IV.

Mysterie! Het was in eens, daar op die trap, voor haar opengestraald in hare ziel, als eene groote bloem van licht, mystieke roos met glanzende bladen, die zij nu, in eens, in het gouden hart zag. Dat was niet meer te analyzeeren, zooals zij altijd zoo gaarne deed, dat was het Raadsel der Liefde, het eeuwige Raadsel, dat in haar opengestraald was, doorschietende met zijne stralen geheel de wijdte harer ziel, waarin het midden-in ontloken was als eene zon in een heelal; daar was niet meer aan te vragen: waarom, waarom; daar was niet meer over te peinzen en droomen, dat was alleen áan te nemen als het onverklaarbare zielefenomeen; dat was een Schepping van Gevoel, waarvan de god, die geschapen had, evenmin óoit zoû zijn te vinden in de intime essence zijner waarheid, als de God te vinden was, die de wereld had geschapen uit den chaos. Dat was het Licht, brekende uit de Duisternis, dat was de hemel, ontsloten boven de aarde!

En dat bestond, dat was realiteit en geen sprookje! Want dat was geheel en al in haar; eene plotseling onloochenbare, bliksemsnel uitgeschoten, Waarheid, een Feit van Voelen, zoo reëel in zijne etherische lichaamloosheid, dat het haar toescheen, of zij, vóor dit oogenblik, nooit had geweten, had gedacht, had gevoeld. Dat was het begin: aanvang van haarzelve, dageraad van haar zielleven, heilig mirakel der onbevlekte geboorte van Liefde, midden-in, in hare ziel, als haar zonne-middenpunt.

En zij leefde de dagen, die kwamen, in hare zelfverwondering voort, dwalende door haar gedroom als door een nieuw land, waar veel licht scheen, met verre, in licht verbleekte landschappen, die waren als luchtverhevelingen, in glanstrillingen sidderende aan den horizont. Het was haar of ze, als een vrome, blijde pelgrim, langs oazen van paradijs naar die verre oorden voorttoog, om dáar te vinden nog meer: het Doel harer reize ... Kort geleden nog had zij weinig voor zich gezien—hare kinderen weg, hare eenzaamheid om zich heen als een nacht—en nu, nu zag ze voor zich een langen weg, een wijde kim, wegglansend in licht, alles licht ...

Dat wàs, dat alles wàs! Dat was geen mooie leugen van dichters; het bestond, het straalde in haar hart als een heilig juweel, als eene mystieke roos met meeldraden lichts! En frischheid, als een dauw, viel over haar neêr, op geheel het leven: op het leven der zinnen; het leven der uiterlijke schijnsels; op het leven der ziel; het leven der in-waarheid. De wereld was nieuw, frisch van nieuwen dauw, de wereld was het Eden van Genesis en hare ziel zelve was eene ziel van nieuwheid, uit zich herboren, in eene metempsychoze van meer volmaking, van dichter genaken tot het doel, dat verre Doel, dáar vèr weg, als eene onzichtbare god verscholen in de heiligheid van zijne lichtextaze, als in de uitstraling van zichzelven.

Cecile was enkele dagen niet uitgegaan en zij had niemand gezien; op een morgen ontving zij een briefje; het luidde:

Mevrouw!

Ik weet niet of u mijn mystieke woorden heeft kwalijk genomen. Ik weet niet juist meer wat ik gezegd heb, maar ik herinner me hoe u tot me zei dat ik te ver ging. Ik hoop dat u om dat te ver gaan niet boos is. Het zoû mij een groot geluk zijn, zoo ik u mocht komen zien. Mag ik hopen, dat u me toestaat u van middag een bezoek te komen brengen?

Met mijn eerbiedigste groeten,

QUAERTS.

Daar men op antwoord wachtte, schreef zij dadelijk terug:

Geachte Heer!

Het zal mij aangenaam zijn u vanmiddag te ontvangen.

CECILE VAN EVEN.

Toen zij daarop alleen was las ze zijn briefje over en nog eens over, bezag zij met een glimlach het papier, bezag zij de letters van het schrift.

—Hoe vreemd! dacht ze. Dat briefje, en dat dit alles zoo is. Wat is alles vreemd, alles, alles!

Lang bleef zij droomen, het briefje in de hand. Toen vouwde zij het met zorg dicht; zij stond op, liep de kamer op en neêr, zocht met hare fijne vingers in een coupe vol visitekaartjes en nam er twee uit, die zij lang bezag. Quaerts ... Die naam had een anderen klank dan vroeger ... Hoe vreemd dat alles! En ze sloot eindelijk het briefje en de twee kaartjes weg in een klein, leêg loketje van hare schrijftafel.

Zij wilde thuis blijven en liet de kinderen wandelen met de kindermeid. Zij hoopte, dat er geene andere visite komen zoû, noch mevrouw Hoze, noch de Van Attema's. En voor zich uit turende dacht zij na, lang, lang na. Er was zooveel, dat ze niet begreep: eigenlijk begreep ze niets. Wat haarzelve betrof, zij had hem lief gekregen, dat was niet meer te doorgronden, dat was alleen aan te nemen. Maar hij, hoe was hij en wat, wat was er in hem?

Hare antipathie in den aanvang? Sport ... hij deed veel aan sport, herinnerde zij zich ... Zijne visite, die eene indiscretie was geweest ... Hij scheen dat nu te willen goed maken en haar niet meer te komen bezoeken zonder hare toestemming. Zijn mystiek gesprek aan dat diner ... En mevrouw Hijdrecht ...

—Wat is hij vreemd, dacht ze. Ik begrijp hem niet. Maar ik heb hem lief; ik kan niet anders. Lief lief ... wat vreemd dat dat bestaat! Ik wist nog niet, dat dat bestond! Ik ben niet meer mezelve: ik word een ander! Wat zoû hij van mij willen...? En hoe zonderling: ik ben getrouwd geweest, ik heb twee kinderen? Wat zonderling, dat ik twee kinderen heb! Het is me of dat niet zoo is. Ach, en ik hoû toch zoo van ze, mijn ventjes! Maar dàt, dat is zoo mooi, zoo helder, zoo doorzichtig, alsof dát alleen de waarheid is. Misschien is liefde alleen de waarheid ... Het is alsof alles kristal in en om me wordt!

Zij zag om zich heen en het verwonderde haar, het hinderde haar, dat in die dagen hare omgeving de zelfde was gebleven: de rozenhouten meubeltjes, de plooien der behangsels, het dorre boomlandschap van den Scheveningschen weg daar buiten. Maar het sneeuwde, stil en zacht, met langzame, groote vlokken, die zwaar neêrvielen of zij de wereld wilden rein maken. Die sneeuw was frisch en nieuw, maar toch was die sneeuw niet de eigenlijke natuur voor haar, die steeds hare verre landschappen zag, als fata morgana's, sidderend in trillingen van licht.

Om vier uur trad hij binnen. Zij zag hem dus nu voor den eersten keer na de zelfkennis, die door haar was geschoten, als eene verwondering. En toen hij binnentrad voelde zij de zonderling zalige gewaarwording, dat hij zich voor haar vergoedde, dat hij zich volmaakte voor hare verbeelding, dat alles in hem goed was. Nu hij daar voor haar gezeten was, zag zij hem voor het eerst, en zij zag, dat hij mooi was. De kracht van zijn lichaam verheerlijkte zich tot de kracht van een jongen god, breed toch slank, en gespierd als met de marmeren spieren van een beeld, vreemd dat alles onder de moderniteit van zijn half gekleed kostuum. Voor het eerst zag ze zijn gelaat, zag ze het geheel en al. De snit ervan was Romeinsch, als van een keizerskop, met zijn zinnelijk profiel, zijn kleinen, vollen mond, levend rood onder het goudbruin van zijn kroessnor. Laag het voorhoofd—het haar zeer kort geknipt, als een rond zwart vlies—, en over dat voorhoofd, met zijn enkele groef, eene treurigheid als een waas van ouderdom, vreemd in tegenstelling met de wulpsche jeugd van zijn mond en kin. En dan zijne oogen, die zij reeds kende, zijne oogen van geheimenis, klein en diep liggend, met de diepte van hunne pupil, die zich nu scheen te sluieren en dan weêr openblonk.

Maar het vreemdste was, dat van geheel zijn mooi, van geheel zijn wezen, van geheel zijn zitten daar, met zijne handen gevouwen tusschen zijne knieën, een magnetisme tot haar uitging, dat haar als tot hem trok, onwederstaanbaar, als was ze, in eens, van haar eerste moment van zelfkennis af, zijn ding geworden, dat hem in alles zoû dienstbaar zijn. Zij voelde dat magnetisme haar zoo hevig aantrekken, dat alles in haar smolt tot loomheid en zwakte. Eene zwakte, als zoû hij haar kunnen nemen en wegdragen, ergens heen, waar hij wilde; eene zwakte, als had zij geene eigen gedachte meer, als was ze niets dan hèm geworden.

Dit voelde zij intens en toen, toen was het állervreemdste, dat hij daar zitten bleef als op een afstand van eerbied, dat zijn oog tot haar opzag met eerbied, dat zijne stem klonk in eerbied. Toen was het állervreemdste, dat zij hem beneden zich zag, terwijl zij hem boven zich voelde; dat zij zijne mindere wilde zijn en hij haar eene hoogere scheen te achten. Zij wist niet hoe zij dit alles in eens zoo intens doordrong, maar zij dròng het door en het was de eerste pijn, die haar om heure liefde trof.

—U is toch wel lief, dat u niet boos op me is! begon hij.

In zijne stem klonk vaak iets vleiends; ze was niet helder en zelfs nu en dan wat gebroken, maar dit gaf er juist eene bekoring van timbre aan.

—Waarom? vroeg ze.

—Ik ben ten eerste indiscreet geweest met mijn visite. Ten tweede ben ik ongalant geweest op het diner van mevrouw Hoze.

—Een heel zondenregister! lachte zij.

—Zeker! ging hij voort, en u is wel goed dit alles niet kwalijk te nemen.

—Misschien heb ik dat niet gedaan omdat ik altijd zooveel goeds van u hoor bij Dolf.

—Heeft u nooit iets vreemds in Dolf gezien? vroeg hij.

—Neen, wat dan?

—Heeft het u nooit gefrappeerd, dat hij meer oog heeft voor de groote ensembles van politieke vraagstukken, dan voor de détails van zijn eigen omgeving?

Zij zag hem aan, glimlachend verbaasd.

—Ja, zeide zij. Dat merkt u juist op. U kent hem goed.

—O, we kennen elkaâr al lang, van jongens af. Het is curieus: hij ziet nooit de dingen, die vlak bij hem liggen; hij doordringt ze niet. Hij is intellectueel vérziende.

—Ja, beaamde zij.

—Hij kent zijn vrouw niet, zijn dochters niet en Jules niet. Hij begrijpt niet wat er in ze is. Hij maakt zich van ieder vaste beeldjes en zet die in zijn geest vast, en die beeldjes vormt hij naar twee karaktertrekken, die vooruitspringen en elkaâr wat opbouwen en afbreken. Mevrouw Van Attema schijnt hem een coeur d'or, màar onpractisch: en daarmeê uit. Jules: een muzikaal genie, màar een onhandelbare jongen: uit.

—Ja, hij denkt niet ver na over karakters, zeide zij. Want er is nog veel meer in Amélie ...

—En Jules heeft hij heelemaal mis! meende Quaerts. Jules is zeer handelbaar en niets geniaal. Jules is niets dan aanhankelijkheid met wat rudimentair talent. En u, ... u heeft hij ook mis!

—Mij?

—Geheel en al! Weet u hoe hij u vindt?

—Neen.

—Hij vindt u,—laat me dit vooraf zeggen,—zéer, zeer sympathiek en een lief mama-tje voor haar jongens. Maar hij meent verder, dat u onbekwaam is heel veel van iemand te houden; hij vindt u een vrouw zonder passie en melancholiek zonder reden, alleen uit wat verveling. Hij denkt, dat u zich verveelt!

Zij zag hem geheel en al ontsteld aan, en ze zag hem ondeugend lachen.

—Ik verveel me nooit! sprak ze, ook lachend en met volle overtuiging.

—Neen, natuurlijk niet! antwoordde hij.

—Hoe weetudat! vroeg ze.

—Dat voel ik, hernam hij. En ik voel nog meer. Ik weet ook, dat het fond van uw karakter niet melancholiek is, niet donker, maar heel licht.

—Dat weet ik zelf zoo niet! murmelde zij bijna, loom, met die zwakte in haar, gelukkig, dat hij haar zoo doorzag. En, ging zij, heel luchtigjes, voort, zoû u ook gelooven, dat ik niet in staat ben veel van iemand te houden?

—Dat is nu iets, datikniet weet! zeide hij, met zooveel oprechtheid, dat zijn geheele gelaat zich in eens verjeugdigde en de groef van zijn voorhoofd weg was. Dat weetikniet.

—U weet anders wel veel van me! schertste zij.

—Ik heb u al zoo dikwijls gezien.

—Nauwlijks vier maal!

—Dat is heel veel!

Zij lachte helder.

—Is dàt nu galant? vroeg ze vroolijk.

—Het is zoo bedoeld, sprak hij terug. U weet niet hoeveel het voor me is, als ik u zie.

Het was veel voor hem haar te zien! En zij voelde zichzelve zoo klein, zoo weinig, en hem zoo groot, zoo veel. Wat sprak hij beslist, wat wist hij dat alles zeker! Ze was er bijna treurig om, dat hij zooveel vond in eene enkele maal haar te zien. Hij stelde haar te hoog; zij wenschte niet zoo hoog gesteld te worden.

En dat teeder-broze hing weêr tusschen hen, zooals het aan het diner tusschen hen gehangen had. Daar was het gebroken door éen ongelukkig woord, o, dat het nu toch niet zoû breken!

—Laten we nu eens overuspreken! zeide zij met eene aangenomen luchtigheid. Weet u wel, dat u alle moeite doet mij te doorgronden, en dat ik niets weet van u! Dat is niet eerlijk.

—Als u wist, hoeveel ik u al gegeven heb. Ik geef me u geheel en al: voor anderen verberg ik me altijd.

—Waarom?

—Omdat ik bang voor die anderen ben!

—Ubang?

—Zeker. U vindt, dat ik er niet naar uit zie om bang te zijn? Ik bezit iets ...

Hij aarzelde.

—Nu? vroeg ze.

—Ik bezit iets, dat me heel dierbaar is en waarvoor ik heel bang ben, dat de menschen het zullen aanraken.

—En wat is dat?

—Mijn ziel. En ik ben niet bang, dat u dàt zal aanraken want u zal het geen pijn doen. Integendeel: het voelt zich juist heel veilig bij u.

Ze had hem weêr, werktuigelijk, zijne vreemdheid willen verwijten: zij kon niet. Maar hij ried hare gedachte.

—U vindt me een heel zonderling mensch, niet waar? Ik kan niet anders zijn tegenover u!

Zij voelde hare liefde zich in haar hart als uitspannen, het als verwijden tot alomwijdte in haar. Haar liefde was als eene ruimte, waarin hij dwaalde.

—Ik begrijp u nog niet, ik ken u nog niet! sprak ze zachtjes. Ik zie u nog niet ...

—Zoû u er éenigszins belang in stellen mij te zien?!

—Zeker.

—Mag ik u dan van mij vertellen? Ik zoû het gaarne doen, het zoû mij een groot geluk zijn.

—Ik zal heel graag naar u hooren.

—Een vraag vooraf: u houdt niet van menschen, die aan sport doen?

—Zeker wel; ik hoû er veel van krachtsontwikkeling te zien, als ik er zelve buiten ben. Daarom hoû ik ook van naar een storm te hooren, als ik zelve thuis ben. En ik kijk zelfs heel gaarne naar acrobaten.

Hij lachte even.

—Die sport was u toch in mij antipathiek?

—Waarom denkt u dat?

—Dat heb ik gevoeld.

—U voelt alles! zeide zij, bijna bang. U is een gevaarlijk mensch, hoor.

—Dat denken er heel veel. Mag ik u zeggen, waarom ik geloof, dat mijn sport u antipathiek was?

—Ja.

—Omdat u dien niet inmijbegreep; ook al zag u me misschien aan, dat ik er veel aan doe.

—Ik begrijp u in het geheel niet.

—Juist ... Maar laat me toch niet zoo over mezelven praten; ik praat liever over u.

—En ik liever over u. Wees dus nu voor de eerste maal galant tegenover me en spreek ... over uzelven.

Hij boog met een lachje.

Als u me dan niet pedant vindt.

—Ach wel neen. U zoû me van u vertellen. U begon met te spreken over sport ...

—U helpt me op den goeden weg ... Zoû u kunnen begrijpen, dat er twee menschen in me zijn?

—Twee menschen?...

—Ja. Mijn ziel, die ik beschouw als mijn eigenlijke mensch en dan ... dan nog iets anders.

—En wat is dat andere?

—Iets leelijks, iets gemeens, iets brutaal primitiefs. Het beest, in een woord.

Zij haalde lichtjes hare schouders op.

—Wat maakt u uzelven zwart. Zoo iets is er in iedereen!

—Ja maar, mij hindert het meer dan ik u zeggen kan. Ik lijd er onder; dat beest doet mijn ziel pijn, nog meer pijn, dan de heele wereld haar pijn doet. En weet u nu waarom ik me vooral bij u voel, alsof ik veilig ben? Omdat ik bij u dat beest niet voel ... Laat mij nog even praten, laat me even biechten, het doet me zoo weldadig aan, u dat alles te vertellen. U dacht, dat ik u maar viermaal gezien heb? Maar ik heb u zoo dikwijls gezien, vroeger, in de comedie, op straat, overal. Het was me altijd wel vreemd, dat ik u zag in het leven. En als ik dan naar u keek, dan voelde ik iets, alsof ik tot iets mooiers werd opgenomen. Ik kan het niet beter uitleggen. Er is iets in uw gezicht, in uw oogen, in uw bewegingen, ik weet niet wat, maar iets beters dan in andere menschen, iets, dat, heel welsprekend, alleen tot mijn ziel sprak. Dat alles is zoo fijn en zoo vreemd; ik kan daar nauwlijks duidelijker over praten. Maar u zal weêr vinden, dat ik te ver ga, niet waar? Of dat ik dweep?

—Ik zoû zeker nooit gedacht hebben dat u zoo een idealist, en zoo een sensitivist was, sprak Cecile zacht.

—Mag ik wel zoo tot u spreken?

—Waarom niet? vroeg zij, om niet te behoeven te antwoorden.

—Omdat u misschien bang is, dat ik u zoû kunnen compromitteeren ...

—Ik ben daar geen oogenblik bang voor! hernam zij hoog, als minachtende de menschen.

Zij zwegen even. Dat teeder-broze, dat zoo licht breken kon, hing nog tusschen hen, fijn, als een herfstdraad, die hen vereenigde. Eene atmosfeer van verlegenheid was om hen. Zij voelden, dat er beteekenisvolle woorden tusschen hen gewisseld waren. Cecile wachtte even, tot hij weêr spreken zoû. Maar, toen hij zwijgen bleef, begon zij, dapper:

—Ik stel het op hooge waarde, dat u zoo tot me gesproken heeft. U heeft gelijk: u heeft me wel heel veel van u gegeven. Ik woû u nu verzekeren, dat alles wat u me gegeven heeft, heel veilig bij me zal zijn. En ik geloof, dat ik u nu beter begrijp, dat ik u beter zie.

—Ik zoû u gaarne iets vragen, maar ik durf niet! sprak hij.

Zij glimlachte om hem aan te moedigen.

—Neen heusch, ik durf niet! herhaalde hij.

—Wil ik er dan naar raden? schertste Cecile.

—Ja, wat denkt u?

Zij zag even de kamer rond, toen naar het kleine tafeltje met de boeken.

—Emersons Essays? ried ze ten laatste.

Maar Quaerts schudde zijn hoofd en lachte.

—Neen, dank u! sprak hij. Die heb ik me al aangeschaft. O, neen, ik zoû u veel meer willen vragen dan een boek te leen.

—Wees dan dapper en vraag het! schertste Cecile voort.

—Ik durf niet! herhaalde hij. Ik zoû het ook niet onder woorden kunnen brengen.

Ze zag hem ernstig aan, in zijne oogen, die haar geheel openblonken, en toen sprak ze:

—Ik weet, wat u me vragen wil, maar ik zal het niet zeggen. Dat moetudoen: zóek dus uw woorden.

— Als u het dan weet, vergunt u me dan het u te zeggen?

—Ja, want als ik het goèd weet, is het niets wat u niet zoû kunnen vragen.

—Het zoû toch een heele groote gunst zijn ... Want laat me u vooraf zeggen, dat ik me geheel en al als iemand van lager orde beschouw dan u!

Eene schaduw waasde over heur gelaat; haar mond had een trekje van pijn, en ze drong hem, lichtjes ontzenuwd:

—Toe, vraag het nu. Eenvoudig weg.

—Zoû u dan sympathie met me willen sluiten? Zoû u me willen toestaan bij u te komen, als ik me ongelukkig voel? Ik voel me bij u altijd zoo gelukkig, zoo mooi, zoo anders dan in het gewone leven, want ik leef bij u alleen mijn eene mensch, mijn eigenlijke, u weet wel.

Alles smolt weêr in haar tot loome zwakte; o, hij stelde haar te hoog, en ze was heel gelukkig om wat hij vroeg, maar treurig, dat hij zich zoo minder voelde dan zij.

—Goed! sprak zij toch met eene stem van klank. Laten we sympathie sluiten.

En zij stak hem hare hand toe, hare mooie, witte, lange hand, met aan dien eénen vinger de witte en blauwe vonkjes van juweel, en hij drukte de tippen dier vingers even heel eerbiedig tusschen de zijne.

—Dank u! sprak hij zacht met zijne stem; die wat gebroken was.

—Is u dikwijls ongelukkig? vroeg Cecile.

—Altijd ... antwoordde hij, bijna nederig en verlegen, dat hij dit zeggen moest. Ik weet niet, wat dat is; ik ben altijd zoo geweest. En van kind af aan, heb ik toch veel bezeten, dat de menschen geluk noemen. Maar toch, toch ... Ik lijd door mezelven. Ik doe mezelven het meeste pijn. En daarna de wereld ... en ik moet me altijd verbergen. Ik geef aan de wereld alleen een meneer, die paard rijdt en schermt en jaagt, een meneer, die in de wereld komt en gevaarlijk is voor jonge vrouwen ... Hij lachte met zijn slecht lachje en hij keek haar schuin in de oogen; zij bleef kalm naar hem opzien.

—Verder geef ik ze niets, aan die menschen. Ik haat ze; ik ben niet als zij, Goddank!

—U is te trotsch! sprak Cecile. Ieder van die menschen heeft weêr zijn verdriet, evenals u; de een lijdt wat fijner, en de ander wat grover, maar ze lijden allemaal. En daarom staan ze u allemaal nabij.

—Ieder op zichzelf, misschien! Maar zoo zie ik ze niet, ik zie ze en bloc en zoo haat ik ze. U dan niet?

—Neen, zeide zij kalm. Ik geloof niet, dat ik haten kan.

—U is heel sterk, in uzelve. U heeft aan uzelve genoeg.

—O neen, dat niet, heusch niet, maar u ... u is onrechtvaardig tegenover de wereld.

—Mogelijk: ze doet me ook altijd pijn. Alleen bij u, daar vergeet ik, dat ze bestaat, die wereld daar buiten. Begrijpt u nu, waarom ik u zoo ongaarne bij mevrouw Hoze zag? Het was me of u zich verlaagd had. En om ... om dit vreemde, dat ik in u zag, heb ik ook niet vroeger uw kennismaking gezocht. Die kennismaking moest noodlottig gebeuren; daarom wachtte ik maar ...

Het Noodlot, wat zoû het haar brengen? dacht Cecile. Maar ze kon niet doordenken: het was haar of ze maar droomde van heele mooie, fijne dingen, die niet bestonden bij andere menschen en alleen zweefden tusschen henbeiden, en die mooie dingen wáren er al: zij behoefde ze zich niet meer als illuzie te bespiegelen: het was of zij de toekomst had ingehaald! Een kort oogenblik slechts dit geluk; toen weêr voelde zij pijn, om zijn eerbied.

Hij was heen en ze was alleen, wachtende de kinderen. Zij vergat te bellen, om de lamp te laten aansteken, en de schemering van den laten namiddag duisterde naar binnen. Zij zat roerloos en keek voor zich uit, naar de dorre boomen.

—Waarom ben ik dan niet gelukkig? dacht ze. Hij voelt zich gelukkig bij mij; bij mij alleen is hij zichzelve, wat hij in de wereld niet zijn kan. Waarom kanikdan niet gelukkig zijn.

Zij had pijn, hare ziel leed, en het scheen haar toe, dat hare ziel leed voor het éerst, misschien omdat, voor het eerst, die ziel niet zichzelve was geweest maar een ander. Het scheen haar toe, dat eene andere vrouw te voren met hem, Quaerts, gesproken had. Eene hooge vrouw: eene vrouw van illuzie—de vrouw, die hij in haar zag;—en niet de vrouw, die zij wàs: eene nederige vrouw, eene vrouw van liefde. O, zij had zich moeten beheerschen, om hem niet te vragen: Waarom spreek je zoo tot mij? Waarom voer je je mooie gedachten zoo òp tot mij, en waarom laat je ze niet neêrdauwen òver me, want zie, ik sta niet zoo hoog als je meent, en zie, ik lig aan je voeten en mijn blik zoekt je boven me!

Had zij hem moeten zeggen, dat hij zich bedroog? Had zij hem moeten vragen: Waarom verlaag ik me door me te mengen met andere menschen? Wie dan toch zie je in me? Zie, ik ben alleen eene vrouw, eene vrouw van zachtheid en gedroom, en zie, ik heb je lief gekregen, ik weet niet waarom! Had zij dan zijne oogen moeten openen en hem moeten zeggen: zie in een spiegel je eigen ziel en zie jezelven en zie, dat je een god bent op aarde: een god, die alles weet, omdat hij het voelt, voelt, omdat hij het weet ... Alles!... Neen ... niet alles, want hij bedroog zich, die god en hij meende in haar, die slechts schepsel was van hem, zijne gelijke te zien. Had zij dit alles moeten verklaren, zoo ten koste van hare schuchterheid als van zijn geluk? Want zijn geluk—ze wist dat nu—was haar te zien, zooals hij haar zag.

—Bij mij voelt hij zich gelukkig! dacht ze. En hij heeft sympathie met me gesloten ... Geen vriendschap sloot hij, en hij sprak niet van liefde, maar hij noemde dat: sympathie ... Bij mij voelt hij alleen zijn eigenlijke mensch en niet dat andere ... zijn beest! Zijn beest...!!

Toen kwam iets over haar drijven als eene somberheid van wolken en zij huiverde voor wat eensklaps door haar heen klotste: een breede stroom van zwartheid, als lag er veel modder op de bedding van dien stroom, als borrelde die modder naar boven in troebele kringen, die grooter werden en grooter! En zij schrikte voor dien stroom en wilde hem niet zien, maar hij gulpte over hare landschappen—vroeger zoo helder met kimmen van licht!--nu, met een lucht van inkt daarboven gesmeerd als vuile nacht.

—Wat denkt hij hoog, en wat is zijn gedachte edel! dwong Cecile zich nog te verbeelden, ondanks dat alles ...

Maar het ging niet meer: ùit haar heen duizelde de bewondering van de hoogheid zijner gedachte weg in een afgrond en toen, in eens, als met een bliksem door den nacht van die inktlucht heen, zag ze duidelijk, dat zij die hoogheid van gedachte betreurde, betreurde in hèm!

Het was geheel donker in de kamer geworden. Cecile had zich, ontzet voor het weêrlicht, dat haar aan zichzelve openbaarde, achterover gegooid in de kussens der bank. Zij verborg haar gelaat in hare handen, persende hare oogen, als wenschte zij nu, na die zelfopenbaring, blind te worden.

Maar demonisch woedde het door haar heen als een orkaan van de hel, stormvlaag van zinnenpassie, die opblies uit de donkerte van het landschap en de troebele golven van den stroom zweepte òp naar die lucht van inkt.

—Oh! kreunde zij. Ik ben hem onwaardig...!

HOOFDSTUK III.

Quaerts bewoonde op het Plein, boven een kleêrmaker, twee kamers, klein en allerbanaalst van gemeubel. Hij had veel beter kunnen wonen, maar comfort kon hem niet schelen: hij dacht daar nooit voor zijn eigen intérieur aan; bij een ander zelfs trof het hem niet, Jules had het intusschen gehinderd, dat Quaerts zoo woonde en de jongen had die kamer al lang willen verfraaien. Hij was nu bezig eenige wapens op een wapenrek te hangen, staande op een trap, een deun uit een opera tusschen de lippen. Maar Quaerts sloeg er geen acht op; onbewegelijk lag hij op de canapé, rechtuit, in zijn flanellen hemd, ongeschoren, en zijne oogen turende naar de renaissance van het Paleis van Justitie, dat achter de dorre boomen van het Plein een fond van architectuur teekende.

—Zie dan eens, Taco, of het zoo goed is? vroeg Jules, die een Marokkaansche sabel tusschen een paar krissen had geplaatst en er de draperie van een sarong tusschen door trok.

—Ja, zeker, antwoordde Quaerts.

Maar hij zag niet op naar de wapens en hij bleef turen naar het Paleis. Onbewegelijk lag hij daar. Gedachte was er niet in hem; alleen gedachtelooze zelfontevredenheid en daarom treurigheid. Drie weken lang had hij geleefd het leven van een roes, om zich te verdooven. Om wàt te verdooven wist bij niet precies. Misschien iets, dat in hem was: dat mooi was, maar lastig in de gewone wereld. Die roes was begonnen met een jacht in Noord-Brabant, op het buiten van een vriend. Een week lang met hun achten, veel sport in de open lucht, gevolgd door jachtdiners met niet alleen veel fijnen wijn, maar nog meer jenever, ook heele fijne, als likeur. Rospartijen te paard in den omtrek; baldadigheden bedreven op een boerderij—de boerin rondgedragen in een ton en opgesloten in de koeienstal—stoute streken als van kwâjongens en wildemannen tegelijk; proces-verbaal tegen dat alles met politie en schadevergoeding. Opgewonden als door te veel sport, te veel zuurstof en te veel sterken drank waren er daarna vijf van het troepje, waaronder Quaerts, naar Brussel getogen; een had er daar zijn maitresse. Zij hadden er gelogeerd bijna twee weken lang, in een leven als een voortdurend bacchanaal, met veel champagne en veel baldadigheid; eene wilde vreugde om te leven, die eerst natuurlijk, weldra werd opgeschroefd en hooger opgeschroefd om ze nog een paar dagen langer, te laten duren; de laatste nachten, moê, met écarté doorgebracht, zonder meer aan iets anders te kunnen denken dan aan het idée fixe om te winnen, de uitputting van al hun geweld reeds vloeiende door hunne lichamen als verslapping en hunne oogen wezenloos turende op de poppetjes van het spel.

Quaerts had in dien tijd eene enkele maal aan Cecile gedacht, zonder die opkomende gedachte door te denken. Zij was wellicht drie, viermaal verschenen in zijne hersenen als een vaag beeld, wit en doorglazig: eene schim. Dan was ze weêr verdwenen, zonder invloed. In al dien tijd had hij haar ook niets van zich laten hooren en slechts éenmaal had hij bedacht, dat een stilzwijgen van drie weken, na hun laatste gesprek, haar vreemd moest voorkomen. Daarbij was het gebleven. Hij was nu terug, had drie dagen thuis gelegen op zijn bed, op zijne bank, moê, koortsig, ontevreden, in eene walging van alles, àlles; toen des morgens, bedenkende, dat het Woensdag was, had hij om Jules gedacht en diens rijles.

Hij had Jules laten komen, maar te lui om zich te scheeren en te kleeden, was hij blijven liggen. En hij lag nog, niet wetende hoe en wat. Daar voor hem was het Paleis. Daar naast de Hooge Raad. Op zij zag hij de Witte en de Zwijger stond in het midden van het Plein: dat alles was heel interessant. En Jules hing wapens op. Ook interessant. En het interessantste van alles was dat domme leven, dat hij geleid had. Wat een opschroeving om zijne verveling voor den gek te houden. Had hij zich in dien tijd geamuzeerd? Neen. Hij had zich aangesteld of hij zich geamuzeerd had: hij had zich opgewonden met die boerin en met dat écarté. De jacht was slecht geweest. De wijn goed, maar hij had er te veel van gedronken. En dan de smerige champagne van die cocotte ...

Wat dan? Hij had daar regelmatig behoefte aan, aan zulk een leven, aan een leven van sport en woest pleizier; het hield hem in evenwicht met dat andere, dat in hem was, en dat hem tot onmogelijkheid werd in het leven van iederen dag. Maar waarom kon hij dan ook geen maat houden, zoowel in het een als in het ander! Hij had geschiktheid voor het gewone leven en daarbij iets heel moois in zijne ziel; waarom kon hij niet in evenwicht blijven wiegelen tusschen die twee sferen in hemzelven, en waarom werd hij altijd geslingerd van de eene naar de andere sfeer, als iets, dat eigenlijk in geen van beiden element werd? Wat had hij niet met een klein beetje tact, een klein beetje zelfleiding, zijn leven tot iets moois kunnen maken, en kunnen bestaan in eene gezonde levensvreugde, gelouterd door een hooge zieleblijdschap! Maar die tact tot zelfleiding, ontbrak hem geheel en al; hij leefde zooals hij voelde: geheel in uitersten; er was geen halfheid in hem. En dit was zoowel zijn trots als zijn levensleed; zijn trots, dat hij "geheel" voelde of dit of dat, dat hij niet schipperen kon met zijne gevoelens; en zijn leed: dàt hij niet schipperen kon en niet tot harmonie kon brengen, wat telkens in hem tegen elkander stiet.

Toen hij Cecile had ontmoet, had weêrgezien en nog eens weêrgezien, had hij zich geheel en al voelen verheffen naar dat éene uiterste, top van hoogheid, top van louter kristallen sympathie, waar zijn cirkel van atmosfeer—zooals hij zeide—sympathetisch had geschoven over de hare, als met eene liefkozing van louter kuischheid en spiritualiteit, zooals twee sterren, die, nader wentelend, hare dampkringen wellicht even mengen, als adems. Hoe glimlachend gelukkig had hij zich toen niet mogen voelen, als met eene gratie van Hooger! Toen, toen had hij zich weêr voelen tuimelen naar omlaag, als had hij zijn punt van evenwicht overwiegeld, en had hij gesmacht naar het aardsche, naar veel eenvoud van gevoelen, naar primitief levensgenot, naar vleesch en bloed. Hij herinnerde zich nu, hoe hij, twee dagen na zijn laatste gesprek met Cecile, Emilie Hijdrecht had gezien, hier bij hem op zijne kamer, waar zij, verwaarloosd, hem eindelijk had durven komen zien, op een avond, alles vergetende. Met een trek van wreedheid om zijn mond herinnerde hij zich hoe zij geweend had aan zijne knieën, hoe zij jaloersch gejammerd had van Cecile, hoe hij ze haar mond had doen houden en haar verboden had dien naam uit te spreken. En toen, hunne dolle omhelzing, omhelzing van wreedheid: wreedheid van haar tegen dien man, dien zij telkens verloor als zij hem voorgoed meende gevonden te hebben, dien zij niet begreep en wien zij aanhing met al het geweld harer brutale passie, als met eene passie uit primitieve tijden van louter zin; wreedheid van hem tegen die vrouw, die hij verachtte, terwijl hij haar in zijne armen, in hartstocht, bijna stikte!

Ja, wat dan? Hoe dat evenwicht tusschen zijne twee polen te vinden! Hij haalde zijne schouders op; hij wist, dat hij het niet vinden kon. Hij miste een zeker element of een zekere kracht om dat te vinden. Hij kon zich slechts laten slingeren. Goed dan: hij zóû zich laten slingeren: er was niets aan te doen. Want nu, in die moêheid na zijn woest geweld, begon hij weêr een hevig verlangen te voelen, als iemand, die na een langen avond in een feestzaal vol bedorven lucht van gaslicht en stoffige mufheid en benauwdheid van menschenadem te hebben doorgebracht, haakt naar eenen hoogen hemel en wijdte van atmosfeer: een hevig verlangen naar Cecile. En hij glimlachte, blij, dat hij haar kende, dat hij tot haar kon gaan, dat het hem nu vergund was door te dringen in het kuische heiligdom harer omgeving, als in een tempel; hij glimlachte, blij, dat hij dit verlangen voelde, en trotsch daarom, zich verheffend boven andere menschen ... Hij stelde zich reeds voor zijn genot haar oprecht te biechten hoe hij geleefd had, die drie weken lang, en hij hoorde al hare stem, ofschoon hij niet hare woorden verstond ...

Jules klom van de ladder af. Hij was treurig, dat Quaerts niet gevolgd had zijn schikken van de wapens op het rek en zijn drapeeren van het doek er om heen. Maar hij was stil door gegaan met zijn werk en nu het klaar was, klom hij af en ging hij, stil, zitten op den grond, met zijn hoofd tegen het voeteneind aan van de bank, waar zijn vriend lag te denken. Jules sprak geen woord; zijne oogen zagen recht voor zich uit, met iets van boudeeren, voelende, dat Quaerts nu naar hem keek.

—Jules! zei Quaerts.

Maar Jules antwoordde niet, starende.

—Zeg Jules! Waarom hoû je toch zooveel van me?

—Weet ik het! sprak Jules met dunne lippen.

—Weet je het niet?

—Neen. Hoe weet je nu, waarom je van iemand houdt.

—Je moet niet zooveel van me houden, Jules. Dat is niet goed.

—Goed dan. Dan zal ik het minder doen, sprak Jules.

Hij stond in eens op en nam zijn hoed. Hij gaf Quaerts eene hand, maar Quaerts hield hem vast, met een glimlach.

—Zie je, bijna niemand houdt van me, alleen ... je papa en jij. Van je papa weet ik het, maar van jou niet, waarom je van me houdt.

—Je wilt ook alles weten.

—En is het een ongeluk om dat te willen?

—Natuurlijk. Je zal zoo nooit tevreden zijn. Mama zegt altijd, dat men niets weet.

—En jij?

—Ik ... niets ...

—Wat niets?

—Ik weet niets ... Laat me nu gaan.

—Ben je boos, Jules?

—Neen, maar ik heb een afspraak.

—Kan je wachten, tot ik me gekleed heb, dan gaan we samen. Ik ga naar tante Cecile.

Jules streed.

—Goed dan. Maar haast je.

Quaerts stond op. Hij zag nu de wapens hangen, die hij geheel vergeten had.

—Dat heb je netjes gedaan, Jules! sprak hij bewonderend. Dank je wel, hoor.

Jules antwoordde niet en Quaerts ging zijne kleedkamer in. De jongen zette zich op de bank, strakrecht, en zag naar het Paleis, tusschen de dorre boomen door. Zijne oogen vulden zich met dikke ronde tranen, die neêrvielen; onbewegelijk, strakrecht, weende hij.

Cecile leefde deze drie weken in eene onwetendheid, die haar pijnlijk aandeed. Door Dolf had zij wel gehoord, dat Quaerts jaagde, maar verder niets. Een schok van blijdschap electrizeerde haar, toen nu de deur achter den paravent openging en zij hem voelde binnenkomen. Hij stond voor haar, eer zij zich herwinnen kon en daar zij wat beefde, rees zij niet op en reikte zij, zittende, hem hare hand, met eene onzichtbare trilling der vingeren.

—Ik ben uit de stad geweest, begon hij.

—Dat hoorde ik ...

—Heeft u het goed gemaakt, al dien tijd?

—Dank u, heel goed.

Hij vond haar wat bleek, met een zweem van lichtblauw onder hare oogen en eene matheid in hare bewegingen. Maar hij besloot, dat het misschien niets bizonders was of dat zij bleek schéen in de melkblankheid dier zacht-witte stof, als zijdige wol, zooals haar middel nog tengerder was in het getrek der écharpe om hare leest, met eene lange, witte franje, die voor hare voeten viel. Zij zat alleen met Christie, op zijn bankje, zijn hoofdje in haar japon, een prentenboek op zijne knietjes.

—U is net een madonna met een Kindje! zei Quaerts.

—Mijn kleine Dolf is gaan wandelen met zijn peetoom, sprak zij, stralend ziende op haar kind en het lichtjes wenkend ...

Het stond op en, verlegen, ging het naar Quaerts en bood, met zijn schuin hoofd, een handje. Quaerts tilde hem op en zette hem op zijn knie.

—Wat is hij licht, ce petit Jésus!

—Hij is niet sterk, sprak Cecile.

—U verwent hem te veel.

Zij lachte weêr.

—Paedagoog! schertste zij. Waarom verwen ik hem?

—Ik vind hem altijd in uw rokken. Hij moest maar eens met me meêkomen: ik zoû hem gymnastiek laten doen.

—Jules paardrijden, en Christie gymnastiek! lachte zij door.

—Ja ... sport, u weet het! schertste hij terug met een blik van beteekenis.

Zij zag hem terug aan en sympathie lachte uit de diepte harer goudgrijze oogen. Hij voelde zich gelukkig, en, met het kind op zijne knie:

—Ik kom u biechten ... madonna!

Toen, schrikkende, zette hij het kind in eens van zich af.

—Biechten?

—Ja ... Christie, ga terug naar mama. Ik mag je niet bij mij houden.

—Jawel! riep Christie met verwonderd groote oogen en greep het koordje van zijn lorgnet.

—Le petit Jésus vergeeft te vroeg! sprak Quaerts.

—En ik, heb ik iets te vergeven? vroeg zij.

—Ik zoû gelukkig zijn, als u het zoo beschouwde.

—Biecht dan.

Le petit Jésus ... aarzelde hij.

Cecile stond op; zij nam het kind, kuste het en deed het zitten op een stoel bij het raam, met zijn prentenboek. Toen kwam zij terug naar de chaise-longue:

—Hij zal niet hooren ...

En Quaerts begon zijn verhaal, kiezende zijne woorden; hij sprak van de jacht, van de rospartijen en de boerin, en van Brussel. Zij luisterde vol aandacht, in hare oogen een angst voor dat levensgeweld, waarvan de echo zijne woorden doorbruiste, ware het dan ook eene echo door eerbied getemperd.

—En was dat alles zonde, die vergeven moet worden? vroeg zij nu.

—Niet?

—Ik ben geen madonna, maar ... een vrouw met nog al geëmancipeerde denkbeelden. Als u gelukkig is geweest met dat leven, was het geen zonde, want geluk is goed ... Is u dus gelukkig geweest, dan was dat leven ... goed.

—Gelukkig!? vroeg hij.

—Ja?

—Neen ... Ik heb dus zonde gepleegd, zonde aan mijzelven, niet waar? Vergeef me ... madonna.

Zij ontroerde zeer om den klank zijner stem, die, zacht gebroken, haar als in bekoring omwikkelde; zij ontroerde van hem daar te zien zitten, vullende met hemzelven, met zijn lichaam, zijn wezen, zijn bestaan, eene ruimte in hare kamer, vlak in hare nabijheid. In éene seconde doorleefde zij uren, voelde zij hare stille liefde zwaar in haar als een zoet gewicht, voelde zij lust hare armen om zijn borst te slaan en hem te zeggen, dat zij hem aanbad, en voelde zij een innig leed, om wat hij haar bekende: dat hij weêr zich niet gelukkig had gevoeld. En zij kon zich nauwelijks bedwingen in haar medelijden, stond op, trad op hem toe en legde hem eene hand op zijn schouder.

—Zeg me, meent u dat alles? Is dit alles waarheid? Is het waarheid, dat u zoo geleefd heeft en u toch niet gelukkig heeft gevoeld?

—Volle waarheid, op het woord van mijn ziel.

—Maar waarom heeft u het dan gedaan?

—Ik kon niet anders.

—U kon u niet tot maat dwingen?

—Nooit ...

—Dan zoû ik u dat gaarne willen leeren.

—Ik niet, vanu. Want het geluk is voor mij, en zal altijd voor mij zijn, onmatig te zijn ook bij u, onmatig in het leven van mijn eigenlijken mensch, mijn zielemensch, zooals ik nu pas onmatig ben geweest in het leven van mijn schijnmensch.

Hare oogen werden vochtig; ze schudde haar hoofd, steeds met die hand op zijn schouder.

—Dat is niet goed! sprak ze, diep weemoedig.

—Het is genot ... voor beide die menschen. Ik moèt zoo zijn ... onmatig voor beiden.

—Maar dat is niet goed! drong zij door. Louter genot ...

—Het laagste, maar ook het hoogste ...

Eene huivering overviel haar, eene doodelijke angst voor hem.

—Neen, neen, drong ze aan. Denk zoo niet. Doe zoo niet. Noch het een, noch het ander. Heusch, dat alles is niet goed. Louter genot en onmatig genot, ook het hoogste, is niet goed.

Zoo forceert u het leven. Zoo ... ben ik bang voor u. Zoek maat te krijgen. U heeft zooveel elementen om gelukkig te zijn.

—O, ja ...

—Ja, maar ik meen: dwéep niet. En ... en hol ook zoo woest niet door, om Godswil!

Hij zag tot haar op; hij zag het haar smeeken, met hare oogen, met de uitdrukking van haar gelaat, met geheel haar, even voorover buigend, staan. Hij zàg het haar smeeken, zooals hij het haar hòorde doen, en toen zag hij, dat zij hem liefhad. Eene lichte verrukking kwam over hem, als daalde iets hoogs tot hem neêr om hem te leiden. Hij verroerde zich niet,—hij voelde hare hand trillen op zijn schouder—bang, die verrukking bij de minste beweging te zullen doen vervliegen. Het kwam geen oogenblik in hem op, haar te zeggen een woord van teederheid, of haar te nemen in zijn armen en te drukken tegen zich aan: zij verheerlijkte zich zóó voor zijn oog, dat zulk profaan verlangen ver van hem af bleef. En toch voelde hij op dit oogenblik, dat hij haar liefhad, maar zóó, als hij nog nooit had liefgehad, zoo geheel en alleen met het edelste, dat in eene ziel, vaak voor zichzelve zelfs onzichtbaar, verscholen is: voelde hij, dat hij haar liefhad met allernieuwste gevoelens van reine jeugd en nieuwe frischheid en klare belangeloosheid. En het werd hem, alsof dat alles een droom was, die niet wàs, een droom van lichtgeweef om hem heen als met mazen van zonneschijn.

—Madonna! fluisterde hij. Vergeef me ...

—Beloof me dan ...

—Ik wil wel beloven, maar ik zal niet kunnen houden. Ik ben zwak ...

—Neen.

—O ja. Maar ik beloof en beloof mijn belofte te zullen pògen te houden. Vergeeft u dan?

Zij knikte hem toe; zij wierp haar glimlach op hem neêr als een straal. Toen ging zij naar het kind, nam het in hare armen en bracht het tot hem:

—Christie omhels hem en geef hem een zoen.

Hij nam het kind van haar over en het kuste hem op zijn voorhoofd, en sloeg de armpjes om zijn hals.

—Le petit Jésus! fluisterde hij.


Back to IndexNext