Tiende hoofdstuk.

Tiende hoofdstuk.Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord gelaat. »Heb ik het u niet gezegd,” zoo begon hij, »dat het voor een eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven, zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet.”Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van dit Grieksche bedelaarspak!”»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger te zijn dan gij.”»Verstandiger?—verstandiger?—Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo kunstig aangelegd, dat.....”»De fijnste weefsels scheuren het lichtst.”»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen.”»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken eener persoonlijke wraak.”»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet, dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwerbevelen heeft gemengd. Zulk een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes is ons de bestraffing van Gyges schuldig.”»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen, dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien uw vader groote verplichting heeft.”»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?”»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan.”»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening verschaffen?”»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne handen heeft!”»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw vader den koning staat!”»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen gebruik weten te maken.”»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen.”»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot bezitten.”Amasis verbleekte.»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand, die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende, uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen, dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigenbrief van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter zijde stond1, houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft, zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is.”»Wie bezit die papieren?” vroeg Amasis op ijskouden toon.»De priesters.”»En deze spreken door uw mond?”»Gelijk gij zegt.”»Herhaal dan, wat gij van mij begeert.”»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken.”»Is dit alles?”»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel te Memphis stake!”»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen, zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden.”»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als...”»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot en gelukkig te maken, was ik tot heden tot iederpersoonlijk offer bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen, teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith, mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken wil ten offer brengen. Zwijg—en vertrek!”Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen2en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje, dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.»Waar is mijn zoon?” vroeg hij den eersten den besten hoveling, die hem tegenkwam.»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,” was het antwoord.De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!”Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat het naamcijfer des konings droeg3, en las: Ik heb uw zoon bij mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen, want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel; maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen.”De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers, honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen vervolgde4, te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren zijne verijdelde wraak te verhalen.Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen, en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken in hiëroglyphenteekensvan goud en zilver ingelegd. Amasis maakte zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben, wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had5.Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges, verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening der sterrenkunde had beziggehouden6, was op zekeren avond, toen hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester, en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.»Ik onderwijs hem,” antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans overtreft, gelijk de zon de maan.—Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen; hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten te overzien. Gaatgij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten, of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot, die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij, die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen, die tot een grooten boom zal opwassen.”De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten ’t hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had gemaakt, hem gewoonlijkvergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig, om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht, geoefend hadden.Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart, en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou, als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest de ongelukkigezichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen, welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar, die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd, door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds in hare verbeelding haar »zoet dochterken” tot beheerscheresse der halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was: »vorstin” en »koningin.” In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster aan het Perzische hof.1In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.2Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.3Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.4De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.5Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.6Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.Elfde hoofdstuk.Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin, en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich, om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen, zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat gij in mijne nabijheid zijt,” fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij, als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort, en ik u mijn leven lang heb lief gehad.”»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk zou zijn zonder u te leven.”»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!”»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten, als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust.”»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst, wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt; maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergetenzult. Melitta heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven; zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook, styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig1. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen, want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult.”»En uw vertrouwen bedriegt u niet!”»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw blijven, hij zal mij niet vergeten!” Maar als het blaadje zonder eenig geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.—Doch ik vernam bijna altijd den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk, zelden reden om treurig te zijn2.”»En zoo zal het blijven!”»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias, die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!”»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!—Hebt gij het verstaan?”»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!” zoo zou mij uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle tongen der wereld.”»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan zou ik...”»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta.”»Och toe, wilt gij ’t mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul, gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen, wat de vogel spreekt?”»Ik zal ’t u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje: ‘Ik min u!’ en zij antwoordt, luister slechts: ‘Itys, Ito, Itys’3.”»En wat beteekent dat: Ito, ito?”»Ik neem het aan, ik neem het aan!”»En Itys?”»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid, want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: ‘ik neem het aan,—ik neem het aan voor alle eeuwigheid!’”»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?”»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking: ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!”»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk een witte zwaan.”»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem kunnen spreken.”»Zoo fluister,—of zing!”»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje voorzingen. Alkman, deLydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.—Kus mij nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan echter vorder ik zelve een kus tot belooning:“De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:Der bergen kruin, de klip in ’t grondloos zout,De stroom en ’t meir, ’t gebladerte van ’t woud,De worm der aarde—’t rust en sluimert àl.Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;Na d’arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;In d’afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,Het vooglenpaar te midden van zijn kroost.”»En nu mijn beste, een kus?”»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks bij het kussen het luisteren vergat.”»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?”»Schoon, als alles, wat gij zingt.”»En wat de groote Helleensche zangers dichten.”»Ook dit geef ik u toe.”»Hebt gij in Perzië geene dichters?”»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?”»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden.”»Hoe bedoelt gij dat?”»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen.”»Mijne Sappho....”»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland, wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw willen verachten of slechts berispen,—want wie zou het wagen mijn Bartja te verachten—zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt gij mij dat beloven, Bartja?”»Dat wil ik!”»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw land onderwerpen moet,—want uit liefde zult gij geene tweede vrouw nemen,—zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert, druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht, zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal, dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen, en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstandin uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u, en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt, en dat gij haar nog altijd liefhebt.”»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen, doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane.”»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?”»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene gade van haar echtgenoot.”»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?”»Zoo spoedig ik maar kan en mag.”»O, ik zal geduldig wachten.”»En zal ik ook tijding van u ontvangen?”»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden draag ik mijn groet voor u op....”»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte zal brengen.”»Waar vind ik dien?”»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken.”»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb.”»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?”»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!”»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het laatste zal ontrukken.”»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene groote gunst toe!”»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb.”»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne dierbaarste wenschen vervuld ziet.”»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!”»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, terwijl zij blij het tegenwoordige geniet.”»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn afgelegen vaderland wil volgen.”»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: ‘O, hoe lief hebben wij den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen jongeling eens zien!’—dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!”»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris4, en ik kus mijne zuster als zij roept: ‘O, Aphrodite, kon ik u eens zien!’”»Hoor, wat was dat?—Daar klapt onze trouwe schildwacht in de handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!”»Nog eene kus!”»Vaarwel!”Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje, dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.»Nog niet te bed, Sappho?” luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, mijn kind?”Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder, en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.Rhodopis verbleekte.»Verlaat ons!” gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder, even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?”Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kustehaar en zeide: »Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik5tot vrouw willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen hem opgericht. Het warme Aeolische6bloed in uwe aderen heeft liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs late wachten.”»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig trouw gezworen?”»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig spreekwoord: ‘Zeus hoort de eeden der minnenden niet.’ Waarom zou de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te moeten doen van den persoon dien gij bemint.”»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden, als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ikmet vol vertrouwen hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen.”»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart....”»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!”Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden, glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking aannam.Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw, herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O, grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren.”»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen uitstrekken!” zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.—Morgen zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen, of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust, mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!”Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende, dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon en het aanlichten van den dag.Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus: »Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig schijnt, om de vrouw vanden eersten aller koningen te zijn. Zij stamt af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten, de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers huwen dochters van pharao’s, om hunne kinderen het erfrecht op den troon te verschaffen.”»Ik heb u zwijgend aangehoord,” antwoordde Cresus, »en moet u bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen, of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben moet.—Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want de groote grondlegger derPerzischeheerschappij mocht zich slechts in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel, even deugdzaam als beminnelijk.—Wel vergt men van de koningszonen, dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden genoeg op, datzelfsslavinnen koningen ter wereld hebben gebracht7. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik, om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal, wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt, zijne toestemming niet onthouden.”»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd,”riep Rhodopis zeer verheugd.»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij groote zorg.”»Meent gij dan, dat Bartja...”»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal.”»Maar...”»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk te storten.”»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?”»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat, en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal, ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag wenschen.”»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele zoon van den grooten koning.”Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, hetvertrekbinnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving, dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn hart met zoo grootezaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek bij Rhodopis te ondersteunen.Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur.”»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!”»Zij doet pijn!”»Maar die pijn is zoet!”»Zij verwart den geest!”»Maar zij versterkt het hart!”»O, die liefde!” riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield, niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter school gegaan?”»En toch,” hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift, vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij is zoet,” en tegen beter weten in blijven beminnen!”In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster, het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet, en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle Achaemeniden tegen ons samen!”»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?” vroeg Rhodopis, met vreugdetranen in de oogen.Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder, en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de schimmen uwer gestorvenouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen, als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt.”Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek, dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden, toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot, waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den schoonen en beminden koningszoon?In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik, de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond, tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak, knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons zelfs en om Egypte’s wil.”»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?”»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes.”»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land.”»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang hebben.”»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte uitbreiden!”Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht, en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid »Ailinos8!” Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden was9. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop beklom zij de triëre, die haar wachtte.De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma10aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde de lucht van een duizendvoudig »Ailinos”, ten afscheid. Op het dek van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste liefdesgroeten toe.—In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia, de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg, als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja, mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes, die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart getroffen.”1Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.2Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den “Faust”), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.3Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.4Bijnaam van Aphrodite (Venus).5De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.6Sappho’s grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.7De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin voortbestaan.8Klaaglied.9De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en myrten.10Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aangegeven.

Tiende hoofdstuk.Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord gelaat. »Heb ik het u niet gezegd,” zoo begon hij, »dat het voor een eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven, zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet.”Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van dit Grieksche bedelaarspak!”»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger te zijn dan gij.”»Verstandiger?—verstandiger?—Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo kunstig aangelegd, dat.....”»De fijnste weefsels scheuren het lichtst.”»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen.”»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken eener persoonlijke wraak.”»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet, dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwerbevelen heeft gemengd. Zulk een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes is ons de bestraffing van Gyges schuldig.”»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen, dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien uw vader groote verplichting heeft.”»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?”»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan.”»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening verschaffen?”»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne handen heeft!”»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw vader den koning staat!”»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen gebruik weten te maken.”»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen.”»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot bezitten.”Amasis verbleekte.»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand, die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende, uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen, dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigenbrief van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter zijde stond1, houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft, zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is.”»Wie bezit die papieren?” vroeg Amasis op ijskouden toon.»De priesters.”»En deze spreken door uw mond?”»Gelijk gij zegt.”»Herhaal dan, wat gij van mij begeert.”»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken.”»Is dit alles?”»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel te Memphis stake!”»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen, zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden.”»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als...”»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot en gelukkig te maken, was ik tot heden tot iederpersoonlijk offer bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen, teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith, mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken wil ten offer brengen. Zwijg—en vertrek!”Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen2en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje, dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.»Waar is mijn zoon?” vroeg hij den eersten den besten hoveling, die hem tegenkwam.»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,” was het antwoord.De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!”Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat het naamcijfer des konings droeg3, en las: Ik heb uw zoon bij mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen, want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel; maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen.”De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers, honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen vervolgde4, te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren zijne verijdelde wraak te verhalen.Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen, en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken in hiëroglyphenteekensvan goud en zilver ingelegd. Amasis maakte zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben, wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had5.Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges, verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening der sterrenkunde had beziggehouden6, was op zekeren avond, toen hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester, en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.»Ik onderwijs hem,” antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans overtreft, gelijk de zon de maan.—Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen; hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten te overzien. Gaatgij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten, of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot, die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij, die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen, die tot een grooten boom zal opwassen.”De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten ’t hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had gemaakt, hem gewoonlijkvergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig, om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht, geoefend hadden.Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart, en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou, als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest de ongelukkigezichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen, welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar, die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd, door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds in hare verbeelding haar »zoet dochterken” tot beheerscheresse der halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was: »vorstin” en »koningin.” In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster aan het Perzische hof.1In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.2Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.3Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.4De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.5Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.6Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.Elfde hoofdstuk.Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin, en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich, om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen, zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat gij in mijne nabijheid zijt,” fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij, als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort, en ik u mijn leven lang heb lief gehad.”»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk zou zijn zonder u te leven.”»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!”»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten, als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust.”»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst, wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt; maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergetenzult. Melitta heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven; zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook, styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig1. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen, want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult.”»En uw vertrouwen bedriegt u niet!”»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw blijven, hij zal mij niet vergeten!” Maar als het blaadje zonder eenig geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.—Doch ik vernam bijna altijd den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk, zelden reden om treurig te zijn2.”»En zoo zal het blijven!”»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias, die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!”»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!—Hebt gij het verstaan?”»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!” zoo zou mij uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle tongen der wereld.”»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan zou ik...”»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta.”»Och toe, wilt gij ’t mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul, gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen, wat de vogel spreekt?”»Ik zal ’t u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje: ‘Ik min u!’ en zij antwoordt, luister slechts: ‘Itys, Ito, Itys’3.”»En wat beteekent dat: Ito, ito?”»Ik neem het aan, ik neem het aan!”»En Itys?”»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid, want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: ‘ik neem het aan,—ik neem het aan voor alle eeuwigheid!’”»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?”»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking: ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!”»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk een witte zwaan.”»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem kunnen spreken.”»Zoo fluister,—of zing!”»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje voorzingen. Alkman, deLydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.—Kus mij nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan echter vorder ik zelve een kus tot belooning:“De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:Der bergen kruin, de klip in ’t grondloos zout,De stroom en ’t meir, ’t gebladerte van ’t woud,De worm der aarde—’t rust en sluimert àl.Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;Na d’arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;In d’afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,Het vooglenpaar te midden van zijn kroost.”»En nu mijn beste, een kus?”»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks bij het kussen het luisteren vergat.”»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?”»Schoon, als alles, wat gij zingt.”»En wat de groote Helleensche zangers dichten.”»Ook dit geef ik u toe.”»Hebt gij in Perzië geene dichters?”»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?”»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden.”»Hoe bedoelt gij dat?”»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen.”»Mijne Sappho....”»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland, wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw willen verachten of slechts berispen,—want wie zou het wagen mijn Bartja te verachten—zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt gij mij dat beloven, Bartja?”»Dat wil ik!”»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw land onderwerpen moet,—want uit liefde zult gij geene tweede vrouw nemen,—zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert, druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht, zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal, dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen, en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstandin uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u, en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt, en dat gij haar nog altijd liefhebt.”»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen, doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane.”»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?”»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene gade van haar echtgenoot.”»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?”»Zoo spoedig ik maar kan en mag.”»O, ik zal geduldig wachten.”»En zal ik ook tijding van u ontvangen?”»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden draag ik mijn groet voor u op....”»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte zal brengen.”»Waar vind ik dien?”»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken.”»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb.”»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?”»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!”»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het laatste zal ontrukken.”»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene groote gunst toe!”»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb.”»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne dierbaarste wenschen vervuld ziet.”»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!”»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, terwijl zij blij het tegenwoordige geniet.”»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn afgelegen vaderland wil volgen.”»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: ‘O, hoe lief hebben wij den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen jongeling eens zien!’—dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!”»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris4, en ik kus mijne zuster als zij roept: ‘O, Aphrodite, kon ik u eens zien!’”»Hoor, wat was dat?—Daar klapt onze trouwe schildwacht in de handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!”»Nog eene kus!”»Vaarwel!”Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje, dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.»Nog niet te bed, Sappho?” luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, mijn kind?”Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder, en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.Rhodopis verbleekte.»Verlaat ons!” gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder, even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?”Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kustehaar en zeide: »Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik5tot vrouw willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen hem opgericht. Het warme Aeolische6bloed in uwe aderen heeft liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs late wachten.”»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig trouw gezworen?”»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig spreekwoord: ‘Zeus hoort de eeden der minnenden niet.’ Waarom zou de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te moeten doen van den persoon dien gij bemint.”»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden, als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ikmet vol vertrouwen hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen.”»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart....”»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!”Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden, glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking aannam.Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw, herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O, grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren.”»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen uitstrekken!” zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.—Morgen zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen, of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust, mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!”Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende, dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon en het aanlichten van den dag.Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus: »Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig schijnt, om de vrouw vanden eersten aller koningen te zijn. Zij stamt af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten, de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers huwen dochters van pharao’s, om hunne kinderen het erfrecht op den troon te verschaffen.”»Ik heb u zwijgend aangehoord,” antwoordde Cresus, »en moet u bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen, of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben moet.—Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want de groote grondlegger derPerzischeheerschappij mocht zich slechts in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel, even deugdzaam als beminnelijk.—Wel vergt men van de koningszonen, dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden genoeg op, datzelfsslavinnen koningen ter wereld hebben gebracht7. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik, om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal, wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt, zijne toestemming niet onthouden.”»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd,”riep Rhodopis zeer verheugd.»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij groote zorg.”»Meent gij dan, dat Bartja...”»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal.”»Maar...”»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk te storten.”»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?”»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat, en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal, ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag wenschen.”»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele zoon van den grooten koning.”Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, hetvertrekbinnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving, dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn hart met zoo grootezaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek bij Rhodopis te ondersteunen.Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur.”»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!”»Zij doet pijn!”»Maar die pijn is zoet!”»Zij verwart den geest!”»Maar zij versterkt het hart!”»O, die liefde!” riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield, niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter school gegaan?”»En toch,” hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift, vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij is zoet,” en tegen beter weten in blijven beminnen!”In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster, het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet, en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle Achaemeniden tegen ons samen!”»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?” vroeg Rhodopis, met vreugdetranen in de oogen.Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder, en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de schimmen uwer gestorvenouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen, als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt.”Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek, dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden, toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot, waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den schoonen en beminden koningszoon?In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik, de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond, tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak, knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons zelfs en om Egypte’s wil.”»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?”»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes.”»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land.”»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang hebben.”»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte uitbreiden!”Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht, en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid »Ailinos8!” Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden was9. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop beklom zij de triëre, die haar wachtte.De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma10aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde de lucht van een duizendvoudig »Ailinos”, ten afscheid. Op het dek van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste liefdesgroeten toe.—In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia, de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg, als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja, mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes, die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart getroffen.”1Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.2Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den “Faust”), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.3Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.4Bijnaam van Aphrodite (Venus).5De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.6Sappho’s grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.7De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin voortbestaan.8Klaaglied.9De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en myrten.10Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aangegeven.

Tiende hoofdstuk.Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord gelaat. »Heb ik het u niet gezegd,” zoo begon hij, »dat het voor een eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven, zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet.”Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van dit Grieksche bedelaarspak!”»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger te zijn dan gij.”»Verstandiger?—verstandiger?—Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo kunstig aangelegd, dat.....”»De fijnste weefsels scheuren het lichtst.”»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen.”»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken eener persoonlijke wraak.”»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet, dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwerbevelen heeft gemengd. Zulk een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes is ons de bestraffing van Gyges schuldig.”»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen, dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien uw vader groote verplichting heeft.”»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?”»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan.”»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening verschaffen?”»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne handen heeft!”»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw vader den koning staat!”»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen gebruik weten te maken.”»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen.”»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot bezitten.”Amasis verbleekte.»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand, die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende, uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen, dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigenbrief van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter zijde stond1, houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft, zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is.”»Wie bezit die papieren?” vroeg Amasis op ijskouden toon.»De priesters.”»En deze spreken door uw mond?”»Gelijk gij zegt.”»Herhaal dan, wat gij van mij begeert.”»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken.”»Is dit alles?”»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel te Memphis stake!”»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen, zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden.”»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als...”»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot en gelukkig te maken, was ik tot heden tot iederpersoonlijk offer bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen, teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith, mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken wil ten offer brengen. Zwijg—en vertrek!”Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen2en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje, dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.»Waar is mijn zoon?” vroeg hij den eersten den besten hoveling, die hem tegenkwam.»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,” was het antwoord.De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!”Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat het naamcijfer des konings droeg3, en las: Ik heb uw zoon bij mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen, want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel; maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen.”De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers, honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen vervolgde4, te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren zijne verijdelde wraak te verhalen.Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen, en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken in hiëroglyphenteekensvan goud en zilver ingelegd. Amasis maakte zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben, wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had5.Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges, verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening der sterrenkunde had beziggehouden6, was op zekeren avond, toen hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester, en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.»Ik onderwijs hem,” antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans overtreft, gelijk de zon de maan.—Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen; hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten te overzien. Gaatgij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten, of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot, die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij, die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen, die tot een grooten boom zal opwassen.”De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten ’t hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had gemaakt, hem gewoonlijkvergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig, om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht, geoefend hadden.Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart, en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou, als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest de ongelukkigezichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen, welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar, die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd, door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds in hare verbeelding haar »zoet dochterken” tot beheerscheresse der halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was: »vorstin” en »koningin.” In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster aan het Perzische hof.1In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.2Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.3Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.4De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.5Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.6Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.

Toen Amasis zijn zoon zag binnentreden, barstte hij uit in schaterend gelach, volstrekt geen acht slaande op diens bleek en verstoord gelaat. »Heb ik het u niet gezegd,” zoo begon hij, »dat het voor een eenvoudig Egyptenaar geene lichte taak is, zulk een Helleenschen vos te vangen? Ik had gaarne tien steden van mijn rijk gegeven, zoo ik tegenwoordig had kunnen zijn, toen gij in den gewaanden wel bespraakten Athener den stotterenden Lydiër herkendet.”

Psamtik werd nog bleeker. Hij beefde van toorn, en met heesche stem antwoordde hij: »Het staat u niet mooi, vader, u te verheugen over den hoon uw zoon aangedaan. Had ik mijn drift niet beteugeld ter wille van Cambyzes, zoo zou, bij de eeuwige goden, de onbeschaamde Lydiër heden voor het laatst het licht der zon aanschouwd hebben. Maar wat raakt het u of ik, uw zoon, ten doelwit verstrek aan den spot van dit Grieksche bedelaarspak!”

»Zie niet met minachting neder op hen, die bewezen hebben verstandiger te zijn dan gij.”

»Verstandiger?—verstandiger?—Mijn ontwerp was zoo fijn en zoo kunstig aangelegd, dat.....”

»De fijnste weefsels scheuren het lichtst.”

»Dat mij de geslepen Helleen niet zou zijn ontkomen, zoo zich niet, in strijd met alle wetten en gebruiken, de gezant eener vreemde mogendheid tot redder van dezen door ons ter dood veroordeelden had opgeworpen.”

»Gij dwaalt, mijn zoon! Hier is geene sprake van de voltrekking van een rechterlijk vonnis, maar eenvoudig van het gelukken of mislukken eener persoonlijke wraak.”

»De werktuigen van die wraak waren evenwel beambten des konings, en daarom is het geringste, wat ik als genoegdoening van u eischen moet, dat gij den koning van Perzië verzoekt, den man te straffen, die zich ongeroepen in de tenuitvoerlegging uwerbevelen heeft gemengd. Zulk een vergrijp zal in Perzië, waar zich alles voor den koning als voor de godheid buigt, naar recht en billijkheid vergolden worden. Cambyzes is ons de bestraffing van Gyges schuldig.”

»Maar ik zal er hem toch niet toe aanmanen, want ik wil u bekennen, dat ik mij hartelijk verheug over de redding van Phanes. Gyges heeft mijne ziel bewaard voor het verwijt, onschuldig bloed vergoten te hebben, en u verhinderd lage wraak te oefenen aan een man, aan wien uw vader groote verplichting heeft.”

»Zoo wilt gij dan dit voorval voor Cambyzes geheel verzwijgen?”

»Neen! ik zal het hem in een brief mededeelen, doch schertsende, gelijk dit mijne gewoonte is, en hem tegelijk voor Phanes waarschuwen. Ik zal er hem op voorbereiden, dat hij ter nauwernood aan onze wraak ontsnapt, het zich ten doel zal stellen het machtige Perzië tegen Egypte op te ruien, en mijn schoonzoon verzoeken zijn oor voor den indringer te sluiten. De vriendschap van Cresus en Gyges zal ons van meer nut zijn, dan de haat van Phanes ons schaden kan.”

»Is dat uw laatste woord? Wilt gij mij geene genoegdoening verschaffen?”

»Neen! Het blijft bij hetgeen ik gezegd heb.”

»Zoo beef niet slechts voor Phanes, maar voor een anderen, wiens lot wij in onze handen hebben, maar die wederkeerig uw lot in zijne handen heeft!”

»Gij wilt mij dreigen, wilt den gisteren geknoopten band weder verbreken? Psamtik, Psamtik, ik raad u te bedenken, dat gij voor uw vader den koning staat!”

»En gij, wees indachtig dat ik uw zoon ben! Want, zoo gij mij dwingt te vergeten, dat ik u het leven verschuldigd ben, en ik op geene hulp van uwe zijde rekenen mag, zoo zal ik van mijne eigene wapenen gebruik weten te maken.”

»Ik ben waarlijk nieuwsgierig, die te leeren kennen.”

»Waarom zou ik die voor u verbergen? Weet dan, dat ik en mijne vrienden, de priesters, in den oogarts Nebenchari een bondgenoot bezitten.”

Amasis verbleekte.

»Vóor dat gij kondet vermoeden, dat Cambyzes aanzoek om uwe dochter zou doen, zondt gij dezen man naar het afgelegene Perzië, ten einde iemand, die het geheim der afkomst van mijne zoogenaamde zuster Nitetis kende, uit Egypte te verwijderen. Daar bevindt hij zich nu nog, en op den eersten wenk der priesterschap zal hij den misleiden koning mededeelen, dat gij hem, in plaats van uw eigen kind, de dochter van uw voorganger Hophra tot vrouw hebt gegeven. Alle papieren van den arts zijn in ons bezit. Het gewichtigste stuk van alle, een eigenhandigenbrief van u, gericht aan zijn vader, die Ladice bij hare bevalling ter zijde stond1, houdt in, dat gij duizend gouden ringen belooft, zoo hij zelfs voor de priesters geheim wilde houden, dat Nitetis uit een ander stamhuis dan het uwe afkomstig is.”

»Wie bezit die papieren?” vroeg Amasis op ijskouden toon.

»De priesters.”

»En deze spreken door uw mond?”

»Gelijk gij zegt.”

»Herhaal dan, wat gij van mij begeert.”

»Eisch van Cambyzes de bestraffing van Gyges, en geef mij volmacht om den voortvluchtigen Phanes te vervolgen naar mijn goeddunken.”

»Is dit alles?”

»Leg in handen der priesters den eed af, dat gij van nu aan den Hellenen beletten zult, in Egypte nieuwe tempels voor hunne leugengoden te bouwen, en bevelen zult, dat men de oprichting van den Apollo-tempel te Memphis stake!”

»Ik verwachtte diergelijke eischen; want voorzeker, men heeft een scherp wapen tegen mij gevonden. Ik ben bereid aan de wenschen mijner vijanden, die gij u tot vrienden hebt uitgelezen, gehoor te geven. Maar ook ik stel twee voorwaarden. Ten eerste verlang ik den bewusten brief terug, dien ik werkelijk onvoorzichtig genoeg aan den vader van Nebenchari heb geschreven; want liet ik dit document in hunne handen, zoo kon ik verzekerd zijn, in plaats van koning te blijven, weldra de onderdanige slaaf van ellendige priesterlisten te zullen worden.”

»Uw wensch is billijk. Gij zult den brief ontvangen, als...”

»Geen tweede: als! Verneem veeleer, dat ik uw wensch, om Cambyzes aan te manen tot het straffen van Gyges, zoo dwaas acht, dat ik dien niet vervullen zal. Laat mij nu alleen, en treed mij niet onder de oogen voordat ik u ontbied. Gisteren had ik een zoon gewonnen, om hem heden weder te verliezen. Sta op! Ik begeer geene bewijzen van eene onderdanigheid en liefde die gij nooit gekend hebt. Als gij in het vervolg troost of raad noodig hebt, ga dan tot de priesters, en zie of zij uw vader vervangen kunnen. Zeg aan Neithotep, die u kneden kan als zachte was, dat hij het rechte middel heeft gevonden, om mij af te persen wat ik hem anders geweigerd zou hebben. Om Egypte groot en gelukkig te maken, was ik tot heden tot iederpersoonlijk offer bereid; nu mij echter duidelijk wordt, dat de priesterschap het niet beneden zich acht mij met het verraad van het vaderland te dreigen, teneinde hare eigene bedoelingen te verwezenlijken, kon ik er wel eens toe komen de zoo bevoorrechte kaste voor gevaarlijker vijanden van mijn rijk te houden dan zelfs de Perzen. Neem u in acht! Neem u in acht! Ditmaal buig ik nog voor de listen mijner vijanden, want ik heb zelf, door vaderlijke zwakheid gedreven, een groot gevaar over Egypte gebracht. Voortaan echter zal ik, bij de groote Neith, mijne gebiedster! handtastelijk bewijzen dat ik koning ben, en eer de gansche priesterschap, dan het kleinste deel van mijn koninklijken wil ten offer brengen. Zwijg—en vertrek!”

Psamtik ging. Ditmaal echter had de koning meer tijd noodig, om met een vroolijk gelaat zijne gasten te kunnen ontmoeten. De prins begaf zich dadelijk tot den opperbevelhebber der inlandsche troepen. Hij gebood hem den Egyptischen hoofdman, het onbekwame werktuig zijner verijdelde wraak, naar de steengroeven van Chennoe te verbannen2en de Ethiopische krijgslieden naar hun land terug te zenden. Daarop spoedde hij zich naar den opperpriester van Neith, om dezen mede te deelen wat hij van den koning had weten te verwerven.

Neithotep schudde bedenkelijk het verstandig hoofd, bij het vernemen der dreigende woorden van Amasis, en zond den troonopvolger heen met eenige vermaningen, zonder welke hij hem nooit van zich liet gaan.

Psamtik trad nu zijne woning binnen. Zijne mislukte wraak, de nieuwe rampzalige breuk met zijn vader, de vrees voor de bespotting der vreemdelingen, het gevoel zijner afhankelijkheid van den wil der priesters, het geloof aan eene vreeselijke toekomst, die hem van zijne geboorte af boven het hoofd hing, drukten loodzwaar op zijn hart en verduisterden zijn geest. Eens was hij gelukkig geweest in het bezit eener geliefde vrouw en van vijf bloeiende kinderen. Van dat alles was hem niets overgebleven dan eene dochter en een zoontje, dat hij met zijne gansche ziel liefhad. Tot dien knaap voelde hij zich thans heengetrokken. In de nabijheid van dit kind hoopte hij troost en nieuwen moed te vinden. Het helderblauwe oog en de lachende mond van zijn zoon waren alleen in staat, het als met eene ijskorst omgeven gemoed van dezen man te verwarmen.

»Waar is mijn zoon?” vroeg hij den eersten den besten hoveling, die hem tegenkwam.

»Zoo even heeft de koning prins Necho en zijne oppasster laten halen,” was het antwoord.

De hofmeester van den kroonprins naderde nu zijn meester, en overhandigde hem met eene diepe buiging een verzegelden, op papyrus geschreven brief, zeggende: »Van uw vader, den koning!”

Met toornige drift verbrak Psamtik het gele was van het zegel, dat het naamcijfer des konings droeg3, en las: Ik heb uw zoon bij mij ontboden, opdat hij niet evenals gij tot het blinde werktuig der priesters opgroeie, en niet vergeten zal wat hij zichzelven en zijn vaderland verschuldigd is. Ik zal voor zijne opvoeding zorg dragen, want de indrukken, in de kindsheid ontvangen, doen het gansche leven door hun invloed gevoelen. Wilt gij Necho bezoeken, het is mij wel; maar dan moet gij mij van te voren van uwe komst verwittigen.”

De kroonprins beet zich de lippen aan bloed, om voor de hem omringende dienaars zijne woede te verbergen. De wensch van zijn vader, den koning, was in Egypte even verbindend als het strengste bevel. Eenige oogenblikken stond hij in diep gepeins. Daarop riep hij om jagers, honden, bogen en lansen, sprong op een lichten wagen, en deed zich door zijn wagenmenner in het westelijk gelegene moerasland brengen, om daar, terwijl hij de bewoners der wildernis met honden en werpspietsen vervolgde4, te vergeten wat zijn hart benauwde, en op de dieren zijne verijdelde wraak te verhalen.

Gyges was, oogenblikkelijk na het onderhoud van zijn vader met Amasis, op vrije voeten gesteld, en door zijne vrienden met luid gejubel ontvangen. De pharao scheen de gevangenneming van den zoon zijns vriends door verdubbelde hartelijkheid weder goed te willen maken. Hij schonk den jongen Lydiër nog dienzelfden dag een kostbaren wagen met twee bruine rossen van edel ras bespannen, en verzocht hem tot een aandenken aan Saïs een zeer kunstig damspel naar Perzië mede te nemen. De schijven van dit spel waren vervaardigd van ivoor en ebbenhout. Sommige dier schijven waren met zinspreuken in hiëroglyphenteekensvan goud en zilver ingelegd. Amasis maakte zich met zijne gasten recht vroolijk over de list van Gyges, liet de jonge helden ongehinderd met zijn gezin verkeeren, en behandelde hen gelijk een opgeruimd vader zijne levenslustige zonen. Alleen bij den maaltijd bewees hij, dat hij in zijn hart toch nog een Egyptenaar was; want de Perzen moesten aan eene afzonderlijke tafel eten. Hij zou zich, volgens het geloof zijner vaderen, verontreinigd hebben, wanneer hij met de vreemdelingen aan dezelfde tafel gespijsd had5.

Toen Amasis eindelijk, drie dagen na de invrijheidstelling van Gyges, verklaarde, dat zijne dochter Nitetis binnen twee weken tot de afreize naar Azië gereed zou zijn, betreurden al de Perzen, dat zij niet langer in Egypte konden toeven. Cresus had vele gelukkige uren gesleten in het gezelschap van den Samischen dichter en beeldhouwer. Gyges koesterde, evenals zijn vader, eene voorliefde voor de Helleensche kunstenaars. Darius, die zich te Babylon reeds met de beoefening der sterrenkunde had beziggehouden6, was op zekeren avond, toen hij den hemel beschouwde, door den grijzen opperpriester van Neith aangesproken en uitgenoodigd hem op den hoogsten pylon, de voornaamste sterrenwacht van den tempel, te volgen. Mocht hem deze toenadering van den priester ook verbazen, de naar wijsheid begeerige jongeling had zich geen tweemaal laten nooden, en deed sedert dien avond alle nachten uit den mond van den grijsaard nieuwe kennis op.

Psamtik ontmoette op zekeren dag den vreemdeling bij zijn meester, en toen Darius zich verwijderd had, vroeg hij Neithotep, hoe deze er toe kwam een Pers in te wijden in de Egyptische geheimenissen.

»Ik onderwijs hem,” antwoordde de priester, »in zaken, welke ieder geleerd Chaldeër te Babylon evengoed weet als wij, en maak ons daardoor een man tot vriend, wiens gesternte dat van Cambyzes in glans overtreft, gelijk de zon de maan.—Deze Darius, zeg ik u, zal eenmaal een machtig heerscher worden. Ja, ik heb zijne planeet zelfs over Egypte zien lichten. Den wijze voegt het niet bij het tegenwoordige te blijven stilstaan; hij moet pogen ook in de toekomst door te dringen; hij moet niet alleen zijn eigen weg, maar ook zijne omgeving trachten te overzien. Gaatgij een huis voorbij, zoo kunt gij bezwaarlijk weten, of niet binnen de wanden dier woning iemand wordt opgevoed, die later uw weldoener zijn zal. Laat niets onopgemerkt van hetgeen ge op uw pad ontmoet; maar zie vóor alle dingen op naar de sterren. Gelijk de hond des nachts waakt, om zijn meester te kunnen waarschuwen zoo er dieven in aantocht zijn, waak ik sedert vijftig jaren, om de zwervers aan den hemel, de eeuwige in den aether schitterende boden van het noodlot, die den menschen niet slechts dag en nacht, zomer en winter, maar ook geluk en ongeluk, roem en schande verkonden, te bespieden. Zij, die nooit liegen, hebben mij in Darius eene plant doen aanschouwen, die tot een grooten boom zal opwassen.”

De nachtelijke leeruren van Darius, die hem veroorloofden langer dan gewoonlijk te slapen, waren Bartja uiterst welkom, want zij maakten ’t hem gemakkelijker zijne heimelijke morgen toertjes naar Naucratis uit te voeren, op welke Zopyrus, dien hij tot zijn vertrouwde had gemaakt, hem gewoonlijkvergezelde. Terwijl hij zelf bij Sappho was, hield zijn vriend zich gewoonlijk met zijne dienaren onledig, om eenige springhazen, snippen, pelikanen of vossen te schieten. En bij hunne terugkomst, wanneer hun mentor Cresus naar de oorzaak van hun vroegtijdig uitstapje onderzoek deed, heette het, dat de vrienden zich in de lievelingsbezigheid der aanzienlijke Perzen, de edele jacht, geoefend hadden.

Buiten Tachot, de dochter van Amasis, was er niemand, die de verandering bespeurde in het gemoed van den koningszoon, door de macht eener eerste liefde uitgewerkt. Zij voedde, sedert den dag waarop Bartja voor het eerst tot haar gesproken had, een stillen hartstocht voor den schoonen jongeling. Met de fijne voelhorens der liefde bemerkte zij alras, dat een derde zich tusschen haar en hem geplaatst moest hebben. Had Bartja haar vroeger als een broeder bejegend en haar bijzijn gezocht, thans vermeed hij zorgvuldig alle vertrouwelijke toenadering. Hij vermoedde het geheim van haar hart, en meende dat hij verraad pleegde jegens Sappho, met haar slechts vriendelijk aan te zien. De arme koningsdochter leed zeer onder de koelheid van den jongeling, en vertrouwde eindelijk hare smart aan Nitetis. Deze bemoedigde haar en bouwde luchtkasteelen voor en met haar. De beide meisjes spiegelden zich voor, hoe heerlijk het zijn zou, als zij met twee vorstelijke broeders gehuwd zich niet van elkander zouden behoeven te scheiden, maar aan éen hof zouden kunnen leven. Maar de eene dag vóor de andere na verstreek, en de schoone Pers vertoonde zich aan de dochter van Amasis steeds zeldzamer, en wanneer hij in haar gezelschap was, dan behandelde hij Tachot koel en vormelijk. Toch moest de ongelukkigezichzelve bekennen, dat Bartja gedurende zijn verblijf in Egypte nog schooner en mannelijker was geworden. Fierheid en het bewustzijn van eigenwaarde straalden thans uit zijne groote oogen, welker zachte uitdrukking daaronder echter niet leed; en, in plaats van den vroegeren jeugdigen overmoed, was er allengs eene eigenaardige kalmte waar te nemen in al zijne handelingen. Zijne wangen waren minder rooskleurig, maar die bleekheid stond hem goed, beter althans dan haar, die van dag tot dag verviel als sneeuw voor de zon.

Melitta, de oude slavin van Rhodopis, was de bondgenoote der minnenden geworden. Op zekeren morgen had zij Bartja en Sappho in hunne minnekoozerij verrast; doch zij was door den koningszoon zoo rijkelijk bedacht, door zijne schoonheid zoo geheel betooverd, door haar hartediefje zoo innig gebeden en met zulke fraaie namen betiteld geworden, dat zij beloofd had tegenover hare meesteres te zullen zwijgen. Ten laatste had zij, toegevende aan de neiging van alle oude vrouwen om verliefden voort te helpen, de samenkomsten der minnenden zelfs op alle mogelijke wijzen begunstigd. De oude zag reeds in hare verbeelding haar »zoet dochterken” tot beheerscheresse der halve wereld verheven. Zij noemde haar, als zij met haar alleen was: »vorstin” en »koningin.” In menig zwak oogenblik zag zij zichzelve met het oog haars geestes als rijkgetooide waardigheidsbekleedster aan het Perzische hof.

1In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.2Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.3Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.4De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.5Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.6Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.

1In het oude Egypte schijnen gewoonlijk vroedvrouwen de vrouwen te hebben bijgestaan, gelijk daar nog het geval is. Koninginnen worden overigens, evenals in onze sprookjes, bijgestaan door goede feeën en godinnen, meestal de Hathors.

2Eene vreeselijke straf voor groote misdadigers, die dikwijls werd toegepast.

3Zegelringen werden reeds vroeg door de Egyptenaars gedragen. (Vgl. Genesis 41, 42.) In alle Egyptische musea, o. a. te Leiden, zijn zulke ringen, waarvan sommige vierduizend jaren oud zijn. Men heeft er vele gevonden aan de handen van mummiën.

4De Egyptische koningen en rijksgrooten waren bijzondere liefhebbers van de jacht. Men richtte daarvoor honden en andere dieren af. Op de monumenten vindt men afbeeldingen van jachten op gazellen, en steenbokken, ook op vogels met slagnetten en werptuigen. Op een leeuwenjacht komt Ramses IV voor, terwijl een met pijlen doorboorde leeuw naast hem nederzijgt en eene gewonde leeuwin in het riet vlucht.

5Volgens Herodotus mocht een Egyptenaar geen vreemdeling kussen of met dezen uit éen schotel eten; hij mocht zelfs het vleesch niet aanroeren, dat met het mes van een Griek gesneden was. Men herinnere zich, hoe de broeders van Jozef afzonderlijk moesten eten.

6Na de Egyptenaars waren de Chaldeën te Babylon de eerste sterrenkundigen. Zij moeten reeds in het bezit zijn geweest van astronomische tafels.

Elfde hoofdstuk.Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin, en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich, om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen, zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat gij in mijne nabijheid zijt,” fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij, als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort, en ik u mijn leven lang heb lief gehad.”»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk zou zijn zonder u te leven.”»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!”»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten, als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust.”»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst, wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt; maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergetenzult. Melitta heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven; zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook, styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig1. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen, want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult.”»En uw vertrouwen bedriegt u niet!”»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw blijven, hij zal mij niet vergeten!” Maar als het blaadje zonder eenig geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.—Doch ik vernam bijna altijd den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk, zelden reden om treurig te zijn2.”»En zoo zal het blijven!”»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias, die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!”»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!—Hebt gij het verstaan?”»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!” zoo zou mij uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle tongen der wereld.”»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan zou ik...”»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta.”»Och toe, wilt gij ’t mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul, gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen, wat de vogel spreekt?”»Ik zal ’t u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje: ‘Ik min u!’ en zij antwoordt, luister slechts: ‘Itys, Ito, Itys’3.”»En wat beteekent dat: Ito, ito?”»Ik neem het aan, ik neem het aan!”»En Itys?”»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid, want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: ‘ik neem het aan,—ik neem het aan voor alle eeuwigheid!’”»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?”»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking: ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!”»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk een witte zwaan.”»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem kunnen spreken.”»Zoo fluister,—of zing!”»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje voorzingen. Alkman, deLydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.—Kus mij nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan echter vorder ik zelve een kus tot belooning:“De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:Der bergen kruin, de klip in ’t grondloos zout,De stroom en ’t meir, ’t gebladerte van ’t woud,De worm der aarde—’t rust en sluimert àl.Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;Na d’arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;In d’afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,Het vooglenpaar te midden van zijn kroost.”»En nu mijn beste, een kus?”»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks bij het kussen het luisteren vergat.”»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?”»Schoon, als alles, wat gij zingt.”»En wat de groote Helleensche zangers dichten.”»Ook dit geef ik u toe.”»Hebt gij in Perzië geene dichters?”»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?”»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden.”»Hoe bedoelt gij dat?”»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen.”»Mijne Sappho....”»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland, wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw willen verachten of slechts berispen,—want wie zou het wagen mijn Bartja te verachten—zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt gij mij dat beloven, Bartja?”»Dat wil ik!”»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw land onderwerpen moet,—want uit liefde zult gij geene tweede vrouw nemen,—zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert, druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht, zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal, dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen, en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstandin uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u, en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt, en dat gij haar nog altijd liefhebt.”»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen, doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane.”»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?”»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene gade van haar echtgenoot.”»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?”»Zoo spoedig ik maar kan en mag.”»O, ik zal geduldig wachten.”»En zal ik ook tijding van u ontvangen?”»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden draag ik mijn groet voor u op....”»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte zal brengen.”»Waar vind ik dien?”»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken.”»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb.”»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?”»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!”»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het laatste zal ontrukken.”»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene groote gunst toe!”»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb.”»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne dierbaarste wenschen vervuld ziet.”»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!”»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, terwijl zij blij het tegenwoordige geniet.”»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn afgelegen vaderland wil volgen.”»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: ‘O, hoe lief hebben wij den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen jongeling eens zien!’—dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!”»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris4, en ik kus mijne zuster als zij roept: ‘O, Aphrodite, kon ik u eens zien!’”»Hoor, wat was dat?—Daar klapt onze trouwe schildwacht in de handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!”»Nog eene kus!”»Vaarwel!”Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje, dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.»Nog niet te bed, Sappho?” luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, mijn kind?”Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder, en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.Rhodopis verbleekte.»Verlaat ons!” gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder, even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?”Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kustehaar en zeide: »Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik5tot vrouw willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen hem opgericht. Het warme Aeolische6bloed in uwe aderen heeft liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs late wachten.”»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig trouw gezworen?”»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig spreekwoord: ‘Zeus hoort de eeden der minnenden niet.’ Waarom zou de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te moeten doen van den persoon dien gij bemint.”»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden, als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ikmet vol vertrouwen hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen.”»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart....”»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!”Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden, glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking aannam.Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw, herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O, grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren.”»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen uitstrekken!” zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.—Morgen zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen, of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust, mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!”Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende, dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon en het aanlichten van den dag.Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus: »Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig schijnt, om de vrouw vanden eersten aller koningen te zijn. Zij stamt af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten, de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers huwen dochters van pharao’s, om hunne kinderen het erfrecht op den troon te verschaffen.”»Ik heb u zwijgend aangehoord,” antwoordde Cresus, »en moet u bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen, of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben moet.—Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want de groote grondlegger derPerzischeheerschappij mocht zich slechts in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel, even deugdzaam als beminnelijk.—Wel vergt men van de koningszonen, dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden genoeg op, datzelfsslavinnen koningen ter wereld hebben gebracht7. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik, om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal, wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt, zijne toestemming niet onthouden.”»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd,”riep Rhodopis zeer verheugd.»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij groote zorg.”»Meent gij dan, dat Bartja...”»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal.”»Maar...”»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk te storten.”»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?”»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat, en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal, ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag wenschen.”»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele zoon van den grooten koning.”Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, hetvertrekbinnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving, dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn hart met zoo grootezaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek bij Rhodopis te ondersteunen.Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur.”»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!”»Zij doet pijn!”»Maar die pijn is zoet!”»Zij verwart den geest!”»Maar zij versterkt het hart!”»O, die liefde!” riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield, niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter school gegaan?”»En toch,” hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift, vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij is zoet,” en tegen beter weten in blijven beminnen!”In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster, het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet, en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle Achaemeniden tegen ons samen!”»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?” vroeg Rhodopis, met vreugdetranen in de oogen.Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder, en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de schimmen uwer gestorvenouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen, als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt.”Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek, dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden, toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot, waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den schoonen en beminden koningszoon?In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik, de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond, tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak, knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons zelfs en om Egypte’s wil.”»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?”»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes.”»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land.”»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang hebben.”»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte uitbreiden!”Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht, en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid »Ailinos8!” Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden was9. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop beklom zij de triëre, die haar wachtte.De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma10aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde de lucht van een duizendvoudig »Ailinos”, ten afscheid. Op het dek van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste liefdesgroeten toe.—In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia, de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg, als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja, mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes, die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart getroffen.”1Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.2Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den “Faust”), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.3Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.4Bijnaam van Aphrodite (Venus).5De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.6Sappho’s grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.7De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin voortbestaan.8Klaaglied.9De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en myrten.10Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aangegeven.

Drie dagen vóor de afreis van Nitetis, had Rhodopis een groot aantal gasten, onder welke zich Cresus en Gyges bevonden, ten harent genoodigd. Gedurende den maaltijd zouden, onder begunstiging van den nacht en met de hulp der slavin, de verliefden elkander in den tuin ontmoeten. Nadat Melitta zich overtuigd had, dat het tafelgesprek in vollen gang was, opende zij de poort, liet den koningszoon in den tuin, en voerde hem de geliefde maagd te gemoet. Dan verwijderde zij zich, om voor hen te waken, en door in de handen te klappen te waarschuwen, zoo zich ongeroepen getuigen van hun onderhoud mochten opdoen.

»Nog slechts drie dagen kan ik mij opbeuren met de overtuiging, dat gij in mijne nabijheid zijt,” fluisterde Sappho. »Menigmaal is het mij, als had ik u gisteren voor het eerst gezien. Gewoonlijk ben ik evenwel te moede, als of gij mij reeds gedurende eene eeuwigheid toebehoort, en ik u mijn leven lang heb lief gehad.”

»Ook mij is het, als waart gij van mijne vroegste jeugd de mijne geweest; want ik kan mij niet voorstellen, dat het mij ooit mogelijk zou zijn zonder u te leven.”

»Ware die tijd der scheiding slechts voorbij!”

»O, geloof mij, die tijd vliegt sneller om, dan gij meent. Het wachten zal ons wel lang, zeer lang toeschijnen; maar wanneer wij weder bij elkander zijn, moet het ons, dunkt mij, wezen, als hadden we elkaar eerst kort geleden vaarwel gezegd. Ziet gij, zoo ging het mij dagelijks. Hoe vurig verlangde ik altijd naar den morgen en naar uw bijzijn! En was ik weder hier, en waart gij weder aan mijne zijde gezeten, dan scheen het als had ik u geen oogenblik verlaten, als had uw hand sinds den vorigen dag bestendig op mijn hoofd gerust.”

»En toch overvalt mij een, mij anders geheel onbekende angst, wanneer ik aan het oogenblik van scheiden denk. Niet dat ik vrees voor die ure. Wel zal mijn hart bloeden, als gij mij vaarwel zegt; maar ik weet dat gij wederkomen en mij niet vergetenzult. Melitta heeft het orakel willen raadplegen, of gij mij getrouw zult blijven; zij wilde ook naar eene oude vrouw gaan, die onlangs uit Phrygië is aangekomen, en des nachts uit het trekken van strikken de toekomst kan voorzeggen. Daarbij heeft zij voor de reinigingen, wierook, styrax, maanvormige koeken en bladeren van wilde doornstruiken noodig1. Maar ik heb Melitta verzocht niets van dit alles te doen, want mijn hart weet beter dan Pythia, strik en offerrook, dat gij mij trouw blijven en mij steeds liefhebben zult.”

»En uw vertrouwen bedriegt u niet!”

»Toch ben ik niet volkomen gerust geweest. Want ik heb, gelijk de meisjes gewoonlijk doen, wel honderdmaal in een papaverblad geblazen en er dan op geslagen. Als het dan knalde, jubelde ik: »hij zal mij trouw blijven, hij zal mij niet vergeten!” Maar als het blaadje zonder eenig geluid scheurde, dan werd ik bedroefd.—Doch ik vernam bijna altijd den zoo vurig begeerden knal, en ik had meestal reden om vroolijk, zelden reden om treurig te zijn2.”

»En zoo zal het blijven!”

»Ja, zoo moet het blijven. Spreek echter zacht, liefste, opdat Knakias, die daar naar den Nijl gaat om water te scheppen, ons niet bemerke!”

»Ja, ik zal zacht spreken... Zoo! Nu strijk ik uwe zijden lokken achterwaarts en fluister in uw oor: Ik bemin u!—Hebt gij het verstaan?”

»Wat men gaarne hoort, zegt grootmoeder, verstaat men zoo licht. Maar al hadt gij mij zoo even ook toegeroepen: »ik haat u!” zoo zou mij uw blik toch met duizend stemmen toegezongen hebben, dat gij mij bemint. De zwijgende taal van het oog is veel welsprekender, dan alle tongen der wereld.”

»Kon ik zoo, als gij, de schoone taal der Hellenen spreken, dan zou ik...”

»O, het verheugt mij, dat gij niet beter spreekt; want dan zoudt gij alles wat gij gevoelt onder woorden kunnen brengen, en gij zoudt mij, dunkt me, veel minder teeder in de oogen zien. Want wat zijn woorden? Hoort gij daar den nachtegaal? De gave der spraak werd hem niet verleend, en toch geloof ik dat ik hem versta.”

»Och toe, wilt gij ’t mij zeggen? Ik zou gaarne weten, wat Bulbul, gelijk wij Perzen den nachtegaal noemen, met zijne liefste ginds in den rozestruik te verhandelen heeft. Moogt gij mij verklappen, wat de vogel spreekt?”

»Ik zal ’t u zachtkens zeggen. Philomele zegt zingende tot zijn wijfje: ‘Ik min u!’ en zij antwoordt, luister slechts: ‘Itys, Ito, Itys’3.”

»En wat beteekent dat: Ito, ito?”

»Ik neem het aan, ik neem het aan!”

»En Itys?”

»Dit laat zich niet zoo in een enkel woord vertolken. Itys is een kring. De kring beteekent, dat leerde men mij althans, de eeuwigheid, want hij heeft begin noch einde. Daarom roept het wijfje: ‘ik neem het aan,—ik neem het aan voor alle eeuwigheid!’”

»En wanneer ik nu tot u zeg: Ik min u?”

»Zoo antwoord ik, gelijk de zangster van den nacht met verrukking: ik neem het aan voor heden, voor morgen, voor de eeuwigheid!”

»O, welk een nacht! Alles rust en zwijgt; ik hoor zelfs den nachtegaal niet meer. Thans zit hij in gindschen acacia-boom, welks bloesemknoppen zulk een liefelijken geur uitwasemen. De kronen der palmen spiegelen zich in den Nijl, en daartusschen wiegelt het beeld der maan gelijk een witte zwaan.”

»En hare stralen houden met zilveren draden alles wat leeft geboeid. Daarom ligt de geheele wereld als eene gevangene vrouw zwijgend en roerloos neder. Hoe gelukkig ik mij ook gevoel, zou ik thans toch niet kunnen lachen, en nog veel minder met luider stem kunnen spreken.”

»Zoo fluister,—of zing!”

»Gij hebt gelijk. Geef mij mijn speeltuig. Ik dank u. Laat mij mijn hoofd aan uwe borst leggen en u een eenvoudig vredeliedje voorzingen. Alkman, deLydiër, die in Sparta woonde, heeft het gezongen den stillen nacht ter eere. Luister nu goed, want dit liefelijke slaapliedje moet zacht, zeer zacht over de lippen zweven.—Kus mij nu niet meer, neen, ik bid u, kus mij niet vóor ik gedaan heb; dan echter vorder ik zelve een kus tot belooning:

“De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:Der bergen kruin, de klip in ’t grondloos zout,De stroom en ’t meir, ’t gebladerte van ’t woud,De worm der aarde—’t rust en sluimert àl.Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;Na d’arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;In d’afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,Het vooglenpaar te midden van zijn kroost.”

“De slaap is neêrgedaald op vlakte en dal:

Der bergen kruin, de klip in ’t grondloos zout,

De stroom en ’t meir, ’t gebladerte van ’t woud,

De worm der aarde—’t rust en sluimert àl.

Het wild gedierte slaapt, en ademt zwaar;

Na d’arbeid slaapt de nijvre bijenschaar;

In d’afgrond slaapt, zich schomlend in den vloed,

Des oceaans ontzaglijk monsterbroed;

En hijgend, borst aan borst, slaapt moêgekoosd,

Het vooglenpaar te midden van zijn kroost.”

»En nu mijn beste, een kus?”

»Ik had onder het luisteren het kussen vergeten, gelijk ik straks bij het kussen het luisteren vergat.”

»Gij ondeugd! Maar is mijn liedje niet schoon?”

»Schoon, als alles, wat gij zingt.”

»En wat de groote Helleensche zangers dichten.”

»Ook dit geef ik u toe.”

»Hebt gij in Perzië geene dichters?”

»Hoe kunt gij dit vragen? Zou een volk met mogelijkheid op edele gevoelens roem kunnen dragen, als het de edele dichtkunst verachtte?”

»Maar de Perzen hebben toch kwade zeden.”

»Hoe bedoelt gij dat?”

»Gijlieden kiest u zoo vele vrouwen.”

»Mijne Sappho....”

»Versta mij niet verkeerd! Zie, ik heb u zoo lief, dat ik geen andere wensch heb, dan u gelukkig te zien en alle lief en leed met u te mogen deelen. Bezondigt gij u tegen de zeden van uw vaderland, wanneer gij mij alleen tot vrouw neemt, mocht men u wegens uwe trouw willen verachten of slechts berispen,—want wie zou het wagen mijn Bartja te verachten—zoo neem u andere vrouwen nevens mij; maar laat mij eerst slechts twee, drie jaren lang u geheel alleen bezitten. Wilt gij mij dat beloven, Bartja?”

»Dat wil ik!”

»En dan, wanneer mijn tijd voorbij is, en gij u aan de zeden van uw land onderwerpen moet,—want uit liefde zult gij geene tweede vrouw nemen,—zoo laat mij uwe eerste slavin blijven. O, ik heb mij dit zoo schoon voorgespiegeld! Als gij ten strijde trekt, zet ik u den tulband op de lokken, gord ik u het zwaard om de lendenen, geef ik u de lans in de hand. Als gij als overwinnaar huiswaarts keert, druk ik het eerst u den krans op het hoofd. Gaat gij ter jacht, zoo gesp ik u de sporen aan; en begeeft gij u naar een feestmaal, dan tooi en zalf ik u, vlecht ik voor u populier- en rozenkransen, en slinger ze u om voorhoofd en schouderen. Zijt gij gewond, dan verbind ik u; zijt gij krank, zoo wijk ik niet van uwe zijde; zijt gij gelukkig, dan trek ik mij terug, en vermei me op een afstandin uwe eere en in uw voorspoed. Misschien roept ge mij dan wel tot u, en uw kus zal mij zeggen, dat gij over uwe Sappho tevreden zijt, en dat gij haar nog altijd liefhebt.”

»O Sappho, waart gij reeds heden mijn vrouwtje! Wie zulk een groote schat bezit als ik in u, die mag hem zorgvuldig bewaren, maar hij zal niet naar andere schatten trachten, die bij deze éene vergeleken niet anders dan armelijk kunnen zijn. Wie u liefheeft, bemint geene andere meer. Wel is waar is het in mijn vaderland de gewoonte, dat ieder man vele vrouwen neemt, maar dit is alleen geoorloofd, het wordt niet door eene wet bevolen. Mijn vader had wel honderd slavinnen, doch inderdaad slechts éene vrouw, onze moeder Cassandane.”

»En zal ik dan uwe Cassandane zijn?”

»Neen, mijne Sappho, want wat gij nu mij zijn zult, dat was nog geene gade van haar echtgenoot.”

»Wanneer komt gij weder om mij met u te nemen?”

»Zoo spoedig ik maar kan en mag.”

»O, ik zal geduldig wachten.”

»En zal ik ook tijding van u ontvangen?”

»Ik zal u lange, zeer lange brieven schrijven, en aan alle winden draag ik mijn groet voor u op....”

»Doe dat, mijne liefste! Wat de brieven betreft, geef die met den bode mede, die aan Nitetis van tijd tot tijd berichten uit Egypte zal brengen.”

»Waar vind ik dien?”

»Ik zal u te Naucratis een man aanwijzen, die alles, wat gij hem zult doen toekomen, bezorgen zal. Het overige wil ik met Melitta bespreken.”

»Wij kunnen haar vertrouwen, want zij heeft overleg, en houdt veel van mij. Maar ik heb nog eene andere vriendin, die mij na u het meest bemint, en die ook ik na mijn Bartja het liefste heb.”

»Gij bedoelt uwe grootmoeder Rhodopis?”

»Mijne trouwe opvoedster en leermeesteres!”

»Zij is eene edele vrouw, Cresus noemt haar de voortreffelijkste aller vrouwen, en hij kent de menschen, gelijk een arts de kruiden en wortels. Want deze weet dat sommigen een doodelijk gif, anderen genezingbrengende sappen bevatten. Rhodopis, zegt Cresus dikwerf, gelijkt eene roos, die liefelijk geurt en aan zwakke lijders verkwikkenden balsem schenkt, zelfs dan nog, wanneer zij verwelkende blad voor blad verliest, en geduldig den wind verbeidt die haar het laatste zal ontrukken.”

»O, moge zij nog lang gespaard blijven! Liefste, sta mij nog eene groote gunst toe!”

»Zij is u toegestaan, nog eer ik ze vernomen heb.”

»Wanneer gij mij met u neemt, zoo laat Rhodopis hier niet alleen achter. Dat zij met ons trekke! Zij is zoo goed, en heeft mij zoo innig lief, dat zij dan alleen gelukkig kan zijn, als zij mijne dierbaarste wenschen vervuld ziet.”

»Zij zal de eerste gast in ons huis zijn!”

»Wat zijt gij goed! Thans ben ik volmaakt tevreden en gerust. De goede vrouw heeft mij zoo noodig! Zij kan niet leven zonder mij, haar kind. Ik lach hare droeve zorgen weg. Als zij bij mij zit om mij te leeren, als zij liederen voor mij zingt, of mij wijst hoe men de schrijfstift hanteeren moet, of de luit bespeelt, dan straalt een rein licht van haar voorhoofd, en effenen zich al de voren, door de smart geploegd; hare zachte oogen lachen, en zij vergeet menigen kwaden dag, terwijl zij blij het tegenwoordige geniet.”

»Alvorens wij scheiden zal ik haar vragen, of zij ons naar mijn afgelegen vaderland wil volgen.”

»O, hoe verheugt mij dit! En wilt gij wel gelooven, dat mij nu de eerste tijd van uw afzijn in het geheel niet vreeselijk schijnt? Thans mag ik u, mijn bruidegom, wel alles zeggen, wat mij verblijdt of bedroeft; voor anderen echter moet ik zwijgen. Weet dan, mijn beste, dat wij, terwijl gij naar uw vaderland terugkeert, twee kleine gasten in ons huis verwachten, de kinderen van den goeden Phanes, van den man, voor wien uw vriend, de zoon van Cresus, zijn leven in de waagschaal stelde. Ik wil voor de kinderen steeds als eene moeder zorgen, en als zij zoet zijn geweest, zal ik hun schoone sprookjes vertellen van een koningszoon, een sterken held, die zich een eenvoudig meisje tot vrouw koos. En als ik hun dan beschrijf, hoe die prins, die jonge held er uitzag, dan zal ik u in mijne verbeelding voor mij zien. Zonder dat mijn lief tweetal er iets van merkt, zal ik u van het hoofd tot de voeten afschilderen. Mijn held is van uwe lengte, hem sieren uwe gouden lokken, uwe blauwe oogen verlevendigen zijn voorhoofd, en uwe vorstelijke, prachtige kleeding omgeeft zijne edele gestalte. Uw edel hart, uw trouw, oprecht karakter, uw eerbied voor de goden, uwe dapperheid, kortom, alles wat ik in u liefheb en hoogschat, zal het deel van den held mijner verhalen zijn. De kinderen zullen aandachtig luisteren. En wanneer zij zullen uitroepen: ‘O, hoe lief hebben wij den koningszoon, wat is hij schoon en goed; ach, konden wij dien edelen jongeling eens zien!’—dan druk ik hen vol liefde aan mijn hart en kus hen, gelijk ik u gekust zou hebben. Dan is ook der kinderen wensch vervuld, want daar gij in mijn hart woont, zoo leeft gij in mij en zijt gij hun nabij; en daarom, als zij mij omarmen, omarmen zij ook u!”

»En ik ga tot mijne zuster Atossa, en verhaal haar van alles wat ik op mijn tocht gezien heb. En als ik de minzaamheid der Grieken, de pracht hunner werken en de bekoorlijkheid hunner vrouwen prijs, dan wil ik uw liefelijk wezen schilderen, gelijk het beeld der gulden Aphrodite. Ik zal haar van uwe deugd, van uwe schoonheid en zedigheid, van uw welluidend gezang, dat zelfs den nachtegaal dwingt te luisteren, wanneer hij u hoort, van uwe liefde, van uwe teederheid spreken. Maar dit alles breng ik over op de goddelijke gestalte van Cypris4, en ik kus mijne zuster als zij roept: ‘O, Aphrodite, kon ik u eens zien!’”

»Hoor, wat was dat?—Daar klapt onze trouwe schildwacht in de handen! Vaarwel, wij moeten van hier! Tot wederziens!”

»Nog eene kus!”

»Vaarwel!”

Melitta was op haar post van ouderdom en vermoeidheid in slaap gevallen. Eensklaps werd zij door een groot gedruisch in hare droomen gestoord. Aanstonds klapte zij in de handen, om het paar te waarschuwen en Sappho naar huis te roepen, daar zij aan de sterren bespeurde, dat de dag weldra zou aanbreken. Toen de oude vrouw met het meisje, dat aan hare hoede was toevertrouwd, het huis naderde, bemerkte zij, dat het gedruisch, waardoor zij gewekt was, veroorzaakt werd door de gasten, die zich gereed maakten om te vertrekken. Zij drong Sappho om toch spoed te maken, en bracht het verschrikte meisje door de achterdeur in huis en in haar slaapvertrek. Zij wilde juist beginnen met haar te ontkleeden, toen Rhodopis binnentrad.

»Nog niet te bed, Sappho?” luidde haar vraag. »Wat beduidt dit, mijn kind?”

Melitta beefde en had reeds een leugen gereed; maar Sappho wierp zich aan de borst harer grootmoeder, omhelsde en kuste haar teeder, en verhaalde haar de geheele geschiedenis harer liefde.

Rhodopis verbleekte.

»Verlaat ons!” gebood zij de slavin op strengen toon. Daarop plaatste zij zich voor hare kleindochter, legde de handen op hare schouders, en zeide: »Zie mij in de oogen, Sappho! Kunt gij mij nog even helder, even kinderlijk rein aanzien, als vóor de aankomst van dezen Pers?”

Het meisje zag lachend en met open gelaat tot hare grootmoeder op. Toen drukte Rhodopis haar aan hare borst, kustehaar en zeide: »Sinds gij de kinderschoenen hebt uitgetrokken, was het mijn streven u tot eene waardige jonkvrouw op te voeden, en u tegen de liefde te vrijwaren. Ik had zoo spoedig mogelijk een geschikten echtgenoot voor u willen kiezen, en u hem volgens Helleensch gebruik5tot vrouw willen geven. Maar de goden hebben het anders gewild. Eros drijft den spot met alle muren en bolwerken, door menschenhanden tegen hem opgericht. Het warme Aeolische6bloed in uwe aderen heeft liefde geëischt: het driftige hart uwer Lesbische voorvaderen klopt ook in uwe borst. Aan het gebeurde valt niets te veranderen. Bewaar dan de genotvolle uren dezer uwe reine eerste liefde als een kostbaar kleinood in de schatkamer uwer herinnering, want het leven van ieder mensch wordt vroeger of later zoo arm en ledig, dat hij zulke schatten van het verleden behoeft, om niet te versmachten. Gedenk den schoonen knaap in uwe eenzaamheid. Zeg hem vaarwel als hij naar zijn vaderland wederkeert, maar onderdruk met al uwe krachten de hoop van hem ooit te zullen wederzien. De Perzen zijn wuft en wispelturig; al wat nieuw is bekoort hen; naar al wat vreemd is strekken zij de open armen uit. Uw lief gezichtje behaagde den koningszoon. Hij gelooft vast en zeker, dat hij u bemint; maar hij is jong en schoon, hij wordt in zijn land door al de maagden van voornamen huize begeerd, en hij is en blijft een Pers. Trek gij uw hart van hem af, opdat hij u niet vergeefs late wachten.”

»Hoe zou ik dat kunnen, grootmoeder! Heb ik hem niet voor eeuwig trouw gezworen?”

»Gij, kinderen, speelt met de eeuwigheid, als duurde zij slechts een oogenblik! Wat uw eed betreft, dien keur ik zeer af. Maar dit verblijdt me, dat ge aan hem vasthoudt, want ik verfoei dat misdadig spreekwoord: ‘Zeus hoort de eeden der minnenden niet.’ Waarom zou de godheid een eed, met betrekking tot het heiligste wat er in de mensch is, geringer achten dan een, die slechts de nietige vragen van het mijn en dijn betreft? Zoo houd dan wat gij beloofd hebt, vergeet nimmer uwe liefde, maar gewen u aan de gedachte afstand te moeten doen van den persoon dien gij bemint.”

»Nooit, grootmoeder! Zou dan Bartja mijn vriend zijn geworden, als ik hem niet kon vertrouwen? Juist, omdat hij een Pers is, die de waarheidsliefde zijne schoonste deugd noemt, mag ikmet vol vertrouwen hopen, dat hij zijn eed gedachtig zal wezen, en mij, in spijt der treurige gewoonte van zijn land, tot zijne eenige vrouw zal verheffen.”

»En als hij toch zijn eed eens vergat, dan zou uwe jeugd helaas in droefheid verkwijnen, en met een vergiftigd hart....”

»O, goede, lieve grootmoeder, zeg zulke verschrikkelijke dingen toch niet! Als gij hem kendet, gelijk ik hem ken, zoudt gij u met mij verblijden, en moeten toestemmen, dat eer de Nijl opdrogen en de pyramiden instorten zullen, dan dat mijn Bartja mij bedriegen zal!”

Het meisje sprak deze woorden met zulk een blij vertrouwen, met zoo overtuigende zekerheid, en hare donkere oogen, waarin tranen opwelden, glinsterden daarbij van zulk een gloed en van zoo groote zaligheid, dat ook het gelaat harer grootmoeder weder eene vriendelijke uitdrukking aannam.

Nog eenmaal sloeg Sappho hare armen om den hals der geliefde vrouw, herhaalde voor haar ieder woord, dat de beminde jongeling tot haar gesproken had, en besloot haar verhaal met den uitroep: »O, grootmoeder, ik ben zoo gelukkig! En als gij nu met ons naar Perzië trekt, zie, dan heb ik niets meer van de Onsterfelijken te begeeren.”

»Maar al te spoedig zullen uwe armen zich weder naar hen uitstrekken!” zuchtte Rhodopis. »Met afgunstige blikken beschouwen zij het geluk der stervelingen, en wegen hun het booze met kwistige, het goede met karige handen toe. Ga thans ter ruste, mijn kind, en bid met mij, dat dit alles een gelukkig einde moge nemen. Aan een kind bracht ik mijn morgengroet, eene jonkvrouw zeg ik goeden nacht; moogt gij mij eens als gade even vroolijk den mond tot kussen bieden als nu.—Morgen zal ik met Cresus over u spreken. Van zijne uitspraak zal het afhangen, of ik u kan toestaan u als de bruid van den Pers te beschouwen, dan wel of ik u bezweren moet den koningszoon te vergeten, om weldra de huisvrouw van een Helleen van mijne keus te worden. Slaap gerust, mijne lieveling, slaap gerust; uwe oude grootmoeder waakt over u!”

Sappho sluimerde aanstonds in, door zalige droomen zachtkens in slaap gewiegd. Doch Rhodopis zag nog lang, nu eens glimlachende, dan weder bedenkelijk het voorhoofd fronsende, naar de opgaande zon en het aanlichten van den dag.

Den volgenden morgen liet Rhodopis Cresus verzoeken, haar een uurtje gehoor te schenken. Zij deelde den grijsaard zonder grooten omhaal van woorden mede, wat Sappho haar beleden had, en eindigde aldus: »Ik weet niet welke eischen de Perzen doen aan de gemalin van een vorst. Dit kan ik u echter zeggen, dat Sappho mij de eere overwaardig schijnt, om de vrouw vanden eersten aller koningen te zijn. Zij stamt af van een edelen vrijen vader, en ik meen dat, volgens uwe wetten, de stand des vaders alleen de afkomst van het kind bepaalt. Diodorus beweert hetzelfde van de Egyptenaren, de gedenkteekenen leeren ons echter, dat hier veeleer de moeder het kind adelde. Overweldigers huwen dochters van pharao’s, om hunne kinderen het erfrecht op den troon te verschaffen.”

»Ik heb u zwijgend aangehoord,” antwoordde Cresus, »en moet u bekennen, dat ik, evenmin als gij, op dit oogenblik kan beslissen, of ik mij verheugen, dan wel of ik met deze liefde medelijden hebben moet.—Cambyzes en Cassandane, de moeder van Bartja en van den koning, hadden reeds vóor ons vertrek den prins willen doen huwen. De koning zelf mag zich tot heden niet in het bezit van een nakomeling verheugen. Mocht hij kinderloos blijven, zoo rust de eenige hoop op de voortplanting van het geslacht zijns vaders Cyrus op Bartja. Want de groote grondlegger derPerzischeheerschappij mocht zich slechts in het bezit van twee zonen verheugen, Cambyzes en den vriend uwer kleindochter. Deze laatste is de roem aller Perzen, de lieveling van het geheele hof, ja van het gansche land, de hoop van alle waardigheidsbekleeders en onderdanen. Hij is even schoon als edel, even deugdzaam als beminnelijk.—Wel vergt men van de koningszonen, dat zij met vrouwen uit hun, dat is het geslacht der Achaemeniden huwen; maar de Perzen hebben eene onbegrensde voorliefde voor al wat vreemd is, en zullen, verrukt over de schoonheid uwer kleindochter en zeker uit genegenheid voor Bartja, de oogen sluiten, en deze zonde tegen het oude gebruik lichtelijk vergeven, te eerder daar de onderdanen niets mogen inbrengen tegen alles, wat de goedkeuring des konings wegdraagt. Ook levert de Iranische geschiedenis voorbeelden genoeg op, datzelfsslavinnen koningen ter wereld hebben gebracht7. De moeder van den monarch, die evenzeer geëerbiedigd wordt als deze zelf, zal aan het geluk van haren jongsten meest geliefden zoon wel geene hinderpalen in den weg stellen. Als zij ziet, dat Bartja geen afstand wil doen van Sappho, als zij bemerkt, dat het lachende gelaat van dit aangebeden evenbeeld van haar overleden echtvriend met een waas van treurigheid wordt overtogen, dan zou zij, geloof ik, om hem zijne vroolijkheid te hergeven, zelfs niet weigeren eene Scytische als schoondochter aan te nemen. En ook Cambyzes zal, wanneer zijne moeder er hem op het rechte oogenblik om verzoekt, zijne toestemming niet onthouden.”

»Welnu, dan zouden alle bezwaren uit den weg zijn geruimd,”riep Rhodopis zeer verheugd.

»Niet de voltrekking van het huwelijk, maar de tijd daarna baart mij groote zorg.”

»Meent gij dan, dat Bartja...”

»Van zijne zijde ducht ik niets. Hij heeft een trouw hart en is zoolang onkwetsbaar gebleven voor de liefde, dat hij, nu zij hem eens getroffen heeft, met warmte en duurzaam beminnen zal.”

»Maar...”

»Maar gij moet niet vergeten dat, al ontvangen ook alle mannen met geestdrift de bekoorlijke gemalin van hun lieveling, in de vrouwenvertrekken der Perzische grooten duizend vrouwen ledig nederzitten, die er zich op zullen toeleggen, om de jeugdige nieuwelinge door allerlei listen en lagen te benadeelen, en geene hoogere vreugde zullen kennen, dan het onervaren kind in het ongeluk te storten.”

»Hebt gij dan zulke kwade gedachten van alle Perzische vrouwen?”

»Zij zijn niet slechter dan andere vrouwen; maar zij zullen haar benijden, die het hart van den man wist te winnen, naar wien zij met smachtend verlangen voor zichzelve of voor hare dochters uitzagen. De nijd ontwikkelt zich in de vertrekken van den harem, waar vadsige rust en eentonigheid hare tenten hebben opgeslagen, lichtelijk tot haat, en de bevrediging van dezen hartstocht is voor die beklagenswaardige wezens als het ware eene vergoeding voor het volslagen gebrek aan liefde en vrijheid. Juist de buitengewone schoonheid uwer Sappho zal, ik herhaal het u, haar des te bitterder vijandinnen op den hals halen. En al bemint Bartja haar nog zoo vurig, en al blijft zij de eerste jaren zijne eenige gade, zij zal toch zulke bange uren te doorleven hebben, dat ik in waarheid niet weet, of ik u met de in schijn zoo glansrijke toekomst uwer kleindochter wel geluk mag wenschen.”

»Ik ben volkomen van dezelfde meening. Een eenvoudig Helleen zou mij als schoonzoon verreweg verkieslijker zijn geweest, dan deze edele zoon van den grooten koning.”

Op dit oogenblik trad Bartja, door Knakias voorgegaan, hetvertrekbinnen. Hij smeekte Rhodopis hem de hoop op het bezit harer kleindochter niet te ontnemen. In welsprekende taal schilderde hij zijne vurige liefde voor het schoone meisje, en bezwoer dat zij zijn geluk ten top zou voeren, als zij zelve met hem naar Perzië wilde trekken. Daarop vatte hij de hand van Cresus, bad hem om vergeving, dat hij hem, zijn vaderlijken vriend, zoolang verzwegen had, wat zijn hart met zoo grootezaligheid vervulde, en smeekte hem zijn aanzoek bij Rhodopis te ondersteunen.

Glimlachende hoorde de grijsaard de hartstochtelijke taal van den jongeling aan, en zeide toen: »Hoe dikwijls, mijn Bartja, heb ik u tegen de liefde gewaarschuwd! Zij is een verterend vuur.”

»Maar hare vlammen zijn vol gloed en kleuren!”

»Zij doet pijn!”

»Maar die pijn is zoet!”

»Zij verwart den geest!”

»Maar zij versterkt het hart!”

»O, die liefde!” riep Rhodopis. »Spreekt die knaap, door Eros bezield, niet als had hij zijn leven lang bij een Attischen taalmeester ter school gegaan?”

»En toch,” hervatte Cresus, »noem ik verliefden de ongezeggelijkste van alle scholieren. Bewijs hun zonneklaar, dat hun hartstocht vergift, vuur, dwaasheid, dood is, zij zullen niettemin uitroepen: »maar hij is zoet,” en tegen beter weten in blijven beminnen!”

In dit oogenblik trad ook Sappho het vertrek binnen. Een wit feestgewaad, met purperrood gestikte boordsels en wijde mouwen, omgaf in losse plooien hare schoone gestalte, en werd op de heupen door een gouden gordel bijeengehouden. In heure haren had zij frissche rozen gestoken, en haar boezem was getooid met de vonkelende ster, het eerste geschenk van den geliefde. Lieftallig en blozende boog zij voor den grijsaard, wiens blikken lang op haar gevestigd bleven. En hoe langer hij dit jonkvrouwelijk gelaat beschouwde, des te vriendelijker uitdrukking nam het zijne aan. Beelden uit het verleden doemden voor zijne verbeelding op, en voor een oogenblik gevoelde hij zichzelven weder jong. Onwillekeurig naderde hij het meisje; hij drukte een warmen kus op haar voorhoofd, vatte hare hand, voerde haar Bartja tegemoet, en riep: »Neem haar, zij moet uwe vrouw worden, zelfs al spanden alle Achaemeniden tegen ons samen!”

»Gaat dat alles maar zoo buiten mij om?” vroeg Rhodopis, met vreugdetranen in de oogen.

Nu vatte Bartja de rechter-, Sappho de linkerhand der grootmoeder, en vier smeekende oogen zagen tot haar op. Rhodopis sprak als eene profetes, terwijl zij het hoofd fier oprichtte:

»Moge Eros, die u elkaar in de armen voerde, mogen Zeus en Apollo u beschermen! In de lente des levens zie ik u beiden bloeien, gelukkig en vol liefde, als twee rozen aan éen stengel; wat de zomer, de herfst en de winter u zullen brengen is alleen den goden bekend. Mogen de schimmen uwer gestorvenouders, mijne Sappho, u vriendelijk toelachen, als deze tijding van u in de benedenwereld tot hen komt.”

Drie dagen later verdrong zich aan de landingsplaats te Saïs wederom eene dichte volksmenigte, die getuige wenschte te zijn van de afreis der naar den vreemde vertrekkende dochter des konings, en haar een laatst vaarwel verlangde toe te roepen. Bij deze gelegenheid bleek, dat de Egyptenaren, in spijt van alle opruiingen der priesters, met innige liefde aan het regeerende vorstenhuis verknocht waren. Toen Amasis en Ladice Nitetis voor de laatste maal weenend omhelsden, toen Tachot, voor de oogen van alle Saïten, op de groote trap zich snikkende aan de borst harer zuster wierp, toen eindelijk de boot, waarin de bleeke dochter van den koning had plaats genomen, zich met gezwollen zeilen van den oever verwijderde, toen bleven weinig oogen zonder tranen. Alleen de priesters zagen ernstig en koud als altijd, het treffend schouwspel aan. Toen eindelijk ook de schepen der vreemdelingen, die de Egyptische maagd naar hare bestemming zouden geleiden, door den zuidenwind zeewaarts werden gestuwd, uitte zich menig Egyptenaar in vloeken en verwenschingen. Maar de achtergeblevene dochter des konings wuifde den vertrekkenden nog lang met haren sluier een laatst vaarwel toe. Zij weende vele en heete tranen. Golden deze uitsluitend de lieve speelnoote harer jeugd; golden zij soms ook den schoonen en beminden koningszoon?

In tegenwoordigheid der menigte omarmde Amasis zijne gade en dochter. Hij hief den kleinen Necho, zijn kleinzoon, in de hoogte, en dezen ziende, barstten de Egyptenaren los in een luid gejuich. Psamtik, de vader van het kind, stond zwijgend en oogenschijnlijk koel naast den koning, die hem niet eens scheen op te merken. Eindelijk trad Neithotep de opperpriester nader, leidde den prins, die nog in twijfel stond, tot zijn vader, legde beider handen inéen en smeekte met luider stem den zegen der goden af over het koninklijke huis. Terwijl hij sprak, knielden de Egyptenaren met opgehevene handen neder. Amasis drukte zijn zoon aan zijn hart, en fluisterde den opperpriester toe, toen deze zijn gebed geëindigd had: »Laat ons den vrede bewaren, om ons zelfs en om Egypte’s wil.”

»Hebt gij dien brief van Nebenchari ontvangen?”

»Een Samisch zeerooverschip vervolgt de triëre van Phanes.”

»Ginds vertrekt het kind van uw voorganger, de rechtmatige erfgename van den Egyptischen troon, onverlet naar het vreemde land.”

»De opbouw van den Helleenschen tempel te Memphis zal geen voortgang hebben.”

»Isis geve ons vrede! Geluk en welvaart mogen zich over Egypte uitbreiden!”

Te Naucratis hadden de in Egypte wonende Hellenen de dochter van hun beschermer, die naar den vreemde vertrok, een feest bereid. Op de altaren der Grieksche goden werden tal van offerdieren geslacht, en toen de Nijlbarken in de haven aanlegden, verhief zich een luid »Ailinos8!” Feestelijk uitgedoste maagden boden Nitetis een gouden band aan, die als bruidskrans met duizend geurige viooltjes omwonden was9. Als de schoonste jonkvrouw van Naucratis genoot Sappho de eer haar dien te mogen overhandigen. Nitetis nam het geschenk dankbaar aan, en drukte het meisje een kus op het voorhoofd. Daarop beklom zij de triëre, die haar wachtte.

De roeiers begaven zich aan den arbeid, en hieven het keleusma10aan. De zuidenwind vulde de zeilen, en ten tweeden male weêrgalmde de lucht van een duizendvoudig »Ailinos”, ten afscheid. Op het dek van het koninklijke schip wuifde Bartja zijner verloofde de laatste liefdesgroeten toe.—In haar hart bad Sappho tot Aphrodite Euploia, de schutsgodin der schippers. Een traan bevochtigde hare wang; maar om haar mond speelde een lachje van hoop en van liefde, terwijl de oude slavin Melitta, die het zonnescherm der jonkvrouw droeg, als eene wanhopige weende. Doch toen aan den krans, die het hoofd harer lieveling sierde, toevallig eenige blaadjes ontvielen, vergat de oude voor een oogenblik haar leed, en fluisterde zachtkens: »Ja, mijn hartje, men kan wel zien dat gij bemint, want alle meisjes, die blaadjes uit hare kransen verliezen, zijn door Eros in het hart getroffen.”

1Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.2Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den “Faust”), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.3Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.4Bijnaam van Aphrodite (Venus).5De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.6Sappho’s grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.7De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin voortbestaan.8Klaaglied.9De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en myrten.10Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aangegeven.

1Zulk een orakel wilde Glycera raadplegen, toen haar minnaar, de treurspeldichter Menander, door koning Ptolemaeus naar Egypte was ontboden.

2Zulk een bloemen-orakel, dat ons doet denken aan het uitplukken van acacia-, rozen- en madelievenblaadjes (men denke aan Gretchen in den “Faust”), was in de oudheid niet vreemd. Men zegt dat meisjes in Hellas tegenwoordig nog dit orakel raadplegen.

3Aldus laat Aeschylus den nachtegaal fluiten. Volgens de oude mythe, die door Ovidius zoo aandoenlijk wordt bezongen, is het de weeklacht van Philomele over Itys, die, om zich op zijn vader Tereus te wreken, door zijne eigene moeder Prokne geslacht werd.

4Bijnaam van Aphrodite (Venus).

5De Spartanen huwden naar de neiging van hun hart, maar te Athene trad men met de ouders der bruid over een huwelijk in onderhandeling, een natuurlijk gevolg van het afgezonderd leven der Attische meisjes.

6Sappho’s grootvader, Charaxus, de broeder van de dichteres, was, als op Lesbos geboren, een Aeoliër.

7De stam van de zonen van Feridoen bleef door eene slavin voortbestaan.

8Klaaglied.

9De Grieksche bruidskransen bestonden gewoonlijk uit viooltjes en myrten.

10Het lied, op welks maat de Grieksche matrozen gewoon waren te roeien. De melodie werd meestal door een fluitspeler (triëraules) aangegeven.


Back to IndexNext