Cecile was zoo verwonderd geweest over die, ongewoon lange, stemming van zelfverlies, dat het dagen duurde, eer zij weêr hare gewone rust binnentrad, als een lief verblijf, waaruit zij, zonder te willen, was weggedwaald. Maar zij dwòng zich met een zachten dwang, de schatten harer eenzaamheid terug te vinden en zij vond ze terug. Zij redeneerde; in de eerste jaren zoû zij zich toch nog niet behoeven te scheiden van Dolf en Christie: zij had dus allen tijd zich met dit denkbeeld van scheiding eigen te maken. Verder was er niets veranderd, noch om haar, noch in haar, en zij liet dus de dagen langzaam over zich heenglijden als een stil vloeiend water.
Zoo, stil vloeiend, waren er twee weken verloopen na den avond, dien zij bij Dolf had doorgebracht. Het was Zaterdagmiddag; zij had eerst met de kinderen gewerkt,—ze leerde ze nog zelve—toen met ze gewandeld en nu wachtte zij in hare geliefkoosde kamer de Van Attema's die iederen Zaterdag om half vijf kwamen theedrinken, af. Zij had de meid gebeld, die eene blauwe spiritusvlam aanstak. Dolf en Christie waren op dat uur binnen; ze zaten op den grond, op bankjes, de vellen van een kindertijdschrift open te snijden, waarop Cecile voor hen geabonneerd was. Stil zaten ze, zoet en fijntjes, als kinderen, die in een week interieur opgroeien, tusschen te veel zachtheid, te bleek, met te lange blonde haren, vooral Christie, wiens slaapjes waren geaderd als met een azuur bloed. Cecile ging een enkelen keer langs hen heen, in het zorgvuldig toezien op heur theeblad, en haar blik omringde de kinderen als in een cirkel van warm gevoel. Zij was in hare stemming van kalm geluk; ze vond het aangenaam zoo straks de Van Attema's te zullen zien binnen komen; zij hield van die middaguren als haar zilveren bouilloir ziedde op de blauwe vlam. Eene exquize intimiteit dreef door het vertrek; ze had in hare lange fijne vrouwen vingeren dat bizondere van getoover, die teedere kunst van aan te raken, waardoor alles, waarover ze ook maar even gleden, een aanzien kreeg van haarzelve; iets onzegbaars van tint en plaats en verlichting, dat de dingen vóór den toets dier vingers niet hadden.
Er werd gebeld en ze meende, dat het nog te vroeg was voor de Van Attema's. Maar ze zag zelden iemand anders in hare afsterving van de buitenwereld; dus ze zouden het toch wel zijn. Na enkele oogenblikken kwam Greta echter binnen, met een kaartje: of mevrouw ook ontving en of er belet was voor dien meneer.
Al van verre herkende Cecile de kaart: zij had er onlangs een gelijke gezien. Toch nam zij het karton aan, bezag het even, de wenkbrauwen gefronsd, ontevreden.
—Wat een idée, dacht ze. Waartoe? Wat beteekende dit? Maar ze vond het onnoodig onbeleefd te zijn en belet te geven. Hij was toch een vriend van Dolf. Maar zooveel indringerigheid ...
—Laat meneer bovenkomen, liet zij koel van haar lippen vallen.
Greta ging en het scheen Cecile toe of er iets sidderde in de intimiteit, die daar dreef; of de voorwerpen, waarover hare vingers zoo even gegleden waren, zich anders verlichteden, met een schijn van huivering. Maar Dolf en Christie waren niet veranderd en zaten nog steeds te zien naar de platen, met zachte opmerkingen tusschen hunne mondjes in.
De deur werd geopend en Quaerts trad binnen. Hij had nog meer dan gewoonlijk zijne nuance van verlegenheid over zich heen, toen hij voor Cecile boog. Die nuance was voor Cecile iets onbegrijpelijks in hem, die haar zoo beslist en sterk scheen.
—Ik hoop, dat u me niet onbescheiden zult vinden, mevrouw, als ik de vrijheid heb genomen u een visite te komen maken.
—Integendeel, meneer Quaerts, sprak zij koud. Gaat u zitten.
Hij zette zich, plaatste zijn hoogen hoed naast zich op den grond.
—Ik stoor u niet, mevrouw?
—Volstrekt niet. Ik wacht mevrouw Van Attema en haar dochters. U was zoo beleefd me een kaartje te brengen. Maar u weet zeker, dat ik geen menschen zie.
—Dat wist ik, mevrouw. Misschien heeft u wel aan die wetenschap de indiscretie van mijn bezoek te danken.
Zij zag hem koud, beleefd, glimlachend aan. Er was iets van boosheid in haar. Zij gevoelde lust hem kortweg te vragen, wat hij van haar wilde.
—Hoedat? vroeg ze met haar glimlach van beleefdheid, die haar gezicht tot een masker vertrok.
—Ik vreesde u in langen tijd niet te zullen zien en ik zoû het een bizonder groot voorrecht achten uw nadere kennis te mogen maken.
Zijn toon was van den hoogsten eerbied. Zij trok hare wenkbrauwen op, als begreep zij niet, maar het accent zijner stem was zóo in-hoffelijk geweest, dat ze zelfs geen koud woord vond om hem te antwoorden.
—Zijn dat uw beide kinderen? vroeg hij, met een blik naar Dolf en Christie.
—Ja, antwoordde zij. Staat eens op, jongens, en geef meneer een hand.
De kinderen kwamen langzaam nader en staken hunne handjes uit. Hij glimlachte, hij zag ze doordringend aan met zijne kleine diepliggende oogen, en even hield hij ze vast.
—Vergis ik me, of lijkt de kleine niet heel veel op u?
—Ze lijken beiden op hun vader, antwoordde zij.
Het was haar of ze een cirkel van bescherming om zich heen trok, waar de kinderen buiten waren en waarbinnen zij ze niet brengen kon. Het hinderde haar, dat hij ze zoo vast hield, ze zoo aanzag.
Maar hij liet ze nu los en ze gingen weêr op hunne bankjes zitten, zoet, zacht, stil.
—Toch hebben ze beiden iets van u, hield hij vol.
—Mogelijk! sprak ze.
—Mevrouw! hernam hij, als wilde hij haar iets gewichtigs zeggen. Ik woû u ronduit iets vragen. Ik woû u vragen, of u me eerlijk, heel eerlijk, zoudt willen zeggen of u me onbescheiden vindt?
—Omdat u me een visite maakt? O, waarlijk niet, meneer Quaerts. Het is heel beleefd van u. Alleen ... als ik oprecht mag spreken.
Zij lachte even.
—Natuurlijk, sprak hij.
—Dan wil ik u wel bekennen, dat ik vrees, dat u weinig in mijn huis zult vinden, dat u zal amuzeeren. Ik zie geen menschen ...
—Ik maak u geen visite om de menschen, die ik bij u zoû kunnen zien.
Zij boog glimlachend, alsof hij een compliment gezegd had.
—U is me natuurlijk zeer welkom. U is een heel goed vriend van Dolf, niet waar?
Zij wilde telkens andere woorden zeggen dan zij zeide, koeler woorden, hartelijker woorden, maar er was te veel welopgevoedheid in haar: zij kon het niet doen.
—Ja, antwoordde hij. Wij kennen elkaâr heel lang en we zijn altijd zeer bevriend geweest, ook al verschillen we heelemaal.
—Ik mag hem heel gaarne, hij is altijd heel hartelijk voor ons.
Zij zag hem glimlachend kijken naar het lage tafeltje. Er slingerde een paar tijdschriften, een paar boeken. Boven op lag een deeltje van Emersons Essays, met een vouwbeen er in.
—U zei, dat u niet veel las! sprak hij ondeugend. Me dunkt ...
En hij wees glimlachend naar de boeken.
—O, zeide zij achteloos, lichtjes hare schouders bewegend. Zoo een beetje ...
Zij vond hem zeer lastig; hoe had zij zoo gemerkt, dat ze zich voor hem verborgen had en waarom had ze zich ook voor hem verborgen?
—"Emerson!" las hij, zich een weinig voorover buigend. Maar hij herstelde zich:
—Pardon! Ik ben indiscreet uw lectuur te bespionneeren. Vergeeft u me, maar de letters waren zoo groot; ik las ze van hier.
—U is vèrziend? vroeg ze, lachend.
—Ja.
Zijne beleefdheid, een zekere eerbied, als zoû hij zelfs niet de tippen van hare vingers beroeren, stelde haar meer op heur gemak. Ze vond hem wel antipathiek, maar hij mocht toch wel weten, dat ze las.
—Houdt u veel van lezen? vroeg Cecile.
—Ik lees niet veel: daarvoor is het mij een te groot genot. Ik lees zoo maar niet alles wat er uitkomt, en ik ben erg kieskeurig.
—Kent u Emerson?
—Neen ...
—Ik hoû veel van Essays. Zij zijn geschreven met zoo een verren blik. Ze stellen je op zoo een heerlijk hoog standpunt ...
Ze maakte een gebaar als een cirkel om zich heen, een glans in haar oog.
Toen merkte ze, dat hij haar aandachtig aanzag, met zijn eerbied. En ze herwon zich weêr; ze wilde niet verder met hem over Emerson praten.
—Het is heel mooi! zeide zij alleen nog, met eene stem, zoo banaal mogelijk, om te eindigen. Mag ik u een kop thee geven?
—Dank u zeer, mevrouw; ik drink nooit thee op dit uur.
—U ziet daar zeker met minachting op neêr? spotte ze.
Hij wilde antwoorden, maar er werd gescheld en zij riep nu:
—O, daar zullen ze zijn!
Zij waren het ook, Amélie met Suzette en Anna. Zij waren lichtjes verbaasd Quaerts te zien. Hij sprak ervan, dat hij mevrouw Van Even een visite had willen maken. Er ontstond een algemeen gesprek. Suzette was heel vroolijk, vol van een fancy-fair, waar zij, gecostumeerd in een Spaansch costuum, zoû moeten verkoopen.
—En jij niet, Anna?
—O neen, tante, riep Anna, verschrikt in elkaâr kruipend. Ik op een fancy-fair! Ik zoû nooit iets slijten aan de menschen.
—Ach, het is een tact! zeide Amélie, met een blik, die ver weg dreef.
Quaerts was opgestaan. Hij boog met een enkel woord voor Cecile, toen de deur openging. Het was Jules, met een paar boeken onder zijn arm. Hij kwam van school.
—Dag tante! Zoo dag, Taco; ga je nu heen als ik kom!
—Je jaagt me weg! schertste Quaerts.
—Ach, toe, Taco, blijf nu nog wat! smeekte Jules, verrukt hem te zien, wanhopig, dat hij juist vertrekken zoû.
—Jules, Jules! vermaande Amélie, omdat ze dacht, dat ze dat zoo doen moest.
Jules drong Quaerts, greep zijne beide handen, dwong hem als een bedorven kind. En Quaerts lachte maar. Door Jules' drukte gleden eenige boeken van het tafeltje.
—Maar Jules dan toch! riep Amélie. Quaerts raapte de boeken op, terwijl Jules door bleef dwingen. Bij het laatste boek, dat Quaerts neêrlegde, draalde hij even; hij hield het in de hand, hij zag op de gouden letters: Emerson ...
Cecile bespeurde het.
—Als hij nu toch denkt, dat ik het hem leenen ga, heeft hij het mis, dacht ze.
Maar Quaerts vroeg niets; hij had zich losgemaakt van Jules, hij nam afscheid. Met wat gekheid tegen Jules, ging hij heen.
—Is dit de eerste keer, dat hij bij je aan huis komt? vroeg Amélie.
—Ja, antwoordde Cecile. Een onnoodige beleefdheid, niet waar?
—Ach, Taco Quaerts is altijd precies in de puntjes, verdedigde Anna.
—Maar deze visite was juist nièt in de puntjes, lachte Cecile vroolijk. Maar Taco Quaerts schijnt bij jullie geheel en al onfeilbaar te zijn.
—Hij walst heerlijk! riep Suzette. Verleden op het bal bij de Eekhofs ...
Suzette draafde door; gedecideerd, die Suzette was niet te houden van middag; zij hoorde zeker al de castagnetten van haar Spaansch costuum in heur hersentjes klepperen.
Jules was in een bui van kribbigheid geraakt, maar hij hield zich stil bij de jongens, in een raam.
—U is niet erg gesteld op Quaerts, niet waar, tante? vroeg Anna.
—Hij heeft weinig sympathieks voor mij! sprak Cecile. Je weet, ik laat me erg door indrukken beheerschen. Ik kan het niet helpen, maar ik hoû niet van die héel gezonde, sterke menschen, die er zoo héel flink en stevig uitzien, alsof ze dwars door het leven heen wandelen en alles opruimen, wat hun hindert. Het is misschien morbide in me; maar ik kan het niet helpen, dat overmate van gezondheid en kracht mij antipathiek zijn. Die sterke menschen beschouwen je, als jenietzoo sterk bent als zij, zooals de Spartanen hun misvormde kinderen beschouwden ...
Jules kon zich niet meer inhouden.
—Als u denkt, dat Taco niets anders is dan een Spartaan, dan weet u niets van hem af, sprak hij vinnig.
Cecile zag hem aan, maar voor Amélie iets zeggen kon, ging hij voort:
—Taco is de eenige, met wien ik over muziek kan praten en die je begrijpt met een half woord. En ik geloof niet, dat ik met een Spartaan zoû kunnen praten.
—Maar Jules, wat een toon! riep Suzette.
—Het kan me niet schelen! riep hij woedend uit, in eens opstaande, stampvoetend. Het kan me niet schelen! Ik kan geen kwaad van Taco hooren en tante Cecile weet dat en ze doet het alleen om me te plagen. En ik vind het heel flauw een kind te plagen, heel flauw ...
Zijne moeder, zijne zusters wilden hem met gezag bedaren. Maar hij greep zijne boeken.
—Het kan me niet schelen! Ik wil het niet hebben!
Woedend, in éen oogwenk, was hij weg, smijtend met de deur, die dreunde. Amélie beefde van zenuwachtigheid.
—O, die jongen! siste zij trillend. Die Jules, die Jules ...
—Het is niets! verontschuldigde Cecile zacht. Hij is wat prikkelbaar ...
Zij was een beetje bleek geworden en zag naar hare jongens, naar Dolf en Christie, die, ontsteld, met open monden van verbazing, hadden opgekeken.
—Is Jules stout, mama? vroeg Christie.
Zij schudde, lichtjes glimlachend, van neen. Zij voelde zich heel vreemd te moede, onzegbaar vreemd. Zij wist niet wat dit was, maar het was haar of heel verre perspectieven voor hare oogen opengingen, met wegdeiningen van horizont, bleek, in heel veel licht. Zij wist ook niet wat dàt was, maar ze was niet boos op Jules, en het scheen haar toe, dat hij niet zoo driftig had gesproken tegen haar, maar tegen een ander. Een gevoel van het raadselachtig diepe van het leven, en het onbewuste van het zielemysterie, zweem van licht heldere oneindigheid, vér zilver licht, schoot door haar heen als eene stille verrukking.
Toen lachte zij.
—Die Jules! sprak ze. Hij kan zoo aardig opgewonden zijn.
Anna en Suzette, verlegen over de scène solden wat met de jongens, over de platen heen. Cecile sprak alleen tot Amélie. Maar deze sidderde nog in hare zenuwen.
—Hoe kan je toch die kuren van Jules nog excuzeeren! sprak ze met eene stem, die hokte.
—Ik vind het aardig, dat hij zoo de partij trekt van menschen, van wie hij houdt. Vindt je daar ook niet iets in?
Amélie bedaarde. Waarom verstoord te zijn als Cecile het niet was?
—In Jules? vroeg zij vaag. Ach, ja, jawel ... Ik weet het zoo niet. Hij heeft wel een goed hart, geloof ik, maar hij is zoo onhandelbaar. Maar ach ... het ligt misschien ook aan mij; als ik beter wist, als ik meer tact had ...
Zij verwarde zich; zij zocht, zij vond niets meer, dwalende door haar eigen gedachten heen als eene vreemde. Toen zeide zij eensklaps, als in een straal van zekere kennis:
—Maar Jules is niet dom. Hij heeft een goed oog op allerlei dingen, en ook op menschen. Ik voor mij geloof óok, dat je Taco Quaerts verkeerd ziet. Hij is een heel interessant mensch, en volstrekt niet zoo alleen maar een sportman. Ik weet niet wat er in hem is, maar er is iets in hem, iets anders dan in andere menschen. Ik zoû niet kunnen zeggen wat ...
—Zij zweeg, zoekende, afdwalend.
—Ik woû, dat Jules beter leerde. Hij is niet dom, maar hij leert niet ... Hij zit nu al weêr twee jaar in de derde klasse. De jongen kàn niet doorwerken. Het is een wanhoop.
Zij zweeg weêr en Cecile bleef ook zwijgen.
—Ach! hernam Amélie; het zal zijn schuld wel niet zijn. Het is misschien wel mijn schuld! Hij heeft het misschien wel van mij ...
Zij zag strak voor zich uit: plotselinge, onweêrhoudbare tranen vulden, in eens, beide hare oogen, en vielen neêr in haar schoot.
—Amy, wat is er? vroeg Cecile lief.
Maar Amélie was opgestaan, opdat de meisjes, nog spelende met de kinderen, hare tranen niet zouden zien. Zij kon die tranen niet tegenhouden, ze stroomden neêr, en zij haastte zich weg, naar den aangrenzenden salon, een groot vertrek, waar Cecile nooit zat.
—Wat is er, Amy? Vroeg Cecile, die haar gevolgd was.
Zij sloeg haar arm om Amélie heen, ze deed haar zitten, drukte Amélie's hoofd tegen haar schouder.
—Weet ik, wat er is! snikte Amélie. Ik weet het niet, ik weet het niet ... Ik ben ongelukkig, om dat gevoel in mijn hoofd. Ik kan het soms niet uithouden. Ik ben toch niet gek, niet waar? Ik voel me heusch niet of ik gek ben of gek zal worden! Maar het is soms alsof alles in me verlamd is, of ik niet denken kan. Alles drijft altijd door me heen! Het is een vreeslijk gevoel!
—Als je eens een dokter vroeg, ried Cecile aan.
—Neen, neen, hij zoû me misschien zeggen, dat ik gek was, en dat ben ik niet. Of hij zoû me in een of ander gesticht willen hebben. Neen, ik wil geen dokter. Ik heb het anders heel goed, niet waar? Ik heb een lieven man en lieve kinderen. Ik heb nooit groot verdriet gehad. En toch voel ik me soms diep ongelukkig, radeloos ongelukkig! Het is altijd of ik naar iets toe wil en niet kan. Het is altijd of ik een grens voor me zie ...
Zij snikte hevig; een regen van tranen dreef over haar gelaat. Cecile's oogen ook werden vochtig; ze hield van hare zuster, ze had medelijden met haar. Amélie was slechts tien jaar ouder dan zijzelve, en ze had al iets van eene oude vrouw, dor, schraal, grijzend reeds aan hare slapen, onder de getrokken voile van haar kapothoed.
—Cecile, zeg Cecile! sprak ze in eens, door hare snikken heen. Denk je, dat er een God is?!
—Maar zeker, Amy.
—Ik ga wel eens naar de kerk, het geeft me niets ... Ik ga nu ook niet meer ... O, ik ben zoo ongelukkig! Het is heel ondankbaar van me. Ik heb toch zooveel om dankbaar voor te zijn ... Weet je: ik zoû soms zoo gaarne in eens naar God willen, zoo in eens!!!
—Toe, Amy, wind je niet zoo op!
—O, ik woû, dat ik zoo als jij was, zoo kalm. Je voelt je gelukkig?
Cecile knikte van ja, glimlachend. Amélie zuchtte; ze bleef even liggen met haar hoofd tegen heur zusters schouder. Cecile kuste haar, maar eensklaps schrikte Amélie:
—Stil, fluisterde zij; de meisjes kunnen hier komen. Ze ... ze hoeven niet te zien, dat ik gehuild heb.
Opstaande, schikte zij voor den spiegel heur hoed, droogde voorzichtig met den zakdoek haar voile af, plooide hare brides.
—Zoo, nu zullen ze het niet zien, zeide zij. Laten we maar naar binnen gaan. Ik ben weêr kalm. Je bent een lieve meid ...
Zij gingen in de kleine kamer.
—Kom meisjes, we moeten naar huis! sprak Amélie met eene, nog wat vreemde stem.
—Heeft u gehuild, mama? vroeg Suzette, dadelijk.
—Mama was wat zenuwachtig om Jules! zeide Cecile snel.
Cecile was alleen: de kinderen waren naar boven, om zich op te knappen voor het diner. En ze zocht terug te zien hare verre perspectieven met bleeken horizont; ze zocht zich de zilverige oneindigheid terug, die door haar heen geschoten was als eene ontvangenis van licht. Maar het warrelde haar te veel: een caleidoscoop van héel recente herinneringetjes: de kinderen, Quaerts, Emerson, Jules, Suzette, Amélie. Vreemd, vreemd was het leven ... Het uiterlijke leven, het komen en gaan van menschen om ons heen; het klinken van woorden, die zij zeggen met stemmen van vreemdheid; het eindeloos wisselen der verschijnselen; het schakelen van die verschijnselen, het een aan het ander vreemd ook, het zijn van de ziel ergens in ons, als een godinons, nooit te kennen voor zichzelven in de essence van hémzelven. Dikwijls, zooals nu, scheen het Cecile, dat alles, de aller-banaalste dingen, vreemd, zeer vreemd waren, alsof er in het geheel niets banaals in de wereld was, alsof alles vreemd was: de vreemde vorm en uiterlijkheid van een dieper leven, dat in alles school, tot in het minste voorwerp toe, alsof alles zich maar vertoonde met een schijnsel, masker van voordoen, terwijl daaronder het eigenlijke was: de waarheid. Vreemd, zoo vreemd het leven ... Want het scheen haar of ze, onder de heel-gewoonheid van die afternoon-tea, iets heel ongewoons gezien had; wat, wist ze niet, zoû ze niet kúnnen uìtdrukken, zelfs niet kunnen uitdènken; het was haar of er onder het gaan en komen van die menschen iets geschitterd had: het eigenlijke, de waarheid onder het verschijnsel van hun voordoen om bij haar te komen thee drinken.
—Wat? Wat is het? dacht ze. Maak ik me dat nu wijs, of is het zoo? Ik voel het toch ...
Het was heel vaag en toch was het heel duidelijk ... Het was haar of er een lichtbeeld, een schaduw van licht was achter alles wat zich daar had voorgedaan. Achter Amélie en Jules en Quaerts en dat gevallen boek, dat hij even in de hand had gehouden ... Beteekenden die luchtschaduwen iets, of ...
Maar zij schudde het hoofd.
—Ik droom, ik fantazeer! lachte ze in zichzelve. Het was heel eenvoudig. Ik maak het maar zoo ingewikkeld, omdat ik daar pleizier in heb.
Maar zoodra ze dit dacht, voelde zij iets, dat die gedachte intens loochende. Eene intuïtie, die haar de essence der waarheid wilde doen raden en dit niet geheel en al vermocht. Zeker, er was toch iets. Iets achter dat alles, verscholen, schuilende als de schaduw school achter het ding, en die schaduw scheen haar toe van licht ...
Hare gedachte dwaalde nog wat rond over die menschen; toen bleef ze hangen aan Taco Quaerts. Ze zag hem daar weêr zitten, een beetje zich buigende naar haar toe, zijne handen in elkaâr gevouwen, hangende tusschen zijne knieën, terwijl hij tot haar opzag. Eene scheiding van afkeer was als een staaf van ijzer tusschen hen geweest. Ze zag hem daar weêr zitten en toch was hij al weg. Dat was al weêr voorbij; wat ging alles spoedig heen; hoe klein was de stip van het heden!
Ze stond op; ze zette zich voor het schrijftafeltje; ze schreef, in eens, neêr:
"Onder me vloeit de zee van het verleden, boven me drijft de ether der toekomst, en ik sta daar tusschen-in als op een stip van werkelijkheid; een stip zoo klein, dat ik beide voeten pal tegen elkaâr moet drukken, om staande te blijven. En van af de stip van mijn heden ziet mijn weemoed neêr naar die zee en mijn verlangen op naar die lucht.
"Ik kan niet veel leven op mijn stip: ze is zoo klein, dat ik ze nauwlijks zie, ze nauwlijks voel onder mijne voeten en toch is ze mijne eenige werkelijkheid. Ik geef niet veel om haar: mijne oogen volgen maar het wegrimpelen dier golven naar verre einders, het glijden dier wolken naar verre sferen: vage luchtschijnsels van eindelooze verandering, transparante ongedurigheden, lichaamloosheden, die zichtbaar zijn. Het heden is het eenige, dat is, of dat ten minste schijnt te zijn. De stap is; de stip, ten minste, schijnt; de zee niet, en die lucht niet, want die zee is slechts herinnering en die lucht slechts illuzie. En toch zijn herinnering en illuzie alles, zijn ze de wijde domeinen der ziel, die van de stip afvliegt en op de zee afglijdt naar de einders, die wijken en op de wolken wegdrijft naar de sferen, die wijken en wijken ..."
Toen dacht ze na. Hoe had ze dat zoo geschreven, waarom? Hoe was ze er toe gekomen? Ze ging met hare gedachten terug: het heden, de stip van het heden, die zoo klein was ... Quaerts, Quaerts' houding zoo even voor haar heropgerezen. Had iets wat hèm betrof, haar die zinnen doen neêrschrijven? Het verleden, weemoed; de toekomst, illuzie ... Waarom, waarom, illuzie?
—En Jules, die van hem houdt, dacht ze. En Amélie, die van hem sprak ... Maar ze wist niets ... Wat is er in hem, wat schuilt er achter hem; zijn lichtschaduw? Waarom kwam hij hier? Waarom voel ik toch antipathie voor hem? Voel ik die antipathie wel? Ik kan niet in zijn eigen oogen zien ...
Ze had dat gaarne eens gedaan; ze had gaarne zeker willen zijn van die antipathie of: niet zeker ... Een van beiden. Ze was nieuwsgierig om hem nu weêr eens te zien, nieuwsgierig, wat ze dan door hem denken en voelen zoû ... Zij was opgestaan van hare schrijftafel, ze vlijde zich nu rechtuit op de chaise-longue, wond hare armen achter heur hoofd. Ze wist niet meer wat ze droomde maar ze voelde zich stil gelukkig. Zij hoorde Dolf en Christie de trap afkomen; ze kwamen binnen, het was etenstijd.
—Jules was toch heusch zoo even wel stout, niet waar mama-te? vroeg Christie nog eens met een bedenkelijk gezicht.
Ze trok het kleine, fijne ventje zacht tot zich, ze nam hem vast tegen zich aan, in haar armen en zacht kuste ze zijn vochtig mondje van bleek frambozenrood.
—Neen, heusch niet, liefje! sprak ze. Hij was heusch niet stout ...
HOOFDSTUK II.
Cecile ging den langwerpigen hall, die als eene galerij was, door: lakeien stonden bij de portière, een gegons van stemmen suisde daar achter. Haar sleep ruischte even tegen een paar palmblaren aan en dit geluid gaf haar eene plotselinge trilling in de snaren van heur sensitivisme. Zij was een beetje zenuwachtig; hare oogleden knipten lichtjes en haar mond had een zeer ernstigen plooi.
Zij trad binnen; er was veel licht, maar zacht, alleen van kaarsen. Twee officieren weken voor haar uit, daar zij draalde. Met de oogen zocht ze mevrouw Hoze; zij bespeurde haar, te midden van enkele gasten, met haar grijs hoofd, haar vriendelijk en toch hooghartig gezicht, glad rozig, bijna zonder rimpel. Mevrouw Hoze kwam haar tegemoet.
—Je weet niet, hoe lief ik je vind, dat je me niet gedupeerd hebt! sprak ze, Cecile's hand drukkend, ontluikend in de wereldsche minzaamheid van heur gastvrouwschap.
Zij stelde Cecile hier en daar voor: Cecile hoorde namen, waarvan de klank haar dadelijk weêr ontviel.
—Generaal, mag ik u verzoeken ... Mevrouw Van Even, hoorde zij mevrouw Hoze fluisteren.
Cecile haalde diep adem, onmerkbaar de hand drukkende op den rand van haar corsage, alsof zij iets schikte. Mevrouw Hoze verliet haar, ging eene dame en een heer tegemoet, en Cecile antwoordde vluchtigjes den generaal. Zij was zeer bleek, en meer en meer knipten hare oogleden. Haar blik dorst even door den salon te zoeken.
Zij stond naast den generaal, zich dwingend te luisteren om niet iets heel dwaas te antwoorden; zij was heel lang, rank en recht, hare schouders blondwit als een marmer, waar zon over schijnt, bloesemend uit eene sombere vaas van zwart: fijne zwarte tulle, die sleepte, geheel en al bezaaid met kleine zwarte pailletten, als loovertjes van git: eene glinstering van zwart op transparant zwart, dat dof was; een koord met gitten kwasten, die laag afhingen, gestrikt om haar leest. Zoo stond zij daar blond, blondblank en zwart, een beetje somber in het licht van andere toiletten, en als eenige helte, in haar ooren een paar diamanten, die waren als droppelen dauw.
Er was eene trilling in hare dunne Suède vingers, die den waaier bewogen: eene zwarte tulle transparentheid, waarop dezelfde loovertjes van git glinsterden als met een spel van glansjes zwart. Zij ademde wat snel achter den doorschijnenden wiek van den waaier, pratende met den generaal, mager en kaal, gedistingueerd, niet in uniform, maar bestard met een paar decoraties.
De gasten van Mevrouw Hoze liepen door elkaâr, begroeteden elkander hier en daar, in een voortdurend gonzen van stemgeluid. Cecile zag Taco Quaerts naar haar toekomen; hij boog voor haar; zij boog terug, zonder hem de hand te geven, met haar kouden blik. Hij bleef even bij haar dralen met een enkel woord, toen ging hij verder, andere kennissen begroetend.
Mevrouw Hoze had den arm van een ouden heer genomen; een defilé begon zich langzaam te formeeren. De lakeien hadden deuren open geschoven; een tafel glinsterde, half zichtbaar. De generaal boog zijn arm naar Cecile toe, wier blik achter zich zag met eene loome halswending. Zij sloot even hare oogleden, om ze niet zoo te laten knippen. Eene teleurstelling deed hare wenkbrauwen bewegen, maar glimlachend legde zij de tippen harer vingers op den arm van den generaal en streek met den dichten waaier een plooi weg uit de tulle van haar sleep.
Zoodra Cecile zat, bespeurde zij, dat aan hare rechterzijde Quaerts was gezeten. De teleurstelling, dat hij haar niet aan tafel had moeten brengen, wischte zich dus aanstonds uit, maar haar blik bleef koud, als altijd. Zij hàd echter nu wat zij wilde: de verwachting, om welke zij aan dit diner gekomen was, werd vervuld. Mevrouw Hoze, die Cecile bij de Van Attema's gezien had, had zich blij tot taak gesteld het, nog zoo jonge, vrouwtje opnieuw in de wereld te brengen. Cecile wist, dat Quaerts aan huis kwam bij mevrouw Hoze; zij hoorde door Amélie, dat hij was geïnviteerd en ze had aangenomen. Het lag voor de hand, dat mevrouw Hoze, die zich herinnerde, dat Cecile Quaerts ontmoet had, hem naast haar geplaatst had.
En Cecile was zeer nieuwsgierig om haarzelve. Wat zoû zij voelen? Minstens toch belangstelling; dit kon ze zich niet ontkennen. Zij stelde belang in hem, om wat haar heugde, dat Jules gezegd had, dat Amélie had gezegd. Zij voelde reeds, dat achter dien sportman een ander school, dien zij zocht te kennen. Waarom, wat kon het haar schelen? Ze wist het niet, maar het was in alle geval een raadsel, dat haar belang inboezemde. En tevens bleef zij op hare hoede, want zij vond zijne visite niet zooals het behoorde, en ze herinnerde zich weêr den naam der getrouwde vrouw, dien met den zijne werd genoemd.
Zij wist zich los te maken van het gesprek met den generaal, die het zijne roeping scheen te vinden haar bezig te houden, en zij wendde zich, zij het eerste, tot Quaerts.
—En leert u Jules tegenwoordig paard rijden? vroeg zij, met een glimlach.
Hij zag haar aan, blijkbaar een beetje verwonderd om haar stem en lachje, beiden voor hem nieuw. Hij antwoordde niet veel.
—Ja, mevrouw, wij zijn gisteren nog in de manége geweest ...
Zij vond hem reeds onhandig, dat hij het gesprek zoo vallen liet, maar hij vroeg met dat béetje verlegenheid, dat, om zijne flinkheid, hem een charme werd:
—U gaat dus weêr uit, mevrouw?
Zij vond,—zij had het verleden ook reeds gevonden,—dat hij wel eens vragen deed, die men niet deed. Dat was iets vreemds in hem.
—Ja ... wist ze niets anders te zeggen.
—Pardon ... zeide hij, ziende, dat zijne woorden haar lichtjes verlegen maakten. Ik vroeg dat, omdat ik ... ik ...
—Omdat? herhaalde ze met groote oogen.
Hij vermande zich en zeide het ronduit:
—Dolf sprak altijd veel over u en zei, dat u stil leefde ... Ik kon me u zoo niet meer voorstellen in de wereld, onder veel menschen: ik had me een idee van u gemaakt en dat idee schijnt nu verkeerd te zijn.
—Een idee? vroeg ze. Welk idee?
—U is misschien boos, als ik u dat zeg. U is misschien toch al niet zoo heel tevreden over me! schertste hij.
—Ik heb volstrekt niet tevreden of ontevreden over u te zijn! schertste zij terug. Maar vertel me nu van dat idee ...
—U stelt dus daarin belang?
—Als u het me oprecht vertelt, zeker. Maar dan oprecht zijn! dreigde zij met den vinger.
—Nu dan ... begon hij. Ik dacht me u als een vrouw, heel ontwikkeld, heel interessant,—en dat alles denk ik nu nog—én: een vrouw, die niets gaf om de wereld buiten haarzelve en dat ... dat denk ik nu niet meer. En ik zoû bijna zeggen, op gevaar af, dat u me heel vreemd vindt: het spijt me, dat ik dat niet meer denk. Ik had u bijna liever niet hier willen ontmoeten ...
Hij lachte, om wat er voor vreemds in zijne woorden was, te temperen. Zij zag hem aan, hare wimpers trillende van verbazing, hare lippen even geopend, en in eens scheen het haar toe, dat zij hem voor den eersten keer in zijne oogen zag. Zij zag hem in die oogen, en ze zag, dat ze diep grijs waren, heel diep, met eene zwarte, nog diepere, pupil. Er was iets in die oogen, ze wist niet wat, maar iets van magnetisme, als zoû zij de hare nooit meer kunnen afwenden.
—U kan toch wel vreemd zijn! sprak ze werktuigelijk: woorden, die haar bij intuïtie ontwelden.
—O, toe wees er niet boos om! smeekte hij bijna. Ik was al zoo blij, dat u vriendelijk met me sprak: u was verleden een beetje hoog tegen me en het zoû me zoo spijten als ik u ontstemd had. Ik weet wel, dat ik vreemd ben, maar ik kàn tegenover u onmogelijk gewoon zijn, onmogelijk, zelfs al werd u er boos om ...Isu er boos om?
—Ik zoû het eigenlijk wel moeten zijn, maar om uw franchise zal ik u maar vergeven! lachte zij. Galant was u anders allesbehalve.
—Ik bedoelde het toch niet ongalant.
—Dat zal wel! schertste zij terug.
Zij herinnerde zich weêr, dat zij op een groot diner was. De gasten over haar en langs haar zich reiend; de lakeien, dienende daar achter: het licht der kaarsen tintelend op zilver en regenbogend in kristal; op tafel veel spiegel, als water gevat in bloemen, kleine meeren tusschen mosrozen en lelietjes van dalen. Zij bleef even zwijgen, nog glimlachend, turende op hare hand, een mooie hand, als een wit kunstvoorwerp in de tulle van haren schoot, met, aan een enkelen vinger, vele ringen; sparkelende vonkjes blauw en wit vuur. De generaal wendde zich weêr tot haar; zij wisselden eenige woorden, de generaal innerlijk verheugd, dat de rechter-buurman mevrouw Van Even bezighield, en hij voor het meerendeel rustig eten kon. Quaerts wendde zich tot de dame aan zijne andere zijde.
En het was hun beiden aangenaam toen zij zich weêr met elkaâr konden bezighouden.
—Waar hadden wij het zoo even over? vroeg zij.
—Ik weet het nog wel! sprak hij ondeugend.
—De generaal brak ons gesprek af ...
—U wasnietboos op me! schertste hij.
—O ja, lachte zij zachtjes. Uw idee over mij, niet waar? Waarom kon u mij zich niet meer voorstellen, in de wereld?
—Ik dacht me u iemand apart geworden.
—Waarom dan toch?
—Om wat Dolf zei, om wat ikzelve dacht, als ik u zag.
—En waarom heeft u nu spijt, dat ik niet "iemand apart" ben? lachte zij steeds.
—Uit ijdelheid; omdat ik verkeerd dacht. En toch: misschien dacht ik ook niet verkeerd ...
Zij zagen elkaâr aan en beiden, hoewel ze het anders dachten, dachten zij het zelfde: namelijk, dat zij voorzichtig met hunne woorden moesten zijn, want dat ze over iets zeer fijns en teeders spraken, iets broos als een zeepbel, dat breken kon als zij er te hard over spraken, alleen reeds door adem van woorden. Toch dorst zij nog vragen:
—En waarom ... gelooft ... u, dat u toch wel ... goed gedacht kan hebben?
—Dat weet ik niet precies. Misschien omdat ik het verlang. Misschien ook, om dat het zóó waar is, dat het geen twijfel meer toelaat. O ja, ik weet bijna zeker, dat ik goed gedacht heb. Weet u waarom? Omdat ik me anders had verborgen en gewoon was geweest en dat ik dat tegenover u niet heb kunnen doen. Ik heb u al zoo veel van me gegeven in dit korte oogenblik als ik menschen, die ik jaren ken, in al die jaren niet gegeven heb. Daarom moet u zeker iemand apart zijn.
—Maar wat bedoelt u met "iemand apart"?
Hij glimlachte, hij opende zijne oogen, ze zag hem er in, diep in.
—Dat begrijpt u wel! sprak hij.
De angst voor het teedere, dat breken kon, was weêr tusschen hen. Zij begrepen elkaâr als met eene vrijmetselarij van gevoel. Een magnetisme ketende haren blik aan den zijne.
—U is toch wel vreemd! sprak ze weêr, werktuigelijk.
—Neen, zeide hij kalm, zijn hoofd schuddend, zijn blik op den hare. Ik weet zeker, dat ik voor u niet vreemd ben, ook al denkt u dat nu.
Zij zweeg.
—Wat ben ik blij, zoo met u te mogen spreken! fluisterde hij. Ik ben er heel gelukkig om. En ziet u eens, niemand merkt er iets van. We zitten hier aan een groot diner: naast ons kunnen ze zelfs onze woorden hooren, en niemand, die ons begrijpen zoû en zoû vatten, waarover wij het hadden. Weet u waarom dat is?
—Neen, murmelde zij.
—Dat zal ik u eens zeggen: ten minste, ik geloof, dat het zoo is. Misschien weet u het beter, want u móet de dingen beter weten dan ik, omdat u zooveel fijner is. Maar ik voor mij geloof, dat ieder mensch een cirkel om zich heeft, een atmosfeer, en dat hij andere menschen ontmoet, die cirkels of atmosferen om zich hebben, sympathiek of antipathiek aan de zijne.
—Dat is mystiek? zeide zij.
—Neen! antwoordde hij. Het is heel eenvoudig. Als nu de cirkels antipathiek zijn, stuiten ze elkaâr af, maar als ze sympathiek zijn, glijden ze over elkaâr met kleinere of grootere bogen van sympathie. In sommige gevallen bedekken de cirkels elkaâr bijna geheel en al, maar ze blijven toch altijd twee ... Vindt u dat alles heusch zoo mystiek?
—Men zoû het gevoelsmystiek kunnen noemen. Maar ... ik heb ook wel eens zoo iets gedacht ...
—Jawel, dat begrijp ik! ging hij kalm door, als wist hij dat wel. Nu: ik geloof, dat de anderen ons niet zouden vatten, omdat wij alleen hier sympathieke cirkels hebben. Maar mijn kring is van een veel inferieurder substantie dan de uwe, die heel mooi is.
Ze zweeg weêr, ze dacht aan hare antipathie voor hem: voelde ze die nu wel?
—Wat denkt u er van? vroeg hij.
Ze zag op, hare witte vingers trilden in de tulle van haar schoot. Zij poogde vaag te glimlachen.
—U gaat te ver, geloof ik! stamelde zij.
—U vind, dat ik dweep?
Zij had iets als ja willen zeggen, zij kon niet.
—Neen, antwoordde zij. Dat niet ...
—Ik verveel u...?
Zij zag hem aan, diep in zijne oogen. Zij knikte van neen. Zij had iets willen zeggen, dat hij te weinig conventioneel sprak op dit oogenblik, zij kon dat ook niet. Door haar geheele wezen smolt eene zachtheid. De tafel, die menschen, dat geheele diner, scheen haar door een waas van licht. Toen zij zich weêr geheel bewust was, zag zij, dat aan den overkant eene dame zat, wier blik haar vast aanzag en zich nu uit beleefdheid afwendde. Zij wist niet wat het haar schelen kon, maar ze vroeg aan Quaerts:
—Wie is toch die dame, daar, in het lichtblauw, met dat donkere haar?
En zij zag, dat hij schrikte.
—Dat is de jonge mevrouw Hijdrecht! sprak hij toen, rustig, een beetje hoog.
Ook zij ontstelde nu; zij werd bleek, hare vingers sloegen zenuwachtig den waaier op en neêr.
Hij had den naam gezegd van haar, die zijne maîtresse werd genoemd.
Toen was het Cecile alsof het gebroken was, dat teedere, dat broze, die zeepbel. Ze dacht of hij wellicht tegen die vrouw met het donkere haar ook gesproken had over cirkels van sympathie. Zoodra zij kon, nam Cecile mevrouw Hijdrecht op. Zij had een warm teint van mat goud, donkere brandende oogen, een mond als van frisch bloed. Zij was laag gedecolleteerd; haar hals en de glooiing van heur borst vertoonden zich brutaal mooi, zinnelijk vol. Een enkele ris diamanten omvatte haar nek in een nauw snoer van blank gevlam.
Cecile voelde een malaise. Het scheen haar toe of ze met vuur speelde. Zij wendde haar blik van de jonge vrouw af en zag Quaerts aan, magnetisch gedwongen. Zij zag, dat er eene melancholie heentrok over het bovenste gedeelte van zijn gelaat: zijn voorhoofd en zijne oogen, waarin soms iets ouds was. En zij hoorde hem zeggen:
—Wat kon u nu de naam van die dame schelen; we waren juist in zoo een mooi gesprek ...
Ook zij voelde zich nu treurig. Treurig om haar gebarsten zeepbel. Waarom, wist ze niet, maar ze had medelijden met hem: plotseling, diep, zielediep medelijden.
—We kunnen ons gesprek hervatten! zeide zij zacht.
—Ach neen, laten we liever niet opnemen, waar we gebleven zijn! hernam hij, quasi luchtig. Ik word lang van stof ...
En hij sprak over andere zaken. Zij antwoordde weinig, en hun gesprek kwijnde. Beiden hielden zij zich met hunne buren bezig. Het diner liep ten einde. Mevrouw Hoze rees op, nam den arm van den heer naast haar. De generaal geleidde Cecile naar den salon, door het langzaam voortwandelen der anderen heen.
De dames bleven alleen; de heeren gingen met den jongen Hoze rooken. En Cecile zag mevrouw Hoze naar haar toe komen. Zij vroeg of ze zich niet verveeld had aan haar diner, zij gingen samen zitten, in een vertrouwelijk tête-à-tête.
Cecile dwong zich mevrouw Hoze te antwoorden, maar gaarne was ze ergens zachtjes gaan weenen, omdat alles zoo gauw voorbij ging, omdat de stip van het heden zoo klein was. Voorbij alweêr, de lieve bekoring van hun beider gesprek over sympathie aan dat diner van zoo even: eene broze intimiteit te midden der wereldsche schijnsels om hen heen. Voorbij, dat oogenblik, en nooit, nóoit zoû het weêr terug komen: het leven overstroomde het met zijn verder-vloeien als met een water, dat alles uitwischte. O, de melancholie dat te bedenken; te bedenken hoe gauw, als een geur, die niet te grijpen is, alles vervliegt, dat lief is ...
Mevrouw Hoze verliet haar; Suzette van Attema kwam Cecile aanspreken. Ze was in het roze en ze tintelde van iets schitterends, alsof er veel stofgoud over haar heen was gevallen, over hare bewegingen, hare oogen, hare woorden. Zij sprak druk met Cecile, vertelde lange verhalen waarnaar Cecile niet altijd luisterde. Op eens hoorde Cecile, door Suzette's gekakel heen, achter zich twee vrouwenstemmen, fluisterend en vertrouwelijk: zij verstond slechts ten deele:
— ...Emilie Hijdrecht, daar ...
— ...Praatjes misschien en mevrouw Hoze schijnt er zich niet aan te storen.
— ...O, ik weet het zeker!
De stemmen verloren zich in het gegons der anderen. Cecile ving alleen nog even een klank als den naam van Quaerts op. Maar Suzette vroeg eensklaps:
—Kent u de jonge mevrouw Hijdrecht, tante?
—Neen.
—Daar, met die diamanten. U weet, ze zeggen van Quaerts. Mama gelooft het niet. Hij is anders wel een flirt. U heeft naast hem gezeten?
In de geheimste snaren van haar sensitivisme leed Cecile zeer. Zij trok zich geheel en al terug in zichzelve; zij deed alle moeite iets anders te schijnen dan zij was. Suzette merkte niets van haar malaise.
De heeren kwamen weêr binnen. Cecile lette op of Quaerts mevrouw Hijdrecht zoû aanspreken. Maar hij nieerde haar geheel en zelfs, toen hij Suzette naast Cecile zag, wendde hij zich tot haarbeiden, om met Suzette, wie hij nog niet gesproken had, te schertsen.
En het was Cecile een verlichting, toen zij kon vertrekken. Zij snakte naar eenzaamheid; zij had zich geheel en al verloren, zij smachtte er naar zich terug te vinden. In haren coupé dorst zij bijna niet ademen, bang voor iets, dat zij niet had kunnen zeggen. Thuis gekomen voelde zij eene lauwe loomte, die haar als verlamde en zij sleepte zich de trap op, naar hare kleedkamer.
En toch, op die trap, als van de zoldering van heur thuis, viel als een waas van beschermende veiligheid over haar heen. Langzaam steeg zij, heur hand, die den langen handschoen vasthield, telkens drukkende op de fluweelen leuning der trap. Het was haar of ze flauw zoû vallen.
—Maar, mijn God ... ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief! fluisterde zij, in eene plotselinge zelfverbazing, tusschen hare bevende lippen in.
Het was als een rythme van verwondering, waarop ze, moê, hooger de trap op ging, hooger en hooger, in eene stille overrassing van plotselingen lichtschijn.
—Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief!
Het klonk door hare vermoeidheid heen als eene melodie.
Ze had nu hare kleedkamer bereikt, waar Greta het gas had opgestoken: ze sleepte zich naar binnen. De deur der kinderslaapkamer stond half open; ze ging er even in, sloeg den gordijn van Christie's bedje op, zonk neêr op hare knieën en zag naar het kind. Het ontwaakte half, nog in een lauwen dommel; het kroop een beetje uit de lakens, lachte, sloeg zijne handjes om Cecile's blooten hals.
—Mama-te!
Zij knelde hem vast tegen zich aan in de omhelzing harer tengere, witte armen; ze zoende hem op zijn frambozenmondje, op zijne lodderige oogjes, en intusschen zong het voort in haar hart, dwars door hare vermoeidheid heen, die haar als brak, daar, voor het bed van haar kindje:
—Maar ik hoû van hem, ik heb hem lief, ik heb hem lief, lief, lief ...