Zesde hoofdstuk.Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane, Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door in den heerlijken tuin, die ze omgaf.Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig voet hoog. Lommerrijke paradijzen1en zuilengangen, volgens het voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek, bevondzich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door hare ligging bijna niet te genaken was.De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin het schoone Pasargadae vaarwel.Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen, en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven met zich voerden2. Toch was er niemand, die zich over de onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijkenzetel in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.Na het nieuwjaarsfeest3moest het leger opbreken. Na de viering er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger, bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor, en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen, om hun eene vraag voor te leggen.»Gij weet,” zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom voorspeld heeft?”De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide: »Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten huwen4; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan hebben, wat goed is!”Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben, voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond, die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen aanvoerden. Bij Akko, in het landder Kanaänieten, hadden zich de vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs, en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, om daar hulp tegen den tyran te zoeken.Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust van den Delta, tegenover elkander.Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn, die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!”Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Hetleger werd in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe5, hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs, honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters6en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche Mascha-wascha7zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens8schaarden, en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken9; bijl- en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars, en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten, wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen, die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.—Het voetvolk van de Perzen was nietveel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners van het Nijldal.Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken, en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend katten.—Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam, op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden, en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige dieren schieten!”Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden10. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was opgedragen,en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar zijne tent.Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden, morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende: »Ik ben Aristomachus van Sparta!”Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had, was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring, dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten, indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden rotssteen goudkorrels te hakken11. Velen dier ongelukkigen hadden reeds langer dan veertig jaren in ditoord van jammer en ellende doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.»Mijne lotgenooten,” vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van Pacht12, onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood, wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand, waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood, die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende, die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden lietenrijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den grooten koning als krijgsoverste diendet.—Ik heb mijn eed gehouden, en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!”»Die zal u gegeven worden,” riep de Athener, terwijl hij de hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten, tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.—Weet, dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u, den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!”Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het verwezenlijkt,—thans zal het waarheid worden!—Vergeef mij, Phoebus Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat beloofde de godspraak mij?‘Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalenIn ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,Dan voert de ranke boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;En van de vijf moogt gij in ’t eind verwervenWat gij zoo lang, met rouw in ’t hart, moest derven.’»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag, thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid, dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!”»Morgen breekt de dag der vergelding aan!” riep Phanes, met het gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven, alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte heeft getroffen!—Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische slingeraars op de vlucht!”’t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen, terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde13, het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde, van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur, dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: ‘Aoeramazda, helper en aanvoerder’, en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden, dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. ‘Hebe’ was hun parool14.—Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht15, en stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes gelederen geschaard.Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik, wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes, indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u ernog op te wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen zuchten?—Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië heeft verkocht. Die man heet Phanes!—Gij moogt niet morren als had ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid, wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!—Gij zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam ‘Helleen’ te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!”De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide stem beroemd maakte16, den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener, hoe men hier te lande verraders straft!”—Een Kariër greep het mengvat, welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den grond genagelden vader. Als krankzinnigenvielen de andere soldaten op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed verontreinigde druivensap17.Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne, over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren nauwelijks te tellen18. Psamtik was onder de laatsten geweest, die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen.Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden, waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden, mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevenepriesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens, als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren munten deed uitstrooien.De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken, toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam, de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten voordeele der Perzen besliste.De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide »Overwinnaar van Pelusium” en »den beste der Achaemeniden”.Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van eigenwaarde was te lezen, zag naderen.Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.»Toch heeft het orakel gelogen,” mompelde de Spartaan. »Ik sterf, zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!”»Het orakel sprak de waarheid!” antwoordde Phanes. »Hoe luidden de laatste woorden der Pythia?‘Dan voert de boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.’»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk van den Hades zal overvoeren.”»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!”»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, watzij u zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op zijn schild van het slagveld te zijn gedragen.”»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet te vermanen steeds deugdzaam te zijn.”»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?”»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk.”»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld tegen hem te velde trokken.”»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag verloren zijn geweest!”»Ongetwijfeld!”»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!”»Bidt gij?”»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet gevaarlijk voor den Griekschen staat.—Hei daar, arts! Wanneer zal ik sterven?”De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, zult gij sterven.”De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later was hij een lijk.Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgdehet op den voet, na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden om het beleg voor Saïs te slaan.Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd zilverminen19, die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen, in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun leven boeten!”—Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen, en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend, en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond, onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer zuster Pheretime20. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte, welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering, tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich, het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam, vertoefde Psamtik in het paleis der pharao’s strengbewaakt, doch te gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak kon maken.Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond de admiraal van Amasis’ Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd21. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte door krachtig op te treden. »Laat,” zoo zeide hij, »aan de tweeduizend jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen voor de baden van den edelen Phanes.”De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na te houden.”»Maar u verboden,” viel Cambyzes in, »een der leden van hetgevallen vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen straffen!”Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats worden geleid. »Men moet zien,” riep hij, »dat wij van plan zijn, alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!”Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden.”»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!” riep Phanes, »zoo het den koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel als een lafhartige gedraagt.”»Dat zal geschieden!” antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!”Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante, slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!”Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzischewachters geleid22. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap, hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden knaap met de hand een laatst vaarwel toe.Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond, liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, ’t geen ten gevolge had, dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig gesloten vuist voor het voorhoofd.Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij, bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote deelneming aan den dag legt?”Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, mag ik echter beweenen!”Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes, die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De trotsche veroveraar had een welbehagenin deze tranen, en sprak, zich tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij genoeg gewroken zijn.—Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele grijsaard—dit zeggende wees hij op Cresus—u aan uw tegenwoordig lot te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van het hoofd gerukt. Om Nitetis’ wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren, en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal, gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed.”De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton23, een vroegen dood geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes,zoo mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik, weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw, die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.—Dat is het, wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; gij, ongelukkige, moest mij—en dit was het schoonste gedeelte mijner wraak—van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!—Wie, gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!”Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond24, toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd was aandezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk, eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.1Perzische lusthoven.2zie boven bl.165.3In onze maand Maart.4Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.5Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.6Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.7Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.8Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.9Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede van leder.10Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.11Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers’Warda.12zie boven bl.213.13Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.14Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.15Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. EbersWarda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.16Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van hem verlangde.17Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.18Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.19Ongeveer ƒ 22.500.20Zij was de gemalin van koning Battus III.21In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes’ verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.22Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.23Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.24De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: “Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was; mijn wreker is niet verre meer!”
Zesde hoofdstuk.Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane, Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door in den heerlijken tuin, die ze omgaf.Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig voet hoog. Lommerrijke paradijzen1en zuilengangen, volgens het voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek, bevondzich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door hare ligging bijna niet te genaken was.De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin het schoone Pasargadae vaarwel.Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen, en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven met zich voerden2. Toch was er niemand, die zich over de onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijkenzetel in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.Na het nieuwjaarsfeest3moest het leger opbreken. Na de viering er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger, bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor, en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen, om hun eene vraag voor te leggen.»Gij weet,” zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom voorspeld heeft?”De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide: »Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten huwen4; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan hebben, wat goed is!”Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben, voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond, die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen aanvoerden. Bij Akko, in het landder Kanaänieten, hadden zich de vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs, en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, om daar hulp tegen den tyran te zoeken.Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust van den Delta, tegenover elkander.Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn, die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!”Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Hetleger werd in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe5, hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs, honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters6en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche Mascha-wascha7zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens8schaarden, en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken9; bijl- en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars, en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten, wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen, die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.—Het voetvolk van de Perzen was nietveel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners van het Nijldal.Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken, en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend katten.—Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam, op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden, en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige dieren schieten!”Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden10. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was opgedragen,en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar zijne tent.Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden, morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende: »Ik ben Aristomachus van Sparta!”Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had, was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring, dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten, indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden rotssteen goudkorrels te hakken11. Velen dier ongelukkigen hadden reeds langer dan veertig jaren in ditoord van jammer en ellende doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.»Mijne lotgenooten,” vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van Pacht12, onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood, wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand, waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood, die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende, die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden lietenrijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den grooten koning als krijgsoverste diendet.—Ik heb mijn eed gehouden, en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!”»Die zal u gegeven worden,” riep de Athener, terwijl hij de hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten, tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.—Weet, dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u, den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!”Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het verwezenlijkt,—thans zal het waarheid worden!—Vergeef mij, Phoebus Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat beloofde de godspraak mij?‘Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalenIn ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,Dan voert de ranke boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;En van de vijf moogt gij in ’t eind verwervenWat gij zoo lang, met rouw in ’t hart, moest derven.’»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag, thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid, dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!”»Morgen breekt de dag der vergelding aan!” riep Phanes, met het gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven, alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte heeft getroffen!—Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische slingeraars op de vlucht!”’t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen, terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde13, het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde, van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur, dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: ‘Aoeramazda, helper en aanvoerder’, en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden, dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. ‘Hebe’ was hun parool14.—Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht15, en stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes gelederen geschaard.Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik, wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes, indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u ernog op te wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen zuchten?—Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië heeft verkocht. Die man heet Phanes!—Gij moogt niet morren als had ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid, wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!—Gij zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam ‘Helleen’ te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!”De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide stem beroemd maakte16, den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener, hoe men hier te lande verraders straft!”—Een Kariër greep het mengvat, welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den grond genagelden vader. Als krankzinnigenvielen de andere soldaten op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed verontreinigde druivensap17.Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne, over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren nauwelijks te tellen18. Psamtik was onder de laatsten geweest, die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen.Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden, waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden, mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevenepriesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens, als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren munten deed uitstrooien.De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken, toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam, de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten voordeele der Perzen besliste.De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide »Overwinnaar van Pelusium” en »den beste der Achaemeniden”.Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van eigenwaarde was te lezen, zag naderen.Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.»Toch heeft het orakel gelogen,” mompelde de Spartaan. »Ik sterf, zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!”»Het orakel sprak de waarheid!” antwoordde Phanes. »Hoe luidden de laatste woorden der Pythia?‘Dan voert de boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.’»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk van den Hades zal overvoeren.”»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!”»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, watzij u zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op zijn schild van het slagveld te zijn gedragen.”»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet te vermanen steeds deugdzaam te zijn.”»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?”»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk.”»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld tegen hem te velde trokken.”»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag verloren zijn geweest!”»Ongetwijfeld!”»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!”»Bidt gij?”»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet gevaarlijk voor den Griekschen staat.—Hei daar, arts! Wanneer zal ik sterven?”De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, zult gij sterven.”De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later was hij een lijk.Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgdehet op den voet, na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden om het beleg voor Saïs te slaan.Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd zilverminen19, die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen, in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun leven boeten!”—Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen, en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend, en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond, onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer zuster Pheretime20. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte, welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering, tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich, het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam, vertoefde Psamtik in het paleis der pharao’s strengbewaakt, doch te gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak kon maken.Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond de admiraal van Amasis’ Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd21. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte door krachtig op te treden. »Laat,” zoo zeide hij, »aan de tweeduizend jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen voor de baden van den edelen Phanes.”De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na te houden.”»Maar u verboden,” viel Cambyzes in, »een der leden van hetgevallen vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen straffen!”Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats worden geleid. »Men moet zien,” riep hij, »dat wij van plan zijn, alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!”Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden.”»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!” riep Phanes, »zoo het den koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel als een lafhartige gedraagt.”»Dat zal geschieden!” antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!”Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante, slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!”Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzischewachters geleid22. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap, hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden knaap met de hand een laatst vaarwel toe.Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond, liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, ’t geen ten gevolge had, dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig gesloten vuist voor het voorhoofd.Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij, bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote deelneming aan den dag legt?”Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, mag ik echter beweenen!”Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes, die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De trotsche veroveraar had een welbehagenin deze tranen, en sprak, zich tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij genoeg gewroken zijn.—Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele grijsaard—dit zeggende wees hij op Cresus—u aan uw tegenwoordig lot te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van het hoofd gerukt. Om Nitetis’ wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren, en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal, gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed.”De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton23, een vroegen dood geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes,zoo mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik, weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw, die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.—Dat is het, wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; gij, ongelukkige, moest mij—en dit was het schoonste gedeelte mijner wraak—van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!—Wie, gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!”Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond24, toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd was aandezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk, eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.1Perzische lusthoven.2zie boven bl.165.3In onze maand Maart.4Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.5Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.6Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.7Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.8Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.9Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede van leder.10Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.11Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers’Warda.12zie boven bl.213.13Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.14Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.15Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. EbersWarda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.16Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van hem verlangde.17Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.18Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.19Ongeveer ƒ 22.500.20Zij was de gemalin van koning Battus III.21In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes’ verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.22Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.23Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.24De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: “Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was; mijn wreker is niet verre meer!”
Zesde hoofdstuk.Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane, Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door in den heerlijken tuin, die ze omgaf.Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig voet hoog. Lommerrijke paradijzen1en zuilengangen, volgens het voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek, bevondzich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door hare ligging bijna niet te genaken was.De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin het schoone Pasargadae vaarwel.Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen, en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven met zich voerden2. Toch was er niemand, die zich over de onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijkenzetel in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.Na het nieuwjaarsfeest3moest het leger opbreken. Na de viering er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger, bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor, en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen, om hun eene vraag voor te leggen.»Gij weet,” zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom voorspeld heeft?”De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide: »Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten huwen4; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan hebben, wat goed is!”Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben, voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond, die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen aanvoerden. Bij Akko, in het landder Kanaänieten, hadden zich de vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs, en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, om daar hulp tegen den tyran te zoeken.Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust van den Delta, tegenover elkander.Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn, die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!”Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Hetleger werd in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe5, hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs, honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters6en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche Mascha-wascha7zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens8schaarden, en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken9; bijl- en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars, en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten, wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen, die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.—Het voetvolk van de Perzen was nietveel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners van het Nijldal.Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken, en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend katten.—Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam, op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden, en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige dieren schieten!”Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden10. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was opgedragen,en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar zijne tent.Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden, morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende: »Ik ben Aristomachus van Sparta!”Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had, was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring, dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten, indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden rotssteen goudkorrels te hakken11. Velen dier ongelukkigen hadden reeds langer dan veertig jaren in ditoord van jammer en ellende doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.»Mijne lotgenooten,” vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van Pacht12, onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood, wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand, waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood, die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende, die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden lietenrijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den grooten koning als krijgsoverste diendet.—Ik heb mijn eed gehouden, en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!”»Die zal u gegeven worden,” riep de Athener, terwijl hij de hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten, tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.—Weet, dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u, den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!”Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het verwezenlijkt,—thans zal het waarheid worden!—Vergeef mij, Phoebus Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat beloofde de godspraak mij?‘Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalenIn ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,Dan voert de ranke boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;En van de vijf moogt gij in ’t eind verwervenWat gij zoo lang, met rouw in ’t hart, moest derven.’»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag, thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid, dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!”»Morgen breekt de dag der vergelding aan!” riep Phanes, met het gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven, alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte heeft getroffen!—Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische slingeraars op de vlucht!”’t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen, terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde13, het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde, van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur, dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: ‘Aoeramazda, helper en aanvoerder’, en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden, dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. ‘Hebe’ was hun parool14.—Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht15, en stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes gelederen geschaard.Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik, wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes, indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u ernog op te wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen zuchten?—Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië heeft verkocht. Die man heet Phanes!—Gij moogt niet morren als had ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid, wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!—Gij zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam ‘Helleen’ te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!”De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide stem beroemd maakte16, den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener, hoe men hier te lande verraders straft!”—Een Kariër greep het mengvat, welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den grond genagelden vader. Als krankzinnigenvielen de andere soldaten op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed verontreinigde druivensap17.Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne, over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren nauwelijks te tellen18. Psamtik was onder de laatsten geweest, die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen.Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden, waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden, mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevenepriesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens, als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren munten deed uitstrooien.De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken, toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam, de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten voordeele der Perzen besliste.De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide »Overwinnaar van Pelusium” en »den beste der Achaemeniden”.Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van eigenwaarde was te lezen, zag naderen.Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.»Toch heeft het orakel gelogen,” mompelde de Spartaan. »Ik sterf, zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!”»Het orakel sprak de waarheid!” antwoordde Phanes. »Hoe luidden de laatste woorden der Pythia?‘Dan voert de boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.’»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk van den Hades zal overvoeren.”»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!”»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, watzij u zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op zijn schild van het slagveld te zijn gedragen.”»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet te vermanen steeds deugdzaam te zijn.”»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?”»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk.”»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld tegen hem te velde trokken.”»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag verloren zijn geweest!”»Ongetwijfeld!”»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!”»Bidt gij?”»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet gevaarlijk voor den Griekschen staat.—Hei daar, arts! Wanneer zal ik sterven?”De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, zult gij sterven.”De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later was hij een lijk.Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgdehet op den voet, na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden om het beleg voor Saïs te slaan.Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd zilverminen19, die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen, in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun leven boeten!”—Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen, en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend, en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond, onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer zuster Pheretime20. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte, welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering, tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich, het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam, vertoefde Psamtik in het paleis der pharao’s strengbewaakt, doch te gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak kon maken.Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond de admiraal van Amasis’ Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd21. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte door krachtig op te treden. »Laat,” zoo zeide hij, »aan de tweeduizend jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen voor de baden van den edelen Phanes.”De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na te houden.”»Maar u verboden,” viel Cambyzes in, »een der leden van hetgevallen vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen straffen!”Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats worden geleid. »Men moet zien,” riep hij, »dat wij van plan zijn, alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!”Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden.”»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!” riep Phanes, »zoo het den koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel als een lafhartige gedraagt.”»Dat zal geschieden!” antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!”Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante, slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!”Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzischewachters geleid22. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap, hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden knaap met de hand een laatst vaarwel toe.Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond, liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, ’t geen ten gevolge had, dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig gesloten vuist voor het voorhoofd.Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij, bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote deelneming aan den dag legt?”Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, mag ik echter beweenen!”Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes, die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De trotsche veroveraar had een welbehagenin deze tranen, en sprak, zich tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij genoeg gewroken zijn.—Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele grijsaard—dit zeggende wees hij op Cresus—u aan uw tegenwoordig lot te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van het hoofd gerukt. Om Nitetis’ wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren, en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal, gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed.”De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton23, een vroegen dood geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes,zoo mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik, weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw, die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.—Dat is het, wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; gij, ongelukkige, moest mij—en dit was het schoonste gedeelte mijner wraak—van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!—Wie, gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!”Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond24, toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd was aandezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk, eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.1Perzische lusthoven.2zie boven bl.165.3In onze maand Maart.4Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.5Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.6Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.7Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.8Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.9Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede van leder.10Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.11Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers’Warda.12zie boven bl.213.13Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.14Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.15Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. EbersWarda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.16Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van hem verlangde.17Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.18Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.19Ongeveer ƒ 22.500.20Zij was de gemalin van koning Battus III.21In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes’ verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.22Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.23Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.24De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: “Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was; mijn wreker is niet verre meer!”
Reeds te Ephesus ontving het jonge echtpaar het bericht van den dood van Amasis. Van daar leidde hun weg eerst naar Babylon, vervolgens naar Pasargadae in de provincie Persis, alwaar zich Cassandane, Atossa en Cresus ophielden. Eerstgenoemde had behoefte gevoeld, vóor den tocht naar Egypte, dien zij zou medemaken, het praalgraf van haar overleden echtgenoot te bezoeken, dat, volgens de mededeeling van Cresus, onlangs voltooid was. De eerwaardige vrouw, die door de kunst van Nebenchari het gezicht terug had gekregen, was hoog ingenomen, zoowel met het ontwerp, volgens hetwelk de grafstede was gebouwd, als met de uitvoering ervan, en bracht dagelijks uren achtereen door in den heerlijken tuin, die ze omgaf.
Het praalgraf van Cyrus bestond uit een reusachtigen sarkophaag van marmerblokken, dat, gelijk een huis, op een basis van zes hooge marmeren trappen rustte. Van binnen was de sarkophaag geheel als eene kamer ingericht, en bevatte, behalve de gouden kist, die de door de honden, gieren en elementen gespaarde overblijfselen van Cyrus inhield, een zilveren bed, en eene tafel van hetzelfde metaal, waarop gouden bekers stonden, en allerhande kleederen, alsmede de rijkste sieraden van edelgesteenten lagen. Het geheele praalgraf was veertig voet hoog. Lommerrijke paradijzen1en zuilengangen, volgens het voorschrift van Cresus aangelegd, omringden het geheel. In het midden der tuinen was de woning van de magiërs, aan wie de bewaking van het graf was opgedragen. In de verte ontdekte men van hier het paleis van Cyrus, dat, volgens den uitersten wil van den overledene, jaarlijks gedurende eenige maanden den koningen van Perzië ten verblijf moest strekken. In dit prachtige gebouw, dat veel op een vesting geleek, bevondzich ook de schatkamer van het rijk, aangezien de plaats door hare ligging bijna niet te genaken was.
De frissche berglucht, die het graf van haar geliefden afgestorvene omgaf, deed Cassandane onbeschrijfelijk goed, en met vreugde zag zij, dat ook Atossa op deze stille, schoone plek hare oude vroolijkheid, die sedert het sterven van Nitetis en het vertrek van Darius, haar verlaten had, terugkreeg. Sappho hechtte zich zeer spoedig aan hare nieuwe moeder en zuster, en zeide evenals deze niet dan met weerzin het schoone Pasargadae vaarwel.
Darius en Zopyrus waren bij het groote leger gebleven, dat in de vlakte van den Euphraat bijeen werd getrokken, en ook Bartja moest alvorens het opbrak naar Babylon terugkeeren. Cambyzes trok zijne huiswaarts keerende betrekkingen tegemoet, en was niet uitgesproken over de schoonheid zijner jonge schoonzuster, terwijl Sappho, gelijk zij Bartja beleed, niet dan met vreeze tot den broeder van haar echtgenoot kon opzien. De koning was in weinige maanden zeer veranderd. Zijn bleek maar schoon gevormd gelaat van weleer was thans, tengevolge van het onmatig gebruik van den wijn, opgezet en rood geworden. Zijne donkere oogen hadden, ja, hun ouden gloed behouden, maar hun vuur was niet meer zoo rein als voorheen. Zijn vroeger zoo weelderig, ravenzwart haar was vergrijsd, en hing ordeloos om hoofd en kin; terwijl de zegevierende trotsche glimlach, die eens aan zijne trekken een eigenaardig karakter bijzette, plaats had gemaakt voor eene uitdrukking van gemelijkheid en norsche strengheid. Alleen gedurende zijne dronkenschap, een toestand die reeds sedert lang niet meer zeldzaam voor hem was, hoorde men hem lachen, en dan lachte hij als een waanzinnige.
Onafgebroken toonde hij den grootsten afkeer van zijne vrouwen, en zelfs toen hij naar Egypte optrok, liet hij zijn harem te Suza achter, terwijl al zijne grooten hunne echte vrouwen en bijwijven met zich voerden2. Toch was er niemand, die zich over de onrechtvaardigheid van den koning te beklagen had; integendeel, met meer nadruk dan ooit drong hij op strenge handhaving van het recht aan, en ontdekte hij hierin ook maar de geringste tekortkoming, dan was hij onverbiddelijk en velde hij de vreeselijkste vonnissen. Toen hem bijvoorbeeld werd medegedeeld, dat zeker rechter Sisamnes zich had laten omkoopen tot het uitspreken van een onrechtvaardig oordeel, liet hij den ongelukkige de huid afstroopen, en daarmede den rechterstoel bekleeden; daarop benoemde hij den zoon van den gestrafte tot rechter in zijns vaders plaats, en noodzaakte hem den verschrikkelijkenzetel in te nemen. Verder wijdde hij zich met onverpoosden ijver aan zijne veldheersplichten. De oefeningen van de bij Babylon verzamelde troepen werden met even veel krijgstucht als beleid door hem zelven bestuurd.
Na het nieuwjaarsfeest3moest het leger opbreken. Na de viering er van, die, overeenkomstig het verlangen van Cambyzes met den grootsten luister plaats had, begaf de koning zich naar het leger, bij hetwelk hij zijn broeder aantrof, die in de overmaat van zijn geluk zijn gewaad kuste, en hem met zekeren trots mededeelde, dat hij de hoop koesterde vader te zullen worden. Deze tijding deed den koning sidderen; hij antwoordde den gelukkige geen enkel woord, dronk aan den avond van dien dag zooveel, dat hij zijne bezinning verloor, en riep den volgenden morgen de mobeds, magiërs en Chaldaeërs bijeen, om hun eene vraag voor te leggen.
»Gij weet,” zoo begon hij, »dat gij, mijne droomen uitleggende, hebt gezegd, dat Atossa bestemd was om een zoon ter wereld te brengen, die eens koning over dit rijk zal zijn. Zou ik tegen de goden zondigen, als ik mijne zuster tot vrouw nam, en verwezenlijkte wat mijn droom voorspeld heeft?”
De magiërs beraadslaagden eenige oogenblikken onderling; daarop wierp Oropastes, de opperpriester, zich voor den koning neder, en zeide: »Wij gelooven niet, dat gij met dat huwelijk zoudt zondigen; want in de eerste plaats gebeurt het meer, dat de Perzen hunne bloedverwanten huwen4; ten tweede zegt de wet wel niet, dat de reine zijne zuster tot vrouw mag nemen, maar wel, dat de koning doen kan, wat hem welbehaaglijk is. Handel gelijk gij wilt, en gij zult steeds gedaan hebben, wat goed is!”
Cambyzes liet de magiërs met rijke geschenken van zich gaan, en gaf Oropastes de uitgestrektste volmacht als stadhouder van het rijk. Vervolgens deelde hij aan zijne moeder, wier haren daarbij van ontzetting en afschuw te berge rezen, mede, dat hij, zoodra hij de Egyptenaren overwonnen en den zoon van Amasis gestraft zou hebben, voornemens was Atossa tot vrouw te nemen.
Eindelijk rukte het leger, dat meer dan achtmaal honderdduizend soldaten telde, bij afdeelingen op, en kwam na twee maanden in de Syrische woestijn aan, alwaar het de door Phanes tot bondgenooten gemaakte Arabische stammen der Amalekieten en Gessurieten vond, die de troepen van water voorzagen, dat zij op paarden en kameelen aanvoerden. Bij Akko, in het landder Kanaänieten, hadden zich de vloten der aan Perzië onderworpene Syriërs, Phoeniciërs en Ioniërs, en de evenzeer door Phanes geworvene schepen der Cypriërs en Samiërs vereenigd. Met de laatsten had hij een zeer bijzonder verbond gesloten. Polycrates namelijk had de uitnoodiging van Cambyzes, om hem met schepen bij te staan, als eene gunstige gelegenheid beschouwd, om zich op eens te ontslaan van alle burgers, die met zijne heerschappij niet tevreden waren. Daartoe liet hij veertig triëren bemannen met achtduizend Samiërs, die op hem gebeten waren, en zond deze den Perzen toe, met verzoek, niet éen dier lieden te laten terugkeeren. Nauwelijks had Phanes deze voorwaarde vernomen, of hij waarschuwde de Samiërs, die zoo den dood tegemoet gingen. In plaats van tegen Egypte op te trekken, voeren ze naar Samos terug en zochten Polycrates ten onder te brengen. Doch in een gevecht te land werden zij door hem geslagen, waarop zij naar Sparta vluchtten, om daar hulp tegen den tyran te zoeken.
Ruim een maand vóor den tijd der jaarlijksche overstrooming stonden de Perzische en Egyptische legers bij Pelusium, op de noordoostkust van den Delta, tegenover elkander.
Al de schikkingen en maatregelen van Phanes hadden zijn uitnemend doorzicht doen blijken. De tocht van het leger door de woestijn, die anders in den regel duizenden offers kostte, was ditmaal, dank den Arabieren, die aan hunne beloften getrouw gebleven waren, zonder verliezen van eenige beteekenis ten einde gebracht. Het gelukkig gekozen jaargetijde stelde de Perzen in staat langs droge wegen en zonder tijdverlies in Egypte door te dringen.
De koning had zijn Helleenschen vriend met groote onderscheiding ontvangen en hem vriendelijk toegeknikt, toen Phanes hem op eerbiedigen en tegelijk vertrouwelijken toon toeriep: »Ik heb gehoord, dat gij sedert den dood uwer schoone vriendin minder opgeruimd zijt dan gij placht te wezen. Het past den man zijn smart lang te dragen, terwijl de vrouw haar leed in onstuimige maar ras voorbijgaande klachten uitstort. Ik gevoel met u, wat er in u omgaat, want ook ik verloor het dierbaarste wat ik had. Danken wij den goden, dat zij ons de beste middelen tegen de smart, namelijk strijd en wraak schenken!”
Daarop vergezelde Phanes den vorst door het leger en naar den disch. Verbazend was de invloed, dien hij op den woesten man wist uit te oefenen. Opmerkelijk was het te zien, hoe kalm en opgeruimd de koning werd, zoodra de Athener in zijne nabijheid was.
Waren de strijdkrachten der Perzen verbazend groot, ook het aantal der Egyptische krijgers was niet minder te achten. Hetleger werd in den rug gedekt door de muren van Pelusium, de grensvesting, die gebouwd was om Egypte tegen de invallen der krijgszuchtige oostelijke volksstammen te beveiligen. Door overloopers vernamen de Perzen, dat het gezamenlijke leger van den pharao omtrent zesmaal honderdduizend man telde. Behalve een groot aantal strijdwagens en dertigduizend Karische en Ionische soldaten, en het gendarmerie-korps van de Mazaïoe5, hadden zich tweemaal honderd-vijftigduizend Kalasiriërs, honderd-zestigduizend Hermotybiërs, twintigduizend ruiters6en ongeveer vijftigduizend man hulptroepen, onder welke de Libysche Mascha-wascha7zich door hun ouden krijgsroem, de Ethiopiërs zich door hun groot aantal onderscheidden, onder de vanen van Psamtik vereenigd. Het voetvolk was in regimenten en compagnieën ingedeeld, die zich onder verschillende veldteekens8schaarden, en iedere afdeeling had hare eigene wapening en kleeding. Men zag zwaar gewapenden met groote schilden, lansen en dolken9; bijl- en zwaardvechters met kleine schilden en korte knotsen; slingeraars, en schutters, die verreweg de meerderheid van het leger uitmaakten, wier ongespannen bogen de hoogte van een mensch bereikten. De ruiters waren alleen met een schort gekleed, en hadden geen ander wapen dan eene lichte knots in den vorm eener morgenster; terwijl daarentegen de wagenstrijders, die tot de aanzienlijksten van de krijgerskaste behoorden, zeer kostbaar uitgedost ten oorlog trokken, en zoowel aan het tuig hunner schoone wereldberoemde paarden, als aan hunne tweewielige voertuigen schatten besteedden. Het besturen van zulk een strijdwagen was geheel aan de zorg van den wagenmenner opgedragen, die naast den krijgsman stond; deze zelf dacht aan niets anders, dan hoe hij het best gebruik zou maken van boog en lans.—Het voetvolk van de Perzen was nietveel talrijker dan dat der Egyptenaren, doch de Aziatische ruiterij was wel zesmaal sterker dan die der bewoners van het Nijldal.
Zoodra de beide legers tegenover elkander stonden, deed Cambyzes de struiken en boomen der uitgestrekte Pelusinische vlakte weghakken, en de zandheuvels die zich hier en daar verhieven slechten, ten einde voor zijne ruiters en strijdwagens ruim baan te maken. Phanes stond hem met zijne nauwkeurige kennis van de plaatselijke gesteldheid getrouw ter zijde, en wist te bewerken, dat zijne, met groote krijgskunde ontworpene plannen niet alleen door Cambyzes, maar ook door den grijzen opperbevelhebber Megabyzus en de meest ervarene Achaemeniden werden goedgekeurd. Zijne kennis van het terrein was van te meer waarde, omdat de vlakte van Pelusium doorsneden werd door moerassen, die door de Perzen, wilden zij den slag winnen, zorgvuldig vermeden moesten worden. Na afloop van den krijgsraad verzocht de Athener nog eens het woord, en nu sprak hij: »Thans mag ik eindelijk ook uwe nieuwsgierigheid naar den inhoud der geslotene wagens, die ik hierheen heb doen brengen, bevredigen. Die wagens bevatten vijfduizend katten.—Gij lacht! Ik verzeker u echter, dat deze dieren ons van meer nut zullen zijn dan honderdduizend zwaardvechters. Velen van u zijn bekend met het bijgeloof der Egyptenaren, dat hun eerder de hand aan hun eigen leven, dan aan dat eener kat zou doen slaan. Ik zelf heb vroeger, door het dooden van zulk een dier, bijna mijn leven verspeeld. Gedachtig aan dit bijgeloof, heb ik, waar ik ook kwam, op Cyprus bijvoorbeeld, waar men prachtige muizenvangers vindt, op Samos, Creta en in geheel Syrië, alle katten, die men maar meester kon worden, doen vangen. Thans doe ik het voorstel deze dieren te verdeelen onder de soldaten, die tegen de eigenlijke Egyptische troepen zullen worden aangevoerd, opdat zij ze dan op hunne schilden binden, en ze den Egyptenaren voorhouden. Ik ben overtuigd, dat ieder echt Egyptenaar liever het slagveld zal verlaten, dan op een dier heilige dieren schieten!”
Met een schaterend gelach werd dit voorstel begroet, dat bij nadere overweging met algemeene stemmen werd aangenomen. Cambyzes bood den vindingrijken Athener de hand ten kus, vergoedde hem de gemaakte onkosten met een zeer rijk geschenk, en drong bij hem aan, dat hij met eene der aanzienlijkste Perzische vrouwen in het huwelijk zou treden10. Daarop noodigde hij den Athener aan zijn avondmaaltijd. Deze verontschuldigde zich echter, zeggende, dat hij noodzakelijk de Ionische troepen moest gaan monsteren, over welke hem het bevel was opgedragen,en die hij ter nauwernood kende. Hij begaf zich dus naar zijne tent.
Aan den ingang er van vond hij zijn slaaf, in vrij hevige woordenwisseling met een zwaar gebaarden, in lompen gekleeden, morsigen ouden man, die met alle geweld Phanes op staanden voet wilde spreken. Phanes, meenende een bedelaar voor zich te zien, wierp hem een goudstuk toe; doch de oude zag niet eens naar de rijke gift, die aan zijne voeten nederviel, maar riep, hem bij den mantel vattende: »Ik ben Aristomachus van Sparta!”
Nu herkende Phanes zijn vriend, die door lijden en ontbering veel had geleden, en bijna onkenbaar was geworden. Hij leidde hem in zijne tent, liet hem de voeten wasschen en het hoofd zalven, versterkte hem met wijn en vleesch, ontdeed hem van zijne lompen, en wierp hem eene nieuwe chiton om de vermagerde maar nog altijd gespierde schouders.
Aristomachus liet hem stil begaan. Nadat hij zich met de voedzame spijs en den opwekkenden drank een weinig versterkt had, beantwoordde hij eerst de vragen van den ongeduldigen Athener, en verhaalde hem het volgende: »Toen Psamtik het zoontje van Phanes vermoord had, was hij, Aristomachus, tot hem gegaan met de stellige verklaring, dat hij al zijn volk zou aansporen den Egyptischen dienst te verlaten, indien men niet onmiddellijk het dochterke van zijn vriend in vrijheid stelde, en voldoende rekenschap gaf van de wijze waarop het knaapje zoo opeens was verdwenen. De kroonprins beloofde de zaak in beraad te zullen nemen. Toen de Spartaan twee dagen later zich des nachts scheep begaf, om naar Memphis te varen, werd hij door Ethiopische soldaten aangegrepen, gekneveld en in het donkere ruim van een vaartuig geworpen, dat na eene reis van vele dagen en nachten, aan een hem onbekenden oever het anker liet vallen. Nu bevrijdde men den gevangene uit zijn bedompten kerker, en voerde hem, onder eene brandende hitte, door eene woestijn langs rotsen van de zonderlingste gedaante naar het oosten. Eindelijk bereikte men een gebergte, aan welks voet een aantal hutten verspreid lagen. Het waren de woningen der ontelbaren, die met ketenen aan de voeten, des morgens in de schacht van een bergwerk werden gedreven, om daar uit den harden rotssteen goudkorrels te hakken11. Velen dier ongelukkigen hadden reeds langer dan veertig jaren in ditoord van jammer en ellende doorgebracht; de meeste veroordeelden echter werden; tengevolge van de geweldige krachtsinspanning, die van hen gevergd werd, en de bijkans ondraaglijke hitte, die hun tegenstroomde, zoodra zij de koele schacht verlieten, door een vroegen dood uit hun lijden verlost.
»Mijne lotgenooten,” vervolgde Aristomachus, »waren deels ter dood veroordeelde moordenaars, doch die genade hadden gekregen, deels van hunne tong beroofde staatsmisdadigers, deels menschen die voor den koning gevaarlijk waren en door hem gevreesd werden, gelijk ik. Drie lange maanden arbeidde ik in het gezelschap van dat gespuis, gedurig bedreigd door den stok der opzichters, versmachtende in de hitte van den middag, verkleumende wanneer de koele dauw van den nacht op mijne naakte huid nederviel, den dood dagelijks voor oogen ziende, en slechts staande blijvende door de hoop op wraak op mijne vervolgers. En de goden bestuurden het zóo dat, bij gelegenheid van het feest van Pacht12, onze wachters, overeenkomstig de in Egypte heerschende gewoonte, zich te buiten gingen aan den wijn, zoodat zij in diepen slaap verzonken, en niet bemerkten hoe ik en een jonge gevangen Jood, wiens misdaad was valsch gewicht te hebben gebruikt, en die daarom van zijne rechterhand was beroofd geworden, op de vlucht gingen. Zeus Lacedaemonius en de groote God van dien jongeling stonden ons ter zijde, en sloegen onze vervolgers, wier stemmen wij dikwerf zoo dicht achter ons hoorden, dat wij ze onderscheiden konden, met blindheid.
»Met een boog, dien ik een onzer wachters ontstolen had, voorzag ik in ons onderhoud. Waar zich geen wild opdeed, daar voedden wij ons met wortels, boomvruchten en vogeleieren. De stand van zon en sterren hielp ons den rechten weg vinden. Wetende dat de Roode Zee niet ver van de bergwerken verwijderd was, en dat wij in het zuiden van Memphis en Thebe hadden vertoefd, waren wij er op bedacht altijd noordwaarts te trekken. Eindelijk bereikten wij het zeestrand, waar wij menschlievende zeelieden vonden, die ons verpleegden, tot wij aan boord van een Arabisch schip gingen, dat mij en den Jood, die de taal dier lieden verstond, naar Ezeon-Geber, in het land der Edomieten bracht. Daar vernamen wij dat Cambyzes met een machtig leger tegen Egypte oprukte, en reisden met eene Amalekietische ruiterbende, die de Perzen van water moest voorzien, naar Harma. Van daar zwierf ik met de achterhoede van het groote Aziatische leger, bij welke ik soms medelijdende kerels vond, die mij een eindweegs op hunne paarden lietenrijden, naar Pelusium, en vernam daar dadelijk, dat gij den grooten koning als krijgsoverste diendet.—Ik heb mijn eed gehouden, en de belangen der Hellenen in Egypte getrouw behartigd; thans is de beurt aan u, den ouden Aristomachus te helpen, en hem het eenige te verschaffen, waarnaar hij smachtend verlangt: wraak op zijne vijanden!”
»Die zal u gegeven worden,” riep de Athener, terwijl hij de hand van den grijsaard drukte. »Ik zal u aan de spits der zwaargewapende Milesiërs stellen, en u volle vrijheid laten, tegen onze gemeenschappelijke vijanden te woeden zooveel gij maar wilt! Maar daarmede heb ik mij nog in lange niet van den plicht der dankbaarheid gekweten, en ik prijs de goden, dat zij mij het geluk beschoren hebben, u door een enkel woord gelukkig te maken.—Weet, dat weinige dagen na uw verdwijnen een Spartaansch schip, onder bevel van uw voortreffelijken zoon, te Naucratis is binnengeloopen, om u, den vader van twee overwinnaars in de Olympische spelen, op bevel der ephoren naar uw vaderland terug te brengen!”
Bij dit bericht voer den grijsaard eene trilling van vreugde door de leden; tranen welden er in zijne oogen, en zijne lippen prevelden zachtkens een gebed. Daarop sloeg hij zich met de vlakke hand voor het voorhoofd, en zeide met bevende stem: »Thans wordt het verwezenlijkt,—thans zal het waarheid worden!—Vergeef mij, Phoebus Apollo, dat ik aan de woorden uwe priesteres dorst twijfelen! Wat beloofde de godspraak mij?
‘Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalenIn ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,Dan voert de ranke boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;En van de vijf moogt gij in ’t eind verwervenWat gij zoo lang, met rouw in ’t hart, moest derven.’
‘Als van ’t besneeuwd gebergt een ruiterschaar komt dalen
In ’t effen land, door vruchtbaar nat gedrenkt,
Dan voert de ranke boot u, moe van ’t ommedwalen,
Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt;
En van de vijf moogt gij in ’t eind verwerven
Wat gij zoo lang, met rouw in ’t hart, moest derven.’
»Thans wordt vervuld, wat de god mij heeft toegezegd. Thans mag, thans wil ik naar mijn vaderland terugkeeren! Eerst echter hef ik de handen op en bid Dike, de godin der eeuwige rechtvaardigheid, dat zij mij het zalige genot der wrake niet onthoude!”
»Morgen breekt de dag der vergelding aan!” riep Phanes, met het gebed van den ouden man instemmende. »Morgen breng ik aan de schim van mijn zoon de doodenoffers, en ik zal mij niet ter ruste begeven, alvorens Cambyzes, met de door mij gepunte pijlen, het hart van Egypte heeft getroffen!—Kom thans, mijn vriend, en laat mij u aan den koning voorstellen. Een man als gij zijt drijft een ganschen hoop Egyptische slingeraars op de vlucht!”
’t Was intusschen nacht geworden. Daar de onversterkte legerplaats der Perzen ieder oogenblik blootlag voor een aanval van den vijand, stonden de soldaten op den hun aangewezen post in het gelid. De voetknechten leunden op hunne schilden en speren, en de ruiters hielden zich bij hunne gezadelde en getoomde paarden naast de wachtvuren strijdvaardig. Cambyzes reed de rijen zijner helden langs, en verhoogde aller moed en strijdlust door groet en toespraak. Alleen het centrum van het leger had zich nog niet geordend, daar dit was samengesteld uit de Perzische lijfwachten, de stafdragers, de Onsterfelijken en de bloedverwanten des konings, die onder zijn onmiddellijk bevel tegen den vijand moesten oprukken. Verder hadden zich de Grieken uit Klein-Azië op last van Phanes ter ruste begeven, in plaats van thans reeds aan te treden. De Athener had begrepen, dat zijne soldaten al hunne krachten voor den aanstaanden strijd van noode hadden, en hun dus toegestaan zich, geheel gekleed en gewapend, te slapen te leggen, terwijl hij over hen waakte. Aristomachus was door de Ioniërs met groot gejuich ontvangen en door den koning met een vriendelijk woord verwelkomd. Hij had van dezen den vereerenden last ontvangen, aan het hoofd van de helft der Hellenen de linkerflank van het centrum te dekken, terwijl Phanes met de andere helft aan de rechterzijde der koninklijke garde zou strijden. De koning had zich voorbehouden aan het hoofd der tienduizend Onsterfelijken, aan wier spits de blauw-rood-gouden rijksbanier en de vaan van Kawe wapperde13, het gevecht te besturen. Bartja had het commando over het regiment Perzische lijfwachten, duizend man sterk, en de van het hoofd tot de voeten gepantserde cavalerie op zich genomen. Cresus eindelijk voerde het bevel over de afdeeling van het leger, belast met het bewaken van de onmetelijke schatten, die het leger met zich voerde, van de vrouwen der edelen, en de moeder en zuster van den koning.
Zoodra de lichtende Mithra boven de kim verrees, en de duistere geesten van den nacht zich in hunne holen terugtrokken, werd het heilige vuur, dat van Babylon aan de spits van het heir vooruit gedragen was, tot eene verbazende hoogte opgestookt en door de magiërs en den koning met kostbare reukwerken gevoed. Daarop bracht Cambyzes het offer, en smeekte, terwijl hij de gouden schaal ophief, om overwinning en roem.
Hierop gaf hij den Perzen het wachtwoord: ‘Aoeramazda, helper en aanvoerder’, en stelde zich aan het hoofd zijner garde, wier tulbanden met kransen waren versierd. Ook de Hellenen verrichtten hun offer, en hieven een ontzaglijk gejuich aan, toen de priesters hun aankondigden, dat de voorteekenen hun de overwinning beloofden. ‘Hebe’ was hun parool14.—Ook de Egyptische priesters hadden den dag met offer en gebed begonnen, waarna de troepen zich in slagorde schaarden. Voor het centrum reed Psamtik op een gouden wagen met booghouders van hetzelfde metaal. Zijne paarden waren getooid met purperen dekken en schabrakken van gouddraad, en droegen struisvederen op de fiere koppen. Zijn wagenmenner stamde af van een aanzienlijk Egyptisch geslacht15, en stond met de teugels en de zweep in de hand ter linkerzijde van zijn vorst, die de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte droeg. Links van het centrum moesten de Helleensche, rechts de Carische soldaten strijden. De ruiterij stond aan de uiterste einden van de beide vleugels van het leger; de Egyptische en Ethiopische voetknechten hadden zich rechts en links van de wagenstrijders en Hellenen in zes gelederen geschaard.
Psamtik liet zich langs de rijen zijner dapperen rijden en hield eenige oogenblikken voor de Hellenen stil. Hij sprak hun op deze wijze toe: »Het verheugt mij, gij helden, van wier dapperheid Cyprus en Lybië getuigen kunnen, dat ik ditmaal uw roem zal mogen deelen en uwe hoofden met nieuwe kransen sieren. Vreest niet dat ik, wanneer wij onze vijanden verdelgd hebben, uwe vrijheden zal gaan verkorten. Ik weet het: lasteraars hebben u in het oor geblazen, dat gij zulk een snooden ondank van mij te verwachten hebt; ik verzeker u echter dat, zoo wij overwinnen, ik u en uwe nakomelingen op alle wijzen zal begunstigen en bevoordeelen, en de Hellenen ten allen tijde de steunpilaren van mijn rijk zal noemen! Bedenkt verder, dat gij heden niet alleen voor mij, maar voor de vrijheid van uw eigen vaderland zult strijden. Het ligt toch voor de hand dat Cambyzes, indien hij Egypte onder den voet krijgt, niet tevreden zal zijn met deze éene zegepraal, maar al spoedig de begeerige hand zal uitstrekken naar het schoone Hellas en zijne eilanden. Behoef ik u ernog op te wijzen hoe deze juist ingesloten zijn door Egypte en het gebied uwer Aziatische broeders, die reeds als slaven onder het juk der Perzen zuchten?—Uwe toejuichingen bewijzen mij dat gij mij toestemt; ik verzoek u mij nog slechts een oogenblik aan te hooren, want mijn plicht gebiedt mij, den man te noemen, die niet alleen Egypte, maar ook zijn eigen vaderland voor goud aan den grooten koning van Perzië heeft verkocht. Die man heet Phanes!—Gij moogt niet morren als had ik gelasterd, want ik zweer u, dat diezelfde Phanes de door Cambyzes hem aangebodene schatten heeft aangenomen, en dezen beloofd hem niet slechts den weg naar Egypte te wijzen, maar hem ook de poorten van zijn en uw vaderland te openen. Deze man kent landen en volken door en door, en is voor geld tot alles in staat. Ziet gij niet, hoe hij ginds naast den koning op en neer gaat, hoe hij zich voor hem in het stof werpt? Is dat een Helleen? Ik meen wel eens gehoord te hebben, dat de Grieken zich slechts voor hunne goden dus vernederen. Maar in waarheid, wie zijn vaderland verkoopt, houdt op een burger er van te zijn!—Gij zijt het met mij eens? Gij weigert, den schelm langer uw landgenoot te noemen? Welnu, zoo wil ik de dochter van dien ellendeling, die ik als gijzelares heb moeten behouden, en die de vrek tegelijk met zijn vaderland verkocht, in uwe handen stellen. Doet met het kind van een schurk, wat u goeddunkt. Versiert het met rozen, valt voor hetzelve neder; maar vergeet niet, dat het den man toebehoort, die den naam ‘Helleen’ te schande maakte, die u, die zijn vaderland verried!”
De Grieken hieven na deze toespraak een geweldig geschreeuw aan, terwijl zij het bevende meisje uit de handen van den koning ontvingen. Een ruw soldaat hief het ongelukkige schepseltje in de hoogte, en toonde het aan den vader, die haar duidelijk herkennen kon, daar de beide legers slechts een boogschot van elkaar verwijderd waren. Tegelijk brulde een Egyptenaar, die zich later door zijn luide stem beroemd maakte16, den bevenden vader toe: »Geef acht, Athener, hoe men hier te lande verraders straft!”—Een Kariër greep het mengvat, welks inhoud hem en zijne makkers bedwelmd had, stiet zijn zwaard in de borst van het kind, liet het onschuldige bloed in het metalen vat vloeien, vulde een beker met het afschuwelijke mengsel en ledigde dien, als dronk hij het welzijn van den van woede en afschuw aan den grond genagelden vader. Als krankzinnigenvielen de andere soldaten op het mengvat aan, en slurpten, gelijk wilde dieren het door bloed verontreinigde druivensap17.
Op dit oogenblik schoot Psamtik, met een oog fonkelende van helsche vreugde, zijn eersten pijl op de Perzen af. De soldaten wierpen het lijkje van het kind met verachting van zich, hieven hun krijgslied aan, dronken van het ingezwolgen bloed, en snelden hunne Egyptische krijgsmakkers ver vooruit, den dood of de overwinning tegemoet. Maar ook de gelederen der Perzen stelden zich thans in beweging, en Phanes wierp zich, buiten zich zelf van woede en smart, gevolgd door zijne, over de schandelijke wreedheid hunner landgenooten, verontwaardigde zwaargewapenden, op dezelfde mannen, wier liefde hij door zijne tienjarige trouw meende te hebben verdiend en verworven.
Toen de zon hare middaghoogte bereikt had, scheen zich het geluk der wapenen naar de zijde der Egyptenaren te neigen. Toen de dagtoorts op het punt was van uitgebluscht te worden, hadden de Perzen eenig voordeel behaald. En toen eindelijk de volle maan in al haar glans aan den hemel stond, verlieten de Egyptenaren in overijlde vlucht het slagveld, om den dood te vinden in de moerassen en in de golven van den Pelusinischen Nijlarm achter hen of onder de zwaarden der Aziaten, tot het laatste oogenblik voor de vrijheid van hun vaderland strijdende. Twintigduizend Perzen en vijftigduizend Egyptenaren bleven op het slagveld; de gekwetsten, verdronkenen en gevangenen waren nauwelijks te tellen18. Psamtik was onder de laatsten geweest, die het slagveld verlieten. Op een edel ros had hij, licht gewond, den anderen oever van den Nijl bereikt, en met weinige duizenden zijner getrouwen den weg naar Memphis ingeslagen. Want voor de versterking en verdediging der pyramidenstad waren alle voorzorgen genomen.
Van de Hellenen, die onder de vanen van Psamtik gestreden hadden, waren slechts weinigen aan den dood ontkomen. Zoozeer had de naar wraak dorstende Phanes met zijne Ioniërs in hunne rijen gewoed. Tien duizend Kariërs werden gevangengenomen. Den moordenaar van zijn kind velde de Athener met eigen hand. Ook Aristomachus had, in spijt van zijn houten been, wonderen van dapperheid verricht. Toch was het zoo min hem, als iemand dergenen die hunne wraak te koelen hadden, mogen gelukken, Psamtik in handen te krijgen.
Toen, na het einde van den slag, de Perzen juichend naar hunne legerplaatsen terugkeerden, werden zij door Cresus, de achtergeblevenepriesters en soldaten met vreugdekreten ontvangen en met offers en gebeden werd den goden voor de roemrijke overwinning dank gebracht. Aan den anderen morgen riep de koning al de bevelhebbers bijeen, en verdeelde onder hen, naar hunne verdiensten, allerlei eereteekens, als: kostbare kleederen, gouden ketens, ringen, sabels en sterren van edelgesteenten, terwijl hij onder de soldaten gouden en zilveren munten deed uitstrooien.
De hoofdaanval der Egyptenaren had het centrum van het Perzische leger gegolden, dat door den koning in persoon werd aangevoerd, en was zóo heftig geweest, dat de lijfwachten reeds begonnen te wijken, toen Bartja op het juiste oogenblik met zijne ruiterij aankwam, de vluchtenden met nieuwen moed bezielde, en eindelijk, vechtende als een leeuw, door zijne dapperheid en behendigheid den slag ten voordeele der Perzen besliste.
De Perzen jubelden den jongeling te gemoet en noemden hem luide »Overwinnaar van Pelusium” en »den beste der Achaemeniden”.
Dit gejuich drong ten laatste ook tot den koning door en vervulde hem met spijt en wrok. Cambyzes was zich bewust, met waren heldenmoed en reuzenkracht gestreden te hebben, zonder zijn leven te sparen; en toch zou het met hem en zijn leger gedaan zijn geweest, zoo deze knaap hem niet intijds was ter hulp gesneld. Zijn broeder, die hem reeds het geluk verbitterd had, dat hem de liefde had kunnen schenken, ontstal hem nu de helft van zijn krijgsroem. Hij gevoelde dieper dan ooit dat hij Bartja haatte, en onwillekeurig balde hij de vuisten, toen hij den jongen man, op wiens gelaat een edel bewustzijn van eigenwaarde was te lezen, zag naderen.
Phanes werd door zijne wonden aan zijn leger gebonden; naast hem lag Aristomachus, die doodelijk gekwetst was.
»Toch heeft het orakel gelogen,” mompelde de Spartaan. »Ik sterf, zonder mijn vaderland te hebben wedergezien!”
»Het orakel sprak de waarheid!” antwoordde Phanes. »Hoe luidden de laatste woorden der Pythia?
‘Dan voert de boot u, moe van ’t ommedwalen,Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.’
‘Dan voert de boot u, moe van ’t ommedwalen,
Waar ’t vreedzaam oord den zwervling ruste schenkt.’
»Zoudt gij den zin dier woorden niet verkeerd hebben uitgelegd? Zij doelen ongetwijfeld op de boot van Charon, die u naar uw eigenlijk vaderland, naar de groote rustplaats van alle zwervers, naar het rijk van den Hades zal overvoeren.”
»Ja, gij hebt gelijk, mijn vriend, naar den Hades is de reis!”
»En de vijf, de ephoren, hebben u vóor uw dood vergund, watzij u zoo lang weigerden, namelijk, naar uw geliefd Lacedaemonië terug te keeren. Gij hebt alle reden om den goden dankbaar te zijn, die u zulke zonen en zulk een wraak op uwe vijanden schonken. Als ik van mijne wonden herstellen mag, zal ik naar Hellas trekken en uw zoon mededeelen, dat zijn vader een roemrijken dood gestorven is, na op zijn schild van het slagveld te zijn gedragen.”
»O, doe dat, en breng hem mijn schild, opdat hij het als eene gedachtenis van zijn ouden vader beware. Ik behoef hem overigens niet te vermanen steeds deugdzaam te zijn.”
»Zal ik Psamtik, wanneer wij hem in onze handen krijgen, zeggen dat gij niet weinig hebt bijgedragen tot zijn val?”
»Dat is niet noodig, hij zag mij, alvorens te vluchten, en liet van schrik over deze onverwachte verschijning zijn boog vallen. Die hem vergezelden meenden, dat hij hun hiermede een teeken gaf, om hun heil in de vlucht te zoeken, en gehoorzaamden onmiddellijk.”
»De goden verderven den booswicht door zijne eigene wandaden. Psamtik liet den moed zinken, meenende, dat zelfs de geesten uit de onderwereld tegen hem te velde trokken.”
»Hij had met de levenden reeds de handen vol genoeg! De Perzen hebben goed gevochten. Niettemin zou zonder Bartja en zonder ons de slag verloren zijn geweest!”
»Ongetwijfeld!”
»Zeus Lacedaemonius, ik dank u!”
»Bidt gij?”
»Ik prijs de goden, die mij vergunnen van de aarde te vertrekken zonder zorg voor mijn vaderland. Deze bijeengeraapte benden zijn niet gevaarlijk voor den Griekschen staat.—Hei daar, arts! Wanneer zal ik sterven?”
De heelmeester van Milete, die de Klein-Aziatische Grieken naar Egypte gevolgd was, glimlachte droevig, en zeide, wijzende op den pijl, die nog in de borst van den Spartaan stak: »Nog slechts weinige uren blijven u te leven overig. Zoodra ik het wapen uit de wonde trek, zult gij sterven.”
De Spartaan dankte den arts, zeide Phanes vaarwel, droeg hem de groete aan Rhodopis op, en trok, voordat men het hem kon beletten, met vaste hand den pijl uit zijne borst. Weinige oogenblikken later was hij een lijk.
Dienzelfden dag bracht een Lesbisch vaartuig een Perzisch gezantschap naar Memphis, dat van den koning moest eischen zich en de stad op genade en ongenade over te geven. Cambyzes volgdehet op den voet, na eene afdeeling van het leger onder Megabyzus te hebben afgezonden om het beleg voor Saïs te slaan.
Te Heliopolis kwamen hem gezanten van de Helleensche inwoners van Naucratis en van de Lybiërs te gemoet, die hem baden om bescherming en vrede. Zij brachten hem een gouden krans, benevens rijke geschenken. Hij nam deze genadig aan, en gaf hun de verzekering zijner vriendschap. De afgevaardigden van Cyrene en Barka wees hij echter toornig terug, en hunne schatting, bedragende vijfhonderd zilverminen19, die hem al te onbeduidend voorkwam, strooide hij met eigen hand onder zijne soldaten uit. Ter zelfder plaatse kreeg hij ook het bericht, dat de inwoners van Memphis, bij de aankomst van zijne gezanten, in menigte waren samengestroomd, het schip in den grond geboord, en die er op waren, zonder aanzien van personen, in stukken gescheurd en binnen de vesting gesleept hadden. Toen Cambyzes dit vernam werd hij woedend, en riep: »Bij Mithra, voor elken dezer vermoorden zullen tien inwoners van Memphis met hun leven boeten!”—Twee dagen later sloeg zijn leger voor de poorten der reuzenstad de tenten op. Slechts korten tijd duurde het beleg, daar de bezetting veel te klein was om de vesting behoorlijk te verdedigen, en de moed der burgerij na de nederlaag van Pelusium zeer gezonken was.
Koning Psamtik zelf trok, aan het hoofd zijner voornaamste hofbeambten, zijn overwinnaar te gemoet. De ongelukkige man had zijne kleederen gescheurd en alle teekenen van rouw aangenomen. Cambyzes ontving hem met een koel zwijgen, en gebood dat men hem en zijn gevolg in hechtenis nemen en wegvoeren zou. De weduwe van Amasis, Ladice, die zich eveneens aan den Perzischen koning kwam vertoonen, werd met achting bejegend, en op voorspraak van Phanes, wien zij zich altijd genegen had betoond, onder veilig geleide naar haar vaderland Cyrene gezonden, waar zij bleef tot aan den val van haar neef Arkesilaus III, en de vlucht harer zuster Pheretime20. Toen nam zij de wijk naar Anthylla in Egypte, welke stad haar toebehoorde, en leefde daar in de grootste afzondering, tot zij in hoogen ouderdom overleed. Cambyzes achtte het beneden zich, het jegens hem gepleegde bedrog op eene vrouw te wreken, en koesterde buitendien als Pers te grooten eerbied voor eene moeder, vooral voor eene koninginne-moeder, om der weduwe van Amasis ook maar een haar te krenken. Terwijl Cambyzes de residentie Saïs belegerde en innam, vertoefde Psamtik in het paleis der pharao’s strengbewaakt, doch te gelijk bejegend met al de onderscheiding, waarop een vorst aanspraak kon maken.
Onder de voorname Egyptenaren, die het volk tot tegenstand hadden aangezet, nam Neithotep, de opperpriester van Neith, de eerste plaats in. Hij werd met honderd zijner ongelukkige medeschuldigen te Memphis in boeien geklonken. Het grootste deel van de koninklijke hofbeambten huldigde Cambyzes echter vrijwillig te Saïs. Zij noemden hem Ramestoe, dat is kind der zon, en verlangden dat hij zich plechtig tot koning van Opper- en Neder-Egypte zou laten kronen en zich volgens oud gebruik in de priesterkaste zou doen opnemen. Cambyzes liet zich dit alles op raad van Cresus en Phanes welgevallen, hoewel tegen zijn zin. Wat meer zegt: hij offerde zelfs in den tempel van Neith, en deed zich van den nieuwen opperpriester eene vluchtige verklaring geven van de beteekenis der mysteriën. Eenige oude hovelingen nam hij in zijne omgeving op, en aan vele rijksbeambten gaf hij hooge posten. Inzonderheid verstond de admiraal van Amasis’ Nijlvloot de kunst om zich in de gunst te dringen, hij werd zelfs door Cambyzes tot zijn dischgenoot benoemd21. Toen de Perzische vorst eindelijk de stad verliet, stelde hij Megabyzus tot gouverneur aan. Doch nauwelijks had de koning Saïs verlaten of het volk, dat zich met moeite had ingehouden, gaf aan zijne woede lucht. Perzische wachten werden heimelijk vermoord, de bronnen vergiftigd en de stallen der ruiterij in brand gestoken. Megabyzus ging tot den koning, om zich over het voorgevallene te beklagen; hij trachtte Cambyzes te doen inzien hoe zulke vijandelijkheden licht tot openbaren opstand konden leiden, wanneer men ze niet onderdrukte door krachtig op te treden. »Laat,” zoo zeide hij, »aan de tweeduizend jongelingen van Memphis, die gij ten zoenoffer voor den moord aan ons gezantschap gepleegd ter dood veroordeeld hebt, op staanden voet hun vonnis voltrekken. Ook zou het niet kwaad zijn den zoon van Psamtik, om wien het volk zich anders eens zeker ten opstand scharen zal, mede te doen sterven. De dochters van den vorigen koning en van den opperpriester Neithotep moeten, gelijk ik vernomen heb, water dragen voor de baden van den edelen Phanes.”
De Athener glimlachte, en zeide: »Cambyzes, mijn heer, heeft mij op mijn verzoek toegestaan er zulke voorname dienstmaagden op na te houden.”
»Maar u verboden,” viel Cambyzes in, »een der leden van hetgevallen vorstenhuis naar het leven te staan. Slechts een koning mag koningen straffen!”
Phanes boog zich. Cambyzes wendde zich weder tot Megabyzus, en beval hem de tweeduizend veroordeelden den volgenden dag, tot een waarschuwend voorbeeld, ter dood te doen brengen. Betreffende het lot van den koningszoon zou hij later wel een besluit nemen; intusschen moest deze met de overige veroordeelden naar de gerechtsplaats worden geleid. »Men moet zien,” riep hij, »dat wij van plan zijn, alle vijandelijkheden met de grootste gestrengheid te keer te gaan!”
Toen Cresus het waagde om genade voor den onschuldigen knaap te smeeken, glimlachte Cambyzes, zeggende: »Wees gerust, oude vriend, het kind is nog in leven, en zal het misschien niet minder goed bij ons hebben, dan uw zoon, die bij Pelusium zoo dapper heeft gestreden! Maar ik zou gaarne weten of Psamtik zijn lot zoo gelaten en mannelijk weet te dragen als gij, nu vijf en twintig jaar geleden.”
»Dat is gemakkelijk te onderzoeken!” riep Phanes, »zoo het den koning slechts behaagt hem naar het slotplein te doen geleiden, en de gevangenen en veroordeelden voor zijn aangezicht te laten voorbijvoeren; dan zal het blijken, of hij zich als een man, dan wel als een lafhartige gedraagt.”
»Dat zal geschieden!” antwoordde Cambyzes. »Ik zal mij verborgen houden, en hem ongemerkt gadeslaan. Gij zult mij vergezellen, Phanes, en mij den naam en den stand van iederen gevangene noemen!”
Aan den morgen van den volgenden dag begaf de Athener zich met den koning op het balkon, dat het uitgestrekte, met boomen beplante, slotplein omgaf. De planten en bloemen hielden de twee mannen verborgen, die de geringste beweging van menschen daar beneden opmerken en ieder woord verstaan konden. Door eenigen zijner vroegere hovelingen omgeven, leunde Psamtik tegen een palmboom en staarde met een somberen blik onafgebroken op den grond, terwijl zijne dochter en het kind van Neithotep, benevens andere aanzienlijke jonkvrouwen, als slavinnen gekleed, het plein overgingen, gevulde waterkannen dragende. Zoodra de meisjes den koning gewaarwerden, hieven zij luide klachten aan, die Psamtik uit zijn gemijmer opwekten. Hij herkende de jammerende maagden en boog zijn hoofd diep neder. Doch spoedig hief hij het weder op, en vroeg zijne oudste dochter, voor wien zij water droeg? Toen hij vernam, dat zij voor Phanes het werk van slavinnen verrichten moest, verbleekte hij, liet het hoofd op de borst vallen, en riep de meisjes toe: »Gaat!”
Weinige oogenblikken later betraden de gevangenen het plein, met strikken om den hals en toomen in den mond, door Perzischewachters geleid22. De trein werd geopend door den kleinen Necho, die de handjes naar zijn vader uitstrekte, en hem bad de vreemde, booze menschen, die hem wilden dooden te straffen. De Egyptenaren konden hunne tranen niet bedwingen, toen zij deze woorden van den knaap, hun kroonprins, vernamen. Doch de oogen van Psamtik bleven droog, en wederom vestigde hij den blik op den grond, en wenkte den weenenden knaap met de hand een laatst vaarwel toe.
Kort daarop verschenen zij, die te Saïs in hechtenis waren genomen. Onder dezen bevond zich ook de grijze Neithotep. De vroegere opperpriester was in lompen gehuld en strompelde met moeite voort, leunende op een stok. De poort binnentredende en de oogen opslaande, zag hij zijn ouden leerling Darius. Vergetende waar hij zich bevond, liep hij aanstonds naar dezen toe, klaagde hem zijn nood, bad hem om zijne hulp en voorspraak, en eindigde met om eene aalmoes te smeeken. Darius schonk hem een rijke gift, ’t geen ten gevolge had, dat de andere Achaemeniden, die in de, nabijheid stonden, den oude schertsend tot zich riepen, en hem kleine muntstukken toewierpen, die hij niet zonder moeite en met vele dankbetuigingen opraapte. Toen Psamtik dit gewaarwerd, barstte hij in tranen los, riep op smartelijken toon zijn ouden vriend bij den naam, en sloeg zich met de krampachtig gesloten vuist voor het voorhoofd.
Cambyzes verwonderde zich hierover, verwijderde de bloemen en planten, waarachter hij zich tot dusver had verborgen gehouden, en riep den ongelukkige toe: »Zeg mij, zonderling mensch, waarom gij, bij de aanschouwing van uwe diep vernederde dochter, en van uw zoon die den dood te gemoet gaat, niet geweeklaagd en geschreid hebt, en jegens een bedelaar, die niet eens tot uw huis behoort, zoo groote deelneming aan den dag legt?”
Psamtik zag naar zijn overwinnaar op, en antwoordde: »Het ongeluk van mijn huis, zoon van Cyrus, is te groot voor mijne tranen; het lot van een vriend, die op hoogen ouderdom, van den aanzienlijksten en gelukkigsten man in het rijk een ellendige bedelaar is geworden, mag ik echter beweenen!”
Cambyzes knikte den armen vorst minzaam toe, en toen hij zich omkeerde, bemerkte hij, dat niet alleen in zijn oog een traan was opgeweld. Cresus, Bartja en alle aanwezige Perzen, ja zelfs Phanes, die beiden koningen tot tolk had gediend, waren diep geroerd. De trotsche veroveraar had een welbehagenin deze tranen, en sprak, zich tot den Athener wendende: »Mij dunkt, Helleensche vriend, dat wij genoeg gewroken zijn.—Sta op, Psamtik, en beproef gelijk deze edele grijsaard—dit zeggende wees hij op Cresus—u aan uw tegenwoordig lot te gewennen. Het bedrog van uw vader is aan u en aan uw huis streng genoeg vergolden geworden. Dezelfde kroon, die Amasis de dochter van Hophra, mijne onvergetelijke gemalin, ontroofd heeft, heb ik u van het hoofd gerukt. Om Nitetis’ wil heb ik dezen oorlog begonnen; thans schenk ik uw zoon het leven, wijl zij hem heeft liefgehad. Voortaan moogt gij als onze dischgenoot in volle vrijheid aan ons hof verkeeren, en de eer mijner grooten deelen. Ga den knaap halen, Gyges! Hij zal, gelijk gij voorheen, met de zonen der Achaemeniden worden opgevoed.”
De Lydiër snelde naar de deur van het balkon, om dezen hem zoo aangenamen last ten uitvoer te brengen, doch eer hij deze had bereikt, riep Phanes hem terug. Met opgericht hoofd en een fier gelaat plaatste zich de Athener tusschen den koning en Psamtik, die van zalige verrukking stond te trillen, en zeide:
»Uw gang, edele Lydiër, zou vergeefsch zijn; Necho, de zoon van Psamtik, is reeds niet meer! Ondanks uw bevel, mijn vorst, heb ik, onder voorwendsel dat ik eene volmacht van u bezat, den beul doen bevelen den kleinzoon van Amasis, als zijnde de eerste en aanzienlijkste van al de gevangenen, ter dood te brengen. Het horengeschal, dat gij zoo even vernomen hebt, was het teeken dat de laatste aan den Nijl geboren kroonprins van Egypte den adem had uitgeblazen. Ik weet wat mij te wachten staat, Cambyzes, en bid niet om een leven, welks hoogste doel thans bereikt is. Ook uw verwijtenden blik, o Cresus, versta ik. Gij beklaagt de vermoorde kinderen; maar och, het leven is zulk een samenweefsel van jammer en teleurstelling, dat ik, met uw grooten raadsman Solon, hem het gelukkigst acht, wien de goden, gelijk weleer aan Kleobis en Biton23, een vroegen dood geven. Zoo ik ooit genade in uwe oogen heb gevonden, Cambyzes,zoo mijne raadgevingen u van eenig nut zijn geweest, veroorloof mij dan, als eene laatste gunst, nog enkele woorden te spreken. Gij, Psamtik, weet, wat ons tot vijanden heeft gemaakt. Gij allen, aan wier achting mij veel gelegen is, zult het thans evenzeer vernemen.
»Door den vader van dezen man werd ik in zijne plaats tot bevelhebber der tegen Cyprus gezondene troepen benoemd en streed met roem, terwijl hij slechts vernedering en schande had geoogst; tegen mijn wil, werd ik bekend met een geheim, dat zeer gevaarlijk had kunnen worden voor zijne aanspraken op den troon; eindelijk belette ik hem, eene deugdzame jonkvrouw weg te voeren uit het huis harer grootmoeder, eene vrouw, die door alle Hellenen hooggeacht en geëerbiedigd wordt.—Dat is het, wat hij mij nooit heeft kunnen vergeven, en hem heeft bewogen mij, toen ik den dienst van zijn vader verlaten moest, tot een strijd op leven en dood uit te dagen. Thans is onze worsteling beslist. Gij hebt mijne onschuldige kinderen doen vermoorden, en op mij als op een schadelijk ondier jacht gemaakt; dat is uwe geheele wraakoefening geweest! Ik heb u van den troon gestooten en u en uw volk tot slaven gemaakt. Ik heb uwe dochter mijne slavin genoemd, uw zoon heb ik doen ombrengen, en ik heb gezien hoe hetzelfde meisje, dat gij eenmaal vervolgdet, de gelukkige gade van een held is geworden. Gij, gevallen koning, hebt mij rijker en machtiger dan een mijner landslieden zien worden; gij, ongelukkige, moest mij—en dit was het schoonste gedeelte mijner wraak—van mededoogen met uw ijzingwekkend lot zien weenen!—Wie, gelijk ik, de diepste rampzaligheid van zijn vijand slechts eene seconde overleven mag, dien noem ik even gelukkig als de zalige goden. Thans heb ik niets meer te zeggen!”
Phanes zweeg en drukte zijn hand op zijn wond. Cambyzes zag hem een tijdlang met de grootste verbazing aan, deed daarop een stap voorwaarts, en wilde reeds den gordel van den Athener aanraken, een teeken, dat met de onderteekening van een doodvonnis gelijkstond24, toen zijn blik op de keten viel, die hij den Athener, tot belooning voor de behendigheid waarmede hij de onschuld van Nitetis had bewezen, om den hals had gehangen. De gedachte aan de vrouw zijner eenige liefde, en aan de dankbaarheid die hij verschuldigd was aandezen zeldzamen man, wegens verschillende door hem bewezene diensten, onderdrukte zijn toorn, en deed zijne, tot het noodlottige sein reeds opgehevene hand weder zinken. Gedurende enkele seconden stond de strenge vorst tegenover den ongehoorzamen vriend, toen hief hij andermaal, aan eene plotselinge ingeving gehoor gevende, zijne rechterhand op, en wees gebiedend naar den uitgang van het plein.
Phanes boog zich zwijgend, kuste het kleed van den koning en steeg langzaam de trap af naar het plein. Psamtik zag hem na met verbeten woede, sprong toen naar de borstwering van het balkon, doch zonk, eer hij zijne lippen tot een vloek had kunnen openen, uitgeput neder.
Cambyzes wenkte zijn gevolg, en gebood zijn jachtmeester de toebereidselen te maken tot eene leeuwenjacht in de Lybische bergen.
1Perzische lusthoven.2zie boven bl.165.3In onze maand Maart.4Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.5Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.6Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.7Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.8Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.9Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede van leder.10Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.11Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers’Warda.12zie boven bl.213.13Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.14Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.15Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. EbersWarda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.16Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van hem verlangde.17Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.18Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.19Ongeveer ƒ 22.500.20Zij was de gemalin van koning Battus III.21In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes’ verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.22Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.23Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.24De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: “Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was; mijn wreker is niet verre meer!”
1Perzische lusthoven.
2zie boven bl.165.
3In onze maand Maart.
4Ook de hedendaagsche Perzen houden een huwelijk tusschen bloedverwanten in eersten of tweeden graad voor zeer gelukkig.
5Een korps, gedeeltelijk uit vreemdelingen samengesteld, dat de krijgsgevangenen moest bewaren en andere diensten bewijzen.
6Wagenstrijders vindt men op bijna alle Egyptische gedenkteekenen. Ofschoon daarop tot hiertoe niet meer dan vijf ruiters zijn gevonden, blijkt toch uit geschriften en berichten van andere volken, dat de Egyptenaren zich van ruiterij bedienden. Zoo zou Ramses II 24,000 ruiters in het veld hebben gebracht. Volgens Herodotus was het Egyptische leger verdeeld in Hermotybiërs en Kalasiriërs. De laatsten, in het Egyptisch Klaschr, waren boogschutters. De eersten ontleenden hun naam aan het schort Haemitybion, dat zij droegen.
7Waarschijnlijk waren dit de door Herodotus genoemde Noord-Afrikaansche Maxyers.
8Van vele standaarden zijn afbeeldingen gevonden. Elke nomos had ook zijn wapen.
9Zoo gewapend vinden wij de troepen op de monumenten voorgesteld. Verschillende der genoemde wapenen worden in de musea gevonden, o. a. te Berlijn een dolk, waarvan de kling bestaat uit een soort van brons, en het gevest uit elpenbeen, met eene scheede van leder.
10Toen Themistocles later aan het Perzische hof kwam, werd hem insgelijks eene aanzienlijke Perzische vrouw ten huwelijk gegeven.
11Deze mijnen lagen in het zuiden, niet verre van de Roode Zee. De arbeiders waren deels krijgsgevangenen, deels lieden die men om de eene of andere reden uit den weg wilde ruimen. Men heeft de sporen van die mijnen weergevonden. Vgl. verder Ebers’Warda.
12zie boven bl.213.
13Zoo worden de kleuren van de rijksbanier door Firdusi opgegeven. De banier van Kawe bestond uit het schootsvel van een dapperen smid, die volgens de legende alles te wapen riep tegen dan boozen Zohak, en Feridun hielp, om dien gruwelijken verwoester van het rijk ten val te brengen.
14Dit was het wachtwoord der Grieken in den slag bij Mycale.
15Dat die wagenmenners aanzienlijke personen waren, blijkt uit de wijze waarop de vorsten met hen omgingen. Op een gedenkteeken te Thebe werd Ramses II voorgesteld, in vertrouwelijk gesprek met zijn wagenmenner. Hetzelfde blijkt uit het epos van Pentaoer (Vgl. EbersWarda). In een der papyrussen wordt van een wagenmenner gesproken, die na een militaire school bezocht te hebben, van den pharao zelven uit de koninklijke stallen de paarden ontvangt.
16Herodotus verhaalt ons van een Egyptenaar, die op last van Darius aan den oever van den Ister ging staan, om Histiaeus van Milete te roepen, die hem hoorde en aanstonds deed wat de Perzische koning van hem verlangde.
17Herodotus geeft ons werkelijk het verhaal van dit verschrikkelijk feit.
18Het is een doorgaande regel, dat bij de oude schrijvers de overwinnaars altijd veel minder manschappen verliezen dan de overwonnenen.
19Ongeveer ƒ 22.500.
20Zij was de gemalin van koning Battus III.
21In het Gregoriaansch museum van het Vaticaan is het standbeeld van een scheepsgezagvoerder; het opschrift behelst de bijzonderheden omtrent Cambyzes’ verblijf te Saïs, die hierboven worden medegedeeld.
22Op de gedenkteekenen komen herhaaldelijk gevangenen voor, met eene soort van houten boeien, waarin de handen zijn gesloten, en die met een touw aan hun hals hangen.
23Toen Solon den Lydischen koning bezocht, had deze den wijsgeer zijne schatten getoond en hem gevraagd, wien hij wel voor den gelukkigste hield, in de hoop dat hij zijn eigen naam zou hooren. Solon noemde echter in de eerste plaats Tellus, een beroemd burger van Athene, en daarna de broeders Kleobis en Biton. Deze schoone jongelingen, die ook in den worstelstrijd den prijs hadden behaald, trokken hunne moeder, toen de paarden niet intijds van het veld kwamen, ten aanzien van het gansche volk, naar den ver verwijderden tempel. De mannen van Argos roemden, de kracht der jongelingen, maar de vrouwen wenschten de moeder geluk die zulke zonen bezat. En de moeder verrukt over deze daad en den lof harer zonen, plaatste zich voor het beeld der godin en bad, dat zij hun het beste mocht schenken wat een mensch gegeven kon worden. Na dit gebed en het offer sluimerden de jongelingen in, om niet meer te ontwaken, want zij waren gestorven.
24De laatste Perzische koning, Darius Codomannus, verwees op dezelfde wijze zijn uitstekenden Griekschen veldheer Memnon ter dood, die hem door zijne vrijmoedigheid beleedigd had. Toen men hem wegvoerde riep Memnon, zinspelende op Alexander, die reeds in aantocht was: “Uw berouw over deze daad zal getuigen van hoeveel waarde ik voor u was; mijn wreker is niet verre meer!”