Chapter 3

[Inhoud]Buiten de poort.Allerlei wandelaars komen er uit.EENIGE WINKELBEDIENDEN.Waarom dien weg nu op?ANDEREN.Wij gaan naar ’t Jagershuis op gindschen top.DE EERSTEN.Wij wandelen naar ’t Groene Laantje.EEN WINKELBEDIENDE.Kom, ga met mij naar de Eendenkooi!EEN TWEEDE.De weg daarheen is niet heel mooi.EEN DERDE.En wat doet gij?EEN VIERDE.En wat doet gij?Ik ga met Piet naar ’t Zwaantje.EEN VIJFDE.Ga meê naar Burgdorf! Bij dien herbergierZijn mooije meisjes en uitstekend bier;[18]Men heeft er altijd veel pleizier.EEN ZESDE.Gij, lieve jongen, wilt er weêr naar toe?Zijt gij die gekheid nog niet moê?Ik ga niet meê; ik weet wel wat ik doe.EEN DIENSTMEISJE.Neen, ’k ga niet verder, Pieternel!EEN ANDER.Die lindeboom, daar zal hij zeker bij staan.DE EERSTE.Ja, meisje! maar ik vat het wel:Hij zal met u en niet met mij gaan.Gij danst en springt, nu daar, dan hier:Ik vraag: wat raakt mijuwpleizier?DE ANDERE.Maar heden heeft hij zeker iemand bij zich;Hij sprak mij van Martinus Rijzig.EEN STUDENT,tot een anderen.Vertikt, wat snappen daar die meiden!Kom, vriendlief, kom! Wij moeten ze geleiden!Een goed glas bier, een lekkere cigaar,Een lieve meid—dan ben ik kant en klaar.EENE BURGERDOCHTER,tot eene vriendin.Die knappe jongens! ’k Wil niet zwijgen!Mijn Hemel, welk een smaak is dat!Zij konden mij voor ’t vragen krijgen,En volgen nu die meiden op haar pad.TWEEDE STUDENT,tot den eersten.Zoo gaauw niet, vriend! Daar ginds komt nog een paar[19]Ze zijn heel proper in de nopjes.Die eene woont bij Kouwenaar;’t Is een van de allerliefste popjes.Zij gaan daar wel heel stemmig voort,Maar nemen ons toch zeker meê aan boord.DE EERSTE.Neen, vriendlief, neen! Ik ben niet gaarne gegeneerd.Toe gaauw! Dat wildbraad moet men ons niet stelen.De hand, die ’s zaturdags de glazenspuit hanteert,Zal zondags u het beste streelen.EEN BURGER,tot een paar anderen.Neen, hij bevalt mij niet, de nieuwe burgemeester;Sinds wij hem hebben, is haast nooit een feest er.En voor de stad—wat doet hij dan?’t Wordt immers erger alle dagen?Men mag niet eens zijn nood hem klagen;Want die dit waagt, die lust er van.EEN BEDELAARzingt.Och, goede heeren, lieve vrouwen!Ik ben bejaard en ’t leven moê.O, wilt mij armen man aanschouwen,En reikt een kleine gift mij toe!Laat mildheid uwe hand bestieren!Slechts hij is blij, die geven mag.Een dag, dien alle menschen vieren,Zij ook voor mij een blijde dag!TWEEDE BURGER.Niets beter weet ik op zoo’n dag, als thans,Dan over vechten wat te praten,Zoo als, bij de eene of andre schans,Door Deensche en Pruissische soldaten.Men staat aan ’t venster, drinkt zijn glaasje eens uit,[20]En ziet de menschen wandelen of rijden;Men keert weêr huiswaarts tot besluit,En zegent vrede en vredestijden.DERDE BURGER.Ja, buurman! zoo vind ik het ook.Laat anderen zoo veel zij willen kijven;Laat vreemde volken overgaan in rook;Maar hier moet het bij ’t oude blijven.EEN OUD WIJF,tegen de eene burgerdochter.Wel, lieve kind, hoe opgedrild!Gij houdt uw schoonheid niet verborgen.Ik weet wel wat gij zoekt en wilt:Mag ik u dat bezorgen?BURGERDOCHTER.Weg, oude Trui! Ik zorg er voor, met liênAls u mij niet weêr in te laten:Gij liet laatst een beminde in ’t koffijdik mij zien;Maar ’k zag genoeg, en liet u praten.DE ANDERE BURGERDOCHTER.Mij toonde zij een minnaar in kristal,Als een soldaat, met andre zijner vrinden:’k Zoek hier en daar, ik zoek hem overal;Maar wat ik zoek, ik kan hem nergens vinden.SOLDATEN.Burgen met hoogeMuren en tinnen,Meisjes met trotsche,Honende zinnen,Willen wij winnen,Stout is het pogen,Heerlijk het loon.[21]En de trompettenLaten wij werven,Zoo tot de vreugdeAls tot verderven.Dat is een stormen,Dat is gewin!Meisjes en burgenNemen wij in.Stout is het pogenVan den soldaat,En wij in ’t eindePoetsen de plaat.FAUST en WAGENAAR.FAUST.Van ijs bevrijd zijn beek en stroomenDoor d’ adem van het lentsaizoen:Alom ontluikt het malsche groen;De winter, hier ten eind gekomen,Gaat zich naar ruwer oorden spoên.Wel zendt hij, in zijn laatsten snik,Nog sneeuw en hagel enkle dagen;Maar ’t zonlicht kan geen wit verdragen,En weg is ’t in een oogenblik.Men ziet alom een welig tieren;’t Wil alles zich met kleuren sieren:Maar bloemen, neen, die zijn hier niet;’t Zijn bonte menschen, die gij ziet.Keer u eens om—wij zijn nu boven—En zie eens naar de stad terug!Men zou het waarlijk niet gelooven:’t Komt al de poort uit, langs de brug.Men loopt er praten, lagchen, tieren,En dat heet nu het Paaschfeest vieren,[22]Het hoogtij der Verrijzenis!Maar toch, zij hebben ’t niet zoo mis;Want zij zijn zelve thans verrezen.Uit muffe kamers, donkre holen,Omringd van goten en riolen,Of waar ze ook anders zamenscholen,Zijn zij, als uit een kerkernacht,Op eenmaal aan het licht gebragt.Zie, zie maar eens hun loopen, dringen,Door bosch en beemd en velden heen!Zie zich die bootjes, groot en kleen,Op ’t gindsche beekje voorwaarts wringen!Daar roeit een schuitje om gindschen hoek;Het is tot zinkens toe geladen;En zelfs op verre heuvelpadenZiet men nog menig bonten doek.Reeds hoor ik in het dorp ’t gewemel;Hier vindt het volk zijn waren hemel.Tevreden juicht nu groot en kleen:Hier ben ik mensch, ja hier alleen.WAGENAAR.Als ik u, doctor, zoo wijsgeerig hoor verhandlen,Smaak ik het grootst genoegen, dat ik ken;Maar ’k zou alleen hier toch niet willen wandlen,Daar ik een vijand van gemeenheid ben.Dat zingen, springen, razen, tieren,Staat me altijd tegen, maakt mij bang;Zij gaan te werk als wilde dieren;En dat heet vreugde, ’t heet gezang!BOEREN,onder een lindeboom.Dans en gezang.De herder tooide zich ten dans;Met strikken, kwikken, lint en kransTrok hij nu aller oogen.[23]’t Was op het grastapijt reeds vol,En alles sprong in ’t rond als dol;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)’t Was alles opgetogen.Hij spoedde haastig zich er bij;Hij stiet een meisje in hare zij,En staarde haar in de oogen.Zij keerde zich verbolgen om,En zeide: Nu, dat vind ik dom;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)Wees wat meer ingetogen!Maar vrolijk danste men in ’t rond;Men raakte naauw den groenen grond,En alle rokken vlogen.Men werd er rood, men werd er warm;Men drukte al dansend arm aan arm,(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)En heup aan ellebogen.En hiermeê was het nog niet uit.Hoe menig heeft niet meisje of bruidBelogen en bedrogen!Hij lokte haar dan van dat oord,En van het grasperk klonk het voort:Fideldei, fideldool!Met fluit en viool;Men bleef er opgetogen.EEN OUDE BOER.Kijk, doctor! dat bevalt mij nu,Dat gij op zulk een feestdag u,[24]Daar al het volkje is op de been,Zoo familjaar begeeft hierheen.Neem dan ook nu den schoonsten beker,Gevuld met echten rooden bleeker!’k Wensch dat de wijn uit deze fleschThans niet alleen den dorst u lesch’,Maar zoo veel dagen, als hij droppels moge geven,Nog toegevoegd zijn aan uw leven!FAUST.Volgaarne aanvaard ik dezen drank.Ontvangt gij allen mijnen dank!Het volk verzamelt zich in een kring om hen heen.DE OUDE BOER.Voorzeker, het is welgedaan,Dat ge op dit feestgetij verschijnt:Gij meende ’t altijd met ons goed;Wij waren anders weggekwijnd.O, menig is er onder ons,Die nog uw vader heeft gekend;Hij was altijd met hulp nabij,En overwon de ziekte in ’t end.En ook gij zelf—gij waart nog jong—Gingt ieder gasthuis in en uit,Maar wie ook leven bleef of stierf,Gij zelf werdt nooit den dood ten buit.Men moest om uwen vlijt u loven;Den helper helpt de Helper boven.ALLEN.Gezondheid zulk een braven heer!Hij helpe ook ons nog menig keer!FAUST.Blijft Hem daarboven steeds gedenken,[25]Die helpen leert en hulp kan schenken.Hij gaat met Wagenaar verder.WAGENAAR.Welk een gevoel, o groote man,Moet u bij zulk een lof niet streelen!Heil d’ enkele, die onder velenZich zulk een roem verwerven kan!Men wijst hem aan met luider kelen,En ieder vraagt en snelt en dringt;’t Houdt alles op wat speelt en zingt.Gij gaat; men blijft in rijen staan.De mutsen vliegen dan voor u omhoog;’t Scheelt weinig, dat men ook zijn knie nog boog,Als kwam de priester met het hoogeerwaardige aan.FAUST.Slechts weinig schreden nog naar gindschen steen;Daar zullen wij van onze wandeling wat rusten.Hier zat ik vaak al mijmerend alleen,En bad om kracht tot dooden mijner lusten.Vast in geloof en rijk aan hoop,Met tranen, zuchten, handenwringen,Dacht ik het einde van dien ziekteloopVan God daarboven af te dwingen.De volksgunst klinkt mij slechts als hoon.O, kondet ge in mijn boezem lezen,Hoe evenmin de vader als de zoonZulk een vereering waard mogt wezen!Mijn vader was een somber peinzend man,Die over de natuur en hare heilge wettenSteeds nadacht, maar wat toch niet kon beletten,Dat nooit iets strookte met zijn plan;Die in gezelschap van adeptenZich in de zwarte keuken sloot,[26]En na oneindige receptenHet aakligst brouwsel zamengoot.Daar werd een roode leeuw, een bram der brammen,In ’t mengsel aan een lelie uitgehuwd,En beide dan, omringd van vuur en vlammen,Uit de eene bruidzaal in eene andere gestuwd.Verscheen daarop in bonte vervenDe jonge koningin in ’t glas,Dan was dit de artsenij; de lijders zag men sterven,En niemand was er, die genas.Zoo hebben wij, als duivels, menigmalenIn dit gebergte, in deze dalen,Veel erger dan de pest gewoed.Ik zelf, ik heb ’t vergift aan duizenden gegeven:Zij kwijnden weg; nu moet ik nog beleven,Dat men mij als een menschenvriend begroet!WAGENAAR.Maar hoe kunt gij daarover u bedroeven?Doet niet een brave man genoeg,De kunst, die men hem overdroeg,Naar best vermogen te beproeven?Hij, die als jongeling zijn vader eert,Wordt door hem liefderijk ontvangen;Zoo gij, als man, de wetenschap vermeert,Kan eens uw zoon een hooger doel erlangen.FAUST.Gelukkig wie nog hopen kan, in ’t endUit deze zee van dwaling op te duiken!Wat men niet weet, dat had men graag gekend,En wat men weet, dat kan men niet gebruiken.Maar laten we ons nu in dit avonduurNiet pijnigen door sombre mijmeringen!Beschouwen wij de kalmte der natuur,Die hutten tusschen gindsche heuvelklingen![27]De zon daalt neêr; ten einde spoedt de dag;Daar zinkt zij weg, en eischt een nieuw herleven.O, dat geen vleugel me opwaarts heffen mag,Om haar nabij en meer nabij te streven!Dan zag ik in een heerlijke avondprachtDe wereld kalm en stil aan mijne voeten,De bergen roodgetopt, de dalen als in nacht,Het zilvren beekje een grootren stroom ontmoeten.Niets dat zich dan aan mijn gezigt onttoog:’k Zag ’t wild gebergte met zijn kloven, krochten.Reeds doet de zee, met al haar bogten,Zich op voor ons verwonderd oog.Maar zie! Nu is de daggodin verzonken.Alleen de nieuwe drift ontwaakt met nieuwe kracht.’k Snel heen, opdat haar licht mij moge ontvonken;Vóór mij de dag, en achter mij de nacht!De hemel boven mij, en onder mij de baren:Een schoone droom, maar die te ras vervliet.Ach! aan de vleuglen van den geest zal nietEen vleugel van zijn hulsel ligt zich paren!Toch is het ieder ingeboren,Dat zijn gevoel al voor- en voorwaarts dringt,Als boven ons, in ’t groene loof verloren,De leeuwerik zijn lenteloflied zingt;Als hooger, boven rots en wolken,Met breede wieken de arend zweeft,Of lager, over meer en kolken,Zich de eiber naar zijn zomerkamp begeeft.WAGENAAR.Ook ik had wel eens dichterlijke droomen,Maar zóó iets is mij nooit nog overkomen.Men ziet zich gaauw aan bosch en velden zat.Den vogel zal ’k zijn vlerken niet benijden;Ook kan men met iets anders zich verblijdenDan met een beuke- of wilgeblad.[28]Des winters, in een kring, vervliegen de uren,Verwarmt ons spel en kout en wijn;Maar gij—als gij een arend na kunt turen,Verbeeldt ge u in den hemel zelf te zijn.FAUST.Gij kent maar ééne drift, en ’k vind het goed.O, leer toch nooit eene andre kennen!Twee driften zetelen inmijngemoed,En kunnen zich niet aan elkaâr gewennen.Mijn eene drift klemt zich aan de aarde vast,En kan haar schijnschoon niet ontberen;Mijn andere beschouwt dit als een last,En windt zich op tot hooger spheren.O, zijn er geesten in dien boog,Die tusschen aarde en hemel zich bewegen,Zoo daalt dan neder van omhoog,En voert mij in uw kring tot rijker zegen!Ja, zoo ik slechts een toovermantel had,Die me overdroeg naar Thebe of Memnons zuilen,’k Zou hem niet voor den allergrootsten schat,Ja, voor geen koningsmantel ruilen.WAGENAAR.O, laat haar rusten, die bekende schaar,Die in den nevelstroom zich steeds verbreid heeft,Het menschdom duizendvoud gevaarOp allerlei manier bereid heeft!Als vinnige ijsklaauw nadert het van ’t Noord,En grijpt u aan met scherpgespitste tongen;Verdroogend komt het uit het Oosten voort,En zuigt het voedsel uit uw longen;Het Zuiden zendt samoem u of solaan’,Die zenggloed op uw schedel neêr doen komenHet Westen brengt zijn regenbuijen aan,Om u en bosch en velden te overstroomen.[29]Zij luistren steeds, met schade in vast verbond;Zij zijn gehoorzaam, wijl ze ons graag bedriegen;Zij houden zich of haar de hemel zond,En spreken englentaal, wanneer zij liegen.Maar laat ons gaan; lang is de dag geweken,De lucht gekoeld, de nevel neêrgestreken.Des avonds eerst waardeert men huis en haard …Maar zeg me eens, waar ge toch op staart?Wat doet u in de scheemring zoo ontstellen?FAUST.Ziet gij dien zwarten hond niet door ’t gezaaide snellen?WAGENAAR.Ik zag hem straks reeds; maar verwondert u dat hier?FAUST.Beschouw hem goed; waarvoor houdtgijdat dier?WAGENAAR.Wel, voor een poedel; wis, hij zoekt zijns meesters spoor,Dat hij misschien daar straks verloor.FAUST.Bemerkt gij niet, hoe hij in slangenwindingOns nadert en bereiken zal weldra?En dwaal ik niet, dan volgt een vuurge ontbindingHem op zijn spoor en kringloop na.WAGENAAR.Ik zie een zwarten poedel, en niets meer;’t Zal oogverblinding bij u zijn, mijnheer!FAUST.Het schijnt mij, dat hij langzaam tooverkringenTot hechten band om onze voeten trekt.[30]WAGENAAR.’k Zie hem onzeker en vreesachtig ons omspringen,Nu hij zijn heer niet, maar twee vreemde liên ontdekt.FAUST.De kring wordt eng en enger, zoo ge ziet.WAGENAAR.Het is een hond, en anders niet.Hij kwispelt, knort en legt zich op den buik;Dat is bij honden zoo ’t gebruik.FAUST.Kom, poedel! Kom bij ons! Kom hier!WAGENAAR.’t Is inderdaad een aardig dier:Hij wacht u af, als gij blijft staan;Springt naar u toe, spreekt gij hem aan;Verliest gij wat, hij zal ’t u apporteeren,Ja, uit het water zelfs er mede wederkeeren.FAUST.Gij hadt gelijk: het lag aan mijn gezigt.Het was geen geest; de hond is afgerigt.WAGENAAR.Een hond, wanneer hij goed is gedresseerd,Wordt steeds door een verstandig man begeerd;Wil dus de poedel bij u blijven,Waarom zoudt gij hem dan verdrijven?Zij gaan de stadspoort weder in.[31][Inhoud]Het studeervertrek van Faust.FAUST,met den poedel binnentredende.Verlaten heb ik veld en dreven,Die thans door ’t nachtfloers zijn bedekt;De betre ziel heeft hooger levenNu in ons binnenste opgewekt.De driften slapen met haar woelen,Met al haar last en leed en smart;De menschenmin doet zich gevoelen;De liefde Gods vervult het hart.Wees stil toch, hond! Loop niet zoo heen en weder!Wat snuffelt gij daar bij den drempel nu?Kom! leg u ginder op dat kussen neder,En dat wel daadlijk, zeg ik u!Hoor! Hebt ge buiten, toen we aan ’t wandlen waren,Ons door uw vrolijk springen al vermaakt,Dat is nu uit. Kom thans wat tot bedaren;Hier dient die vrolijkheid gestaakt.Is onze cel bij dag niet helder,Als vriendlijk weêr het lampje brandt,Wordt ons ’t van binnen onbeknelder,En ’t harte los van elken band.[32]De rede vangt weêr aan te spreken;De hoop straalt weder als een zon;Ook smacht men weêr naar ’s levens beken,En meer nog naar des levens bron.Knor niet zoo, poedel! Bij het licht van boven,Dat nu mijn gansche ziel vervult,Wordt geen geknor van dieren hier geduld.Wij zijn, o ja, gewoon dat menschen niet gelooven,Wat voor hun brein in nevel is gehuld;Dat ze over ’tgeen voor hen te hoog is morren:Maar moet een beest, als gij, daarover knorren?Helaas! Ik voel, dat, bij den besten wil,Niets immer onzen weetlust still’.Maar waarom moet de bron zoo ras vervlieten,En mogen wij van haar geen laafnis meer genieten?Dit is reeds me al te zeer bekend;Ik had daarvan reeds lang de ervaring:Daarom de steven nu gewend!Ons harte trekt naar de Openbaring,Die nergens schooner stralen zendtDan uit het Nieuwe Testament.’k Voel in mijn borst een hevig blakenOm nu den grondtekst zelf dit maalTe geven in onze eigen taal,Ten einde tot de waarheid te geraken.Hij slaat een foliant open, en begint.Welaan nu! “In den aanvang was hetwoord!”Hier sta ik reeds; wie helpt mij verder voort?Ik kan dit woord zoo hoog onmooglijk halen,En moet dus anders hier vertalen.O, mogt me een hooger licht bestralen!Misschien dus: “In den aanvang was dezin!”Bedenk, mijn geest, vooral ’t begin,[33]Opdat uw pen hier niet kan falen!Is dan dezinde hoogste magt?O neen; ’k vertaal: “In d’ aanvang was dekracht.”Maar ook, terwijl ik dit hier schrijve,Ontvang ’k een wenk, dat ik daarbij niet blijve.Mij wordt het licht; op eenmaal zie ik raad,En schrijf getroost: “In d’ aanvang was dedaad.”Hoor, hond! ik moet, blijft gij zoo janken,Voor uw gezelschap u bedanken;Geeft ge er niet om, als m’ u verbiedt,Dan wenschte ik dat ge mij verliet.Blijft ge altijd heen en weder loopen,Ga dan maar heen; de deur is open.Een van ons beiden voegt hier niet.Maar hoe? Wat moet ik daar aanschouwen?Durf ik mijne oogen wel vertrouwen?Wat zet hij uit! Mij dunkt, die zaakIs niet regt pluis en in den haak.Hij is de hond van straks niet meer,Maar heeft veel van een ruigen beer.O, welk een spooksel werd mijn buit!Het ziet er reeds gelijk een nijlpaard uit,Met vurige oogen, vreeselijke tanden.O vriendlief, gij zijt in mijn handen!Voor zulk een baksel helsch gebroedIs Salomo’s bezwering goed.GEESTEN,in den gang.Gevangen is een daar binnen;Blijft hier en verroert geen vinnen!Als een vos in den knip,Kijkt hij nu op zijn lip.Maar geeft wel acht!Zweeft heen, zweeft weder,Zweeft op en neder,[34]En hij is uit onze magt.Kan hij ons gerijven,Laat hem dan niet blijven;Want hij heeft voordezenOns veel dienst bewezen.FAUST.Ik moet, om dat dier tot mijn doel te gewinnen,Terstond met de spreuk van het viertal beginnen.Salamander zal gloeijen,Undine zich krommen,Sylphe verstommen,Kobold zich vermoeijen!Wie der elementen krachtNiet kende,En daarbij geen toovermagtAanwendde,Kon der geesten wettenNaar zijn hand niet zetten.Geest des vuurs, ga op in rook!Watergeest, verdwijn gij ook!Geest der lucht, zoo schoon en vrij,Sta met uwe hulp ons bij!Geest der aarde,Kobold, Gnomen,Wil ook gij te voorschijn komen!Geen van deze vierSteekt in het dier.Daar ligt het stil en grijnst mij aan.Ik heb hem nog geen leed gedaan;Maar ’k zal hem wel leerenEn sterker bezweren.[35]Zeg! Zijt gij, gezel,Een vlugtling der hel,Zoo zie dan dit teeken,Waarvoor steeds bezwekenDe duistere scharen!O zie, hoe hij opzwelt met borstlige haren!Ellendig wezen!Kunt gij hem vreezen,Den nooit ontsprotene,Onuitgesprokene,In alle heemlen beslotene,Schandlijk doorstokene?Ginds, tusschen kagchel en wand,Zwelt hij als een olifant;Hij zet zich al meer en meer uit;Een nevel omringt reeds zijn huid.Houd nu maar op; niet verder meer!Kom, leg u bij uw meester neêr!Ik dreig niet vruchtloos, zoo gij ziet;’k Verzeng u met een heilig vuur;O, wacht het gloeijend licht dus niet,Waarmeê ik driemaal u ommuur!Wacht niet van mij, in plaats van gunsten,De sterkste mijner tooverkunsten!MEPHISTOPHELES.treedt, terwijl de nevel neêrzakt, gekleed als een reizende student, achter de kagchel te voorschijn.Dat is genoeg zoo, op mijne eer!Wat is er van uw dienst, mijnheer?FAUST.Dat was de kern dus van dien hond?Een reizende student? Dat had ik moeten weten![36]MEPHISTOPHELES.Ontvang mijn welkomstgroet terstond;Gij hebt mij niet gering doen zweeten!FAUST.Hoe noemt gij u?MEPHISTOPHELES.Hoe noemt gij u?Dees vraag vind ik niet fijnVoor iemand, die niet op het Woord wil bouwen;Die, wars van zinbedrog en schijn,Slechts ’t wezen in zijn diepte wil beschouwen.FAUST.Bij u en de uwen kan men ’t wezenGewoonlijk uit den naam reeds lezen,Daar elk terstond uw doen en laten weet,Als m’ u Beëlzebub, Verderver, Loognaar heet.Maar kort en goed: wie zijt ge?MEPHISTOPHELES.Maar kort en goed: wie zijt ge?Ik ben een deel der kracht,Die ’t kwade wil, doch door wie ’t goed wordt voortgebragt.FAUST.Wat meent gij met dit raadselwoord?MEPHISTOPHELES.Ik ben de geest, die alles steeds verstoort;En dat met regt; want al, wat ooit ontstaat,Is waard dat het te gronde gaat:’t Waar’ beter daarom dat het niet ontstonde.Zoo is dus alles, wat ge als zonde,Bedrog, kortom, als ’t booze erkent,Mijn leven en mijn element.[37]FAUST.Gij noemdet u daar straks eendeel,En toch, ik zie u hiergeheel?MEPHISTOPHELES.Ik spreek eenvoudig waarheid, en niets meer;Het is zoo als ik zeg, mijnheer!Moge ook het menschdom, met zijn waan en grillen,Voor eengeheelzich houden willen,Ik ben een deel des deels, dat alles in zich sloot,Een deel der duisternis, waaruit het licht ontsproot,Het licht, dat moeder Nacht, met alle listen,Den ouden rang en eerplaats wil betwisten,Maar vruchtloos, daar het zooveel mooglijk streeft,Dat het als vastgehecht aan ’t ligchaam kleeft.Het stroomt het ligchaam uit, doet dit in glans verschijnen,Een ligchaam stremt het in zijn loop,En ’t zal zoo lang niet duren, zoo ik hoop,Of met het ligchaam zal het eens verdwijnen.FAUST.Nu ken ik uwe lieve pligten!Gij kunt in ’t groot geen kwaad verrigten,En vangt dit in het klein dus aan.MEPHISTOPHELES.En toch is juist niet veel daarmeê gedaan.Wat aan hetnietshet hoofd ook bied’,Dees plompe wereld, ’t stoflijkiet,—Hoe veel ’k ook reeds heb ondernomen,Ik wist haar nooit te na te komenMet golven, stormen, schokken, brand—Kalm bleef toch eindlijk zee en land.En dat vervloekte tuig, dat dier- en menschgebroed,Daarmede kan ik niets beginnen.[38]Hoe velen palmde ik niet al binnen,En altijd stroomt een nieuw en frisscher bloed.Zoo gaat het voort, hoe weinig men ook spaarde.Uit lucht, uit water en uit de aardeOntwikkelt kiem bij kiem zich achtereen;’t Was weinig wat mijne oogen niet aanschouwden.Zoo ik mij niet de vlam had voorbehouden,Ik had niets voor mijzelv’ alleen.FAUST.Dus wildet gij de Magt der magtenBestrijden, schoon zij eeuwig schept,Met uwe kleine duivelskrachten,Waarmeê ge vruchteloos u rept?O, zie wat anders te beginnen,Gij wonderlijke chaos-man!MEPHISTOPHELES.’k Zal inderdaad mij eens bezinnen;Een andermaal iets meer daarvan!Maar mag ik thans u wel verlaten?FAUST.Mij dunkt, dat is geen vragenswaard;Ik heb u nu toch in de gaten.Kom vrij terug, als ’t vreugde u baart.Hier is het venster, daar de deur;Een schoorsteen is hier ook voorhanden.MEPHISTOPHELES.Ja, maar ’t verlaten dezer wandenStaat niet zoo daadlijk in mijn keur.De Drudenvoet daar op uw drempel.….FAUST.Dat pentagram houdt u terug?[39]Maar zeg mij dan, gij hel-exempel,Hoe kwaamt gij hier dan straks zoo vlug?Wat kon een geest, als u, hier in den val zoo lokken?MEPHISTOPHELES.Beschouw het wel! Het is niet goed getrokken.Die eene hoek, daar aan de buitenzij,Is, zoo gij ziet, een weinig open.FAUST.Dat heeft het toeval in uw nadeel zoo doen loopen,En mijn gevangene zijt gij;Ja, dat zijn van die vreemde dingen!MEPHISTOPHELES.De poedel merkte niets, toen hij kwam binnenspringen.Nu is de zaak geheel verbruid:De duivel kan het huis niet uit!FAUST.Maar waarom gaat gij niet door ’t venster klimmen?MEPHISTOPHELES.Het is een wet voor helsche schimmen,Dat de ingang, die ze bragt in een vertrek,Ze ook wederom tot uitgang strekk’.In ’t eerste zijn wij vrij; bij ’t andre zijn wij knechten.FAUST.Dus heeft ook zelfs de hel haar regten?Dat vind ik goed; dan liet zich een accoord,En zeker wel met u, o heeren sluiten?MEPHISTOPHELES.Men houdt wat men belooft; niets gaat daarbuiten;Zoo is de zaak als zij behoort.[40]Maar dat is niet in eens zoo uit te leggen;Daarvan dus op een andren keer!Maar nu verzoek ik u, mijnheer,Voor ditmaal u vaarwel te mogen zeggen!FAUST.O, blijf nog even, om mij vlug,Zoo ’t kan, mijn horoskoop te lezen!MEPHISTOPHELES.Laat mij nu vrij; ik kom weldra terug;Dan antwoord ik, hoe veel ’t moog’ wezen.FAUST.Gijbragt u zelf hier binnen, en nietik,En liept vrijwillig in den strik.Hij houdt den duivel, die hem eenmaal mogt erlangen,Daar men hem niet zoo ligt ten tweede maal zal vangen.MEPHISTOPHELES.O, gaarne wil ik, zoo dit u verblijdt,Voor uw gezelschap hier wat blijven;Doch met beding om u den tijdDoor mijne kunsten waardig te verdrijven.FAUST.Ik mag dit wel, en ’t staat u vrij,Mits slechts de kunst behaaglijk zij.MEPHISTOPHELES.Gij zult, mijn vriend, voor uwe zinnenIn dit half uurtje meer gewinnenDan anders in een jaargetij.Wat u de geesten doen aanschouwen,De zangen, die ze uw oor vertrouwen,Zij zijn geen ijdel tooverspel.[41]Ook uw gehemelt’ zal men streelen,Uw reuk zal in ’t genoegen deelen;En dan verrukt zich uw gestel.Geen toebereidsel hoeft vooraf te gaan;Wij zijn bijeen. Komt, geesten! vangt maar aan!GEESTEN.Weg nu, bestovenZoldring daarboven!Heerlijker stareVriendlijk de klareEther hier neêr!Ware het donkerWolkfloers geweken,’t SterrengeflonkerZou niet verbleeken,Tot ons zou spreken’t Hemelsche heer.Godlijke zonen,Heerlijke schoonen,Wie zich vertoonen,Zweeft hier voorbij;Smachtend verlangen,Volg gij de rij.Prachtige kleêren,Linten en veêren,Ziet men bedekkenZalen, vertrekken,Andere plekken,Onder abeelenEn in prieelen,Waar in gedachtenMinnenden smachten.Heerlijke druiven,Werp, als gij rijp zijt,U in den persbak![42]Schuimende wijnenStorten in beken,Midden door godlijke,Heerlijke streken,Laten de bergenAchter zich liggen,Breiden tot geurigeMeren zich uit.En het gevogelteKlapwiekt het zonlicht,Vliegt de verruklijkeEilanden tegen,Die zich op golfjesDobbrend bewegen;Waar wij de korenJuichende hooren,Of in landouwenDansers aanschouwen,Die spelemeijenOf zich verspreijen.Deze beklimmenBergen en boomen;Anderen zwemmenOver de stroomen;Anderen zwevenAl tot het leven;Al om een verre,Minnende sterreHulde te biên.MEPHISTOPHELES.Hij ’s ingesluimerd! Goed zoo, beste jongen!Gij, geesten, hebt hem trouw in slaap gezongen;Voor dit concert sta ik bij u in ’t krijt.Ja, Faust! ik wist wel, dat ge nog de man niet zijtOm zoo gemakkelijk den duivel in te toomen.[43]Wat droomgegoochel, en gij zijt hem kwijt.Maar om thans hier van daan te komen,Moet mij een rat ten dienste staan.Waar haal ik nu zoo’n beest op eens van daan?Maar stil! Daar hoor ’k er een; ik zal zijn les hem leeren,En hem maar dadelijk bezweren.De heer der muizen en der ratten,Der vliegen, torren, kikkers, katten,Beveelt u daadlijk op te dagenEn gindschen drempel te doorknagen,En dat terstond wel en op slag!Ah zie! Daar komt ge al voor den dag!Nu frisch aan ’t werk! Wat mij hier bantZit heel vooraan, aan d’ andren kant.Één beet nog, en het is geschied!Droom voort nu, Faust, tot gij mij wederziet.FAUST,wakker wordende.Ben ik dan andermaal bedrogen?Verdween aldus de magt, die zoo in slaap mij zong?Heeft mij een droom de duivel voorgelogen,Of was het slechts een poedel, die me ontsprong?[44]

[Inhoud]Buiten de poort.Allerlei wandelaars komen er uit.EENIGE WINKELBEDIENDEN.Waarom dien weg nu op?ANDEREN.Wij gaan naar ’t Jagershuis op gindschen top.DE EERSTEN.Wij wandelen naar ’t Groene Laantje.EEN WINKELBEDIENDE.Kom, ga met mij naar de Eendenkooi!EEN TWEEDE.De weg daarheen is niet heel mooi.EEN DERDE.En wat doet gij?EEN VIERDE.En wat doet gij?Ik ga met Piet naar ’t Zwaantje.EEN VIJFDE.Ga meê naar Burgdorf! Bij dien herbergierZijn mooije meisjes en uitstekend bier;[18]Men heeft er altijd veel pleizier.EEN ZESDE.Gij, lieve jongen, wilt er weêr naar toe?Zijt gij die gekheid nog niet moê?Ik ga niet meê; ik weet wel wat ik doe.EEN DIENSTMEISJE.Neen, ’k ga niet verder, Pieternel!EEN ANDER.Die lindeboom, daar zal hij zeker bij staan.DE EERSTE.Ja, meisje! maar ik vat het wel:Hij zal met u en niet met mij gaan.Gij danst en springt, nu daar, dan hier:Ik vraag: wat raakt mijuwpleizier?DE ANDERE.Maar heden heeft hij zeker iemand bij zich;Hij sprak mij van Martinus Rijzig.EEN STUDENT,tot een anderen.Vertikt, wat snappen daar die meiden!Kom, vriendlief, kom! Wij moeten ze geleiden!Een goed glas bier, een lekkere cigaar,Een lieve meid—dan ben ik kant en klaar.EENE BURGERDOCHTER,tot eene vriendin.Die knappe jongens! ’k Wil niet zwijgen!Mijn Hemel, welk een smaak is dat!Zij konden mij voor ’t vragen krijgen,En volgen nu die meiden op haar pad.TWEEDE STUDENT,tot den eersten.Zoo gaauw niet, vriend! Daar ginds komt nog een paar[19]Ze zijn heel proper in de nopjes.Die eene woont bij Kouwenaar;’t Is een van de allerliefste popjes.Zij gaan daar wel heel stemmig voort,Maar nemen ons toch zeker meê aan boord.DE EERSTE.Neen, vriendlief, neen! Ik ben niet gaarne gegeneerd.Toe gaauw! Dat wildbraad moet men ons niet stelen.De hand, die ’s zaturdags de glazenspuit hanteert,Zal zondags u het beste streelen.EEN BURGER,tot een paar anderen.Neen, hij bevalt mij niet, de nieuwe burgemeester;Sinds wij hem hebben, is haast nooit een feest er.En voor de stad—wat doet hij dan?’t Wordt immers erger alle dagen?Men mag niet eens zijn nood hem klagen;Want die dit waagt, die lust er van.EEN BEDELAARzingt.Och, goede heeren, lieve vrouwen!Ik ben bejaard en ’t leven moê.O, wilt mij armen man aanschouwen,En reikt een kleine gift mij toe!Laat mildheid uwe hand bestieren!Slechts hij is blij, die geven mag.Een dag, dien alle menschen vieren,Zij ook voor mij een blijde dag!TWEEDE BURGER.Niets beter weet ik op zoo’n dag, als thans,Dan over vechten wat te praten,Zoo als, bij de eene of andre schans,Door Deensche en Pruissische soldaten.Men staat aan ’t venster, drinkt zijn glaasje eens uit,[20]En ziet de menschen wandelen of rijden;Men keert weêr huiswaarts tot besluit,En zegent vrede en vredestijden.DERDE BURGER.Ja, buurman! zoo vind ik het ook.Laat anderen zoo veel zij willen kijven;Laat vreemde volken overgaan in rook;Maar hier moet het bij ’t oude blijven.EEN OUD WIJF,tegen de eene burgerdochter.Wel, lieve kind, hoe opgedrild!Gij houdt uw schoonheid niet verborgen.Ik weet wel wat gij zoekt en wilt:Mag ik u dat bezorgen?BURGERDOCHTER.Weg, oude Trui! Ik zorg er voor, met liênAls u mij niet weêr in te laten:Gij liet laatst een beminde in ’t koffijdik mij zien;Maar ’k zag genoeg, en liet u praten.DE ANDERE BURGERDOCHTER.Mij toonde zij een minnaar in kristal,Als een soldaat, met andre zijner vrinden:’k Zoek hier en daar, ik zoek hem overal;Maar wat ik zoek, ik kan hem nergens vinden.SOLDATEN.Burgen met hoogeMuren en tinnen,Meisjes met trotsche,Honende zinnen,Willen wij winnen,Stout is het pogen,Heerlijk het loon.[21]En de trompettenLaten wij werven,Zoo tot de vreugdeAls tot verderven.Dat is een stormen,Dat is gewin!Meisjes en burgenNemen wij in.Stout is het pogenVan den soldaat,En wij in ’t eindePoetsen de plaat.FAUST en WAGENAAR.FAUST.Van ijs bevrijd zijn beek en stroomenDoor d’ adem van het lentsaizoen:Alom ontluikt het malsche groen;De winter, hier ten eind gekomen,Gaat zich naar ruwer oorden spoên.Wel zendt hij, in zijn laatsten snik,Nog sneeuw en hagel enkle dagen;Maar ’t zonlicht kan geen wit verdragen,En weg is ’t in een oogenblik.Men ziet alom een welig tieren;’t Wil alles zich met kleuren sieren:Maar bloemen, neen, die zijn hier niet;’t Zijn bonte menschen, die gij ziet.Keer u eens om—wij zijn nu boven—En zie eens naar de stad terug!Men zou het waarlijk niet gelooven:’t Komt al de poort uit, langs de brug.Men loopt er praten, lagchen, tieren,En dat heet nu het Paaschfeest vieren,[22]Het hoogtij der Verrijzenis!Maar toch, zij hebben ’t niet zoo mis;Want zij zijn zelve thans verrezen.Uit muffe kamers, donkre holen,Omringd van goten en riolen,Of waar ze ook anders zamenscholen,Zijn zij, als uit een kerkernacht,Op eenmaal aan het licht gebragt.Zie, zie maar eens hun loopen, dringen,Door bosch en beemd en velden heen!Zie zich die bootjes, groot en kleen,Op ’t gindsche beekje voorwaarts wringen!Daar roeit een schuitje om gindschen hoek;Het is tot zinkens toe geladen;En zelfs op verre heuvelpadenZiet men nog menig bonten doek.Reeds hoor ik in het dorp ’t gewemel;Hier vindt het volk zijn waren hemel.Tevreden juicht nu groot en kleen:Hier ben ik mensch, ja hier alleen.WAGENAAR.Als ik u, doctor, zoo wijsgeerig hoor verhandlen,Smaak ik het grootst genoegen, dat ik ken;Maar ’k zou alleen hier toch niet willen wandlen,Daar ik een vijand van gemeenheid ben.Dat zingen, springen, razen, tieren,Staat me altijd tegen, maakt mij bang;Zij gaan te werk als wilde dieren;En dat heet vreugde, ’t heet gezang!BOEREN,onder een lindeboom.Dans en gezang.De herder tooide zich ten dans;Met strikken, kwikken, lint en kransTrok hij nu aller oogen.[23]’t Was op het grastapijt reeds vol,En alles sprong in ’t rond als dol;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)’t Was alles opgetogen.Hij spoedde haastig zich er bij;Hij stiet een meisje in hare zij,En staarde haar in de oogen.Zij keerde zich verbolgen om,En zeide: Nu, dat vind ik dom;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)Wees wat meer ingetogen!Maar vrolijk danste men in ’t rond;Men raakte naauw den groenen grond,En alle rokken vlogen.Men werd er rood, men werd er warm;Men drukte al dansend arm aan arm,(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)En heup aan ellebogen.En hiermeê was het nog niet uit.Hoe menig heeft niet meisje of bruidBelogen en bedrogen!Hij lokte haar dan van dat oord,En van het grasperk klonk het voort:Fideldei, fideldool!Met fluit en viool;Men bleef er opgetogen.EEN OUDE BOER.Kijk, doctor! dat bevalt mij nu,Dat gij op zulk een feestdag u,[24]Daar al het volkje is op de been,Zoo familjaar begeeft hierheen.Neem dan ook nu den schoonsten beker,Gevuld met echten rooden bleeker!’k Wensch dat de wijn uit deze fleschThans niet alleen den dorst u lesch’,Maar zoo veel dagen, als hij droppels moge geven,Nog toegevoegd zijn aan uw leven!FAUST.Volgaarne aanvaard ik dezen drank.Ontvangt gij allen mijnen dank!Het volk verzamelt zich in een kring om hen heen.DE OUDE BOER.Voorzeker, het is welgedaan,Dat ge op dit feestgetij verschijnt:Gij meende ’t altijd met ons goed;Wij waren anders weggekwijnd.O, menig is er onder ons,Die nog uw vader heeft gekend;Hij was altijd met hulp nabij,En overwon de ziekte in ’t end.En ook gij zelf—gij waart nog jong—Gingt ieder gasthuis in en uit,Maar wie ook leven bleef of stierf,Gij zelf werdt nooit den dood ten buit.Men moest om uwen vlijt u loven;Den helper helpt de Helper boven.ALLEN.Gezondheid zulk een braven heer!Hij helpe ook ons nog menig keer!FAUST.Blijft Hem daarboven steeds gedenken,[25]Die helpen leert en hulp kan schenken.Hij gaat met Wagenaar verder.WAGENAAR.Welk een gevoel, o groote man,Moet u bij zulk een lof niet streelen!Heil d’ enkele, die onder velenZich zulk een roem verwerven kan!Men wijst hem aan met luider kelen,En ieder vraagt en snelt en dringt;’t Houdt alles op wat speelt en zingt.Gij gaat; men blijft in rijen staan.De mutsen vliegen dan voor u omhoog;’t Scheelt weinig, dat men ook zijn knie nog boog,Als kwam de priester met het hoogeerwaardige aan.FAUST.Slechts weinig schreden nog naar gindschen steen;Daar zullen wij van onze wandeling wat rusten.Hier zat ik vaak al mijmerend alleen,En bad om kracht tot dooden mijner lusten.Vast in geloof en rijk aan hoop,Met tranen, zuchten, handenwringen,Dacht ik het einde van dien ziekteloopVan God daarboven af te dwingen.De volksgunst klinkt mij slechts als hoon.O, kondet ge in mijn boezem lezen,Hoe evenmin de vader als de zoonZulk een vereering waard mogt wezen!Mijn vader was een somber peinzend man,Die over de natuur en hare heilge wettenSteeds nadacht, maar wat toch niet kon beletten,Dat nooit iets strookte met zijn plan;Die in gezelschap van adeptenZich in de zwarte keuken sloot,[26]En na oneindige receptenHet aakligst brouwsel zamengoot.Daar werd een roode leeuw, een bram der brammen,In ’t mengsel aan een lelie uitgehuwd,En beide dan, omringd van vuur en vlammen,Uit de eene bruidzaal in eene andere gestuwd.Verscheen daarop in bonte vervenDe jonge koningin in ’t glas,Dan was dit de artsenij; de lijders zag men sterven,En niemand was er, die genas.Zoo hebben wij, als duivels, menigmalenIn dit gebergte, in deze dalen,Veel erger dan de pest gewoed.Ik zelf, ik heb ’t vergift aan duizenden gegeven:Zij kwijnden weg; nu moet ik nog beleven,Dat men mij als een menschenvriend begroet!WAGENAAR.Maar hoe kunt gij daarover u bedroeven?Doet niet een brave man genoeg,De kunst, die men hem overdroeg,Naar best vermogen te beproeven?Hij, die als jongeling zijn vader eert,Wordt door hem liefderijk ontvangen;Zoo gij, als man, de wetenschap vermeert,Kan eens uw zoon een hooger doel erlangen.FAUST.Gelukkig wie nog hopen kan, in ’t endUit deze zee van dwaling op te duiken!Wat men niet weet, dat had men graag gekend,En wat men weet, dat kan men niet gebruiken.Maar laten we ons nu in dit avonduurNiet pijnigen door sombre mijmeringen!Beschouwen wij de kalmte der natuur,Die hutten tusschen gindsche heuvelklingen![27]De zon daalt neêr; ten einde spoedt de dag;Daar zinkt zij weg, en eischt een nieuw herleven.O, dat geen vleugel me opwaarts heffen mag,Om haar nabij en meer nabij te streven!Dan zag ik in een heerlijke avondprachtDe wereld kalm en stil aan mijne voeten,De bergen roodgetopt, de dalen als in nacht,Het zilvren beekje een grootren stroom ontmoeten.Niets dat zich dan aan mijn gezigt onttoog:’k Zag ’t wild gebergte met zijn kloven, krochten.Reeds doet de zee, met al haar bogten,Zich op voor ons verwonderd oog.Maar zie! Nu is de daggodin verzonken.Alleen de nieuwe drift ontwaakt met nieuwe kracht.’k Snel heen, opdat haar licht mij moge ontvonken;Vóór mij de dag, en achter mij de nacht!De hemel boven mij, en onder mij de baren:Een schoone droom, maar die te ras vervliet.Ach! aan de vleuglen van den geest zal nietEen vleugel van zijn hulsel ligt zich paren!Toch is het ieder ingeboren,Dat zijn gevoel al voor- en voorwaarts dringt,Als boven ons, in ’t groene loof verloren,De leeuwerik zijn lenteloflied zingt;Als hooger, boven rots en wolken,Met breede wieken de arend zweeft,Of lager, over meer en kolken,Zich de eiber naar zijn zomerkamp begeeft.WAGENAAR.Ook ik had wel eens dichterlijke droomen,Maar zóó iets is mij nooit nog overkomen.Men ziet zich gaauw aan bosch en velden zat.Den vogel zal ’k zijn vlerken niet benijden;Ook kan men met iets anders zich verblijdenDan met een beuke- of wilgeblad.[28]Des winters, in een kring, vervliegen de uren,Verwarmt ons spel en kout en wijn;Maar gij—als gij een arend na kunt turen,Verbeeldt ge u in den hemel zelf te zijn.FAUST.Gij kent maar ééne drift, en ’k vind het goed.O, leer toch nooit eene andre kennen!Twee driften zetelen inmijngemoed,En kunnen zich niet aan elkaâr gewennen.Mijn eene drift klemt zich aan de aarde vast,En kan haar schijnschoon niet ontberen;Mijn andere beschouwt dit als een last,En windt zich op tot hooger spheren.O, zijn er geesten in dien boog,Die tusschen aarde en hemel zich bewegen,Zoo daalt dan neder van omhoog,En voert mij in uw kring tot rijker zegen!Ja, zoo ik slechts een toovermantel had,Die me overdroeg naar Thebe of Memnons zuilen,’k Zou hem niet voor den allergrootsten schat,Ja, voor geen koningsmantel ruilen.WAGENAAR.O, laat haar rusten, die bekende schaar,Die in den nevelstroom zich steeds verbreid heeft,Het menschdom duizendvoud gevaarOp allerlei manier bereid heeft!Als vinnige ijsklaauw nadert het van ’t Noord,En grijpt u aan met scherpgespitste tongen;Verdroogend komt het uit het Oosten voort,En zuigt het voedsel uit uw longen;Het Zuiden zendt samoem u of solaan’,Die zenggloed op uw schedel neêr doen komenHet Westen brengt zijn regenbuijen aan,Om u en bosch en velden te overstroomen.[29]Zij luistren steeds, met schade in vast verbond;Zij zijn gehoorzaam, wijl ze ons graag bedriegen;Zij houden zich of haar de hemel zond,En spreken englentaal, wanneer zij liegen.Maar laat ons gaan; lang is de dag geweken,De lucht gekoeld, de nevel neêrgestreken.Des avonds eerst waardeert men huis en haard …Maar zeg me eens, waar ge toch op staart?Wat doet u in de scheemring zoo ontstellen?FAUST.Ziet gij dien zwarten hond niet door ’t gezaaide snellen?WAGENAAR.Ik zag hem straks reeds; maar verwondert u dat hier?FAUST.Beschouw hem goed; waarvoor houdtgijdat dier?WAGENAAR.Wel, voor een poedel; wis, hij zoekt zijns meesters spoor,Dat hij misschien daar straks verloor.FAUST.Bemerkt gij niet, hoe hij in slangenwindingOns nadert en bereiken zal weldra?En dwaal ik niet, dan volgt een vuurge ontbindingHem op zijn spoor en kringloop na.WAGENAAR.Ik zie een zwarten poedel, en niets meer;’t Zal oogverblinding bij u zijn, mijnheer!FAUST.Het schijnt mij, dat hij langzaam tooverkringenTot hechten band om onze voeten trekt.[30]WAGENAAR.’k Zie hem onzeker en vreesachtig ons omspringen,Nu hij zijn heer niet, maar twee vreemde liên ontdekt.FAUST.De kring wordt eng en enger, zoo ge ziet.WAGENAAR.Het is een hond, en anders niet.Hij kwispelt, knort en legt zich op den buik;Dat is bij honden zoo ’t gebruik.FAUST.Kom, poedel! Kom bij ons! Kom hier!WAGENAAR.’t Is inderdaad een aardig dier:Hij wacht u af, als gij blijft staan;Springt naar u toe, spreekt gij hem aan;Verliest gij wat, hij zal ’t u apporteeren,Ja, uit het water zelfs er mede wederkeeren.FAUST.Gij hadt gelijk: het lag aan mijn gezigt.Het was geen geest; de hond is afgerigt.WAGENAAR.Een hond, wanneer hij goed is gedresseerd,Wordt steeds door een verstandig man begeerd;Wil dus de poedel bij u blijven,Waarom zoudt gij hem dan verdrijven?Zij gaan de stadspoort weder in.[31]

Buiten de poort.Allerlei wandelaars komen er uit.EENIGE WINKELBEDIENDEN.Waarom dien weg nu op?ANDEREN.Wij gaan naar ’t Jagershuis op gindschen top.DE EERSTEN.Wij wandelen naar ’t Groene Laantje.EEN WINKELBEDIENDE.Kom, ga met mij naar de Eendenkooi!EEN TWEEDE.De weg daarheen is niet heel mooi.EEN DERDE.En wat doet gij?EEN VIERDE.En wat doet gij?Ik ga met Piet naar ’t Zwaantje.EEN VIJFDE.Ga meê naar Burgdorf! Bij dien herbergierZijn mooije meisjes en uitstekend bier;[18]Men heeft er altijd veel pleizier.EEN ZESDE.Gij, lieve jongen, wilt er weêr naar toe?Zijt gij die gekheid nog niet moê?Ik ga niet meê; ik weet wel wat ik doe.EEN DIENSTMEISJE.Neen, ’k ga niet verder, Pieternel!EEN ANDER.Die lindeboom, daar zal hij zeker bij staan.DE EERSTE.Ja, meisje! maar ik vat het wel:Hij zal met u en niet met mij gaan.Gij danst en springt, nu daar, dan hier:Ik vraag: wat raakt mijuwpleizier?DE ANDERE.Maar heden heeft hij zeker iemand bij zich;Hij sprak mij van Martinus Rijzig.EEN STUDENT,tot een anderen.Vertikt, wat snappen daar die meiden!Kom, vriendlief, kom! Wij moeten ze geleiden!Een goed glas bier, een lekkere cigaar,Een lieve meid—dan ben ik kant en klaar.EENE BURGERDOCHTER,tot eene vriendin.Die knappe jongens! ’k Wil niet zwijgen!Mijn Hemel, welk een smaak is dat!Zij konden mij voor ’t vragen krijgen,En volgen nu die meiden op haar pad.TWEEDE STUDENT,tot den eersten.Zoo gaauw niet, vriend! Daar ginds komt nog een paar[19]Ze zijn heel proper in de nopjes.Die eene woont bij Kouwenaar;’t Is een van de allerliefste popjes.Zij gaan daar wel heel stemmig voort,Maar nemen ons toch zeker meê aan boord.DE EERSTE.Neen, vriendlief, neen! Ik ben niet gaarne gegeneerd.Toe gaauw! Dat wildbraad moet men ons niet stelen.De hand, die ’s zaturdags de glazenspuit hanteert,Zal zondags u het beste streelen.EEN BURGER,tot een paar anderen.Neen, hij bevalt mij niet, de nieuwe burgemeester;Sinds wij hem hebben, is haast nooit een feest er.En voor de stad—wat doet hij dan?’t Wordt immers erger alle dagen?Men mag niet eens zijn nood hem klagen;Want die dit waagt, die lust er van.EEN BEDELAARzingt.Och, goede heeren, lieve vrouwen!Ik ben bejaard en ’t leven moê.O, wilt mij armen man aanschouwen,En reikt een kleine gift mij toe!Laat mildheid uwe hand bestieren!Slechts hij is blij, die geven mag.Een dag, dien alle menschen vieren,Zij ook voor mij een blijde dag!TWEEDE BURGER.Niets beter weet ik op zoo’n dag, als thans,Dan over vechten wat te praten,Zoo als, bij de eene of andre schans,Door Deensche en Pruissische soldaten.Men staat aan ’t venster, drinkt zijn glaasje eens uit,[20]En ziet de menschen wandelen of rijden;Men keert weêr huiswaarts tot besluit,En zegent vrede en vredestijden.DERDE BURGER.Ja, buurman! zoo vind ik het ook.Laat anderen zoo veel zij willen kijven;Laat vreemde volken overgaan in rook;Maar hier moet het bij ’t oude blijven.EEN OUD WIJF,tegen de eene burgerdochter.Wel, lieve kind, hoe opgedrild!Gij houdt uw schoonheid niet verborgen.Ik weet wel wat gij zoekt en wilt:Mag ik u dat bezorgen?BURGERDOCHTER.Weg, oude Trui! Ik zorg er voor, met liênAls u mij niet weêr in te laten:Gij liet laatst een beminde in ’t koffijdik mij zien;Maar ’k zag genoeg, en liet u praten.DE ANDERE BURGERDOCHTER.Mij toonde zij een minnaar in kristal,Als een soldaat, met andre zijner vrinden:’k Zoek hier en daar, ik zoek hem overal;Maar wat ik zoek, ik kan hem nergens vinden.SOLDATEN.Burgen met hoogeMuren en tinnen,Meisjes met trotsche,Honende zinnen,Willen wij winnen,Stout is het pogen,Heerlijk het loon.[21]En de trompettenLaten wij werven,Zoo tot de vreugdeAls tot verderven.Dat is een stormen,Dat is gewin!Meisjes en burgenNemen wij in.Stout is het pogenVan den soldaat,En wij in ’t eindePoetsen de plaat.FAUST en WAGENAAR.FAUST.Van ijs bevrijd zijn beek en stroomenDoor d’ adem van het lentsaizoen:Alom ontluikt het malsche groen;De winter, hier ten eind gekomen,Gaat zich naar ruwer oorden spoên.Wel zendt hij, in zijn laatsten snik,Nog sneeuw en hagel enkle dagen;Maar ’t zonlicht kan geen wit verdragen,En weg is ’t in een oogenblik.Men ziet alom een welig tieren;’t Wil alles zich met kleuren sieren:Maar bloemen, neen, die zijn hier niet;’t Zijn bonte menschen, die gij ziet.Keer u eens om—wij zijn nu boven—En zie eens naar de stad terug!Men zou het waarlijk niet gelooven:’t Komt al de poort uit, langs de brug.Men loopt er praten, lagchen, tieren,En dat heet nu het Paaschfeest vieren,[22]Het hoogtij der Verrijzenis!Maar toch, zij hebben ’t niet zoo mis;Want zij zijn zelve thans verrezen.Uit muffe kamers, donkre holen,Omringd van goten en riolen,Of waar ze ook anders zamenscholen,Zijn zij, als uit een kerkernacht,Op eenmaal aan het licht gebragt.Zie, zie maar eens hun loopen, dringen,Door bosch en beemd en velden heen!Zie zich die bootjes, groot en kleen,Op ’t gindsche beekje voorwaarts wringen!Daar roeit een schuitje om gindschen hoek;Het is tot zinkens toe geladen;En zelfs op verre heuvelpadenZiet men nog menig bonten doek.Reeds hoor ik in het dorp ’t gewemel;Hier vindt het volk zijn waren hemel.Tevreden juicht nu groot en kleen:Hier ben ik mensch, ja hier alleen.WAGENAAR.Als ik u, doctor, zoo wijsgeerig hoor verhandlen,Smaak ik het grootst genoegen, dat ik ken;Maar ’k zou alleen hier toch niet willen wandlen,Daar ik een vijand van gemeenheid ben.Dat zingen, springen, razen, tieren,Staat me altijd tegen, maakt mij bang;Zij gaan te werk als wilde dieren;En dat heet vreugde, ’t heet gezang!BOEREN,onder een lindeboom.Dans en gezang.De herder tooide zich ten dans;Met strikken, kwikken, lint en kransTrok hij nu aller oogen.[23]’t Was op het grastapijt reeds vol,En alles sprong in ’t rond als dol;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)’t Was alles opgetogen.Hij spoedde haastig zich er bij;Hij stiet een meisje in hare zij,En staarde haar in de oogen.Zij keerde zich verbolgen om,En zeide: Nu, dat vind ik dom;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)Wees wat meer ingetogen!Maar vrolijk danste men in ’t rond;Men raakte naauw den groenen grond,En alle rokken vlogen.Men werd er rood, men werd er warm;Men drukte al dansend arm aan arm,(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)En heup aan ellebogen.En hiermeê was het nog niet uit.Hoe menig heeft niet meisje of bruidBelogen en bedrogen!Hij lokte haar dan van dat oord,En van het grasperk klonk het voort:Fideldei, fideldool!Met fluit en viool;Men bleef er opgetogen.EEN OUDE BOER.Kijk, doctor! dat bevalt mij nu,Dat gij op zulk een feestdag u,[24]Daar al het volkje is op de been,Zoo familjaar begeeft hierheen.Neem dan ook nu den schoonsten beker,Gevuld met echten rooden bleeker!’k Wensch dat de wijn uit deze fleschThans niet alleen den dorst u lesch’,Maar zoo veel dagen, als hij droppels moge geven,Nog toegevoegd zijn aan uw leven!FAUST.Volgaarne aanvaard ik dezen drank.Ontvangt gij allen mijnen dank!Het volk verzamelt zich in een kring om hen heen.DE OUDE BOER.Voorzeker, het is welgedaan,Dat ge op dit feestgetij verschijnt:Gij meende ’t altijd met ons goed;Wij waren anders weggekwijnd.O, menig is er onder ons,Die nog uw vader heeft gekend;Hij was altijd met hulp nabij,En overwon de ziekte in ’t end.En ook gij zelf—gij waart nog jong—Gingt ieder gasthuis in en uit,Maar wie ook leven bleef of stierf,Gij zelf werdt nooit den dood ten buit.Men moest om uwen vlijt u loven;Den helper helpt de Helper boven.ALLEN.Gezondheid zulk een braven heer!Hij helpe ook ons nog menig keer!FAUST.Blijft Hem daarboven steeds gedenken,[25]Die helpen leert en hulp kan schenken.Hij gaat met Wagenaar verder.WAGENAAR.Welk een gevoel, o groote man,Moet u bij zulk een lof niet streelen!Heil d’ enkele, die onder velenZich zulk een roem verwerven kan!Men wijst hem aan met luider kelen,En ieder vraagt en snelt en dringt;’t Houdt alles op wat speelt en zingt.Gij gaat; men blijft in rijen staan.De mutsen vliegen dan voor u omhoog;’t Scheelt weinig, dat men ook zijn knie nog boog,Als kwam de priester met het hoogeerwaardige aan.FAUST.Slechts weinig schreden nog naar gindschen steen;Daar zullen wij van onze wandeling wat rusten.Hier zat ik vaak al mijmerend alleen,En bad om kracht tot dooden mijner lusten.Vast in geloof en rijk aan hoop,Met tranen, zuchten, handenwringen,Dacht ik het einde van dien ziekteloopVan God daarboven af te dwingen.De volksgunst klinkt mij slechts als hoon.O, kondet ge in mijn boezem lezen,Hoe evenmin de vader als de zoonZulk een vereering waard mogt wezen!Mijn vader was een somber peinzend man,Die over de natuur en hare heilge wettenSteeds nadacht, maar wat toch niet kon beletten,Dat nooit iets strookte met zijn plan;Die in gezelschap van adeptenZich in de zwarte keuken sloot,[26]En na oneindige receptenHet aakligst brouwsel zamengoot.Daar werd een roode leeuw, een bram der brammen,In ’t mengsel aan een lelie uitgehuwd,En beide dan, omringd van vuur en vlammen,Uit de eene bruidzaal in eene andere gestuwd.Verscheen daarop in bonte vervenDe jonge koningin in ’t glas,Dan was dit de artsenij; de lijders zag men sterven,En niemand was er, die genas.Zoo hebben wij, als duivels, menigmalenIn dit gebergte, in deze dalen,Veel erger dan de pest gewoed.Ik zelf, ik heb ’t vergift aan duizenden gegeven:Zij kwijnden weg; nu moet ik nog beleven,Dat men mij als een menschenvriend begroet!WAGENAAR.Maar hoe kunt gij daarover u bedroeven?Doet niet een brave man genoeg,De kunst, die men hem overdroeg,Naar best vermogen te beproeven?Hij, die als jongeling zijn vader eert,Wordt door hem liefderijk ontvangen;Zoo gij, als man, de wetenschap vermeert,Kan eens uw zoon een hooger doel erlangen.FAUST.Gelukkig wie nog hopen kan, in ’t endUit deze zee van dwaling op te duiken!Wat men niet weet, dat had men graag gekend,En wat men weet, dat kan men niet gebruiken.Maar laten we ons nu in dit avonduurNiet pijnigen door sombre mijmeringen!Beschouwen wij de kalmte der natuur,Die hutten tusschen gindsche heuvelklingen![27]De zon daalt neêr; ten einde spoedt de dag;Daar zinkt zij weg, en eischt een nieuw herleven.O, dat geen vleugel me opwaarts heffen mag,Om haar nabij en meer nabij te streven!Dan zag ik in een heerlijke avondprachtDe wereld kalm en stil aan mijne voeten,De bergen roodgetopt, de dalen als in nacht,Het zilvren beekje een grootren stroom ontmoeten.Niets dat zich dan aan mijn gezigt onttoog:’k Zag ’t wild gebergte met zijn kloven, krochten.Reeds doet de zee, met al haar bogten,Zich op voor ons verwonderd oog.Maar zie! Nu is de daggodin verzonken.Alleen de nieuwe drift ontwaakt met nieuwe kracht.’k Snel heen, opdat haar licht mij moge ontvonken;Vóór mij de dag, en achter mij de nacht!De hemel boven mij, en onder mij de baren:Een schoone droom, maar die te ras vervliet.Ach! aan de vleuglen van den geest zal nietEen vleugel van zijn hulsel ligt zich paren!Toch is het ieder ingeboren,Dat zijn gevoel al voor- en voorwaarts dringt,Als boven ons, in ’t groene loof verloren,De leeuwerik zijn lenteloflied zingt;Als hooger, boven rots en wolken,Met breede wieken de arend zweeft,Of lager, over meer en kolken,Zich de eiber naar zijn zomerkamp begeeft.WAGENAAR.Ook ik had wel eens dichterlijke droomen,Maar zóó iets is mij nooit nog overkomen.Men ziet zich gaauw aan bosch en velden zat.Den vogel zal ’k zijn vlerken niet benijden;Ook kan men met iets anders zich verblijdenDan met een beuke- of wilgeblad.[28]Des winters, in een kring, vervliegen de uren,Verwarmt ons spel en kout en wijn;Maar gij—als gij een arend na kunt turen,Verbeeldt ge u in den hemel zelf te zijn.FAUST.Gij kent maar ééne drift, en ’k vind het goed.O, leer toch nooit eene andre kennen!Twee driften zetelen inmijngemoed,En kunnen zich niet aan elkaâr gewennen.Mijn eene drift klemt zich aan de aarde vast,En kan haar schijnschoon niet ontberen;Mijn andere beschouwt dit als een last,En windt zich op tot hooger spheren.O, zijn er geesten in dien boog,Die tusschen aarde en hemel zich bewegen,Zoo daalt dan neder van omhoog,En voert mij in uw kring tot rijker zegen!Ja, zoo ik slechts een toovermantel had,Die me overdroeg naar Thebe of Memnons zuilen,’k Zou hem niet voor den allergrootsten schat,Ja, voor geen koningsmantel ruilen.WAGENAAR.O, laat haar rusten, die bekende schaar,Die in den nevelstroom zich steeds verbreid heeft,Het menschdom duizendvoud gevaarOp allerlei manier bereid heeft!Als vinnige ijsklaauw nadert het van ’t Noord,En grijpt u aan met scherpgespitste tongen;Verdroogend komt het uit het Oosten voort,En zuigt het voedsel uit uw longen;Het Zuiden zendt samoem u of solaan’,Die zenggloed op uw schedel neêr doen komenHet Westen brengt zijn regenbuijen aan,Om u en bosch en velden te overstroomen.[29]Zij luistren steeds, met schade in vast verbond;Zij zijn gehoorzaam, wijl ze ons graag bedriegen;Zij houden zich of haar de hemel zond,En spreken englentaal, wanneer zij liegen.Maar laat ons gaan; lang is de dag geweken,De lucht gekoeld, de nevel neêrgestreken.Des avonds eerst waardeert men huis en haard …Maar zeg me eens, waar ge toch op staart?Wat doet u in de scheemring zoo ontstellen?FAUST.Ziet gij dien zwarten hond niet door ’t gezaaide snellen?WAGENAAR.Ik zag hem straks reeds; maar verwondert u dat hier?FAUST.Beschouw hem goed; waarvoor houdtgijdat dier?WAGENAAR.Wel, voor een poedel; wis, hij zoekt zijns meesters spoor,Dat hij misschien daar straks verloor.FAUST.Bemerkt gij niet, hoe hij in slangenwindingOns nadert en bereiken zal weldra?En dwaal ik niet, dan volgt een vuurge ontbindingHem op zijn spoor en kringloop na.WAGENAAR.Ik zie een zwarten poedel, en niets meer;’t Zal oogverblinding bij u zijn, mijnheer!FAUST.Het schijnt mij, dat hij langzaam tooverkringenTot hechten band om onze voeten trekt.[30]WAGENAAR.’k Zie hem onzeker en vreesachtig ons omspringen,Nu hij zijn heer niet, maar twee vreemde liên ontdekt.FAUST.De kring wordt eng en enger, zoo ge ziet.WAGENAAR.Het is een hond, en anders niet.Hij kwispelt, knort en legt zich op den buik;Dat is bij honden zoo ’t gebruik.FAUST.Kom, poedel! Kom bij ons! Kom hier!WAGENAAR.’t Is inderdaad een aardig dier:Hij wacht u af, als gij blijft staan;Springt naar u toe, spreekt gij hem aan;Verliest gij wat, hij zal ’t u apporteeren,Ja, uit het water zelfs er mede wederkeeren.FAUST.Gij hadt gelijk: het lag aan mijn gezigt.Het was geen geest; de hond is afgerigt.WAGENAAR.Een hond, wanneer hij goed is gedresseerd,Wordt steeds door een verstandig man begeerd;Wil dus de poedel bij u blijven,Waarom zoudt gij hem dan verdrijven?Zij gaan de stadspoort weder in.[31]

Buiten de poort.

Allerlei wandelaars komen er uit.

EENIGE WINKELBEDIENDEN.Waarom dien weg nu op?

EENIGE WINKELBEDIENDEN.

Waarom dien weg nu op?

ANDEREN.Wij gaan naar ’t Jagershuis op gindschen top.

ANDEREN.

Wij gaan naar ’t Jagershuis op gindschen top.

DE EERSTEN.Wij wandelen naar ’t Groene Laantje.

DE EERSTEN.

Wij wandelen naar ’t Groene Laantje.

EEN WINKELBEDIENDE.Kom, ga met mij naar de Eendenkooi!

EEN WINKELBEDIENDE.

Kom, ga met mij naar de Eendenkooi!

EEN TWEEDE.De weg daarheen is niet heel mooi.

EEN TWEEDE.

De weg daarheen is niet heel mooi.

EEN DERDE.En wat doet gij?

EEN DERDE.

En wat doet gij?

EEN VIERDE.En wat doet gij?Ik ga met Piet naar ’t Zwaantje.

EEN VIERDE.

En wat doet gij?Ik ga met Piet naar ’t Zwaantje.

EEN VIJFDE.Ga meê naar Burgdorf! Bij dien herbergierZijn mooije meisjes en uitstekend bier;[18]Men heeft er altijd veel pleizier.

EEN VIJFDE.

Ga meê naar Burgdorf! Bij dien herbergier

Zijn mooije meisjes en uitstekend bier;[18]

Men heeft er altijd veel pleizier.

EEN ZESDE.Gij, lieve jongen, wilt er weêr naar toe?Zijt gij die gekheid nog niet moê?Ik ga niet meê; ik weet wel wat ik doe.

EEN ZESDE.

Gij, lieve jongen, wilt er weêr naar toe?

Zijt gij die gekheid nog niet moê?

Ik ga niet meê; ik weet wel wat ik doe.

EEN DIENSTMEISJE.Neen, ’k ga niet verder, Pieternel!

EEN DIENSTMEISJE.

Neen, ’k ga niet verder, Pieternel!

EEN ANDER.Die lindeboom, daar zal hij zeker bij staan.

EEN ANDER.

Die lindeboom, daar zal hij zeker bij staan.

DE EERSTE.Ja, meisje! maar ik vat het wel:Hij zal met u en niet met mij gaan.Gij danst en springt, nu daar, dan hier:Ik vraag: wat raakt mijuwpleizier?

DE EERSTE.

Ja, meisje! maar ik vat het wel:

Hij zal met u en niet met mij gaan.

Gij danst en springt, nu daar, dan hier:

Ik vraag: wat raakt mijuwpleizier?

DE ANDERE.Maar heden heeft hij zeker iemand bij zich;Hij sprak mij van Martinus Rijzig.

DE ANDERE.

Maar heden heeft hij zeker iemand bij zich;

Hij sprak mij van Martinus Rijzig.

EEN STUDENT,tot een anderen.Vertikt, wat snappen daar die meiden!Kom, vriendlief, kom! Wij moeten ze geleiden!Een goed glas bier, een lekkere cigaar,Een lieve meid—dan ben ik kant en klaar.

EEN STUDENT,tot een anderen.

Vertikt, wat snappen daar die meiden!

Kom, vriendlief, kom! Wij moeten ze geleiden!

Een goed glas bier, een lekkere cigaar,

Een lieve meid—dan ben ik kant en klaar.

EENE BURGERDOCHTER,tot eene vriendin.Die knappe jongens! ’k Wil niet zwijgen!Mijn Hemel, welk een smaak is dat!Zij konden mij voor ’t vragen krijgen,En volgen nu die meiden op haar pad.

EENE BURGERDOCHTER,tot eene vriendin.

Die knappe jongens! ’k Wil niet zwijgen!

Mijn Hemel, welk een smaak is dat!

Zij konden mij voor ’t vragen krijgen,

En volgen nu die meiden op haar pad.

TWEEDE STUDENT,tot den eersten.Zoo gaauw niet, vriend! Daar ginds komt nog een paar[19]Ze zijn heel proper in de nopjes.Die eene woont bij Kouwenaar;’t Is een van de allerliefste popjes.Zij gaan daar wel heel stemmig voort,Maar nemen ons toch zeker meê aan boord.

TWEEDE STUDENT,tot den eersten.

Zoo gaauw niet, vriend! Daar ginds komt nog een paar[19]

Ze zijn heel proper in de nopjes.

Die eene woont bij Kouwenaar;

’t Is een van de allerliefste popjes.

Zij gaan daar wel heel stemmig voort,

Maar nemen ons toch zeker meê aan boord.

DE EERSTE.Neen, vriendlief, neen! Ik ben niet gaarne gegeneerd.Toe gaauw! Dat wildbraad moet men ons niet stelen.De hand, die ’s zaturdags de glazenspuit hanteert,Zal zondags u het beste streelen.

DE EERSTE.

Neen, vriendlief, neen! Ik ben niet gaarne gegeneerd.

Toe gaauw! Dat wildbraad moet men ons niet stelen.

De hand, die ’s zaturdags de glazenspuit hanteert,

Zal zondags u het beste streelen.

EEN BURGER,tot een paar anderen.Neen, hij bevalt mij niet, de nieuwe burgemeester;Sinds wij hem hebben, is haast nooit een feest er.En voor de stad—wat doet hij dan?’t Wordt immers erger alle dagen?Men mag niet eens zijn nood hem klagen;Want die dit waagt, die lust er van.

EEN BURGER,tot een paar anderen.

Neen, hij bevalt mij niet, de nieuwe burgemeester;

Sinds wij hem hebben, is haast nooit een feest er.

En voor de stad—wat doet hij dan?

’t Wordt immers erger alle dagen?

Men mag niet eens zijn nood hem klagen;

Want die dit waagt, die lust er van.

EEN BEDELAARzingt.Och, goede heeren, lieve vrouwen!Ik ben bejaard en ’t leven moê.O, wilt mij armen man aanschouwen,En reikt een kleine gift mij toe!Laat mildheid uwe hand bestieren!Slechts hij is blij, die geven mag.Een dag, dien alle menschen vieren,Zij ook voor mij een blijde dag!

EEN BEDELAARzingt.

Och, goede heeren, lieve vrouwen!Ik ben bejaard en ’t leven moê.O, wilt mij armen man aanschouwen,En reikt een kleine gift mij toe!Laat mildheid uwe hand bestieren!Slechts hij is blij, die geven mag.Een dag, dien alle menschen vieren,Zij ook voor mij een blijde dag!

Och, goede heeren, lieve vrouwen!

Ik ben bejaard en ’t leven moê.

O, wilt mij armen man aanschouwen,

En reikt een kleine gift mij toe!

Laat mildheid uwe hand bestieren!

Slechts hij is blij, die geven mag.

Een dag, dien alle menschen vieren,

Zij ook voor mij een blijde dag!

TWEEDE BURGER.Niets beter weet ik op zoo’n dag, als thans,Dan over vechten wat te praten,Zoo als, bij de eene of andre schans,Door Deensche en Pruissische soldaten.Men staat aan ’t venster, drinkt zijn glaasje eens uit,[20]En ziet de menschen wandelen of rijden;Men keert weêr huiswaarts tot besluit,En zegent vrede en vredestijden.

TWEEDE BURGER.

Niets beter weet ik op zoo’n dag, als thans,

Dan over vechten wat te praten,

Zoo als, bij de eene of andre schans,

Door Deensche en Pruissische soldaten.

Men staat aan ’t venster, drinkt zijn glaasje eens uit,[20]

En ziet de menschen wandelen of rijden;

Men keert weêr huiswaarts tot besluit,

En zegent vrede en vredestijden.

DERDE BURGER.Ja, buurman! zoo vind ik het ook.Laat anderen zoo veel zij willen kijven;Laat vreemde volken overgaan in rook;Maar hier moet het bij ’t oude blijven.

DERDE BURGER.

Ja, buurman! zoo vind ik het ook.

Laat anderen zoo veel zij willen kijven;

Laat vreemde volken overgaan in rook;

Maar hier moet het bij ’t oude blijven.

EEN OUD WIJF,tegen de eene burgerdochter.Wel, lieve kind, hoe opgedrild!Gij houdt uw schoonheid niet verborgen.Ik weet wel wat gij zoekt en wilt:Mag ik u dat bezorgen?

EEN OUD WIJF,tegen de eene burgerdochter.

Wel, lieve kind, hoe opgedrild!

Gij houdt uw schoonheid niet verborgen.

Ik weet wel wat gij zoekt en wilt:

Mag ik u dat bezorgen?

BURGERDOCHTER.Weg, oude Trui! Ik zorg er voor, met liênAls u mij niet weêr in te laten:Gij liet laatst een beminde in ’t koffijdik mij zien;Maar ’k zag genoeg, en liet u praten.

BURGERDOCHTER.

Weg, oude Trui! Ik zorg er voor, met liên

Als u mij niet weêr in te laten:

Gij liet laatst een beminde in ’t koffijdik mij zien;

Maar ’k zag genoeg, en liet u praten.

DE ANDERE BURGERDOCHTER.Mij toonde zij een minnaar in kristal,Als een soldaat, met andre zijner vrinden:’k Zoek hier en daar, ik zoek hem overal;Maar wat ik zoek, ik kan hem nergens vinden.

DE ANDERE BURGERDOCHTER.

Mij toonde zij een minnaar in kristal,

Als een soldaat, met andre zijner vrinden:

’k Zoek hier en daar, ik zoek hem overal;

Maar wat ik zoek, ik kan hem nergens vinden.

SOLDATEN.Burgen met hoogeMuren en tinnen,Meisjes met trotsche,Honende zinnen,Willen wij winnen,Stout is het pogen,Heerlijk het loon.[21]En de trompettenLaten wij werven,Zoo tot de vreugdeAls tot verderven.Dat is een stormen,Dat is gewin!Meisjes en burgenNemen wij in.Stout is het pogenVan den soldaat,En wij in ’t eindePoetsen de plaat.

SOLDATEN.

Burgen met hoogeMuren en tinnen,Meisjes met trotsche,Honende zinnen,Willen wij winnen,Stout is het pogen,Heerlijk het loon.[21]En de trompettenLaten wij werven,Zoo tot de vreugdeAls tot verderven.Dat is een stormen,Dat is gewin!Meisjes en burgenNemen wij in.Stout is het pogenVan den soldaat,En wij in ’t eindePoetsen de plaat.

Burgen met hooge

Muren en tinnen,

Meisjes met trotsche,

Honende zinnen,

Willen wij winnen,

Stout is het pogen,

Heerlijk het loon.[21]

En de trompetten

Laten wij werven,

Zoo tot de vreugde

Als tot verderven.

Dat is een stormen,

Dat is gewin!

Meisjes en burgen

Nemen wij in.

Stout is het pogen

Van den soldaat,

En wij in ’t einde

Poetsen de plaat.

FAUST en WAGENAAR.

FAUST.Van ijs bevrijd zijn beek en stroomenDoor d’ adem van het lentsaizoen:Alom ontluikt het malsche groen;De winter, hier ten eind gekomen,Gaat zich naar ruwer oorden spoên.Wel zendt hij, in zijn laatsten snik,Nog sneeuw en hagel enkle dagen;Maar ’t zonlicht kan geen wit verdragen,En weg is ’t in een oogenblik.Men ziet alom een welig tieren;’t Wil alles zich met kleuren sieren:Maar bloemen, neen, die zijn hier niet;’t Zijn bonte menschen, die gij ziet.Keer u eens om—wij zijn nu boven—En zie eens naar de stad terug!Men zou het waarlijk niet gelooven:’t Komt al de poort uit, langs de brug.Men loopt er praten, lagchen, tieren,En dat heet nu het Paaschfeest vieren,[22]Het hoogtij der Verrijzenis!Maar toch, zij hebben ’t niet zoo mis;Want zij zijn zelve thans verrezen.Uit muffe kamers, donkre holen,Omringd van goten en riolen,Of waar ze ook anders zamenscholen,Zijn zij, als uit een kerkernacht,Op eenmaal aan het licht gebragt.Zie, zie maar eens hun loopen, dringen,Door bosch en beemd en velden heen!Zie zich die bootjes, groot en kleen,Op ’t gindsche beekje voorwaarts wringen!Daar roeit een schuitje om gindschen hoek;Het is tot zinkens toe geladen;En zelfs op verre heuvelpadenZiet men nog menig bonten doek.Reeds hoor ik in het dorp ’t gewemel;Hier vindt het volk zijn waren hemel.Tevreden juicht nu groot en kleen:Hier ben ik mensch, ja hier alleen.

FAUST.

Van ijs bevrijd zijn beek en stroomen

Door d’ adem van het lentsaizoen:

Alom ontluikt het malsche groen;

De winter, hier ten eind gekomen,

Gaat zich naar ruwer oorden spoên.

Wel zendt hij, in zijn laatsten snik,

Nog sneeuw en hagel enkle dagen;

Maar ’t zonlicht kan geen wit verdragen,

En weg is ’t in een oogenblik.

Men ziet alom een welig tieren;

’t Wil alles zich met kleuren sieren:

Maar bloemen, neen, die zijn hier niet;

’t Zijn bonte menschen, die gij ziet.

Keer u eens om—wij zijn nu boven—

En zie eens naar de stad terug!

Men zou het waarlijk niet gelooven:

’t Komt al de poort uit, langs de brug.

Men loopt er praten, lagchen, tieren,

En dat heet nu het Paaschfeest vieren,[22]

Het hoogtij der Verrijzenis!

Maar toch, zij hebben ’t niet zoo mis;

Want zij zijn zelve thans verrezen.

Uit muffe kamers, donkre holen,

Omringd van goten en riolen,

Of waar ze ook anders zamenscholen,

Zijn zij, als uit een kerkernacht,

Op eenmaal aan het licht gebragt.

Zie, zie maar eens hun loopen, dringen,

Door bosch en beemd en velden heen!

Zie zich die bootjes, groot en kleen,

Op ’t gindsche beekje voorwaarts wringen!

Daar roeit een schuitje om gindschen hoek;

Het is tot zinkens toe geladen;

En zelfs op verre heuvelpaden

Ziet men nog menig bonten doek.

Reeds hoor ik in het dorp ’t gewemel;

Hier vindt het volk zijn waren hemel.

Tevreden juicht nu groot en kleen:

Hier ben ik mensch, ja hier alleen.

WAGENAAR.Als ik u, doctor, zoo wijsgeerig hoor verhandlen,Smaak ik het grootst genoegen, dat ik ken;Maar ’k zou alleen hier toch niet willen wandlen,Daar ik een vijand van gemeenheid ben.Dat zingen, springen, razen, tieren,Staat me altijd tegen, maakt mij bang;Zij gaan te werk als wilde dieren;En dat heet vreugde, ’t heet gezang!

WAGENAAR.

Als ik u, doctor, zoo wijsgeerig hoor verhandlen,

Smaak ik het grootst genoegen, dat ik ken;

Maar ’k zou alleen hier toch niet willen wandlen,

Daar ik een vijand van gemeenheid ben.

Dat zingen, springen, razen, tieren,

Staat me altijd tegen, maakt mij bang;

Zij gaan te werk als wilde dieren;

En dat heet vreugde, ’t heet gezang!

BOEREN,onder een lindeboom.Dans en gezang.De herder tooide zich ten dans;Met strikken, kwikken, lint en kransTrok hij nu aller oogen.[23]’t Was op het grastapijt reeds vol,En alles sprong in ’t rond als dol;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)’t Was alles opgetogen.Hij spoedde haastig zich er bij;Hij stiet een meisje in hare zij,En staarde haar in de oogen.Zij keerde zich verbolgen om,En zeide: Nu, dat vind ik dom;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)Wees wat meer ingetogen!Maar vrolijk danste men in ’t rond;Men raakte naauw den groenen grond,En alle rokken vlogen.Men werd er rood, men werd er warm;Men drukte al dansend arm aan arm,(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)En heup aan ellebogen.En hiermeê was het nog niet uit.Hoe menig heeft niet meisje of bruidBelogen en bedrogen!Hij lokte haar dan van dat oord,En van het grasperk klonk het voort:Fideldei, fideldool!Met fluit en viool;Men bleef er opgetogen.

BOEREN,onder een lindeboom.

Dans en gezang.

De herder tooide zich ten dans;Met strikken, kwikken, lint en kransTrok hij nu aller oogen.[23]’t Was op het grastapijt reeds vol,En alles sprong in ’t rond als dol;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)’t Was alles opgetogen.

De herder tooide zich ten dans;

Met strikken, kwikken, lint en krans

Trok hij nu aller oogen.[23]

’t Was op het grastapijt reeds vol,

En alles sprong in ’t rond als dol;

(Fideldei, fideldool!

Zoo ging de viool)

’t Was alles opgetogen.

Hij spoedde haastig zich er bij;Hij stiet een meisje in hare zij,En staarde haar in de oogen.Zij keerde zich verbolgen om,En zeide: Nu, dat vind ik dom;(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)Wees wat meer ingetogen!

Hij spoedde haastig zich er bij;

Hij stiet een meisje in hare zij,

En staarde haar in de oogen.

Zij keerde zich verbolgen om,

En zeide: Nu, dat vind ik dom;

(Fideldei, fideldool!

Zoo ging de viool)

Wees wat meer ingetogen!

Maar vrolijk danste men in ’t rond;Men raakte naauw den groenen grond,En alle rokken vlogen.Men werd er rood, men werd er warm;Men drukte al dansend arm aan arm,(Fideldei, fideldool!Zoo ging de viool)En heup aan ellebogen.

Maar vrolijk danste men in ’t rond;

Men raakte naauw den groenen grond,

En alle rokken vlogen.

Men werd er rood, men werd er warm;

Men drukte al dansend arm aan arm,

(Fideldei, fideldool!

Zoo ging de viool)

En heup aan ellebogen.

En hiermeê was het nog niet uit.Hoe menig heeft niet meisje of bruidBelogen en bedrogen!Hij lokte haar dan van dat oord,En van het grasperk klonk het voort:Fideldei, fideldool!Met fluit en viool;Men bleef er opgetogen.

En hiermeê was het nog niet uit.

Hoe menig heeft niet meisje of bruid

Belogen en bedrogen!

Hij lokte haar dan van dat oord,

En van het grasperk klonk het voort:

Fideldei, fideldool!

Met fluit en viool;

Men bleef er opgetogen.

EEN OUDE BOER.Kijk, doctor! dat bevalt mij nu,Dat gij op zulk een feestdag u,[24]Daar al het volkje is op de been,Zoo familjaar begeeft hierheen.Neem dan ook nu den schoonsten beker,Gevuld met echten rooden bleeker!’k Wensch dat de wijn uit deze fleschThans niet alleen den dorst u lesch’,Maar zoo veel dagen, als hij droppels moge geven,Nog toegevoegd zijn aan uw leven!

EEN OUDE BOER.

Kijk, doctor! dat bevalt mij nu,

Dat gij op zulk een feestdag u,[24]

Daar al het volkje is op de been,

Zoo familjaar begeeft hierheen.

Neem dan ook nu den schoonsten beker,

Gevuld met echten rooden bleeker!

’k Wensch dat de wijn uit deze flesch

Thans niet alleen den dorst u lesch’,

Maar zoo veel dagen, als hij droppels moge geven,

Nog toegevoegd zijn aan uw leven!

FAUST.Volgaarne aanvaard ik dezen drank.Ontvangt gij allen mijnen dank!

FAUST.

Volgaarne aanvaard ik dezen drank.

Ontvangt gij allen mijnen dank!

Het volk verzamelt zich in een kring om hen heen.

DE OUDE BOER.Voorzeker, het is welgedaan,Dat ge op dit feestgetij verschijnt:Gij meende ’t altijd met ons goed;Wij waren anders weggekwijnd.O, menig is er onder ons,Die nog uw vader heeft gekend;Hij was altijd met hulp nabij,En overwon de ziekte in ’t end.En ook gij zelf—gij waart nog jong—Gingt ieder gasthuis in en uit,Maar wie ook leven bleef of stierf,Gij zelf werdt nooit den dood ten buit.Men moest om uwen vlijt u loven;Den helper helpt de Helper boven.

DE OUDE BOER.

Voorzeker, het is welgedaan,

Dat ge op dit feestgetij verschijnt:

Gij meende ’t altijd met ons goed;

Wij waren anders weggekwijnd.

O, menig is er onder ons,

Die nog uw vader heeft gekend;

Hij was altijd met hulp nabij,

En overwon de ziekte in ’t end.

En ook gij zelf—gij waart nog jong—

Gingt ieder gasthuis in en uit,

Maar wie ook leven bleef of stierf,

Gij zelf werdt nooit den dood ten buit.

Men moest om uwen vlijt u loven;

Den helper helpt de Helper boven.

ALLEN.Gezondheid zulk een braven heer!Hij helpe ook ons nog menig keer!

ALLEN.

Gezondheid zulk een braven heer!

Hij helpe ook ons nog menig keer!

FAUST.Blijft Hem daarboven steeds gedenken,[25]Die helpen leert en hulp kan schenken.

FAUST.

Blijft Hem daarboven steeds gedenken,[25]

Die helpen leert en hulp kan schenken.

Hij gaat met Wagenaar verder.

WAGENAAR.Welk een gevoel, o groote man,Moet u bij zulk een lof niet streelen!Heil d’ enkele, die onder velenZich zulk een roem verwerven kan!Men wijst hem aan met luider kelen,En ieder vraagt en snelt en dringt;’t Houdt alles op wat speelt en zingt.Gij gaat; men blijft in rijen staan.De mutsen vliegen dan voor u omhoog;’t Scheelt weinig, dat men ook zijn knie nog boog,Als kwam de priester met het hoogeerwaardige aan.

WAGENAAR.

Welk een gevoel, o groote man,

Moet u bij zulk een lof niet streelen!

Heil d’ enkele, die onder velen

Zich zulk een roem verwerven kan!

Men wijst hem aan met luider kelen,

En ieder vraagt en snelt en dringt;

’t Houdt alles op wat speelt en zingt.

Gij gaat; men blijft in rijen staan.

De mutsen vliegen dan voor u omhoog;

’t Scheelt weinig, dat men ook zijn knie nog boog,

Als kwam de priester met het hoogeerwaardige aan.

FAUST.Slechts weinig schreden nog naar gindschen steen;Daar zullen wij van onze wandeling wat rusten.Hier zat ik vaak al mijmerend alleen,En bad om kracht tot dooden mijner lusten.Vast in geloof en rijk aan hoop,Met tranen, zuchten, handenwringen,Dacht ik het einde van dien ziekteloopVan God daarboven af te dwingen.De volksgunst klinkt mij slechts als hoon.O, kondet ge in mijn boezem lezen,Hoe evenmin de vader als de zoonZulk een vereering waard mogt wezen!Mijn vader was een somber peinzend man,Die over de natuur en hare heilge wettenSteeds nadacht, maar wat toch niet kon beletten,Dat nooit iets strookte met zijn plan;Die in gezelschap van adeptenZich in de zwarte keuken sloot,[26]En na oneindige receptenHet aakligst brouwsel zamengoot.Daar werd een roode leeuw, een bram der brammen,In ’t mengsel aan een lelie uitgehuwd,En beide dan, omringd van vuur en vlammen,Uit de eene bruidzaal in eene andere gestuwd.Verscheen daarop in bonte vervenDe jonge koningin in ’t glas,Dan was dit de artsenij; de lijders zag men sterven,En niemand was er, die genas.Zoo hebben wij, als duivels, menigmalenIn dit gebergte, in deze dalen,Veel erger dan de pest gewoed.Ik zelf, ik heb ’t vergift aan duizenden gegeven:Zij kwijnden weg; nu moet ik nog beleven,Dat men mij als een menschenvriend begroet!

FAUST.

Slechts weinig schreden nog naar gindschen steen;Daar zullen wij van onze wandeling wat rusten.Hier zat ik vaak al mijmerend alleen,En bad om kracht tot dooden mijner lusten.Vast in geloof en rijk aan hoop,Met tranen, zuchten, handenwringen,Dacht ik het einde van dien ziekteloopVan God daarboven af te dwingen.De volksgunst klinkt mij slechts als hoon.O, kondet ge in mijn boezem lezen,Hoe evenmin de vader als de zoonZulk een vereering waard mogt wezen!

Slechts weinig schreden nog naar gindschen steen;

Daar zullen wij van onze wandeling wat rusten.

Hier zat ik vaak al mijmerend alleen,

En bad om kracht tot dooden mijner lusten.

Vast in geloof en rijk aan hoop,

Met tranen, zuchten, handenwringen,

Dacht ik het einde van dien ziekteloop

Van God daarboven af te dwingen.

De volksgunst klinkt mij slechts als hoon.

O, kondet ge in mijn boezem lezen,

Hoe evenmin de vader als de zoon

Zulk een vereering waard mogt wezen!

Mijn vader was een somber peinzend man,Die over de natuur en hare heilge wettenSteeds nadacht, maar wat toch niet kon beletten,Dat nooit iets strookte met zijn plan;Die in gezelschap van adeptenZich in de zwarte keuken sloot,[26]En na oneindige receptenHet aakligst brouwsel zamengoot.Daar werd een roode leeuw, een bram der brammen,In ’t mengsel aan een lelie uitgehuwd,En beide dan, omringd van vuur en vlammen,Uit de eene bruidzaal in eene andere gestuwd.Verscheen daarop in bonte vervenDe jonge koningin in ’t glas,Dan was dit de artsenij; de lijders zag men sterven,En niemand was er, die genas.Zoo hebben wij, als duivels, menigmalenIn dit gebergte, in deze dalen,Veel erger dan de pest gewoed.Ik zelf, ik heb ’t vergift aan duizenden gegeven:Zij kwijnden weg; nu moet ik nog beleven,Dat men mij als een menschenvriend begroet!

Mijn vader was een somber peinzend man,

Die over de natuur en hare heilge wetten

Steeds nadacht, maar wat toch niet kon beletten,

Dat nooit iets strookte met zijn plan;

Die in gezelschap van adepten

Zich in de zwarte keuken sloot,[26]

En na oneindige recepten

Het aakligst brouwsel zamengoot.

Daar werd een roode leeuw, een bram der brammen,

In ’t mengsel aan een lelie uitgehuwd,

En beide dan, omringd van vuur en vlammen,

Uit de eene bruidzaal in eene andere gestuwd.

Verscheen daarop in bonte verven

De jonge koningin in ’t glas,

Dan was dit de artsenij; de lijders zag men sterven,

En niemand was er, die genas.

Zoo hebben wij, als duivels, menigmalen

In dit gebergte, in deze dalen,

Veel erger dan de pest gewoed.

Ik zelf, ik heb ’t vergift aan duizenden gegeven:

Zij kwijnden weg; nu moet ik nog beleven,

Dat men mij als een menschenvriend begroet!

WAGENAAR.Maar hoe kunt gij daarover u bedroeven?Doet niet een brave man genoeg,De kunst, die men hem overdroeg,Naar best vermogen te beproeven?Hij, die als jongeling zijn vader eert,Wordt door hem liefderijk ontvangen;Zoo gij, als man, de wetenschap vermeert,Kan eens uw zoon een hooger doel erlangen.

WAGENAAR.

Maar hoe kunt gij daarover u bedroeven?

Doet niet een brave man genoeg,

De kunst, die men hem overdroeg,

Naar best vermogen te beproeven?

Hij, die als jongeling zijn vader eert,

Wordt door hem liefderijk ontvangen;

Zoo gij, als man, de wetenschap vermeert,

Kan eens uw zoon een hooger doel erlangen.

FAUST.Gelukkig wie nog hopen kan, in ’t endUit deze zee van dwaling op te duiken!Wat men niet weet, dat had men graag gekend,En wat men weet, dat kan men niet gebruiken.Maar laten we ons nu in dit avonduurNiet pijnigen door sombre mijmeringen!Beschouwen wij de kalmte der natuur,Die hutten tusschen gindsche heuvelklingen![27]De zon daalt neêr; ten einde spoedt de dag;Daar zinkt zij weg, en eischt een nieuw herleven.O, dat geen vleugel me opwaarts heffen mag,Om haar nabij en meer nabij te streven!Dan zag ik in een heerlijke avondprachtDe wereld kalm en stil aan mijne voeten,De bergen roodgetopt, de dalen als in nacht,Het zilvren beekje een grootren stroom ontmoeten.Niets dat zich dan aan mijn gezigt onttoog:’k Zag ’t wild gebergte met zijn kloven, krochten.Reeds doet de zee, met al haar bogten,Zich op voor ons verwonderd oog.Maar zie! Nu is de daggodin verzonken.Alleen de nieuwe drift ontwaakt met nieuwe kracht.’k Snel heen, opdat haar licht mij moge ontvonken;Vóór mij de dag, en achter mij de nacht!De hemel boven mij, en onder mij de baren:Een schoone droom, maar die te ras vervliet.Ach! aan de vleuglen van den geest zal nietEen vleugel van zijn hulsel ligt zich paren!Toch is het ieder ingeboren,Dat zijn gevoel al voor- en voorwaarts dringt,Als boven ons, in ’t groene loof verloren,De leeuwerik zijn lenteloflied zingt;Als hooger, boven rots en wolken,Met breede wieken de arend zweeft,Of lager, over meer en kolken,Zich de eiber naar zijn zomerkamp begeeft.

FAUST.

Gelukkig wie nog hopen kan, in ’t end

Uit deze zee van dwaling op te duiken!

Wat men niet weet, dat had men graag gekend,

En wat men weet, dat kan men niet gebruiken.

Maar laten we ons nu in dit avonduur

Niet pijnigen door sombre mijmeringen!

Beschouwen wij de kalmte der natuur,

Die hutten tusschen gindsche heuvelklingen![27]

De zon daalt neêr; ten einde spoedt de dag;

Daar zinkt zij weg, en eischt een nieuw herleven.

O, dat geen vleugel me opwaarts heffen mag,

Om haar nabij en meer nabij te streven!

Dan zag ik in een heerlijke avondpracht

De wereld kalm en stil aan mijne voeten,

De bergen roodgetopt, de dalen als in nacht,

Het zilvren beekje een grootren stroom ontmoeten.

Niets dat zich dan aan mijn gezigt onttoog:

’k Zag ’t wild gebergte met zijn kloven, krochten.

Reeds doet de zee, met al haar bogten,

Zich op voor ons verwonderd oog.

Maar zie! Nu is de daggodin verzonken.

Alleen de nieuwe drift ontwaakt met nieuwe kracht.

’k Snel heen, opdat haar licht mij moge ontvonken;

Vóór mij de dag, en achter mij de nacht!

De hemel boven mij, en onder mij de baren:

Een schoone droom, maar die te ras vervliet.

Ach! aan de vleuglen van den geest zal niet

Een vleugel van zijn hulsel ligt zich paren!

Toch is het ieder ingeboren,

Dat zijn gevoel al voor- en voorwaarts dringt,

Als boven ons, in ’t groene loof verloren,

De leeuwerik zijn lenteloflied zingt;

Als hooger, boven rots en wolken,

Met breede wieken de arend zweeft,

Of lager, over meer en kolken,

Zich de eiber naar zijn zomerkamp begeeft.

WAGENAAR.Ook ik had wel eens dichterlijke droomen,Maar zóó iets is mij nooit nog overkomen.Men ziet zich gaauw aan bosch en velden zat.Den vogel zal ’k zijn vlerken niet benijden;Ook kan men met iets anders zich verblijdenDan met een beuke- of wilgeblad.[28]Des winters, in een kring, vervliegen de uren,Verwarmt ons spel en kout en wijn;Maar gij—als gij een arend na kunt turen,Verbeeldt ge u in den hemel zelf te zijn.

WAGENAAR.

Ook ik had wel eens dichterlijke droomen,

Maar zóó iets is mij nooit nog overkomen.

Men ziet zich gaauw aan bosch en velden zat.

Den vogel zal ’k zijn vlerken niet benijden;

Ook kan men met iets anders zich verblijden

Dan met een beuke- of wilgeblad.[28]

Des winters, in een kring, vervliegen de uren,

Verwarmt ons spel en kout en wijn;

Maar gij—als gij een arend na kunt turen,

Verbeeldt ge u in den hemel zelf te zijn.

FAUST.Gij kent maar ééne drift, en ’k vind het goed.O, leer toch nooit eene andre kennen!Twee driften zetelen inmijngemoed,En kunnen zich niet aan elkaâr gewennen.Mijn eene drift klemt zich aan de aarde vast,En kan haar schijnschoon niet ontberen;Mijn andere beschouwt dit als een last,En windt zich op tot hooger spheren.O, zijn er geesten in dien boog,Die tusschen aarde en hemel zich bewegen,Zoo daalt dan neder van omhoog,En voert mij in uw kring tot rijker zegen!Ja, zoo ik slechts een toovermantel had,Die me overdroeg naar Thebe of Memnons zuilen,’k Zou hem niet voor den allergrootsten schat,Ja, voor geen koningsmantel ruilen.

FAUST.

Gij kent maar ééne drift, en ’k vind het goed.

O, leer toch nooit eene andre kennen!

Twee driften zetelen inmijngemoed,

En kunnen zich niet aan elkaâr gewennen.

Mijn eene drift klemt zich aan de aarde vast,

En kan haar schijnschoon niet ontberen;

Mijn andere beschouwt dit als een last,

En windt zich op tot hooger spheren.

O, zijn er geesten in dien boog,

Die tusschen aarde en hemel zich bewegen,

Zoo daalt dan neder van omhoog,

En voert mij in uw kring tot rijker zegen!

Ja, zoo ik slechts een toovermantel had,

Die me overdroeg naar Thebe of Memnons zuilen,

’k Zou hem niet voor den allergrootsten schat,

Ja, voor geen koningsmantel ruilen.

WAGENAAR.O, laat haar rusten, die bekende schaar,Die in den nevelstroom zich steeds verbreid heeft,Het menschdom duizendvoud gevaarOp allerlei manier bereid heeft!Als vinnige ijsklaauw nadert het van ’t Noord,En grijpt u aan met scherpgespitste tongen;Verdroogend komt het uit het Oosten voort,En zuigt het voedsel uit uw longen;Het Zuiden zendt samoem u of solaan’,Die zenggloed op uw schedel neêr doen komenHet Westen brengt zijn regenbuijen aan,Om u en bosch en velden te overstroomen.[29]Zij luistren steeds, met schade in vast verbond;Zij zijn gehoorzaam, wijl ze ons graag bedriegen;Zij houden zich of haar de hemel zond,En spreken englentaal, wanneer zij liegen.Maar laat ons gaan; lang is de dag geweken,De lucht gekoeld, de nevel neêrgestreken.Des avonds eerst waardeert men huis en haard …Maar zeg me eens, waar ge toch op staart?Wat doet u in de scheemring zoo ontstellen?

WAGENAAR.

O, laat haar rusten, die bekende schaar,

Die in den nevelstroom zich steeds verbreid heeft,

Het menschdom duizendvoud gevaar

Op allerlei manier bereid heeft!

Als vinnige ijsklaauw nadert het van ’t Noord,

En grijpt u aan met scherpgespitste tongen;

Verdroogend komt het uit het Oosten voort,

En zuigt het voedsel uit uw longen;

Het Zuiden zendt samoem u of solaan’,

Die zenggloed op uw schedel neêr doen komen

Het Westen brengt zijn regenbuijen aan,

Om u en bosch en velden te overstroomen.[29]

Zij luistren steeds, met schade in vast verbond;

Zij zijn gehoorzaam, wijl ze ons graag bedriegen;

Zij houden zich of haar de hemel zond,

En spreken englentaal, wanneer zij liegen.

Maar laat ons gaan; lang is de dag geweken,

De lucht gekoeld, de nevel neêrgestreken.

Des avonds eerst waardeert men huis en haard …

Maar zeg me eens, waar ge toch op staart?

Wat doet u in de scheemring zoo ontstellen?

FAUST.Ziet gij dien zwarten hond niet door ’t gezaaide snellen?

FAUST.

Ziet gij dien zwarten hond niet door ’t gezaaide snellen?

WAGENAAR.Ik zag hem straks reeds; maar verwondert u dat hier?

WAGENAAR.

Ik zag hem straks reeds; maar verwondert u dat hier?

FAUST.Beschouw hem goed; waarvoor houdtgijdat dier?

FAUST.

Beschouw hem goed; waarvoor houdtgijdat dier?

WAGENAAR.Wel, voor een poedel; wis, hij zoekt zijns meesters spoor,Dat hij misschien daar straks verloor.

WAGENAAR.

Wel, voor een poedel; wis, hij zoekt zijns meesters spoor,

Dat hij misschien daar straks verloor.

FAUST.Bemerkt gij niet, hoe hij in slangenwindingOns nadert en bereiken zal weldra?En dwaal ik niet, dan volgt een vuurge ontbindingHem op zijn spoor en kringloop na.

FAUST.

Bemerkt gij niet, hoe hij in slangenwinding

Ons nadert en bereiken zal weldra?

En dwaal ik niet, dan volgt een vuurge ontbinding

Hem op zijn spoor en kringloop na.

WAGENAAR.Ik zie een zwarten poedel, en niets meer;’t Zal oogverblinding bij u zijn, mijnheer!

WAGENAAR.

Ik zie een zwarten poedel, en niets meer;

’t Zal oogverblinding bij u zijn, mijnheer!

FAUST.Het schijnt mij, dat hij langzaam tooverkringenTot hechten band om onze voeten trekt.

FAUST.

Het schijnt mij, dat hij langzaam tooverkringen

Tot hechten band om onze voeten trekt.

[30]

WAGENAAR.’k Zie hem onzeker en vreesachtig ons omspringen,Nu hij zijn heer niet, maar twee vreemde liên ontdekt.

WAGENAAR.

’k Zie hem onzeker en vreesachtig ons omspringen,

Nu hij zijn heer niet, maar twee vreemde liên ontdekt.

FAUST.De kring wordt eng en enger, zoo ge ziet.

FAUST.

De kring wordt eng en enger, zoo ge ziet.

WAGENAAR.Het is een hond, en anders niet.Hij kwispelt, knort en legt zich op den buik;Dat is bij honden zoo ’t gebruik.

WAGENAAR.

Het is een hond, en anders niet.

Hij kwispelt, knort en legt zich op den buik;

Dat is bij honden zoo ’t gebruik.

FAUST.Kom, poedel! Kom bij ons! Kom hier!

FAUST.

Kom, poedel! Kom bij ons! Kom hier!

WAGENAAR.’t Is inderdaad een aardig dier:Hij wacht u af, als gij blijft staan;Springt naar u toe, spreekt gij hem aan;Verliest gij wat, hij zal ’t u apporteeren,Ja, uit het water zelfs er mede wederkeeren.

WAGENAAR.

’t Is inderdaad een aardig dier:

Hij wacht u af, als gij blijft staan;

Springt naar u toe, spreekt gij hem aan;

Verliest gij wat, hij zal ’t u apporteeren,

Ja, uit het water zelfs er mede wederkeeren.

FAUST.Gij hadt gelijk: het lag aan mijn gezigt.Het was geen geest; de hond is afgerigt.

FAUST.

Gij hadt gelijk: het lag aan mijn gezigt.

Het was geen geest; de hond is afgerigt.

WAGENAAR.Een hond, wanneer hij goed is gedresseerd,Wordt steeds door een verstandig man begeerd;Wil dus de poedel bij u blijven,Waarom zoudt gij hem dan verdrijven?

WAGENAAR.

Een hond, wanneer hij goed is gedresseerd,

Wordt steeds door een verstandig man begeerd;

Wil dus de poedel bij u blijven,

Waarom zoudt gij hem dan verdrijven?

Zij gaan de stadspoort weder in.

[31]

[Inhoud]Het studeervertrek van Faust.FAUST,met den poedel binnentredende.Verlaten heb ik veld en dreven,Die thans door ’t nachtfloers zijn bedekt;De betre ziel heeft hooger levenNu in ons binnenste opgewekt.De driften slapen met haar woelen,Met al haar last en leed en smart;De menschenmin doet zich gevoelen;De liefde Gods vervult het hart.Wees stil toch, hond! Loop niet zoo heen en weder!Wat snuffelt gij daar bij den drempel nu?Kom! leg u ginder op dat kussen neder,En dat wel daadlijk, zeg ik u!Hoor! Hebt ge buiten, toen we aan ’t wandlen waren,Ons door uw vrolijk springen al vermaakt,Dat is nu uit. Kom thans wat tot bedaren;Hier dient die vrolijkheid gestaakt.Is onze cel bij dag niet helder,Als vriendlijk weêr het lampje brandt,Wordt ons ’t van binnen onbeknelder,En ’t harte los van elken band.[32]De rede vangt weêr aan te spreken;De hoop straalt weder als een zon;Ook smacht men weêr naar ’s levens beken,En meer nog naar des levens bron.Knor niet zoo, poedel! Bij het licht van boven,Dat nu mijn gansche ziel vervult,Wordt geen geknor van dieren hier geduld.Wij zijn, o ja, gewoon dat menschen niet gelooven,Wat voor hun brein in nevel is gehuld;Dat ze over ’tgeen voor hen te hoog is morren:Maar moet een beest, als gij, daarover knorren?Helaas! Ik voel, dat, bij den besten wil,Niets immer onzen weetlust still’.Maar waarom moet de bron zoo ras vervlieten,En mogen wij van haar geen laafnis meer genieten?Dit is reeds me al te zeer bekend;Ik had daarvan reeds lang de ervaring:Daarom de steven nu gewend!Ons harte trekt naar de Openbaring,Die nergens schooner stralen zendtDan uit het Nieuwe Testament.’k Voel in mijn borst een hevig blakenOm nu den grondtekst zelf dit maalTe geven in onze eigen taal,Ten einde tot de waarheid te geraken.Hij slaat een foliant open, en begint.Welaan nu! “In den aanvang was hetwoord!”Hier sta ik reeds; wie helpt mij verder voort?Ik kan dit woord zoo hoog onmooglijk halen,En moet dus anders hier vertalen.O, mogt me een hooger licht bestralen!Misschien dus: “In den aanvang was dezin!”Bedenk, mijn geest, vooral ’t begin,[33]Opdat uw pen hier niet kan falen!Is dan dezinde hoogste magt?O neen; ’k vertaal: “In d’ aanvang was dekracht.”Maar ook, terwijl ik dit hier schrijve,Ontvang ’k een wenk, dat ik daarbij niet blijve.Mij wordt het licht; op eenmaal zie ik raad,En schrijf getroost: “In d’ aanvang was dedaad.”Hoor, hond! ik moet, blijft gij zoo janken,Voor uw gezelschap u bedanken;Geeft ge er niet om, als m’ u verbiedt,Dan wenschte ik dat ge mij verliet.Blijft ge altijd heen en weder loopen,Ga dan maar heen; de deur is open.Een van ons beiden voegt hier niet.Maar hoe? Wat moet ik daar aanschouwen?Durf ik mijne oogen wel vertrouwen?Wat zet hij uit! Mij dunkt, die zaakIs niet regt pluis en in den haak.Hij is de hond van straks niet meer,Maar heeft veel van een ruigen beer.O, welk een spooksel werd mijn buit!Het ziet er reeds gelijk een nijlpaard uit,Met vurige oogen, vreeselijke tanden.O vriendlief, gij zijt in mijn handen!Voor zulk een baksel helsch gebroedIs Salomo’s bezwering goed.GEESTEN,in den gang.Gevangen is een daar binnen;Blijft hier en verroert geen vinnen!Als een vos in den knip,Kijkt hij nu op zijn lip.Maar geeft wel acht!Zweeft heen, zweeft weder,Zweeft op en neder,[34]En hij is uit onze magt.Kan hij ons gerijven,Laat hem dan niet blijven;Want hij heeft voordezenOns veel dienst bewezen.FAUST.Ik moet, om dat dier tot mijn doel te gewinnen,Terstond met de spreuk van het viertal beginnen.Salamander zal gloeijen,Undine zich krommen,Sylphe verstommen,Kobold zich vermoeijen!Wie der elementen krachtNiet kende,En daarbij geen toovermagtAanwendde,Kon der geesten wettenNaar zijn hand niet zetten.Geest des vuurs, ga op in rook!Watergeest, verdwijn gij ook!Geest der lucht, zoo schoon en vrij,Sta met uwe hulp ons bij!Geest der aarde,Kobold, Gnomen,Wil ook gij te voorschijn komen!Geen van deze vierSteekt in het dier.Daar ligt het stil en grijnst mij aan.Ik heb hem nog geen leed gedaan;Maar ’k zal hem wel leerenEn sterker bezweren.[35]Zeg! Zijt gij, gezel,Een vlugtling der hel,Zoo zie dan dit teeken,Waarvoor steeds bezwekenDe duistere scharen!O zie, hoe hij opzwelt met borstlige haren!Ellendig wezen!Kunt gij hem vreezen,Den nooit ontsprotene,Onuitgesprokene,In alle heemlen beslotene,Schandlijk doorstokene?Ginds, tusschen kagchel en wand,Zwelt hij als een olifant;Hij zet zich al meer en meer uit;Een nevel omringt reeds zijn huid.Houd nu maar op; niet verder meer!Kom, leg u bij uw meester neêr!Ik dreig niet vruchtloos, zoo gij ziet;’k Verzeng u met een heilig vuur;O, wacht het gloeijend licht dus niet,Waarmeê ik driemaal u ommuur!Wacht niet van mij, in plaats van gunsten,De sterkste mijner tooverkunsten!MEPHISTOPHELES.treedt, terwijl de nevel neêrzakt, gekleed als een reizende student, achter de kagchel te voorschijn.Dat is genoeg zoo, op mijne eer!Wat is er van uw dienst, mijnheer?FAUST.Dat was de kern dus van dien hond?Een reizende student? Dat had ik moeten weten![36]MEPHISTOPHELES.Ontvang mijn welkomstgroet terstond;Gij hebt mij niet gering doen zweeten!FAUST.Hoe noemt gij u?MEPHISTOPHELES.Hoe noemt gij u?Dees vraag vind ik niet fijnVoor iemand, die niet op het Woord wil bouwen;Die, wars van zinbedrog en schijn,Slechts ’t wezen in zijn diepte wil beschouwen.FAUST.Bij u en de uwen kan men ’t wezenGewoonlijk uit den naam reeds lezen,Daar elk terstond uw doen en laten weet,Als m’ u Beëlzebub, Verderver, Loognaar heet.Maar kort en goed: wie zijt ge?MEPHISTOPHELES.Maar kort en goed: wie zijt ge?Ik ben een deel der kracht,Die ’t kwade wil, doch door wie ’t goed wordt voortgebragt.FAUST.Wat meent gij met dit raadselwoord?MEPHISTOPHELES.Ik ben de geest, die alles steeds verstoort;En dat met regt; want al, wat ooit ontstaat,Is waard dat het te gronde gaat:’t Waar’ beter daarom dat het niet ontstonde.Zoo is dus alles, wat ge als zonde,Bedrog, kortom, als ’t booze erkent,Mijn leven en mijn element.[37]FAUST.Gij noemdet u daar straks eendeel,En toch, ik zie u hiergeheel?MEPHISTOPHELES.Ik spreek eenvoudig waarheid, en niets meer;Het is zoo als ik zeg, mijnheer!Moge ook het menschdom, met zijn waan en grillen,Voor eengeheelzich houden willen,Ik ben een deel des deels, dat alles in zich sloot,Een deel der duisternis, waaruit het licht ontsproot,Het licht, dat moeder Nacht, met alle listen,Den ouden rang en eerplaats wil betwisten,Maar vruchtloos, daar het zooveel mooglijk streeft,Dat het als vastgehecht aan ’t ligchaam kleeft.Het stroomt het ligchaam uit, doet dit in glans verschijnen,Een ligchaam stremt het in zijn loop,En ’t zal zoo lang niet duren, zoo ik hoop,Of met het ligchaam zal het eens verdwijnen.FAUST.Nu ken ik uwe lieve pligten!Gij kunt in ’t groot geen kwaad verrigten,En vangt dit in het klein dus aan.MEPHISTOPHELES.En toch is juist niet veel daarmeê gedaan.Wat aan hetnietshet hoofd ook bied’,Dees plompe wereld, ’t stoflijkiet,—Hoe veel ’k ook reeds heb ondernomen,Ik wist haar nooit te na te komenMet golven, stormen, schokken, brand—Kalm bleef toch eindlijk zee en land.En dat vervloekte tuig, dat dier- en menschgebroed,Daarmede kan ik niets beginnen.[38]Hoe velen palmde ik niet al binnen,En altijd stroomt een nieuw en frisscher bloed.Zoo gaat het voort, hoe weinig men ook spaarde.Uit lucht, uit water en uit de aardeOntwikkelt kiem bij kiem zich achtereen;’t Was weinig wat mijne oogen niet aanschouwden.Zoo ik mij niet de vlam had voorbehouden,Ik had niets voor mijzelv’ alleen.FAUST.Dus wildet gij de Magt der magtenBestrijden, schoon zij eeuwig schept,Met uwe kleine duivelskrachten,Waarmeê ge vruchteloos u rept?O, zie wat anders te beginnen,Gij wonderlijke chaos-man!MEPHISTOPHELES.’k Zal inderdaad mij eens bezinnen;Een andermaal iets meer daarvan!Maar mag ik thans u wel verlaten?FAUST.Mij dunkt, dat is geen vragenswaard;Ik heb u nu toch in de gaten.Kom vrij terug, als ’t vreugde u baart.Hier is het venster, daar de deur;Een schoorsteen is hier ook voorhanden.MEPHISTOPHELES.Ja, maar ’t verlaten dezer wandenStaat niet zoo daadlijk in mijn keur.De Drudenvoet daar op uw drempel.….FAUST.Dat pentagram houdt u terug?[39]Maar zeg mij dan, gij hel-exempel,Hoe kwaamt gij hier dan straks zoo vlug?Wat kon een geest, als u, hier in den val zoo lokken?MEPHISTOPHELES.Beschouw het wel! Het is niet goed getrokken.Die eene hoek, daar aan de buitenzij,Is, zoo gij ziet, een weinig open.FAUST.Dat heeft het toeval in uw nadeel zoo doen loopen,En mijn gevangene zijt gij;Ja, dat zijn van die vreemde dingen!MEPHISTOPHELES.De poedel merkte niets, toen hij kwam binnenspringen.Nu is de zaak geheel verbruid:De duivel kan het huis niet uit!FAUST.Maar waarom gaat gij niet door ’t venster klimmen?MEPHISTOPHELES.Het is een wet voor helsche schimmen,Dat de ingang, die ze bragt in een vertrek,Ze ook wederom tot uitgang strekk’.In ’t eerste zijn wij vrij; bij ’t andre zijn wij knechten.FAUST.Dus heeft ook zelfs de hel haar regten?Dat vind ik goed; dan liet zich een accoord,En zeker wel met u, o heeren sluiten?MEPHISTOPHELES.Men houdt wat men belooft; niets gaat daarbuiten;Zoo is de zaak als zij behoort.[40]Maar dat is niet in eens zoo uit te leggen;Daarvan dus op een andren keer!Maar nu verzoek ik u, mijnheer,Voor ditmaal u vaarwel te mogen zeggen!FAUST.O, blijf nog even, om mij vlug,Zoo ’t kan, mijn horoskoop te lezen!MEPHISTOPHELES.Laat mij nu vrij; ik kom weldra terug;Dan antwoord ik, hoe veel ’t moog’ wezen.FAUST.Gijbragt u zelf hier binnen, en nietik,En liept vrijwillig in den strik.Hij houdt den duivel, die hem eenmaal mogt erlangen,Daar men hem niet zoo ligt ten tweede maal zal vangen.MEPHISTOPHELES.O, gaarne wil ik, zoo dit u verblijdt,Voor uw gezelschap hier wat blijven;Doch met beding om u den tijdDoor mijne kunsten waardig te verdrijven.FAUST.Ik mag dit wel, en ’t staat u vrij,Mits slechts de kunst behaaglijk zij.MEPHISTOPHELES.Gij zult, mijn vriend, voor uwe zinnenIn dit half uurtje meer gewinnenDan anders in een jaargetij.Wat u de geesten doen aanschouwen,De zangen, die ze uw oor vertrouwen,Zij zijn geen ijdel tooverspel.[41]Ook uw gehemelt’ zal men streelen,Uw reuk zal in ’t genoegen deelen;En dan verrukt zich uw gestel.Geen toebereidsel hoeft vooraf te gaan;Wij zijn bijeen. Komt, geesten! vangt maar aan!GEESTEN.Weg nu, bestovenZoldring daarboven!Heerlijker stareVriendlijk de klareEther hier neêr!Ware het donkerWolkfloers geweken,’t SterrengeflonkerZou niet verbleeken,Tot ons zou spreken’t Hemelsche heer.Godlijke zonen,Heerlijke schoonen,Wie zich vertoonen,Zweeft hier voorbij;Smachtend verlangen,Volg gij de rij.Prachtige kleêren,Linten en veêren,Ziet men bedekkenZalen, vertrekken,Andere plekken,Onder abeelenEn in prieelen,Waar in gedachtenMinnenden smachten.Heerlijke druiven,Werp, als gij rijp zijt,U in den persbak![42]Schuimende wijnenStorten in beken,Midden door godlijke,Heerlijke streken,Laten de bergenAchter zich liggen,Breiden tot geurigeMeren zich uit.En het gevogelteKlapwiekt het zonlicht,Vliegt de verruklijkeEilanden tegen,Die zich op golfjesDobbrend bewegen;Waar wij de korenJuichende hooren,Of in landouwenDansers aanschouwen,Die spelemeijenOf zich verspreijen.Deze beklimmenBergen en boomen;Anderen zwemmenOver de stroomen;Anderen zwevenAl tot het leven;Al om een verre,Minnende sterreHulde te biên.MEPHISTOPHELES.Hij ’s ingesluimerd! Goed zoo, beste jongen!Gij, geesten, hebt hem trouw in slaap gezongen;Voor dit concert sta ik bij u in ’t krijt.Ja, Faust! ik wist wel, dat ge nog de man niet zijtOm zoo gemakkelijk den duivel in te toomen.[43]Wat droomgegoochel, en gij zijt hem kwijt.Maar om thans hier van daan te komen,Moet mij een rat ten dienste staan.Waar haal ik nu zoo’n beest op eens van daan?Maar stil! Daar hoor ’k er een; ik zal zijn les hem leeren,En hem maar dadelijk bezweren.De heer der muizen en der ratten,Der vliegen, torren, kikkers, katten,Beveelt u daadlijk op te dagenEn gindschen drempel te doorknagen,En dat terstond wel en op slag!Ah zie! Daar komt ge al voor den dag!Nu frisch aan ’t werk! Wat mij hier bantZit heel vooraan, aan d’ andren kant.Één beet nog, en het is geschied!Droom voort nu, Faust, tot gij mij wederziet.FAUST,wakker wordende.Ben ik dan andermaal bedrogen?Verdween aldus de magt, die zoo in slaap mij zong?Heeft mij een droom de duivel voorgelogen,Of was het slechts een poedel, die me ontsprong?[44]

Het studeervertrek van Faust.FAUST,met den poedel binnentredende.Verlaten heb ik veld en dreven,Die thans door ’t nachtfloers zijn bedekt;De betre ziel heeft hooger levenNu in ons binnenste opgewekt.De driften slapen met haar woelen,Met al haar last en leed en smart;De menschenmin doet zich gevoelen;De liefde Gods vervult het hart.Wees stil toch, hond! Loop niet zoo heen en weder!Wat snuffelt gij daar bij den drempel nu?Kom! leg u ginder op dat kussen neder,En dat wel daadlijk, zeg ik u!Hoor! Hebt ge buiten, toen we aan ’t wandlen waren,Ons door uw vrolijk springen al vermaakt,Dat is nu uit. Kom thans wat tot bedaren;Hier dient die vrolijkheid gestaakt.Is onze cel bij dag niet helder,Als vriendlijk weêr het lampje brandt,Wordt ons ’t van binnen onbeknelder,En ’t harte los van elken band.[32]De rede vangt weêr aan te spreken;De hoop straalt weder als een zon;Ook smacht men weêr naar ’s levens beken,En meer nog naar des levens bron.Knor niet zoo, poedel! Bij het licht van boven,Dat nu mijn gansche ziel vervult,Wordt geen geknor van dieren hier geduld.Wij zijn, o ja, gewoon dat menschen niet gelooven,Wat voor hun brein in nevel is gehuld;Dat ze over ’tgeen voor hen te hoog is morren:Maar moet een beest, als gij, daarover knorren?Helaas! Ik voel, dat, bij den besten wil,Niets immer onzen weetlust still’.Maar waarom moet de bron zoo ras vervlieten,En mogen wij van haar geen laafnis meer genieten?Dit is reeds me al te zeer bekend;Ik had daarvan reeds lang de ervaring:Daarom de steven nu gewend!Ons harte trekt naar de Openbaring,Die nergens schooner stralen zendtDan uit het Nieuwe Testament.’k Voel in mijn borst een hevig blakenOm nu den grondtekst zelf dit maalTe geven in onze eigen taal,Ten einde tot de waarheid te geraken.Hij slaat een foliant open, en begint.Welaan nu! “In den aanvang was hetwoord!”Hier sta ik reeds; wie helpt mij verder voort?Ik kan dit woord zoo hoog onmooglijk halen,En moet dus anders hier vertalen.O, mogt me een hooger licht bestralen!Misschien dus: “In den aanvang was dezin!”Bedenk, mijn geest, vooral ’t begin,[33]Opdat uw pen hier niet kan falen!Is dan dezinde hoogste magt?O neen; ’k vertaal: “In d’ aanvang was dekracht.”Maar ook, terwijl ik dit hier schrijve,Ontvang ’k een wenk, dat ik daarbij niet blijve.Mij wordt het licht; op eenmaal zie ik raad,En schrijf getroost: “In d’ aanvang was dedaad.”Hoor, hond! ik moet, blijft gij zoo janken,Voor uw gezelschap u bedanken;Geeft ge er niet om, als m’ u verbiedt,Dan wenschte ik dat ge mij verliet.Blijft ge altijd heen en weder loopen,Ga dan maar heen; de deur is open.Een van ons beiden voegt hier niet.Maar hoe? Wat moet ik daar aanschouwen?Durf ik mijne oogen wel vertrouwen?Wat zet hij uit! Mij dunkt, die zaakIs niet regt pluis en in den haak.Hij is de hond van straks niet meer,Maar heeft veel van een ruigen beer.O, welk een spooksel werd mijn buit!Het ziet er reeds gelijk een nijlpaard uit,Met vurige oogen, vreeselijke tanden.O vriendlief, gij zijt in mijn handen!Voor zulk een baksel helsch gebroedIs Salomo’s bezwering goed.GEESTEN,in den gang.Gevangen is een daar binnen;Blijft hier en verroert geen vinnen!Als een vos in den knip,Kijkt hij nu op zijn lip.Maar geeft wel acht!Zweeft heen, zweeft weder,Zweeft op en neder,[34]En hij is uit onze magt.Kan hij ons gerijven,Laat hem dan niet blijven;Want hij heeft voordezenOns veel dienst bewezen.FAUST.Ik moet, om dat dier tot mijn doel te gewinnen,Terstond met de spreuk van het viertal beginnen.Salamander zal gloeijen,Undine zich krommen,Sylphe verstommen,Kobold zich vermoeijen!Wie der elementen krachtNiet kende,En daarbij geen toovermagtAanwendde,Kon der geesten wettenNaar zijn hand niet zetten.Geest des vuurs, ga op in rook!Watergeest, verdwijn gij ook!Geest der lucht, zoo schoon en vrij,Sta met uwe hulp ons bij!Geest der aarde,Kobold, Gnomen,Wil ook gij te voorschijn komen!Geen van deze vierSteekt in het dier.Daar ligt het stil en grijnst mij aan.Ik heb hem nog geen leed gedaan;Maar ’k zal hem wel leerenEn sterker bezweren.[35]Zeg! Zijt gij, gezel,Een vlugtling der hel,Zoo zie dan dit teeken,Waarvoor steeds bezwekenDe duistere scharen!O zie, hoe hij opzwelt met borstlige haren!Ellendig wezen!Kunt gij hem vreezen,Den nooit ontsprotene,Onuitgesprokene,In alle heemlen beslotene,Schandlijk doorstokene?Ginds, tusschen kagchel en wand,Zwelt hij als een olifant;Hij zet zich al meer en meer uit;Een nevel omringt reeds zijn huid.Houd nu maar op; niet verder meer!Kom, leg u bij uw meester neêr!Ik dreig niet vruchtloos, zoo gij ziet;’k Verzeng u met een heilig vuur;O, wacht het gloeijend licht dus niet,Waarmeê ik driemaal u ommuur!Wacht niet van mij, in plaats van gunsten,De sterkste mijner tooverkunsten!MEPHISTOPHELES.treedt, terwijl de nevel neêrzakt, gekleed als een reizende student, achter de kagchel te voorschijn.Dat is genoeg zoo, op mijne eer!Wat is er van uw dienst, mijnheer?FAUST.Dat was de kern dus van dien hond?Een reizende student? Dat had ik moeten weten![36]MEPHISTOPHELES.Ontvang mijn welkomstgroet terstond;Gij hebt mij niet gering doen zweeten!FAUST.Hoe noemt gij u?MEPHISTOPHELES.Hoe noemt gij u?Dees vraag vind ik niet fijnVoor iemand, die niet op het Woord wil bouwen;Die, wars van zinbedrog en schijn,Slechts ’t wezen in zijn diepte wil beschouwen.FAUST.Bij u en de uwen kan men ’t wezenGewoonlijk uit den naam reeds lezen,Daar elk terstond uw doen en laten weet,Als m’ u Beëlzebub, Verderver, Loognaar heet.Maar kort en goed: wie zijt ge?MEPHISTOPHELES.Maar kort en goed: wie zijt ge?Ik ben een deel der kracht,Die ’t kwade wil, doch door wie ’t goed wordt voortgebragt.FAUST.Wat meent gij met dit raadselwoord?MEPHISTOPHELES.Ik ben de geest, die alles steeds verstoort;En dat met regt; want al, wat ooit ontstaat,Is waard dat het te gronde gaat:’t Waar’ beter daarom dat het niet ontstonde.Zoo is dus alles, wat ge als zonde,Bedrog, kortom, als ’t booze erkent,Mijn leven en mijn element.[37]FAUST.Gij noemdet u daar straks eendeel,En toch, ik zie u hiergeheel?MEPHISTOPHELES.Ik spreek eenvoudig waarheid, en niets meer;Het is zoo als ik zeg, mijnheer!Moge ook het menschdom, met zijn waan en grillen,Voor eengeheelzich houden willen,Ik ben een deel des deels, dat alles in zich sloot,Een deel der duisternis, waaruit het licht ontsproot,Het licht, dat moeder Nacht, met alle listen,Den ouden rang en eerplaats wil betwisten,Maar vruchtloos, daar het zooveel mooglijk streeft,Dat het als vastgehecht aan ’t ligchaam kleeft.Het stroomt het ligchaam uit, doet dit in glans verschijnen,Een ligchaam stremt het in zijn loop,En ’t zal zoo lang niet duren, zoo ik hoop,Of met het ligchaam zal het eens verdwijnen.FAUST.Nu ken ik uwe lieve pligten!Gij kunt in ’t groot geen kwaad verrigten,En vangt dit in het klein dus aan.MEPHISTOPHELES.En toch is juist niet veel daarmeê gedaan.Wat aan hetnietshet hoofd ook bied’,Dees plompe wereld, ’t stoflijkiet,—Hoe veel ’k ook reeds heb ondernomen,Ik wist haar nooit te na te komenMet golven, stormen, schokken, brand—Kalm bleef toch eindlijk zee en land.En dat vervloekte tuig, dat dier- en menschgebroed,Daarmede kan ik niets beginnen.[38]Hoe velen palmde ik niet al binnen,En altijd stroomt een nieuw en frisscher bloed.Zoo gaat het voort, hoe weinig men ook spaarde.Uit lucht, uit water en uit de aardeOntwikkelt kiem bij kiem zich achtereen;’t Was weinig wat mijne oogen niet aanschouwden.Zoo ik mij niet de vlam had voorbehouden,Ik had niets voor mijzelv’ alleen.FAUST.Dus wildet gij de Magt der magtenBestrijden, schoon zij eeuwig schept,Met uwe kleine duivelskrachten,Waarmeê ge vruchteloos u rept?O, zie wat anders te beginnen,Gij wonderlijke chaos-man!MEPHISTOPHELES.’k Zal inderdaad mij eens bezinnen;Een andermaal iets meer daarvan!Maar mag ik thans u wel verlaten?FAUST.Mij dunkt, dat is geen vragenswaard;Ik heb u nu toch in de gaten.Kom vrij terug, als ’t vreugde u baart.Hier is het venster, daar de deur;Een schoorsteen is hier ook voorhanden.MEPHISTOPHELES.Ja, maar ’t verlaten dezer wandenStaat niet zoo daadlijk in mijn keur.De Drudenvoet daar op uw drempel.….FAUST.Dat pentagram houdt u terug?[39]Maar zeg mij dan, gij hel-exempel,Hoe kwaamt gij hier dan straks zoo vlug?Wat kon een geest, als u, hier in den val zoo lokken?MEPHISTOPHELES.Beschouw het wel! Het is niet goed getrokken.Die eene hoek, daar aan de buitenzij,Is, zoo gij ziet, een weinig open.FAUST.Dat heeft het toeval in uw nadeel zoo doen loopen,En mijn gevangene zijt gij;Ja, dat zijn van die vreemde dingen!MEPHISTOPHELES.De poedel merkte niets, toen hij kwam binnenspringen.Nu is de zaak geheel verbruid:De duivel kan het huis niet uit!FAUST.Maar waarom gaat gij niet door ’t venster klimmen?MEPHISTOPHELES.Het is een wet voor helsche schimmen,Dat de ingang, die ze bragt in een vertrek,Ze ook wederom tot uitgang strekk’.In ’t eerste zijn wij vrij; bij ’t andre zijn wij knechten.FAUST.Dus heeft ook zelfs de hel haar regten?Dat vind ik goed; dan liet zich een accoord,En zeker wel met u, o heeren sluiten?MEPHISTOPHELES.Men houdt wat men belooft; niets gaat daarbuiten;Zoo is de zaak als zij behoort.[40]Maar dat is niet in eens zoo uit te leggen;Daarvan dus op een andren keer!Maar nu verzoek ik u, mijnheer,Voor ditmaal u vaarwel te mogen zeggen!FAUST.O, blijf nog even, om mij vlug,Zoo ’t kan, mijn horoskoop te lezen!MEPHISTOPHELES.Laat mij nu vrij; ik kom weldra terug;Dan antwoord ik, hoe veel ’t moog’ wezen.FAUST.Gijbragt u zelf hier binnen, en nietik,En liept vrijwillig in den strik.Hij houdt den duivel, die hem eenmaal mogt erlangen,Daar men hem niet zoo ligt ten tweede maal zal vangen.MEPHISTOPHELES.O, gaarne wil ik, zoo dit u verblijdt,Voor uw gezelschap hier wat blijven;Doch met beding om u den tijdDoor mijne kunsten waardig te verdrijven.FAUST.Ik mag dit wel, en ’t staat u vrij,Mits slechts de kunst behaaglijk zij.MEPHISTOPHELES.Gij zult, mijn vriend, voor uwe zinnenIn dit half uurtje meer gewinnenDan anders in een jaargetij.Wat u de geesten doen aanschouwen,De zangen, die ze uw oor vertrouwen,Zij zijn geen ijdel tooverspel.[41]Ook uw gehemelt’ zal men streelen,Uw reuk zal in ’t genoegen deelen;En dan verrukt zich uw gestel.Geen toebereidsel hoeft vooraf te gaan;Wij zijn bijeen. Komt, geesten! vangt maar aan!GEESTEN.Weg nu, bestovenZoldring daarboven!Heerlijker stareVriendlijk de klareEther hier neêr!Ware het donkerWolkfloers geweken,’t SterrengeflonkerZou niet verbleeken,Tot ons zou spreken’t Hemelsche heer.Godlijke zonen,Heerlijke schoonen,Wie zich vertoonen,Zweeft hier voorbij;Smachtend verlangen,Volg gij de rij.Prachtige kleêren,Linten en veêren,Ziet men bedekkenZalen, vertrekken,Andere plekken,Onder abeelenEn in prieelen,Waar in gedachtenMinnenden smachten.Heerlijke druiven,Werp, als gij rijp zijt,U in den persbak![42]Schuimende wijnenStorten in beken,Midden door godlijke,Heerlijke streken,Laten de bergenAchter zich liggen,Breiden tot geurigeMeren zich uit.En het gevogelteKlapwiekt het zonlicht,Vliegt de verruklijkeEilanden tegen,Die zich op golfjesDobbrend bewegen;Waar wij de korenJuichende hooren,Of in landouwenDansers aanschouwen,Die spelemeijenOf zich verspreijen.Deze beklimmenBergen en boomen;Anderen zwemmenOver de stroomen;Anderen zwevenAl tot het leven;Al om een verre,Minnende sterreHulde te biên.MEPHISTOPHELES.Hij ’s ingesluimerd! Goed zoo, beste jongen!Gij, geesten, hebt hem trouw in slaap gezongen;Voor dit concert sta ik bij u in ’t krijt.Ja, Faust! ik wist wel, dat ge nog de man niet zijtOm zoo gemakkelijk den duivel in te toomen.[43]Wat droomgegoochel, en gij zijt hem kwijt.Maar om thans hier van daan te komen,Moet mij een rat ten dienste staan.Waar haal ik nu zoo’n beest op eens van daan?Maar stil! Daar hoor ’k er een; ik zal zijn les hem leeren,En hem maar dadelijk bezweren.De heer der muizen en der ratten,Der vliegen, torren, kikkers, katten,Beveelt u daadlijk op te dagenEn gindschen drempel te doorknagen,En dat terstond wel en op slag!Ah zie! Daar komt ge al voor den dag!Nu frisch aan ’t werk! Wat mij hier bantZit heel vooraan, aan d’ andren kant.Één beet nog, en het is geschied!Droom voort nu, Faust, tot gij mij wederziet.FAUST,wakker wordende.Ben ik dan andermaal bedrogen?Verdween aldus de magt, die zoo in slaap mij zong?Heeft mij een droom de duivel voorgelogen,Of was het slechts een poedel, die me ontsprong?[44]

Het studeervertrek van Faust.

FAUST,met den poedel binnentredende.Verlaten heb ik veld en dreven,Die thans door ’t nachtfloers zijn bedekt;De betre ziel heeft hooger levenNu in ons binnenste opgewekt.De driften slapen met haar woelen,Met al haar last en leed en smart;De menschenmin doet zich gevoelen;De liefde Gods vervult het hart.Wees stil toch, hond! Loop niet zoo heen en weder!Wat snuffelt gij daar bij den drempel nu?Kom! leg u ginder op dat kussen neder,En dat wel daadlijk, zeg ik u!Hoor! Hebt ge buiten, toen we aan ’t wandlen waren,Ons door uw vrolijk springen al vermaakt,Dat is nu uit. Kom thans wat tot bedaren;Hier dient die vrolijkheid gestaakt.Is onze cel bij dag niet helder,Als vriendlijk weêr het lampje brandt,Wordt ons ’t van binnen onbeknelder,En ’t harte los van elken band.[32]De rede vangt weêr aan te spreken;De hoop straalt weder als een zon;Ook smacht men weêr naar ’s levens beken,En meer nog naar des levens bron.Knor niet zoo, poedel! Bij het licht van boven,Dat nu mijn gansche ziel vervult,Wordt geen geknor van dieren hier geduld.Wij zijn, o ja, gewoon dat menschen niet gelooven,Wat voor hun brein in nevel is gehuld;Dat ze over ’tgeen voor hen te hoog is morren:Maar moet een beest, als gij, daarover knorren?Helaas! Ik voel, dat, bij den besten wil,Niets immer onzen weetlust still’.Maar waarom moet de bron zoo ras vervlieten,En mogen wij van haar geen laafnis meer genieten?Dit is reeds me al te zeer bekend;Ik had daarvan reeds lang de ervaring:Daarom de steven nu gewend!Ons harte trekt naar de Openbaring,Die nergens schooner stralen zendtDan uit het Nieuwe Testament.’k Voel in mijn borst een hevig blakenOm nu den grondtekst zelf dit maalTe geven in onze eigen taal,Ten einde tot de waarheid te geraken.

FAUST,met den poedel binnentredende.

Verlaten heb ik veld en dreven,Die thans door ’t nachtfloers zijn bedekt;De betre ziel heeft hooger levenNu in ons binnenste opgewekt.De driften slapen met haar woelen,Met al haar last en leed en smart;De menschenmin doet zich gevoelen;De liefde Gods vervult het hart.

Verlaten heb ik veld en dreven,

Die thans door ’t nachtfloers zijn bedekt;

De betre ziel heeft hooger leven

Nu in ons binnenste opgewekt.

De driften slapen met haar woelen,

Met al haar last en leed en smart;

De menschenmin doet zich gevoelen;

De liefde Gods vervult het hart.

Wees stil toch, hond! Loop niet zoo heen en weder!Wat snuffelt gij daar bij den drempel nu?Kom! leg u ginder op dat kussen neder,En dat wel daadlijk, zeg ik u!Hoor! Hebt ge buiten, toen we aan ’t wandlen waren,Ons door uw vrolijk springen al vermaakt,Dat is nu uit. Kom thans wat tot bedaren;Hier dient die vrolijkheid gestaakt.

Wees stil toch, hond! Loop niet zoo heen en weder!

Wat snuffelt gij daar bij den drempel nu?

Kom! leg u ginder op dat kussen neder,

En dat wel daadlijk, zeg ik u!

Hoor! Hebt ge buiten, toen we aan ’t wandlen waren,

Ons door uw vrolijk springen al vermaakt,

Dat is nu uit. Kom thans wat tot bedaren;

Hier dient die vrolijkheid gestaakt.

Is onze cel bij dag niet helder,Als vriendlijk weêr het lampje brandt,Wordt ons ’t van binnen onbeknelder,En ’t harte los van elken band.[32]De rede vangt weêr aan te spreken;De hoop straalt weder als een zon;Ook smacht men weêr naar ’s levens beken,En meer nog naar des levens bron.

Is onze cel bij dag niet helder,

Als vriendlijk weêr het lampje brandt,

Wordt ons ’t van binnen onbeknelder,

En ’t harte los van elken band.[32]

De rede vangt weêr aan te spreken;

De hoop straalt weder als een zon;

Ook smacht men weêr naar ’s levens beken,

En meer nog naar des levens bron.

Knor niet zoo, poedel! Bij het licht van boven,Dat nu mijn gansche ziel vervult,Wordt geen geknor van dieren hier geduld.Wij zijn, o ja, gewoon dat menschen niet gelooven,Wat voor hun brein in nevel is gehuld;Dat ze over ’tgeen voor hen te hoog is morren:Maar moet een beest, als gij, daarover knorren?

Knor niet zoo, poedel! Bij het licht van boven,

Dat nu mijn gansche ziel vervult,

Wordt geen geknor van dieren hier geduld.

Wij zijn, o ja, gewoon dat menschen niet gelooven,

Wat voor hun brein in nevel is gehuld;

Dat ze over ’tgeen voor hen te hoog is morren:

Maar moet een beest, als gij, daarover knorren?

Helaas! Ik voel, dat, bij den besten wil,Niets immer onzen weetlust still’.Maar waarom moet de bron zoo ras vervlieten,En mogen wij van haar geen laafnis meer genieten?Dit is reeds me al te zeer bekend;Ik had daarvan reeds lang de ervaring:Daarom de steven nu gewend!Ons harte trekt naar de Openbaring,Die nergens schooner stralen zendtDan uit het Nieuwe Testament.’k Voel in mijn borst een hevig blakenOm nu den grondtekst zelf dit maalTe geven in onze eigen taal,Ten einde tot de waarheid te geraken.

Helaas! Ik voel, dat, bij den besten wil,

Niets immer onzen weetlust still’.

Maar waarom moet de bron zoo ras vervlieten,

En mogen wij van haar geen laafnis meer genieten?

Dit is reeds me al te zeer bekend;

Ik had daarvan reeds lang de ervaring:

Daarom de steven nu gewend!

Ons harte trekt naar de Openbaring,

Die nergens schooner stralen zendt

Dan uit het Nieuwe Testament.

’k Voel in mijn borst een hevig blaken

Om nu den grondtekst zelf dit maal

Te geven in onze eigen taal,

Ten einde tot de waarheid te geraken.

Hij slaat een foliant open, en begint.

Welaan nu! “In den aanvang was hetwoord!”Hier sta ik reeds; wie helpt mij verder voort?Ik kan dit woord zoo hoog onmooglijk halen,En moet dus anders hier vertalen.O, mogt me een hooger licht bestralen!Misschien dus: “In den aanvang was dezin!”Bedenk, mijn geest, vooral ’t begin,[33]Opdat uw pen hier niet kan falen!Is dan dezinde hoogste magt?O neen; ’k vertaal: “In d’ aanvang was dekracht.”Maar ook, terwijl ik dit hier schrijve,Ontvang ’k een wenk, dat ik daarbij niet blijve.Mij wordt het licht; op eenmaal zie ik raad,En schrijf getroost: “In d’ aanvang was dedaad.”Hoor, hond! ik moet, blijft gij zoo janken,Voor uw gezelschap u bedanken;Geeft ge er niet om, als m’ u verbiedt,Dan wenschte ik dat ge mij verliet.Blijft ge altijd heen en weder loopen,Ga dan maar heen; de deur is open.Een van ons beiden voegt hier niet.Maar hoe? Wat moet ik daar aanschouwen?Durf ik mijne oogen wel vertrouwen?Wat zet hij uit! Mij dunkt, die zaakIs niet regt pluis en in den haak.Hij is de hond van straks niet meer,Maar heeft veel van een ruigen beer.O, welk een spooksel werd mijn buit!Het ziet er reeds gelijk een nijlpaard uit,Met vurige oogen, vreeselijke tanden.O vriendlief, gij zijt in mijn handen!Voor zulk een baksel helsch gebroedIs Salomo’s bezwering goed.

Welaan nu! “In den aanvang was hetwoord!”Hier sta ik reeds; wie helpt mij verder voort?Ik kan dit woord zoo hoog onmooglijk halen,En moet dus anders hier vertalen.O, mogt me een hooger licht bestralen!Misschien dus: “In den aanvang was dezin!”Bedenk, mijn geest, vooral ’t begin,[33]Opdat uw pen hier niet kan falen!Is dan dezinde hoogste magt?O neen; ’k vertaal: “In d’ aanvang was dekracht.”Maar ook, terwijl ik dit hier schrijve,Ontvang ’k een wenk, dat ik daarbij niet blijve.Mij wordt het licht; op eenmaal zie ik raad,En schrijf getroost: “In d’ aanvang was dedaad.”

Welaan nu! “In den aanvang was hetwoord!”

Hier sta ik reeds; wie helpt mij verder voort?

Ik kan dit woord zoo hoog onmooglijk halen,

En moet dus anders hier vertalen.

O, mogt me een hooger licht bestralen!

Misschien dus: “In den aanvang was dezin!”

Bedenk, mijn geest, vooral ’t begin,[33]

Opdat uw pen hier niet kan falen!

Is dan dezinde hoogste magt?

O neen; ’k vertaal: “In d’ aanvang was dekracht.”

Maar ook, terwijl ik dit hier schrijve,

Ontvang ’k een wenk, dat ik daarbij niet blijve.

Mij wordt het licht; op eenmaal zie ik raad,

En schrijf getroost: “In d’ aanvang was dedaad.”

Hoor, hond! ik moet, blijft gij zoo janken,Voor uw gezelschap u bedanken;Geeft ge er niet om, als m’ u verbiedt,Dan wenschte ik dat ge mij verliet.Blijft ge altijd heen en weder loopen,Ga dan maar heen; de deur is open.Een van ons beiden voegt hier niet.Maar hoe? Wat moet ik daar aanschouwen?Durf ik mijne oogen wel vertrouwen?Wat zet hij uit! Mij dunkt, die zaakIs niet regt pluis en in den haak.Hij is de hond van straks niet meer,Maar heeft veel van een ruigen beer.O, welk een spooksel werd mijn buit!Het ziet er reeds gelijk een nijlpaard uit,Met vurige oogen, vreeselijke tanden.O vriendlief, gij zijt in mijn handen!Voor zulk een baksel helsch gebroedIs Salomo’s bezwering goed.

Hoor, hond! ik moet, blijft gij zoo janken,

Voor uw gezelschap u bedanken;

Geeft ge er niet om, als m’ u verbiedt,

Dan wenschte ik dat ge mij verliet.

Blijft ge altijd heen en weder loopen,

Ga dan maar heen; de deur is open.

Een van ons beiden voegt hier niet.

Maar hoe? Wat moet ik daar aanschouwen?

Durf ik mijne oogen wel vertrouwen?

Wat zet hij uit! Mij dunkt, die zaak

Is niet regt pluis en in den haak.

Hij is de hond van straks niet meer,

Maar heeft veel van een ruigen beer.

O, welk een spooksel werd mijn buit!

Het ziet er reeds gelijk een nijlpaard uit,

Met vurige oogen, vreeselijke tanden.

O vriendlief, gij zijt in mijn handen!

Voor zulk een baksel helsch gebroed

Is Salomo’s bezwering goed.

GEESTEN,in den gang.Gevangen is een daar binnen;Blijft hier en verroert geen vinnen!Als een vos in den knip,Kijkt hij nu op zijn lip.Maar geeft wel acht!Zweeft heen, zweeft weder,Zweeft op en neder,[34]En hij is uit onze magt.Kan hij ons gerijven,Laat hem dan niet blijven;Want hij heeft voordezenOns veel dienst bewezen.

GEESTEN,in den gang.

Gevangen is een daar binnen;Blijft hier en verroert geen vinnen!Als een vos in den knip,Kijkt hij nu op zijn lip.Maar geeft wel acht!Zweeft heen, zweeft weder,Zweeft op en neder,[34]En hij is uit onze magt.Kan hij ons gerijven,Laat hem dan niet blijven;Want hij heeft voordezenOns veel dienst bewezen.

Gevangen is een daar binnen;

Blijft hier en verroert geen vinnen!

Als een vos in den knip,

Kijkt hij nu op zijn lip.

Maar geeft wel acht!

Zweeft heen, zweeft weder,

Zweeft op en neder,[34]

En hij is uit onze magt.

Kan hij ons gerijven,

Laat hem dan niet blijven;

Want hij heeft voordezen

Ons veel dienst bewezen.

FAUST.Ik moet, om dat dier tot mijn doel te gewinnen,Terstond met de spreuk van het viertal beginnen.Salamander zal gloeijen,Undine zich krommen,Sylphe verstommen,Kobold zich vermoeijen!Wie der elementen krachtNiet kende,En daarbij geen toovermagtAanwendde,Kon der geesten wettenNaar zijn hand niet zetten.Geest des vuurs, ga op in rook!Watergeest, verdwijn gij ook!Geest der lucht, zoo schoon en vrij,Sta met uwe hulp ons bij!Geest der aarde,Kobold, Gnomen,Wil ook gij te voorschijn komen!Geen van deze vierSteekt in het dier.Daar ligt het stil en grijnst mij aan.Ik heb hem nog geen leed gedaan;Maar ’k zal hem wel leerenEn sterker bezweren.[35]Zeg! Zijt gij, gezel,Een vlugtling der hel,Zoo zie dan dit teeken,Waarvoor steeds bezwekenDe duistere scharen!O zie, hoe hij opzwelt met borstlige haren!Ellendig wezen!Kunt gij hem vreezen,Den nooit ontsprotene,Onuitgesprokene,In alle heemlen beslotene,Schandlijk doorstokene?Ginds, tusschen kagchel en wand,Zwelt hij als een olifant;Hij zet zich al meer en meer uit;Een nevel omringt reeds zijn huid.Houd nu maar op; niet verder meer!Kom, leg u bij uw meester neêr!Ik dreig niet vruchtloos, zoo gij ziet;’k Verzeng u met een heilig vuur;O, wacht het gloeijend licht dus niet,Waarmeê ik driemaal u ommuur!Wacht niet van mij, in plaats van gunsten,De sterkste mijner tooverkunsten!

FAUST.

Ik moet, om dat dier tot mijn doel te gewinnen,Terstond met de spreuk van het viertal beginnen.

Ik moet, om dat dier tot mijn doel te gewinnen,

Terstond met de spreuk van het viertal beginnen.

Salamander zal gloeijen,Undine zich krommen,Sylphe verstommen,Kobold zich vermoeijen!

Salamander zal gloeijen,

Undine zich krommen,

Sylphe verstommen,

Kobold zich vermoeijen!

Wie der elementen krachtNiet kende,En daarbij geen toovermagtAanwendde,Kon der geesten wettenNaar zijn hand niet zetten.

Wie der elementen kracht

Niet kende,

En daarbij geen toovermagt

Aanwendde,

Kon der geesten wetten

Naar zijn hand niet zetten.

Geest des vuurs, ga op in rook!Watergeest, verdwijn gij ook!Geest der lucht, zoo schoon en vrij,Sta met uwe hulp ons bij!Geest der aarde,Kobold, Gnomen,Wil ook gij te voorschijn komen!

Geest des vuurs, ga op in rook!

Watergeest, verdwijn gij ook!

Geest der lucht, zoo schoon en vrij,

Sta met uwe hulp ons bij!

Geest der aarde,Kobold, Gnomen,

Wil ook gij te voorschijn komen!

Geen van deze vierSteekt in het dier.Daar ligt het stil en grijnst mij aan.Ik heb hem nog geen leed gedaan;Maar ’k zal hem wel leerenEn sterker bezweren.

Geen van deze vier

Steekt in het dier.

Daar ligt het stil en grijnst mij aan.

Ik heb hem nog geen leed gedaan;

Maar ’k zal hem wel leeren

En sterker bezweren.

[35]

Zeg! Zijt gij, gezel,Een vlugtling der hel,Zoo zie dan dit teeken,Waarvoor steeds bezwekenDe duistere scharen!

Zeg! Zijt gij, gezel,

Een vlugtling der hel,

Zoo zie dan dit teeken,

Waarvoor steeds bezweken

De duistere scharen!

O zie, hoe hij opzwelt met borstlige haren!

O zie, hoe hij opzwelt met borstlige haren!

Ellendig wezen!Kunt gij hem vreezen,Den nooit ontsprotene,Onuitgesprokene,In alle heemlen beslotene,Schandlijk doorstokene?

Ellendig wezen!

Kunt gij hem vreezen,

Den nooit ontsprotene,

Onuitgesprokene,

In alle heemlen beslotene,

Schandlijk doorstokene?

Ginds, tusschen kagchel en wand,Zwelt hij als een olifant;Hij zet zich al meer en meer uit;Een nevel omringt reeds zijn huid.Houd nu maar op; niet verder meer!Kom, leg u bij uw meester neêr!Ik dreig niet vruchtloos, zoo gij ziet;’k Verzeng u met een heilig vuur;O, wacht het gloeijend licht dus niet,Waarmeê ik driemaal u ommuur!Wacht niet van mij, in plaats van gunsten,De sterkste mijner tooverkunsten!

Ginds, tusschen kagchel en wand,

Zwelt hij als een olifant;

Hij zet zich al meer en meer uit;

Een nevel omringt reeds zijn huid.

Houd nu maar op; niet verder meer!

Kom, leg u bij uw meester neêr!

Ik dreig niet vruchtloos, zoo gij ziet;

’k Verzeng u met een heilig vuur;

O, wacht het gloeijend licht dus niet,

Waarmeê ik driemaal u ommuur!

Wacht niet van mij, in plaats van gunsten,

De sterkste mijner tooverkunsten!

MEPHISTOPHELES.treedt, terwijl de nevel neêrzakt, gekleed als een reizende student, achter de kagchel te voorschijn.Dat is genoeg zoo, op mijne eer!Wat is er van uw dienst, mijnheer?

MEPHISTOPHELES.

treedt, terwijl de nevel neêrzakt, gekleed als een reizende student, achter de kagchel te voorschijn.

Dat is genoeg zoo, op mijne eer!

Wat is er van uw dienst, mijnheer?

FAUST.Dat was de kern dus van dien hond?Een reizende student? Dat had ik moeten weten!

FAUST.

Dat was de kern dus van dien hond?

Een reizende student? Dat had ik moeten weten!

[36]

MEPHISTOPHELES.Ontvang mijn welkomstgroet terstond;Gij hebt mij niet gering doen zweeten!

MEPHISTOPHELES.

Ontvang mijn welkomstgroet terstond;

Gij hebt mij niet gering doen zweeten!

FAUST.Hoe noemt gij u?

FAUST.

Hoe noemt gij u?

MEPHISTOPHELES.Hoe noemt gij u?Dees vraag vind ik niet fijnVoor iemand, die niet op het Woord wil bouwen;Die, wars van zinbedrog en schijn,Slechts ’t wezen in zijn diepte wil beschouwen.

MEPHISTOPHELES.

Hoe noemt gij u?Dees vraag vind ik niet fijn

Voor iemand, die niet op het Woord wil bouwen;

Die, wars van zinbedrog en schijn,

Slechts ’t wezen in zijn diepte wil beschouwen.

FAUST.Bij u en de uwen kan men ’t wezenGewoonlijk uit den naam reeds lezen,Daar elk terstond uw doen en laten weet,Als m’ u Beëlzebub, Verderver, Loognaar heet.Maar kort en goed: wie zijt ge?

FAUST.

Bij u en de uwen kan men ’t wezen

Gewoonlijk uit den naam reeds lezen,

Daar elk terstond uw doen en laten weet,

Als m’ u Beëlzebub, Verderver, Loognaar heet.

Maar kort en goed: wie zijt ge?

MEPHISTOPHELES.Maar kort en goed: wie zijt ge?Ik ben een deel der kracht,Die ’t kwade wil, doch door wie ’t goed wordt voortgebragt.

MEPHISTOPHELES.

Maar kort en goed: wie zijt ge?Ik ben een deel der kracht,

Die ’t kwade wil, doch door wie ’t goed wordt voortgebragt.

FAUST.Wat meent gij met dit raadselwoord?

FAUST.

Wat meent gij met dit raadselwoord?

MEPHISTOPHELES.Ik ben de geest, die alles steeds verstoort;En dat met regt; want al, wat ooit ontstaat,Is waard dat het te gronde gaat:’t Waar’ beter daarom dat het niet ontstonde.Zoo is dus alles, wat ge als zonde,Bedrog, kortom, als ’t booze erkent,Mijn leven en mijn element.

MEPHISTOPHELES.

Ik ben de geest, die alles steeds verstoort;

En dat met regt; want al, wat ooit ontstaat,

Is waard dat het te gronde gaat:

’t Waar’ beter daarom dat het niet ontstonde.

Zoo is dus alles, wat ge als zonde,

Bedrog, kortom, als ’t booze erkent,

Mijn leven en mijn element.

[37]

FAUST.Gij noemdet u daar straks eendeel,En toch, ik zie u hiergeheel?

FAUST.

Gij noemdet u daar straks eendeel,

En toch, ik zie u hiergeheel?

MEPHISTOPHELES.Ik spreek eenvoudig waarheid, en niets meer;Het is zoo als ik zeg, mijnheer!Moge ook het menschdom, met zijn waan en grillen,Voor eengeheelzich houden willen,Ik ben een deel des deels, dat alles in zich sloot,Een deel der duisternis, waaruit het licht ontsproot,Het licht, dat moeder Nacht, met alle listen,Den ouden rang en eerplaats wil betwisten,Maar vruchtloos, daar het zooveel mooglijk streeft,Dat het als vastgehecht aan ’t ligchaam kleeft.Het stroomt het ligchaam uit, doet dit in glans verschijnen,Een ligchaam stremt het in zijn loop,En ’t zal zoo lang niet duren, zoo ik hoop,Of met het ligchaam zal het eens verdwijnen.

MEPHISTOPHELES.

Ik spreek eenvoudig waarheid, en niets meer;

Het is zoo als ik zeg, mijnheer!

Moge ook het menschdom, met zijn waan en grillen,

Voor eengeheelzich houden willen,

Ik ben een deel des deels, dat alles in zich sloot,

Een deel der duisternis, waaruit het licht ontsproot,

Het licht, dat moeder Nacht, met alle listen,

Den ouden rang en eerplaats wil betwisten,

Maar vruchtloos, daar het zooveel mooglijk streeft,

Dat het als vastgehecht aan ’t ligchaam kleeft.

Het stroomt het ligchaam uit, doet dit in glans verschijnen,

Een ligchaam stremt het in zijn loop,

En ’t zal zoo lang niet duren, zoo ik hoop,

Of met het ligchaam zal het eens verdwijnen.

FAUST.Nu ken ik uwe lieve pligten!Gij kunt in ’t groot geen kwaad verrigten,En vangt dit in het klein dus aan.

FAUST.

Nu ken ik uwe lieve pligten!

Gij kunt in ’t groot geen kwaad verrigten,

En vangt dit in het klein dus aan.

MEPHISTOPHELES.En toch is juist niet veel daarmeê gedaan.Wat aan hetnietshet hoofd ook bied’,Dees plompe wereld, ’t stoflijkiet,—Hoe veel ’k ook reeds heb ondernomen,Ik wist haar nooit te na te komenMet golven, stormen, schokken, brand—Kalm bleef toch eindlijk zee en land.En dat vervloekte tuig, dat dier- en menschgebroed,Daarmede kan ik niets beginnen.[38]Hoe velen palmde ik niet al binnen,En altijd stroomt een nieuw en frisscher bloed.Zoo gaat het voort, hoe weinig men ook spaarde.Uit lucht, uit water en uit de aardeOntwikkelt kiem bij kiem zich achtereen;’t Was weinig wat mijne oogen niet aanschouwden.Zoo ik mij niet de vlam had voorbehouden,Ik had niets voor mijzelv’ alleen.

MEPHISTOPHELES.

En toch is juist niet veel daarmeê gedaan.

Wat aan hetnietshet hoofd ook bied’,

Dees plompe wereld, ’t stoflijkiet,—

Hoe veel ’k ook reeds heb ondernomen,

Ik wist haar nooit te na te komen

Met golven, stormen, schokken, brand—

Kalm bleef toch eindlijk zee en land.

En dat vervloekte tuig, dat dier- en menschgebroed,

Daarmede kan ik niets beginnen.[38]

Hoe velen palmde ik niet al binnen,

En altijd stroomt een nieuw en frisscher bloed.

Zoo gaat het voort, hoe weinig men ook spaarde.

Uit lucht, uit water en uit de aarde

Ontwikkelt kiem bij kiem zich achtereen;

’t Was weinig wat mijne oogen niet aanschouwden.

Zoo ik mij niet de vlam had voorbehouden,

Ik had niets voor mijzelv’ alleen.

FAUST.Dus wildet gij de Magt der magtenBestrijden, schoon zij eeuwig schept,Met uwe kleine duivelskrachten,Waarmeê ge vruchteloos u rept?O, zie wat anders te beginnen,Gij wonderlijke chaos-man!

FAUST.

Dus wildet gij de Magt der magten

Bestrijden, schoon zij eeuwig schept,

Met uwe kleine duivelskrachten,

Waarmeê ge vruchteloos u rept?

O, zie wat anders te beginnen,

Gij wonderlijke chaos-man!

MEPHISTOPHELES.’k Zal inderdaad mij eens bezinnen;Een andermaal iets meer daarvan!Maar mag ik thans u wel verlaten?

MEPHISTOPHELES.

’k Zal inderdaad mij eens bezinnen;

Een andermaal iets meer daarvan!

Maar mag ik thans u wel verlaten?

FAUST.Mij dunkt, dat is geen vragenswaard;Ik heb u nu toch in de gaten.Kom vrij terug, als ’t vreugde u baart.Hier is het venster, daar de deur;Een schoorsteen is hier ook voorhanden.

FAUST.

Mij dunkt, dat is geen vragenswaard;

Ik heb u nu toch in de gaten.

Kom vrij terug, als ’t vreugde u baart.

Hier is het venster, daar de deur;

Een schoorsteen is hier ook voorhanden.

MEPHISTOPHELES.Ja, maar ’t verlaten dezer wandenStaat niet zoo daadlijk in mijn keur.De Drudenvoet daar op uw drempel.….

MEPHISTOPHELES.

Ja, maar ’t verlaten dezer wanden

Staat niet zoo daadlijk in mijn keur.

De Drudenvoet daar op uw drempel.….

FAUST.Dat pentagram houdt u terug?[39]Maar zeg mij dan, gij hel-exempel,Hoe kwaamt gij hier dan straks zoo vlug?Wat kon een geest, als u, hier in den val zoo lokken?

FAUST.

Dat pentagram houdt u terug?[39]

Maar zeg mij dan, gij hel-exempel,

Hoe kwaamt gij hier dan straks zoo vlug?

Wat kon een geest, als u, hier in den val zoo lokken?

MEPHISTOPHELES.Beschouw het wel! Het is niet goed getrokken.Die eene hoek, daar aan de buitenzij,Is, zoo gij ziet, een weinig open.

MEPHISTOPHELES.

Beschouw het wel! Het is niet goed getrokken.

Die eene hoek, daar aan de buitenzij,

Is, zoo gij ziet, een weinig open.

FAUST.Dat heeft het toeval in uw nadeel zoo doen loopen,En mijn gevangene zijt gij;Ja, dat zijn van die vreemde dingen!

FAUST.

Dat heeft het toeval in uw nadeel zoo doen loopen,

En mijn gevangene zijt gij;

Ja, dat zijn van die vreemde dingen!

MEPHISTOPHELES.De poedel merkte niets, toen hij kwam binnenspringen.Nu is de zaak geheel verbruid:De duivel kan het huis niet uit!

MEPHISTOPHELES.

De poedel merkte niets, toen hij kwam binnenspringen.

Nu is de zaak geheel verbruid:

De duivel kan het huis niet uit!

FAUST.Maar waarom gaat gij niet door ’t venster klimmen?

FAUST.

Maar waarom gaat gij niet door ’t venster klimmen?

MEPHISTOPHELES.Het is een wet voor helsche schimmen,Dat de ingang, die ze bragt in een vertrek,Ze ook wederom tot uitgang strekk’.In ’t eerste zijn wij vrij; bij ’t andre zijn wij knechten.

MEPHISTOPHELES.

Het is een wet voor helsche schimmen,

Dat de ingang, die ze bragt in een vertrek,

Ze ook wederom tot uitgang strekk’.

In ’t eerste zijn wij vrij; bij ’t andre zijn wij knechten.

FAUST.Dus heeft ook zelfs de hel haar regten?Dat vind ik goed; dan liet zich een accoord,En zeker wel met u, o heeren sluiten?

FAUST.

Dus heeft ook zelfs de hel haar regten?

Dat vind ik goed; dan liet zich een accoord,

En zeker wel met u, o heeren sluiten?

MEPHISTOPHELES.Men houdt wat men belooft; niets gaat daarbuiten;Zoo is de zaak als zij behoort.[40]Maar dat is niet in eens zoo uit te leggen;Daarvan dus op een andren keer!Maar nu verzoek ik u, mijnheer,Voor ditmaal u vaarwel te mogen zeggen!

MEPHISTOPHELES.

Men houdt wat men belooft; niets gaat daarbuiten;

Zoo is de zaak als zij behoort.[40]

Maar dat is niet in eens zoo uit te leggen;

Daarvan dus op een andren keer!

Maar nu verzoek ik u, mijnheer,

Voor ditmaal u vaarwel te mogen zeggen!

FAUST.O, blijf nog even, om mij vlug,Zoo ’t kan, mijn horoskoop te lezen!

FAUST.

O, blijf nog even, om mij vlug,

Zoo ’t kan, mijn horoskoop te lezen!

MEPHISTOPHELES.Laat mij nu vrij; ik kom weldra terug;Dan antwoord ik, hoe veel ’t moog’ wezen.

MEPHISTOPHELES.

Laat mij nu vrij; ik kom weldra terug;

Dan antwoord ik, hoe veel ’t moog’ wezen.

FAUST.Gijbragt u zelf hier binnen, en nietik,En liept vrijwillig in den strik.Hij houdt den duivel, die hem eenmaal mogt erlangen,Daar men hem niet zoo ligt ten tweede maal zal vangen.

FAUST.

Gijbragt u zelf hier binnen, en nietik,

En liept vrijwillig in den strik.

Hij houdt den duivel, die hem eenmaal mogt erlangen,

Daar men hem niet zoo ligt ten tweede maal zal vangen.

MEPHISTOPHELES.O, gaarne wil ik, zoo dit u verblijdt,Voor uw gezelschap hier wat blijven;Doch met beding om u den tijdDoor mijne kunsten waardig te verdrijven.

MEPHISTOPHELES.

O, gaarne wil ik, zoo dit u verblijdt,

Voor uw gezelschap hier wat blijven;

Doch met beding om u den tijd

Door mijne kunsten waardig te verdrijven.

FAUST.Ik mag dit wel, en ’t staat u vrij,Mits slechts de kunst behaaglijk zij.

FAUST.

Ik mag dit wel, en ’t staat u vrij,

Mits slechts de kunst behaaglijk zij.

MEPHISTOPHELES.Gij zult, mijn vriend, voor uwe zinnenIn dit half uurtje meer gewinnenDan anders in een jaargetij.Wat u de geesten doen aanschouwen,De zangen, die ze uw oor vertrouwen,Zij zijn geen ijdel tooverspel.[41]Ook uw gehemelt’ zal men streelen,Uw reuk zal in ’t genoegen deelen;En dan verrukt zich uw gestel.Geen toebereidsel hoeft vooraf te gaan;Wij zijn bijeen. Komt, geesten! vangt maar aan!

MEPHISTOPHELES.

Gij zult, mijn vriend, voor uwe zinnen

In dit half uurtje meer gewinnen

Dan anders in een jaargetij.

Wat u de geesten doen aanschouwen,

De zangen, die ze uw oor vertrouwen,

Zij zijn geen ijdel tooverspel.[41]

Ook uw gehemelt’ zal men streelen,

Uw reuk zal in ’t genoegen deelen;

En dan verrukt zich uw gestel.

Geen toebereidsel hoeft vooraf te gaan;

Wij zijn bijeen. Komt, geesten! vangt maar aan!

GEESTEN.Weg nu, bestovenZoldring daarboven!Heerlijker stareVriendlijk de klareEther hier neêr!Ware het donkerWolkfloers geweken,’t SterrengeflonkerZou niet verbleeken,Tot ons zou spreken’t Hemelsche heer.Godlijke zonen,Heerlijke schoonen,Wie zich vertoonen,Zweeft hier voorbij;Smachtend verlangen,Volg gij de rij.Prachtige kleêren,Linten en veêren,Ziet men bedekkenZalen, vertrekken,Andere plekken,Onder abeelenEn in prieelen,Waar in gedachtenMinnenden smachten.Heerlijke druiven,Werp, als gij rijp zijt,U in den persbak![42]Schuimende wijnenStorten in beken,Midden door godlijke,Heerlijke streken,Laten de bergenAchter zich liggen,Breiden tot geurigeMeren zich uit.En het gevogelteKlapwiekt het zonlicht,Vliegt de verruklijkeEilanden tegen,Die zich op golfjesDobbrend bewegen;Waar wij de korenJuichende hooren,Of in landouwenDansers aanschouwen,Die spelemeijenOf zich verspreijen.Deze beklimmenBergen en boomen;Anderen zwemmenOver de stroomen;Anderen zwevenAl tot het leven;Al om een verre,Minnende sterreHulde te biên.

GEESTEN.

Weg nu, bestovenZoldring daarboven!Heerlijker stareVriendlijk de klareEther hier neêr!Ware het donkerWolkfloers geweken,’t SterrengeflonkerZou niet verbleeken,Tot ons zou spreken’t Hemelsche heer.Godlijke zonen,Heerlijke schoonen,Wie zich vertoonen,Zweeft hier voorbij;Smachtend verlangen,Volg gij de rij.Prachtige kleêren,Linten en veêren,Ziet men bedekkenZalen, vertrekken,Andere plekken,Onder abeelenEn in prieelen,Waar in gedachtenMinnenden smachten.Heerlijke druiven,Werp, als gij rijp zijt,U in den persbak![42]Schuimende wijnenStorten in beken,Midden door godlijke,Heerlijke streken,Laten de bergenAchter zich liggen,Breiden tot geurigeMeren zich uit.En het gevogelteKlapwiekt het zonlicht,Vliegt de verruklijkeEilanden tegen,Die zich op golfjesDobbrend bewegen;Waar wij de korenJuichende hooren,Of in landouwenDansers aanschouwen,Die spelemeijenOf zich verspreijen.Deze beklimmenBergen en boomen;Anderen zwemmenOver de stroomen;Anderen zwevenAl tot het leven;Al om een verre,Minnende sterreHulde te biên.

Weg nu, bestoven

Zoldring daarboven!

Heerlijker stare

Vriendlijk de klare

Ether hier neêr!

Ware het donker

Wolkfloers geweken,

’t Sterrengeflonker

Zou niet verbleeken,

Tot ons zou spreken

’t Hemelsche heer.

Godlijke zonen,

Heerlijke schoonen,

Wie zich vertoonen,

Zweeft hier voorbij;

Smachtend verlangen,

Volg gij de rij.

Prachtige kleêren,

Linten en veêren,

Ziet men bedekken

Zalen, vertrekken,

Andere plekken,

Onder abeelen

En in prieelen,

Waar in gedachten

Minnenden smachten.

Heerlijke druiven,

Werp, als gij rijp zijt,

U in den persbak![42]

Schuimende wijnen

Storten in beken,

Midden door godlijke,

Heerlijke streken,

Laten de bergen

Achter zich liggen,

Breiden tot geurige

Meren zich uit.

En het gevogelte

Klapwiekt het zonlicht,

Vliegt de verruklijke

Eilanden tegen,

Die zich op golfjes

Dobbrend bewegen;

Waar wij de koren

Juichende hooren,

Of in landouwen

Dansers aanschouwen,

Die spelemeijen

Of zich verspreijen.

Deze beklimmen

Bergen en boomen;

Anderen zwemmen

Over de stroomen;

Anderen zweven

Al tot het leven;

Al om een verre,

Minnende sterre

Hulde te biên.

MEPHISTOPHELES.Hij ’s ingesluimerd! Goed zoo, beste jongen!Gij, geesten, hebt hem trouw in slaap gezongen;Voor dit concert sta ik bij u in ’t krijt.Ja, Faust! ik wist wel, dat ge nog de man niet zijtOm zoo gemakkelijk den duivel in te toomen.[43]Wat droomgegoochel, en gij zijt hem kwijt.Maar om thans hier van daan te komen,Moet mij een rat ten dienste staan.Waar haal ik nu zoo’n beest op eens van daan?Maar stil! Daar hoor ’k er een; ik zal zijn les hem leeren,En hem maar dadelijk bezweren.De heer der muizen en der ratten,Der vliegen, torren, kikkers, katten,Beveelt u daadlijk op te dagenEn gindschen drempel te doorknagen,En dat terstond wel en op slag!Ah zie! Daar komt ge al voor den dag!Nu frisch aan ’t werk! Wat mij hier bantZit heel vooraan, aan d’ andren kant.Één beet nog, en het is geschied!Droom voort nu, Faust, tot gij mij wederziet.

MEPHISTOPHELES.

Hij ’s ingesluimerd! Goed zoo, beste jongen!

Gij, geesten, hebt hem trouw in slaap gezongen;

Voor dit concert sta ik bij u in ’t krijt.

Ja, Faust! ik wist wel, dat ge nog de man niet zijt

Om zoo gemakkelijk den duivel in te toomen.[43]

Wat droomgegoochel, en gij zijt hem kwijt.

Maar om thans hier van daan te komen,

Moet mij een rat ten dienste staan.

Waar haal ik nu zoo’n beest op eens van daan?

Maar stil! Daar hoor ’k er een; ik zal zijn les hem leeren,

En hem maar dadelijk bezweren.

De heer der muizen en der ratten,

Der vliegen, torren, kikkers, katten,

Beveelt u daadlijk op te dagen

En gindschen drempel te doorknagen,

En dat terstond wel en op slag!

Ah zie! Daar komt ge al voor den dag!

Nu frisch aan ’t werk! Wat mij hier bant

Zit heel vooraan, aan d’ andren kant.

Één beet nog, en het is geschied!

Droom voort nu, Faust, tot gij mij wederziet.

FAUST,wakker wordende.Ben ik dan andermaal bedrogen?Verdween aldus de magt, die zoo in slaap mij zong?Heeft mij een droom de duivel voorgelogen,Of was het slechts een poedel, die me ontsprong?

FAUST,wakker wordende.

Ben ik dan andermaal bedrogen?

Verdween aldus de magt, die zoo in slaap mij zong?

Heeft mij een droom de duivel voorgelogen,

Of was het slechts een poedel, die me ontsprong?

[44]


Back to IndexNext