G,džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool):He possessed no final g’s to his name= was niet vulgair, van lage kom-af;Gael(ic);G(reat)B(ritain);G(rand)C(ross of the)B(ath);G(rand)C(ross of St.)M(ichael and St.)G(eorge)= koloniale orde;G(rand)C(ommander of the)S(tar of)I(ndia);G(rand)D(uke);Gent(leman);Geo(rge);Geol(ogy);Geom(etry);G(rand)L(odge);Gosp(el);[215]Goth(ic);Gov(ernment);Gov(ernor)Gen(eral);G(eneral)P(ost)O(ffice);Gr(ain);Greg(ory);Gtt= druppels.Gab,gab, subst. gewauwel, gesnap;Gabverb. praten, snappen, kakelen:He hasthe gift of the gab= hij kan praten als Brugman;Gabble, subst. luid gekakel, druk gerammel;Gabbleverb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen;Gabble-mill= het Congres (Amer.);Gabby= praatziek.Gabarage,gabəridž, grof paklinnen.Gabardine,gabədîn, grof overkleed; kaftan.Gaberlunzie,gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).Gabion,geibj’n, schanskorf;Gabionade,geibjəneid,geibjəneid, versterking van schanskorven, krib;Gabionage= schanskorven;Gabioned= metGabions.Gable,geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel:Stepped gable= trapjesgevel;Gable-roof= zadeldak;Gable-window= gevelvenster;Gabled= van gevels voorzien.Gabriel,geibriəl.Gaby,geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.Gad,gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel;Gadverb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden:He did not know what to sayon the gad= zoo gauw;His imagination wasgadding= zijne fantasie was aan het dwalen;Gad-about= belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster;He hasa gad-about spirit= hij houdt van doelloos rondzwerven;Gad-fly= horzel, paardevlieg;Gadder=Gad-about;Gadling, subst. vagebond; adj. zwervend;Gaddle= aan het zwerven of in de war brengen:That thoughtsetall their little headsgaddling= bracht al hunne hoofdjes op hol.Gadelle,gədel, roode bes.Gadhelic,gədelik,gadəlik, Keltische taal of bewoner vanSchotland,Ierlanden het eilandMan.Gaekwar,geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.Gael,geil, Kelt;Gaelic,geilik,galik, Keltisch.Gaff,gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort;Gaffverb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak:Toblow the gaff= verraden;Gaff-topsail= gaftopzeil.Gaffer,gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.Gaffle,gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).Gag,gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht;Gagverb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol);Gagger= knevelaar.Gage,geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z.Gauge);Gageverb. verpanden, op het spel zetten, peilen.Gaggle,gag’l, snateren, kakelen.Gaiety,geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon;Gaily,geili, vroolijk.Gaikwar,geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.Gain,gein, subst. winst, aanwinst, voordeel;Gainverb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen:Togain the day= de overwinning behalen;They havegained groundof late= zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen;Theygained the other side= bereikten;That willgain us time= daardoor zullen wij tijd winnen;We havegained the wind ofthat ship= wij hebben dat schip de loef afgestoken;I havegained him intothat act= er toe overgehaald;My good behaviourgained onhim= nam hem voor mij in;I shall try togain him over to our side= voor onze partij zien te winnen;The enemygained uponus= inhalen, voordeel behalen op;Gainer= winner;Gaining= het winnen of verkrijgen;Gainings= behaalde winst.Gainsay,geinsei,geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen;Gainsayer= loochenaar;Gainsaying= tegenspraak, ontkentenis.Gainst,genst,geinst, verk. vanagainst.Gairdner,gâdnə:Gairdner Lake.Gait,geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof:The pictures went offat a rattling gait= gingen grif van de hand;Gaited, in samenstell.:Heavy gaited= langzaam.Gaiter,geitə, subst. slobkous; valsche speler;Gaiterverb. van slobkousen voorzien.Gal,gal=girl.Gala,geilə, gala, feestelijkheid;Gala-day= feestelijke dag;Gala-dress= galakleeding.Galactometer,galəktomətə, melkmeter;Galactophorous,galəktofərɐs, melkhoudend.Galage,galidž, klomp, overschoen.Galantine,galənt(a)in, galantine.Galatia,gəleišə, Galatië;Galatian, bewoner v. Galatië.Galaxy,galəksi, melkweg, schitterende groep.Gale,geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling;Galeverb. snel zeilen:Great events are inthe gale= in de lucht, op til;Gale-day= rentedag.Galenic(al),gəlenik(’l), volgens de geneeswijze vanGalen(Grieksch geneesheer, 131–200).Galicia,gəlišə, Galicië;Galician,gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.Galilean,galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend;Galilee,galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.Galimatias,galimatiəs,galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.Gal(l)iot,galiət, galjoot.Gall,gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land;Gallverb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen;Gall-bladder= galblaas;Gall of glass(ZieSandiver);Gall-fly= galwesp;[216]Gall-nut= galnoot;Gall-sickness= galkoorts;Gall-stone= steen (in de blaas).Gallant,gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk;Gallantverb. het hof maken, hoofsch behandelen;Gallantly= galant.Gallant,gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig;Gallantly= dapper;Gallantry= dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.Galleon,galj’n, galjoen.Gallery,galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent:Shooting-gallery= schiettent;He isplaying to the gallery= hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.Galley,gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam:The article wentstraight from the galley to the stone= werd ongecorrigeerd gedrukt;Galley-foist= vroegere staatsiesloep van denLord Mayor;Galley-pepper= kolenasch;Galley-slave= galeislaaf;Galley-worm= soort. v. duizendpoot;Galley-west:Thatknocked the mystery galley-westin a second= toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).Gallia,galiə, Gallië;Gallian,galiən, Gallisch.Galliard,galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel;Galliardise,galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.Gallic,galik, Gallisch, Fransch (ook:Gallican); uit galnoten getrokken;Gallicism,galisizm, Fransch idioom;Gallicize= verfranschen.Galligaskins,galigaskinz, wijde broek.Gallimaufry,galimôfri, ragout; mengelmoes.Gallinaceous,galineišəs, hoenderachtig.Gallipot,galipot, likkepot.Gallium,galiəm, gallium.Gallivant,galivant,galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.Galliwasp,galiwosp, hagedis (W.-Indië).Gallomania,galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.Gallon,gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud:Imperial gallon= ± 4.54 L.Galloon,gəlûn, lint, band, galon;Gallooned.Gallop,galəp, subst. galop;Gallopverb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen;Galloping-consumption= vliegende tering;Gallopade,galəpeid,galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”;Gallopverb. galoppeeren, een galop dansen.Gallow,galou, doen schrikken.Galloway,galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.Gallowglass,galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).Gallows,galouz, galg, galgebrok (=Gallows-bird);Gallowses= bretels (Amer.);Gallows-bits= galg (op een schip);Gallows-free= van de galg gered;Gallows-ripe;Gallows-tree= galg;Gallowsness= ondeugendheid, boosheid.Gally,gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). ZieGall.Galoche=Galosh.Galoot,gəlût, lummel, kerel.Galop,galəp, galop (dans).Galore,gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed:She has jewellery galore= zij heeft een rijkdom aan juweelen.Galosh,gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.Galvanic,galvanik, Galvanisch:Galvanic-battery= Galvanische batterij;Galvanic current;Galvanic pile(ZieVoltaic);Galvanism,galvənizm, galvanische electriciteit;Galvanize,galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.Galveston,gavst’n,galvəst’n;Galway,gôlwei.Gamba,gambə, gambe, soort violoncel.Gambade,gambeid, luchtsprong, gril.Gambado,gambeidou, slobkous;Gambadoes= aan het zadel bevestigde rijlaarzen.Gambeson,gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).Gamble,gamb’l, om geld dobbelen:Theygambled awaytheir lives= verdubbelden, vergooiden hun leven;Gambler.Gamboge,gamboudž,gambûdž, guttegom.Gambol,gamb’l, subst. (kromme) sprong;Gambolverb. springen, huppelen.Gambrel,gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch;Gambrel-roof= tentdak.Game,geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar;Gameverb. spelen:Agame at cards, at dice, at (of) chess;Agame of chance= hazardspel;Popular games= volksspelen;Is that your little game?= voer je dat in je schild?That is not my gameat present= daarom is ’t mij nu niet te doen;The game is not worth the candle= de sop is de kool niet waard;Hemade game of us= hield ons voor den gek;I am game to do it= ik ben bereid;He isgame to play that part= geschikt;All hoped he woulddie game= dat hij als een man zou sterven;He went to Americamuch gamer thanwe could have expected= met meer moed (flinker) dan …;Game-bag= weitasch;Game-birds (Game-fowls)= kempvogels;Game-cock= kemphaan;Gamekeeper= jachtopziener, koddebeier;Game-laws= jachtwetten;Gameful,Gamesome= dartel, vroolijk, speelsch; subst.Gamesomeness;Gamester= speler, dobbelaar;Gaming:Gaming-debt= speelschuld;Gaming-house= speelhuis;Gaming-table= speeltafel.Gamin,gamin, straatjongen.Gamma,gamə, toonladder.Gammer,gamə, moedertje.Gammon,gam’n, subst. gerookte ham; spel (=Backgammon); bedriegerij;Gammonverb. ham zouten en rooken; verslaan (bij hetbackgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop!No gammon with me!= ’k laat me niet bedotten!Gamp,gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande;Gampverb. bollen of uitzetten.Gamut,gamət, toonladder, toonschaal, omvang:Thegamut of human feeling.Gamy,geimi=Game(adj.).[217]Gander,gandə, gent:Sauce for the goose is sauce for the gander= gelijke monniken gelijke kappen.Gang,gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment:Gang-board= loopplank, valreepsbord;Gang-cask= watervat (op een schip);Gangway= pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt;The poor fellow wasbrought to the gangway= de arme kerel werd afgestraft;Hesits below the gangway= hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs degangwayte bereiken);Gang-week= rondgangweek (Z.Rogation);Ganger= opzichter van een arbeidersploeg.Ganges,gandžis, Ganges;Gangetic,gandžetik, tot den Ganges behoorend.Ganglion,gaŋgliən, (Meerv.Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.Gangrene,gaŋgrîn, subst. koudvuur;Gangreneverb. het koudvuur krijgen;Gangrenous,gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.Ganister,ganistə, soort vuurvaste steen.Gannet,ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.Gantlet,gôntlət,gântlət(Gantlope,gantloup), spitsroede:He had torun the gantlet= hij moest spitsroeden loopen;A new-comer has torun the gantlet ofthe whole company= die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot;Hetook up the gantlet= hij nam den handschoen op.Ganymede(s),ganimîd,ganimîdîz, Ganymedes.Gaol;džeil; ZieJail;Gaoler.Gap,gap, subst. gat, opening, bres, hiaat;Gapverb. een gat maken in;Hestood in the gap forall his friends= hij sprong in de bres voor;We had tostop the gap= moesten het gat stoppen (ookfig.);gap-toothed= met holten tusschen de tanden.Gape,geip, subst. geeuw, het geeuwen;Gapeverb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan:The chickens havegot the gapes= hebben de gaapziekte;We weregaped at byall= werden aangegaapt;They aregaping for (after) it= zij snakken er naar.Gar,gâ, geep;Garverb. dwingen, veroorzaken.Garage,garâž, garage.Garb,gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren):Nature’s garb;Garbed= gekleed.Garbage,gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets;Garbaged= van ingewanden gereinigd.Garble,gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier;Garbler= schifter, vervalscher.Garboard,gâböd, gaarboord (scheepst.).Garboil,gâbôil, subst. oproer, wanorde;Garboilverb. onderstboven gooien, storen.Garden,gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend;Gardenverb. tuinieren, een tuin aanleggen;Garden City= Chicago;The Garden= de markt (=Covent Gardenin Londen);Garden-glass= tuinspiegel;Garden-house= tuinhuisje;Garden-mould= tuin- of teelaarde;Garden-plot= deel van den tuin met bloemen, enz.;Garden-stuff= groenten, enz.;Garden-tools= tuingereedschap;Gardener= tuinier.Gardenia,gâdînjə, gardenia.Gare,gêə, grove wol op schapepooten.Garfish,gâfiš, geep.Gargantuan,gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.Gargery,gâdžəri.Garget,gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.Gargle,gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk;Gargleverb. gorgelen, kweelen.Gargoyle,gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).Garibaldi,garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.Garish,gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.Garland,gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet;Garlandverb. met kransen tooien.Garlic,gâlik, knoflook;Garlic-eater= scheldnaam voor Joden;Garlicky= knoflook bevattend.Garment,gâm’nt, kleedingstuk, kleeding:The garmentage of life= het uiterlijke des levens.Garner,gânə, subst. graanzolder;Garnerverb. opstapelen (van koren), verzamelen.Garnet,gânət, granaatsteen.Garnish,gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi;Garnishverb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst.Garnishment.Garniture,gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.Garret,garət, vliering, zolderkamertje;Garret-master= meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen;Garreteer,garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.Garrison,garis’n, subst. garnizoen, vesting;Garrisonverb. in garnizoen leggen, bezetten.Garron,gar’n, klein Schotsch paard.Garro(t)te,gərot,gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging);Garro(t)teverb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken;Garro(t)ter= straatroover.Garrulity,gərûliti, praatachtigheid;Garrulous,garəlɐs, praatziek, snapachtig.Garter,gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde;Garterverb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen;Knight of the Garter= Ridder van den Kouseband.Garth,gâth, hof, vischweer.Garum,gêr’m, Romeinsche vischsaus.Gas,gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf;Gasverb. wauwelen, bluffen:How he was gassing= wat was hij aan ’t opsnijden;Gas-buoy= gasboei;Gas-bracket= gasarm;Gas-coal;Gas-condenser= gascondensator;Gas-cooker= gasfornuis;Gas-engine= gasmotor;Gas-fitter;Gas-fitting= gasaanleg;Gasholder= gashouder;Gas-jet[218]= gasvlam, gaspit;Gas-lamp= lamp, lantaarn;Gas-light;Gas-main= hoofdleiding;Gas-mantle= gloeikousje;Gas-meter= meter;Gas-motor;Gas-pipe;Gas-range= gaskookkachel;Gas-regulator= gasregulateur;Gas-retort;Gas-tar= koolteer;Gas-works= gasfabriek;Gasalier,Gaselier,gasəlîə, gaskroon;Gaseity,gesîiti, gasachtigheid;Gaseous,geisiəs,geiziəs,gasiəs,gaziəs, gasachtig, vluchtig;Gasiform= gasvormig;Gasify= in gas veranderen;Gasoline,gasəlîn, gasoline;Gasometer,gəsomətə,gəzomətə, gashouder; gasometer;Gasometry= meten van gas;Gassy= gasachtig; opgeblazen.Gascon,gaskən, Gascogner, bluffer;Gasconade,gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij;Gasconverb. snoeven, grootspreken;Gasconader= bluffer, “opsnijer”;Gascony,gaskəni, Gascogne.Gash,gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede;Gashverb. eene gapende wonde maken:I gash myself asunder fromthe king= ik breek geheel met den koning.Gasket,gaskət, seizing (scheepst.).Gaskins,gaskinz=Galligaskins.Gasp,gâsp, subst. snik;Gaspverb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen:At the last gasp= bij den laatsten snik, op sterven;With a gasp= verbaasd (als naar adem snakkend);It made me gasp= ik stond paf.Gastric,gastrik, tot de maag behoorend;Gastric-abscess;Gastric-catarrh= maagcatarrh;Gastric-fever= gastrische koorts;Gastric-juice= maagsap;Gastriloquy,gastriləkwi, buikspraak;Gastritis,gastraitis, maagontsteking;Gastronomer,gastronəmə,Gastronomist,gastronəmist, lekkerbek;Gastronomy,gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten;Gastrotomy,gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.Gat,gat, nauwe doorvaart.Gate,geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The Gate=Billingsgate= Londensche vischmarkt);Gateverb. binnen de poorten houden:Thatopened the gate forall abuses= zette de deur open voor;Gate of horn= de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen;Gate of ivory= de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.);Gatehouse= portierswoning;Gateman= portier, tolgaarder, baanwachter;Gateway= poort;Gated= met poorten.Gather,gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi:I gathered it fromwhat he said= maakte het uit zijne woorden op;The harvest wasgathered in= werd binnengehaald;He wasgathered tohis fathers= tot zijn vaderen verzameld;Hegathered himself up= kwam tot zichzelf;Then we had time togather breath= om op adem te komen;Togather flowers;Shegathered her powers= verzamelde;Gatherer= verzamelaar, oogster;Gathering= verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.Gatling gun,gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.Gaucho,gôkou, Z. Amer.Cowboy.Gaud,gôd, versiering, snuisterij;Gaudiness, subst. vanGaudy= opzichtig, bont:Gaud-day=Gaudies= feest(dag).Gaudeamus,gôdieiməs, drinkgelag, feest.Gauffer,goufə, fijn plooien.Gauge,geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven;Gaugeverb. meten, schatten, peilen, ijken:I have your gauge= ik snap je, doorzie je;I have gauged your feelings;Gaugeglass= peilglas;Gauger= roeier of wijnpeiler; kommies;Gauging: Gauging-rod= peilstok =Gauging-rule.Gaul,gôl, Gallië, Galliër.Gault,gôlt, subst. een soort van mergel;Gaultverb. klei brengen (op land);Gault-mill= kleimolen (voor steenbakkerijen).Gaunt,gônt,gânt, schraal, mager:That’s the gaunt,bare truth= dat is de naakte waarheid.Gauntlet,gôntlət,gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen:He threw down the gauntlet, and my friend took it up= hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.Gauntree,gôntrî, stellage voor vaten.Gauze,gôz, gaas;Gauze-wire= ijzerdraadgaas;Gauzy= gaasachtig.Gave,geiv, imperf. vanto give.Gavel,gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht;Gavelkind= erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld;Gavelman= huurder van land onder de bepalingen vangavelkind.Gavelock,gav’lok, breekijzer, werpspies.Gaveston,gavəst’n.Gavial,geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).Gavot(te)gəvot,gavot, gavotte.Gawk,gôk, koekoek, zot;Gawkiness, subst. van het adj.Gawky= lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.Gay,gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst.Gayness; adj.Gaysome.Gayal,gaiəl,geiəl, soort rund (Brit. Ind.).Gaze,geiz, subst. blik, aanblik;Gazeverb. staren:At gaze= starend,en face;Gaze-hound= windhond;Gazing-stock= voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.Gazebo,gazîbou, belvedère.Gazelle,gəzel, gazelle.Gazette,gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant;Gazetteverb. in de staatscourant (dus:officieel) bekend maken:Tobe in the gazette= bankroet zijn;He was gazetted= aangesteld, bevorderd;Gazetteer,gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.Gazogene,gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.Gazon,gəzûn, grasperk.Gean,gîn, Spaansche kers.Gear,gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel,[219]mechaniek, tandrad;Gearverb. tuigen, aan den gang brengen:It was thrownout of gear= de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven;My ships areout of gear= onttakeld;Gearing= tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.Geck,gek, nar, spot;Geckverb. bespotten.Gecko,gekou, gecko.Gee,dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan:Gee up,Gee Woo= vooruit!The horse gee-up’d= het paard ging vooruit;Gee-gee= paard (in de kindertaal).Geelong,gîloŋ.Geese,gîs, ganzen.Gehenna,gəhenə, Gehenna, Hel.Geikie,gîki.Geisha,geiša.Gelatine,dželətîn, gelatine;Gelatinous,džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.Geld,geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust;Gelder= snijder;Gelding= het snijden; ruin, gesneden dier.Gelid,dželid, ijskoud; subst.Gelidity.Gem,džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog;Gemverb. met edelgesteenten tooien, ontbotten;Gemmy= vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.Gemara,gəmârə, tweede deel van den Talmud.Geminate,džeminit, adj. in paren:Geminate-leaves= tweelingbladen;Gemination= verdubbeling.Gemini,džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).Gemma,džemə, bladknop;Gemmate,džemit, knoppen hebbende;Gemmation,džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming;Gemmiferous,džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend =Gemmiparous,džəmipərɐs.Gemman,džem’n, samentrekking vangentleman; mv.Gemmen.Gemmule,džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.Gemote,gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).Gemsbok,gemzbok, Kaapsche gems.Gendarme,džendâm, gendarme;Gendarmery.Gender,džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.Genealogic(al),dženiəlodžik(’l),džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig;Genealogical-tree= stamboom;Genealogist= geslachtkundige;Genealogy= geslachtrekenkunde, stamboom.Genearch,dženiâk,džîniâk, stamvader.Genera,dženərə, meervoud vanGenus.General,dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen:In general= in of over het algemeen;In a general way= in algemeenen zin, over het algemeen;The general public= het groote publiek;General assembly= wetgevende vergadering (Amer.);General dealer= iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt;General invitation= uitnoodiging eens voor al;Generalpractitioner= geneeskundige;General servant= meid alleen;General warrant= bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen;Generalism= algemeene conclusie;Generalissimo,dženər’lisimou, opperbevelhebber;Generality= algemeenheid, meerderheid, groote hoop:The general of people= de menschen in ’t algemeen;Generalization= generalisatie;Generalize= algemeen maken; generaliseeren;Generalship= generaalschap, beleid, handigheid.Generate,dženəreit, voortbrengen, telen;Generating station= centrale;Generation= voortbrenging, geslacht, nakomelingen:Noah was perfect in his generations(Bijbelsch: ZieGen. VI, 9);Generative= voortbrengend; vruchtbaar:Generation power= voortbrengend vermogen;Generator= voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel;Generic(al)= eengenusomvattend of betreffend, geslachts …Generosity,dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid;Generous,dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.Genesis,dženəsis, voortbrenging, Genesis.Genet, džənet, genetkat, ook:dženət, soort paard.Genetic(al),džənetik’(l), genetisch; ontstaans …:Genetic affinity= geslachtsverwantschap.Geneva,džənîvə, jenever; Genève:The Lake of Geneva= Meer v. G.;Geneva bible= bijbel van 1560;Geneva cross= het roode kruis voor ambulances, enz.;Geneva gown= toga (v. Presb. geestelijken);Genevan, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch;Genevese,dženəvîz,dženəvîs; ZieGenevan.Genial,džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts …;Geniality,džînialiti, opgewektheid.Geniculate(d),džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst.Geniculation.Genie,džîni, genius; mv.Genii,džîniai.Genista,džənistə, genista, Duitsche brem.Genital,dženitəl, geslachts - -;Genitals= geslachtsdeelen.Genitival,dženitaiv’l:Genitival relation= eene genitiefverhouding of-betrekking;Genitive,dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.Genius,džîniəs, (Meerv.Geniuses,džîniəsiz) genie, talent (for);Genius(Meerv.džîniai); geest, genius.Genoa,dženouə, Genua;Genoese,dženouîz,dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.Gent,džent, heer, snuiter; verkorting vangentleman.Genteel,džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst.Genteelness.Gentian,dženšən, Gentiaan.Gentile,džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig;Gentilism,džentilizm, heidendom.Gentility,džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.Gentisin,džentisin, gentianine.Gentle,džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk;Gentleverb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren:[220]Gentle birth= voorname (aanzienlijke) .…;Gentle families;Gentlefolk(s)= menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud);Gentleman, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man:The Old (Black) Gentleman= de duivel;Gentleman of property= grondbezitter;Gentlemen of the shoulderknot= lakeien;Gentleman-at-arms= lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht;Gentleman-commoner= betalend student, die eerst later tot de eigenlijkecollegeswerd toegelaten;Gentleman-farmer= heereboer:Gentleman-usher of the Black Rod.ZieBlack Rod;Gentlemanlike,Gentlemanly= beschaafd, fatsoenlijk, beleefd;Gentlewoman= edelvrouw, beschaafde dame.Gentry,džentri, de stand dergentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).Genuflection,Genuflexion,dženjuflekš’n,džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.Genuine,dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst.Genuineness.Genus,džînəs(Meerv.Genera,dženəra), geslacht, klasse.Geocentric(al),džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.Geodesy,džiodəsi, landmeetkunde; adj.Geodetic(al).Geoffrey,džefri.Geogony,džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.Geographer,džiogrəfə, aardrijkskundige;Geographic(al),džîəgrafik(’l), aardrijkskundig;Geography,džiogrəfi, aardrijkskunde.Geologist,džiolədžist, aardkundige;Geology,džiolədži, aardkunde.Geometer,džiomətə,Geometrician,džîomətriš’n, meetkundige;Geometric(al),džîəmetrik(’l), meetkundig;Geometrical elevation= geometrische teekening (Archit.);Geometrical progression= meetk. reeks;Geometry= meetkunde.George,džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld:Brown George= grof aarden waterkan;George-noble= gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00;Georgia,džödžə, Georgia;Georgian,džödžən, subst. bewoner vanGeorgia; adj. behoorend tot de regeering derGeorgesin Engeland (1714–1830).Georgic,džödžik, tot den landbouw behoorende:Georgics of Virgil= landelijk gedicht van Vergilius.Geranium,džəreinj’m, geranium.Gerard,džerəd, Gerard, Gerrit.Gerfalcon,džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.Germ,džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin;Germverb. ontkiemen:Germ-theory= leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht;Germ of disease= ziektekiem.German,džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher:Cousin german= volle neef (nicht);German clock= Schwarzwalder klok;German flute= dwarsfluit;German Ocean= Noordzee;German sausage= Wiener worst;German silver= pleetzilver;German tinder= tonder, zwam;German toys= Nürnberger speelgoed;Germania,džɐ̂meinia, Duitschland;Germanic,džɐ̂manik, Germaansch;Germanism= germanisme;Germanize= germaniseeren;Germany= Duitschland.Germane,džɐ̂mein,džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend:This subject is moregermane toour circumstances= staat in nauwer verband met.Germinal,džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende;Germinant= ontkiemend;Germinate,džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst.Germination;Germinative, kiem …Gerrymander,džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig.Amer.).Gertrude,gɐ̂trûd.Gerund,džer’nd, gerundium:Gerund-grinder= schoolvos;Gerundial,džərɐndj’l, tot een gerund behoorende;Gerundive,džərɐndiv, de vorm opingmet eene prepositie daarvoor:On coming,In crossing, etc.Gervas,džɐ̂vəs.Gestation,džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).Gesticulate,džestikjuleit, gebaren maken; subst.Gesticulation;Gesticulator,džestikjuleitə, gebarenmaker;Gesticulatorylanguage= gebarentaal;Gesture,džestjə, subst. gebaar, beweging, houding;Gestureverb. gesticuleeren;Gesture-language= gebarentaal =Gestural language.Get,get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren:Toget the better of= de overhand krijgen, overwinnen;Toget a cold= kou vatten, een verkoudheid oploopen;Toget the day= de overwinning behalen;You’llget no goodby it= het berouwen;Toget hold of= vastgrijpen;Toget it hot= er flink van langs krijgen;Toget a mile= een mijl afleggen;Toget the sack= de bons krijgen;I mustget wind first= ik moet eerst op adem komen;The affairgot wind= werd bekend, lekte uit;I havegot the windof you= ik heb je in de gaten;He is so weak that he cannotget about= dat hij niet loopen kan;It hasgot about,that you are here= het is bekend geworden;They aregetting ahead= zij gaan vooruit, het gaat hun goed;How are yougetting along= hoe staat het met de zaken?Get along with you= och, loop!He hasgot amongthieves= is terecht gekomen;I cannotget at him= kan hem niet bereiken, te pakken krijgen;It is easy toget at him= hem te plagen;The jockey wasgot at= omgekocht;I could notget away from him= niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken;The horsegot away with him= ging er met hem van door;One of the boatshad been got away= neergelaten en afgestooten;They willget before,[221]behind us= zij zullen ons vóór-, achterkomen;I hope toget behind your tricks= dat ik achter uwe streken zal komen;Igot behind the scenes= geraakte volkomen ingewijd (in de plannen);Toget inthe crops= binnenhalen;I’ll try toget inthat picture= te koopen, te krijgen;Hegot intoit= raakte er aan gewend;We havegot offsafely= zijn er goed afgekomen;I hope to see you as soon as Iget off= zoodra ik vrij ben;How are yougetting on= hoe maak je het?Toget out= raken uit, komen uit, voor den dag halen:I wish I couldget outof this business= van dit zaakje af kon komen;I hope I shallget overit= dat ik het zal te boven komen;Theygot overme= bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over;At length we havegot roundhim= hebben we hem te pakken;I fear he will notget through= dat hij niet zal slagen;To get up= in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren:Shegets uplinen= mangelt en strijkt;He hasgot uphis German= heeft ‘er in’;It wasgot upfor the occasion= afgesproken, klaargemaakt;Toget asleep= in slaap geraken;Toget clear of= vrijkomen van, afkomen van;I’llget it done= ik zal het laten doen, maken;get you gone= scheer je weg;You must try toget it by heart= het van buiten te leeren;Toget home= thuis komen;Toget quit (rid) of= kwijtraken, afkomen van;get-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.:The get-up of the bookis perfect=The book isnicely got up= de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend;Getter-up= klaarmaker;The getters-up of a charade= de personen, die de charade voorstellen;Getting= winst, voordeel, verdienste.Gewgaw,gjûgô, prul; adj. prullerig.Geyser,gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.Gharry,gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).Ghastliness,gâstlinəs, subst. vanGhastly= doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.Gha(u)t,gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).Gheber,Ghebre,gîbə,geibə. ZieGueber.Ghee,gî, soort boterolie (Br. Ind.).Ghent,Gent.Gherkin,gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.Ghetto,getou, Ghetto, Jodenkwartier.Ghibelline,gibəl(a)in, Ghibellijn.Ghost,goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt:He has notthe ghost of a chance= niet de geringste kans;Hegave up the ghost= hij gaf den geest;We needed no ghostto tell us that= dat begrepen we zelf ook wel;The Holy Ghost= de H. Geest;Ghost story= spookvertelling;Ghostliness, subst. v.Ghostly= spookachtig, akelig, somber:Ghostly hour= spookuur, middernachtelijk uur.Ghoorkas,guəkaz, het voornaamste ras inNepaul.Ghoul,gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.);Ghoulish= demonisch.Ghurry,gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.Ghyll,gil, bergkloof, ravijn.Giant,džaiənt, subst. reus;The Giant Mountains= het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal;Giantess= reuzin;Giantship= reusachtigheid.
G,džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool):He possessed no final g’s to his name= was niet vulgair, van lage kom-af;Gael(ic);G(reat)B(ritain);G(rand)C(ross of the)B(ath);G(rand)C(ross of St.)M(ichael and St.)G(eorge)= koloniale orde;G(rand)C(ommander of the)S(tar of)I(ndia);G(rand)D(uke);Gent(leman);Geo(rge);Geol(ogy);Geom(etry);G(rand)L(odge);Gosp(el);[215]Goth(ic);Gov(ernment);Gov(ernor)Gen(eral);G(eneral)P(ost)O(ffice);Gr(ain);Greg(ory);Gtt= druppels.Gab,gab, subst. gewauwel, gesnap;Gabverb. praten, snappen, kakelen:He hasthe gift of the gab= hij kan praten als Brugman;Gabble, subst. luid gekakel, druk gerammel;Gabbleverb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen;Gabble-mill= het Congres (Amer.);Gabby= praatziek.Gabarage,gabəridž, grof paklinnen.Gabardine,gabədîn, grof overkleed; kaftan.Gaberlunzie,gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).Gabion,geibj’n, schanskorf;Gabionade,geibjəneid,geibjəneid, versterking van schanskorven, krib;Gabionage= schanskorven;Gabioned= metGabions.Gable,geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel:Stepped gable= trapjesgevel;Gable-roof= zadeldak;Gable-window= gevelvenster;Gabled= van gevels voorzien.Gabriel,geibriəl.Gaby,geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.Gad,gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel;Gadverb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden:He did not know what to sayon the gad= zoo gauw;His imagination wasgadding= zijne fantasie was aan het dwalen;Gad-about= belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster;He hasa gad-about spirit= hij houdt van doelloos rondzwerven;Gad-fly= horzel, paardevlieg;Gadder=Gad-about;Gadling, subst. vagebond; adj. zwervend;Gaddle= aan het zwerven of in de war brengen:That thoughtsetall their little headsgaddling= bracht al hunne hoofdjes op hol.Gadelle,gədel, roode bes.Gadhelic,gədelik,gadəlik, Keltische taal of bewoner vanSchotland,Ierlanden het eilandMan.Gaekwar,geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.Gael,geil, Kelt;Gaelic,geilik,galik, Keltisch.Gaff,gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort;Gaffverb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak:Toblow the gaff= verraden;Gaff-topsail= gaftopzeil.Gaffer,gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.Gaffle,gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).Gag,gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht;Gagverb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol);Gagger= knevelaar.Gage,geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z.Gauge);Gageverb. verpanden, op het spel zetten, peilen.Gaggle,gag’l, snateren, kakelen.Gaiety,geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon;Gaily,geili, vroolijk.Gaikwar,geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.Gain,gein, subst. winst, aanwinst, voordeel;Gainverb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen:Togain the day= de overwinning behalen;They havegained groundof late= zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen;Theygained the other side= bereikten;That willgain us time= daardoor zullen wij tijd winnen;We havegained the wind ofthat ship= wij hebben dat schip de loef afgestoken;I havegained him intothat act= er toe overgehaald;My good behaviourgained onhim= nam hem voor mij in;I shall try togain him over to our side= voor onze partij zien te winnen;The enemygained uponus= inhalen, voordeel behalen op;Gainer= winner;Gaining= het winnen of verkrijgen;Gainings= behaalde winst.Gainsay,geinsei,geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen;Gainsayer= loochenaar;Gainsaying= tegenspraak, ontkentenis.Gainst,genst,geinst, verk. vanagainst.Gairdner,gâdnə:Gairdner Lake.Gait,geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof:The pictures went offat a rattling gait= gingen grif van de hand;Gaited, in samenstell.:Heavy gaited= langzaam.Gaiter,geitə, subst. slobkous; valsche speler;Gaiterverb. van slobkousen voorzien.Gal,gal=girl.Gala,geilə, gala, feestelijkheid;Gala-day= feestelijke dag;Gala-dress= galakleeding.Galactometer,galəktomətə, melkmeter;Galactophorous,galəktofərɐs, melkhoudend.Galage,galidž, klomp, overschoen.Galantine,galənt(a)in, galantine.Galatia,gəleišə, Galatië;Galatian, bewoner v. Galatië.Galaxy,galəksi, melkweg, schitterende groep.Gale,geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling;Galeverb. snel zeilen:Great events are inthe gale= in de lucht, op til;Gale-day= rentedag.Galenic(al),gəlenik(’l), volgens de geneeswijze vanGalen(Grieksch geneesheer, 131–200).Galicia,gəlišə, Galicië;Galician,gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.Galilean,galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend;Galilee,galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.Galimatias,galimatiəs,galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.Gal(l)iot,galiət, galjoot.Gall,gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land;Gallverb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen;Gall-bladder= galblaas;Gall of glass(ZieSandiver);Gall-fly= galwesp;[216]Gall-nut= galnoot;Gall-sickness= galkoorts;Gall-stone= steen (in de blaas).Gallant,gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk;Gallantverb. het hof maken, hoofsch behandelen;Gallantly= galant.Gallant,gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig;Gallantly= dapper;Gallantry= dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.Galleon,galj’n, galjoen.Gallery,galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent:Shooting-gallery= schiettent;He isplaying to the gallery= hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.Galley,gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam:The article wentstraight from the galley to the stone= werd ongecorrigeerd gedrukt;Galley-foist= vroegere staatsiesloep van denLord Mayor;Galley-pepper= kolenasch;Galley-slave= galeislaaf;Galley-worm= soort. v. duizendpoot;Galley-west:Thatknocked the mystery galley-westin a second= toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).Gallia,galiə, Gallië;Gallian,galiən, Gallisch.Galliard,galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel;Galliardise,galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.Gallic,galik, Gallisch, Fransch (ook:Gallican); uit galnoten getrokken;Gallicism,galisizm, Fransch idioom;Gallicize= verfranschen.Galligaskins,galigaskinz, wijde broek.Gallimaufry,galimôfri, ragout; mengelmoes.Gallinaceous,galineišəs, hoenderachtig.Gallipot,galipot, likkepot.Gallium,galiəm, gallium.Gallivant,galivant,galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.Galliwasp,galiwosp, hagedis (W.-Indië).Gallomania,galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.Gallon,gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud:Imperial gallon= ± 4.54 L.Galloon,gəlûn, lint, band, galon;Gallooned.Gallop,galəp, subst. galop;Gallopverb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen;Galloping-consumption= vliegende tering;Gallopade,galəpeid,galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”;Gallopverb. galoppeeren, een galop dansen.Gallow,galou, doen schrikken.Galloway,galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.Gallowglass,galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).Gallows,galouz, galg, galgebrok (=Gallows-bird);Gallowses= bretels (Amer.);Gallows-bits= galg (op een schip);Gallows-free= van de galg gered;Gallows-ripe;Gallows-tree= galg;Gallowsness= ondeugendheid, boosheid.Gally,gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). ZieGall.Galoche=Galosh.Galoot,gəlût, lummel, kerel.Galop,galəp, galop (dans).Galore,gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed:She has jewellery galore= zij heeft een rijkdom aan juweelen.Galosh,gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.Galvanic,galvanik, Galvanisch:Galvanic-battery= Galvanische batterij;Galvanic current;Galvanic pile(ZieVoltaic);Galvanism,galvənizm, galvanische electriciteit;Galvanize,galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.Galveston,gavst’n,galvəst’n;Galway,gôlwei.Gamba,gambə, gambe, soort violoncel.Gambade,gambeid, luchtsprong, gril.Gambado,gambeidou, slobkous;Gambadoes= aan het zadel bevestigde rijlaarzen.Gambeson,gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).Gamble,gamb’l, om geld dobbelen:Theygambled awaytheir lives= verdubbelden, vergooiden hun leven;Gambler.Gamboge,gamboudž,gambûdž, guttegom.Gambol,gamb’l, subst. (kromme) sprong;Gambolverb. springen, huppelen.Gambrel,gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch;Gambrel-roof= tentdak.Game,geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar;Gameverb. spelen:Agame at cards, at dice, at (of) chess;Agame of chance= hazardspel;Popular games= volksspelen;Is that your little game?= voer je dat in je schild?That is not my gameat present= daarom is ’t mij nu niet te doen;The game is not worth the candle= de sop is de kool niet waard;Hemade game of us= hield ons voor den gek;I am game to do it= ik ben bereid;He isgame to play that part= geschikt;All hoped he woulddie game= dat hij als een man zou sterven;He went to Americamuch gamer thanwe could have expected= met meer moed (flinker) dan …;Game-bag= weitasch;Game-birds (Game-fowls)= kempvogels;Game-cock= kemphaan;Gamekeeper= jachtopziener, koddebeier;Game-laws= jachtwetten;Gameful,Gamesome= dartel, vroolijk, speelsch; subst.Gamesomeness;Gamester= speler, dobbelaar;Gaming:Gaming-debt= speelschuld;Gaming-house= speelhuis;Gaming-table= speeltafel.Gamin,gamin, straatjongen.Gamma,gamə, toonladder.Gammer,gamə, moedertje.Gammon,gam’n, subst. gerookte ham; spel (=Backgammon); bedriegerij;Gammonverb. ham zouten en rooken; verslaan (bij hetbackgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop!No gammon with me!= ’k laat me niet bedotten!Gamp,gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande;Gampverb. bollen of uitzetten.Gamut,gamət, toonladder, toonschaal, omvang:Thegamut of human feeling.Gamy,geimi=Game(adj.).[217]Gander,gandə, gent:Sauce for the goose is sauce for the gander= gelijke monniken gelijke kappen.Gang,gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment:Gang-board= loopplank, valreepsbord;Gang-cask= watervat (op een schip);Gangway= pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt;The poor fellow wasbrought to the gangway= de arme kerel werd afgestraft;Hesits below the gangway= hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs degangwayte bereiken);Gang-week= rondgangweek (Z.Rogation);Ganger= opzichter van een arbeidersploeg.Ganges,gandžis, Ganges;Gangetic,gandžetik, tot den Ganges behoorend.Ganglion,gaŋgliən, (Meerv.Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.Gangrene,gaŋgrîn, subst. koudvuur;Gangreneverb. het koudvuur krijgen;Gangrenous,gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.Ganister,ganistə, soort vuurvaste steen.Gannet,ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.Gantlet,gôntlət,gântlət(Gantlope,gantloup), spitsroede:He had torun the gantlet= hij moest spitsroeden loopen;A new-comer has torun the gantlet ofthe whole company= die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot;Hetook up the gantlet= hij nam den handschoen op.Ganymede(s),ganimîd,ganimîdîz, Ganymedes.Gaol;džeil; ZieJail;Gaoler.Gap,gap, subst. gat, opening, bres, hiaat;Gapverb. een gat maken in;Hestood in the gap forall his friends= hij sprong in de bres voor;We had tostop the gap= moesten het gat stoppen (ookfig.);gap-toothed= met holten tusschen de tanden.Gape,geip, subst. geeuw, het geeuwen;Gapeverb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan:The chickens havegot the gapes= hebben de gaapziekte;We weregaped at byall= werden aangegaapt;They aregaping for (after) it= zij snakken er naar.Gar,gâ, geep;Garverb. dwingen, veroorzaken.Garage,garâž, garage.Garb,gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren):Nature’s garb;Garbed= gekleed.Garbage,gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets;Garbaged= van ingewanden gereinigd.Garble,gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier;Garbler= schifter, vervalscher.Garboard,gâböd, gaarboord (scheepst.).Garboil,gâbôil, subst. oproer, wanorde;Garboilverb. onderstboven gooien, storen.Garden,gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend;Gardenverb. tuinieren, een tuin aanleggen;Garden City= Chicago;The Garden= de markt (=Covent Gardenin Londen);Garden-glass= tuinspiegel;Garden-house= tuinhuisje;Garden-mould= tuin- of teelaarde;Garden-plot= deel van den tuin met bloemen, enz.;Garden-stuff= groenten, enz.;Garden-tools= tuingereedschap;Gardener= tuinier.Gardenia,gâdînjə, gardenia.Gare,gêə, grove wol op schapepooten.Garfish,gâfiš, geep.Gargantuan,gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.Gargery,gâdžəri.Garget,gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.Gargle,gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk;Gargleverb. gorgelen, kweelen.Gargoyle,gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).Garibaldi,garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.Garish,gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.Garland,gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet;Garlandverb. met kransen tooien.Garlic,gâlik, knoflook;Garlic-eater= scheldnaam voor Joden;Garlicky= knoflook bevattend.Garment,gâm’nt, kleedingstuk, kleeding:The garmentage of life= het uiterlijke des levens.Garner,gânə, subst. graanzolder;Garnerverb. opstapelen (van koren), verzamelen.Garnet,gânət, granaatsteen.Garnish,gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi;Garnishverb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst.Garnishment.Garniture,gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.Garret,garət, vliering, zolderkamertje;Garret-master= meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen;Garreteer,garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.Garrison,garis’n, subst. garnizoen, vesting;Garrisonverb. in garnizoen leggen, bezetten.Garron,gar’n, klein Schotsch paard.Garro(t)te,gərot,gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging);Garro(t)teverb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken;Garro(t)ter= straatroover.Garrulity,gərûliti, praatachtigheid;Garrulous,garəlɐs, praatziek, snapachtig.Garter,gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde;Garterverb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen;Knight of the Garter= Ridder van den Kouseband.Garth,gâth, hof, vischweer.Garum,gêr’m, Romeinsche vischsaus.Gas,gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf;Gasverb. wauwelen, bluffen:How he was gassing= wat was hij aan ’t opsnijden;Gas-buoy= gasboei;Gas-bracket= gasarm;Gas-coal;Gas-condenser= gascondensator;Gas-cooker= gasfornuis;Gas-engine= gasmotor;Gas-fitter;Gas-fitting= gasaanleg;Gasholder= gashouder;Gas-jet[218]= gasvlam, gaspit;Gas-lamp= lamp, lantaarn;Gas-light;Gas-main= hoofdleiding;Gas-mantle= gloeikousje;Gas-meter= meter;Gas-motor;Gas-pipe;Gas-range= gaskookkachel;Gas-regulator= gasregulateur;Gas-retort;Gas-tar= koolteer;Gas-works= gasfabriek;Gasalier,Gaselier,gasəlîə, gaskroon;Gaseity,gesîiti, gasachtigheid;Gaseous,geisiəs,geiziəs,gasiəs,gaziəs, gasachtig, vluchtig;Gasiform= gasvormig;Gasify= in gas veranderen;Gasoline,gasəlîn, gasoline;Gasometer,gəsomətə,gəzomətə, gashouder; gasometer;Gasometry= meten van gas;Gassy= gasachtig; opgeblazen.Gascon,gaskən, Gascogner, bluffer;Gasconade,gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij;Gasconverb. snoeven, grootspreken;Gasconader= bluffer, “opsnijer”;Gascony,gaskəni, Gascogne.Gash,gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede;Gashverb. eene gapende wonde maken:I gash myself asunder fromthe king= ik breek geheel met den koning.Gasket,gaskət, seizing (scheepst.).Gaskins,gaskinz=Galligaskins.Gasp,gâsp, subst. snik;Gaspverb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen:At the last gasp= bij den laatsten snik, op sterven;With a gasp= verbaasd (als naar adem snakkend);It made me gasp= ik stond paf.Gastric,gastrik, tot de maag behoorend;Gastric-abscess;Gastric-catarrh= maagcatarrh;Gastric-fever= gastrische koorts;Gastric-juice= maagsap;Gastriloquy,gastriləkwi, buikspraak;Gastritis,gastraitis, maagontsteking;Gastronomer,gastronəmə,Gastronomist,gastronəmist, lekkerbek;Gastronomy,gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten;Gastrotomy,gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.Gat,gat, nauwe doorvaart.Gate,geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The Gate=Billingsgate= Londensche vischmarkt);Gateverb. binnen de poorten houden:Thatopened the gate forall abuses= zette de deur open voor;Gate of horn= de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen;Gate of ivory= de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.);Gatehouse= portierswoning;Gateman= portier, tolgaarder, baanwachter;Gateway= poort;Gated= met poorten.Gather,gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi:I gathered it fromwhat he said= maakte het uit zijne woorden op;The harvest wasgathered in= werd binnengehaald;He wasgathered tohis fathers= tot zijn vaderen verzameld;Hegathered himself up= kwam tot zichzelf;Then we had time togather breath= om op adem te komen;Togather flowers;Shegathered her powers= verzamelde;Gatherer= verzamelaar, oogster;Gathering= verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.Gatling gun,gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.Gaucho,gôkou, Z. Amer.Cowboy.Gaud,gôd, versiering, snuisterij;Gaudiness, subst. vanGaudy= opzichtig, bont:Gaud-day=Gaudies= feest(dag).Gaudeamus,gôdieiməs, drinkgelag, feest.Gauffer,goufə, fijn plooien.Gauge,geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven;Gaugeverb. meten, schatten, peilen, ijken:I have your gauge= ik snap je, doorzie je;I have gauged your feelings;Gaugeglass= peilglas;Gauger= roeier of wijnpeiler; kommies;Gauging: Gauging-rod= peilstok =Gauging-rule.Gaul,gôl, Gallië, Galliër.Gault,gôlt, subst. een soort van mergel;Gaultverb. klei brengen (op land);Gault-mill= kleimolen (voor steenbakkerijen).Gaunt,gônt,gânt, schraal, mager:That’s the gaunt,bare truth= dat is de naakte waarheid.Gauntlet,gôntlət,gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen:He threw down the gauntlet, and my friend took it up= hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.Gauntree,gôntrî, stellage voor vaten.Gauze,gôz, gaas;Gauze-wire= ijzerdraadgaas;Gauzy= gaasachtig.Gave,geiv, imperf. vanto give.Gavel,gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht;Gavelkind= erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld;Gavelman= huurder van land onder de bepalingen vangavelkind.Gavelock,gav’lok, breekijzer, werpspies.Gaveston,gavəst’n.Gavial,geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).Gavot(te)gəvot,gavot, gavotte.Gawk,gôk, koekoek, zot;Gawkiness, subst. van het adj.Gawky= lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.Gay,gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst.Gayness; adj.Gaysome.Gayal,gaiəl,geiəl, soort rund (Brit. Ind.).Gaze,geiz, subst. blik, aanblik;Gazeverb. staren:At gaze= starend,en face;Gaze-hound= windhond;Gazing-stock= voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.Gazebo,gazîbou, belvedère.Gazelle,gəzel, gazelle.Gazette,gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant;Gazetteverb. in de staatscourant (dus:officieel) bekend maken:Tobe in the gazette= bankroet zijn;He was gazetted= aangesteld, bevorderd;Gazetteer,gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.Gazogene,gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.Gazon,gəzûn, grasperk.Gean,gîn, Spaansche kers.Gear,gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel,[219]mechaniek, tandrad;Gearverb. tuigen, aan den gang brengen:It was thrownout of gear= de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven;My ships areout of gear= onttakeld;Gearing= tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.Geck,gek, nar, spot;Geckverb. bespotten.Gecko,gekou, gecko.Gee,dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan:Gee up,Gee Woo= vooruit!The horse gee-up’d= het paard ging vooruit;Gee-gee= paard (in de kindertaal).Geelong,gîloŋ.Geese,gîs, ganzen.Gehenna,gəhenə, Gehenna, Hel.Geikie,gîki.Geisha,geiša.Gelatine,dželətîn, gelatine;Gelatinous,džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.Geld,geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust;Gelder= snijder;Gelding= het snijden; ruin, gesneden dier.Gelid,dželid, ijskoud; subst.Gelidity.Gem,džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog;Gemverb. met edelgesteenten tooien, ontbotten;Gemmy= vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.Gemara,gəmârə, tweede deel van den Talmud.Geminate,džeminit, adj. in paren:Geminate-leaves= tweelingbladen;Gemination= verdubbeling.Gemini,džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).Gemma,džemə, bladknop;Gemmate,džemit, knoppen hebbende;Gemmation,džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming;Gemmiferous,džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend =Gemmiparous,džəmipərɐs.Gemman,džem’n, samentrekking vangentleman; mv.Gemmen.Gemmule,džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.Gemote,gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).Gemsbok,gemzbok, Kaapsche gems.Gendarme,džendâm, gendarme;Gendarmery.Gender,džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.Genealogic(al),dženiəlodžik(’l),džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig;Genealogical-tree= stamboom;Genealogist= geslachtkundige;Genealogy= geslachtrekenkunde, stamboom.Genearch,dženiâk,džîniâk, stamvader.Genera,dženərə, meervoud vanGenus.General,dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen:In general= in of over het algemeen;In a general way= in algemeenen zin, over het algemeen;The general public= het groote publiek;General assembly= wetgevende vergadering (Amer.);General dealer= iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt;General invitation= uitnoodiging eens voor al;Generalpractitioner= geneeskundige;General servant= meid alleen;General warrant= bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen;Generalism= algemeene conclusie;Generalissimo,dženər’lisimou, opperbevelhebber;Generality= algemeenheid, meerderheid, groote hoop:The general of people= de menschen in ’t algemeen;Generalization= generalisatie;Generalize= algemeen maken; generaliseeren;Generalship= generaalschap, beleid, handigheid.Generate,dženəreit, voortbrengen, telen;Generating station= centrale;Generation= voortbrenging, geslacht, nakomelingen:Noah was perfect in his generations(Bijbelsch: ZieGen. VI, 9);Generative= voortbrengend; vruchtbaar:Generation power= voortbrengend vermogen;Generator= voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel;Generic(al)= eengenusomvattend of betreffend, geslachts …Generosity,dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid;Generous,dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.Genesis,dženəsis, voortbrenging, Genesis.Genet, džənet, genetkat, ook:dženət, soort paard.Genetic(al),džənetik’(l), genetisch; ontstaans …:Genetic affinity= geslachtsverwantschap.Geneva,džənîvə, jenever; Genève:The Lake of Geneva= Meer v. G.;Geneva bible= bijbel van 1560;Geneva cross= het roode kruis voor ambulances, enz.;Geneva gown= toga (v. Presb. geestelijken);Genevan, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch;Genevese,dženəvîz,dženəvîs; ZieGenevan.Genial,džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts …;Geniality,džînialiti, opgewektheid.Geniculate(d),džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst.Geniculation.Genie,džîni, genius; mv.Genii,džîniai.Genista,džənistə, genista, Duitsche brem.Genital,dženitəl, geslachts - -;Genitals= geslachtsdeelen.Genitival,dženitaiv’l:Genitival relation= eene genitiefverhouding of-betrekking;Genitive,dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.Genius,džîniəs, (Meerv.Geniuses,džîniəsiz) genie, talent (for);Genius(Meerv.džîniai); geest, genius.Genoa,dženouə, Genua;Genoese,dženouîz,dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.Gent,džent, heer, snuiter; verkorting vangentleman.Genteel,džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst.Genteelness.Gentian,dženšən, Gentiaan.Gentile,džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig;Gentilism,džentilizm, heidendom.Gentility,džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.Gentisin,džentisin, gentianine.Gentle,džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk;Gentleverb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren:[220]Gentle birth= voorname (aanzienlijke) .…;Gentle families;Gentlefolk(s)= menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud);Gentleman, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man:The Old (Black) Gentleman= de duivel;Gentleman of property= grondbezitter;Gentlemen of the shoulderknot= lakeien;Gentleman-at-arms= lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht;Gentleman-commoner= betalend student, die eerst later tot de eigenlijkecollegeswerd toegelaten;Gentleman-farmer= heereboer:Gentleman-usher of the Black Rod.ZieBlack Rod;Gentlemanlike,Gentlemanly= beschaafd, fatsoenlijk, beleefd;Gentlewoman= edelvrouw, beschaafde dame.Gentry,džentri, de stand dergentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).Genuflection,Genuflexion,dženjuflekš’n,džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.Genuine,dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst.Genuineness.Genus,džînəs(Meerv.Genera,dženəra), geslacht, klasse.Geocentric(al),džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.Geodesy,džiodəsi, landmeetkunde; adj.Geodetic(al).Geoffrey,džefri.Geogony,džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.Geographer,džiogrəfə, aardrijkskundige;Geographic(al),džîəgrafik(’l), aardrijkskundig;Geography,džiogrəfi, aardrijkskunde.Geologist,džiolədžist, aardkundige;Geology,džiolədži, aardkunde.Geometer,džiomətə,Geometrician,džîomətriš’n, meetkundige;Geometric(al),džîəmetrik(’l), meetkundig;Geometrical elevation= geometrische teekening (Archit.);Geometrical progression= meetk. reeks;Geometry= meetkunde.George,džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld:Brown George= grof aarden waterkan;George-noble= gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00;Georgia,džödžə, Georgia;Georgian,džödžən, subst. bewoner vanGeorgia; adj. behoorend tot de regeering derGeorgesin Engeland (1714–1830).Georgic,džödžik, tot den landbouw behoorende:Georgics of Virgil= landelijk gedicht van Vergilius.Geranium,džəreinj’m, geranium.Gerard,džerəd, Gerard, Gerrit.Gerfalcon,džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.Germ,džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin;Germverb. ontkiemen:Germ-theory= leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht;Germ of disease= ziektekiem.German,džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher:Cousin german= volle neef (nicht);German clock= Schwarzwalder klok;German flute= dwarsfluit;German Ocean= Noordzee;German sausage= Wiener worst;German silver= pleetzilver;German tinder= tonder, zwam;German toys= Nürnberger speelgoed;Germania,džɐ̂meinia, Duitschland;Germanic,džɐ̂manik, Germaansch;Germanism= germanisme;Germanize= germaniseeren;Germany= Duitschland.Germane,džɐ̂mein,džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend:This subject is moregermane toour circumstances= staat in nauwer verband met.Germinal,džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende;Germinant= ontkiemend;Germinate,džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst.Germination;Germinative, kiem …Gerrymander,džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig.Amer.).Gertrude,gɐ̂trûd.Gerund,džer’nd, gerundium:Gerund-grinder= schoolvos;Gerundial,džərɐndj’l, tot een gerund behoorende;Gerundive,džərɐndiv, de vorm opingmet eene prepositie daarvoor:On coming,In crossing, etc.Gervas,džɐ̂vəs.Gestation,džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).Gesticulate,džestikjuleit, gebaren maken; subst.Gesticulation;Gesticulator,džestikjuleitə, gebarenmaker;Gesticulatorylanguage= gebarentaal;Gesture,džestjə, subst. gebaar, beweging, houding;Gestureverb. gesticuleeren;Gesture-language= gebarentaal =Gestural language.Get,get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren:Toget the better of= de overhand krijgen, overwinnen;Toget a cold= kou vatten, een verkoudheid oploopen;Toget the day= de overwinning behalen;You’llget no goodby it= het berouwen;Toget hold of= vastgrijpen;Toget it hot= er flink van langs krijgen;Toget a mile= een mijl afleggen;Toget the sack= de bons krijgen;I mustget wind first= ik moet eerst op adem komen;The affairgot wind= werd bekend, lekte uit;I havegot the windof you= ik heb je in de gaten;He is so weak that he cannotget about= dat hij niet loopen kan;It hasgot about,that you are here= het is bekend geworden;They aregetting ahead= zij gaan vooruit, het gaat hun goed;How are yougetting along= hoe staat het met de zaken?Get along with you= och, loop!He hasgot amongthieves= is terecht gekomen;I cannotget at him= kan hem niet bereiken, te pakken krijgen;It is easy toget at him= hem te plagen;The jockey wasgot at= omgekocht;I could notget away from him= niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken;The horsegot away with him= ging er met hem van door;One of the boatshad been got away= neergelaten en afgestooten;They willget before,[221]behind us= zij zullen ons vóór-, achterkomen;I hope toget behind your tricks= dat ik achter uwe streken zal komen;Igot behind the scenes= geraakte volkomen ingewijd (in de plannen);Toget inthe crops= binnenhalen;I’ll try toget inthat picture= te koopen, te krijgen;Hegot intoit= raakte er aan gewend;We havegot offsafely= zijn er goed afgekomen;I hope to see you as soon as Iget off= zoodra ik vrij ben;How are yougetting on= hoe maak je het?Toget out= raken uit, komen uit, voor den dag halen:I wish I couldget outof this business= van dit zaakje af kon komen;I hope I shallget overit= dat ik het zal te boven komen;Theygot overme= bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over;At length we havegot roundhim= hebben we hem te pakken;I fear he will notget through= dat hij niet zal slagen;To get up= in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren:Shegets uplinen= mangelt en strijkt;He hasgot uphis German= heeft ‘er in’;It wasgot upfor the occasion= afgesproken, klaargemaakt;Toget asleep= in slaap geraken;Toget clear of= vrijkomen van, afkomen van;I’llget it done= ik zal het laten doen, maken;get you gone= scheer je weg;You must try toget it by heart= het van buiten te leeren;Toget home= thuis komen;Toget quit (rid) of= kwijtraken, afkomen van;get-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.:The get-up of the bookis perfect=The book isnicely got up= de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend;Getter-up= klaarmaker;The getters-up of a charade= de personen, die de charade voorstellen;Getting= winst, voordeel, verdienste.Gewgaw,gjûgô, prul; adj. prullerig.Geyser,gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.Gharry,gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).Ghastliness,gâstlinəs, subst. vanGhastly= doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.Gha(u)t,gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).Gheber,Ghebre,gîbə,geibə. ZieGueber.Ghee,gî, soort boterolie (Br. Ind.).Ghent,Gent.Gherkin,gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.Ghetto,getou, Ghetto, Jodenkwartier.Ghibelline,gibəl(a)in, Ghibellijn.Ghost,goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt:He has notthe ghost of a chance= niet de geringste kans;Hegave up the ghost= hij gaf den geest;We needed no ghostto tell us that= dat begrepen we zelf ook wel;The Holy Ghost= de H. Geest;Ghost story= spookvertelling;Ghostliness, subst. v.Ghostly= spookachtig, akelig, somber:Ghostly hour= spookuur, middernachtelijk uur.Ghoorkas,guəkaz, het voornaamste ras inNepaul.Ghoul,gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.);Ghoulish= demonisch.Ghurry,gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.Ghyll,gil, bergkloof, ravijn.Giant,džaiənt, subst. reus;The Giant Mountains= het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal;Giantess= reuzin;Giantship= reusachtigheid.
G,džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool):He possessed no final g’s to his name= was niet vulgair, van lage kom-af;Gael(ic);G(reat)B(ritain);G(rand)C(ross of the)B(ath);G(rand)C(ross of St.)M(ichael and St.)G(eorge)= koloniale orde;G(rand)C(ommander of the)S(tar of)I(ndia);G(rand)D(uke);Gent(leman);Geo(rge);Geol(ogy);Geom(etry);G(rand)L(odge);Gosp(el);[215]Goth(ic);Gov(ernment);Gov(ernor)Gen(eral);G(eneral)P(ost)O(ffice);Gr(ain);Greg(ory);Gtt= druppels.Gab,gab, subst. gewauwel, gesnap;Gabverb. praten, snappen, kakelen:He hasthe gift of the gab= hij kan praten als Brugman;Gabble, subst. luid gekakel, druk gerammel;Gabbleverb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen;Gabble-mill= het Congres (Amer.);Gabby= praatziek.Gabarage,gabəridž, grof paklinnen.Gabardine,gabədîn, grof overkleed; kaftan.Gaberlunzie,gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).Gabion,geibj’n, schanskorf;Gabionade,geibjəneid,geibjəneid, versterking van schanskorven, krib;Gabionage= schanskorven;Gabioned= metGabions.Gable,geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel:Stepped gable= trapjesgevel;Gable-roof= zadeldak;Gable-window= gevelvenster;Gabled= van gevels voorzien.Gabriel,geibriəl.Gaby,geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.Gad,gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel;Gadverb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden:He did not know what to sayon the gad= zoo gauw;His imagination wasgadding= zijne fantasie was aan het dwalen;Gad-about= belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster;He hasa gad-about spirit= hij houdt van doelloos rondzwerven;Gad-fly= horzel, paardevlieg;Gadder=Gad-about;Gadling, subst. vagebond; adj. zwervend;Gaddle= aan het zwerven of in de war brengen:That thoughtsetall their little headsgaddling= bracht al hunne hoofdjes op hol.Gadelle,gədel, roode bes.Gadhelic,gədelik,gadəlik, Keltische taal of bewoner vanSchotland,Ierlanden het eilandMan.Gaekwar,geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.Gael,geil, Kelt;Gaelic,geilik,galik, Keltisch.Gaff,gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort;Gaffverb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak:Toblow the gaff= verraden;Gaff-topsail= gaftopzeil.Gaffer,gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.Gaffle,gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).Gag,gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht;Gagverb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol);Gagger= knevelaar.Gage,geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z.Gauge);Gageverb. verpanden, op het spel zetten, peilen.Gaggle,gag’l, snateren, kakelen.Gaiety,geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon;Gaily,geili, vroolijk.Gaikwar,geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.Gain,gein, subst. winst, aanwinst, voordeel;Gainverb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen:Togain the day= de overwinning behalen;They havegained groundof late= zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen;Theygained the other side= bereikten;That willgain us time= daardoor zullen wij tijd winnen;We havegained the wind ofthat ship= wij hebben dat schip de loef afgestoken;I havegained him intothat act= er toe overgehaald;My good behaviourgained onhim= nam hem voor mij in;I shall try togain him over to our side= voor onze partij zien te winnen;The enemygained uponus= inhalen, voordeel behalen op;Gainer= winner;Gaining= het winnen of verkrijgen;Gainings= behaalde winst.Gainsay,geinsei,geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen;Gainsayer= loochenaar;Gainsaying= tegenspraak, ontkentenis.Gainst,genst,geinst, verk. vanagainst.Gairdner,gâdnə:Gairdner Lake.Gait,geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof:The pictures went offat a rattling gait= gingen grif van de hand;Gaited, in samenstell.:Heavy gaited= langzaam.Gaiter,geitə, subst. slobkous; valsche speler;Gaiterverb. van slobkousen voorzien.Gal,gal=girl.Gala,geilə, gala, feestelijkheid;Gala-day= feestelijke dag;Gala-dress= galakleeding.Galactometer,galəktomətə, melkmeter;Galactophorous,galəktofərɐs, melkhoudend.Galage,galidž, klomp, overschoen.Galantine,galənt(a)in, galantine.Galatia,gəleišə, Galatië;Galatian, bewoner v. Galatië.Galaxy,galəksi, melkweg, schitterende groep.Gale,geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling;Galeverb. snel zeilen:Great events are inthe gale= in de lucht, op til;Gale-day= rentedag.Galenic(al),gəlenik(’l), volgens de geneeswijze vanGalen(Grieksch geneesheer, 131–200).Galicia,gəlišə, Galicië;Galician,gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.Galilean,galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend;Galilee,galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.Galimatias,galimatiəs,galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.Gal(l)iot,galiət, galjoot.Gall,gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land;Gallverb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen;Gall-bladder= galblaas;Gall of glass(ZieSandiver);Gall-fly= galwesp;[216]Gall-nut= galnoot;Gall-sickness= galkoorts;Gall-stone= steen (in de blaas).Gallant,gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk;Gallantverb. het hof maken, hoofsch behandelen;Gallantly= galant.Gallant,gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig;Gallantly= dapper;Gallantry= dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.Galleon,galj’n, galjoen.Gallery,galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent:Shooting-gallery= schiettent;He isplaying to the gallery= hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.Galley,gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam:The article wentstraight from the galley to the stone= werd ongecorrigeerd gedrukt;Galley-foist= vroegere staatsiesloep van denLord Mayor;Galley-pepper= kolenasch;Galley-slave= galeislaaf;Galley-worm= soort. v. duizendpoot;Galley-west:Thatknocked the mystery galley-westin a second= toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).Gallia,galiə, Gallië;Gallian,galiən, Gallisch.Galliard,galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel;Galliardise,galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.Gallic,galik, Gallisch, Fransch (ook:Gallican); uit galnoten getrokken;Gallicism,galisizm, Fransch idioom;Gallicize= verfranschen.Galligaskins,galigaskinz, wijde broek.Gallimaufry,galimôfri, ragout; mengelmoes.Gallinaceous,galineišəs, hoenderachtig.Gallipot,galipot, likkepot.Gallium,galiəm, gallium.Gallivant,galivant,galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.Galliwasp,galiwosp, hagedis (W.-Indië).Gallomania,galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.Gallon,gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud:Imperial gallon= ± 4.54 L.Galloon,gəlûn, lint, band, galon;Gallooned.Gallop,galəp, subst. galop;Gallopverb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen;Galloping-consumption= vliegende tering;Gallopade,galəpeid,galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”;Gallopverb. galoppeeren, een galop dansen.Gallow,galou, doen schrikken.Galloway,galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.Gallowglass,galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).Gallows,galouz, galg, galgebrok (=Gallows-bird);Gallowses= bretels (Amer.);Gallows-bits= galg (op een schip);Gallows-free= van de galg gered;Gallows-ripe;Gallows-tree= galg;Gallowsness= ondeugendheid, boosheid.Gally,gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). ZieGall.Galoche=Galosh.Galoot,gəlût, lummel, kerel.Galop,galəp, galop (dans).Galore,gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed:She has jewellery galore= zij heeft een rijkdom aan juweelen.Galosh,gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.Galvanic,galvanik, Galvanisch:Galvanic-battery= Galvanische batterij;Galvanic current;Galvanic pile(ZieVoltaic);Galvanism,galvənizm, galvanische electriciteit;Galvanize,galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.Galveston,gavst’n,galvəst’n;Galway,gôlwei.Gamba,gambə, gambe, soort violoncel.Gambade,gambeid, luchtsprong, gril.Gambado,gambeidou, slobkous;Gambadoes= aan het zadel bevestigde rijlaarzen.Gambeson,gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).Gamble,gamb’l, om geld dobbelen:Theygambled awaytheir lives= verdubbelden, vergooiden hun leven;Gambler.Gamboge,gamboudž,gambûdž, guttegom.Gambol,gamb’l, subst. (kromme) sprong;Gambolverb. springen, huppelen.Gambrel,gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch;Gambrel-roof= tentdak.Game,geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar;Gameverb. spelen:Agame at cards, at dice, at (of) chess;Agame of chance= hazardspel;Popular games= volksspelen;Is that your little game?= voer je dat in je schild?That is not my gameat present= daarom is ’t mij nu niet te doen;The game is not worth the candle= de sop is de kool niet waard;Hemade game of us= hield ons voor den gek;I am game to do it= ik ben bereid;He isgame to play that part= geschikt;All hoped he woulddie game= dat hij als een man zou sterven;He went to Americamuch gamer thanwe could have expected= met meer moed (flinker) dan …;Game-bag= weitasch;Game-birds (Game-fowls)= kempvogels;Game-cock= kemphaan;Gamekeeper= jachtopziener, koddebeier;Game-laws= jachtwetten;Gameful,Gamesome= dartel, vroolijk, speelsch; subst.Gamesomeness;Gamester= speler, dobbelaar;Gaming:Gaming-debt= speelschuld;Gaming-house= speelhuis;Gaming-table= speeltafel.Gamin,gamin, straatjongen.Gamma,gamə, toonladder.Gammer,gamə, moedertje.Gammon,gam’n, subst. gerookte ham; spel (=Backgammon); bedriegerij;Gammonverb. ham zouten en rooken; verslaan (bij hetbackgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop!No gammon with me!= ’k laat me niet bedotten!Gamp,gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande;Gampverb. bollen of uitzetten.Gamut,gamət, toonladder, toonschaal, omvang:Thegamut of human feeling.Gamy,geimi=Game(adj.).[217]Gander,gandə, gent:Sauce for the goose is sauce for the gander= gelijke monniken gelijke kappen.Gang,gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment:Gang-board= loopplank, valreepsbord;Gang-cask= watervat (op een schip);Gangway= pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt;The poor fellow wasbrought to the gangway= de arme kerel werd afgestraft;Hesits below the gangway= hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs degangwayte bereiken);Gang-week= rondgangweek (Z.Rogation);Ganger= opzichter van een arbeidersploeg.Ganges,gandžis, Ganges;Gangetic,gandžetik, tot den Ganges behoorend.Ganglion,gaŋgliən, (Meerv.Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.Gangrene,gaŋgrîn, subst. koudvuur;Gangreneverb. het koudvuur krijgen;Gangrenous,gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.Ganister,ganistə, soort vuurvaste steen.Gannet,ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.Gantlet,gôntlət,gântlət(Gantlope,gantloup), spitsroede:He had torun the gantlet= hij moest spitsroeden loopen;A new-comer has torun the gantlet ofthe whole company= die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot;Hetook up the gantlet= hij nam den handschoen op.Ganymede(s),ganimîd,ganimîdîz, Ganymedes.Gaol;džeil; ZieJail;Gaoler.Gap,gap, subst. gat, opening, bres, hiaat;Gapverb. een gat maken in;Hestood in the gap forall his friends= hij sprong in de bres voor;We had tostop the gap= moesten het gat stoppen (ookfig.);gap-toothed= met holten tusschen de tanden.Gape,geip, subst. geeuw, het geeuwen;Gapeverb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan:The chickens havegot the gapes= hebben de gaapziekte;We weregaped at byall= werden aangegaapt;They aregaping for (after) it= zij snakken er naar.Gar,gâ, geep;Garverb. dwingen, veroorzaken.Garage,garâž, garage.Garb,gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren):Nature’s garb;Garbed= gekleed.Garbage,gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets;Garbaged= van ingewanden gereinigd.Garble,gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier;Garbler= schifter, vervalscher.Garboard,gâböd, gaarboord (scheepst.).Garboil,gâbôil, subst. oproer, wanorde;Garboilverb. onderstboven gooien, storen.Garden,gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend;Gardenverb. tuinieren, een tuin aanleggen;Garden City= Chicago;The Garden= de markt (=Covent Gardenin Londen);Garden-glass= tuinspiegel;Garden-house= tuinhuisje;Garden-mould= tuin- of teelaarde;Garden-plot= deel van den tuin met bloemen, enz.;Garden-stuff= groenten, enz.;Garden-tools= tuingereedschap;Gardener= tuinier.Gardenia,gâdînjə, gardenia.Gare,gêə, grove wol op schapepooten.Garfish,gâfiš, geep.Gargantuan,gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.Gargery,gâdžəri.Garget,gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.Gargle,gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk;Gargleverb. gorgelen, kweelen.Gargoyle,gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).Garibaldi,garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.Garish,gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.Garland,gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet;Garlandverb. met kransen tooien.Garlic,gâlik, knoflook;Garlic-eater= scheldnaam voor Joden;Garlicky= knoflook bevattend.Garment,gâm’nt, kleedingstuk, kleeding:The garmentage of life= het uiterlijke des levens.Garner,gânə, subst. graanzolder;Garnerverb. opstapelen (van koren), verzamelen.Garnet,gânət, granaatsteen.Garnish,gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi;Garnishverb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst.Garnishment.Garniture,gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.Garret,garət, vliering, zolderkamertje;Garret-master= meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen;Garreteer,garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.Garrison,garis’n, subst. garnizoen, vesting;Garrisonverb. in garnizoen leggen, bezetten.Garron,gar’n, klein Schotsch paard.Garro(t)te,gərot,gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging);Garro(t)teverb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken;Garro(t)ter= straatroover.Garrulity,gərûliti, praatachtigheid;Garrulous,garəlɐs, praatziek, snapachtig.Garter,gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde;Garterverb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen;Knight of the Garter= Ridder van den Kouseband.Garth,gâth, hof, vischweer.Garum,gêr’m, Romeinsche vischsaus.Gas,gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf;Gasverb. wauwelen, bluffen:How he was gassing= wat was hij aan ’t opsnijden;Gas-buoy= gasboei;Gas-bracket= gasarm;Gas-coal;Gas-condenser= gascondensator;Gas-cooker= gasfornuis;Gas-engine= gasmotor;Gas-fitter;Gas-fitting= gasaanleg;Gasholder= gashouder;Gas-jet[218]= gasvlam, gaspit;Gas-lamp= lamp, lantaarn;Gas-light;Gas-main= hoofdleiding;Gas-mantle= gloeikousje;Gas-meter= meter;Gas-motor;Gas-pipe;Gas-range= gaskookkachel;Gas-regulator= gasregulateur;Gas-retort;Gas-tar= koolteer;Gas-works= gasfabriek;Gasalier,Gaselier,gasəlîə, gaskroon;Gaseity,gesîiti, gasachtigheid;Gaseous,geisiəs,geiziəs,gasiəs,gaziəs, gasachtig, vluchtig;Gasiform= gasvormig;Gasify= in gas veranderen;Gasoline,gasəlîn, gasoline;Gasometer,gəsomətə,gəzomətə, gashouder; gasometer;Gasometry= meten van gas;Gassy= gasachtig; opgeblazen.Gascon,gaskən, Gascogner, bluffer;Gasconade,gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij;Gasconverb. snoeven, grootspreken;Gasconader= bluffer, “opsnijer”;Gascony,gaskəni, Gascogne.Gash,gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede;Gashverb. eene gapende wonde maken:I gash myself asunder fromthe king= ik breek geheel met den koning.Gasket,gaskət, seizing (scheepst.).Gaskins,gaskinz=Galligaskins.Gasp,gâsp, subst. snik;Gaspverb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen:At the last gasp= bij den laatsten snik, op sterven;With a gasp= verbaasd (als naar adem snakkend);It made me gasp= ik stond paf.Gastric,gastrik, tot de maag behoorend;Gastric-abscess;Gastric-catarrh= maagcatarrh;Gastric-fever= gastrische koorts;Gastric-juice= maagsap;Gastriloquy,gastriləkwi, buikspraak;Gastritis,gastraitis, maagontsteking;Gastronomer,gastronəmə,Gastronomist,gastronəmist, lekkerbek;Gastronomy,gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten;Gastrotomy,gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.Gat,gat, nauwe doorvaart.Gate,geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The Gate=Billingsgate= Londensche vischmarkt);Gateverb. binnen de poorten houden:Thatopened the gate forall abuses= zette de deur open voor;Gate of horn= de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen;Gate of ivory= de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.);Gatehouse= portierswoning;Gateman= portier, tolgaarder, baanwachter;Gateway= poort;Gated= met poorten.Gather,gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi:I gathered it fromwhat he said= maakte het uit zijne woorden op;The harvest wasgathered in= werd binnengehaald;He wasgathered tohis fathers= tot zijn vaderen verzameld;Hegathered himself up= kwam tot zichzelf;Then we had time togather breath= om op adem te komen;Togather flowers;Shegathered her powers= verzamelde;Gatherer= verzamelaar, oogster;Gathering= verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.Gatling gun,gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.Gaucho,gôkou, Z. Amer.Cowboy.Gaud,gôd, versiering, snuisterij;Gaudiness, subst. vanGaudy= opzichtig, bont:Gaud-day=Gaudies= feest(dag).Gaudeamus,gôdieiməs, drinkgelag, feest.Gauffer,goufə, fijn plooien.Gauge,geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven;Gaugeverb. meten, schatten, peilen, ijken:I have your gauge= ik snap je, doorzie je;I have gauged your feelings;Gaugeglass= peilglas;Gauger= roeier of wijnpeiler; kommies;Gauging: Gauging-rod= peilstok =Gauging-rule.Gaul,gôl, Gallië, Galliër.Gault,gôlt, subst. een soort van mergel;Gaultverb. klei brengen (op land);Gault-mill= kleimolen (voor steenbakkerijen).Gaunt,gônt,gânt, schraal, mager:That’s the gaunt,bare truth= dat is de naakte waarheid.Gauntlet,gôntlət,gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen:He threw down the gauntlet, and my friend took it up= hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.Gauntree,gôntrî, stellage voor vaten.Gauze,gôz, gaas;Gauze-wire= ijzerdraadgaas;Gauzy= gaasachtig.Gave,geiv, imperf. vanto give.Gavel,gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht;Gavelkind= erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld;Gavelman= huurder van land onder de bepalingen vangavelkind.Gavelock,gav’lok, breekijzer, werpspies.Gaveston,gavəst’n.Gavial,geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).Gavot(te)gəvot,gavot, gavotte.Gawk,gôk, koekoek, zot;Gawkiness, subst. van het adj.Gawky= lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.Gay,gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst.Gayness; adj.Gaysome.Gayal,gaiəl,geiəl, soort rund (Brit. Ind.).Gaze,geiz, subst. blik, aanblik;Gazeverb. staren:At gaze= starend,en face;Gaze-hound= windhond;Gazing-stock= voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.Gazebo,gazîbou, belvedère.Gazelle,gəzel, gazelle.Gazette,gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant;Gazetteverb. in de staatscourant (dus:officieel) bekend maken:Tobe in the gazette= bankroet zijn;He was gazetted= aangesteld, bevorderd;Gazetteer,gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.Gazogene,gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.Gazon,gəzûn, grasperk.Gean,gîn, Spaansche kers.Gear,gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel,[219]mechaniek, tandrad;Gearverb. tuigen, aan den gang brengen:It was thrownout of gear= de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven;My ships areout of gear= onttakeld;Gearing= tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.Geck,gek, nar, spot;Geckverb. bespotten.Gecko,gekou, gecko.Gee,dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan:Gee up,Gee Woo= vooruit!The horse gee-up’d= het paard ging vooruit;Gee-gee= paard (in de kindertaal).Geelong,gîloŋ.Geese,gîs, ganzen.Gehenna,gəhenə, Gehenna, Hel.Geikie,gîki.Geisha,geiša.Gelatine,dželətîn, gelatine;Gelatinous,džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.Geld,geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust;Gelder= snijder;Gelding= het snijden; ruin, gesneden dier.Gelid,dželid, ijskoud; subst.Gelidity.Gem,džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog;Gemverb. met edelgesteenten tooien, ontbotten;Gemmy= vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.Gemara,gəmârə, tweede deel van den Talmud.Geminate,džeminit, adj. in paren:Geminate-leaves= tweelingbladen;Gemination= verdubbeling.Gemini,džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).Gemma,džemə, bladknop;Gemmate,džemit, knoppen hebbende;Gemmation,džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming;Gemmiferous,džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend =Gemmiparous,džəmipərɐs.Gemman,džem’n, samentrekking vangentleman; mv.Gemmen.Gemmule,džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.Gemote,gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).Gemsbok,gemzbok, Kaapsche gems.Gendarme,džendâm, gendarme;Gendarmery.Gender,džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.Genealogic(al),dženiəlodžik(’l),džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig;Genealogical-tree= stamboom;Genealogist= geslachtkundige;Genealogy= geslachtrekenkunde, stamboom.Genearch,dženiâk,džîniâk, stamvader.Genera,dženərə, meervoud vanGenus.General,dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen:In general= in of over het algemeen;In a general way= in algemeenen zin, over het algemeen;The general public= het groote publiek;General assembly= wetgevende vergadering (Amer.);General dealer= iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt;General invitation= uitnoodiging eens voor al;Generalpractitioner= geneeskundige;General servant= meid alleen;General warrant= bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen;Generalism= algemeene conclusie;Generalissimo,dženər’lisimou, opperbevelhebber;Generality= algemeenheid, meerderheid, groote hoop:The general of people= de menschen in ’t algemeen;Generalization= generalisatie;Generalize= algemeen maken; generaliseeren;Generalship= generaalschap, beleid, handigheid.Generate,dženəreit, voortbrengen, telen;Generating station= centrale;Generation= voortbrenging, geslacht, nakomelingen:Noah was perfect in his generations(Bijbelsch: ZieGen. VI, 9);Generative= voortbrengend; vruchtbaar:Generation power= voortbrengend vermogen;Generator= voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel;Generic(al)= eengenusomvattend of betreffend, geslachts …Generosity,dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid;Generous,dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.Genesis,dženəsis, voortbrenging, Genesis.Genet, džənet, genetkat, ook:dženət, soort paard.Genetic(al),džənetik’(l), genetisch; ontstaans …:Genetic affinity= geslachtsverwantschap.Geneva,džənîvə, jenever; Genève:The Lake of Geneva= Meer v. G.;Geneva bible= bijbel van 1560;Geneva cross= het roode kruis voor ambulances, enz.;Geneva gown= toga (v. Presb. geestelijken);Genevan, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch;Genevese,dženəvîz,dženəvîs; ZieGenevan.Genial,džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts …;Geniality,džînialiti, opgewektheid.Geniculate(d),džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst.Geniculation.Genie,džîni, genius; mv.Genii,džîniai.Genista,džənistə, genista, Duitsche brem.Genital,dženitəl, geslachts - -;Genitals= geslachtsdeelen.Genitival,dženitaiv’l:Genitival relation= eene genitiefverhouding of-betrekking;Genitive,dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.Genius,džîniəs, (Meerv.Geniuses,džîniəsiz) genie, talent (for);Genius(Meerv.džîniai); geest, genius.Genoa,dženouə, Genua;Genoese,dženouîz,dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.Gent,džent, heer, snuiter; verkorting vangentleman.Genteel,džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst.Genteelness.Gentian,dženšən, Gentiaan.Gentile,džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig;Gentilism,džentilizm, heidendom.Gentility,džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.Gentisin,džentisin, gentianine.Gentle,džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk;Gentleverb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren:[220]Gentle birth= voorname (aanzienlijke) .…;Gentle families;Gentlefolk(s)= menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud);Gentleman, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man:The Old (Black) Gentleman= de duivel;Gentleman of property= grondbezitter;Gentlemen of the shoulderknot= lakeien;Gentleman-at-arms= lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht;Gentleman-commoner= betalend student, die eerst later tot de eigenlijkecollegeswerd toegelaten;Gentleman-farmer= heereboer:Gentleman-usher of the Black Rod.ZieBlack Rod;Gentlemanlike,Gentlemanly= beschaafd, fatsoenlijk, beleefd;Gentlewoman= edelvrouw, beschaafde dame.Gentry,džentri, de stand dergentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).Genuflection,Genuflexion,dženjuflekš’n,džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.Genuine,dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst.Genuineness.Genus,džînəs(Meerv.Genera,dženəra), geslacht, klasse.Geocentric(al),džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.Geodesy,džiodəsi, landmeetkunde; adj.Geodetic(al).Geoffrey,džefri.Geogony,džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.Geographer,džiogrəfə, aardrijkskundige;Geographic(al),džîəgrafik(’l), aardrijkskundig;Geography,džiogrəfi, aardrijkskunde.Geologist,džiolədžist, aardkundige;Geology,džiolədži, aardkunde.Geometer,džiomətə,Geometrician,džîomətriš’n, meetkundige;Geometric(al),džîəmetrik(’l), meetkundig;Geometrical elevation= geometrische teekening (Archit.);Geometrical progression= meetk. reeks;Geometry= meetkunde.George,džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld:Brown George= grof aarden waterkan;George-noble= gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00;Georgia,džödžə, Georgia;Georgian,džödžən, subst. bewoner vanGeorgia; adj. behoorend tot de regeering derGeorgesin Engeland (1714–1830).Georgic,džödžik, tot den landbouw behoorende:Georgics of Virgil= landelijk gedicht van Vergilius.Geranium,džəreinj’m, geranium.Gerard,džerəd, Gerard, Gerrit.Gerfalcon,džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.Germ,džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin;Germverb. ontkiemen:Germ-theory= leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht;Germ of disease= ziektekiem.German,džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher:Cousin german= volle neef (nicht);German clock= Schwarzwalder klok;German flute= dwarsfluit;German Ocean= Noordzee;German sausage= Wiener worst;German silver= pleetzilver;German tinder= tonder, zwam;German toys= Nürnberger speelgoed;Germania,džɐ̂meinia, Duitschland;Germanic,džɐ̂manik, Germaansch;Germanism= germanisme;Germanize= germaniseeren;Germany= Duitschland.Germane,džɐ̂mein,džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend:This subject is moregermane toour circumstances= staat in nauwer verband met.Germinal,džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende;Germinant= ontkiemend;Germinate,džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst.Germination;Germinative, kiem …Gerrymander,džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig.Amer.).Gertrude,gɐ̂trûd.Gerund,džer’nd, gerundium:Gerund-grinder= schoolvos;Gerundial,džərɐndj’l, tot een gerund behoorende;Gerundive,džərɐndiv, de vorm opingmet eene prepositie daarvoor:On coming,In crossing, etc.Gervas,džɐ̂vəs.Gestation,džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).Gesticulate,džestikjuleit, gebaren maken; subst.Gesticulation;Gesticulator,džestikjuleitə, gebarenmaker;Gesticulatorylanguage= gebarentaal;Gesture,džestjə, subst. gebaar, beweging, houding;Gestureverb. gesticuleeren;Gesture-language= gebarentaal =Gestural language.Get,get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren:Toget the better of= de overhand krijgen, overwinnen;Toget a cold= kou vatten, een verkoudheid oploopen;Toget the day= de overwinning behalen;You’llget no goodby it= het berouwen;Toget hold of= vastgrijpen;Toget it hot= er flink van langs krijgen;Toget a mile= een mijl afleggen;Toget the sack= de bons krijgen;I mustget wind first= ik moet eerst op adem komen;The affairgot wind= werd bekend, lekte uit;I havegot the windof you= ik heb je in de gaten;He is so weak that he cannotget about= dat hij niet loopen kan;It hasgot about,that you are here= het is bekend geworden;They aregetting ahead= zij gaan vooruit, het gaat hun goed;How are yougetting along= hoe staat het met de zaken?Get along with you= och, loop!He hasgot amongthieves= is terecht gekomen;I cannotget at him= kan hem niet bereiken, te pakken krijgen;It is easy toget at him= hem te plagen;The jockey wasgot at= omgekocht;I could notget away from him= niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken;The horsegot away with him= ging er met hem van door;One of the boatshad been got away= neergelaten en afgestooten;They willget before,[221]behind us= zij zullen ons vóór-, achterkomen;I hope toget behind your tricks= dat ik achter uwe streken zal komen;Igot behind the scenes= geraakte volkomen ingewijd (in de plannen);Toget inthe crops= binnenhalen;I’ll try toget inthat picture= te koopen, te krijgen;Hegot intoit= raakte er aan gewend;We havegot offsafely= zijn er goed afgekomen;I hope to see you as soon as Iget off= zoodra ik vrij ben;How are yougetting on= hoe maak je het?Toget out= raken uit, komen uit, voor den dag halen:I wish I couldget outof this business= van dit zaakje af kon komen;I hope I shallget overit= dat ik het zal te boven komen;Theygot overme= bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over;At length we havegot roundhim= hebben we hem te pakken;I fear he will notget through= dat hij niet zal slagen;To get up= in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren:Shegets uplinen= mangelt en strijkt;He hasgot uphis German= heeft ‘er in’;It wasgot upfor the occasion= afgesproken, klaargemaakt;Toget asleep= in slaap geraken;Toget clear of= vrijkomen van, afkomen van;I’llget it done= ik zal het laten doen, maken;get you gone= scheer je weg;You must try toget it by heart= het van buiten te leeren;Toget home= thuis komen;Toget quit (rid) of= kwijtraken, afkomen van;get-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.:The get-up of the bookis perfect=The book isnicely got up= de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend;Getter-up= klaarmaker;The getters-up of a charade= de personen, die de charade voorstellen;Getting= winst, voordeel, verdienste.Gewgaw,gjûgô, prul; adj. prullerig.Geyser,gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.Gharry,gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).Ghastliness,gâstlinəs, subst. vanGhastly= doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.Gha(u)t,gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).Gheber,Ghebre,gîbə,geibə. ZieGueber.Ghee,gî, soort boterolie (Br. Ind.).Ghent,Gent.Gherkin,gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.Ghetto,getou, Ghetto, Jodenkwartier.Ghibelline,gibəl(a)in, Ghibellijn.Ghost,goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt:He has notthe ghost of a chance= niet de geringste kans;Hegave up the ghost= hij gaf den geest;We needed no ghostto tell us that= dat begrepen we zelf ook wel;The Holy Ghost= de H. Geest;Ghost story= spookvertelling;Ghostliness, subst. v.Ghostly= spookachtig, akelig, somber:Ghostly hour= spookuur, middernachtelijk uur.Ghoorkas,guəkaz, het voornaamste ras inNepaul.Ghoul,gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.);Ghoulish= demonisch.Ghurry,gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.Ghyll,gil, bergkloof, ravijn.Giant,džaiənt, subst. reus;The Giant Mountains= het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal;Giantess= reuzin;Giantship= reusachtigheid.
G,džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool):He possessed no final g’s to his name= was niet vulgair, van lage kom-af;Gael(ic);G(reat)B(ritain);G(rand)C(ross of the)B(ath);G(rand)C(ross of St.)M(ichael and St.)G(eorge)= koloniale orde;G(rand)C(ommander of the)S(tar of)I(ndia);G(rand)D(uke);Gent(leman);Geo(rge);Geol(ogy);Geom(etry);G(rand)L(odge);Gosp(el);[215]Goth(ic);Gov(ernment);Gov(ernor)Gen(eral);G(eneral)P(ost)O(ffice);Gr(ain);Greg(ory);Gtt= druppels.
Gab,gab, subst. gewauwel, gesnap;Gabverb. praten, snappen, kakelen:He hasthe gift of the gab= hij kan praten als Brugman;Gabble, subst. luid gekakel, druk gerammel;Gabbleverb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen;Gabble-mill= het Congres (Amer.);Gabby= praatziek.
Gabarage,gabəridž, grof paklinnen.
Gabardine,gabədîn, grof overkleed; kaftan.
Gaberlunzie,gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).
Gabion,geibj’n, schanskorf;Gabionade,geibjəneid,geibjəneid, versterking van schanskorven, krib;Gabionage= schanskorven;Gabioned= metGabions.
Gable,geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel:Stepped gable= trapjesgevel;Gable-roof= zadeldak;Gable-window= gevelvenster;Gabled= van gevels voorzien.
Gabriel,geibriəl.
Gaby,geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.
Gad,gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel;Gadverb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden:He did not know what to sayon the gad= zoo gauw;His imagination wasgadding= zijne fantasie was aan het dwalen;Gad-about= belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster;He hasa gad-about spirit= hij houdt van doelloos rondzwerven;Gad-fly= horzel, paardevlieg;Gadder=Gad-about;Gadling, subst. vagebond; adj. zwervend;Gaddle= aan het zwerven of in de war brengen:That thoughtsetall their little headsgaddling= bracht al hunne hoofdjes op hol.
Gadelle,gədel, roode bes.
Gadhelic,gədelik,gadəlik, Keltische taal of bewoner vanSchotland,Ierlanden het eilandMan.
Gaekwar,geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.
Gael,geil, Kelt;Gaelic,geilik,galik, Keltisch.
Gaff,gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort;Gaffverb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak:Toblow the gaff= verraden;Gaff-topsail= gaftopzeil.
Gaffer,gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.
Gaffle,gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).
Gag,gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht;Gagverb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol);Gagger= knevelaar.
Gage,geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z.Gauge);Gageverb. verpanden, op het spel zetten, peilen.
Gaggle,gag’l, snateren, kakelen.
Gaiety,geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon;Gaily,geili, vroolijk.
Gaikwar,geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.
Gain,gein, subst. winst, aanwinst, voordeel;Gainverb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen:Togain the day= de overwinning behalen;They havegained groundof late= zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen;Theygained the other side= bereikten;That willgain us time= daardoor zullen wij tijd winnen;We havegained the wind ofthat ship= wij hebben dat schip de loef afgestoken;I havegained him intothat act= er toe overgehaald;My good behaviourgained onhim= nam hem voor mij in;I shall try togain him over to our side= voor onze partij zien te winnen;The enemygained uponus= inhalen, voordeel behalen op;Gainer= winner;Gaining= het winnen of verkrijgen;Gainings= behaalde winst.
Gainsay,geinsei,geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen;Gainsayer= loochenaar;Gainsaying= tegenspraak, ontkentenis.
Gainst,genst,geinst, verk. vanagainst.
Gairdner,gâdnə:Gairdner Lake.
Gait,geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof:The pictures went offat a rattling gait= gingen grif van de hand;Gaited, in samenstell.:Heavy gaited= langzaam.
Gaiter,geitə, subst. slobkous; valsche speler;Gaiterverb. van slobkousen voorzien.
Gal,gal=girl.
Gala,geilə, gala, feestelijkheid;Gala-day= feestelijke dag;Gala-dress= galakleeding.
Galactometer,galəktomətə, melkmeter;Galactophorous,galəktofərɐs, melkhoudend.
Galage,galidž, klomp, overschoen.
Galantine,galənt(a)in, galantine.
Galatia,gəleišə, Galatië;Galatian, bewoner v. Galatië.
Galaxy,galəksi, melkweg, schitterende groep.
Gale,geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling;Galeverb. snel zeilen:Great events are inthe gale= in de lucht, op til;Gale-day= rentedag.
Galenic(al),gəlenik(’l), volgens de geneeswijze vanGalen(Grieksch geneesheer, 131–200).
Galicia,gəlišə, Galicië;Galician,gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.
Galilean,galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend;Galilee,galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.
Galimatias,galimatiəs,galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.
Gal(l)iot,galiət, galjoot.
Gall,gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land;Gallverb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen;Gall-bladder= galblaas;Gall of glass(ZieSandiver);Gall-fly= galwesp;[216]Gall-nut= galnoot;Gall-sickness= galkoorts;Gall-stone= steen (in de blaas).
Gallant,gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk;Gallantverb. het hof maken, hoofsch behandelen;Gallantly= galant.
Gallant,gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig;Gallantly= dapper;Gallantry= dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.
Galleon,galj’n, galjoen.
Gallery,galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent:Shooting-gallery= schiettent;He isplaying to the gallery= hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.
Galley,gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam:The article wentstraight from the galley to the stone= werd ongecorrigeerd gedrukt;Galley-foist= vroegere staatsiesloep van denLord Mayor;Galley-pepper= kolenasch;Galley-slave= galeislaaf;Galley-worm= soort. v. duizendpoot;Galley-west:Thatknocked the mystery galley-westin a second= toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).
Gallia,galiə, Gallië;Gallian,galiən, Gallisch.
Galliard,galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel;Galliardise,galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.
Gallic,galik, Gallisch, Fransch (ook:Gallican); uit galnoten getrokken;Gallicism,galisizm, Fransch idioom;Gallicize= verfranschen.
Galligaskins,galigaskinz, wijde broek.
Gallimaufry,galimôfri, ragout; mengelmoes.
Gallinaceous,galineišəs, hoenderachtig.
Gallipot,galipot, likkepot.
Gallium,galiəm, gallium.
Gallivant,galivant,galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.
Galliwasp,galiwosp, hagedis (W.-Indië).
Gallomania,galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.
Gallon,gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud:Imperial gallon= ± 4.54 L.
Galloon,gəlûn, lint, band, galon;Gallooned.
Gallop,galəp, subst. galop;Gallopverb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen;Galloping-consumption= vliegende tering;Gallopade,galəpeid,galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”;Gallopverb. galoppeeren, een galop dansen.
Gallow,galou, doen schrikken.
Galloway,galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.
Gallowglass,galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).
Gallows,galouz, galg, galgebrok (=Gallows-bird);Gallowses= bretels (Amer.);Gallows-bits= galg (op een schip);Gallows-free= van de galg gered;Gallows-ripe;Gallows-tree= galg;Gallowsness= ondeugendheid, boosheid.
Gally,gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). ZieGall.
Galoche=Galosh.
Galoot,gəlût, lummel, kerel.
Galop,galəp, galop (dans).
Galore,gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed:She has jewellery galore= zij heeft een rijkdom aan juweelen.
Galosh,gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.
Galvanic,galvanik, Galvanisch:Galvanic-battery= Galvanische batterij;Galvanic current;Galvanic pile(ZieVoltaic);Galvanism,galvənizm, galvanische electriciteit;Galvanize,galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.
Galveston,gavst’n,galvəst’n;Galway,gôlwei.
Gamba,gambə, gambe, soort violoncel.
Gambade,gambeid, luchtsprong, gril.
Gambado,gambeidou, slobkous;Gambadoes= aan het zadel bevestigde rijlaarzen.
Gambeson,gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).
Gamble,gamb’l, om geld dobbelen:Theygambled awaytheir lives= verdubbelden, vergooiden hun leven;Gambler.
Gamboge,gamboudž,gambûdž, guttegom.
Gambol,gamb’l, subst. (kromme) sprong;Gambolverb. springen, huppelen.
Gambrel,gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch;Gambrel-roof= tentdak.
Game,geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar;Gameverb. spelen:Agame at cards, at dice, at (of) chess;Agame of chance= hazardspel;Popular games= volksspelen;Is that your little game?= voer je dat in je schild?That is not my gameat present= daarom is ’t mij nu niet te doen;The game is not worth the candle= de sop is de kool niet waard;Hemade game of us= hield ons voor den gek;I am game to do it= ik ben bereid;He isgame to play that part= geschikt;All hoped he woulddie game= dat hij als een man zou sterven;He went to Americamuch gamer thanwe could have expected= met meer moed (flinker) dan …;Game-bag= weitasch;Game-birds (Game-fowls)= kempvogels;Game-cock= kemphaan;Gamekeeper= jachtopziener, koddebeier;Game-laws= jachtwetten;Gameful,Gamesome= dartel, vroolijk, speelsch; subst.Gamesomeness;Gamester= speler, dobbelaar;Gaming:Gaming-debt= speelschuld;Gaming-house= speelhuis;Gaming-table= speeltafel.
Gamin,gamin, straatjongen.
Gamma,gamə, toonladder.
Gammer,gamə, moedertje.
Gammon,gam’n, subst. gerookte ham; spel (=Backgammon); bedriegerij;Gammonverb. ham zouten en rooken; verslaan (bij hetbackgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop!No gammon with me!= ’k laat me niet bedotten!
Gamp,gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande;Gampverb. bollen of uitzetten.
Gamut,gamət, toonladder, toonschaal, omvang:Thegamut of human feeling.
Gamy,geimi=Game(adj.).[217]
Gander,gandə, gent:Sauce for the goose is sauce for the gander= gelijke monniken gelijke kappen.
Gang,gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment:Gang-board= loopplank, valreepsbord;Gang-cask= watervat (op een schip);Gangway= pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt;The poor fellow wasbrought to the gangway= de arme kerel werd afgestraft;Hesits below the gangway= hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs degangwayte bereiken);Gang-week= rondgangweek (Z.Rogation);Ganger= opzichter van een arbeidersploeg.
Ganges,gandžis, Ganges;Gangetic,gandžetik, tot den Ganges behoorend.
Ganglion,gaŋgliən, (Meerv.Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.
Gangrene,gaŋgrîn, subst. koudvuur;Gangreneverb. het koudvuur krijgen;Gangrenous,gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.
Ganister,ganistə, soort vuurvaste steen.
Gannet,ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.
Gantlet,gôntlət,gântlət(Gantlope,gantloup), spitsroede:He had torun the gantlet= hij moest spitsroeden loopen;A new-comer has torun the gantlet ofthe whole company= die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot;Hetook up the gantlet= hij nam den handschoen op.
Ganymede(s),ganimîd,ganimîdîz, Ganymedes.
Gaol;džeil; ZieJail;Gaoler.
Gap,gap, subst. gat, opening, bres, hiaat;Gapverb. een gat maken in;Hestood in the gap forall his friends= hij sprong in de bres voor;We had tostop the gap= moesten het gat stoppen (ookfig.);gap-toothed= met holten tusschen de tanden.
Gape,geip, subst. geeuw, het geeuwen;Gapeverb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan:The chickens havegot the gapes= hebben de gaapziekte;We weregaped at byall= werden aangegaapt;They aregaping for (after) it= zij snakken er naar.
Gar,gâ, geep;Garverb. dwingen, veroorzaken.
Garage,garâž, garage.
Garb,gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren):Nature’s garb;Garbed= gekleed.
Garbage,gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets;Garbaged= van ingewanden gereinigd.
Garble,gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier;Garbler= schifter, vervalscher.
Garboard,gâböd, gaarboord (scheepst.).
Garboil,gâbôil, subst. oproer, wanorde;Garboilverb. onderstboven gooien, storen.
Garden,gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend;Gardenverb. tuinieren, een tuin aanleggen;Garden City= Chicago;The Garden= de markt (=Covent Gardenin Londen);Garden-glass= tuinspiegel;Garden-house= tuinhuisje;Garden-mould= tuin- of teelaarde;Garden-plot= deel van den tuin met bloemen, enz.;Garden-stuff= groenten, enz.;Garden-tools= tuingereedschap;Gardener= tuinier.
Gardenia,gâdînjə, gardenia.
Gare,gêə, grove wol op schapepooten.
Garfish,gâfiš, geep.
Gargantuan,gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.
Gargery,gâdžəri.
Garget,gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.
Gargle,gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk;Gargleverb. gorgelen, kweelen.
Gargoyle,gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).
Garibaldi,garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.
Garish,gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.
Garland,gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet;Garlandverb. met kransen tooien.
Garlic,gâlik, knoflook;Garlic-eater= scheldnaam voor Joden;Garlicky= knoflook bevattend.
Garment,gâm’nt, kleedingstuk, kleeding:The garmentage of life= het uiterlijke des levens.
Garner,gânə, subst. graanzolder;Garnerverb. opstapelen (van koren), verzamelen.
Garnet,gânət, granaatsteen.
Garnish,gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi;Garnishverb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst.Garnishment.
Garniture,gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.
Garret,garət, vliering, zolderkamertje;Garret-master= meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen;Garreteer,garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.
Garrison,garis’n, subst. garnizoen, vesting;Garrisonverb. in garnizoen leggen, bezetten.
Garron,gar’n, klein Schotsch paard.
Garro(t)te,gərot,gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging);Garro(t)teverb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken;Garro(t)ter= straatroover.
Garrulity,gərûliti, praatachtigheid;Garrulous,garəlɐs, praatziek, snapachtig.
Garter,gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde;Garterverb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen;Knight of the Garter= Ridder van den Kouseband.
Garth,gâth, hof, vischweer.
Garum,gêr’m, Romeinsche vischsaus.
Gas,gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf;Gasverb. wauwelen, bluffen:How he was gassing= wat was hij aan ’t opsnijden;Gas-buoy= gasboei;Gas-bracket= gasarm;Gas-coal;Gas-condenser= gascondensator;Gas-cooker= gasfornuis;Gas-engine= gasmotor;Gas-fitter;Gas-fitting= gasaanleg;Gasholder= gashouder;Gas-jet[218]= gasvlam, gaspit;Gas-lamp= lamp, lantaarn;Gas-light;Gas-main= hoofdleiding;Gas-mantle= gloeikousje;Gas-meter= meter;Gas-motor;Gas-pipe;Gas-range= gaskookkachel;Gas-regulator= gasregulateur;Gas-retort;Gas-tar= koolteer;Gas-works= gasfabriek;Gasalier,Gaselier,gasəlîə, gaskroon;Gaseity,gesîiti, gasachtigheid;Gaseous,geisiəs,geiziəs,gasiəs,gaziəs, gasachtig, vluchtig;Gasiform= gasvormig;Gasify= in gas veranderen;Gasoline,gasəlîn, gasoline;Gasometer,gəsomətə,gəzomətə, gashouder; gasometer;Gasometry= meten van gas;Gassy= gasachtig; opgeblazen.
Gascon,gaskən, Gascogner, bluffer;Gasconade,gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij;Gasconverb. snoeven, grootspreken;Gasconader= bluffer, “opsnijer”;Gascony,gaskəni, Gascogne.
Gash,gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede;Gashverb. eene gapende wonde maken:I gash myself asunder fromthe king= ik breek geheel met den koning.
Gasket,gaskət, seizing (scheepst.).
Gaskins,gaskinz=Galligaskins.
Gasp,gâsp, subst. snik;Gaspverb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen:At the last gasp= bij den laatsten snik, op sterven;With a gasp= verbaasd (als naar adem snakkend);It made me gasp= ik stond paf.
Gastric,gastrik, tot de maag behoorend;Gastric-abscess;Gastric-catarrh= maagcatarrh;Gastric-fever= gastrische koorts;Gastric-juice= maagsap;Gastriloquy,gastriləkwi, buikspraak;Gastritis,gastraitis, maagontsteking;Gastronomer,gastronəmə,Gastronomist,gastronəmist, lekkerbek;Gastronomy,gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten;Gastrotomy,gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.
Gat,gat, nauwe doorvaart.
Gate,geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The Gate=Billingsgate= Londensche vischmarkt);Gateverb. binnen de poorten houden:Thatopened the gate forall abuses= zette de deur open voor;Gate of horn= de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen;Gate of ivory= de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.);Gatehouse= portierswoning;Gateman= portier, tolgaarder, baanwachter;Gateway= poort;Gated= met poorten.
Gather,gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, plooi:I gathered it fromwhat he said= maakte het uit zijne woorden op;The harvest wasgathered in= werd binnengehaald;He wasgathered tohis fathers= tot zijn vaderen verzameld;Hegathered himself up= kwam tot zichzelf;Then we had time togather breath= om op adem te komen;Togather flowers;Shegathered her powers= verzamelde;Gatherer= verzamelaar, oogster;Gathering= verzameling, vereeniging, inzameling, collecte; zweer.
Gatling gun,gatliŋgɐn, revolverkanon, mitrailleuse.
Gaucho,gôkou, Z. Amer.Cowboy.
Gaud,gôd, versiering, snuisterij;Gaudiness, subst. vanGaudy= opzichtig, bont:Gaud-day=Gaudies= feest(dag).
Gaudeamus,gôdieiməs, drinkgelag, feest.
Gauffer,goufə, fijn plooien.
Gauge,geidž, subst. maat, peil, diepgang, peilstok, peilglas, maatstaf, wijdte tusschen de spoorstaven;Gaugeverb. meten, schatten, peilen, ijken:I have your gauge= ik snap je, doorzie je;I have gauged your feelings;Gaugeglass= peilglas;Gauger= roeier of wijnpeiler; kommies;Gauging: Gauging-rod= peilstok =Gauging-rule.
Gaul,gôl, Gallië, Galliër.
Gault,gôlt, subst. een soort van mergel;Gaultverb. klei brengen (op land);Gault-mill= kleimolen (voor steenbakkerijen).
Gaunt,gônt,gânt, schraal, mager:That’s the gaunt,bare truth= dat is de naakte waarheid.
Gauntlet,gôntlət,gântlət, lange dameshandschoen, strijdhandschoen:He threw down the gauntlet, and my friend took it up= hij wierp den handschoen toe, en mijn vriend nam hem op.
Gauntree,gôntrî, stellage voor vaten.
Gauze,gôz, gaas;Gauze-wire= ijzerdraadgaas;Gauzy= gaasachtig.
Gave,geiv, imperf. vanto give.
Gavel,gav’l, garf, (presidents)hamer; tol, schatting, garfpacht;Gavelkind= erfrecht, waarbij bij den dood van den pachter het land gelijkelijk onder zijne zoons werd verdeeld;Gavelman= huurder van land onder de bepalingen vangavelkind.
Gavelock,gav’lok, breekijzer, werpspies.
Gaveston,gavəst’n.
Gavial,geiviəl, gavial, snavelkrokodil (Ganges).
Gavot(te)gəvot,gavot, gavotte.
Gawk,gôk, koekoek, zot;Gawkiness, subst. van het adj.Gawky= lummelig; subst. lummel, slungel, suffer.
Gay,gei, vroolijk, opgewekt, opzichtig, bont, sterk gekleurd, opgewonden (van drank), losbandig; subst.Gayness; adj.Gaysome.
Gayal,gaiəl,geiəl, soort rund (Brit. Ind.).
Gaze,geiz, subst. blik, aanblik;Gazeverb. staren:At gaze= starend,en face;Gaze-hound= windhond;Gazing-stock= voorwerp van afschuw of nieuwsgierigheid.
Gazebo,gazîbou, belvedère.
Gazelle,gəzel, gazelle.
Gazette,gəzet, subst. courant, soort staatsblad, staatscourant;Gazetteverb. in de staatscourant (dus:officieel) bekend maken:Tobe in the gazette= bankroet zijn;He was gazetted= aangesteld, bevorderd;Gazetteer,gazətîə, redacteur van een staatsblad, dagbladschrijver; geographisch woordenboek.
Gazogene,gazədžîn, toestel om koolzure dranken te maken.
Gazon,gəzûn, grasperk.
Gean,gîn, Spaansche kers.
Gear,gîə, subst. gareel, tuig, takel, kleed, uitrusting, bezittingen, zaak; de touwen, blokken, enz. van een bepaald zeil of mastdeel,[219]mechaniek, tandrad;Gearverb. tuigen, aan den gang brengen:It was thrownout of gear= de koppeling werd verbroken, de zaak werd bedorven;My ships areout of gear= onttakeld;Gearing= tuig, harnas, stel tandraderen tot het overbrengen van beweging.
Geck,gek, nar, spot;Geckverb. bespotten.
Gecko,gekou, gecko.
Gee,dži, een uitroep om het paard naar rechts te doen gaan:Gee up,Gee Woo= vooruit!The horse gee-up’d= het paard ging vooruit;Gee-gee= paard (in de kindertaal).
Geelong,gîloŋ.
Geese,gîs, ganzen.
Gehenna,gəhenə, Gehenna, Hel.
Geikie,gîki.
Geisha,geiša.
Gelatine,dželətîn, gelatine;Gelatinous,džəlatinɐs, gelatine- of geleiachtig.
Geld,geld, castreeren, verminken, berooven; adj. gust;Gelder= snijder;Gelding= het snijden; ruin, gesneden dier.
Gelid,dželid, ijskoud; subst.Gelidity.
Gem,džem, subst. juweel, kleur, kleinood; knop, oog;Gemverb. met edelgesteenten tooien, ontbotten;Gemmy= vol edelgesteenten, schitterend, rijk, fijn, net.
Gemara,gəmârə, tweede deel van den Talmud.
Geminate,džeminit, adj. in paren:Geminate-leaves= tweelingbladen;Gemination= verdubbeling.
Gemini,džeminai, Tweelingen (sterrenbeeld).
Gemma,džemə, bladknop;Gemmate,džemit, knoppen hebbende;Gemmation,džəmeiš’n, het knoppen, voortplanting door knopvorming;Gemmiferous,džəmifərɐs, knoppen dragend, door knoppen vermenigvuldigend =Gemmiparous,džəmipərɐs.
Gemman,džem’n, samentrekking vangentleman; mv.Gemmen.
Gemmule,džemjûl, eitje, knopje, kiemspoor.
Gemote,gəmout, vergadering (van honderd, bij de Angelsaksers).
Gemsbok,gemzbok, Kaapsche gems.
Gendarme,džendâm, gendarme;Gendarmery.
Gender,džendə, subst. soort, klasse, (grammaticaal) geslacht.
Genealogic(al),dženiəlodžik(’l),džîniəlodžik(’l), geslachtrekenkundig;Genealogical-tree= stamboom;Genealogist= geslachtkundige;Genealogy= geslachtrekenkunde, stamboom.
Genearch,dženiâk,džîniâk, stamvader.
Genera,dženərə, meervoud vanGenus.
General,dženər’l, adj. algemeen, openbaar, uitgebreid, onbepaald, gewoon; subst. het algemeen; generaal, algemeen appèl (voor de infanterie); meid alleen:In general= in of over het algemeen;In a general way= in algemeenen zin, over het algemeen;The general public= het groote publiek;General assembly= wetgevende vergadering (Amer.);General dealer= iemand die in allerlei dagelijksche artikelen handelt;General invitation= uitnoodiging eens voor al;Generalpractitioner= geneeskundige;General servant= meid alleen;General warrant= bevel tot inhechtenisneming van alle verdachte personen;Generalism= algemeene conclusie;Generalissimo,dženər’lisimou, opperbevelhebber;Generality= algemeenheid, meerderheid, groote hoop:The general of people= de menschen in ’t algemeen;Generalization= generalisatie;Generalize= algemeen maken; generaliseeren;Generalship= generaalschap, beleid, handigheid.
Generate,dženəreit, voortbrengen, telen;Generating station= centrale;Generation= voortbrenging, geslacht, nakomelingen:Noah was perfect in his generations(Bijbelsch: ZieGen. VI, 9);Generative= voortbrengend; vruchtbaar:Generation power= voortbrengend vermogen;Generator= voortbrenger, voortbrengingsvermogen, stoomketel;Generic(al)= eengenusomvattend of betreffend, geslachts …
Generosity,dženərositi, edelmoedigheid, milddadigheid;Generous,dženərɐs, edel, grootmoedig, milddadig, overvloedig.
Genesis,dženəsis, voortbrenging, Genesis.
Genet, džənet, genetkat, ook:dženət, soort paard.
Genetic(al),džənetik’(l), genetisch; ontstaans …:Genetic affinity= geslachtsverwantschap.
Geneva,džənîvə, jenever; Genève:The Lake of Geneva= Meer v. G.;Geneva bible= bijbel van 1560;Geneva cross= het roode kruis voor ambulances, enz.;Geneva gown= toga (v. Presb. geestelijken);Genevan, subst. bewoner van Genève; adj. Geneefsch; calvinistisch;Genevese,dženəvîz,dženəvîs; ZieGenevan.
Genial,džînj’l, levendig, sympatiek, hartelijk, vroolijk, zacht; geslachts …;Geniality,džînialiti, opgewektheid.
Geniculate(d),džənikjulit(-eitid), knievormig gebogen; subst.Geniculation.
Genie,džîni, genius; mv.Genii,džîniai.
Genista,džənistə, genista, Duitsche brem.
Genital,dženitəl, geslachts - -;Genitals= geslachtsdeelen.
Genitival,dženitaiv’l:Genitival relation= eene genitiefverhouding of-betrekking;Genitive,dženitiv, subst. genitief; adj. van den genitief.
Genius,džîniəs, (Meerv.Geniuses,džîniəsiz) genie, talent (for);Genius(Meerv.džîniai); geest, genius.
Genoa,dženouə, Genua;Genoese,dženouîz,dženouîs, subst. Genuees; adj. van Genua.
Gent,džent, heer, snuiter; verkorting vangentleman.
Genteel,džentîl, bevallig, beschaafd, fatsoenlijk, net, behoorlijk; subst.Genteelness.
Gentian,dženšən, Gentiaan.
Gentile,džentail, subst. heiden, ongeloovige (in den Bijbel); adj. heidensch, ongeloovig;Gentilism,džentilizm, heidendom.
Gentility,džentiliti, hooge of edele geboorte, beschaving, sierlijkheid, bevalligheid.
Gentisin,džentisin, gentianine.
Gentle,džent’l, adj. van hooge geboorte, zacht, teeder, vriendelijk; subst. edelman, gedresseerde valk;Gentleverb. adelen, in rang verheffen, veredelen; verzachten, dresseeren:[220]Gentle birth= voorname (aanzienlijke) .…;Gentle families;Gentlefolk(s)= menschen van aanzienlijke geboorte (gewoonlijk meervoud);Gentleman, subst. heer, man van geboorte (beschaving, eer), fatsoenlijk man, man:The Old (Black) Gentleman= de duivel;Gentleman of property= grondbezitter;Gentlemen of the shoulderknot= lakeien;Gentleman-at-arms= lid van de door Hendrik VIII opgerichte adellijke lijfwacht;Gentleman-commoner= betalend student, die eerst later tot de eigenlijkecollegeswerd toegelaten;Gentleman-farmer= heereboer:Gentleman-usher of the Black Rod.ZieBlack Rod;Gentlemanlike,Gentlemanly= beschaafd, fatsoenlijk, beleefd;Gentlewoman= edelvrouw, beschaafde dame.
Gentry,džentri, de stand dergentlemen, der beschaafde en bezittende klassen (landadel, geleerden, geestelijken, etc.).
Genuflection,Genuflexion,dženjuflekš’n,džînjuflekš’n, kniebuiging, knieval.
Genuine,dženjuin, echt, onvervalscht, oprecht; subst.Genuineness.
Genus,džînəs(Meerv.Genera,dženəra), geslacht, klasse.
Geocentric(al),džîəsentrik(’l), met de aarde gelijkmiddelpuntig.
Geodesy,džiodəsi, landmeetkunde; adj.Geodetic(al).
Geoffrey,džefri.
Geogony,džiogəni, leer van het ontstaan der aarde.
Geographer,džiogrəfə, aardrijkskundige;Geographic(al),džîəgrafik(’l), aardrijkskundig;Geography,džiogrəfi, aardrijkskunde.
Geologist,džiolədžist, aardkundige;Geology,džiolədži, aardkunde.
Geometer,džiomətə,Geometrician,džîomətriš’n, meetkundige;Geometric(al),džîəmetrik(’l), meetkundig;Geometrical elevation= geometrische teekening (Archit.);Geometrical progression= meetk. reeks;Geometry= meetkunde.
George,džödž, het beeld van St. George te paard, met den draak strijdend (insigne van de ridders van den kouseband); gouden munt met dat beeld:Brown George= grof aarden waterkan;George-noble= gouden munt (tijd van Hendrik VIII), ter waarde van ongeveer ƒ 4,00;Georgia,džödžə, Georgia;Georgian,džödžən, subst. bewoner vanGeorgia; adj. behoorend tot de regeering derGeorgesin Engeland (1714–1830).
Georgic,džödžik, tot den landbouw behoorende:Georgics of Virgil= landelijk gedicht van Vergilius.
Geranium,džəreinj’m, geranium.
Gerard,džerəd, Gerard, Gerrit.
Gerfalcon,džɐ̂fô(l)k’n, giervalk.
Germ,džɐ̂m, subst. kiem, oorsprong, begin;Germverb. ontkiemen:Germ-theory= leer volgens welke besmettelijke ziekten door bacteriën worden overgebracht;Germ of disease= ziektekiem.
German,džɐ̂rm’n, subst. en adj. Duitsch, nauw verwant; subst. Duitsche taal, Duitscher:Cousin german= volle neef (nicht);German clock= Schwarzwalder klok;German flute= dwarsfluit;German Ocean= Noordzee;German sausage= Wiener worst;German silver= pleetzilver;German tinder= tonder, zwam;German toys= Nürnberger speelgoed;Germania,džɐ̂meinia, Duitschland;Germanic,džɐ̂manik, Germaansch;Germanism= germanisme;Germanize= germaniseeren;Germany= Duitschland.
Germane,džɐ̂mein,džɐ̂mein, subst. en adj. verwant, overeenkomstig, passend:This subject is moregermane toour circumstances= staat in nauwer verband met.
Germinal,džɐ̂min’l, subst. zevende maand van het republikeinsche jaar (Maart 21–April 20); adj. tot de kiem behoorende;Germinant= ontkiemend;Germinate,džɐ̂mineit, (doen) ontkiemen of ontspruiten; subst.Germination;Germinative, kiem …
Gerrymander,džerimandə, knoeien, slecht bouwen, verknippen van kiesdistricten uit partijbedoelingen (eig.Amer.).
Gertrude,gɐ̂trûd.
Gerund,džer’nd, gerundium:Gerund-grinder= schoolvos;Gerundial,džərɐndj’l, tot een gerund behoorende;Gerundive,džərɐndiv, de vorm opingmet eene prepositie daarvoor:On coming,In crossing, etc.
Gervas,džɐ̂vəs.
Gestation,džesteiš’n, dracht, drachtigheid, passieve beweging (rijden, etc.).
Gesticulate,džestikjuleit, gebaren maken; subst.Gesticulation;Gesticulator,džestikjuleitə, gebarenmaker;Gesticulatorylanguage= gebarentaal;Gesture,džestjə, subst. gebaar, beweging, houding;Gestureverb. gesticuleeren;Gesture-language= gebarentaal =Gestural language.
Get,get, krijgen, verkrijgen, verdienen, bezitten, hebben, voortbrengen, overhalen, brengen (in een toestand), worden, leeren:Toget the better of= de overhand krijgen, overwinnen;Toget a cold= kou vatten, een verkoudheid oploopen;Toget the day= de overwinning behalen;You’llget no goodby it= het berouwen;Toget hold of= vastgrijpen;Toget it hot= er flink van langs krijgen;Toget a mile= een mijl afleggen;Toget the sack= de bons krijgen;I mustget wind first= ik moet eerst op adem komen;The affairgot wind= werd bekend, lekte uit;I havegot the windof you= ik heb je in de gaten;He is so weak that he cannotget about= dat hij niet loopen kan;It hasgot about,that you are here= het is bekend geworden;They aregetting ahead= zij gaan vooruit, het gaat hun goed;How are yougetting along= hoe staat het met de zaken?Get along with you= och, loop!He hasgot amongthieves= is terecht gekomen;I cannotget at him= kan hem niet bereiken, te pakken krijgen;It is easy toget at him= hem te plagen;The jockey wasgot at= omgekocht;I could notget away from him= niet van hem afkomen, hem niet kwijtraken;The horsegot away with him= ging er met hem van door;One of the boatshad been got away= neergelaten en afgestooten;They willget before,[221]behind us= zij zullen ons vóór-, achterkomen;I hope toget behind your tricks= dat ik achter uwe streken zal komen;Igot behind the scenes= geraakte volkomen ingewijd (in de plannen);Toget inthe crops= binnenhalen;I’ll try toget inthat picture= te koopen, te krijgen;Hegot intoit= raakte er aan gewend;We havegot offsafely= zijn er goed afgekomen;I hope to see you as soon as Iget off= zoodra ik vrij ben;How are yougetting on= hoe maak je het?Toget out= raken uit, komen uit, voor den dag halen:I wish I couldget outof this business= van dit zaakje af kon komen;I hope I shallget overit= dat ik het zal te boven komen;Theygot overme= bedrogen mij, werden mij de baas, haalden mij over;At length we havegot roundhim= hebben we hem te pakken;I fear he will notget through= dat hij niet zal slagen;To get up= in orde maken, arrangeeren, opstaan, opstijgen, opsteken, vooruitgaan, bestudeeren:Shegets uplinen= mangelt en strijkt;He hasgot uphis German= heeft ‘er in’;It wasgot upfor the occasion= afgesproken, klaargemaakt;Toget asleep= in slaap geraken;Toget clear of= vrijkomen van, afkomen van;I’llget it done= ik zal het laten doen, maken;get you gone= scheer je weg;You must try toget it by heart= het van buiten te leeren;Toget home= thuis komen;Toget quit (rid) of= kwijtraken, afkomen van;get-up, subst. = kleeding, enz.; bedriegerij, uitvoering, wijze van voorstelling, tooneelschikking, enz.:The get-up of the bookis perfect=The book isnicely got up= de uitvoering van het werk (druk, papier, formaat, enz.) is uitstekend;Getter-up= klaarmaker;The getters-up of a charade= de personen, die de charade voorstellen;Getting= winst, voordeel, verdienste.
Gewgaw,gjûgô, prul; adj. prullerig.
Geyser,gaizə, geiser, heete bron, verwarmingstoestel.
Gharry,gâri, osse-(pony-)wagen (Brit. Indië).
Ghastliness,gâstlinəs, subst. vanGhastly= doodsbleek, afgrijselijk, ijzingwekkend.
Gha(u)t,gôt, bergpas, gebergte, trap (leidende v. een tempel naar eene rivier; Br. Indië).
Gheber,Ghebre,gîbə,geibə. ZieGueber.
Ghee,gî, soort boterolie (Br. Ind.).
Ghent,Gent.
Gherkin,gɐ̂kin, ingemaakt augurkje.
Ghetto,getou, Ghetto, Jodenkwartier.
Ghibelline,gibəl(a)in, Ghibellijn.
Ghost,goust, subst. geest, spook, lijk, geestverschijning, schijntje; iemand die b.v. letterkundig werk doet, waarvan een ander de eer krijgt:He has notthe ghost of a chance= niet de geringste kans;Hegave up the ghost= hij gaf den geest;We needed no ghostto tell us that= dat begrepen we zelf ook wel;The Holy Ghost= de H. Geest;Ghost story= spookvertelling;Ghostliness, subst. v.Ghostly= spookachtig, akelig, somber:Ghostly hour= spookuur, middernachtelijk uur.
Ghoorkas,guəkaz, het voornaamste ras inNepaul.
Ghoul,gûl, (Oostersch) menschenlijken etend monster; reporter (Amer.);Ghoulish= demonisch.
Ghurry,gɐri, wateruurwerk, 1⁄60 dag, gong.
Ghyll,gil, bergkloof, ravijn.
Giant,džaiənt, subst. reus;The Giant Mountains= het Reuzengebergte; adj. reusachtig, kolossaal;Giantess= reuzin;Giantship= reusachtigheid.