Zesde hoofdstuk.

Zesde hoofdstuk.De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers1geholpen, hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!”Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime, en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang.De bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen niet naar de mannen ophieven.De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de prachten waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik overtogen had.»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen,” dacht de koning; »mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb.”Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de eunuchen overwogen.Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik, gelijk Boges wel vermoed had.Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk, om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware het heden een gewonedag, en ontzag ik u niet, als de dochter van een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken over hetgeen betamelijk is!”Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker, die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op, dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?”»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij haar licht onthoudt?” luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend antwoord.Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen; vorder gij dan ook heden een gouden troost.”»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn oog niet meer op haar laat schijnen?”»Dan kan ik u niet helpen!” riep Cambyzes, zich met onwil van haar afwendende.De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op.Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een aanvang.—Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige granaatappel ter grootte van een kinderhoofd2, door andere vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht, en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?”»Uw knecht Oropastes,” antwoordde de overste der magiërs,zich diep buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen.”»Ik dank u!” was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes, en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan, benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden, wij zullen niet lang meer invadsigerust onzen tijd verbeuzelen. De Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!”Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil den koning!” klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan, en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag, had Cambyzes zich nog nooit gevoeld.En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij, wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert, terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan, ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost, zoodra men doelt op wat hij wenscht.”Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea3tegen de legers van Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde, overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door handelsondernemingen groote schatten had verworven4. Hij schetste zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen, toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep: »Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer moeder te verwerven.”Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep, zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was5een einde te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des Nijls naar ons bergachtig land over te brengen.”»Wat schort u, zuster?” riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te bevochtigen.»Wat scheelt u?” vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!” stamelde Nitetis.Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggendeijlings ter hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade.”»Wat was dat?” riep de blinde moeder van den koning.»Wat schort u toch?” vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna verwijtenden toon.»Nitetis!” riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en kletterend op den grond gevallen.De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel, Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden, morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische, ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen6,—ja, ja, dat weet zelfs ieder kind,—alle vergiften komen uit Egypte!”Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen, leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken, en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in ’t geheel niet meer van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn Egyptischliefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?—Bedenk u goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen pijnappel.”»Onbeschaamde!” riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.»Ik dank u,” antwoordde het lachende monster.»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!” dreigde Nitetis.»Wat zijt gij beminnelijk!” antwoordde Boges.»Verwijder u uit mijne oogen!” riep de Egyptische.»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken,” fluisterde de eunuch, als had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit, en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is een geschenk van den armen, verachten Boges!”Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon, deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij, niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald af! Verstaan?—En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid, den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen zal!”De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand uit te strooien.Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken, doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug, onder het gejubel zijner buren.Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode, onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem, dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had, terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van haar bewustzijn te berooven.Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet, uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!”De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen, om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat,zoo zou hij hem gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van, en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger.Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen, hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,—want hij was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,—de trouwelooze in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning, een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten.Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik, beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen, dat ik het ben.”Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn, naar de gewoonte der Perzen7, krijgsraad houden, en overleggen, welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes, u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!”De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren, ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken, is de gemakkelijkste zaak die ik ken!”De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide: »Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte Pers, denkt gij slechts op ’t veld en in den strijd gelukkig te kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid, strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!—Laat ons geen onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen, die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven.”Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk, laten wij een vijand zoeken!”De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen, Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons niet liefheeft is onze vijand!”»Niets van dat alles!” riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot iederen prijs!”»Ik stem voor Cresus!” riep Gobryas.»Ik ook! riep de edeleArtabazos.»Wij zijn voor Hystaspes!” schreeuwden de held Araspes, de grijze Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog tot elken prijs!” brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus, met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve gewroken is,” zeide de opperpriester Oropastes.»Strijd! Strijd!” schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.Koel en rustig sloegCambyzeseenige oogenblikken de teugellooze geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op, en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!”Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats den Massageten zoudt antwoorden.—Acht gij de ziel van mijn vader, van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam gewroken?”Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar bezochte volk den vrede schenken?”—werd door alle aan wezenden met een levendig »Ja!” beantwoord.»Dat is het, wat ik weten wilde” vervolgde Cambyzes. »Morgen, als wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen vogel Parôdar8aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan.”Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil zij den Koning!” deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van den boomkweeker op de hangende tuinen.»Wat zoekt gij hier?” vroeg hij hem.»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen.”»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?”De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon half verbrand was.»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?” vroeg Boges, die vermoedde dat hier iets achter stak.»Ja, eene andere heeft mij gezonden.”»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in ’t geheim iets weten!”»Wie heeft u dit verraden?”»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja aanstonds ter hand stellen.”»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven.”»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij.”»Ik mag niet.”»Gehoorzaam mij, of...”Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle; daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.»Wat gebeurt hier?” vroeg Cambyzes.»Deze vermetele knaap,” antwoordde de eunuch, »is het paleis binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis over te brengen.”Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het voorhoofd den grond aanrakende.Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de Egyptische van mijn broeder?”»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft.”Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans aan dezen een klein papyrus-rolletje over.Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap, terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:»Wie heeft u dit gegeven?”»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter van den magiër.”»Voor mijn broeder Bartja?”»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen, en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje verklaren zou.”De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht.”»Dat hebt gij niet gedaan!” bulderde de, gelijk hij meende, schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten, grijpt den knaap!”De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlingsnaar zijne vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis niet meer.Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde, en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten, zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt gij uw leven verbeurd!”»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?”»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan zal beschouwen.”»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?”»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen.”»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen....”»Neen!—Verlaat mij!”»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal toe het bewustzijn verloren.—Indien op zulk een oogenblik eens iemand....”»Wie zou u dan kunnen vervangen?”»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud, en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne gezondheid te herstellen. Wees genadig!”»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.—Verlaat mij thans!”»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan.Hystaspes, Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg dragen, dat zij de Egyptische niet naderen.”»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen openhouden.—Ga!”Boges groette eerbiedig, en verliet ’s konings vertrek. Den slaven, die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting, want het lot van Nitetis scheen hem zoogoed als beslist, en het leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg, hield hij in zijne handen.Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen, Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden, zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit, om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen uitgestrekt was9.1Kamerheeren of ceremoniemeesters.2Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede zij het ooft weten te schikken.3Zie boven blz.11.4De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.5De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.6Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.7Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.8De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.9De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.Zevende hoofdstuk.De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid; Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een wilden ezel te volgen.Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge, wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte, te zien en te spreken.Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemenidenin een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken bijeen.—Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn, dien de koningszoon met milde hand schonk.»Gelukkige Bartja,” riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik, arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel, zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel.”»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!” riep Zopyrus, den beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis.”Araspes glimlachte weemoedig.»En wie belet u, nog heden te huwen?” riep Gyges. »Gij zijt wel zestig jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding, uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes, dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen.”»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur,” duwde de oude vrijer den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!”»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen.”»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen.”»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes.”»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gijmeer vertrouwen, dan in de eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder, en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde orakel van uw geluk afhouden!”»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne uitspraken verkeerd uitleggen?”»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!”»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!” sprak nu Darius. »Verklaar ons liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen, bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk schijnt te benijden?”Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker, en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u die thans niet mededeelen.”»Laat hooren, laat hooren!”»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!”»Ik dank u!” antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de lippen zette.»Gij meent het goed,” prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den grond keek.»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes,” riep de oude krijger, toen hij zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas, na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is zij niet schoon?”»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide,” antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene vroolijker uitdrukking aannam.»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?”Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!” riep de oude.»Wat zijt gijlieden toch dwaas,” sprak Zopyrus, die zich nu in het gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet,daar eene godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben, en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!”»Zopyrus heeft gelijk,” zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een ondankbaar mensch!”Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend werd doorgehaald. Hij zag ’t hem aan, dat de woorden zijner makkers eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw vader verzoend zult hebben.”»Misschien,” antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u, bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen.”»Dat geve Anahita,” riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen.”»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben,” antwoordde Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen, van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven, terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn, vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren.”»Bah!” hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels, dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen.”»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld worden,” antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig, en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden echtgenoot1wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar huis platliepen.”»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!” zeide de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen.”»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!” zeide Araspes, terwijl hij hem lachend aanzag.»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn, ze sloten onderling vrede.”»Hoe meent gij dat?”»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring hebt op dit gebied!”»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in.”»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens.”»Gij spotvogel!”»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik ging naar het hof.—Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente, en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog den Orontes bedekte)kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard, geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen, vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!—Nauw heb ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden, of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever, dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen.”»Ongelukkige Zopyrus!” zeide Bartja lachend.»Ongelukkige?” hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u, dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen te sterker doen uitkomen.—Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder verlicht is!”»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!” riep Darius, die buiten het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd,” viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde2getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!”»Gij hebt gelijk, vadertje!” zeide Bartja. »Philomele, gelijk de Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons verliet, om naar Bulbul te luisteren?”»Ik dacht niet aan meisjes,” antwoordde de jongeling. »Gij weet, dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen.”»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was gedrongen!” hernam Araspes plagende.»Genoeg!” riep Darius, dien deze scherts verdroot.»Onvoorzichtige,” fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij liever wat gij in de sterren gelezen hebt?”Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!”»Niets goeds,” antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken, Bartja.”»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen voor elkaâr!”»Toch....”»Kom, spreek gerust!”»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin.”Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius’ schouder, en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren, vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide: »Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op, die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte, want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen.”»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?”»Voorzeker! De sterren liegen nooit!”»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan hetgeen zij ons voorspellen.”»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!”»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen afscheid genomen.”»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresusop haar de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen.”»Zij zullen mij voor een lafaard houden.”»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot te ontvlieden, als men kan, is wijs.”»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?”»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan de overmacht tracht te ontkomen.”»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.—Hoe zou ik een gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben.”»Gij kent er de grootte niet van.”»Vreest gij voor mijn leven?”»Neen!”»Laat mij hooren, wat gij ducht.”»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u toen reeds boven het hoofd hingen.”»Waarom mij dat verzwegen?”»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u, daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert.”»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken.”»Ik begrijp dat gevoel...”»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?—Gij zegt niet neen?”»Ach, een droom zonder hoop!”»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?”»Versmaden?”»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?”»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen zou, Bartja?”»Dat kunt ge!”»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!”»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine Amescha Çpenta3! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren, want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder, en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!”»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, waaraan de dieren bevestigd waren4, brak van den dissel, en voor mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze Diws,bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals, Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last, behouden op den vasten bodem.»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen, schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie, en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag, den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet vergeten heeft. Cassandane....”»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen, daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden; hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn zoon tot vrouw verlangen!”»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen.”»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarigeknaap, naar de kroon zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus, nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven.”»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit zijn trots.”»Waar zou hij toch zoo lang blijven?”»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem ophouden.”»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!” liet zich op eens de stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!”»Wij komen, wij komen!” antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik Atossa’s hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid, aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op eigene wieken zijn doel te bereiken.”Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven: »Arme Bartja!” Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij: »Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter zijde staan!” Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met ongeduld zaten te wachten.Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die, als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.»Wat is u overkomen, vader?” vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand van den grijsaard vatte.»Niets, niets,” stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige,zijt gij nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers, die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den dood zult bekoopen.”»Maar Cresus, ik heb....”»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt....”»Wat zegt gij?”»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij, die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn uitdrukkelijk verbod te overtreden?”»Ik begrijp er niets van! Ik....”»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij de Egyptische....”»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!”»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik....”»Maar ik zweer u....”»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!”»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed.”»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben....”Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken, door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!”»Ik zweer u, vader,” riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren dezen tuin niet verlaten heeft!”»Dat bezweren wij allen,” verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius levendig, als uit éen mond.»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?” hernam Cresus op klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij dan, dat ik blind of krankzinnigben? Meent gij dan, dat uw getuigenis de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas, Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!”»Angramainjus moge mij verderven,” riep de oude Araspes, den angstigen grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren op de hangende tuinen is geweest.”»Noem mij uw zoon niet meer,” liet Gyges volgen, »als ons getuigenis valsch is.”»Bij de eeuwige sterren!” wilde Darius uitroepen, als Bartja de door elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!”»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling, want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt, weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!”»Vlucht, Bartja!” riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in sterrenschrift heeft gegeven.”Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou overladen.—Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden vaarwel heb gezegd.”Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die buiten zichzelven is van razernij,heeft mij bevolen, u, en allen, die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen.”Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet.”»Ik dank u, vriend,” hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog heden in het verhoor zal nemen.”1Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij ’s nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.2Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.3Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.4Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.

Zesde hoofdstuk.De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers1geholpen, hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!”Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime, en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang.De bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen niet naar de mannen ophieven.De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de prachten waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik overtogen had.»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen,” dacht de koning; »mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb.”Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de eunuchen overwogen.Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik, gelijk Boges wel vermoed had.Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk, om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware het heden een gewonedag, en ontzag ik u niet, als de dochter van een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken over hetgeen betamelijk is!”Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker, die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op, dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?”»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij haar licht onthoudt?” luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend antwoord.Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen; vorder gij dan ook heden een gouden troost.”»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn oog niet meer op haar laat schijnen?”»Dan kan ik u niet helpen!” riep Cambyzes, zich met onwil van haar afwendende.De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op.Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een aanvang.—Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige granaatappel ter grootte van een kinderhoofd2, door andere vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht, en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?”»Uw knecht Oropastes,” antwoordde de overste der magiërs,zich diep buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen.”»Ik dank u!” was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes, en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan, benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden, wij zullen niet lang meer invadsigerust onzen tijd verbeuzelen. De Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!”Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil den koning!” klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan, en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag, had Cambyzes zich nog nooit gevoeld.En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij, wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert, terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan, ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost, zoodra men doelt op wat hij wenscht.”Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea3tegen de legers van Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde, overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door handelsondernemingen groote schatten had verworven4. Hij schetste zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen, toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep: »Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer moeder te verwerven.”Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep, zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was5een einde te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des Nijls naar ons bergachtig land over te brengen.”»Wat schort u, zuster?” riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te bevochtigen.»Wat scheelt u?” vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!” stamelde Nitetis.Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggendeijlings ter hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade.”»Wat was dat?” riep de blinde moeder van den koning.»Wat schort u toch?” vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna verwijtenden toon.»Nitetis!” riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en kletterend op den grond gevallen.De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel, Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden, morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische, ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen6,—ja, ja, dat weet zelfs ieder kind,—alle vergiften komen uit Egypte!”Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen, leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken, en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in ’t geheel niet meer van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn Egyptischliefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?—Bedenk u goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen pijnappel.”»Onbeschaamde!” riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.»Ik dank u,” antwoordde het lachende monster.»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!” dreigde Nitetis.»Wat zijt gij beminnelijk!” antwoordde Boges.»Verwijder u uit mijne oogen!” riep de Egyptische.»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken,” fluisterde de eunuch, als had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit, en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is een geschenk van den armen, verachten Boges!”Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon, deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij, niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald af! Verstaan?—En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid, den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen zal!”De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand uit te strooien.Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken, doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug, onder het gejubel zijner buren.Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode, onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem, dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had, terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van haar bewustzijn te berooven.Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet, uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!”De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen, om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat,zoo zou hij hem gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van, en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger.Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen, hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,—want hij was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,—de trouwelooze in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning, een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten.Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik, beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen, dat ik het ben.”Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn, naar de gewoonte der Perzen7, krijgsraad houden, en overleggen, welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes, u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!”De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren, ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken, is de gemakkelijkste zaak die ik ken!”De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide: »Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte Pers, denkt gij slechts op ’t veld en in den strijd gelukkig te kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid, strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!—Laat ons geen onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen, die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven.”Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk, laten wij een vijand zoeken!”De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen, Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons niet liefheeft is onze vijand!”»Niets van dat alles!” riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot iederen prijs!”»Ik stem voor Cresus!” riep Gobryas.»Ik ook! riep de edeleArtabazos.»Wij zijn voor Hystaspes!” schreeuwden de held Araspes, de grijze Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog tot elken prijs!” brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus, met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve gewroken is,” zeide de opperpriester Oropastes.»Strijd! Strijd!” schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.Koel en rustig sloegCambyzeseenige oogenblikken de teugellooze geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op, en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!”Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats den Massageten zoudt antwoorden.—Acht gij de ziel van mijn vader, van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam gewroken?”Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar bezochte volk den vrede schenken?”—werd door alle aan wezenden met een levendig »Ja!” beantwoord.»Dat is het, wat ik weten wilde” vervolgde Cambyzes. »Morgen, als wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen vogel Parôdar8aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan.”Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil zij den Koning!” deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van den boomkweeker op de hangende tuinen.»Wat zoekt gij hier?” vroeg hij hem.»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen.”»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?”De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon half verbrand was.»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?” vroeg Boges, die vermoedde dat hier iets achter stak.»Ja, eene andere heeft mij gezonden.”»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in ’t geheim iets weten!”»Wie heeft u dit verraden?”»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja aanstonds ter hand stellen.”»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven.”»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij.”»Ik mag niet.”»Gehoorzaam mij, of...”Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle; daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.»Wat gebeurt hier?” vroeg Cambyzes.»Deze vermetele knaap,” antwoordde de eunuch, »is het paleis binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis over te brengen.”Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het voorhoofd den grond aanrakende.Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de Egyptische van mijn broeder?”»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft.”Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans aan dezen een klein papyrus-rolletje over.Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap, terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:»Wie heeft u dit gegeven?”»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter van den magiër.”»Voor mijn broeder Bartja?”»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen, en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje verklaren zou.”De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht.”»Dat hebt gij niet gedaan!” bulderde de, gelijk hij meende, schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten, grijpt den knaap!”De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlingsnaar zijne vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis niet meer.Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde, en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten, zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt gij uw leven verbeurd!”»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?”»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan zal beschouwen.”»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?”»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen.”»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen....”»Neen!—Verlaat mij!”»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal toe het bewustzijn verloren.—Indien op zulk een oogenblik eens iemand....”»Wie zou u dan kunnen vervangen?”»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud, en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne gezondheid te herstellen. Wees genadig!”»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.—Verlaat mij thans!”»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan.Hystaspes, Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg dragen, dat zij de Egyptische niet naderen.”»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen openhouden.—Ga!”Boges groette eerbiedig, en verliet ’s konings vertrek. Den slaven, die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting, want het lot van Nitetis scheen hem zoogoed als beslist, en het leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg, hield hij in zijne handen.Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen, Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden, zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit, om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen uitgestrekt was9.1Kamerheeren of ceremoniemeesters.2Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede zij het ooft weten te schikken.3Zie boven blz.11.4De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.5De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.6Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.7Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.8De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.9De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.Zevende hoofdstuk.De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid; Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een wilden ezel te volgen.Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge, wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte, te zien en te spreken.Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemenidenin een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken bijeen.—Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn, dien de koningszoon met milde hand schonk.»Gelukkige Bartja,” riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik, arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel, zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel.”»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!” riep Zopyrus, den beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis.”Araspes glimlachte weemoedig.»En wie belet u, nog heden te huwen?” riep Gyges. »Gij zijt wel zestig jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding, uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes, dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen.”»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur,” duwde de oude vrijer den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!”»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen.”»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen.”»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes.”»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gijmeer vertrouwen, dan in de eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder, en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde orakel van uw geluk afhouden!”»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne uitspraken verkeerd uitleggen?”»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!”»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!” sprak nu Darius. »Verklaar ons liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen, bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk schijnt te benijden?”Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker, en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u die thans niet mededeelen.”»Laat hooren, laat hooren!”»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!”»Ik dank u!” antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de lippen zette.»Gij meent het goed,” prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den grond keek.»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes,” riep de oude krijger, toen hij zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas, na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is zij niet schoon?”»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide,” antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene vroolijker uitdrukking aannam.»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?”Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!” riep de oude.»Wat zijt gijlieden toch dwaas,” sprak Zopyrus, die zich nu in het gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet,daar eene godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben, en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!”»Zopyrus heeft gelijk,” zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een ondankbaar mensch!”Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend werd doorgehaald. Hij zag ’t hem aan, dat de woorden zijner makkers eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw vader verzoend zult hebben.”»Misschien,” antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u, bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen.”»Dat geve Anahita,” riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen.”»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben,” antwoordde Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen, van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven, terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn, vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren.”»Bah!” hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels, dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen.”»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld worden,” antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig, en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden echtgenoot1wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar huis platliepen.”»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!” zeide de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen.”»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!” zeide Araspes, terwijl hij hem lachend aanzag.»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn, ze sloten onderling vrede.”»Hoe meent gij dat?”»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring hebt op dit gebied!”»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in.”»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens.”»Gij spotvogel!”»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik ging naar het hof.—Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente, en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog den Orontes bedekte)kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard, geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen, vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!—Nauw heb ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden, of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever, dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen.”»Ongelukkige Zopyrus!” zeide Bartja lachend.»Ongelukkige?” hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u, dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen te sterker doen uitkomen.—Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder verlicht is!”»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!” riep Darius, die buiten het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd,” viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde2getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!”»Gij hebt gelijk, vadertje!” zeide Bartja. »Philomele, gelijk de Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons verliet, om naar Bulbul te luisteren?”»Ik dacht niet aan meisjes,” antwoordde de jongeling. »Gij weet, dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen.”»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was gedrongen!” hernam Araspes plagende.»Genoeg!” riep Darius, dien deze scherts verdroot.»Onvoorzichtige,” fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij liever wat gij in de sterren gelezen hebt?”Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!”»Niets goeds,” antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken, Bartja.”»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen voor elkaâr!”»Toch....”»Kom, spreek gerust!”»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin.”Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius’ schouder, en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren, vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide: »Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op, die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte, want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen.”»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?”»Voorzeker! De sterren liegen nooit!”»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan hetgeen zij ons voorspellen.”»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!”»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen afscheid genomen.”»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresusop haar de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen.”»Zij zullen mij voor een lafaard houden.”»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot te ontvlieden, als men kan, is wijs.”»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?”»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan de overmacht tracht te ontkomen.”»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.—Hoe zou ik een gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben.”»Gij kent er de grootte niet van.”»Vreest gij voor mijn leven?”»Neen!”»Laat mij hooren, wat gij ducht.”»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u toen reeds boven het hoofd hingen.”»Waarom mij dat verzwegen?”»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u, daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert.”»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken.”»Ik begrijp dat gevoel...”»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?—Gij zegt niet neen?”»Ach, een droom zonder hoop!”»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?”»Versmaden?”»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?”»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen zou, Bartja?”»Dat kunt ge!”»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!”»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine Amescha Çpenta3! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren, want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder, en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!”»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, waaraan de dieren bevestigd waren4, brak van den dissel, en voor mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze Diws,bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals, Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last, behouden op den vasten bodem.»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen, schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie, en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag, den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet vergeten heeft. Cassandane....”»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen, daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden; hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn zoon tot vrouw verlangen!”»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen.”»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarigeknaap, naar de kroon zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus, nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven.”»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit zijn trots.”»Waar zou hij toch zoo lang blijven?”»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem ophouden.”»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!” liet zich op eens de stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!”»Wij komen, wij komen!” antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik Atossa’s hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid, aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op eigene wieken zijn doel te bereiken.”Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven: »Arme Bartja!” Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij: »Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter zijde staan!” Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met ongeduld zaten te wachten.Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die, als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.»Wat is u overkomen, vader?” vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand van den grijsaard vatte.»Niets, niets,” stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige,zijt gij nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers, die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den dood zult bekoopen.”»Maar Cresus, ik heb....”»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt....”»Wat zegt gij?”»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij, die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn uitdrukkelijk verbod te overtreden?”»Ik begrijp er niets van! Ik....”»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij de Egyptische....”»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!”»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik....”»Maar ik zweer u....”»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!”»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed.”»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben....”Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken, door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!”»Ik zweer u, vader,” riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren dezen tuin niet verlaten heeft!”»Dat bezweren wij allen,” verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius levendig, als uit éen mond.»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?” hernam Cresus op klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij dan, dat ik blind of krankzinnigben? Meent gij dan, dat uw getuigenis de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas, Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!”»Angramainjus moge mij verderven,” riep de oude Araspes, den angstigen grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren op de hangende tuinen is geweest.”»Noem mij uw zoon niet meer,” liet Gyges volgen, »als ons getuigenis valsch is.”»Bij de eeuwige sterren!” wilde Darius uitroepen, als Bartja de door elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!”»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling, want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt, weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!”»Vlucht, Bartja!” riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in sterrenschrift heeft gegeven.”Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou overladen.—Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden vaarwel heb gezegd.”Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die buiten zichzelven is van razernij,heeft mij bevolen, u, en allen, die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen.”Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet.”»Ik dank u, vriend,” hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog heden in het verhoor zal nemen.”1Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij ’s nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.2Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.3Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.4Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.

Zesde hoofdstuk.De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers1geholpen, hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!”Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime, en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang.De bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen niet naar de mannen ophieven.De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de prachten waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik overtogen had.»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen,” dacht de koning; »mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb.”Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de eunuchen overwogen.Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik, gelijk Boges wel vermoed had.Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk, om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware het heden een gewonedag, en ontzag ik u niet, als de dochter van een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken over hetgeen betamelijk is!”Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker, die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op, dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?”»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij haar licht onthoudt?” luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend antwoord.Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen; vorder gij dan ook heden een gouden troost.”»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn oog niet meer op haar laat schijnen?”»Dan kan ik u niet helpen!” riep Cambyzes, zich met onwil van haar afwendende.De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op.Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een aanvang.—Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige granaatappel ter grootte van een kinderhoofd2, door andere vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht, en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?”»Uw knecht Oropastes,” antwoordde de overste der magiërs,zich diep buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen.”»Ik dank u!” was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes, en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan, benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden, wij zullen niet lang meer invadsigerust onzen tijd verbeuzelen. De Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!”Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil den koning!” klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan, en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag, had Cambyzes zich nog nooit gevoeld.En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij, wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert, terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan, ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost, zoodra men doelt op wat hij wenscht.”Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea3tegen de legers van Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde, overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door handelsondernemingen groote schatten had verworven4. Hij schetste zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen, toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep: »Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer moeder te verwerven.”Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep, zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was5een einde te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des Nijls naar ons bergachtig land over te brengen.”»Wat schort u, zuster?” riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te bevochtigen.»Wat scheelt u?” vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!” stamelde Nitetis.Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggendeijlings ter hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade.”»Wat was dat?” riep de blinde moeder van den koning.»Wat schort u toch?” vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna verwijtenden toon.»Nitetis!” riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en kletterend op den grond gevallen.De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel, Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden, morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische, ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen6,—ja, ja, dat weet zelfs ieder kind,—alle vergiften komen uit Egypte!”Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen, leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken, en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in ’t geheel niet meer van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn Egyptischliefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?—Bedenk u goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen pijnappel.”»Onbeschaamde!” riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.»Ik dank u,” antwoordde het lachende monster.»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!” dreigde Nitetis.»Wat zijt gij beminnelijk!” antwoordde Boges.»Verwijder u uit mijne oogen!” riep de Egyptische.»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken,” fluisterde de eunuch, als had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit, en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is een geschenk van den armen, verachten Boges!”Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon, deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij, niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald af! Verstaan?—En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid, den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen zal!”De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand uit te strooien.Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken, doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug, onder het gejubel zijner buren.Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode, onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem, dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had, terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van haar bewustzijn te berooven.Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet, uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!”De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen, om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat,zoo zou hij hem gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van, en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger.Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen, hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,—want hij was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,—de trouwelooze in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning, een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten.Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik, beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen, dat ik het ben.”Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn, naar de gewoonte der Perzen7, krijgsraad houden, en overleggen, welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes, u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!”De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren, ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken, is de gemakkelijkste zaak die ik ken!”De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide: »Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte Pers, denkt gij slechts op ’t veld en in den strijd gelukkig te kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid, strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!—Laat ons geen onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen, die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven.”Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk, laten wij een vijand zoeken!”De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen, Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons niet liefheeft is onze vijand!”»Niets van dat alles!” riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot iederen prijs!”»Ik stem voor Cresus!” riep Gobryas.»Ik ook! riep de edeleArtabazos.»Wij zijn voor Hystaspes!” schreeuwden de held Araspes, de grijze Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog tot elken prijs!” brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus, met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve gewroken is,” zeide de opperpriester Oropastes.»Strijd! Strijd!” schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.Koel en rustig sloegCambyzeseenige oogenblikken de teugellooze geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op, en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!”Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats den Massageten zoudt antwoorden.—Acht gij de ziel van mijn vader, van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam gewroken?”Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar bezochte volk den vrede schenken?”—werd door alle aan wezenden met een levendig »Ja!” beantwoord.»Dat is het, wat ik weten wilde” vervolgde Cambyzes. »Morgen, als wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen vogel Parôdar8aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan.”Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil zij den Koning!” deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van den boomkweeker op de hangende tuinen.»Wat zoekt gij hier?” vroeg hij hem.»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen.”»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?”De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon half verbrand was.»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?” vroeg Boges, die vermoedde dat hier iets achter stak.»Ja, eene andere heeft mij gezonden.”»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in ’t geheim iets weten!”»Wie heeft u dit verraden?”»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja aanstonds ter hand stellen.”»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven.”»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij.”»Ik mag niet.”»Gehoorzaam mij, of...”Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle; daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.»Wat gebeurt hier?” vroeg Cambyzes.»Deze vermetele knaap,” antwoordde de eunuch, »is het paleis binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis over te brengen.”Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het voorhoofd den grond aanrakende.Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de Egyptische van mijn broeder?”»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft.”Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans aan dezen een klein papyrus-rolletje over.Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap, terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:»Wie heeft u dit gegeven?”»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter van den magiër.”»Voor mijn broeder Bartja?”»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen, en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje verklaren zou.”De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht.”»Dat hebt gij niet gedaan!” bulderde de, gelijk hij meende, schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten, grijpt den knaap!”De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlingsnaar zijne vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis niet meer.Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde, en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten, zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt gij uw leven verbeurd!”»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?”»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan zal beschouwen.”»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?”»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen.”»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen....”»Neen!—Verlaat mij!”»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal toe het bewustzijn verloren.—Indien op zulk een oogenblik eens iemand....”»Wie zou u dan kunnen vervangen?”»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud, en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne gezondheid te herstellen. Wees genadig!”»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.—Verlaat mij thans!”»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan.Hystaspes, Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg dragen, dat zij de Egyptische niet naderen.”»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen openhouden.—Ga!”Boges groette eerbiedig, en verliet ’s konings vertrek. Den slaven, die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting, want het lot van Nitetis scheen hem zoogoed als beslist, en het leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg, hield hij in zijne handen.Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen, Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden, zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit, om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen uitgestrekt was9.1Kamerheeren of ceremoniemeesters.2Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede zij het ooft weten te schikken.3Zie boven blz.11.4De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.5De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.6Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.7Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.8De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.9De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.

De oppertafeldekker ging den gasten, die binnenkwamen, tegemoet, en wees hun, door eenige andere aanzienlijke stafdragers1geholpen, hunne plaatsen aan. Toen allen gezeten waren, verkondigde eene fanfare der trompetten, dat de koning in aantocht was. Zoodra hij de zaal binnentrad, stonden de gasten op, en ontvingen hun gebieder met den donderenden, meermalen herhaalden kreet: »Heil den koning!”

Een Sardisch purpertapijt, hetwelk hij en Cassandane alleen mochten betreden, wees den weg naar zijne plaats aan. De blinde moeder van den koning ging, door Cresus geleid, voor haren zoon uit, en zette zich neder op een troon aan de spits der tafel, hooger dan de gouden zetel van Cambyzes, die naast den haren stond. Ter linkerzijde van den koning namen zijne echte gemalinnen plaats. Nitetis zat naast hem, dan volgde Atossa, dan de eenvoudig gekleede, bleeke Phaedime, en naast de laatste gemalin van den koning zat de eunuch Boges. Nu volgden de opperpriester Oropastes, eenige andere hooggeplaatste magiërs, de satrapen van onderscheidene provinciën, onder welke zich de Jood Beltsazar bevond, en eene menigte Perzen, Meden en eunuchen, die hooge staatsambten bekleedden. Rechts van den koning zat Bartja. Op hem volgden Cresus, Hystaspes, Gobryas, Araspes en andere Achaemeniden, overeenkomstig hunnen ouderdom en rang.De bijwijven zaten voor een deel aan het benedeneinde der tafel; voor een deel stonden zij ook tegenover den koning, om door spel en zang de feestvreugde te verhoogen. In haar midden en achter haar zag men onderscheidene eunuchen, die moesten zorgen dat de vrouwen de oogen niet naar de mannen ophieven.

De eerste blik van Cambyzes gold Nitetis, die in al de prachten waardigheid eener koningin, bleek, maar boven alle beschrijving schoon, in het vorstelijk purper naast hem zat. De oogen der verloofden ontmoetten elkander. Cambyzes voelde, dat hem uit den blik zijner bruid eene vurige liefde tegenstraalde. Toch bemerkte hij met het fijne instinct der liefde, dat het dierbare meisje iets zeer onaangenaams moest zijn bejegend. Een zekere trek van weemoedigen ernst speelde heden om haar mond, terwijl een droeve, slechts voor hem merkbare sluier haar anders zoo gelijkmatig helderen en opgeruimden blik overtogen had.

»Ik zal haar later vragen, wat haar is overkomen,” dacht de koning; »mijne onderdanen mogen niet opmerken, hoe lief ik dit meisje heb.”

Nu kuste hij het voorhoofd zijner moeder, zuster en naaste bloedverwanten, sprak een kort gebed uit, waarin hij de goden voor hunne genade dankte en een nieuw gelukkig jaar voor zichzelven en voor alle Perzen afsmeekte; noemde de ontzaglijke som, waarmede hij op dezen dag zijne landslieden begiftigd had; en gebood ten laatste den stafdragers, allen die op dit feest der genade de inwilliging van eenigen billijken wensch verwachtten, voor zijn aangezicht te doen treden. Geen der verzoekers ging onbevredigd heen; den dag te voren toch had ieder hunner den opperstafdrager zijn wensch moeten openbaren, en zich omtrent het al of niet mogelijke der inwilliging moeten laten onderrichten. Op gelijke wijze werden de verzoeken der vrouwen, alvorens den koning te mogen worden voorgedragen, door de eunuchen overwogen.

Nadat de mannen wederom gezeten waren, voerde Boges de schaar der vrouwen (alleen Cassandane bleef zitten) voor het aangezicht van den monarch voorbij. Atossa en Nitetis openden den stoet. Phaedime en eene andere schoone volgden de twee koningsdochters. De laatste was allerprachtigst gekleed en opgetooid, en door Boges opzettelijk naast de vernederde gunstelinge geplaatst, om den bijna armoedigen eenvoud van deze te scherper te doen uitkomen. Intaphernes en Otanes beschouwden hunne kleindochter en dochter, die zoo bleek en zoo armoedig gekleed in deze feestzaal verscheen, met een somberen blik, gelijk Boges wel vermoed had.

Cambyzes, die van vroeger de verkwistende pronkzucht van Phaedime kende, merkte, toen zij tegenover hem stond, met verbazing het eenvoudige gewaad en de bleeke trekken der Achaemenide op. Zijn voorhoofd werd bewolkt, en met barsche stem riep hij de voor hem ter aarde neigende vrouw toe: »Wat beduidt dit bedelpak aan mijn disch en op mijn feest? Kent gij dan niet meer de gewoonte van ons volk, om niet dan prachtig gekleed voor zijn vorst te verschijnen? Ware het heden een gewonedag, en ontzag ik u niet, als de dochter van een onzer meest geliefde verwanten, ik liet u door de eunuchen in den harem terugbrengen, opdat gij in de eenzaamheid zoudt kunnen nadenken over hetgeen betamelijk is!”

Deze woorden maakten der vernederde gunstelinge de taak gemakkelijker, die Boges haar had opgelegd. Luid en bitter weenende, hief zij hare blikken en handen zoo smeekend tot den in drift ontstoken vorst op, dat zijn toorn in medelijden overging, en hij haar vroeg, terwijl hij de knielende oprichtte: »Hebt gij eene bede op het hart?”

»Wat zou mij nog begeerlijk kunnen schijnen, sedert mijne zon mij haar licht onthoudt?” luidde haar, door snikken afgebroken, aarzelend antwoord.

Cambyzes haalde de schouders op, en vroeg nog eenmaal: »Begeert gij dan niets? In vroegere dagen kon ik met geschenken uwe tranen drogen; vorder gij dan ook heden een gouden troost.”

»Phaedime wenscht niets meer! Voor wie zou zij schoone kleederen en opschik behoeven, sinds de koning, haar gemaal, het licht van zijn oog niet meer op haar laat schijnen?”

»Dan kan ik u niet helpen!” riep Cambyzes, zich met onwil van haar afwendende.

De raad van Boges, dat Phaedime zich het aangezicht met blanketsel zou bedekken, was zeer goed geweest, want onder de witte verf gloeiden hare wangen van toorn en schaamte. Toch wist zij zich te bedwingen en gehoorzaamde het bevel van den eunuch, door zich diep en eerbiedig zoo voor de koningin als voor Nitetis te buigen, daarbij hare tranen vrijen loop latende, zoodat alle Achaemeniden ze opmerkten. Otanes en Intaphernes verborgen slechts met moeite hunne verbittering over den hoon, hunner dochter en kleindochter aangedaan. En menig Achaemenide zag met innige deelneming op de ongelukkige Phaedime neder, met heimelijken wrok tot de bevoorrechte, schoone vreemdelinge op.

Alle ceremoniën waren nu afgeloopen, en de maaltijd nam dus een aanvang.—Vóor den koning lag in een gouden korf een reusachtige granaatappel ter grootte van een kinderhoofd2, door andere vruchten sierlijk omgeven. Thans merkte hij dezen op. Met het oog van een kenner beschouwde hij de zeldzaam schoone en groote vrucht, en vroeg: »Wie heeft dezen kolossalen appel gekweekt?”

»Uw knecht Oropastes,” antwoordde de overste der magiërs,zich diep buigende. »Sedert vele jaren leg ik mij op het hovenieren toe, en heb mij vermeten deze heerlijke vrucht, het schoonste resultaat van mijn rusteloos pogen, aan uwe voeten neder te leggen.”

»Ik dank u!” was het antwoord. »Mijne vrienden, deze granaatappel zal mij de keuze van een stadhouder gemakkelijker maken, als wij ten strijde trekken. Bij Mithra, die een kleinen boom zoo zorgvuldig verpleegde, zal ook in groote dingen getrouw zijn. Welk eene vrucht! Wie zag ooit de weerga er van? Nog eens, ik dank u, Oropastes, en wijl de dank van den koning niet alleen in woorden mag bestaan, benoem ik u reeds heden, voor het geval dat er een oorlog mocht uitbarsten, tot stadhouder van het gansche rijk. Ja, mijne vrienden, wij zullen niet lang meer invadsigerust onzen tijd verbeuzelen. De Pers verliest zijne vroolijkheid als de krijg haar geen voedsel geeft!”

Een goedkeurend gemompel doorliep de rijen der Achaemeniden. »Heil den koning!” klonk het opnieuw. De wrok over de vernedering hunner bloedverwante was weldra vergeten; gedachten aan veldslagen, droomen van onsterfelijken roem en zegekransen, herinneringen aan vroeger verrichte heldendaden deden de feestelijke stemming der aanzittenden met ieder oogenblik klimmen. De koning zelf, die in den regel op dezen dag matiger was dan anders, spoorde nu zijne gasten tot drinken aan, en verheugde zich in de uitgelaten vroolijkheid en den opgewekten strijdlust zijner helden. Maar vooral genoot hij in de aanschouwing van de betooverende schoonheid der Egyptische, die marmerbleek aan zijne zijde zat, uitgeput door de vermoeienissen en aandoeningen van den morgen die voorafging, en bovendien gedrukt onder den haar ongewonen last van den hoogen tulband. Zóo gelukkig als op dezen dag, had Cambyzes zich nog nooit gevoeld.

En wat ontbrak hem ook? Wat kon hij nog te wenschen hebben, hij, wien de goden het geluk der liefde, en alle schatten die het hart kan begeeren, in den schoot hadden geworpen? Zijne stugheid scheen in zachtmoedige welwillendheid, zijne strenge hardheid in minzame toegevendheid te zijn overgegaan, toen hij Bartja, die aan zijne zijde zat, toeriep: »Welnu, broeder, hebt gij mijne belofte vergeten? Weet gij niet meer, dat gij heden van mij moogt vragen wat uw hart begeert, terwijl gij zeker kunt zijn dat het u zal worden toegestaan? Welaan, ledig dan den beker en vat moed! Maar eisch geene geringe gunst. Ik ben heden juist in eene stemming om groote geschenken te geven. Ha! gij wilt mij in het oor fluisteren wat gij begeert? Kom dan nader bij mij! Ik ben toch nieuwsgierig te vernemen, wat de gelukkigste jongeling in mijn gansche rijk zoo vurig begeert dat hij als een meisje bloost, zoodra men doelt op wat hij wenscht.”

Bartja, wiens wangen werkelijk van ontroering gloeiden, boog zich glimlachend naar het oor van zijn broeder over, en verhaalde hem fluisterend, in weinige woorden, de geschiedenis zijner liefde. De vader van Sappho had zijne vaderstad Phocaea3tegen de legers van Cyrus helpen verdedigen. Deze omstandigheid stelde de jongeling zeer behendig op den voorgrond. Vervolgens betitelde hij zijne geliefde, overeenkomstig de waarheid, als de dochter van een Helleenschen krijgsman van adellijke afkomst, doch verzweeg, dat hij zich door handelsondernemingen groote schatten had verworven4. Hij schetste zijn broeder de bevalligheid, de beschaving en de liefde zijner bruid, en wilde zich juist op het getuigenis van Cresus beroepen, toen Cambyzes hem in de rede viel, en zijn voorhoofd kussende uitriep: »Spaar uwe woorden, mijn broeder, en volg den wensch van uw hart. Ik ken de macht der liefde, en wil u helpen om de toestemming onzer moeder te verwerven.”

Bartja wierp zich, dronken van geluk en door het gevoel der dankbaarheid overweldigd, aan de voeten van zijn koninklijken broeder. Cambyzes richtte hem echter met minzaamheid op en riep, zich in het bijzonder tot Nitetis en Cassandane wendende: »Let wel op hetgeen ik u zeggen zal, geliefden! De stam van Cyrus zal nieuwe loten schieten, want onze broeder Bartja heeft besloten aan zijn ongehuwden staat, die den goden niet welgevallig was5een einde te maken. Binnen weinige dagen trekt de verliefde jongeling naar uw vaderland, Nitetis, om het tweede edelgesteente van de boorden des Nijls naar ons bergachtig land over te brengen.”

»Wat schort u, zuster?” riep de jonge Atossa, eer Cambyzes had uitgesproken. Nitetis was bewusteloos in hare armen neêrgezegen. Zij trachtte haar bij te brengen, door het voorhoofd met wijn te bevochtigen.

»Wat scheelt u?” vroeg de blinde Cassandane, als de bruid van den koning na weinige oogenblikken tot zichzelve kwam.

»Welk eene vreugde, welk een geluk, o Tachot!” stamelde Nitetis.

Cambyzes was, evenals zijne zuster, de in zwijm liggendeijlings ter hulp gesneld. Toen zij zich geheel hersteld had, verzocht hij haar zich met eene teuge wijns te versterken, bood haar zelf den beker aan en vervolgde, zijne mededeeling herhalende en aanvullende: »Bartja zal naar uw land trekken, mijne gemalin, en de kleindochter van eene zekere Rhodopis, de dochter van een edelen krijgsheld, uit het heldhaftige Phocaea, van Naucratis aan den Nijl, hierheen voeren als zijne gade.”

»Wat was dat?” riep de blinde moeder van den koning.

»Wat schort u toch?” vroeg de vroolijke Atossa, op bezorgden, bijna verwijtenden toon.

»Nitetis!” riep Cresus zijne beschermeling vermanend toe.

Maar deze waarschuwing kwam te laat, want reeds was de beker, dien Cambyzes zijne geliefde gereikt had, aan hare handen ontgleden en kletterend op den grond gevallen.

De blikken van al de aanzittenden hingen in angstige spanning aan het gelaat van den koning, die, bleek als de dood, met sidderende lippen en krampachtig gebalde vuist, opnieuw van zijn zetel was opgesprongen.

Nitetis zag met smeekend oog tot haren geliefde op, om zijne vergeving af te bidden. Maar hij duchtte de betoovering van dien blik; daarom wendde hij het hoofd af, en riep met heesche stem: »Breng de vrouwen naar hare vertrekken, Boges, ik wil ze niet meer zien!.... Het drinkgelag zal beginnen.... Slaap wel, mijne moeder, en wees op uwe hoede, dat gij geene adders zoogt met uw hartebloed. Rust wel, Egyptische, en bid de goden, dat zij u beter leeren veinzen. Vrienden, morgen gaan wij ter jacht! Geef mij te drinken, schenker! Vul den grooten beker! Maar proef goed, neem een fiksche teug, want heden vrees ik voor vergif, heden voor de eerste maal. Hoort gij, Egyptische, ik vrees voor vergif, en alle vergiften en artsenijen6,—ja, ja, dat weet zelfs ieder kind,—alle vergiften komen uit Egypte!”

Nitetis verliet de zaal met wankelenden tred. Boges geleidde haar en gebood den dragers spoed te maken. Bij de hangende tuinen aangekomen, leverde hij haar over aan de eunuchen, die het huis moesten bewaken, en voegde haar, terwijl hij in zijne handen wreef, met een duivelsch lachje tot afscheid eenige woorden toe, die in ’t geheel niet meer van den vroeger haar betoonden eerbied, maar van eene onbetamelijke gemeenzaamheid getuigden: »Droom van den schoonen Bartja en zijn Egyptischliefje, mijn wit Nijlkatje! Hebt gij niets te zeggen aan den mooien knaap, wiens verliefdheid gij u zoo hebt aangetrokken?—Bedenk u goed. De arme Boges wil u gaarne van dienst zijn. De verachte Boges houdt veel van u. De nederige Boges zal zich bedroeven, als hij de trotsche palm van Saïs ziet vallen. De ziener Boges voorspelt u een spoedigen terugkeer naar Egypte, of een zachten slaap in de zwarte aarde van Babylon. De goede Boges wenscht u een ongestoorde rust. Houd u goed, geknakt bloempje, bonte adder, die zichzelve wondde, gevallen pijnappel.”

»Onbeschaamde!” riep de koningsdochter in hare verontwaardiging.

»Ik dank u,” antwoordde het lachende monster.

»Ik zal mij over uw gedrag beklagen!” dreigde Nitetis.

»Wat zijt gij beminnelijk!” antwoordde Boges.

»Verwijder u uit mijne oogen!” riep de Egyptische.

»Ik gehoorzaam den minsten uwer wenken,” fluisterde de eunuch, als had hij haar een liefdesgeheim te openbaren.

Vol walging en ontzetting over deze beleediging, waarin zij slechts eene voorbode van nog diepere vernederingen zag, trad zij achteruit, en snelde naar hare woning, terwijl zij Boges den rug toekeerde. Deze echter riep haar nog na: »Gedenk mijner, schoone koningin, gedenk mijner! Alles, wat u in de eerst volgende dagen overkomen zal, is een geschenk van den armen, verachten Boges!”

Zoodra de Egyptische verdwenen was, veranderde hij van toon, en gebood den wachters, streng en uit de hoogte, de hangende tuinen zorgvuldig te bewaken. »Wie van u een mensch, buiten mijn persoon, deze plaats laat genaken, is des doods schuldig! Niemand, hoort gij, niemand! Allerminst mogen boden van de moeder des konings, van Atossa of van andere grooten den voet op deze trap zetten. Wanneer Cresus of Oropastes de Egyptische begeert te spreken, dan wijst gij hen bepaald af! Verstaan?—En ik herhaal, dat gij allen, zonder onderscheid, den langsten tijd geleefd zult hebben, wanneer gij u door beden of geschenken tot ongehoorzaamheid laat verleiden. Niemand, niemand mag deze tuinen betreden, zonder mijne uitdrukkelijke mondelinge toestemming! Ik geloof dat gij mij kent. Neemt deze gouden staters bij voorbaat tot loon, voor uwen verzwaarden dienst, en hoort mij bij Mithra zweren, dat ik den nalatige of ongehoorzame niet verschoonen zal!”

De wachters bogen zich, vast besloten hun overste te gehoorzamen. Want zij wisten, dat hij niet met zich liet spotten, indien hij ernstig dreigde; en ze vermoedden, dat er groote dingen op til waren, daar de gierige Boges niet gewoon was zijne staters met zoo kwistige hand uit te strooien.

Dezelfde draagstoel, die Nitetis vervoerd had, bracht den eunuch naar de feestzaal terug. De vrouwen des konings waren vertrokken, doch de bijwijven stonden nog op de haar aangewezene plaatsen, en zongen, terwijl niemand luisterde, hare eentonige liederen.

De brassende gasten waren de Egyptische en wat er met haar gebeurd was reeds lang vergeten. Iedere nieuwe beker deed het joelen en verwarde schreeuwen in woestheid toenemen. Niemand bekommerde zich meer om het verhevene karakter der plaats, of om de tegenwoordigheid van den machtigen vorst. Hier sloeg een beschonkene de meest onzinnige taal uit; daar omarmden twee krijgers elkaar, die eerst na het gebruik eener groote hoeveelheid wijns bespeurd hadden, dat zij groote vrienden waren; ginds werd een nieuweling in het zwelgen door sterke knechten de zaal uitgedragen; een eind verder greep een oud drinker eene kruik, in plaats van zijn beker, en ledigde ze in éene teug, onder het gejubel zijner buren.

Aan het hoogereind der tafel zat de koning, bleek als een doode, onverschillig en ongevoelig voor wat om hem heen plaats had, in zijn beker te staren. Telkens als zijn oog voor een oogenblik op zijn broeder rustte, balden zich zijne vuisten. Hij sprak hem niet aan en liet zijne vragen onbeantwoord. Hoe langer hij dus in somber gepeins neerzat, des te vaster vestigde zich de overtuiging in hem, dat de Egyptische hem bedrogen en liefde voor hem gehuicheld had, terwijl haar hart Bartja toebehoorde. Welk een schandelijk spel had zij met hem gespeeld! Hoe diep moest de trouweloosheid dezer behendige huichelaarster niet wortelen, daar het bloote bericht, dat zijn broeder eene andere liefhad, niet alleen te machtig was voor hare bedrevenheid in het veinzen, maar zelfs voldoende om haar van haar bewustzijn te berooven.

Otanes, de vader van Phaedime, had, toen Nitetis de zaal verliet, uitgeroepen: »De Egyptische vrouwen schijnen zeer naijverig te zijn op de liefde harer zwagers; de Perzische zijn minder vrijgevig met hare genegenheid, en besparen die geheel voor hare mannen!”

De trotsche man had den schijn aangenomen, als had hij die woorden niet gehoord. Gelijk de struisvogel sloot hij zijne ooren en oogen, om het gemompel en de blikken zijner gasten, die onverholen te kennen gaven dat hij bedrogen was, niet op te merken.

Bartja kon geene schuld hebben aan hare ontrouw; zij alleen beminde den schoonen jongeling, en wellicht te vuriger, daar zij geene hoop durfde koesteren op beantwoording van haar hartstocht. Had hij den geringsten argwaan jegens zijn broeder opgevat,zoo zou hij hem gewis op staanden voet gedood hebben. Bartja was onschuldig aan deze zijne teleurstelling en smart. Maar hij was er toch de oorzaak van, en daarom ontwaakte opnieuw de oude wrok, die voor korten tijd was ingesluimerd. En gelijk iedere instorting gevaarlijker is dan de eerste aanval eener ziekte, woedde die wrok nu veel heftiger.

Hij peinsde en dacht, maar kon niet tot een vast besluit komen, hoe hij de valsche vrouw zou straffen. Haar dood bevredigde zijne wraakzucht niet; neen, zwaarder moest zij boeten. Zou hij haar, met smaad en schande overladen, naar Egypte terugzenden? O, neen! zij had haar vaderland lief, en zou door haar ouders slechts met open armen ontvangen worden. Zou hij, nadat zij hare schuld had bekend,—want hij was vast besloten, haar deze bekentenis af te persen,—de trouwelooze in een eenzamen kerker opsluiten, of haar als dienstmaagd zijner bijwijven aan Boges overleveren? Dat was het beste! Zoo wilde hij de huichelaarster, die zich vermeten had met hem, den machtigen koning, een misdadig spel te spelen, tuchtigen en doen boeten.

Vervolgens zeide hij tot zichzelven: »Bartja moet van hier, want vuur en water zullen eer te zamen vrede hebben, dan dit gelukskind en ik, beklagenswaardig mensch! Zijne nakomelingen zullen eens mijne schatten deelen, en deze kroon dragen. Maar nog ben ik koning, en ik zal toonen, dat ik het ben.”

Als een bliksemstraal schoot de gedachte aan zijne trotsche, almachtige grootheid door zijn verhit brein. Uit zijne droomerijen tot de werkelijkheid terugkeerende, wierp hij in wilde hartstochtelijkheid zijn gouden beker midden in de zaal, zoodat de wijn, als eene regenvlaag, over de aanzittenden werd uitgestort, en riep: »Houdt op met dit ijdel gesnap, en dwaas getier! Laat ons, dronken als we zijn, naar de gewoonte der Perzen7, krijgsraad houden, en overleggen, welk antwoord den Massageten zal gegeven worden. U, Hystaspes, u vraag ik, als den oudste in onzen kring, het eerst naar uw meening!”

De grijze vader van Darius antwoordde: »Het komt mij voor, dat de gezanten dezer nomaden ons geene keus hebben gelaten. Tegen ontvolkte steppen kunnen wij niet ten strijde trekken. Daar echter ons leger nu toch marschvaardig is, en onze zwaarden reeds te lang gerust hebben, moet er oorlog gevoerd worden. Om dezen te kunnen voeren, ontbreken ons slechts een paar goede vijanden, en vijanden te maken, is de gemakkelijkste zaak die ik ken!”

De Perzen barstten bij deze woorden in luid gejubel uit. Doch toen de stilte eenigszins hersteld was, vatte Cresus het woord op en zeide: »Gij zijt een grijsaard, evenals ik, Hystaspes; maar als een echte Pers, denkt gij slechts op ’t veld en in den strijd gelukkig te kunnen zijn. De staf, eenmaal het teeken uwer veldheerswaardigheid, strekt u thans ten steun; en toch spreekt gij als een jongeling, wien het warme bloed nog driftig door de aderen snelt. Vijanden, ik geef het u toe, zijn gemakkelijk te vinden, maar slechts dwazen leggen het er op toe zich vijanden te maken. Wie ze zich moedwillig op den hals haalt gelijkt een misdadiger, die zichzelven verminkt. Hebben we vijanden, dan betaamt het ons tegen hen te strijden, gelijk het den wijze past het ongeluk moedig onder de oogen te zien!—Laat ons geen onrecht begaan, mijne vrienden, en geen onbillijken oorlog beginnen, die een gruwel is in de oogen der goden, maar wachten tot men ons onrecht aandoe, en dan, met het volle bewustzijn voor een goede zaak het zwaard te hebben aangegord, overwinnen of sterven.”

Een zacht goedkeurend gemompel deed den grijsaard afbreken. Het werd echter onmiddellijk overstemd door het geroep: »Hystaspes heeft gelijk, laten wij een vijand zoeken!”

De gezant Prexaspes, die nu aan de beurt was om te spreken, riep lachende: »Volgen wij den raad van beide edele grijsaards! Laten wij wachten tot men ons eenig onrecht aandoe, en intusschen ons wat gevoeliger toonen, en vaststellen dat ieder, die zich niet gewillig en met blijdschap een medelid van het groote rijk van onzen vader Cyrus mocht willen noemen, onder de vijanden van Perzië zal worden gerekend. Beginnen wij bij voorbeeld met den Indiërs te vragen, of zij niet trotsch zouden zijn zich onder uw schepter te mogen buigen, Cambyzes. Zeggen zij neen, dan hebben zij ons niet lief, en wie ons niet liefheeft is onze vijand!”

»Niets van dat alles!” riep Zopyrus. »Wij moeten oorlog hebben tot iederen prijs!”

»Ik stem voor Cresus!” riep Gobryas.

»Ik ook! riep de edeleArtabazos.

»Wij zijn voor Hystaspes!” schreeuwden de held Araspes, de grijze Intaphernes, en andere oude strijdmakkers van Cyrus.

»Geen krijg tegen de Massageten, die ons ontvluchten; maar oorlog tot elken prijs!” brulde de veldheer Megabyzus, de vader van Zopyrus, met zijne zware vuist op de tafel slaande, dat de gouden vaten tegen elkaar stieten en verscheidene bekers omvielen.

»Geen strijd tegen de Massageten, aan wie Cyrus door de goden zelve gewroken is,” zeide de opperpriester Oropastes.

»Strijd! Strijd!” schreeuwden de dronken Perzen wild dooreen.

Koel en rustig sloegCambyzeseenige oogenblikken de teugellooze geestdrift zijner krijgers gade; dan stond hij van zijn zetel op, en riep met donderende stem: »Zwijgt en hoort uw koning!”

Als een tooverslag werkten deze woorden, zelfs de meest beschonkene gehoorzaamde, haast zonder het zelf te weten, het bevel van zijn vorst, die thans minder luid sprekende vervolgde: »Ik heb u niet gevraagd of gij oorlog dan wel vrede begeert, want ik weet dat ieder Pers aan de inspanning van den strijd de voorkeur geeft boven eene roemlooze rust. Ik heb slechts willen weten, wat gij in mijne plaats den Massageten zoudt antwoorden.—Acht gij de ziel van mijn vader, van den man, wien gij uwe grootheid verschuldigd zijt, genoegzaam gewroken?”

Een dof gemompel van toestemming, slechts door enkele heftige uitroepingen in ontkennenden zin afgebroken, was het antwoord. De tweede vraag van den koning: »Zullen wij de voorwaarden der gezanten die tot ons kwamen aannemen, en het verzwakte, door de goden zoo zwaar bezochte volk den vrede schenken?”—werd door alle aan wezenden met een levendig »Ja!” beantwoord.

»Dat is het, wat ik weten wilde” vervolgde Cambyzes. »Morgen, als wij nuchter zijn, willen we, naar oud gebruik, overwegen, wat we in onzen roes besloten. Doorbrast de nog restende uren van den nacht; ik verlaat uw kring en wacht u bij het laatste gekraai van den heiligen vogel Parôdar8aan de poort van Bel, om met u ter jacht te gaan.”

Met deze woorden verliet de monarch de zaal. Een donderend: »Heil zij den Koning!” deed hem uitgeleide. Boges, de eunuch, was vóor zijn gebieder de zaal uitgeslopen. In den voorhof vond hij een knaap van den boomkweeker op de hangende tuinen.

»Wat zoekt gij hier?” vroeg hij hem.

»Ik heb aan prins Bartja iets te overhandigen.”

»Bartja? Heeft hij uw heer dan om zaden of stekjes gevraagd?”

De knaap schudde met een schelmsch lachje het hoofd, dat door de zon half verbrand was.

»Zijt gij dan door iemand anders gezonden?” vroeg Boges, die vermoedde dat hier iets achter stak.

»Ja, eene andere heeft mij gezonden.”

»Ah! De Egyptische laat haar zwager door u in ’t geheim iets weten!”

»Wie heeft u dit verraden?”

»Nitetis sprak er mij van. Geef hier wat gij hebt, ik zal het Bartja aanstonds ter hand stellen.”

»Ik mag het aan niemand geven, dan aan hem zelven.”

»Geef op! ik kan deze boodschap beter doen dan gij.”

»Ik mag niet.”

»Gehoorzaam mij, of...”

Op dit oogenblik naderde de koning. Boges bezon zich eene wijle; daarop gebood hij met luider stem den aan de deur wachthoudenden zweepdragers, den onthutsten knaap te grijpen.

»Wat gebeurt hier?” vroeg Cambyzes.

»Deze vermetele knaap,” antwoordde de eunuch, »is het paleis binnengedrongen, om Bartja eene boodschap van uwe gemalin Nitetis over te brengen.”

Toen de jongen den koning gewaarwerd, zonk hij op de knieën, met het voorhoofd den grond aanrakende.

Doodelijk bleek zag Cambyzes op den rampzaligen bode neder. Daarop wendde hij zich tot den eunuch met de vraag: »Wat verlangt de Egyptische van mijn broeder?”

»De knaap houdt vol, dat hij slechts aan Bartja zelven mag overhandigen, wat hij voor hem bij zich heeft.”

Met smeekenden blik tot den koning opziende, reikte de knaap thans aan dezen een klein papyrus-rolletje over.

Cambyzes ontrukte hem het blad, en stampvoette van toorn, toen hij de Grieksche schrijfteekens zag, die hij niet in staat was te ontcijferen.

Na eenige seconden herkreeg hij zijne bedaardheid, en vroeg den knaap, terwijl hij zijn doorborenden blik op hem vestigde:

»Wie heeft u dit gegeven?”

»De kamerjuffer van mijne Egyptische meesteres, Mandane, de dochter van den magiër.”

»Voor mijn broeder Bartja?”

»Zij zeide dat ik dit blad, vóor den maaltijd, aan den schoonen prins moest overhandigen, hem de groete van hare meesteres Nitetis doen, en zeggen, dat uwe zuster Atossa hem morgen den inhoud van het briefje verklaren zou.”

De koning stampvoette van gramschap en ongeduld, waardoor de knaap zoo verschrikte, dat zijn stem hokte en hij slechts met moeite kon uitbrengen: »Ik kon den prins vóor den maaltijd niet naderen, daar hij naast u ging. Thans wacht ik hem hier op, want Mandane beloofde mij twee goudstaters, als ik mijne boodschap goed ten uitvoer bracht.”

»Dat hebt gij niet gedaan!” bulderde de, gelijk hij meende, schandelijk bedrogen vorst. »Dat hebt gij niet gedaan! Trawanten, grijpt den knaap!”

De jongen sloeg een smeekenden blik op den koning en bad om genade. Doch vruchteloos, want, snel als de gedachte hadden de zweepdragers hem gegrepen, en de koning, die zich ijlingsnaar zijne vertrekken begaf, vernam zijn kermend smeeken om genade en vergiffenis niet meer.

Boges wreef zich weder de dikke handen, terwijl hij den vorst volgde, en lachte met zijn gewonen duivelschen lach.

Toen de uitkleeders zich van hunne taak wilden kwijten, wees de koning hunne diensten toornig af, zeggende dat zij zich oogenblikkelijk moesten verwijderen. Nadat zij hem met Boges alleen hadden gelaten, zeide hij tot dezen: »Van dit uur belast ik u met het toezicht over de hangende tuinen en de Egyptische. Bewaak haar goed! Wanneer iemand of eenig bericht, zonder mijn weten, tot haar doordringt, dan hebt gij uw leven verbeurd!”

»Maar als Cassandane of Atossa iemand tot haar zendt?”

»Zoo wijst gij de boden af en laat weten, dat ik iedere poging om Nitetis te spreken te krijgen, als eene beleediging mij aangedaan zal beschouwen.”

»Mag ik u om eene gunst bidden, o koning?”

»Het tijdstip daartoe is slecht gekozen.”

»Ik gevoel mij zoo krank. Zoo gij slechts voor den dag van morgen aan een ander het toezicht op de tuinen wildet toevertrouwen....”

»Neen!—Verlaat mij!”

»Eene hevige koorts doet mijn bloed koken. Heden heb ik tot driemaal toe het bewustzijn verloren.—Indien op zulk een oogenblik eens iemand....”

»Wie zou u dan kunnen vervangen?”

»De Lydische eunuchenhoofdman Candaules. Hij is eerlijk als goud, en onverbiddelijk streng. Een dag rust zal voldoende zijn om mijne gezondheid te herstellen. Wees genadig!”

»Niemand wordt zoo slecht gediend als ik, de koning! Candaules mag morgen uwe plaats vervangen. Geef hem strenge bevelen, en zeg hem dat de kleinste nalatigheid hem zijn leven zal kosten.—Verlaat mij thans!”

»Nog iets, mijn koning! Gij weet, dat morgennacht in de hangende tuinen de zeldzame blauwe lelie in bloei moet staan.Hystaspes, Intaphernes, Grobryas, Cresus en Oropastes, de beste beoordeelaars der hovenierskunst aan uw hof, zouden ze gaarne zien. Mogen zij voor enkele minuten de hangende tuinen betreden? Candaules zal wel zorg dragen, dat zij de Egyptische niet naderen.”

»Als Candaules zijn leven liefheeft, zal hij zijne oogen openhouden.—Ga!”

Boges groette eerbiedig, en verliet ’s konings vertrek. Den slaven, die hem met fakkels voorlichtten, wierp hij eenige goudstukken toe. Hij was recht gelukkig. Al zijne ontwerpen slaagden boven verwachting, want het lot van Nitetis scheen hem zoogoed als beslist, en het leven van Candaules, den man, wien hij een onbegrensden haat toedroeg, hield hij in zijne handen.

Tot aan den morgen liep Cambyzes in zijne vertrekken op en neder. Toen de haan kraaide was hij tot het vaste besluit gekomen, Nitetis eene bekentenis van haar misdrijf af te persen, en haar dan, als dienstmaagd zijner bijwijven, in den grooten harem te plaatsen. Bartja, de verwoester van zijn geluk, zou op staanden voet naar Egypte reizen, en later als satraap naar eene afgelegene provincie worden gezonden. Hij deinsde terug voor de misdaad van broedermoord, maar kende zichzelven goed genoeg om te weten, dat hij in een oogenblik van drift den gehaten jongeling zou kunnen dooden, zoo deze niet buiten het bereik van zijn hartstocht was.

Twee uren na het aanbreken van den dag stoof Cambyzes, op zijn snuivenden en brieschenden hengst gezeten, zijn onafzienbaar, met schild, zwaard, lans, boog en vangsnoer gewapend gevolg ver vooruit, om een groote slachting aan te richten onder het door meer dan duizend honden opgejaagd wild van den diergaarde van Babylon, die vele mijlen uitgestrekt was9.

1Kamerheeren of ceremoniemeesters.2Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede zij het ooft weten te schikken.3Zie boven blz.11.4De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.5De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.6Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.7Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.8De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.9De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.

1Kamerheeren of ceremoniemeesters.

2Het gewone pischkesch of gastgeschenk, hetwelk de Perzen heden elkander nog vereeren, bestaat uit zoetigheden, of uit korven, die sierlijk met de schoonste vruchten zijn gevuld. Men roemt den smaak, waarmede zij het ooft weten te schikken.

3Zie boven blz.11.

4De wet verbood den Perzen schulden te maken, aangezien een schuldenaar in de noodzakelijkheid kwam om onwaarheid te spreken. Zij hadden daarom een afkeer van geldzaken, waartoe hun oorlogzuchtig karakter ook veel bijdroeg. Den handel lieten zij over aan de overwonnen volken.

5De godsdienst gebood den Perzen te huwen. De ongehuwden stelden zich aan eene algemeene verachting bloot. Men stelde groote eer in het bezit van vele kinderen.

6Reeds in de dagen van Homerus was Egypte bekend als bijzonder rijk aan artsenijen. In de opschriften op de wanden van tempel-laboratoria, bijv. te Dendera en Edfoe, en in de medische papyrussen worden een menigte drogerijen opgesomd. De Egyptische vergiften, inzonderheid de strychnine, waren beroemd.

7Volgens Herodotus waren de Perzen gewoon in dronkenschap over de gewichtigste aangelegenheden te beraadslagen. Het beslotene werd daarna, als zij nuchteren waren, nog eens overwogen. Iets dergelijks verhaalt Tacitus van de Germanen.

8De haan was een heilig dier bij de Perzen, want hij joeg de duistere geesten van den nacht in hunne holen terug. Hij heette Parôdarsh en werd ook onomatopoetisch Kahrkatâç genoemd.

9De jachtstoet der Perzische koningen was natuurlijk even grootsch en luisterrijk als hun reisgevolg. Daar de jacht tot de lievelingsbezigheden van den Perzischen adel behoorde, werden de knapen reeds in hun vroegste jeugd hierin geoefend. Zelfs koningen beroemen zich op hunne grafschriften, dat zij groote jagers geweest zijn. In de ruïnen van Persepolis is een reliëf gevonden, waarop de koning wordt voorgesteld, eene leeuwin met den rechterarm wurgend, eene symbolische voorstelling, waaraan geen historische waarde is toe te kennen. Layard heeft te Niniveh vele schoone overblijfselen van jachtpartijen gevonden, en de Grieken weten ons veel te verhalen van de groote diergaarden der Perzische koningen en den jachtstoet, die uit ruiters en voetknechten bestond. Ieder jager moest, behalve met pijl en boog, nog gewapend zijn met twee lansen, een zwaard en een schild. Ook maakte men gaarne gebruik van het vangsnoer. Reeds sedert onheuglijke tijden was de valkenjacht aan de Perzen bekend.

Zevende hoofdstuk.De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid; Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een wilden ezel te volgen.Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge, wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte, te zien en te spreken.Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemenidenin een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken bijeen.—Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn, dien de koningszoon met milde hand schonk.»Gelukkige Bartja,” riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik, arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel, zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel.”»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!” riep Zopyrus, den beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis.”Araspes glimlachte weemoedig.»En wie belet u, nog heden te huwen?” riep Gyges. »Gij zijt wel zestig jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding, uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes, dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen.”»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur,” duwde de oude vrijer den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!”»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen.”»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen.”»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes.”»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gijmeer vertrouwen, dan in de eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder, en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde orakel van uw geluk afhouden!”»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne uitspraken verkeerd uitleggen?”»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!”»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!” sprak nu Darius. »Verklaar ons liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen, bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk schijnt te benijden?”Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker, en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u die thans niet mededeelen.”»Laat hooren, laat hooren!”»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!”»Ik dank u!” antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de lippen zette.»Gij meent het goed,” prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den grond keek.»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes,” riep de oude krijger, toen hij zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas, na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is zij niet schoon?”»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide,” antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene vroolijker uitdrukking aannam.»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?”Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!” riep de oude.»Wat zijt gijlieden toch dwaas,” sprak Zopyrus, die zich nu in het gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet,daar eene godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben, en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!”»Zopyrus heeft gelijk,” zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een ondankbaar mensch!”Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend werd doorgehaald. Hij zag ’t hem aan, dat de woorden zijner makkers eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw vader verzoend zult hebben.”»Misschien,” antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u, bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen.”»Dat geve Anahita,” riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen.”»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben,” antwoordde Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen, van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven, terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn, vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren.”»Bah!” hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels, dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen.”»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld worden,” antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig, en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden echtgenoot1wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar huis platliepen.”»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!” zeide de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen.”»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!” zeide Araspes, terwijl hij hem lachend aanzag.»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn, ze sloten onderling vrede.”»Hoe meent gij dat?”»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring hebt op dit gebied!”»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in.”»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens.”»Gij spotvogel!”»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik ging naar het hof.—Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente, en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog den Orontes bedekte)kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard, geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen, vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!—Nauw heb ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden, of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever, dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen.”»Ongelukkige Zopyrus!” zeide Bartja lachend.»Ongelukkige?” hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u, dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen te sterker doen uitkomen.—Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder verlicht is!”»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!” riep Darius, die buiten het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd,” viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde2getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!”»Gij hebt gelijk, vadertje!” zeide Bartja. »Philomele, gelijk de Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons verliet, om naar Bulbul te luisteren?”»Ik dacht niet aan meisjes,” antwoordde de jongeling. »Gij weet, dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen.”»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was gedrongen!” hernam Araspes plagende.»Genoeg!” riep Darius, dien deze scherts verdroot.»Onvoorzichtige,” fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij liever wat gij in de sterren gelezen hebt?”Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!”»Niets goeds,” antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken, Bartja.”»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen voor elkaâr!”»Toch....”»Kom, spreek gerust!”»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin.”Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius’ schouder, en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren, vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide: »Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op, die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte, want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen.”»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?”»Voorzeker! De sterren liegen nooit!”»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan hetgeen zij ons voorspellen.”»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!”»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen afscheid genomen.”»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresusop haar de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen.”»Zij zullen mij voor een lafaard houden.”»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot te ontvlieden, als men kan, is wijs.”»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?”»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan de overmacht tracht te ontkomen.”»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.—Hoe zou ik een gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben.”»Gij kent er de grootte niet van.”»Vreest gij voor mijn leven?”»Neen!”»Laat mij hooren, wat gij ducht.”»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u toen reeds boven het hoofd hingen.”»Waarom mij dat verzwegen?”»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u, daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert.”»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken.”»Ik begrijp dat gevoel...”»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?—Gij zegt niet neen?”»Ach, een droom zonder hoop!”»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?”»Versmaden?”»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?”»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen zou, Bartja?”»Dat kunt ge!”»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!”»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine Amescha Çpenta3! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren, want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder, en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!”»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, waaraan de dieren bevestigd waren4, brak van den dissel, en voor mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze Diws,bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals, Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last, behouden op den vasten bodem.»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen, schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie, en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag, den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet vergeten heeft. Cassandane....”»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen, daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden; hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn zoon tot vrouw verlangen!”»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen.”»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarigeknaap, naar de kroon zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus, nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven.”»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit zijn trots.”»Waar zou hij toch zoo lang blijven?”»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem ophouden.”»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!” liet zich op eens de stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!”»Wij komen, wij komen!” antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik Atossa’s hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid, aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op eigene wieken zijn doel te bereiken.”Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven: »Arme Bartja!” Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij: »Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter zijde staan!” Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met ongeduld zaten te wachten.Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die, als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.»Wat is u overkomen, vader?” vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand van den grijsaard vatte.»Niets, niets,” stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige,zijt gij nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers, die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den dood zult bekoopen.”»Maar Cresus, ik heb....”»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt....”»Wat zegt gij?”»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij, die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn uitdrukkelijk verbod te overtreden?”»Ik begrijp er niets van! Ik....”»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij de Egyptische....”»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!”»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik....”»Maar ik zweer u....”»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!”»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed.”»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben....”Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken, door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!”»Ik zweer u, vader,” riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren dezen tuin niet verlaten heeft!”»Dat bezweren wij allen,” verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius levendig, als uit éen mond.»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?” hernam Cresus op klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij dan, dat ik blind of krankzinnigben? Meent gij dan, dat uw getuigenis de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas, Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!”»Angramainjus moge mij verderven,” riep de oude Araspes, den angstigen grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren op de hangende tuinen is geweest.”»Noem mij uw zoon niet meer,” liet Gyges volgen, »als ons getuigenis valsch is.”»Bij de eeuwige sterren!” wilde Darius uitroepen, als Bartja de door elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!”»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling, want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt, weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!”»Vlucht, Bartja!” riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in sterrenschrift heeft gegeven.”Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou overladen.—Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden vaarwel heb gezegd.”Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die buiten zichzelven is van razernij,heeft mij bevolen, u, en allen, die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen.”Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet.”»Ik dank u, vriend,” hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog heden in het verhoor zal nemen.”1Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij ’s nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.2Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.3Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.4Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.

De jacht was afgeloopen. Wagens vol gedood wild, waaronder ettelijke reusachtige evers, die Cambyzes met eigen hand geveld had, volgden de huiswaarts keerende jagers. Voor de poorten van het paleis gingen dezen uiteen, om in hunne woningen het oud Perzisch jachtgewaad van eenvoudig leder met de schitterende Medische hofkleeding te verwisselen.

Onder het jagen had de koning zijn broeder op schijnbaar minzamen toon, schoon het hem moeite kostte zijn toorn te verbergen, het bevel gegeven den volgenden dag te vertrekken, om Sappho af te halen en naar Perzië te geleiden. Tegelijkertijd had hij hem de inkomsten der steden Bactra, Rhagae en Sinope toegezegd, ter bestrijding der meerdere kosten van den nieuwen staat, dien hij als gehuwd man zou moeten voeren. Voorts schonk hij aan de jonge vrouw, als zoogenaamd speldengeld, de opbrengst van haar vaderstad Phocaea.

Bartja dankte zijn milden broeder met ongeveinsde hartelijkheid; Cambyzes echter hernam zijn koele stugheid, riep hem eenige woorden tot afscheid toe, en wendde zich van hem af, om het spoor van een wilden ezel te volgen.

Op den terugtocht noodigde de jonge held zijne vertrouwdste vrienden Cresus, Darius, Zopyrus en Gyges uit, met hem een beker tot afscheid te drinken. Cresus wilde zich eerst later bij hen voegen, daar hij beloofd had bij het opkomen der Tistar-ster de blauwe lelie te zullen komen zien. Toen de grijsaard in den vroegen morgen Nitetis op de hangende tuinen had willen bezoeken, was hij door de wachters onbepaald afgewezen; thans scheen het bloeien der blauwe lelie hem eene gelegenheid aan de hand te doen om zijn geliefde beschermelinge, wier gedrag bij gelegenheid van den feestmaaltijd hij zich niet verklaren kon, en wier strenge bewaking hem zeer bezorgd maakte, te zien en te spreken.

Toen het begon te schemeren, zaten de jonge Achaemenidenin een lommerrijk priëel van den koninklijken tuin, naast hetwelk kristalheldere fonteinen ruischten, onder vroolijke gesprekken bijeen.—Araspes, een voorname Pers en vriend van den overleden Cyrus, had zich aangesloten bij de jongelieden, die druk aan het praten waren, en deed zich te goed aan den voortreffelijken wijn, dien de koningszoon met milde hand schonk.

»Gelukkige Bartja,” riep de oude vrijgezel. »Gij trekt weldra naar een heerlijk land, om de vrouw uwer keuze af te halen, terwijl ik, arme oude vrijer, door iedereen bespot, naar mijn graf voortstrompel, zonder vrouwen en kinderen na te laten, die mij zouden kunnen beweenen en de goden bidden om een genadig oordeel over mijne ziel.”

»Hoe is het mogelijk zulke gedachten te koesteren!” riep Zopyrus, den beker opheffende. »Geene vrouw ter wereld is zóo volmaakt, dat het haar echtgenoot niet minstens eenmaal per dag berouwt, eene vrouw te hebben genomen! Wees blij te moede, vadertje, en bedenk, dat gij u beklaagt over iets dat uwe eigene schuld of liever uwe eigene wijsheid is. Men kiest vrouwen toch als noten, met enkel op de schaal te letten. Wie kan vooruit weten, of er een goede, of een slechte, of in het geheel geen kern in schuilt! Ik spreek uit ervaring, want ofschoon ik pas twee en twintig jaar oud ben, heb ik reeds vijf uitverkorene vrouwen en een ganschen stoet der schoonste slavinnen in mijn huis.”

Araspes glimlachte weemoedig.

»En wie belet u, nog heden te huwen?” riep Gyges. »Gij zijt wel zestig jaar oud; maar gij beschaamt menig jonkman door uwe forsche houding, uwe kracht en uwe volharding. Gij behoort bovendien tot de edelste bloedverwanten van den koning. Waarlijk ik verzeker u, Araspes, dat gij nog wel twintig schoone vrouwen kunt krijgen.”

»Veeg het vuil maar weg voor uw eigen deur,” duwde de oude vrijer den zoon van Cresus toe. »In uwe plaats zou ik zeker niet tot mijn dertigste jaar ongetrouwd zijn gebleven!”

»Eene godspraak heeft mij verboden te huwen.”

»Gekheid! Welk verstandig mensch stoort zich aan eene godspraak! Alleen in droomen openbaren de goden ons de toekomst! Ik zou toch meenen dat gij uit het voorbeeld van uw eigen vader genoeg hebt kunnen leeren, hoe schandelijk die Grieksche priesters hunne beste vrienden bedriegen.”

»Gij spreekt over dingen, die gij niet verstaat, Araspes.”

»En die ik niet verlang te verstaan, jonge vriend! Waarom anders gelooft gij aan orakelen, dan omdat gij ze niet verstaat! Wat gijlieden niet begrijpt, dat noemt gij in uw bekrompenheid een wonder, en in alles wat u wonderbaar toeschijnt stelt gijmeer vertrouwen, dan in de eenvoudige waarheid, die voor de hand ligt. Het orakel heeft uw vader bedrogen en in het verderf gestort; maar het orakel is een wonder, en daarom laat ook gij u met het volste vertrouwen door dat zelfde orakel van uw geluk afhouden!”

»Gij lastert, Araspes. Is het de schuld der goden, wanneer wij hunne uitspraken verkeerd uitleggen?”

»Ongetwijfeld, want als zij ons waarlijk helpen wilden, moesten zij ons met hunne woorden ook het noodige doorzicht schenken, om ze te verstaan. Wat baten mij de schoonste toespraken, zoo zij worden voorgedragen in eene voor mij onverstaanbare taal!”

»Houdt op met dit nutteloos gekibbel!” sprak nu Darius. »Verklaar ons liever, Araspes, waarom gij u zoolang door de priesters bestraffen, bij de feesten terugzetten en door de vrouwen smaden liet; waarom gij vrijgezel zijt gebleven, ofschoon gij iederen bruidegom zijn geluk schijnt te benijden?”

Araspes staarde een oogenblik peinzend op den grond; daarop hief hij plotseling het hoofd op, nam een fiksche teug uit zijn beker, en zeide: »Ik heb daarvoor mijne redenen, vrienden, maar ik kan u die thans niet mededeelen.”

»Laat hooren, laat hooren!”

»Ik kan niet, kinderen, ik kan niet! Dezen beker ledig ik op het welzijn uwer schoone Sappho, gelukkige Bartja, en dezen wijd ik aan uw toekomstig geluk, mijn lieveling Darius!”

»Ik dank u!” antwoordde Bartja, terwijl hij den beker lustig aan de lippen zette.

»Gij meent het goed,” prevelde Darius, die zeer bedrukt naar den grond keek.

»Zeg eens, gij zoon van Hystaspes,” riep de oude krijger, toen hij zag dat de jongeling op eens zoo ernstig was gestemd: »zulk een donker gelaat past den bruidegom, wien een dronk gebracht wordt op het welzijn zijner liefste, volstrekt niet! Is het lieve dochterke van Gobryas, na Atossa, niet de aanzienlijkste van alle jonge Perzische meisjes? Is zij niet schoon?”

»Artystone bezit al de voorrechten en voordeelen eener Achaemenide,” antwoordde Darius, wiens gelaat echter bij deze verklaring nog geene vroolijker uitdrukking aannam.

»Nu wat verlangt gij dan nog meer, gij ontevredene?”

Darius hief den beker op, en keek schijnbaar met aandacht in den wijn.

»De knaap is verliefd, zoo waar als ik Araspes heet!” riep de oude.

»Wat zijt gijlieden toch dwaas,” sprak Zopyrus, die zich nu in het gesprek begon te mengen. »De een is, in strijd met alle Perzische gebruiken, vrijgezel gebleven; een ander trouwt niet,daar eene godspraak hem vrees aanjaagt; Bartja wil slechts éene vrouw hebben, en Darius zet een gezicht als een destoer, die de liederen der dooden zingt, omdat zijn vader hem beveelt gelukkig te worden met het schoonste maagdelijn uit gansch Perzië!”

»Zopyrus heeft gelijk,” zeide de oude man opgeruimd; »Darius is een ondankbaar mensch!”

Bartja wendde zijn blik niet af van den vriend, die dus al schertsend werd doorgehaald. Hij zag ’t hem aan, dat de woorden zijner makkers eene teedere plaats in zijn hart pijnlijk aandeden, en drukte hem de hand, omdat hij zijn eigen geluk dubbel gevoelde, zeggende: »Het doet mij leed, dat ik bij uw huwelijksfeest niet tegenwoordig kan zijn. Als ik terugkom, dan hoop ik, dat gij u met de keuze van uw vader verzoend zult hebben.”

»Misschien,” antwoordde Darius, met een smartelijk lachje, »kan ik u, bij uwe terugkomst, wel eene tweede, ja eene derde vrouw toonen.”

»Dat geve Anahita,” riep Zopyrus. »De Achaemeniden zouden spoedig uitsterven, als allen deden gelijk Araspes en Gyges. Gij met uwe éene vrouw, Bartja, handelt ook niet als het behoort. Om den stam van Cyrus in leven te houden, moest gij eigenlijk drie vrouwen te gelijk huwen.”

»Ik haat het Perzische gebruik, van vele vrouwen te hebben,” antwoordde Bartja. »Door zoo te handelen stellen wij ons beneden de vrouwen, van wie wij eischen, dat zij haar gansche leven ons trouw blijven, terwijl wij, wien de trouw boven alles heilig behoorde te zijn, vandaag deze, morgen gene vrouw eene eeuwige liefde zweren.”

»Bah!” hernam Zopyrus. »Ik sneed mij liever de tong af, dan een man te misleiden; maar onze vrouwen zijn zulke bedrieglijke schepsels, dat men geen kwaad doet haar met dezelfde munt te betalen.”

»De Helleensche vrouwen zijn geheel anders, daar zij anders behandeld worden,” antwoordde Bartja. »Sappho verhaalde mij van eene Grieksche vrouw, zij heette geloof ik Penelope, die twintig jaren lang geduldig, en met dezelfde liefde en trouw, op haren voor dood gehouden echtgenoot1wachtte, ofschoon dagelijks vijftig vrijers haar huis platliepen.”

»Mijne vrouwen zouden zeker niet zoo lang op mij wachten!” zeide de vroolijke Zopyrus. »Ik beken ronduit dat ik mij ook niet zou doodtreuren, als ik, na zulk een lange afwezigheid, bij mijne terugkomst mijn geheele huis ledig vond. In de plaats van die ontrouwe vrouwen, die intusschen tamelijk oud geworden zouden zijn, kon ik dan jonge en schoone deerntjes in mijn harem opnemen. Maar niet iedere vrouw vindt een minnaar om haar te schaken, en onze vrouwen hebben nog liever een man die afwezig is, dan in het geheel geen.”

»Als uwe vrouwen u zoo eens hoorden spreken!” zeide Araspes, terwijl hij hem lachend aanzag.

»Zij verklaarden mij bepaald den oorlog, of, wat nog erger zou zijn, ze sloten onderling vrede.”

»Hoe meent gij dat?”

»Hoe ik het meen? Nu ik kan wel merken, dat gijlieden geen ervaring hebt op dit gebied!”

»Wijd ons dan eens in de geheimen van uw huwelijksleven in.”

»Zeer gaarne! Gij kunt u wel voorstellen, dat vijf vrouwen in éen huis niet zoo vreedzaam samenleven als vijf duiven in éen til. De mijne ten minste voeren onafgebroken strijd op leven en dood. Daar ben ik aan gewoon, en het doet mij altijd genoegen, als de lieve schepseltjes zich onderling zoo vermaken. Een jaar geleden waren zij het voor de eerste maal eens, en deze dag des vredes was de ongelukkigste mijns levens.”

»Gij spotvogel!”

»Neen, ik spreek in vollen ernst. De ellendige eunuch, die dit vijftal moest bewaken, liet een ouden juwelier uit Tyrus bij haar toe. Ieder koos zich een kostbaar tooisel. Toen ik tehuis kwam, viel Subade mij aanstonds op het lijf, en bad mij om het geld voor het door haar gekozen sieraad. Het ding was zóo duur, dat ik weigerde het te betalen. Eén voor éen kwamen ook de vier andere vrouwen mij geld vragen voor haar opschik, maar allen kregen hetzelfde antwoord en ik ging naar het hof.—Toen ik weer terugkom, zitten al mijne vrouwen bij elkaar te pruilen en te klagen. Zij omarmen elkaar, en noemen elkaar vriendinnen en deelgenooten in het ongeluk. Met een waarlijk aandoenlijke eensgezindheid staan ze alle vijf als vijandinnen tegen mij op, en overladen me met scheldwoorden en dreigementen, tot ik het vertrek verlaat. Ik wil me te slapen leggen, maar jawel, ik vind vijf geslotene deuren. Den volgenden morgen begint het gejammer en getier opnieuw. Ik neem wederom de vlucht en rijd met den koning ter jacht. Vermoeid, hongerig en verstijfd, (het was in de lente, en reeds was het hof te Ekbatana, terwijl de sneeuw nog ellenhoog den Orontes bedekte)kom ik tehuis, en vind geen vuur aan den haard, geen maaltijd gereed. Mijne lieve vrouwtjes hadden, om mij te straffen, vrede met elkaar gesloten, het vuur uitgedoofd, den koks verboden hun plicht te doen, en wat het ergste was, de juweelen behouden!—Nauw heb ik den slaven geboden vuur aan te maken en een maaltijd te bereiden, of daar verschijnt de onbeschaamde juwelier andermaal en vordert zijn geld. Wederom weiger ik hem te betalen, breng opnieuw, door de vrouwen buitengesloten, eenzaam den nacht door, en offer den volgenden morgen om des lieven vredes wille tien talenten. Sedert ducht ik de eendracht mijner vriendinnen evenzeer als de booze Diws, en heb niets liever, dan dat zij elkander lagen leggen, krakeelen en plukharen.”

»Ongelukkige Zopyrus!” zeide Bartja lachend.

»Ongelukkige?” hernam de echtgenoot van het vijftal. »Ik zeg u, dat ik de gelukkigste sterveling op aarde ben. Mijne vrouwen zijn jong en aanvallig, en als hun gelaat begint te rimpelen, wie zal mij dan beletten schoonere in mijn huis te nemen? De leelijkheid der verouderde vrouwen zal dan de schoonheid mijner jeugdige vriendinnen te sterker doen uitkomen.—Hei daar slaaf, zorg voor lampen! De zon is ondergegaan, en de wijn smaakt dan alleen als de tafel helder verlicht is!”

»Hoort, hoe schoon de vogel Bulbul slaat!” riep Darius, die buiten het priëel onder den vrijen hemel was gaan staan, zijnen vrienden toe.

»Bij Mithra, zoon van Hystaspes, gij zijt tot over de ooren verliefd,” viel Araspes den jongeling in de rede. »Wie den wijn laat staan om naar den nachtegaal te luisteren, is door den bloesempijl der liefde2getroffen, zoo zeker als ik Araspes heet!”

»Gij hebt gelijk, vadertje!” zeide Bartja. »Philomele, gelijk de Hellenen onzen Bulbul noemen, wien de liefde zoo schoone tonen in den gorgel geeft, is bij alle volken de vogel der minnenden. Van welk maagdelijn droomdet gij, Darius, toen ge straks in het duister ons verliet, om naar Bulbul te luisteren?”

»Ik dacht niet aan meisjes,” antwoordde de jongeling. »Gij weet, dat ik gaarne den sterrenhemel beschouw. De Tistar-ster kwam heden zoo buitengewoon luisterrijk op, dat ik den wijn vergat om naar haar te zien. Ik had echter mijne ooren wel moeten dichtstoppen, om den welluidenden beurtzang der nachtegalen niet te vernemen.”

»Gij hieldt ze wijd genoeg open, want uwe opgetogene ontboezeming bewees, dat het gezang van den vogel diep in uw hart was gedrongen!” hernam Araspes plagende.

»Genoeg!” riep Darius, dien deze scherts verdroot.

»Onvoorzichtige,” fluisterde nu de oude den jongeling toe, »nu hebt gij u zelven verraden! Waart gij niet verliefd, zoo zoudt gij lachen in plaats van dus op te vliegen. Maar ik wil u niet kwellen; zeg mij liever wat gij in de sterren gelezen hebt?”

Darius zag bij deze woorden nogmaals naar den hemel op, en hield zijne blikken onafgewend op een helder lichtend sterrenbeeld gevestigd, dat juist boven den horizont oprees. Zopyrus sloeg den astroloog opmerkzaam gade, en riep zijnen vrienden toe: »Daarboven moet iets gewichtigs plaats grijpen. Hé, Darius, deel ons mede wat de hemel u verkondigt!”

»Niets goeds,” antwoordde deze. »Ik wenschte u even alleen te spreken, Bartja.”

»Waartoe dat? Araspes kan zwijgen, en wij hebben immers geene geheimen voor elkaâr!”

»Toch....”

»Kom, spreek gerust!”

»Neen, ik bid u, volg mij in den tuin.”

Bartja knikte de vrienden toe, legde zijn arm op Darius’ schouder, en ging met hem in het maanlicht naar buiten. Toen zij alleen waren, vatte de zoon van Hystaspes beide handen van zijn vriend, en zeide: »Heden voor de derde maal merk ik aan den hemel verschijnselen op, die u niets goeds beloven. Uw boos gesternte nadert uwe heilbrengende ster zóo dicht, dat men slechts geringe kennis van de hemellichten behoeft te hebben, om te kunnen voorzeggen, dat u een groot gevaar bedreigt. Neem uwe voorzorgen, Bartja, en reis nog heden naar Egypte, want de sterren verkondigen mij, dat het ongeluk u aan de oevers van den Euphraat, niet in het verre land zal overkomen.”

»Gelooft gij zoo vast aan de voorspellende kracht van die gesternten?”

»Voorzeker! De sterren liegen nooit!”

»Dan zou het eene dwaasheid zijn, zich te willen onttrekken aan hetgeen zij ons voorspellen.”

»Gij hebt gelijk, de mensch kan niet ontgaan wat over hem besloten is. Maar het noodlot heeft groote overeenkomst met de onderwijzers in de krijgskunst, wien zulke leerlingen het liefst zijn, die het moedigst en het behendigst met hen vechten. Reis nog heden naar Egypte, Bartja!”

»Ik kan niet, want ik heb van mijne moeder en van Atossa nog geen afscheid genomen.”

»Zend haar door een bode uw afscheidsgroet, en draag Cresusop haar de reden van uw overhaast vertrek mede te deelen.”

»Zij zullen mij voor een lafaard houden.”

»Voor een mensch te wijken is een bewijs van lafheid; zijn noodlot te ontvlieden, als men kan, is wijs.”

»Gij weerspreekt u zelven, Darius! Wat zou de leermeester in de krijgskunst van den vluchtenden leerling zeggen?”

»Hij zou zich verheugen over den krijgslist, waardoor een enkele aan de overmacht tracht te ontkomen.”

»Die hem toch ten laatste inhalen en verdelgen zou.—Hoe zou ik een gevaar, dat, gij zegt het zelf, niet kan worden afgewend, zoeken te ontwijken! Als mij een tand pijn doet, laat ik dien aanstonds uittrekken, terwijl vrouwen en lafaards zich weken lang kwellen en angstig maken, om de smartelijke kunstbewerking slechts niet op staanden voet, maar zoo laat mogelijk te ondergaan. Ik verbeid het gevaar met onwankelbaren moed, en hoop dat het zich spoedig moge vertoonen, om het des te eerder achter mij te hebben.”

»Gij kent er de grootte niet van.”

»Vreest gij voor mijn leven?”

»Neen!”

»Laat mij hooren, wat gij ducht.”

»Die Egyptische priester te Saïs, onder wiens voorlichting ik de sterren gadesloeg, heeft uw horoscoop met mij getrokken. Hij was de bekwaamste in de wetenschap der sterren, dien ik ooit ontmoette. Hem ben ik veel van hetgeen ik weet verschuldigd, en ik wil u niet verzwijgen, dat hij mij opmerkzaam heeft gemaakt op gevaren, die u toen reeds boven het hoofd hingen.”

»Waarom mij dat verzwegen?”

»Waarom u voór den tijd schrik aangejaagd! Thans waarschuw ik u, daar ik zie, dat hetgeen u bedreigde nadert.”

»Ik dank u, en zal op mijne hoede zijn. Vroeger zou ik mij aan uwe waarschuwing niet hebben gestoord; maar sedert ik bemin, is het mij altijd als mag ik niet meer zoo vrij over mijn leven beschikken.”

»Ik begrijp dat gevoel...”

»Gij begrijpt mij? Araspes heeft dan goed gezien?—Gij zegt niet neen?”

»Ach, een droom zonder hoop!”

»Welke vrouw zou u kunnen versmaden?”

»Versmaden?”

»Ik vat u niet. Ontzinkt u, den stoutsten jager, den sterksten worstelaar, den wijste van alle jonge Perzen, ontzinkt u de moed en het zelfvertrouwen, waar gij staat tegenover eene vrouw?”

»Kan ik u vertrouwen, meer vertrouwen, dan ik mijnen vader vertrouwen zou, Bartja?”

»Dat kunt ge!”

»Ik bemin de dochter van Cyrus, uwe en des konings zuster, Atossa!”

»Heb ik u goed verstaan; gij bemint Atossa? Daarvoor dank ik u, reine Amescha Çpenta3! Van nu aan geloof ik niet meer aan uwe sterren, want in plaats van de gevaren, waarmede zij mij bedreigen, over mij te zien komen, ontvang ik een onverwachten zegen. Omarm mij, mijn broeder, en verhaal mij de geschiedenis uwer liefde, opdat ik in staat zij u te helpen, en te verwezenlijken wat gij een droom zonder hoop noemdet!”

»Vóor ons vertrek naar Egypte, trokken we, gelijk gij weet, met het geheele hof van Ekbatana naar Susa. Ik had toen het bevel over de afdeeling der Onsterfelijken, die de wagens van de gemalinnen des konings moesten beschermen. Op den bergpas over den Orontes, gleden de paarden uit, die den wagen uwer moeder en zuster trokken. Het juk, waaraan de dieren bevestigd waren4, brak van den dissel, en voor mijne oogen stortte de zware vierwielige wagen in den afgrond. Bevend van schrik zagen wij het voertuig verdwijnen. Wij gaven onze paarden de sporen, zoodat hun het bloed uit de zijde sprong, en snelden toe om, zoo mogelijk, nog hulp te bieden. Op de plaats van het ongeluk gekomen, bereidden we ons reeds voor op het ijselijke gezicht van den verbrijzelden wagen en van bloedende, vreeselijk misvormde lijken. Maar de goden hadden de uwen onder hunne alvermogende bescherming genomen, en de in den afgrond geslingerde wagen rustte, met gebrokene raderen, in de armen van twee reusachtige cypressen, welker taaie wortels zich diep in de spleten der steenrotsen hadden vastgewrongen, en die hunne donkere kronen tot aan den rand van den weg verhieven.

»Bliksemsnel sprong ik van mijn paard en klauterde, zonder mij een oogenblik te bezinnen, langs een der cypressen af. Uwe moeder en zuster riepen om hulp, en strekten hare armen naar mij uit. Zij verkeerden in een ontzettend gevaar, want de houten wanden van den wagen, door den geweldigen schok uit de voegen gelicht, dreigden ieder oogenblik van elkaar te splijten. Dan zouden de vrouwen onvermijdelijk in den afgrond zijn gestort, die peilloos diep en donker, als het verblijf der booze Diws,bereid scheen de schoone offers in zijne kaken te verzwelgen.

»Daar stond ik, mij aan den stam der cypres vastklemmende, voor den zwevenden wagen, die ieder oogenblik bezwijken kon, en toen werd ik voor het eerst getroffen door den smeekenden blik uwer zuster. Sinds dat oogenblik beminde ik Atossa. Maar ik wist toen nog niet, wat er in mijn hart omging, want daar was geen tijd om op iets anders, dan de redding uwer dierbaren bedacht te zijn. In een ommezien hief ik de vrouwen uit den wagen, die een oogenblik later in duizend stukken sprong, en krakende in de diepte stortte. Ik ben sterk, maar toch zou ik, zonder de uiterste inspanning mijner krachten, de beide vrouwen en mij zelven niet zoo lang boven den afgrond zwevende hebben kunnen houden, tot men koorden had afgelaten. Atossa hing aan mijn hals, Cassandane rustte, door mijn linkerarm omklemd, aan mijn borst. Met de rechterhand slingerde ik den strik om mijn lichaam. Men trok ons naar boven, en weinige minuten later stond ik, met mijn kostbaren last, behouden op den vasten bodem.

»Nadat een magiër de wonde, die het sterk aangetrokken koord in mijne zijde had gesneden, verbonden had, liet de koning mij roepen, schonk mij deze halsketen en de inkomsten van eene geheele provincie, en leidde mij in eigen persoon tot de vrouwen, die mij in de warmste taal haren dank betuigden. Cassandane stond mij toe haar voorhoofd te kussen, en deed mij al de sieraden, die zij op dat gevaarvolle oogenblik gedragen had, voor mijne toekomstige gemalin ter hand stellen. Atossa trok een ring van haar vinger, stak dien aan mijne hand, en kuste die met hare gewone levendigheid, alleen gehoor gevende aan de inspraak van haar dankbaar hart. Gij hebt te dien tijde dat alles vernomen, maar wat gij niet weet, is, dat ik sedert dien dag, den gelukkigsten mijns levens, uwe zuster liefheb, de goden alleen weten hoe innig en teeder! Nochtans heb ik tot op gisteren avond uwe zuster niet wedergezien. Bij den grooten feestmaaltijd zaten wij tegenover elkander. Mijn oog ontmoette het hare. Ik zag niemand dan Atossa, en ben overtuigd dat zij wederkeerig haren redder niet vergeten heeft. Cassandane....”

»O, mijne moeder zal u volgaarne als haar schoonzoon aannemen, daarvoor sta ik u borg. Laat uw vader zich tot den koning wenden; hij is onze oom, en mag met alle recht de dochter van Cyrus voor zijn zoon tot vrouw verlangen!”

»Herinnert gij u nog dien droom van uw vader? Sedert dien nacht heeft Cambyzes nooit opgehouden mij te wantrouwen.”

»Dat is lang vergeten! Kort voor zijn dood droomde mijn vader, dat gij vleugelen hadt; en nu vreesde hij op een dwaalspoor gebracht door de droomuitleggers, dat gij, een achttienjarigeknaap, naar de kroon zoudt staan. Cambyzes kon dat gezicht maar niet vergeten, tot Cresus, nadat ge mijne moeder en zuster hadt gered, verklaarde dat de droom verwezenlijkt was; want alleen een gevleugelde arend of Darius was in staat zoo behendig boven een afgrond te zweven.”

»Doch deze verklaring had niet de eer uw broeder te bevallen. Hij wil de eenige adelaar in Perzië zijn. Cresus vleit echter nooit zijn trots.”

»Waar zou hij toch zoo lang blijven?”

»Hij is op de hangende tuinen. Mijn vader en Gobryas zullen hem ophouden.”

»Dat noem ik toch waarlijk bijzonder beleefd!” liet zich op eens de stem van Zopyrus hooren. »Bartja noodigt ons aan zijn disch, en laat ons, terwijl hij geheimen behandelt, zonder gastheer zitten!”

»Wij komen, wij komen!” antwoordde deze. Daarop vatte hij de hand van Darius, drukte die en zeide: »Uwe liefde voor Atossa maakt mij onbeschrijfelijk gelukkig. Ik blijf nog tot overmorgen, al bedreigden mij ook de sterren met de verschrikkelijkste gevaren. Morgen zal ik Atossa’s hart peilen en eerst wanneer alles behoorlijk is voorbereid, aanvaard ik mijne reis, aan mijn gevleugelden Darius overlatende op eigene wieken zijn doel te bereiken.”

Dit zeggende ging Bartja naar het priëel terug, terwijl zijn vriend andermaal den blik ten hemel richtte. Hoe langer hij de sterren gade sloeg, des te somberder werd de uitdrukking van zijn gelaat. Toen de Tistar-ster onderging, sprak hij bij zichzelven: »Arme Bartja!” Zijne vrienden riepen hem en juist wilde hij tot hen terugkeeren, als eene nieuwe ster zijne aandacht trok, waarvan hij plaats en richting opmerkzaam gadesloeg. De ernst zijner trekken ging in een zegevierenden glimlach over, zijne hooge gestalte scheen nog te rijzen, en terwijl hij de hand op zijn hart legde, fluisterde hij: »Gevleugelde Darius, gebruik thans uwe wieken; uwe ster zal u ter zijde staan!” Daarop keerde hij tot de vrienden weder, die hem met ongeduld zaten te wachten.

Kort daarop naderde Cresus het priëel. De jongelingen sprongen van hunne zitplaatsen op, om den eerwaardigen man welkom te heeten, die, als door den bliksem getroffen, bleef staan, toen hij het gelaat van Bartja herkende, dat door het maanlicht helder werd verlicht.

»Wat is u overkomen, vader?” vroeg Gyges, terwijl hij bezorgd de hand van den grijsaard vatte.

»Niets, niets,” stamelde deze nauw hoorbaar, drong zijn zoon op zijde, naderde Bartja, en beet hem in het oor: »Rampzalige,zijt gij nog hier? Verzuim geen seconde meer, en vlucht! De zweepdragers, die uitgezonden zijn om u in hechtenis te nemen, volgen mij op de hielen! Denk aan Sappho, en geloof mij als ik u zeg, dat gij, door nog een oogenblik te aarzelen, uwe dubbele onvoorzichtigheid met den dood zult bekoopen.”

»Maar Cresus, ik heb....”

»Gij hebt de wet van dit land, van dit hof met voeten getreden en althans in schijn de eer van uw broeder gekrenkt....”

»Wat zegt gij?”

»Vlucht, vlucht, zeg ik u! Want, al waart gij ook met de meest onschuldige bedoeling op de hangende tuinen en bij de Egyptische geweest, zoo zoudt gij toch alles te vreezen hebben. Hoe kondet gij, die de opvliegendheid van Cambyzes kent, toch zoo dwaas wezen, zijn uitdrukkelijk verbod te overtreden?”

»Ik begrijp er niets van! Ik....”

»Geene uitvluchten! Pak u weg! Gij weet niet dat Cambyzes u reeds lang met een jaloersch oog aanziet, en dat uw nachtelijk bezoek bij de Egyptische....”

»Sedert Nitetis hier is, heb ik op de hangende tuinen geen voet gezet!”

»Maak thans uwe overtreding niet nog erger door een leugen. Ik....”

»Maar ik zweer u....”

»Wilt gij eene daad van lichtzinnigheid door meineed tot eene misdaad maken? De zweepdragers komen reeds, vlucht, vlucht!”

»Ik blijf, want ik houd mij aan mijn eed.”

»Verblinde! Weet dat ik zelf, Hystaspes en andere Achaemeniden, u, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen gezien hebben....”

Bartja liet zich in zijne verbazing, haast zonder het te bemerken, door den grijsaard voortleiden; doch toen hij diens laatste woorden had vernomen, bleef hij staan, riep zijne vrienden naderbij, en zeide: »Cresus beweert, dat hij mij, nog geen uur geleden, op de hangende tuinen heeft gezien. Gelijk gij allen weet, heb ik sedert het ondergaan der zon deze plaats niet verlaten. Bevestigt hem toch door ulieder getuigenis, dat hier een booze Diw met onzen vriend en wie met hem waren zijn spel moet hebben gespeeld!”

»Ik zweer u, vader,” riep Gyges, »dat Bartja sedert de laatste uren dezen tuin niet verlaten heeft!”

»Dat bezweren wij allen,” verzekerden Araspes, Zopyrus en Darius levendig, als uit éen mond.

»Wilt ge allen mij bedriegen, mij, uw besten vriend?” hernam Cresus op klagenden toon, den een na den ander verwijtend aanziende. »Gelooft gij dan, dat ik blind of krankzinnigben? Meent gij dan, dat uw getuigenis de verklaring der edelste grijsaards, van Hystaspes, Gobryas, Intaphernes en den opperpriester Oropastes zal kunnen ontzenuwen? In spijt van ulieder valsche eeden, die zelfs uwe vriendschap voor Bartja niet billijken kan, is hij een kind des doods, als hij niet vlucht!”

»Angramainjus moge mij verderven,” riep de oude Araspes, den angstigen grijsaard in de rede vallend, »als de zoon van Cyrus de laatste uren op de hangende tuinen is geweest.”

»Noem mij uw zoon niet meer,” liet Gyges volgen, »als ons getuigenis valsch is.”

»Bij de eeuwige sterren!” wilde Darius uitroepen, als Bartja de door elkander schreeuwenden het stilzwijgen oplegde, en met vaste stem zeide: »Ginds komt eene afdeeling van de lijfwacht den tuin in. Ik zal gevangen genomen worden en kan niet vluchten; omdat ik, onschuldig zijnde, juist daardoor den schijn van schuld op mij zou laden. Bij de ziel mijns vaders, bij de blinde oogen mijner moeder, bij het reine licht der zon, zweer ik u, Cresus, dat ik u niet bedrieg!”

»Zal ik u gelooven, ondanks het getuigenis mijner beide oogen, die mij tot heden nog nooit bedrogen hebben? Ik wil u gelooven, jongeling, want ik heb u lief en eer u. Of gij schuldig, dan wel onschuldig zijt, weet ik niet en wil ik ook niet weten. Maar dit weet ik, dat gij vluchten moet, in allerijl vluchten! Gij kent Cambyzes! Mijn wagen wacht voor de poort. Ontzie de paarden niet, maar vlucht! De soldaten schijnen te weten wat het doel uwer gevangenneming is, want het is ontwijfelbaar dat zij zoo talmen, ten einde u, hun lieveling, den tijd te laten om te ontkomen. Vlucht! vlucht! of het is met u gedaan!”

»Vlucht, Bartja!” riep ook Darius, terwijl hij zijn vriend vooruit drong, »en denk aan de waarschuwing, die de hemel zelf u in sterrenschrift heeft gegeven.”

Bartja schudde echter zwijgend het hoofd, en zeide, terwijl hij de vrienden afwees, die zich om zijnentwil zoo verontrustten: »Ik ben nog nooit gevloden, en heb mij voorgenomen ook in deze ure pal te staan. Lafheid schijnt mij vreeselijker dan de dood, en liever lijd ik van anderen onrecht, dan dat ik mij zelven met schande zou overladen.—Daar zijn de soldaten. Wees welkom Bischen! Moet gij mij gevangen nemen? Ja? Wacht dan een oogenblik, tot ik mijn vrienden vaarwel heb gezegd.”

Bischen, een oud hoofdman van Cyrus, die Bartja het eerste onderricht had gegeven in het pijlschieten en speerwerpen, die in den krijg tegen de Tapoeren aan zijne zijde had gestreden, en hem liefhad als zijn eigen zoon, viel den jongeling in de rede, zeggende: »Gij behoeft van uwe vrienden geen afscheid te nemen, want de koning, die buiten zichzelven is van razernij,heeft mij bevolen, u, en allen, die ik bij u mocht vinden, in hechtenis te nemen.”

Daarop liet hij fluisterend volgen: »De koning is woedend, en bedreigt uw leven. Gij moet vluchten. Mijne lieden gehoorzamen mij blindelings en zullen u niet vervolgen; ik ben echter oud en Perzië verliest er niets bij, als ik met mijn hoofd mijne ongehoorzaamheid boeten moet.”

»Ik dank u, vriend,” hernam Bartja, diep geroerd over dit blijk van gehechtheid, »maar ik kan uw offer niet aannemen, want ik ben onschuldig, en weet dat Cambyzes wel opvliegend, maar volstrekt niet onrechtvaardig is. Komt, vrienden, ik geloof dat de koning ons nog heden in het verhoor zal nemen.”

1Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij ’s nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.2Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.3Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.4Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.

1Odysseus of Ulysses. Penelope werd, volgens de sage, gedurende hare omzwervingen door meer dan honderd minnaars bestormd. Zij bleef echter trouw, en verzocht uitstel totdat het lijkkleed voor haar schoonvader Laërtes gereed zou zijn. Doch wat zij bij dag weefde, tornde zij ’s nachts weer los. Toen het eindelijk tot eene beslissing zou komen, keerde Ulysses terug en doodde de minnaars.

2Dit is ontleend aan de Indiërs, wier liefdegod Kama de harten wondt met puntige bloesems. De nachtegaal speelt eene groote rol in de liederen der Perzen. Hij is de vogel der verliefden, en zijn lied werd gehouden voor de uitdrukking van al wat lieflijk is.

3Heilige onsterfelijken. Zij kunnen vergeleken worden met de aartsengelen der Joden. Zij omgeven den troon van Aoeramazda en stellen zinnebeeldig de hoogste deugden voor. Later werd hun getal op zes bepaald.

4Aan het einde van den disselboom der Perzische wagens was een juk bevestigd, dat op de ruggen der paarden werd vastgemaakt, hetwelk gelijke diensten bewees als bij ons de borst- en disselriem. Op dezelfde wijze werden ook de Egyptische paarden aangespannen.


Back to IndexNext