Weal,wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen;Wealverb. striemen:Weal and woe= wel en wee;The common, general, public weal= het algemeene welzijn of nut.Wealth,welth, rijkdom, overvloed =Wealthiness; adj.Wealthy= rijk.Weald,wîld, open boschland:The Weald= zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.Wean,wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen:She had no desire towean him fromBessie= aan B. te onttroggelen;Weanling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.Weapon,wep’n, wapen, doorn, prikkel:I had no weapon handy but a poker= een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, weapons down” = handen omhoog, wapens neerleggen!Weaponed= gewapend, toegerust;Weaponless= ongewapend.Wear,wîə.Wear,wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode;Wearverb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip):The building and its ornaments had suffered much fromthe wear and tear of time= door den tand des tijds;There is yet a good year’s wear in that coat= die jas kan nog best een jaar gedragen worden;Tobe very little the worse for wear= nog niet veel versleten;Tobe all the wear= algemeen gedragen worden;Shewears the breeches= heeft de broek aan, is de baas;Hewore a look of amazement= keek verbaasd;She carried a mantle to wear it in the night-time= zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen;Youwear your sweet smileto day= hebt uw vriendelijken glimlach;Towear the willow= om de(n) geliefde treuren;Time hasworn awaymost of the inscription= afgesleten;The nightwore itself away= ging langzaam voorbij;One way and another the daywears away= op de een of andere manier komen we den dag door;These marks will neverwear away= zullen nooit weer uitslijten;The water hasworn offthe stone= rond gesleten;All his wild pranks willwear offwith time= al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan;Time wore on= ging voorbij;Towear out= afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen:I wasworn (out) withfatigue= kapot van, uitgeput;Towear ill= zich slecht houden;His patienceis wearing thin= raakt op;This clothwears well= houdt zich goed in het dragen;You wear (your age) well= gij houdt u goed voor uw leeftijd;Wearable= geschikt om te dragen;Wearer= drager, wat uitslijt;Wearing:Wearing-apparel= lijfdracht, kleederen.Weariness,wîrinəs, vermoeidheid;Wearisome= vermoeiend, vervelend; subst.Wearisomeness;Weary,wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk;Wearyverb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for):I amweary ofworking= het werken moe;I amweary withworking= moe van het werken;I soonwearied of(zeldenwith)the same succession of fields and houses= spoedig verveelde mij;The soldiers werewearied out= geheel uitgeput;To bewearied out of patience= zijn geduld verliezen.Weasand,wîz’nd, luchtpijp.Weasel,wîz’l, wezel:Catch a weasel asleep!= jij zult mij te pakken nemen!Weasel-faced= met een scherp en mager gezicht.Weather,wedhə, subst. weder of weer;Weatherverb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen:Fair, fine, settled weather= mooi, bestendig;Foul, Wild weather= slecht, onstuimig;How is the weather?=What is the weather like?= wat voor weer is het;The ship wasunder a stress of weather= had met hevige stormen te kampen;The weather has been very settledthese three weeks= wij hebben de laatste drie weken vast weer;The cold weather at last breaks= ten slotte slaat het weer om;The shipmakes good (bad) weather= houdt zich goed (slecht) in een storm;Tosing and dance all weathers= de huik naar den wind hangen;Weather and wind permitting= wind en weder dienende;Toweather a cape= bovenlangs zeilen;Toweather a point= bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden;Toweather a ship= de loef afsteken;This ship is sure toweather (out) the storm= dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in;Weather-anchor= anker aan de windzijde;Weather-beaten= door stormen geteisterd, verweerd:Aweather-beaten coast, face= eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat;Weather-bitten= verweerd;Weather-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (=Weather-boarding);Weather-boardingverb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.;Weather-bound= door het weer teruggehouden of opgehouden;Weather-box= weerhuisje;Weather-breeder= een mooie dag waarop zich een onweder schijnt[637]samen te pakken;Weather-cloth= verschansingskleed, presenning;Weathercock= weerhaan, wispelturig persoon:She is ratherweathercocky= wispelturig;Weather-eye:Hekeeps his weather-eye open= hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet;Weather-fish= modderkruiper;Weather-ga(u)ge, loef, voordeel:To get the weather-gauge of a person= iemand de loef afsteken;Weather-glass= weerglas;Weather-house= weerhuisje;Weather-mo(u)ldings= overhangende lijst (boven deur of venster);Weather-proof= tegen het weer bestand;Weather-prophet= weervoorspeller;Weather-quarter= loefzijde, windkant;Weather-report= weerbericht;Weather-roll= het overhalen van het schip naar loefzijde;Weather-side= loefzijde;Weather-strip= tochtlat;Weather-tide= stroom of tij van uit de lijzijde;Weather-vane= windwijzer;Weather-wise= weerkundig;Weather-worn= verweerd;Weathered= door het weer geteisterd, verweerd;Weathering= verweering; glooiing, afwatering;Weatherly= loefgierig.Weave,wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden:Toweave all pieces on the same loom= alles over één kam scheren;Weaver= wever;Weaver-bird= wever(vogel); draaikever;Weaver-fish= pieterman;Weaver’s shuttle= weversspoeltje;Weaving:Weaving-loom= weefgetouw.Weazen,wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager:A weazen, piping, shrill Hurrah!= een scherp, pieperig, schel Hoera!Weazen-faced= met mager, uitgedroogd gelaat; zieWizen.Web,web, subst.weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies;Webverb. als met een weefsel bedekken;Web-eye= nagelvlies op het oog;Web-foot= zwempoot;Web-footed= met zwempooten;Webbed= met zwemvliezen:Webbed feet;Webbing= geweven banden voor gordels, etc.Wed,wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren:He has beenwedded to truthfrom his infancy= de waarheid is zijne leidsvrouw geweest;Wedding= huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft:It was only a marriage and no wedding,there was no breakfast and no feasting= het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.;Silver, golden, diamond wedding= 25-, 50-, 60-jarige bruiloft;Paper, wooden, tin, crystal, china wedding= 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft;Wedding-breakfast= lunch na de huwelijksvoltrekking;Wedding-cake= bruiloftstaart;Wedding-card= huwelijkscommunicatie;Wedding-day= trouwdag;Wedding-dower= huwelijksgift;Wedding-favours= rozetten door de bedienden gedragen;Wedding-feast= huwelijksfeest;Wedding-garment;Wedding-gown;Wedding-ring= trouwring;Wedding-tour,Wedding-trip= huwelijksreis(je).Wedge,wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij hetClassical Tripos(het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge);Wedgeverb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen:Take care (beware) ofthe thin (small) end of the wedge= hoed u voor den eersten stap;Towedge one’s way= dringen door;Wedge-bone= wiggebeen;Wedge-inscription= opschrift in spijkerschrift;Wedge-shaped= wigvormig =Wedgewise.Wedgwood ware,wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinderJosiah Wedgwood(1730–95).Wedlockwedlok, huwelijk:Born out of wedlock= buiten huwelijk geboren;Toenter upon wedlock= in ’t huwelijk treden.Wednesbury,wenzb’ri.Wednesday,wenzdi, Woensdag.Wee,wî, klein:A wee bit= een klein beetje.Weed,wîd, subst. onkruid (ookfig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meestweeds);Weedverb. wieden, uitroeien, uitrukken:Are youa lover of the weed? = rookt gij graag;Ill weeds grow apace (never wither)= onkruid vergaat niet;She wasdressed in her (mourning) weeds= in haar weduwenrouw;Many defects will have to beweeded outfirst= uitgeroeid;Weed-grown= met onkruid begroeid;Weed(ing)-hook= wiedijzer;Weed-prairie= prairieland met veel wilde bloemen en struiken;Weeder= wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden;Weeding:Weeding-shears= wiedschaar;Weeding-tongs (Weeding-forceps)= wiedtang;Weediness, subst. v.Weedy= vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.Week,wîk, week:Will you comea week from Sunday= Zondag over eene week;Next week, Last week= aanstaande, verleden week;The last week= de laatste week;The next week= de volgende week;Next week or week after= de volgende week of de week daarna;To-day (This day) week= vandaag over acht dagen;Week and week about= om de andere week;Week in, week out= week in, week uit;I’ll call againa week or ten days after this= ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan;A prophetic week= zeven jaren;Weekday= werkdag;Week-end= van Zaterdag tot Maandagmorgen;Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.Ween,wîn, denken, wanen, meenen.Weep,wîp, subst. het schreien;Weepverb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn:Shehad a private weep= schreide in haar ééntje;Hewept for joy= hij schreide van vreugde;Theywept over their losses= schreiden bij (om) hun verlies;Weeper= weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (=Weepers); Amer. bruine aap:Drooping whiskers of the kind that used to be calledPiccadilly weepers;Weeping:Weeping-ash= treuresch;Weeping-birch= treurberk;Weeping-elm;Weeping-rock= dropsteen;Weeping-spring= sijpelende bron;Weeping-tree= treurboom;Weeping-willow= treurwilg.Weet,wît, watersnip, riethoen.[638]Weever,wîvə, pieterman (visch).Weevil,wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm;WeevilledWeevil(l)y= vol wormen.Weft,weft, inslag, weefsel.Weigh,wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.;van koren ± 1453,946 L.; ZieWey);Weighverb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten:We aregetting under weighat last= eindelijk gaan we anker op, op weg;He wasweighed and found wanting= gewogen en te licht bevonden;I have beenweighing itcarefully= zorgvuldig overwogen;Theyweighed anchor= zij lichtten het anker;His great responsibilityweighed him down= drukte hem;The flour wasweighed out tothe poor women= toegewogen;That does notweigh (with him)= dat beteekent niets (bij hem);Weigh-bridge= brugbalans;Weighable= weegbaar;Weighage,weiidž= weegloon; waaggeld;Weigher= weger;Weighing:Weighing-house= waag;Weighing-machine= bascule;Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed;Weightverb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren:Brute, Gross weight= bruto gewicht;Dead weight= zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.);Net weight= netto gewicht;Set of weights= stel;He isa person of some weight= beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien;The jovial light weightbecame a serious man= het vroolijke zieltje-zonder-zorg;You havegiven me short weight= gij hebt mij te weinig gewicht gegeven;Thathas no weight with me= weegt niet bij mij;Ithas a special weightjust now= is thans van bijzonder gewicht;This bookis worth its weight in gold= is zijn gewicht in goud waard;Tocarry great weight= van veel gewicht zijn;This I give you onlyto make weight= om het gewicht vol te maken;Topull up the weightsof the clock;His mind must not beweighted withall that stuff= niet bezwaard worden;His words wereweighted withthe sorrow of parting= waren droevig door;Weightiness, subst. v.Weighty= gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.Weir,wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.Weird,wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering:Weird Sisters= schikgodinnen;(= Weirds);Todree one’s weird= zich in zijn lot schikken (Schotl.).Welch,welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen;Welcher.Welcome,welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom;Welcomeverb. verwelkomen:Most welcome home= hartelijk welkom thuis;And welcome= en van harte;You are quite welcome to it= het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen;You are welcome to go= gij kunt om mij wel gaan;He might have died and welcome= om mijn part was hij doodgegaan;Tobid welcome= welkom heeten;Hemade us welcome= hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst;Tooutstay one’s welcome= langer blijven dan den gastheer aangenaam is;Welcomer= die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.Weld,weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen);Weldverb. wellen, nauw verbinden:His statements are not thrown together,but properly welded= maar zitten behoorlijk in elkaar;Weldable= wat geweld kan worden;Welder= wie welt;A welding heatcame from the furnace= eene verschrikkelijke hitte;Welding-furnace.Welfare,welfêə, welvaart, voorspoed.Welkin,welkin, hemelgewelf, zwerk.Well,wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar;Wellverb. opwellen, ontspringen, vloeien:Thewell of a carriage= flesschenkeldertje van een wagen;Thewell of an orchestra= zitplaats (in een theater) voor het orkest;She isat the wells= gebruikt de wateren;Tears wouldwell (up) into her eyes= welden dan op in hare oogen;The welling tearssuffused her eyes= de opwellende tranen;Well-boat= visschersschuit met bun;Well-deck= deel van het dek tusschen bak en groote hut;Well-drain= draineerbuis;Well-drainverb. draineeren;Well-head= bron, oorsprong, bronwel;Well-hole= ruimte voor ascenseur of wenteltrap;Well-room= drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat;Well-sinker= putgraver, -boorder;Well-spring= bron;Well-staircase= wenteltrap;Well-sweep= lange stok om water te putten;Well-water= wel- of bronwater.Well,wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle:I am very well= ik ben heel goed;I am well withthat family= op goeden voet;It is well with= staat goed met;Where it is well with me,there is my country= waar het mij goed gaat;That’s well= in orde;It is all very well for B.to talk of burning the books= B. kan wel zeggen, dat..;It is always wellto look ahead= het is altijd goed om;When the old die,it is well,they have had their time= is het maar goed;Ah, life is delicious;Well to live long! hoe heerlijk is het;The welland the ailing= gezonden;Well, I never= heb ik ooit van m’n leven!Well!= welnu! Hoe staat het? etc.;Well done= Bravo!All’s well that ends well= eind goed al goed;Leave well alone= het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan;Youhad as wellstay at home= ge deedt net zoo goed;He is virtuousas well asrich= zoowel … als;You maywell say so= dat zegt gij wél;All well and good= alles goed en wel;If you have some better engagementwell and good= enfin, dan is het niet anders;He was sittingwell backin his arm-chair= flink, ver achterover;The servant iswell enough,but= vrij goed;The clergy arewell to the forein this novel= spelen eene eerste rol;He iswell nigh sixty= welhaast;To bewell-off= goed[639]“af” zijn, het goed hebben;To bewell-off for= goed voorzien van;At six we werewell on our way= een heel eind op weg;We arewell on in July= een groot deel van Juli is al om;To bewell out of= gelukkig af zijn van;Before he waswell out ofthe room= goed en wel de kamer uit was;Well-a-day= helaas!Well-advised= goed geraden, welonderricht;Well-affected= genegen, welgezind;Well-appointed= volledig uitgerust, keurig ingericht;Well-authenticated= door goede autoriteit gestaafd;Well-balanced= evenredig, gelijkmatig;Well-behaved= van goed gedrag, fatsoenlijk;Well-being= welzijn;Well-beloved= veelgeliefd, dierbaar;Well-born= van goede geboorte;Well-bred= beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming;Well-chosen= juist gekozen;Well-conditioned= in goeden staat;Well-content(ed)= gelukkig, tevreden;Well-derived= van goede afkomst;Well-deserving= verdienstelijk;Well-disposed= welgezind;Well-doing= plichtsbetrachting, rechtschapenheid;Well-dressed;Well-educated;Well-favoured= knap uitziend;Well-fed;Well-founded= op goede gronden steunend;Well-informed= goed op de hoogte;Well-knit= krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit;Well-known= (wel)bekend;Well-lined= goed gevoed, flink gespekt (fig.);Well-mannered= van goede manieren, welgemanierd;Well-meaning= welmeenend, goedig; ook subst.;Well-meant= oprecht, hartelijk;Well-met= heil, welkom;Wellnigh= bijna;Well-paid= goed betaald;Well-proportioned= goed geëvenredigd;Well-read= belezen;Well-refined= hoogst beschaafd;Well-remembered= welbekend;Well-reputed= te goeder naam bekend, beroemd;Well-seasoned= goed gekruid, goed gedroogd (hout):An army ofwell-seasoned soldiers= beproefde soldaten;Well-set= goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd;Well-spoken= vriendelijk;Well-thumbed= beduimeld, veel gelezen;Well-timed= tijdig;Well-to-do= welgesteld:The well-to-do= de gegoede burgerstand;Well-wisher= wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent;Well-won= eerlijk verdiend;Well-worn= afgedragen, versleten, druk betreden.Wellesley,welzli;Wellington,weliŋt’n:Wellington (boot)= laars met lange schacht.Welsh,welš, subst. en adj. (taal of bewoners) vanWales:Welsh-flannel= fijne soort v. flanel;Welshman= inwoner van Wallis;Welsh-rabbit,Welsh-rarebit, ZieRabbit;Welsh-wig= kalotje (van wol of sajet);Welshwoman.Welsh,welš, zieWelch(er).Welt,welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag;Weltverb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden:Shoesworn to the welt= totaal afgedragen.Welter,weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel;Welterverb. zich wentelen, rollen, baden;Welter-race= rennen met de zwaarste belasting;Welter-weight= zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).Wemyss,wîmz.Wen,wen, wen, uitwas.Wench,wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel;Wenchverb. boeleeren;Wencher= boeleerder.Wend,wend, gaan, zich begeven naar:Wewended our wayto the town= begaven ons.Wend,wend;Wendic;Wendish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.Went,went, imperf. vanto go.Wentletrap,went’ltrap, wenteltrap (slak).Wept,wept, imperf. en p.p. vanto weep.Were,wɐ̂,wêə, imperf. vanto be.We’re,wîə=we are.Wer(e)gild,wɐ̂gild, weergeld.Wer(e)wolf,wɐ̂wulf, weerwolf.Wert,wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. vanto be.Wesley,wezli, Wesley:Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht;Wesleyanism.West,west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen:The West End= Westeinde, aristocratische wijk in Londen;A West-ender= bewoner van ’t Westeinde;West India;West Indian;The West Indies;Tothe West of the city= ten westen van de stad;Westering= afstand naar het westen, westelijke koers;Westerly= westelijk;Western= westersch, westelijk:The Western Empire= het Westersch-Romeinsche rijk;Westernmost= het meest naar het Westen gelegen. ZieWestward.Westmeath,westmîdh;Westminster,wes(t)minstə;Westmor(e)land,wes(t)möland;Westphalia,westfeiljə, Westfalen;Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.Westward,westwəd, naar het Westen, westwaartsch;Westwards= ten westen, westwaarts.Wet,wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld;Wetverb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken:Have a wet= neem een “hapje”;Something to keep the wet out= een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer;I amwet through= doornat;Her face waswet with tears= nat van tranen;A verywet jew= een echte “spekjood”;To have a wet night of it= flink drinken;At eleven o’clock sharp,wet or fine= bij regen of mooi weer;Wet the other eye!= op één been kan men niet loopen;He isa wet-blanket= hij is een spelbederver;He is awet-bob= jongen (te Eton) die aan watersport doet;Wet-dock= drijvend dok;Wet-nurse= min;Wet-pack= natte omslag;Wet-shod= met lekke schoenen;Wetness= natheid;Toget a wetting= nat regenen;Wettish= nattig, eenigszins vochtig.Wether,wedhə, hamel:Bell-wether= belhamel (ookfig.).Wetteravia,wetəreivjə, Wetterau.Wey,wei, zekere maat (zieWeigh).Weymouth,weiməth.Whack,wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging;Whackverb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats![640]To gowhacks= gelijk op deelen;Hehas had his whack= zijn deel gehad, genoten;Say the word andit is a whack= en de koop is gesloten;Totake a whack at= eens probeeren;Out of whack= in wanorde;Justice was notfairly whacked out= toebedeeld;Whacker= infame leugen;Whacking= kolossaal.Whale,weil, walvisch:Your story is very like a whale= uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven;Whale-bird= soort stormvogel;Whale-boat= walvischsloep;Whale-bone= balein;Whale-fin= balein;Whale-fishery= walvischvangst;Whale-hunting= walvischvaart;Whale-louse= parasiet van den walvisch;Whale-man= walvischvaarder;Whale-oil= walvischtraan;Whale-ship= Groenlandsvaarder;Whaler= walvischvaarder; iets groots of plomps;Whaling:Whaling-master, kapitein van eenWhale-ship.Whall,wôl, glasoog (Z.Wall).Whalley,woli.Whame,weim, horsel =Whame-fly.Whang,waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede;Whangverb. ranselen, geeselen.Whap,wop; ZieWhop.Wharf,wöf, subst. werf, kaai;Wharfverb. lossen, vertuien;Wharfage,wöfidž, kaaigeld, (=Wharf-charges), werven, ankerplaats;Wharf-porter= sjouwerman;Wharfing= werven in ’t algemeen, los- of ligplaats;Wharfinger,wöfinžə, kaaimeester.Wharton,wöt’n.What,wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels:What day of the month is to-day?= de hoeveelste is het vandaag;What is the game?= hoe staat de partij;What is your name?= hoe heet ge;What is the (best) news= wat voor nieuws is er;What is the time (of day), what time is it?= hoe laat is het;What is up there?= wat is daar aan de hand;What do you call that?= hoe noemt ge dat?Mr. What-do-you-call-him= Meneer van der Hummes;What money have you got?= hoeveel geld heb je;He gave awaywhat money hehad= al het geld;I will tell you what= ik zal je eens wat zeggen;What ho!= hei daar!What next?= en dan;What of that= wat doet dat er toe;What then?= wat zou dat;What matterif they are= en wat doet het er toe of …;What nonsense= wat een onzin;It won’t do to get into a groove,What? = niet waar?What abouthim?= hoe gaat het hem;He gotwhat for= kreeg er van;What ifhe comes= wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt;What (care) thoughI am but poor? = wat hindert het;What thoughhe comes= aangenomen (wat hindert het);What between … and= deels door … deels door =What with … what with;Hecalled me fool and what not= en wat al niet;Heknows what is what= hij heeft zijn weetje wel;Whate’er, Whatever, Whatsoever= al wat, wat ook, hoedanig ook:Whateveris that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd;Nobody whatever= niemand wie ook;Whatlike= van welken aard.Whatnot,wotnot, étagère.Whaup,wôp, wulp.Wheal,wîl, puistje, striem; mijn.Wheat,wît, tarwe:Bearded wheat= spelt;Wheatear= tapuit (vogel);Wheat-ear= tarweaar;Wheat-moth, (Wheat-worm)= korenworm;Wheaten= van tarwe:Wheaten bread= tarwebrood.Wheedle,wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten:Hewheedledmeout of5 pounds,wheedled me intolending him that sum= hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen;He couldwheedle the tire off a cart-wheel(He couldwheedle a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen;Wheedler= vleier, flikflooier.Wheel,wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf;Wheelverb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden:He wasbroken upon the wheel= werd geradbraakt;Togrease the wheels(fig.) = de hand stoppen;Tohelp the wheel over= over het doode punt heen helpen;Toput one’s shoulder to the wheel= flink aanpakken;Heput a spoke in your wheel= hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden;I feel myself to bea fifth wheel to the coach= dat ik het vijfde rad aan den wagen ben;Wheels within wheels= gecompliceerd plan, onduidelijke motieven;We werewheeling alongat a fast rate= snorden voort;Wheel it back= rol het achteruit;Wheel-animals,Wheel-animalcules= raderdiertjes;Wheelbarrow= kruiwagen;Wheel-boat= raderboot;Wheel-carriage= voertuig op wielen;Wheel-chair= rolstoel;Wheel-cutter= radsnijder;Wheel-drag= remschoen;Wheel-horse=Wheeler;Wheelman= roerganger, wielrijder;Wheel-shaped= radvormig;Wheel-steamer= raderboot;Wheel-window= rozet;Wheelwoman= wielrijdster;Wheelwork= raderwerk;Wheelwright= wagenmaker;Wheeled= op of met wielen, per as;Wheeler= wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard:The leaders andthe wheelers= de voorste en de achterste paarden van een vierspan.Wheeze,wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje:Tocrack a wheeze= een mop tappen;Anew wheeze= een nieuw snufje;Wheezy= snuivend, hijgend, aamborstig.Whelk,welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).Whelm,welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.Whelp,welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit;Whelpverb. jongen werpen:Bitchin whelp= drachtige;Whelpless.When,wen, wanneer, toen, als:At the very time whenhe told me this= juist toen hij;Even whenyou told me so= juist toen;Since when?= sedert wanneer;Since when= sedert welken tijd;When due= op vervaltijd;When received= na ontvangst;When young= in mijn jeugd;Whenas= wanneer, terwijl;Whence= vanwaar, waaruit;Whencesoever= waar ook vandaan;Whenever (Whene’er)= wanneer ook, telkens wanneer =Whensoever.[641]Where,wêə, waar, waarheen, alwaar:Where are you going?= waar gaat ge naar toe;I don’t knowwhereallhe is going= waar hij al … heengaat;Where-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres:We discoveredthe where-abouts of the missing lady= waar de vermiste dame was;Isent him to the where-about(s)= heb hem de laan uitgestuurd;Whereas= terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal;Whereat= waarop;Whereby= waardoor, waarbij;Wherefore= waarom, met welk doel, zoodat;Wherein= waarin;Whereinto= waarin;Whereness= plaats waar zich iets bevindt;Whereof= waarvan;Whereon= waarop (=Whereupon);Wheresoever= waar dan ook;Whereto,Whereunto= waarheen, waartoe, met welk doel;Wherever,wêrevə, waar ook;Wherewith= waarmede;Wherewithal= waarmee; subst. middel (v. bestaan):He has not gotthe wherewithal to live= heeft geen middel van bestaan.Wherry,weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider;Wherry-man= veerman.Whet,wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.);Whet-slate= oliesteen =Whet-stone-slate;Whet-stone= wetsteen, slijpsteen;Whetter= slijper, slijpsteen.Whether,wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of:Whether he come or go= hetzij hij kome of ga;Whether orno(t)= al of niet.Whew,wjû, Poeh! Bah! Foei!Whewell,wjû’l.Whey,wei:Whey-cure;Whey-tub= weivat;Wheyey=Wheyish= weiachtig.Which,witš, welk, hetwelk, die of dat, welke:Which is yours?= welke (van deze) is van u;Heknows which is which= kent ze uit elkaar, hij weet er alles van;Added to which= waar nog bij komt;Whichever, Whichsoever= welke ook.Whiff,wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong;Whiffverb. dampen, uitblazen v. rook:Hegot a whiff of the nice dish= kreeg in den neus;I willtake a whiffor two= een paar trekjes doen.Whiffle,wif’l, subst. fluitje;Whiffleverb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen;Whiffle-tree= zwengelhout.Whig,wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij derWhigs;Whiggery= beginselen derWhigs=Whiggism; adj.Whiggish: subst.Whiggishness.Whigging,wigiŋ:Togive a person a whigging= afranselen, een schrobbeering geven.While,wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos;Whileverb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang;Whiles= soms;The while= ondertusschen;In themeanwhile= middelerwijl;Quite a while= een tijd lang;A good (little) while ago= een heele poos (een poosje) geleden;It ishardly worth (your) whileto look at= haast de moeite niet waard (dat gij …);He visits usbetween whiles= zoo nu en dan;Listenfor a while= een oogenblikje;I see your name in the papersonce in a while= zoo nu en dan;She has got money to investevery once in a while(Am.) = telkens;Not yet a while= vooreerst niet;I havewhiled away my timein reading this book= mijn tijd gezellig doorgebracht met;Whilere,wailêə=Whilom,wail’m,wailoum, voorheen, vroeger;Whilst= terwijl:The whilst= ondertusschen.Whim,wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn:She isfull of whims= vol kuren.Whimbrel,wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.Whimper,wimpə, subst. gegrien, geteem;Whimperverb. grienen, teemen:Without a whimper= zonder een kik te geven.Whimsical,wimzik’l, grillig;Whimsicality= grilligheid =Whimsicalness;Whimsy= gril; adj. grillig.Whin,win, gaspeldoorn; basalt (=Whin-stone);Whin-berry= blauwe boschbes;Red Whin-berry= roode boschbes;Whinchat= kleine walduiker;Whinny= vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. ZieWhinny.Whine,wain, subst. gejammer, gekerm, geteem;Whineverb. jammeren, kermen, teemen;Whiner;In a whiney-piney voice= jankerig.Whinny,wini, subst. gehinnik, gebriesch;Whinnyverb. brieschen, hinniken. ZieWhin.Whip,wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door denWhip(=Whipper-in) gezonden;Whipverb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ookfig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen:He isa passable whip= vrij goed voerman;He rode to itwhip and spur= spoorslags;Crack (Smack) went the whips= de zweepen klapten;Tocrack (smack) a whip= doen knallen;Towhip a custard= vlade klaarmaken, kloppen;Do you want me to help youto whip the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen;We havewhipped this part of the stream= afgevischt;It waswhipped about (around) withbrown paper= gewikkeld in;He whipped it from us= gapte het van ons;Hewhipped his head intothe window= stak plotseling zijn hoofd naar binnen;The tooth waswhipped outin less than no time= werd er uitgewipt;Theywhipped upthe cherries= gapten weg;Whipped cream= slagroom;Whipped eggs= tot schuim geklopt eiwit;Whip-cord= zweepkoord, snaar;Whip-hand= rechterhand, voordeel, meerderheid:He did not frequently venture totake the whip-hand ofher= haar den boel uit de hand te nemen;As youhave the whip-hand ofme, you may be as humorous as you please= daar je me in je macht hebt;Whip-handle:Tohave (keep) the whip-handle= het heft in handen hebben (houden);Whip-lash= het slag v. eene zweep;Whip-saw= trekzaag;Whip-staff= helmhout;Whip-stitch[642]= overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek;Whip-stock= zweepstok;Whipper (Whipster)= geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient;Whip-in= pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd;Whip-snapper= kereltje, nietig ventje;Whipping:Whip-post= geeselpaal;Whip-top= drijftol.Whipple-tree,wip’ltrî=Whiffle-tree.Whip-poor-will,wipûwil, soort geitenmelker.Whir,wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels);Whirverb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!Whirl,wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans;Whirlverb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren:They werewhirled away= snorden weg;We were quickly whirled back to D.= snorden terug;Whirlpool= maalstroom, draaikolk;Whirlwind= wervelwind:She wasin a whirlwind of passion= werd voortgesleurd door haren hartstocht;Whirlwindishactivity= onstuimige;Whirler= wie of wat ronddraait;Whirligig,wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever:Thewhirl of time= het snelle vlieden van den tijd;Whirl-ventilator= ventilatierad.Whish,wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.Whisk,wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot;Whiskverb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen:Towhisk along= voortsnellen;Towhisk away= wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen;Towhisk down= snel afrukken;Towhisk off= snel wegvegen, afrukken;Hewhisked withhis pocket-handkerchief at a fly= sloeg met.Whisker(s),wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.);Whiskered= met bakkebaarden.Whisket,wiskət, mand, korf; kleine draaibank.Whisk(e)y,wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.Whisp,wisp. ZieWisp.Whisper,wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk;Whisperverb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren:Togive the whisper= een wenk (tip) geven (sport.);In a whisper= fluisterend;In a pig’s whisper, ZiePig;The elder boywhispered the girl= fluisterde het meisje iets in;Hewhispered it in my ear= fluisterde het mij in ’t oor;Whisperer= fluisteraar, oorblazer;Whispering:Whispering-gallery (Whispering-dome)= fluistergaanderij of -gewelf.Whist,wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil:Holdyour whist,Sir!= je mond;Whist-drive= whistpartij (vaak om prijzen).Whistle,wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel;Whistleverb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen:It isnot worth the whistle= niet noemenswaard;Not to care a penny whistle for= geen lor geven om;Youpay (too) dear for your whistle= betaalt uwe liefhebberijen duur;I’llwet my whistle first= ik moet eerst mijn keel eens smeren;He canwhistle backthe parrot’s call= precies nadoen;Shewhistledher loverdown the wind= wou niet meer van hem weten;With this experience everything he had ever cared for waswhistled down the wind= voor goed voorbij, verdwenen;You maywhistle for it= ge kunt ernaar fluiten;He has beenwhistling for a wind= hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof);The train waswhistled off= op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven;Whistler= fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel =Whistling-shop.Whit,wit, zier, jota, weinigje:Not a whit= in geenen deele;Every whit= in elk opzicht.Whitaker,witəkə.White,wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos;Whiteverb. pleisteren:She wasdressed in white= in het wit;Tohit the white= in de roos schieten;Heshowed the whites of his eyes= het wit;If eggs are boiled too lightly the white does not set= stolt het eiwit niet;Whites= fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed;White ant= termiet;White bear= ijsbeer;White clover= witte klaver;White corn (crop)= tarwe, rogge, gerst of haver;It wasa white dayfor you (a day to bemarked with a white stone)= geluksdag voor u;He showedthe white feather= hij gaf blijk van lafhartigheid;White Friars= Karmelieten;White frost= rijm;White gold= platina;White goods= witte goederen;At a white heat= witgloeiend (ookfig.);White herring= groene haring, pekelharing;White iron= ruw ijzer, blik;Whiteland= leembodem;It wasthe whitest of white lies= het onschuldigste van alle noodleugentjes;White money= zilvergeld;White nights= slapelooze;White rent= belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver;White rope= ongeteerd touw;White sale= verkoop v.White goods;White Sea;You areas white as a sheet= als een doek;Toget (turn) white= bleek worden;Whited sepulchres= gepleisterde graven;Whitebait= witvisch;White beam= witte lijsterbes;White-beard= oude man;White-blaze= bles;Whiteboy= lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761);White-ear= tapuit, witstaart;White-face= bles (paard);Whitefish= houting, adelvisch;White-foot= (paard met) witte plek (op den poot);White-handed= met blanke, reine (onbezoedelde) handen;White-headed= met grijze haren;White-lead= loodwit;White-limed= gewit;White-livered= lafhartig;White-meat= melkspijzen; wit vleesch;White-paint= loodwitverf;White-pot= pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.;White-smith= tinsmid;White-stocking= groote witte vlek op den poot v. een paard;Whitetail=White-ear;White-thorn= hagedoorn, meidoorn;White-throat[643]= grasmusch;Whitewash, subst. witkalk, witsel;Whitewashverb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren:Togive a room a whitewash;Towhitewash a man’s misconducts= misdragingen vergoelijken;Whitewasher= witter;Whitewood= boomen met wit hout;Whiten= wit maken, bleeken, bleek of wit worden;Whitener= bleeker, bleekwater;Whiteness= witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.Whitechapel,wait-tšap’l;Whitefield,waitfîld;Whitehall,waithôl.Whitey,waiti, witachtig.Whither,widher, werwaarts, waarheen:Whithersoever he goes= waarheen hij ook gaat.Whiting,waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).Whitleather,witledhə, wit leder.Whitlow,witlou, fijt; klauwzeer (schapen).Whitmonday,witm’ndei,witmɐndi, Pinkstermaandag;Whitsunday,wits’ndei,witsɐndi, Pinksterzondag;Whittuesday= Pinkster drie;Whitsun,wits’n= pinkster - -, Pinksteren;Whitsuntide,wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen);Whitsunweek= Pinksterweek.Whittle,wit’l, subst. mes; wollen mantel;Whittleverb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten:The radicals wantto whittle down Parliamenttill nothing remains but the House of Commons= het Parlement te besnoeien.Whiz,wiz, subst. snorrend of gonzend geluid;Whizverb. snorren (van kogel of pijl):Whizzing temples= bonzende (kloppende) slapen.Who,hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.”Missle Who?= juffrouw le “wàt”?Who goes there?= werda!Whoever= alwie =Whosoever.Whoa,wou(ə)ho! (tegen paarden).Whole,houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden:(Up)on the whole= alles wel beschouwd, over het geheel;Take the whole of it= neem alles maar;Whole and sound= frisch en gezond;My whole duty= volle, volledige;Whole milk= volle melk;The whole town= de geheele stad;The whole truth= de volle waarheid;Tomake whole= repareeren;Whole-blood= afstammend in rechte lijn;Whole-hogger= iemand, die niet van halve maatregelen houdt;Whole-hoofed= éénhoevig;Whole-length= van het eene einde naar het andere in de volle lengte:Whole-length picture= ten voeten uit;Whole-note= heele noot;Wholeness= ongeschondenheid;Wholesale= groothandel, engros zaak:By wholesale= engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken;Wholesale business= engros zaak;Wholesale cost (price),Wholesale merchant;Wineswholesale and retail= in ’t groot en klein;They werekilled wholesale= bij massa’s;Tosell wholesale;Wholesaler;Wholesome= gezond, heilzaam:Wholesome morals= gezonde zedelijkheid of zeden;Wholesome teeth= gave tanden; subst.Wholesomeness= gezondheid, heilzaamheid;Wholly,houli, geheel en al, volkomen.Whom,hûm, wien, dien, dat:Whomsoever= wien ook.Whoop,hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu!Whoop of battle= krijgsgeschreeuw;Whooping-cough,hûpiŋkof, kinkhoest.Whoot,hût; ZieHoot.Whop,wop, slaan, ranselen; subst. slag;Whopper= iets kolossaals, groote leugen:That’s a whopper= dat is een leugen alsof het gedrukt was;Whopping, subst. pak ransel; adj. kolossaal:A whopping lie.Whore,hö, hoer;Whoreverb. hoereeren, afgoderij bedrijven;Whore-master=Whore-monger= hoereerder;Whoredom= hoerdom, afgoderij; adj.Whorish: subst.Whoreness.Whorl,wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp:Whorled= gedraaid of gekronkeld.Whortle,wɐ̂t’l, blauwe boschbes =Whortleberry.Whose,hûz, wiens, welker, welks, wier;Whosesoever= van wien ook;Whoso= al wie =Whosoever.Whur,wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast;Whurverb. gonzen, snorren, knorren, de letterrratelend uitspreken.Why,wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel!That is why= deswege;I wishto know the why and the wherefore= het waarom en waartoe;It’s not yoursto reason why= de reden te vragen;Whyso= waarom?Why, I never saw such a fool= wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien;Why, there is enough left= daar is toch genoeg over, niet waar?
Weal,wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen;Wealverb. striemen:Weal and woe= wel en wee;The common, general, public weal= het algemeene welzijn of nut.Wealth,welth, rijkdom, overvloed =Wealthiness; adj.Wealthy= rijk.Weald,wîld, open boschland:The Weald= zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.Wean,wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen:She had no desire towean him fromBessie= aan B. te onttroggelen;Weanling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.Weapon,wep’n, wapen, doorn, prikkel:I had no weapon handy but a poker= een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, weapons down” = handen omhoog, wapens neerleggen!Weaponed= gewapend, toegerust;Weaponless= ongewapend.Wear,wîə.Wear,wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode;Wearverb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip):The building and its ornaments had suffered much fromthe wear and tear of time= door den tand des tijds;There is yet a good year’s wear in that coat= die jas kan nog best een jaar gedragen worden;Tobe very little the worse for wear= nog niet veel versleten;Tobe all the wear= algemeen gedragen worden;Shewears the breeches= heeft de broek aan, is de baas;Hewore a look of amazement= keek verbaasd;She carried a mantle to wear it in the night-time= zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen;Youwear your sweet smileto day= hebt uw vriendelijken glimlach;Towear the willow= om de(n) geliefde treuren;Time hasworn awaymost of the inscription= afgesleten;The nightwore itself away= ging langzaam voorbij;One way and another the daywears away= op de een of andere manier komen we den dag door;These marks will neverwear away= zullen nooit weer uitslijten;The water hasworn offthe stone= rond gesleten;All his wild pranks willwear offwith time= al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan;Time wore on= ging voorbij;Towear out= afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen:I wasworn (out) withfatigue= kapot van, uitgeput;Towear ill= zich slecht houden;His patienceis wearing thin= raakt op;This clothwears well= houdt zich goed in het dragen;You wear (your age) well= gij houdt u goed voor uw leeftijd;Wearable= geschikt om te dragen;Wearer= drager, wat uitslijt;Wearing:Wearing-apparel= lijfdracht, kleederen.Weariness,wîrinəs, vermoeidheid;Wearisome= vermoeiend, vervelend; subst.Wearisomeness;Weary,wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk;Wearyverb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for):I amweary ofworking= het werken moe;I amweary withworking= moe van het werken;I soonwearied of(zeldenwith)the same succession of fields and houses= spoedig verveelde mij;The soldiers werewearied out= geheel uitgeput;To bewearied out of patience= zijn geduld verliezen.Weasand,wîz’nd, luchtpijp.Weasel,wîz’l, wezel:Catch a weasel asleep!= jij zult mij te pakken nemen!Weasel-faced= met een scherp en mager gezicht.Weather,wedhə, subst. weder of weer;Weatherverb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen:Fair, fine, settled weather= mooi, bestendig;Foul, Wild weather= slecht, onstuimig;How is the weather?=What is the weather like?= wat voor weer is het;The ship wasunder a stress of weather= had met hevige stormen te kampen;The weather has been very settledthese three weeks= wij hebben de laatste drie weken vast weer;The cold weather at last breaks= ten slotte slaat het weer om;The shipmakes good (bad) weather= houdt zich goed (slecht) in een storm;Tosing and dance all weathers= de huik naar den wind hangen;Weather and wind permitting= wind en weder dienende;Toweather a cape= bovenlangs zeilen;Toweather a point= bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden;Toweather a ship= de loef afsteken;This ship is sure toweather (out) the storm= dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in;Weather-anchor= anker aan de windzijde;Weather-beaten= door stormen geteisterd, verweerd:Aweather-beaten coast, face= eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat;Weather-bitten= verweerd;Weather-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (=Weather-boarding);Weather-boardingverb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.;Weather-bound= door het weer teruggehouden of opgehouden;Weather-box= weerhuisje;Weather-breeder= een mooie dag waarop zich een onweder schijnt[637]samen te pakken;Weather-cloth= verschansingskleed, presenning;Weathercock= weerhaan, wispelturig persoon:She is ratherweathercocky= wispelturig;Weather-eye:Hekeeps his weather-eye open= hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet;Weather-fish= modderkruiper;Weather-ga(u)ge, loef, voordeel:To get the weather-gauge of a person= iemand de loef afsteken;Weather-glass= weerglas;Weather-house= weerhuisje;Weather-mo(u)ldings= overhangende lijst (boven deur of venster);Weather-proof= tegen het weer bestand;Weather-prophet= weervoorspeller;Weather-quarter= loefzijde, windkant;Weather-report= weerbericht;Weather-roll= het overhalen van het schip naar loefzijde;Weather-side= loefzijde;Weather-strip= tochtlat;Weather-tide= stroom of tij van uit de lijzijde;Weather-vane= windwijzer;Weather-wise= weerkundig;Weather-worn= verweerd;Weathered= door het weer geteisterd, verweerd;Weathering= verweering; glooiing, afwatering;Weatherly= loefgierig.Weave,wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden:Toweave all pieces on the same loom= alles over één kam scheren;Weaver= wever;Weaver-bird= wever(vogel); draaikever;Weaver-fish= pieterman;Weaver’s shuttle= weversspoeltje;Weaving:Weaving-loom= weefgetouw.Weazen,wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager:A weazen, piping, shrill Hurrah!= een scherp, pieperig, schel Hoera!Weazen-faced= met mager, uitgedroogd gelaat; zieWizen.Web,web, subst.weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies;Webverb. als met een weefsel bedekken;Web-eye= nagelvlies op het oog;Web-foot= zwempoot;Web-footed= met zwempooten;Webbed= met zwemvliezen:Webbed feet;Webbing= geweven banden voor gordels, etc.Wed,wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren:He has beenwedded to truthfrom his infancy= de waarheid is zijne leidsvrouw geweest;Wedding= huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft:It was only a marriage and no wedding,there was no breakfast and no feasting= het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.;Silver, golden, diamond wedding= 25-, 50-, 60-jarige bruiloft;Paper, wooden, tin, crystal, china wedding= 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft;Wedding-breakfast= lunch na de huwelijksvoltrekking;Wedding-cake= bruiloftstaart;Wedding-card= huwelijkscommunicatie;Wedding-day= trouwdag;Wedding-dower= huwelijksgift;Wedding-favours= rozetten door de bedienden gedragen;Wedding-feast= huwelijksfeest;Wedding-garment;Wedding-gown;Wedding-ring= trouwring;Wedding-tour,Wedding-trip= huwelijksreis(je).Wedge,wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij hetClassical Tripos(het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge);Wedgeverb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen:Take care (beware) ofthe thin (small) end of the wedge= hoed u voor den eersten stap;Towedge one’s way= dringen door;Wedge-bone= wiggebeen;Wedge-inscription= opschrift in spijkerschrift;Wedge-shaped= wigvormig =Wedgewise.Wedgwood ware,wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinderJosiah Wedgwood(1730–95).Wedlockwedlok, huwelijk:Born out of wedlock= buiten huwelijk geboren;Toenter upon wedlock= in ’t huwelijk treden.Wednesbury,wenzb’ri.Wednesday,wenzdi, Woensdag.Wee,wî, klein:A wee bit= een klein beetje.Weed,wîd, subst. onkruid (ookfig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meestweeds);Weedverb. wieden, uitroeien, uitrukken:Are youa lover of the weed? = rookt gij graag;Ill weeds grow apace (never wither)= onkruid vergaat niet;She wasdressed in her (mourning) weeds= in haar weduwenrouw;Many defects will have to beweeded outfirst= uitgeroeid;Weed-grown= met onkruid begroeid;Weed(ing)-hook= wiedijzer;Weed-prairie= prairieland met veel wilde bloemen en struiken;Weeder= wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden;Weeding:Weeding-shears= wiedschaar;Weeding-tongs (Weeding-forceps)= wiedtang;Weediness, subst. v.Weedy= vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.Week,wîk, week:Will you comea week from Sunday= Zondag over eene week;Next week, Last week= aanstaande, verleden week;The last week= de laatste week;The next week= de volgende week;Next week or week after= de volgende week of de week daarna;To-day (This day) week= vandaag over acht dagen;Week and week about= om de andere week;Week in, week out= week in, week uit;I’ll call againa week or ten days after this= ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan;A prophetic week= zeven jaren;Weekday= werkdag;Week-end= van Zaterdag tot Maandagmorgen;Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.Ween,wîn, denken, wanen, meenen.Weep,wîp, subst. het schreien;Weepverb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn:Shehad a private weep= schreide in haar ééntje;Hewept for joy= hij schreide van vreugde;Theywept over their losses= schreiden bij (om) hun verlies;Weeper= weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (=Weepers); Amer. bruine aap:Drooping whiskers of the kind that used to be calledPiccadilly weepers;Weeping:Weeping-ash= treuresch;Weeping-birch= treurberk;Weeping-elm;Weeping-rock= dropsteen;Weeping-spring= sijpelende bron;Weeping-tree= treurboom;Weeping-willow= treurwilg.Weet,wît, watersnip, riethoen.[638]Weever,wîvə, pieterman (visch).Weevil,wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm;WeevilledWeevil(l)y= vol wormen.Weft,weft, inslag, weefsel.Weigh,wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.;van koren ± 1453,946 L.; ZieWey);Weighverb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten:We aregetting under weighat last= eindelijk gaan we anker op, op weg;He wasweighed and found wanting= gewogen en te licht bevonden;I have beenweighing itcarefully= zorgvuldig overwogen;Theyweighed anchor= zij lichtten het anker;His great responsibilityweighed him down= drukte hem;The flour wasweighed out tothe poor women= toegewogen;That does notweigh (with him)= dat beteekent niets (bij hem);Weigh-bridge= brugbalans;Weighable= weegbaar;Weighage,weiidž= weegloon; waaggeld;Weigher= weger;Weighing:Weighing-house= waag;Weighing-machine= bascule;Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed;Weightverb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren:Brute, Gross weight= bruto gewicht;Dead weight= zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.);Net weight= netto gewicht;Set of weights= stel;He isa person of some weight= beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien;The jovial light weightbecame a serious man= het vroolijke zieltje-zonder-zorg;You havegiven me short weight= gij hebt mij te weinig gewicht gegeven;Thathas no weight with me= weegt niet bij mij;Ithas a special weightjust now= is thans van bijzonder gewicht;This bookis worth its weight in gold= is zijn gewicht in goud waard;Tocarry great weight= van veel gewicht zijn;This I give you onlyto make weight= om het gewicht vol te maken;Topull up the weightsof the clock;His mind must not beweighted withall that stuff= niet bezwaard worden;His words wereweighted withthe sorrow of parting= waren droevig door;Weightiness, subst. v.Weighty= gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.Weir,wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.Weird,wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering:Weird Sisters= schikgodinnen;(= Weirds);Todree one’s weird= zich in zijn lot schikken (Schotl.).Welch,welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen;Welcher.Welcome,welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom;Welcomeverb. verwelkomen:Most welcome home= hartelijk welkom thuis;And welcome= en van harte;You are quite welcome to it= het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen;You are welcome to go= gij kunt om mij wel gaan;He might have died and welcome= om mijn part was hij doodgegaan;Tobid welcome= welkom heeten;Hemade us welcome= hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst;Tooutstay one’s welcome= langer blijven dan den gastheer aangenaam is;Welcomer= die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.Weld,weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen);Weldverb. wellen, nauw verbinden:His statements are not thrown together,but properly welded= maar zitten behoorlijk in elkaar;Weldable= wat geweld kan worden;Welder= wie welt;A welding heatcame from the furnace= eene verschrikkelijke hitte;Welding-furnace.Welfare,welfêə, welvaart, voorspoed.Welkin,welkin, hemelgewelf, zwerk.Well,wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar;Wellverb. opwellen, ontspringen, vloeien:Thewell of a carriage= flesschenkeldertje van een wagen;Thewell of an orchestra= zitplaats (in een theater) voor het orkest;She isat the wells= gebruikt de wateren;Tears wouldwell (up) into her eyes= welden dan op in hare oogen;The welling tearssuffused her eyes= de opwellende tranen;Well-boat= visschersschuit met bun;Well-deck= deel van het dek tusschen bak en groote hut;Well-drain= draineerbuis;Well-drainverb. draineeren;Well-head= bron, oorsprong, bronwel;Well-hole= ruimte voor ascenseur of wenteltrap;Well-room= drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat;Well-sinker= putgraver, -boorder;Well-spring= bron;Well-staircase= wenteltrap;Well-sweep= lange stok om water te putten;Well-water= wel- of bronwater.Well,wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle:I am very well= ik ben heel goed;I am well withthat family= op goeden voet;It is well with= staat goed met;Where it is well with me,there is my country= waar het mij goed gaat;That’s well= in orde;It is all very well for B.to talk of burning the books= B. kan wel zeggen, dat..;It is always wellto look ahead= het is altijd goed om;When the old die,it is well,they have had their time= is het maar goed;Ah, life is delicious;Well to live long! hoe heerlijk is het;The welland the ailing= gezonden;Well, I never= heb ik ooit van m’n leven!Well!= welnu! Hoe staat het? etc.;Well done= Bravo!All’s well that ends well= eind goed al goed;Leave well alone= het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan;Youhad as wellstay at home= ge deedt net zoo goed;He is virtuousas well asrich= zoowel … als;You maywell say so= dat zegt gij wél;All well and good= alles goed en wel;If you have some better engagementwell and good= enfin, dan is het niet anders;He was sittingwell backin his arm-chair= flink, ver achterover;The servant iswell enough,but= vrij goed;The clergy arewell to the forein this novel= spelen eene eerste rol;He iswell nigh sixty= welhaast;To bewell-off= goed[639]“af” zijn, het goed hebben;To bewell-off for= goed voorzien van;At six we werewell on our way= een heel eind op weg;We arewell on in July= een groot deel van Juli is al om;To bewell out of= gelukkig af zijn van;Before he waswell out ofthe room= goed en wel de kamer uit was;Well-a-day= helaas!Well-advised= goed geraden, welonderricht;Well-affected= genegen, welgezind;Well-appointed= volledig uitgerust, keurig ingericht;Well-authenticated= door goede autoriteit gestaafd;Well-balanced= evenredig, gelijkmatig;Well-behaved= van goed gedrag, fatsoenlijk;Well-being= welzijn;Well-beloved= veelgeliefd, dierbaar;Well-born= van goede geboorte;Well-bred= beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming;Well-chosen= juist gekozen;Well-conditioned= in goeden staat;Well-content(ed)= gelukkig, tevreden;Well-derived= van goede afkomst;Well-deserving= verdienstelijk;Well-disposed= welgezind;Well-doing= plichtsbetrachting, rechtschapenheid;Well-dressed;Well-educated;Well-favoured= knap uitziend;Well-fed;Well-founded= op goede gronden steunend;Well-informed= goed op de hoogte;Well-knit= krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit;Well-known= (wel)bekend;Well-lined= goed gevoed, flink gespekt (fig.);Well-mannered= van goede manieren, welgemanierd;Well-meaning= welmeenend, goedig; ook subst.;Well-meant= oprecht, hartelijk;Well-met= heil, welkom;Wellnigh= bijna;Well-paid= goed betaald;Well-proportioned= goed geëvenredigd;Well-read= belezen;Well-refined= hoogst beschaafd;Well-remembered= welbekend;Well-reputed= te goeder naam bekend, beroemd;Well-seasoned= goed gekruid, goed gedroogd (hout):An army ofwell-seasoned soldiers= beproefde soldaten;Well-set= goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd;Well-spoken= vriendelijk;Well-thumbed= beduimeld, veel gelezen;Well-timed= tijdig;Well-to-do= welgesteld:The well-to-do= de gegoede burgerstand;Well-wisher= wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent;Well-won= eerlijk verdiend;Well-worn= afgedragen, versleten, druk betreden.Wellesley,welzli;Wellington,weliŋt’n:Wellington (boot)= laars met lange schacht.Welsh,welš, subst. en adj. (taal of bewoners) vanWales:Welsh-flannel= fijne soort v. flanel;Welshman= inwoner van Wallis;Welsh-rabbit,Welsh-rarebit, ZieRabbit;Welsh-wig= kalotje (van wol of sajet);Welshwoman.Welsh,welš, zieWelch(er).Welt,welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag;Weltverb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden:Shoesworn to the welt= totaal afgedragen.Welter,weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel;Welterverb. zich wentelen, rollen, baden;Welter-race= rennen met de zwaarste belasting;Welter-weight= zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).Wemyss,wîmz.Wen,wen, wen, uitwas.Wench,wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel;Wenchverb. boeleeren;Wencher= boeleerder.Wend,wend, gaan, zich begeven naar:Wewended our wayto the town= begaven ons.Wend,wend;Wendic;Wendish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.Went,went, imperf. vanto go.Wentletrap,went’ltrap, wenteltrap (slak).Wept,wept, imperf. en p.p. vanto weep.Were,wɐ̂,wêə, imperf. vanto be.We’re,wîə=we are.Wer(e)gild,wɐ̂gild, weergeld.Wer(e)wolf,wɐ̂wulf, weerwolf.Wert,wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. vanto be.Wesley,wezli, Wesley:Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht;Wesleyanism.West,west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen:The West End= Westeinde, aristocratische wijk in Londen;A West-ender= bewoner van ’t Westeinde;West India;West Indian;The West Indies;Tothe West of the city= ten westen van de stad;Westering= afstand naar het westen, westelijke koers;Westerly= westelijk;Western= westersch, westelijk:The Western Empire= het Westersch-Romeinsche rijk;Westernmost= het meest naar het Westen gelegen. ZieWestward.Westmeath,westmîdh;Westminster,wes(t)minstə;Westmor(e)land,wes(t)möland;Westphalia,westfeiljə, Westfalen;Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.Westward,westwəd, naar het Westen, westwaartsch;Westwards= ten westen, westwaarts.Wet,wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld;Wetverb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken:Have a wet= neem een “hapje”;Something to keep the wet out= een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer;I amwet through= doornat;Her face waswet with tears= nat van tranen;A verywet jew= een echte “spekjood”;To have a wet night of it= flink drinken;At eleven o’clock sharp,wet or fine= bij regen of mooi weer;Wet the other eye!= op één been kan men niet loopen;He isa wet-blanket= hij is een spelbederver;He is awet-bob= jongen (te Eton) die aan watersport doet;Wet-dock= drijvend dok;Wet-nurse= min;Wet-pack= natte omslag;Wet-shod= met lekke schoenen;Wetness= natheid;Toget a wetting= nat regenen;Wettish= nattig, eenigszins vochtig.Wether,wedhə, hamel:Bell-wether= belhamel (ookfig.).Wetteravia,wetəreivjə, Wetterau.Wey,wei, zekere maat (zieWeigh).Weymouth,weiməth.Whack,wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging;Whackverb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats![640]To gowhacks= gelijk op deelen;Hehas had his whack= zijn deel gehad, genoten;Say the word andit is a whack= en de koop is gesloten;Totake a whack at= eens probeeren;Out of whack= in wanorde;Justice was notfairly whacked out= toebedeeld;Whacker= infame leugen;Whacking= kolossaal.Whale,weil, walvisch:Your story is very like a whale= uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven;Whale-bird= soort stormvogel;Whale-boat= walvischsloep;Whale-bone= balein;Whale-fin= balein;Whale-fishery= walvischvangst;Whale-hunting= walvischvaart;Whale-louse= parasiet van den walvisch;Whale-man= walvischvaarder;Whale-oil= walvischtraan;Whale-ship= Groenlandsvaarder;Whaler= walvischvaarder; iets groots of plomps;Whaling:Whaling-master, kapitein van eenWhale-ship.Whall,wôl, glasoog (Z.Wall).Whalley,woli.Whame,weim, horsel =Whame-fly.Whang,waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede;Whangverb. ranselen, geeselen.Whap,wop; ZieWhop.Wharf,wöf, subst. werf, kaai;Wharfverb. lossen, vertuien;Wharfage,wöfidž, kaaigeld, (=Wharf-charges), werven, ankerplaats;Wharf-porter= sjouwerman;Wharfing= werven in ’t algemeen, los- of ligplaats;Wharfinger,wöfinžə, kaaimeester.Wharton,wöt’n.What,wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels:What day of the month is to-day?= de hoeveelste is het vandaag;What is the game?= hoe staat de partij;What is your name?= hoe heet ge;What is the (best) news= wat voor nieuws is er;What is the time (of day), what time is it?= hoe laat is het;What is up there?= wat is daar aan de hand;What do you call that?= hoe noemt ge dat?Mr. What-do-you-call-him= Meneer van der Hummes;What money have you got?= hoeveel geld heb je;He gave awaywhat money hehad= al het geld;I will tell you what= ik zal je eens wat zeggen;What ho!= hei daar!What next?= en dan;What of that= wat doet dat er toe;What then?= wat zou dat;What matterif they are= en wat doet het er toe of …;What nonsense= wat een onzin;It won’t do to get into a groove,What? = niet waar?What abouthim?= hoe gaat het hem;He gotwhat for= kreeg er van;What ifhe comes= wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt;What (care) thoughI am but poor? = wat hindert het;What thoughhe comes= aangenomen (wat hindert het);What between … and= deels door … deels door =What with … what with;Hecalled me fool and what not= en wat al niet;Heknows what is what= hij heeft zijn weetje wel;Whate’er, Whatever, Whatsoever= al wat, wat ook, hoedanig ook:Whateveris that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd;Nobody whatever= niemand wie ook;Whatlike= van welken aard.Whatnot,wotnot, étagère.Whaup,wôp, wulp.Wheal,wîl, puistje, striem; mijn.Wheat,wît, tarwe:Bearded wheat= spelt;Wheatear= tapuit (vogel);Wheat-ear= tarweaar;Wheat-moth, (Wheat-worm)= korenworm;Wheaten= van tarwe:Wheaten bread= tarwebrood.Wheedle,wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten:Hewheedledmeout of5 pounds,wheedled me intolending him that sum= hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen;He couldwheedle the tire off a cart-wheel(He couldwheedle a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen;Wheedler= vleier, flikflooier.Wheel,wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf;Wheelverb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden:He wasbroken upon the wheel= werd geradbraakt;Togrease the wheels(fig.) = de hand stoppen;Tohelp the wheel over= over het doode punt heen helpen;Toput one’s shoulder to the wheel= flink aanpakken;Heput a spoke in your wheel= hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden;I feel myself to bea fifth wheel to the coach= dat ik het vijfde rad aan den wagen ben;Wheels within wheels= gecompliceerd plan, onduidelijke motieven;We werewheeling alongat a fast rate= snorden voort;Wheel it back= rol het achteruit;Wheel-animals,Wheel-animalcules= raderdiertjes;Wheelbarrow= kruiwagen;Wheel-boat= raderboot;Wheel-carriage= voertuig op wielen;Wheel-chair= rolstoel;Wheel-cutter= radsnijder;Wheel-drag= remschoen;Wheel-horse=Wheeler;Wheelman= roerganger, wielrijder;Wheel-shaped= radvormig;Wheel-steamer= raderboot;Wheel-window= rozet;Wheelwoman= wielrijdster;Wheelwork= raderwerk;Wheelwright= wagenmaker;Wheeled= op of met wielen, per as;Wheeler= wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard:The leaders andthe wheelers= de voorste en de achterste paarden van een vierspan.Wheeze,wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje:Tocrack a wheeze= een mop tappen;Anew wheeze= een nieuw snufje;Wheezy= snuivend, hijgend, aamborstig.Whelk,welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).Whelm,welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.Whelp,welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit;Whelpverb. jongen werpen:Bitchin whelp= drachtige;Whelpless.When,wen, wanneer, toen, als:At the very time whenhe told me this= juist toen hij;Even whenyou told me so= juist toen;Since when?= sedert wanneer;Since when= sedert welken tijd;When due= op vervaltijd;When received= na ontvangst;When young= in mijn jeugd;Whenas= wanneer, terwijl;Whence= vanwaar, waaruit;Whencesoever= waar ook vandaan;Whenever (Whene’er)= wanneer ook, telkens wanneer =Whensoever.[641]Where,wêə, waar, waarheen, alwaar:Where are you going?= waar gaat ge naar toe;I don’t knowwhereallhe is going= waar hij al … heengaat;Where-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres:We discoveredthe where-abouts of the missing lady= waar de vermiste dame was;Isent him to the where-about(s)= heb hem de laan uitgestuurd;Whereas= terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal;Whereat= waarop;Whereby= waardoor, waarbij;Wherefore= waarom, met welk doel, zoodat;Wherein= waarin;Whereinto= waarin;Whereness= plaats waar zich iets bevindt;Whereof= waarvan;Whereon= waarop (=Whereupon);Wheresoever= waar dan ook;Whereto,Whereunto= waarheen, waartoe, met welk doel;Wherever,wêrevə, waar ook;Wherewith= waarmede;Wherewithal= waarmee; subst. middel (v. bestaan):He has not gotthe wherewithal to live= heeft geen middel van bestaan.Wherry,weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider;Wherry-man= veerman.Whet,wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.);Whet-slate= oliesteen =Whet-stone-slate;Whet-stone= wetsteen, slijpsteen;Whetter= slijper, slijpsteen.Whether,wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of:Whether he come or go= hetzij hij kome of ga;Whether orno(t)= al of niet.Whew,wjû, Poeh! Bah! Foei!Whewell,wjû’l.Whey,wei:Whey-cure;Whey-tub= weivat;Wheyey=Wheyish= weiachtig.Which,witš, welk, hetwelk, die of dat, welke:Which is yours?= welke (van deze) is van u;Heknows which is which= kent ze uit elkaar, hij weet er alles van;Added to which= waar nog bij komt;Whichever, Whichsoever= welke ook.Whiff,wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong;Whiffverb. dampen, uitblazen v. rook:Hegot a whiff of the nice dish= kreeg in den neus;I willtake a whiffor two= een paar trekjes doen.Whiffle,wif’l, subst. fluitje;Whiffleverb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen;Whiffle-tree= zwengelhout.Whig,wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij derWhigs;Whiggery= beginselen derWhigs=Whiggism; adj.Whiggish: subst.Whiggishness.Whigging,wigiŋ:Togive a person a whigging= afranselen, een schrobbeering geven.While,wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos;Whileverb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang;Whiles= soms;The while= ondertusschen;In themeanwhile= middelerwijl;Quite a while= een tijd lang;A good (little) while ago= een heele poos (een poosje) geleden;It ishardly worth (your) whileto look at= haast de moeite niet waard (dat gij …);He visits usbetween whiles= zoo nu en dan;Listenfor a while= een oogenblikje;I see your name in the papersonce in a while= zoo nu en dan;She has got money to investevery once in a while(Am.) = telkens;Not yet a while= vooreerst niet;I havewhiled away my timein reading this book= mijn tijd gezellig doorgebracht met;Whilere,wailêə=Whilom,wail’m,wailoum, voorheen, vroeger;Whilst= terwijl:The whilst= ondertusschen.Whim,wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn:She isfull of whims= vol kuren.Whimbrel,wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.Whimper,wimpə, subst. gegrien, geteem;Whimperverb. grienen, teemen:Without a whimper= zonder een kik te geven.Whimsical,wimzik’l, grillig;Whimsicality= grilligheid =Whimsicalness;Whimsy= gril; adj. grillig.Whin,win, gaspeldoorn; basalt (=Whin-stone);Whin-berry= blauwe boschbes;Red Whin-berry= roode boschbes;Whinchat= kleine walduiker;Whinny= vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. ZieWhinny.Whine,wain, subst. gejammer, gekerm, geteem;Whineverb. jammeren, kermen, teemen;Whiner;In a whiney-piney voice= jankerig.Whinny,wini, subst. gehinnik, gebriesch;Whinnyverb. brieschen, hinniken. ZieWhin.Whip,wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door denWhip(=Whipper-in) gezonden;Whipverb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ookfig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen:He isa passable whip= vrij goed voerman;He rode to itwhip and spur= spoorslags;Crack (Smack) went the whips= de zweepen klapten;Tocrack (smack) a whip= doen knallen;Towhip a custard= vlade klaarmaken, kloppen;Do you want me to help youto whip the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen;We havewhipped this part of the stream= afgevischt;It waswhipped about (around) withbrown paper= gewikkeld in;He whipped it from us= gapte het van ons;Hewhipped his head intothe window= stak plotseling zijn hoofd naar binnen;The tooth waswhipped outin less than no time= werd er uitgewipt;Theywhipped upthe cherries= gapten weg;Whipped cream= slagroom;Whipped eggs= tot schuim geklopt eiwit;Whip-cord= zweepkoord, snaar;Whip-hand= rechterhand, voordeel, meerderheid:He did not frequently venture totake the whip-hand ofher= haar den boel uit de hand te nemen;As youhave the whip-hand ofme, you may be as humorous as you please= daar je me in je macht hebt;Whip-handle:Tohave (keep) the whip-handle= het heft in handen hebben (houden);Whip-lash= het slag v. eene zweep;Whip-saw= trekzaag;Whip-staff= helmhout;Whip-stitch[642]= overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek;Whip-stock= zweepstok;Whipper (Whipster)= geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient;Whip-in= pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd;Whip-snapper= kereltje, nietig ventje;Whipping:Whip-post= geeselpaal;Whip-top= drijftol.Whipple-tree,wip’ltrî=Whiffle-tree.Whip-poor-will,wipûwil, soort geitenmelker.Whir,wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels);Whirverb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!Whirl,wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans;Whirlverb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren:They werewhirled away= snorden weg;We were quickly whirled back to D.= snorden terug;Whirlpool= maalstroom, draaikolk;Whirlwind= wervelwind:She wasin a whirlwind of passion= werd voortgesleurd door haren hartstocht;Whirlwindishactivity= onstuimige;Whirler= wie of wat ronddraait;Whirligig,wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever:Thewhirl of time= het snelle vlieden van den tijd;Whirl-ventilator= ventilatierad.Whish,wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.Whisk,wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot;Whiskverb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen:Towhisk along= voortsnellen;Towhisk away= wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen;Towhisk down= snel afrukken;Towhisk off= snel wegvegen, afrukken;Hewhisked withhis pocket-handkerchief at a fly= sloeg met.Whisker(s),wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.);Whiskered= met bakkebaarden.Whisket,wiskət, mand, korf; kleine draaibank.Whisk(e)y,wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.Whisp,wisp. ZieWisp.Whisper,wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk;Whisperverb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren:Togive the whisper= een wenk (tip) geven (sport.);In a whisper= fluisterend;In a pig’s whisper, ZiePig;The elder boywhispered the girl= fluisterde het meisje iets in;Hewhispered it in my ear= fluisterde het mij in ’t oor;Whisperer= fluisteraar, oorblazer;Whispering:Whispering-gallery (Whispering-dome)= fluistergaanderij of -gewelf.Whist,wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil:Holdyour whist,Sir!= je mond;Whist-drive= whistpartij (vaak om prijzen).Whistle,wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel;Whistleverb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen:It isnot worth the whistle= niet noemenswaard;Not to care a penny whistle for= geen lor geven om;Youpay (too) dear for your whistle= betaalt uwe liefhebberijen duur;I’llwet my whistle first= ik moet eerst mijn keel eens smeren;He canwhistle backthe parrot’s call= precies nadoen;Shewhistledher loverdown the wind= wou niet meer van hem weten;With this experience everything he had ever cared for waswhistled down the wind= voor goed voorbij, verdwenen;You maywhistle for it= ge kunt ernaar fluiten;He has beenwhistling for a wind= hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof);The train waswhistled off= op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven;Whistler= fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel =Whistling-shop.Whit,wit, zier, jota, weinigje:Not a whit= in geenen deele;Every whit= in elk opzicht.Whitaker,witəkə.White,wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos;Whiteverb. pleisteren:She wasdressed in white= in het wit;Tohit the white= in de roos schieten;Heshowed the whites of his eyes= het wit;If eggs are boiled too lightly the white does not set= stolt het eiwit niet;Whites= fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed;White ant= termiet;White bear= ijsbeer;White clover= witte klaver;White corn (crop)= tarwe, rogge, gerst of haver;It wasa white dayfor you (a day to bemarked with a white stone)= geluksdag voor u;He showedthe white feather= hij gaf blijk van lafhartigheid;White Friars= Karmelieten;White frost= rijm;White gold= platina;White goods= witte goederen;At a white heat= witgloeiend (ookfig.);White herring= groene haring, pekelharing;White iron= ruw ijzer, blik;Whiteland= leembodem;It wasthe whitest of white lies= het onschuldigste van alle noodleugentjes;White money= zilvergeld;White nights= slapelooze;White rent= belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver;White rope= ongeteerd touw;White sale= verkoop v.White goods;White Sea;You areas white as a sheet= als een doek;Toget (turn) white= bleek worden;Whited sepulchres= gepleisterde graven;Whitebait= witvisch;White beam= witte lijsterbes;White-beard= oude man;White-blaze= bles;Whiteboy= lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761);White-ear= tapuit, witstaart;White-face= bles (paard);Whitefish= houting, adelvisch;White-foot= (paard met) witte plek (op den poot);White-handed= met blanke, reine (onbezoedelde) handen;White-headed= met grijze haren;White-lead= loodwit;White-limed= gewit;White-livered= lafhartig;White-meat= melkspijzen; wit vleesch;White-paint= loodwitverf;White-pot= pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.;White-smith= tinsmid;White-stocking= groote witte vlek op den poot v. een paard;Whitetail=White-ear;White-thorn= hagedoorn, meidoorn;White-throat[643]= grasmusch;Whitewash, subst. witkalk, witsel;Whitewashverb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren:Togive a room a whitewash;Towhitewash a man’s misconducts= misdragingen vergoelijken;Whitewasher= witter;Whitewood= boomen met wit hout;Whiten= wit maken, bleeken, bleek of wit worden;Whitener= bleeker, bleekwater;Whiteness= witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.Whitechapel,wait-tšap’l;Whitefield,waitfîld;Whitehall,waithôl.Whitey,waiti, witachtig.Whither,widher, werwaarts, waarheen:Whithersoever he goes= waarheen hij ook gaat.Whiting,waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).Whitleather,witledhə, wit leder.Whitlow,witlou, fijt; klauwzeer (schapen).Whitmonday,witm’ndei,witmɐndi, Pinkstermaandag;Whitsunday,wits’ndei,witsɐndi, Pinksterzondag;Whittuesday= Pinkster drie;Whitsun,wits’n= pinkster - -, Pinksteren;Whitsuntide,wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen);Whitsunweek= Pinksterweek.Whittle,wit’l, subst. mes; wollen mantel;Whittleverb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten:The radicals wantto whittle down Parliamenttill nothing remains but the House of Commons= het Parlement te besnoeien.Whiz,wiz, subst. snorrend of gonzend geluid;Whizverb. snorren (van kogel of pijl):Whizzing temples= bonzende (kloppende) slapen.Who,hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.”Missle Who?= juffrouw le “wàt”?Who goes there?= werda!Whoever= alwie =Whosoever.Whoa,wou(ə)ho! (tegen paarden).Whole,houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden:(Up)on the whole= alles wel beschouwd, over het geheel;Take the whole of it= neem alles maar;Whole and sound= frisch en gezond;My whole duty= volle, volledige;Whole milk= volle melk;The whole town= de geheele stad;The whole truth= de volle waarheid;Tomake whole= repareeren;Whole-blood= afstammend in rechte lijn;Whole-hogger= iemand, die niet van halve maatregelen houdt;Whole-hoofed= éénhoevig;Whole-length= van het eene einde naar het andere in de volle lengte:Whole-length picture= ten voeten uit;Whole-note= heele noot;Wholeness= ongeschondenheid;Wholesale= groothandel, engros zaak:By wholesale= engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken;Wholesale business= engros zaak;Wholesale cost (price),Wholesale merchant;Wineswholesale and retail= in ’t groot en klein;They werekilled wholesale= bij massa’s;Tosell wholesale;Wholesaler;Wholesome= gezond, heilzaam:Wholesome morals= gezonde zedelijkheid of zeden;Wholesome teeth= gave tanden; subst.Wholesomeness= gezondheid, heilzaamheid;Wholly,houli, geheel en al, volkomen.Whom,hûm, wien, dien, dat:Whomsoever= wien ook.Whoop,hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu!Whoop of battle= krijgsgeschreeuw;Whooping-cough,hûpiŋkof, kinkhoest.Whoot,hût; ZieHoot.Whop,wop, slaan, ranselen; subst. slag;Whopper= iets kolossaals, groote leugen:That’s a whopper= dat is een leugen alsof het gedrukt was;Whopping, subst. pak ransel; adj. kolossaal:A whopping lie.Whore,hö, hoer;Whoreverb. hoereeren, afgoderij bedrijven;Whore-master=Whore-monger= hoereerder;Whoredom= hoerdom, afgoderij; adj.Whorish: subst.Whoreness.Whorl,wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp:Whorled= gedraaid of gekronkeld.Whortle,wɐ̂t’l, blauwe boschbes =Whortleberry.Whose,hûz, wiens, welker, welks, wier;Whosesoever= van wien ook;Whoso= al wie =Whosoever.Whur,wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast;Whurverb. gonzen, snorren, knorren, de letterrratelend uitspreken.Why,wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel!That is why= deswege;I wishto know the why and the wherefore= het waarom en waartoe;It’s not yoursto reason why= de reden te vragen;Whyso= waarom?Why, I never saw such a fool= wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien;Why, there is enough left= daar is toch genoeg over, niet waar?
Weal,wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen;Wealverb. striemen:Weal and woe= wel en wee;The common, general, public weal= het algemeene welzijn of nut.Wealth,welth, rijkdom, overvloed =Wealthiness; adj.Wealthy= rijk.Weald,wîld, open boschland:The Weald= zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.Wean,wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen:She had no desire towean him fromBessie= aan B. te onttroggelen;Weanling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.Weapon,wep’n, wapen, doorn, prikkel:I had no weapon handy but a poker= een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, weapons down” = handen omhoog, wapens neerleggen!Weaponed= gewapend, toegerust;Weaponless= ongewapend.Wear,wîə.Wear,wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode;Wearverb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip):The building and its ornaments had suffered much fromthe wear and tear of time= door den tand des tijds;There is yet a good year’s wear in that coat= die jas kan nog best een jaar gedragen worden;Tobe very little the worse for wear= nog niet veel versleten;Tobe all the wear= algemeen gedragen worden;Shewears the breeches= heeft de broek aan, is de baas;Hewore a look of amazement= keek verbaasd;She carried a mantle to wear it in the night-time= zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen;Youwear your sweet smileto day= hebt uw vriendelijken glimlach;Towear the willow= om de(n) geliefde treuren;Time hasworn awaymost of the inscription= afgesleten;The nightwore itself away= ging langzaam voorbij;One way and another the daywears away= op de een of andere manier komen we den dag door;These marks will neverwear away= zullen nooit weer uitslijten;The water hasworn offthe stone= rond gesleten;All his wild pranks willwear offwith time= al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan;Time wore on= ging voorbij;Towear out= afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen:I wasworn (out) withfatigue= kapot van, uitgeput;Towear ill= zich slecht houden;His patienceis wearing thin= raakt op;This clothwears well= houdt zich goed in het dragen;You wear (your age) well= gij houdt u goed voor uw leeftijd;Wearable= geschikt om te dragen;Wearer= drager, wat uitslijt;Wearing:Wearing-apparel= lijfdracht, kleederen.Weariness,wîrinəs, vermoeidheid;Wearisome= vermoeiend, vervelend; subst.Wearisomeness;Weary,wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk;Wearyverb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for):I amweary ofworking= het werken moe;I amweary withworking= moe van het werken;I soonwearied of(zeldenwith)the same succession of fields and houses= spoedig verveelde mij;The soldiers werewearied out= geheel uitgeput;To bewearied out of patience= zijn geduld verliezen.Weasand,wîz’nd, luchtpijp.Weasel,wîz’l, wezel:Catch a weasel asleep!= jij zult mij te pakken nemen!Weasel-faced= met een scherp en mager gezicht.Weather,wedhə, subst. weder of weer;Weatherverb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen:Fair, fine, settled weather= mooi, bestendig;Foul, Wild weather= slecht, onstuimig;How is the weather?=What is the weather like?= wat voor weer is het;The ship wasunder a stress of weather= had met hevige stormen te kampen;The weather has been very settledthese three weeks= wij hebben de laatste drie weken vast weer;The cold weather at last breaks= ten slotte slaat het weer om;The shipmakes good (bad) weather= houdt zich goed (slecht) in een storm;Tosing and dance all weathers= de huik naar den wind hangen;Weather and wind permitting= wind en weder dienende;Toweather a cape= bovenlangs zeilen;Toweather a point= bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden;Toweather a ship= de loef afsteken;This ship is sure toweather (out) the storm= dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in;Weather-anchor= anker aan de windzijde;Weather-beaten= door stormen geteisterd, verweerd:Aweather-beaten coast, face= eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat;Weather-bitten= verweerd;Weather-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (=Weather-boarding);Weather-boardingverb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.;Weather-bound= door het weer teruggehouden of opgehouden;Weather-box= weerhuisje;Weather-breeder= een mooie dag waarop zich een onweder schijnt[637]samen te pakken;Weather-cloth= verschansingskleed, presenning;Weathercock= weerhaan, wispelturig persoon:She is ratherweathercocky= wispelturig;Weather-eye:Hekeeps his weather-eye open= hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet;Weather-fish= modderkruiper;Weather-ga(u)ge, loef, voordeel:To get the weather-gauge of a person= iemand de loef afsteken;Weather-glass= weerglas;Weather-house= weerhuisje;Weather-mo(u)ldings= overhangende lijst (boven deur of venster);Weather-proof= tegen het weer bestand;Weather-prophet= weervoorspeller;Weather-quarter= loefzijde, windkant;Weather-report= weerbericht;Weather-roll= het overhalen van het schip naar loefzijde;Weather-side= loefzijde;Weather-strip= tochtlat;Weather-tide= stroom of tij van uit de lijzijde;Weather-vane= windwijzer;Weather-wise= weerkundig;Weather-worn= verweerd;Weathered= door het weer geteisterd, verweerd;Weathering= verweering; glooiing, afwatering;Weatherly= loefgierig.Weave,wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden:Toweave all pieces on the same loom= alles over één kam scheren;Weaver= wever;Weaver-bird= wever(vogel); draaikever;Weaver-fish= pieterman;Weaver’s shuttle= weversspoeltje;Weaving:Weaving-loom= weefgetouw.Weazen,wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager:A weazen, piping, shrill Hurrah!= een scherp, pieperig, schel Hoera!Weazen-faced= met mager, uitgedroogd gelaat; zieWizen.Web,web, subst.weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies;Webverb. als met een weefsel bedekken;Web-eye= nagelvlies op het oog;Web-foot= zwempoot;Web-footed= met zwempooten;Webbed= met zwemvliezen:Webbed feet;Webbing= geweven banden voor gordels, etc.Wed,wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren:He has beenwedded to truthfrom his infancy= de waarheid is zijne leidsvrouw geweest;Wedding= huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft:It was only a marriage and no wedding,there was no breakfast and no feasting= het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.;Silver, golden, diamond wedding= 25-, 50-, 60-jarige bruiloft;Paper, wooden, tin, crystal, china wedding= 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft;Wedding-breakfast= lunch na de huwelijksvoltrekking;Wedding-cake= bruiloftstaart;Wedding-card= huwelijkscommunicatie;Wedding-day= trouwdag;Wedding-dower= huwelijksgift;Wedding-favours= rozetten door de bedienden gedragen;Wedding-feast= huwelijksfeest;Wedding-garment;Wedding-gown;Wedding-ring= trouwring;Wedding-tour,Wedding-trip= huwelijksreis(je).Wedge,wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij hetClassical Tripos(het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge);Wedgeverb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen:Take care (beware) ofthe thin (small) end of the wedge= hoed u voor den eersten stap;Towedge one’s way= dringen door;Wedge-bone= wiggebeen;Wedge-inscription= opschrift in spijkerschrift;Wedge-shaped= wigvormig =Wedgewise.Wedgwood ware,wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinderJosiah Wedgwood(1730–95).Wedlockwedlok, huwelijk:Born out of wedlock= buiten huwelijk geboren;Toenter upon wedlock= in ’t huwelijk treden.Wednesbury,wenzb’ri.Wednesday,wenzdi, Woensdag.Wee,wî, klein:A wee bit= een klein beetje.Weed,wîd, subst. onkruid (ookfig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meestweeds);Weedverb. wieden, uitroeien, uitrukken:Are youa lover of the weed? = rookt gij graag;Ill weeds grow apace (never wither)= onkruid vergaat niet;She wasdressed in her (mourning) weeds= in haar weduwenrouw;Many defects will have to beweeded outfirst= uitgeroeid;Weed-grown= met onkruid begroeid;Weed(ing)-hook= wiedijzer;Weed-prairie= prairieland met veel wilde bloemen en struiken;Weeder= wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden;Weeding:Weeding-shears= wiedschaar;Weeding-tongs (Weeding-forceps)= wiedtang;Weediness, subst. v.Weedy= vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.Week,wîk, week:Will you comea week from Sunday= Zondag over eene week;Next week, Last week= aanstaande, verleden week;The last week= de laatste week;The next week= de volgende week;Next week or week after= de volgende week of de week daarna;To-day (This day) week= vandaag over acht dagen;Week and week about= om de andere week;Week in, week out= week in, week uit;I’ll call againa week or ten days after this= ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan;A prophetic week= zeven jaren;Weekday= werkdag;Week-end= van Zaterdag tot Maandagmorgen;Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.Ween,wîn, denken, wanen, meenen.Weep,wîp, subst. het schreien;Weepverb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn:Shehad a private weep= schreide in haar ééntje;Hewept for joy= hij schreide van vreugde;Theywept over their losses= schreiden bij (om) hun verlies;Weeper= weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (=Weepers); Amer. bruine aap:Drooping whiskers of the kind that used to be calledPiccadilly weepers;Weeping:Weeping-ash= treuresch;Weeping-birch= treurberk;Weeping-elm;Weeping-rock= dropsteen;Weeping-spring= sijpelende bron;Weeping-tree= treurboom;Weeping-willow= treurwilg.Weet,wît, watersnip, riethoen.[638]Weever,wîvə, pieterman (visch).Weevil,wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm;WeevilledWeevil(l)y= vol wormen.Weft,weft, inslag, weefsel.Weigh,wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.;van koren ± 1453,946 L.; ZieWey);Weighverb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten:We aregetting under weighat last= eindelijk gaan we anker op, op weg;He wasweighed and found wanting= gewogen en te licht bevonden;I have beenweighing itcarefully= zorgvuldig overwogen;Theyweighed anchor= zij lichtten het anker;His great responsibilityweighed him down= drukte hem;The flour wasweighed out tothe poor women= toegewogen;That does notweigh (with him)= dat beteekent niets (bij hem);Weigh-bridge= brugbalans;Weighable= weegbaar;Weighage,weiidž= weegloon; waaggeld;Weigher= weger;Weighing:Weighing-house= waag;Weighing-machine= bascule;Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed;Weightverb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren:Brute, Gross weight= bruto gewicht;Dead weight= zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.);Net weight= netto gewicht;Set of weights= stel;He isa person of some weight= beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien;The jovial light weightbecame a serious man= het vroolijke zieltje-zonder-zorg;You havegiven me short weight= gij hebt mij te weinig gewicht gegeven;Thathas no weight with me= weegt niet bij mij;Ithas a special weightjust now= is thans van bijzonder gewicht;This bookis worth its weight in gold= is zijn gewicht in goud waard;Tocarry great weight= van veel gewicht zijn;This I give you onlyto make weight= om het gewicht vol te maken;Topull up the weightsof the clock;His mind must not beweighted withall that stuff= niet bezwaard worden;His words wereweighted withthe sorrow of parting= waren droevig door;Weightiness, subst. v.Weighty= gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.Weir,wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.Weird,wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering:Weird Sisters= schikgodinnen;(= Weirds);Todree one’s weird= zich in zijn lot schikken (Schotl.).Welch,welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen;Welcher.Welcome,welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom;Welcomeverb. verwelkomen:Most welcome home= hartelijk welkom thuis;And welcome= en van harte;You are quite welcome to it= het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen;You are welcome to go= gij kunt om mij wel gaan;He might have died and welcome= om mijn part was hij doodgegaan;Tobid welcome= welkom heeten;Hemade us welcome= hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst;Tooutstay one’s welcome= langer blijven dan den gastheer aangenaam is;Welcomer= die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.Weld,weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen);Weldverb. wellen, nauw verbinden:His statements are not thrown together,but properly welded= maar zitten behoorlijk in elkaar;Weldable= wat geweld kan worden;Welder= wie welt;A welding heatcame from the furnace= eene verschrikkelijke hitte;Welding-furnace.Welfare,welfêə, welvaart, voorspoed.Welkin,welkin, hemelgewelf, zwerk.Well,wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar;Wellverb. opwellen, ontspringen, vloeien:Thewell of a carriage= flesschenkeldertje van een wagen;Thewell of an orchestra= zitplaats (in een theater) voor het orkest;She isat the wells= gebruikt de wateren;Tears wouldwell (up) into her eyes= welden dan op in hare oogen;The welling tearssuffused her eyes= de opwellende tranen;Well-boat= visschersschuit met bun;Well-deck= deel van het dek tusschen bak en groote hut;Well-drain= draineerbuis;Well-drainverb. draineeren;Well-head= bron, oorsprong, bronwel;Well-hole= ruimte voor ascenseur of wenteltrap;Well-room= drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat;Well-sinker= putgraver, -boorder;Well-spring= bron;Well-staircase= wenteltrap;Well-sweep= lange stok om water te putten;Well-water= wel- of bronwater.Well,wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle:I am very well= ik ben heel goed;I am well withthat family= op goeden voet;It is well with= staat goed met;Where it is well with me,there is my country= waar het mij goed gaat;That’s well= in orde;It is all very well for B.to talk of burning the books= B. kan wel zeggen, dat..;It is always wellto look ahead= het is altijd goed om;When the old die,it is well,they have had their time= is het maar goed;Ah, life is delicious;Well to live long! hoe heerlijk is het;The welland the ailing= gezonden;Well, I never= heb ik ooit van m’n leven!Well!= welnu! Hoe staat het? etc.;Well done= Bravo!All’s well that ends well= eind goed al goed;Leave well alone= het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan;Youhad as wellstay at home= ge deedt net zoo goed;He is virtuousas well asrich= zoowel … als;You maywell say so= dat zegt gij wél;All well and good= alles goed en wel;If you have some better engagementwell and good= enfin, dan is het niet anders;He was sittingwell backin his arm-chair= flink, ver achterover;The servant iswell enough,but= vrij goed;The clergy arewell to the forein this novel= spelen eene eerste rol;He iswell nigh sixty= welhaast;To bewell-off= goed[639]“af” zijn, het goed hebben;To bewell-off for= goed voorzien van;At six we werewell on our way= een heel eind op weg;We arewell on in July= een groot deel van Juli is al om;To bewell out of= gelukkig af zijn van;Before he waswell out ofthe room= goed en wel de kamer uit was;Well-a-day= helaas!Well-advised= goed geraden, welonderricht;Well-affected= genegen, welgezind;Well-appointed= volledig uitgerust, keurig ingericht;Well-authenticated= door goede autoriteit gestaafd;Well-balanced= evenredig, gelijkmatig;Well-behaved= van goed gedrag, fatsoenlijk;Well-being= welzijn;Well-beloved= veelgeliefd, dierbaar;Well-born= van goede geboorte;Well-bred= beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming;Well-chosen= juist gekozen;Well-conditioned= in goeden staat;Well-content(ed)= gelukkig, tevreden;Well-derived= van goede afkomst;Well-deserving= verdienstelijk;Well-disposed= welgezind;Well-doing= plichtsbetrachting, rechtschapenheid;Well-dressed;Well-educated;Well-favoured= knap uitziend;Well-fed;Well-founded= op goede gronden steunend;Well-informed= goed op de hoogte;Well-knit= krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit;Well-known= (wel)bekend;Well-lined= goed gevoed, flink gespekt (fig.);Well-mannered= van goede manieren, welgemanierd;Well-meaning= welmeenend, goedig; ook subst.;Well-meant= oprecht, hartelijk;Well-met= heil, welkom;Wellnigh= bijna;Well-paid= goed betaald;Well-proportioned= goed geëvenredigd;Well-read= belezen;Well-refined= hoogst beschaafd;Well-remembered= welbekend;Well-reputed= te goeder naam bekend, beroemd;Well-seasoned= goed gekruid, goed gedroogd (hout):An army ofwell-seasoned soldiers= beproefde soldaten;Well-set= goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd;Well-spoken= vriendelijk;Well-thumbed= beduimeld, veel gelezen;Well-timed= tijdig;Well-to-do= welgesteld:The well-to-do= de gegoede burgerstand;Well-wisher= wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent;Well-won= eerlijk verdiend;Well-worn= afgedragen, versleten, druk betreden.Wellesley,welzli;Wellington,weliŋt’n:Wellington (boot)= laars met lange schacht.Welsh,welš, subst. en adj. (taal of bewoners) vanWales:Welsh-flannel= fijne soort v. flanel;Welshman= inwoner van Wallis;Welsh-rabbit,Welsh-rarebit, ZieRabbit;Welsh-wig= kalotje (van wol of sajet);Welshwoman.Welsh,welš, zieWelch(er).Welt,welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag;Weltverb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden:Shoesworn to the welt= totaal afgedragen.Welter,weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel;Welterverb. zich wentelen, rollen, baden;Welter-race= rennen met de zwaarste belasting;Welter-weight= zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).Wemyss,wîmz.Wen,wen, wen, uitwas.Wench,wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel;Wenchverb. boeleeren;Wencher= boeleerder.Wend,wend, gaan, zich begeven naar:Wewended our wayto the town= begaven ons.Wend,wend;Wendic;Wendish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.Went,went, imperf. vanto go.Wentletrap,went’ltrap, wenteltrap (slak).Wept,wept, imperf. en p.p. vanto weep.Were,wɐ̂,wêə, imperf. vanto be.We’re,wîə=we are.Wer(e)gild,wɐ̂gild, weergeld.Wer(e)wolf,wɐ̂wulf, weerwolf.Wert,wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. vanto be.Wesley,wezli, Wesley:Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht;Wesleyanism.West,west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen:The West End= Westeinde, aristocratische wijk in Londen;A West-ender= bewoner van ’t Westeinde;West India;West Indian;The West Indies;Tothe West of the city= ten westen van de stad;Westering= afstand naar het westen, westelijke koers;Westerly= westelijk;Western= westersch, westelijk:The Western Empire= het Westersch-Romeinsche rijk;Westernmost= het meest naar het Westen gelegen. ZieWestward.Westmeath,westmîdh;Westminster,wes(t)minstə;Westmor(e)land,wes(t)möland;Westphalia,westfeiljə, Westfalen;Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.Westward,westwəd, naar het Westen, westwaartsch;Westwards= ten westen, westwaarts.Wet,wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld;Wetverb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken:Have a wet= neem een “hapje”;Something to keep the wet out= een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer;I amwet through= doornat;Her face waswet with tears= nat van tranen;A verywet jew= een echte “spekjood”;To have a wet night of it= flink drinken;At eleven o’clock sharp,wet or fine= bij regen of mooi weer;Wet the other eye!= op één been kan men niet loopen;He isa wet-blanket= hij is een spelbederver;He is awet-bob= jongen (te Eton) die aan watersport doet;Wet-dock= drijvend dok;Wet-nurse= min;Wet-pack= natte omslag;Wet-shod= met lekke schoenen;Wetness= natheid;Toget a wetting= nat regenen;Wettish= nattig, eenigszins vochtig.Wether,wedhə, hamel:Bell-wether= belhamel (ookfig.).Wetteravia,wetəreivjə, Wetterau.Wey,wei, zekere maat (zieWeigh).Weymouth,weiməth.Whack,wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging;Whackverb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats![640]To gowhacks= gelijk op deelen;Hehas had his whack= zijn deel gehad, genoten;Say the word andit is a whack= en de koop is gesloten;Totake a whack at= eens probeeren;Out of whack= in wanorde;Justice was notfairly whacked out= toebedeeld;Whacker= infame leugen;Whacking= kolossaal.Whale,weil, walvisch:Your story is very like a whale= uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven;Whale-bird= soort stormvogel;Whale-boat= walvischsloep;Whale-bone= balein;Whale-fin= balein;Whale-fishery= walvischvangst;Whale-hunting= walvischvaart;Whale-louse= parasiet van den walvisch;Whale-man= walvischvaarder;Whale-oil= walvischtraan;Whale-ship= Groenlandsvaarder;Whaler= walvischvaarder; iets groots of plomps;Whaling:Whaling-master, kapitein van eenWhale-ship.Whall,wôl, glasoog (Z.Wall).Whalley,woli.Whame,weim, horsel =Whame-fly.Whang,waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede;Whangverb. ranselen, geeselen.Whap,wop; ZieWhop.Wharf,wöf, subst. werf, kaai;Wharfverb. lossen, vertuien;Wharfage,wöfidž, kaaigeld, (=Wharf-charges), werven, ankerplaats;Wharf-porter= sjouwerman;Wharfing= werven in ’t algemeen, los- of ligplaats;Wharfinger,wöfinžə, kaaimeester.Wharton,wöt’n.What,wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels:What day of the month is to-day?= de hoeveelste is het vandaag;What is the game?= hoe staat de partij;What is your name?= hoe heet ge;What is the (best) news= wat voor nieuws is er;What is the time (of day), what time is it?= hoe laat is het;What is up there?= wat is daar aan de hand;What do you call that?= hoe noemt ge dat?Mr. What-do-you-call-him= Meneer van der Hummes;What money have you got?= hoeveel geld heb je;He gave awaywhat money hehad= al het geld;I will tell you what= ik zal je eens wat zeggen;What ho!= hei daar!What next?= en dan;What of that= wat doet dat er toe;What then?= wat zou dat;What matterif they are= en wat doet het er toe of …;What nonsense= wat een onzin;It won’t do to get into a groove,What? = niet waar?What abouthim?= hoe gaat het hem;He gotwhat for= kreeg er van;What ifhe comes= wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt;What (care) thoughI am but poor? = wat hindert het;What thoughhe comes= aangenomen (wat hindert het);What between … and= deels door … deels door =What with … what with;Hecalled me fool and what not= en wat al niet;Heknows what is what= hij heeft zijn weetje wel;Whate’er, Whatever, Whatsoever= al wat, wat ook, hoedanig ook:Whateveris that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd;Nobody whatever= niemand wie ook;Whatlike= van welken aard.Whatnot,wotnot, étagère.Whaup,wôp, wulp.Wheal,wîl, puistje, striem; mijn.Wheat,wît, tarwe:Bearded wheat= spelt;Wheatear= tapuit (vogel);Wheat-ear= tarweaar;Wheat-moth, (Wheat-worm)= korenworm;Wheaten= van tarwe:Wheaten bread= tarwebrood.Wheedle,wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten:Hewheedledmeout of5 pounds,wheedled me intolending him that sum= hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen;He couldwheedle the tire off a cart-wheel(He couldwheedle a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen;Wheedler= vleier, flikflooier.Wheel,wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf;Wheelverb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden:He wasbroken upon the wheel= werd geradbraakt;Togrease the wheels(fig.) = de hand stoppen;Tohelp the wheel over= over het doode punt heen helpen;Toput one’s shoulder to the wheel= flink aanpakken;Heput a spoke in your wheel= hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden;I feel myself to bea fifth wheel to the coach= dat ik het vijfde rad aan den wagen ben;Wheels within wheels= gecompliceerd plan, onduidelijke motieven;We werewheeling alongat a fast rate= snorden voort;Wheel it back= rol het achteruit;Wheel-animals,Wheel-animalcules= raderdiertjes;Wheelbarrow= kruiwagen;Wheel-boat= raderboot;Wheel-carriage= voertuig op wielen;Wheel-chair= rolstoel;Wheel-cutter= radsnijder;Wheel-drag= remschoen;Wheel-horse=Wheeler;Wheelman= roerganger, wielrijder;Wheel-shaped= radvormig;Wheel-steamer= raderboot;Wheel-window= rozet;Wheelwoman= wielrijdster;Wheelwork= raderwerk;Wheelwright= wagenmaker;Wheeled= op of met wielen, per as;Wheeler= wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard:The leaders andthe wheelers= de voorste en de achterste paarden van een vierspan.Wheeze,wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje:Tocrack a wheeze= een mop tappen;Anew wheeze= een nieuw snufje;Wheezy= snuivend, hijgend, aamborstig.Whelk,welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).Whelm,welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.Whelp,welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit;Whelpverb. jongen werpen:Bitchin whelp= drachtige;Whelpless.When,wen, wanneer, toen, als:At the very time whenhe told me this= juist toen hij;Even whenyou told me so= juist toen;Since when?= sedert wanneer;Since when= sedert welken tijd;When due= op vervaltijd;When received= na ontvangst;When young= in mijn jeugd;Whenas= wanneer, terwijl;Whence= vanwaar, waaruit;Whencesoever= waar ook vandaan;Whenever (Whene’er)= wanneer ook, telkens wanneer =Whensoever.[641]Where,wêə, waar, waarheen, alwaar:Where are you going?= waar gaat ge naar toe;I don’t knowwhereallhe is going= waar hij al … heengaat;Where-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres:We discoveredthe where-abouts of the missing lady= waar de vermiste dame was;Isent him to the where-about(s)= heb hem de laan uitgestuurd;Whereas= terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal;Whereat= waarop;Whereby= waardoor, waarbij;Wherefore= waarom, met welk doel, zoodat;Wherein= waarin;Whereinto= waarin;Whereness= plaats waar zich iets bevindt;Whereof= waarvan;Whereon= waarop (=Whereupon);Wheresoever= waar dan ook;Whereto,Whereunto= waarheen, waartoe, met welk doel;Wherever,wêrevə, waar ook;Wherewith= waarmede;Wherewithal= waarmee; subst. middel (v. bestaan):He has not gotthe wherewithal to live= heeft geen middel van bestaan.Wherry,weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider;Wherry-man= veerman.Whet,wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.);Whet-slate= oliesteen =Whet-stone-slate;Whet-stone= wetsteen, slijpsteen;Whetter= slijper, slijpsteen.Whether,wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of:Whether he come or go= hetzij hij kome of ga;Whether orno(t)= al of niet.Whew,wjû, Poeh! Bah! Foei!Whewell,wjû’l.Whey,wei:Whey-cure;Whey-tub= weivat;Wheyey=Wheyish= weiachtig.Which,witš, welk, hetwelk, die of dat, welke:Which is yours?= welke (van deze) is van u;Heknows which is which= kent ze uit elkaar, hij weet er alles van;Added to which= waar nog bij komt;Whichever, Whichsoever= welke ook.Whiff,wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong;Whiffverb. dampen, uitblazen v. rook:Hegot a whiff of the nice dish= kreeg in den neus;I willtake a whiffor two= een paar trekjes doen.Whiffle,wif’l, subst. fluitje;Whiffleverb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen;Whiffle-tree= zwengelhout.Whig,wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij derWhigs;Whiggery= beginselen derWhigs=Whiggism; adj.Whiggish: subst.Whiggishness.Whigging,wigiŋ:Togive a person a whigging= afranselen, een schrobbeering geven.While,wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos;Whileverb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang;Whiles= soms;The while= ondertusschen;In themeanwhile= middelerwijl;Quite a while= een tijd lang;A good (little) while ago= een heele poos (een poosje) geleden;It ishardly worth (your) whileto look at= haast de moeite niet waard (dat gij …);He visits usbetween whiles= zoo nu en dan;Listenfor a while= een oogenblikje;I see your name in the papersonce in a while= zoo nu en dan;She has got money to investevery once in a while(Am.) = telkens;Not yet a while= vooreerst niet;I havewhiled away my timein reading this book= mijn tijd gezellig doorgebracht met;Whilere,wailêə=Whilom,wail’m,wailoum, voorheen, vroeger;Whilst= terwijl:The whilst= ondertusschen.Whim,wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn:She isfull of whims= vol kuren.Whimbrel,wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.Whimper,wimpə, subst. gegrien, geteem;Whimperverb. grienen, teemen:Without a whimper= zonder een kik te geven.Whimsical,wimzik’l, grillig;Whimsicality= grilligheid =Whimsicalness;Whimsy= gril; adj. grillig.Whin,win, gaspeldoorn; basalt (=Whin-stone);Whin-berry= blauwe boschbes;Red Whin-berry= roode boschbes;Whinchat= kleine walduiker;Whinny= vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. ZieWhinny.Whine,wain, subst. gejammer, gekerm, geteem;Whineverb. jammeren, kermen, teemen;Whiner;In a whiney-piney voice= jankerig.Whinny,wini, subst. gehinnik, gebriesch;Whinnyverb. brieschen, hinniken. ZieWhin.Whip,wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door denWhip(=Whipper-in) gezonden;Whipverb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ookfig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen:He isa passable whip= vrij goed voerman;He rode to itwhip and spur= spoorslags;Crack (Smack) went the whips= de zweepen klapten;Tocrack (smack) a whip= doen knallen;Towhip a custard= vlade klaarmaken, kloppen;Do you want me to help youto whip the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen;We havewhipped this part of the stream= afgevischt;It waswhipped about (around) withbrown paper= gewikkeld in;He whipped it from us= gapte het van ons;Hewhipped his head intothe window= stak plotseling zijn hoofd naar binnen;The tooth waswhipped outin less than no time= werd er uitgewipt;Theywhipped upthe cherries= gapten weg;Whipped cream= slagroom;Whipped eggs= tot schuim geklopt eiwit;Whip-cord= zweepkoord, snaar;Whip-hand= rechterhand, voordeel, meerderheid:He did not frequently venture totake the whip-hand ofher= haar den boel uit de hand te nemen;As youhave the whip-hand ofme, you may be as humorous as you please= daar je me in je macht hebt;Whip-handle:Tohave (keep) the whip-handle= het heft in handen hebben (houden);Whip-lash= het slag v. eene zweep;Whip-saw= trekzaag;Whip-staff= helmhout;Whip-stitch[642]= overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek;Whip-stock= zweepstok;Whipper (Whipster)= geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient;Whip-in= pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd;Whip-snapper= kereltje, nietig ventje;Whipping:Whip-post= geeselpaal;Whip-top= drijftol.Whipple-tree,wip’ltrî=Whiffle-tree.Whip-poor-will,wipûwil, soort geitenmelker.Whir,wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels);Whirverb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!Whirl,wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans;Whirlverb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren:They werewhirled away= snorden weg;We were quickly whirled back to D.= snorden terug;Whirlpool= maalstroom, draaikolk;Whirlwind= wervelwind:She wasin a whirlwind of passion= werd voortgesleurd door haren hartstocht;Whirlwindishactivity= onstuimige;Whirler= wie of wat ronddraait;Whirligig,wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever:Thewhirl of time= het snelle vlieden van den tijd;Whirl-ventilator= ventilatierad.Whish,wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.Whisk,wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot;Whiskverb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen:Towhisk along= voortsnellen;Towhisk away= wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen;Towhisk down= snel afrukken;Towhisk off= snel wegvegen, afrukken;Hewhisked withhis pocket-handkerchief at a fly= sloeg met.Whisker(s),wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.);Whiskered= met bakkebaarden.Whisket,wiskət, mand, korf; kleine draaibank.Whisk(e)y,wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.Whisp,wisp. ZieWisp.Whisper,wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk;Whisperverb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren:Togive the whisper= een wenk (tip) geven (sport.);In a whisper= fluisterend;In a pig’s whisper, ZiePig;The elder boywhispered the girl= fluisterde het meisje iets in;Hewhispered it in my ear= fluisterde het mij in ’t oor;Whisperer= fluisteraar, oorblazer;Whispering:Whispering-gallery (Whispering-dome)= fluistergaanderij of -gewelf.Whist,wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil:Holdyour whist,Sir!= je mond;Whist-drive= whistpartij (vaak om prijzen).Whistle,wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel;Whistleverb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen:It isnot worth the whistle= niet noemenswaard;Not to care a penny whistle for= geen lor geven om;Youpay (too) dear for your whistle= betaalt uwe liefhebberijen duur;I’llwet my whistle first= ik moet eerst mijn keel eens smeren;He canwhistle backthe parrot’s call= precies nadoen;Shewhistledher loverdown the wind= wou niet meer van hem weten;With this experience everything he had ever cared for waswhistled down the wind= voor goed voorbij, verdwenen;You maywhistle for it= ge kunt ernaar fluiten;He has beenwhistling for a wind= hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof);The train waswhistled off= op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven;Whistler= fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel =Whistling-shop.Whit,wit, zier, jota, weinigje:Not a whit= in geenen deele;Every whit= in elk opzicht.Whitaker,witəkə.White,wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos;Whiteverb. pleisteren:She wasdressed in white= in het wit;Tohit the white= in de roos schieten;Heshowed the whites of his eyes= het wit;If eggs are boiled too lightly the white does not set= stolt het eiwit niet;Whites= fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed;White ant= termiet;White bear= ijsbeer;White clover= witte klaver;White corn (crop)= tarwe, rogge, gerst of haver;It wasa white dayfor you (a day to bemarked with a white stone)= geluksdag voor u;He showedthe white feather= hij gaf blijk van lafhartigheid;White Friars= Karmelieten;White frost= rijm;White gold= platina;White goods= witte goederen;At a white heat= witgloeiend (ookfig.);White herring= groene haring, pekelharing;White iron= ruw ijzer, blik;Whiteland= leembodem;It wasthe whitest of white lies= het onschuldigste van alle noodleugentjes;White money= zilvergeld;White nights= slapelooze;White rent= belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver;White rope= ongeteerd touw;White sale= verkoop v.White goods;White Sea;You areas white as a sheet= als een doek;Toget (turn) white= bleek worden;Whited sepulchres= gepleisterde graven;Whitebait= witvisch;White beam= witte lijsterbes;White-beard= oude man;White-blaze= bles;Whiteboy= lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761);White-ear= tapuit, witstaart;White-face= bles (paard);Whitefish= houting, adelvisch;White-foot= (paard met) witte plek (op den poot);White-handed= met blanke, reine (onbezoedelde) handen;White-headed= met grijze haren;White-lead= loodwit;White-limed= gewit;White-livered= lafhartig;White-meat= melkspijzen; wit vleesch;White-paint= loodwitverf;White-pot= pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.;White-smith= tinsmid;White-stocking= groote witte vlek op den poot v. een paard;Whitetail=White-ear;White-thorn= hagedoorn, meidoorn;White-throat[643]= grasmusch;Whitewash, subst. witkalk, witsel;Whitewashverb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren:Togive a room a whitewash;Towhitewash a man’s misconducts= misdragingen vergoelijken;Whitewasher= witter;Whitewood= boomen met wit hout;Whiten= wit maken, bleeken, bleek of wit worden;Whitener= bleeker, bleekwater;Whiteness= witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.Whitechapel,wait-tšap’l;Whitefield,waitfîld;Whitehall,waithôl.Whitey,waiti, witachtig.Whither,widher, werwaarts, waarheen:Whithersoever he goes= waarheen hij ook gaat.Whiting,waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).Whitleather,witledhə, wit leder.Whitlow,witlou, fijt; klauwzeer (schapen).Whitmonday,witm’ndei,witmɐndi, Pinkstermaandag;Whitsunday,wits’ndei,witsɐndi, Pinksterzondag;Whittuesday= Pinkster drie;Whitsun,wits’n= pinkster - -, Pinksteren;Whitsuntide,wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen);Whitsunweek= Pinksterweek.Whittle,wit’l, subst. mes; wollen mantel;Whittleverb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten:The radicals wantto whittle down Parliamenttill nothing remains but the House of Commons= het Parlement te besnoeien.Whiz,wiz, subst. snorrend of gonzend geluid;Whizverb. snorren (van kogel of pijl):Whizzing temples= bonzende (kloppende) slapen.Who,hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.”Missle Who?= juffrouw le “wàt”?Who goes there?= werda!Whoever= alwie =Whosoever.Whoa,wou(ə)ho! (tegen paarden).Whole,houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden:(Up)on the whole= alles wel beschouwd, over het geheel;Take the whole of it= neem alles maar;Whole and sound= frisch en gezond;My whole duty= volle, volledige;Whole milk= volle melk;The whole town= de geheele stad;The whole truth= de volle waarheid;Tomake whole= repareeren;Whole-blood= afstammend in rechte lijn;Whole-hogger= iemand, die niet van halve maatregelen houdt;Whole-hoofed= éénhoevig;Whole-length= van het eene einde naar het andere in de volle lengte:Whole-length picture= ten voeten uit;Whole-note= heele noot;Wholeness= ongeschondenheid;Wholesale= groothandel, engros zaak:By wholesale= engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken;Wholesale business= engros zaak;Wholesale cost (price),Wholesale merchant;Wineswholesale and retail= in ’t groot en klein;They werekilled wholesale= bij massa’s;Tosell wholesale;Wholesaler;Wholesome= gezond, heilzaam:Wholesome morals= gezonde zedelijkheid of zeden;Wholesome teeth= gave tanden; subst.Wholesomeness= gezondheid, heilzaamheid;Wholly,houli, geheel en al, volkomen.Whom,hûm, wien, dien, dat:Whomsoever= wien ook.Whoop,hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu!Whoop of battle= krijgsgeschreeuw;Whooping-cough,hûpiŋkof, kinkhoest.Whoot,hût; ZieHoot.Whop,wop, slaan, ranselen; subst. slag;Whopper= iets kolossaals, groote leugen:That’s a whopper= dat is een leugen alsof het gedrukt was;Whopping, subst. pak ransel; adj. kolossaal:A whopping lie.Whore,hö, hoer;Whoreverb. hoereeren, afgoderij bedrijven;Whore-master=Whore-monger= hoereerder;Whoredom= hoerdom, afgoderij; adj.Whorish: subst.Whoreness.Whorl,wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp:Whorled= gedraaid of gekronkeld.Whortle,wɐ̂t’l, blauwe boschbes =Whortleberry.Whose,hûz, wiens, welker, welks, wier;Whosesoever= van wien ook;Whoso= al wie =Whosoever.Whur,wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast;Whurverb. gonzen, snorren, knorren, de letterrratelend uitspreken.Why,wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel!That is why= deswege;I wishto know the why and the wherefore= het waarom en waartoe;It’s not yoursto reason why= de reden te vragen;Whyso= waarom?Why, I never saw such a fool= wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien;Why, there is enough left= daar is toch genoeg over, niet waar?
Weal,wîl, subst. welzijn, geluk, gemeenebest; striem of streep, teeken van striemen;Wealverb. striemen:Weal and woe= wel en wee;The common, general, public weal= het algemeene welzijn of nut.
Wealth,welth, rijkdom, overvloed =Wealthiness; adj.Wealthy= rijk.
Weald,wîld, open boschland:The Weald= zich door Kent en Surrey uitstrekkende vlakte.
Wean,wîn, spenen, afwennen, vervreemden, onttroggelen:She had no desire towean him fromBessie= aan B. te onttroggelen;Weanling, subst. gespeend kind of jong; adj. pas gespeend.
Weapon,wep’n, wapen, doorn, prikkel:I had no weapon handy but a poker= een pook was het eenige wapen dat ik bij de hand had; “Hands up, weapons down” = handen omhoog, wapens neerleggen!Weaponed= gewapend, toegerust;Weaponless= ongewapend.
Wear,wîə.
Wear,wêə, subst. het dragen of gedragen zijn, dracht, slijtage, mode;Wearverb. dragen, slijten, afslijten, doorbrengen, vernielen, uitputten, wenden of ophalzen (van een schip):The building and its ornaments had suffered much fromthe wear and tear of time= door den tand des tijds;There is yet a good year’s wear in that coat= die jas kan nog best een jaar gedragen worden;Tobe very little the worse for wear= nog niet veel versleten;Tobe all the wear= algemeen gedragen worden;Shewears the breeches= heeft de broek aan, is de baas;Hewore a look of amazement= keek verbaasd;She carried a mantle to wear it in the night-time= zij had een mantel over den arm, om dien ’s avonds te dragen;Youwear your sweet smileto day= hebt uw vriendelijken glimlach;Towear the willow= om de(n) geliefde treuren;Time hasworn awaymost of the inscription= afgesleten;The nightwore itself away= ging langzaam voorbij;One way and another the daywears away= op de een of andere manier komen we den dag door;These marks will neverwear away= zullen nooit weer uitslijten;The water hasworn offthe stone= rond gesleten;All his wild pranks willwear offwith time= al zijne wilde streken zullen er met den tijd wel uitgaan;Time wore on= ging voorbij;Towear out= afdragen, uitputten, uitmergelen, afmatten, doorbrengen:I wasworn (out) withfatigue= kapot van, uitgeput;Towear ill= zich slecht houden;His patienceis wearing thin= raakt op;This clothwears well= houdt zich goed in het dragen;You wear (your age) well= gij houdt u goed voor uw leeftijd;Wearable= geschikt om te dragen;Wearer= drager, wat uitslijt;Wearing:Wearing-apparel= lijfdracht, kleederen.
Weariness,wîrinəs, vermoeidheid;Wearisome= vermoeiend, vervelend; subst.Wearisomeness;Weary,wîri, adj. vermoeid, moede, vermoeiend, bezwaarlijk;Wearyverb. vermoeien, moe worden, afmatten, vervelen, hinderen, hunkeren naar (for):I amweary ofworking= het werken moe;I amweary withworking= moe van het werken;I soonwearied of(zeldenwith)the same succession of fields and houses= spoedig verveelde mij;The soldiers werewearied out= geheel uitgeput;To bewearied out of patience= zijn geduld verliezen.
Weasand,wîz’nd, luchtpijp.
Weasel,wîz’l, wezel:Catch a weasel asleep!= jij zult mij te pakken nemen!Weasel-faced= met een scherp en mager gezicht.
Weather,wedhə, subst. weder of weer;Weatherverb. zich goed houden, weerstaan, doorstaan, (laten) verweeren, overwinnen, te loever omzeilen:Fair, fine, settled weather= mooi, bestendig;Foul, Wild weather= slecht, onstuimig;How is the weather?=What is the weather like?= wat voor weer is het;The ship wasunder a stress of weather= had met hevige stormen te kampen;The weather has been very settledthese three weeks= wij hebben de laatste drie weken vast weer;The cold weather at last breaks= ten slotte slaat het weer om;The shipmakes good (bad) weather= houdt zich goed (slecht) in een storm;Tosing and dance all weathers= de huik naar den wind hangen;Weather and wind permitting= wind en weder dienende;Toweather a cape= bovenlangs zeilen;Toweather a point= bovenlangs zeilen; winnen trots tegenstand of moeilijkheden;Toweather a ship= de loef afsteken;This ship is sure toweather (out) the storm= dit schip zal bepaald den storm doorkomen, zich goed houden in;Weather-anchor= anker aan de windzijde;Weather-beaten= door stormen geteisterd, verweerd:Aweather-beaten coast, face= eene door stormen geteisterde kust, verweerd gelaat;Weather-bitten= verweerd;Weather-board, subst. windzijde, plank gespijkerd over de stukpoorten v. een opgelegd schip; rand aan een raam voor het afvloeien v. water (=Weather-boarding);Weather-boardingverb. planken over elkander spijkeren tegen het doordringen van regen, sneeuw, etc.;Weather-bound= door het weer teruggehouden of opgehouden;Weather-box= weerhuisje;Weather-breeder= een mooie dag waarop zich een onweder schijnt[637]samen te pakken;Weather-cloth= verschansingskleed, presenning;Weathercock= weerhaan, wispelturig persoon:She is ratherweathercocky= wispelturig;Weather-eye:Hekeeps his weather-eye open= hij is op zijn hoede, hij weet drommels goed wat hij doet;Weather-fish= modderkruiper;Weather-ga(u)ge, loef, voordeel:To get the weather-gauge of a person= iemand de loef afsteken;Weather-glass= weerglas;Weather-house= weerhuisje;Weather-mo(u)ldings= overhangende lijst (boven deur of venster);Weather-proof= tegen het weer bestand;Weather-prophet= weervoorspeller;Weather-quarter= loefzijde, windkant;Weather-report= weerbericht;Weather-roll= het overhalen van het schip naar loefzijde;Weather-side= loefzijde;Weather-strip= tochtlat;Weather-tide= stroom of tij van uit de lijzijde;Weather-vane= windwijzer;Weather-wise= weerkundig;Weather-worn= verweerd;Weathered= door het weer geteisterd, verweerd;Weathering= verweering; glooiing, afwatering;Weatherly= loefgierig.
Weave,wîv, weven, samenweven, verzinnen, smeden:Toweave all pieces on the same loom= alles over één kam scheren;Weaver= wever;Weaver-bird= wever(vogel); draaikever;Weaver-fish= pieterman;Weaver’s shuttle= weversspoeltje;Weaving:Weaving-loom= weefgetouw.
Weazen,wîz’n, verwelkt, verdroogd, mager:A weazen, piping, shrill Hurrah!= een scherp, pieperig, schel Hoera!Weazen-faced= met mager, uitgedroogd gelaat; zieWizen.
Web,web, subst.weefsel, (spinne)web, baard, groote rol papier, vlies voor het oog, zwemvlies;Webverb. als met een weefsel bedekken;Web-eye= nagelvlies op het oog;Web-foot= zwempoot;Web-footed= met zwempooten;Webbed= met zwemvliezen:Webbed feet;Webbing= geweven banden voor gordels, etc.
Wed,wed, huwen, trouwen, vereenigen, nauw verbinden, samensnoeren:He has beenwedded to truthfrom his infancy= de waarheid is zijne leidsvrouw geweest;Wedding= huwelijksfeest, trouwfeest, bruiloft:It was only a marriage and no wedding,there was no breakfast and no feasting= het was slechts eene huwelijksplechtigheid zonder feestelijkheden, etc.;Silver, golden, diamond wedding= 25-, 50-, 60-jarige bruiloft;Paper, wooden, tin, crystal, china wedding= 1-, 5-, 10-, 15-, 20-jarige bruiloft;Wedding-breakfast= lunch na de huwelijksvoltrekking;Wedding-cake= bruiloftstaart;Wedding-card= huwelijkscommunicatie;Wedding-day= trouwdag;Wedding-dower= huwelijksgift;Wedding-favours= rozetten door de bedienden gedragen;Wedding-feast= huwelijksfeest;Wedding-garment;Wedding-gown;Wedding-ring= trouwring;Wedding-tour,Wedding-trip= huwelijksreis(je).
Wedge,wedž, subst. wig, keg, klomp, staaf; de laatste op de lijst bij hetClassical Tripos(het B.A. examen for honours in classieke talen te Cambridge);Wedgeverb. met geweld indrijven of inbrengen, met eene wig of wiggen bevestigen, splijten, spouwen:Take care (beware) ofthe thin (small) end of the wedge= hoed u voor den eersten stap;Towedge one’s way= dringen door;Wedge-bone= wiggebeen;Wedge-inscription= opschrift in spijkerschrift;Wedge-shaped= wigvormig =Wedgewise.
Wedgwood ware,wedžwudwêə, soort aardewerk, genoemd naar den uitvinderJosiah Wedgwood(1730–95).
Wedlockwedlok, huwelijk:Born out of wedlock= buiten huwelijk geboren;Toenter upon wedlock= in ’t huwelijk treden.
Wednesbury,wenzb’ri.
Wednesday,wenzdi, Woensdag.
Wee,wî, klein:A wee bit= een klein beetje.
Weed,wîd, subst. onkruid (ookfig.); tabak, sigaar; voor de fokkerij ongeschikt dier, paard dat “volbloed” lijkt, doch niet is; kleed(ing); kleed (meestweeds);Weedverb. wieden, uitroeien, uitrukken:Are youa lover of the weed? = rookt gij graag;Ill weeds grow apace (never wither)= onkruid vergaat niet;She wasdressed in her (mourning) weeds= in haar weduwenrouw;Many defects will have to beweeded outfirst= uitgeroeid;Weed-grown= met onkruid begroeid;Weed(ing)-hook= wiedijzer;Weed-prairie= prairieland met veel wilde bloemen en struiken;Weeder= wieder, werktuig of ijzer om mee te wieden;Weeding:Weeding-shears= wiedschaar;Weeding-tongs (Weeding-forceps)= wiedtang;Weediness, subst. v.Weedy= vol onkruid; lang opgeschoten, slap, waardeloos als fok- en renpaard; sjofel.
Week,wîk, week:Will you comea week from Sunday= Zondag over eene week;Next week, Last week= aanstaande, verleden week;The last week= de laatste week;The next week= de volgende week;Next week or week after= de volgende week of de week daarna;To-day (This day) week= vandaag over acht dagen;Week and week about= om de andere week;Week in, week out= week in, week uit;I’ll call againa week or ten days after this= ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan;A prophetic week= zeven jaren;Weekday= werkdag;Week-end= van Zaterdag tot Maandagmorgen;Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.
Ween,wîn, denken, wanen, meenen.
Weep,wîp, subst. het schreien;Weepverb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn:Shehad a private weep= schreide in haar ééntje;Hewept for joy= hij schreide van vreugde;Theywept over their losses= schreiden bij (om) hun verlies;Weeper= weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (=Weepers); Amer. bruine aap:Drooping whiskers of the kind that used to be calledPiccadilly weepers;Weeping:Weeping-ash= treuresch;Weeping-birch= treurberk;Weeping-elm;Weeping-rock= dropsteen;Weeping-spring= sijpelende bron;Weeping-tree= treurboom;Weeping-willow= treurwilg.
Weet,wît, watersnip, riethoen.[638]
Weever,wîvə, pieterman (visch).
Weevil,wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm;WeevilledWeevil(l)y= vol wormen.
Weft,weft, inslag, weefsel.
Weigh,wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.;van koren ± 1453,946 L.; ZieWey);Weighverb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten:We aregetting under weighat last= eindelijk gaan we anker op, op weg;He wasweighed and found wanting= gewogen en te licht bevonden;I have beenweighing itcarefully= zorgvuldig overwogen;Theyweighed anchor= zij lichtten het anker;His great responsibilityweighed him down= drukte hem;The flour wasweighed out tothe poor women= toegewogen;That does notweigh (with him)= dat beteekent niets (bij hem);Weigh-bridge= brugbalans;Weighable= weegbaar;Weighage,weiidž= weegloon; waaggeld;Weigher= weger;Weighing:Weighing-house= waag;Weighing-machine= bascule;Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed;Weightverb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren:Brute, Gross weight= bruto gewicht;Dead weight= zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.);Net weight= netto gewicht;Set of weights= stel;He isa person of some weight= beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien;The jovial light weightbecame a serious man= het vroolijke zieltje-zonder-zorg;You havegiven me short weight= gij hebt mij te weinig gewicht gegeven;Thathas no weight with me= weegt niet bij mij;Ithas a special weightjust now= is thans van bijzonder gewicht;This bookis worth its weight in gold= is zijn gewicht in goud waard;Tocarry great weight= van veel gewicht zijn;This I give you onlyto make weight= om het gewicht vol te maken;Topull up the weightsof the clock;His mind must not beweighted withall that stuff= niet bezwaard worden;His words wereweighted withthe sorrow of parting= waren droevig door;Weightiness, subst. v.Weighty= gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.
Weir,wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.
Weird,wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering:Weird Sisters= schikgodinnen;(= Weirds);Todree one’s weird= zich in zijn lot schikken (Schotl.).
Welch,welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen;Welcher.
Welcome,welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom;Welcomeverb. verwelkomen:Most welcome home= hartelijk welkom thuis;And welcome= en van harte;You are quite welcome to it= het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen;You are welcome to go= gij kunt om mij wel gaan;He might have died and welcome= om mijn part was hij doodgegaan;Tobid welcome= welkom heeten;Hemade us welcome= hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst;Tooutstay one’s welcome= langer blijven dan den gastheer aangenaam is;Welcomer= die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.
Weld,weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen);Weldverb. wellen, nauw verbinden:His statements are not thrown together,but properly welded= maar zitten behoorlijk in elkaar;Weldable= wat geweld kan worden;Welder= wie welt;A welding heatcame from the furnace= eene verschrikkelijke hitte;Welding-furnace.
Welfare,welfêə, welvaart, voorspoed.
Welkin,welkin, hemelgewelf, zwerk.
Well,wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar;Wellverb. opwellen, ontspringen, vloeien:Thewell of a carriage= flesschenkeldertje van een wagen;Thewell of an orchestra= zitplaats (in een theater) voor het orkest;She isat the wells= gebruikt de wateren;Tears wouldwell (up) into her eyes= welden dan op in hare oogen;The welling tearssuffused her eyes= de opwellende tranen;Well-boat= visschersschuit met bun;Well-deck= deel van het dek tusschen bak en groote hut;Well-drain= draineerbuis;Well-drainverb. draineeren;Well-head= bron, oorsprong, bronwel;Well-hole= ruimte voor ascenseur of wenteltrap;Well-room= drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat;Well-sinker= putgraver, -boorder;Well-spring= bron;Well-staircase= wenteltrap;Well-sweep= lange stok om water te putten;Well-water= wel- of bronwater.
Well,wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle:I am very well= ik ben heel goed;I am well withthat family= op goeden voet;It is well with= staat goed met;Where it is well with me,there is my country= waar het mij goed gaat;That’s well= in orde;It is all very well for B.to talk of burning the books= B. kan wel zeggen, dat..;It is always wellto look ahead= het is altijd goed om;When the old die,it is well,they have had their time= is het maar goed;Ah, life is delicious;Well to live long! hoe heerlijk is het;The welland the ailing= gezonden;Well, I never= heb ik ooit van m’n leven!Well!= welnu! Hoe staat het? etc.;Well done= Bravo!All’s well that ends well= eind goed al goed;Leave well alone= het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan;Youhad as wellstay at home= ge deedt net zoo goed;He is virtuousas well asrich= zoowel … als;You maywell say so= dat zegt gij wél;All well and good= alles goed en wel;If you have some better engagementwell and good= enfin, dan is het niet anders;He was sittingwell backin his arm-chair= flink, ver achterover;The servant iswell enough,but= vrij goed;The clergy arewell to the forein this novel= spelen eene eerste rol;He iswell nigh sixty= welhaast;To bewell-off= goed[639]“af” zijn, het goed hebben;To bewell-off for= goed voorzien van;At six we werewell on our way= een heel eind op weg;We arewell on in July= een groot deel van Juli is al om;To bewell out of= gelukkig af zijn van;Before he waswell out ofthe room= goed en wel de kamer uit was;Well-a-day= helaas!Well-advised= goed geraden, welonderricht;Well-affected= genegen, welgezind;Well-appointed= volledig uitgerust, keurig ingericht;Well-authenticated= door goede autoriteit gestaafd;Well-balanced= evenredig, gelijkmatig;Well-behaved= van goed gedrag, fatsoenlijk;Well-being= welzijn;Well-beloved= veelgeliefd, dierbaar;Well-born= van goede geboorte;Well-bred= beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming;Well-chosen= juist gekozen;Well-conditioned= in goeden staat;Well-content(ed)= gelukkig, tevreden;Well-derived= van goede afkomst;Well-deserving= verdienstelijk;Well-disposed= welgezind;Well-doing= plichtsbetrachting, rechtschapenheid;Well-dressed;Well-educated;Well-favoured= knap uitziend;Well-fed;Well-founded= op goede gronden steunend;Well-informed= goed op de hoogte;Well-knit= krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit;Well-known= (wel)bekend;Well-lined= goed gevoed, flink gespekt (fig.);Well-mannered= van goede manieren, welgemanierd;Well-meaning= welmeenend, goedig; ook subst.;Well-meant= oprecht, hartelijk;Well-met= heil, welkom;Wellnigh= bijna;Well-paid= goed betaald;Well-proportioned= goed geëvenredigd;Well-read= belezen;Well-refined= hoogst beschaafd;Well-remembered= welbekend;Well-reputed= te goeder naam bekend, beroemd;Well-seasoned= goed gekruid, goed gedroogd (hout):An army ofwell-seasoned soldiers= beproefde soldaten;Well-set= goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd;Well-spoken= vriendelijk;Well-thumbed= beduimeld, veel gelezen;Well-timed= tijdig;Well-to-do= welgesteld:The well-to-do= de gegoede burgerstand;Well-wisher= wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent;Well-won= eerlijk verdiend;Well-worn= afgedragen, versleten, druk betreden.
Wellesley,welzli;Wellington,weliŋt’n:Wellington (boot)= laars met lange schacht.
Welsh,welš, subst. en adj. (taal of bewoners) vanWales:Welsh-flannel= fijne soort v. flanel;Welshman= inwoner van Wallis;Welsh-rabbit,Welsh-rarebit, ZieRabbit;Welsh-wig= kalotje (van wol of sajet);Welshwoman.
Welsh,welš, zieWelch(er).
Welt,welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag;Weltverb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden:Shoesworn to the welt= totaal afgedragen.
Welter,weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel;Welterverb. zich wentelen, rollen, baden;Welter-race= rennen met de zwaarste belasting;Welter-weight= zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).
Wemyss,wîmz.
Wen,wen, wen, uitwas.
Wench,wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel;Wenchverb. boeleeren;Wencher= boeleerder.
Wend,wend, gaan, zich begeven naar:Wewended our wayto the town= begaven ons.
Wend,wend;Wendic;Wendish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.
Went,went, imperf. vanto go.
Wentletrap,went’ltrap, wenteltrap (slak).
Wept,wept, imperf. en p.p. vanto weep.
Were,wɐ̂,wêə, imperf. vanto be.
We’re,wîə=we are.
Wer(e)gild,wɐ̂gild, weergeld.
Wer(e)wolf,wɐ̂wulf, weerwolf.
Wert,wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. vanto be.
Wesley,wezli, Wesley:Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht;Wesleyanism.
West,west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen:The West End= Westeinde, aristocratische wijk in Londen;A West-ender= bewoner van ’t Westeinde;West India;West Indian;The West Indies;Tothe West of the city= ten westen van de stad;Westering= afstand naar het westen, westelijke koers;Westerly= westelijk;Western= westersch, westelijk:The Western Empire= het Westersch-Romeinsche rijk;Westernmost= het meest naar het Westen gelegen. ZieWestward.
Westmeath,westmîdh;Westminster,wes(t)minstə;Westmor(e)land,wes(t)möland;Westphalia,westfeiljə, Westfalen;Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.
Westward,westwəd, naar het Westen, westwaartsch;Westwards= ten westen, westwaarts.
Wet,wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld;Wetverb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken:Have a wet= neem een “hapje”;Something to keep the wet out= een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer;I amwet through= doornat;Her face waswet with tears= nat van tranen;A verywet jew= een echte “spekjood”;To have a wet night of it= flink drinken;At eleven o’clock sharp,wet or fine= bij regen of mooi weer;Wet the other eye!= op één been kan men niet loopen;He isa wet-blanket= hij is een spelbederver;He is awet-bob= jongen (te Eton) die aan watersport doet;Wet-dock= drijvend dok;Wet-nurse= min;Wet-pack= natte omslag;Wet-shod= met lekke schoenen;Wetness= natheid;Toget a wetting= nat regenen;Wettish= nattig, eenigszins vochtig.
Wether,wedhə, hamel:Bell-wether= belhamel (ookfig.).
Wetteravia,wetəreivjə, Wetterau.
Wey,wei, zekere maat (zieWeigh).
Weymouth,weiməth.
Whack,wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging;Whackverb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats![640]To gowhacks= gelijk op deelen;Hehas had his whack= zijn deel gehad, genoten;Say the word andit is a whack= en de koop is gesloten;Totake a whack at= eens probeeren;Out of whack= in wanorde;Justice was notfairly whacked out= toebedeeld;Whacker= infame leugen;Whacking= kolossaal.
Whale,weil, walvisch:Your story is very like a whale= uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven;Whale-bird= soort stormvogel;Whale-boat= walvischsloep;Whale-bone= balein;Whale-fin= balein;Whale-fishery= walvischvangst;Whale-hunting= walvischvaart;Whale-louse= parasiet van den walvisch;Whale-man= walvischvaarder;Whale-oil= walvischtraan;Whale-ship= Groenlandsvaarder;Whaler= walvischvaarder; iets groots of plomps;Whaling:Whaling-master, kapitein van eenWhale-ship.
Whall,wôl, glasoog (Z.Wall).
Whalley,woli.
Whame,weim, horsel =Whame-fly.
Whang,waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede;Whangverb. ranselen, geeselen.
Whap,wop; ZieWhop.
Wharf,wöf, subst. werf, kaai;Wharfverb. lossen, vertuien;Wharfage,wöfidž, kaaigeld, (=Wharf-charges), werven, ankerplaats;Wharf-porter= sjouwerman;Wharfing= werven in ’t algemeen, los- of ligplaats;Wharfinger,wöfinžə, kaaimeester.
Wharton,wöt’n.
What,wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels:What day of the month is to-day?= de hoeveelste is het vandaag;What is the game?= hoe staat de partij;What is your name?= hoe heet ge;What is the (best) news= wat voor nieuws is er;What is the time (of day), what time is it?= hoe laat is het;What is up there?= wat is daar aan de hand;What do you call that?= hoe noemt ge dat?Mr. What-do-you-call-him= Meneer van der Hummes;What money have you got?= hoeveel geld heb je;He gave awaywhat money hehad= al het geld;I will tell you what= ik zal je eens wat zeggen;What ho!= hei daar!What next?= en dan;What of that= wat doet dat er toe;What then?= wat zou dat;What matterif they are= en wat doet het er toe of …;What nonsense= wat een onzin;It won’t do to get into a groove,What? = niet waar?What abouthim?= hoe gaat het hem;He gotwhat for= kreeg er van;What ifhe comes= wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt;What (care) thoughI am but poor? = wat hindert het;What thoughhe comes= aangenomen (wat hindert het);What between … and= deels door … deels door =What with … what with;Hecalled me fool and what not= en wat al niet;Heknows what is what= hij heeft zijn weetje wel;Whate’er, Whatever, Whatsoever= al wat, wat ook, hoedanig ook:Whateveris that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd;Nobody whatever= niemand wie ook;Whatlike= van welken aard.
Whatnot,wotnot, étagère.
Whaup,wôp, wulp.
Wheal,wîl, puistje, striem; mijn.
Wheat,wît, tarwe:Bearded wheat= spelt;Wheatear= tapuit (vogel);Wheat-ear= tarweaar;Wheat-moth, (Wheat-worm)= korenworm;Wheaten= van tarwe:Wheaten bread= tarwebrood.
Wheedle,wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten:Hewheedledmeout of5 pounds,wheedled me intolending him that sum= hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen;He couldwheedle the tire off a cart-wheel(He couldwheedle a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen;Wheedler= vleier, flikflooier.
Wheel,wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf;Wheelverb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden:He wasbroken upon the wheel= werd geradbraakt;Togrease the wheels(fig.) = de hand stoppen;Tohelp the wheel over= over het doode punt heen helpen;Toput one’s shoulder to the wheel= flink aanpakken;Heput a spoke in your wheel= hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden;I feel myself to bea fifth wheel to the coach= dat ik het vijfde rad aan den wagen ben;Wheels within wheels= gecompliceerd plan, onduidelijke motieven;We werewheeling alongat a fast rate= snorden voort;Wheel it back= rol het achteruit;Wheel-animals,Wheel-animalcules= raderdiertjes;Wheelbarrow= kruiwagen;Wheel-boat= raderboot;Wheel-carriage= voertuig op wielen;Wheel-chair= rolstoel;Wheel-cutter= radsnijder;Wheel-drag= remschoen;Wheel-horse=Wheeler;Wheelman= roerganger, wielrijder;Wheel-shaped= radvormig;Wheel-steamer= raderboot;Wheel-window= rozet;Wheelwoman= wielrijdster;Wheelwork= raderwerk;Wheelwright= wagenmaker;Wheeled= op of met wielen, per as;Wheeler= wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard:The leaders andthe wheelers= de voorste en de achterste paarden van een vierspan.
Wheeze,wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje:Tocrack a wheeze= een mop tappen;Anew wheeze= een nieuw snufje;Wheezy= snuivend, hijgend, aamborstig.
Whelk,welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).
Whelm,welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.
Whelp,welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit;Whelpverb. jongen werpen:Bitchin whelp= drachtige;Whelpless.
When,wen, wanneer, toen, als:At the very time whenhe told me this= juist toen hij;Even whenyou told me so= juist toen;Since when?= sedert wanneer;Since when= sedert welken tijd;When due= op vervaltijd;When received= na ontvangst;When young= in mijn jeugd;Whenas= wanneer, terwijl;Whence= vanwaar, waaruit;Whencesoever= waar ook vandaan;Whenever (Whene’er)= wanneer ook, telkens wanneer =Whensoever.[641]
Where,wêə, waar, waarheen, alwaar:Where are you going?= waar gaat ge naar toe;I don’t knowwhereallhe is going= waar hij al … heengaat;Where-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres:We discoveredthe where-abouts of the missing lady= waar de vermiste dame was;Isent him to the where-about(s)= heb hem de laan uitgestuurd;Whereas= terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal;Whereat= waarop;Whereby= waardoor, waarbij;Wherefore= waarom, met welk doel, zoodat;Wherein= waarin;Whereinto= waarin;Whereness= plaats waar zich iets bevindt;Whereof= waarvan;Whereon= waarop (=Whereupon);Wheresoever= waar dan ook;Whereto,Whereunto= waarheen, waartoe, met welk doel;Wherever,wêrevə, waar ook;Wherewith= waarmede;Wherewithal= waarmee; subst. middel (v. bestaan):He has not gotthe wherewithal to live= heeft geen middel van bestaan.
Wherry,weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider;Wherry-man= veerman.
Whet,wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.);Whet-slate= oliesteen =Whet-stone-slate;Whet-stone= wetsteen, slijpsteen;Whetter= slijper, slijpsteen.
Whether,wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of:Whether he come or go= hetzij hij kome of ga;Whether orno(t)= al of niet.
Whew,wjû, Poeh! Bah! Foei!
Whewell,wjû’l.
Whey,wei:Whey-cure;Whey-tub= weivat;Wheyey=Wheyish= weiachtig.
Which,witš, welk, hetwelk, die of dat, welke:Which is yours?= welke (van deze) is van u;Heknows which is which= kent ze uit elkaar, hij weet er alles van;Added to which= waar nog bij komt;Whichever, Whichsoever= welke ook.
Whiff,wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong;Whiffverb. dampen, uitblazen v. rook:Hegot a whiff of the nice dish= kreeg in den neus;I willtake a whiffor two= een paar trekjes doen.
Whiffle,wif’l, subst. fluitje;Whiffleverb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen;Whiffle-tree= zwengelhout.
Whig,wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij derWhigs;Whiggery= beginselen derWhigs=Whiggism; adj.Whiggish: subst.Whiggishness.
Whigging,wigiŋ:Togive a person a whigging= afranselen, een schrobbeering geven.
While,wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos;Whileverb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang;Whiles= soms;The while= ondertusschen;In themeanwhile= middelerwijl;Quite a while= een tijd lang;A good (little) while ago= een heele poos (een poosje) geleden;It ishardly worth (your) whileto look at= haast de moeite niet waard (dat gij …);He visits usbetween whiles= zoo nu en dan;Listenfor a while= een oogenblikje;I see your name in the papersonce in a while= zoo nu en dan;She has got money to investevery once in a while(Am.) = telkens;Not yet a while= vooreerst niet;I havewhiled away my timein reading this book= mijn tijd gezellig doorgebracht met;Whilere,wailêə=Whilom,wail’m,wailoum, voorheen, vroeger;Whilst= terwijl:The whilst= ondertusschen.
Whim,wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn:She isfull of whims= vol kuren.
Whimbrel,wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.
Whimper,wimpə, subst. gegrien, geteem;Whimperverb. grienen, teemen:Without a whimper= zonder een kik te geven.
Whimsical,wimzik’l, grillig;Whimsicality= grilligheid =Whimsicalness;Whimsy= gril; adj. grillig.
Whin,win, gaspeldoorn; basalt (=Whin-stone);Whin-berry= blauwe boschbes;Red Whin-berry= roode boschbes;Whinchat= kleine walduiker;Whinny= vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. ZieWhinny.
Whine,wain, subst. gejammer, gekerm, geteem;Whineverb. jammeren, kermen, teemen;Whiner;In a whiney-piney voice= jankerig.
Whinny,wini, subst. gehinnik, gebriesch;Whinnyverb. brieschen, hinniken. ZieWhin.
Whip,wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door denWhip(=Whipper-in) gezonden;Whipverb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ookfig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen:He isa passable whip= vrij goed voerman;He rode to itwhip and spur= spoorslags;Crack (Smack) went the whips= de zweepen klapten;Tocrack (smack) a whip= doen knallen;Towhip a custard= vlade klaarmaken, kloppen;Do you want me to help youto whip the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen;We havewhipped this part of the stream= afgevischt;It waswhipped about (around) withbrown paper= gewikkeld in;He whipped it from us= gapte het van ons;Hewhipped his head intothe window= stak plotseling zijn hoofd naar binnen;The tooth waswhipped outin less than no time= werd er uitgewipt;Theywhipped upthe cherries= gapten weg;Whipped cream= slagroom;Whipped eggs= tot schuim geklopt eiwit;Whip-cord= zweepkoord, snaar;Whip-hand= rechterhand, voordeel, meerderheid:He did not frequently venture totake the whip-hand ofher= haar den boel uit de hand te nemen;As youhave the whip-hand ofme, you may be as humorous as you please= daar je me in je macht hebt;Whip-handle:Tohave (keep) the whip-handle= het heft in handen hebben (houden);Whip-lash= het slag v. eene zweep;Whip-saw= trekzaag;Whip-staff= helmhout;Whip-stitch[642]= overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek;Whip-stock= zweepstok;Whipper (Whipster)= geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient;Whip-in= pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd;Whip-snapper= kereltje, nietig ventje;Whipping:Whip-post= geeselpaal;Whip-top= drijftol.
Whipple-tree,wip’ltrî=Whiffle-tree.
Whip-poor-will,wipûwil, soort geitenmelker.
Whir,wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels);Whirverb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!
Whirl,wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans;Whirlverb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren:They werewhirled away= snorden weg;We were quickly whirled back to D.= snorden terug;Whirlpool= maalstroom, draaikolk;Whirlwind= wervelwind:She wasin a whirlwind of passion= werd voortgesleurd door haren hartstocht;Whirlwindishactivity= onstuimige;Whirler= wie of wat ronddraait;Whirligig,wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever:Thewhirl of time= het snelle vlieden van den tijd;Whirl-ventilator= ventilatierad.
Whish,wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.
Whisk,wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot;Whiskverb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen:Towhisk along= voortsnellen;Towhisk away= wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen;Towhisk down= snel afrukken;Towhisk off= snel wegvegen, afrukken;Hewhisked withhis pocket-handkerchief at a fly= sloeg met.
Whisker(s),wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.);Whiskered= met bakkebaarden.
Whisket,wiskət, mand, korf; kleine draaibank.
Whisk(e)y,wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.
Whisp,wisp. ZieWisp.
Whisper,wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk;Whisperverb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren:Togive the whisper= een wenk (tip) geven (sport.);In a whisper= fluisterend;In a pig’s whisper, ZiePig;The elder boywhispered the girl= fluisterde het meisje iets in;Hewhispered it in my ear= fluisterde het mij in ’t oor;Whisperer= fluisteraar, oorblazer;Whispering:Whispering-gallery (Whispering-dome)= fluistergaanderij of -gewelf.
Whist,wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil:Holdyour whist,Sir!= je mond;Whist-drive= whistpartij (vaak om prijzen).
Whistle,wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel;Whistleverb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen:It isnot worth the whistle= niet noemenswaard;Not to care a penny whistle for= geen lor geven om;Youpay (too) dear for your whistle= betaalt uwe liefhebberijen duur;I’llwet my whistle first= ik moet eerst mijn keel eens smeren;He canwhistle backthe parrot’s call= precies nadoen;Shewhistledher loverdown the wind= wou niet meer van hem weten;With this experience everything he had ever cared for waswhistled down the wind= voor goed voorbij, verdwenen;You maywhistle for it= ge kunt ernaar fluiten;He has beenwhistling for a wind= hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof);The train waswhistled off= op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven;Whistler= fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel =Whistling-shop.
Whit,wit, zier, jota, weinigje:Not a whit= in geenen deele;Every whit= in elk opzicht.
Whitaker,witəkə.
White,wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos;Whiteverb. pleisteren:She wasdressed in white= in het wit;Tohit the white= in de roos schieten;Heshowed the whites of his eyes= het wit;If eggs are boiled too lightly the white does not set= stolt het eiwit niet;Whites= fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed;White ant= termiet;White bear= ijsbeer;White clover= witte klaver;White corn (crop)= tarwe, rogge, gerst of haver;It wasa white dayfor you (a day to bemarked with a white stone)= geluksdag voor u;He showedthe white feather= hij gaf blijk van lafhartigheid;White Friars= Karmelieten;White frost= rijm;White gold= platina;White goods= witte goederen;At a white heat= witgloeiend (ookfig.);White herring= groene haring, pekelharing;White iron= ruw ijzer, blik;Whiteland= leembodem;It wasthe whitest of white lies= het onschuldigste van alle noodleugentjes;White money= zilvergeld;White nights= slapelooze;White rent= belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver;White rope= ongeteerd touw;White sale= verkoop v.White goods;White Sea;You areas white as a sheet= als een doek;Toget (turn) white= bleek worden;Whited sepulchres= gepleisterde graven;Whitebait= witvisch;White beam= witte lijsterbes;White-beard= oude man;White-blaze= bles;Whiteboy= lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761);White-ear= tapuit, witstaart;White-face= bles (paard);Whitefish= houting, adelvisch;White-foot= (paard met) witte plek (op den poot);White-handed= met blanke, reine (onbezoedelde) handen;White-headed= met grijze haren;White-lead= loodwit;White-limed= gewit;White-livered= lafhartig;White-meat= melkspijzen; wit vleesch;White-paint= loodwitverf;White-pot= pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.;White-smith= tinsmid;White-stocking= groote witte vlek op den poot v. een paard;Whitetail=White-ear;White-thorn= hagedoorn, meidoorn;White-throat[643]= grasmusch;Whitewash, subst. witkalk, witsel;Whitewashverb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren:Togive a room a whitewash;Towhitewash a man’s misconducts= misdragingen vergoelijken;Whitewasher= witter;Whitewood= boomen met wit hout;Whiten= wit maken, bleeken, bleek of wit worden;Whitener= bleeker, bleekwater;Whiteness= witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.
Whitechapel,wait-tšap’l;Whitefield,waitfîld;Whitehall,waithôl.
Whitey,waiti, witachtig.
Whither,widher, werwaarts, waarheen:Whithersoever he goes= waarheen hij ook gaat.
Whiting,waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).
Whitleather,witledhə, wit leder.
Whitlow,witlou, fijt; klauwzeer (schapen).
Whitmonday,witm’ndei,witmɐndi, Pinkstermaandag;Whitsunday,wits’ndei,witsɐndi, Pinksterzondag;Whittuesday= Pinkster drie;Whitsun,wits’n= pinkster - -, Pinksteren;Whitsuntide,wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen);Whitsunweek= Pinksterweek.
Whittle,wit’l, subst. mes; wollen mantel;Whittleverb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten:The radicals wantto whittle down Parliamenttill nothing remains but the House of Commons= het Parlement te besnoeien.
Whiz,wiz, subst. snorrend of gonzend geluid;Whizverb. snorren (van kogel of pijl):Whizzing temples= bonzende (kloppende) slapen.
Who,hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.”Missle Who?= juffrouw le “wàt”?Who goes there?= werda!Whoever= alwie =Whosoever.
Whoa,wou(ə)ho! (tegen paarden).
Whole,houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden:(Up)on the whole= alles wel beschouwd, over het geheel;Take the whole of it= neem alles maar;Whole and sound= frisch en gezond;My whole duty= volle, volledige;Whole milk= volle melk;The whole town= de geheele stad;The whole truth= de volle waarheid;Tomake whole= repareeren;Whole-blood= afstammend in rechte lijn;Whole-hogger= iemand, die niet van halve maatregelen houdt;Whole-hoofed= éénhoevig;Whole-length= van het eene einde naar het andere in de volle lengte:Whole-length picture= ten voeten uit;Whole-note= heele noot;Wholeness= ongeschondenheid;Wholesale= groothandel, engros zaak:By wholesale= engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken;Wholesale business= engros zaak;Wholesale cost (price),Wholesale merchant;Wineswholesale and retail= in ’t groot en klein;They werekilled wholesale= bij massa’s;Tosell wholesale;Wholesaler;Wholesome= gezond, heilzaam:Wholesome morals= gezonde zedelijkheid of zeden;Wholesome teeth= gave tanden; subst.Wholesomeness= gezondheid, heilzaamheid;Wholly,houli, geheel en al, volkomen.
Whom,hûm, wien, dien, dat:Whomsoever= wien ook.
Whoop,hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu!Whoop of battle= krijgsgeschreeuw;Whooping-cough,hûpiŋkof, kinkhoest.
Whoot,hût; ZieHoot.
Whop,wop, slaan, ranselen; subst. slag;Whopper= iets kolossaals, groote leugen:That’s a whopper= dat is een leugen alsof het gedrukt was;Whopping, subst. pak ransel; adj. kolossaal:A whopping lie.
Whore,hö, hoer;Whoreverb. hoereeren, afgoderij bedrijven;Whore-master=Whore-monger= hoereerder;Whoredom= hoerdom, afgoderij; adj.Whorish: subst.Whoreness.
Whorl,wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp:Whorled= gedraaid of gekronkeld.
Whortle,wɐ̂t’l, blauwe boschbes =Whortleberry.
Whose,hûz, wiens, welker, welks, wier;Whosesoever= van wien ook;Whoso= al wie =Whosoever.
Whur,wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast;Whurverb. gonzen, snorren, knorren, de letterrratelend uitspreken.
Why,wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel!That is why= deswege;I wishto know the why and the wherefore= het waarom en waartoe;It’s not yoursto reason why= de reden te vragen;Whyso= waarom?Why, I never saw such a fool= wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien;Why, there is enough left= daar is toch genoeg over, niet waar?