diegeen was, voor wien wij hem aanzagen, maar....”

»Wie mag zoo sprekend op Bartja gelijken? Spreek! Ik ben nieuwsgierig, dit te vernemen!” viel de koning den spreker in de rede.

»Hij gaf voor de broeder te zijn van uw opperpriester, dat zijn naam was Gaumata, en dat men dezen op den pas, die in de mouwen van zijn kleed verborgen was, kon vinden. De waard van de herberg vond het bedoelde stuk, en bevestigde de bewering van den lijder, die kort daarop weder door eene nieuwe heftige aandoening van koorts werd aangegrepen, gedurende welke hij allerlei onsamenhangende woorden uitbracht.”

»Kondet ge ook verstaan, wat hij zeide?”

»Voorzeker! Hij herhaalde onophoudelijk hetzelfde. De hangende tuinen schenen vooral zijne gedachten bezig te houden. Hij moest kort te voren aan een groot gevaar zijn ontkomen, en heeft op gemelde plaats waarschijnlijk eene samenkomst gehad met zijne liefste, Mandane geheeten.”

»Mandane!” prevelde Cambyzes voor zichzelven, »Mandane! Als ik mij niet bedrieg, draagt de eerste kamerjuffer van de dochter van Amasis dien naam.”

Aan het fijne gehoor van den Griek ontsnapten deze woorden niet. Eenige seconden bezon hij zich; dan plooide een blijde glimlach zijne lippen, en riep hij:»Stel de gevangenen gerust op vrije voeten, mijn koning, want ik blijf u met mijn hoofd borg, dat Bartja niet op de hangende tuinen geweest is!”

De koning zag den koenen spreker verwonderd, maar vriendelijk aan. Het opene en innemende gelaat, de vrije en ongedwongene houding, waarmede de Athener tegenover hem stond, was hem iets geheel nieuws, en oefende een wonderlijken invloed op hem uit, evenals de zeelucht op iemand, wiens verhit voorhoofd voor de eerste maal door haar wordt afgekoeld. Terwijl zijn grooten, ja zelfs zijne naaste bloedverwanten hem slechts met gekromden rug durfden toespreken, stond deze Griek, met zijne rijzige, fiere gestalte, als zijns gelijke voor hem. Terwijl de Perzen ieder woord dat zij tot hun gebieder richtten, met bloemrijke volzinnen en vleiende spreekwijzen plachten op te sieren, sprak de Athener rond, eenvoudig en ongekunsteld. Daarbij ging zijne rede met zulke bevallige gebaren en zoo sprekende blikken vergezeld, dat de koning, ondanks Phanes’ onbedrevenheid in de Perzische taal, hem beter verstond, dan de, in den regel in gelijkenissen ingekleede berichten zijner eigene onderdanen. Alleen tegenover dezen man en tegenover Nitetis vergat hij, dat hij vorst was. Hier stond de mensch voor den mensch; hier voelde de despoot niet meer, dat hij met iemand sprak, wiens leven of dood een speelbal zijnerluimen was. Zoo machtig werkten de waardigheid van den man, het gevoel van eigenwaarde in een mensch, die zichzelven bewust is rechtmatige aanspraak op vrijheid te hebben, en de zedelijke meerderheid zelfs op den strengen dwingeland. Ook was er nogietsanders, dat Cambyzes zoo snel voor dezen man innam. De Griek toch scheen gekomen te zijn, om hem misschien den dierbaarsten en reeds verloren geachten schat weder te geven. Maar kon het leven van dezen vreemden avonturier als borg voor de zonen van de eersten in Perzië worden aangenomen? En toch voelde zich de koning door den voorslag van Phanes niet beleedigd. Hij glimlachte veeleer over de stoutheid van den Helleen, die zich in zijn ijver van den doek, die zijn mond en baard bedekte, bevrijd had, en riep: »Bij Mithra, het komt mij voor, Helleen, dat gij het goed met ons meent! Ik neem uw voorslag aan. Zijn de gevangenen in spijt uwer vermoedens, schuldig, dan zijt gij verplicht uw leven lang als mijn dienaar aan dit hof te blijven; gelukt het u echter datgene te bewijzen, waarnaar mijn hart zoo vurig verlangt, dan verhef ik u tot den rijkste uwer landgenooten.”

Phanes maakte glimlachend een gebaar, als wilde hij zeggen, dat hij dit niet begeerde, en vroeg: »Veroorlooft gij mij, tot u en uwe hofbeambten eenige vragen te richten?”

»Spreek en vraag, hoe en wat gij wilt!”

Op dat oogenblik trad de opperjachtmeester in de zaal, en kondigde aan, dat alles in gereedheid was.

»Men wachte!” sprak de koning op barschen toon tot zijne dischgenooten, die tengevolge van den gemaakten spoed, om ’s konings bevel ten uitvoer te leggen, bijkans buiten adem waren. »Ik weet niet, of er heden wel van jagen zal komen. Waar is de hoofdman der zweepdragers Bischen?”

Datis, het zoogenaamde oog des konings, het hoofd van alle politiebeambten des rijks, snelde naar buiten en keerde binnen weinige minuten, die Phanes zich ten nutte had gemaakt, om verscheidene der aanwezige grooten over allerlei voor hem gewichtige bijzonderheden te ondervragen, met den genoemden persoon terug.

»Wat doen de gevangenen?” vroeg Cambyzes den voor hem op den grond liggenden hoofdman.

»Heil zij den koning! Zij verwachten rustig den dood, want het is zoet door uw wil te sterven.”

»Hebt gij ook iets van hunne gesprekken afgeluisterd?”

»Ja,mijn koning!”

»Belijden zij elkander, dat zij schuldig zijn?”

»Mithra alleen vermag in het hart te zien; maar gij, mijn vorst, zoudt, als ik, uw armste knecht, aan de onschuld dezer veroordeelden gelooven, als gij hen hoordet spreken.”

De hoofdman zag angstig tot den koning op, vreezende dat deze woorden misschien zijn toorn zouden hebben opgewekt. Cambyzes antwoordde echter met een blik van tevredenheid, in plaats van op te vliegen. Plotseling deed eene sombere gedachte eene wolk over zijn voorhoofd trekken, en nauw hoorbaar vroeg hij: »Wanneer is het vonnis aan Cresus voltrokken?”

De hoofdman sidderde, toen hij dit woord vernam; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd, en slechts stamelend konden zijne lippen uitbrengen: »Hij is.... hij heeft.... wij dachten....”

»Wat dacht gij?” hernam Cambyzes, in wiens borst een straal van hoop doordrong. »Hebt gij misschien mijn bevel niet op staanden voet ten uitvoer gebracht? Leeft Cresus wellicht nog? Spreek, spreek, ik wil de volle waarheid weten!”

De hoofdman kromde zich als een worm aan de voeten van zijn gebieder, en stamelde eindelijk, de handen smeekend naar hem opheffende: »Genade, genade, mijn koning! Ik ben een arm man, en heb dertig kinderen, van welke vijftien....”

»Ik wil weten, of Cresus leeft of niet!”

»Hij leeft! Ik dacht, dat ik niet misdeed, als ik hem, wien ik alles verplicht ben, een paar uren langer in het leven liet, opdat hij....”

»Het is genoeg!” riep thans de koning, ruimer ademhalende. »Ditmaal zal ik u uwe ongehoorzaamheid niet toerekenen, en wijl gij zoovele kinderen hebt, mag de schatmeester u vijf talenten uitbetalen.—Ga thans naar de gevangenen; verzoek Cresus hier te komen, en zeg den anderen, dat zij, zoo ze onschuldig zijn, goedsmoeds kunnen wezen.”

»Mijn koning is het licht der wereld en een oceaan van genade!”

»Bartja en zijne vrienden behoeven niet langer opgesloten te blijven. Zij mogen zich onder uwe bewaking in het voorhof van het paleis begeven. Gij, Datis, ga dadelijk naar de hangende tuinen en beveel Boges, de voltrekking van het vonnis der Egyptische op te schorten. Wijders moet eene afdeeling der lijfwacht naar het posthuis worden gezonden, waarvan de Athener gesproken heeft, om den daar liggenden gekwetste herwaarts te brengen.”

Het oog van den koning wilde zich verwijderen. Phanes hield hem evenwel terug, en vroeg: »Veroorlooft mijn koning mij éene opmerking?”

»Spreek!”

»Het komt mij voor, dat de overste der eunuchen ons de beste inlichtingen kan geven. Die jongeling sprak terwijl hij ijlde zijn naam meermalen uit, en wel in verband met dien zijner liefste.”

»Haast u, Datis, breng Boges dadelijk hier!”

»Ook moet, dunkt mij, de opperpriester Oropastes, als broeder van Gaumata, verhoord worden en evenzeer Mandane, die, gelijk mij zoo even voor vast is verzekerd, de eerste kamerjuffer der Egyptische is.”

»Zend beiden hierheen, Datis!”

»Wanneer men eindelijk Nitetis zelve....”

Bij deze woorden van den Athener verbleekte de koning, en eene lichte huivering voer door zijne leden. Hoe gaarne zou hij de geliefde hebben wedergezien! Maar de sterke vorst vreesde de betooverende of verwijtende blikken van deze vrouw. Daarom riep hij, naar de deur wijzende, Datis toe: »Ga, en haal Boges en Mandane; de Egyptische moet nog, onder goede bewaking, op de hangende tuinen blijven!”

De Athener boog eerbiedig, als wilde hij zeggen: »Gij alleen hebt op deze plaats te bevelen.”

De koning beschouwde hem met zichtbaar welgevallen, en zette zich weder op zijn purperen divan. In gepeins verdiept, liet hij het hoofd in de hand rusten, en vestigde zijn blik op den grond. Het beeld der eenmaal zoo innig geliefde vrouw trad, ondanks alle inspanning om het te verdrijven, telkens helderder voor zijne verbeelding, en de gedachte, dat deze trekken onmogelijk die eener bedriegster konden zijn, dat Nitetis misschien toch nog onschuldig was, verkreeg steeds vaster voet in zijn voor de hoop opnieuw ontsloten hart. Bleek Bartja werkelijk onschuldig te zijn, dan was ook iedere andere dwaling denkbaar; dan wilde hij in persoon naar de hangende tuinen gaan, hare hand vatten en hare verdediging aanhooren. Heeft de liefde een man, in de kracht des levens, in het hart getroffen, dan slingert zij zich, gelijk de aderen door het lichaam, door zijn gansche wezen heen, en kan slechts met zijn leven worden uitgeroeid.

Toen Cresus in de zaal verscheen, ontwaakte Cambyzes uit zijne mijmeringen, hief den grijsaard, die zich aan zijne voeten geworpen had, vriendelijk op, en zeide: »Gij hebt u aan mij vergrepen; ik wil echter genade bewijzen, gedachtig aan het laatste woord van mijn stervenden vader, waarmede hij mij gebood u als raadgever en vriend te eeren. Neem uw leven uit mijne hand terug, en vergeet mijn toorn, gelijk ik uwe oneerbiedigheid vergeten wil. Laat u thans door dien man, die voorgeeft u te kennen, mededeelen wat hij onderstelt. Daarna verneem ik gaarne ook uwe meening.”

Diep bewogen wendde Cresus zich tot den Athener, en liet zich door dezen, na hem hartelijk welkom te hebben geheeten, in zijne vermoedens inwijden. De grijsaard werd met ieder oogenblik oplettender, hief, toen Phanes zweeg, zijne handen ten hemel op, en riep: »Vergeeft mij, gij eeuwige goden, dat ik ooit aanuwe rechtvaardigheid heb getwijfeld. Is het niet opmerkelijk, Cambyzes? Mijn zoon waagde zijn leven, om het leven van dezen edelen mensch te redden, en thans voeren de goden den geredde naar Perzië, om wat Gyges hem deed tienvoudig te vergelden! Ware Phanes door de Egyptenaren vermoord geworden, dan zouden wellicht reeds in dit uur de hoofden onzer zonen zijn gevallen.”

Bij deze woorden wierp Cresus zich aan de borst van Hystaspes, die, gelijk hij, zijn geliefden zoon als ten tweeden male zag geboren worden.

De koning, Phanes en de Perzische grootwaardigheidsbekleeders aanschouwden met diepe ontroering de elkander omarmende grijsaards. Geen der aanwezigen twijfelde meer aan de onschuld van Bartja, ofschoon die tot nog toe slechts door vermoedens kon worden bewezen. Waar het geloof aan schuld zwak is, vindt de verdediger gewoonlijk wijd geopende ooren.

15400 gulden.2Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent bliksem.3Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw v. Chr.

15400 gulden.

2Zoo heet ook de beroemde hengst van Rustem. De naam beteekent bliksem.

3Zulk eene reisapotheek is tegenwoordig nog te zien in het museum te Berlijn. Zij is zeer netjes en beknopt ingericht, en afkomstig uit den tijd van koning Mentoehotep, dus uit het laatst van de 30ste eeuw v. Chr.

Elfde hoofdstuk.Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen, dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want Bartja’s dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader, op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de stafdragers de zaal binnengeleid.De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot inleiding: »Hebt gij een broeder?”»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn, van zes broeders en zusters. Mijne ouders....”»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?”»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd.”»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en een mijner bloedverwanten opgemerkt?”»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja, dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich thans nog bevindt, den prins noemde.”»Was hij in de laatste dagen te Babylon?”»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst.”»Spreekt gij de waarheid?”»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik mijn mond opende om een leugen te zeggen.”Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond hier!—Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden.”»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik, de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren binnen Babylon is geweest.”»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid.”»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen oogenblik uwe zijde verlaten heb.”»Dat weet ik!”Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes; daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd, die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?”»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende personen bij de Egyptische koningsdochter—Aoeramazda schenke haar vergiffenis!”»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate te begunstigen?”»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer: »Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels, in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd worden.” Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok.”De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg: »Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is, niet bij u?”»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar, eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar eene zelfstandige toekomst te verzekeren.”»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?”»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd, dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje uit mijn huis te verwijderen.”»Wij weten genoeg,” zeide de koning, den opperpriester door een wenk te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!”Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe tint aangenomen.»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk, dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!”De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar een enkel woord uit te brengen.»Mijn geduld is kort!” riep Cambyzes haar waarschuwend toe.Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker, hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe, die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken, en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen, en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes zijn broeder toegestaan had mij te huwen!”Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even te glimlachen.Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest, zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.»Duizendmaal,” riep zij,»kuste mijne meesteres al de dingen, die men haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam zij bloem voor bloemin de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan uwe goedheid te bewaren.”Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes” met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te hebben gesmeekt.Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij:»Uit mijne oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!”Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit mijne oogen” klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis, om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!”Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings, terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen, en hem dood of levend over te leveren.Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen achterhaald had.Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een mondgesprek liet verzoeken.Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep: »Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten dankverschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten1te doen uitbetalen.”»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken.”»Misbruik haar dan!” antwoordde de koning met vriendelijken lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten, aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!”Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen, als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar; Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten, want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van haar woest kind te beteugelen.Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel, en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin, Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius, wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar vader vereerde;—kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige gebedentot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar de verdediging van Nitetis aan te hooren.Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken, zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen, zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten, verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï2, de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!”—Dezelfde paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon, en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij, bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg: »Hebt gij mij lief, Sabaces?”»O, meesteres!” zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn oudengoeden Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg, dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk, maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die beiden ter hand worden gesteld.”»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten.”»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen te verlustigen?”»Ik zal het beproeven.”»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer spoedig terug!”De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na, en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd groene cypres: trouw en onwankelbaar.”—Na verloop van een uur keerde de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een in bloed gedoopten Indischen doek.Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten, drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot zichzelve: »Bartja’s ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij veil heeft.”Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met bittere tranen.Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet, en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons gespaard blijven!”En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde dan haar zwakken arm.De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd, dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den druk van Atossa’s warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had gegeven, naast haar rustbed.Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende, dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde, en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin, daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet schuldig zijn!” Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der jeugdige lente over een rozenbed.»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!” riep Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen, op de knieën viel.Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene, en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!” Geen verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!”Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening, met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik, mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig.”»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!” riep Atossa, de vriendin met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het wankelen,” sprak de koningin-moeder.»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!” antwoordde Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme, kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem niet meer vergeten.—Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis, dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij vergif te nemen. Ach, mijn hart!”Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen, en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood nog eenige dagen!”Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met tranen besproeide.»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!” gebood de oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór alle dingen is rust noodig.”Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts, zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?”»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten gevolge hebben.”Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle priesters en mobeds3! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven, ik beveel het, ik, de koning!”Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met het gouden kettinkje aan den voet.—Deblikken der lijdende vielen het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O, welk een geluk!” Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!”Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.1Ongeveer 270,000 gulden.2Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.3Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.

Met echt Attische scherpzinnigheid had Phanes uit het gehoorde de ware toedracht dezer treurige zaak opgemaakt. Hij had al spoedig begrepen, dat ook de boosheid hare hand in het spel moest hebben gehad; want Bartja’s dolk kon niet anders, dan door tusschenkomst van een verrader, op de hangende tuinen zijn gekomen. Terwijl hij dit zijn vermoeden den koning te kennen gaf, werd de opperpriester Oropastes door de stafdragers de zaal binnengeleid.

De koning zag hem toornig aan en vroeg, zonder een enkel woord tot inleiding: »Hebt gij een broeder?”

»Ja, mijn koning. Hij en ik zijn de eenigen, die nog in leven zijn, van zes broeders en zusters. Mijne ouders....”

»Is deze broeder ouder of jonger dan gij?”

»Ik was de oudste van ons allen, terwijl hij, de jongste, mijn vader tot vreugde van zijn ouderdom geboren werd.”

»Hebt gij ooit eene in het oog vallende gelijkenis tusschen hem en een mijner bloedverwanten opgemerkt?”

»Ja, mijn koning, Gaumata gelijkt zoo sprekend op uw broeder Bartja, dat men hem steeds in de priesterschool te Rhagae, waar hij zich thans nog bevindt, den prins noemde.”

»Was hij in de laatste dagen te Babylon?”

»Tijdens het nieuwjaarsfeest voor het laatst.”

»Spreekt gij de waarheid?”

»Mijn kleed en mijn ambt zouden mij dubbel strafbaar maken, als ik mijn mond opende om een leugen te zeggen.”

Het gelaat van den koning werd vuurrood van toorn, en met een barsche stem riep hij: »En toch liegt gij, want Gaumata was gisterenavond hier!—Gij beeft! Daartoe hebt gij alle reden.”

»Mijn leven behoort u, wien alles toebehoort; desniettemin zweer ik, de opperpriester, bij den hoogsten God, dien ik dertig jaren lang trouw gediend heb, dat ik er niets van weet, dat mijn broeder gisteren binnen Babylon is geweest.”

»Uw aangezicht draagt den stempel der waarheid.”

»Gij weet dat ik, gedurende den gewichtigen dag van gisteren, geen oogenblik uwe zijde verlaten heb.”

»Dat weet ik!”

Andermaal openden zich de deuren, om de sidderende Mandane binnen te laten. De opperpriester zag haar met verbaasden en vragenden blik in het ontroerde gelaat. Aan het scherpziend oog van den koning ontging het niet, dat de kamerjuffer in zekere betrekking stond tot Oropastes; daarom vroeg hij dezen, zonder verder acht te slaan op de maagd, die sidderend aan zijne voeten lag: »Kent gij deze vrouw?”

»Ja, mijn koning. Door mijne voorspraak verwierf zij de hooge betrekking van eerste kamerjuffer en opperste van alle dienstdoende personen bij de Egyptische koningsdochter—Aoeramazda schenke haar vergiffenis!”

»Hoe kwaamt gij, een priester er toe, om deze jonge vrouw zoo uitermate te begunstigen?”

»Haar ouders stierven aan dezelfde pest, die mijne broeders wegrukte. Haar vader was een eerbiedwaardig priester en een vriend van ons huis. Daarom namen wij het meisje tot ons, gedachtig aan de leer: »Geeft gij den reinen man en zijner weduwe en zijne weezen niets, dan zult gij van de reine en onderworpene aarde in stekende brandnetels, in gruwzaam lijden en in de vreeselijkste plaatsen geslingerd worden.” Aldus werd ik haar pleegvader, en liet ik haar met mijn jongsten broeder opvoeden, tot deze naar de priesterschool vertrok.”

De koning wisselde een blik van verstandhouding met Phanes, en vroeg: »Waarom behieldt gij het meisje, dat toch schoon van gelaat is, niet bij u?”

»Toen zij de oorringen had gekregen, oordeelde ik het voegzaam haar, eene jonkvrouw, uit mijn priesterlijk huis te verwijderen, en haar eene zelfstandige toekomst te verzekeren.”

»Heeft zij, als volwassen meisje, uw broeder nog weergezien?”

»Ja, mijn koning. Zoo dikwijls Gaumata mij bezocht, liet ik hem met Mandane als met zijne zuster verkeeren; toen mij echter duidelijk werd, dat zich in de kinderlijke vriendschap de hartstocht der jeugd begon te mengen, kwam het besluit meer en meer tot rijpheid om het meisje uit mijn huis te verwijderen.”

»Wij weten genoeg,” zeide de koning, den opperpriester door een wenk te kennen gevende, dat hij zich ter zijde kon begeven. Daarna zag hij op het meisje neder, en zeide op gebiedenden toon: »Sta op!”

Mandane stond sidderende en bevende overeind. Haar anders zoo blozend gelaat was bleek als de dood, en hare roode lippen hadden eene blauwe tint aangenomen.

»Verhaal, wat gij van den avond van gisteren weet; maar bedenk, dat éen enkele leugen uw doodvonnis is!”

De knieën van het angstige kind begonnen zoo sterk te knikken, dat zij zich ter nauwernood staande kon houden. De vrees belette haar een enkel woord uit te brengen.

»Mijn geduld is kort!” riep Cambyzes haar waarschuwend toe.

Mandane dreigde neder te zijgen; haar aangezicht werd nog bleeker, hare tong was als verstijfd. Daar trad Phanes naar den vorst toe, die opnieuw in toorn was ontstoken en vroeg hem bijna fluisterend vergunning om het meisje te verhooren. Haar mond thans door angst gesloten, zou met een zacht woord oogenblikkelijk geopend worden.

Cambyzes gaf met een hoofdknik zijne toestemming. Wat de Athener voorzien had, gebeurde; want nauwelijks had hij Mandane van de welwillendheid van al de aanwezigen verzekerd, zijne hand op haar hoofd gelegd, en haar vriendelijk toegesproken, of zij barstte los in snikken, en een stroom van tranen bevochtigde hare bleeke wangen. Hij wist den band, die hare tong gesnoerd had, los te maken, en nu verhaalde zij, dikwerf met een snik afbrekende, alles wat zij wist. Zij verzweeg niet, dat Boges die heimelijke samenkomst had in de hand gewerkt, en het minnend paar in zijne bescherming had genomen, en eindigde met de woorden: »Ik weet wel, dat ik mijn leven verbeurd heb, en dat ik het slechtste en ondankbaarste schepsel van de geheele wereld ben. Maar al dat kwaad ware voorkomen geworden, als Oropastes zijn broeder toegestaan had mij te huwen!”

Bij deze haastig uitgesprokene woorden, begon zij opnieuw te snikken en biggelden groote tranen haar langs de wangen, terwijl de ernstigste toehoorders, ja zelfs de koning, zich niet weerhouden konden even te glimlachen.

Deze glimlach redde haar leven, dat zeker ernstig werd bedreigd. Na hetgeen Cambyzes gehoord had, ware het hem zeker onmogelijk geweest, zijne lippen tot een lach te plooien, als Mandane niet, met dat fijne instinct, dat der vrouw juist in de ure van het dreigendste gevaar zoo gereedelijk ten dienste staat, geweten had, hoe den koning in zijne zwakke zijde aan te tasten en daarvan partij te trekken. Veel langer dan noodig was, had zij dus stilgestaan bij de verrukking van Nitetis over de geschenken van haar koninklijken geliefde.

»Duizendmaal,” riep zij,»kuste mijne meesteres al de dingen, die men haar van uwentwege, o koning, bracht. Maar vooral drukte zij dikwerf hare lippen op den bloemruiker, dien gij, eenige dagen geleden, met eigen hand geplukt hadt. En toen de ruiker begon te verwelken, nam zij bloem voor bloemin de hand, breidde de fijne blaadjes zorgvuldig uit, legde ze tusschen wollen doeken, en plaatste zelve hare zware gouden zalfdoos daarop, om ze te drogen en als eene gedachtenis aan uwe goedheid te bewaren.”

Zij merkte op, dat het gelaat van haar strengen rechter bij deze woorden verhelderde, en schepte daaruit nieuwen moed, om harer meesteres woorden in den mond te leggen, die zij nooit had geuit. Zij beweerde honderdmaal gehoord te hebben, dat Nitetis den naam »Cambyzes” met onuitsprekelijke teederheid in den slaap uitriep. Eindelijk zweeg zij, na nog met eene door snikken nauw hoorbare stem om genade te hebben gesmeekt.

Zonder toorn, maar met diepe verachting zag de koning op haar neder. Haar met den voet van zich stootende, riep hij:»Uit mijne oogen, verachtelijk schepsel! Bloed als het uwe zou de bijl van den beul slechts bezoedelen! Uit mijne oogen!”

Mandane liet zich geen tweemaal zeggen de zaal te verlaten. Dat »uit mijne oogen” klonk in haar oor als de liefelijkste muziek. Als eene opgejaagde hinde vloog zij door de wijde voorhoven van het paleis, om op de straat de saamgedrongene menigte als eene krankzinnige in de ooren te gillen: »Ik ben vrij! Ik ben vrij!”

Nauwelijks had zij de zaal verlaten, toen Datis, het oog des konings, terugkeerde en den koning het bericht bracht, dat men den overste der eunuchen overal tevergeefs gezocht had. Op eene raadselachtige wijze was hij van de hangende tuinen verdwenen. Hij, Datis, had echter zijne onderhoorigen gelast, den vluchteling op te sporen, en hem dood of levend over te leveren.

Deze boodschap deed den vorst in eene geweldige vlaag van toorn uitbarsten, en hij bedreigde den politiebeambte, die van den volksoploop opzettelijk voor zijn vorst had gezwegen, met zware straf, indien men den voortvluchtige niet vóor den volgenden morgen achterhaald had.

Nauwelijks had hij uitgesproken, toen de stafdrager een eunuch van de moeder des konings binnenleidde, door wien zij haar zoon om een mondgesprek liet verzoeken.

Cambyzes aarzelde geen oogenblik, om aan den wensch zijner blinde moeder gevolg te geven. Hij reikte Phanes de hand ten kus, eene hooge eer, die in den regel slechts aan dischgenooten werd gegund, en riep: »Men stelle terstond al de gevangenen op vrije voeten. Gaat heen tot uwe zonen, gij beangste vaders, en zegt hun, dat zij zich van mijne gunst en genade kunnen verzekerd houden. Voor ieder hunner zal ik wel een satrapie weten te vinden, ter vergoeding van dezen nacht van onschuldige gevangenschap. U, mijn Helleenschen vriend, ben ik grooten dankverschuldigd. Om mij daarvan te kwijten, en u aan mijn hof te verbinden, verzoek ik u, u door onzen schatmeester honderd talenten1te doen uitbetalen.”

»Zulk eene groote som zal ik ternauwernood weten te gebruiken.”

»Misbruik haar dan!” antwoordde de koning met vriendelijken lach. Daarop verliet hij de zaal, vergezeld van zijn hofbeambten, aan de deur zich evenwel nog eens omkeerende, om den Athener toe te roepen: »Tot wederziens, aan den maaltijd!”

Terwijl dit alles voorviel, heerschte er in de vertrekken van de moeder des konings de grootste neerslachtigheid. Nadat Cassandane kennis genomen had van dien rampzaligen brief aan Bartja, geloofde zij aan de ontrouw van Nitetis, maar volhardde in hare overtuiging omtrent de onschuld van haar geliefden zoon. Wien kon ze nu nog vertrouwen, als het meisje, in hetwelk zij tot nog toe de verpersoonlijking van alle vrouwelijke deugden had meenen te aanschouwen, eene verachtelijke boeleerster moest worden genoemd, als de edelste jongelingen zich aan meineed konden schuldig maken? Nitetis was erger dan dood voor haar; Bartja, Cresus, Darius, Gyges, Araspes, met wie allen haar hart door banden des bloeds en der vriendschap verbonden was, waren zoo goed als gestorven. En zij durfde niet eens hare tranen den vrijen loop laten, want de zware taak rustte op haar, de uitbarstingen der wanhoop van haar woest kind te beteugelen.

Atossa stelde zich aan als eene razende, toen zij vernam dat de doodvonnissen geveld waren. De gematigdheid, die haar door den omgang met de Egyptische eigen was geworden, verliet haar geheel, en haar zoo lang bedwongen onstuimig karakter deed zich nu met verdubbelde heftigheid gelden. Nitetis, hare eenige vriendin, Bartja haar broeder, aan wien zij met hare gansche ziel hing, Darius, wien zij, nu gevoelde zij het eerst recht goed, niet slechts als den redder van haar leven een dankbaar hart toedroeg, maar dien zij met de innigheid eener eerste liefde beminde, Cresus, dien zij als haar vader vereerde;—kortom allen, die haar dierbaar waren, zou zij nu met één slag verliezen. Zij scheurde hare kleederen, rukte zich de haren uit, noemde Cambyzes een monster van wreedheid, en ieder, die aan de schuld van zulke voortreffelijke menschen geloofde, blind en krankzinnig. Dan smolt zij weder weg in tranen, en zond ootmoedige gebedentot de goden op, om weinige minuten later hare moeder te bezweren, haar naar de hangende tuinen te vergezellen, en met haar de verdediging van Nitetis aan te hooren.

Cassandane beproefde het onstuimige meisje tot kalmte en berusting te brengen, en verzekerde haar, dat iedere poging om Nitetis te spreken, zou blijken ijdel te wezen. Nu begon Atossa opnieuw uit te varen, zoodat de oude vrouw haar ten laatste met moederlijke gestrengheid het stilzwijgen moest opleggen, en bij het aanbreken van den morgen haar beval zich naar haar slaapvertrek te begeven.

Het meisje gehoorzaamde, doch zette zich, in plaats van zich ter rust te begeven, aan het open venster, dat haar het uitzicht gaf op de hangende tuinen. Met betraande oogen tuurde zij naar het huis tegenover haar, waarin thans hare vriendin, hare zuster, eenzaam, verlaten, verstooten, een smadelijken dood verbeidde. Plotseling scheen, door eene buitengewone inspanning van den wil, haar door tranen verduisterd oog opnieuw te verhelderen. Het staarde niet meer in de onbegrensde ruimte, maar vestigde zich onafgewend op een zwart punt, dat uit de richting van de woning der Egyptische, van oogenblik tot oogenblik grooter en beter te onderscheiden, recht op haar aankwam, en zich eindelijk op eene cypres voor haar venster neerliet. Opeens verdween de toornige uitdrukking van haar liefelijk gelaat; voor de eerste maal sedert vele uren kon zij met verruimde borst ademhalen. Zij klapte in de handen en riep uit: »O, zie! daar is de vogel Homaï2, de geluksvogel! Nu zal zich alles ten beste schikken!”—Dezelfde paradijsvogel, welks verschijning in het hart van Nitetis zulk een troostenden balsem had uitgestort, schonk ook Atossa nieuwe hoop.

Zij nam den tuin nauwkeurig op, of ook iemand haar bespieden kon, en toen zij niemand gewaarwerd dan den ouden hovenier, sprong zij, bevende als eene achtervolgde ree, het venster uit, brak eenige rozeknoppen en cypressetakjes af, en naderde daarmede den grijzen tuinman, die hare bewegingen had gadegeslagen, terwijl hij zachtkens het hoofd schudde. Zij streelde de wangen van den oude, als ware hij haar vader geweest, legde hare bloemen in zijne grove hand, en vroeg: »Hebt gij mij lief, Sabaces?”

»O, meesteres!” zeide de grijsaard, waarbij hij den zoom van het gewaad der koningsdochter in vervoering aan de lippen drukte.

»Ik geloof u, vadertje, en wil u bewijzen, dat ik mijn oudengoeden Sabaces vertrouw. Verberg deze bloemen goed, en begeef u, zoo snel uwe krachten het u toelaten, naar het paleis van den koning. Zeg, dat gij vruchten voor de tafel brengt. Naast de wachtkamer der Onsterfelijken worden mijn arme broeder Bartja en Darius, de zoon van den edelen Hystaspes, gevangengehouden. Zorg dat deze bloemen dadelijk, maar hoort gij, dadelijk, met een hartelijken groet van mij, aan die beiden ter hand worden gesteld.”

»De wachters zullen mij niet bij de gevangenen toelaten.”

»Neem dezen ring en druk hun dien in de hand. Men kan toch de ongelukkigen niet verbieden, zich in de aanschouwing van bloemen te verlustigen?”

»Ik zal het beproeven.”

»Ik wist wel, dat gij mij liefhadt, goede Sabaces! Ga nu, en keer spoedig terug!”

De grijsaard verwijderde zich haastig. Atossa zag hem peinzend na, en sprak bij zichzelve: »Thans zullen zij beiden weten, dat ik hen tot aan hun dood heb bemind. De roos beteekent: ik bemin u; de altijd groene cypres: trouw en onwankelbaar.”—Na verloop van een uur keerde de oude man terug, en bracht Atossa, die hem te gemoet snelde, den ring van Bartja waaraan hij zoozeer gehecht was, en van Darius een in bloed gedoopten Indischen doek.

Met tranen in de oogen ontving Atossa deze panden uit de hand van den grijsaard; daarop ging zij onder een breedgetakten plataanboom zitten, drukte de beide voorwerpen afwisselend aan hare lippen, en zeide tot zichzelve: »Bartja’s ring beteekent, dat hij aan mij denkt; en de in bloed gedoopte doek van Darius, dat hij zijn laatsten druppel bloed voor mij veil heeft.”

Atossa lachte weemoedig, terwijl zij deze woorden fluisterde; en van dat oogenblik was zij kalm, en dacht aan het lot harer vrienden met bittere tranen.

Weinige uren later bracht een bode van Cresus aan de aanzienlijke vrouwen het bericht, dat de onschuld van Bartja en zijne vrienden bewezen, en ook Nitetis zoo goed als gerechtvaardigd was. Onmiddellijk zond Cassandane hare dienaren naar de hangende tuinen, om Nitetis uit te noodigen onverwijld tot haar te komen. In vreugde even uitgelaten als in droefheid, liep Atossa den draagstoel harer vriendin tegemoet, en vloog van de eene harer dienstmaagden naar de andere, om haar toe te roepen: »Allen zijn onschuldig; allen, allen zullen voor ons gespaard blijven!”

En toen de draagstoel met hare vriendin eindelijk naderde, toen zij het voorwerp harer liefde, bleek als de dood, weerzag, barstte zij in hevig snikken uit, viel Nitetis reeds onder het uitstijgen om den hals, en bedekte haar gelaat met kussen, tot zij bemerkte, dat de knieën der geredde knikten, en zij een krachtiger steun behoefde dan haar zwakken arm.

De Egyptische werd bewusteloos in de vertrekken van de moeder des konings gedragen. Toen zij de oogen weder opsloeg, rustte haar hoofd, dat bleek was als marmer, in den schoot der blinde, voelde zij den druk van Atossa’s warme lippen op haar ijskoud voorhoofd, en stond Cambyzes, die onmiddellijk aan de roepstem zijner moeder gehoor had gegeven, naast haar rustbed.

Verbaasd en angstig zag zij den kring van hen, die haar zoo vurig liefhadden, rond. Eindelijk herkende zij de haar omringenden. Nu streek zij met de vlakke hand over het strakke voorhoofd, als wilde zij een sluier verwijderen, die haar gezicht benevelde, lachte allen vriendelijk toe en sloot dan hare oogen weder. Zij meende, dat de liefderijke Isis haar een schoon droombeeld voortooverde, en beproefde dit met al de kracht harer ziel vast te houden.

Toen riep de driftige Atossa haar nogmaals met teederheid bij haar naam. Andermaal opende Nitetis de oogen en deze ontmoetten opnieuw de liefdevolle blikken dergenen, van wie zij meende gedroomd te hebben. Ja, daar was hare Atossa, daar hare moederlijke vriendin, daar, niet de vertoornde koning, maar de man die haar beminde. Thans ontsloot ook hij de lippen en riep, zijn streng gebiedend oog smeekend op haar vestigende: »O, Nitetis, ontwaak! Gij moogt, gij kunt niet schuldig zijn!” Zij schudde zachtkens het hoofd, en een lachje van geluk zweefde over haar beeldschoon aangezicht, als de adem der jeugdige lente over een rozenbed.

»Zij is onschuldig; bij Mithra, zij kan niet schuldig zijn!” riep Cambyzes andermaal, terwijl hij zonder acht te geven op de aanwezigen, op de knieën viel.

Een Perzisch geneesheer naderde thans de als uit den dood verrezene, en bestreek hare slapen met eene zalfolie, die een aangenamen geur verspreidde, terwijl de oogarts Nebenchari, onder het prevelen van bezweringsformulieren, haar hoofdschuddend den pols voelde, en haar een drank uit zijne kleine apotheek ingaf. Nu herkreeg zij haar volle bewustzijn, en vroeg, zich tot Cambyzes wendende, nadat zij zich met moeite opgericht en de liefdesbetuigingen harer vriendinnen beantwoord had: »Hoe kondet gij zoo iets van mij denken, mijn koning!” Geen verwijt, slechts diepe smart sprak uit deze woorden, die Cambyzes alleen beantwoorden kon met de stamelende bede: »Vergeef mij!”

Cassandane dankte haar zoon voor dit bewijs van zelfverloochening, met een vriendelijken blik harer blinde oogen, en zeide: »Ook ik, mijne dochter, heb uwe vergiffenis noodig.”

»Ik heb geen oogenblik aan u getwijfeld!” riep Atossa, de vriendin met zekeren trots en in verrukking op den mond kussende.

»Uw schrijven aan Bartja bracht mijn geloof aan uwe onschuld aan het wankelen,” sprak de koningin-moeder.

»En toch was het alles zoo eenvoudig en natuurlijk!” antwoordde Nitetis. »Hier, mijne moeder, neem dezen brief uit Egypte. Cresus zal hem wel voor u ontcijferen. Deze zal u alles verklaren. Misschien ben ik onvoorzichtig geweest. Laat u door uwe moeder aangaande den inhoud voorlichten, mijn koning! O, ik bid u, spot niet met mijn arme, kranke zuster. Als eene Egyptische eenmaal iemand bemint, kan zij hem niet meer vergeten.—Het wordt mij zoo benauwd! Mijn einde nadert! De laatste uren waren zoo ijselijk! Het verschrikkelijke doodvonnis, dat Boges, die vreeselijke man, mij voorlas, dat vonnis drong mij vergif te nemen. Ach, mijn hart!”

Dit zeggende, zonk zij weder in den schoot der blinde neder. Nebenchari, de oogarts, sprong toe, gaf de kranke wederom eenige droppels in, en riep: »Dacht ik het niet? Zij heeft vergif genomen, en zal onherroepelijk sterven, ook al weerhoudt dit tegengif den dood nog eenige dagen!”

Bleek en als gevoelloos elke zijner bewegingen volgende, stond Cambyzes naast hem, terwijl Atossa het voorhoofd der geliefde vriendin met tranen besproeide.

»Men brenge melk en mijne groote artsenijkast!” gebood de oogarts. »Roept ook dienstmaagden, om haar weg te dragen, want vóór alle dingen is rust noodig.”

Atossa snelde naar een zijvertrek; Cambyzes echter vroeg den arts, zonder hem aan te zien: »Is er geene hope?”

»Het vergif, dat zij genomen heeft, moet onfeilbaar den dood ten gevolge hebben.”

Toen de koning dit woord vernomen had, stiet hij den arts van de kranke weg, en riep: »Zij zal, zij moet leven! Ik beveel het! Hier eunuch! Ontbied alle geneesmeesters uit geheel Babylon, roep alle priesters en mobeds3! Zij zal leven, hoort gij, zij moet leven, ik beveel het, ik, de koning!”

Op dit oogenblik opende Nitetis de oogen, als wilde zij het bevel van haar gebieder aanstonds vervullen. Haar gelaat was naar het venster gekeerd. Dáar, op den cypres, zat nog altijd de paradijsvogel, met het gouden kettinkje aan den voet.—Deblikken der lijdende vielen het eerst op den voor haar neergezonken geliefde, die zijne gloeiende lippen op hare rechterhand drukte. Glimlachend fluisterde zij: »O, welk een geluk!” Dan werd zij den vogel gewaar, wees er naar met de linkerhand, en riep: »O, zie, zie! De vogel van Ra, Phoenix!”

Hierop sloot zij de oogen, en lag kort daarop in eene hevige koorts.

1Ongeveer 270,000 gulden.2Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.3Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.

1Ongeveer 270,000 gulden.

2Zoo heet in het Perzisch de paradijsvogel.

3Een soort van priesters. Zij komen in de Avesta niet voor.


Back to IndexNext