Vierde hoofdstuk.

Vierde hoofdstuk.Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur, onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal, en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te zien tot de godheid daarboven.Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster, tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische slechts ijdele klanken waren.Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen, vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht; zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig, gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in onze jeugd, als ’t gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk, alsvereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd was met de schoonste zangen van Hellas’ dichters. Zij had zich nog niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel, op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen, dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing, toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt, voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen, en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken—verzoeken, heeft de bode gezegd, niet bevelen,—u met deze schoone en koninklijke sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook woedend zal zijn!Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten, die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane, de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden, gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien, hoe het u staan zal.”Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders op af.—De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën, toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende, het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel staandenelpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van vreugdetranen: ’t scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk, zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang ongelezen op den grond zou laten liggen!”Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen; maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen, ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd, dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.De brief bevatte het navolgende:»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen, is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest noemen, genomen en in de haven van Astypalaia1opgebracht.»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia2te schenken. Alle vaartuigen,onverschillig tot welke natie zij behooren, worden verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den gelukkigen Kolaeus3naar het westen volgden, en de roofschepen, die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van datgene, waarvan het verlies hem ’t meest zou bedroeven, en wel op zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd, en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee4. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden, schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten, dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden, met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven aan u over Syrië gezonden worden.»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichtenuit het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte, om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis5van u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden over ons huis hebben doen komen.»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij, die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan; en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een bijkans woeste drift het vlas vanden haspel. Maar een halfuur later lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond, zonder zich met iets of met iemand in te laten.»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen, gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar leven te Bubastis6het geheele volk, dat zich aan de meest onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos, brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor, dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in eene andere wereld zien.—Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam doorliepontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige krankheden, uit Thebe naar Saïs.»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden, en trachtte de kwaal te bezweren7. De sterren en orakels werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot’s sterren weinig hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van vreemde goden op de zwarte aarde8gebouwde tempels vernield, en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden, en hand noch voet verroeren kan.»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen, hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is9. Inplaats van zijne oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij, in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde der dierbare.»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!—De oogziekte nam van dag tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis, die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen, berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost; want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij verleenen over de helft van ons leven.»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep,de groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven, inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend, om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij zachtkens het minneliedje van Sappho:‘Wil niet treuren, lieve moeder!Wijl mijn taak niet is volbracht.Want de liefde bindt mijn handen.Wie weerstaat toch Cypris macht?’»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: ‘Hebt gij zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?’‘Neen,’ antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent vijftig jaren.”‘Vóór vijftig jaren,’ herhaalde Tachot peinzende.‘De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,’ viel de dichter haar in de rede; ‘gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.’»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje, als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit, en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak, en met den blik ten hemel geslagen: ‘Ik weet dat ik niet sterven zal, voordat ik hem zal hebben wedergezien.’»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen, viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.‘Wat zeidet ge daar?’ vroeg ze aan het meisje.‘Ik vertelde van mijne oudste zuster.’‘Mag ik het ook weten?’ vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon: ‘Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster10opging, klom hij eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.’»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: ‘Gij weet wel, lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft, dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd, dat ik hem zal wederzien!’»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggenhad, verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond, en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.—Daar zendt zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij heeft het met veel moeite geschreven.»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode wacht er reeds lang op.»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste, en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij, of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen hoon niet zwaar aangetrokken naar ’t schijnt, althans zich voor groote sommen laten vinden om in Egypte te blijven.»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende, hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën, hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men ’t heeft met den nieuwen rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band, die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde, te verbreken.»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdendevriendin en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand, en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden, dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!”1Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.2Een der noordelijke Cycladen.3Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.4Vgl. Schillers Ballade: “Der Ring des Polykrates.” De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.5Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.6Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar.—Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers,Aegypten in Bild und Wort, I, 88 f).7De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijneWardagebruik gemaakt.8Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.9De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.10De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit van de morgen- en avondster.Vijfde hoofdstuk.Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve gebeurtenissen.Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde, verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane, de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt,” dacht het meisje; »een kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen, gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft.”Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband, in welks edelgesteente zich de stralender middagzon spiegelden. Zij bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees gegroet, schoone Mandane!”De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid, als een zwaan in de woestijn.”Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde, terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!”»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is; en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken,” antwoordde zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!”»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de mannen, evenals de worm de visschen.”»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort.”»Waarachtig, ik geloof het gaarne!” hernam de eunuch al grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?”»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin Cassandane, en niet aan u!”»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?”»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar.....”»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid niet verdient.”»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt.”»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër, en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg, en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de broeder van Oropastes, Gaumata1—nu, nu, gij behoeft niet zoo rood te worden, Gaumata is een mooie naam,—op uwe fijne koontjes verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten.”»Verschoon mij van uwe spotternijen!” riep het meisje, sterk blozende en stampvoetende.»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes, die zijn jongeren broeder naar Rhagae2zond, en u een plaatsje aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten.”»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou...”»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aannieuwe vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs, dat hij op prins Bartja gelijkt.”»Dat is zoo,” riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in het gansche rijk!”»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester groette....”»Is Gaumata dan hier?” viel de kamerjuffer den eunuch met hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?”»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust, en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen, zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft, dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige landgenoote Mandane.”»Ik vertrouw u niet,” hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe belangstelling zou hebben verdiend.”»Kent gij dit?” vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende, kunstig met gouden vlammetjes bestikt.»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!” riep Mandane.»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn bewaker bemint!”»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest.”»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan, dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen.In spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata worden. Morgenavond, nahet opgaan der Tistar-ster3zal uw liefste u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij, bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal, dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen, wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond,” ging hij voort, weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,—»morgenavond, wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk te schijnen.—Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt, aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te geven!—Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen, dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?—Gij aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.—Nog eens, Gaumata moet overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien, en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae terug te keeren.—Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken, en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!”Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten,” toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos, rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!”Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had, zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend, de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges, die u niets mag bevelen, heeft opgezet.”Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar, die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.»Hoe staat het met de blauwe lelie?” vroeg hij dezen.»Zij ontwikkelt zich kostelijk!” antwoordde de tuinman, die in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen.”»Uw wensch zal vervuld worden,” antwoordde Boges met een vroolijk gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is.”»Laat hem gerust komen,” riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen, die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem...”De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf des konings omgaf.In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal, zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf, zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis, waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich meer dan driehonderd vrouwen4, door eene dichte wolk van vochtigen waterdamp omgeven.Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen, die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen stonden naast elkaar, en zongen metschelle stemmen een ondeugend minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen, die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren, terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was; want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht, toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd, en rijke gouden gordels om de heupen gegespt5. Alles te zamen vertegenwoordigdewel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed.Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag was het ’s konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht, en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen, al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther, dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys6een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren, bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als: »Stil in naam des konings!” niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen, en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke vertrekken bewoonde.De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemenidenverwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband, zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben, gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven, tegen haar blanke slapen bevestigd.Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik genade in zijne oogen vinden?”Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?” toen waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw van den Demawend.”Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien, en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u, Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal zien op de plaats, die haar niet toekomt.”»Zij kan die niet lang meer behouden.”»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen....”»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen, dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt.”»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid.”»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!”»Onmogelijk!”»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri is donker in vergelijking met de uwe!”»Maar....”»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar licht onthoudt.”»Goed.”»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge.”»Ik zal weenen.”»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.””»Welk een vernedering!”»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen, en verf ze bleek, doodelijk bleek.”»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt.”»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer meesteres!”»Ik zal eene slavin gelijken!”»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld.”»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!”»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had?»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen.”»Gij moet!”»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen.”»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornigmoet uw grootvader Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden, zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt den hoogsten prijs te winnen.”»Ik zal gehoorzamen!” riep de vorstendochter.»Dan moeten wij overwinnen!” antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne, mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw slaapvertrek ontsluit.—Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen, dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga vooruit om haar heure plaatsen te wijzen.”De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel, die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers, borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het was inderdaad prachtig om aan te zien.»De koning zal zoo dadelijk verschijnen,” zeide de overste der tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken die Polycrates gezonden heeft geledigd?”»Alles is gereed!” antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronkenheb, en stelt zelfs den lievelingsdrank vanNebucadnezar, het druivensap van Chelbon, in de schaduw7. Proef maar!”Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje, met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer veel gratie aan den tafeldekker8.Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig, en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de geheele wereld noemen.”»Ik dank u,” antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk,ik ben trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of Pasargadae betrekken?”»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is, vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken.”»Naar Susa?” vroeg de schenker.»Daar is het weinig frisscher dan hier, en buitendien wordt de oude Memnonsburcht9verbouwd.»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft, wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden.”Nauw had Cambyzes dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter toonen, dat wij Perzen niet minderbedreven zijn in het bouwen, dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af, aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te hebben voor deze vrouw.”»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar weldra tot koningin zal verheffen.”»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en betere rechten.”»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed.”»De wil van den vorst is de wil der godheid.”»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind.”»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders ontnamen.—Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!—Houd u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!”1De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.2Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.3De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.4Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.5Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (speldenduitje), het inkomen van gansche steden.6Deze naam beteekent: “uit het geslacht der Peri.”7De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27:18.8Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.9Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.

Vierde hoofdstuk.Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur, onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal, en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te zien tot de godheid daarboven.Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster, tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische slechts ijdele klanken waren.Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen, vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht; zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig, gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in onze jeugd, als ’t gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk, alsvereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd was met de schoonste zangen van Hellas’ dichters. Zij had zich nog niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel, op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen, dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing, toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt, voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen, en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken—verzoeken, heeft de bode gezegd, niet bevelen,—u met deze schoone en koninklijke sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook woedend zal zijn!Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten, die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane, de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden, gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien, hoe het u staan zal.”Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders op af.—De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën, toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende, het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel staandenelpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van vreugdetranen: ’t scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk, zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang ongelezen op den grond zou laten liggen!”Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen; maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen, ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd, dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.De brief bevatte het navolgende:»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen, is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest noemen, genomen en in de haven van Astypalaia1opgebracht.»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia2te schenken. Alle vaartuigen,onverschillig tot welke natie zij behooren, worden verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den gelukkigen Kolaeus3naar het westen volgden, en de roofschepen, die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van datgene, waarvan het verlies hem ’t meest zou bedroeven, en wel op zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd, en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee4. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden, schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten, dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden, met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven aan u over Syrië gezonden worden.»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichtenuit het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte, om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis5van u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden over ons huis hebben doen komen.»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij, die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan; en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een bijkans woeste drift het vlas vanden haspel. Maar een halfuur later lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond, zonder zich met iets of met iemand in te laten.»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen, gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar leven te Bubastis6het geheele volk, dat zich aan de meest onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos, brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor, dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in eene andere wereld zien.—Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam doorliepontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige krankheden, uit Thebe naar Saïs.»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden, en trachtte de kwaal te bezweren7. De sterren en orakels werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot’s sterren weinig hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van vreemde goden op de zwarte aarde8gebouwde tempels vernield, en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden, en hand noch voet verroeren kan.»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen, hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is9. Inplaats van zijne oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij, in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde der dierbare.»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!—De oogziekte nam van dag tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis, die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen, berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost; want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij verleenen over de helft van ons leven.»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep,de groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven, inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend, om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij zachtkens het minneliedje van Sappho:‘Wil niet treuren, lieve moeder!Wijl mijn taak niet is volbracht.Want de liefde bindt mijn handen.Wie weerstaat toch Cypris macht?’»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: ‘Hebt gij zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?’‘Neen,’ antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent vijftig jaren.”‘Vóór vijftig jaren,’ herhaalde Tachot peinzende.‘De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,’ viel de dichter haar in de rede; ‘gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.’»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje, als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit, en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak, en met den blik ten hemel geslagen: ‘Ik weet dat ik niet sterven zal, voordat ik hem zal hebben wedergezien.’»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen, viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.‘Wat zeidet ge daar?’ vroeg ze aan het meisje.‘Ik vertelde van mijne oudste zuster.’‘Mag ik het ook weten?’ vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon: ‘Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster10opging, klom hij eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.’»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: ‘Gij weet wel, lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft, dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd, dat ik hem zal wederzien!’»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggenhad, verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond, en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.—Daar zendt zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij heeft het met veel moeite geschreven.»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode wacht er reeds lang op.»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste, en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij, of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen hoon niet zwaar aangetrokken naar ’t schijnt, althans zich voor groote sommen laten vinden om in Egypte te blijven.»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende, hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën, hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men ’t heeft met den nieuwen rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band, die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde, te verbreken.»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdendevriendin en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand, en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden, dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!”1Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.2Een der noordelijke Cycladen.3Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.4Vgl. Schillers Ballade: “Der Ring des Polykrates.” De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.5Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.6Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar.—Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers,Aegypten in Bild und Wort, I, 88 f).7De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijneWardagebruik gemaakt.8Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.9De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.10De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit van de morgen- en avondster.Vijfde hoofdstuk.Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve gebeurtenissen.Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde, verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane, de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt,” dacht het meisje; »een kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen, gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft.”Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband, in welks edelgesteente zich de stralender middagzon spiegelden. Zij bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees gegroet, schoone Mandane!”De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid, als een zwaan in de woestijn.”Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde, terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!”»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is; en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken,” antwoordde zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!”»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de mannen, evenals de worm de visschen.”»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort.”»Waarachtig, ik geloof het gaarne!” hernam de eunuch al grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?”»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin Cassandane, en niet aan u!”»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?”»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar.....”»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid niet verdient.”»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt.”»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër, en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg, en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de broeder van Oropastes, Gaumata1—nu, nu, gij behoeft niet zoo rood te worden, Gaumata is een mooie naam,—op uwe fijne koontjes verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten.”»Verschoon mij van uwe spotternijen!” riep het meisje, sterk blozende en stampvoetende.»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes, die zijn jongeren broeder naar Rhagae2zond, en u een plaatsje aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten.”»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou...”»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aannieuwe vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs, dat hij op prins Bartja gelijkt.”»Dat is zoo,” riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in het gansche rijk!”»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester groette....”»Is Gaumata dan hier?” viel de kamerjuffer den eunuch met hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?”»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust, en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen, zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft, dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige landgenoote Mandane.”»Ik vertrouw u niet,” hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe belangstelling zou hebben verdiend.”»Kent gij dit?” vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende, kunstig met gouden vlammetjes bestikt.»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!” riep Mandane.»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn bewaker bemint!”»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest.”»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan, dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen.In spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata worden. Morgenavond, nahet opgaan der Tistar-ster3zal uw liefste u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij, bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal, dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen, wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond,” ging hij voort, weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,—»morgenavond, wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk te schijnen.—Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt, aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te geven!—Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen, dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?—Gij aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.—Nog eens, Gaumata moet overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien, en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae terug te keeren.—Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken, en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!”Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten,” toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos, rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!”Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had, zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend, de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges, die u niets mag bevelen, heeft opgezet.”Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar, die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.»Hoe staat het met de blauwe lelie?” vroeg hij dezen.»Zij ontwikkelt zich kostelijk!” antwoordde de tuinman, die in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen.”»Uw wensch zal vervuld worden,” antwoordde Boges met een vroolijk gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is.”»Laat hem gerust komen,” riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen, die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem...”De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf des konings omgaf.In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal, zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf, zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis, waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich meer dan driehonderd vrouwen4, door eene dichte wolk van vochtigen waterdamp omgeven.Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen, die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen stonden naast elkaar, en zongen metschelle stemmen een ondeugend minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen, die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren, terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was; want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht, toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd, en rijke gouden gordels om de heupen gegespt5. Alles te zamen vertegenwoordigdewel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed.Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag was het ’s konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht, en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen, al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther, dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys6een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren, bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als: »Stil in naam des konings!” niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen, en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke vertrekken bewoonde.De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemenidenverwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband, zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben, gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven, tegen haar blanke slapen bevestigd.Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik genade in zijne oogen vinden?”Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?” toen waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw van den Demawend.”Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien, en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u, Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal zien op de plaats, die haar niet toekomt.”»Zij kan die niet lang meer behouden.”»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen....”»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen, dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt.”»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid.”»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!”»Onmogelijk!”»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri is donker in vergelijking met de uwe!”»Maar....”»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar licht onthoudt.”»Goed.”»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge.”»Ik zal weenen.”»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.””»Welk een vernedering!”»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen, en verf ze bleek, doodelijk bleek.”»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt.”»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer meesteres!”»Ik zal eene slavin gelijken!”»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld.”»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!”»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had?»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen.”»Gij moet!”»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen.”»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornigmoet uw grootvader Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden, zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt den hoogsten prijs te winnen.”»Ik zal gehoorzamen!” riep de vorstendochter.»Dan moeten wij overwinnen!” antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne, mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw slaapvertrek ontsluit.—Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen, dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga vooruit om haar heure plaatsen te wijzen.”De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel, die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers, borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het was inderdaad prachtig om aan te zien.»De koning zal zoo dadelijk verschijnen,” zeide de overste der tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken die Polycrates gezonden heeft geledigd?”»Alles is gereed!” antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronkenheb, en stelt zelfs den lievelingsdrank vanNebucadnezar, het druivensap van Chelbon, in de schaduw7. Proef maar!”Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje, met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer veel gratie aan den tafeldekker8.Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig, en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de geheele wereld noemen.”»Ik dank u,” antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk,ik ben trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of Pasargadae betrekken?”»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is, vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken.”»Naar Susa?” vroeg de schenker.»Daar is het weinig frisscher dan hier, en buitendien wordt de oude Memnonsburcht9verbouwd.»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft, wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden.”Nauw had Cambyzes dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter toonen, dat wij Perzen niet minderbedreven zijn in het bouwen, dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af, aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te hebben voor deze vrouw.”»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar weldra tot koningin zal verheffen.”»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en betere rechten.”»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed.”»De wil van den vorst is de wil der godheid.”»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind.”»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders ontnamen.—Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!—Houd u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!”1De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.2Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.3De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.4Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.5Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (speldenduitje), het inkomen van gansche steden.6Deze naam beteekent: “uit het geslacht der Peri.”7De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27:18.8Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.9Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.

Vierde hoofdstuk.Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur, onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal, en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te zien tot de godheid daarboven.Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster, tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische slechts ijdele klanken waren.Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen, vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht; zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig, gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in onze jeugd, als ’t gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk, alsvereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd was met de schoonste zangen van Hellas’ dichters. Zij had zich nog niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel, op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen, dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing, toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt, voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen, en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken—verzoeken, heeft de bode gezegd, niet bevelen,—u met deze schoone en koninklijke sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook woedend zal zijn!Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten, die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane, de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden, gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien, hoe het u staan zal.”Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders op af.—De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën, toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende, het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel staandenelpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van vreugdetranen: ’t scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk, zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang ongelezen op den grond zou laten liggen!”Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen; maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen, ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd, dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.De brief bevatte het navolgende:»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen, is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest noemen, genomen en in de haven van Astypalaia1opgebracht.»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia2te schenken. Alle vaartuigen,onverschillig tot welke natie zij behooren, worden verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den gelukkigen Kolaeus3naar het westen volgden, en de roofschepen, die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van datgene, waarvan het verlies hem ’t meest zou bedroeven, en wel op zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd, en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee4. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden, schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten, dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden, met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven aan u over Syrië gezonden worden.»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichtenuit het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte, om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis5van u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden over ons huis hebben doen komen.»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij, die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan; en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een bijkans woeste drift het vlas vanden haspel. Maar een halfuur later lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond, zonder zich met iets of met iemand in te laten.»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen, gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar leven te Bubastis6het geheele volk, dat zich aan de meest onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos, brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor, dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in eene andere wereld zien.—Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam doorliepontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige krankheden, uit Thebe naar Saïs.»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden, en trachtte de kwaal te bezweren7. De sterren en orakels werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot’s sterren weinig hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van vreemde goden op de zwarte aarde8gebouwde tempels vernield, en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden, en hand noch voet verroeren kan.»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen, hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is9. Inplaats van zijne oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij, in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde der dierbare.»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!—De oogziekte nam van dag tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis, die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen, berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost; want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij verleenen over de helft van ons leven.»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep,de groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven, inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend, om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij zachtkens het minneliedje van Sappho:‘Wil niet treuren, lieve moeder!Wijl mijn taak niet is volbracht.Want de liefde bindt mijn handen.Wie weerstaat toch Cypris macht?’»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: ‘Hebt gij zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?’‘Neen,’ antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent vijftig jaren.”‘Vóór vijftig jaren,’ herhaalde Tachot peinzende.‘De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,’ viel de dichter haar in de rede; ‘gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.’»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje, als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit, en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak, en met den blik ten hemel geslagen: ‘Ik weet dat ik niet sterven zal, voordat ik hem zal hebben wedergezien.’»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen, viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.‘Wat zeidet ge daar?’ vroeg ze aan het meisje.‘Ik vertelde van mijne oudste zuster.’‘Mag ik het ook weten?’ vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon: ‘Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster10opging, klom hij eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.’»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: ‘Gij weet wel, lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft, dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd, dat ik hem zal wederzien!’»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggenhad, verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond, en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.—Daar zendt zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij heeft het met veel moeite geschreven.»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode wacht er reeds lang op.»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste, en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij, of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen hoon niet zwaar aangetrokken naar ’t schijnt, althans zich voor groote sommen laten vinden om in Egypte te blijven.»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende, hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën, hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men ’t heeft met den nieuwen rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band, die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde, te verbreken.»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdendevriendin en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand, en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden, dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!”1Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.2Een der noordelijke Cycladen.3Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.4Vgl. Schillers Ballade: “Der Ring des Polykrates.” De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.5Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.6Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar.—Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers,Aegypten in Bild und Wort, I, 88 f).7De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijneWardagebruik gemaakt.8Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.9De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.10De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit van de morgen- en avondster.

Gedurende dit onderhoud zat Nitetis eenzaam en treurig in haar verblijf op de hangende tuinen. Dien dag had zij voor het eerst de gemeenschappelijke offers van de vrouwen des konings bijgewoond, en beproefd onder den vrijen hemel, voor het hoog opvlammende altaarvuur, onder het ruischen der haar zoo vreemde tonen, tot hare nieuwe goden te bidden. De meeste bewoneressen van den koninklijken harem zagen de Egyptische bij deze feestelijke gelegenheid voor de eerste maal, en hielden de blikken niet van haar afgewend, in plaats van op te zien tot de godheid daarboven.

Beangstigd door de nieuwsgierige en vijandige blikken harer mededingsters; afgeleid door de duizenderlei tonen, die uit de stad haar tegenklonken; smartelijk aangedaan bij de herinnering aan de vurige gebeden, die zij in de plechtige, indrukwekkende stilte der reuzentempels van haar vaderland, aan de zijde van moeder en zuster, tot de goden harer kindsheid had opgezonden, kon Nitetis, hoe groote behoefte haar hart ook gevoelde om voor den beminden koning op zijn feestdag geluk en voorspoed van de goden af te smeeken, hare ziel niet verheffen tot godsdienstige overdenkingen. Cassandane en Atossa lagen aan hare zijde geknield, en stemden van ganscher harte in met de gezangen der magiërs, die voor het bedrukt gemoed der Egyptische slechts ijdele klanken waren.

Deze gebeden, die soms een verheven dichterlijken geest ademen, vermoeien echter het oor door de gedurige herhaling van namen en aanroepingen van ontelbare goede en booze geesten. De Perzische vrouwen werden daardoor in de hoogste godsdienstige stemming gebracht; zij toch hadden van jongs af geleerd, deze verhevene lofzangen als de heiligste en heerlijkste aller liederen te beschouwen. Deze gezangen hadden hare eerste gebeden begeleid, en waren haar dierbaar en heilig, gelijk alles wat wij van onze vaderen erven; gelijk alles wat ons in onze jeugd, als ’t gemoed nog zoo ontvankelijk is voor elken indruk, alsvereerenswaardig en goddelijk wordt voorgehouden. Deze liederen konden evenwel den geest der Egyptische niet boeien, die vertrouwd was met de schoonste zangen van Hellas’ dichters. Zij had zich nog niet vereenzelvigd met hetgeen zij onder zooveel inspanning had aangeleerd, en terwijl de Perzische vrouwen de uitwendige vormen van haar godsdienst verrichtten, als iets dat zij van jongs af hadden gekend, als iets dat vanzelf sprak, moest zij al hare geestkracht te hulp roepen, om de voorgeschrevene ceremoniën niet te vergeten, en zich zoodoende niet bloot te geven voor de afgunstig loerende argusoogen harer mededingsters. Buitendien had zij, weinige oogenblikken voordat de dienst een aanvang nam, den eersten brief uit Egypte ontvangen. Deze lag nog ongelezen op hare tafel en hield hare gedachten gansch en al bezig, zoodra zij zich tot bidden nederboog. Welke tijding zou hij haar brengen? Hoe zou het den geliefden ouders gaan? Hoe zou zich Tachot houden, gescheiden van háar en van den beminden koningszoon?

Toen de feestviering was afgeloopen, omarmde zij Cassandane en Atossa met verruimde borst, als ware zij aan een dreigend gevaar ontsnapt. Daarop liet zij zich naar hare woning dragen, en snelde zoodra zij binnenkwam met driftig verlangen naar de toilettafel, op welke het dierbaar schrijven lag. De eerste harer dienaressen, dezelfde jonge maagd die haar op de reis voor het eerst in Perzisch gewaad had gekleed, ontving haar met een ondeugend en veelbeteekenend lachje, dat spoedig overging in een trek van de grootste verbazing, toen hare meesteres de op de tafel liggende sieraden met geen enkelen blik verwaardigde en slechts oogen had voor den lang verwachten brief.

Haastig verbrak Nitetis het was van het zegel, en wilde zich juist neerzetten, om een aanvang te maken met den ingespannen arbeid van het lezen, toen de dienstmaagd dicht bij haar kwam, en de handen in elkaar slaande, uitriep: »Bij Mithra, meesteres, ik begrijp u niet! Gij moet krank zijn! Bevat dit grauwe, ellendige stuk papyrus misschien eenige tooverij, die hem of haar, die het beschouwt, voor al het schoone blind maakt? Leg dit rolletje maar spoedig op zijde, en bewonder de heerlijke zaken, die de groote koning, dien Aoeramazda met roem en eere krone, u toezond, terwijl gij het feest bijwoondet. Bezie toch dit kostbare purperen kleed met witte strepen, en dat prachtig zilveren stikwerk! Zie dezen tulband, met vorstelijke diamanten overladen! Weet gij dan niet, dat zulke gaven meer beduiden dan gewone feestgeschenken? Cambyzes laat u verzoeken—verzoeken, heeft de bode gezegd, niet bevelen,—u met deze schoone en koninklijke sieraden te tooien voor den feestmaaltijd van heden. Of Phaedime ook woedend zal zijn!Welke oogen zullen de andere vrouwen opzetten, die nooit iets dergelijks ontvingen! Tot op heden was Cassandane, de moeder van den koning, de eenige vrouw aan het hof, die purper en diamanten mocht dragen. Nu Cambyzes u deze geschenken aanbiedt, stelt hij u op gelijken rang met zijne doorluchtige moeder, en verheft u voor de oogen van het gansche volk tot zijne meestgeliefde gemalin en koningin. O, ik bid u, sta mij toe u met al deze nieuwe heerlijkheden te versieren. Wat zult gij schoon zijn! Wat zullen die andere vrouwen afgunstig wezen! Wat zullen zij razen en woeden! Mocht ik er maar bij tegenwoordig zijn, als gij de feestzaal binnentreedt. Kom, goede meesteres, laat mij u van dit eenvoudige gewaad ontdoen, en u kleeden, gelijk het der nieuwe koningin past, al ware het slechts om te zien, hoe het u staan zal.”

Nitetis had de snapster bedaard aangehoord, en de kostbare geschenken met een glimlach bekeken. Zij was vrouw genoeg, om er zich over te verheugen. Zij werden haar toch gezonden door den man, dien zij liever had dan haar leven, en bewezen deze geschenken haar niet, dat zij den koning meer was dan al zijne andere vrouwen; dat zij door Cambyzes bemind werd? De brief, naar welken zij met nijgend verlangen had uitgezien, ontglipte nog ongelezen hare hand. Zwijgend gaf zij toe aan de bede der dienstmaagd, en binnen weinige oogenblikken had zij eene volkomene gedaantewisseling ondergaan. Het vorstelijk purper verhoogde hare vorstelijke schoonheid, en hare edele, rijzige gestalte kwam onder den hoogen, van edelgesteenten schitterenden tulband eerst recht goed uit. Toen de op de kleedtafel liggende metalen spiegel haar voor de eerste maal haar eigen beeld vertoonde, in het volledig plechtgewaad eener koningin, nam haar gelaat een veranderde uitdrukking aan. Het was als spiegelde er zich een deel van den trots haars gemaals en gebieders op af.—De lichtvaardige kamerjuffer zonk onwillekeurig op de knieën, toen de fonkelende blik der meest geliefde vrouw van den machtigste aller mannen haar van blijde verrukking tintelend oog ontmoette.

Gedurende eenige seconden zag Nitetis op het meisje, dat vol eerbied aan hare voeten lag. Daarop schudde zij, van schaamte blozende, het schoone hoofd, boog zich tot de knielende neder, richtte haar vriendelijk op, kuste haar op het voorhoofd, en schonk haar een gouden armband. Toen daarop haar blik viel op den brief, die op den grond was gevallen, verzocht zij het meisje zich te verwijderen. Mandane verliet het vertrek van hare meesteres op een drafje, om het rijke geschenk aan hare onderhoorige vrouwen, de lagere kamerjuffers en slavinnen, te toonen. Nitetis vlijde zich in den voor de toilettafel staandenelpenbeenen leunstoel neder. Hare oogen vloeiden over van vreugdetranen: ’t scheen dat haar hart te klein was om al dit geluk te bevatten. Zij zond een kort dankgebed op tot hare Egyptische lievelingsgodin, de schoone Hathor, kuste de gouden keten, die Cambyzes haar, na het redden van haren bal, had omgehangen, bracht den brief uit het vaderland aan hare lippen, en ontrolde dien met van blijdschap bevende vingeren, terwijl zij zich diep in de purperen kussens verschool en prevelde: »Hoe komt het toch, dat ik zoo vroolijk, zoo overgelukkig ben? Arme brief, zij, die u geschreven heeft, kon zich zeker niet voorstellen, dat Nitetis u een kwartier uurs lang ongelezen op den grond zou laten liggen!”

Met den lach der opgeruimdheid om de lippen begon zij te lezen; maar die lach verdween allengs, om plaats te maken voor een trek van bekommering. Toen zij aan het einde van den brief was gekomen, ontgleed hij wederom aan hare hand. Die oogen, welker trotsche blik de dienstmaagd had doen neêrknielen, baadden in tranen; het hoofd, dat zich straks zoo fier verhief, zonk mat en lusteloos neder op de sieraden, die de tafel bedekten. Tranen bevochtigden de parelen en diamanten. Voorwaar, eene vreemde tegenstelling! Weinig paste de trotsche tulband bij de ingezonkene gestalte van haar die hem droeg.

De brief bevatte het navolgende:

»Ladice, vrouw van Amasis en koningin van Opper- en Neder-Egypte, aan hare dochter Nitetis, gemalinne van den machtigen koning van Perzië.

»Wanneer gij, beminde dochter, zoo langen tijd zonder berichten uit uw vaderland zijt gebleven, lag de schuld daarvan niet aan ons. De triëre, die de voor u bestemde brieven naar Sidon zou overbrengen, is door Samische oorlogsschepen, die men liever zeeroofschepen moest noemen, genomen en in de haven van Astypalaia1opgebracht.

»De vermetelheid van Polycrates, wien alles wat hij onderneemt, gelukt, wordt dagelijks grooter. Geen vaartuig is voor zijne roofschepen veilig, sedert hij de Lesbiërs en Milesiërs, die het monster zochten te breidelen, overwonnen heeft. De zonen van den overleden Pisistratus zijn zijne vrienden. Lygdamis is hem veel verplicht, en heeft de hulp der Samiërs van noode, om zijne heerschappij op Naxos te handhaven. De grieksche Amphiktyonen heeft hij in zijn belang gewonnen, door Apollo van Delos het naburige eiland Rhenia2te schenken. Alle vaartuigen,onverschillig tot welke natie zij behooren, worden verontrust door zijne vijftigriemsschepen, die te zamen eene bemanning van twintigduizend matrozen hebben. Toch waagt niemand het hem aan te tasten; want hij is altijd door voortreffelijk geoefende lijfwachten omgeven, en heeft zijn burcht en de prachtige havendammen van Samos zóo versterkt, dat zij onneembaar mogen heeten. De kooplieden, die den gelukkigen Kolaeus3naar het westen volgden, en de roofschepen, die niemand ontzien, zullen Samos tot het rijkste eiland, en Polycrates tot den machtigsten vorst maken, wanneer ten minste niet, gelijk uw vader zegt, de goden het zoo buitengewoon groot geluk van dezen mensch met afgunst aanzien, en hem een onverwachten ondergang bereiden.

»Dit vreezende, ried Amasis zijn ouden vriend Polycrates, ten einde zich van de bescherming der goden te verzekeren, afstand te doen van datgene, waarvan het verlies hem ’t meest zou bedroeven, en wel op zulk een wijze, dat hij het nimmer terug kon krijgen. Polycrates gaf gehoor aan dezen raad, en wierp den kostbaarsten zegelring dien hij bezat, een meesterstuk van Theodorus, bestaande uit een sardonyx van ontzaglijke grootte, die door twee dolfijnen gedragen werd, en waarop eene lier, het wapen van den tyran, bijzonder kunstig gegraveerd was, van den top des ronden torens van zijn burcht in zee4. Zes dagen later vonden zijne koks den zegelring terug in het lichaam van een visch. Polycrates liet ons dadelijk deze vreemde gebeurtenis boodschappen; maar in plaats van zich te verblijden, schudde uw vader verdrietig het grijze hoofd en zeide: hieruit leeren wij, dat men niemand aan zijn noodlot kan ontrukken. Op denzelfden dag zeide hij Polycrates de oude vriendschap op, en liet hem weten, dat hij zijn best zou doen hem te vergeten, opdat hem de smart bespaard mocht worden, een mensch dien hij liefhad ongelukkig te zien. Polycrates maakte zich vroolijk over deze boodschap, en zond ons de brieven, die zijne zeeroovers onze triëre ontnomen hadden, met een spottenden groet terug. Van nu aan zullen al onze brieven aan u over Syrië gezonden worden.

»Gij vraagt, waarom ik u deze lange geschiedenis, waarin gij zeker niet half zoo veel belang stelt als in de kleinste berichtenuit het ouderlijke huis, geschreven heb? Mijn antwoord is, om u op het vernemen van den toestand uws vaders voor te bereiden.

»Herkent gij den vroolijken, levenslustigen, zorgeloozen Amasis uit die sombere woorden, die hij den Samischen vriend toeriep?

»Ach, mijn echtgenoot heeft wel reden om treurig te zijn, en de oogen uwer moeder zijn sedert uw vertrek naar Perzië nooit zonder tranen. Van het ziekbed uwer zuster spoed ik mij tot uw vader, om hem te troosten en zijne schreden te besturen. Ik maak mij den nacht ten nutte, om u deze regelen te schrijven, schoon ik groote behoefte aan rust heb.

»Tot zoover was ik gekomen, toen ik door de waaksters werd geroepen om bij uwe zuster Tachot te komen, die u zoo innig liefheeft. Hoe dikwijls heeft onze dierbare, als de koorts haar deed ijlen, uw naam uitgeroepen! Hoe zorgvuldig bewaart zij een wassen beeltenis5van u, welker gelijkenis de voortreffelijkheid der Grieksche kunst en het meesterschap van den grooten Theodorus bewijst! Morgen zullen wij het beeldje naar Aegina zenden, om het daar in goud te doen namaken. Het teeder was is niet bestand tegen de brandende handen en lippen uwer zuster, die zoo dikwijls met het portretje in aanraking komen.

»Verzamel thans al uw moed, mijne dochter, gelijk ik al mijne krachten wil inspannen, om u in behoorlijke orde te schetsen al wat de goden over ons huis hebben doen komen.

»Na uw vertrek heeft Tachot drie dagen lang zonder ophouden geweend. Al onze troostwoorden, alle vermaningen van uw vader, alle offers en gebeden waren niet in staat, de smart van het arme kind te verzachten of af te leiden. Op den vierden dag eindelijk droogden hare tranen. Met zachte stem, en schijnbaar zeer gelaten, beantwoordde zij de vragen, die haar gedaan werden, het grootste gedeelte van den dag zat zij evenwel zwijgend voor haar spinrokken. De anders zoo vlugge en behendige vingers rukten de draden stuk, wanneer zij niet uren lang met de handen roerloos in den schoot zat te droomen. Zij, die anders zoo hartelijk kon lachen om de geestige scherts van uw vader, hoorde hem nu slechts met ijskoude onverschilligheid aan; en naar mijne moederlijke vermaningen luisterde zij in angstige spanning. Als ik haar op haar voorhoofd kuste en bad zichzelve te beheerschen, vloog zij mij met een hoog rooden blos op de wangen om den hals, zette zich dan weer voor haar spinrokken, en trok met een bijkans woeste drift het vlas vanden haspel. Maar een halfuur later lagen hare handen wederom werkeloos in haren schoot, en was haar blik opnieuw in droomerig gepeins op éen enkel punt in de lucht of op den grond gevestigd. Drongen we bij haar aan om deel te nemen aan het een of ander feest, dan sloop zij onrustig tusschen de gasten rond, zonder zich met iets of met iemand in te laten.

»Toen wij haar op de groote bedevaart naar Bubastis met ons namen, gedurende welke het Egyptische volk zijn ernst geheel aflegt, zijn gevoel van eigenwaarde verloochent, en de Nijl met zijne oevers een groot schouwtooneel oplevert, waarop dronken koren saterspelen uitvoeren, die spelers en toeschouwers beiden tot de grootste uitgelatenheid opwinden; toen zij dan voor de eerste maal van haar leven te Bubastis6het geheele volk, dat zich aan de meest onbeperkte vreugde overgaf, vereenigd zag, ontwaakte zij uit hare sombere mijmeringen, en begon als in de eerste dagen na uwe afreize opnieuw hartstochtelijk te weenen. Diep bedroefd, bijna radeloos, brachten wij uwe arme zuster naar Saïs terug.

»Haar geheele voorkomen had eene groote verandering ondergaan, en zoo iets edels, zoo iets verhevens aangenomen, dat men had kunnen denken eene godheid te aanschouwen. Zij was veel magerder, maar langer geworden, naar wij allen meenden op te merken. De tint harer huid was in een doorschijnend wit overgegaan, terwijl hare wangen met een licht blosje gekleurd waren, teer als de kleur van een jong rozeblad of het eerste gloren van het morgenrood. Nog voortdurend schitteren hare oogen zoo wonderbaar schoon en helder. Het komt mij altijd voor, dat die oogen meer aanschouwen, dan wat zich op de aarde en aan den hemel beweegt. Het is mij, als moeten zij over het geschapene heen in eene andere wereld zien.—Daar hare handen en haar voorhoofd gedurig heeter werden en menigmaal eene lichte huivering haar teeder lichaam doorliepontboden wij Imhotep, den meest beroemden arts voor inwendige krankheden, uit Thebe naar Saïs.

»De geleerde priester, die zooveel ondervinding heeft, schudde het hoofd, zoodra hij uwe zuster zag, en voorspelde dat zij eene zware ziekte onder de leden had. Van dit oogenblik mocht zij niet meer spinnen en slechts weinig spreken. Zij moest allerlei dranken innemen. Men hield lange consulten over den aard van haar lijden, en trachtte de kwaal te bezweren7. De sterren en orakels werden geraadpleegd, den goden rijke offers gebracht en geschenken aangeboden. De Isis-priesters van het eiland Philae zonden ons voor de zieke eene gewijde amulet, de Osiris-priesters van Abydus eene in goud gevatte haarlok van Osiris. Neithotep, de opperpriester onzer beschermgodin, deed een groot offer plaats hebben, hetwelk aan de arme kranke de gezondheid zeker zou hergeven.

»Maar artsen, noch bezweringen, noch amuletten brachten hulp. Neithotep ontveinsde mij ten laatste niet meer, dat Tachot’s sterren weinig hoop gaven. In die dagen stierf de heilige stier van Memphis. De priesters vonden geen hart in zijn lichaam en verkondigden dat er groote onheilen over Egypte zouden komen. Tot op den huidigen dag heeft men nog geen nieuwen Apis gevonden. Men houdt het er voor, dat de goden vertoornd zijn op het rijk van uw vader, en het orakel van Buto heeft verkondigd, dat de onsterfelijken eerst dan hunne gunst wederom aan Egypte zullen verleenen, als alle, voor den dienst van vreemde goden op de zwarte aarde8gebouwde tempels vernield, en zij die den valschen goden offeren uit Egypte verbannen zullen zijn.

»De booze voorteekenen hebben niet gelogen. Tachot werd door eene heftige koorts aangetast. Negen dagen lang zweefde zij tusschen dood en leven. En thans is zij nog zóo zwak, dat zij gedragen moet worden, en hand noch voet verroeren kan.

»Op den tocht naar Bubastis had Amasis een oogontsteking gekregen, hetgeen hier in Egypte geen zeldzaamheid is9. Inplaats van zijne oogen, deze zoo onontbeerlijke zintuigen, rust te gunnen, ging hij voort met, als voorheen, van het opgaan der zon tot op den middag te arbeiden. Zoolang de koortsen uwer zuster het hevigst waren, week hij, in spijt onzer vermaningen en smeekingen geen oogenblik van de sponde der dierbare.

»Maar ik moet kort zijn, mijne dochter!—De oogziekte nam van dag tot dag in hevigheid toe, en op denzelfden dag, op welken wij het bericht uwer behoudene aankomst te Babylon ontvingen, werd Amasis blind. Sedert is de opgeruimde, krachtige man van voorheen een in zichzelven gekeerde, zwakkelijke grijsaard geworden. De dood van den Apis, de onheilspellende teekenen aan den hemel, en de ongunstige godspraken verontrustten zijn gemoed. De duisternis, die hem onafgebroken omgeeft, werpt een somber floers over zijne vroolijkheid. Het bewustzijn, zich zonder hulp niet te kunnen bewegen, berooft hem van zijne wilskracht. De moedige, zelfstandige monarch is op het punt een lijdelijk werktuig der priesters te worden. Uren achtereen toeft hij in den tempel van Neith, om te bidden en te offeren. Een groot aantal arbeiders bouwen daar, op zijn last, eene woning voor zijne eigene mummie, terwijl een niet minder groot aantal het heiligdom van Apollo, dat de Hellenen te Memphis zijn begonnen te bouwen, met den grond gelijk moeten maken. Zijn eigen ongeluk en dat van Tachot noemt hij eene rechtvaardige straf van de Onsterfelijken.

»Zijne bezoeken aan het bed der kranke verschaffen haar weinig troost; want in plaats van het lieve kind op te beuren, poogt hij haar te bewijzen, dat ook zij deze bezoeking verdiend heeft. Al de kracht zijner welsprekendheid put hij uit, om Tachot tot de overtuiging te brengen, dat zij de aarde geheel moet vergeten, en door onophoudelijke gebeden en offeranden, de genade van Osiris en van de rechters in de benedenwereld moet zoeken te verwerven. Zoo foltert hij de ziel onzer lieveling, die nog zoo gaarne zou blijven leven. Misschien ben ik voor eene Egyptische koningin te veel Griekin gebleven; maar de dood is zóo lang en het leven zoo kort, dat ik de wijzen onwijs noem, die door eeuwig aan den donkeren Hades te denken, aan dezen heerschappij verleenen over de helft van ons leven.

»Opnieuw ben ik in mijn schrijven gestoord geworden. Imhotep,de groote geneesmeester, was gekomen, om naar den toestand onzer lieve kranke te zien. Hij geeft weinig hoop, ja schijnt er zich over te verbazen, dat dit broze lichaam de heftige aanvallen van den dood zoolang weerstand heeft kunnen bieden. Zij zou al lang niet meer onder de levenden zijn, zeide hij gisteren, zoo zij niet den vasten wil had nog op aarde te blijven, en niet gesterkt werd door een rusteloos heimwee om te leven. Zij zou, zoodra zij de begeerte om te blijven leven opgaf, kunnen sterven, gelijk wij ons nederleggen om in slaap te vallen. Wordt haar hoogste wensch vervuld, dat niet waarschijnlijk is, zoo kan zij misschien haar leven nog enkele jaren rekken. Blijft hare hoop nog eenigen tijd onverwezenlijkt, dan zal zij door hetzelfde hijgende verlangen, dat haar nu belet te sterven, inwendig geheel verteerd en eindelijk gedood worden. Kunt gij gissen waarnaar hare ziele smacht? Ik kan het met een enkel woord zeggen. Onze Tachot heeft zich door den schoonen broeder van uw gemaal laten betooveren. Ik wil hiermede niet zeggen, dat de jonkman, gelijk de priester Amen-em-an gelooft, zich van magische middelen heeft bediend, om haar in liefde te doen ontgloeien; want zulk eene schoonheid en aanvalligheid als Bartja bezit, is zeker wel in staat om het hart van eene onschuldige jonkvrouw, die nog ternauwernood den kinderleeftijd is ontwassen, te veroveren. Maar zij heeft hem zóo hartstochtelijk lief, en de verandering is bij haar zóo groot, dat ik zelve dikwijls aan een bovennatuurlijken invloed heb gedacht. Reeds vóor uw vertrek bemerkte ik, dat uwe zuster hooglijk was ingenomen met den jongen Pers. Aanvankelijk meenden we, dat hare tranen u golden, die van haar was weggegaan; maar toen zij ophield met weenen en in doffe mijmeringen verzonk, zeide Ibycus, die toen ter tijd nog aan het hof was, dat de jonkvrouw gewis aan een man haar hart moest hebben geschonken.

»Toen zij op zekeren dag droomend voor haar spinnewiel zat, zong hij zachtkens het minneliedje van Sappho:

‘Wil niet treuren, lieve moeder!Wijl mijn taak niet is volbracht.Want de liefde bindt mijn handen.Wie weerstaat toch Cypris macht?’

‘Wil niet treuren, lieve moeder!

Wijl mijn taak niet is volbracht.

Want de liefde bindt mijn handen.

Wie weerstaat toch Cypris macht?’

»Zij verbleekte, bij het vernemen dezer woorden en vroeg: ‘Hebt gij zelf dit liedeken gemaakt, Ibycus?’

‘Neen,’ antwoordde hij, »Sappho van Lesbos zong het voor omtrent vijftig jaren.”

‘Vóór vijftig jaren,’ herhaalde Tachot peinzende.

‘De liefde blijft steeds zichzelve gelijk,’ viel de dichter haar in de rede; ‘gelijk Sappho voor vijftig jaren minde, heeft men eeuwen geleden bemind, zal men na duizenden jaren nog beminnen.’

»De kranke gaf door een vriendelijk lachje te kennen, dat zij van dezelfde gedachte was. Van toen af neuriede zij dikwijls dat liedje, als zij werkeloos bij haar spinrokken zat. Desniettemin vermeden wij angstvallig alle vragen, die haar aan den geliefde konden herinneren. Maar telkens, als de koorts op het hevigst was, hielden hare brandende lippen niet op den naam van Bartja uit te roepen. En toen zij haar bewustzijn had teruggekregen, en wij haar zeiden hoe zij geijld had, stortte zij hare gansche ziel voor hare moeder uit, en zeide met eene stem, zoo plechtig als verkondigde ze eene godspraak, en met den blik ten hemel geslagen: ‘Ik weet dat ik niet sterven zal, voordat ik hem zal hebben wedergezien.’

»Onlangs hadden wij haar in den tempel doen dragen, omdat zij zoo vurig verlangde in de heilige voorhoven te bidden. Toen de godsdienstoefening was afgeloopen, en wij de aan de poort spelende kinderen voorbijgingen, viel haar oog op een klein meisje, dat met groote ingenomenheid iets aan hare speelgenootjes verhaalde. Aanstonds beval zij den dragers den draagstoel neer te zetten en het kind te roepen.

‘Wat zeidet ge daar?’ vroeg ze aan het meisje.

‘Ik vertelde van mijne oudste zuster.’

‘Mag ik het ook weten?’ vroeg Tachot, zoo vriendelijk en goedig, dat de kleine, zonder de minste verlegenheid, dadelijk haar verhaal begon: ‘Bataoe, de bruigom mijner zuster, is gisteren geheel onverwacht uit Thebe teruggekomen. Toen de Isis-ster10opging, klom hij eensklaps op ons dak, waar Hathor juist met vader zat te dammen. Hij bracht een schoonen gouden bruidskrans voor haar mede.’

»Tachot kuste het kind, en schonk het haar kostbaren waaier. Toen wij tehuis kwamen, zeide zij met een schalksch lachje: ‘Gij weet wel, lief moedertje, dat de woorden der kinderen in het voorhof des tempels voor godspraken gehouden worden. Zoo de kleine niet gelogen heeft, dan moet hij komen! Hebt gij niet gehoord, dat hij den bruidskrans mede zal brengen? O moeder, ik weet zeker, ik ben er stellig van overtuigd, dat ik hem zal wederzien!’

»Toen ik Tachot gisteren vroeg, of zij ook iets aan u te zeggenhad, verzocht zij mij u te melden, dat zij u duizend groeten en kussen zond, en voornemens was zelve aan u te schrijven, zoodra zij sterker zou zijn geworden; want zij had u veel, veel te vertellen.—Daar zendt zij mij juist bijgaand briefje, dat voor u alleen bestemd is. Zij heeft het met veel moeite geschreven.

»Thans moet ik mij haasten, om dezen brief te eindigen, want de bode wacht er reeds lang op.

»Zoo gaarne zou ik u nog eens iets verblijdends melden. Maar waarheen zich mijn blik ook wendt, ik bespeur niets dan treurigheid. Uw broeder wordt hoe langer zoo meer de slaaf onzer heerschzuchtige priesterkaste, en heeft in den laatsten tijd, onder voorlichting van Neithotep, in de plaats van uw armen vader het rijk moeten besturen. Amasis laat Psamtik de handen geheel vrij. Het is mij onverschillig, zegt hij, of mijn zoon eenige dagen vroeger of later den troon beklimt. Hij belette uw broeder ook niet, de kinderen van den gewezen overste der lijfwacht, Phanes, gewelddadig uit het huis der Helleensche Rhodopis op te lichten. Hij billijkt zelfs, dat de prins in onderhandeling trad met de nakomelingen der tweemaal honderdduizend strijders, die onder de regeering van Psamtik I, wegens de bevoorrechting der Jonische krijgslieden, naar Ethiopië waren uitgeweken. Ingeval zij bereid mochten zijn in hun vaderland terug te keeren, zouden de Grieksche soldaten ontslagen kunnen worden. Maar de hiertoe door hem gedane stappen bleven zonder gevolg. De Hellenen achtten zich daarentegen zwaar beleedigd door de onwaardige behandeling der kinderen van Phanes. Toen het zoontje van Phanes, op bevel van uw broeder, was ter dood gebracht, dreigde Aristomachus met tienduizend der beste soldaten Egypte te zullen verlaten, en verlangde op staanden voet zijn ontslag. Aristomachus is evenwel opeens verdwenen. Niemand weet waarheen hij gegaan is, doch de Grieken hebben zich dezen nieuwen hoon niet zwaar aangetrokken naar ’t schijnt, althans zich voor groote sommen laten vinden om in Egypte te blijven.

»Amasis zweeg onder dit alles, offerde en bad, gelaten toeziende, hoe zijn zoon alle klassen van het volk nu eens zwaar beleedigde, dan weer in hunne dierbaarste belangen griefde. Helleensche en Egyptische krijgsoversten, gelijk ook de nomarchen, uit onderscheidene provinciën, hebben mij verzekerd, dat de tegenwoordige staat van zaken op den duur onhoudbaar is. Men weet niet meer hoe men ’t heeft met den nieuwen rijksbestuurder. Heden beveelt hij, wat hij gisteren met heftigheid verbood. Hij schijnt het er alleen op toe te leggen, den schoonen band, die tot dusverre het Egyptische volk en zijne koningen vereenigde, te verbreken.

»Vaarwel mijne dochter! Denk vaak aan uwe arme, lijdendevriendin en aan uwe moeder! Duid het uw ouders niet ten kwade, dat zij u deelgenoote maakten van wat zij zoo lang voor u verzwegen hebben. Bid voor Tachot! Breng onze groeten over aan Cresus en de jonge Perzen, die wij hier leerden kennen! Stel Bartja den groet uwer zuster ter hand, en zeg hem, dat ik hem bidde dien te beschouwen, als hem door eene stervende vermaakt. Wellicht kunt gij uwe zuster een bewijs zenden, dat de jonge Pers haar niet geheel heeft vergeten.

»Leef gelukkig in uw nieuw bloeiend vaderland!”

1Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.2Een der noordelijke Cycladen.3Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.4Vgl. Schillers Ballade: “Der Ring des Polykrates.” De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.5Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.6Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar.—Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers,Aegypten in Bild und Wort, I, 88 f).7De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijneWardagebruik gemaakt.8Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.9De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.10De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit van de morgen- en avondster.

1Sidon was eene havenstad in Syrië. Met Astypalaia is de burcht van Polycrates van Samos bedoeld, die met ronde torens was versterkt.

2Een der noordelijke Cycladen.

3Een scheepsgezagvoerder van Samos, die in de zevende eeuw v. Chr. op een tocht naar Egypte werd verslagen. Hij was de eerste Griek, die tusschen de zuilen van Hercules doorzeilde.

4Vgl. Schillers Ballade: “Der Ring des Polykrates.” De hedendaagsche Arabieren vertellen eene dergelijke geschiedenis, doch zij laten den held hunner geschiedenis den ring bij toeval verliezen.

5Men boetseerde in dien tijd niet alleen vruchten maar ook beeldjes in was. Zoo maakt de dichter Anacreon gewag van een wassen Eros-beeldje, dat hij van een knaap voor negen stuivers kocht.

6Bubastis lag ten oosten van den Pelusinischen Nijlarm, op de hoogte van een kanaal, dat naar de Arabische golf liep. Herodotus geeft van dit uitgelaten feest de volgende schildering: Mannen en vrouwen varen te zamen in groote booten den Nijl af. Sommige vrouwen houden kleppen in de handen, waarmede zij voortdurend klepperen. De mannen spelen op de fluit, en het overige gezelschap klapt in de handen. Komen zij aan eene stad, dan legt de boot aan en maken zij allerlei zonderling misbaar. Te Bubastis worden dan groote offers gebracht. Meer dan 700,000 menschen komen er gewoonlijk samen. Op dit feest wordt meer wijn gedronken dan gedurende al de overige dagen van het jaar.—Uit de opschriften weten wij, dat te Dendera een dergelijk feest ter eere van Hathor werd gevierd. Ebers meende in de jaarmarkt van Tanta, een stadje eenige mijlen van het oude Bubastis gelegen, nog een overblijfsel van het oude feest te zien (Vgl. Ebers,Aegypten in Bild und Wort, I, 88 f).

7De Egyptische geneesheeren schijnen de krankheden dikwijls bezworen te hebben. Er zijn verschillende papyrussen gevonden met geneeskundige voorschriften, die allermerkwaardigste bijzonderheden dienaangaande behelzen. Sommige ziekten worden er nauwkeurig in beschreven, allerlei geneesmiddelen opgesomd. Van hetgeen o. a. voorkomt in den medischen papyrus, door Ebers zelven ontdekt en uitgegeven, heeft hij op meer dan ééne plaats in zijneWardagebruik gemaakt.

8Egypte, dat door zijne oudste bewoners Cham, d. i. het zwarte werd genoemd, naar de zwarte kleur van den grond.

9De Egyptische oogziekte, die ook bij ons niet onbekend is gebleven, moet reeds in de vroegste tijden aan de boorden van den Nijl gewoed hebben. De Egyptische oogartsen waren in dezen tijd reeds zeer beroemd. Herodotus zegt dat het in Egypte van oogartsen wemelde, en op de gedenkteekenen vinden wij vele afbeeldingen van blinden. Geweldige oogontstekingen worden heden ten dage zeer dikwijls in Egypte aangetroffen. De door Ebers uitgegeven papyrus behelst ook hierover belangrijke bijzonderheden.

10De planeet Venus. Gelijk ons uit zeer oude gedenkteekenen blijkt, waren de Egyptenaren reeds vroeg bekend met de identiteit van de morgen- en avondster.

Vijfde hoofdstuk.Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve gebeurtenissen.Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde, verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane, de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt,” dacht het meisje; »een kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen, gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft.”Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband, in welks edelgesteente zich de stralender middagzon spiegelden. Zij bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees gegroet, schoone Mandane!”De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid, als een zwaan in de woestijn.”Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde, terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!”»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is; en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken,” antwoordde zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!”»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de mannen, evenals de worm de visschen.”»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort.”»Waarachtig, ik geloof het gaarne!” hernam de eunuch al grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?”»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin Cassandane, en niet aan u!”»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?”»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar.....”»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid niet verdient.”»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt.”»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër, en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg, en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de broeder van Oropastes, Gaumata1—nu, nu, gij behoeft niet zoo rood te worden, Gaumata is een mooie naam,—op uwe fijne koontjes verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten.”»Verschoon mij van uwe spotternijen!” riep het meisje, sterk blozende en stampvoetende.»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes, die zijn jongeren broeder naar Rhagae2zond, en u een plaatsje aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten.”»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou...”»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aannieuwe vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs, dat hij op prins Bartja gelijkt.”»Dat is zoo,” riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in het gansche rijk!”»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester groette....”»Is Gaumata dan hier?” viel de kamerjuffer den eunuch met hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?”»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust, en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen, zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft, dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige landgenoote Mandane.”»Ik vertrouw u niet,” hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe belangstelling zou hebben verdiend.”»Kent gij dit?” vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende, kunstig met gouden vlammetjes bestikt.»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!” riep Mandane.»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn bewaker bemint!”»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest.”»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan, dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen.In spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata worden. Morgenavond, nahet opgaan der Tistar-ster3zal uw liefste u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij, bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal, dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen, wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond,” ging hij voort, weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,—»morgenavond, wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk te schijnen.—Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt, aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te geven!—Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen, dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?—Gij aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.—Nog eens, Gaumata moet overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien, en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae terug te keeren.—Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken, en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!”Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten,” toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos, rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!”Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had, zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend, de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges, die u niets mag bevelen, heeft opgezet.”Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar, die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.»Hoe staat het met de blauwe lelie?” vroeg hij dezen.»Zij ontwikkelt zich kostelijk!” antwoordde de tuinman, die in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen.”»Uw wensch zal vervuld worden,” antwoordde Boges met een vroolijk gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is.”»Laat hem gerust komen,” riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen, die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem...”De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf des konings omgaf.In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal, zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf, zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis, waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich meer dan driehonderd vrouwen4, door eene dichte wolk van vochtigen waterdamp omgeven.Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen, die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen stonden naast elkaar, en zongen metschelle stemmen een ondeugend minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen, die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren, terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was; want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht, toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd, en rijke gouden gordels om de heupen gegespt5. Alles te zamen vertegenwoordigdewel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed.Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag was het ’s konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht, en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen, al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther, dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys6een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren, bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als: »Stil in naam des konings!” niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen, en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke vertrekken bewoonde.De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemenidenverwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband, zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben, gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven, tegen haar blanke slapen bevestigd.Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik genade in zijne oogen vinden?”Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?” toen waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw van den Demawend.”Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien, en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u, Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal zien op de plaats, die haar niet toekomt.”»Zij kan die niet lang meer behouden.”»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen....”»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen, dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt.”»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid.”»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!”»Onmogelijk!”»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri is donker in vergelijking met de uwe!”»Maar....”»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar licht onthoudt.”»Goed.”»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge.”»Ik zal weenen.”»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.””»Welk een vernedering!”»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen, en verf ze bleek, doodelijk bleek.”»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt.”»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer meesteres!”»Ik zal eene slavin gelijken!”»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld.”»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!”»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had?»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen.”»Gij moet!”»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen.”»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornigmoet uw grootvader Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden, zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt den hoogsten prijs te winnen.”»Ik zal gehoorzamen!” riep de vorstendochter.»Dan moeten wij overwinnen!” antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne, mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw slaapvertrek ontsluit.—Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen, dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga vooruit om haar heure plaatsen te wijzen.”De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel, die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers, borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het was inderdaad prachtig om aan te zien.»De koning zal zoo dadelijk verschijnen,” zeide de overste der tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken die Polycrates gezonden heeft geledigd?”»Alles is gereed!” antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronkenheb, en stelt zelfs den lievelingsdrank vanNebucadnezar, het druivensap van Chelbon, in de schaduw7. Proef maar!”Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje, met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer veel gratie aan den tafeldekker8.Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig, en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de geheele wereld noemen.”»Ik dank u,” antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk,ik ben trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of Pasargadae betrekken?”»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is, vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken.”»Naar Susa?” vroeg de schenker.»Daar is het weinig frisscher dan hier, en buitendien wordt de oude Memnonsburcht9verbouwd.»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft, wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden.”Nauw had Cambyzes dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter toonen, dat wij Perzen niet minderbedreven zijn in het bouwen, dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af, aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te hebben voor deze vrouw.”»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar weldra tot koningin zal verheffen.”»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en betere rechten.”»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed.”»De wil van den vorst is de wil der godheid.”»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind.”»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders ontnamen.—Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!—Houd u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!”1De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.2Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.3De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.4Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.5Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (speldenduitje), het inkomen van gansche steden.6Deze naam beteekent: “uit het geslacht der Peri.”7De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27:18.8Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.9Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.

Voorspelt het gulden morgenrood niet zelden een regenachtigen dag, de blijde verwachting is meermalen eene voorbode van droeve gebeurtenissen.

Hoe hartelijk had Nitetis zich over dezen brief niet verheugd, die toch slechts bestemd was, alsem in den zoeten kelk van haar geluk te druppelen. Met een tooverslag had hij een schoon gedeelte van haar innerlijk leven, de blijde herinnering aan het lieve vaderland, en aan de deelgenooten van het reine geluk harer kindsheid vernietigd. Terwijl zij daar in het vorstelijk purper weenend neerzat, kon zij aan niets anders denken dan aan de smart van hare moeder, aan het ongeluk van haar vader en aan de krankheid van hare zuster. De heerlijke toekomst die haar tegenlachte, die sprak van geluk, van macht en van liefde, verdween voor haar door tranen verduisterden blik. De bevoorrechte bruid van Cambyzes vergat den geliefde, die haar met geopende armen verbeidde; de toekomstige koningin van Perzië kon slechts tranen storten over het ongeluk van het Egyptische vorstenhuis.

Sinds lang reeds had de zon haar middaghoogte bereikt, toen Mandane, de kamerjuffer, het vertrek binnentrad, om de laatste hand te leggen aan de kleeding harer meesteres. »Zij slaapt,” dacht het meisje; »een kwartiertje kan ik haar nog wel laten rusten. Het offerfeest zal haar vermoeid hebben, en aan het feestmaal moet zij in volle frischheid en schoonheid verschijnen, om helderder te schitteren dan al de anderen, gelijk het licht der maan dat der sterren overtreft.”

Zonder door hare meesteres te zijn opgemerkt, sloop zij uit het vertrek, waarvan de vensters een verrukkend uitzicht hadden op de hangende tuinen, de reuzenstad, de rivier en de vruchtbare Babylonische vlakte. Zonder om te zien, liep zij naar een bloembed om rozen te plukken. Hare oogen waren als gekluisterd aan den nieuwen armband, in welks edelgesteente zich de stralender middagzon spiegelden. Zij bemerkte dus den rijkgekleeden man niet, die met uitgerekten hals door een venster in het vertrek gluurde, waar Nitetis bedroefd nederzat. De gestoorde en, zoo hij meende, op heeterdaad betrapte spion, wendde zich aanstonds tot het meisje, en riep met krijschende stem: »Wees gegroet, schoone Mandane!”

De kamerjuffer maakte eene beweging van schrik en zeide, toen zij den eunuch gewaarwerd: »Het staat u niet mooi, heer, een arm meisje zoo te doen ontstellen! Ik zou, bij Mithra, in onmacht zijn gevallen, als ik u gezien had, alvorens het geluid uwer stem te hooren. Vrouwenstemmen verschrikken mij niet; een mannelijk wezen daarentegen is in deze eenzaamheid eene even groote zeldzaamheid, als een zwaan in de woestijn.”

Boges lachte uiterst minzaam, ofschoon hij de moedwillige zinspeling op zijne vrouwelijke stem zeer goed begrepen had, en antwoordde, terwijl hij in zijne dikke handen wreef: »Inderdaad, het is wel hard voor een jong, schoon duifje, als gij zijt, in zulk een eenzaam nest te moeten wegkwijnen. Doch geduld maar, mijn hartje; weldra wordt uwe meesteres koningin, en dan zal zij zeker een aardig jong mannetje voor u uitzoeken, met wien gij het zeker beter in de eenzaamheid zult kunnen uithouden, dan met de schoone Egyptische?!”

»Mijne meesteres is schooner dan misschien menigeen wel lief is; en ik heb niemand opgedragen een man voor mij te zoeken,” antwoordde zij snibbig. »Ook zonder u zal ik den rechten wel vinden!”

»Wie zou daaraan kunnen twijfelen? Zulk een lief poppetje lokt de mannen, evenals de worm de visschen.”

»Ik hengel niet naar mannen, allerminst naar mannen van uwe soort.”

»Waarachtig, ik geloof het gaarne!” hernam de eunuch al grinnikende. »Maar, zeg mij, mijn schatje, waarom zijt gij zoo hard tegen mij? Heb ik u iets misdaan? Ben ik het niet geweest, die u deze aanzienlijke plaats heb bezorgd? Ben ik niet uw landsman, een Mediër?”

»En zijn wij beiden niet menschen, en hebben wij beiden niet tien vingers aan onze handen, en staan onze neuzen niet midden in ons aangezicht? De helft van alle menschen hier zijn Mediërs; als deze allen mijne vrienden waren, omdat zij mijne landslieden zijn, dan kon ik morgen wel koningin worden. Wat mijne betrekking betreft bij de Egyptische, gij hebt mij die niet verschaft; ik heb haar te danken aan den opperpriester Oropastes, die mij aanbeval bij de koningin Cassandane, en niet aan u!”

»Wat ge zegt, mijn liefje! Weet ge dan niet, dat eene kamerjuffer zonder mijne bewilliging niet kan aangesteld worden?”

»Dat weet ik zoo goed, als gij, maar.....”

»Maar gij, vrouwen, zijt een ondankbaar volkje, dat onze goedheid niet verdient.”

»Vergeet niet, dat gij tot een meisje van goeden huize spreekt.”

»Dat weet ik maar al te goed, mijn lammetje! Uw vader was een magiër, en uwe moeder de dochter van een magiër. Beiden stierven vroeg, en gaven u over aan de zorg van den destoer Ixabates, den vader van den opperpriester Oropastes, die u met zijne kinderen liet opgroeien. Toen gij uwe eerste oorringen hadt ontvangen, raakte de broeder van Oropastes, Gaumata1—nu, nu, gij behoeft niet zoo rood te worden, Gaumata is een mooie naam,—op uwe fijne koontjes verliefd, en hoewel hij nog slechts negentien jaren telde, wilde hij u maar dadelijk tot vrouw nemen. Gaumata en Mandane, of dat ook schoon klinkt! Mandane en Gaumata! Als ik een dichter was, dan moest mijn held Gaumata, en zijne liefste Mandane heeten.”

»Verschoon mij van uwe spotternijen!” riep het meisje, sterk blozende en stampvoetende.

»Zijt gij boos op mij, omdat ik vind, dat uwe namen zoo goed bij elkaâr passen? Wees dan liever toornig op den trotschen Oropastes, die zijn jongeren broeder naar Rhagae2zond, en u een plaatsje aan het hof bezorgde, opdat gij elkander zoudt vergeten.”

»Lasteraar die gij zijt! Mijn weldoener zou...”

»Mijne tong moge verdorren, als ik niet de zuivere waarheid spreek! Oropastes scheidde u van zijn broeder, omdat hij grootere dingen met den schoonen Gaumata voorhad, dan een huwelijk met de arme wees van een eenvoudigen magiër. Amytis of Menische zouden hem als schoonzusters beter aanstaan. Een arm meisje als gij, dat alles aan zijne mildheid verschuldigd is, kan zijne heerschzuchtige ontwerpen slechts tegenwerken. Onder ons gezegd en gezwegen, zou hij zoo gaarne het rijk als stadhouder besturen gedurende den oorlog met de Massageten, en het zou hem, om dit doel te bereiken, veel waard zijn, indien hij door banden van bloedverwantschap aan de Achaemeniden verbonden was. Op zijn leeftijd denkt men echter niet meer aannieuwe vrouwen; maar zijn broeder is jong en schoon. Velen zeggen zelfs, dat hij op prins Bartja gelijkt.”

»Dat is zoo,” riep de kamerjuffer. »Toen ik met u mijne tegenwoordige meesteres tegemoet trok, meende ik Gaumata te zien, toen ik Bartja op het plein van het wachthuis voor het eerst in het gezicht kreeg. Zij gelijken op elkaâr als tweelingen, en zijn de schoonste mannen in het gansche rijk!”

»Wat krijgt ge een kleur, mijn roosje! Zóo erg is het met de gelijkenis niet. Toen ik hedenmorgen den broeder van den opperpriester groette....”

»Is Gaumata dan hier?” viel de kamerjuffer den eunuch met hartstochtelijke drift in de rede. »Hebt gij hem inderdaad gezien? Of wilt gij mij maar eens uithooren en mij beetnemen?”

»Bij Mithra, mijn duifje, ik heb hem heden het voorhoofd gekust, en hem veel moeten vertellen van zijn schoon schatje. Ja, ik wil het onmogelijke voor hem beproeven, want ik gevoel mij te zwak, om aan deze lieve blauwe oogjes, deze goudgele lokken en deze wangen, zoo frisch en blozend als perziken, weerstand te bieden! Gij behoeft niet te kleuren, mijn kleine granaatbloesem, luister slechts; ik zal u alles zeggen. In het vervolg zult gij den armen Boges niet meer zoo wantrouwen, en leeren inzien, dat hij een goed hart heeft, dat hij van vriendschap gloeit voor zijne kleine, schoone, snibbige landgenoote Mandane.”

»Ik vertrouw u niet,” hervatte het meisje. »Men heeft mij gewaarschuwd voor uw gladde tong, en ik kan niet begrijpen waarmede ik uwe belangstelling zou hebben verdiend.”

»Kent gij dit?” vroeg nu de eunuch, haar een witten band toonende, kunstig met gouden vlammetjes bestikt.

»Dit is het laatste geschenk, dat ik voor hem vervaardigde!” riep Mandane.

»Ik heb Gaumata om dit teeken gevraagd. Ik wist wel, dat gij mij niet zoudt vertrouwen. Wie heeft ook ooit gezien, dat de gevangene zijn bewaker bemint!”

»Kom, zeg mij spoedig, wat mijn oude speelgenoot van mij verlangt! Want zie, ginds in het westen begint de hemel reeds te kleuren. Het wordt avond, en ik moet mijne meesteres nog kleeden voor het feest.”

»Ik zal kort zijn, en wilt gij dan al niet gelooven, dat ik mij uit vriendschap voor u aan een groot gevaar blootstel, neem dan aan, dat ik ulieder bondgenoot wil zijn, om den trots van Oropastes te fnuiken, die mij uit de gunst van den koning dreigt te verdringen.In spijt van alle listen en streken van den overste der magiërs, zult ge en moet ge, zoo zeker als ik Boges heet, de vrouw van uw Gaumata worden. Morgenavond, nahet opgaan der Tistar-ster3zal uw liefste u bezoeken. Ik zal alle wachten weten te verwijderen, opdat hij zonder gevaar tot u kan komen en éen uur, maar ook niet langer, hoort gij, bij u blijven, om alles verder met u te bespreken. Uwe meesteres zal, dit weet ik zeker, de uitverkorene gemalin van Cambyzes worden. Later biedt zij de behulpzame hand, om uw huwelijk met Gaumata tot stand te brengen. Want zij bemint u, en weet u niet genoeg te prijzen, wegens uwe trouw en bekwaamheid. »Morgenavond,” ging hij voort, weder op den ouden vleienden toon, die hem eigen was,—»morgenavond, wanneer de Tistar-ster zal zijn opgegaan, begint de zon van uw geluk te schijnen.—Gij slaat de oogen neder, en zwijgt? De dankbaarheid houdt zeker uw klein mondje gesloten. Is het zoo niet? ik bid u, mijn duifje, gebruik uwe tong wat beter, wanneer het er eens op aankomt, aan uwe gebiedster een loffelijk getuigenis van den armen Boges te geven!—Zal ik den schoonen Gaumata van u groeten? Mag ik hem zeggen, dat gij hem niet vergeten zijt, en hem met blijdschap verwacht?—Gij aarzelt? O wee, de duisternis begint reeds te vallen; ik moet weg om te onderzoeken, of al de vrouwen overeenkomstig het voorschrift voor een grooten feestmaaltijd zijn getooid.—Nog eens, Gaumata moet overmorgen Babylon verlaten. Oropastes vreest dat hij u weder zal zien, en heeft hem dus geboden, dadelijk na afloop der feesten, naar Rhagae terug te keeren.—Gij zwijgt nog altijd? Welnu, dan kan ik u en den armen knaap niet helpen! Ook zonder u zal ik mijn doel bereiken, en het is toch ook maar beter, dat gij uwe liefde vergeet. Vaarwel!”

Het meisje had een zwaren strijd. Zij kon de gedachte niet van zich zetten, dat Boges haar wilde bedriegen. Eene inwendige stem gebood haar, den geliefde de gevraagde samenkomst te weigeren. Plichtgevoel en voorzichtigheid behaalden in haar gemoed de overhand, en reeds wilde zij den eunuch toeroepen: »Zeg hem dat ik hem niet kan wachten,” toen haar oog viel op den zijden band, dien zij eens voor den schoonen knaap gestikt had. Oude herinneringen aan uren in zalige droomen doorgebracht, aan oogenblikken van bedwelmend mingekoos, rezen plotseling voor haar geest op, en liefde, lichtzinnigheid en smachtend verlangen verkregen de overhand op deugd, waarschuwend voorgevoel en voorzichtigheid. Eer Boges zijn vaarwel had kunnen uitspreken riep zij, bijna tegen wil en dank, terwijl zij als een opgejaagd hert naar huis snelde: »Ik zal hem verwachten!”

Met rassche schreden ging Boges door de bloeiende lanen der hangende tuinen. Tot de borstwering genaderd zijnde bleef hij staan en opende voorzichtig eene verborgene valdeur. Deze diende tot afsluiting van een geheime trap, die de koninklijke bouwmeester waarschijnlijk had doen aanbrengen, om door een der kolossale pijlers, waarop de hangende tuinen rustten, van den oever der rivier onopgemerkt de woning zijner gemalin te kunnen bereiken. De deur draaide gemakkelijk op hare hengsels, en was, nadat Boges ze weder gesloten en er eenige schelpen, waarmede de paden bedekt waren, overheen gestrooid had, zelfs voor hem die er naar zocht moeilijk te vinden. De eunuch wreef zich oudergewoonte, met een honigzoeten glimlach, de met ringen beladene handen, en mompelde: »Thans moet het gelukken! Het meisje loopt in het net. Haar beminde gehoorzaamt mijn wenk, de oude trap is toegankelijk, Nitetis heeft op dezen feestdag bitter geweend, de blauwe lelie bloeit morgen nacht; ja, ja, mijn plannetje moet gelukken! Schoon Egyptisch katje, uwe fluweelen voetjes zullen morgen in den vossenklem blijven zitten, dien de arme, verachte Boges, die u niets mag bevelen, heeft opgezet.”

Terwijl hij dit woord tot zichzelven sprak, schitterde het oog van den vrouwenbewaker van eene duivelsche vreugde. Hij spoedde zich nu voort. Aan de groote trap ontmoette hij den eunuch Neriglissar, die als oppertuinman op de hangende tuinen woonde.

»Hoe staat het met de blauwe lelie?” vroeg hij dezen.

»Zij ontwikkelt zich kostelijk!” antwoordde de tuinman, die in geestdrift geraakte bij de gedachte aan dat kind zijner vele zorgen. »Morgen, bij het opgaan der Tistar-ster, zal zij, gelijk ik u wel gezegd heb, in vollen bloei staan! Mijne Egyptische meesteres zal zich bijzonder verheugen, want zij houdt veel van bloemen. Ik bid u ook den koning en de Achaemeniden te verwittigen, dat het mijn ijver is mogen gelukken, deze zeldzame plant aan het bloeien te krijgen. Zij vertoont zich alle tien jaren slechts een enkelen nacht in hare volle schoonheid. Zeg dit den edelen Achaemeniden, en breng hen hierheen.”

»Uw wensch zal vervuld worden,” antwoordde Boges met een vroolijk gelaat. »Op een bezoek van den koning behoeft gij evenwel niet te rekenen, want ik geloof niet dat hij vóor zijn huwelijk met de Egyptische, de hangende tuinen zal betreden. Maar eenige der Achaemeniden zullen zeker komen. Zij zijn, gelijk alle Perzen, zoo groote liefhebbers van tuinen en bloemen, dat zij dit zoo zeldzame schouwspel niet gaarne zouden missen. Misschien leid ik ook Cresus hierheen; hij heeft wel minder kennis van het hovenieren, maar daarentegen een fijnen blik voor al wat schoon is.”

»Laat hem gerust komen,” riep de tuinman, »hij zal u er dankbaar voor zijn, want mijne nachtvorstin is schooner dan alle bloemen, die ooit in een koninklijken tuin zijn gekweekt! Gij hebt in den kristalhelderen waterbak den door groene bladeren omkransten knop gezien; als deze openbreekt, vertoont zich mijne lelie als eene hemelsblauwe, reusachtige roos. Mijne bloem...”

De opgewonden hovenier wilde nog meer zeggen tot lof zijner kweekeling. Maar Boges liet hem alleen, na hem minzaam gegroet te hebben, daalde de trap af, plaatste zich in den houten wagen op twee wielen, die hem wachtte, en liet zich door den naast hem staanden menner van de met kwasten en klokjes getooide paarden in snellen draf brengen tot voor de poort van den tuin, die het groote vrouwenverblijf des konings omgaf.

In den harem van Cambyzes was het dien dag ongemeen levendig. Boges had bevolen, dat al de vrouwen van het hof vóor het groote feestmaal, zich baden zouden, teneinde zoo schoon en frisch mogelijk te verschijnen. Derhalve begaf zich de vorst van het vrouwenverblijf, zonder een oogenblik te verliezen, naar den vleugel van het paleis, waarin zich de badplaats der vrouwen bevond. Reeds op een afstand hoorde hij een verward rumoer van schreeuwende, lachende, babbelende stemmen. In de uitgestrekte, bovenmatig verwarmde zaal bewogen zich meer dan driehonderd vrouwen4, door eene dichte wolk van vochtigen waterdamp omgeven.

Als nevelbeelden woelden de halfnaakte wezens, wier los omgeworpen dunne zijden kleederen, doortrokken van het vocht, aan hare leden kleefden, in bont gewemel door elkander over den verwarmden marmeren vloer van de badzaal, van welks zoldering lauwe droppels nedervielen, die op den steenen grond uiteenspatten. Hier lagen groepen van tien tot twintig der schoonste vrouwen, vroolijk keuvelende en zich vermakende, meestal ten koste van elkaar of van andere leden van den harem. Een eind verder krakeelden twee vrouwen des konings als bedorvene kinderen. Eene schoone, die met de sierlijke pantoffel harer buurvrouw op eene gevoelige wijze had kennis gemaakt, stoof gillend op; eene andere lag, in vadsige rust, half droomend en bewegingloos als een lijk, op den heeten, vochtigen bodem. Zes Armenische schoonen stonden naast elkaar, en zongen metschelle stemmen een ondeugend minneliedje in de taal van haar land, terwijl een aantal blondlokkige Perzische vrouwen vuur en vlam spuwden tegen de arme Nitetis, haar belasterende op eene wijze dat een vreemdeling, die hare woorden had afgeluisterd, zou hebben moeten gelooven, dat de schoone Egyptische een dier monsters was, waarmede men de kinderen schrik aanjaagt.

Tusschen deze verschillende groepjes waren de naakte slavinnen druk in de weer. Zij droegen doeken op het hoofd, ten einde ze hare meesteressen om te werpen. Het geschreeuw der eunuchen, die de deur der zaal bewaakten, en de badenden gedurig toeriepen dat zij spoed moesten maken, de gillende vrouwenstemmen, die de slavinnen bij herhaling riepen, als ze niet aanstonds bij de hand waren, en de sterke, met den heeten waterdamp opstijgende geuren, verleenden aan dit tooneel van verwarring iets bedwelmends en betooverends.

Een kwartier later leverde de harem des konings een gansch ander tafereel op, geheel verschillend van het hierboven beschrevene. Als door den dauw bevochtigde rozen lagen de vrouwen stil neder. Zij sliepen niet maar rustten, half droomende, op weeke matrassen, die langs de wanden van een groot vertrek lagen uitgespreid. Het welriekende nat hing nog altijd aan de losse, onafgedroogde haren, terwijl vlugge slavinnen het geringste spoor van het vocht, dat diep in de poriën was gedrongen, met zachte kussentjes van kemelshaar van de teedere lichamen wreven. Vervolgens werden zijden dekens over de vermoeide schoonen uitgespreid, en zorgde eene schaar van eunuchen, dat geene moedwillige of twistzieke de rust van het droomende vrouwenheer verstoorde. Maar in spijt van de wachters, was het zelden zoo stil als heden in deze zaal, die voor de sluimering na het bad bestemd was; want zij die thans den vrede waagde te verstoren, liep gevaar tot straf van het groote feestmaal te zullen worden uitgesloten.

Omtrent een vol uur hadden de schoonen in deze diepe rust doorgebracht, toen de klank van het metalen bekken weder eene verandering van tooneel ten gevolge had. De rustende vrouwen sprongen van hare matrassen op. Een tal van slavinnen stormde de zaal binnen. Deze goten zalven en welriekende wateren over de schoonen uit, wier haren kunstig gevlochten en met edelgesteenten versierd werden. Geheele bergen kostbare sieraden werden aangedragen, benevens zijden en wollen kleedingstukken in al de kleuren van den regenboog. Schoenen, stijf van paarlen en edelgesteenten, werden aan de teedere voetjes bevestigd, en rijke gouden gordels om de heupen gegespt5. Alles te zamen vertegenwoordigdewel de waarde van een geheel koninkrijk. Toen Boges de zaal binnentrad, waren de meeste vrouwen reeds gereed.

Met een luid gejubel werd hij door allen ontvangen. Een twintigtal vrouwen begonnen hand aan hand in een kring te dansen om haren altijd lachenden bewaker. Zij zongen een in den harem samengeflanst laf en vleiend loflied op zijne deugden. Op dezen gewichtigen dag was het ’s konings gewoonte, aan elke zijner vrouwen een billijken wensch toe te staan. Nadat de rondedans was afgeloopen, stormde dus eene geheele schaar smeekelingen op Boges los, om hem, onder het streelen zijner wangen en het kussen zijner vleezige handen, de meest uiteenloopende verzoeken in het oor te blazen en zijne voorspraak te vragen. De vroolijke vrouwentyran stopte zijne ooren dicht, en stiet de schoonen, die hoe langer zoo meer op hem aandrongen, al stoeiende en schaterlachende terug. Hij beloofde de Medische Amytis, dat de Phoenicische Esther, en de Phoenicische Esther, dat de Medische Amytis gestraft zou worden. Hij beloofde Parmys een kostbaarder gewaad dan dat van Parisatys, en Parisatys6een veel kostbaarder dan dat van Parmys. Als het hem ten laatste onmogelijk werd, de aanvallen der verzoeksters van zich af te weren, bracht hij een gouden fluitje aan de lippen, welks schelle toon als met een tooverslag de rust herstelde. De opgehevene handen zonken plotseling neder, de trippelende voeten stonden roerloos, de geopende lippen sloten zich, het rumoer veranderde op eens in eene ademlooze stilte. Wie aan den toon van dit fluitje, die zoo veel beteekende als: »Stil in naam des konings!” niet gehoorzaamde, kon zich verzekerd houden eene strenge straf te zullen ondergaan. Op dezen dag werkte het schelle geluid beter en sneller nog dan anders. Boges merkte dit op met groote zelfvoldoening, hij gunde der geheele schaar een welwillenden blik van tevredenheid, beloofde in eene bloemrijke rede de bede van al zijne lieve witte duifjes aan den koning te zullen voordragen, en beval haar ten laatste zich in twee lange rijen te verdeelen. De vrouwen gehoorzaamden terstond, en lieten zich, als soldaten door hun aanvoerder, als slaven door hun kooper, monsteren.

Boges was over het algemeen voldaan. Enkele vrouwen gebood hij zich nog meer te blanketten, andere de te hooge kleur met wit poeder te temperen, de haren hooger op te steken, de wenkbrauwen zwarter te maken, of de lippen beter te zalven. Na afloop der monstering verliet hij de zaal, en begaf zich naar Phaedime, die, als echte vrouw van Cambyzes, gelijk al zijne wettige gemalinnen, afzonderlijke vertrekken bewoonde.

De gevallen gunstelinge, de vernederde dochter der Achaemenidenverwachtte den eunuch reeds lang. Zij was prachtig uitgedost en bijna overladen met kostbare sieraden. Van haren kleinen tulband, zooals de vrouwen gewoon waren te dragen, hing een dichte sluier van met goud doorwerkt floers, terwijl hij omwonden was met het blauwe en witte band, dat in haar aanstonds eene Achaemenide deed herkennen. Men moest haar schoon noemen, ofschoon men in haar de al te sterke ontwikkeling der vormen reeds opmerkte, welke de vrouw van het Oosten, na eenige jaren het vadsige haremleven geleid te hebben, gewoonlijk eigen is. Het overvloedige goudblonde, met zilveren kettinkjes en kleine goudversierselen doorvlochten haar, drong van onder haar hoofddeksel te voorschijn en was, door middel van zalven, tegen haar blanke slapen bevestigd.

Toen Boges bij haar binnentrad, sprong zij ijlings op hem toe, wierp nog een blik in den spiegel, een tweeden op den eunuch, en vroeg in hartstochtelijke opgewondenheid: »Zijt gij over mij tevreden? Zal ik genade in zijne oogen vinden?”

Als altijd glimlachte Boges, terwijl hij antwoordde: »In mijne oogen vindt gij altijd genade, mijne gouden pauwin, en ook den koning zoudt gij welgevallig zijn, als hij u zien kon gelijk ik u gezien heb. Toen gij mij zoo even toeriept: »Zal ik genade in zijne oogen vinden?” toen waart ge waarlijk schoon, want de hartstocht verfde uwe blauwe oogen zoo zwart, dat het de nacht van Angramainjus geleek; en de haat trok uwe lippen op en vertoonde twee rijen tanden, witter dan de sneeuw van den Demawend.”

Zij liet duidelijk blijken, dat zij zich door deze aanspraak gevleid gevoelde. Zij trachtte Boges andermaal met zulk een blik aan te zien, en riep: »Laat ons spoedig naar de feestzaal gaan, want ik verzeker u, Boges, dat mijne oogen nog zwarter zullen schitteren, en mijne tanden nog beter zullen uitkomen dan straks, wanneer ik de Egyptische zal zien op de plaats, die haar niet toekomt.”

»Zij kan die niet lang meer behouden.”

»Uw plan gelukt dus? O, spreek Boges, verzwijg mij niet langer wat gij in het schild voert, ik wil stom zijn als een lijk en u helpen....”

»Ik kan en mag niet klappen, maar om u de bittere teugen, die gij dezen avond te verzwelgen zult hebben, te verzoeten, wil ik u zeggen, dat alles voortreffelijk in zijn werk gaat; dat de afgrond gegraven is, waarin wij onze vijandin zullen neerstorten, en ik mijne gouden Phaedime weldra op hare oude plaats, en wellicht nog hooger denk weder te zien, zoo zij mij slechts blindelings gehoorzaamt.”

»Zeg maar, wat ik doen moet; ik ben tot alles bereid.”

»Goed gesproken, dappere leeuwin! Volg mijne bevelen, en alles zal goed gaan. Verg ik iets moeilijks van u, uw loon zal er te schooner om zijn. Spreek nu niet tegen, want wij hebben geen oogenblik meer te verliezen. Leg dadelijk alle overtollige sieraden af en behoud alleen de keten, die de koning u bij de huwelijksplechtigheid schonk. In plaats van deze rijke kleederen, moet gij een donker, een eenvoudig gewaad aantrekken. Wanneer gij u voor Cassandane, de moeder des konings, nedergeworpen hebt, buigt gij u diep voor de Egyptische!”

»Onmogelijk!”

»Geene tegenspraak! Ontdoe u gezwind van al die pracht, ik verzoek u daarom! Zoo is het goed! Alleen wanneer gij gehoorzaamt, kunnen wij van den goeden uitslag zeker zijn. De blankste hals eener Peri is donker in vergelijking met de uwe!”

»Maar....”

»Als de beurt aan u komt, om den koning iets te verzoeken, zoo zegt gij, dat uw hart opgehouden heeft te wenschen, sedert uwe zon u haar licht onthoudt.”

»Goed.”

»Als uw vader u vraagt hoe het u gaat, dan weent ge.”

»Ik zal weenen.”

»Goed, en zoo heftig, dat alle Achaemeniden u zien weenen.””

»Welk een vernedering!”

»Geene vernedering, slechts het middel om des te zekerder in de hoogte verheven te worden. Wisch snel het blanketsel van uwe wangen, en verf ze bleek, doodelijk bleek.”

»Ik zal dit niet behoeven te doen om mijn blos te verbergen. Gij vergt vreeselijk veel van mij, Boges! Maar ik wil u gehoorzamen, als gij mij slechts éen reden opgeeft, waarom gij dit alles van mij verlangt.”

»Kamerjuffer! Breng spoedig het nieuwe donkergroene gewaad uwer meesteres!”

»Ik zal eene slavin gelijken!”

»De ware bevalligheid is schoon, al is zij in lompen gehuld.”

»De Egyptische zal mij geheel in de schaduw stellen!”

»Ieder moet zien, dat gij er niet aan denkt u met haar te willen meten. Men zal zich afvragen: zou Phaedime niet even schoon zijn als deze hoogmoedige vrouw, wanneer zij zich opgetooid had?

»Maar ik kan mij niet voor haar nederbuigen.”

»Gij moet!”

»Gij wilt mij ongelukkig maken en diep vernederen.”

»Kortzinnige gekkin! Welaan verneem dan, waartoe dit alles dienen moet, en gehoorzaam! Het is mij te doen, dat de Achaemeniden een wrok zullen opvatten tegen onze vijandin. Hoe toornigmoet uw grootvader Intaphernes, hoe woedend uw vader Otanes niet worden, als zij u zien neêrbuigen voor eene vreemdelinge! Hun gekrenkte trots zal hen tot onze bondgenooten maken; en zijn ze ook zelve te edel, gelijk zij het noemen, om iets tegen eene vrouw te ondernemen, zij zullen toch als ik hen van noode heb mij liever helpen, dan in den weg staan. Als de Egyptische uit den weg is geruimd, zal de koning, als gij mij althans gehoorzaamt, zich uwe bleeke wangen, uwe nederigheid, uwe belangeloosheid herinneren. De Achaemeniden en zelfs de magiërs zullen hem bidden, eene aanzienlijke vrouw uit zijn geslacht tot koningin te verheffen. En welke vrouw in Perzië kan zich op eene hoogere geboorte beroemen dan gij; wie anders zal het purper ontvangen, dan mijn bonte paradijsvogel, mijne schoone roos Phaedime? Gelijk men niet bang moet zijn om van het paard te vallen, als men wil leeren rijden, zoo moet men ook niet tegen eene vernedering opzien, als het geldt den hoogsten prijs te winnen.”

»Ik zal gehoorzamen!” riep de vorstendochter.

»Dan moeten wij overwinnen!” antwoordde de eunuch. »Zie, nu schitteren uwe oogen weder, nu zijn ze weder gitzwart. Zoo zie ik u gaarne, mijne koningin; zoo moet Cambyzes u zien, als zich de honden en vogelen aan het malsche vleesch der Egyptische vergasten, en ik hem voor het eerst sedert vele maanden, in de stilte van den nacht uw slaapvertrek ontsluit.—Hei daar, Armorges, beveel de andere vrouwen, dat zij zich gereed houden en in de draagstoelen plaats nemen; ik ga vooruit om haar heure plaatsen te wijzen.”

De groote feestzaal was helder verlicht door duizenden lampen welker vlammen zich spiegelden in de gouden platen, waarmede de wanden bekleed waren. In het midden van de zaal stond eene onafzienbaar lange tafel, die onnoemelijke schatten droeg, in de gedaante van zilveren bekers, borden, schotels, kruiken, kannen, vruchtschalen en reukaltaren. Het was inderdaad prachtig om aan te zien.

»De koning zal zoo dadelijk verschijnen,” zeide de overste der tafeldekkers tot een voornaam hofbeambte, den bijzonderen schenker des konings, een edelen bloedverwant van Cambyzes. »Zijn al de kruiken gevuld, al de wijnen geproefd, de bekers opgezet, en de lederen zakken die Polycrates gezonden heeft geledigd?”

»Alles is gereed!” antwoordde de schenker. »Die wijn van Chios overtreft in deugdelijkheid alles, wat ik tot heden gedronkenheb, en stelt zelfs den lievelingsdrank vanNebucadnezar, het druivensap van Chelbon, in de schaduw7. Proef maar!”

Dit zeggende greep hij met de eene hand een sierlijk gouden bekertje, met de andere een kruik van hetzelfde metaal, hief deze aan het oor in de hoogte, als ware zij zoo licht als eene veer geweest, en goot den edelen drank met een grooten boog zoo behendig in de nauwe opening van den beker, dat er geen druppel op den grond viel. Daarop vatte hij den beker met de vingertoppen aan en overhandigde dien met zeer veel gratie aan den tafeldekker8.

Deze dronk langzaam het kostbare vocht, proefde het zeer nauwkeurig, en riep, den schenker den beker teruggevende: »Waarlijk, een edele drank, die dubbel goed smaakt, als hij zoo bevallig den drinker wordt aangeboden, gelijk gij alleen dat weet te doen. De vreemdelingen hebben gelijk, als zij de Perzische schenkers de bekwaamste in de geheele wereld noemen.”

»Ik dank u,” antwoordde de man, die aldus werd toegesproken. Hij kuste het voorhoofd van zijn vriend en vervolgde: »Waarlijk,ik ben trotsch op mijn ambt, dat de groote koning slechts aan zijne vrienden opdraagt. Toch wordt het mij in dit smoorheete Babylon bijna een last. Wanneer zullen we eindelijk de zomerresidentie te Ekbatana of Pasargadae betrekken?”

»Juist heden heb ik daarover met den koning gesproken. Met het oog op den Massageten-krijg, wilde hij nog niet van verblijfplaats verwisselen, maar van Babylon uit onmiddellijk te velde trekken. Mocht echter, wat na de heden ontvangene boodschap niet onwaarschijnlijk is, vrede met dat volk gesloten worden, dan zullen we drie dagen na het huwelijk van den koning, dus binnen eene week, naar Susa opbreken.”

»Naar Susa?” vroeg de schenker.»Daar is het weinig frisscher dan hier, en buitendien wordt de oude Memnonsburcht9verbouwd.

»De satraap van Susa heeft den koning geboodschapt, dat het nieuwe paleis gereed is, en in schoonheid en pracht alles overtreft, wat tot nog toe menschenoogen aanschouwden.”Nauw had Cambyzes dit woord vernomen, of hij riep uit: »Dan trekken we drie dagen na het huwelijksfeest daarheen! Ik wil der Egyptische koningsdochter toonen, dat wij Perzen niet minderbedreven zijn in het bouwen, dan hare voorvaderen. Zij was aan den Nijl van haar kindsheid af, aan heete dagen gewoon, en zal zich in ons schoon Susa zeker zeer op haar gemak gevoelen. De koning schijnt eene groote voorliefde te hebben voor deze vrouw.”

»Zoodat hij om harentwil alle andere vrouwen verwaarloost, en haar weldra tot koningin zal verheffen.”

»Dat zou onbillijk zijn; de Achaemenide Phaedime heeft oudere en betere rechten.”

»Voorzeker; maar wat de koning wil is goed.”

»De wil van den vorst is de wil der godheid.”

»Goed gesproken! De echte Pers verblijdt zich de hand van zijn meester te mogen kussen, ook al druipt die van het bloed van zijn kind.”

»Cambyzes heeft mijn broeder ter dood doen brengen; maar ik haat hem daarom evenmin, als ik de goden haat, die mij mijne ouders ontnamen.—Hei daar, knechten, trekt het voorhangsel op zijde, want de gasten naderen! Rept je, gij honden, en past op je zaken!—Houd u goed, Artabazos; een heete nacht verbeidt ons!”

1De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.2Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.3De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.4Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.5Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (speldenduitje), het inkomen van gansche steden.6Deze naam beteekent: “uit het geslacht der Peri.”7De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27:18.8Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.9Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.

1De Grieken noemden hem Smerdes. In de spijkeropschriften leest men Goemata of Gaumata. Hij heet bij Justinus, Kometes. Aan dezen schrijver is ook de naam Oropastes ontleend, dien Herodotus Patizeithes noemt.

2Rhagae, tijdens Alexander Europes, later door Seleuces Nicator Arsacia, heden Rei genoemd, is eene der oudste steden van Perzië. Er was eene beroemde priesterschool. Hier zouden Zoroaster en Haroen al Raschid geboren zijn.

3De Sirius of hondster. Zij werd als een helder en machtig gesternte in Perzië aangebeden, omdat het den zoo noodigen regen aanbracht.

4Volgens Diodorus had de koning van Perzië zooveel vrouwen, als er dagen in het jaar waren. In den slag bij Issus werden door Alexander den Groote, de 329 vrouwen van den laatsten Darius gevangen genomen. Men bedenke echter, dat deze cijfers betrekking hebben op de bijwijven. Na het onderdrukken van den opstand der magiërs werd door de edelen van het rijk vastgesteld, dat een koning alleen uit hunne dochters zijne echte gemalinnen mocht kiezen. Hieraan schijnt men zich sedert gehouden te hebben. Darius had later vier echte gemalinnen, waarvan Atossa de voornaamste bleef.

5Sommige vorsten gaven aan hunne vrouwen, als gordelgeld (speldenduitje), het inkomen van gansche steden.

6Deze naam beteekent: “uit het geslacht der Peri.”

7De wijn van Chios werd door de Grieken voor den fijnsten gehouden. De wijn van Chelbon was in de oudheid inzonderheid om zijn bouquet beroemd. Ezech. 27:18.

8Xenophon roemt zeer de Perzische schenkers, wegens hunne vlugheid en gratie.

9Zóo heette in de oudheid de burcht van Susa, zelfs nog in de dagen van Ctesias, die zich langen tijd aan het Perzische hof ophield.


Back to IndexNext