Derde hoofdstuk.

Derde hoofdstuk.Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen, en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen, dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene vroolijkheid.Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter, die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf,te ontdooien. Uren achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens, toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger, anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!” Tegelijkertijd nam hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals, en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik, die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde, dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem, het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had, ondeugend voorzong:“Men brandde ’s meesters naam voorheenDe heupen in van ’t paardEn aan den tulband kent elkeenDen Parther, trotsch van aard;Maar ik ontdek op ’t eerst gezicht,Wie zich der min verpandt;Want ieder werd door ’t minnewichtEen merk in ’t hart geplant.”Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier gelukkig zijn!” werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamischelente1, welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt, verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat de jonge Egyptische, Phaedime de dochter vanOtanes, uit de gunst van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde, de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht, en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die, wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime, over de middelen die den ondergang derEgyptischezouden kunnen bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw, porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote, en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker in het verderf zal storten, als ik Boges heet.”Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen, en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel, dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht geduldig af wat de toekomst u brengt.”Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen, en vermeed allen omgang met de Perzen, onderwie zijn somber, in zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van Athothes2noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof van den koning en van Tritantaechmes, den satraap3van Babylon, eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde, hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij, met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds, voordat gij nog wist wat een uur is”4.Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?” gaf hij haar ten antwoord: »Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?”Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken.Doch Nebenchari wees zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed, met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht, en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan de borst zijner moeder.Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien, naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield, een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes,Aspatines, Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus5, de vader van Zopyrus, de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom, de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan het hof van den koning.Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag6van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad, om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst onthaald.Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden, droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart, het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde, maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden, noemde hen »broeders” en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden, hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij iets buitengewoons zal vragen,daarom moet hij nog maar wat geduld hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch ook al mijne vrienden gelukkig te zien.”Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid, en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven, dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!” riep de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?—Hoe zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?”»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje,” hervatte Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd, als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis zal zijn.”»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald, en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes geene mannelijke nakomelingen mocht hebben.”»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb.”»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief, als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene zedige jonkvrouwherschapen!—Roep nu de meisjes, die beneden in den tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst eene nieuwe vriendin rijker zullen worden.”»Vergeef mij, moeder,” hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming van den koning hebben verkregen.”»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!”In den vroegen morgen van ’s konings geboortedag brachten de Perzen aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden band omgeven, de Paiti-dhana7, welks uiteinden den mond bedekten, en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het vleesch in stukken gesneden8, met zout bestrooid en op een zacht tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda, de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.Nu trad Oropastes, de opper-Destoer9, voor het vuur, en wierp er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en stengels van het heilige haomakruid10, kneusde deze, en goot het roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht, van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn, van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt, van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed: »Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!”11Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen, om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te ontvangen.—Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit, en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het overschot mede naar huis te nemen.Want de Perzische goden versmaadden het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven met het vleesch der rijke koningsoffers.Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden.Hun godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk uitstortten.Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als deverpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters stelden de pharao’s als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden hunne vorsten slechts zonen der goden12. En toch heerschten dezen inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds zagen, de pharao’s, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten, kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen, hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken.Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver- en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,—overstemde de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs,de Syrische pauken en bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus, en deheldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels, zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra’s, vreemde apen en vogelsoorten13opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van de onderworpene stammen.—Nadat zij aan den koning vertoond waren, werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht, en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen14.Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis, hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes treden, waarvan ieder tweegouden honden als schildwachten droeg, de vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven, de Feruers15des konings, torste. Achter den troon stonden dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel aanstonds de schaar der Onsterfelijken16in het oog, die altijd bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde, als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden, werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden, opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen zou.Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie, met de aanzienlijksten van ieder gezantschap.Toen het laatste, dat der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan, een vriendelijk »halt” toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden, en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de heilige loten17, dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten, waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar,” riep de koning den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!”Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn, en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden.”»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt,” riep de koning. »Heb ik ongelijk, priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op de herbouwing van uw tempel?”»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven,” antwoordde de priester, diep buigende. »Uwe knechten teJeruzalemverlangen zeer het aangezicht van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw, waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne toestemming verleende, voort te zetten.”De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans geene enkele bede afslaan.Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is, de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken.”»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden,” hervatte de priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer....”»Halt, priester, niet verder!” riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal, gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?”»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien,” antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner vaderen een huis te bouwen.”»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!” riep Cambyzes. »Men heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft, die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn, als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd houden overal door haar gehoord te zullen worden.”»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen,” riep de hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken.”»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!” bad ook Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en dikwijls om raad gevraagd had.»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor gaf?” vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen, en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend, bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden, de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en oneenigheid onder uw volk sticht.”»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons in een koninklijken brief heeft gedaan?” vroeg Beltsazar.»Een brief?”»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden van uw rijk18.”»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont,” hervatte de koning, »wil ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel van de goden!”»Is het mij dus toegestaan.” vroeg Beltsazar, »het archief van Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers te laten doorzoeken?”»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert, niet teleurstellen!—U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen, dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht.”»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!” sprak Beltsazar, terwijl hij diep ter aarde boog.»Dezen wensch neem ik aan,” riep de koning, »want ik acht uw grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voorgeheel machteloos.—Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed, omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen, uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!—Vaarwel en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!”De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van Ekbatana voorhanden moest zijn.Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden, boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid, doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht, wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde, als de mannen die hem volgden19.De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende, die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van mij?—Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten, die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat, om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!”De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen, tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat ik hun nog hedende gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne landslieden naar uwe poorte zijn gezonden.”De wolk op ’s konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren, welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen.”Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad, door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning, volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.»Wij weten,” ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden, gevallen is.”»Mijn vader had reden te over om u te straffen,” viel de koning den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet, hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong.”»Vertoorn u niet, o koning,” antwoordde de Massageet; »maar weet, dat ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen, wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land hoopte machtig te worden.”Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan over den Araxes20, onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze; daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koningvan Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen, en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten, op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld, bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!”»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar bloed kunnen lesschen!” De edele schaar, die gij de onsterfelijken noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard, dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken nu nog uw mannelijk gelaat siert!”De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijandopenbaart21.—Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn.”De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood.”»Tomyris leeft niet meer!?” riep Cambyzes, den spreker in de rede vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe koningin overkomen? Spreek!”»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen, dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de ziel uws vaders viel.”»Zij was eene groote vrouw,” zeide Cambyzes zacht, als tot zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk, Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning, en allerminst tegen die van een Cyrus!”»Bij ons te lande,” antwoordde de gezant, »is in den dood alles gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik u nog al de rampen niet heb opgesomd,die sedert dien ongelukkigen krijg over ons land zijn uitgestort.—Na den dood vanTomyriswerden de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte, dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen.”»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?” vroeg Cambyzes. »De sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is, kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom als nieuwe onderdanen van mijn rijk.”Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben, of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten, dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen satraap wetten en voorschriften te ontvangen.—Gij ziet mij toornig aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen.”»Gij hebt slechts te kiezen,” antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap, als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid aanbied.—Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen; later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!”»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen,” hernam de krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden enraden. Wij Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken, en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden, in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid, u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren mocht worden bedreigd.”De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende: »Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen, en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb, een deel der gerechten van mijne eigene tafel.”1Januari tot April.2De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift (uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boeken genoemd.3Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van “khshatra,” heerschappij, en “pavan,” beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.4Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren vansterrenkundigeberekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles aan hun onderwijs te danken.5Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.6De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en heette “het volkomene.” Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen in betrekking tot Ramses II: “vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag.”7Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.8Anquetil geeft in zijnZend-Avestaeene beschrijving en afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.9Priester.10Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.11Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uit den slaap ontwaakte.12In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook goddelijke eer bewijzen.13Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.14In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den “kramer.” Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te leveren.15De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.16Deze “Onsterfelijken” dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.17De Urim en Thummim.18Zie Esra, VI, 2–12. Zacharia, 1–8.19Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.20De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de Caspische zee.21Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.

Derde hoofdstuk.Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen, en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen, dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene vroolijkheid.Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter, die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf,te ontdooien. Uren achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens, toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger, anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!” Tegelijkertijd nam hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals, en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik, die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde, dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem, het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had, ondeugend voorzong:“Men brandde ’s meesters naam voorheenDe heupen in van ’t paardEn aan den tulband kent elkeenDen Parther, trotsch van aard;Maar ik ontdek op ’t eerst gezicht,Wie zich der min verpandt;Want ieder werd door ’t minnewichtEen merk in ’t hart geplant.”Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier gelukkig zijn!” werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamischelente1, welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt, verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat de jonge Egyptische, Phaedime de dochter vanOtanes, uit de gunst van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde, de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht, en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die, wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime, over de middelen die den ondergang derEgyptischezouden kunnen bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw, porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote, en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker in het verderf zal storten, als ik Boges heet.”Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen, en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel, dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht geduldig af wat de toekomst u brengt.”Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen, en vermeed allen omgang met de Perzen, onderwie zijn somber, in zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van Athothes2noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof van den koning en van Tritantaechmes, den satraap3van Babylon, eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde, hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij, met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds, voordat gij nog wist wat een uur is”4.Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?” gaf hij haar ten antwoord: »Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?”Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken.Doch Nebenchari wees zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed, met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht, en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan de borst zijner moeder.Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien, naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield, een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes,Aspatines, Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus5, de vader van Zopyrus, de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom, de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan het hof van den koning.Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag6van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad, om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst onthaald.Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden, droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart, het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde, maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden, noemde hen »broeders” en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden, hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij iets buitengewoons zal vragen,daarom moet hij nog maar wat geduld hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch ook al mijne vrienden gelukkig te zien.”Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid, en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven, dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!” riep de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?—Hoe zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?”»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje,” hervatte Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd, als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis zal zijn.”»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald, en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes geene mannelijke nakomelingen mocht hebben.”»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb.”»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief, als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene zedige jonkvrouwherschapen!—Roep nu de meisjes, die beneden in den tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst eene nieuwe vriendin rijker zullen worden.”»Vergeef mij, moeder,” hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming van den koning hebben verkregen.”»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!”In den vroegen morgen van ’s konings geboortedag brachten de Perzen aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden band omgeven, de Paiti-dhana7, welks uiteinden den mond bedekten, en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het vleesch in stukken gesneden8, met zout bestrooid en op een zacht tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda, de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.Nu trad Oropastes, de opper-Destoer9, voor het vuur, en wierp er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en stengels van het heilige haomakruid10, kneusde deze, en goot het roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht, van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn, van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt, van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed: »Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!”11Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen, om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te ontvangen.—Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit, en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het overschot mede naar huis te nemen.Want de Perzische goden versmaadden het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven met het vleesch der rijke koningsoffers.Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden.Hun godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk uitstortten.Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als deverpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters stelden de pharao’s als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden hunne vorsten slechts zonen der goden12. En toch heerschten dezen inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds zagen, de pharao’s, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten, kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen, hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken.Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver- en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,—overstemde de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs,de Syrische pauken en bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus, en deheldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels, zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra’s, vreemde apen en vogelsoorten13opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van de onderworpene stammen.—Nadat zij aan den koning vertoond waren, werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht, en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen14.Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis, hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes treden, waarvan ieder tweegouden honden als schildwachten droeg, de vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven, de Feruers15des konings, torste. Achter den troon stonden dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel aanstonds de schaar der Onsterfelijken16in het oog, die altijd bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde, als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden, werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden, opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen zou.Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie, met de aanzienlijksten van ieder gezantschap.Toen het laatste, dat der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan, een vriendelijk »halt” toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden, en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de heilige loten17, dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten, waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar,” riep de koning den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!”Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn, en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden.”»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt,” riep de koning. »Heb ik ongelijk, priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op de herbouwing van uw tempel?”»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven,” antwoordde de priester, diep buigende. »Uwe knechten teJeruzalemverlangen zeer het aangezicht van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw, waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne toestemming verleende, voort te zetten.”De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans geene enkele bede afslaan.Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is, de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken.”»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden,” hervatte de priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer....”»Halt, priester, niet verder!” riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal, gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?”»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien,” antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner vaderen een huis te bouwen.”»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!” riep Cambyzes. »Men heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft, die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn, als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd houden overal door haar gehoord te zullen worden.”»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen,” riep de hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken.”»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!” bad ook Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en dikwijls om raad gevraagd had.»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor gaf?” vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen, en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend, bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden, de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en oneenigheid onder uw volk sticht.”»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons in een koninklijken brief heeft gedaan?” vroeg Beltsazar.»Een brief?”»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden van uw rijk18.”»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont,” hervatte de koning, »wil ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel van de goden!”»Is het mij dus toegestaan.” vroeg Beltsazar, »het archief van Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers te laten doorzoeken?”»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert, niet teleurstellen!—U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen, dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht.”»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!” sprak Beltsazar, terwijl hij diep ter aarde boog.»Dezen wensch neem ik aan,” riep de koning, »want ik acht uw grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voorgeheel machteloos.—Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed, omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen, uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!—Vaarwel en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!”De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van Ekbatana voorhanden moest zijn.Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden, boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid, doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht, wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde, als de mannen die hem volgden19.De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende, die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van mij?—Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten, die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat, om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!”De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen, tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat ik hun nog hedende gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne landslieden naar uwe poorte zijn gezonden.”De wolk op ’s konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren, welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen.”Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad, door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning, volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.»Wij weten,” ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden, gevallen is.”»Mijn vader had reden te over om u te straffen,” viel de koning den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet, hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong.”»Vertoorn u niet, o koning,” antwoordde de Massageet; »maar weet, dat ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen, wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land hoopte machtig te worden.”Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan over den Araxes20, onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze; daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koningvan Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen, en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten, op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld, bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!”»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar bloed kunnen lesschen!” De edele schaar, die gij de onsterfelijken noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard, dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken nu nog uw mannelijk gelaat siert!”De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijandopenbaart21.—Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn.”De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood.”»Tomyris leeft niet meer!?” riep Cambyzes, den spreker in de rede vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe koningin overkomen? Spreek!”»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen, dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de ziel uws vaders viel.”»Zij was eene groote vrouw,” zeide Cambyzes zacht, als tot zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk, Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning, en allerminst tegen die van een Cyrus!”»Bij ons te lande,” antwoordde de gezant, »is in den dood alles gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik u nog al de rampen niet heb opgesomd,die sedert dien ongelukkigen krijg over ons land zijn uitgestort.—Na den dood vanTomyriswerden de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte, dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen.”»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?” vroeg Cambyzes. »De sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is, kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom als nieuwe onderdanen van mijn rijk.”Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben, of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten, dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen satraap wetten en voorschriften te ontvangen.—Gij ziet mij toornig aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen.”»Gij hebt slechts te kiezen,” antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap, als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid aanbied.—Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen; later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!”»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen,” hernam de krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden enraden. Wij Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken, en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden, in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid, u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren mocht worden bedreigd.”De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende: »Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen, en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb, een deel der gerechten van mijne eigene tafel.”1Januari tot April.2De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift (uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boeken genoemd.3Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van “khshatra,” heerschappij, en “pavan,” beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.4Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren vansterrenkundigeberekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles aan hun onderwijs te danken.5Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.6De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en heette “het volkomene.” Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen in betrekking tot Ramses II: “vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag.”7Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.8Anquetil geeft in zijnZend-Avestaeene beschrijving en afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.9Priester.10Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.11Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uit den slaap ontwaakte.12In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook goddelijke eer bewijzen.13Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.14In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den “kramer.” Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te leveren.15De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.16Deze “Onsterfelijken” dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.17De Urim en Thummim.18Zie Esra, VI, 2–12. Zacharia, 1–8.19Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.20De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de Caspische zee.21Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.

Derde hoofdstuk.Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen, en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen, dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene vroolijkheid.Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter, die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf,te ontdooien. Uren achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens, toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger, anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!” Tegelijkertijd nam hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals, en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik, die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde, dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem, het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had, ondeugend voorzong:“Men brandde ’s meesters naam voorheenDe heupen in van ’t paardEn aan den tulband kent elkeenDen Parther, trotsch van aard;Maar ik ontdek op ’t eerst gezicht,Wie zich der min verpandt;Want ieder werd door ’t minnewichtEen merk in ’t hart geplant.”Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier gelukkig zijn!” werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamischelente1, welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt, verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat de jonge Egyptische, Phaedime de dochter vanOtanes, uit de gunst van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde, de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht, en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die, wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime, over de middelen die den ondergang derEgyptischezouden kunnen bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw, porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote, en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker in het verderf zal storten, als ik Boges heet.”Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen, en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel, dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht geduldig af wat de toekomst u brengt.”Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen, en vermeed allen omgang met de Perzen, onderwie zijn somber, in zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van Athothes2noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof van den koning en van Tritantaechmes, den satraap3van Babylon, eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde, hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij, met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds, voordat gij nog wist wat een uur is”4.Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?” gaf hij haar ten antwoord: »Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?”Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken.Doch Nebenchari wees zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed, met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht, en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan de borst zijner moeder.Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien, naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield, een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes,Aspatines, Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus5, de vader van Zopyrus, de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom, de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan het hof van den koning.Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag6van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad, om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst onthaald.Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden, droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart, het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde, maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden, noemde hen »broeders” en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden, hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij iets buitengewoons zal vragen,daarom moet hij nog maar wat geduld hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch ook al mijne vrienden gelukkig te zien.”Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid, en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven, dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!” riep de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?—Hoe zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?”»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje,” hervatte Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd, als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis zal zijn.”»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald, en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes geene mannelijke nakomelingen mocht hebben.”»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb.”»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief, als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene zedige jonkvrouwherschapen!—Roep nu de meisjes, die beneden in den tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst eene nieuwe vriendin rijker zullen worden.”»Vergeef mij, moeder,” hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming van den koning hebben verkregen.”»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!”In den vroegen morgen van ’s konings geboortedag brachten de Perzen aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden band omgeven, de Paiti-dhana7, welks uiteinden den mond bedekten, en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het vleesch in stukken gesneden8, met zout bestrooid en op een zacht tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda, de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.Nu trad Oropastes, de opper-Destoer9, voor het vuur, en wierp er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en stengels van het heilige haomakruid10, kneusde deze, en goot het roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht, van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn, van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt, van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed: »Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!”11Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen, om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te ontvangen.—Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit, en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het overschot mede naar huis te nemen.Want de Perzische goden versmaadden het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven met het vleesch der rijke koningsoffers.Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden.Hun godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk uitstortten.Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als deverpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters stelden de pharao’s als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden hunne vorsten slechts zonen der goden12. En toch heerschten dezen inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds zagen, de pharao’s, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten, kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen, hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken.Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver- en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,—overstemde de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs,de Syrische pauken en bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus, en deheldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels, zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra’s, vreemde apen en vogelsoorten13opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van de onderworpene stammen.—Nadat zij aan den koning vertoond waren, werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht, en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen14.Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis, hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes treden, waarvan ieder tweegouden honden als schildwachten droeg, de vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven, de Feruers15des konings, torste. Achter den troon stonden dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel aanstonds de schaar der Onsterfelijken16in het oog, die altijd bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde, als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden, werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden, opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen zou.Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie, met de aanzienlijksten van ieder gezantschap.Toen het laatste, dat der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan, een vriendelijk »halt” toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden, en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de heilige loten17, dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten, waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar,” riep de koning den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!”Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn, en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden.”»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt,” riep de koning. »Heb ik ongelijk, priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op de herbouwing van uw tempel?”»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven,” antwoordde de priester, diep buigende. »Uwe knechten teJeruzalemverlangen zeer het aangezicht van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw, waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne toestemming verleende, voort te zetten.”De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans geene enkele bede afslaan.Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is, de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken.”»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden,” hervatte de priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer....”»Halt, priester, niet verder!” riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal, gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?”»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien,” antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner vaderen een huis te bouwen.”»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!” riep Cambyzes. »Men heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft, die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn, als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd houden overal door haar gehoord te zullen worden.”»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen,” riep de hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken.”»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!” bad ook Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en dikwijls om raad gevraagd had.»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor gaf?” vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen, en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend, bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden, de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en oneenigheid onder uw volk sticht.”»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons in een koninklijken brief heeft gedaan?” vroeg Beltsazar.»Een brief?”»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden van uw rijk18.”»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont,” hervatte de koning, »wil ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel van de goden!”»Is het mij dus toegestaan.” vroeg Beltsazar, »het archief van Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers te laten doorzoeken?”»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert, niet teleurstellen!—U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen, dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht.”»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!” sprak Beltsazar, terwijl hij diep ter aarde boog.»Dezen wensch neem ik aan,” riep de koning, »want ik acht uw grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voorgeheel machteloos.—Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed, omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen, uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!—Vaarwel en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!”De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van Ekbatana voorhanden moest zijn.Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden, boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid, doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht, wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde, als de mannen die hem volgden19.De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende, die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van mij?—Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten, die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat, om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!”De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen, tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat ik hun nog hedende gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne landslieden naar uwe poorte zijn gezonden.”De wolk op ’s konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren, welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen.”Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad, door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning, volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.»Wij weten,” ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden, gevallen is.”»Mijn vader had reden te over om u te straffen,” viel de koning den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet, hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong.”»Vertoorn u niet, o koning,” antwoordde de Massageet; »maar weet, dat ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen, wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land hoopte machtig te worden.”Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan over den Araxes20, onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze; daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koningvan Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen, en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten, op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld, bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!”»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar bloed kunnen lesschen!” De edele schaar, die gij de onsterfelijken noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard, dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken nu nog uw mannelijk gelaat siert!”De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijandopenbaart21.—Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn.”De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood.”»Tomyris leeft niet meer!?” riep Cambyzes, den spreker in de rede vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe koningin overkomen? Spreek!”»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen, dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de ziel uws vaders viel.”»Zij was eene groote vrouw,” zeide Cambyzes zacht, als tot zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk, Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning, en allerminst tegen die van een Cyrus!”»Bij ons te lande,” antwoordde de gezant, »is in den dood alles gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik u nog al de rampen niet heb opgesomd,die sedert dien ongelukkigen krijg over ons land zijn uitgestort.—Na den dood vanTomyriswerden de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte, dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen.”»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?” vroeg Cambyzes. »De sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is, kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom als nieuwe onderdanen van mijn rijk.”Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben, of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten, dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen satraap wetten en voorschriften te ontvangen.—Gij ziet mij toornig aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen.”»Gij hebt slechts te kiezen,” antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap, als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid aanbied.—Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen; later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!”»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen,” hernam de krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden enraden. Wij Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken, en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden, in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid, u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren mocht worden bedreigd.”De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende: »Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen, en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb, een deel der gerechten van mijne eigene tafel.”1Januari tot April.2De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift (uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boeken genoemd.3Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van “khshatra,” heerschappij, en “pavan,” beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.4Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren vansterrenkundigeberekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles aan hun onderwijs te danken.5Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.6De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en heette “het volkomene.” Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen in betrekking tot Ramses II: “vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag.”7Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.8Anquetil geeft in zijnZend-Avestaeene beschrijving en afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.9Priester.10Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.11Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uit den slaap ontwaakte.12In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook goddelijke eer bewijzen.13Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.14In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den “kramer.” Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te leveren.15De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.16Deze “Onsterfelijken” dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.17De Urim en Thummim.18Zie Esra, VI, 2–12. Zacharia, 1–8.19Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.20De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de Caspische zee.21Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.

Den volgenden dag betrok Nitetis het landhuis op de hangende tuinen, en leidde daar een eentonig, maar genoeglijk en werkzaam leven, geheel overeenkomstig de voorschriften van Cresus. Dagelijks werd zij, in een dicht gesloten draagstoel, naar Cassandane en Atossa gebracht. De blinde koningin was voor haar spoedig eene liefhebbende en geliefde moeder, en de wilde, levenslustige dochter van Cyrus vergoedde der Egyptische bijna het gemis harer aan den Nijl achtergeblevene zuster Tachot. Nitetis had zich geene betere gezellin kunnen wenschen, dan het dartele kind, dat door hare scherts en vroolijkheid wist te verhinderen, dat ontevredenheid of heimwee zich in het hart van hare vriendin nestelden. De ernst der eene nam eene vroolijke tint aan, onder den invloed van de opgeruimdheid der andere, terwijl de kinderlijke overmoed van het Perzische meisje, door de kalme beradenheid der Egyptische allengs overging in eene meer ingetogene vroolijkheid.

Cresus en Cassandane waren beiden uiterst voldaan over hunne nieuwe dochter en leerling. Oropastes, de magiër, sprak den koning dagelijks met den meesten lof over de vlugge bevatting en den ijver der jonkvrouw. Nitetis maakte zich de Perzische taal bijzonder spoedig en zeer goed eigen. De koning ging dan alleen tot zijne moeder, wanneer hij begreep de Egyptische dáar te zullen vinden, en schonk haar alle dagen kostbare sieraden en kleederen. Hij bewees haar de grootste gunst, met haar nooit in hare eigene vertrekken te bezoeken. Hierdoor gaf hij duidelijk te kennen, dat hij voornemens was Nitetis eene plaats te gunnen onder het kleine getal zijner uitverkorene, echte gemalinnen, eene onderscheiding, waarop zich menige vorstendochter, die als bijwijf in zijn harem leefde, niet beroemen kon.

Het schoone, ernstige meisje oefende op dien ontembaren man des gewelds een betooverenden invloed uit. Alleen hare tegenwoordigheid scheen voldoende om de ijskorst, die zijn hart omgaf,te ontdooien. Uren achtereen toefde hij bij het ringspel, en dan wendde hij zijn oog niet af van de sierlijke bewegingen der Egyptische schoone. Eens, toen een bal in het water was gevlogen, sprong hij dien na, ondanks zijn zware, kostbare kleeding, en redde den drenkeling. Nitetis liet een luiden angstkreet hooren, toen de koning zich onverwachts tot deze ridderlijke daad gereedmaakte. Cambyzes overhandigde haar echter den druipenden bal met een glimlach, zeggende: »Wees nu voorzichtiger, anders zou ik u opnieuw moeten verschrikken!” Tegelijkertijd nam hij een gouden met edelgesteenten bezette keten van zijn hals, en schonk deze aan de blozende maagd. Zij dankte hem met een blik, die duidelijker dan de meest welsprekende taal te kennen gaf, wat haar hart voor den toekomstigen gemaal gevoelde.

Cresus, Cassandane en Atossa bemerkten weldra, dat Nitetis den koning met hare geheele ziel beminde. Uit hare vrees voor den oppermachtigen trotschen man was werkelijk een vurige hartstocht ontstaan. Het was haar, als zou zij moeten sterven, wanneer zij uit zijne tegenwoordigheid gebannen werd. Het was haar of zij in zijn persoon eene almachtige godheid aanschouwde, die licht rondom zich verspreidde. De wensch hem te bezitten scheen haar vermetel en misdadig; en toch de bevrediging van dien wensch achtte zij verkieslijker dan zelfs den terugkeer naar haar vaderland, dan zelfs de hereeniging met hen die zij tot nog toe alleen had liefgehad. Zij was zichzelve nauw bewust van dezen hartstocht, en beproefde aan de gedachte vast te houden, dat zij hem slechts eerbiedig vreesde, dat tegen het uur, waarop zij hem gewoonlijk wachtte, hare zenuwen van angst en niet van onuitsprekelijk verlangen trilden.

Cresus had haar spoedig doorgrond, en joeg zijner lieveling een hoogen blos op de wangen, toen hij haar, met zijne min of meer bevende stem, het nieuwste lied van Anacreon, dat hij te Saïs van Ibycus geleerd had, ondeugend voorzong:

“Men brandde ’s meesters naam voorheenDe heupen in van ’t paardEn aan den tulband kent elkeenDen Parther, trotsch van aard;Maar ik ontdek op ’t eerst gezicht,Wie zich der min verpandt;Want ieder werd door ’t minnewichtEen merk in ’t hart geplant.”

“Men brandde ’s meesters naam voorheen

De heupen in van ’t paard

En aan den tulband kent elkeen

Den Parther, trotsch van aard;

Maar ik ontdek op ’t eerst gezicht,

Wie zich der min verpandt;

Want ieder werd door ’t minnewicht

Een merk in ’t hart geplant.”

Alzoo vlogen voor Nitetis dagen, weken, maanden zelfs, ongemerkt voorbij, onder oefening en spel, onder ernst en scherts, onder liefde en wederliefde. Het bevel van Cambyzes: »Gij moet hier gelukkig zijn!” werd verwezenlijkt, en toen de Mesopotamischelente1, welke in die streken op de regenachtige Decembermaand volgt, verstreken was; toen men gedurende de voorjaars dag- en nachtevening het grootste feest der Aziaten, het nieuwjaarsfeest gevierd had; toen de Mei-zon het aardrijk begon te stoven en te schroeien, gevoelde Nitetis zich te Babylon volkomen tehuis, en wisten alle Perzen, dat de jonge Egyptische, Phaedime de dochter vanOtanes, uit de gunst van den koning had verdrongen, en in het zekere vooruitzicht leefde, de eerste bevoorrechte gemalin van Cambyzes te zullen worden.

Het aanzien van den eunuchen-overste Boges verminderde dagelijks, want men wist maar al te goed, dat de koning zijn harem niet meer bezocht, en de eunuch zijn invloed alleen verschuldigd was aan de vrouwen, die, wat hij voor zichzelven of voor anderen begeerde, door liefkoozingen en vleierijen van Cambyzes moesten trachten te verwerven. Dagelijks trad de gekrenkte man in overleg met de in ongenade gevallene Phaedime, over de middelen die den ondergang derEgyptischezouden kunnen bewerken. Maar hunne fijnst gesponnen listen, hunne strikken met het meeste overleg uitgezet, misten alle hun doel, tengevolge van de groote liefde des konings, en van het vlekkeloos gedrag der koninklijke bruid.

Phaedime, de ongeduldige, naar wraak dorstende, vernederde vrouw, porde den voorzichtigen Boges onophoudelijk tot eene beslissende handeling aan. Deze vermaande haar echter, om toch geduldig het rechte tijdstip af te wachten. Eindelijk, verscheidene weken na de aankomst van Nitetis, kwam hij bijzonder vroolijk bij zijne bondgenoote, en riep: »Als Bartja teruggekeerd is, mijn schatje, dan is onze ure gekomen. Ik heb een plannetje beraamd, dat de Egyptische zoo zeker in het verderf zal storten, als ik Boges heet.”

Dit zeggende, wreef zich de gesnedene, die altijd lachte, de zachte vleezige handen, en toonde zich zoo uitermate verheugd als ware hem het grootste geluk te beurt gevallen. Maar hij paste wel op Phaedime ook maar het geringste van zijn plannetje te laten gissen, en beantwoordde hare dringende vragen met te zeggen: »Liever vertrouwde ik mijn hoofd in den muil van een leeuw, dan dat ik mijn geheim in het oor eener vrouw zou leggen. Ik waardeer, ja, uw moed; maar bedenk wel, dat de koenheid van den man in zijn handelen, die der vrouw in hare gehoorzaamheid moet blijken. Doe dus wat ik u zeggen zal, en wacht geduldig af wat de toekomst u brengt.”

Nebenchari, de oogarts, ging steeds voort met Cassandane te behandelen, en vermeed allen omgang met de Perzen, onderwie zijn somber, in zichzelf gekeerd karakter tot een spreekwoord was geworden. Men noemde aan het hof elken gelukkige: een Bartja, en elken ouden knorrepot: een Nebenchari. Hij sleet zijne dagen in de vertrekken van de moeder des konings, zonder een enkel woord te spreken, terwijl hij zich bezighield met het doorbladeren van groote papyrus-rollen, die hij het boek van Athothes2noemde. Des nachts beklom hij meermalen, met verlof van den koning en van Tritantaechmes, den satraap3van Babylon, eenen der hoogste torens op de muren, om de sterren gade te slaan.

De Chaldeeuwsche priesters, de aloude beoefenaren der sterrenkunde, hadden hem aangeboden zijne waarnemingen te doen op den top van den grooten Bel-tempel, hunne sterrenwacht. Hij weigerde evenwel bepaald aan deze uitnoodiging gevolg te geven, en hield zich voortdurend van iedereen afgezonderd. Toen Oropastes, de magiër, hem den beroemden Babylonischen zonnewijzer, dien Anaximander van Milete ook in Griekenland had ingevoerd, verklaren wilde, glimlachte hij, met minachting de schouders ophalende, en keerde den overste der Medische priesters den rug toe, zeggende: »Dezen kenden wij reeds, voordat gij nog wist wat een uur is”4.

Nitetis had hem met de grootste minzaamheid bejegend. Maar hij bekommerde zich volstrekt niet om haar, ja, scheen haar opzettelijk te ontwijken. Toen zij hem eens vroeg: »Merkt gij iets verkeerds in mij op, Nebenchari, of heb ik u beleedigd?” gaf hij haar ten antwoord: »Gij zijt voor mij eene vreemdelinge; want hoe zou ik iemand kunnen liefhebben, die hare beste vrienden, de goden, en de zeden van haar land, zoo gewillig en zoo spoedig verloochent?”

Boges, de eunuch, begreep ras, dat de oogarts niet hoog was ingenomen met de toekomstige gade van zijn koning, en stelde dus pogingen in het werk, hem tot zijn bondgenoot te maken.Doch Nebenchari wees zijne kruipende toespraken, zijne geschenken en voorkomendheden met vastheid af. Zoo dikwijls een angaar het plein voor het paleis opreed, met eene boodschap aan den koning, haastte zich de eunuch hem uit te hooren van waar hij kwam, en of hij geene tijding had van het leger tegen de Tapoeren. Eindelijk verscheen de langgewenschte bode, met het bericht, dat de oproerige stam volkomen ten onder was gebracht, en Bartja binnenkort huiswaarts zou keeren.

Drie weken verliepen. De eene bode voor, de andere na, meldde de nadering van den vorstelijken overwinnaar. De straten vertoonden zich wederom in den rijksten feestdos. Het leger trok Babylon binnen. Bartja dankte het jubelende volk, en rustte weinige oogenblikken later aan de borst zijner moeder.

Ook Cambyzes ontving hem met welgemeende hartelijkheid, en bracht hem met voordacht zelf bij zijne moeder, op het oogenblik dat Nitetis zich bij haar bevond. Hij was in zijn hart verzekerd, dat de Egyptische hem beminde. Hij wilde Bartja bewijzen dat hij haar vertrouwde, en hield zich overtuigd, dat zijne vroegere ijverzucht eene dwaze inbeelding was geweest. De woeste man was, gedurende de laatste weken, de weldoener van zijn volk geworden. Zijne liefde had hem toegevend en minzaam gemaakt. Zijne handen werden des gevens niet moede. Zijn toorn was ingesluimerd, en de kraaien van Babylon zwierden thans, van honger schreeuwende, boven de plaats, waar anders de hoofden van talrijke gevonnisten, als waarschuwend voorbeeld waren ten toon gesteld.

De edele Perzen uit het geslacht der Achaemeniden stegen in aanzien, naar gelang de invloed der vleiende en geveinsde eunuchen afnam. Deze klasse van menschen was, door de inlijving van Medië, Lydië en Babylonië, in welke rijken zij vele der hoogste ambten in den staat en aan het hof bekleedden, in het paleis van Cyrus gekomen. Cambyzes gewende zich in het belang van zijn land, meer acht te geven op de stem zijner verwanten, dan op de raadgevingen der eunuchen. De grijze Hystaspes, de vader van Darius en stadhouder van het oorspronkelijke Perzische gebied, die in den regel te Pasargadae zijn verblijf hield, een neef van den koning; Pharnaspes, de grootvader van Cambyzes van moederszijde; Otanes, zijn oom en schoonvader; Intaphernes,Aspatines, Gobryas, Hydarnes, de veldheer Megabyzus5, de vader van Zopyrus, de gezant Prexaspes, de edele Cresus, de oude held Araspes, kortom, de voornaamste stamhoofden der Perzen bevonden zich juist toen aan het hof van den koning.

Daarbij kwam nog, dat de geheele adel uit het gansche rijk, de satrapen of stadhouders van alle provinciën, en de opperpriesters uit alle steden zich te dier tijde te Babylon bevonden, om den geboortedag6van den koning te helpen vieren. De gezamenlijke waardigheidsbekleders en afgevaardigden uit al de provinciën stroomden naar de koningsstad, om den vorst geschenken aan te bieden, hem geluk te wenschen, en deel te nemen aan de groote offers, voor welke gewoonlijk duizenden van paarden, herten, stieren en ezels, ter eere der goden geslacht werden. Op dezen feestdag ontvingen alle Perzen geschenken, en elk mocht den koning een verzoek voordragen, dat maar zelden geweigerd werd. Ook werd in alle steden het volk op kosten van den vorst onthaald.

Cambyzes had besloten, dat zijn huwelijk met Nitetis acht dagen na zijn geboortedag zou worden voltrokken, en alle grooten des rijks zouden genood worden, daarbij tegenwoordig te zijn. De straten van Babylon wemelden van vreemdelingen. De reusachtige paleizen op de beide oevers van den Euphraat waren overvol van gasten, en alle huizen waren versierd. Deze ijver van zijn volk, het opkomen van tallooze afgevaardigden, die zijn geheele rijk vertegenwoordigden, droegen niet weinig bij om de stemming des konings nog gedurig te vervroolijken. Zijn trots was bevredigd, en de ledigheid in zijn hart, het gebrek aan liefde, door Nitetis aangevuld. Voor de eerste maal in zijn leven geloofde hij volkomen gelukkig te zijn, en strooide hij zijne geschenken uit, niet omdat dit een koning van Perzië voegde, maar omdat hij werkelijk met vreugde gaf.

De veldheer Megabyzus was onuitputtelijk in loftuitingen over de heldenfeiten van Bartja en zijne vrienden. Cambyzes omarmde de jeugdige dapperen, begiftigde hen met gouden ketens en paarden, noemde hen »broeders” en herinnerde Bartja aan de bede, die hij hem mocht voordragen, wanneer hij als overwinnaar uit den strijd zou zijn teruggekeerd, en welker vervulling hem was toegezegd. Toen de jongeling zijne oogen nedersloeg, en niet aanstonds wist hoe zijn verzoek in te kleeden, lachte de koning, en riep: »Ziet vrienden, hoe onze jonge held als een maagdelijn bloost! Ik geloof, dat hij mij iets buitengewoons zal vragen,daarom moet hij nog maar wat geduld hebben tot op mijn geboortedag. Bij het drinkgelag, wanneer, de wijn hem moed kan geven, zal hij mij toefluisteren, wat hij nu niet durft uiten. Laat uw eisch groot zijn, Bartja! Ik ben gelukkig en wensch ook al mijne vrienden gelukkig te zien.”

Bartja glimlachte en begaf zich naar zijne moeder, om haar thans voor de eerste maal mede te deelen, wat zijn hart zoo onrustig en tegelijk zoo zalig deed kloppen. Hij had gevreesd van hare zijde vele onoverkomelijke bezwaren te zullen hooren opperen. Maar Cresus had zijn aanval op de moederlijke teederheid zoo goed voorbereid, en der blinde zooveel liefelijks van Sappho verhaald, hare deugd en bevalligheid, hare kunstvaardigheid en talenten zoo hoog verheven, dat de meisjes den grijsaard met de kleindochter van Rhodopis waren gaan plagen en Cassandane thans, na een korten en zwakken tegenstand te hebben geboden, aan de bede van haar lieveling toegaf.

»Eene Helleensche de echte vrouw van een Perzischen koningszoon!” riep de blinde. »Dat is nog nooit gebeurd. Wat zal Cambyzes zeggen?—Hoe zullen we ooit zijne toestemming verkrijgen?”

»Wat dat aangaat, hebt gij niets te vreezen, moedertje,” hervatte Bartja. »Ik ben van de toestemming mijns broeders even verzekerd, als dat ik mij overtuigd houd, dat Sappho een sieraad van ons huis zal zijn.”

»Cresus heeft mij veel schoons en goeds van de jonkvrouw verhaald, en het verheugt mij, dat gij eindelijk besloten zijt te huwen. Maar eigenlijk past zulk eene verbintenis den zoon van Cyrus niet. Ook geef ik u wel in overweging, dat de Achaemeniden nimmer een zoon dezer Grieksche vrouw als hun koning zullen erkennen, wanneer Cambyzes geene mannelijke nakomelingen mocht hebben.”

»Ik vrees niets, want ik verlang volstrekt niet naar eene kroon. Maar buitendien zijn er verschillende Perzische koningen geweest, die eene minder aanzienlijke vrouw dan mijn Sappho tot moeder hadden. Ik weet zeker, dat mijne bloedverwanten mij niet laken zullen, wanneer ik hun het kleinood toon, dat ik aan den Nijl gevonden heb.”

»Mocht Sappho slechts onze Nitetis gelijken! Deze heb ik lief, als ware zij mijne eigene dochter, en ik zegen den dag, waarop zij den Perzischen grond betrad. Met haren koesterenden blik heeft zij de halsstarrigheid, de stugheid en den hoogmoed van mijn zoon gebroken. Hare goedheid en zachtmoedigheid verlichten den altoos durenden nacht, die mij omgeeft, en veraangenamen mijn leven. Haar opgeruimde ernst heeft uwe zuster Atossa van een onbesuisd kind in eene zedige jonkvrouwherschapen!—Roep nu de meisjes, die beneden in den tuin spelen, opdat wij haar mededeelen, dat zij door uw tusschenkomst eene nieuwe vriendin rijker zullen worden.”

»Vergeef mij, moeder,” hervatte Bartja, »maar ik bid u, deze zaak voor mijne zuster geheim te houden, tot wij de bepaalde toestemming van den koning hebben verkregen.”

»Misschien hebt gij gelijk, mijn zoon. Wij moeten de meisjes nog onkundig laten van uwe liefde, al ware het slechts om haar eene mogelijke teleurstelling te besparen. De verijdeling eener schoone hoop valt zwaarder te dragen, dan onverwacht leed. Laat ons dus niet te vast rekenen op de bewilliging van uw broeder, schoon ik met u geloof, dat deze niet zal uitblijven, zoolang zijne tegenwoordige stemming aanhoudt. Mogen de goden u hun zegen schenken!”

In den vroegen morgen van ’s konings geboortedag brachten de Perzen aan den oever van den Euphraat hunne offers. Op een kunstmatigen berg stond een ontzaglijk groot zilveren altaar, waarop een zeer groot vuur zijne vlammen en welriekende geuren hemelwaarts deed stijgen. In het wit gekleede magiërs voedden gestadig den gloed met sierlijk gesnedene stukken van het fijnste sandelhout, en wakkerden de vlammen met takkenbossen aan. Het hoofd van elken priester was met een breeden band omgeven, de Paiti-dhana7, welks uiteinden den mond bedekten, en verhinderden, dat de onreine adem over het reine vuur heenging. Op eene weide langs den stroom, had men de offerdieren geslacht, het vleesch in stukken gesneden8, met zout bestrooid en op een zacht tapijt van klaver, mirtenloof en laurierbladen uitgespreid, opdat niets van het doode en bloedige, de schoone dochter van Aoeramazda, de geduldige, heilige aarde mocht besmetten.

Nu trad Oropastes, de opper-Destoer9, voor het vuur, en wierp er versche boter in. De vlammen sloegen hoog op. Al de Perzen vielen op de knieën, en bedekten hun aangezicht; want zij geloofden, dat de heldere vlam opsloeg tot haren vader, den grooten God. Vervolgens nam de magiër een mortier, vulde dien voor een deel met de bladen en stengels van het heilige haomakruid10, kneusde deze, en goot het roodachtige sap der plant, de spijze der goden, in de vlammen.

Eindelijk hief hij zijne handen ten hemel en zong, terwijl andere priesters voortgingen de vlam met versche boter aan te wakkeren, een lang gebed uit de heilige boeken van Zoroaster. In dit gebed werd de zegen der goden afgesmeekt over al het reine en goede, en vóór alles over den koning en het gansche rijk. De goede geesten, van het licht, van het leven, van de waarheid, van edele daden, van de vruchtdragende aarde, van het levende en verfrisschende water, van de glanzende metalen, van de weiden, van de boomen en van de reine schepselen werden geprezen. De booze geesten van de duisternis, van den leugen, die de menschen bedriegt, van ziekten, van dood, van zonden, van de woestijn, van de verstijvende koude, van de dorheid, die het leven vernietigt, van alle afschuwelijke morsigheid, van alle ongedierte werden, met den vader van deze allen, den boozen Angramainjus, vervloekt. Ten laatste vereenigde zich de geheele onafzienbare menigte in het feestgebed: »Reinheid en heerlijkheid verbeiden den reine en rechtvaardige!”11

Daarop maakte het gebed van den koning een einde aan de offerplechtigheid. In het rijkste plechtgewaad besteeg Cambyzes den met vier sneeuwwitte Nisaeische paarden bespannen gouden wagen, die als het ware bedekt was met een bekleedsel van corneolen, topazen en barnsteen, en liet zich naar de groote gehoorzaal brengen, om de waardigheidbekleeders en afgevaardigden der provinciën te ontvangen.—Zoodra de koning en zijn gevolg vertrokken waren, zochten de priesters voor zichzelve de beste stukken van het offervleesch uit, en lieten toen het volk, dat meer en meer opdrong, de vrijheid het overschot mede naar huis te nemen.Want de Perzische goden versmaadden het offer als spijs; zij begeerden slechts de zielen der geslachte dieren. En menige arme, namelijk onder de priesters, rekte zijn leven met het vleesch der rijke koningsoffers.

Gelijk de magiër gebeden had, moesten alle Perzen bidden.Hun godsdienst verbood, dat éen iets voor zich alleen van den hemelschen geest zou vragen. Veeleer moest ieder deugdzame voor alle Perzen, maar bovenal voor den koning bidden; want was ieder Pers slechts een deel van het geheele volk, dan werd toch ook ieder in het bijzonder gezegend, als de goden rijke weldaden over het geheele rijk uitstortten.Dit verloochenen van het eigen ik, dit samensmelten van alle bijzondere belangen tot éen groot algemeen belang, had de Perzen grootgemaakt. Alleen was men gewoon voor den koning afzonderlijk te bidden, maar dit had geene andere oorzaak, dan dat men hem als deverpersoonlijking van het geheele rijk beschouwde. Ook mocht niemand om een bijzonder bezit vragen, doch slechts om het goede in het algemeen, want geen sterveling, de godheid alleen, wist wat den menschen tot voor- of nadeel zou strekken. De Egyptische priesters stelden de pharao’s als werkelijke godheden voor, de Perzen noemden hunne vorsten slechts zonen der goden12. En toch heerschten dezen inderdaad veel onbeperkter dan genen, daar zij zich hadden weten te vrijwaren tegen de voogdij der priesterkaste, die, gelijk wij reeds zagen, de pharao’s, zoo al niet beheerschte, dan toch in gewichtige aangelegenheden naar haren wil wist te leiden.

Van het onverdraagzame karakter der Egyptenaren, die geene andere dan hunne eigene goden aan de boorden van den Nijl duldden, was in Azië geen zweem te ontdekken. De door Cyrus overwonnen Babyloniërs mochten na hun inlijving in het groote Aziatische rijk, als te voren tot hunne oude goden bidden. De Joden, Joniërs en Klein-Aziaten, kortom al de aan den schepter van Cambyzes onderworpene stammen, hadden alle hun godsdienst en hunne zeden behouden. Zoo stegen dan ook te Babylon op het geboortefeest des konings, naast de altaren der magiërs, vele offervlammen ten hemel, door de afgevaardigden uit de provinciën ontstoken ter eere van de goden, die zij in hun land aanbaden. De dichte rookwolken, die boven de torens hingen en het licht der gloeiende Mei-zon verduisterden, deden de stad op een afstand op een reusachtigen smeltoven gelijken.

Toen de koning in het groote rijkspaleis was aangekomen, schikten zich de feestgezanten tot een onafzienbaren stoet, die door de rechte straten van Babylon in de richting van het paleis voorttrok. Alle wegen waren bedekt met mirtenloof en palmtakken, met rozen, papaver- en oleanderbloemen, met bladeren van zilverpopulieren, palmen en laurieren. Wierook-, myrrhe- en duizend andere geuren vervulden de lucht. Van alle huizen wapperden vanen en hingen tapijten neder. Het juichen en jubelen van de tienduizenden Babyloniërs, die, eerst sedert weinige jaren aan de Perzische heerschappij onderworpen, naar Aziatische gewoonte hunne ketenen als een sieraad droegen, zoolang zij althans geen kans zagen zich van het juk te bevrijden,—overstemde de schetterende fanfares der Medische trompetten, de zachte tonen der Phrygische fluiten, de cymbalen en harpen der Joden, de tamboerijns der Paphlagoniërs, de snarenspeeltuigen der Joniërs,de Syrische pauken en bekkens, de horens en trommels der Ariërs van den mond van den Indus, en deheldere tonen der Baktrische krijgsbazuinen. Al die geuren, die verscheidenheid van kleuren en tinten, dat schitteren en flonkeren van goud en edelgesteenten, dat gehinnik van tallooze paarden, dat juichen en zingen vereenigden zich, om de zinnen te bedwelmen en de harten tot de meest uitgelatene feestvreugde te stemmen.

Geen der feestgezanten was met ledige handen gekomen. Deze bracht een span paarden van het edelste ras; gene geweldig groote olifanten en potsierlijke apen; een derde verscheidene met schabrakken en kwasten behangen rhinocerossen en buffels; een vierde tweebultige Baktrische kameelen, met gouden ringen om den ruigen hals. Anderen boden wagens aan, beladen met vreemde houtsoorten en elpenbeen, kostbare weefsels, zilveren en gouden vaatwerken, goud in stof en in baren, zeldzame gewassen voor de tuinen, en voor het wildpark van den koning vreemde dieren, onder welke men vooral antilopen, zebra’s, vreemde apen en vogelsoorten13opmerkte, welke laatsten aan groene boomen geketend waren, en daar zij telkens de vleugels uitsloegen, een vroolijk schouwspel opleverden. Deze geschenken maakten de schatting uit van de onderworpene stammen.—Nadat zij aan den koning vertoond waren, werden zij door de schatmeesters en schrijvers gewogen, onderzocht, en óf voldoende gekeurd, óf als te gering afgewezen. In het laatste geval moesten de karige gevers een dubbele schatting opbrengen14.

Zonder oponthoud bereikte de stoet de poorten van het rijkspaleis, hetgeen men voor een groot deel te danken had aan de zweepdragers en aan de soldaten, die aan weerszijden van den weg eene levende schutting vormden, en het opdringende volk in bedwang hielden.

Zoo de optocht des konings naar de offerplaats reeds meer dan prachtig was geweest (achter den vorstelijken wagen toch had men vijfhonderd rijk getooide paarden geteld en de trein der gezanten had niet minder de verbazing van het geheele vergaderde volk opgewekt) de groote troonzaal bood nu een verblindend en tooverachtig schouwspel aan. Aan het einde dezer zaal verrees, op eene verhevenheid van zes treden, waarvan ieder tweegouden honden als schildwachten droeg, de vergulde troon, onder een purperen, door vier gouden met edelgesteenten bezette pijlers gedragen hemel, die wederom twee gevleugelde schijven, de Feruers15des konings, torste. Achter den troon stonden dragers van struisveeren en waaiers, aanzienlijke hofbeambten; aan weerszijden zag men de dischgenooten, bloedverwanten en vrienden des konings, de grootwaardigheidsbekleeders van het rijk, de voornaamste priesters en eunuchen. De wanden en de zoldering van de geheele zaal waren bekleed met platen van gepolijst goud, en de vloer belegd met purperen tapijten. Gevleugelde stieren met menschenhoofden lagen als schildwachten vóor de zilveren deuren, en in het voorhof van het paleis stonden de lijfwachten gerangschikt, wier lansen met gouden en zilveren appels versierd waren. Zij droegen over hunne purperen rokken gouden pantsers, scherpe zwaarden in gouden, van edelgesteente fonkelende scheeden en hooge Perzische tulbanden. Te midden dier krijgers viel aanstonds de schaar der Onsterfelijken16in het oog, die altijd bestond uit mannen van eene rijzige gestalte en kloeke houding.

Personen, die de vreemdelingen aanmeldden, geleiders, met korte elpenbeenen staven in de handen, brachten de feestgezanten de zaal binnen tot vóor den troon. Daar gekomen, wierpen deze zich ter aarde, als wilden zij den grond kussen, en verborgen de handen in de mouwen van hun kleed. Alvorens zij den koning op eenige vraag antwoordden, werd hun een doek voor het benedendeel van het aangezicht gebonden, opdat hun onreine adem den reinen persoon des konings niet bezoedelen zou.

Cambyzes sprak, minzaam of streng, naargelang hij voldaan was over de geschenken en de gehoorzaamheid van de vertegenwoordigde provincie, met de aanzienlijksten van ieder gezantschap.Toen het laatste, dat der Joden, zijn troon naderde, riep hij den Hebreërs, die door twee deftige mannen met scherpe trekken en langen baard werden voorafgegaan, een vriendelijk »halt” toe. De eerste van dezen was gekleed op de wijze als de voornaamste en rijkste Babyloniërs. De tweede droeg een uit éen stuk geweven, met schellen en kwasten behangen purperen kleed, dat door een gekleurden gordel van blauw, rood en wit bijéen werd gehouden, en een blauw schouderkleed. Om zijn hals hing een taschje met de heilige loten17, dat met twaalf in goud gevatte edelgesteenten, waarop de namen der stammen Israëls te lezen waren, prijkte. Een witte band, welks slippen tot over de schouders neervielen, bedekte het ernstige voorhoofd van den hoogepriester.

»Het verheugt mij u eens weder te zien, Beltsazar,” riep de koning den op Babylonische wijze gekleeden man toe. »Sedert den dood van mijn vader hebt gij u niet aan mijne poort laten zien!”

Hij, die aldus werd toegesproken, boog zich diep en antwoordde: »De genade van mijn heer verheugt het harte van uw knecht! Wilt gij de zon uwer genade over uw knecht laten lichten, zijne onwaardigheid niet gedenkende, zoo bewillig mijn arm volk, dat uw groote voorganger naar het land zijner vaderen liet terugkeeren, eene bede! Deze grijsaard aan mijne zijde, Jozua, de hoogepriester onzes Gods, heeft den verren weg naar Babylon niet geacht, daar hij gekomen is om die bede aan uw goedgunstig oor voor te dragen. Mogen zijne reden u aangenaam zijn, en zijn woord een vruchtbaren grond in uw hart vinden.”

»Ik gis reeds, wat gij vragen wilt,” riep de koning. »Heb ik ongelijk, priester, als ik vermoed, dat uwe bede wederom betrekking heeft op de herbouwing van uw tempel?”

»Voor mijn heer kan niets verborgen blijven,” antwoordde de priester, diep buigende. »Uwe knechten teJeruzalemverlangen zeer het aangezicht van hun heer te aanschouwen, en smeeken u door mijn mond, af te komen tot het land hunner vaderen, en hun verlof te geven den tempelbouw, waartoe uw doorluchtige vader, wien Jahveh genadig zij! zijne toestemming verleende, voort te zetten.”

De koning glimlachte, en antwoordde: »Gij weet uwe bede voor te dragen met eene slimheid, die uw volk eigen is, en het juiste woord en het rechte uur te kiezen! Op mijn geboortedag kan ik een trouw volk bijkans geene enkele bede afslaan.Ik beloof u dus, zoodra dit mij mogelijk is, de goede stad Jeruzalem en het land uwer vaderen te zullen bezoeken.”

»Gij zult uwe knechten groote vreugde bereiden,” hervatte de priester. »Onze olijfboomen en wijnstokken zullen bij uwe nadering schoonere vruchten dragen; onze poorten zullen verwijd worden om u te ontvangen, en Israël zal zijn heer met gejubel inhalen, dubbel verheugd, wanneer het hem als nieuwen bouwheer....”

»Halt, priester, niet verder!” riep Cambyzes. »Uwe eerste bede zal, gelijk ik zeide, niet onvervuld blijven, want sinds lang reeds koester ik den wensch, het rijke Tyrus, het gouden Sidon en uw Jeruzalem met zijn wonderlijk bijgeloof te leeren kennen. Maar gaf ik u thans reeds verlof tot het voortzetten van den tempelbouw, wat bleef mij dan nog over, dat ik u een volgend jaar zou kunnen toestaan?”

»Uwe knechten zullen het oor huns heeren niet meer vermoeien,” antwoordde de priester, »als gij hun verlof geeft, den God hunner vaderen een huis te bouwen.”

»Vreemde menschen, die mannen van Palaestina!” riep Cambyzes. »Men heeft mij dikwijls gezegd, dat gij aan eene enkele godheid gelooft, die door geene afbeelding wordt voorgesteld, die niets is dan een geest. Meent gij dan, dat dit alomtegenwoordig wezen een huis van noode heeft? Voorwaar, uw groote geest moet al zeer zwak en erbarmelijk zijn, als hij een dak behoeft tegen wind en regen, en eene beschutting tegen de zon, die hij zelf eens schiep. Is uwe godheid evenals de onze overal tegenwoordig, welnu, valt dan voor haar neder en aanbidt haar aan alle plaatsen gelijk wij het doen, en gij kunt u verzekerd houden overal door haar gehoord te zullen worden.”

»De Gods Israëls hoort zijn volk aan alle plaatsen,” riep de hoogepriester. »Hij heeft ons geroep gehoord, toen wij, ver van ons land als slaven van den pharao, tichelen bakten en versmachtten. Hij hoorde en zag ons, toen wij aan de wateren Babylons weenden. Hij koos uw vader tot het werktuig onzer bevrijding, en zal ook heden mijn gebed verhooren en uw hart vermurwen. O, groote koning, veroorloof uwen knechten eene gemeenschappelijke offerplaats te bouwen voor de twaalf verdeelde stammen van hun volk, een altaar voor welks trappen zij te zamen voor u kunnen bidden, een huis in hetwelk zij gemeenschappelijk hunne feestdagen kunnen vieren. Voor deze gunst zullen wij de genade onzes Heeren over uw hoofd, en zijn vloek over uwe vijanden afsmeeken.”

»Veroorloof mijnen broederen hun tempel op te bouwen!” bad ook Beltsazar, de rijkste en aanzienlijkste der Joden, die in Babel waren achtergebleven, dien Cyrus met groote onderscheiding behandeld en dikwijls om raad gevraagd had.

»Zoudt gij dan den vrede bewaren, indien ik aan uwe bede gehoor gaf?” vroeg de koning. »Mijn vader vergunde u het werk te beginnen, en verschafte u de middelen om het te volbrengen. Eendrachtig en gelukkig zijt ge van Babylon naar uw land getogen. Maar nauw waart ge aan het bouwen, of daar barstten twist en tweedracht los. Tallooze verzoekschriften, door de aanzienlijkste Syriërs onderteekend, bestormden Cyrus, of het hem behagen mocht den tempelbouw te doen staken. Nog niet lang geleden ben ik zelf door uwe landslieden, de Samaritanen, dringend aangezocht, de voortzetting van het werk te verhinderen. Bidt dus tot uw God, waar en op welke wijze gij wilt; maar hoe genegen ik u ook ben, kan ik toch mijne toestemming niet verleenen tot voortzetting van een werk, dat slechts twist en oneenigheid onder uw volk sticht.”

»Wilt gij op dezen dag eene bewilliging intrekken, die uw vader ons in een koninklijken brief heeft gedaan?” vroeg Beltsazar.

»Een brief?”

»Die op den huidigen dag nog voorhanden moet zijn onder de bescheiden van uw rijk18.”

»Zoodra gij hem vindt, en mij vertoont,” hervatte de koning, »wil ik niet slechts verlof geven tot het bouwen van den tempel, maar u zelfs op alle mogelijke wijze ondersteunen, opdat het werk spoedig voltooid zij. De wil van mijn vader is mij even heilig als een bevel van de goden!”

»Is het mij dus toegestaan.” vroeg Beltsazar, »het archief van Ekbatana, waar het geschrift aanwezig moet zijn, door uwe schrijvers te laten doorzoeken?”

»Ik geef u daartoe verlof; maar ik vrees, dat gij niets vinden zult! Zeg uwen landslieden, priester, dat ik tevreden ben over de uitrusting der krijgslieden, die zij naar Perzië zonden, om den tocht tegen de Massageten mede te maken. Mijn veldheer Megabyzus roemt hunne houding en hun krijgshaftig voorkomen. Mogen zij, evenals in de oorlogen mijns vaders, de goede gedachten, die men van hen koestert, niet teleurstellen!—U, Beltsazar, noodig ik op het feest van mijn huwelijk met de Egyptische, en ik draag u op aan uwe landslieden Mesach en Abed Nego, de eerste mannen van Babylon na u, te zeggen, dat ik hen hedenavond aan mijne tafel verwacht.”

»De God onzes volks Israël schenke u geluk en zegen!” sprak Beltsazar, terwijl hij diep ter aarde boog.

»Dezen wensch neem ik aan,” riep de koning, »want ik acht uw grooten Geest, die groote wonderen moet hebben gedaan, niet voorgeheel machteloos.—Hoor nog dit, Beltsazar! Vele Joden hebben in den laatsten tijd van de goden der Babyloniërs op smadelijke wijze gesproken, en zijn daarvoor gestraft geworden. Waarschuw uw volk! Het maakt zich gehaat door zijn stijfhoofdig bijgeloof en zijn hoogmoed, omdat het wil staande houden, dat zijn groote Geest de eenige ware godheid is! Neemt gijlieden een voorbeeld aan ons, die, tevreden met wat wij hebben, anderen in het rustig bezit van het hunne laten. Houdt u zelve niet voor beter dan alle andere menschen. Ik ben u genegen, uw trots en uw gevoel van eigenwaarde behagen mij; zorgt evenwel dat uw trots niet, tot uwe eigene schade, in hoovaardij ontaarde!—Vaarwel en weest verzekerd van mijne voortdurende bescherming!”

De Hebreërs verwijderden zich, wel teleurgesteld, doch niet geheel zonder hope, want Beltsazar wist bepaald, dat dit stuk, hetwelk op den Jeruzalemschen tempelbouw betrekking had, in het archief van Ekbatana voorhanden moest zijn.

Hen volgden de gezantschappen der Syriërs en Jonische Grieken. Het laatst van allen vertoonden zich mannen van woest uiterlijk en vreemden gelaatsvorm, in dierenhuiden gekleed. Hunne gordels, schouderbanden, boog-foedralen, strijdbijlen en lansspitsen bleken van ruw bearbeid, doch zuiver goud te zijn, en hunne hooge pelsmutsen waren met gouden sieraden overladen. Vóór hen ging een man in Perzische kleederdracht, wiens trekken echter bewezen, dat hij tot denzelfden stam behoorde, als de mannen die hem volgden19.

De koning zag met verwondering op deze gezanten, terwijl zij den troon naderden. Hij fronste zijn voorhoofd, en den vreemdeling wenkende, die hen binnenleidde, zeide hij: »Wat begeeren deze menschen van mij?—Bedrieg ik mij niet, zoo behooren zij tot de Massageten, die weldra voor mijn wraak zullen sidderen. Zeg hun, Gobryas, dat een behoorlijk uitgerust leger in de Medische vlakte gereedstaat, om hun op iederen eisch met het zwaard te antwoorden!”

De vreemdeling boog zich en sprak: »Deze menschen zijn hedenmorgen, tijdens het offer, zwaar beladen met het zuiverste goud Babylon binnengetrokken, om den vrede van u te koopen. Toen zij vernamen, dat men een groot feest u ter eere vierde, drongen zij bij mij aan, dat ik hun nog hedende gelegenheid zou verschaffen, voor uw aangezicht te verschijnen en u mede te deelen, met welken last zij door hunne landslieden naar uwe poorte zijn gezonden.”

De wolk op ’s konings voorhoofd dreef af, zijn gelaat verhelderde. Met scherpen blik nam hij ze op, die forsche mannen met hunne zware baarden en riep dan: »Dat zij nadertreden! Ik ben nieuwsgierig te hooren, welke voorstellen de moordenaren van mijn vader mij zullen doen.”

Gobryas gaf hun een teeken. De grootste en oudste der Massageten trad, door den op Perzische wijze gekleeden man vergezeld, tot dicht voor den troon, en begon toen in de taal van zijn vaderland met luider stem te spreken. De man die naast hem stond, een Massagetisch krijgsgevangene van Cyrus, die de Perzische taal aangeleerd had, vertolkte den koning, volzin voor volzin, de toespraak van den woordvoerder der nomaden.

»Wij weten,” ving deze aan, »dat gij, groote vorst, met wrok en wrevel jegens de Massageten vervuld zijt, wijl uw vader in een strijd tegen ons, dien hij zelf begon, schoon wij hem nooit beleedigden, gevallen is.”

»Mijn vader had reden te over om u te straffen,” viel de koning den spreker in de rede, »want uwe vorstin Tomyris ontzag zich niet, hem een weigerend antwoord te geven, toen hij naar hare hand dong.”

»Vertoorn u niet, o koning,” antwoordde de Massageet; »maar weet, dat ons gansche volk deze weigering billijkte. Men had een onnoozel kind moeten zijn, om niet te doorzien, dat de grijze Cyrus slechts daarom onze koningin onder het getal zijner vrouwen verlangde op te nemen, wijl hij, heerschzuchtig als hij was, en onophoudelijk begeerig naar nieuwe uitbreiding van zijn gebied, met de koningin ook haar land hoopte machtig te worden.”

Cambyzes zweeg, maar de gezant vervolgde: »Cyrus liet eene brug slaan over den Araxes20, onze grensrivier. Wij waren zonder vreeze; daarom liet Tomyris hem weten, dat hij zich de moeite van eene brug te maken wel kon besparen, daar wij bereid waren, òf hem in ons land rustig af te wachten, en hem ongehinderd den Araxes te laten overschrijden, òf hem in zijn eigen land tegemoet te trekken.

»Cyrus besloot, en dat wel, gelijk wij later uit den mond van krijgsgevangenen vernamen, op raad van den onttroonden koningvan Lydië, Cresus, ons op ons eigen gebied te komen bestoken en door list ten onder te brengen. Hij zond slechts een kleine afdeeling van zijn leger er op af, liet dit door onze pijlen en lansen verdelgen, en zag het aan, hoe wij zijne legerplaats zonder slag of stoot bemachtigden. Wij dachten den veroveraar overwonnen te hebben, en hielden feest van den rijken voorraad der Perzen. Toen wij, vergiftigd door den zoeten drank, dien gijlieden wijn noemt, en dien wij nog nooit geproefd hadden, in een diepen slaap verzonken waren en weerloos nederlagen, overviel ons uw leger en vermoordde een groot deel onzer beste krijgers. Velen werden ook gevangengenomen, onder anderen de heldhaftige Spargapises, de jeugdige zoon onzer koningin. Toen deze hoorde, dat zijne moeder bereid was vrede met uw vader te sluiten, op voorwaarde dat de jonge held op vrije voeten zou worden gesteld, bad de edele jongeling, dat men hem van zijne ketenen zou ontdoen. Men voldeed aan zijn verlangen. Daarop vatte hij een zwaard en doorstak zich, uitroepende: »Ik offer mij op voor de vrijheid van mijn volk!”

»Nauw hadden wij bericht gekregen van den dood van dezen dapperen jongeling, of wij trokken al de strijdkrachten samen, die niet onder uw zwaard gevallen waren, of niet in boeien zuchtten. Zelfs knapen en grijsaards grepen naar de wapens, en als een eenig man trokken wij uw vader tegemoet, om den edelen Spargapises te wreken, of gelijk hij, voor de vrijheid der Massageten te sterven. Het kwam tot een treffen. De Perzen werden geslagen. Cyrus sneuvelde. Tomyris vond zijn lijk, drijvende in een zee van bloed, en richtte deze woorden tot den doode: »Onverzadelijke, thans, zou ik meenen, hebt gij uw dorst naar bloed kunnen lesschen!” De edele schaar, die gij de onsterfelijken noemt, wierp ons terug, en voerde uit onze dichte rijen het overschot van uw vader met zich. Gij zelf streedt aan hunne spits; uw moed en uwe dapperheid waren die van een leeuw. Ik herken u, want het zwaard, dat aan mijne zijde hangt, sloeg de wonde, welker bloedig litteeken nu nog uw mannelijk gelaat siert!”

De menigte, die met ingehouden adem had geluisterd, sidderde voor het leven van den man, die zoo stout durfde spreken. Doch Cambyzes knikte hem minzaam toe, in plaats van toornig op te vliegen: »Ook ik herken u thans. Op dien dag bereedt gij een vuurrood ros, dat met gouden sieraden was bedekt. Wij Perzen, weten de dapperheid te waardeeren, ook in onze vijanden. Dat zult ook gij ondervinden! Mijne vrienden, nooit zag ik scherper zwaard of onvermoeider arm, dan van dezen man. Buigt u voor hem neder, want heldengrootheid verdient den eerbied van alle dapperen, onverschillig of zij zich bij vriend of bij vijandopenbaart21.—Maar u, Massageet, raad ik, ijlings naar huis en haard terug te keeren, en u ten strijde uit te rusten, want de herinnering aan uw moed en uwe kracht prikkelt des te meer mijn verlangen, om met u te kampen. Sterke vijanden als gij, zijn mij, bij Mithra, liever dan zwakke vrienden! Ik wil u onverlet naar uw land laten trekken. Maar blijf niet te lang in mijne nabijheid, anders kon de gedachte aan de wraak, die ik mijns vaders ziel schuldig ben, mijn toorn wel eens doen ontwaken, en dan zou het einde uws levens niet verre zijn.”

De gebaarde krijgsman glimlachte, en antwoordde: »Wij Massageten zijn van oordeel, dat de ziel uws vaders meer dan gewroken is. De Perzen verloren hun koning, maar onze koningin had haar eenigen zoon te beweenen, die de trots was van ons volk, en niet minder edel en groot dan Cyrus. Vijftig duizend lijken van mijne landslieden lagen als een doodenoffer aan de boorden van den Araxes, terwijl in dezen strijd slechts dertig duizend Perzen vielen. Wij vochten niet minder dapper dan gijlieden, maar uwe wapenrustingen zijn dichter en steviger dan de onze, en bieden weerstand aan de pijlen, die ons dadelijk de huid doorboren. En wat de kroon op alles zet, en de maat uwer wraak zekerlijk ten boorde vult, ook onze koningin Tomyris hebt gij gedood.”

»Tomyris leeft niet meer!?” riep Cambyzes, den spreker in de rede vallende. »Wij Perzen, zouden eene vrouw vermoord hebben? Wat is uwe koningin overkomen? Spreek!”

»De smart over den dood van haar eenigen zoon heeft haar, nu tien maanden geleden, doen bezwijken. Dus kon ik met alle recht zeggen, dat ook zij als een offer van den oorlog met de Perzen en voor de ziel uws vaders viel.”

»Zij was eene groote vrouw,” zeide Cambyzes zacht, als tot zichzelven. Dan vervolgde hij, zijne stem verheffende: »Waarlijk, Massageten, ik begin te gelooven, dat de goden zelve op zich genomen hebben, mijn vader op u te wreken. Maar hoe zwaar uwe verliezen ook schijnen mogen, Spargapises, Tomyris en vijftig duizend Massageten kunnen nog niet opwegen tegen de ziel van éen Perzischen koning, en allerminst tegen die van een Cyrus!”

»Bij ons te lande,” antwoordde de gezant, »is in den dood alles gelijk, en de ziel van een gestorven koning niet grooter dan die van een armen knecht. Uw vader was een groot man, maar onbeschrijfelijk veel hebben wij om zijnentwil geleden. Weet ook, o koning, dat ik u nog al de rampen niet heb opgesomd,die sedert dien ongelukkigen krijg over ons land zijn uitgestort.—Na den dood vanTomyriswerden de Massageten door tweedracht verdeeld. Twee mannen stonden op, die beweerden gelijke rechten op den ledigen troon te hebben. Het volk splitste zich in twee partijen. Een vreeselijke burgeroorlog, aanstonds gevolgd door eene besmettelijke ziekte, die talrijke offers eischte, dunde de schare onzer krijgers. Mocht gij volharden in uw voornemen om ons den oorlog aan te doen, zoo zouden wij u niet kunnen weerstaan, en daarom zijn wij gekomen om voor veel gouds den vrede van u te koopen.”

»Gij wilt u dus zonder slag of stoot onderwerpen?” vroeg Cambyzes. »De sterkte van het leger, dat in de Medische vlakte bijeengetrokken is, kan u bewijzen, dat ik betere verwachting van uw heldenmoed heb gekoesterd. Zonder vijanden kunnen wij niet strijden, ik zal dus mijne macht ontbinden en u een stadhouder zenden. Ik heet u welkom als nieuwe onderdanen van mijn rijk.”

Bij deze woorden des konings kleurde een hoog rood de wangen van den Massagetischen held. Met bevende stem antwoordde hij: »Gij dwaalt, o koning, indien gij meent, dat wij de oude dapperheid verleerd hebben, of gezind zijn knechten te worden. Maar wij kennen uwe macht en weten, dat het kleine getal onzer, door het zwaard en de pestilentie gespaarde landslieden tegen uwe ontzaglijke goed uitgeruste krijgsheeren niet is opgewassen. Rond en eerlijk, gelijk alle Massageten zijn, belijden wij u dit. Maar tegelijk verklaren wij, dat wij ons zelve zullen blijven regeeren, en niet voornemens zijn ooit van een Perzischen satraap wetten en voorschriften te ontvangen.—Gij ziet mij toornig aan! Toch hebt gij ons laatste woord vernomen.”

»Gij hebt slechts te kiezen,” antwoordde Cambyzes. »Buigt u onder mijn schepter, laat uw land onder den naam van de Massagetische provincie bij Perzië inlijven, ontvangt met den vereischten eerbied een satraap, als vertegenwoordiger van mijn persoon, of beschouwt u als mijne vijanden, en rekent er dan op, dat gij door mijne legers tot dezelfde dingen gedwongen zult worden, die ik u thans uit goedwilligheid aanbied.—Op den dag van heden kunt gij nog een vader in mij winnen; later zult gij mij slechts als een veroveraar en wreker over u zien komen. Bedenkt u dus wel, aleer gij een beslissend antwoord geeft!”

»Wij hebben alles van te voren rijpelijk overwogen,” hernam de krijgsheld, »en begrepen dat wij, de vrije zonen der steppen, aan den dood boven de slavernij de voorkeur moesten geven.

»Hoor, wat onze oudsten u door mijn mond verder verkonden enraden. Wij Massageten zijn niet door ons eigen toedoen, maar tengevolge van zware bezoekingen van onzen god, de zon, te zwak geworden om Perzië te wederstaan. Wij weten, dat gij een groot leger tegen ons hebt uitgerust, en zijn bereid door jaarlijksche schatting den vrede en de vrijheid van u te koopen. Weet dat, zoo gij desniettemin zoudt willen beproeven ons door geweld van wapenen ten onder te brengen, gij u zelven de grootste schade zoudt berokkenen. Zoodra uwe krijgsmacht den Araxes nadert, zullen wij allen met vrouwen en kinderen opbreken, en een ander vaderland zoeken. Want wij wonen niet, gelijk gijlieden, in vaste steden en huizen, maar zijn gewoon op onze paarden om te zwerven, en onder onze tenten slechts tijdelijk te rusten. Ons goud zullen we met ons voeren, en de verborgene groeven, die nog groote schatten kunnen leveren, ontoegankelijk maken. Wij kennen al de plaatsen, waar edele metalen te delven zijn, en verklaren ons bereid, u jaarlijks daarvan groote hoeveelheden te schenken, zoo gij ons vrede en vrijheid gunt. Wilt gij ons daarentegen beoorlogen, zoo zult gij niets te bestrijden hebben dan eene ontvolkte wildernis en een onzichtbaren vijand, die u zeer geducht kan worden, zoodra hij van de geledene verliezen een weinig op zijn verhaal is gekomen. Laat gij ons den vrede en de vrijheid, zoo willen wij u, behalve het goud, jaarlijks nog vijfduizend snelvoetige steppenpaarden, benevens hulptroepen leveren, wanneer het Perzische rijk door ernstige gevaren mocht worden bedreigd.”

De gezant zweeg. Cambyzes staarde langen tijd peinzend voor zich op den grond. Eindelijk verhief hij zich van zijn troon, zeggende: »Hedenavond, bij het drinkgelag, zullen wij krijgsraad beleggen, en morgen verneemt gij, welk antwoord gij aan uw volk hebt te brengen. Zorg Gobryas, dat deze lieden goed onthaald worden, en zend den Massageet, wien ik het litteeken op mijn aangezicht te danken heb, een deel der gerechten van mijne eigene tafel.”

1Januari tot April.2De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift (uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boeken genoemd.3Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van “khshatra,” heerschappij, en “pavan,” beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.4Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren vansterrenkundigeberekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles aan hun onderwijs te danken.5Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.6De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en heette “het volkomene.” Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen in betrekking tot Ramses II: “vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag.”7Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.8Anquetil geeft in zijnZend-Avestaeene beschrijving en afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.9Priester.10Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.11Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uit den slaap ontwaakte.12In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook goddelijke eer bewijzen.13Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.14In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den “kramer.” Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te leveren.15De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.16Deze “Onsterfelijken” dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.17De Urim en Thummim.18Zie Esra, VI, 2–12. Zacharia, 1–8.19Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.20De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de Caspische zee.21Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.

1Januari tot April.

2De Egyptische priester Horapollon maakt in zijn geschrift (uitgegeven door C. Leemans) gewag van een boek der krankheden, terwijl Manetho verhaalt, dat de opvolger van den eersten koning Menes, Atothes, reeds anatomische boeken schreef. Daar geneeskundige werken geacht werden van den god Toth afkomstig te zijn, kan wel aan dien koning zijn toegeschreven, wat op den god betrekking heeft. Onder de heilige schriften der Egyptenaren worden ook zes geneeskundige boeken genoemd.

3Gouverneurs der provinciën, die, als plaatsbekleeders van den koning, eene vrij onbeperkte macht hadden. Tiele leidt het woord af van “khshatra,” heerschappij, en “pavan,” beschermer. Op de gedenkteekenen zien wij de grooten des rijks de zonneschermen achter de vorsten dragen, doch het is de vraag of hiermede ook satrapen bedoeld zijn.

4Hoewel de Chaldeërs in het bezit waren vansterrenkundigeberekeningen, die tot 2234 v. Chr. opklimmen, zoo is het toch boven allen twijfel verheven, dat de astronomie der Egyptenaren nog veel ouder is. Volgens de Egyptische priesters hadden de Chaldeërs alles aan hun onderwijs te danken.

5Deze namen, door Herodotus genoemd, zijn, hoewel in eenigszins anderen vorm, in de opschriften van Behistân wedergevonden.

6De geboortedag des konings was het grootste feest der Perzen, en heette “het volkomene.” Herodotus verhaalt, dat geen dag luisterrijker bij de Perzen werd gevierd, dan een geboortedag. Er werd een kostelijk maal aangericht, waarbij de rijksten zelfs een os, een paard en een kameel lieten opdragen. Over het algemeen werd in de oudheid van koninklijke geboortedagen veel werk gemaakt, o. a. heet het op een gedenksteen in betrekking tot Ramses II: “vreugde was er in den hemel op zijn geboortedag.”

7Zulk een vierhoekig, van twee tot zeven vingers breed stuk doek, moeten alle Perzen voor den mond hebben als zij bidden.

8Anquetil geeft in zijnZend-Avestaeene beschrijving en afbeelding van het geheele offergereedschap der hedendaagsche Perzen.

9Priester.

10Haoma of soma is de naam van een plant, waarvan het sap de goden tot spijs gediend zou hebben. Bij sommige godsdienstige ceremoniën werd dit sap gedronken en in het vuur gedruppeld.

11Dit verheven gebed moest de Pers eigenlijk uitspreken, wanneer hij uit den slaap ontwaakte.

12In later tijd lieten de Perzische koningen zich echter ook goddelijke eer bewijzen.

13Deze optocht is beschreven naar de reliëfs, die door Layard zijn uitgegraven, en een obelisk van Nimroed (Niniveh), waarvan in verschillende musea afgietsels aanwezig zijn.

14In dezen tijd waren de koningen van Perzië gewoon in hun rijk schattingen te heffen, wanneer en zoo hoog als zij verkozen. Darius, de opvolger van Cambyzes, voerde het eerst een welgeordend belastingstelsel in. Daarom kreeg hij den bijnaam van den “kramer.” Zelfs nog in later tijd waren enkele gewesten verplicht, zekere hoeveelheden van natuurproducten des lands aan het hof te leveren.

15De Feruer of Ferwer is het geestelijk deel van den mensch, zijne met oordeel begaafde ziel. Deze bestaat reeds lang vóor zijne lichamelijke geboorte, vereenigt zich met hem zoodra hij het levenslicht aanschouwt, en verlaat het lichaam weder bij den dood. De Ferwer strijdt tegen de Diws (booze geesten) en is de oorzaak van ons behoud. Zoodra hij afscheid neemt van den mensch, moet het lichaam noodzakelijk worden ontbonden. Na den dood wordt de Ferwer onsterfelijk, zoo hij het goede heeft gedaan; heeft hij daarentegen het booze liefgehad, dan wordt hij in de hel geworpen. Men moest den Ferwer aanroepen en met offers om hulp smeeken. Hij brengt ook het gebed tot de godheid over, weshalve hij wordt voorgesteld onder de gedaante van eene gevleugelde schijf.

16Deze “Onsterfelijken” dankten dien eernaam aan de omstandigheid, dat, zoodra een hunner stierf of viel, er dadelijk een ander voor hem in de plaats trad, zoodat hun aantal nooit verminderen kon en altijd 10.000 man moest bedragen. Cyrus zou deze garde reeds opgericht hebben.

17De Urim en Thummim.

18Zie Esra, VI, 2–12. Zacharia, 1–8.

19Deze episode is aan Herodotus, Diodorus en Justinus ontleend. Volgens Ctesias is Cyrus in een oorlog met de Derbiërs aan een wond gestorven. Xenophon geeft hem een rustig sterfbed, maar blijkbaar om den stichter van het Perzische rijk eene fraaie afscheidsrede in den mond te leggen.

20De Araxes (Aras) ontspringt in Armenië en ontlast zich in de Caspische zee.

21Deze trek is geheel overeenkomstig het Perzisch karakter.


Back to IndexNext