Slav,slâv,slav, subst. een der Slaven;Slavic= Slavisch(e taal).Slave,sleiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar;Slaveverb. slaven, hard zwoegen:Aslave to drink= verslaafd aan;He is aslave tohis wild passions= de slaaf zijner;Slave-coast= slavenkust;Slave-dealer= slavenhandelaar;Slave-dealing;Slave-driver= slavendrijver;Slave-grown= door slavenarbeid voortgebracht;Slave-holder= slavenhouder;Slave-owner;Slave-states= staten waar de slavenhandel bestond (Amer.);Slave-trade= slavenhandel;Slaver= slavenhandelaar;Slavery= slavernij, afmattende en ploeterende arbeid;Slavey= dienstmeisje.Slaver,slavə, subst. speeksel, kwijl;Slaververb. kwijlen;Slaverer= kwijler, idioot.Slavish,sleiviš= slaafsch; subst.Slavishness.Slavonia,sləvouniə;Slavonian= Slavonisch;Slavoniër= Slavonic.Slaw,slô, koolsla (Amer.).Slay,slei, dooden, vernietigen, vermoorden, te gronde richten;Slayer.Sleave,slîv, subst. streng vlos- of vlokzijde (=Sleave-silk);Sleaveverb. in strengen verdeelen, opwinden.Sleazy,slîzi, dun, licht.Sled,sled, subst. slede;Sledverb. in een slede vervoeren.Sledge,sledž, subst. slede; vóórhamer;Sledgeverb. in eene slede vervoeren of reizen:Sledge-chair= slede;Sledge-coach= sleepkoetsje;Sledge-hammer= vóórhamer.Sleek,slîk, zacht, glanzend, glad, sluw, slim, handig, vlug;Sleekverb. glad maken (kammen), kalmeeren, vergoelijken (over); sluipen:Sleek hair= glad, glanzend haar;Sleek-headed= met glad gekamd haar;Sleek-stone= polijststeen;Sleekness= gladheid, etc.;Sleeky= glad, zacht, sluw.Sleep,slîp, subst. slaap, doodslaap;Sleepverb. slapen, sluimeren, soezen, staan (van tollen):To takea sleep;Beauty sleep= slaap vóór middernacht;Tosleep the sleep of the just;I amdying with sleep= val om v. slaap;The motherlulled (sang) her child to sleep= suste (zong) haar kind in slaap;Tostart from one’s sleep= wakker schrikken;Tosleep the clock round;I haveslept like a top= geslapen als een roos;He hasslept himself sober= zijn roes uitgeslapen;Heslept away the best part of (the) day= versliep het mooiste deel v. den dag;Heslept far into the following day= een gat in den dag;I have got a headache, and must try tosleep it off= moet er door slapen zien af te komen;Tosleep on (upon)= zich beslapen op;I neversleep out= ben ’s nachts nooit buitenshuis;Iwill sleep overit= zal er mij eens op beslapen;Sleep-drunk;Sleep-headed;Sleep-walker= slaapwandelaar;Sleep-walking;Sleeper= slaper, dwarslegger (spoor); slaapwagon (Amer.);Sleepiness= slaperigheid;Sleeping:Sleeping Beauty in the Wood= de Schoone Slaapster;Sleeping-car=Sleeping-carriage= slaapwagon;Sleeping-cup= slaapdrank;Sleeping-dropsy (Sleeping-evil, Sleeping-sickness)= slaapziekte;Sleeping-partner= stille vennoot;Sleeping-room= slaapkamer;Sleepless; subst.Sleeplessness;Sleepy= slaperig:Sleepy drink (potion)= slaapdrank;Sleepyhead= slaapkop.Sleet,slît, subst. natte sneeuw(bui) met hagel;Sleetverb. sneeuwen (of hagelen) met regen; adj.Sleety.Sleeve,slîv, subst. mouw;Sleeveverb. van mouwen voorzien:Hechuckled (laughed) in his sleeve= lachte in zijn vuistje;Tocreep up a person’s sleeves= in de mouw (zak) kruipen, vleien;Tohave in one’s sleeve= (iets) achter de hand hebben;Hehad several cards up his sleeve= in de mouw;Towear one’s heart on one’s sleeve= zijn hart op de tong hebben;Sleeve-button;Sleeve-link= kettingknoopje;Sleeveless= zonder mouwen.Sleigh,slei, slede (Am.);Sleighverb. sledevaren;Sleigh-bells= sledebellen;Sleighing-party= sledevaart.Sleight,slait, kunstgreep, behendigheid, listige zet:Sleight of hand= handhabiliteit (bij het goochelen).Slender,slendə, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende, armzalig, bescheiden:He is a manof slender parts= van geringe talenten; subst.Slenderness.Slept,slept, imperf. en part. perf. vanto sleep.Sleswick,sleswik, Sleeswijk.Sleuth,slûth, spoor;Sleuth-hound= bloed- of speurhond.Slew, imperf. vanto slay; zie ookSlue.Slice,slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (=Fish-slice), spatel, vuurschop;Sliceverb. in dunne sneden snijden:A slice of[512]bread and butter= boterham;They had their ears sliced= hun werden de ooren afgesneden;Slicer.Slick,slik, gestampt en gewasschen erts.Slick=Sleek(Amer.).Slid,slid, imp. en part. perf. vanto slide.Slidder(y),slidəri=slippery.Slide,slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuif, aardverschuiving;Slideverb. glijden, zacht overgaan, schuiven:Hetook a slide down the street= ging baantje glijden op straat;Heslid back the door (slid the door close)= open (dicht)schuiven;Weslid down the slope= gleden de helling af;We willlet things slide a little= een tijdje op hun beloop laten;Sliding= glijdend, glij.., schuif.., onzeker; subst. overtreding:Sliding-case= stoomschuif;Sliding-doors;Sliding-knot= slipknoop;Sliding-seat= glijbank in een giek:I am used tofixed seatsand not toSliding-seats(=Sliders);Sliding-scale= schaal die al naar de omstandigheden verandert;His slidings aremany= overtredingen.Slight,slait, subst. minachting, verwaarloozing, geringschatting; adj. gering, onbeteekenend, zwak, dun, tenger, oppervlakkig, vluchtig;Slightverb. versmaden, verwaarloozen, verachten:Tomake slight of= geringschatten;My letters and advice wereslighted (off)= werden versmaad, verachtelijk ter zijde gelegd;You haveslighted overyour work= afgeroffeld;Slight-built= tenger gebouwd;Slighter;Slightness= zwakheid, onbeduidendheid, geringschatting, minachting, vluchtigheid, oppervlakkigheid.Sligo,slaigou.Slily,slaili, op listige wijze.Slim,slim, dun, slank, schraal; subst.Slimness.Slime,slaim, slijk, slik, slijm;Slimeverb. met slijm bedekken, het slijm verwijderen;Sliminess, subst. v.Slimy= slibbig, slijkachtig, kleverig.Sling,sliŋ, subst, slinger, zwaai, slag, draagband, riem, strop; soort van grog (met geraspte muskaat);Slingverb. slingeren, werpen, zwaaien, met lange, veerkrachtige stappen loopen:He had his armin a sling= in een doek;Heslung his hook= hij schuurde zijne piek (fig.);Slinger.Slink,sliŋk, (weg)sluipen, ontijdig werpen; subst. te vroeg geworpen dier; adj. onrijp, lang en dun, waardeloos.Slip,slip, subst. ontglipping, vergissing, abuis; takje, loot, stekje, reepje, koppel of ketting voor honden, jong ding, saut-de-lit, (scheeps)helling, rij plaatsen in een kerk (Amer.), nauwe gang achter de loges;Slipverb. glippen, uitglijden, wegsluipen, struikelen (fig.), zondigen, zich verpraten, laten glijden, loslaten, ontijdig werpen, schuiven, heimelijk stoppen in, snel aanschieten, afsnijden (van takken of loten):I sawsome rosy little slips in the nursery= blozende snoesjes;Aslip of a fellow= dreumes;A slip of a girl= kleine peuter;Aslip of the memory, the pen, the tongue= vergissing, verschrijving, etc.;Hegave me the slip= hij ontglipte mij, liet mij zitten;Toget the slip= een korf krijgen;My health oftenmakes a slip= laat mij vaak in den steek;Tomake a slip= een “misstap” doen;My foot slippedand I fell= ik gleed uit;The cable was slipped= men liet slippen;Toslip the collar= de halster strijken, vrij komen:Tolet slip the dogs= loslaten;It has slipped my memory= is mij ontgaan;Toslip one’s foot= uitglijden;Toslip away= heimelijk weggaan;You must notallow the opportunity to slip (by)= niet laten voorbijgaan;My socks willslip down=zakken altijd af;Many errorsslipped intothe first edition= slopen in;Islipped offmy mantle= legde af;Islipped onmy trousers andslippers= ik schoot aan;Toslip out= zich handig ergens afmaken; laten vallen;Slip-bolt= grendel;Slip-carriage= slipwagon;Slip-cover= stofkleed;Slip-knot= schuifknoop;Slip-rope=- sliplijn (op een kabel);Slipshod= met afgetrapte hakken, slordig:It is written inSlipshod English= in slordig E.;Hewent slipshodall over the house= slofte het geheele huis door;Slip-train= sliptrein;Slipper= pantoffel, remschoen; morsschort (Amer.):Theyplayed at hunt the slipper= speelden “slofje onder”;Slipperiness, subst. v.Slippery= glibberig, glad, onvast, onzeker, sluw, listig:It’s a slippery ground to walk upon= dat is wagen op glad ijs;He isthe slipperiest rascalI ever heard of= de gladste schurk;Slipping of the soil= grondverschuiving.Slipslop,slipslop, subst. slappe drank, prullerig werk, slordig gebruik van een woord voor een ander, als:prodigyvoorprotégé, etc.; adj. armzalig, prullerig.Slish,sliš, slag, houw:Slish and slash= klits klats.Slit,slit, subst. split, reet, lange snede, sponning;Slitverb. in de lengte snijden,in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven:His mouth wasof a reptilian width of slit= hij had een mond als een brievenbus;Ishot the letter into the slit= gleuf;His eyes werelike two shining slits= glinsterende streepen;Slitter;Slitting-mill= machine om hout, metaal of steenen te splijten;Slitlike= als een spleet:Slitlike eyes.Sliver,sl(a)ivə, subst. afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak;Sliververb. in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen.Sloam,sloum, leemlaag tusschen zand- en kolenlagen.Slobber,slobə, kwijlen, kindsch zijn, bekwijlen; subst. kwijl:They willslobber their gownswithout the pinafores= ze bemorsen hare jurken;Slobberer;Slobbery= modderig, vochtig,kwijlend.Sloe,slou,sleepruim, sleeboom;Sloe-black= blauwzwart.Slog,slog, ranselen; subst. kloppartij;Slogger= bokser, die er op los beukt.Slogan,sloug’n, oorlogskreet der Hooglanders.Slojd,slôid, slojd.[513]Sloop,slûp, sloep:Sloop of war= corvet.Slop,slop, subst. gestort water, poel, kleermaker (Slops= spoelwater, slappe thee, slap soepje voor patienten); goedkoope confectiekleeren; wijde broek, kleeren en beddegoed tegen kostenden prijs aan marinematrozen verstrekt;Slopverb. morsen, storten:Woodcuts looselyslopped overwith watercolours= slordig met waterverf besmeerd;Slop-basin,Slop-bowl= spoelkom;Slop-made= saamgeflanst;Slop-pail= toilet-emmer;Slop-seller= houder van eenSlop-shop= winkel voorSlops;Slop-work= prullewerk; goedkoope schoenen (kleeren, meubelen);Sloppiness, subst. v.Sloppy= nat, modderig, morsig, slordig:Sloppy, slithery turf= drassige, glibberige zoden.Slope,sloup, subst. helling of schuinte;Slopeverb. hellen, schuin afloopen, bedriegen en zich uit de voeten maken, doen hellen, schuin houden:Slope arms!= over geweer!Slosh,sloš, natte sneeuw en modder.Slot,slot, subst. gleuf, sponning, spoor (van een hert);Slot-machine= automaat;Slot-meter= muntmeter.Sloth,slouth, traagheid, luiheid, onverschilligheid; luiaard of ai;Slothful= lui, traag; subst.Slothfulness.Slouch,slautš, subst. het laten hangen van het hoofd, slappe en boersche gang, lompe en logge vent, sukkel;Slouchverb. slungelig loopen (zitten), slap neerhangen, laten hangen, neerdrukken (van den hoed):No slouch ata party canvass= hij weet zijn mondje te roeren (bij);Slouch-hat= hoed met breeden, slappen rand.Slough,slau, poel, moeras;Sloughy= moerassig.Slough,slɐf, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene wond);Sloughverb. scheiden, afwerpen, afvallen (als een roof, korst of huid);Sloughy= korstig.Slovak,sləvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije =Slovakian.Sloven,slɐv’n, vuilpoes, morsebel;Slovenliness= slordigheid.Slow,slou, adj. langzaam, bedachtzaam, traag, achterlijk, saai, vervelend, levenloos;Slowverb. de snelheid verminderen:Safely and slow, they stumble who run fast= hardloopers zijn doodloopers;Slow and sure (steady) wins the race= langzaam maar zeker;Slow coach= langzaam, vervelend persoon;A slow dinner, person, town= saai;Slow fever= binnenkoorts;Aslow train= boemeltrein;My watch is slow= is achter;Writing a dictionary isslow work= schiet niet op;The ship wasslowed down= de vaart werd verminderd;The ascentslowed upthe vehicle= deed langzamer gaan;Slow-gaited= zich langzaam bewegend;Slow-match= lont;Slow-paced= met langzamen schred;Slow-witted= traag van begrip;Slow-worm= hazelworm;Slowness= langzaamheid, etc.Slub,slɐb, subst. grof gesponnen wol;Slubverb. voor- of grofspinnen.Slubber,slɐbə, bezoedelen, bemorsen.Sludge,slɐdž, modder, modderige sneeuw, ijsmassa; adj.Sludgy.Slue,slû, omdraaien (om eene spil).Slug,slɐg, luipaard; (naakte) slak (=Slug-snail); onregelmatig gevormd stuk metaal als kogel;Slug-a-bed= langslaper;Sluggard= luilak;Sluggish= lui, traag; subst.Sluggishness.Sluice,slûs, subst. sluis, sluiswater (inspuit)kraan;Sluiceverb. eene sluis openen, laten uitstroomen, bevloeien, spoelen:It is sluicing down= het valt met emmers uit de lucht;Sluice-chamber= kolk;Sluice-door,Sluice-gate= sluisdeur;Sluice-keeper= sluiswachter.Sluit,slût=Sluice. (Z. Afr.).Slum,slɐm, subst.slop, achterbuurt, vuil straatje,Slumverb. de achterbuurten bezoeken:Slum-bornchild;Theslums of the low London press= de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten;Togo slumming= de achterbuurten bezoeken.Slumber,slɐmbə, subst. sluimering;Slumberverb. sluimeren;Slumberer;Slumberous= slaapwekkend, slaperig.Slump,slɐmp, plotseling dalen van prijzen;Slumpverb. zakken door ijs, in sneeuw, plotseling dalen in prijs:Then the slump came= toen kwam de “krach”;Aslump in the saleof Christmas cards= plotselinge vermindering.Slung,slɐŋ, imperf. en part. perf. vanto sling;Slung-shot= soort ploertendooder (Amer.).Slunk,slɐŋk, imperf. en p. perf. vanto slink.Slur,slɐ̂, subst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken (muz.);Slurverb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, losjes overheen loopen, bemantelen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.):Hecast a slur on me= heeft een smet geworpen;Sheslursher th’s;Heslurred it over= liep er losjes overheen.Slush,slɐš, subst. natte half gesmolten sneeuw, weeke modder; smeer;Slushverb. boenen, smeren;Slush-lamp= soort vetlamp;Slushy= slijkerig, modderig, nat.Slut,slɐt, slons, slet, morsebel;Sluttery= vuilheid, slordigheid;Sluttish= slordig, morsig, vuil; subst.Sluttishness.Sluys,slôis, Sluis.Sly,slai, sluw, loos:He did iton (by) the sly= in ’t geniep;Sly-boots= slimmerd, looze kwant; subst.Slyness.Smack,smak, subst. smaak(je), geur, oppervlakkige ondervinding of kennis, harde slag, klap, klapzoen; smak (schip);Smackverb. een smaak of geurtje hebben van (metof), een harden klap geven, barsten of kraken, laten knallen, smakken; interj. klets; klap!:Tosmack one’s lips;Tosmack a whip= doen knallen;What you say theresmacks of heresy= riekt naar ketterij.Small,smôl, subst. het dunne of smalle deel van iets; adj. klein, gering, zwak, fijn, licht, onbeduidend, kleingeestig:Small of the back= kruis, lendenstreek;Smallseerste examen voor hetBachelorship te Oxf.; (ook =Small-clothes);I neverfelt so smallin my life= zoo klein (onbeteekenend, zoo deemoedig);Small beer= licht bier:He thinks nosmall beerof himself= heeft een[514]grooten dunk van;Do you think I will chronicle all thesmall beeryou talk? = uw gewauwel;Small card= lage;I was invited toa small and early dinner;how I hatethose smalls and earlies= familiare en vroege diners;Small fry= kleingoed (kinderen);The house sat intothe small hours= tot na middernacht;Small master= klein baasje;Small nuts= hazelnoten;He isa small partner= heeft een aandeeltje in de zaak;He is an autocratin a small way= een klein autocraatje;Small wonder!= geen wonder;Small wares= galanterieën, garen en band;Theybroke their small wits upon him= haalden hunne flauwiteiten tegen hem uit;Small-arms= draagbare wapenen;Small-clothes= korte broek;Small-coal= kolengruis;Small-craft= kleine vaartuigen;Small-hand= loopend schrift;Smallpox= kinderpokken;Small-talk= gesnap, gepraat;They areliterary small-talkers= letterkundige wauwelaars;Smallish= vrij klein, peuterig, popperig; subst.Smallness.Smalt,smôlt, smalt, kobaltglas.Smaragdine,sməragdin, als smaragd.Smart,smât, subst. vinnige pijn, groote smart; adj. pijnlijk, vinnig, doordringend; krachtig, vlug, levendig, geestig, knap, sluw, bij-de-hand, elegant, fijn, kranig;Smartverb. scherpe pijn voelen, pijn doen, boeten, smart veroorzaken, lijden:You shall feel the smart of it= het zal je bitter berouwen;Helaved his smartin thoughts of his greatness= verzachtte zijne smart;The characters areclever without being smart= knap geteekend zonder “mooidoenerij”;There is a danger in being smart= in het “aardig” willen wezen;That kind of society which is known as smart= als de groote wereld;He isas smart as threepence (sixpence)= zoo keurig alsof hij uit een doosje kwam;As smart as asteel trap= zoo glad als een aal;He issmarter than anything= iedereen te glad af;Isn’t hea smart little boy? = een bij-de-hand jongetje;My eyes smarta little;You’llsmart for it= er voor “hebben” of boeten;He is stillsmarting underhis loss= lijdt nog onder;Smart-looking= chic;Smart-money= rouwgeld, smartegeld, handgeld;Smart-ticket= bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager aanspraak opsmart-money= smartegeld, heeft;Smarten= opschikken, mooi maken:I am goingto smarten myself up= mij opknappen;Smartness:Hissmartnessmars several passages= poging om aardig (geestig) te zijn.Smash,smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, ontreddering;Smashverb. verpletteren, vernielen, stukslaan, verbrijzelen, platdrukken, breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen; adj. kapot, verloren:Gone to smash= op de flesch;The windows weresmashed= werden ingegooid;Smash-up= vermorzeling, verbrijzeling;Smasher= meisje, dat veel breekt, grof antwoord, scherp artikel, iets buitengewoons, valsch geld, iemand, die dit uitgeeft:Smashers out (of doors)= uitsmijters;The real purposegoes smash= gaat verloren;Smashing critique= vernietigende.Smatter,smatə, subst. geringe en oppervlakkige kennis;Smatterverb. geringe kennis hebben van, oppervlakkig spreken:Hesmatters words in several languages= kakelt zoo’n beetje in allerlei talen;Hehas a smattering of Spanish= weet een beetje van het Spaansch;A smattering musketry was going on yet= hier en daar hoorde men nog een enkel geweerschot;Smatterer= halfweter, oppervlakkig kenner.Smear,smîə, subst. vlek, smet;Smearverb. besmeren, insmeren, bezoedelen.Smell,smel, subst. reuk, geur;Smellverb. ruiken, rieken, speuren:Youretain the smell= je ruikt er nog naar;He neversmelt powder as yet= is nog nooit in ’t vuur geweest;Hesmelt it out= heeft het uitgevorscht;The winesmells of the cork= ruikt naar den kurk;Smeller= baardhaar (v. een kat), (slag op den) neus;Smelling:Smelling-bottle= reukfleschje;Smelling-salts;Smelling-water;Smelly children= viesruikende.Smelt,smelt, imperf. en part. perf. vanto smell.Smelt,smelt, subst. spiering:He isas dead as a smelt= zoo dood als een pier.Smelt,smelt, smelten;Smelter;Smeltery= smelterij;Smelting:Smelt-furnace= smeltoven;Smelt-pot;Smelt-works.Smerk(y),smɐ̂k(i), keurig, netjes, fijn, kranig.Smew,smjû, nonnetje (vogel).Smiddy,smidi,ZieSmithy.Smiffle,smif’l, verk. vanSmithfield.Smile,smail, subst. glimlach, vriendelijk gezicht, gunst, “hapje” of slokje (Amer.);Smileverb. glimlachen, vriendelijk kijken, een “hapje” nemen:She was all smiles (and graces)= poeslief;Hegave me a smile= hij glimlachte tegen mij;Wesmiled our thanks= drukten uit door een glimlach;Hesmiled at me= glimlachte tegen mij;I havesmiled awayhis cares= door een vriendelijken blik zijne zorgen verdreven;Wesmiled him into good humour= door onze vriendelijke blikken brachten we hem weer in zijn humeur;Fatesmiles upon us= is ons gunstig of genegen;The idea does notsmile upon me= lacht me niet toe;Smiler.Smirch,smɐ̂tš, bekladden, bevuilen, besmeren; subst. klad.Smirk,smɐ̂k, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, keurig;Smirkverb. gemaakt glimlachen, meesmuilen.Smite,smait, slaan, treffen (on), dooden, vernietigen, overkomen;Smiter.Smith,smith, smid:Smith’s coal= smeekolen;Smithwork;Smithy,smithi, smederij.Smithereens,smidhərînz:The powderblew the house to smithereens= vernietigde het huis geheel;Toknock to smithereens= tot gruis slaan.Smitten,smit’n, p.p. v.to smite:Arctic-smitten= verzot op Noordpoolreizen;Smitten withastonishment= verbluft;Smitten with her, withlove= verliefd.Smock,smok, (vrouwen)hemd, (boeren)kiel =Smock-frock;Smock-mill= Hollandsche windmolen[515]waarbij slechts het bovenstuk draaibaar is.Smoke,smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends;Smokeverb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken:There is no smoke without a fire= men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan;Will youhave a smoke? = eens opsteken;I’ll make your back smoke for it= je een pak ransel geven;Put that in your pipe and smoke it= steek dat in je zak (fig.);Tosmoke off= in een stofwolk wegrennen;Smoke-black= lampzwart;Smoke-consumer= rookverdrijver (werktuig);Smoke-dried= gerookt (van vleesch b.v.);Smoke-jack= toestel om een braadspit door den rook in den schoorsteen te doen draaien;Smoke-room= rookkamer;Smoke-stack= pijp;Smoked spectacles= bril met zeer donkere glazen;Smoker= rooker, rookcoupé:Agreat (heavy) smoker;Smokiness= rookerigheid;Smoking:No smoking allowed= hier mag niet gerookt worden;Smoking-cap= kalotje, mutsje;Smoking-carriage;Smoking-compartment;Smoking-room= rookkamer.Smollett,smolət.Smolt,smoult, jonge zalm in ’t 2de jaar.Smooth,smûdh, subst. grasvlakte (Amer.); adj. glad, vlak, zacht, glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend;Smoothverb. glad maken of worden, glad strijken, bemantelen, kalmeeren, uit den weg ruimen, gemakkelijk maken:Togive a smooth to one’s hair= zijn haar glad strijken;That songsmoothed his forehead= streek zijne rimpels weg;Hesmoothed the pathfor me= effende;The report wassmoothed downa little= werd verzacht;I shall try tosmooth him down= te kalmeeren;A smooth-bore gun= gladloop (kanon of geweer);Smooth-chinned= baardeloos;Smooth-faced= met glad, baardeloos, vriendelijk gelaat;Smooth-shaven= glad geschoren;Smooth-speeched,Smooth-spoken;Smooth-tongued= vleierig;Smoothing:Smoothing-iron= strijkijzer;Smoothing-plane= gladschaaf; subst.Smoothness.Smote,smout, imperf. vanto smite.Smother,smɐdhə, subst.dichte rook, walm;Smotherverb. smoren, verstikken, stikken, onderdrukken, smeulen;Smothery= rookerig, walmig, verstikkend.Smoulder,smouldə, smeulen.Smudge,smɐdž, subst. vlek, smet, smeer, verstikkende rook, smeulend vuur (tegen muskieten);Smudgeverb. zwart maken, door rook bevuilen, knoeien.Smug,smɐg, subst. poenig, ingebeeld persoon; adj. netjes, keurig, opgesmukt, gemaakt; subst.Smugness.Smuggle,smɐg’l, smokkelen (in, out);Smuggler= smokkelaar (ook het schip).Smut,smɐt, subst. vlek, roet, roetvlek (Smuts= roetvlokken), vuile taal; roest in ’t graan;Smutverb. bevlekken, bevuilen, roestig worden (van koren):His linen had suffered fromthe smuts of a London fog= de roetdeeltjes van een L. mist;Smuttiness, subst. v.Smutty= vuil, door roest aangetast, zedeloos.Smutch,smɐtš, subst. vuile vlek, smet;Smutchverb. bevuilen met rook, roet, etc.Snack,snak, lichte, in haast gebruikte maaltijd; deel;Snackverb. deelen:Shall we go snacks?= zullen we samen deelen;Totake a hasty snack= haastig twaalfuurtje.Snaffle,snaf’l, trens (=Snaffle-bit);Snaffleverb. de trens aanleggen, beteugelen.Snag,snag, afgebroken tak, knoest, uitsteeksel, bult, boomstam (met het eene eind in den bodem der rivier vastgeraakt, Amer.);Snagverb. knoesten afkappen; tegensnagsaanvaren:A bird in the bag is worth two on the snag;Snagged= volSnags;Snaggy= knoestig, boos, korzelig.Snail,sneil, subst. huisjesslak, langzaam persoon:At a snail’s gallop (pace, post, trot)= in den slakkengang;Snail-shell= slakkenhuis;Snail-trefoil= rupsklaver;Snail-like= slakachtig, langzaam.Snake,sneik, subst. slang, adder;Snakeverb. spiraalsgewijs omwinden, kronkelen, uittrekken:There is a snake in the grass= er schuilt een adder onder ’t gras;Spectacled snake= brilslang;Snake-fence= zigzagschutting (Amer.);Snake-root= senegawortel;Snake-stone= slangensteen;Snake-weed= adderwortel;Snakish= slangachtig;Snaky= als eene slang, kronkelend, sluw, bedriegelijk;Snake-headed= met slangen in plaats van haar op het hoofd (zooals de wraakgodinnen).Snap,snap, subst. plotselinge breuk, hap of beet, geknal, veer of knip, momentopname; plotseling omslaand weer (A cold snap), broos gebakje, kinderspelletje (met kaarten), energie, diefstal; adj. vlug, snel, plotseling;Snapverb. plotseling breken, afknappen, ketsen, dichtknippen, hard dichtklappen, plotseling grijpen of vangen, toesnauwen (Snap up short), bijten naar, dadelijk toehappen (bij een aanbod), afdrukken:I do notcare a snap of my fingers= geef er geen lor om;The piece willgo with a snap= zal “gaan” als een lier (Amer.);She has no go or snap about her= d’r zit geen “fut” in haar;Ministers tried to capture a fresh majority bya snap dissolution= door eene onverwachte ontbinding;Isnap my fingers atyou= je bent me geen knip voor den neus waard;Hesnapped atthe proposal= hapte dadelijk toe;Shesnapped atthe servants= snauwde af;The chainsnapped (off)= knapte plotseling af;Isnapped him up severely= maakte hem een hevig standje;The whips snapped= klapten;Snap-beetle= kniptor;Snap-dragon= spelletje waarbij rozijnen uit brandenden brandewijn worden gegrepen en opgegeten; groote leeuwenbek;Snap-shot= schot in ’t wild; momentopname in eenkodak; ook verb.:I took two snap-shotsat the building= nam twee “kiekjes”;Snap-vote= stemming door opsteken der handen;Snapper= zweepslag, knalbonbon;Snappers= castagnetten;Snappish= scherp, bits, vinnig; subst.Snappishness.Snare,snêə, subst. strik, lus;Snareverb. verstrikken;Snare-drum= kleine militaire trom;Snarer= strikkenspanner.Snarl,snâl, subst. grauw, snauw; verwikkeling, verwarring, klem, moeielijkheid;Snarlverb. grommen, knorren, verwarren, verstrikken:[516]I amsnarled at by everybody= iedereen snauwt mij af;Snarler= brompot; ruziemaker.Snatch,snatš, subst. greep, ruk; beet, hap, brok, stuk van een lied, deel;Snatchverb. zonder komplimenten pakken, snel en plotseling grijpen, in haast gebruiken, gappen, rooven:We did itby snatches= nu en dan eens, bij gedeelten;Snatches of information= inlichtingen bij stukken en brokken;Snatches of old melodies, songs;Snatches of sleep= hazeslaapjes;Tomake a snatch at= een greep doen naar;Hesnatched atmy right hand= deed een greep naar;Snatcher;Body snatching= lijkenroof.Sneak,snîk, subst. gluiper, klikker, kruiper, gauwdief (ookSneak-thief);Sneakverb. gluipen, sluipen, klikken, gappen:You havesneaked of me= me verklapt;Sneaking:He may be a queer fellow, yet I havea sneaking kindnessfor him= mag ik hem eigenlijk wel.Sneer,snîə, hoongelach, grijns, spottende blik;Sneerverb. den neus optrekken, spottend lachen, hoonen;Sneerer.Sneeze,snîz, subst. het niezen;Sneezeverb. niezen:Five thousand a yearis not to be sneezed at= is niet te verachten;Sneeze-wort= nieskruid;Sneezing-powder= snuif.Snick,snik, mes, litteeken, teeken:It wasa snick-a-snee,Snickersnee= gevecht met messen.Snicker,snikə, onderdrukt (in zijn vuistje) lachen.Sniff,snif, subst. gesnuffel, gesnuif;Sniffverb. snuiven, snuffelen, den neus optrekken voor(at), in den neus krijgen, ruiken:The dogsniffed atmy trousers.Sniffle,snif’l, grienen, “snotteren”.Snig,snig, kleine aal;Sniggle, aalvangen met het aas op een naald, die vastgemaakt is aan een lijn, en die met een kort stokje in de gaten gestoken wordt, waar men aal denkt te vinden; verstrikken, vangen;Sniggler.Snigger,snigə, subst. gegichel;Sniggerverb. gichelen; Z.Snicker.Snip,snip, subst. snipper, stukje; kleermaker;Snipverb. afknippen:You’ve onlyto say “snip”and my girl willsay “snap”= zegt, “kip ik heb je”;Snip-snap= scherpe woordenstrijd;Snipper= kleermaker;Snipper-snapper= kwast, sukkel.Snipe,snaip, subst. snip; beunhaas (Amer.);Snipeverb. op snippen schieten.Snippet,snipət, deel, stuk:Knowledgein snippets= bij stukjes en beetjes;A short story,a mere snippet;Snippety= kort afgebroken:His style, thoughtoo snippety,is clear and forcible= schoon wat hakkelig.Snivel,sniv’l, subst. snot; huichelarij;Snivelverb. snuiven, snotteren; grienen, temen;Sniveller.Snob,snob, poen, parvenu, onderkruiper; ploert (studententaal);Snobbery= naäperij der groote lui, poenigheid; adj.Snobbish; subst.Snobbishness=Snobbism;Snobocracy,snobokrəsi, dewould-begroote lui.Snood,snûd, haarlint, dun lijntje waardoor de haak aan het hengelsnoer wordt bevestigd; ook verb.Snoodle,snûd’l, gezellig of vertrouwelijk samen zitten:The old couplesat snoodled together,beaming with happiness.Snook,snuk, op den loer liggen:Never again willI cut a snook,Sir= ik zal nooit weer iets in ’t geniep doen.Snoop,snûp, (Amer.) snuffelen; subst. snuffelaar, bemoeial:Hewent about snooping(Amer.) = hij bemoeide zich met alles en nog wat.Snooze,snûz, subst. dutje, slaapje, bed;Snoozeverb. dutten:Totake a snooze;Snoozer.Snore,snö, subst. gesnork;Snoreverb. snorken;Snorer.Snort,snöt, subst. het snuiven (paard);Snortverb. krachtig uitsnuiven;Snorter.Snot,snot, snot, snotneus;Snottiness, subst. v.Snotty= snotterig, vuil, smerig.Snout,snaut, subst. snuit, neus, mondstuk;Snoutverb. van een mondstuk voorzien.Snow,snou, subst. sneeuw, snauw (soort vaartuig);Snowverb. sneeuwen, als sneeuw neervallen;Snowed in= ingesneeuwd;Snowed under= ondergesneeuwd, gevallen (v. een kandidaat bij verkiezingen, Amer.);Snowed up= ingesneeuwd;Snowball, subst. sneeuwbal (ook: Geldersche roos); neger (ironisch);Snowballverb. met sneeuwballen gooien =Toplay at (pitch, throw) snowballs;Snow-blind= sneeuwblind;Snow-bound= ingesneeuwd;Snow-broth= sneeuwwater, zeer koude drank;Snow-bunting= sneeuwvink;Snow-capt= met sneeuw op den top =Snow-crowned;Snow-drift= sneeuwbank, hoop samengejaagde sneeuw;Snow-drop= sneeuwklokje;Snowflake= sneeuwvlok;Snow-limit=Snow-line= sneeuwgrens;Snow-plough= sneeuwploeg, sneeuwopruimer;Snow-shed= reeks van afdaken om eene spoorbaan voor sneeuwstormen te vrijwaren;Snow-shoe= sneeuwschoen;Snow-slip= sneeuwstorting, lawine;Snow-storm= sneeuwjacht met harden wind;Snow-white= sneeuwwit;Snowlike= sneeuwachtig, sneeuwwit =Snowy.Snowdon,snoud’n.Snub,snɐb, subst. knoest; berisping, afwijzing; stompneus;Snubverb. afsnauwen, bits antwoorden, afwijzen, knotten:Thecable was snubbed= de lijn werd plotseling onder het afloopen ingehouden;Snub-nose= stompneus, platneus; adj.Snub-nosed.Snuff,snɐf, subst. opsnuiving, snuif, snuitsel (van eene kaars);Snuffverb. snuiven, opsnuiven, besnuffelen, kwalijk nemen:A candle with a long snuff= verkoolde pit;A pinch of snuff= snuifje;He isup to snuff= glad, laat zich niet beetnemen;Totake snuff= snuiven;Totake snuff at= kwalijk nemen;Snuff-box= snuifdoos, neus (ironisch);Snuff-taker= snuiver;Snuffers= (kaars)snuiter;Snuffiness, subst. v.Snuffy;Snuffle, snuiven, door den neus spreken;Snuffles= verkoudheid:He hasgot the snuffles= hij haalt moeilijk adem en spreekt alsof hij zwaar verkouden is;Snuffy= als snuif, met snuif bemorst, verkouden, verdrietig, dronken.Snug,snɐg, adj. gezellig, dicht opeengepakt, verscholen, sluw;Snugverb. zich vlijen tegen:Wekept it (nice and) snug= hielden het[517]geheim;Tolie snug= zich verdekt opstellen;Snuggery= gezellig warm vertrek, gelagkamer:This room isthe most comfortable snug in the house= het aangenaamste vertrek v. het huis;Snuggish= behagelijk;Snuggle= zich vlijen tegen:The childsnuggled close to its mother= vlijde zich tegen zijne moeder aan;Snugness= behagelijkheid, etc.Snur,snɐ̂, snorken:The sleeping lionsmade a snurring sound.So,sou, zoo, dat, zulks, zoodanig, dus, mits:Mr. So-and-so= Meneer “Dinges”;The BaronThus and so;Do itso as to pleaseyour parents= zóó dat gij;Yourso-calledfriends= zoogenaamde;So help me God= zoo waarlijk helpe mij God Almachtig;So far so good (right)= tot hiertoe is ’t in orde, gaat het goed;And so forth (on)= enzoovoort;So long= adieu, tot ziens!So many dinners for so many persons= een zeker aantal;He didnot so much asthank me= niet eens;That isso much the better= zooveel te beter;It is but so-so,don’t you think so too?= het is maar zoozoo (lalà) vindt gij dat ook niet?To be so-so= niet lekker, niet dàt;An hour or soafterwards;It’s raining so= het regent zoo;As the master so the man= zoo heer zoo knecht;If it were so= als het zoo ware;So to say= als het ware, om zoo te zeggen;I don’t care why you laugh,so that (so as) you laugh= als ge maar lacht;I told him to go there,and so he went= en daarom (dus) ging hij.Soak,souk, weeken, in de week zetten (=Toput in soak), inzuigen, met vocht doortrekken, opslorpen, zuipen:The childrensoaked their breadin milk= weekten;Tosoak off= losweeken;I amsoaked withthe rain= doornat;Soaker= plasregen, zuiplap;It wasa soaking rain= het was een tot op de huid doordringende regen;They got a soaking= werden druipnat.Soap,soup, subst. zeep; vleierij, steekpenning;Soapverb. zeepen, met zeep wasschen, vleien:Brown, Green soap= groene zeep;Acake, tablet of soap;Theysoaped the old maninto leaving them his property= met mooie praatjes kregen ze hem er toe;Soap-boiler= zeepzieder;Toblow soap-bubbles= bellen blazen;Soap-dish= zeepbakje;Soap-maker;Soap-pan= zeepketel;Soap-suds= zeepsop;Soap-work(s)= zeepziederij;Soapiness, subst. v.Soapy= zeepachtig, glad, zacht, met zeep besmeerd; vleierig, lievig.Soar,sö, subst. hooge vlucht;Soarverb. omhoog vliegen, hoog vliegen, zich hoog verheffen:Hesoared aboveall his contemporaries= stond ver boven.Sob,sob, subst. snik; verb. snikken.Sober,soubə, matig, nuchter, verstandig, ernstig, bescheiden, eerbaar;Soberverb. ontnuchteren, kalm, ernstig worden:The departure of all my friendsmade me feel sober= stemde me ernstig;He hasslept himself sober= heeft zijn roes uitgeslapen;In sober earnest= kalm en ernstig;In sober reason= naar de nuchtere rede, het gezond verstand;Hesobered down intoa sensibleman = werd langzamerhand;Hesobered his laugh intoa smile= verminderde tot;Sober-headed= bezonnen;Sober-minded= kalm, bedaard; subst.Sober-mindedness;Sober-sides= saaie Piet;Soberness=Sobriety,səbraiiti, matigheid, onthouding, gematigdheid, ernst, deftigheid.Sobriquet,soubrikei,soubrikei, bijnaam, scheldnaam.Socage,sokidž, bezitting, waarop heerendiensten rusten;Socager= pachter v. zulk een bezitting.Sociability,soušəbiliti, gezelligheid;Sociable,souš(i)b’l, subst. soort brik voor vier personen; driewieler voor twee personen naast elkaar, causeuse, gezellige samenkomst (Amer.); adj. gezellig, vriendelijk: (Dancing-school)Sociables= gesloten gezelschappen (voor dansen, etc.);Sociableness= gezelligheid.Social,souš’l, maatschappelijk, sociaal, gezellig (levend):Social democrats= socialisten;Social evils= maatschappelijke kwalen;Ants aresocial insects= vormen eene maatschappij;Social intercourse= gezellige omgang;Social love= naastenliefde;Social science= sociale wetenschap;Socialism= het socialisme;Socialist, subst. sociaal-democraat; adj. socialistisch:Socialist of the chair= kathedersocialist;Sociality,soušaliti, gezelligheid;Socialize, gezellig maken, inrichten volgens de beginselen derSocialists.Societish,səsaiitiš, veel uitgaand, wereldsch;Society,səsaiiti, maatschappij, genootschap, gemeenschap, vereeniging, compagnie; de groote wereld:She wasa society actress= actrice voor de groote wereld;Society Islands;Society journal= dagblad dat het leven der hoogere standen behelst;Society paragraphs= berichten uit en over de groote wereld;Society scandals= “chronique scandaleuse”;Togo into society= uitgaan.Socinian,səsinj’n, Sociniaan;Socinianism= de leer van Socinius.Sociologic(al),soušəlodžik(’l), sociologisch;Sociologist= socioloog;Sociology,soušolədži, sociologie.Sock,sok, sok, sandaal; blijspel, ploegschaar, inlegzool.Socket,sokət, holte, kas, socket:His arm isout of the socket= uit het “potje”, is ontwricht;The candles hadburned down into the sockets= tot in de pijp;His eyesstarted from their sockets= puilden uit hunne kassen;Socket-joint= kogelscharnier;Socket-pole= met ijzer beslagen vaarboom (Amer.);Socketed= met eene holte.Socle,souk’l, sokkel.Socotra,sokətrə,səkoutrə;Socotrine,sokətrin, subst. bewoner van S.; adj. tot S. behoorende.Socrates,sokrətîz, Socrates;Socratic(al),səkratik(’l), Socratisch;Socratic method;Socratism= leer van Socrates;Socratist= volgeling van Socrates.Sod,sod, subst. zode;Sodverb. met zoden bedekken;Sod-seat= zodenbank;Soddy= met zoden bedekt.[518]Soda,soudə, soda;Soda-salt= soda-zout;Sodawater= spuitwater.Sodality,sədaliti, broederschap, gemeenschap.Sodden,sod’n, adj. gekookt, doorweekt, geweekt, niet doorbakken;Soddenverb. doorweekt worden, bezinken, doorweeken, doortrekken:Sodden withvice= van misdaad doortrokken;A sodden drunkard= een groote zuiplap;A sodden sky= met waterdamp bezwangerde lucht;Sodden vegetables= waterige; subst.Soddenness.Sodger,soudžə=Soldier.Sodom,sod’m, Sodom;Sodomite,sodəmait, bewoner van S., iemand schuldig aanSodomy,sodəmi.Sofa,soufə, sofa:Sofa-cushion;Sofa-table.Sofi,soufi, Mahom. monnik;Sofism= Sufismus, een Mahom. mysticisme.Soft,soft, zacht, week, vochtig, langzaam, sullig, teeder, verliefd, vreesachtig, zoetsappig:Soft and fair goes far= haastige spoed is zelden goed;He is asoft Johnny (Head)= onnoozele bloed;Soft money= papieren geld;The soft sex= de teedere kunne;You have got on his soft side= hij heeft een zwak voor je;Soft Tommy= week brood (scheepst.);Soft-hearted= teerhartig;Soft-roe= hom;Soft-sawder,soft-sôdə, vleierij; ook verb. =Soft-soap:We’ll tryto soft-soap him= te vleien;Soft-spoken= vriendelijk, zacht;Soften,sof’n, verzachten, verteederen, verweekelijken, bemantelen:Hesofted at sight of his victim= kreeg medelijden;He wassofted into forgiving me= bewogen;Softing of the brain=Cerebral softing= hersenverweeking:Softish= weekachtig;Softness= zachtheid, etc.;Softy= sul.Soggy,sogi, doorweekt, doornat, drassig.Soho,souhou, interj. helà! hei daar! zacht wat (jagersroep tegen de honden);Soho(souhou)Square.Soil,sôil, subst. grond, bodem, land, smet, vlek, vuiligheid, poel;Soilverb. vuil maken, bezoedelen, besmetten, in den stal met versch gras voeden, purgeeren door groen voedsel:The deer hastaken soil= is gaan drinken;Totake soil= toevlucht zoeken;Soil-pipe= afvoerbuis (vooral voor faecaliën).Sojourn,soudž’n, subst. tijdelijk verblijf;Sojournverb. vertoeven, tijdelijk verblijven;Sojourner,soudžɐ̂nə, gast, reiziger.Soko,soukou, soort chimpansé.Sol,sol, subst. zon, goud (in herald. en alchemie), sol (muz.);Solverb. de toonschaal van ut (c) zingen =Sol-fa,soul-fâ,sol fâ.Sola,soulâ, hei daar! houd op!Solace,solis, subst. troost;Solaceverb. troosten, opvroolijken, verlichten:Toderive solace from= troost scheppen;Solacement= vertroosting, etc.Solan goose,soul’ngûs, Jan v. Gent.Solanine,solənîn, solanine.Solano,səlânou, vochtige Oostenwind (Middell. Zee).Solanum,səlein’m, nachtschade.Solar,soulə, zonne.…:Solar eclipse;Solar flowers= zonnebloemen;Solar microscope= zonnemicroscoop;Solar myth= zonnemythe;Solar spectrum;Solar spots= zonnevlekken;Solar system= zonnestelsel;Solar year= zonnejaar;Solarization, subst. v.Solarize= te lang aan het zonlicht blootstellen.Solatium,səleišəm, schadeloosstelling.Sold,sould, imperf. en p. perf.vanto sell.Soldan,sold’n, sultan.Solder,so(l)də, subst.soldeersel, kleefsel; vleierij;Solderverb. soldeeren;Solderer;Soldering:Soldering-bolt,Soldering-iron= soldeerbout;Soldering-lamp.
Slav,slâv,slav, subst. een der Slaven;Slavic= Slavisch(e taal).Slave,sleiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar;Slaveverb. slaven, hard zwoegen:Aslave to drink= verslaafd aan;He is aslave tohis wild passions= de slaaf zijner;Slave-coast= slavenkust;Slave-dealer= slavenhandelaar;Slave-dealing;Slave-driver= slavendrijver;Slave-grown= door slavenarbeid voortgebracht;Slave-holder= slavenhouder;Slave-owner;Slave-states= staten waar de slavenhandel bestond (Amer.);Slave-trade= slavenhandel;Slaver= slavenhandelaar;Slavery= slavernij, afmattende en ploeterende arbeid;Slavey= dienstmeisje.Slaver,slavə, subst. speeksel, kwijl;Slaververb. kwijlen;Slaverer= kwijler, idioot.Slavish,sleiviš= slaafsch; subst.Slavishness.Slavonia,sləvouniə;Slavonian= Slavonisch;Slavoniër= Slavonic.Slaw,slô, koolsla (Amer.).Slay,slei, dooden, vernietigen, vermoorden, te gronde richten;Slayer.Sleave,slîv, subst. streng vlos- of vlokzijde (=Sleave-silk);Sleaveverb. in strengen verdeelen, opwinden.Sleazy,slîzi, dun, licht.Sled,sled, subst. slede;Sledverb. in een slede vervoeren.Sledge,sledž, subst. slede; vóórhamer;Sledgeverb. in eene slede vervoeren of reizen:Sledge-chair= slede;Sledge-coach= sleepkoetsje;Sledge-hammer= vóórhamer.Sleek,slîk, zacht, glanzend, glad, sluw, slim, handig, vlug;Sleekverb. glad maken (kammen), kalmeeren, vergoelijken (over); sluipen:Sleek hair= glad, glanzend haar;Sleek-headed= met glad gekamd haar;Sleek-stone= polijststeen;Sleekness= gladheid, etc.;Sleeky= glad, zacht, sluw.Sleep,slîp, subst. slaap, doodslaap;Sleepverb. slapen, sluimeren, soezen, staan (van tollen):To takea sleep;Beauty sleep= slaap vóór middernacht;Tosleep the sleep of the just;I amdying with sleep= val om v. slaap;The motherlulled (sang) her child to sleep= suste (zong) haar kind in slaap;Tostart from one’s sleep= wakker schrikken;Tosleep the clock round;I haveslept like a top= geslapen als een roos;He hasslept himself sober= zijn roes uitgeslapen;Heslept away the best part of (the) day= versliep het mooiste deel v. den dag;Heslept far into the following day= een gat in den dag;I have got a headache, and must try tosleep it off= moet er door slapen zien af te komen;Tosleep on (upon)= zich beslapen op;I neversleep out= ben ’s nachts nooit buitenshuis;Iwill sleep overit= zal er mij eens op beslapen;Sleep-drunk;Sleep-headed;Sleep-walker= slaapwandelaar;Sleep-walking;Sleeper= slaper, dwarslegger (spoor); slaapwagon (Amer.);Sleepiness= slaperigheid;Sleeping:Sleeping Beauty in the Wood= de Schoone Slaapster;Sleeping-car=Sleeping-carriage= slaapwagon;Sleeping-cup= slaapdrank;Sleeping-dropsy (Sleeping-evil, Sleeping-sickness)= slaapziekte;Sleeping-partner= stille vennoot;Sleeping-room= slaapkamer;Sleepless; subst.Sleeplessness;Sleepy= slaperig:Sleepy drink (potion)= slaapdrank;Sleepyhead= slaapkop.Sleet,slît, subst. natte sneeuw(bui) met hagel;Sleetverb. sneeuwen (of hagelen) met regen; adj.Sleety.Sleeve,slîv, subst. mouw;Sleeveverb. van mouwen voorzien:Hechuckled (laughed) in his sleeve= lachte in zijn vuistje;Tocreep up a person’s sleeves= in de mouw (zak) kruipen, vleien;Tohave in one’s sleeve= (iets) achter de hand hebben;Hehad several cards up his sleeve= in de mouw;Towear one’s heart on one’s sleeve= zijn hart op de tong hebben;Sleeve-button;Sleeve-link= kettingknoopje;Sleeveless= zonder mouwen.Sleigh,slei, slede (Am.);Sleighverb. sledevaren;Sleigh-bells= sledebellen;Sleighing-party= sledevaart.Sleight,slait, kunstgreep, behendigheid, listige zet:Sleight of hand= handhabiliteit (bij het goochelen).Slender,slendə, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende, armzalig, bescheiden:He is a manof slender parts= van geringe talenten; subst.Slenderness.Slept,slept, imperf. en part. perf. vanto sleep.Sleswick,sleswik, Sleeswijk.Sleuth,slûth, spoor;Sleuth-hound= bloed- of speurhond.Slew, imperf. vanto slay; zie ookSlue.Slice,slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (=Fish-slice), spatel, vuurschop;Sliceverb. in dunne sneden snijden:A slice of[512]bread and butter= boterham;They had their ears sliced= hun werden de ooren afgesneden;Slicer.Slick,slik, gestampt en gewasschen erts.Slick=Sleek(Amer.).Slid,slid, imp. en part. perf. vanto slide.Slidder(y),slidəri=slippery.Slide,slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuif, aardverschuiving;Slideverb. glijden, zacht overgaan, schuiven:Hetook a slide down the street= ging baantje glijden op straat;Heslid back the door (slid the door close)= open (dicht)schuiven;Weslid down the slope= gleden de helling af;We willlet things slide a little= een tijdje op hun beloop laten;Sliding= glijdend, glij.., schuif.., onzeker; subst. overtreding:Sliding-case= stoomschuif;Sliding-doors;Sliding-knot= slipknoop;Sliding-seat= glijbank in een giek:I am used tofixed seatsand not toSliding-seats(=Sliders);Sliding-scale= schaal die al naar de omstandigheden verandert;His slidings aremany= overtredingen.Slight,slait, subst. minachting, verwaarloozing, geringschatting; adj. gering, onbeteekenend, zwak, dun, tenger, oppervlakkig, vluchtig;Slightverb. versmaden, verwaarloozen, verachten:Tomake slight of= geringschatten;My letters and advice wereslighted (off)= werden versmaad, verachtelijk ter zijde gelegd;You haveslighted overyour work= afgeroffeld;Slight-built= tenger gebouwd;Slighter;Slightness= zwakheid, onbeduidendheid, geringschatting, minachting, vluchtigheid, oppervlakkigheid.Sligo,slaigou.Slily,slaili, op listige wijze.Slim,slim, dun, slank, schraal; subst.Slimness.Slime,slaim, slijk, slik, slijm;Slimeverb. met slijm bedekken, het slijm verwijderen;Sliminess, subst. v.Slimy= slibbig, slijkachtig, kleverig.Sling,sliŋ, subst, slinger, zwaai, slag, draagband, riem, strop; soort van grog (met geraspte muskaat);Slingverb. slingeren, werpen, zwaaien, met lange, veerkrachtige stappen loopen:He had his armin a sling= in een doek;Heslung his hook= hij schuurde zijne piek (fig.);Slinger.Slink,sliŋk, (weg)sluipen, ontijdig werpen; subst. te vroeg geworpen dier; adj. onrijp, lang en dun, waardeloos.Slip,slip, subst. ontglipping, vergissing, abuis; takje, loot, stekje, reepje, koppel of ketting voor honden, jong ding, saut-de-lit, (scheeps)helling, rij plaatsen in een kerk (Amer.), nauwe gang achter de loges;Slipverb. glippen, uitglijden, wegsluipen, struikelen (fig.), zondigen, zich verpraten, laten glijden, loslaten, ontijdig werpen, schuiven, heimelijk stoppen in, snel aanschieten, afsnijden (van takken of loten):I sawsome rosy little slips in the nursery= blozende snoesjes;Aslip of a fellow= dreumes;A slip of a girl= kleine peuter;Aslip of the memory, the pen, the tongue= vergissing, verschrijving, etc.;Hegave me the slip= hij ontglipte mij, liet mij zitten;Toget the slip= een korf krijgen;My health oftenmakes a slip= laat mij vaak in den steek;Tomake a slip= een “misstap” doen;My foot slippedand I fell= ik gleed uit;The cable was slipped= men liet slippen;Toslip the collar= de halster strijken, vrij komen:Tolet slip the dogs= loslaten;It has slipped my memory= is mij ontgaan;Toslip one’s foot= uitglijden;Toslip away= heimelijk weggaan;You must notallow the opportunity to slip (by)= niet laten voorbijgaan;My socks willslip down=zakken altijd af;Many errorsslipped intothe first edition= slopen in;Islipped offmy mantle= legde af;Islipped onmy trousers andslippers= ik schoot aan;Toslip out= zich handig ergens afmaken; laten vallen;Slip-bolt= grendel;Slip-carriage= slipwagon;Slip-cover= stofkleed;Slip-knot= schuifknoop;Slip-rope=- sliplijn (op een kabel);Slipshod= met afgetrapte hakken, slordig:It is written inSlipshod English= in slordig E.;Hewent slipshodall over the house= slofte het geheele huis door;Slip-train= sliptrein;Slipper= pantoffel, remschoen; morsschort (Amer.):Theyplayed at hunt the slipper= speelden “slofje onder”;Slipperiness, subst. v.Slippery= glibberig, glad, onvast, onzeker, sluw, listig:It’s a slippery ground to walk upon= dat is wagen op glad ijs;He isthe slipperiest rascalI ever heard of= de gladste schurk;Slipping of the soil= grondverschuiving.Slipslop,slipslop, subst. slappe drank, prullerig werk, slordig gebruik van een woord voor een ander, als:prodigyvoorprotégé, etc.; adj. armzalig, prullerig.Slish,sliš, slag, houw:Slish and slash= klits klats.Slit,slit, subst. split, reet, lange snede, sponning;Slitverb. in de lengte snijden,in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven:His mouth wasof a reptilian width of slit= hij had een mond als een brievenbus;Ishot the letter into the slit= gleuf;His eyes werelike two shining slits= glinsterende streepen;Slitter;Slitting-mill= machine om hout, metaal of steenen te splijten;Slitlike= als een spleet:Slitlike eyes.Sliver,sl(a)ivə, subst. afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak;Sliververb. in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen.Sloam,sloum, leemlaag tusschen zand- en kolenlagen.Slobber,slobə, kwijlen, kindsch zijn, bekwijlen; subst. kwijl:They willslobber their gownswithout the pinafores= ze bemorsen hare jurken;Slobberer;Slobbery= modderig, vochtig,kwijlend.Sloe,slou,sleepruim, sleeboom;Sloe-black= blauwzwart.Slog,slog, ranselen; subst. kloppartij;Slogger= bokser, die er op los beukt.Slogan,sloug’n, oorlogskreet der Hooglanders.Slojd,slôid, slojd.[513]Sloop,slûp, sloep:Sloop of war= corvet.Slop,slop, subst. gestort water, poel, kleermaker (Slops= spoelwater, slappe thee, slap soepje voor patienten); goedkoope confectiekleeren; wijde broek, kleeren en beddegoed tegen kostenden prijs aan marinematrozen verstrekt;Slopverb. morsen, storten:Woodcuts looselyslopped overwith watercolours= slordig met waterverf besmeerd;Slop-basin,Slop-bowl= spoelkom;Slop-made= saamgeflanst;Slop-pail= toilet-emmer;Slop-seller= houder van eenSlop-shop= winkel voorSlops;Slop-work= prullewerk; goedkoope schoenen (kleeren, meubelen);Sloppiness, subst. v.Sloppy= nat, modderig, morsig, slordig:Sloppy, slithery turf= drassige, glibberige zoden.Slope,sloup, subst. helling of schuinte;Slopeverb. hellen, schuin afloopen, bedriegen en zich uit de voeten maken, doen hellen, schuin houden:Slope arms!= over geweer!Slosh,sloš, natte sneeuw en modder.Slot,slot, subst. gleuf, sponning, spoor (van een hert);Slot-machine= automaat;Slot-meter= muntmeter.Sloth,slouth, traagheid, luiheid, onverschilligheid; luiaard of ai;Slothful= lui, traag; subst.Slothfulness.Slouch,slautš, subst. het laten hangen van het hoofd, slappe en boersche gang, lompe en logge vent, sukkel;Slouchverb. slungelig loopen (zitten), slap neerhangen, laten hangen, neerdrukken (van den hoed):No slouch ata party canvass= hij weet zijn mondje te roeren (bij);Slouch-hat= hoed met breeden, slappen rand.Slough,slau, poel, moeras;Sloughy= moerassig.Slough,slɐf, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene wond);Sloughverb. scheiden, afwerpen, afvallen (als een roof, korst of huid);Sloughy= korstig.Slovak,sləvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije =Slovakian.Sloven,slɐv’n, vuilpoes, morsebel;Slovenliness= slordigheid.Slow,slou, adj. langzaam, bedachtzaam, traag, achterlijk, saai, vervelend, levenloos;Slowverb. de snelheid verminderen:Safely and slow, they stumble who run fast= hardloopers zijn doodloopers;Slow and sure (steady) wins the race= langzaam maar zeker;Slow coach= langzaam, vervelend persoon;A slow dinner, person, town= saai;Slow fever= binnenkoorts;Aslow train= boemeltrein;My watch is slow= is achter;Writing a dictionary isslow work= schiet niet op;The ship wasslowed down= de vaart werd verminderd;The ascentslowed upthe vehicle= deed langzamer gaan;Slow-gaited= zich langzaam bewegend;Slow-match= lont;Slow-paced= met langzamen schred;Slow-witted= traag van begrip;Slow-worm= hazelworm;Slowness= langzaamheid, etc.Slub,slɐb, subst. grof gesponnen wol;Slubverb. voor- of grofspinnen.Slubber,slɐbə, bezoedelen, bemorsen.Sludge,slɐdž, modder, modderige sneeuw, ijsmassa; adj.Sludgy.Slue,slû, omdraaien (om eene spil).Slug,slɐg, luipaard; (naakte) slak (=Slug-snail); onregelmatig gevormd stuk metaal als kogel;Slug-a-bed= langslaper;Sluggard= luilak;Sluggish= lui, traag; subst.Sluggishness.Sluice,slûs, subst. sluis, sluiswater (inspuit)kraan;Sluiceverb. eene sluis openen, laten uitstroomen, bevloeien, spoelen:It is sluicing down= het valt met emmers uit de lucht;Sluice-chamber= kolk;Sluice-door,Sluice-gate= sluisdeur;Sluice-keeper= sluiswachter.Sluit,slût=Sluice. (Z. Afr.).Slum,slɐm, subst.slop, achterbuurt, vuil straatje,Slumverb. de achterbuurten bezoeken:Slum-bornchild;Theslums of the low London press= de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten;Togo slumming= de achterbuurten bezoeken.Slumber,slɐmbə, subst. sluimering;Slumberverb. sluimeren;Slumberer;Slumberous= slaapwekkend, slaperig.Slump,slɐmp, plotseling dalen van prijzen;Slumpverb. zakken door ijs, in sneeuw, plotseling dalen in prijs:Then the slump came= toen kwam de “krach”;Aslump in the saleof Christmas cards= plotselinge vermindering.Slung,slɐŋ, imperf. en part. perf. vanto sling;Slung-shot= soort ploertendooder (Amer.).Slunk,slɐŋk, imperf. en p. perf. vanto slink.Slur,slɐ̂, subst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken (muz.);Slurverb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, losjes overheen loopen, bemantelen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.):Hecast a slur on me= heeft een smet geworpen;Sheslursher th’s;Heslurred it over= liep er losjes overheen.Slush,slɐš, subst. natte half gesmolten sneeuw, weeke modder; smeer;Slushverb. boenen, smeren;Slush-lamp= soort vetlamp;Slushy= slijkerig, modderig, nat.Slut,slɐt, slons, slet, morsebel;Sluttery= vuilheid, slordigheid;Sluttish= slordig, morsig, vuil; subst.Sluttishness.Sluys,slôis, Sluis.Sly,slai, sluw, loos:He did iton (by) the sly= in ’t geniep;Sly-boots= slimmerd, looze kwant; subst.Slyness.Smack,smak, subst. smaak(je), geur, oppervlakkige ondervinding of kennis, harde slag, klap, klapzoen; smak (schip);Smackverb. een smaak of geurtje hebben van (metof), een harden klap geven, barsten of kraken, laten knallen, smakken; interj. klets; klap!:Tosmack one’s lips;Tosmack a whip= doen knallen;What you say theresmacks of heresy= riekt naar ketterij.Small,smôl, subst. het dunne of smalle deel van iets; adj. klein, gering, zwak, fijn, licht, onbeduidend, kleingeestig:Small of the back= kruis, lendenstreek;Smallseerste examen voor hetBachelorship te Oxf.; (ook =Small-clothes);I neverfelt so smallin my life= zoo klein (onbeteekenend, zoo deemoedig);Small beer= licht bier:He thinks nosmall beerof himself= heeft een[514]grooten dunk van;Do you think I will chronicle all thesmall beeryou talk? = uw gewauwel;Small card= lage;I was invited toa small and early dinner;how I hatethose smalls and earlies= familiare en vroege diners;Small fry= kleingoed (kinderen);The house sat intothe small hours= tot na middernacht;Small master= klein baasje;Small nuts= hazelnoten;He isa small partner= heeft een aandeeltje in de zaak;He is an autocratin a small way= een klein autocraatje;Small wonder!= geen wonder;Small wares= galanterieën, garen en band;Theybroke their small wits upon him= haalden hunne flauwiteiten tegen hem uit;Small-arms= draagbare wapenen;Small-clothes= korte broek;Small-coal= kolengruis;Small-craft= kleine vaartuigen;Small-hand= loopend schrift;Smallpox= kinderpokken;Small-talk= gesnap, gepraat;They areliterary small-talkers= letterkundige wauwelaars;Smallish= vrij klein, peuterig, popperig; subst.Smallness.Smalt,smôlt, smalt, kobaltglas.Smaragdine,sməragdin, als smaragd.Smart,smât, subst. vinnige pijn, groote smart; adj. pijnlijk, vinnig, doordringend; krachtig, vlug, levendig, geestig, knap, sluw, bij-de-hand, elegant, fijn, kranig;Smartverb. scherpe pijn voelen, pijn doen, boeten, smart veroorzaken, lijden:You shall feel the smart of it= het zal je bitter berouwen;Helaved his smartin thoughts of his greatness= verzachtte zijne smart;The characters areclever without being smart= knap geteekend zonder “mooidoenerij”;There is a danger in being smart= in het “aardig” willen wezen;That kind of society which is known as smart= als de groote wereld;He isas smart as threepence (sixpence)= zoo keurig alsof hij uit een doosje kwam;As smart as asteel trap= zoo glad als een aal;He issmarter than anything= iedereen te glad af;Isn’t hea smart little boy? = een bij-de-hand jongetje;My eyes smarta little;You’llsmart for it= er voor “hebben” of boeten;He is stillsmarting underhis loss= lijdt nog onder;Smart-looking= chic;Smart-money= rouwgeld, smartegeld, handgeld;Smart-ticket= bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager aanspraak opsmart-money= smartegeld, heeft;Smarten= opschikken, mooi maken:I am goingto smarten myself up= mij opknappen;Smartness:Hissmartnessmars several passages= poging om aardig (geestig) te zijn.Smash,smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, ontreddering;Smashverb. verpletteren, vernielen, stukslaan, verbrijzelen, platdrukken, breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen; adj. kapot, verloren:Gone to smash= op de flesch;The windows weresmashed= werden ingegooid;Smash-up= vermorzeling, verbrijzeling;Smasher= meisje, dat veel breekt, grof antwoord, scherp artikel, iets buitengewoons, valsch geld, iemand, die dit uitgeeft:Smashers out (of doors)= uitsmijters;The real purposegoes smash= gaat verloren;Smashing critique= vernietigende.Smatter,smatə, subst. geringe en oppervlakkige kennis;Smatterverb. geringe kennis hebben van, oppervlakkig spreken:Hesmatters words in several languages= kakelt zoo’n beetje in allerlei talen;Hehas a smattering of Spanish= weet een beetje van het Spaansch;A smattering musketry was going on yet= hier en daar hoorde men nog een enkel geweerschot;Smatterer= halfweter, oppervlakkig kenner.Smear,smîə, subst. vlek, smet;Smearverb. besmeren, insmeren, bezoedelen.Smell,smel, subst. reuk, geur;Smellverb. ruiken, rieken, speuren:Youretain the smell= je ruikt er nog naar;He neversmelt powder as yet= is nog nooit in ’t vuur geweest;Hesmelt it out= heeft het uitgevorscht;The winesmells of the cork= ruikt naar den kurk;Smeller= baardhaar (v. een kat), (slag op den) neus;Smelling:Smelling-bottle= reukfleschje;Smelling-salts;Smelling-water;Smelly children= viesruikende.Smelt,smelt, imperf. en part. perf. vanto smell.Smelt,smelt, subst. spiering:He isas dead as a smelt= zoo dood als een pier.Smelt,smelt, smelten;Smelter;Smeltery= smelterij;Smelting:Smelt-furnace= smeltoven;Smelt-pot;Smelt-works.Smerk(y),smɐ̂k(i), keurig, netjes, fijn, kranig.Smew,smjû, nonnetje (vogel).Smiddy,smidi,ZieSmithy.Smiffle,smif’l, verk. vanSmithfield.Smile,smail, subst. glimlach, vriendelijk gezicht, gunst, “hapje” of slokje (Amer.);Smileverb. glimlachen, vriendelijk kijken, een “hapje” nemen:She was all smiles (and graces)= poeslief;Hegave me a smile= hij glimlachte tegen mij;Wesmiled our thanks= drukten uit door een glimlach;Hesmiled at me= glimlachte tegen mij;I havesmiled awayhis cares= door een vriendelijken blik zijne zorgen verdreven;Wesmiled him into good humour= door onze vriendelijke blikken brachten we hem weer in zijn humeur;Fatesmiles upon us= is ons gunstig of genegen;The idea does notsmile upon me= lacht me niet toe;Smiler.Smirch,smɐ̂tš, bekladden, bevuilen, besmeren; subst. klad.Smirk,smɐ̂k, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, keurig;Smirkverb. gemaakt glimlachen, meesmuilen.Smite,smait, slaan, treffen (on), dooden, vernietigen, overkomen;Smiter.Smith,smith, smid:Smith’s coal= smeekolen;Smithwork;Smithy,smithi, smederij.Smithereens,smidhərînz:The powderblew the house to smithereens= vernietigde het huis geheel;Toknock to smithereens= tot gruis slaan.Smitten,smit’n, p.p. v.to smite:Arctic-smitten= verzot op Noordpoolreizen;Smitten withastonishment= verbluft;Smitten with her, withlove= verliefd.Smock,smok, (vrouwen)hemd, (boeren)kiel =Smock-frock;Smock-mill= Hollandsche windmolen[515]waarbij slechts het bovenstuk draaibaar is.Smoke,smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends;Smokeverb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken:There is no smoke without a fire= men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan;Will youhave a smoke? = eens opsteken;I’ll make your back smoke for it= je een pak ransel geven;Put that in your pipe and smoke it= steek dat in je zak (fig.);Tosmoke off= in een stofwolk wegrennen;Smoke-black= lampzwart;Smoke-consumer= rookverdrijver (werktuig);Smoke-dried= gerookt (van vleesch b.v.);Smoke-jack= toestel om een braadspit door den rook in den schoorsteen te doen draaien;Smoke-room= rookkamer;Smoke-stack= pijp;Smoked spectacles= bril met zeer donkere glazen;Smoker= rooker, rookcoupé:Agreat (heavy) smoker;Smokiness= rookerigheid;Smoking:No smoking allowed= hier mag niet gerookt worden;Smoking-cap= kalotje, mutsje;Smoking-carriage;Smoking-compartment;Smoking-room= rookkamer.Smollett,smolət.Smolt,smoult, jonge zalm in ’t 2de jaar.Smooth,smûdh, subst. grasvlakte (Amer.); adj. glad, vlak, zacht, glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend;Smoothverb. glad maken of worden, glad strijken, bemantelen, kalmeeren, uit den weg ruimen, gemakkelijk maken:Togive a smooth to one’s hair= zijn haar glad strijken;That songsmoothed his forehead= streek zijne rimpels weg;Hesmoothed the pathfor me= effende;The report wassmoothed downa little= werd verzacht;I shall try tosmooth him down= te kalmeeren;A smooth-bore gun= gladloop (kanon of geweer);Smooth-chinned= baardeloos;Smooth-faced= met glad, baardeloos, vriendelijk gelaat;Smooth-shaven= glad geschoren;Smooth-speeched,Smooth-spoken;Smooth-tongued= vleierig;Smoothing:Smoothing-iron= strijkijzer;Smoothing-plane= gladschaaf; subst.Smoothness.Smote,smout, imperf. vanto smite.Smother,smɐdhə, subst.dichte rook, walm;Smotherverb. smoren, verstikken, stikken, onderdrukken, smeulen;Smothery= rookerig, walmig, verstikkend.Smoulder,smouldə, smeulen.Smudge,smɐdž, subst. vlek, smet, smeer, verstikkende rook, smeulend vuur (tegen muskieten);Smudgeverb. zwart maken, door rook bevuilen, knoeien.Smug,smɐg, subst. poenig, ingebeeld persoon; adj. netjes, keurig, opgesmukt, gemaakt; subst.Smugness.Smuggle,smɐg’l, smokkelen (in, out);Smuggler= smokkelaar (ook het schip).Smut,smɐt, subst. vlek, roet, roetvlek (Smuts= roetvlokken), vuile taal; roest in ’t graan;Smutverb. bevlekken, bevuilen, roestig worden (van koren):His linen had suffered fromthe smuts of a London fog= de roetdeeltjes van een L. mist;Smuttiness, subst. v.Smutty= vuil, door roest aangetast, zedeloos.Smutch,smɐtš, subst. vuile vlek, smet;Smutchverb. bevuilen met rook, roet, etc.Snack,snak, lichte, in haast gebruikte maaltijd; deel;Snackverb. deelen:Shall we go snacks?= zullen we samen deelen;Totake a hasty snack= haastig twaalfuurtje.Snaffle,snaf’l, trens (=Snaffle-bit);Snaffleverb. de trens aanleggen, beteugelen.Snag,snag, afgebroken tak, knoest, uitsteeksel, bult, boomstam (met het eene eind in den bodem der rivier vastgeraakt, Amer.);Snagverb. knoesten afkappen; tegensnagsaanvaren:A bird in the bag is worth two on the snag;Snagged= volSnags;Snaggy= knoestig, boos, korzelig.Snail,sneil, subst. huisjesslak, langzaam persoon:At a snail’s gallop (pace, post, trot)= in den slakkengang;Snail-shell= slakkenhuis;Snail-trefoil= rupsklaver;Snail-like= slakachtig, langzaam.Snake,sneik, subst. slang, adder;Snakeverb. spiraalsgewijs omwinden, kronkelen, uittrekken:There is a snake in the grass= er schuilt een adder onder ’t gras;Spectacled snake= brilslang;Snake-fence= zigzagschutting (Amer.);Snake-root= senegawortel;Snake-stone= slangensteen;Snake-weed= adderwortel;Snakish= slangachtig;Snaky= als eene slang, kronkelend, sluw, bedriegelijk;Snake-headed= met slangen in plaats van haar op het hoofd (zooals de wraakgodinnen).Snap,snap, subst. plotselinge breuk, hap of beet, geknal, veer of knip, momentopname; plotseling omslaand weer (A cold snap), broos gebakje, kinderspelletje (met kaarten), energie, diefstal; adj. vlug, snel, plotseling;Snapverb. plotseling breken, afknappen, ketsen, dichtknippen, hard dichtklappen, plotseling grijpen of vangen, toesnauwen (Snap up short), bijten naar, dadelijk toehappen (bij een aanbod), afdrukken:I do notcare a snap of my fingers= geef er geen lor om;The piece willgo with a snap= zal “gaan” als een lier (Amer.);She has no go or snap about her= d’r zit geen “fut” in haar;Ministers tried to capture a fresh majority bya snap dissolution= door eene onverwachte ontbinding;Isnap my fingers atyou= je bent me geen knip voor den neus waard;Hesnapped atthe proposal= hapte dadelijk toe;Shesnapped atthe servants= snauwde af;The chainsnapped (off)= knapte plotseling af;Isnapped him up severely= maakte hem een hevig standje;The whips snapped= klapten;Snap-beetle= kniptor;Snap-dragon= spelletje waarbij rozijnen uit brandenden brandewijn worden gegrepen en opgegeten; groote leeuwenbek;Snap-shot= schot in ’t wild; momentopname in eenkodak; ook verb.:I took two snap-shotsat the building= nam twee “kiekjes”;Snap-vote= stemming door opsteken der handen;Snapper= zweepslag, knalbonbon;Snappers= castagnetten;Snappish= scherp, bits, vinnig; subst.Snappishness.Snare,snêə, subst. strik, lus;Snareverb. verstrikken;Snare-drum= kleine militaire trom;Snarer= strikkenspanner.Snarl,snâl, subst. grauw, snauw; verwikkeling, verwarring, klem, moeielijkheid;Snarlverb. grommen, knorren, verwarren, verstrikken:[516]I amsnarled at by everybody= iedereen snauwt mij af;Snarler= brompot; ruziemaker.Snatch,snatš, subst. greep, ruk; beet, hap, brok, stuk van een lied, deel;Snatchverb. zonder komplimenten pakken, snel en plotseling grijpen, in haast gebruiken, gappen, rooven:We did itby snatches= nu en dan eens, bij gedeelten;Snatches of information= inlichtingen bij stukken en brokken;Snatches of old melodies, songs;Snatches of sleep= hazeslaapjes;Tomake a snatch at= een greep doen naar;Hesnatched atmy right hand= deed een greep naar;Snatcher;Body snatching= lijkenroof.Sneak,snîk, subst. gluiper, klikker, kruiper, gauwdief (ookSneak-thief);Sneakverb. gluipen, sluipen, klikken, gappen:You havesneaked of me= me verklapt;Sneaking:He may be a queer fellow, yet I havea sneaking kindnessfor him= mag ik hem eigenlijk wel.Sneer,snîə, hoongelach, grijns, spottende blik;Sneerverb. den neus optrekken, spottend lachen, hoonen;Sneerer.Sneeze,snîz, subst. het niezen;Sneezeverb. niezen:Five thousand a yearis not to be sneezed at= is niet te verachten;Sneeze-wort= nieskruid;Sneezing-powder= snuif.Snick,snik, mes, litteeken, teeken:It wasa snick-a-snee,Snickersnee= gevecht met messen.Snicker,snikə, onderdrukt (in zijn vuistje) lachen.Sniff,snif, subst. gesnuffel, gesnuif;Sniffverb. snuiven, snuffelen, den neus optrekken voor(at), in den neus krijgen, ruiken:The dogsniffed atmy trousers.Sniffle,snif’l, grienen, “snotteren”.Snig,snig, kleine aal;Sniggle, aalvangen met het aas op een naald, die vastgemaakt is aan een lijn, en die met een kort stokje in de gaten gestoken wordt, waar men aal denkt te vinden; verstrikken, vangen;Sniggler.Snigger,snigə, subst. gegichel;Sniggerverb. gichelen; Z.Snicker.Snip,snip, subst. snipper, stukje; kleermaker;Snipverb. afknippen:You’ve onlyto say “snip”and my girl willsay “snap”= zegt, “kip ik heb je”;Snip-snap= scherpe woordenstrijd;Snipper= kleermaker;Snipper-snapper= kwast, sukkel.Snipe,snaip, subst. snip; beunhaas (Amer.);Snipeverb. op snippen schieten.Snippet,snipət, deel, stuk:Knowledgein snippets= bij stukjes en beetjes;A short story,a mere snippet;Snippety= kort afgebroken:His style, thoughtoo snippety,is clear and forcible= schoon wat hakkelig.Snivel,sniv’l, subst. snot; huichelarij;Snivelverb. snuiven, snotteren; grienen, temen;Sniveller.Snob,snob, poen, parvenu, onderkruiper; ploert (studententaal);Snobbery= naäperij der groote lui, poenigheid; adj.Snobbish; subst.Snobbishness=Snobbism;Snobocracy,snobokrəsi, dewould-begroote lui.Snood,snûd, haarlint, dun lijntje waardoor de haak aan het hengelsnoer wordt bevestigd; ook verb.Snoodle,snûd’l, gezellig of vertrouwelijk samen zitten:The old couplesat snoodled together,beaming with happiness.Snook,snuk, op den loer liggen:Never again willI cut a snook,Sir= ik zal nooit weer iets in ’t geniep doen.Snoop,snûp, (Amer.) snuffelen; subst. snuffelaar, bemoeial:Hewent about snooping(Amer.) = hij bemoeide zich met alles en nog wat.Snooze,snûz, subst. dutje, slaapje, bed;Snoozeverb. dutten:Totake a snooze;Snoozer.Snore,snö, subst. gesnork;Snoreverb. snorken;Snorer.Snort,snöt, subst. het snuiven (paard);Snortverb. krachtig uitsnuiven;Snorter.Snot,snot, snot, snotneus;Snottiness, subst. v.Snotty= snotterig, vuil, smerig.Snout,snaut, subst. snuit, neus, mondstuk;Snoutverb. van een mondstuk voorzien.Snow,snou, subst. sneeuw, snauw (soort vaartuig);Snowverb. sneeuwen, als sneeuw neervallen;Snowed in= ingesneeuwd;Snowed under= ondergesneeuwd, gevallen (v. een kandidaat bij verkiezingen, Amer.);Snowed up= ingesneeuwd;Snowball, subst. sneeuwbal (ook: Geldersche roos); neger (ironisch);Snowballverb. met sneeuwballen gooien =Toplay at (pitch, throw) snowballs;Snow-blind= sneeuwblind;Snow-bound= ingesneeuwd;Snow-broth= sneeuwwater, zeer koude drank;Snow-bunting= sneeuwvink;Snow-capt= met sneeuw op den top =Snow-crowned;Snow-drift= sneeuwbank, hoop samengejaagde sneeuw;Snow-drop= sneeuwklokje;Snowflake= sneeuwvlok;Snow-limit=Snow-line= sneeuwgrens;Snow-plough= sneeuwploeg, sneeuwopruimer;Snow-shed= reeks van afdaken om eene spoorbaan voor sneeuwstormen te vrijwaren;Snow-shoe= sneeuwschoen;Snow-slip= sneeuwstorting, lawine;Snow-storm= sneeuwjacht met harden wind;Snow-white= sneeuwwit;Snowlike= sneeuwachtig, sneeuwwit =Snowy.Snowdon,snoud’n.Snub,snɐb, subst. knoest; berisping, afwijzing; stompneus;Snubverb. afsnauwen, bits antwoorden, afwijzen, knotten:Thecable was snubbed= de lijn werd plotseling onder het afloopen ingehouden;Snub-nose= stompneus, platneus; adj.Snub-nosed.Snuff,snɐf, subst. opsnuiving, snuif, snuitsel (van eene kaars);Snuffverb. snuiven, opsnuiven, besnuffelen, kwalijk nemen:A candle with a long snuff= verkoolde pit;A pinch of snuff= snuifje;He isup to snuff= glad, laat zich niet beetnemen;Totake snuff= snuiven;Totake snuff at= kwalijk nemen;Snuff-box= snuifdoos, neus (ironisch);Snuff-taker= snuiver;Snuffers= (kaars)snuiter;Snuffiness, subst. v.Snuffy;Snuffle, snuiven, door den neus spreken;Snuffles= verkoudheid:He hasgot the snuffles= hij haalt moeilijk adem en spreekt alsof hij zwaar verkouden is;Snuffy= als snuif, met snuif bemorst, verkouden, verdrietig, dronken.Snug,snɐg, adj. gezellig, dicht opeengepakt, verscholen, sluw;Snugverb. zich vlijen tegen:Wekept it (nice and) snug= hielden het[517]geheim;Tolie snug= zich verdekt opstellen;Snuggery= gezellig warm vertrek, gelagkamer:This room isthe most comfortable snug in the house= het aangenaamste vertrek v. het huis;Snuggish= behagelijk;Snuggle= zich vlijen tegen:The childsnuggled close to its mother= vlijde zich tegen zijne moeder aan;Snugness= behagelijkheid, etc.Snur,snɐ̂, snorken:The sleeping lionsmade a snurring sound.So,sou, zoo, dat, zulks, zoodanig, dus, mits:Mr. So-and-so= Meneer “Dinges”;The BaronThus and so;Do itso as to pleaseyour parents= zóó dat gij;Yourso-calledfriends= zoogenaamde;So help me God= zoo waarlijk helpe mij God Almachtig;So far so good (right)= tot hiertoe is ’t in orde, gaat het goed;And so forth (on)= enzoovoort;So long= adieu, tot ziens!So many dinners for so many persons= een zeker aantal;He didnot so much asthank me= niet eens;That isso much the better= zooveel te beter;It is but so-so,don’t you think so too?= het is maar zoozoo (lalà) vindt gij dat ook niet?To be so-so= niet lekker, niet dàt;An hour or soafterwards;It’s raining so= het regent zoo;As the master so the man= zoo heer zoo knecht;If it were so= als het zoo ware;So to say= als het ware, om zoo te zeggen;I don’t care why you laugh,so that (so as) you laugh= als ge maar lacht;I told him to go there,and so he went= en daarom (dus) ging hij.Soak,souk, weeken, in de week zetten (=Toput in soak), inzuigen, met vocht doortrekken, opslorpen, zuipen:The childrensoaked their breadin milk= weekten;Tosoak off= losweeken;I amsoaked withthe rain= doornat;Soaker= plasregen, zuiplap;It wasa soaking rain= het was een tot op de huid doordringende regen;They got a soaking= werden druipnat.Soap,soup, subst. zeep; vleierij, steekpenning;Soapverb. zeepen, met zeep wasschen, vleien:Brown, Green soap= groene zeep;Acake, tablet of soap;Theysoaped the old maninto leaving them his property= met mooie praatjes kregen ze hem er toe;Soap-boiler= zeepzieder;Toblow soap-bubbles= bellen blazen;Soap-dish= zeepbakje;Soap-maker;Soap-pan= zeepketel;Soap-suds= zeepsop;Soap-work(s)= zeepziederij;Soapiness, subst. v.Soapy= zeepachtig, glad, zacht, met zeep besmeerd; vleierig, lievig.Soar,sö, subst. hooge vlucht;Soarverb. omhoog vliegen, hoog vliegen, zich hoog verheffen:Hesoared aboveall his contemporaries= stond ver boven.Sob,sob, subst. snik; verb. snikken.Sober,soubə, matig, nuchter, verstandig, ernstig, bescheiden, eerbaar;Soberverb. ontnuchteren, kalm, ernstig worden:The departure of all my friendsmade me feel sober= stemde me ernstig;He hasslept himself sober= heeft zijn roes uitgeslapen;In sober earnest= kalm en ernstig;In sober reason= naar de nuchtere rede, het gezond verstand;Hesobered down intoa sensibleman = werd langzamerhand;Hesobered his laugh intoa smile= verminderde tot;Sober-headed= bezonnen;Sober-minded= kalm, bedaard; subst.Sober-mindedness;Sober-sides= saaie Piet;Soberness=Sobriety,səbraiiti, matigheid, onthouding, gematigdheid, ernst, deftigheid.Sobriquet,soubrikei,soubrikei, bijnaam, scheldnaam.Socage,sokidž, bezitting, waarop heerendiensten rusten;Socager= pachter v. zulk een bezitting.Sociability,soušəbiliti, gezelligheid;Sociable,souš(i)b’l, subst. soort brik voor vier personen; driewieler voor twee personen naast elkaar, causeuse, gezellige samenkomst (Amer.); adj. gezellig, vriendelijk: (Dancing-school)Sociables= gesloten gezelschappen (voor dansen, etc.);Sociableness= gezelligheid.Social,souš’l, maatschappelijk, sociaal, gezellig (levend):Social democrats= socialisten;Social evils= maatschappelijke kwalen;Ants aresocial insects= vormen eene maatschappij;Social intercourse= gezellige omgang;Social love= naastenliefde;Social science= sociale wetenschap;Socialism= het socialisme;Socialist, subst. sociaal-democraat; adj. socialistisch:Socialist of the chair= kathedersocialist;Sociality,soušaliti, gezelligheid;Socialize, gezellig maken, inrichten volgens de beginselen derSocialists.Societish,səsaiitiš, veel uitgaand, wereldsch;Society,səsaiiti, maatschappij, genootschap, gemeenschap, vereeniging, compagnie; de groote wereld:She wasa society actress= actrice voor de groote wereld;Society Islands;Society journal= dagblad dat het leven der hoogere standen behelst;Society paragraphs= berichten uit en over de groote wereld;Society scandals= “chronique scandaleuse”;Togo into society= uitgaan.Socinian,səsinj’n, Sociniaan;Socinianism= de leer van Socinius.Sociologic(al),soušəlodžik(’l), sociologisch;Sociologist= socioloog;Sociology,soušolədži, sociologie.Sock,sok, sok, sandaal; blijspel, ploegschaar, inlegzool.Socket,sokət, holte, kas, socket:His arm isout of the socket= uit het “potje”, is ontwricht;The candles hadburned down into the sockets= tot in de pijp;His eyesstarted from their sockets= puilden uit hunne kassen;Socket-joint= kogelscharnier;Socket-pole= met ijzer beslagen vaarboom (Amer.);Socketed= met eene holte.Socle,souk’l, sokkel.Socotra,sokətrə,səkoutrə;Socotrine,sokətrin, subst. bewoner van S.; adj. tot S. behoorende.Socrates,sokrətîz, Socrates;Socratic(al),səkratik(’l), Socratisch;Socratic method;Socratism= leer van Socrates;Socratist= volgeling van Socrates.Sod,sod, subst. zode;Sodverb. met zoden bedekken;Sod-seat= zodenbank;Soddy= met zoden bedekt.[518]Soda,soudə, soda;Soda-salt= soda-zout;Sodawater= spuitwater.Sodality,sədaliti, broederschap, gemeenschap.Sodden,sod’n, adj. gekookt, doorweekt, geweekt, niet doorbakken;Soddenverb. doorweekt worden, bezinken, doorweeken, doortrekken:Sodden withvice= van misdaad doortrokken;A sodden drunkard= een groote zuiplap;A sodden sky= met waterdamp bezwangerde lucht;Sodden vegetables= waterige; subst.Soddenness.Sodger,soudžə=Soldier.Sodom,sod’m, Sodom;Sodomite,sodəmait, bewoner van S., iemand schuldig aanSodomy,sodəmi.Sofa,soufə, sofa:Sofa-cushion;Sofa-table.Sofi,soufi, Mahom. monnik;Sofism= Sufismus, een Mahom. mysticisme.Soft,soft, zacht, week, vochtig, langzaam, sullig, teeder, verliefd, vreesachtig, zoetsappig:Soft and fair goes far= haastige spoed is zelden goed;He is asoft Johnny (Head)= onnoozele bloed;Soft money= papieren geld;The soft sex= de teedere kunne;You have got on his soft side= hij heeft een zwak voor je;Soft Tommy= week brood (scheepst.);Soft-hearted= teerhartig;Soft-roe= hom;Soft-sawder,soft-sôdə, vleierij; ook verb. =Soft-soap:We’ll tryto soft-soap him= te vleien;Soft-spoken= vriendelijk, zacht;Soften,sof’n, verzachten, verteederen, verweekelijken, bemantelen:Hesofted at sight of his victim= kreeg medelijden;He wassofted into forgiving me= bewogen;Softing of the brain=Cerebral softing= hersenverweeking:Softish= weekachtig;Softness= zachtheid, etc.;Softy= sul.Soggy,sogi, doorweekt, doornat, drassig.Soho,souhou, interj. helà! hei daar! zacht wat (jagersroep tegen de honden);Soho(souhou)Square.Soil,sôil, subst. grond, bodem, land, smet, vlek, vuiligheid, poel;Soilverb. vuil maken, bezoedelen, besmetten, in den stal met versch gras voeden, purgeeren door groen voedsel:The deer hastaken soil= is gaan drinken;Totake soil= toevlucht zoeken;Soil-pipe= afvoerbuis (vooral voor faecaliën).Sojourn,soudž’n, subst. tijdelijk verblijf;Sojournverb. vertoeven, tijdelijk verblijven;Sojourner,soudžɐ̂nə, gast, reiziger.Soko,soukou, soort chimpansé.Sol,sol, subst. zon, goud (in herald. en alchemie), sol (muz.);Solverb. de toonschaal van ut (c) zingen =Sol-fa,soul-fâ,sol fâ.Sola,soulâ, hei daar! houd op!Solace,solis, subst. troost;Solaceverb. troosten, opvroolijken, verlichten:Toderive solace from= troost scheppen;Solacement= vertroosting, etc.Solan goose,soul’ngûs, Jan v. Gent.Solanine,solənîn, solanine.Solano,səlânou, vochtige Oostenwind (Middell. Zee).Solanum,səlein’m, nachtschade.Solar,soulə, zonne.…:Solar eclipse;Solar flowers= zonnebloemen;Solar microscope= zonnemicroscoop;Solar myth= zonnemythe;Solar spectrum;Solar spots= zonnevlekken;Solar system= zonnestelsel;Solar year= zonnejaar;Solarization, subst. v.Solarize= te lang aan het zonlicht blootstellen.Solatium,səleišəm, schadeloosstelling.Sold,sould, imperf. en p. perf.vanto sell.Soldan,sold’n, sultan.Solder,so(l)də, subst.soldeersel, kleefsel; vleierij;Solderverb. soldeeren;Solderer;Soldering:Soldering-bolt,Soldering-iron= soldeerbout;Soldering-lamp.
Slav,slâv,slav, subst. een der Slaven;Slavic= Slavisch(e taal).Slave,sleiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar;Slaveverb. slaven, hard zwoegen:Aslave to drink= verslaafd aan;He is aslave tohis wild passions= de slaaf zijner;Slave-coast= slavenkust;Slave-dealer= slavenhandelaar;Slave-dealing;Slave-driver= slavendrijver;Slave-grown= door slavenarbeid voortgebracht;Slave-holder= slavenhouder;Slave-owner;Slave-states= staten waar de slavenhandel bestond (Amer.);Slave-trade= slavenhandel;Slaver= slavenhandelaar;Slavery= slavernij, afmattende en ploeterende arbeid;Slavey= dienstmeisje.Slaver,slavə, subst. speeksel, kwijl;Slaververb. kwijlen;Slaverer= kwijler, idioot.Slavish,sleiviš= slaafsch; subst.Slavishness.Slavonia,sləvouniə;Slavonian= Slavonisch;Slavoniër= Slavonic.Slaw,slô, koolsla (Amer.).Slay,slei, dooden, vernietigen, vermoorden, te gronde richten;Slayer.Sleave,slîv, subst. streng vlos- of vlokzijde (=Sleave-silk);Sleaveverb. in strengen verdeelen, opwinden.Sleazy,slîzi, dun, licht.Sled,sled, subst. slede;Sledverb. in een slede vervoeren.Sledge,sledž, subst. slede; vóórhamer;Sledgeverb. in eene slede vervoeren of reizen:Sledge-chair= slede;Sledge-coach= sleepkoetsje;Sledge-hammer= vóórhamer.Sleek,slîk, zacht, glanzend, glad, sluw, slim, handig, vlug;Sleekverb. glad maken (kammen), kalmeeren, vergoelijken (over); sluipen:Sleek hair= glad, glanzend haar;Sleek-headed= met glad gekamd haar;Sleek-stone= polijststeen;Sleekness= gladheid, etc.;Sleeky= glad, zacht, sluw.Sleep,slîp, subst. slaap, doodslaap;Sleepverb. slapen, sluimeren, soezen, staan (van tollen):To takea sleep;Beauty sleep= slaap vóór middernacht;Tosleep the sleep of the just;I amdying with sleep= val om v. slaap;The motherlulled (sang) her child to sleep= suste (zong) haar kind in slaap;Tostart from one’s sleep= wakker schrikken;Tosleep the clock round;I haveslept like a top= geslapen als een roos;He hasslept himself sober= zijn roes uitgeslapen;Heslept away the best part of (the) day= versliep het mooiste deel v. den dag;Heslept far into the following day= een gat in den dag;I have got a headache, and must try tosleep it off= moet er door slapen zien af te komen;Tosleep on (upon)= zich beslapen op;I neversleep out= ben ’s nachts nooit buitenshuis;Iwill sleep overit= zal er mij eens op beslapen;Sleep-drunk;Sleep-headed;Sleep-walker= slaapwandelaar;Sleep-walking;Sleeper= slaper, dwarslegger (spoor); slaapwagon (Amer.);Sleepiness= slaperigheid;Sleeping:Sleeping Beauty in the Wood= de Schoone Slaapster;Sleeping-car=Sleeping-carriage= slaapwagon;Sleeping-cup= slaapdrank;Sleeping-dropsy (Sleeping-evil, Sleeping-sickness)= slaapziekte;Sleeping-partner= stille vennoot;Sleeping-room= slaapkamer;Sleepless; subst.Sleeplessness;Sleepy= slaperig:Sleepy drink (potion)= slaapdrank;Sleepyhead= slaapkop.Sleet,slît, subst. natte sneeuw(bui) met hagel;Sleetverb. sneeuwen (of hagelen) met regen; adj.Sleety.Sleeve,slîv, subst. mouw;Sleeveverb. van mouwen voorzien:Hechuckled (laughed) in his sleeve= lachte in zijn vuistje;Tocreep up a person’s sleeves= in de mouw (zak) kruipen, vleien;Tohave in one’s sleeve= (iets) achter de hand hebben;Hehad several cards up his sleeve= in de mouw;Towear one’s heart on one’s sleeve= zijn hart op de tong hebben;Sleeve-button;Sleeve-link= kettingknoopje;Sleeveless= zonder mouwen.Sleigh,slei, slede (Am.);Sleighverb. sledevaren;Sleigh-bells= sledebellen;Sleighing-party= sledevaart.Sleight,slait, kunstgreep, behendigheid, listige zet:Sleight of hand= handhabiliteit (bij het goochelen).Slender,slendə, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende, armzalig, bescheiden:He is a manof slender parts= van geringe talenten; subst.Slenderness.Slept,slept, imperf. en part. perf. vanto sleep.Sleswick,sleswik, Sleeswijk.Sleuth,slûth, spoor;Sleuth-hound= bloed- of speurhond.Slew, imperf. vanto slay; zie ookSlue.Slice,slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (=Fish-slice), spatel, vuurschop;Sliceverb. in dunne sneden snijden:A slice of[512]bread and butter= boterham;They had their ears sliced= hun werden de ooren afgesneden;Slicer.Slick,slik, gestampt en gewasschen erts.Slick=Sleek(Amer.).Slid,slid, imp. en part. perf. vanto slide.Slidder(y),slidəri=slippery.Slide,slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuif, aardverschuiving;Slideverb. glijden, zacht overgaan, schuiven:Hetook a slide down the street= ging baantje glijden op straat;Heslid back the door (slid the door close)= open (dicht)schuiven;Weslid down the slope= gleden de helling af;We willlet things slide a little= een tijdje op hun beloop laten;Sliding= glijdend, glij.., schuif.., onzeker; subst. overtreding:Sliding-case= stoomschuif;Sliding-doors;Sliding-knot= slipknoop;Sliding-seat= glijbank in een giek:I am used tofixed seatsand not toSliding-seats(=Sliders);Sliding-scale= schaal die al naar de omstandigheden verandert;His slidings aremany= overtredingen.Slight,slait, subst. minachting, verwaarloozing, geringschatting; adj. gering, onbeteekenend, zwak, dun, tenger, oppervlakkig, vluchtig;Slightverb. versmaden, verwaarloozen, verachten:Tomake slight of= geringschatten;My letters and advice wereslighted (off)= werden versmaad, verachtelijk ter zijde gelegd;You haveslighted overyour work= afgeroffeld;Slight-built= tenger gebouwd;Slighter;Slightness= zwakheid, onbeduidendheid, geringschatting, minachting, vluchtigheid, oppervlakkigheid.Sligo,slaigou.Slily,slaili, op listige wijze.Slim,slim, dun, slank, schraal; subst.Slimness.Slime,slaim, slijk, slik, slijm;Slimeverb. met slijm bedekken, het slijm verwijderen;Sliminess, subst. v.Slimy= slibbig, slijkachtig, kleverig.Sling,sliŋ, subst, slinger, zwaai, slag, draagband, riem, strop; soort van grog (met geraspte muskaat);Slingverb. slingeren, werpen, zwaaien, met lange, veerkrachtige stappen loopen:He had his armin a sling= in een doek;Heslung his hook= hij schuurde zijne piek (fig.);Slinger.Slink,sliŋk, (weg)sluipen, ontijdig werpen; subst. te vroeg geworpen dier; adj. onrijp, lang en dun, waardeloos.Slip,slip, subst. ontglipping, vergissing, abuis; takje, loot, stekje, reepje, koppel of ketting voor honden, jong ding, saut-de-lit, (scheeps)helling, rij plaatsen in een kerk (Amer.), nauwe gang achter de loges;Slipverb. glippen, uitglijden, wegsluipen, struikelen (fig.), zondigen, zich verpraten, laten glijden, loslaten, ontijdig werpen, schuiven, heimelijk stoppen in, snel aanschieten, afsnijden (van takken of loten):I sawsome rosy little slips in the nursery= blozende snoesjes;Aslip of a fellow= dreumes;A slip of a girl= kleine peuter;Aslip of the memory, the pen, the tongue= vergissing, verschrijving, etc.;Hegave me the slip= hij ontglipte mij, liet mij zitten;Toget the slip= een korf krijgen;My health oftenmakes a slip= laat mij vaak in den steek;Tomake a slip= een “misstap” doen;My foot slippedand I fell= ik gleed uit;The cable was slipped= men liet slippen;Toslip the collar= de halster strijken, vrij komen:Tolet slip the dogs= loslaten;It has slipped my memory= is mij ontgaan;Toslip one’s foot= uitglijden;Toslip away= heimelijk weggaan;You must notallow the opportunity to slip (by)= niet laten voorbijgaan;My socks willslip down=zakken altijd af;Many errorsslipped intothe first edition= slopen in;Islipped offmy mantle= legde af;Islipped onmy trousers andslippers= ik schoot aan;Toslip out= zich handig ergens afmaken; laten vallen;Slip-bolt= grendel;Slip-carriage= slipwagon;Slip-cover= stofkleed;Slip-knot= schuifknoop;Slip-rope=- sliplijn (op een kabel);Slipshod= met afgetrapte hakken, slordig:It is written inSlipshod English= in slordig E.;Hewent slipshodall over the house= slofte het geheele huis door;Slip-train= sliptrein;Slipper= pantoffel, remschoen; morsschort (Amer.):Theyplayed at hunt the slipper= speelden “slofje onder”;Slipperiness, subst. v.Slippery= glibberig, glad, onvast, onzeker, sluw, listig:It’s a slippery ground to walk upon= dat is wagen op glad ijs;He isthe slipperiest rascalI ever heard of= de gladste schurk;Slipping of the soil= grondverschuiving.Slipslop,slipslop, subst. slappe drank, prullerig werk, slordig gebruik van een woord voor een ander, als:prodigyvoorprotégé, etc.; adj. armzalig, prullerig.Slish,sliš, slag, houw:Slish and slash= klits klats.Slit,slit, subst. split, reet, lange snede, sponning;Slitverb. in de lengte snijden,in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven:His mouth wasof a reptilian width of slit= hij had een mond als een brievenbus;Ishot the letter into the slit= gleuf;His eyes werelike two shining slits= glinsterende streepen;Slitter;Slitting-mill= machine om hout, metaal of steenen te splijten;Slitlike= als een spleet:Slitlike eyes.Sliver,sl(a)ivə, subst. afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak;Sliververb. in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen.Sloam,sloum, leemlaag tusschen zand- en kolenlagen.Slobber,slobə, kwijlen, kindsch zijn, bekwijlen; subst. kwijl:They willslobber their gownswithout the pinafores= ze bemorsen hare jurken;Slobberer;Slobbery= modderig, vochtig,kwijlend.Sloe,slou,sleepruim, sleeboom;Sloe-black= blauwzwart.Slog,slog, ranselen; subst. kloppartij;Slogger= bokser, die er op los beukt.Slogan,sloug’n, oorlogskreet der Hooglanders.Slojd,slôid, slojd.[513]Sloop,slûp, sloep:Sloop of war= corvet.Slop,slop, subst. gestort water, poel, kleermaker (Slops= spoelwater, slappe thee, slap soepje voor patienten); goedkoope confectiekleeren; wijde broek, kleeren en beddegoed tegen kostenden prijs aan marinematrozen verstrekt;Slopverb. morsen, storten:Woodcuts looselyslopped overwith watercolours= slordig met waterverf besmeerd;Slop-basin,Slop-bowl= spoelkom;Slop-made= saamgeflanst;Slop-pail= toilet-emmer;Slop-seller= houder van eenSlop-shop= winkel voorSlops;Slop-work= prullewerk; goedkoope schoenen (kleeren, meubelen);Sloppiness, subst. v.Sloppy= nat, modderig, morsig, slordig:Sloppy, slithery turf= drassige, glibberige zoden.Slope,sloup, subst. helling of schuinte;Slopeverb. hellen, schuin afloopen, bedriegen en zich uit de voeten maken, doen hellen, schuin houden:Slope arms!= over geweer!Slosh,sloš, natte sneeuw en modder.Slot,slot, subst. gleuf, sponning, spoor (van een hert);Slot-machine= automaat;Slot-meter= muntmeter.Sloth,slouth, traagheid, luiheid, onverschilligheid; luiaard of ai;Slothful= lui, traag; subst.Slothfulness.Slouch,slautš, subst. het laten hangen van het hoofd, slappe en boersche gang, lompe en logge vent, sukkel;Slouchverb. slungelig loopen (zitten), slap neerhangen, laten hangen, neerdrukken (van den hoed):No slouch ata party canvass= hij weet zijn mondje te roeren (bij);Slouch-hat= hoed met breeden, slappen rand.Slough,slau, poel, moeras;Sloughy= moerassig.Slough,slɐf, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene wond);Sloughverb. scheiden, afwerpen, afvallen (als een roof, korst of huid);Sloughy= korstig.Slovak,sləvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije =Slovakian.Sloven,slɐv’n, vuilpoes, morsebel;Slovenliness= slordigheid.Slow,slou, adj. langzaam, bedachtzaam, traag, achterlijk, saai, vervelend, levenloos;Slowverb. de snelheid verminderen:Safely and slow, they stumble who run fast= hardloopers zijn doodloopers;Slow and sure (steady) wins the race= langzaam maar zeker;Slow coach= langzaam, vervelend persoon;A slow dinner, person, town= saai;Slow fever= binnenkoorts;Aslow train= boemeltrein;My watch is slow= is achter;Writing a dictionary isslow work= schiet niet op;The ship wasslowed down= de vaart werd verminderd;The ascentslowed upthe vehicle= deed langzamer gaan;Slow-gaited= zich langzaam bewegend;Slow-match= lont;Slow-paced= met langzamen schred;Slow-witted= traag van begrip;Slow-worm= hazelworm;Slowness= langzaamheid, etc.Slub,slɐb, subst. grof gesponnen wol;Slubverb. voor- of grofspinnen.Slubber,slɐbə, bezoedelen, bemorsen.Sludge,slɐdž, modder, modderige sneeuw, ijsmassa; adj.Sludgy.Slue,slû, omdraaien (om eene spil).Slug,slɐg, luipaard; (naakte) slak (=Slug-snail); onregelmatig gevormd stuk metaal als kogel;Slug-a-bed= langslaper;Sluggard= luilak;Sluggish= lui, traag; subst.Sluggishness.Sluice,slûs, subst. sluis, sluiswater (inspuit)kraan;Sluiceverb. eene sluis openen, laten uitstroomen, bevloeien, spoelen:It is sluicing down= het valt met emmers uit de lucht;Sluice-chamber= kolk;Sluice-door,Sluice-gate= sluisdeur;Sluice-keeper= sluiswachter.Sluit,slût=Sluice. (Z. Afr.).Slum,slɐm, subst.slop, achterbuurt, vuil straatje,Slumverb. de achterbuurten bezoeken:Slum-bornchild;Theslums of the low London press= de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten;Togo slumming= de achterbuurten bezoeken.Slumber,slɐmbə, subst. sluimering;Slumberverb. sluimeren;Slumberer;Slumberous= slaapwekkend, slaperig.Slump,slɐmp, plotseling dalen van prijzen;Slumpverb. zakken door ijs, in sneeuw, plotseling dalen in prijs:Then the slump came= toen kwam de “krach”;Aslump in the saleof Christmas cards= plotselinge vermindering.Slung,slɐŋ, imperf. en part. perf. vanto sling;Slung-shot= soort ploertendooder (Amer.).Slunk,slɐŋk, imperf. en p. perf. vanto slink.Slur,slɐ̂, subst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken (muz.);Slurverb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, losjes overheen loopen, bemantelen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.):Hecast a slur on me= heeft een smet geworpen;Sheslursher th’s;Heslurred it over= liep er losjes overheen.Slush,slɐš, subst. natte half gesmolten sneeuw, weeke modder; smeer;Slushverb. boenen, smeren;Slush-lamp= soort vetlamp;Slushy= slijkerig, modderig, nat.Slut,slɐt, slons, slet, morsebel;Sluttery= vuilheid, slordigheid;Sluttish= slordig, morsig, vuil; subst.Sluttishness.Sluys,slôis, Sluis.Sly,slai, sluw, loos:He did iton (by) the sly= in ’t geniep;Sly-boots= slimmerd, looze kwant; subst.Slyness.Smack,smak, subst. smaak(je), geur, oppervlakkige ondervinding of kennis, harde slag, klap, klapzoen; smak (schip);Smackverb. een smaak of geurtje hebben van (metof), een harden klap geven, barsten of kraken, laten knallen, smakken; interj. klets; klap!:Tosmack one’s lips;Tosmack a whip= doen knallen;What you say theresmacks of heresy= riekt naar ketterij.Small,smôl, subst. het dunne of smalle deel van iets; adj. klein, gering, zwak, fijn, licht, onbeduidend, kleingeestig:Small of the back= kruis, lendenstreek;Smallseerste examen voor hetBachelorship te Oxf.; (ook =Small-clothes);I neverfelt so smallin my life= zoo klein (onbeteekenend, zoo deemoedig);Small beer= licht bier:He thinks nosmall beerof himself= heeft een[514]grooten dunk van;Do you think I will chronicle all thesmall beeryou talk? = uw gewauwel;Small card= lage;I was invited toa small and early dinner;how I hatethose smalls and earlies= familiare en vroege diners;Small fry= kleingoed (kinderen);The house sat intothe small hours= tot na middernacht;Small master= klein baasje;Small nuts= hazelnoten;He isa small partner= heeft een aandeeltje in de zaak;He is an autocratin a small way= een klein autocraatje;Small wonder!= geen wonder;Small wares= galanterieën, garen en band;Theybroke their small wits upon him= haalden hunne flauwiteiten tegen hem uit;Small-arms= draagbare wapenen;Small-clothes= korte broek;Small-coal= kolengruis;Small-craft= kleine vaartuigen;Small-hand= loopend schrift;Smallpox= kinderpokken;Small-talk= gesnap, gepraat;They areliterary small-talkers= letterkundige wauwelaars;Smallish= vrij klein, peuterig, popperig; subst.Smallness.Smalt,smôlt, smalt, kobaltglas.Smaragdine,sməragdin, als smaragd.Smart,smât, subst. vinnige pijn, groote smart; adj. pijnlijk, vinnig, doordringend; krachtig, vlug, levendig, geestig, knap, sluw, bij-de-hand, elegant, fijn, kranig;Smartverb. scherpe pijn voelen, pijn doen, boeten, smart veroorzaken, lijden:You shall feel the smart of it= het zal je bitter berouwen;Helaved his smartin thoughts of his greatness= verzachtte zijne smart;The characters areclever without being smart= knap geteekend zonder “mooidoenerij”;There is a danger in being smart= in het “aardig” willen wezen;That kind of society which is known as smart= als de groote wereld;He isas smart as threepence (sixpence)= zoo keurig alsof hij uit een doosje kwam;As smart as asteel trap= zoo glad als een aal;He issmarter than anything= iedereen te glad af;Isn’t hea smart little boy? = een bij-de-hand jongetje;My eyes smarta little;You’llsmart for it= er voor “hebben” of boeten;He is stillsmarting underhis loss= lijdt nog onder;Smart-looking= chic;Smart-money= rouwgeld, smartegeld, handgeld;Smart-ticket= bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager aanspraak opsmart-money= smartegeld, heeft;Smarten= opschikken, mooi maken:I am goingto smarten myself up= mij opknappen;Smartness:Hissmartnessmars several passages= poging om aardig (geestig) te zijn.Smash,smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, ontreddering;Smashverb. verpletteren, vernielen, stukslaan, verbrijzelen, platdrukken, breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen; adj. kapot, verloren:Gone to smash= op de flesch;The windows weresmashed= werden ingegooid;Smash-up= vermorzeling, verbrijzeling;Smasher= meisje, dat veel breekt, grof antwoord, scherp artikel, iets buitengewoons, valsch geld, iemand, die dit uitgeeft:Smashers out (of doors)= uitsmijters;The real purposegoes smash= gaat verloren;Smashing critique= vernietigende.Smatter,smatə, subst. geringe en oppervlakkige kennis;Smatterverb. geringe kennis hebben van, oppervlakkig spreken:Hesmatters words in several languages= kakelt zoo’n beetje in allerlei talen;Hehas a smattering of Spanish= weet een beetje van het Spaansch;A smattering musketry was going on yet= hier en daar hoorde men nog een enkel geweerschot;Smatterer= halfweter, oppervlakkig kenner.Smear,smîə, subst. vlek, smet;Smearverb. besmeren, insmeren, bezoedelen.Smell,smel, subst. reuk, geur;Smellverb. ruiken, rieken, speuren:Youretain the smell= je ruikt er nog naar;He neversmelt powder as yet= is nog nooit in ’t vuur geweest;Hesmelt it out= heeft het uitgevorscht;The winesmells of the cork= ruikt naar den kurk;Smeller= baardhaar (v. een kat), (slag op den) neus;Smelling:Smelling-bottle= reukfleschje;Smelling-salts;Smelling-water;Smelly children= viesruikende.Smelt,smelt, imperf. en part. perf. vanto smell.Smelt,smelt, subst. spiering:He isas dead as a smelt= zoo dood als een pier.Smelt,smelt, smelten;Smelter;Smeltery= smelterij;Smelting:Smelt-furnace= smeltoven;Smelt-pot;Smelt-works.Smerk(y),smɐ̂k(i), keurig, netjes, fijn, kranig.Smew,smjû, nonnetje (vogel).Smiddy,smidi,ZieSmithy.Smiffle,smif’l, verk. vanSmithfield.Smile,smail, subst. glimlach, vriendelijk gezicht, gunst, “hapje” of slokje (Amer.);Smileverb. glimlachen, vriendelijk kijken, een “hapje” nemen:She was all smiles (and graces)= poeslief;Hegave me a smile= hij glimlachte tegen mij;Wesmiled our thanks= drukten uit door een glimlach;Hesmiled at me= glimlachte tegen mij;I havesmiled awayhis cares= door een vriendelijken blik zijne zorgen verdreven;Wesmiled him into good humour= door onze vriendelijke blikken brachten we hem weer in zijn humeur;Fatesmiles upon us= is ons gunstig of genegen;The idea does notsmile upon me= lacht me niet toe;Smiler.Smirch,smɐ̂tš, bekladden, bevuilen, besmeren; subst. klad.Smirk,smɐ̂k, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, keurig;Smirkverb. gemaakt glimlachen, meesmuilen.Smite,smait, slaan, treffen (on), dooden, vernietigen, overkomen;Smiter.Smith,smith, smid:Smith’s coal= smeekolen;Smithwork;Smithy,smithi, smederij.Smithereens,smidhərînz:The powderblew the house to smithereens= vernietigde het huis geheel;Toknock to smithereens= tot gruis slaan.Smitten,smit’n, p.p. v.to smite:Arctic-smitten= verzot op Noordpoolreizen;Smitten withastonishment= verbluft;Smitten with her, withlove= verliefd.Smock,smok, (vrouwen)hemd, (boeren)kiel =Smock-frock;Smock-mill= Hollandsche windmolen[515]waarbij slechts het bovenstuk draaibaar is.Smoke,smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends;Smokeverb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken:There is no smoke without a fire= men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan;Will youhave a smoke? = eens opsteken;I’ll make your back smoke for it= je een pak ransel geven;Put that in your pipe and smoke it= steek dat in je zak (fig.);Tosmoke off= in een stofwolk wegrennen;Smoke-black= lampzwart;Smoke-consumer= rookverdrijver (werktuig);Smoke-dried= gerookt (van vleesch b.v.);Smoke-jack= toestel om een braadspit door den rook in den schoorsteen te doen draaien;Smoke-room= rookkamer;Smoke-stack= pijp;Smoked spectacles= bril met zeer donkere glazen;Smoker= rooker, rookcoupé:Agreat (heavy) smoker;Smokiness= rookerigheid;Smoking:No smoking allowed= hier mag niet gerookt worden;Smoking-cap= kalotje, mutsje;Smoking-carriage;Smoking-compartment;Smoking-room= rookkamer.Smollett,smolət.Smolt,smoult, jonge zalm in ’t 2de jaar.Smooth,smûdh, subst. grasvlakte (Amer.); adj. glad, vlak, zacht, glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend;Smoothverb. glad maken of worden, glad strijken, bemantelen, kalmeeren, uit den weg ruimen, gemakkelijk maken:Togive a smooth to one’s hair= zijn haar glad strijken;That songsmoothed his forehead= streek zijne rimpels weg;Hesmoothed the pathfor me= effende;The report wassmoothed downa little= werd verzacht;I shall try tosmooth him down= te kalmeeren;A smooth-bore gun= gladloop (kanon of geweer);Smooth-chinned= baardeloos;Smooth-faced= met glad, baardeloos, vriendelijk gelaat;Smooth-shaven= glad geschoren;Smooth-speeched,Smooth-spoken;Smooth-tongued= vleierig;Smoothing:Smoothing-iron= strijkijzer;Smoothing-plane= gladschaaf; subst.Smoothness.Smote,smout, imperf. vanto smite.Smother,smɐdhə, subst.dichte rook, walm;Smotherverb. smoren, verstikken, stikken, onderdrukken, smeulen;Smothery= rookerig, walmig, verstikkend.Smoulder,smouldə, smeulen.Smudge,smɐdž, subst. vlek, smet, smeer, verstikkende rook, smeulend vuur (tegen muskieten);Smudgeverb. zwart maken, door rook bevuilen, knoeien.Smug,smɐg, subst. poenig, ingebeeld persoon; adj. netjes, keurig, opgesmukt, gemaakt; subst.Smugness.Smuggle,smɐg’l, smokkelen (in, out);Smuggler= smokkelaar (ook het schip).Smut,smɐt, subst. vlek, roet, roetvlek (Smuts= roetvlokken), vuile taal; roest in ’t graan;Smutverb. bevlekken, bevuilen, roestig worden (van koren):His linen had suffered fromthe smuts of a London fog= de roetdeeltjes van een L. mist;Smuttiness, subst. v.Smutty= vuil, door roest aangetast, zedeloos.Smutch,smɐtš, subst. vuile vlek, smet;Smutchverb. bevuilen met rook, roet, etc.Snack,snak, lichte, in haast gebruikte maaltijd; deel;Snackverb. deelen:Shall we go snacks?= zullen we samen deelen;Totake a hasty snack= haastig twaalfuurtje.Snaffle,snaf’l, trens (=Snaffle-bit);Snaffleverb. de trens aanleggen, beteugelen.Snag,snag, afgebroken tak, knoest, uitsteeksel, bult, boomstam (met het eene eind in den bodem der rivier vastgeraakt, Amer.);Snagverb. knoesten afkappen; tegensnagsaanvaren:A bird in the bag is worth two on the snag;Snagged= volSnags;Snaggy= knoestig, boos, korzelig.Snail,sneil, subst. huisjesslak, langzaam persoon:At a snail’s gallop (pace, post, trot)= in den slakkengang;Snail-shell= slakkenhuis;Snail-trefoil= rupsklaver;Snail-like= slakachtig, langzaam.Snake,sneik, subst. slang, adder;Snakeverb. spiraalsgewijs omwinden, kronkelen, uittrekken:There is a snake in the grass= er schuilt een adder onder ’t gras;Spectacled snake= brilslang;Snake-fence= zigzagschutting (Amer.);Snake-root= senegawortel;Snake-stone= slangensteen;Snake-weed= adderwortel;Snakish= slangachtig;Snaky= als eene slang, kronkelend, sluw, bedriegelijk;Snake-headed= met slangen in plaats van haar op het hoofd (zooals de wraakgodinnen).Snap,snap, subst. plotselinge breuk, hap of beet, geknal, veer of knip, momentopname; plotseling omslaand weer (A cold snap), broos gebakje, kinderspelletje (met kaarten), energie, diefstal; adj. vlug, snel, plotseling;Snapverb. plotseling breken, afknappen, ketsen, dichtknippen, hard dichtklappen, plotseling grijpen of vangen, toesnauwen (Snap up short), bijten naar, dadelijk toehappen (bij een aanbod), afdrukken:I do notcare a snap of my fingers= geef er geen lor om;The piece willgo with a snap= zal “gaan” als een lier (Amer.);She has no go or snap about her= d’r zit geen “fut” in haar;Ministers tried to capture a fresh majority bya snap dissolution= door eene onverwachte ontbinding;Isnap my fingers atyou= je bent me geen knip voor den neus waard;Hesnapped atthe proposal= hapte dadelijk toe;Shesnapped atthe servants= snauwde af;The chainsnapped (off)= knapte plotseling af;Isnapped him up severely= maakte hem een hevig standje;The whips snapped= klapten;Snap-beetle= kniptor;Snap-dragon= spelletje waarbij rozijnen uit brandenden brandewijn worden gegrepen en opgegeten; groote leeuwenbek;Snap-shot= schot in ’t wild; momentopname in eenkodak; ook verb.:I took two snap-shotsat the building= nam twee “kiekjes”;Snap-vote= stemming door opsteken der handen;Snapper= zweepslag, knalbonbon;Snappers= castagnetten;Snappish= scherp, bits, vinnig; subst.Snappishness.Snare,snêə, subst. strik, lus;Snareverb. verstrikken;Snare-drum= kleine militaire trom;Snarer= strikkenspanner.Snarl,snâl, subst. grauw, snauw; verwikkeling, verwarring, klem, moeielijkheid;Snarlverb. grommen, knorren, verwarren, verstrikken:[516]I amsnarled at by everybody= iedereen snauwt mij af;Snarler= brompot; ruziemaker.Snatch,snatš, subst. greep, ruk; beet, hap, brok, stuk van een lied, deel;Snatchverb. zonder komplimenten pakken, snel en plotseling grijpen, in haast gebruiken, gappen, rooven:We did itby snatches= nu en dan eens, bij gedeelten;Snatches of information= inlichtingen bij stukken en brokken;Snatches of old melodies, songs;Snatches of sleep= hazeslaapjes;Tomake a snatch at= een greep doen naar;Hesnatched atmy right hand= deed een greep naar;Snatcher;Body snatching= lijkenroof.Sneak,snîk, subst. gluiper, klikker, kruiper, gauwdief (ookSneak-thief);Sneakverb. gluipen, sluipen, klikken, gappen:You havesneaked of me= me verklapt;Sneaking:He may be a queer fellow, yet I havea sneaking kindnessfor him= mag ik hem eigenlijk wel.Sneer,snîə, hoongelach, grijns, spottende blik;Sneerverb. den neus optrekken, spottend lachen, hoonen;Sneerer.Sneeze,snîz, subst. het niezen;Sneezeverb. niezen:Five thousand a yearis not to be sneezed at= is niet te verachten;Sneeze-wort= nieskruid;Sneezing-powder= snuif.Snick,snik, mes, litteeken, teeken:It wasa snick-a-snee,Snickersnee= gevecht met messen.Snicker,snikə, onderdrukt (in zijn vuistje) lachen.Sniff,snif, subst. gesnuffel, gesnuif;Sniffverb. snuiven, snuffelen, den neus optrekken voor(at), in den neus krijgen, ruiken:The dogsniffed atmy trousers.Sniffle,snif’l, grienen, “snotteren”.Snig,snig, kleine aal;Sniggle, aalvangen met het aas op een naald, die vastgemaakt is aan een lijn, en die met een kort stokje in de gaten gestoken wordt, waar men aal denkt te vinden; verstrikken, vangen;Sniggler.Snigger,snigə, subst. gegichel;Sniggerverb. gichelen; Z.Snicker.Snip,snip, subst. snipper, stukje; kleermaker;Snipverb. afknippen:You’ve onlyto say “snip”and my girl willsay “snap”= zegt, “kip ik heb je”;Snip-snap= scherpe woordenstrijd;Snipper= kleermaker;Snipper-snapper= kwast, sukkel.Snipe,snaip, subst. snip; beunhaas (Amer.);Snipeverb. op snippen schieten.Snippet,snipət, deel, stuk:Knowledgein snippets= bij stukjes en beetjes;A short story,a mere snippet;Snippety= kort afgebroken:His style, thoughtoo snippety,is clear and forcible= schoon wat hakkelig.Snivel,sniv’l, subst. snot; huichelarij;Snivelverb. snuiven, snotteren; grienen, temen;Sniveller.Snob,snob, poen, parvenu, onderkruiper; ploert (studententaal);Snobbery= naäperij der groote lui, poenigheid; adj.Snobbish; subst.Snobbishness=Snobbism;Snobocracy,snobokrəsi, dewould-begroote lui.Snood,snûd, haarlint, dun lijntje waardoor de haak aan het hengelsnoer wordt bevestigd; ook verb.Snoodle,snûd’l, gezellig of vertrouwelijk samen zitten:The old couplesat snoodled together,beaming with happiness.Snook,snuk, op den loer liggen:Never again willI cut a snook,Sir= ik zal nooit weer iets in ’t geniep doen.Snoop,snûp, (Amer.) snuffelen; subst. snuffelaar, bemoeial:Hewent about snooping(Amer.) = hij bemoeide zich met alles en nog wat.Snooze,snûz, subst. dutje, slaapje, bed;Snoozeverb. dutten:Totake a snooze;Snoozer.Snore,snö, subst. gesnork;Snoreverb. snorken;Snorer.Snort,snöt, subst. het snuiven (paard);Snortverb. krachtig uitsnuiven;Snorter.Snot,snot, snot, snotneus;Snottiness, subst. v.Snotty= snotterig, vuil, smerig.Snout,snaut, subst. snuit, neus, mondstuk;Snoutverb. van een mondstuk voorzien.Snow,snou, subst. sneeuw, snauw (soort vaartuig);Snowverb. sneeuwen, als sneeuw neervallen;Snowed in= ingesneeuwd;Snowed under= ondergesneeuwd, gevallen (v. een kandidaat bij verkiezingen, Amer.);Snowed up= ingesneeuwd;Snowball, subst. sneeuwbal (ook: Geldersche roos); neger (ironisch);Snowballverb. met sneeuwballen gooien =Toplay at (pitch, throw) snowballs;Snow-blind= sneeuwblind;Snow-bound= ingesneeuwd;Snow-broth= sneeuwwater, zeer koude drank;Snow-bunting= sneeuwvink;Snow-capt= met sneeuw op den top =Snow-crowned;Snow-drift= sneeuwbank, hoop samengejaagde sneeuw;Snow-drop= sneeuwklokje;Snowflake= sneeuwvlok;Snow-limit=Snow-line= sneeuwgrens;Snow-plough= sneeuwploeg, sneeuwopruimer;Snow-shed= reeks van afdaken om eene spoorbaan voor sneeuwstormen te vrijwaren;Snow-shoe= sneeuwschoen;Snow-slip= sneeuwstorting, lawine;Snow-storm= sneeuwjacht met harden wind;Snow-white= sneeuwwit;Snowlike= sneeuwachtig, sneeuwwit =Snowy.Snowdon,snoud’n.Snub,snɐb, subst. knoest; berisping, afwijzing; stompneus;Snubverb. afsnauwen, bits antwoorden, afwijzen, knotten:Thecable was snubbed= de lijn werd plotseling onder het afloopen ingehouden;Snub-nose= stompneus, platneus; adj.Snub-nosed.Snuff,snɐf, subst. opsnuiving, snuif, snuitsel (van eene kaars);Snuffverb. snuiven, opsnuiven, besnuffelen, kwalijk nemen:A candle with a long snuff= verkoolde pit;A pinch of snuff= snuifje;He isup to snuff= glad, laat zich niet beetnemen;Totake snuff= snuiven;Totake snuff at= kwalijk nemen;Snuff-box= snuifdoos, neus (ironisch);Snuff-taker= snuiver;Snuffers= (kaars)snuiter;Snuffiness, subst. v.Snuffy;Snuffle, snuiven, door den neus spreken;Snuffles= verkoudheid:He hasgot the snuffles= hij haalt moeilijk adem en spreekt alsof hij zwaar verkouden is;Snuffy= als snuif, met snuif bemorst, verkouden, verdrietig, dronken.Snug,snɐg, adj. gezellig, dicht opeengepakt, verscholen, sluw;Snugverb. zich vlijen tegen:Wekept it (nice and) snug= hielden het[517]geheim;Tolie snug= zich verdekt opstellen;Snuggery= gezellig warm vertrek, gelagkamer:This room isthe most comfortable snug in the house= het aangenaamste vertrek v. het huis;Snuggish= behagelijk;Snuggle= zich vlijen tegen:The childsnuggled close to its mother= vlijde zich tegen zijne moeder aan;Snugness= behagelijkheid, etc.Snur,snɐ̂, snorken:The sleeping lionsmade a snurring sound.So,sou, zoo, dat, zulks, zoodanig, dus, mits:Mr. So-and-so= Meneer “Dinges”;The BaronThus and so;Do itso as to pleaseyour parents= zóó dat gij;Yourso-calledfriends= zoogenaamde;So help me God= zoo waarlijk helpe mij God Almachtig;So far so good (right)= tot hiertoe is ’t in orde, gaat het goed;And so forth (on)= enzoovoort;So long= adieu, tot ziens!So many dinners for so many persons= een zeker aantal;He didnot so much asthank me= niet eens;That isso much the better= zooveel te beter;It is but so-so,don’t you think so too?= het is maar zoozoo (lalà) vindt gij dat ook niet?To be so-so= niet lekker, niet dàt;An hour or soafterwards;It’s raining so= het regent zoo;As the master so the man= zoo heer zoo knecht;If it were so= als het zoo ware;So to say= als het ware, om zoo te zeggen;I don’t care why you laugh,so that (so as) you laugh= als ge maar lacht;I told him to go there,and so he went= en daarom (dus) ging hij.Soak,souk, weeken, in de week zetten (=Toput in soak), inzuigen, met vocht doortrekken, opslorpen, zuipen:The childrensoaked their breadin milk= weekten;Tosoak off= losweeken;I amsoaked withthe rain= doornat;Soaker= plasregen, zuiplap;It wasa soaking rain= het was een tot op de huid doordringende regen;They got a soaking= werden druipnat.Soap,soup, subst. zeep; vleierij, steekpenning;Soapverb. zeepen, met zeep wasschen, vleien:Brown, Green soap= groene zeep;Acake, tablet of soap;Theysoaped the old maninto leaving them his property= met mooie praatjes kregen ze hem er toe;Soap-boiler= zeepzieder;Toblow soap-bubbles= bellen blazen;Soap-dish= zeepbakje;Soap-maker;Soap-pan= zeepketel;Soap-suds= zeepsop;Soap-work(s)= zeepziederij;Soapiness, subst. v.Soapy= zeepachtig, glad, zacht, met zeep besmeerd; vleierig, lievig.Soar,sö, subst. hooge vlucht;Soarverb. omhoog vliegen, hoog vliegen, zich hoog verheffen:Hesoared aboveall his contemporaries= stond ver boven.Sob,sob, subst. snik; verb. snikken.Sober,soubə, matig, nuchter, verstandig, ernstig, bescheiden, eerbaar;Soberverb. ontnuchteren, kalm, ernstig worden:The departure of all my friendsmade me feel sober= stemde me ernstig;He hasslept himself sober= heeft zijn roes uitgeslapen;In sober earnest= kalm en ernstig;In sober reason= naar de nuchtere rede, het gezond verstand;Hesobered down intoa sensibleman = werd langzamerhand;Hesobered his laugh intoa smile= verminderde tot;Sober-headed= bezonnen;Sober-minded= kalm, bedaard; subst.Sober-mindedness;Sober-sides= saaie Piet;Soberness=Sobriety,səbraiiti, matigheid, onthouding, gematigdheid, ernst, deftigheid.Sobriquet,soubrikei,soubrikei, bijnaam, scheldnaam.Socage,sokidž, bezitting, waarop heerendiensten rusten;Socager= pachter v. zulk een bezitting.Sociability,soušəbiliti, gezelligheid;Sociable,souš(i)b’l, subst. soort brik voor vier personen; driewieler voor twee personen naast elkaar, causeuse, gezellige samenkomst (Amer.); adj. gezellig, vriendelijk: (Dancing-school)Sociables= gesloten gezelschappen (voor dansen, etc.);Sociableness= gezelligheid.Social,souš’l, maatschappelijk, sociaal, gezellig (levend):Social democrats= socialisten;Social evils= maatschappelijke kwalen;Ants aresocial insects= vormen eene maatschappij;Social intercourse= gezellige omgang;Social love= naastenliefde;Social science= sociale wetenschap;Socialism= het socialisme;Socialist, subst. sociaal-democraat; adj. socialistisch:Socialist of the chair= kathedersocialist;Sociality,soušaliti, gezelligheid;Socialize, gezellig maken, inrichten volgens de beginselen derSocialists.Societish,səsaiitiš, veel uitgaand, wereldsch;Society,səsaiiti, maatschappij, genootschap, gemeenschap, vereeniging, compagnie; de groote wereld:She wasa society actress= actrice voor de groote wereld;Society Islands;Society journal= dagblad dat het leven der hoogere standen behelst;Society paragraphs= berichten uit en over de groote wereld;Society scandals= “chronique scandaleuse”;Togo into society= uitgaan.Socinian,səsinj’n, Sociniaan;Socinianism= de leer van Socinius.Sociologic(al),soušəlodžik(’l), sociologisch;Sociologist= socioloog;Sociology,soušolədži, sociologie.Sock,sok, sok, sandaal; blijspel, ploegschaar, inlegzool.Socket,sokət, holte, kas, socket:His arm isout of the socket= uit het “potje”, is ontwricht;The candles hadburned down into the sockets= tot in de pijp;His eyesstarted from their sockets= puilden uit hunne kassen;Socket-joint= kogelscharnier;Socket-pole= met ijzer beslagen vaarboom (Amer.);Socketed= met eene holte.Socle,souk’l, sokkel.Socotra,sokətrə,səkoutrə;Socotrine,sokətrin, subst. bewoner van S.; adj. tot S. behoorende.Socrates,sokrətîz, Socrates;Socratic(al),səkratik(’l), Socratisch;Socratic method;Socratism= leer van Socrates;Socratist= volgeling van Socrates.Sod,sod, subst. zode;Sodverb. met zoden bedekken;Sod-seat= zodenbank;Soddy= met zoden bedekt.[518]Soda,soudə, soda;Soda-salt= soda-zout;Sodawater= spuitwater.Sodality,sədaliti, broederschap, gemeenschap.Sodden,sod’n, adj. gekookt, doorweekt, geweekt, niet doorbakken;Soddenverb. doorweekt worden, bezinken, doorweeken, doortrekken:Sodden withvice= van misdaad doortrokken;A sodden drunkard= een groote zuiplap;A sodden sky= met waterdamp bezwangerde lucht;Sodden vegetables= waterige; subst.Soddenness.Sodger,soudžə=Soldier.Sodom,sod’m, Sodom;Sodomite,sodəmait, bewoner van S., iemand schuldig aanSodomy,sodəmi.Sofa,soufə, sofa:Sofa-cushion;Sofa-table.Sofi,soufi, Mahom. monnik;Sofism= Sufismus, een Mahom. mysticisme.Soft,soft, zacht, week, vochtig, langzaam, sullig, teeder, verliefd, vreesachtig, zoetsappig:Soft and fair goes far= haastige spoed is zelden goed;He is asoft Johnny (Head)= onnoozele bloed;Soft money= papieren geld;The soft sex= de teedere kunne;You have got on his soft side= hij heeft een zwak voor je;Soft Tommy= week brood (scheepst.);Soft-hearted= teerhartig;Soft-roe= hom;Soft-sawder,soft-sôdə, vleierij; ook verb. =Soft-soap:We’ll tryto soft-soap him= te vleien;Soft-spoken= vriendelijk, zacht;Soften,sof’n, verzachten, verteederen, verweekelijken, bemantelen:Hesofted at sight of his victim= kreeg medelijden;He wassofted into forgiving me= bewogen;Softing of the brain=Cerebral softing= hersenverweeking:Softish= weekachtig;Softness= zachtheid, etc.;Softy= sul.Soggy,sogi, doorweekt, doornat, drassig.Soho,souhou, interj. helà! hei daar! zacht wat (jagersroep tegen de honden);Soho(souhou)Square.Soil,sôil, subst. grond, bodem, land, smet, vlek, vuiligheid, poel;Soilverb. vuil maken, bezoedelen, besmetten, in den stal met versch gras voeden, purgeeren door groen voedsel:The deer hastaken soil= is gaan drinken;Totake soil= toevlucht zoeken;Soil-pipe= afvoerbuis (vooral voor faecaliën).Sojourn,soudž’n, subst. tijdelijk verblijf;Sojournverb. vertoeven, tijdelijk verblijven;Sojourner,soudžɐ̂nə, gast, reiziger.Soko,soukou, soort chimpansé.Sol,sol, subst. zon, goud (in herald. en alchemie), sol (muz.);Solverb. de toonschaal van ut (c) zingen =Sol-fa,soul-fâ,sol fâ.Sola,soulâ, hei daar! houd op!Solace,solis, subst. troost;Solaceverb. troosten, opvroolijken, verlichten:Toderive solace from= troost scheppen;Solacement= vertroosting, etc.Solan goose,soul’ngûs, Jan v. Gent.Solanine,solənîn, solanine.Solano,səlânou, vochtige Oostenwind (Middell. Zee).Solanum,səlein’m, nachtschade.Solar,soulə, zonne.…:Solar eclipse;Solar flowers= zonnebloemen;Solar microscope= zonnemicroscoop;Solar myth= zonnemythe;Solar spectrum;Solar spots= zonnevlekken;Solar system= zonnestelsel;Solar year= zonnejaar;Solarization, subst. v.Solarize= te lang aan het zonlicht blootstellen.Solatium,səleišəm, schadeloosstelling.Sold,sould, imperf. en p. perf.vanto sell.Soldan,sold’n, sultan.Solder,so(l)də, subst.soldeersel, kleefsel; vleierij;Solderverb. soldeeren;Solderer;Soldering:Soldering-bolt,Soldering-iron= soldeerbout;Soldering-lamp.
Slav,slâv,slav, subst. een der Slaven;Slavic= Slavisch(e taal).
Slave,sleiv, subst. slaaf, slavin, arme ploeteraar;Slaveverb. slaven, hard zwoegen:Aslave to drink= verslaafd aan;He is aslave tohis wild passions= de slaaf zijner;Slave-coast= slavenkust;Slave-dealer= slavenhandelaar;Slave-dealing;Slave-driver= slavendrijver;Slave-grown= door slavenarbeid voortgebracht;Slave-holder= slavenhouder;Slave-owner;Slave-states= staten waar de slavenhandel bestond (Amer.);Slave-trade= slavenhandel;Slaver= slavenhandelaar;Slavery= slavernij, afmattende en ploeterende arbeid;Slavey= dienstmeisje.
Slaver,slavə, subst. speeksel, kwijl;Slaververb. kwijlen;Slaverer= kwijler, idioot.
Slavish,sleiviš= slaafsch; subst.Slavishness.
Slavonia,sləvouniə;Slavonian= Slavonisch;Slavoniër= Slavonic.
Slaw,slô, koolsla (Amer.).
Slay,slei, dooden, vernietigen, vermoorden, te gronde richten;Slayer.
Sleave,slîv, subst. streng vlos- of vlokzijde (=Sleave-silk);Sleaveverb. in strengen verdeelen, opwinden.
Sleazy,slîzi, dun, licht.
Sled,sled, subst. slede;Sledverb. in een slede vervoeren.
Sledge,sledž, subst. slede; vóórhamer;Sledgeverb. in eene slede vervoeren of reizen:Sledge-chair= slede;Sledge-coach= sleepkoetsje;Sledge-hammer= vóórhamer.
Sleek,slîk, zacht, glanzend, glad, sluw, slim, handig, vlug;Sleekverb. glad maken (kammen), kalmeeren, vergoelijken (over); sluipen:Sleek hair= glad, glanzend haar;Sleek-headed= met glad gekamd haar;Sleek-stone= polijststeen;Sleekness= gladheid, etc.;Sleeky= glad, zacht, sluw.
Sleep,slîp, subst. slaap, doodslaap;Sleepverb. slapen, sluimeren, soezen, staan (van tollen):To takea sleep;Beauty sleep= slaap vóór middernacht;Tosleep the sleep of the just;I amdying with sleep= val om v. slaap;The motherlulled (sang) her child to sleep= suste (zong) haar kind in slaap;Tostart from one’s sleep= wakker schrikken;Tosleep the clock round;I haveslept like a top= geslapen als een roos;He hasslept himself sober= zijn roes uitgeslapen;Heslept away the best part of (the) day= versliep het mooiste deel v. den dag;Heslept far into the following day= een gat in den dag;I have got a headache, and must try tosleep it off= moet er door slapen zien af te komen;Tosleep on (upon)= zich beslapen op;I neversleep out= ben ’s nachts nooit buitenshuis;Iwill sleep overit= zal er mij eens op beslapen;Sleep-drunk;Sleep-headed;Sleep-walker= slaapwandelaar;Sleep-walking;Sleeper= slaper, dwarslegger (spoor); slaapwagon (Amer.);Sleepiness= slaperigheid;Sleeping:Sleeping Beauty in the Wood= de Schoone Slaapster;Sleeping-car=Sleeping-carriage= slaapwagon;Sleeping-cup= slaapdrank;Sleeping-dropsy (Sleeping-evil, Sleeping-sickness)= slaapziekte;Sleeping-partner= stille vennoot;Sleeping-room= slaapkamer;Sleepless; subst.Sleeplessness;Sleepy= slaperig:Sleepy drink (potion)= slaapdrank;Sleepyhead= slaapkop.
Sleet,slît, subst. natte sneeuw(bui) met hagel;Sleetverb. sneeuwen (of hagelen) met regen; adj.Sleety.
Sleeve,slîv, subst. mouw;Sleeveverb. van mouwen voorzien:Hechuckled (laughed) in his sleeve= lachte in zijn vuistje;Tocreep up a person’s sleeves= in de mouw (zak) kruipen, vleien;Tohave in one’s sleeve= (iets) achter de hand hebben;Hehad several cards up his sleeve= in de mouw;Towear one’s heart on one’s sleeve= zijn hart op de tong hebben;Sleeve-button;Sleeve-link= kettingknoopje;Sleeveless= zonder mouwen.
Sleigh,slei, slede (Am.);Sleighverb. sledevaren;Sleigh-bells= sledebellen;Sleighing-party= sledevaart.
Sleight,slait, kunstgreep, behendigheid, listige zet:Sleight of hand= handhabiliteit (bij het goochelen).
Slender,slendə, slank, dun, zwak, spichtig, gering, onvoldoende, armzalig, bescheiden:He is a manof slender parts= van geringe talenten; subst.Slenderness.
Slept,slept, imperf. en part. perf. vanto sleep.
Sleswick,sleswik, Sleeswijk.
Sleuth,slûth, spoor;Sleuth-hound= bloed- of speurhond.
Slew, imperf. vanto slay; zie ookSlue.
Slice,slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (=Fish-slice), spatel, vuurschop;Sliceverb. in dunne sneden snijden:A slice of[512]bread and butter= boterham;They had their ears sliced= hun werden de ooren afgesneden;Slicer.
Slick,slik, gestampt en gewasschen erts.
Slick=Sleek(Amer.).
Slid,slid, imp. en part. perf. vanto slide.
Slidder(y),slidəri=slippery.
Slide,slaid, subst. glijbaan, hellend vlak, schuif, aardverschuiving;Slideverb. glijden, zacht overgaan, schuiven:Hetook a slide down the street= ging baantje glijden op straat;Heslid back the door (slid the door close)= open (dicht)schuiven;Weslid down the slope= gleden de helling af;We willlet things slide a little= een tijdje op hun beloop laten;Sliding= glijdend, glij.., schuif.., onzeker; subst. overtreding:Sliding-case= stoomschuif;Sliding-doors;Sliding-knot= slipknoop;Sliding-seat= glijbank in een giek:I am used tofixed seatsand not toSliding-seats(=Sliders);Sliding-scale= schaal die al naar de omstandigheden verandert;His slidings aremany= overtredingen.
Slight,slait, subst. minachting, verwaarloozing, geringschatting; adj. gering, onbeteekenend, zwak, dun, tenger, oppervlakkig, vluchtig;Slightverb. versmaden, verwaarloozen, verachten:Tomake slight of= geringschatten;My letters and advice wereslighted (off)= werden versmaad, verachtelijk ter zijde gelegd;You haveslighted overyour work= afgeroffeld;Slight-built= tenger gebouwd;Slighter;Slightness= zwakheid, onbeduidendheid, geringschatting, minachting, vluchtigheid, oppervlakkigheid.
Sligo,slaigou.
Slily,slaili, op listige wijze.
Slim,slim, dun, slank, schraal; subst.Slimness.
Slime,slaim, slijk, slik, slijm;Slimeverb. met slijm bedekken, het slijm verwijderen;Sliminess, subst. v.Slimy= slibbig, slijkachtig, kleverig.
Sling,sliŋ, subst, slinger, zwaai, slag, draagband, riem, strop; soort van grog (met geraspte muskaat);Slingverb. slingeren, werpen, zwaaien, met lange, veerkrachtige stappen loopen:He had his armin a sling= in een doek;Heslung his hook= hij schuurde zijne piek (fig.);Slinger.
Slink,sliŋk, (weg)sluipen, ontijdig werpen; subst. te vroeg geworpen dier; adj. onrijp, lang en dun, waardeloos.
Slip,slip, subst. ontglipping, vergissing, abuis; takje, loot, stekje, reepje, koppel of ketting voor honden, jong ding, saut-de-lit, (scheeps)helling, rij plaatsen in een kerk (Amer.), nauwe gang achter de loges;Slipverb. glippen, uitglijden, wegsluipen, struikelen (fig.), zondigen, zich verpraten, laten glijden, loslaten, ontijdig werpen, schuiven, heimelijk stoppen in, snel aanschieten, afsnijden (van takken of loten):I sawsome rosy little slips in the nursery= blozende snoesjes;Aslip of a fellow= dreumes;A slip of a girl= kleine peuter;Aslip of the memory, the pen, the tongue= vergissing, verschrijving, etc.;Hegave me the slip= hij ontglipte mij, liet mij zitten;Toget the slip= een korf krijgen;My health oftenmakes a slip= laat mij vaak in den steek;Tomake a slip= een “misstap” doen;My foot slippedand I fell= ik gleed uit;The cable was slipped= men liet slippen;Toslip the collar= de halster strijken, vrij komen:Tolet slip the dogs= loslaten;It has slipped my memory= is mij ontgaan;Toslip one’s foot= uitglijden;Toslip away= heimelijk weggaan;You must notallow the opportunity to slip (by)= niet laten voorbijgaan;My socks willslip down=zakken altijd af;Many errorsslipped intothe first edition= slopen in;Islipped offmy mantle= legde af;Islipped onmy trousers andslippers= ik schoot aan;Toslip out= zich handig ergens afmaken; laten vallen;Slip-bolt= grendel;Slip-carriage= slipwagon;Slip-cover= stofkleed;Slip-knot= schuifknoop;Slip-rope=- sliplijn (op een kabel);Slipshod= met afgetrapte hakken, slordig:It is written inSlipshod English= in slordig E.;Hewent slipshodall over the house= slofte het geheele huis door;Slip-train= sliptrein;Slipper= pantoffel, remschoen; morsschort (Amer.):Theyplayed at hunt the slipper= speelden “slofje onder”;Slipperiness, subst. v.Slippery= glibberig, glad, onvast, onzeker, sluw, listig:It’s a slippery ground to walk upon= dat is wagen op glad ijs;He isthe slipperiest rascalI ever heard of= de gladste schurk;Slipping of the soil= grondverschuiving.
Slipslop,slipslop, subst. slappe drank, prullerig werk, slordig gebruik van een woord voor een ander, als:prodigyvoorprotégé, etc.; adj. armzalig, prullerig.
Slish,sliš, slag, houw:Slish and slash= klits klats.
Slit,slit, subst. split, reet, lange snede, sponning;Slitverb. in de lengte snijden,in lange reepen snijden, verdeelen, splijten, klooven:His mouth wasof a reptilian width of slit= hij had een mond als een brievenbus;Ishot the letter into the slit= gleuf;His eyes werelike two shining slits= glinsterende streepen;Slitter;Slitting-mill= machine om hout, metaal of steenen te splijten;Slitlike= als een spleet:Slitlike eyes.
Sliver,sl(a)ivə, subst. afgesneden of afgescheurd stuk, sneetje, tak;Sliververb. in lange, dunne stukken verdeelen, splijten, spouwen.
Sloam,sloum, leemlaag tusschen zand- en kolenlagen.
Slobber,slobə, kwijlen, kindsch zijn, bekwijlen; subst. kwijl:They willslobber their gownswithout the pinafores= ze bemorsen hare jurken;Slobberer;Slobbery= modderig, vochtig,kwijlend.
Sloe,slou,sleepruim, sleeboom;Sloe-black= blauwzwart.
Slog,slog, ranselen; subst. kloppartij;Slogger= bokser, die er op los beukt.
Slogan,sloug’n, oorlogskreet der Hooglanders.
Slojd,slôid, slojd.[513]
Sloop,slûp, sloep:Sloop of war= corvet.
Slop,slop, subst. gestort water, poel, kleermaker (Slops= spoelwater, slappe thee, slap soepje voor patienten); goedkoope confectiekleeren; wijde broek, kleeren en beddegoed tegen kostenden prijs aan marinematrozen verstrekt;Slopverb. morsen, storten:Woodcuts looselyslopped overwith watercolours= slordig met waterverf besmeerd;Slop-basin,Slop-bowl= spoelkom;Slop-made= saamgeflanst;Slop-pail= toilet-emmer;Slop-seller= houder van eenSlop-shop= winkel voorSlops;Slop-work= prullewerk; goedkoope schoenen (kleeren, meubelen);Sloppiness, subst. v.Sloppy= nat, modderig, morsig, slordig:Sloppy, slithery turf= drassige, glibberige zoden.
Slope,sloup, subst. helling of schuinte;Slopeverb. hellen, schuin afloopen, bedriegen en zich uit de voeten maken, doen hellen, schuin houden:Slope arms!= over geweer!
Slosh,sloš, natte sneeuw en modder.
Slot,slot, subst. gleuf, sponning, spoor (van een hert);Slot-machine= automaat;Slot-meter= muntmeter.
Sloth,slouth, traagheid, luiheid, onverschilligheid; luiaard of ai;Slothful= lui, traag; subst.Slothfulness.
Slouch,slautš, subst. het laten hangen van het hoofd, slappe en boersche gang, lompe en logge vent, sukkel;Slouchverb. slungelig loopen (zitten), slap neerhangen, laten hangen, neerdrukken (van den hoed):No slouch ata party canvass= hij weet zijn mondje te roeren (bij);Slouch-hat= hoed met breeden, slappen rand.
Slough,slau, poel, moeras;Sloughy= moerassig.
Slough,slɐf, subst. afgeworpen slangevel, korst of roof (van eene wond);Sloughverb. scheiden, afwerpen, afvallen (als een roof, korst of huid);Sloughy= korstig.
Slovak,sləvak, Slavisch bewoner v. Noord-Hongarije =Slovakian.
Sloven,slɐv’n, vuilpoes, morsebel;Slovenliness= slordigheid.
Slow,slou, adj. langzaam, bedachtzaam, traag, achterlijk, saai, vervelend, levenloos;Slowverb. de snelheid verminderen:Safely and slow, they stumble who run fast= hardloopers zijn doodloopers;Slow and sure (steady) wins the race= langzaam maar zeker;Slow coach= langzaam, vervelend persoon;A slow dinner, person, town= saai;Slow fever= binnenkoorts;Aslow train= boemeltrein;My watch is slow= is achter;Writing a dictionary isslow work= schiet niet op;The ship wasslowed down= de vaart werd verminderd;The ascentslowed upthe vehicle= deed langzamer gaan;Slow-gaited= zich langzaam bewegend;Slow-match= lont;Slow-paced= met langzamen schred;Slow-witted= traag van begrip;Slow-worm= hazelworm;Slowness= langzaamheid, etc.
Slub,slɐb, subst. grof gesponnen wol;Slubverb. voor- of grofspinnen.
Slubber,slɐbə, bezoedelen, bemorsen.
Sludge,slɐdž, modder, modderige sneeuw, ijsmassa; adj.Sludgy.
Slue,slû, omdraaien (om eene spil).
Slug,slɐg, luipaard; (naakte) slak (=Slug-snail); onregelmatig gevormd stuk metaal als kogel;Slug-a-bed= langslaper;Sluggard= luilak;Sluggish= lui, traag; subst.Sluggishness.
Sluice,slûs, subst. sluis, sluiswater (inspuit)kraan;Sluiceverb. eene sluis openen, laten uitstroomen, bevloeien, spoelen:It is sluicing down= het valt met emmers uit de lucht;Sluice-chamber= kolk;Sluice-door,Sluice-gate= sluisdeur;Sluice-keeper= sluiswachter.
Sluit,slût=Sluice. (Z. Afr.).
Slum,slɐm, subst.slop, achterbuurt, vuil straatje,Slumverb. de achterbuurten bezoeken:Slum-bornchild;Theslums of the low London press= de (vuile) kolommen der Londensche vuile kranten;Togo slumming= de achterbuurten bezoeken.
Slumber,slɐmbə, subst. sluimering;Slumberverb. sluimeren;Slumberer;Slumberous= slaapwekkend, slaperig.
Slump,slɐmp, plotseling dalen van prijzen;Slumpverb. zakken door ijs, in sneeuw, plotseling dalen in prijs:Then the slump came= toen kwam de “krach”;Aslump in the saleof Christmas cards= plotselinge vermindering.
Slung,slɐŋ, imperf. en part. perf. vanto sling;Slung-shot= soort ploertendooder (Amer.).
Slunk,slɐŋk, imperf. en p. perf. vanto slink.
Slur,slɐ̂, subst. vlek, smet, schandvlek, verwijt, verbindingsteeken (muz.);Slurverb. bevlekken, besmetten, bezoedelen, losjes overheen loopen, bemantelen, onzuiver uitspreken, slepen (muz.):Hecast a slur on me= heeft een smet geworpen;Sheslursher th’s;Heslurred it over= liep er losjes overheen.
Slush,slɐš, subst. natte half gesmolten sneeuw, weeke modder; smeer;Slushverb. boenen, smeren;Slush-lamp= soort vetlamp;Slushy= slijkerig, modderig, nat.
Slut,slɐt, slons, slet, morsebel;Sluttery= vuilheid, slordigheid;Sluttish= slordig, morsig, vuil; subst.Sluttishness.
Sluys,slôis, Sluis.
Sly,slai, sluw, loos:He did iton (by) the sly= in ’t geniep;Sly-boots= slimmerd, looze kwant; subst.Slyness.
Smack,smak, subst. smaak(je), geur, oppervlakkige ondervinding of kennis, harde slag, klap, klapzoen; smak (schip);Smackverb. een smaak of geurtje hebben van (metof), een harden klap geven, barsten of kraken, laten knallen, smakken; interj. klets; klap!:Tosmack one’s lips;Tosmack a whip= doen knallen;What you say theresmacks of heresy= riekt naar ketterij.
Small,smôl, subst. het dunne of smalle deel van iets; adj. klein, gering, zwak, fijn, licht, onbeduidend, kleingeestig:Small of the back= kruis, lendenstreek;Smallseerste examen voor hetBachelorship te Oxf.; (ook =Small-clothes);I neverfelt so smallin my life= zoo klein (onbeteekenend, zoo deemoedig);Small beer= licht bier:He thinks nosmall beerof himself= heeft een[514]grooten dunk van;Do you think I will chronicle all thesmall beeryou talk? = uw gewauwel;Small card= lage;I was invited toa small and early dinner;how I hatethose smalls and earlies= familiare en vroege diners;Small fry= kleingoed (kinderen);The house sat intothe small hours= tot na middernacht;Small master= klein baasje;Small nuts= hazelnoten;He isa small partner= heeft een aandeeltje in de zaak;He is an autocratin a small way= een klein autocraatje;Small wonder!= geen wonder;Small wares= galanterieën, garen en band;Theybroke their small wits upon him= haalden hunne flauwiteiten tegen hem uit;Small-arms= draagbare wapenen;Small-clothes= korte broek;Small-coal= kolengruis;Small-craft= kleine vaartuigen;Small-hand= loopend schrift;Smallpox= kinderpokken;Small-talk= gesnap, gepraat;They areliterary small-talkers= letterkundige wauwelaars;Smallish= vrij klein, peuterig, popperig; subst.Smallness.
Smalt,smôlt, smalt, kobaltglas.
Smaragdine,sməragdin, als smaragd.
Smart,smât, subst. vinnige pijn, groote smart; adj. pijnlijk, vinnig, doordringend; krachtig, vlug, levendig, geestig, knap, sluw, bij-de-hand, elegant, fijn, kranig;Smartverb. scherpe pijn voelen, pijn doen, boeten, smart veroorzaken, lijden:You shall feel the smart of it= het zal je bitter berouwen;Helaved his smartin thoughts of his greatness= verzachtte zijne smart;The characters areclever without being smart= knap geteekend zonder “mooidoenerij”;There is a danger in being smart= in het “aardig” willen wezen;That kind of society which is known as smart= als de groote wereld;He isas smart as threepence (sixpence)= zoo keurig alsof hij uit een doosje kwam;As smart as asteel trap= zoo glad als een aal;He issmarter than anything= iedereen te glad af;Isn’t hea smart little boy? = een bij-de-hand jongetje;My eyes smarta little;You’llsmart for it= er voor “hebben” of boeten;He is stillsmarting underhis loss= lijdt nog onder;Smart-looking= chic;Smart-money= rouwgeld, smartegeld, handgeld;Smart-ticket= bewijsstuk van ontvangen wonden, waardoor de drager aanspraak opsmart-money= smartegeld, heeft;Smarten= opschikken, mooi maken:I am goingto smarten myself up= mij opknappen;Smartness:Hissmartnessmars several passages= poging om aardig (geestig) te zijn.
Smash,smaš, subst. bankroet, smeet, botsing, vernieling, ontreddering;Smashverb. verpletteren, vernielen, stukslaan, verbrijzelen, platdrukken, breken, bankroet gaan, valsche munt in omloop brengen; adj. kapot, verloren:Gone to smash= op de flesch;The windows weresmashed= werden ingegooid;Smash-up= vermorzeling, verbrijzeling;Smasher= meisje, dat veel breekt, grof antwoord, scherp artikel, iets buitengewoons, valsch geld, iemand, die dit uitgeeft:Smashers out (of doors)= uitsmijters;The real purposegoes smash= gaat verloren;Smashing critique= vernietigende.
Smatter,smatə, subst. geringe en oppervlakkige kennis;Smatterverb. geringe kennis hebben van, oppervlakkig spreken:Hesmatters words in several languages= kakelt zoo’n beetje in allerlei talen;Hehas a smattering of Spanish= weet een beetje van het Spaansch;A smattering musketry was going on yet= hier en daar hoorde men nog een enkel geweerschot;Smatterer= halfweter, oppervlakkig kenner.
Smear,smîə, subst. vlek, smet;Smearverb. besmeren, insmeren, bezoedelen.
Smell,smel, subst. reuk, geur;Smellverb. ruiken, rieken, speuren:Youretain the smell= je ruikt er nog naar;He neversmelt powder as yet= is nog nooit in ’t vuur geweest;Hesmelt it out= heeft het uitgevorscht;The winesmells of the cork= ruikt naar den kurk;Smeller= baardhaar (v. een kat), (slag op den) neus;Smelling:Smelling-bottle= reukfleschje;Smelling-salts;Smelling-water;Smelly children= viesruikende.
Smelt,smelt, imperf. en part. perf. vanto smell.
Smelt,smelt, subst. spiering:He isas dead as a smelt= zoo dood als een pier.
Smelt,smelt, smelten;Smelter;Smeltery= smelterij;Smelting:Smelt-furnace= smeltoven;Smelt-pot;Smelt-works.
Smerk(y),smɐ̂k(i), keurig, netjes, fijn, kranig.
Smew,smjû, nonnetje (vogel).
Smiddy,smidi,ZieSmithy.
Smiffle,smif’l, verk. vanSmithfield.
Smile,smail, subst. glimlach, vriendelijk gezicht, gunst, “hapje” of slokje (Amer.);Smileverb. glimlachen, vriendelijk kijken, een “hapje” nemen:She was all smiles (and graces)= poeslief;Hegave me a smile= hij glimlachte tegen mij;Wesmiled our thanks= drukten uit door een glimlach;Hesmiled at me= glimlachte tegen mij;I havesmiled awayhis cares= door een vriendelijken blik zijne zorgen verdreven;Wesmiled him into good humour= door onze vriendelijke blikken brachten we hem weer in zijn humeur;Fatesmiles upon us= is ons gunstig of genegen;The idea does notsmile upon me= lacht me niet toe;Smiler.
Smirch,smɐ̂tš, bekladden, bevuilen, besmeren; subst. klad.
Smirk,smɐ̂k, subst. gemaakte glimlach; adj. fijn, keurig;Smirkverb. gemaakt glimlachen, meesmuilen.
Smite,smait, slaan, treffen (on), dooden, vernietigen, overkomen;Smiter.
Smith,smith, smid:Smith’s coal= smeekolen;Smithwork;Smithy,smithi, smederij.
Smithereens,smidhərînz:The powderblew the house to smithereens= vernietigde het huis geheel;Toknock to smithereens= tot gruis slaan.
Smitten,smit’n, p.p. v.to smite:Arctic-smitten= verzot op Noordpoolreizen;Smitten withastonishment= verbluft;Smitten with her, withlove= verliefd.
Smock,smok, (vrouwen)hemd, (boeren)kiel =Smock-frock;Smock-mill= Hollandsche windmolen[515]waarbij slechts het bovenstuk draaibaar is.
Smoke,smouk, subst. rook, damp, uitwaseming, iets onbeduidends;Smokeverb. rooken, uitkloppen, afkloppen, uitrooken:There is no smoke without a fire= men noemt geen koe bont of er is een vlekje aan;Will youhave a smoke? = eens opsteken;I’ll make your back smoke for it= je een pak ransel geven;Put that in your pipe and smoke it= steek dat in je zak (fig.);Tosmoke off= in een stofwolk wegrennen;Smoke-black= lampzwart;Smoke-consumer= rookverdrijver (werktuig);Smoke-dried= gerookt (van vleesch b.v.);Smoke-jack= toestel om een braadspit door den rook in den schoorsteen te doen draaien;Smoke-room= rookkamer;Smoke-stack= pijp;Smoked spectacles= bril met zeer donkere glazen;Smoker= rooker, rookcoupé:Agreat (heavy) smoker;Smokiness= rookerigheid;Smoking:No smoking allowed= hier mag niet gerookt worden;Smoking-cap= kalotje, mutsje;Smoking-carriage;Smoking-compartment;Smoking-room= rookkamer.
Smollett,smolət.
Smolt,smoult, jonge zalm in ’t 2de jaar.
Smooth,smûdh, subst. grasvlakte (Amer.); adj. glad, vlak, zacht, glanzig, effen, aangenaam, vriendelijk, vleiend;Smoothverb. glad maken of worden, glad strijken, bemantelen, kalmeeren, uit den weg ruimen, gemakkelijk maken:Togive a smooth to one’s hair= zijn haar glad strijken;That songsmoothed his forehead= streek zijne rimpels weg;Hesmoothed the pathfor me= effende;The report wassmoothed downa little= werd verzacht;I shall try tosmooth him down= te kalmeeren;A smooth-bore gun= gladloop (kanon of geweer);Smooth-chinned= baardeloos;Smooth-faced= met glad, baardeloos, vriendelijk gelaat;Smooth-shaven= glad geschoren;Smooth-speeched,Smooth-spoken;Smooth-tongued= vleierig;Smoothing:Smoothing-iron= strijkijzer;Smoothing-plane= gladschaaf; subst.Smoothness.
Smote,smout, imperf. vanto smite.
Smother,smɐdhə, subst.dichte rook, walm;Smotherverb. smoren, verstikken, stikken, onderdrukken, smeulen;Smothery= rookerig, walmig, verstikkend.
Smoulder,smouldə, smeulen.
Smudge,smɐdž, subst. vlek, smet, smeer, verstikkende rook, smeulend vuur (tegen muskieten);Smudgeverb. zwart maken, door rook bevuilen, knoeien.
Smug,smɐg, subst. poenig, ingebeeld persoon; adj. netjes, keurig, opgesmukt, gemaakt; subst.Smugness.
Smuggle,smɐg’l, smokkelen (in, out);Smuggler= smokkelaar (ook het schip).
Smut,smɐt, subst. vlek, roet, roetvlek (Smuts= roetvlokken), vuile taal; roest in ’t graan;Smutverb. bevlekken, bevuilen, roestig worden (van koren):His linen had suffered fromthe smuts of a London fog= de roetdeeltjes van een L. mist;Smuttiness, subst. v.Smutty= vuil, door roest aangetast, zedeloos.
Smutch,smɐtš, subst. vuile vlek, smet;Smutchverb. bevuilen met rook, roet, etc.
Snack,snak, lichte, in haast gebruikte maaltijd; deel;Snackverb. deelen:Shall we go snacks?= zullen we samen deelen;Totake a hasty snack= haastig twaalfuurtje.
Snaffle,snaf’l, trens (=Snaffle-bit);Snaffleverb. de trens aanleggen, beteugelen.
Snag,snag, afgebroken tak, knoest, uitsteeksel, bult, boomstam (met het eene eind in den bodem der rivier vastgeraakt, Amer.);Snagverb. knoesten afkappen; tegensnagsaanvaren:A bird in the bag is worth two on the snag;Snagged= volSnags;Snaggy= knoestig, boos, korzelig.
Snail,sneil, subst. huisjesslak, langzaam persoon:At a snail’s gallop (pace, post, trot)= in den slakkengang;Snail-shell= slakkenhuis;Snail-trefoil= rupsklaver;Snail-like= slakachtig, langzaam.
Snake,sneik, subst. slang, adder;Snakeverb. spiraalsgewijs omwinden, kronkelen, uittrekken:There is a snake in the grass= er schuilt een adder onder ’t gras;Spectacled snake= brilslang;Snake-fence= zigzagschutting (Amer.);Snake-root= senegawortel;Snake-stone= slangensteen;Snake-weed= adderwortel;Snakish= slangachtig;Snaky= als eene slang, kronkelend, sluw, bedriegelijk;Snake-headed= met slangen in plaats van haar op het hoofd (zooals de wraakgodinnen).
Snap,snap, subst. plotselinge breuk, hap of beet, geknal, veer of knip, momentopname; plotseling omslaand weer (A cold snap), broos gebakje, kinderspelletje (met kaarten), energie, diefstal; adj. vlug, snel, plotseling;Snapverb. plotseling breken, afknappen, ketsen, dichtknippen, hard dichtklappen, plotseling grijpen of vangen, toesnauwen (Snap up short), bijten naar, dadelijk toehappen (bij een aanbod), afdrukken:I do notcare a snap of my fingers= geef er geen lor om;The piece willgo with a snap= zal “gaan” als een lier (Amer.);She has no go or snap about her= d’r zit geen “fut” in haar;Ministers tried to capture a fresh majority bya snap dissolution= door eene onverwachte ontbinding;Isnap my fingers atyou= je bent me geen knip voor den neus waard;Hesnapped atthe proposal= hapte dadelijk toe;Shesnapped atthe servants= snauwde af;The chainsnapped (off)= knapte plotseling af;Isnapped him up severely= maakte hem een hevig standje;The whips snapped= klapten;Snap-beetle= kniptor;Snap-dragon= spelletje waarbij rozijnen uit brandenden brandewijn worden gegrepen en opgegeten; groote leeuwenbek;Snap-shot= schot in ’t wild; momentopname in eenkodak; ook verb.:I took two snap-shotsat the building= nam twee “kiekjes”;Snap-vote= stemming door opsteken der handen;Snapper= zweepslag, knalbonbon;Snappers= castagnetten;Snappish= scherp, bits, vinnig; subst.Snappishness.
Snare,snêə, subst. strik, lus;Snareverb. verstrikken;Snare-drum= kleine militaire trom;Snarer= strikkenspanner.
Snarl,snâl, subst. grauw, snauw; verwikkeling, verwarring, klem, moeielijkheid;Snarlverb. grommen, knorren, verwarren, verstrikken:[516]I amsnarled at by everybody= iedereen snauwt mij af;Snarler= brompot; ruziemaker.
Snatch,snatš, subst. greep, ruk; beet, hap, brok, stuk van een lied, deel;Snatchverb. zonder komplimenten pakken, snel en plotseling grijpen, in haast gebruiken, gappen, rooven:We did itby snatches= nu en dan eens, bij gedeelten;Snatches of information= inlichtingen bij stukken en brokken;Snatches of old melodies, songs;Snatches of sleep= hazeslaapjes;Tomake a snatch at= een greep doen naar;Hesnatched atmy right hand= deed een greep naar;Snatcher;Body snatching= lijkenroof.
Sneak,snîk, subst. gluiper, klikker, kruiper, gauwdief (ookSneak-thief);Sneakverb. gluipen, sluipen, klikken, gappen:You havesneaked of me= me verklapt;Sneaking:He may be a queer fellow, yet I havea sneaking kindnessfor him= mag ik hem eigenlijk wel.
Sneer,snîə, hoongelach, grijns, spottende blik;Sneerverb. den neus optrekken, spottend lachen, hoonen;Sneerer.
Sneeze,snîz, subst. het niezen;Sneezeverb. niezen:Five thousand a yearis not to be sneezed at= is niet te verachten;Sneeze-wort= nieskruid;Sneezing-powder= snuif.
Snick,snik, mes, litteeken, teeken:It wasa snick-a-snee,Snickersnee= gevecht met messen.
Snicker,snikə, onderdrukt (in zijn vuistje) lachen.
Sniff,snif, subst. gesnuffel, gesnuif;Sniffverb. snuiven, snuffelen, den neus optrekken voor(at), in den neus krijgen, ruiken:The dogsniffed atmy trousers.
Sniffle,snif’l, grienen, “snotteren”.
Snig,snig, kleine aal;Sniggle, aalvangen met het aas op een naald, die vastgemaakt is aan een lijn, en die met een kort stokje in de gaten gestoken wordt, waar men aal denkt te vinden; verstrikken, vangen;Sniggler.
Snigger,snigə, subst. gegichel;Sniggerverb. gichelen; Z.Snicker.
Snip,snip, subst. snipper, stukje; kleermaker;Snipverb. afknippen:You’ve onlyto say “snip”and my girl willsay “snap”= zegt, “kip ik heb je”;Snip-snap= scherpe woordenstrijd;Snipper= kleermaker;Snipper-snapper= kwast, sukkel.
Snipe,snaip, subst. snip; beunhaas (Amer.);Snipeverb. op snippen schieten.
Snippet,snipət, deel, stuk:Knowledgein snippets= bij stukjes en beetjes;A short story,a mere snippet;Snippety= kort afgebroken:His style, thoughtoo snippety,is clear and forcible= schoon wat hakkelig.
Snivel,sniv’l, subst. snot; huichelarij;Snivelverb. snuiven, snotteren; grienen, temen;Sniveller.
Snob,snob, poen, parvenu, onderkruiper; ploert (studententaal);Snobbery= naäperij der groote lui, poenigheid; adj.Snobbish; subst.Snobbishness=Snobbism;Snobocracy,snobokrəsi, dewould-begroote lui.
Snood,snûd, haarlint, dun lijntje waardoor de haak aan het hengelsnoer wordt bevestigd; ook verb.
Snoodle,snûd’l, gezellig of vertrouwelijk samen zitten:The old couplesat snoodled together,beaming with happiness.
Snook,snuk, op den loer liggen:Never again willI cut a snook,Sir= ik zal nooit weer iets in ’t geniep doen.
Snoop,snûp, (Amer.) snuffelen; subst. snuffelaar, bemoeial:Hewent about snooping(Amer.) = hij bemoeide zich met alles en nog wat.
Snooze,snûz, subst. dutje, slaapje, bed;Snoozeverb. dutten:Totake a snooze;Snoozer.
Snore,snö, subst. gesnork;Snoreverb. snorken;Snorer.
Snort,snöt, subst. het snuiven (paard);Snortverb. krachtig uitsnuiven;Snorter.
Snot,snot, snot, snotneus;Snottiness, subst. v.Snotty= snotterig, vuil, smerig.
Snout,snaut, subst. snuit, neus, mondstuk;Snoutverb. van een mondstuk voorzien.
Snow,snou, subst. sneeuw, snauw (soort vaartuig);Snowverb. sneeuwen, als sneeuw neervallen;Snowed in= ingesneeuwd;Snowed under= ondergesneeuwd, gevallen (v. een kandidaat bij verkiezingen, Amer.);Snowed up= ingesneeuwd;Snowball, subst. sneeuwbal (ook: Geldersche roos); neger (ironisch);Snowballverb. met sneeuwballen gooien =Toplay at (pitch, throw) snowballs;Snow-blind= sneeuwblind;Snow-bound= ingesneeuwd;Snow-broth= sneeuwwater, zeer koude drank;Snow-bunting= sneeuwvink;Snow-capt= met sneeuw op den top =Snow-crowned;Snow-drift= sneeuwbank, hoop samengejaagde sneeuw;Snow-drop= sneeuwklokje;Snowflake= sneeuwvlok;Snow-limit=Snow-line= sneeuwgrens;Snow-plough= sneeuwploeg, sneeuwopruimer;Snow-shed= reeks van afdaken om eene spoorbaan voor sneeuwstormen te vrijwaren;Snow-shoe= sneeuwschoen;Snow-slip= sneeuwstorting, lawine;Snow-storm= sneeuwjacht met harden wind;Snow-white= sneeuwwit;Snowlike= sneeuwachtig, sneeuwwit =Snowy.
Snowdon,snoud’n.
Snub,snɐb, subst. knoest; berisping, afwijzing; stompneus;Snubverb. afsnauwen, bits antwoorden, afwijzen, knotten:Thecable was snubbed= de lijn werd plotseling onder het afloopen ingehouden;Snub-nose= stompneus, platneus; adj.Snub-nosed.
Snuff,snɐf, subst. opsnuiving, snuif, snuitsel (van eene kaars);Snuffverb. snuiven, opsnuiven, besnuffelen, kwalijk nemen:A candle with a long snuff= verkoolde pit;A pinch of snuff= snuifje;He isup to snuff= glad, laat zich niet beetnemen;Totake snuff= snuiven;Totake snuff at= kwalijk nemen;Snuff-box= snuifdoos, neus (ironisch);Snuff-taker= snuiver;Snuffers= (kaars)snuiter;Snuffiness, subst. v.Snuffy;Snuffle, snuiven, door den neus spreken;Snuffles= verkoudheid:He hasgot the snuffles= hij haalt moeilijk adem en spreekt alsof hij zwaar verkouden is;Snuffy= als snuif, met snuif bemorst, verkouden, verdrietig, dronken.
Snug,snɐg, adj. gezellig, dicht opeengepakt, verscholen, sluw;Snugverb. zich vlijen tegen:Wekept it (nice and) snug= hielden het[517]geheim;Tolie snug= zich verdekt opstellen;Snuggery= gezellig warm vertrek, gelagkamer:This room isthe most comfortable snug in the house= het aangenaamste vertrek v. het huis;Snuggish= behagelijk;Snuggle= zich vlijen tegen:The childsnuggled close to its mother= vlijde zich tegen zijne moeder aan;Snugness= behagelijkheid, etc.
Snur,snɐ̂, snorken:The sleeping lionsmade a snurring sound.
So,sou, zoo, dat, zulks, zoodanig, dus, mits:Mr. So-and-so= Meneer “Dinges”;The BaronThus and so;Do itso as to pleaseyour parents= zóó dat gij;Yourso-calledfriends= zoogenaamde;So help me God= zoo waarlijk helpe mij God Almachtig;So far so good (right)= tot hiertoe is ’t in orde, gaat het goed;And so forth (on)= enzoovoort;So long= adieu, tot ziens!So many dinners for so many persons= een zeker aantal;He didnot so much asthank me= niet eens;That isso much the better= zooveel te beter;It is but so-so,don’t you think so too?= het is maar zoozoo (lalà) vindt gij dat ook niet?To be so-so= niet lekker, niet dàt;An hour or soafterwards;It’s raining so= het regent zoo;As the master so the man= zoo heer zoo knecht;If it were so= als het zoo ware;So to say= als het ware, om zoo te zeggen;I don’t care why you laugh,so that (so as) you laugh= als ge maar lacht;I told him to go there,and so he went= en daarom (dus) ging hij.
Soak,souk, weeken, in de week zetten (=Toput in soak), inzuigen, met vocht doortrekken, opslorpen, zuipen:The childrensoaked their breadin milk= weekten;Tosoak off= losweeken;I amsoaked withthe rain= doornat;Soaker= plasregen, zuiplap;It wasa soaking rain= het was een tot op de huid doordringende regen;They got a soaking= werden druipnat.
Soap,soup, subst. zeep; vleierij, steekpenning;Soapverb. zeepen, met zeep wasschen, vleien:Brown, Green soap= groene zeep;Acake, tablet of soap;Theysoaped the old maninto leaving them his property= met mooie praatjes kregen ze hem er toe;Soap-boiler= zeepzieder;Toblow soap-bubbles= bellen blazen;Soap-dish= zeepbakje;Soap-maker;Soap-pan= zeepketel;Soap-suds= zeepsop;Soap-work(s)= zeepziederij;Soapiness, subst. v.Soapy= zeepachtig, glad, zacht, met zeep besmeerd; vleierig, lievig.
Soar,sö, subst. hooge vlucht;Soarverb. omhoog vliegen, hoog vliegen, zich hoog verheffen:Hesoared aboveall his contemporaries= stond ver boven.
Sob,sob, subst. snik; verb. snikken.
Sober,soubə, matig, nuchter, verstandig, ernstig, bescheiden, eerbaar;Soberverb. ontnuchteren, kalm, ernstig worden:The departure of all my friendsmade me feel sober= stemde me ernstig;He hasslept himself sober= heeft zijn roes uitgeslapen;In sober earnest= kalm en ernstig;In sober reason= naar de nuchtere rede, het gezond verstand;Hesobered down intoa sensibleman = werd langzamerhand;Hesobered his laugh intoa smile= verminderde tot;Sober-headed= bezonnen;Sober-minded= kalm, bedaard; subst.Sober-mindedness;Sober-sides= saaie Piet;Soberness=Sobriety,səbraiiti, matigheid, onthouding, gematigdheid, ernst, deftigheid.
Sobriquet,soubrikei,soubrikei, bijnaam, scheldnaam.
Socage,sokidž, bezitting, waarop heerendiensten rusten;Socager= pachter v. zulk een bezitting.
Sociability,soušəbiliti, gezelligheid;Sociable,souš(i)b’l, subst. soort brik voor vier personen; driewieler voor twee personen naast elkaar, causeuse, gezellige samenkomst (Amer.); adj. gezellig, vriendelijk: (Dancing-school)Sociables= gesloten gezelschappen (voor dansen, etc.);Sociableness= gezelligheid.
Social,souš’l, maatschappelijk, sociaal, gezellig (levend):Social democrats= socialisten;Social evils= maatschappelijke kwalen;Ants aresocial insects= vormen eene maatschappij;Social intercourse= gezellige omgang;Social love= naastenliefde;Social science= sociale wetenschap;Socialism= het socialisme;Socialist, subst. sociaal-democraat; adj. socialistisch:Socialist of the chair= kathedersocialist;Sociality,soušaliti, gezelligheid;Socialize, gezellig maken, inrichten volgens de beginselen derSocialists.
Societish,səsaiitiš, veel uitgaand, wereldsch;Society,səsaiiti, maatschappij, genootschap, gemeenschap, vereeniging, compagnie; de groote wereld:She wasa society actress= actrice voor de groote wereld;Society Islands;Society journal= dagblad dat het leven der hoogere standen behelst;Society paragraphs= berichten uit en over de groote wereld;Society scandals= “chronique scandaleuse”;Togo into society= uitgaan.
Socinian,səsinj’n, Sociniaan;Socinianism= de leer van Socinius.
Sociologic(al),soušəlodžik(’l), sociologisch;Sociologist= socioloog;Sociology,soušolədži, sociologie.
Sock,sok, sok, sandaal; blijspel, ploegschaar, inlegzool.
Socket,sokət, holte, kas, socket:His arm isout of the socket= uit het “potje”, is ontwricht;The candles hadburned down into the sockets= tot in de pijp;His eyesstarted from their sockets= puilden uit hunne kassen;Socket-joint= kogelscharnier;Socket-pole= met ijzer beslagen vaarboom (Amer.);Socketed= met eene holte.
Socle,souk’l, sokkel.
Socotra,sokətrə,səkoutrə;Socotrine,sokətrin, subst. bewoner van S.; adj. tot S. behoorende.
Socrates,sokrətîz, Socrates;Socratic(al),səkratik(’l), Socratisch;Socratic method;Socratism= leer van Socrates;Socratist= volgeling van Socrates.
Sod,sod, subst. zode;Sodverb. met zoden bedekken;Sod-seat= zodenbank;Soddy= met zoden bedekt.[518]
Soda,soudə, soda;Soda-salt= soda-zout;Sodawater= spuitwater.
Sodality,sədaliti, broederschap, gemeenschap.
Sodden,sod’n, adj. gekookt, doorweekt, geweekt, niet doorbakken;Soddenverb. doorweekt worden, bezinken, doorweeken, doortrekken:Sodden withvice= van misdaad doortrokken;A sodden drunkard= een groote zuiplap;A sodden sky= met waterdamp bezwangerde lucht;Sodden vegetables= waterige; subst.Soddenness.
Sodger,soudžə=Soldier.
Sodom,sod’m, Sodom;Sodomite,sodəmait, bewoner van S., iemand schuldig aanSodomy,sodəmi.
Sofa,soufə, sofa:Sofa-cushion;Sofa-table.
Sofi,soufi, Mahom. monnik;Sofism= Sufismus, een Mahom. mysticisme.
Soft,soft, zacht, week, vochtig, langzaam, sullig, teeder, verliefd, vreesachtig, zoetsappig:Soft and fair goes far= haastige spoed is zelden goed;He is asoft Johnny (Head)= onnoozele bloed;Soft money= papieren geld;The soft sex= de teedere kunne;You have got on his soft side= hij heeft een zwak voor je;Soft Tommy= week brood (scheepst.);Soft-hearted= teerhartig;Soft-roe= hom;Soft-sawder,soft-sôdə, vleierij; ook verb. =Soft-soap:We’ll tryto soft-soap him= te vleien;Soft-spoken= vriendelijk, zacht;Soften,sof’n, verzachten, verteederen, verweekelijken, bemantelen:Hesofted at sight of his victim= kreeg medelijden;He wassofted into forgiving me= bewogen;Softing of the brain=Cerebral softing= hersenverweeking:Softish= weekachtig;Softness= zachtheid, etc.;Softy= sul.
Soggy,sogi, doorweekt, doornat, drassig.
Soho,souhou, interj. helà! hei daar! zacht wat (jagersroep tegen de honden);Soho(souhou)Square.
Soil,sôil, subst. grond, bodem, land, smet, vlek, vuiligheid, poel;Soilverb. vuil maken, bezoedelen, besmetten, in den stal met versch gras voeden, purgeeren door groen voedsel:The deer hastaken soil= is gaan drinken;Totake soil= toevlucht zoeken;Soil-pipe= afvoerbuis (vooral voor faecaliën).
Sojourn,soudž’n, subst. tijdelijk verblijf;Sojournverb. vertoeven, tijdelijk verblijven;Sojourner,soudžɐ̂nə, gast, reiziger.
Soko,soukou, soort chimpansé.
Sol,sol, subst. zon, goud (in herald. en alchemie), sol (muz.);Solverb. de toonschaal van ut (c) zingen =Sol-fa,soul-fâ,sol fâ.
Sola,soulâ, hei daar! houd op!
Solace,solis, subst. troost;Solaceverb. troosten, opvroolijken, verlichten:Toderive solace from= troost scheppen;Solacement= vertroosting, etc.
Solan goose,soul’ngûs, Jan v. Gent.
Solanine,solənîn, solanine.
Solano,səlânou, vochtige Oostenwind (Middell. Zee).
Solanum,səlein’m, nachtschade.
Solar,soulə, zonne.…:Solar eclipse;Solar flowers= zonnebloemen;Solar microscope= zonnemicroscoop;Solar myth= zonnemythe;Solar spectrum;Solar spots= zonnevlekken;Solar system= zonnestelsel;Solar year= zonnejaar;Solarization, subst. v.Solarize= te lang aan het zonlicht blootstellen.
Solatium,səleišəm, schadeloosstelling.
Sold,sould, imperf. en p. perf.vanto sell.
Soldan,sold’n, sultan.
Solder,so(l)də, subst.soldeersel, kleefsel; vleierij;Solderverb. soldeeren;Solderer;Soldering:Soldering-bolt,Soldering-iron= soldeerbout;Soldering-lamp.