Derde boek.

Derde boek.Eerste hoofdstuk.Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof, had Gaumata, Mandane’s minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden, naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis, terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist, waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen te krijgen.Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder, Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de opengevallene plaatsen.De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met grond te mogen afleiden, datBartja zich de gunst van het volk had zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder, om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich, twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges, Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone, de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en daarom niet minder aanzienlijk1. Zijn vader heette het hoofd van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid, waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd.Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man, die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief2aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen; maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd.Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen, van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!”Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven, waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgenshet Perzische bijgeloof3eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet Babylon.Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib4, gij hier in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten, dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris’ naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?”De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst, en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende: »Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven, ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach, ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van louter ergernis gestorven zijn!”»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland behoort aan Seth5!”»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!” bromde de oude.»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?”»Voorgevallen? Hm—Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvanzult gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar, als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?”»Maar spreek dan toch!”»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland blijven.”De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit, dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen: »Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?”»Pest en Chamsin6!” pruttelde de grijsaard.—»Al de Perzen zijn het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu, Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!”»Gij moest u schamen, oude!”»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is eene schande, zich door zulk een mensch, die....”»Bedaar, bedaar toch oude!” viel Nebenchari den knecht in de rede, die zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel minder zijt dan hij.”»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest ik het natuurlijk ook worden....”7»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman der soldaten.”»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!”»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken, en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een wrijfpaal; thans is de koning het.”»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden, dat....”»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik mag mijne zieke niet langer alleen laten.”»Zoo, moogt gij niet?—Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet blijven!”»Maar wat wilt ge dan toch?”»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan.”»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?”»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk, dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want, weet gij, in zestig jarenziet men zijn meester wel iets van zijne kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,—Boebares vertolkte mij alles,—dat hij zich zeer ongerust maakte over eene verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!”»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze krankheid is, licht aan te steken!”»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!”Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel onmogelijk geschieden.”»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth heerscht weder op aarde!”»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats.”»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?”»Dezelfde!”»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen, die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht....”»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten.”Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet: »Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken.”»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken.”»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond zijn....”»Hib!”»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?”»Ik wilde u gaarne alleen spreken.”»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet bijkans alles wat ik u te vertellen heb.”»Hebt gij dan gebabbeld?”»Dat juist niet, maar....”»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand gehouden, die zwijgen kon.”»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige....”»Welnu?”»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan....”»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in weinige woorden, wat er gebeurd is!”»Ik zou meenen dat het hedenavond....”»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!”»Gij zijt bestolen geworden.”»Anders niets?”»Noemt gij dat dan niets?”»Antwoord mij! Anders niets?”»Neen!”»Vaarwel dan!”»Maar, Nebenchari.....”De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur, die toegang verleende tot het verblijf van ’s konings vrouwen, achter hem gesloten.Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten, en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte begroeting, hem met den overste alleen te laten.»Ik heb u opgezocht,” begon de Athener in het Egyptisch, dat hij volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken heb....”»Van welke ik reeds onderricht ben!” luidde het korte antwoord van den arts.»Dat betwijfel ik,” hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht.»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden.”»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen.”»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn.”»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen.”»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver de Egyptische koningen voor oppermachtig.”»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden van den invloed uwer kaste.—Ook Amasis buigt zich thans voor de priesters.”»Dat is wat nieuws voorwaar!”»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld.”»Meent gij dat?”»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij, eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen te doen buigen.”»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus volstrekt niet, wat gij bedoelt.”»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!”De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik het met een vreemdeling zou willen deelen!”»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben den oogst te plukken.”»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?”»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst met mij zult willen deelen.”»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen, naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene baatzuchtige bedoelingen.”»Gij meent zijne blindheid?”»Misschien!”»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht teruggeschonken heeft?”Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden den vader in zijne kinderen gestraft.”»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende, maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed als ik, niet zoo diep treffen.”»Wederom begrijp ik u niet.”»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke voor eene dochter van Amasis aanzie.”De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te regeeren!”8»Dit zijn altemaal vermoedens....”»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht, moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden vroedmeester....”9»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken, die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen.”»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld, alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk, door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan, te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?”Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van, dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?”»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis, werd door hem met alle mysteriën10bekend gemaakt, en wist deze dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op, ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesterster oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde, en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos, die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf, te Babylon geleefd en onderNebucadnezar, den toenmaligen koning van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis, die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters; maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen, laat hij u door mij groeten.”Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?”»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik van noode heb.”»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist, die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet.”»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de vier hoeken...”Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide:»Dat bevat niets dan eenige aanteekeningen van mijn vader.”»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de hoogste gunst bij Cambyzes te staan.”»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven.”»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout, niet waar?”»Hoe weet gij dat?”»Omdat ik,—let wel Nebenchari,—omdat ik u naar waarheid kan verzekeren,—ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het gebruik van den eed,—dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud, in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des koningsverbrandis.”Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten; maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken.”»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen, voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter bedriegt gij u!—Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen.”Nebenchari’s gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib, gehoor gevende aan ’s meesters roepstem, het vertrek binnentrad.»Nader!” luidde Nebenchari’s barsch bevel. De knecht gehoorzaamde, de schouders ophalende.»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid, ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!”Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in dekeel. Eindelijk, nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig, half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader, ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!”Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete tranen te zwemmen.De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk, als hij een obool van mij heeft aangenomen.”De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt: »Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig te maken over eene bloote vraag!”»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke verdenking?”»Neen, dat behoeft niet;—maar ik veroorloof u thans te verhalen, wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen.”»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw.”»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had.”»Ja, en hoe!—Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de spitsboeven slechts tot de dievenkaste11behoord, dan zouden wij ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar....”»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!”»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik hoop het niet te vergeten. Nu dan, ’t was juist in de dagen, dat het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. ’s Avonds, terwijl de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra12, die een heerlijk dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, de schoenen zijner moeder had weggestopt13, en ik lach, dat de tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra, die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik, zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars en politie-agenten,—daar waren minstens vijftien man,—dringt het huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,—gij kent hem wel,—duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht, en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij, maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, als iets mij ergert. En nu doet hij mij,—bij onzen god Toth, die de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,—nu doet die melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen schoft gehoorzamen, die nietsminder eischte, dan dat ik hem dadelijk alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen, meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.—Wat doe ik dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me, en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan mijne Benra hebt geschonken.Drie dagen later kwam hij mij zeggen, dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong14te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben onttroggeld.Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch buitenland te trekken.—Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem bij het afscheid kuste, zeide hij: ‘Blijf bij ons, grootvader! Als de vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.’—Benra laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon, de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de palmrijke rustplaats der Phoeniciërs15in de woestijn, en van daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste der Helleensche soldaten.”»En ik,” viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij, met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben, die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene dreigt uit te krabben!”»Schandelijk, schandelijk!” riep de oude, in verwenschingen uitbarstende.De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten, en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige koorts aangegrepen.Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan menschenkennis ontbrak ’t hem niet, en hij wist dat een woord van spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf, had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes: »Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het overige is u bekend.”Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib met een wenk het vertrek te verlaten.De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles, toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!”»En waarom niet?”»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn.”»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!” antwoordde de Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?”»Ja! Onder éene voorwaarde!”»Laat hooren!”»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst onzer wraakoefening te zien.”»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het leger te volgen?”»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij te wijten aan den armen, verbannen oogarts!”—O mijne geschriften, mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind, die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O, mijne geschriften, mijne geschriften!”—Bij deze woorden snikte de ongelukkige man, dat er ’t hart van breken moest.Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U, mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan heeft?—Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht; want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief, gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling, en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is, alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit denk!—Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En watdeden zij met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid, mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden; thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van blijde verrukking kloppen!”Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand reikte: »Wij zijn bondgenooten!”De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te verzekeren!”»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!”»Zoudt ge dat kunnen?”»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande geschriften.”»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?”»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen.”Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook ik kan mij verzekerd houden van ’s konings gunst. De gezanten der Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is hun toegestaan, en....”Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!”De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan, en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.1Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.2De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.3Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.4Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.5Zie boven blz.80.6De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.7Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, dat de zoon het werk van den vader voortzette.8Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.9Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.10De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.11Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft. Zie verderWarda,Dl. II.12De naam beteekent: palm.13Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.14Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.15Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.

Derde boek.Eerste hoofdstuk.Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof, had Gaumata, Mandane’s minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden, naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis, terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist, waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen te krijgen.Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder, Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de opengevallene plaatsen.De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met grond te mogen afleiden, datBartja zich de gunst van het volk had zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder, om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich, twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges, Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone, de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en daarom niet minder aanzienlijk1. Zijn vader heette het hoofd van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid, waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd.Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man, die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief2aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen; maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd.Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen, van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!”Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven, waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgenshet Perzische bijgeloof3eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet Babylon.Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib4, gij hier in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten, dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris’ naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?”De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst, en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende: »Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven, ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach, ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van louter ergernis gestorven zijn!”»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland behoort aan Seth5!”»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!” bromde de oude.»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?”»Voorgevallen? Hm—Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvanzult gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar, als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?”»Maar spreek dan toch!”»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland blijven.”De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit, dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen: »Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?”»Pest en Chamsin6!” pruttelde de grijsaard.—»Al de Perzen zijn het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu, Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!”»Gij moest u schamen, oude!”»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is eene schande, zich door zulk een mensch, die....”»Bedaar, bedaar toch oude!” viel Nebenchari den knecht in de rede, die zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel minder zijt dan hij.”»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest ik het natuurlijk ook worden....”7»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman der soldaten.”»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!”»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken, en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een wrijfpaal; thans is de koning het.”»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden, dat....”»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik mag mijne zieke niet langer alleen laten.”»Zoo, moogt gij niet?—Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet blijven!”»Maar wat wilt ge dan toch?”»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan.”»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?”»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk, dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want, weet gij, in zestig jarenziet men zijn meester wel iets van zijne kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,—Boebares vertolkte mij alles,—dat hij zich zeer ongerust maakte over eene verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!”»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze krankheid is, licht aan te steken!”»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!”Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel onmogelijk geschieden.”»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth heerscht weder op aarde!”»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats.”»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?”»Dezelfde!”»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen, die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht....”»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten.”Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet: »Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken.”»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken.”»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond zijn....”»Hib!”»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?”»Ik wilde u gaarne alleen spreken.”»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet bijkans alles wat ik u te vertellen heb.”»Hebt gij dan gebabbeld?”»Dat juist niet, maar....”»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand gehouden, die zwijgen kon.”»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige....”»Welnu?”»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan....”»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in weinige woorden, wat er gebeurd is!”»Ik zou meenen dat het hedenavond....”»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!”»Gij zijt bestolen geworden.”»Anders niets?”»Noemt gij dat dan niets?”»Antwoord mij! Anders niets?”»Neen!”»Vaarwel dan!”»Maar, Nebenchari.....”De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur, die toegang verleende tot het verblijf van ’s konings vrouwen, achter hem gesloten.Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten, en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte begroeting, hem met den overste alleen te laten.»Ik heb u opgezocht,” begon de Athener in het Egyptisch, dat hij volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken heb....”»Van welke ik reeds onderricht ben!” luidde het korte antwoord van den arts.»Dat betwijfel ik,” hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht.»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden.”»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen.”»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn.”»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen.”»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver de Egyptische koningen voor oppermachtig.”»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden van den invloed uwer kaste.—Ook Amasis buigt zich thans voor de priesters.”»Dat is wat nieuws voorwaar!”»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld.”»Meent gij dat?”»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij, eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen te doen buigen.”»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus volstrekt niet, wat gij bedoelt.”»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!”De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik het met een vreemdeling zou willen deelen!”»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben den oogst te plukken.”»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?”»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst met mij zult willen deelen.”»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen, naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene baatzuchtige bedoelingen.”»Gij meent zijne blindheid?”»Misschien!”»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht teruggeschonken heeft?”Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden den vader in zijne kinderen gestraft.”»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende, maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed als ik, niet zoo diep treffen.”»Wederom begrijp ik u niet.”»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke voor eene dochter van Amasis aanzie.”De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te regeeren!”8»Dit zijn altemaal vermoedens....”»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht, moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden vroedmeester....”9»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken, die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen.”»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld, alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk, door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan, te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?”Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van, dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?”»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis, werd door hem met alle mysteriën10bekend gemaakt, en wist deze dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op, ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesterster oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde, en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos, die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf, te Babylon geleefd en onderNebucadnezar, den toenmaligen koning van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis, die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters; maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen, laat hij u door mij groeten.”Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?”»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik van noode heb.”»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist, die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet.”»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de vier hoeken...”Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide:»Dat bevat niets dan eenige aanteekeningen van mijn vader.”»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de hoogste gunst bij Cambyzes te staan.”»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven.”»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout, niet waar?”»Hoe weet gij dat?”»Omdat ik,—let wel Nebenchari,—omdat ik u naar waarheid kan verzekeren,—ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het gebruik van den eed,—dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud, in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des koningsverbrandis.”Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten; maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken.”»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen, voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter bedriegt gij u!—Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen.”Nebenchari’s gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib, gehoor gevende aan ’s meesters roepstem, het vertrek binnentrad.»Nader!” luidde Nebenchari’s barsch bevel. De knecht gehoorzaamde, de schouders ophalende.»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid, ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!”Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in dekeel. Eindelijk, nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig, half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader, ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!”Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete tranen te zwemmen.De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk, als hij een obool van mij heeft aangenomen.”De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt: »Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig te maken over eene bloote vraag!”»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke verdenking?”»Neen, dat behoeft niet;—maar ik veroorloof u thans te verhalen, wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen.”»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw.”»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had.”»Ja, en hoe!—Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de spitsboeven slechts tot de dievenkaste11behoord, dan zouden wij ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar....”»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!”»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik hoop het niet te vergeten. Nu dan, ’t was juist in de dagen, dat het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. ’s Avonds, terwijl de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra12, die een heerlijk dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, de schoenen zijner moeder had weggestopt13, en ik lach, dat de tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra, die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik, zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars en politie-agenten,—daar waren minstens vijftien man,—dringt het huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,—gij kent hem wel,—duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht, en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij, maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, als iets mij ergert. En nu doet hij mij,—bij onzen god Toth, die de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,—nu doet die melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen schoft gehoorzamen, die nietsminder eischte, dan dat ik hem dadelijk alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen, meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.—Wat doe ik dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me, en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan mijne Benra hebt geschonken.Drie dagen later kwam hij mij zeggen, dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong14te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben onttroggeld.Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch buitenland te trekken.—Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem bij het afscheid kuste, zeide hij: ‘Blijf bij ons, grootvader! Als de vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.’—Benra laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon, de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de palmrijke rustplaats der Phoeniciërs15in de woestijn, en van daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste der Helleensche soldaten.”»En ik,” viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij, met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben, die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene dreigt uit te krabben!”»Schandelijk, schandelijk!” riep de oude, in verwenschingen uitbarstende.De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten, en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige koorts aangegrepen.Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan menschenkennis ontbrak ’t hem niet, en hij wist dat een woord van spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf, had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes: »Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het overige is u bekend.”Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib met een wenk het vertrek te verlaten.De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles, toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!”»En waarom niet?”»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn.”»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!” antwoordde de Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?”»Ja! Onder éene voorwaarde!”»Laat hooren!”»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst onzer wraakoefening te zien.”»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het leger te volgen?”»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij te wijten aan den armen, verbannen oogarts!”—O mijne geschriften, mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind, die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O, mijne geschriften, mijne geschriften!”—Bij deze woorden snikte de ongelukkige man, dat er ’t hart van breken moest.Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U, mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan heeft?—Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht; want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief, gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling, en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is, alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit denk!—Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En watdeden zij met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid, mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden; thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van blijde verrukking kloppen!”Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand reikte: »Wij zijn bondgenooten!”De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te verzekeren!”»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!”»Zoudt ge dat kunnen?”»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande geschriften.”»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?”»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen.”Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook ik kan mij verzekerd houden van ’s konings gunst. De gezanten der Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is hun toegestaan, en....”Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!”De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan, en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.1Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.2De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.3Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.4Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.5Zie boven blz.80.6De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.7Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, dat de zoon het werk van den vader voortzette.8Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.9Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.10De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.11Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft. Zie verderWarda,Dl. II.12De naam beteekent: palm.13Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.14Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.15Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.

Eerste hoofdstuk.Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof, had Gaumata, Mandane’s minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden, naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis, terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist, waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen te krijgen.Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder, Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de opengevallene plaatsen.De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met grond te mogen afleiden, datBartja zich de gunst van het volk had zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder, om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich, twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges, Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone, de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en daarom niet minder aanzienlijk1. Zijn vader heette het hoofd van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid, waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd.Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man, die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief2aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen; maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd.Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen, van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!”Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven, waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgenshet Perzische bijgeloof3eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet Babylon.Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib4, gij hier in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten, dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris’ naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?”De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst, en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende: »Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven, ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach, ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van louter ergernis gestorven zijn!”»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland behoort aan Seth5!”»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!” bromde de oude.»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?”»Voorgevallen? Hm—Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvanzult gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar, als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?”»Maar spreek dan toch!”»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland blijven.”De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit, dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen: »Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?”»Pest en Chamsin6!” pruttelde de grijsaard.—»Al de Perzen zijn het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu, Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!”»Gij moest u schamen, oude!”»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is eene schande, zich door zulk een mensch, die....”»Bedaar, bedaar toch oude!” viel Nebenchari den knecht in de rede, die zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel minder zijt dan hij.”»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest ik het natuurlijk ook worden....”7»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman der soldaten.”»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!”»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken, en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een wrijfpaal; thans is de koning het.”»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden, dat....”»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik mag mijne zieke niet langer alleen laten.”»Zoo, moogt gij niet?—Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet blijven!”»Maar wat wilt ge dan toch?”»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan.”»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?”»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk, dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want, weet gij, in zestig jarenziet men zijn meester wel iets van zijne kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,—Boebares vertolkte mij alles,—dat hij zich zeer ongerust maakte over eene verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!”»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze krankheid is, licht aan te steken!”»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!”Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel onmogelijk geschieden.”»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth heerscht weder op aarde!”»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats.”»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?”»Dezelfde!”»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen, die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht....”»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten.”Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet: »Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken.”»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken.”»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond zijn....”»Hib!”»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?”»Ik wilde u gaarne alleen spreken.”»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet bijkans alles wat ik u te vertellen heb.”»Hebt gij dan gebabbeld?”»Dat juist niet, maar....”»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand gehouden, die zwijgen kon.”»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige....”»Welnu?”»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan....”»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in weinige woorden, wat er gebeurd is!”»Ik zou meenen dat het hedenavond....”»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!”»Gij zijt bestolen geworden.”»Anders niets?”»Noemt gij dat dan niets?”»Antwoord mij! Anders niets?”»Neen!”»Vaarwel dan!”»Maar, Nebenchari.....”De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur, die toegang verleende tot het verblijf van ’s konings vrouwen, achter hem gesloten.Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten, en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte begroeting, hem met den overste alleen te laten.»Ik heb u opgezocht,” begon de Athener in het Egyptisch, dat hij volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken heb....”»Van welke ik reeds onderricht ben!” luidde het korte antwoord van den arts.»Dat betwijfel ik,” hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht.»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden.”»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen.”»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn.”»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen.”»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver de Egyptische koningen voor oppermachtig.”»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden van den invloed uwer kaste.—Ook Amasis buigt zich thans voor de priesters.”»Dat is wat nieuws voorwaar!”»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld.”»Meent gij dat?”»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij, eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen te doen buigen.”»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus volstrekt niet, wat gij bedoelt.”»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!”De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik het met een vreemdeling zou willen deelen!”»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben den oogst te plukken.”»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?”»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst met mij zult willen deelen.”»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen, naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene baatzuchtige bedoelingen.”»Gij meent zijne blindheid?”»Misschien!”»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht teruggeschonken heeft?”Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden den vader in zijne kinderen gestraft.”»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende, maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed als ik, niet zoo diep treffen.”»Wederom begrijp ik u niet.”»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke voor eene dochter van Amasis aanzie.”De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te regeeren!”8»Dit zijn altemaal vermoedens....”»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht, moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden vroedmeester....”9»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken, die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen.”»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld, alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk, door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan, te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?”Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van, dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?”»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis, werd door hem met alle mysteriën10bekend gemaakt, en wist deze dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op, ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesterster oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde, en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos, die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf, te Babylon geleefd en onderNebucadnezar, den toenmaligen koning van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis, die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters; maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen, laat hij u door mij groeten.”Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?”»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik van noode heb.”»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist, die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet.”»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de vier hoeken...”Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide:»Dat bevat niets dan eenige aanteekeningen van mijn vader.”»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de hoogste gunst bij Cambyzes te staan.”»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven.”»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout, niet waar?”»Hoe weet gij dat?”»Omdat ik,—let wel Nebenchari,—omdat ik u naar waarheid kan verzekeren,—ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het gebruik van den eed,—dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud, in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des koningsverbrandis.”Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten; maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken.”»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen, voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter bedriegt gij u!—Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen.”Nebenchari’s gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib, gehoor gevende aan ’s meesters roepstem, het vertrek binnentrad.»Nader!” luidde Nebenchari’s barsch bevel. De knecht gehoorzaamde, de schouders ophalende.»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid, ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!”Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in dekeel. Eindelijk, nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig, half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader, ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!”Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete tranen te zwemmen.De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk, als hij een obool van mij heeft aangenomen.”De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt: »Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig te maken over eene bloote vraag!”»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke verdenking?”»Neen, dat behoeft niet;—maar ik veroorloof u thans te verhalen, wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen.”»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw.”»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had.”»Ja, en hoe!—Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de spitsboeven slechts tot de dievenkaste11behoord, dan zouden wij ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar....”»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!”»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik hoop het niet te vergeten. Nu dan, ’t was juist in de dagen, dat het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. ’s Avonds, terwijl de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra12, die een heerlijk dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, de schoenen zijner moeder had weggestopt13, en ik lach, dat de tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra, die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik, zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars en politie-agenten,—daar waren minstens vijftien man,—dringt het huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,—gij kent hem wel,—duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht, en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij, maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, als iets mij ergert. En nu doet hij mij,—bij onzen god Toth, die de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,—nu doet die melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen schoft gehoorzamen, die nietsminder eischte, dan dat ik hem dadelijk alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen, meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.—Wat doe ik dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me, en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan mijne Benra hebt geschonken.Drie dagen later kwam hij mij zeggen, dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong14te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben onttroggeld.Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch buitenland te trekken.—Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem bij het afscheid kuste, zeide hij: ‘Blijf bij ons, grootvader! Als de vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.’—Benra laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon, de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de palmrijke rustplaats der Phoeniciërs15in de woestijn, en van daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste der Helleensche soldaten.”»En ik,” viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij, met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben, die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene dreigt uit te krabben!”»Schandelijk, schandelijk!” riep de oude, in verwenschingen uitbarstende.De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten, en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige koorts aangegrepen.Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan menschenkennis ontbrak ’t hem niet, en hij wist dat een woord van spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf, had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes: »Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het overige is u bekend.”Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib met een wenk het vertrek te verlaten.De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles, toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!”»En waarom niet?”»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn.”»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!” antwoordde de Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?”»Ja! Onder éene voorwaarde!”»Laat hooren!”»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst onzer wraakoefening te zien.”»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het leger te volgen?”»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij te wijten aan den armen, verbannen oogarts!”—O mijne geschriften, mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind, die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O, mijne geschriften, mijne geschriften!”—Bij deze woorden snikte de ongelukkige man, dat er ’t hart van breken moest.Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U, mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan heeft?—Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht; want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief, gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling, en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is, alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit denk!—Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En watdeden zij met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid, mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden; thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van blijde verrukking kloppen!”Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand reikte: »Wij zijn bondgenooten!”De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te verzekeren!”»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!”»Zoudt ge dat kunnen?”»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande geschriften.”»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?”»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen.”Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook ik kan mij verzekerd houden van ’s konings gunst. De gezanten der Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is hun toegestaan, en....”Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!”De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan, en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.1Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.2De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.3Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.4Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.5Zie boven blz.80.6De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.7Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, dat de zoon het werk van den vader voortzette.8Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.9Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.10De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.11Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft. Zie verderWarda,Dl. II.12De naam beteekent: palm.13Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.14Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.15Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.

Prexaspes, de koninklijke gezant, een der eerste beambten aan het hof, had Gaumata, Mandane’s minnaar, die inderdaad op Bartja geleek als twee druppelen water, krank als hij was tengevolge der ontvangene wonden, naar Babylon vervoerd. Hier verwachtte hij in den kerker zijn vonnis, terwijl zijn verleider Boges, in spijt van de ijverigste nasporingen der politiebeambten nergens te vinden was. De volksoploopen in de straten van Babylon hadden zijne vlucht, die hem door de ons bekende valdeur op de hangende tuinen mogelijk was geweest, zeer begunstigd. Verbazende schatten vond men in zijne woning. Kisten vol goud en sieraden, waarmede hij zich in zijne betrekking zoo gemakkelijk had kunnen verrijken, werden teruggebracht in de koninklijke schatkist, waaruit zij afkomstig waren. Maar Cambyzes had gaarne het tienvoudig bedrag dezer rijkdommen uitbetaald, om den verrader zelven in handen te krijgen.

Twee dagen na de vrijspraak der beschuldigden deed hij, tot wanhoop van Phaedime, al de bewoneressen van het vrouwenverblijf, zijne moeder, Atossa en de met den dood worstelende Nitetis uitgezonderd, naar Suza overbrengen. Onderscheidene hooggeplaatste eunuchen werden op staanden voet van hunne ambten ontzet. De geheele kaste moest boeten voor de misdaad van hun medelid, die zijne rechtvaardige straf was ontloopen. Oropastes, die zijn post als plaatsvervanger des konings reeds aanvaard, en zijne onschuld aan de overtreding van zijn broeder ten duidelijkste bewezen had, begunstigde uitsluitend magiërs met de opengevallene plaatsen.

De volksbeweging, die van de zijde der Babyloniërs ten gunste van Bartja had plaats gegrepen, werd den koning eerst bekend, nadat het volk reeds lang uiteen was gegaan. In weerwil zijner bezorgdheid voor Nitetis, aan wie hij bijkans al zijn tijd wijdde, deed hij zich een nauwkeurig verslag geven van deze wanordelijkheden, en beval de raddraaiers streng te straffen. Uit het voorgevallene meende hij met grond te mogen afleiden, datBartja zich de gunst van het volk had zoeken te verwerven en misschien zou hij hem zijn ongenoegen wel duidelijk te kennen hebben gegeven, indien niet zijn beter gevoel hem gezegd had, dat niet Bartja tegen hem maar hij tegen Bartja misdaan had. Toch kon hij de gedachte, dat Bartja ook zonder zijn toedoen, de oorzaak was geweest van de treurige gebeurtenissen der laatste dagen, evenmin onderdrukken als den wensch, zich gansch en al van zijne tegenwoordigheid te ontslaan. Daarom schonk hij ook zijn onverdeelden bijval aan het verlangen van zijn broeder, om de reis naar Naucratis geen oogenblik langer uit te stellen. Na een teeder afscheid van zijne zuster en moeder, begaf Bartja zich, twee dagen na zijne invrijheidstelling, op weg naar Egypte. Gyges, Zopyrus en een talrijk gevolg, dat van Cambyzes kostbare geschenken voor Sappho had medegekregen, vergezelden hem.

Darius volgde hem ditmaal niet, daar zijne liefde voor Atossa hem niet kon doen besluiten, Babylon voor zoo langen tijd te verlaten. Ook was de dag niet verre meer, dat hij, op bevel van zijn vader, Artystone, de dochter van Gobryas, huwen zou. Met een bezwaard hart scheidde Bartja van zijn vriend, wien hij met betrekking tot Atossa den raad gaf, de grootste voorzichtigheid in acht te nemen. Cassandane was in het geheim dezer liefde ingewijd, en had beloofd bij den koning de voorspraak van Darius te zullen zijn. Zoo iemand, dan waarlijk mocht de zoon van Hystaspes zijne oogen tot de dochter van Cyrus opheffen, daar hij ten nauwste aan het regeerende huis vermaagschapt was, en evenals Cambyzes tot de Pasargaden behoorde. Zijn stam was eene jongere linie van de dynastie die thans het bewind voerde, en daarom niet minder aanzienlijk1. Zijn vader heette het hoofd van den geheelen rijksadel, en bestuurde als zoodanig de provincie Perzië, het moederland, aan hetwelk dit onmetelijke wereldrijk en zijn beheerscher hun oorsprong te danken hadden. Na het uitsterven der familie van Cyrus, hadden de nakomelingen van Hystaspes een op goede gronden steunend recht op den Perzischen troon. Daardoor reeds was Darius, zijne persoonlijke voortreffelijke hoedanigheden nog daargelaten, wel de meest geschikte echtgenoot voor Atossa. Toch viel er vooralsnog niet aan te denken, de toestemming des konings tot deze verbintenis te vragen. In de sombere gemoedsgesteldheid, waarin hij sedert de laatste gebeurtenissen verkeerde, had hij licht een weigerend antwoord kunnen geven, en zulk een antwoord moest onder alle omstandigheden als onherroepelijk worden beschouwd.

Aldus trok Bartja naar den vreemde, zonder een schijn van zekerheid te hebben betreffende de toekomst van het hem zoo dierbare paar. Cresus beloofde ook hier als bemiddelaar te zullen optreden, en bracht Bartja kort vóor zijn vertrek met Phanes in aanraking. De jongeling behandelde den Athener, van wien hij uit den mond zijner geliefde niets dan schoons en goeds had vernomen, uiterst minzaam, en won spoedig de genegenheid van den aan ondervinding zoo rijken man, die hem menigen nuttigen wenk gaf, en een aanbevelingsbrief2aan den Milesiër Theopompus te Naucratis. Hij verzocht hem eindelijk om een mondgesprek onder vier oogen. Toen Bartja met den Athener in den vriendenkring wederkeerde, scheen hij over iets gewichtigs te denken en was er aanvankelijk op zijn gelaat hooge ernst te lezen; maar weldra had hij de zorgen van zich gezet, en schertste hij met de aanwezigen, terwijl de afscheidsbeker vroolijk geledigd werd.

Voordat hij den volgenden morgen te paard steeg, liet Nebenchari hem om een mondgesprek verzoeken. De oogarts werd tot hem geleid, en bad hem zich met de bezorging te willen belasten van eene briefrol voor koning Amasis, die tamelijk groot was. Deze rol behelsde een uitvoerig verhaal van het lijden van Nitetis, en eindigde met deze woorden: »Zoo zal dus dit arme offer van uwe eerzucht, tot wanhoop gebracht, door het vergif dat zij innam, binnen weinige uren, te vroeg een prooi van den dood worden. Gelijk de spons eene teekening van de tafel wischt, alzoo vernielt de willekeur van de machtigen dezer aarde het geluk van een mensch. Uit zijn vaderland verbannen, van zijne eigendommen beroofd, kwijnt uw knecht Nebenchari in den vreemde weg. Als zelfmoordenares ligt de ongelukkige dochter van een Egyptischen koning te zieltogen. Overeenkomstig Perzisch gebruik zal haar lijk door honden en gieren verscheurd worden. Wee hem, die de schuldelooze het geluk dezer aarde en de rust der toekomst ontnam!”

Bartja beloofde den in zichzelven gekeerden man, dit schrijven, waarvan de inhoud hem onbekend bleef, te zullen medenemen. Bij zijn vertrek richtte hij voor de poorten der stad, in tegenwoordigheid eener juichende menigte, de steenen op, die hem volgenshet Perzische bijgeloof3eene gelukkige reis moesten waarborgen, en verliet Babylon.

Intusschen was Nebenchari reeds weder op weg naar het sterfbed der Egyptische. Bij de metalen poort in den muur, die den tuin van het vrouwenverblijf scheidde van de hoven bij het groote paleis, trad een in het wit gekleed grijsaard op hem toe. Nauwelijks zag hij dezen, of hij deed een paar schreden achterwaarts, en staarde die hooge, magere gestalte aan als ware zij eene geestverschijning. Doch daar de oude hem vertrouwelijk en vriendelijk toelachte, verhaastte hij weder zijne schreden, stak hem de hand toe met eene hartelijkheid, waarvoor geen zijner Perzische bekenden hem vatbaar zou hebben geacht, en riep in het Egyptisch: »Mag ik mijne oogen gelooven?! Oude Hib4, gij hier in Perzië? Eer had ik kunnen verwachten den hemel te zien instorten, dan dat ik mij met het vooruitzicht zou hebben durven vleien u hier aan den Euphraat te zullen wederzien! Maar zeg mij spoedig in Osiris’ naam, wat u, oude ibis, heeft kunnen bewegen, uw warm nest aan den Nijl te verlaten, en de verre reis naar het Oosten te ondernemen?”

De oude, die zich intusschen met slap nederhangende armen diep gebogen had, zag nu den geneesheer met eene uitdrukking van onbeschrijfelijke blijdschap in het gelaat, betastte met sidderende handen zijne borst, en riep, zijne rechterknie buigende en de armen ten hemel opheffende: »Heb dank, groote Isis, dat gij den armen zwerver onder uwe hoede hebt genomen, en hem zijn meester aldus laat wedervinden. Ach, kind, welk een angst heb ik om uwentwil uitgestaan! Ik had mij u voorgesteld uitgemergeld, als een verhongerd gevangene uit de steengroeven, ellendig en wegkwijnende onder uw verdriet; en ik zie u weder met den blos der gezondheid, eerwaardig en krachtig als te voren! Ach, ware de arme oude Hib in uwe plaats geweest, reeds lang zou hij van louter ergernis gestorven zijn!”

»Ik geloof het gaarne, oudje! Ook ik heb het vaderland slechts gedwongen en met een bloedend hart verlaten. De goede goden wonen alleen in Egypte aan den heiligen, gezegenden Nijl; het buitenland behoort aan Seth5!”

»Dat gezegend mocht ge wel weglaten!” bromde de oude.

»Gij doet mij schrikken, vadertje, wat is er voorgevallen dat.....?”

»Voorgevallen? Hm—Fraaie dingen waarachtig! Maar daarvanzult gij spoedig genoeg hooren. Kunt gij dan denken, dat ik ons huis en mijne kleinkinderen zou verlaten hebben, om op mijn tachtigste jaar, als een Helleensch of Phoenicisch landlooper, onder die ellendige vreemdelingen, die de goden verdelgen mogen, te gaan reizen, als het in Egypte nog maar eenigszins uit te houden was?”

»Maar spreek dan toch!”

»Later, later! Thans moet ge mij, om te beginnen, medenemen naar uw huis, dat ik niet zal verlaten, zoolang wij in dit Typhonsland blijven.”

De grijsaard had deze woorden met zulk een onmiskenbaren afschuw geuit, dat Nebenchari niet nalaten kon even te glimlachen en de vraag te doen: »Heeft men u dan zoo onheusch behandeld, oudje?”

»Pest en Chamsin6!” pruttelde de grijsaard.—»Al de Perzen zijn het nietswaardigste Typhonsgebroed op de gansche aarde! Het verwondert me, dat zij niet allen roodharig en melaatsch geboren worden. Ach kind, reeds twee lange dagen zit ik in deze hel, en heb al dien tijd te midden van godenverzakers moeten leven! Men zeide mij, dat ik u onmogelijk te spreken zou krijgen, daar ge de sponde der stervende Nitetis niet mocht verlaten. Die arme kleine! Ik heb het altijd wel gezegd, dat dit huwelijk met een vreemdeling slecht zou afloopen. Nu, Amasis krijgt slechts loon naar werken als zijne kinderen hem verdriet aandoen. Aan u alleen heeft hij dat verdiend!”

»Gij moest u schamen, oude!”

»Kom, kom! Ik zal u zeggen hoe ik over den koning denk; dat moet er toch eens uit! Ik haat dezen gelukzoeker, die, toen hij nog een arme jongen was, de dadels van uws vaders boomen en de naamborden van de huisdeuren stal! O, ik heb hem als kind gekend, den deugniet! Het is eene schande, zich door zulk een mensch, die....”

»Bedaar, bedaar toch oude!” viel Nebenchari den knecht in de rede, die zich hoe langer zoo meer opwond. »Wij zijn niet allen van hetzelfde hout gemaakt, en wanneer Amasis als knaap werkelijk niet meer was dan gij, dan is het uwe schuld, dat gij op uw tachtigste jaar zooveel minder zijt dan hij.”

»Mijn grootvader was tempeldienaar, mijn vader was het, daarom moest ik het natuurlijk ook worden....”7

»Gij hebt volkomen gelijk, alzoo luidt de wet der kasten, volgens welke Amasis nooit iets anders had mogen zijn dan een arm hoofdman der soldaten.”

»Niet iedereen heeft zulk een ruim geweten als dit gelukskind!”

»Ge blijft toch altijd nog dezelfde! Schaam u Hib! Zoo lang ik u ken, en dat is nu reeds een halve eeuw, spreekt gij om het derde woord een scheldwoord. Toen ik nog kind was, gebruiktet ge mij voor een wrijfpaal; thans is de koning het.”

»En met alle recht! Wist gij maar alles! Zeven maanden is het geleden, dat....”

»Ik kan u thans niet aanhooren! Bij het opkomen van het zevengesternte wil ik een slaaf zenden, die u naar mijne woning zal geleiden. Tot zoolang blijft gij, waar ge u tot nog toe hebt opgehouden, want ik mag mijne zieke niet langer alleen laten.”

»Zoo, moogt gij niet?—Goed, ga dan, en laat den ouden Hib sterven. Ik bezwijk, ik sterf, als ik nog een uur langer bij deze menschen moet blijven!”

»Maar wat wilt ge dan toch?”

»In uwe vertrekken mij opsluiten, tot wij weder van hier gaan.”

»Heeft men u dan zoo smadelijk bejegend?”

»Nog walg ik, als ik er aan denk wat ze mij gedaan hebben! Ze hebben mij gedwongen met hen uit denzelfden pot te eten, en mijn brood met hun mes te snijden. Een ellendige Pers, die lang in Egypte gewoond heeft en met mij hierheen gekomen is, heeft hun gezegd wat ons verontreinigt. Toen ik mij wilde scheren, ontnamen ze mij het mes. Eene nietswaardige deern kuste me op het voorhoofd, voordat ik nog begreep wat zij wilde. Gij behoeft niet te lachen; ik heb minstens eene maand noodig om mij van al dat onreine te zuiveren. Toen eindelijk het braakmiddel, dat ik genomen had, werkte, lachten ze mij in het aangezicht uit. Maar dit was nog niet alles. Een verwenschte koksjongen sloeg in mijne tegenwoordigheid een heilig katje zoo erbarmelijk, dat het diertje het bijna bestierf. Een zalfbereider, die vernomen had dat ik uw knecht was, liet mij vragen door denzelfden schavuit Boebares, met wien ik gereisd heb, of ik ook verstand van oogheelkunde had? Ik heb deze vraag half en half toestemmend beantwoord; want, weet gij, in zestig jarenziet men zijn meester wel iets van zijne kunst af. En nu beklaagde zich de ellendige spotter,—Boebares vertolkte mij alles,—dat hij zich zeer ongerust maakte over eene verschrikkelijke oogkwaal. Toen ik hem vroeg, waarin die bestond, liet hij mij antwoorden, dat hij in het duister volstrekt niet zien kon!”

»Gij hadt hem moeten antwoorden, dat het eenige middel tegen deze krankheid is, licht aan te steken!”

»O, ik haat deze booswichten met een volkomen haat! Als ik nog éen uur bij hen moet blijven, dan besterf ik het!”

Nebenchari lachte, en antwoordde: »Gij zult u tegenover de vreemdelingen zeker vrij dwaas aangesteld en hen boos gemaakt hebben. De Perzen zijn over het algemeen zeer hupsche, beleefde lieden. Beproef het nog maar eens met hen! Hedenavond wil ik u met alle genoegen in mijn huis opnemen; vóor dien tijd kan het evenwel onmogelijk geschieden.”

»Dacht ik het niet? Ook hij is veranderd! Osiris is dood en Seth heerscht weder op aarde!”

»Tot weerziens, tegen dat het zevengesternte opkomt, wacht u de slaaf Pianchi, onze oude Ethiopiër, op deze zelfde plaats.”

»Pianchi de oude spitsboef, dien ik niet uitstaan kan?”

»Dezelfde!”

»Hm, het is altijd nog iets goeds, dat men blijft, wat men eenmaal was. Ik ken wel lieden, die dat niet van zichzelve kunnen getuigen, die, in plaats van zich bij hunne kunst te houden, ook inwendige ziekten willen genezen, die een ouden trouwen knecht....”

»Bevelen zijn mond te houden, en geduldig den avond af te wachten.”

Deze laatste in ernst gesprokene woorden misten hun doel niet. De oude maakte nogmaals eene buiging, en zeide, alvorens zijn heer hem verliet: »Ik ben onder de bescherming van den voormaligen krijgsoverste Phanes herwaarts gekomen. Hij is zeer begeerig u te spreken.”

»Niemand zal hem beletten mij te komen opzoeken.”

»Maar gij zit den geheelen dag bij deze zieke, wier oogen zoo gezond zijn....”

»Hib!”

»Nu, het kan mij niet schelen, al had zij de staar op beide hare oogen. Mag Phanes dezen avond met mij komen?”

»Ik wilde u gaarne alleen spreken.”

»En ik u; maar de Helleen schijnt groote haast te hebben, en weet bijkans alles wat ik u te vertellen heb.”

»Hebt gij dan gebabbeld?”

»Dat juist niet, maar....”

»Mijn vader roemde uwe trouw, en tot heden toe heb ik u voor iemand gehouden, die zwijgen kon.”

»Ik heb ook altijd mijn mond gehouden, maar deze Griek wist reeds een groot gedeelte van wat ik weet, en het overige....”

»Welnu?”

»Het overige heeft hij behendig uit mij weten te krijgen; hoe, weet ik zelf niet! Droeg ik niet deze amulet tegen booze blikken, dan....”

»Ik ken den Athener, en vergeef u! Het is mij wèl, dat hij hedenavond met u komt. Maar de zon staat reeds hoog, de tijd dringt, zeg mij in weinige woorden, wat er gebeurd is!”

»Ik zou meenen dat het hedenavond....”

»Neen, ik moet in ieder geval in hoofdzaak weten, wat er is voorgevallen, voordat ik met den Athener spreek. Wees dus kort!”

»Gij zijt bestolen geworden.”

»Anders niets?”

»Noemt gij dat dan niets?”

»Antwoord mij! Anders niets?”

»Neen!”

»Vaarwel dan!”

»Maar, Nebenchari.....”

De oogarts hoorde zijn knecht niet meer, want reeds had zich de deur, die toegang verleende tot het verblijf van ’s konings vrouwen, achter hem gesloten.

Toen het zevengesternte was opgekomen, zat Nebenchari in een der prachtige vertrekken, die hem in den oostelijken vleugel van het paleis, nabij de woning van Cassandane, ten verblijf waren aangewezen. De minzaamheid, waarmede hij zijn ouden dienaar had ontvangen, had weder plaats gemaakt voor den ernst, waardoor hij zich onder de levenslustige Perzen den naam van somberen knorrepot had verworven. Hij was een echte Egyptenaar, geheel en al een kind dier priesterkaste, welker leden, zelfs in hun vaderland, met statigen tred en hoog ernstig gelaat langs de straten gingen, en zich nooit de geringste scherts veroorloofden; terwijl zij in den kring hunner kastgenooten of van hun gezin alle gemaakte deftigheid vergaten, en vrij en vroolijk, ja, dikwerf uitgelaten konden zijn.

Nebenchari ontving Phanes zeer hoffelijk, maar koel, hoewel hij hem reeds te Saïs had gekend, en gebood den ouden Hib, na eene korte begroeting, hem met den overste alleen te laten.

»Ik heb u opgezocht,” begon de Athener in het Egyptisch, dat hij volkomen machtig was, »omdat ik belangrijke dingen met u te bespreken heb....”

»Van welke ik reeds onderricht ben!” luidde het korte antwoord van den arts.

»Dat betwijfel ik,” hervatte Phanes, met een ongeloovig gezicht.

»Gij zijt uit Egypte verdreven; door den kroonprins Psamtik rusteloos vervolgd en bitter gegriefd, en komt nu naar Perzië, om Cambyzes te belezen het werktuig uwer wraakzucht tegen mijn vaderland te worden.”

»Gij bedriegt u! Jegens uw vaderland heb ik mij van geene schuld te kwijten; maar des te meer heb ik op het huis van Amasis te verhalen.”

»Gij weet, dat in Egypte staat en koning éen zijn.”

»Ik meen daarentegen te hebben opgemerkt, dat de priesters van uw vaderland zich gaarne de macht in den staat aanmatigen.”

»Dan zijt gij zeker beter op de hoogte dan ik. Ik hield tot dusver de Egyptische koningen voor oppermachtig.”

»Dat zijn zij ook, zoolang zij zich onafhankelijk weten te houden van den invloed uwer kaste.—Ook Amasis buigt zich thans voor de priesters.”

»Dat is wat nieuws voorwaar!”

»Alsof men het u niet sinds lang zou hebben medegedeeld.”

»Meent gij dat?”

»Voorzeker! Maar nog zekerder weet ik dat het hem eene, hoort gij, eene enkele maal gelukt is, den wil zijner meesters voor den zijnen te doen buigen.”

»Uit het vaderland komt mij slechts weinig ter oore, ik weet dus volstrekt niet, wat gij bedoelt.”

»Ik geloof u. Want zoo ge het wist, en de vuisten niet baldet, zoudt ge niet beter zijn dan een hond die kwispelstaart, terwijl men hem trapt, en den man die hem kwelt de handen lekt!”

De arts verbleekte bij deze woorden, en zeide: »Ik weet, dat ik door Amasis beleedigd ben geworden; maar ik verzoek u wel in overweging te nemen, dat ik de wraak een te uitnemend gerecht acht, dan dat ik het met een vreemdeling zou willen deelen!”

»Goed gesproken! Wat evenwel mijne wraak betreft, ik vergelijk die met een wijnberg, die zoo vol is, dat ik alleen niet in staat ben den oogst te plukken.”

»En gij zijt hierheen gekomen om behulpzame arbeiders aan te werven?”

»Zoo is het! En ik laat de hoop ook nog niet varen, dat gij den oogst met mij zult willen deelen.”

»Gij dwaalt! Mijne taak is volbracht; de goden zelve hebben zich daarmede belast. Amasis is er streng genoeg voor gestraft, dat hij mij uit mijn vaderland, uit den kring van vrienden en leerlingen, naar dit onreine land gezonden heeft, ter bereiking zijner eigene baatzuchtige bedoelingen.”

»Gij meent zijne blindheid?”

»Misschien!”

»Zoo weet gij niet, dat uw kunstbroeder Petammon de huid, die den oogappel van Amasis bedekte, doorgesneden, en hem het licht teruggeschonken heeft?”

Deze tijding trof den Egyptenaar als een donderslag. Hij werd doodsbleek en knarste op de tanden. Maar spoedig was hij zichzelven weer meester, en antwoordde den Athener: »Vervolgens hebben de goden den vader in zijne kinderen gestraft.”

»Hoe bedoelt gij dat? Met Psamtik leeft Amasis, zooals hij thans gestemd is, in de beste overeenstemming. Tachot, ja, is lijdende, maar bidt en offert juist daarom te ijveriger met den vader. Wat eindelijk Nitetis betreft, haar dood zal hem, dit weet gij zoo goed als ik, niet zoo diep treffen.”

»Wederom begrijp ik u niet.”

»Hoogst natuurlijk, zoolang gij onderstelt, dat ik de schoone kranke voor eene dochter van Amasis aanzie.”

De Egyptenaar ontroerde andermaal hevig. Zonder schijnbaar daarop acht te geven, vervolgde Phanes: »Ik ben beter onderricht, dan gij u kunt verbeelden. Nitetis is de dochter van Hophra, den onttroonden voorganger van uw koning. Amasis heeft haar doen opvoeden, als ware zij zijne eigene dochter, ten eerste, om uwe landslieden in den waan te brengen, dat de van den troon gestooten pharao zonder nakomelingen was gestorven; ten tweede echter, om Nitetis van alle aanspraak op een troon, die van rechtswege haar alleen toekomt, te versteken. Aan de oevers van den Nijl heeft ook de vrouw de bevoegdheid om te regeeren!”8

»Dit zijn altemaal vermoedens....”

»Die ik door onomstootelijke bewijzen tot zekerheid kan maken! Onder de papieren, die uw oude dienaar Hib in een kastje met zich bracht, moeten zich brieven bevinden van uw vader, den zoo beroemden vroedmeester....”9

»Gesteld, dat dit zoo ware, dan zijn toch in ieder geval deze geschriften mijn eigendom, en ben ik niet bereid daar afstand van te doen; ten tweede zoudt gij in Perzië te vergeefs naar een man zoeken, die in staat is het schrift van mijn vader te ontcijferen.”

»Vergeef mij, dat ik u weder op eenige dwalingen opmerkzaam moet maken. Dat bedoelde kastje berust onder mij en zal, hoezeer ik anders ook het eigendomsrecht eerbiedig, niet in uwe handen worden gesteld, alvorens ik den inhoud er van aan de verwezenlijking mijner bedoelingen dienstbaar heb gemaakt; ten andere woont hier te Babylon werkelijk, door de goedgunstige beschikking der goden, een man, die in staat is iedere schrijfwijze, die een Egyptisch priester kan verstaan, te ontcijferen. Herinnert gij u toevallig ook den naam Onoephis?”

Ten derden male ontstelde de arts merkbaar, en zoodra hij zich eenigszins hersteld had, vroeg hij: »Zijt gij er wel zeker van, dat deze man nog altijd tot de levenden behoort?”

»Gisteren heb ik hem gesproken. Gelijk gij weet, is hij opperpriester te Heliopolis geweest; vandaar dat hij in al uwe geheimen is ingewijd. Mijn wijze landgenoot Pythagoras van Samos kwam indertijd naar Egypte, en na zich aan eenige uwer ceremoniën te hebben onderworpen, kreeg hij verlof het onderricht der priesterkaste van Heliopolis bij te wonen. Hij won door zijne buitengewone geestesgaven en zijne uitstekende hoedanigheden de liefde van den edelen Onoephis, werd door hem met alle mysteriën10bekend gemaakt, en wist deze dienstbaar te maken aan de ontwikkeling der menschheid. Ik zelf en mijne voortreffelijke vriendin Rhodopis zijn er trotsch op, ons zijne leerlingen te mogen noemen. Toen het uwe medepriesterster oore kwam, dat Onoephis de mysteriën verraden had, besloten de priesterlijke rechters hem ter dood te brengen. Hij zou moeten sterven door een vergif, dat men uit de pitten van den perzikboom kan bereiden. De veroordeelde vernam nog intijds welk lot hem verbeidde, en vluchtte naar Naucratis, waar hij in het huis van Rhodopis, van wier edel karakter Pythagoras hem veel had verhaald, eene door den vrijbrief des konings gewaarborgde schuilplaats vond. Hier maakte hij kennis met Antimenidas, broeder van den dichter Alcaeus van Lesbos, die jaren achtereen, tijdens hij op bevel van Pittacus, den wijzen heerscher van Mytilene, als balling buiten zijn vaderland omzwierf, te Babylon geleefd en onderNebucadnezar, den toenmaligen koning van Assyrië, bij het leger gediend had. Deze Antimenidas verschafte hem aanbevelingsbrieven aan de Chaldeërs. Onoephis reisde naar den Euphraat, zette zich te Babylon neder en moest naar eene broodwinning omzien, daar hij in zeer bekrompene omstandigheden zijn vaderland verlaten had. Hij vond dan ook een middel van bestaan door de aanbeveling van Antimenidas. Op den huidigen dag nog voorziet hij, die eenmaal tot de machtigsten van Egypte behoorde, zij het ook op karige wijze, in zijn onderhoud, door de Chaldeërs, bij hunne sterrenkundige berekeningen op den toren van Bel, met zijne uitgebreide kennis, die hunne wetenschap verre overtreft, behulpzaam te zijn. Onoephis is bijkans tachtig jaren oud, maar nog volkomen helder van geest. Toen ik hem gisteren sprak en zijne hulp inriep, zeide hij mij die toe met oogen, die van blijdschap straalden. Uw vader was een zijner rechters; maar wel verre van zijn haat van den vader op den zoon over te dragen, laat hij u door mij groeten.”

Onder het aanhooren van dit verhaal, had Nebenchari peinzend voor zich gestaard. Toen Phanes zweeg, zag hij dezen aan met een doordringenden blik, en vroeg: »Waar zijn mijne papieren?”

»In handen van Onoephis, die daarin naar de oorkonde zoekt, welke ik van noode heb.”

»Dat is natuurlijk! Heb de goedheid mij te zeggen, hoe de kist, die Hib goedvond naar Perzië te brengen, er uitziet.”

»Het is een koffertje van zwart ebbenhout. Het deksel is kunstig gesneden. Men ziet in het midden een gevleugelden kever en aan de vier hoeken...”

Nebenchari haalde weder vrij adem en zeide:»Dat bevat niets dan eenige aanteekeningen van mijn vader.”

»Die misschien toch toereikend zullen zijn, om mij te doen slagen. Ik weet niet, of men u verhaald heeft, dat ik mij verheugen mag in de hoogste gunst bij Cambyzes te staan.”

»Des te beter voor u! Ik kan u verzekeren dat de papieren, die u van het grootste nut zouden zijn, in Egypte zijn gebleven.”

»In eene groote, met vele kleuren beschilderde kist van sykomorenhout, niet waar?”

»Hoe weet gij dat?”

»Omdat ik,—let wel Nebenchari,—omdat ik u naar waarheid kan verzekeren,—ik zweer niet, want Pythagoras, de meester, verbiedt het gebruik van den eed,—dat juist deze kist, met haar geheelen inhoud, in het bosch van den Neith-tempel te Saïs, op bevel des koningsverbrandis.”

Deze woorden, die Phanes langzaam uitsprak, terwijl hij op iedere lettergreep drukte, troffen den Egyptenaar als zoovele bliksemschichten. De kalmte en de bezadigdheid, die hij tot dusver had weten te bewaren, waren verdwenen. Eene onbeschrijfelijke woede zette zijne wangen in gloed, en deed zijne oogen vlammen schieten; maar ook slechts gedurende eene enkele minuut. Toen ging zijne woede in eene ijzingwekkende bedaardheid over, zijne gloeiende wangen verloren alle kleur, en zijn akelig vertrokken mond sprak koel en gelaten: »Om mij tot uw bondgenoot te maken, wilt ge mij met haat jegens mijne vrienden vervullen. Ik ken u, Hellenen! Uitgeleerd in listen en streken, versmaadt gij geen enkel middel, hoe bedrieglijk en leugenachtig ook, om uwe oogmerken te bereiken.”

»Gij beoordeelt mij en mijne landgenooten, gelijk dit van een Egyptenaar te wachten is; dat is, gij houdt ons, als vreemdelingen, voor de slechtste menschen die ge u denken kunt. Ditmaal echter bedriegt gij u!—Laat den ouden Hib komen, en hij u herhalen, wat gij uit mijn mond niet voor waarheid wilt aannemen.”

Nebenchari’s gelaat nam weder eene sombere uitdrukking aan, toen Hib, gehoor gevende aan ’s meesters roepstem, het vertrek binnentrad.

»Nader!” luidde Nebenchari’s barsch bevel. De knecht gehoorzaamde, de schouders ophalende.

»Hebt gij u door dezen man laten omkoopen? Ja, of neen? Ik verlang de waarheid te hooren, want het geldt mijn geluk of mijn ongeluk voor de toekomst. Zijt gij in de listige en bedrieglijke strikken van dezen meester verward geraakt, ik zal het u vergeven, wijl ik aan u, mijn ouden getrouwen knecht, groote verplichting heb. Zeg de waarheid, ik bezweer het u in den naam uwer Osirische vaderen!”

Het geelachtige aangezicht van den oude was, gedurende deze toespraak van zijn heer, vaalbleek geworden. Eenige oogenblikken lang nokte hem, onder veel snikken, de stem in dekeel. Eindelijk, nadat het hem gelukt was de tranen, die met alle kracht in zijne oogen wilden opwellen, terug te dringen, riep hij, half toornig, half bedroefd: »Heb ik het niet dadelijk gezegd: Hij is in dit land der smaadheid en rampzaligheid betooverd en bedorven. Zooals de waard is, vertrouwt hij zijne gasten! Ja, zie mij maar boos aan, het kan mij niet schelen. Waarover zou ik mij ook verder nog bekommeren, als men mij, ouden man, die zestig jaren lang in hetzelfde huis trouw en eerlijk gediend heb, voor een schurk, een spitsboef, een verrader, ja, misschien wel voor een moordenaar uitmaakt!”

Bij deze laatste woorden begonnen de oogen van den grijsaard, in weerwil zijner geweldige inspanning om zich goed te houden, in heete tranen te zwemmen.

De fijngevoelige Phanes klopte hem op den schouder, en zeide, zich tot Nebenchari wendende: »Hib is een trouw dienaar. Noem mij een schurk, als hij een obool van mij heeft aangenomen.”

De geneesheer had deze woorden van den Athener niet noodig, om van de onschuld van zijn knecht volkomen overtuigd te zijn. Hij kende hem zoo lang en zoo door en door, dat hij in de, ook tot de geringste veinzerij onbekwame trekken van den oude, als in een geopend boek las. Hij trad dus naar hem toe, en zeide op den toon van zacht verwijt: »Ik heb u van niets beschuldigd, oude. Wat behoeft gij u zoo driftig te maken over eene bloote vraag!”

»Ja, ik zou me zeker nog moeten verheugen over uwe schandelijke verdenking?”

»Neen, dat behoeft niet;—maar ik veroorloof u thans te verhalen, wat er, gedurende mijn afzijn, in mijn huis is voorgevallen.”

»Eene mooie geschiedenis! Als ik daaraan denk, wordt het mij zoo bitter in den mond, alsof ik een kolokwintappel kauw.”

»Gij zeidet dezen morgen, dat men mij bestolen had.”

»Ja, en hoe!—Zoo is nog niemand vóor ons bestolen geworden! Hadden de spitsboeven slechts tot de dievenkaste11behoord, dan zouden wij ons nog kunnen troosten; want vooreerst zouden we dan het grootste deel van ons eigendom teruggekregen hebben, en ten andere er niet slechter aan toe zijn geweest, dan vele anderen; maar....”

»Blijf bij de zaak, want mijn tijd is beperkt!”

»Ja, dat weet ik al! De oude Hib kan hier in Perzië niets naar uw zin doen. Doch dat komt er niet op aan. Gij zijt meester en hebt dus maar te bevelen; ik ben maar knecht en moet dus gehoorzamen. Ik hoop het niet te vergeten. Nu dan, ’t was juist in de dagen, dat het groote Perzische gezantschap naar Saïs kwam om Nitetis te halen, en zich door het gansche volk als een troep vreemde dieren te laten aangapen, dat het schandelijke feit plaats greep. ’s Avonds, terwijl de zon ondergaat, zit ik op het muggentorentje, en speel met mijn kleinzoon, den oudsten jongen van mijne Benra12, die een heerlijk dik ventje geworden is, en voor zijn leeftijd bijzonder verstandig en sterk. De guit vertelt me juist, dat zijn vader, gelijk de Egyptenaren plegen te doen, als hunne vrouwen de kinderen te veel alleen laten, de schoenen zijner moeder had weggestopt13, en ik lach, dat de tranen me over de wangen loopen. Want ge moet weten, dat ik Benra, die geen mijner kleinkinderen bij mij wil laten wonen, omdat ik, zoo zegt zij, ze bederf, deze poets van harte gunde. Plotseling wordt er met den klopper zoo geweldig op de huisdeur geslagen, dat ik waarachtig meen, dat er hier of daar brand is, en den jongen van mijne knie laat vallen. Zoo hard ik maar kan, loop ik de trappen af, neem met mijne lange beenen telkens drie treden in eens, en schuif den grendel terug. De deur vliegt open en eene gansche bende tempeldienaars en politie-agenten,—daar waren minstens vijftien man,—dringt het huis binnen, nog voordat ik den tijd heb te vragen, wat ze van mij hebben willen. Pichi, de onbeschaamde tempeldienaar van Neith,—gij kent hem wel,—duwt mij op zij, grendelt de deur van binnen dicht, en beveelt den troep mij te knevelen, als ik niet terstond alles doe wat hij mij gebieden zal. Ik laat het natuurlijk niet onder mij, maar scheld hem braaf uit. Gij weet, heer, dat ik dit niet laten kan, als iets mij ergert. En nu doet hij mij,—bij onzen god Toth, die de wetenschap beschermt, ik spreek de waarheid, heer,—nu doet die melkmuil mij de handen binden, verbiedt mij, den ouden Hib, verder een woord te spreken, en zegt dat hij van den opperpriester in last heeft, mij vijf en twintig stokslagen te doen geven, als ik mij niet zonder tegenspraak aan al zijne bevelen onderwerp. Tegelijk toont hij mij den ring van den opperpriester. Nu moest ik, of ik wilde of niet, dezen schoft gehoorzamen, die nietsminder eischte, dan dat ik hem dadelijk alle geschriften, die gij hadt achtergelaten, zou overhandigen. Maar de oude Hib is zoo dom niet, dat hij zich in den eersten strik den besten laat vangen, hoewel menschen, die hem beter moesten kennen, meenen dat hij omkoopbaar en de zoon van een ezel is.—Wat doe ik dus? Ik stel me aan, alsof ik geheel van mijn stuk ben door het zien van den zegelring, verzoek Pichi zoo beleefd mogelijk mijne handen los te maken, en zeg dat ik den sleutel zal halen. Men maakt mijne handen los; ik ren de trap op, bij vijf treden te gelijk, ruk de deur van uwe slaapkamer open, duw mijn kleinzoon, die voor de deur staat, naar binnen, en schuif er den grendel voor. Dank mijne lange beenen ben ik de anderen zoo ver vooruit, dat ik den tijd heb, den knaap het zwarte kastje, dat gij aan mijne bijzondere zorg hadt aanbevolen, onder den arm te geven, het kleine kereltje door het venster te zetten op het balkon, dat aan de zijde van den tuin langs het huis loopt, en hem te bevelen het kostbare kastje dadelijk in de duiventil te stoppen. Daarop open ik de deur, als ware er niets gebeurd, maak Pichi wijs, dat de jongen een mes in den mond had gehad, en ik daarvan zoo geschrikt was, dat ik uit angst op zulk een dwaze manier de trap was opgevlogen, en den knaap voor zijn straf wat te luchten had gezet. De vent, die zoo dom is als het broertje van een nijlpaard, gelooft me, en laat zich nu het geheele huis door leiden. Eerst leggen ze beslag op de groote kist van sykomorenhout met papieren, die gij mij bevolen hadt niet minder zorgvuldig te bewaren, dan op de papyrusrollen op uwe schrijftafel, en verder op alle geschrevene stukken, die in het huis voorhanden zijn. Zonder ze eerst te schiften of in te zien, smijten zij alles in de groote kist, en dragen die naar beneden. Doch het zwarte kastje lag ongeschonden en veilig in de duiventil. Mijn kleinzoon is de slimste jongen uit geheel Saïs!

»Toen de kist het huis werd uitgedragen, kon ik mijne, tot dusverre met zooveel moeite onderdrukte woede niet langer bedwingen. Ik dreigde den onbeschaamden indringers, dat ik hen bij de rechters, en als dit niet hielp, bij den koning zou aanklagen, en zonder twijfel zou ik ook het volk tegen hen hebben opgehitst, als die vervloekte Perzen, die eene wandeling door de stad deden, niet juist op dit oogenblik de geheele aandacht der saamgestroomde menigte hadden getrokken. Dienzelfden avond ging ik naar mijn schoonzoon die, gelijk gij weet, ook tempeldienaar van de godin Neith is, en verzocht hem alles in het werk te stellen, om het lot der gestolene schriften te weten te komen. Die goede man is nog altijd dankbaar voor de rijke huwelijksgift, die gij aan mijne Benra hebt geschonken.Drie dagen later kwam hij mij zeggen, dat hij er getuige van geweest was, hoe men uwe fraaie kist, met al de daarin geborgen rollen, verbrand had. Van louter ergernis kreeg ik de geelzucht; doch mijne ziekte belette mij niet mijne klachten voor de rechters te brengen. Deze ellendelingen zijn echter, gelijk gij weet, zelve priesters, en wilden dus niets van de zaak weten. Nu diende ik namens u een verzoekschrift bij den koning in, maar werd door dezen afgesnauwd met de niet zeer malsche bedreiging, dat men mij als landverrader zou beschouwen, als ik nog eens van die papieren een woord durfde kikken. Nu had ik mijne tong14te lief, om nog verder eenigen stap te doen. De grond brandde onder mijne voeten. Ik kon niet in Egypte blijven, want ik moest u spreken; ik moest u zeggen hoe men u beleedigd had; ik moest u, die zeker meer vermoogt dan uw arme knecht, tot wraakneming aansporen; ik moest u ook het zwarte kastje brengen, dat men mij misschien anders nog zou hebben onttroggeld.Alzoo verliet ik mijn vaderland en mijn kleinzoontje met een bloedend hart, om, zoo oud als ik ben, naar het typhonisch buitenland te trekken.—Ach! de kleine jongen is zoo wijs! Toen ik hem bij het afscheid kuste, zeide hij: ‘Blijf bij ons, grootvader! Als de vreemdelingen u verontreinigen, dan mag ik u niet meer kussen.’—Benra laat u hartelijk groeten, en mijn schoonzoon doet u weten, uit goede bron vernomen te hebben dat Psamtik, de kroonprins, en Petammon, de oogarts, uw oude mededinger, de bewerkers dezer vervloekte daad zijn. Daar ik mij niet aan de typhonische zee durfde toevertrouwen, reisde ik met eene karavaan Arabische kooplieden tot Thadmor, de palmrijke rustplaats der Phoeniciërs15in de woestijn, en van daar met Sidonische kooplieden tot Karchemis aan den Euphraat, waar zich de weg, die van Phoenicië naar Babylon voert, met dien tusschen Sardes en Babylon vereenigt. Doodmoede zat ik in het boschje voor de herberg, toen een vreemdeling, die met koninklijke postpaarden reisde, daar aankwam. Aanstonds herkende ik in hem den voormaligen overste der Helleensche soldaten.”

»En ik,” viel Phanes den verteller in de rede, »herkende even spoedig in u, oude, den langsten en twistzieksten mensch, dien ik ooit gezien heb. Honderd malen heb ik te Saïs om u moeten lachen, als gij de kinderen stondt uit te schelden, die u naliepen, zoo dikwijls gij, met het artsenijkastje onder den arm, uw meester door de straten volgdet. Ja, ik herinnerde mij zoodra ik u zag eene aardigheid, die zich de koning eens te uwen koste liet ontvallen. Toen gij beiden op zekeren dag voorbijkwaamt, zeide hij: »Die oude lijkt wel een grimmige uil, die door kleine vogels omfladderd en voor den gek gehouden wordt; en Nebenchari moet zeker eene booze vrouw hebben, die hem, tot loon voor al de oogen die hij ziende maakt, zijne eigene dreigt uit te krabben!”

»Schandelijk, schandelijk!” riep de oude, in verwenschingen uitbarstende.

De arts had, zwijgend en in gedachten verzonken, het verhaal van zijn knecht aangehoord. Van tijd tot tijd veranderde de kleur van zijn gelaat. Toen hij hoorde dat men zijne papieren, de vruchten van zoovele doorwaakte nachten, verbrand, met medeweten van zijne standgenooten en van den koning vernietigd had, balde hij de vuisten, en rilde hij over zijn gansche lichaam, als werd hij door eene heftige koorts aangegrepen.

Geene enkele beweging van den priester was den Athener ontgaan. Aan menschenkennis ontbrak ’t hem niet, en hij wist dat een woord van spot de ziel van den eerzuchtige dikwerf dieper wondt, dan zware beleedigingen. Daarom bracht hij juist nu de scherts te berde, die Amasis zich eens, toen hij aan zijne neiging tot gekscheren toegaf, had veroorloofd. Ook had zijne berekening niet gefaald, want hij zag hoe Nebenchari, bij zijne laatste woorden, eene roos, die vóor hem op de tafel lag, met de vlakke hand krampachtig platdrukte. Terwijl hij een glimlach van voldoening haastig onderdrukte, vervolgde Phanes: »Maar verneem thans in korte trekken het einde van de reisavonturen van den braven Hib. Ik noodde hem mijn wagen met mij te deelen. Eerst weigerde hij met zulk een verwenschten vreemdeling als ik op éen kussen te gaan zitten. Doch eindelijk gaf hij aan mijn verzoek gehoor. Hij had aan de laatste pleisterplaats gelegenheid, op den broeder van den opperpriester Oropastes de proef te nemen van de handgrepen, die hij u en uw vader heeft afgezien, en kwam eindelijk behouden te Babylon aan, waar ik zelf hem in het paleis van den koning een onderkomen verschafte, daar wij u, uithoofde der droevige omstandigheid waarin uwe landgenoote zich bevindt, niet te spreken konden krijgen. Het overige is u bekend.”

Nebenchari knikte even, ten teeken van toestemming, en gebood Hib met een wenk het vertrek te verlaten.

De oude gehoorzaamde brommend en tusschen de tanden scheldende. Toen de deur zich achter hem gesloten had, trad de geneesheer op den krijgsman toe, en zeide: »Ik vrees, Helleen, dat wij, in spijt van dit alles, toch geene bondgenooten zullen kunnen zijn!”

»En waarom niet?”

»Omdat ik vermoed dat uwe wraak, in vergelijking met die, welke ik mij verplicht acht te nemen, veel te zacht en te onbeduidend zal zijn.”

»Wat dat betreft, hebt gij niet te vreezen!” antwoordde de Athener. »Mag ik u mijn bondgenoot noemen?”

»Ja! Onder éene voorwaarde!”

»Laat hooren!”

»Gij moet mij in de gelegenheid stellen, met eigene oogen de uitkomst onzer wraakoefening te zien.”

»Dat wil zeggen, als Cambyzes naar Egypte trekt, wenscht gij het leger te volgen?”

»Ja! En als mijne vijanden in smaad en ellende nederliggen, dan wil ik hun toeroepen: »Ziet gij, lafaards, dit ongeluk hebt gij te wijten aan den armen, verbannen oogarts!”—O mijne geschriften, mijne geschriften! Zij waren mij even dierbaar als vrouw en kind, die ik beiden verloren heb. Zij waren bestemd, om aan honderden te leeren, hoe den blinden het licht weer te geven, hoe den zienden de zoetste gave der goden, de bloem van het gezicht, de bewaarplaats van het licht, het ziende oog voortdurend te doen behouden. Nu mijne geschriften vernield zijn, heb ik tevergeefs geleefd! Met mijne geschriften hebben die ellendelingen mij zelven verbrand! O, mijne geschriften, mijne geschriften!”—Bij deze woorden snikte de ongelukkige man, dat er ’t hart van breken moest.

Phanes trad nu op hem toe, vatte zijne rechterhand, en zeide: »U, mijn vriend, hebben de Egyptenaren geslagen, ik ben echter door hen nog schandelijker mishandeld geworden. Dieven zijn, ja, in uwe woning gedrongen, maar mij hebben moordenaars huis en hof in de asch gelegd. Weet gij, Nebenchari, weet gij, wat men mij gedaan heeft?—Toen zij mij verdreven en vervolgden, waren zij in hun recht; want volgens hunne wetten was ik des doods schuldig. Ware het daarbij gebleven, ik had hun kunnen vergeven, want ik had dezen Amasis lief, gelijk een vriend zijn vriend liefheeft. Dat wist de ellendeling, en toch liet hij toe, wat bijna ongelooflijk schijnt. O, het is, alsof mijne hersenen branden, als ik aan het ontzettende feit denk!—Als wolven drongen zij in den nacht het huis eener weerlooze vrouw binnen en stalen mijne kinderen, een meisje en een jongen, de trots, de vreugde, de troost van mijn eenzaam leven. En watdeden zij met de arme schepseltjes? Het meisje hielden zij gevangen, gelijk zij voorgaven, om mij te verhinderen Egypte den vreemdelingen in handen te spelen; den knaap evenwel, een toonbeeld van schoonheid en goedheid, mijn eenigen zoon, heeft de kroonprins Psamtik, misschien wel met medeweten van Amasis, doen vermoorden. Onder de smart der ballingschap was mijn hart eerst ineengekrompen en daarna gevoelloos geworden; thans echter gevoel ik, hoe de hoop op wraak het doet zwellen en van blijde verrukking kloppen!”

Nebenchari zag met blikken, gloeiende van een somber vuur, in de vlammende oogen van den Athener, en zeide, terwijl hij hem de hand reikte: »Wij zijn bondgenooten!”

De Helleen vatte de rechterhand van den arts en antwoordde: »Thans geldt het in de eerste plaats, ons van de gunst des konings te verzekeren!”

»Ik zal Cassandane het gezicht hergeven!”

»Zoudt ge dat kunnen?”

»De kunstbewerking, die Amasis ziende heeft gemaakt, heb ik uitgevonden. Petammon heeft ze van mij geleerd uit mijne verbrande geschriften.”

»Waarom hebt gij ze dan niet vroeger toegepast?”

»Omdat ik niet gewoon ben mijne vijanden geschenken te doen.”

Bij deze woorden voelde Phanes zich door eene lichte huivering aangrijpen. Hij herstelde zich evenwel spoedig, en zeide: »Ook ik kan mij verzekerd houden van ’s konings gunst. De gezanten der Massageten zijn heden reeds naar hun land teruggekeerd. De vrede is hun toegestaan, en....”

Op dit oogenblik werd de deur opengerukt, een eunuch van Cassandane vloog het vertrek binnen, en riep Nebenchari toe: »Onze meesteres Nitetis is stervende! Maak u dadelijk gereed, en volg mij!”

De arts groette zijn bondgenoot met een wenk, trok zijne sandalen aan, en begaf zich naar het bed der stervende koningsbruid.

1Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.2De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.3Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.4Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.5Zie boven blz.80.6De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.7Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, dat de zoon het werk van den vader voortzette.8Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.9Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.10De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.11Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft. Zie verderWarda,Dl. II.12De naam beteekent: palm.13Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.14Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.15Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.

1Een opschrift van Behistân behelst een stamboom van Darius, die met de geslachtslijst van Herodotus in overeenstemming te brengen is.

2De Grieken waren gewoon op reis aanbevelingen mede te nemen, bestaande in brieven of afdrukken van zegels. Aristophanes vermeldt van een buitenlandschen pas, en in een opschrift wordt gewag gemaakt van zulke brieven of teekenen, die Straton, de koning van Sidon, aan zijn gezant naar Athene zou medegeven. De Locriërs en Ozoliërs voerden de avondster in hun zegel, de Samiërs de lier, enz. Bij eene mummie uit den tijd der Ptolomaeën vond men zulk een aanbevelingsbrief op papyrus geschreven.

3Dit bijgeloof heerscht in Perzië nog.

4Hib beteekent in hiëroglyphen-taal: ibis. Vele Egyptenaren droegen den naam van heilige dieren.

5Zie boven blz.80.

6De zuidwestenwind, zoo gevaarlijk voor het vruchtbare Nijldal, die het meest waait in April en Mei. Het is de Samoem, dien de reizigers door de woestijn zoo vreezen.

7Gewoonlijk volgde de zoon den vader in diens betrekking op. Er zijn lange stamboomen gevonden, waaruit bleek dat allen, die er op voorkwamen, dezelfde betrekking hadden vervuld. Overigens waren de kasten lang zoo streng niet afgescheiden als in Indië. Er zijn voorbeelden, dat zonen van krijgslieden priesters werden en omgekeerd. In den regel was een jongeling vrij in de keuze van zijn beroep, ofschoon het bij alle volken der oudheid gebruikelijk was, dat de zoon het werk van den vader voortzette.

8Op de koningslijsten vindt men onderscheidene koninginnen. Dat zij werkelijk geregeerd hebben is uit de gedenkteekenen gebleken.

9Op de gedenkteekenen en in de papyrussen komen alleen vroedvrouwen voor. Toch is het niet onwaarschijnlijk, dat in kritieke gevallen ook de priesterlijke geneesheeren werden te hulp geroepen.

10De Grieksche schrijvers van later tijd, en wel bepaald eenige Neoplatonisten, verhalen ons veel van de Egyptische mysteriën. Maar wij kunnen hunne mededeelingen niet vertrouwen, en het is daarom uiterst moeielijk ons eene duidelijke voorstelling van het een en ander te maken. Ofschoon veel over dit onderwerp in papyrussen voorkomt, hebben toch de priesterlijke schrijvers zich van zulke duistere termen bediend, dat hunne bedoeling zeer moeielijk te vatten is. Die mysteriën, schijnen het uitsluitend eigendom der priesters geweest te zijn. Ze omvatten de verklaring van hetgeen door de heilige ceremoniën zinnebeeldig werd voorgesteld. Het geloof in een eenig goddelijk wezen was waarschijnlijk de kern dier geheimzinnige leerstellingen, die zeker veel schoons en voortreffelijks behelsden. Want Griekenlands grootste wijsgeeren, Lycurgus, Solon, Thales, Pythagoras, Democritus, Plato en zoovele andere, ontleenden daaruit veel voor hunne wijsbegeerte, staatswetenschap, wis- en sterrenkunde. Het kan wel niet geloochend worden dat Mozes, die een kweekeling der priesters was geweest, de voornaamste zijner zedelijke en geneeskundige voorschriften aan die mysteriën dankte.

11Werkelijk bestond er zulk eene kaste. De Egyptenaren hadden eene wet, volgens welke zij jaarlijks bij de overheid, op straffe des doods, hun middel van bestaan moesten opgeven. Zij die zich als dieven aangaven, stonden wel onder streng toezicht, maar werden niet gestraft. Zie verderWarda,Dl. II.

12De naam beteekent: palm.

13Volgens Plutarchus hielden de Egyptenaren het voor zeer onvoegzaam, barrevoets over de straat te gaan. De mannen stopten daarom de schoenen der vrouwen weg, om haar tot huiselijkheid te dwingen. Volgens Herodotus deden de huismoeders de inkoopen op de markt, bij de Grieken geschiedde dit door de mannen.

14Een staatsverrader moest, volgens Egyptische wetten, de tong uitgesneden worden.

15Thadmor, het latere Palmyra, werd door Salomo gebouwd als rustplaats voor de karavanen die naar het oosten trokken. Het lag in eene oase in het midden der Syrische woestijn, ontwikkelde zich spoedig en bereikte weldra een hoogen trap van bloei. De trotsche ruïnen van deze reuzenstad wekken nog de verbazing der reizigers. Karchemis aan den rechter oever van den Euphraat, stroomafwaarts van Biredschik waar Nebucadnezar en Necho elkander slag leverden, was het hoofdstation van den grooten weg, die over Palmyra naar Babylon voerde.


Back to IndexNext