Chapter 4

[Inhoud]Studeervertrek.FAUST.MEPHISTOPHELESklopt.FAUST.Alweêr wat!—Binnen!—Ach, wie komt mij nu weêr storen!MEPHISTOPHELES.Ik ben het.FAUST.Ik ben het.Binnen!MEPHISTOPHELES.Ik ben het. Binnen!’k Moet dit driemaal hooren.FAUST.Nu, binnen dan!MEPHISTOPHELES.Nu, binnen dan!Zoo is het goed.Wij zullen, hoop ik, vrienden blijven;Want u de grillen te verdrijven,Is de oorzaak, die met zoo veel spoedMij heden bij u komen doet,En ik u in een dos begroet,Zoo als een jonker wezen moet.Een haneveêr prijkt op mijn hoed;[45]Mijn roode rok is fraai en netMet gouden boordsel afgezet;Mijn manteltje is van witte zijde,Mijn degen of ik toog ten strijde.Nu moest gij, van den dag van heden,U, beste vriend, ook zoo gaan kleeden,Opdat gij, los en frank en vrij,Moogt leeren wat het leven zij.FAUST.In ieder kleed heb ik den knelVan ’t aardsche leven toch te duchten;Ik ben reeds te oud voor kinderspel,Te jong nog om de vreugd te ontvlugten.Wat is het heil, dat de aard mij biedt!Ontberen zult ge, steeds ontberen:Dit is ’t vervelend, eeuwig lied,Waarmeê men ieder, die geniet,Wil zaligmaken en bekeeren.’k Sta ’s morgens op met wee en ach,En voel mij reeds het harte bloeden,Als ik vooruitzie hoe de dagWeêr zonder vreugd ten eind zal spoeden,Geen wensch vervuld wordt, hoe gering,Die in mijn boezem op komt wellen,Maar ik, vol angst en foltering,Met duizend zorgen mij moet kwellen.Ja, ook nog in het nachtlijk uur,Als ’k op mijn sponde me uit ga strekken,Dan zullen, zonder rust of duur,Mij wilde droomen telkens wekken.De god, die in mijn boezem woont,Kan wel mijn ziel in oproer brengen,Maar Hij, die boven starren troont,Hij kan geen laafdronk voor mij plengen.Zoo is het leven mij een last;[46]O, wierd ik door den dood verrast!MEPHISTOPHELES.Toch is de dood geen aangename gast.FAUST.Gelukkig wie, na roemvol streven,Den heldendood op ’t slagveld vindt,Of, na een kort, maar zalig leven,In d’arm van haar, die hij bemint!O, ware ik, door de hooge krachtVerrukt, al stervend neêrgezonken!MEPHISTOPHELES.En toch heeft zeker iemand in dien nachtHet bruine vocht niet uitgedronken.FAUST.Het spionneeren is, naar ’t schijnt, uw lust.MEPHISTOPHELES.Alwetend ben ik niet; toch is mij veel bewust.FAUST.Wanneer uit sombre mijmeringenEen zoete toon mij somtijds wekt,Die uit mijn vroege erinneringenIn me opdoemt en mijne aandacht trektDan vloek ik alles, wat ons harteMet waan en goochelarij omspant,En in dit hol van ramp en smarteOns door zijn vleijerijen bant.Vloek zij vooreerst het hoog gevoelen,Waarmeê de geest zichzelv’ omringt,’t Verblindingswerk van heilbedoelen,Dat zich aan onze zinnen dringt![47]Vloek wat een droom ons voor kan liegenVan roem en eer, van gunst en lof,—Wat als bezit ons kan bedriegen,Als vrouw en kind, als huis en hof!Vloek zij de Mammon, die ons streelde,Door schatten onze daden stut,Of na een dag van lust en weeldeDe zachte peluw voor ons schudt!Vloek zij des wijnstoks zinverdooven!Vloek liefde, die ons hart vervult!Vloek zij de hoop, vloek zij ’t gelooven,Maar vloek zij bovenal ’t geduld!GEESTEN,onzigtbaar.Wee! wee!Gij hebt haar verstoord,De schoone wereld,Die ieder bekoort!Zij valt—zinkt ineen!Een halfgod heeft haar verslagen!Wij dragenDe puin naar ’t onbekende heen,En klagenThans over ’t schoon, dat wij verloren.MagtigerLot zij haar beschoren;PrachtigerWorde zij herboren!Zij vervulle uwen boezem met hoop!Een nieuwen levensloopMoet gij thans beginnenMet heldere zinnen,Dan zult gij verwinnenWat anders u sloop’,[48]MEPHISTOPHELES.Dit zijn mijne vrinden,Die mij komen vinden.Hoor hoe zij u radenTot vreugde en tot daden!In ’s werelds gewoel,Uit dezen jammerpoel,Ver van dit letterblokken,Willen zij u lokken.Houd op uw hartzeer toe te geven,Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:Voel dat ge een mensch met menschen zijt!Maar ’t is daarom mijn meening nietU bij ’t gemeen te doen verstikken.Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;Wilt gij nu onder mijn gebiedAan ’t werklijk leven u verkwikken,Dan kunt gij over mij beschikken.Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,Dan ben ik tot uw dienst terstond.Sla toe; ik meen ’t met u opregt;Ik ben uw dienaar en uw knecht.FAUST.En waarmeê moet ik u daarvoor beloonen?MEPHISTOPHELES.Dat later; nu daarover niet getwist!FAUST.Neen, neen! De duivel is een egoïst,En zal om niet wel niemand dienst betoonen.Zeg mij uw meening duidelijk en klaar:[49]Zulk een bediende brengt het huis ligt in gevaar.MEPHISTOPHELES.Ik wil mijhiertot uwe dienst verbinden,Mij steeds op uw bevel en wenken spoên;Als wijdaargindselkander wedervinden,Zult gij voor mij het zelfde doen.FAUST.Om ’tgindszal ik mij niet bekommeren noch plagen:Hebt ge eenmaaldezewereld stukgeslagen,Laat dan eene andre ontstaan of niet!Deze aarde kent mijn vreugde en mijn verblijden;De zon beschijnt mijn rampen en mijn lijden:Als eenmaal aarde of zon me ontvliedt,Is ’t mij het zelfde wat geschiedt.Ik wil er verder niets van hooren,Of men ook ginder haat en mint,En of men bij de hemelkorenOok rang en stand en afkomst vindt.MEPHISTOPHELES.Wel nu, dan kunt ge ’t veilig wagen:Verbind u, en ik zal in deze dagenMijn kunsten u te aanschouwen biên;Ik geef u wat geen mensch nog heeft gezien.FAUST.Wat wilt gij, arme duivel, geven!Werd wel eens menschen geest, in ’t hooge streven,Door uws gelijken ooit begrepen zoo ’t behoort?Toch hebt gij spijze van de soort,Die niet verzadigt: goud, dat altijd voortGelijk kwikzilver in de hand vervliet,—Een lot, dat uitkomt met een niet;Een meisje, dat, aan mijne borst gezonken,[50]Alreeds mijn buurman toe gaat lonken;De ontembre drift naar roem en eer—Men staart er op, en ze is niet meer.Wijs mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,Of een leeuwin met meer dan twee paar welpen!MEPHISTOPHELES.Zulk een verlangen maakt mij niet bedrukt;Aan ’t een en ’t ander kan ’k u helpen.Maar, goede vriend, de tijd komt ook eens aan,Waarin wij ’t leven in zijn vreugde willen smaken.FAUST.Begin ik immer naar gemak te haken,Dan zij ’t met mij terstond gedaan!Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—Kunt gij mij met genot bedriegen—Dan zij ’t voor mij de laatste dag!Dat zij gewed nu!MEPHISTOPHELES.Dat zij gewed nu!Top!FAUST.Dat zij gewed nu! Top!En slag op slag!Als ’k ooit in zwijmel weg mag zinkenVoor ’t heden, dat mijn ziel bekoort,Dan moogt gij mij in boeijen klinken,Dan hebt gij me, en wat mij behoort.Dat dan de doodsklok voor mij schalle!Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij.Het uurwerk sta, de wijzer valle!Dan zij voor mij de tijd voorbij![51]MEPHISTOPHELES.Bedenk u wel; wij zullen ’t niet vergeten.FAUST.Gij zijt daartoe volkomen in uw regt,En ’k heb mij niet al te onbedacht vermeten:Volhard ik dus, dan ben ik knecht—Van wien—dat wordt eerst later uitgelegd.MEPHISTOPHELES.’k Zal reeds van daag, bij ’t doctoraal ontbijten,Als dienaar van mijn pligt mij kwijten;Ik doe mijn woord hierin gestand.Één ding nog slechts: bij leven of bij sterven,Verzoek ik een paar regels van uw hand.FAUST.Ook zwart op wit verlangt gij nog, pedant?Moet gij het denkbeeld van een man van eer nog derven?Is ’t niet genoeg, dat mijn gesproken woordMij heilig is, en nimmer zal verzwinden?Zendt niet de wereld steeds haar stroomen voort,En mij zou een belofte binden?Maar deze waan schonk ons natuur tot gift;En gaarne wil men daarop bouwen.Wien reine trouw is in het hart gegrift,Geen offer zal hem ooit berouwen;Alleen een perkament, een goed gezegeld schrift,Dat is een spook, dat wij met vrees beschouwen.Het woord besterft reeds in de veder;Wij bukken onder was en leder.Wat wilt ge dus,—zeg, helgriffier!Erts, marmer, perkament, papier?Moet ik met griffel, pen of beitel schrijven?’k Geef u de keus voor alle drie.[52]MEPHISTOPHELES.Wat draaft ge door! O Faust, ontzieU toch, de zaak zoo te overdrijven!Geloof mij, ieder blaadje is goed:Gij onderteekent met een dropje van uw bloed.FAUST.Zoo dit het eenige is, wat u genoegen doet,Dan mag het bij die gekheid blijven.MEPHISTOPHELES.Bloed heeft een zeer bijzondre magt.FAUST.Wees maar niet bang, dat mij berouw zal plagen.Het streven toch van al mijn krachtIs wat ik aan u op wil dragen.Te hoog schatte ik mij inderdaàd;In uwen rang behoor ’k alleen.De Groote Geest heeft mij versmaad:Ik zocht natuur, doch vond er geen.Mijn denkkracht is vaneengereten;Ik walg reeds lang van al het weten.Kom, laten we in de zinlijkheidVoldoening voor ons streven zoeken!In ondoordringbre tooverdoekenZij ieder wonder straks bereid!Kom, werpen we ons in ’t aardsch gewoel;Dat zij ons trachten, dat ons doel!Daar mag dan smart, daar mag genot,Daar mag erkenning, daar mag spot,Afwisselen zoo veel het kan:Slechts rustloos werkzaam zij de man![53]MEPHISTOPHELES.Weet dat ik paal noch perk u stel;Geniet waar gij genot kunt vinden;Laat u door schroom noch zorgen binden:Wat u bevalt, bekome u wel!Zie overal wat op te vangen.FAUST.Gij weet, geen vreugde is mijn verlangen.Ik wijd me aan wat vergald genot mij biedt,Verliefden haat, verkwikkend zielsverdriet.Mijn boezem, nu van wetenslust genezen,Zal voor de smart voortaan óók vatbaar wezen,En ’t heil, dat voor een ander open staat,Wil ’k ook genieten, mij ten baat.Ik wil mijn geest aan hoog en laag verzaden,Hun lief en leed op mijnen schedel laden,Om dus mijzelv’ zoo veel ’t kan uit te zetten,En in dien roes ten laatste te verpletten.MEPHISTOPHELES.Geloof toch mij, die vele duizend jarenAan deze harde spijs reeds kaauwt,Dat levenslang—ik kan het u verklaren—Den mensch dit zuurdeeg steeds benaauwt.’t Heelal, gij moogt het vrij gelooven,Is voor een God alleen gemaakt;Hij woont en heerscht ineeuwgen glansdaarboven,En wij zijn in deduisternisgeraakt:Nu zijt gij de eenge, die naarbeidehaakt.FAUST.Maar ’k wil!MEPHISTOPHELES.Maar ’k wil!Ik ben een vriend van daden;[54]Doch slechts voor één ding ben ik bang:De tijd is kort, de kunst is lang.Mij dunkt, gij moest u laten raden.Verbind u met een dichter, arm als Job:Die voere zijn verbeelding dan ten top,En hoope dan wat goed is, schoon en edel,Door u betaald, u op den schedel.Der leeuwen moed,De snelheid van de hinde,Der Italianen vurig bloed,En wat men verder vinde.Laat hij u ook ’t geheim verklarenOm grootheid met arglistigheid te paren,En u dan met de drift der jeugdTe wijden aan de minnevreugd.’k Geloof zelfs zulk een heer te weten,En zal hem Mikrokosmus heeten.FAUST.Wat zou ik zijn, indien ’t niet mooglijk waar’Mij meester van de kroon te maken,Waarnaar toch alle zinnen haken?MEPHISTOPHELES.Gij zijt een regte sukkelaar.Zet u een pruik op met millioenen lokken,Uit haar van geiten of van bokken:Gij zijt en blijft onhandelbaar.FAUST.’k Gevoel het. Vruchtloos heb ik alle schattenVan ’t menschlijk brein bijeenvergaard,En zie, hoe ’k met gepeins me ook af moog’ matten,Geen nieuwe kracht, die zich in me openbaart;Ik ben met al mijn tobben, droomenGeen haarbreed verder nog gekomen.[55]MEPHISTOPHELES.Mijn goede heer, gij ziet de zakenZoo in, als dat altijd geschiedt:Wij moeten dat heel anders makenVóór ons des levens vreugde ontvliedt.Wat drommel! Zeker, hand en voetenEn al de rest behooren u;Maar wat mij ’t leven kan verzoeten,Behoort dat ook mij niet? Wel nu!Als ik zes hengsten kan betalen,Mag ik daarmede dan niet pralen?Ik span ze voor, en rij daarhenen,Als had ik vier-en-twintig beenen.Weg fratsen dus! Maak een begin,En frisch met mij de wereld in!Geloof me, een man, die nimmer zich ontspant,Is als een dier op dorre heide,Dat door een boozen geest wordt rondgevoerd in ’t zand,En daaromheen ziet men een schoone weide.FAUST.Hoe vangen wij dat aan?MEPHISTOPHELES.Hoe vangen wij dat aan?Wij gaan er nu naar toe.Wat is dit voor een akelig gedoe!Waartoe den kluisnaar hier te spelen,U en de jongens te vervelen?Gun dat maar aan een pruikenbent!Waartoe nog langer onzin uit te leggen?Het beste, wat gij weet en kent,Moogt gij uw jongens toch niet zeggen.Ik hoor al een daar in den gang.FAUST.Hij moet zijn leerlust maar wat rekken.[56]MEPHISTOPHELES.Die arme jongen wacht reeds lang;Hij mag niet ongetroost vertrekken.Kom! Geef me uw toga en uw muts;Dat masker zal mij goed bedekken.Hij verkleedt zich.Zie zoo, mijn vriend! Vertrek nu flus.Een klein kwartiertje slechts, dan kunt gij wederkeeren;Steek u intusschen als een jonker in de kleêren.Faust vertrekt.MEPHISTOPHELES,in de kleeding van Faust.Dat gij maar geest en wetenschap veracht,Des menschen allerhoogste kracht,—Laat maar in blind- en tooverwerkenU door den logengeest versterken—Dan heb ik u volkomen in mijn magt.Hem heeft Natuur een geest gegeven,Die rustloos voortdrong dag aan dag,En wiens al te ongebreideld strevenGeen aardsche vreugde kende of zag:Dien sleep ik door het wilde leven,Door plat- en onbeduidendheid;Ik laat hem spartlen, gapen, kleven,En in zijne onverzaadlijkheidZal spijs en drank voor gierge lippen zweven,Maar lafenis is hem ontzegd;En ook al had hij zich niet mij ten prooi gegeven,Toch kwam niets goeds van hem te regt.EEN LEERLING,binnentredende.Ik ben hier nog maar kort, mijnheer!En kom met al ’t betoon van eer,Om zelf een man te kennen en te roemen,Wiens naam wij slechts met eerbied noemen.[57]MEPHISTOPHELES.Uw goede dunk verblijdt mij zeer.Gij ziet een man als andren meer.Hebt gij reeds elders school gegaan?LEERLING.Ik bid u, neem u mijner aan!Ik kom bij u met goeden moed,Met eenig geld en jeugdig bloed.Mijn moeder liet me ongaarn vertrekken;Wil gij tot leeraar mij verstrekken!MEPHISTOPHELES.Tot leeren zijt gij hier te regt.LEERLING.En toch bevalt het mij hier slecht;Hier, tusschen deze sombre wanden,Raakt heel mijn denkenskracht aan banden.Ik voel mij afgemat en loom;Men aâmt geen lucht hier, ziet geen boom;Ver van aandachtig aan te hooren,Is ’t meeste voor mij wis verloren.MEPHISTOPHELES.Veel is gewoonte, en dat met grond.Het is daarmede als met een kind:’t Neemt niet de moederborst terstond,Waaraan ’t welras zijn laafnis vindt.Wilt ge u dus aan de wijsheid laven,Hier zijt gij in de regte haven.LEERLING.’k Wil gaarne aan uwe lippen hangen;Doch zeg mij, hoe ik ’t aan moet vangen![58]MEPHISTOPHELES.Geef me eerst op ééne zaak bescheid:Wat kiest gij voor een faculteit?LEERLING.Ik tracht naar wijsheid en haar schatten,En wenschte gaarne ’t al te omvatten:Het wereldruim en zijn bestuur,De wetenschap en de natuur.MEPHISTOPHELES.Dan zijt gij op het regte spoor;Maar heb vooral een luistrend oor!LEERLING.Ik ben er bij met ziel en lijf;Maar wat mij toch wel zou behagen,Is vrijheid en wat tijdverdrijfDes zomers met vacantiedagen.MEPHISTOPHELES.Gebruik den tijd, die ras vervliet;Doch orde leert veel tijd u winnen:Ik raad u, vriend, verzuim dus nietMet Logica uw lessen te beginnen.Dan wordt uw geest behoorlijk gedresseerd,In Spaansche laarzen ingeregen,En door u de voorzigtigheid verkregen,Die uw gedachtenloop regeert,Zoo dat ge niet, nu hier, dan daar,Rondhaspelt als een broddelaar.Dan leert men u ook, wat geschiê,Om deze of gene zaak te ontvouwen,Terwijl ge er anders, een, twee, drie,Maar op zoudt hebben ingehouwen.[59]Toch is ’t met der gedachten veldAls met een weefgetouw gesteld:Daar gaan de draden op en neder;De schietspoel glijdt al heen en weder;Al de eersten door een enklen tred,Terwijl de laatste op ’t weefsel let.Zoo komt de wijsgeer, als ge alleen zit,Bewijst u, dat het zoo ineen zit:Eerst was het zoo, en toen weêr zus;Toen werd zoo weêr, toen weêr dus,En wanneer een en twee ontbraken,Zou drie noch vier ’t geheel volmaken.Dit wijzen ze aan op rekenborden;Maar wevers zijn zij niet geworden.Wie iets, dat leeft, wil kennen en beschrijven,Zoeke eerst den geest er uit te drijven:Dan heeft hij al de stukken in zijn hand;Alleen ontbreekt de geest hem en ’t verband.Dit heet nu Logica bij lieden van het vak,Maar zelf toch vinden zij het larie slechts en lak.LEERLING.Ik kan u niet te best verstaan.MEPHISTOPHELES.Dat zal, mijn vriend, wel beter gaan,Wanneer gij zijt aan ’t reduceerenEn aan het goed classificeeren.LEERLING.’k Word van dat al zoo warlig en verdoofd,Alsof een molenrad mij ronddraaide in het hoofd.MEPHISTOPHELES.Voorts, vriendlief, op de LogicaVolgt nu de Metaphysica.[60]Dan leert ge duidlijk, wat niet pastIn ’s menschen brein of hersenkast;Hetgeen daar al of niet behoort,Betoogt ge met een prachtig woord.Doch neem in ’t eerste halve jaarToch alle mooglijke orde waar:Vijf uren hebt gij elken dag;Wees binnen met der klokken slag.Heb u eerst goed geprepareerd,Paragraphos wel bestudeerd,Opdat men u niet voor de broek slaat,Wanneer ge iets zegt, dat niet in ’t boek staat,Maar zorg dat ge altijd schrijft en leest,Als dicteerde u de Heiige Geest.LEERLING.Dat alles kan mij regt behagen:Ik ben een vriend van zwart op wit;Want als men eenmaal dit bezit,Kan men ’t getroost naar huis toe dragen.MEPHISTOPHELES.Maar noem mij nu uw keus; want dat is hier de zaak!LEERLING.De regtsgeleerdheid valt niet in mijn smaak.MEPHISTOPHELES.Ik kan ’t u niet ten kwade reeknen,Daar ’k weet wat regt en wet beteeknen:Die leer plant zich, van oord tot oord,Gelijk een eeuwge smetkoorts voort;De zonen erven haar van de ouders over,En denken dat het zoo behoort.Een vriend des menschdoms wordt bij hen een roover;Verstand wordt onzin; weldaad, moord.[61]Spreekt men van ’t regt, dat ons is aangeboren,Dan praat men voor der dooven ooren.LEERLING.Mijn afkeer van dit vak wordt thans door u vermeerd;Gelukkig hij, dien gij dus leert!Maar nu theologie—daar zou ’k mij wel in vinden.MEPHISTOPHELES.’k Wil om de zaak geen doekjes winden.Als gij hier alles wikt en schift,Dan valt het moeilijk den verkeerden weg te mijden.Dees wetenschap heeft veel geheim vergift;Die zich haar wijdt, is geenszins te benijden.Het beste is hier ook, dat u één slechts leert,En gij bij ’s meesters woorden zweert.In ’t kort, wil slechts tot woorden u bepalen,Dan gaat gij veilig, ’t kan niet falen,Den tempel der gewisheid in.LEERLING.Maar woorden eischen toch een zin.MEPHISTOPHELES.Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken;Want waar begrip en zin ontbreken,Daar valt het woord ons in te regter tijd.Een bol is ’t, die met woorden strijdt;Met woorden kan men alle haren kloven;Aan woorden laat zich ’t best gelooven;Geen jota kan men van een woord ontrooven.LEERLING.Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen,Maar ’k moet toch nog van iets gewagen,’k Zag gaarne nog door u vermeld,[62]Hoe ’t met geneeskunst is gesteld.Een korte tijd toch is drie jaren,En ’t veld is naauwlijks af te staren;Dus, als ik maar een wenk ontvang,Dan heb ik al wat ik verlang.MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Die drooge toon begint mij te vervelen;’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.Overluid.Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt:Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen:Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijenZoo ’t God behaagt.’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt:Een ieder leert slechts wat hij leeren kan;Hij echter, die slechts durft en waagt,Dat is de regte man.Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt,En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden:Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt,Zal zich al ’t andere wel redden.Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen—Der vrouwen gunst te winnen.Nu scheelt haar dit, dan weder dat;Zij weten zelf niet hoe of wat.Geeft gij wat toe aan ieders luim,Dan hebt gij ze onder uwen duim.Eerst moet gij u haar kenbaar maken,Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat;Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken,Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt.Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen;Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen,Te weten bij ervarenis,Of zij wel goed geregen is.[63]LEERLING.Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.MEPHISTOPHELES.Dor, vriend, is alle theorie,En groen de vruchtbre levensboom.LEERLING.Het is mij alles als een droom.Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren—Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?MEPHISTOPHELES.Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.LEERLING.Ik kan onmooglijk nu reeds gaan.Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven,Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.MEPHISTOPHELESschrijft iets in het album, en geeft het terug.LEERLINGleest.Eritis sicut Deus, scientes bonum et malum.1Hij slaat het boek vol eerbied toe, buigt zich, en vertrekt.MEPHISTOPHELES.Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang,Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.FAUSTtreedt in eene modekleeding binnen.Waar gaan wij nu naar toe?[64]MEPHISTOPHELES.Waar gaan wij nu naar toe?Waarheen gij zelf maar wilt.Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt.Veel zult ge bij dit alles leeren,En tevens regt u diverteeren.FAUST.Maar bij al ’t geen ’k als doctor weetOntbreekt mij wat men “wereld” heet.’t Loopt met de proeve vast abuis;’k Was nimmer in de wereld thuis.Ik voel vooraf reeds angst en vreezen;’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, waartoe die valsche waan?Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.FAUST.Maar wat brengt ons naar noord of zuid?Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?MEPHISTOPHELES.Wij spreiden slechts den mantel uit;Die zal ons door het luchtruim dragen.Doch neem bij deze stoute schredeVooral niet veel bagage mede:Wat vuurlucht, dat ik zelf berei,Helpt ons van de aarde, ons allebei;En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan.Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan![65]1“Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b,volgens deVulgataof Latijnsche vertaling.Vert.↑[Inhoud]Auerbach’s wijnkelder te Leipzig.EEN GEZELSCHAP VROLIJKE DRINKEBROÊRS.KIKKERT.Wil niemand drinken, niemand zingen?Dan zal ik u daar wel toe dwingen!Nu zit gij als versuft en lam,En anders zijt ge vuur en vlam.BRANDER.Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag,Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.KIKKERTwerpt hem een glas wijn in het gezigt.Daar hebt gij beide!BRANDER.Daar hebt gij beide!Vuile hond!KIKKERT.Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!SIEBEL.De deur uit wie niet zingt en drinktEn dadelijk met de andren klinkt!Hoezee! dat gaat u voor![66]ALTMEIJER.Hoezee! dat gaat u voor!O wee, ik ben verloren!Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!SIEBEL.Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas,Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.KIKKERT.Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt!Vifalderaldera!ALTMEIJER.Vifalderaldera!KIKKERT.Vifalderaldera!De kelen zijn gestemd.Zingt.Het lieve, heilge Roomsche rijk,Hoe blijft het nog zoo hangen!BRANDER.Een ander lied! Dank God maar ieder morgen,Dat gij niet hebt voor ’t Roomsche rijk te zorgen.’k Ben blij dat ik, zoo ’k gul beken,Noch kanselier noch keizer ben.Maar ’t moet ons aan geen opperhoofd ontbreken:Wij kiezen dus een paus of deken.Gij weet toch welk een rang hij heeft,Die in een zaak den uitslag geeft.KIKKERTzingt.Ontplooi uw vlerken, nachtegaal,En groet mijn liefje duizendmaal![67]SIEBEL.Weg met uw liefje en groet; ik wil daar niets van hooren.KIKKERT.Wilt gij dat niet? Wel nu, stop dan maar beide uw ooren.Zingt.Open, liefje! ’t Is nu nacht.Open, liefje! Uw minnaar wacht.Sluit nu, liefje, stil en zacht!SIEBEL.Ja, zing maar voort; zeg dat gij naar haar smacht:Hij lacht het best, die ’t laatste lacht.Zoo ’t mij eens ging, zal ’t u ook gaan.Tot minnaar wensch ik haar een baviaan:Dien moge zij haar gunsten schenken;Misschien is hij daarmeê vereerd.Een oude bok, die van den Bloksberg keert,Moge in galop nog goeden nacht haar wenken.Een brave kerel, van echt vleesch en bloed,Is voor die deerne veel te goed.’k Wil van geen andre groeten weten,Dan dat haar glazen wierden ingesmeten.BRANDER,op de tafel slaande.Pas op! Hoor wat ik u gebied!Bekend is, dat ik weet te leven,’t Ontbreekt hier aan verliefden niet,En dezen moet ik nu een liedTot een besluit ten beste geven.Geef acht! Een lied van nieuwe sneê,En zingt den laatsten regel meê.Zingt.Daar was een rat in ’t keldernest;[68]Zij hield veel van gepeuzel,En had zich dik en vet gemestMet boter, spek en reuzel.Vergift bragt eindelijk haar de meid:Toen kromp ze ineen van narigheid,Als iemand, die verliefd is.KOOR.Als iemand, die verliefd is.BRANDER.Zij liep benaauwd deur in, deur uit,En kroop in alle hoeken;Zij slaakte een akelig geluid,En wist niet, waar ’t te zoeken.Zij sprong van angst nu hier, dan daar,En maakte een vreemd en wild gebaar,Als iemand, die verliefd is.KOOR.Als iemand, die verliefd is.BRANDER.Ja, eindlijk, midden op den dag,Kwam ze in de keuken loopen,Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach!Nu met den dood bekoopen.Toen riep al lagchend nog de meid:“Zie daar! Zij sterft van narigheid,Als iemand, die verliefd is!”KOOR.Als iemand, die verliefd is.SIEBEL.Wat maakt dat volkje daar een leven![69]Het is ook al een heele kunst,Een arme rat vergift te geven!BRANDER.Die beesten staan bij u wel zeer in gunst!ALTMEIJER.Die dikzak, met zijn kalen knikker,Vindt in dit lied zich niet gestreeld:In een gezwollen rat of kikkerZiet hij zijn eigen evenbeeld.FAUSTenMEPHISTOPHELESkomen binnen.MEPHISTOPHELES.Ik moet nu, vóór alle andre dingen,U brengen in fideele kringen,Opdat ge van uw somberheid geneest.Dit volkje hier viert ieder dag een feest.Vrij plat, maar met veel zelfbehagen,Draait elk zich in zijn eigen cirkel rond,Als om zijn staart een jonge hond.Zoo zij niet over hoofdpijn klagenEn hun de waard maar verder borgt,Zijn ze opperblij en onbezorgd.BRANDER.Kijk, dat zijn waarlijk vreemde snaken!Men ziet het aan hun bleeke kaken,Zij zijn vast nog geen uur in stad.KIKKERT.Gij hebt gelijk. Hoor! Leipzig is een schat,Een klein Parijs; men kan er zich beschaven.SIEBEL.Waarvoor ziet gij die vreemdelingen aan?[70]KIKKERT.Bij een glas wijn—laat mij maar eens begaan!—Trek ik, gelijk een kindertandje,De wurmen uit den neus van zulk een kwantje.Het zijn voorzeker groote liên;Men kan het aan hun trotsche houding zien.BRANDER.Kwakzalvers zijn het, durf ik wedden!ALTMEIJER.Misschien.KIKKERT.Misschien.Laat mij dat eens beredden!MEPHISTOPHELEStot Faust.Den duivel ruikt dat volk niet gaauw,Al had hij ’t ook reeds in zijn klaauw.FAUST.Gegroet, mijnheeren!SIEBEL.Gegroet, mijnheeren!Dank tot wedergroet!Zacht, terwijl hij Mephistopheles van ter zijde aanziet.Wat! Hinkt die vent op d’ eenen voet?MEPHISTOPHELES.Is ’t ook veroorloofd ons bij u te voegen?Daar hier de wijn niet best is, naar ’k bespeur,Vergoedt uw bijzijn dit genoegen.ALTMEIJER.Gij schijnt mij een verwend sinjeur.[71]KIKKERT.Ge hebt vast laat het galgeveld verlaten.Hebt gij met Hans nog gesoupeerd misschien?MEPHISTOPHELES.Wij hebben hem op onze reis gezien,En mogten toen nog even met hem praten.Op u, zijn neven, heeft hij braaf gepocht;Veel groeten heeft hij ons aan u verzocht.Hij maakt eene buiging tegen Kikkert.ALTMEIJERzacht.Die vent is bij de hand!SIEBEL.Die vent is bij de hand!’t Ontbreekt hem niet aan praats.KIKKERT.Wacht maar! Ik zet hem daadlijk op zijn plaats.MEPHISTOPHELES.Wij hoorden straks, bedrieg ’k mij niet,Gezang van wakkre mannenkoren:Voorzeker moet een lustig liedIn dit gewelf zich goed doen hooren.KIKKERT.Zijt ge ook een virtuoos? een man van ’t vak?MEPHISTOPHELES.Helaas! Mijn lust is groot, al zijn mijn krachten zwak.ALTMEIJER.Zing eens een lied![72]MEPHISTOPHELES.Zing eens een lied!’k Voldoe volgaarne aan uw verlangen.SIEBEL.Maar splinternieuw en flink en vlug!MEPHISTOPHELES.Wij komen pas uit Spanje hier terug,Het schoone land van druiven en gezangen.Zingt.Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi.KIKKERT.Wat zegt ge daar? Een vlooi? Hoe komt die hier te pas?Zoo’n onderwerp is me al te kras!MEPHISTOPHELESzingt.Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi;Hij mogt haar gaarne lijdenEn vond haar o zoo mooi!Toen riep hij eens zijn snijder;Die kwam in een fourgon.“Meet gaauw dien jonker kleêren,“En ook een pantalon!”BRANDER.Vergeet maar niet den man op ’t hart te drukken,Dat hij goed meet en knipt en rijgt,Opdat, zal alles wel gelukken,De pantalon geen plooijen krijgt.[73]MEPHISTOPHELES.En in fluweel en zijdeWas nu de vlooi gedost;Ook had ze een ridderkruisje,Maar nog geen hoogen post.Toen werd ze op eens minister,En droeg een groote ster;Nu bragten ook haar broêrtjesHet aan het hof zeer ver.En al wat aan het hof wasWerd even zeer geplaagd,De prinsen en prinsesjesGestoken en geknaagd.Toch durfden zij niet kikken,Maar lieten ze begaan.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!KOOR,juichend.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!KIKKERT.O bravo! bravo! dat was mooi!SIEBEL.Zoo ga ’t voortaan ook ieder vlooi!BRANDER.Spits de vingers en pak ze beet!ALTMEIJER.Maar dat men nu niet den wijn vergeet![74]MEPHISTOPHELES.Graag dronk ik van uw wijn een glas,Indien hij maar wat beter was.SIEBEL.Breng dat niet weder hier te pas!MEPHISTOPHELES.Ik vrees, de waard vindt daar geen voordeel bij;’k Liet anders deze waarde heerenUit onzen kelder eens probeeren.SIEBEL.Geef op maar! ’k Neem de zaak op mij!KIKKERT.Schenkt ge ons een goed glas wijn, wij zullen ’t niet vergeten,Maar niet te weinig, moet ge weten;Want zal ik in de regten promoveeren,Dan moet ik eerst ter deeg mijn keelgat smeren.ALTMEIJERzacht.Zij zijn vast van den Rijn, naar ik bespeur.MEPHISTOPHELES.Geef eens een boor.BRANDER.Geef eens een boor.Maar wat daarmeê gedaan?Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?ALTMEIJER.Daarginder heeft de waard een mand gereedschap staan.MEPHISTOPHELESneemt er een boor uit. Tot Kikkert.Zeg op nu! Wat voor soort zal ik u schenken?[75]KIKKERT.Hoe meent ge dat? Hebt gij zoo velerlei?MEPHISTOPHELES.Elk heeft de keus; hem wordt geleverd op zijn wenken.ALTMEIJERtot Kikkert en Siebel.Aha! Reeds likt ge uw lippen allebei!KIKKERT.Goed! Alsikkiezen moet, zij Rijnwijn mij geschonken;Men drinkt uit hem slechts vuur en vonken.MEPHISTOPHELES,terwijl hij ter plaatse, waar Kikkert zit, een gat in den rand van de tafel boort.Wat was, om proppen van te maken!ALTMEIJERtot Kikkert.Maar dat zijn immers goochlaarszaken!MEPHISTOPHELEStot Brander.En gij?BRANDER.En gij?Ik wil Champagnewijn,En regt mousseerend moet hij zijn.MEPHISTOPHELESboort. Een heeft vervolgens den wassen prop gemaakt en in het gat gestopt.BRANDER.Men kan niet steeds wat vreemd is mijden:Het goede pleegt zoo vaak veraf te zijn.Een echte Duitscher mag geen Franschman lijden;Maar gaarne drinkt hij toch zijn wijn.[76]SIEBEL,terwijl Mephistopheles zijne plaats nadert.Voor mij, ’k hoû niet van zuur of wrang:Geef mij wat zoets; maar talm niet lang!MEPHISTOPHELES,al voortborende.Gij krijgt Tokayer; wees niet bang!ALTMEIJER.Neen, heeren! Schei maar met die gekheid uit!Ik zie het in: gij tracht ons wat te foppen.MEPHISTOPHELES.Kom, kom! Met zulke schrandre koppenSpot zelfs niet de allergrootste guit.Maar spoedig! Langer niet vertraagd!Met welken wijn kan ik u dienen?ALTMEIJER.Met elken. Nu niet meer gevraagd!MEPHISTOPHELES.nadat alle gaten geboord en digtgestopt zijn, met vreemde gebaren.Druiven draagt de wijnstok,Horens de geitenbok.De wijn is sappig; de ranken zijn hout;Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd.Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet:Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.Trekt uit de proppen nu en drinkt!ALLEN,terwijl zij de proppen uittrekken, en voor ieder de verlangde wijn in het glas loopt.O, schoone bron, die hier ontspringt!MEPHISTOPHELES.Maar geeft wel acht, dat gij niet stort, terwijl gij zingt![77]ALLENdrinken herhaalde malen, al zingende:Wij voelen ons zoo blij te moêAls vijftienhonderd zwijnen!MEPHISTOPHELES.Geef ’t volk de vrijheid; gij beleeft dan zulke grappen.FAUST.’k Had nu wel lust om op te stappen.MEPHISTOPHELES.Neen, wacht nog wat en blijf nog even;Dan zult ge een andre grap beleven.SIEBELdrinkt onvoorzigtig; de wijn stort op den grond, en wordt eene vlam.Helpt, vrienden, helpt! Daar brandt de hel!MEPHISTOPHELES,de vlam toesprekende.Bedaar wat, goede medgezel!Tot de drinkebroêrs.Nu was het slechts wat vagevuur, mijn vrinden!SIEBEL.Hoe meent ge dat? Wij zullen u wel vinden!Het schijnt als of gij ons niet kent!Wij passen voor dat element.KIKKERT.Daarmeê komt ge ons niet weder aan.ALTMEIJER.Mij dunkt, wij moesten hen maar zachtjes laten gaan.[78]SIEBEL.Hoe nu? Gij durft u onderstaanOm hier den toovenaar te spelen?MEPHISTOPHELES.Stil, oude wijnzak!SIEBEL.Stil, oude wijnzak!Maagre haan!Gij wilt ons ook nog lomp bejeegnen?BRANDER.Wacht maar! Er zullen slagen reegnen.ALTMEIJERhaalt den prop op zijne plaats uit de tafel; het vuur springt naar hem toe.Ik brand! Ik sta in vlam!SIEBEL.Ik brand! Ik sta in vlam!’t Is tooverij!Stoot neêr! Die man is vogelvrij!Zij halen hunne messen uit, en gaan op Mephistopheles los.MEPHISTOPHELES,met een gebaar van ernst.Een enkel tooverwoordVerandre zin en oord:Wees hier en waar ’t u meer bekoort!Zij staan verbaasd, en zien elkander aan.ALTMEIJER.Waar ben ik? Welk een heerlijk land!KIKKERT.Wijnbergen, zie ik wel?[79]SIEBEL.Wijnbergen, zie ik wel?En druiven bij de hand!BRANDER.Hier, onder deze wijngaardbosschen,Zie, welke ranken, welke trossen!Hij pakt Siebel bij den neus; de anderen doen het wederkeerig elkander, en heffen de messen omhoog.MEPHISTOPHELES,als boven.O waan, laat los dien tooverband,En zie, hoe Joost u kan verblinden!SIEBEL.Wat doet ge?ALTMEIJER.Wat doet ge?Wat?KIKKERT.Wat doet ge? Wat?Moet ik uw neus hier vinden?BRANDER,tot Siebel.En d’ uwen heb ik in mijn hand!ALTMEIJER.Het was een schok, die al mijn leên deed beven;Ik zijg ter aard—o, wil een stoel mij geven!KIKKERT.Maar zeg nu, wat er is geschied!Weet gij het soms? Ik weet het niet.[80]SIEBEL.Waar is de vent? Als ik hem maar bespeur,Laat ik hem levend niet vertrekken.ALTMEIJER.Ik kon hem door de kelderdeurEn rijdende op een vat ontdekken.Mijn voeten zijn zoo zwaar als lood.Naar de tafel ziende.Ik dacht daar, dat de wijn nog vloot.SIEBEL.Bedrog was alles, louter schijn.KIKKERT.’t Kwam mij toch voor, als dronk ik wijn.BRANDER.En ik zag druiven van den Rijn.ALTMEIJER.Zeg nu nog eens, dat er geen wondren zijn![81]

[Inhoud]Studeervertrek.FAUST.MEPHISTOPHELESklopt.FAUST.Alweêr wat!—Binnen!—Ach, wie komt mij nu weêr storen!MEPHISTOPHELES.Ik ben het.FAUST.Ik ben het.Binnen!MEPHISTOPHELES.Ik ben het. Binnen!’k Moet dit driemaal hooren.FAUST.Nu, binnen dan!MEPHISTOPHELES.Nu, binnen dan!Zoo is het goed.Wij zullen, hoop ik, vrienden blijven;Want u de grillen te verdrijven,Is de oorzaak, die met zoo veel spoedMij heden bij u komen doet,En ik u in een dos begroet,Zoo als een jonker wezen moet.Een haneveêr prijkt op mijn hoed;[45]Mijn roode rok is fraai en netMet gouden boordsel afgezet;Mijn manteltje is van witte zijde,Mijn degen of ik toog ten strijde.Nu moest gij, van den dag van heden,U, beste vriend, ook zoo gaan kleeden,Opdat gij, los en frank en vrij,Moogt leeren wat het leven zij.FAUST.In ieder kleed heb ik den knelVan ’t aardsche leven toch te duchten;Ik ben reeds te oud voor kinderspel,Te jong nog om de vreugd te ontvlugten.Wat is het heil, dat de aard mij biedt!Ontberen zult ge, steeds ontberen:Dit is ’t vervelend, eeuwig lied,Waarmeê men ieder, die geniet,Wil zaligmaken en bekeeren.’k Sta ’s morgens op met wee en ach,En voel mij reeds het harte bloeden,Als ik vooruitzie hoe de dagWeêr zonder vreugd ten eind zal spoeden,Geen wensch vervuld wordt, hoe gering,Die in mijn boezem op komt wellen,Maar ik, vol angst en foltering,Met duizend zorgen mij moet kwellen.Ja, ook nog in het nachtlijk uur,Als ’k op mijn sponde me uit ga strekken,Dan zullen, zonder rust of duur,Mij wilde droomen telkens wekken.De god, die in mijn boezem woont,Kan wel mijn ziel in oproer brengen,Maar Hij, die boven starren troont,Hij kan geen laafdronk voor mij plengen.Zoo is het leven mij een last;[46]O, wierd ik door den dood verrast!MEPHISTOPHELES.Toch is de dood geen aangename gast.FAUST.Gelukkig wie, na roemvol streven,Den heldendood op ’t slagveld vindt,Of, na een kort, maar zalig leven,In d’arm van haar, die hij bemint!O, ware ik, door de hooge krachtVerrukt, al stervend neêrgezonken!MEPHISTOPHELES.En toch heeft zeker iemand in dien nachtHet bruine vocht niet uitgedronken.FAUST.Het spionneeren is, naar ’t schijnt, uw lust.MEPHISTOPHELES.Alwetend ben ik niet; toch is mij veel bewust.FAUST.Wanneer uit sombre mijmeringenEen zoete toon mij somtijds wekt,Die uit mijn vroege erinneringenIn me opdoemt en mijne aandacht trektDan vloek ik alles, wat ons harteMet waan en goochelarij omspant,En in dit hol van ramp en smarteOns door zijn vleijerijen bant.Vloek zij vooreerst het hoog gevoelen,Waarmeê de geest zichzelv’ omringt,’t Verblindingswerk van heilbedoelen,Dat zich aan onze zinnen dringt![47]Vloek wat een droom ons voor kan liegenVan roem en eer, van gunst en lof,—Wat als bezit ons kan bedriegen,Als vrouw en kind, als huis en hof!Vloek zij de Mammon, die ons streelde,Door schatten onze daden stut,Of na een dag van lust en weeldeDe zachte peluw voor ons schudt!Vloek zij des wijnstoks zinverdooven!Vloek liefde, die ons hart vervult!Vloek zij de hoop, vloek zij ’t gelooven,Maar vloek zij bovenal ’t geduld!GEESTEN,onzigtbaar.Wee! wee!Gij hebt haar verstoord,De schoone wereld,Die ieder bekoort!Zij valt—zinkt ineen!Een halfgod heeft haar verslagen!Wij dragenDe puin naar ’t onbekende heen,En klagenThans over ’t schoon, dat wij verloren.MagtigerLot zij haar beschoren;PrachtigerWorde zij herboren!Zij vervulle uwen boezem met hoop!Een nieuwen levensloopMoet gij thans beginnenMet heldere zinnen,Dan zult gij verwinnenWat anders u sloop’,[48]MEPHISTOPHELES.Dit zijn mijne vrinden,Die mij komen vinden.Hoor hoe zij u radenTot vreugde en tot daden!In ’s werelds gewoel,Uit dezen jammerpoel,Ver van dit letterblokken,Willen zij u lokken.Houd op uw hartzeer toe te geven,Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:Voel dat ge een mensch met menschen zijt!Maar ’t is daarom mijn meening nietU bij ’t gemeen te doen verstikken.Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;Wilt gij nu onder mijn gebiedAan ’t werklijk leven u verkwikken,Dan kunt gij over mij beschikken.Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,Dan ben ik tot uw dienst terstond.Sla toe; ik meen ’t met u opregt;Ik ben uw dienaar en uw knecht.FAUST.En waarmeê moet ik u daarvoor beloonen?MEPHISTOPHELES.Dat later; nu daarover niet getwist!FAUST.Neen, neen! De duivel is een egoïst,En zal om niet wel niemand dienst betoonen.Zeg mij uw meening duidelijk en klaar:[49]Zulk een bediende brengt het huis ligt in gevaar.MEPHISTOPHELES.Ik wil mijhiertot uwe dienst verbinden,Mij steeds op uw bevel en wenken spoên;Als wijdaargindselkander wedervinden,Zult gij voor mij het zelfde doen.FAUST.Om ’tgindszal ik mij niet bekommeren noch plagen:Hebt ge eenmaaldezewereld stukgeslagen,Laat dan eene andre ontstaan of niet!Deze aarde kent mijn vreugde en mijn verblijden;De zon beschijnt mijn rampen en mijn lijden:Als eenmaal aarde of zon me ontvliedt,Is ’t mij het zelfde wat geschiedt.Ik wil er verder niets van hooren,Of men ook ginder haat en mint,En of men bij de hemelkorenOok rang en stand en afkomst vindt.MEPHISTOPHELES.Wel nu, dan kunt ge ’t veilig wagen:Verbind u, en ik zal in deze dagenMijn kunsten u te aanschouwen biên;Ik geef u wat geen mensch nog heeft gezien.FAUST.Wat wilt gij, arme duivel, geven!Werd wel eens menschen geest, in ’t hooge streven,Door uws gelijken ooit begrepen zoo ’t behoort?Toch hebt gij spijze van de soort,Die niet verzadigt: goud, dat altijd voortGelijk kwikzilver in de hand vervliet,—Een lot, dat uitkomt met een niet;Een meisje, dat, aan mijne borst gezonken,[50]Alreeds mijn buurman toe gaat lonken;De ontembre drift naar roem en eer—Men staart er op, en ze is niet meer.Wijs mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,Of een leeuwin met meer dan twee paar welpen!MEPHISTOPHELES.Zulk een verlangen maakt mij niet bedrukt;Aan ’t een en ’t ander kan ’k u helpen.Maar, goede vriend, de tijd komt ook eens aan,Waarin wij ’t leven in zijn vreugde willen smaken.FAUST.Begin ik immer naar gemak te haken,Dan zij ’t met mij terstond gedaan!Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—Kunt gij mij met genot bedriegen—Dan zij ’t voor mij de laatste dag!Dat zij gewed nu!MEPHISTOPHELES.Dat zij gewed nu!Top!FAUST.Dat zij gewed nu! Top!En slag op slag!Als ’k ooit in zwijmel weg mag zinkenVoor ’t heden, dat mijn ziel bekoort,Dan moogt gij mij in boeijen klinken,Dan hebt gij me, en wat mij behoort.Dat dan de doodsklok voor mij schalle!Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij.Het uurwerk sta, de wijzer valle!Dan zij voor mij de tijd voorbij![51]MEPHISTOPHELES.Bedenk u wel; wij zullen ’t niet vergeten.FAUST.Gij zijt daartoe volkomen in uw regt,En ’k heb mij niet al te onbedacht vermeten:Volhard ik dus, dan ben ik knecht—Van wien—dat wordt eerst later uitgelegd.MEPHISTOPHELES.’k Zal reeds van daag, bij ’t doctoraal ontbijten,Als dienaar van mijn pligt mij kwijten;Ik doe mijn woord hierin gestand.Één ding nog slechts: bij leven of bij sterven,Verzoek ik een paar regels van uw hand.FAUST.Ook zwart op wit verlangt gij nog, pedant?Moet gij het denkbeeld van een man van eer nog derven?Is ’t niet genoeg, dat mijn gesproken woordMij heilig is, en nimmer zal verzwinden?Zendt niet de wereld steeds haar stroomen voort,En mij zou een belofte binden?Maar deze waan schonk ons natuur tot gift;En gaarne wil men daarop bouwen.Wien reine trouw is in het hart gegrift,Geen offer zal hem ooit berouwen;Alleen een perkament, een goed gezegeld schrift,Dat is een spook, dat wij met vrees beschouwen.Het woord besterft reeds in de veder;Wij bukken onder was en leder.Wat wilt ge dus,—zeg, helgriffier!Erts, marmer, perkament, papier?Moet ik met griffel, pen of beitel schrijven?’k Geef u de keus voor alle drie.[52]MEPHISTOPHELES.Wat draaft ge door! O Faust, ontzieU toch, de zaak zoo te overdrijven!Geloof mij, ieder blaadje is goed:Gij onderteekent met een dropje van uw bloed.FAUST.Zoo dit het eenige is, wat u genoegen doet,Dan mag het bij die gekheid blijven.MEPHISTOPHELES.Bloed heeft een zeer bijzondre magt.FAUST.Wees maar niet bang, dat mij berouw zal plagen.Het streven toch van al mijn krachtIs wat ik aan u op wil dragen.Te hoog schatte ik mij inderdaàd;In uwen rang behoor ’k alleen.De Groote Geest heeft mij versmaad:Ik zocht natuur, doch vond er geen.Mijn denkkracht is vaneengereten;Ik walg reeds lang van al het weten.Kom, laten we in de zinlijkheidVoldoening voor ons streven zoeken!In ondoordringbre tooverdoekenZij ieder wonder straks bereid!Kom, werpen we ons in ’t aardsch gewoel;Dat zij ons trachten, dat ons doel!Daar mag dan smart, daar mag genot,Daar mag erkenning, daar mag spot,Afwisselen zoo veel het kan:Slechts rustloos werkzaam zij de man![53]MEPHISTOPHELES.Weet dat ik paal noch perk u stel;Geniet waar gij genot kunt vinden;Laat u door schroom noch zorgen binden:Wat u bevalt, bekome u wel!Zie overal wat op te vangen.FAUST.Gij weet, geen vreugde is mijn verlangen.Ik wijd me aan wat vergald genot mij biedt,Verliefden haat, verkwikkend zielsverdriet.Mijn boezem, nu van wetenslust genezen,Zal voor de smart voortaan óók vatbaar wezen,En ’t heil, dat voor een ander open staat,Wil ’k ook genieten, mij ten baat.Ik wil mijn geest aan hoog en laag verzaden,Hun lief en leed op mijnen schedel laden,Om dus mijzelv’ zoo veel ’t kan uit te zetten,En in dien roes ten laatste te verpletten.MEPHISTOPHELES.Geloof toch mij, die vele duizend jarenAan deze harde spijs reeds kaauwt,Dat levenslang—ik kan het u verklaren—Den mensch dit zuurdeeg steeds benaauwt.’t Heelal, gij moogt het vrij gelooven,Is voor een God alleen gemaakt;Hij woont en heerscht ineeuwgen glansdaarboven,En wij zijn in deduisternisgeraakt:Nu zijt gij de eenge, die naarbeidehaakt.FAUST.Maar ’k wil!MEPHISTOPHELES.Maar ’k wil!Ik ben een vriend van daden;[54]Doch slechts voor één ding ben ik bang:De tijd is kort, de kunst is lang.Mij dunkt, gij moest u laten raden.Verbind u met een dichter, arm als Job:Die voere zijn verbeelding dan ten top,En hoope dan wat goed is, schoon en edel,Door u betaald, u op den schedel.Der leeuwen moed,De snelheid van de hinde,Der Italianen vurig bloed,En wat men verder vinde.Laat hij u ook ’t geheim verklarenOm grootheid met arglistigheid te paren,En u dan met de drift der jeugdTe wijden aan de minnevreugd.’k Geloof zelfs zulk een heer te weten,En zal hem Mikrokosmus heeten.FAUST.Wat zou ik zijn, indien ’t niet mooglijk waar’Mij meester van de kroon te maken,Waarnaar toch alle zinnen haken?MEPHISTOPHELES.Gij zijt een regte sukkelaar.Zet u een pruik op met millioenen lokken,Uit haar van geiten of van bokken:Gij zijt en blijft onhandelbaar.FAUST.’k Gevoel het. Vruchtloos heb ik alle schattenVan ’t menschlijk brein bijeenvergaard,En zie, hoe ’k met gepeins me ook af moog’ matten,Geen nieuwe kracht, die zich in me openbaart;Ik ben met al mijn tobben, droomenGeen haarbreed verder nog gekomen.[55]MEPHISTOPHELES.Mijn goede heer, gij ziet de zakenZoo in, als dat altijd geschiedt:Wij moeten dat heel anders makenVóór ons des levens vreugde ontvliedt.Wat drommel! Zeker, hand en voetenEn al de rest behooren u;Maar wat mij ’t leven kan verzoeten,Behoort dat ook mij niet? Wel nu!Als ik zes hengsten kan betalen,Mag ik daarmede dan niet pralen?Ik span ze voor, en rij daarhenen,Als had ik vier-en-twintig beenen.Weg fratsen dus! Maak een begin,En frisch met mij de wereld in!Geloof me, een man, die nimmer zich ontspant,Is als een dier op dorre heide,Dat door een boozen geest wordt rondgevoerd in ’t zand,En daaromheen ziet men een schoone weide.FAUST.Hoe vangen wij dat aan?MEPHISTOPHELES.Hoe vangen wij dat aan?Wij gaan er nu naar toe.Wat is dit voor een akelig gedoe!Waartoe den kluisnaar hier te spelen,U en de jongens te vervelen?Gun dat maar aan een pruikenbent!Waartoe nog langer onzin uit te leggen?Het beste, wat gij weet en kent,Moogt gij uw jongens toch niet zeggen.Ik hoor al een daar in den gang.FAUST.Hij moet zijn leerlust maar wat rekken.[56]MEPHISTOPHELES.Die arme jongen wacht reeds lang;Hij mag niet ongetroost vertrekken.Kom! Geef me uw toga en uw muts;Dat masker zal mij goed bedekken.Hij verkleedt zich.Zie zoo, mijn vriend! Vertrek nu flus.Een klein kwartiertje slechts, dan kunt gij wederkeeren;Steek u intusschen als een jonker in de kleêren.Faust vertrekt.MEPHISTOPHELES,in de kleeding van Faust.Dat gij maar geest en wetenschap veracht,Des menschen allerhoogste kracht,—Laat maar in blind- en tooverwerkenU door den logengeest versterken—Dan heb ik u volkomen in mijn magt.Hem heeft Natuur een geest gegeven,Die rustloos voortdrong dag aan dag,En wiens al te ongebreideld strevenGeen aardsche vreugde kende of zag:Dien sleep ik door het wilde leven,Door plat- en onbeduidendheid;Ik laat hem spartlen, gapen, kleven,En in zijne onverzaadlijkheidZal spijs en drank voor gierge lippen zweven,Maar lafenis is hem ontzegd;En ook al had hij zich niet mij ten prooi gegeven,Toch kwam niets goeds van hem te regt.EEN LEERLING,binnentredende.Ik ben hier nog maar kort, mijnheer!En kom met al ’t betoon van eer,Om zelf een man te kennen en te roemen,Wiens naam wij slechts met eerbied noemen.[57]MEPHISTOPHELES.Uw goede dunk verblijdt mij zeer.Gij ziet een man als andren meer.Hebt gij reeds elders school gegaan?LEERLING.Ik bid u, neem u mijner aan!Ik kom bij u met goeden moed,Met eenig geld en jeugdig bloed.Mijn moeder liet me ongaarn vertrekken;Wil gij tot leeraar mij verstrekken!MEPHISTOPHELES.Tot leeren zijt gij hier te regt.LEERLING.En toch bevalt het mij hier slecht;Hier, tusschen deze sombre wanden,Raakt heel mijn denkenskracht aan banden.Ik voel mij afgemat en loom;Men aâmt geen lucht hier, ziet geen boom;Ver van aandachtig aan te hooren,Is ’t meeste voor mij wis verloren.MEPHISTOPHELES.Veel is gewoonte, en dat met grond.Het is daarmede als met een kind:’t Neemt niet de moederborst terstond,Waaraan ’t welras zijn laafnis vindt.Wilt ge u dus aan de wijsheid laven,Hier zijt gij in de regte haven.LEERLING.’k Wil gaarne aan uwe lippen hangen;Doch zeg mij, hoe ik ’t aan moet vangen![58]MEPHISTOPHELES.Geef me eerst op ééne zaak bescheid:Wat kiest gij voor een faculteit?LEERLING.Ik tracht naar wijsheid en haar schatten,En wenschte gaarne ’t al te omvatten:Het wereldruim en zijn bestuur,De wetenschap en de natuur.MEPHISTOPHELES.Dan zijt gij op het regte spoor;Maar heb vooral een luistrend oor!LEERLING.Ik ben er bij met ziel en lijf;Maar wat mij toch wel zou behagen,Is vrijheid en wat tijdverdrijfDes zomers met vacantiedagen.MEPHISTOPHELES.Gebruik den tijd, die ras vervliet;Doch orde leert veel tijd u winnen:Ik raad u, vriend, verzuim dus nietMet Logica uw lessen te beginnen.Dan wordt uw geest behoorlijk gedresseerd,In Spaansche laarzen ingeregen,En door u de voorzigtigheid verkregen,Die uw gedachtenloop regeert,Zoo dat ge niet, nu hier, dan daar,Rondhaspelt als een broddelaar.Dan leert men u ook, wat geschiê,Om deze of gene zaak te ontvouwen,Terwijl ge er anders, een, twee, drie,Maar op zoudt hebben ingehouwen.[59]Toch is ’t met der gedachten veldAls met een weefgetouw gesteld:Daar gaan de draden op en neder;De schietspoel glijdt al heen en weder;Al de eersten door een enklen tred,Terwijl de laatste op ’t weefsel let.Zoo komt de wijsgeer, als ge alleen zit,Bewijst u, dat het zoo ineen zit:Eerst was het zoo, en toen weêr zus;Toen werd zoo weêr, toen weêr dus,En wanneer een en twee ontbraken,Zou drie noch vier ’t geheel volmaken.Dit wijzen ze aan op rekenborden;Maar wevers zijn zij niet geworden.Wie iets, dat leeft, wil kennen en beschrijven,Zoeke eerst den geest er uit te drijven:Dan heeft hij al de stukken in zijn hand;Alleen ontbreekt de geest hem en ’t verband.Dit heet nu Logica bij lieden van het vak,Maar zelf toch vinden zij het larie slechts en lak.LEERLING.Ik kan u niet te best verstaan.MEPHISTOPHELES.Dat zal, mijn vriend, wel beter gaan,Wanneer gij zijt aan ’t reduceerenEn aan het goed classificeeren.LEERLING.’k Word van dat al zoo warlig en verdoofd,Alsof een molenrad mij ronddraaide in het hoofd.MEPHISTOPHELES.Voorts, vriendlief, op de LogicaVolgt nu de Metaphysica.[60]Dan leert ge duidlijk, wat niet pastIn ’s menschen brein of hersenkast;Hetgeen daar al of niet behoort,Betoogt ge met een prachtig woord.Doch neem in ’t eerste halve jaarToch alle mooglijke orde waar:Vijf uren hebt gij elken dag;Wees binnen met der klokken slag.Heb u eerst goed geprepareerd,Paragraphos wel bestudeerd,Opdat men u niet voor de broek slaat,Wanneer ge iets zegt, dat niet in ’t boek staat,Maar zorg dat ge altijd schrijft en leest,Als dicteerde u de Heiige Geest.LEERLING.Dat alles kan mij regt behagen:Ik ben een vriend van zwart op wit;Want als men eenmaal dit bezit,Kan men ’t getroost naar huis toe dragen.MEPHISTOPHELES.Maar noem mij nu uw keus; want dat is hier de zaak!LEERLING.De regtsgeleerdheid valt niet in mijn smaak.MEPHISTOPHELES.Ik kan ’t u niet ten kwade reeknen,Daar ’k weet wat regt en wet beteeknen:Die leer plant zich, van oord tot oord,Gelijk een eeuwge smetkoorts voort;De zonen erven haar van de ouders over,En denken dat het zoo behoort.Een vriend des menschdoms wordt bij hen een roover;Verstand wordt onzin; weldaad, moord.[61]Spreekt men van ’t regt, dat ons is aangeboren,Dan praat men voor der dooven ooren.LEERLING.Mijn afkeer van dit vak wordt thans door u vermeerd;Gelukkig hij, dien gij dus leert!Maar nu theologie—daar zou ’k mij wel in vinden.MEPHISTOPHELES.’k Wil om de zaak geen doekjes winden.Als gij hier alles wikt en schift,Dan valt het moeilijk den verkeerden weg te mijden.Dees wetenschap heeft veel geheim vergift;Die zich haar wijdt, is geenszins te benijden.Het beste is hier ook, dat u één slechts leert,En gij bij ’s meesters woorden zweert.In ’t kort, wil slechts tot woorden u bepalen,Dan gaat gij veilig, ’t kan niet falen,Den tempel der gewisheid in.LEERLING.Maar woorden eischen toch een zin.MEPHISTOPHELES.Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken;Want waar begrip en zin ontbreken,Daar valt het woord ons in te regter tijd.Een bol is ’t, die met woorden strijdt;Met woorden kan men alle haren kloven;Aan woorden laat zich ’t best gelooven;Geen jota kan men van een woord ontrooven.LEERLING.Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen,Maar ’k moet toch nog van iets gewagen,’k Zag gaarne nog door u vermeld,[62]Hoe ’t met geneeskunst is gesteld.Een korte tijd toch is drie jaren,En ’t veld is naauwlijks af te staren;Dus, als ik maar een wenk ontvang,Dan heb ik al wat ik verlang.MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Die drooge toon begint mij te vervelen;’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.Overluid.Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt:Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen:Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijenZoo ’t God behaagt.’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt:Een ieder leert slechts wat hij leeren kan;Hij echter, die slechts durft en waagt,Dat is de regte man.Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt,En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden:Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt,Zal zich al ’t andere wel redden.Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen—Der vrouwen gunst te winnen.Nu scheelt haar dit, dan weder dat;Zij weten zelf niet hoe of wat.Geeft gij wat toe aan ieders luim,Dan hebt gij ze onder uwen duim.Eerst moet gij u haar kenbaar maken,Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat;Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken,Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt.Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen;Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen,Te weten bij ervarenis,Of zij wel goed geregen is.[63]LEERLING.Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.MEPHISTOPHELES.Dor, vriend, is alle theorie,En groen de vruchtbre levensboom.LEERLING.Het is mij alles als een droom.Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren—Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?MEPHISTOPHELES.Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.LEERLING.Ik kan onmooglijk nu reeds gaan.Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven,Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.MEPHISTOPHELESschrijft iets in het album, en geeft het terug.LEERLINGleest.Eritis sicut Deus, scientes bonum et malum.1Hij slaat het boek vol eerbied toe, buigt zich, en vertrekt.MEPHISTOPHELES.Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang,Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.FAUSTtreedt in eene modekleeding binnen.Waar gaan wij nu naar toe?[64]MEPHISTOPHELES.Waar gaan wij nu naar toe?Waarheen gij zelf maar wilt.Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt.Veel zult ge bij dit alles leeren,En tevens regt u diverteeren.FAUST.Maar bij al ’t geen ’k als doctor weetOntbreekt mij wat men “wereld” heet.’t Loopt met de proeve vast abuis;’k Was nimmer in de wereld thuis.Ik voel vooraf reeds angst en vreezen;’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, waartoe die valsche waan?Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.FAUST.Maar wat brengt ons naar noord of zuid?Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?MEPHISTOPHELES.Wij spreiden slechts den mantel uit;Die zal ons door het luchtruim dragen.Doch neem bij deze stoute schredeVooral niet veel bagage mede:Wat vuurlucht, dat ik zelf berei,Helpt ons van de aarde, ons allebei;En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan.Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan![65]1“Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b,volgens deVulgataof Latijnsche vertaling.Vert.↑

Studeervertrek.FAUST.MEPHISTOPHELESklopt.FAUST.Alweêr wat!—Binnen!—Ach, wie komt mij nu weêr storen!MEPHISTOPHELES.Ik ben het.FAUST.Ik ben het.Binnen!MEPHISTOPHELES.Ik ben het. Binnen!’k Moet dit driemaal hooren.FAUST.Nu, binnen dan!MEPHISTOPHELES.Nu, binnen dan!Zoo is het goed.Wij zullen, hoop ik, vrienden blijven;Want u de grillen te verdrijven,Is de oorzaak, die met zoo veel spoedMij heden bij u komen doet,En ik u in een dos begroet,Zoo als een jonker wezen moet.Een haneveêr prijkt op mijn hoed;[45]Mijn roode rok is fraai en netMet gouden boordsel afgezet;Mijn manteltje is van witte zijde,Mijn degen of ik toog ten strijde.Nu moest gij, van den dag van heden,U, beste vriend, ook zoo gaan kleeden,Opdat gij, los en frank en vrij,Moogt leeren wat het leven zij.FAUST.In ieder kleed heb ik den knelVan ’t aardsche leven toch te duchten;Ik ben reeds te oud voor kinderspel,Te jong nog om de vreugd te ontvlugten.Wat is het heil, dat de aard mij biedt!Ontberen zult ge, steeds ontberen:Dit is ’t vervelend, eeuwig lied,Waarmeê men ieder, die geniet,Wil zaligmaken en bekeeren.’k Sta ’s morgens op met wee en ach,En voel mij reeds het harte bloeden,Als ik vooruitzie hoe de dagWeêr zonder vreugd ten eind zal spoeden,Geen wensch vervuld wordt, hoe gering,Die in mijn boezem op komt wellen,Maar ik, vol angst en foltering,Met duizend zorgen mij moet kwellen.Ja, ook nog in het nachtlijk uur,Als ’k op mijn sponde me uit ga strekken,Dan zullen, zonder rust of duur,Mij wilde droomen telkens wekken.De god, die in mijn boezem woont,Kan wel mijn ziel in oproer brengen,Maar Hij, die boven starren troont,Hij kan geen laafdronk voor mij plengen.Zoo is het leven mij een last;[46]O, wierd ik door den dood verrast!MEPHISTOPHELES.Toch is de dood geen aangename gast.FAUST.Gelukkig wie, na roemvol streven,Den heldendood op ’t slagveld vindt,Of, na een kort, maar zalig leven,In d’arm van haar, die hij bemint!O, ware ik, door de hooge krachtVerrukt, al stervend neêrgezonken!MEPHISTOPHELES.En toch heeft zeker iemand in dien nachtHet bruine vocht niet uitgedronken.FAUST.Het spionneeren is, naar ’t schijnt, uw lust.MEPHISTOPHELES.Alwetend ben ik niet; toch is mij veel bewust.FAUST.Wanneer uit sombre mijmeringenEen zoete toon mij somtijds wekt,Die uit mijn vroege erinneringenIn me opdoemt en mijne aandacht trektDan vloek ik alles, wat ons harteMet waan en goochelarij omspant,En in dit hol van ramp en smarteOns door zijn vleijerijen bant.Vloek zij vooreerst het hoog gevoelen,Waarmeê de geest zichzelv’ omringt,’t Verblindingswerk van heilbedoelen,Dat zich aan onze zinnen dringt![47]Vloek wat een droom ons voor kan liegenVan roem en eer, van gunst en lof,—Wat als bezit ons kan bedriegen,Als vrouw en kind, als huis en hof!Vloek zij de Mammon, die ons streelde,Door schatten onze daden stut,Of na een dag van lust en weeldeDe zachte peluw voor ons schudt!Vloek zij des wijnstoks zinverdooven!Vloek liefde, die ons hart vervult!Vloek zij de hoop, vloek zij ’t gelooven,Maar vloek zij bovenal ’t geduld!GEESTEN,onzigtbaar.Wee! wee!Gij hebt haar verstoord,De schoone wereld,Die ieder bekoort!Zij valt—zinkt ineen!Een halfgod heeft haar verslagen!Wij dragenDe puin naar ’t onbekende heen,En klagenThans over ’t schoon, dat wij verloren.MagtigerLot zij haar beschoren;PrachtigerWorde zij herboren!Zij vervulle uwen boezem met hoop!Een nieuwen levensloopMoet gij thans beginnenMet heldere zinnen,Dan zult gij verwinnenWat anders u sloop’,[48]MEPHISTOPHELES.Dit zijn mijne vrinden,Die mij komen vinden.Hoor hoe zij u radenTot vreugde en tot daden!In ’s werelds gewoel,Uit dezen jammerpoel,Ver van dit letterblokken,Willen zij u lokken.Houd op uw hartzeer toe te geven,Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:Voel dat ge een mensch met menschen zijt!Maar ’t is daarom mijn meening nietU bij ’t gemeen te doen verstikken.Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;Wilt gij nu onder mijn gebiedAan ’t werklijk leven u verkwikken,Dan kunt gij over mij beschikken.Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,Dan ben ik tot uw dienst terstond.Sla toe; ik meen ’t met u opregt;Ik ben uw dienaar en uw knecht.FAUST.En waarmeê moet ik u daarvoor beloonen?MEPHISTOPHELES.Dat later; nu daarover niet getwist!FAUST.Neen, neen! De duivel is een egoïst,En zal om niet wel niemand dienst betoonen.Zeg mij uw meening duidelijk en klaar:[49]Zulk een bediende brengt het huis ligt in gevaar.MEPHISTOPHELES.Ik wil mijhiertot uwe dienst verbinden,Mij steeds op uw bevel en wenken spoên;Als wijdaargindselkander wedervinden,Zult gij voor mij het zelfde doen.FAUST.Om ’tgindszal ik mij niet bekommeren noch plagen:Hebt ge eenmaaldezewereld stukgeslagen,Laat dan eene andre ontstaan of niet!Deze aarde kent mijn vreugde en mijn verblijden;De zon beschijnt mijn rampen en mijn lijden:Als eenmaal aarde of zon me ontvliedt,Is ’t mij het zelfde wat geschiedt.Ik wil er verder niets van hooren,Of men ook ginder haat en mint,En of men bij de hemelkorenOok rang en stand en afkomst vindt.MEPHISTOPHELES.Wel nu, dan kunt ge ’t veilig wagen:Verbind u, en ik zal in deze dagenMijn kunsten u te aanschouwen biên;Ik geef u wat geen mensch nog heeft gezien.FAUST.Wat wilt gij, arme duivel, geven!Werd wel eens menschen geest, in ’t hooge streven,Door uws gelijken ooit begrepen zoo ’t behoort?Toch hebt gij spijze van de soort,Die niet verzadigt: goud, dat altijd voortGelijk kwikzilver in de hand vervliet,—Een lot, dat uitkomt met een niet;Een meisje, dat, aan mijne borst gezonken,[50]Alreeds mijn buurman toe gaat lonken;De ontembre drift naar roem en eer—Men staart er op, en ze is niet meer.Wijs mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,Of een leeuwin met meer dan twee paar welpen!MEPHISTOPHELES.Zulk een verlangen maakt mij niet bedrukt;Aan ’t een en ’t ander kan ’k u helpen.Maar, goede vriend, de tijd komt ook eens aan,Waarin wij ’t leven in zijn vreugde willen smaken.FAUST.Begin ik immer naar gemak te haken,Dan zij ’t met mij terstond gedaan!Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—Kunt gij mij met genot bedriegen—Dan zij ’t voor mij de laatste dag!Dat zij gewed nu!MEPHISTOPHELES.Dat zij gewed nu!Top!FAUST.Dat zij gewed nu! Top!En slag op slag!Als ’k ooit in zwijmel weg mag zinkenVoor ’t heden, dat mijn ziel bekoort,Dan moogt gij mij in boeijen klinken,Dan hebt gij me, en wat mij behoort.Dat dan de doodsklok voor mij schalle!Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij.Het uurwerk sta, de wijzer valle!Dan zij voor mij de tijd voorbij![51]MEPHISTOPHELES.Bedenk u wel; wij zullen ’t niet vergeten.FAUST.Gij zijt daartoe volkomen in uw regt,En ’k heb mij niet al te onbedacht vermeten:Volhard ik dus, dan ben ik knecht—Van wien—dat wordt eerst later uitgelegd.MEPHISTOPHELES.’k Zal reeds van daag, bij ’t doctoraal ontbijten,Als dienaar van mijn pligt mij kwijten;Ik doe mijn woord hierin gestand.Één ding nog slechts: bij leven of bij sterven,Verzoek ik een paar regels van uw hand.FAUST.Ook zwart op wit verlangt gij nog, pedant?Moet gij het denkbeeld van een man van eer nog derven?Is ’t niet genoeg, dat mijn gesproken woordMij heilig is, en nimmer zal verzwinden?Zendt niet de wereld steeds haar stroomen voort,En mij zou een belofte binden?Maar deze waan schonk ons natuur tot gift;En gaarne wil men daarop bouwen.Wien reine trouw is in het hart gegrift,Geen offer zal hem ooit berouwen;Alleen een perkament, een goed gezegeld schrift,Dat is een spook, dat wij met vrees beschouwen.Het woord besterft reeds in de veder;Wij bukken onder was en leder.Wat wilt ge dus,—zeg, helgriffier!Erts, marmer, perkament, papier?Moet ik met griffel, pen of beitel schrijven?’k Geef u de keus voor alle drie.[52]MEPHISTOPHELES.Wat draaft ge door! O Faust, ontzieU toch, de zaak zoo te overdrijven!Geloof mij, ieder blaadje is goed:Gij onderteekent met een dropje van uw bloed.FAUST.Zoo dit het eenige is, wat u genoegen doet,Dan mag het bij die gekheid blijven.MEPHISTOPHELES.Bloed heeft een zeer bijzondre magt.FAUST.Wees maar niet bang, dat mij berouw zal plagen.Het streven toch van al mijn krachtIs wat ik aan u op wil dragen.Te hoog schatte ik mij inderdaàd;In uwen rang behoor ’k alleen.De Groote Geest heeft mij versmaad:Ik zocht natuur, doch vond er geen.Mijn denkkracht is vaneengereten;Ik walg reeds lang van al het weten.Kom, laten we in de zinlijkheidVoldoening voor ons streven zoeken!In ondoordringbre tooverdoekenZij ieder wonder straks bereid!Kom, werpen we ons in ’t aardsch gewoel;Dat zij ons trachten, dat ons doel!Daar mag dan smart, daar mag genot,Daar mag erkenning, daar mag spot,Afwisselen zoo veel het kan:Slechts rustloos werkzaam zij de man![53]MEPHISTOPHELES.Weet dat ik paal noch perk u stel;Geniet waar gij genot kunt vinden;Laat u door schroom noch zorgen binden:Wat u bevalt, bekome u wel!Zie overal wat op te vangen.FAUST.Gij weet, geen vreugde is mijn verlangen.Ik wijd me aan wat vergald genot mij biedt,Verliefden haat, verkwikkend zielsverdriet.Mijn boezem, nu van wetenslust genezen,Zal voor de smart voortaan óók vatbaar wezen,En ’t heil, dat voor een ander open staat,Wil ’k ook genieten, mij ten baat.Ik wil mijn geest aan hoog en laag verzaden,Hun lief en leed op mijnen schedel laden,Om dus mijzelv’ zoo veel ’t kan uit te zetten,En in dien roes ten laatste te verpletten.MEPHISTOPHELES.Geloof toch mij, die vele duizend jarenAan deze harde spijs reeds kaauwt,Dat levenslang—ik kan het u verklaren—Den mensch dit zuurdeeg steeds benaauwt.’t Heelal, gij moogt het vrij gelooven,Is voor een God alleen gemaakt;Hij woont en heerscht ineeuwgen glansdaarboven,En wij zijn in deduisternisgeraakt:Nu zijt gij de eenge, die naarbeidehaakt.FAUST.Maar ’k wil!MEPHISTOPHELES.Maar ’k wil!Ik ben een vriend van daden;[54]Doch slechts voor één ding ben ik bang:De tijd is kort, de kunst is lang.Mij dunkt, gij moest u laten raden.Verbind u met een dichter, arm als Job:Die voere zijn verbeelding dan ten top,En hoope dan wat goed is, schoon en edel,Door u betaald, u op den schedel.Der leeuwen moed,De snelheid van de hinde,Der Italianen vurig bloed,En wat men verder vinde.Laat hij u ook ’t geheim verklarenOm grootheid met arglistigheid te paren,En u dan met de drift der jeugdTe wijden aan de minnevreugd.’k Geloof zelfs zulk een heer te weten,En zal hem Mikrokosmus heeten.FAUST.Wat zou ik zijn, indien ’t niet mooglijk waar’Mij meester van de kroon te maken,Waarnaar toch alle zinnen haken?MEPHISTOPHELES.Gij zijt een regte sukkelaar.Zet u een pruik op met millioenen lokken,Uit haar van geiten of van bokken:Gij zijt en blijft onhandelbaar.FAUST.’k Gevoel het. Vruchtloos heb ik alle schattenVan ’t menschlijk brein bijeenvergaard,En zie, hoe ’k met gepeins me ook af moog’ matten,Geen nieuwe kracht, die zich in me openbaart;Ik ben met al mijn tobben, droomenGeen haarbreed verder nog gekomen.[55]MEPHISTOPHELES.Mijn goede heer, gij ziet de zakenZoo in, als dat altijd geschiedt:Wij moeten dat heel anders makenVóór ons des levens vreugde ontvliedt.Wat drommel! Zeker, hand en voetenEn al de rest behooren u;Maar wat mij ’t leven kan verzoeten,Behoort dat ook mij niet? Wel nu!Als ik zes hengsten kan betalen,Mag ik daarmede dan niet pralen?Ik span ze voor, en rij daarhenen,Als had ik vier-en-twintig beenen.Weg fratsen dus! Maak een begin,En frisch met mij de wereld in!Geloof me, een man, die nimmer zich ontspant,Is als een dier op dorre heide,Dat door een boozen geest wordt rondgevoerd in ’t zand,En daaromheen ziet men een schoone weide.FAUST.Hoe vangen wij dat aan?MEPHISTOPHELES.Hoe vangen wij dat aan?Wij gaan er nu naar toe.Wat is dit voor een akelig gedoe!Waartoe den kluisnaar hier te spelen,U en de jongens te vervelen?Gun dat maar aan een pruikenbent!Waartoe nog langer onzin uit te leggen?Het beste, wat gij weet en kent,Moogt gij uw jongens toch niet zeggen.Ik hoor al een daar in den gang.FAUST.Hij moet zijn leerlust maar wat rekken.[56]MEPHISTOPHELES.Die arme jongen wacht reeds lang;Hij mag niet ongetroost vertrekken.Kom! Geef me uw toga en uw muts;Dat masker zal mij goed bedekken.Hij verkleedt zich.Zie zoo, mijn vriend! Vertrek nu flus.Een klein kwartiertje slechts, dan kunt gij wederkeeren;Steek u intusschen als een jonker in de kleêren.Faust vertrekt.MEPHISTOPHELES,in de kleeding van Faust.Dat gij maar geest en wetenschap veracht,Des menschen allerhoogste kracht,—Laat maar in blind- en tooverwerkenU door den logengeest versterken—Dan heb ik u volkomen in mijn magt.Hem heeft Natuur een geest gegeven,Die rustloos voortdrong dag aan dag,En wiens al te ongebreideld strevenGeen aardsche vreugde kende of zag:Dien sleep ik door het wilde leven,Door plat- en onbeduidendheid;Ik laat hem spartlen, gapen, kleven,En in zijne onverzaadlijkheidZal spijs en drank voor gierge lippen zweven,Maar lafenis is hem ontzegd;En ook al had hij zich niet mij ten prooi gegeven,Toch kwam niets goeds van hem te regt.EEN LEERLING,binnentredende.Ik ben hier nog maar kort, mijnheer!En kom met al ’t betoon van eer,Om zelf een man te kennen en te roemen,Wiens naam wij slechts met eerbied noemen.[57]MEPHISTOPHELES.Uw goede dunk verblijdt mij zeer.Gij ziet een man als andren meer.Hebt gij reeds elders school gegaan?LEERLING.Ik bid u, neem u mijner aan!Ik kom bij u met goeden moed,Met eenig geld en jeugdig bloed.Mijn moeder liet me ongaarn vertrekken;Wil gij tot leeraar mij verstrekken!MEPHISTOPHELES.Tot leeren zijt gij hier te regt.LEERLING.En toch bevalt het mij hier slecht;Hier, tusschen deze sombre wanden,Raakt heel mijn denkenskracht aan banden.Ik voel mij afgemat en loom;Men aâmt geen lucht hier, ziet geen boom;Ver van aandachtig aan te hooren,Is ’t meeste voor mij wis verloren.MEPHISTOPHELES.Veel is gewoonte, en dat met grond.Het is daarmede als met een kind:’t Neemt niet de moederborst terstond,Waaraan ’t welras zijn laafnis vindt.Wilt ge u dus aan de wijsheid laven,Hier zijt gij in de regte haven.LEERLING.’k Wil gaarne aan uwe lippen hangen;Doch zeg mij, hoe ik ’t aan moet vangen![58]MEPHISTOPHELES.Geef me eerst op ééne zaak bescheid:Wat kiest gij voor een faculteit?LEERLING.Ik tracht naar wijsheid en haar schatten,En wenschte gaarne ’t al te omvatten:Het wereldruim en zijn bestuur,De wetenschap en de natuur.MEPHISTOPHELES.Dan zijt gij op het regte spoor;Maar heb vooral een luistrend oor!LEERLING.Ik ben er bij met ziel en lijf;Maar wat mij toch wel zou behagen,Is vrijheid en wat tijdverdrijfDes zomers met vacantiedagen.MEPHISTOPHELES.Gebruik den tijd, die ras vervliet;Doch orde leert veel tijd u winnen:Ik raad u, vriend, verzuim dus nietMet Logica uw lessen te beginnen.Dan wordt uw geest behoorlijk gedresseerd,In Spaansche laarzen ingeregen,En door u de voorzigtigheid verkregen,Die uw gedachtenloop regeert,Zoo dat ge niet, nu hier, dan daar,Rondhaspelt als een broddelaar.Dan leert men u ook, wat geschiê,Om deze of gene zaak te ontvouwen,Terwijl ge er anders, een, twee, drie,Maar op zoudt hebben ingehouwen.[59]Toch is ’t met der gedachten veldAls met een weefgetouw gesteld:Daar gaan de draden op en neder;De schietspoel glijdt al heen en weder;Al de eersten door een enklen tred,Terwijl de laatste op ’t weefsel let.Zoo komt de wijsgeer, als ge alleen zit,Bewijst u, dat het zoo ineen zit:Eerst was het zoo, en toen weêr zus;Toen werd zoo weêr, toen weêr dus,En wanneer een en twee ontbraken,Zou drie noch vier ’t geheel volmaken.Dit wijzen ze aan op rekenborden;Maar wevers zijn zij niet geworden.Wie iets, dat leeft, wil kennen en beschrijven,Zoeke eerst den geest er uit te drijven:Dan heeft hij al de stukken in zijn hand;Alleen ontbreekt de geest hem en ’t verband.Dit heet nu Logica bij lieden van het vak,Maar zelf toch vinden zij het larie slechts en lak.LEERLING.Ik kan u niet te best verstaan.MEPHISTOPHELES.Dat zal, mijn vriend, wel beter gaan,Wanneer gij zijt aan ’t reduceerenEn aan het goed classificeeren.LEERLING.’k Word van dat al zoo warlig en verdoofd,Alsof een molenrad mij ronddraaide in het hoofd.MEPHISTOPHELES.Voorts, vriendlief, op de LogicaVolgt nu de Metaphysica.[60]Dan leert ge duidlijk, wat niet pastIn ’s menschen brein of hersenkast;Hetgeen daar al of niet behoort,Betoogt ge met een prachtig woord.Doch neem in ’t eerste halve jaarToch alle mooglijke orde waar:Vijf uren hebt gij elken dag;Wees binnen met der klokken slag.Heb u eerst goed geprepareerd,Paragraphos wel bestudeerd,Opdat men u niet voor de broek slaat,Wanneer ge iets zegt, dat niet in ’t boek staat,Maar zorg dat ge altijd schrijft en leest,Als dicteerde u de Heiige Geest.LEERLING.Dat alles kan mij regt behagen:Ik ben een vriend van zwart op wit;Want als men eenmaal dit bezit,Kan men ’t getroost naar huis toe dragen.MEPHISTOPHELES.Maar noem mij nu uw keus; want dat is hier de zaak!LEERLING.De regtsgeleerdheid valt niet in mijn smaak.MEPHISTOPHELES.Ik kan ’t u niet ten kwade reeknen,Daar ’k weet wat regt en wet beteeknen:Die leer plant zich, van oord tot oord,Gelijk een eeuwge smetkoorts voort;De zonen erven haar van de ouders over,En denken dat het zoo behoort.Een vriend des menschdoms wordt bij hen een roover;Verstand wordt onzin; weldaad, moord.[61]Spreekt men van ’t regt, dat ons is aangeboren,Dan praat men voor der dooven ooren.LEERLING.Mijn afkeer van dit vak wordt thans door u vermeerd;Gelukkig hij, dien gij dus leert!Maar nu theologie—daar zou ’k mij wel in vinden.MEPHISTOPHELES.’k Wil om de zaak geen doekjes winden.Als gij hier alles wikt en schift,Dan valt het moeilijk den verkeerden weg te mijden.Dees wetenschap heeft veel geheim vergift;Die zich haar wijdt, is geenszins te benijden.Het beste is hier ook, dat u één slechts leert,En gij bij ’s meesters woorden zweert.In ’t kort, wil slechts tot woorden u bepalen,Dan gaat gij veilig, ’t kan niet falen,Den tempel der gewisheid in.LEERLING.Maar woorden eischen toch een zin.MEPHISTOPHELES.Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken;Want waar begrip en zin ontbreken,Daar valt het woord ons in te regter tijd.Een bol is ’t, die met woorden strijdt;Met woorden kan men alle haren kloven;Aan woorden laat zich ’t best gelooven;Geen jota kan men van een woord ontrooven.LEERLING.Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen,Maar ’k moet toch nog van iets gewagen,’k Zag gaarne nog door u vermeld,[62]Hoe ’t met geneeskunst is gesteld.Een korte tijd toch is drie jaren,En ’t veld is naauwlijks af te staren;Dus, als ik maar een wenk ontvang,Dan heb ik al wat ik verlang.MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Die drooge toon begint mij te vervelen;’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.Overluid.Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt:Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen:Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijenZoo ’t God behaagt.’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt:Een ieder leert slechts wat hij leeren kan;Hij echter, die slechts durft en waagt,Dat is de regte man.Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt,En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden:Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt,Zal zich al ’t andere wel redden.Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen—Der vrouwen gunst te winnen.Nu scheelt haar dit, dan weder dat;Zij weten zelf niet hoe of wat.Geeft gij wat toe aan ieders luim,Dan hebt gij ze onder uwen duim.Eerst moet gij u haar kenbaar maken,Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat;Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken,Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt.Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen;Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen,Te weten bij ervarenis,Of zij wel goed geregen is.[63]LEERLING.Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.MEPHISTOPHELES.Dor, vriend, is alle theorie,En groen de vruchtbre levensboom.LEERLING.Het is mij alles als een droom.Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren—Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?MEPHISTOPHELES.Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.LEERLING.Ik kan onmooglijk nu reeds gaan.Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven,Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.MEPHISTOPHELESschrijft iets in het album, en geeft het terug.LEERLINGleest.Eritis sicut Deus, scientes bonum et malum.1Hij slaat het boek vol eerbied toe, buigt zich, en vertrekt.MEPHISTOPHELES.Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang,Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.FAUSTtreedt in eene modekleeding binnen.Waar gaan wij nu naar toe?[64]MEPHISTOPHELES.Waar gaan wij nu naar toe?Waarheen gij zelf maar wilt.Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt.Veel zult ge bij dit alles leeren,En tevens regt u diverteeren.FAUST.Maar bij al ’t geen ’k als doctor weetOntbreekt mij wat men “wereld” heet.’t Loopt met de proeve vast abuis;’k Was nimmer in de wereld thuis.Ik voel vooraf reeds angst en vreezen;’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, waartoe die valsche waan?Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.FAUST.Maar wat brengt ons naar noord of zuid?Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?MEPHISTOPHELES.Wij spreiden slechts den mantel uit;Die zal ons door het luchtruim dragen.Doch neem bij deze stoute schredeVooral niet veel bagage mede:Wat vuurlucht, dat ik zelf berei,Helpt ons van de aarde, ons allebei;En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan.Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan![65]

Studeervertrek.

FAUST.MEPHISTOPHELESklopt.

FAUST.Alweêr wat!—Binnen!—Ach, wie komt mij nu weêr storen!

FAUST.

Alweêr wat!—Binnen!—Ach, wie komt mij nu weêr storen!

MEPHISTOPHELES.Ik ben het.

MEPHISTOPHELES.

Ik ben het.

FAUST.Ik ben het.Binnen!

FAUST.

Ik ben het.Binnen!

MEPHISTOPHELES.Ik ben het. Binnen!’k Moet dit driemaal hooren.

MEPHISTOPHELES.

Ik ben het. Binnen!’k Moet dit driemaal hooren.

FAUST.Nu, binnen dan!

FAUST.

Nu, binnen dan!

MEPHISTOPHELES.Nu, binnen dan!Zoo is het goed.Wij zullen, hoop ik, vrienden blijven;Want u de grillen te verdrijven,Is de oorzaak, die met zoo veel spoedMij heden bij u komen doet,En ik u in een dos begroet,Zoo als een jonker wezen moet.Een haneveêr prijkt op mijn hoed;[45]Mijn roode rok is fraai en netMet gouden boordsel afgezet;Mijn manteltje is van witte zijde,Mijn degen of ik toog ten strijde.Nu moest gij, van den dag van heden,U, beste vriend, ook zoo gaan kleeden,Opdat gij, los en frank en vrij,Moogt leeren wat het leven zij.

MEPHISTOPHELES.

Nu, binnen dan!Zoo is het goed.

Wij zullen, hoop ik, vrienden blijven;

Want u de grillen te verdrijven,

Is de oorzaak, die met zoo veel spoed

Mij heden bij u komen doet,

En ik u in een dos begroet,

Zoo als een jonker wezen moet.

Een haneveêr prijkt op mijn hoed;[45]

Mijn roode rok is fraai en net

Met gouden boordsel afgezet;

Mijn manteltje is van witte zijde,

Mijn degen of ik toog ten strijde.

Nu moest gij, van den dag van heden,

U, beste vriend, ook zoo gaan kleeden,

Opdat gij, los en frank en vrij,

Moogt leeren wat het leven zij.

FAUST.In ieder kleed heb ik den knelVan ’t aardsche leven toch te duchten;Ik ben reeds te oud voor kinderspel,Te jong nog om de vreugd te ontvlugten.Wat is het heil, dat de aard mij biedt!Ontberen zult ge, steeds ontberen:Dit is ’t vervelend, eeuwig lied,Waarmeê men ieder, die geniet,Wil zaligmaken en bekeeren.’k Sta ’s morgens op met wee en ach,En voel mij reeds het harte bloeden,Als ik vooruitzie hoe de dagWeêr zonder vreugd ten eind zal spoeden,Geen wensch vervuld wordt, hoe gering,Die in mijn boezem op komt wellen,Maar ik, vol angst en foltering,Met duizend zorgen mij moet kwellen.Ja, ook nog in het nachtlijk uur,Als ’k op mijn sponde me uit ga strekken,Dan zullen, zonder rust of duur,Mij wilde droomen telkens wekken.De god, die in mijn boezem woont,Kan wel mijn ziel in oproer brengen,Maar Hij, die boven starren troont,Hij kan geen laafdronk voor mij plengen.Zoo is het leven mij een last;[46]O, wierd ik door den dood verrast!

FAUST.

In ieder kleed heb ik den knel

Van ’t aardsche leven toch te duchten;

Ik ben reeds te oud voor kinderspel,

Te jong nog om de vreugd te ontvlugten.

Wat is het heil, dat de aard mij biedt!

Ontberen zult ge, steeds ontberen:

Dit is ’t vervelend, eeuwig lied,

Waarmeê men ieder, die geniet,

Wil zaligmaken en bekeeren.

’k Sta ’s morgens op met wee en ach,

En voel mij reeds het harte bloeden,

Als ik vooruitzie hoe de dag

Weêr zonder vreugd ten eind zal spoeden,

Geen wensch vervuld wordt, hoe gering,

Die in mijn boezem op komt wellen,

Maar ik, vol angst en foltering,

Met duizend zorgen mij moet kwellen.

Ja, ook nog in het nachtlijk uur,

Als ’k op mijn sponde me uit ga strekken,

Dan zullen, zonder rust of duur,

Mij wilde droomen telkens wekken.

De god, die in mijn boezem woont,

Kan wel mijn ziel in oproer brengen,

Maar Hij, die boven starren troont,

Hij kan geen laafdronk voor mij plengen.

Zoo is het leven mij een last;[46]

O, wierd ik door den dood verrast!

MEPHISTOPHELES.Toch is de dood geen aangename gast.

MEPHISTOPHELES.

Toch is de dood geen aangename gast.

FAUST.Gelukkig wie, na roemvol streven,Den heldendood op ’t slagveld vindt,Of, na een kort, maar zalig leven,In d’arm van haar, die hij bemint!O, ware ik, door de hooge krachtVerrukt, al stervend neêrgezonken!

FAUST.

Gelukkig wie, na roemvol streven,

Den heldendood op ’t slagveld vindt,

Of, na een kort, maar zalig leven,

In d’arm van haar, die hij bemint!

O, ware ik, door de hooge kracht

Verrukt, al stervend neêrgezonken!

MEPHISTOPHELES.En toch heeft zeker iemand in dien nachtHet bruine vocht niet uitgedronken.

MEPHISTOPHELES.

En toch heeft zeker iemand in dien nacht

Het bruine vocht niet uitgedronken.

FAUST.Het spionneeren is, naar ’t schijnt, uw lust.

FAUST.

Het spionneeren is, naar ’t schijnt, uw lust.

MEPHISTOPHELES.Alwetend ben ik niet; toch is mij veel bewust.

MEPHISTOPHELES.

Alwetend ben ik niet; toch is mij veel bewust.

FAUST.Wanneer uit sombre mijmeringenEen zoete toon mij somtijds wekt,Die uit mijn vroege erinneringenIn me opdoemt en mijne aandacht trektDan vloek ik alles, wat ons harteMet waan en goochelarij omspant,En in dit hol van ramp en smarteOns door zijn vleijerijen bant.Vloek zij vooreerst het hoog gevoelen,Waarmeê de geest zichzelv’ omringt,’t Verblindingswerk van heilbedoelen,Dat zich aan onze zinnen dringt![47]Vloek wat een droom ons voor kan liegenVan roem en eer, van gunst en lof,—Wat als bezit ons kan bedriegen,Als vrouw en kind, als huis en hof!Vloek zij de Mammon, die ons streelde,Door schatten onze daden stut,Of na een dag van lust en weeldeDe zachte peluw voor ons schudt!Vloek zij des wijnstoks zinverdooven!Vloek liefde, die ons hart vervult!Vloek zij de hoop, vloek zij ’t gelooven,Maar vloek zij bovenal ’t geduld!

FAUST.

Wanneer uit sombre mijmeringen

Een zoete toon mij somtijds wekt,

Die uit mijn vroege erinneringen

In me opdoemt en mijne aandacht trekt

Dan vloek ik alles, wat ons harte

Met waan en goochelarij omspant,

En in dit hol van ramp en smarte

Ons door zijn vleijerijen bant.

Vloek zij vooreerst het hoog gevoelen,

Waarmeê de geest zichzelv’ omringt,

’t Verblindingswerk van heilbedoelen,

Dat zich aan onze zinnen dringt![47]

Vloek wat een droom ons voor kan liegen

Van roem en eer, van gunst en lof,—

Wat als bezit ons kan bedriegen,

Als vrouw en kind, als huis en hof!

Vloek zij de Mammon, die ons streelde,

Door schatten onze daden stut,

Of na een dag van lust en weelde

De zachte peluw voor ons schudt!

Vloek zij des wijnstoks zinverdooven!

Vloek liefde, die ons hart vervult!

Vloek zij de hoop, vloek zij ’t gelooven,

Maar vloek zij bovenal ’t geduld!

GEESTEN,onzigtbaar.Wee! wee!Gij hebt haar verstoord,De schoone wereld,Die ieder bekoort!Zij valt—zinkt ineen!Een halfgod heeft haar verslagen!Wij dragenDe puin naar ’t onbekende heen,En klagenThans over ’t schoon, dat wij verloren.MagtigerLot zij haar beschoren;PrachtigerWorde zij herboren!Zij vervulle uwen boezem met hoop!Een nieuwen levensloopMoet gij thans beginnenMet heldere zinnen,Dan zult gij verwinnenWat anders u sloop’,

GEESTEN,onzigtbaar.

Wee! wee!Gij hebt haar verstoord,De schoone wereld,Die ieder bekoort!Zij valt—zinkt ineen!Een halfgod heeft haar verslagen!Wij dragenDe puin naar ’t onbekende heen,En klagenThans over ’t schoon, dat wij verloren.MagtigerLot zij haar beschoren;PrachtigerWorde zij herboren!Zij vervulle uwen boezem met hoop!Een nieuwen levensloopMoet gij thans beginnenMet heldere zinnen,Dan zult gij verwinnenWat anders u sloop’,

Wee! wee!

Gij hebt haar verstoord,

De schoone wereld,

Die ieder bekoort!

Zij valt—zinkt ineen!

Een halfgod heeft haar verslagen!

Wij dragen

De puin naar ’t onbekende heen,

En klagen

Thans over ’t schoon, dat wij verloren.

Magtiger

Lot zij haar beschoren;

Prachtiger

Worde zij herboren!

Zij vervulle uwen boezem met hoop!

Een nieuwen levensloop

Moet gij thans beginnen

Met heldere zinnen,

Dan zult gij verwinnen

Wat anders u sloop’,

[48]

MEPHISTOPHELES.Dit zijn mijne vrinden,Die mij komen vinden.Hoor hoe zij u radenTot vreugde en tot daden!In ’s werelds gewoel,Uit dezen jammerpoel,Ver van dit letterblokken,Willen zij u lokken.Houd op uw hartzeer toe te geven,Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:Voel dat ge een mensch met menschen zijt!Maar ’t is daarom mijn meening nietU bij ’t gemeen te doen verstikken.Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;Wilt gij nu onder mijn gebiedAan ’t werklijk leven u verkwikken,Dan kunt gij over mij beschikken.Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,Dan ben ik tot uw dienst terstond.Sla toe; ik meen ’t met u opregt;Ik ben uw dienaar en uw knecht.

MEPHISTOPHELES.

Dit zijn mijne vrinden,Die mij komen vinden.Hoor hoe zij u radenTot vreugde en tot daden!In ’s werelds gewoel,Uit dezen jammerpoel,Ver van dit letterblokken,Willen zij u lokken.

Dit zijn mijne vrinden,

Die mij komen vinden.

Hoor hoe zij u raden

Tot vreugde en tot daden!

In ’s werelds gewoel,

Uit dezen jammerpoel,

Ver van dit letterblokken,

Willen zij u lokken.

Houd op uw hartzeer toe te geven,Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:Voel dat ge een mensch met menschen zijt!Maar ’t is daarom mijn meening nietU bij ’t gemeen te doen verstikken.Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;Wilt gij nu onder mijn gebiedAan ’t werklijk leven u verkwikken,Dan kunt gij over mij beschikken.Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,Dan ben ik tot uw dienst terstond.Sla toe; ik meen ’t met u opregt;Ik ben uw dienaar en uw knecht.

Houd op uw hartzeer toe te geven,

Dat als een gier uw borst aan flarden rijt;

Gezelschap, hoe ’t ook zij, zal u doen leven:

Voel dat ge een mensch met menschen zijt!

Maar ’t is daarom mijn meening niet

U bij ’t gemeen te doen verstikken.

Ik ben eenvoudig, zoo ge ziet;

Wilt gij nu onder mijn gebied

Aan ’t werklijk leven u verkwikken,

Dan kunt gij over mij beschikken.

Zeg! Stemt ge toe in dit verbond,

Dan ben ik tot uw dienst terstond.

Sla toe; ik meen ’t met u opregt;

Ik ben uw dienaar en uw knecht.

FAUST.En waarmeê moet ik u daarvoor beloonen?

FAUST.

En waarmeê moet ik u daarvoor beloonen?

MEPHISTOPHELES.Dat later; nu daarover niet getwist!

MEPHISTOPHELES.

Dat later; nu daarover niet getwist!

FAUST.Neen, neen! De duivel is een egoïst,En zal om niet wel niemand dienst betoonen.Zeg mij uw meening duidelijk en klaar:[49]Zulk een bediende brengt het huis ligt in gevaar.

FAUST.

Neen, neen! De duivel is een egoïst,

En zal om niet wel niemand dienst betoonen.

Zeg mij uw meening duidelijk en klaar:[49]

Zulk een bediende brengt het huis ligt in gevaar.

MEPHISTOPHELES.Ik wil mijhiertot uwe dienst verbinden,Mij steeds op uw bevel en wenken spoên;Als wijdaargindselkander wedervinden,Zult gij voor mij het zelfde doen.

MEPHISTOPHELES.

Ik wil mijhiertot uwe dienst verbinden,

Mij steeds op uw bevel en wenken spoên;

Als wijdaargindselkander wedervinden,

Zult gij voor mij het zelfde doen.

FAUST.Om ’tgindszal ik mij niet bekommeren noch plagen:Hebt ge eenmaaldezewereld stukgeslagen,Laat dan eene andre ontstaan of niet!Deze aarde kent mijn vreugde en mijn verblijden;De zon beschijnt mijn rampen en mijn lijden:Als eenmaal aarde of zon me ontvliedt,Is ’t mij het zelfde wat geschiedt.Ik wil er verder niets van hooren,Of men ook ginder haat en mint,En of men bij de hemelkorenOok rang en stand en afkomst vindt.

FAUST.

Om ’tgindszal ik mij niet bekommeren noch plagen:

Hebt ge eenmaaldezewereld stukgeslagen,

Laat dan eene andre ontstaan of niet!

Deze aarde kent mijn vreugde en mijn verblijden;

De zon beschijnt mijn rampen en mijn lijden:

Als eenmaal aarde of zon me ontvliedt,

Is ’t mij het zelfde wat geschiedt.

Ik wil er verder niets van hooren,

Of men ook ginder haat en mint,

En of men bij de hemelkoren

Ook rang en stand en afkomst vindt.

MEPHISTOPHELES.Wel nu, dan kunt ge ’t veilig wagen:Verbind u, en ik zal in deze dagenMijn kunsten u te aanschouwen biên;Ik geef u wat geen mensch nog heeft gezien.

MEPHISTOPHELES.

Wel nu, dan kunt ge ’t veilig wagen:

Verbind u, en ik zal in deze dagen

Mijn kunsten u te aanschouwen biên;

Ik geef u wat geen mensch nog heeft gezien.

FAUST.Wat wilt gij, arme duivel, geven!Werd wel eens menschen geest, in ’t hooge streven,Door uws gelijken ooit begrepen zoo ’t behoort?Toch hebt gij spijze van de soort,Die niet verzadigt: goud, dat altijd voortGelijk kwikzilver in de hand vervliet,—Een lot, dat uitkomt met een niet;Een meisje, dat, aan mijne borst gezonken,[50]Alreeds mijn buurman toe gaat lonken;De ontembre drift naar roem en eer—Men staart er op, en ze is niet meer.Wijs mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,Of een leeuwin met meer dan twee paar welpen!

FAUST.

Wat wilt gij, arme duivel, geven!

Werd wel eens menschen geest, in ’t hooge streven,

Door uws gelijken ooit begrepen zoo ’t behoort?

Toch hebt gij spijze van de soort,

Die niet verzadigt: goud, dat altijd voort

Gelijk kwikzilver in de hand vervliet,—

Een lot, dat uitkomt met een niet;

Een meisje, dat, aan mijne borst gezonken,[50]

Alreeds mijn buurman toe gaat lonken;

De ontembre drift naar roem en eer—

Men staart er op, en ze is niet meer.

Wijs mij de vrucht, die rot eer men haar plukt,

Of een leeuwin met meer dan twee paar welpen!

MEPHISTOPHELES.Zulk een verlangen maakt mij niet bedrukt;Aan ’t een en ’t ander kan ’k u helpen.Maar, goede vriend, de tijd komt ook eens aan,Waarin wij ’t leven in zijn vreugde willen smaken.

MEPHISTOPHELES.

Zulk een verlangen maakt mij niet bedrukt;

Aan ’t een en ’t ander kan ’k u helpen.

Maar, goede vriend, de tijd komt ook eens aan,

Waarin wij ’t leven in zijn vreugde willen smaken.

FAUST.Begin ik immer naar gemak te haken,Dan zij ’t met mij terstond gedaan!Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—Kunt gij mij met genot bedriegen—Dan zij ’t voor mij de laatste dag!Dat zij gewed nu!

FAUST.

Begin ik immer naar gemak te haken,

Dan zij ’t met mij terstond gedaan!

Kunt gij mij vleijend ooit beliegen,

Dat ik mijzelv’ bevallen mag,—

Kunt gij mij met genot bedriegen—

Dan zij ’t voor mij de laatste dag!

Dat zij gewed nu!

MEPHISTOPHELES.Dat zij gewed nu!Top!

MEPHISTOPHELES.

Dat zij gewed nu!Top!

FAUST.Dat zij gewed nu! Top!En slag op slag!Als ’k ooit in zwijmel weg mag zinkenVoor ’t heden, dat mijn ziel bekoort,Dan moogt gij mij in boeijen klinken,Dan hebt gij me, en wat mij behoort.Dat dan de doodsklok voor mij schalle!Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij.Het uurwerk sta, de wijzer valle!Dan zij voor mij de tijd voorbij!

FAUST.

Dat zij gewed nu! Top!En slag op slag!

Als ’k ooit in zwijmel weg mag zinken

Voor ’t heden, dat mijn ziel bekoort,

Dan moogt gij mij in boeijen klinken,

Dan hebt gij me, en wat mij behoort.

Dat dan de doodsklok voor mij schalle!

Dan zijt ge van uw dienstwerk vrij.

Het uurwerk sta, de wijzer valle!

Dan zij voor mij de tijd voorbij!

[51]

MEPHISTOPHELES.Bedenk u wel; wij zullen ’t niet vergeten.

MEPHISTOPHELES.

Bedenk u wel; wij zullen ’t niet vergeten.

FAUST.Gij zijt daartoe volkomen in uw regt,En ’k heb mij niet al te onbedacht vermeten:Volhard ik dus, dan ben ik knecht—Van wien—dat wordt eerst later uitgelegd.

FAUST.

Gij zijt daartoe volkomen in uw regt,

En ’k heb mij niet al te onbedacht vermeten:

Volhard ik dus, dan ben ik knecht—

Van wien—dat wordt eerst later uitgelegd.

MEPHISTOPHELES.’k Zal reeds van daag, bij ’t doctoraal ontbijten,Als dienaar van mijn pligt mij kwijten;Ik doe mijn woord hierin gestand.Één ding nog slechts: bij leven of bij sterven,Verzoek ik een paar regels van uw hand.

MEPHISTOPHELES.

’k Zal reeds van daag, bij ’t doctoraal ontbijten,

Als dienaar van mijn pligt mij kwijten;

Ik doe mijn woord hierin gestand.

Één ding nog slechts: bij leven of bij sterven,

Verzoek ik een paar regels van uw hand.

FAUST.Ook zwart op wit verlangt gij nog, pedant?Moet gij het denkbeeld van een man van eer nog derven?Is ’t niet genoeg, dat mijn gesproken woordMij heilig is, en nimmer zal verzwinden?Zendt niet de wereld steeds haar stroomen voort,En mij zou een belofte binden?Maar deze waan schonk ons natuur tot gift;En gaarne wil men daarop bouwen.Wien reine trouw is in het hart gegrift,Geen offer zal hem ooit berouwen;Alleen een perkament, een goed gezegeld schrift,Dat is een spook, dat wij met vrees beschouwen.Het woord besterft reeds in de veder;Wij bukken onder was en leder.Wat wilt ge dus,—zeg, helgriffier!Erts, marmer, perkament, papier?Moet ik met griffel, pen of beitel schrijven?’k Geef u de keus voor alle drie.

FAUST.

Ook zwart op wit verlangt gij nog, pedant?

Moet gij het denkbeeld van een man van eer nog derven?

Is ’t niet genoeg, dat mijn gesproken woord

Mij heilig is, en nimmer zal verzwinden?

Zendt niet de wereld steeds haar stroomen voort,

En mij zou een belofte binden?

Maar deze waan schonk ons natuur tot gift;

En gaarne wil men daarop bouwen.

Wien reine trouw is in het hart gegrift,

Geen offer zal hem ooit berouwen;

Alleen een perkament, een goed gezegeld schrift,

Dat is een spook, dat wij met vrees beschouwen.

Het woord besterft reeds in de veder;

Wij bukken onder was en leder.

Wat wilt ge dus,—zeg, helgriffier!

Erts, marmer, perkament, papier?

Moet ik met griffel, pen of beitel schrijven?

’k Geef u de keus voor alle drie.

[52]

MEPHISTOPHELES.Wat draaft ge door! O Faust, ontzieU toch, de zaak zoo te overdrijven!Geloof mij, ieder blaadje is goed:Gij onderteekent met een dropje van uw bloed.

MEPHISTOPHELES.

Wat draaft ge door! O Faust, ontzie

U toch, de zaak zoo te overdrijven!

Geloof mij, ieder blaadje is goed:

Gij onderteekent met een dropje van uw bloed.

FAUST.Zoo dit het eenige is, wat u genoegen doet,Dan mag het bij die gekheid blijven.

FAUST.

Zoo dit het eenige is, wat u genoegen doet,

Dan mag het bij die gekheid blijven.

MEPHISTOPHELES.Bloed heeft een zeer bijzondre magt.

MEPHISTOPHELES.

Bloed heeft een zeer bijzondre magt.

FAUST.Wees maar niet bang, dat mij berouw zal plagen.Het streven toch van al mijn krachtIs wat ik aan u op wil dragen.Te hoog schatte ik mij inderdaàd;In uwen rang behoor ’k alleen.De Groote Geest heeft mij versmaad:Ik zocht natuur, doch vond er geen.Mijn denkkracht is vaneengereten;Ik walg reeds lang van al het weten.Kom, laten we in de zinlijkheidVoldoening voor ons streven zoeken!In ondoordringbre tooverdoekenZij ieder wonder straks bereid!Kom, werpen we ons in ’t aardsch gewoel;Dat zij ons trachten, dat ons doel!Daar mag dan smart, daar mag genot,Daar mag erkenning, daar mag spot,Afwisselen zoo veel het kan:Slechts rustloos werkzaam zij de man!

FAUST.

Wees maar niet bang, dat mij berouw zal plagen.

Het streven toch van al mijn kracht

Is wat ik aan u op wil dragen.

Te hoog schatte ik mij inderdaàd;

In uwen rang behoor ’k alleen.

De Groote Geest heeft mij versmaad:

Ik zocht natuur, doch vond er geen.

Mijn denkkracht is vaneengereten;

Ik walg reeds lang van al het weten.

Kom, laten we in de zinlijkheid

Voldoening voor ons streven zoeken!

In ondoordringbre tooverdoeken

Zij ieder wonder straks bereid!

Kom, werpen we ons in ’t aardsch gewoel;

Dat zij ons trachten, dat ons doel!

Daar mag dan smart, daar mag genot,

Daar mag erkenning, daar mag spot,

Afwisselen zoo veel het kan:

Slechts rustloos werkzaam zij de man!

[53]

MEPHISTOPHELES.Weet dat ik paal noch perk u stel;Geniet waar gij genot kunt vinden;Laat u door schroom noch zorgen binden:Wat u bevalt, bekome u wel!Zie overal wat op te vangen.

MEPHISTOPHELES.

Weet dat ik paal noch perk u stel;

Geniet waar gij genot kunt vinden;

Laat u door schroom noch zorgen binden:

Wat u bevalt, bekome u wel!

Zie overal wat op te vangen.

FAUST.Gij weet, geen vreugde is mijn verlangen.Ik wijd me aan wat vergald genot mij biedt,Verliefden haat, verkwikkend zielsverdriet.Mijn boezem, nu van wetenslust genezen,Zal voor de smart voortaan óók vatbaar wezen,En ’t heil, dat voor een ander open staat,Wil ’k ook genieten, mij ten baat.Ik wil mijn geest aan hoog en laag verzaden,Hun lief en leed op mijnen schedel laden,Om dus mijzelv’ zoo veel ’t kan uit te zetten,En in dien roes ten laatste te verpletten.

FAUST.

Gij weet, geen vreugde is mijn verlangen.

Ik wijd me aan wat vergald genot mij biedt,

Verliefden haat, verkwikkend zielsverdriet.

Mijn boezem, nu van wetenslust genezen,

Zal voor de smart voortaan óók vatbaar wezen,

En ’t heil, dat voor een ander open staat,

Wil ’k ook genieten, mij ten baat.

Ik wil mijn geest aan hoog en laag verzaden,

Hun lief en leed op mijnen schedel laden,

Om dus mijzelv’ zoo veel ’t kan uit te zetten,

En in dien roes ten laatste te verpletten.

MEPHISTOPHELES.Geloof toch mij, die vele duizend jarenAan deze harde spijs reeds kaauwt,Dat levenslang—ik kan het u verklaren—Den mensch dit zuurdeeg steeds benaauwt.’t Heelal, gij moogt het vrij gelooven,Is voor een God alleen gemaakt;Hij woont en heerscht ineeuwgen glansdaarboven,En wij zijn in deduisternisgeraakt:Nu zijt gij de eenge, die naarbeidehaakt.

MEPHISTOPHELES.

Geloof toch mij, die vele duizend jaren

Aan deze harde spijs reeds kaauwt,

Dat levenslang—ik kan het u verklaren—

Den mensch dit zuurdeeg steeds benaauwt.

’t Heelal, gij moogt het vrij gelooven,

Is voor een God alleen gemaakt;

Hij woont en heerscht ineeuwgen glansdaarboven,

En wij zijn in deduisternisgeraakt:

Nu zijt gij de eenge, die naarbeidehaakt.

FAUST.Maar ’k wil!

FAUST.

Maar ’k wil!

MEPHISTOPHELES.Maar ’k wil!Ik ben een vriend van daden;[54]Doch slechts voor één ding ben ik bang:De tijd is kort, de kunst is lang.Mij dunkt, gij moest u laten raden.Verbind u met een dichter, arm als Job:Die voere zijn verbeelding dan ten top,En hoope dan wat goed is, schoon en edel,Door u betaald, u op den schedel.Der leeuwen moed,De snelheid van de hinde,Der Italianen vurig bloed,En wat men verder vinde.Laat hij u ook ’t geheim verklarenOm grootheid met arglistigheid te paren,En u dan met de drift der jeugdTe wijden aan de minnevreugd.’k Geloof zelfs zulk een heer te weten,En zal hem Mikrokosmus heeten.

MEPHISTOPHELES.

Maar ’k wil!Ik ben een vriend van daden;[54]

Doch slechts voor één ding ben ik bang:

De tijd is kort, de kunst is lang.

Mij dunkt, gij moest u laten raden.

Verbind u met een dichter, arm als Job:

Die voere zijn verbeelding dan ten top,

En hoope dan wat goed is, schoon en edel,

Door u betaald, u op den schedel.

Der leeuwen moed,

De snelheid van de hinde,

Der Italianen vurig bloed,

En wat men verder vinde.

Laat hij u ook ’t geheim verklaren

Om grootheid met arglistigheid te paren,

En u dan met de drift der jeugd

Te wijden aan de minnevreugd.

’k Geloof zelfs zulk een heer te weten,

En zal hem Mikrokosmus heeten.

FAUST.Wat zou ik zijn, indien ’t niet mooglijk waar’Mij meester van de kroon te maken,Waarnaar toch alle zinnen haken?

FAUST.

Wat zou ik zijn, indien ’t niet mooglijk waar’

Mij meester van de kroon te maken,

Waarnaar toch alle zinnen haken?

MEPHISTOPHELES.Gij zijt een regte sukkelaar.Zet u een pruik op met millioenen lokken,Uit haar van geiten of van bokken:Gij zijt en blijft onhandelbaar.

MEPHISTOPHELES.

Gij zijt een regte sukkelaar.

Zet u een pruik op met millioenen lokken,

Uit haar van geiten of van bokken:

Gij zijt en blijft onhandelbaar.

FAUST.’k Gevoel het. Vruchtloos heb ik alle schattenVan ’t menschlijk brein bijeenvergaard,En zie, hoe ’k met gepeins me ook af moog’ matten,Geen nieuwe kracht, die zich in me openbaart;Ik ben met al mijn tobben, droomenGeen haarbreed verder nog gekomen.

FAUST.

’k Gevoel het. Vruchtloos heb ik alle schatten

Van ’t menschlijk brein bijeenvergaard,

En zie, hoe ’k met gepeins me ook af moog’ matten,

Geen nieuwe kracht, die zich in me openbaart;

Ik ben met al mijn tobben, droomen

Geen haarbreed verder nog gekomen.

[55]

MEPHISTOPHELES.Mijn goede heer, gij ziet de zakenZoo in, als dat altijd geschiedt:Wij moeten dat heel anders makenVóór ons des levens vreugde ontvliedt.Wat drommel! Zeker, hand en voetenEn al de rest behooren u;Maar wat mij ’t leven kan verzoeten,Behoort dat ook mij niet? Wel nu!Als ik zes hengsten kan betalen,Mag ik daarmede dan niet pralen?Ik span ze voor, en rij daarhenen,Als had ik vier-en-twintig beenen.Weg fratsen dus! Maak een begin,En frisch met mij de wereld in!Geloof me, een man, die nimmer zich ontspant,Is als een dier op dorre heide,Dat door een boozen geest wordt rondgevoerd in ’t zand,En daaromheen ziet men een schoone weide.

MEPHISTOPHELES.

Mijn goede heer, gij ziet de zaken

Zoo in, als dat altijd geschiedt:

Wij moeten dat heel anders maken

Vóór ons des levens vreugde ontvliedt.

Wat drommel! Zeker, hand en voeten

En al de rest behooren u;

Maar wat mij ’t leven kan verzoeten,

Behoort dat ook mij niet? Wel nu!

Als ik zes hengsten kan betalen,

Mag ik daarmede dan niet pralen?

Ik span ze voor, en rij daarhenen,

Als had ik vier-en-twintig beenen.

Weg fratsen dus! Maak een begin,

En frisch met mij de wereld in!

Geloof me, een man, die nimmer zich ontspant,

Is als een dier op dorre heide,

Dat door een boozen geest wordt rondgevoerd in ’t zand,

En daaromheen ziet men een schoone weide.

FAUST.Hoe vangen wij dat aan?

FAUST.

Hoe vangen wij dat aan?

MEPHISTOPHELES.Hoe vangen wij dat aan?Wij gaan er nu naar toe.Wat is dit voor een akelig gedoe!Waartoe den kluisnaar hier te spelen,U en de jongens te vervelen?Gun dat maar aan een pruikenbent!Waartoe nog langer onzin uit te leggen?Het beste, wat gij weet en kent,Moogt gij uw jongens toch niet zeggen.Ik hoor al een daar in den gang.

MEPHISTOPHELES.

Hoe vangen wij dat aan?Wij gaan er nu naar toe.

Wat is dit voor een akelig gedoe!

Waartoe den kluisnaar hier te spelen,

U en de jongens te vervelen?

Gun dat maar aan een pruikenbent!

Waartoe nog langer onzin uit te leggen?

Het beste, wat gij weet en kent,

Moogt gij uw jongens toch niet zeggen.

Ik hoor al een daar in den gang.

FAUST.Hij moet zijn leerlust maar wat rekken.

FAUST.

Hij moet zijn leerlust maar wat rekken.

[56]

MEPHISTOPHELES.Die arme jongen wacht reeds lang;Hij mag niet ongetroost vertrekken.Kom! Geef me uw toga en uw muts;Dat masker zal mij goed bedekken.

MEPHISTOPHELES.

Die arme jongen wacht reeds lang;

Hij mag niet ongetroost vertrekken.

Kom! Geef me uw toga en uw muts;

Dat masker zal mij goed bedekken.

Hij verkleedt zich.

Zie zoo, mijn vriend! Vertrek nu flus.Een klein kwartiertje slechts, dan kunt gij wederkeeren;Steek u intusschen als een jonker in de kleêren.

Zie zoo, mijn vriend! Vertrek nu flus.

Een klein kwartiertje slechts, dan kunt gij wederkeeren;

Steek u intusschen als een jonker in de kleêren.

Faust vertrekt.

MEPHISTOPHELES,in de kleeding van Faust.Dat gij maar geest en wetenschap veracht,Des menschen allerhoogste kracht,—Laat maar in blind- en tooverwerkenU door den logengeest versterken—Dan heb ik u volkomen in mijn magt.Hem heeft Natuur een geest gegeven,Die rustloos voortdrong dag aan dag,En wiens al te ongebreideld strevenGeen aardsche vreugde kende of zag:Dien sleep ik door het wilde leven,Door plat- en onbeduidendheid;Ik laat hem spartlen, gapen, kleven,En in zijne onverzaadlijkheidZal spijs en drank voor gierge lippen zweven,Maar lafenis is hem ontzegd;En ook al had hij zich niet mij ten prooi gegeven,Toch kwam niets goeds van hem te regt.

MEPHISTOPHELES,in de kleeding van Faust.

Dat gij maar geest en wetenschap veracht,

Des menschen allerhoogste kracht,—

Laat maar in blind- en tooverwerken

U door den logengeest versterken—

Dan heb ik u volkomen in mijn magt.

Hem heeft Natuur een geest gegeven,

Die rustloos voortdrong dag aan dag,

En wiens al te ongebreideld streven

Geen aardsche vreugde kende of zag:

Dien sleep ik door het wilde leven,

Door plat- en onbeduidendheid;

Ik laat hem spartlen, gapen, kleven,

En in zijne onverzaadlijkheid

Zal spijs en drank voor gierge lippen zweven,

Maar lafenis is hem ontzegd;

En ook al had hij zich niet mij ten prooi gegeven,

Toch kwam niets goeds van hem te regt.

EEN LEERLING,binnentredende.Ik ben hier nog maar kort, mijnheer!En kom met al ’t betoon van eer,Om zelf een man te kennen en te roemen,Wiens naam wij slechts met eerbied noemen.

EEN LEERLING,binnentredende.

Ik ben hier nog maar kort, mijnheer!

En kom met al ’t betoon van eer,

Om zelf een man te kennen en te roemen,

Wiens naam wij slechts met eerbied noemen.

[57]

MEPHISTOPHELES.Uw goede dunk verblijdt mij zeer.Gij ziet een man als andren meer.Hebt gij reeds elders school gegaan?

MEPHISTOPHELES.

Uw goede dunk verblijdt mij zeer.

Gij ziet een man als andren meer.

Hebt gij reeds elders school gegaan?

LEERLING.Ik bid u, neem u mijner aan!Ik kom bij u met goeden moed,Met eenig geld en jeugdig bloed.Mijn moeder liet me ongaarn vertrekken;Wil gij tot leeraar mij verstrekken!

LEERLING.

Ik bid u, neem u mijner aan!

Ik kom bij u met goeden moed,

Met eenig geld en jeugdig bloed.

Mijn moeder liet me ongaarn vertrekken;

Wil gij tot leeraar mij verstrekken!

MEPHISTOPHELES.Tot leeren zijt gij hier te regt.

MEPHISTOPHELES.

Tot leeren zijt gij hier te regt.

LEERLING.En toch bevalt het mij hier slecht;Hier, tusschen deze sombre wanden,Raakt heel mijn denkenskracht aan banden.Ik voel mij afgemat en loom;Men aâmt geen lucht hier, ziet geen boom;Ver van aandachtig aan te hooren,Is ’t meeste voor mij wis verloren.

LEERLING.

En toch bevalt het mij hier slecht;

Hier, tusschen deze sombre wanden,

Raakt heel mijn denkenskracht aan banden.

Ik voel mij afgemat en loom;

Men aâmt geen lucht hier, ziet geen boom;

Ver van aandachtig aan te hooren,

Is ’t meeste voor mij wis verloren.

MEPHISTOPHELES.Veel is gewoonte, en dat met grond.Het is daarmede als met een kind:’t Neemt niet de moederborst terstond,Waaraan ’t welras zijn laafnis vindt.Wilt ge u dus aan de wijsheid laven,Hier zijt gij in de regte haven.

MEPHISTOPHELES.

Veel is gewoonte, en dat met grond.

Het is daarmede als met een kind:

’t Neemt niet de moederborst terstond,

Waaraan ’t welras zijn laafnis vindt.

Wilt ge u dus aan de wijsheid laven,

Hier zijt gij in de regte haven.

LEERLING.’k Wil gaarne aan uwe lippen hangen;Doch zeg mij, hoe ik ’t aan moet vangen!

LEERLING.

’k Wil gaarne aan uwe lippen hangen;

Doch zeg mij, hoe ik ’t aan moet vangen!

[58]

MEPHISTOPHELES.Geef me eerst op ééne zaak bescheid:Wat kiest gij voor een faculteit?

MEPHISTOPHELES.

Geef me eerst op ééne zaak bescheid:

Wat kiest gij voor een faculteit?

LEERLING.Ik tracht naar wijsheid en haar schatten,En wenschte gaarne ’t al te omvatten:Het wereldruim en zijn bestuur,De wetenschap en de natuur.

LEERLING.

Ik tracht naar wijsheid en haar schatten,

En wenschte gaarne ’t al te omvatten:

Het wereldruim en zijn bestuur,

De wetenschap en de natuur.

MEPHISTOPHELES.Dan zijt gij op het regte spoor;Maar heb vooral een luistrend oor!

MEPHISTOPHELES.

Dan zijt gij op het regte spoor;

Maar heb vooral een luistrend oor!

LEERLING.Ik ben er bij met ziel en lijf;Maar wat mij toch wel zou behagen,Is vrijheid en wat tijdverdrijfDes zomers met vacantiedagen.

LEERLING.

Ik ben er bij met ziel en lijf;

Maar wat mij toch wel zou behagen,

Is vrijheid en wat tijdverdrijf

Des zomers met vacantiedagen.

MEPHISTOPHELES.Gebruik den tijd, die ras vervliet;Doch orde leert veel tijd u winnen:Ik raad u, vriend, verzuim dus nietMet Logica uw lessen te beginnen.Dan wordt uw geest behoorlijk gedresseerd,In Spaansche laarzen ingeregen,En door u de voorzigtigheid verkregen,Die uw gedachtenloop regeert,Zoo dat ge niet, nu hier, dan daar,Rondhaspelt als een broddelaar.Dan leert men u ook, wat geschiê,Om deze of gene zaak te ontvouwen,Terwijl ge er anders, een, twee, drie,Maar op zoudt hebben ingehouwen.[59]Toch is ’t met der gedachten veldAls met een weefgetouw gesteld:Daar gaan de draden op en neder;De schietspoel glijdt al heen en weder;Al de eersten door een enklen tred,Terwijl de laatste op ’t weefsel let.Zoo komt de wijsgeer, als ge alleen zit,Bewijst u, dat het zoo ineen zit:Eerst was het zoo, en toen weêr zus;Toen werd zoo weêr, toen weêr dus,En wanneer een en twee ontbraken,Zou drie noch vier ’t geheel volmaken.Dit wijzen ze aan op rekenborden;Maar wevers zijn zij niet geworden.Wie iets, dat leeft, wil kennen en beschrijven,Zoeke eerst den geest er uit te drijven:Dan heeft hij al de stukken in zijn hand;Alleen ontbreekt de geest hem en ’t verband.Dit heet nu Logica bij lieden van het vak,Maar zelf toch vinden zij het larie slechts en lak.

MEPHISTOPHELES.

Gebruik den tijd, die ras vervliet;

Doch orde leert veel tijd u winnen:

Ik raad u, vriend, verzuim dus niet

Met Logica uw lessen te beginnen.

Dan wordt uw geest behoorlijk gedresseerd,

In Spaansche laarzen ingeregen,

En door u de voorzigtigheid verkregen,

Die uw gedachtenloop regeert,

Zoo dat ge niet, nu hier, dan daar,

Rondhaspelt als een broddelaar.

Dan leert men u ook, wat geschiê,

Om deze of gene zaak te ontvouwen,

Terwijl ge er anders, een, twee, drie,

Maar op zoudt hebben ingehouwen.[59]

Toch is ’t met der gedachten veld

Als met een weefgetouw gesteld:

Daar gaan de draden op en neder;

De schietspoel glijdt al heen en weder;

Al de eersten door een enklen tred,

Terwijl de laatste op ’t weefsel let.

Zoo komt de wijsgeer, als ge alleen zit,

Bewijst u, dat het zoo ineen zit:

Eerst was het zoo, en toen weêr zus;

Toen werd zoo weêr, toen weêr dus,

En wanneer een en twee ontbraken,

Zou drie noch vier ’t geheel volmaken.

Dit wijzen ze aan op rekenborden;

Maar wevers zijn zij niet geworden.

Wie iets, dat leeft, wil kennen en beschrijven,

Zoeke eerst den geest er uit te drijven:

Dan heeft hij al de stukken in zijn hand;

Alleen ontbreekt de geest hem en ’t verband.

Dit heet nu Logica bij lieden van het vak,

Maar zelf toch vinden zij het larie slechts en lak.

LEERLING.Ik kan u niet te best verstaan.

LEERLING.

Ik kan u niet te best verstaan.

MEPHISTOPHELES.Dat zal, mijn vriend, wel beter gaan,Wanneer gij zijt aan ’t reduceerenEn aan het goed classificeeren.

MEPHISTOPHELES.

Dat zal, mijn vriend, wel beter gaan,

Wanneer gij zijt aan ’t reduceeren

En aan het goed classificeeren.

LEERLING.’k Word van dat al zoo warlig en verdoofd,Alsof een molenrad mij ronddraaide in het hoofd.

LEERLING.

’k Word van dat al zoo warlig en verdoofd,

Alsof een molenrad mij ronddraaide in het hoofd.

MEPHISTOPHELES.Voorts, vriendlief, op de LogicaVolgt nu de Metaphysica.[60]Dan leert ge duidlijk, wat niet pastIn ’s menschen brein of hersenkast;Hetgeen daar al of niet behoort,Betoogt ge met een prachtig woord.Doch neem in ’t eerste halve jaarToch alle mooglijke orde waar:Vijf uren hebt gij elken dag;Wees binnen met der klokken slag.Heb u eerst goed geprepareerd,Paragraphos wel bestudeerd,Opdat men u niet voor de broek slaat,Wanneer ge iets zegt, dat niet in ’t boek staat,Maar zorg dat ge altijd schrijft en leest,Als dicteerde u de Heiige Geest.

MEPHISTOPHELES.

Voorts, vriendlief, op de Logica

Volgt nu de Metaphysica.[60]

Dan leert ge duidlijk, wat niet past

In ’s menschen brein of hersenkast;

Hetgeen daar al of niet behoort,

Betoogt ge met een prachtig woord.

Doch neem in ’t eerste halve jaar

Toch alle mooglijke orde waar:

Vijf uren hebt gij elken dag;

Wees binnen met der klokken slag.

Heb u eerst goed geprepareerd,

Paragraphos wel bestudeerd,

Opdat men u niet voor de broek slaat,

Wanneer ge iets zegt, dat niet in ’t boek staat,

Maar zorg dat ge altijd schrijft en leest,

Als dicteerde u de Heiige Geest.

LEERLING.Dat alles kan mij regt behagen:Ik ben een vriend van zwart op wit;Want als men eenmaal dit bezit,Kan men ’t getroost naar huis toe dragen.

LEERLING.

Dat alles kan mij regt behagen:

Ik ben een vriend van zwart op wit;

Want als men eenmaal dit bezit,

Kan men ’t getroost naar huis toe dragen.

MEPHISTOPHELES.Maar noem mij nu uw keus; want dat is hier de zaak!

MEPHISTOPHELES.

Maar noem mij nu uw keus; want dat is hier de zaak!

LEERLING.De regtsgeleerdheid valt niet in mijn smaak.

LEERLING.

De regtsgeleerdheid valt niet in mijn smaak.

MEPHISTOPHELES.Ik kan ’t u niet ten kwade reeknen,Daar ’k weet wat regt en wet beteeknen:Die leer plant zich, van oord tot oord,Gelijk een eeuwge smetkoorts voort;De zonen erven haar van de ouders over,En denken dat het zoo behoort.Een vriend des menschdoms wordt bij hen een roover;Verstand wordt onzin; weldaad, moord.[61]Spreekt men van ’t regt, dat ons is aangeboren,Dan praat men voor der dooven ooren.

MEPHISTOPHELES.

Ik kan ’t u niet ten kwade reeknen,

Daar ’k weet wat regt en wet beteeknen:

Die leer plant zich, van oord tot oord,

Gelijk een eeuwge smetkoorts voort;

De zonen erven haar van de ouders over,

En denken dat het zoo behoort.

Een vriend des menschdoms wordt bij hen een roover;

Verstand wordt onzin; weldaad, moord.[61]

Spreekt men van ’t regt, dat ons is aangeboren,

Dan praat men voor der dooven ooren.

LEERLING.Mijn afkeer van dit vak wordt thans door u vermeerd;Gelukkig hij, dien gij dus leert!Maar nu theologie—daar zou ’k mij wel in vinden.

LEERLING.

Mijn afkeer van dit vak wordt thans door u vermeerd;

Gelukkig hij, dien gij dus leert!

Maar nu theologie—daar zou ’k mij wel in vinden.

MEPHISTOPHELES.’k Wil om de zaak geen doekjes winden.Als gij hier alles wikt en schift,Dan valt het moeilijk den verkeerden weg te mijden.Dees wetenschap heeft veel geheim vergift;Die zich haar wijdt, is geenszins te benijden.Het beste is hier ook, dat u één slechts leert,En gij bij ’s meesters woorden zweert.In ’t kort, wil slechts tot woorden u bepalen,Dan gaat gij veilig, ’t kan niet falen,Den tempel der gewisheid in.

MEPHISTOPHELES.

’k Wil om de zaak geen doekjes winden.

Als gij hier alles wikt en schift,

Dan valt het moeilijk den verkeerden weg te mijden.

Dees wetenschap heeft veel geheim vergift;

Die zich haar wijdt, is geenszins te benijden.

Het beste is hier ook, dat u één slechts leert,

En gij bij ’s meesters woorden zweert.

In ’t kort, wil slechts tot woorden u bepalen,

Dan gaat gij veilig, ’t kan niet falen,

Den tempel der gewisheid in.

LEERLING.Maar woorden eischen toch een zin.

LEERLING.

Maar woorden eischen toch een zin.

MEPHISTOPHELES.Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken;Want waar begrip en zin ontbreken,Daar valt het woord ons in te regter tijd.Een bol is ’t, die met woorden strijdt;Met woorden kan men alle haren kloven;Aan woorden laat zich ’t best gelooven;Geen jota kan men van een woord ontrooven.

MEPHISTOPHELES.

Heel goed; maar daarom niet van angst bezweken;

Want waar begrip en zin ontbreken,

Daar valt het woord ons in te regter tijd.

Een bol is ’t, die met woorden strijdt;

Met woorden kan men alle haren kloven;

Aan woorden laat zich ’t best gelooven;

Geen jota kan men van een woord ontrooven.

LEERLING.Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen,Maar ’k moet toch nog van iets gewagen,’k Zag gaarne nog door u vermeld,[62]Hoe ’t met geneeskunst is gesteld.Een korte tijd toch is drie jaren,En ’t veld is naauwlijks af te staren;Dus, als ik maar een wenk ontvang,Dan heb ik al wat ik verlang.

LEERLING.

Vergeef me; ik hou u op met al dat vragen,

Maar ’k moet toch nog van iets gewagen,

’k Zag gaarne nog door u vermeld,[62]

Hoe ’t met geneeskunst is gesteld.

Een korte tijd toch is drie jaren,

En ’t veld is naauwlijks af te staren;

Dus, als ik maar een wenk ontvang,

Dan heb ik al wat ik verlang.

MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.Die drooge toon begint mij te vervelen;’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.

MEPHISTOPHELES,bij zichzelven.

Die drooge toon begint mij te vervelen;

’k Moet maar eens weêr voor duivel spelen.

Overluid.

Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt:Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen:Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijenZoo ’t God behaagt.’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt:Een ieder leert slechts wat hij leeren kan;Hij echter, die slechts durft en waagt,Dat is de regte man.Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt,En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden:Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt,Zal zich al ’t andere wel redden.Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen—Der vrouwen gunst te winnen.Nu scheelt haar dit, dan weder dat;Zij weten zelf niet hoe of wat.Geeft gij wat toe aan ieders luim,Dan hebt gij ze onder uwen duim.Eerst moet gij u haar kenbaar maken,Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat;Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken,Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt.Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen;Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen,Te weten bij ervarenis,Of zij wel goed geregen is.

Geneeskunde? O, ’t is goed dat gij dat vraagt:

Dat veld is maklijk te bezaaijen en te maaijen:

Gij bestudeert den mensch, en laat het verder waaijen

Zoo ’t God behaagt.

’t Is vruchtloos dat ge u wetenschaplijk plaagt:

Een ieder leert slechts wat hij leeren kan;

Hij echter, die slechts durft en waagt,

Dat is de regte man.

Gij zijt heel flink, als men u zoo beschouwt,

En dat gij durft, wil ’k ook wel wedden:

Als ge eerst nu maar uzelv’ vertrouwt,

Zal zich al ’t andere wel redden.

Tracht bovenal—hiermeê moet gij beginnen—

Der vrouwen gunst te winnen.

Nu scheelt haar dit, dan weder dat;

Zij weten zelf niet hoe of wat.

Geeft gij wat toe aan ieders luim,

Dan hebt gij ze onder uwen duim.

Eerst moet gij u haar kenbaar maken,

Dat uwe kunst veel kunsten achterlaat;

Dan vraagt gij haar naar deze en gene zaken,

Waarbij een ander zich veel jaren lang beraadt.

Voel haar den pols, en zie haar schalksch in de oogen;

Vat haar om ’t midden dan, om, met haar leed bewogen,

Te weten bij ervarenis,

Of zij wel goed geregen is.

[63]

LEERLING.Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.

LEERLING.

Dat lijkt mij beter, naar ’k voorzie.

MEPHISTOPHELES.Dor, vriend, is alle theorie,En groen de vruchtbre levensboom.

MEPHISTOPHELES.

Dor, vriend, is alle theorie,

En groen de vruchtbre levensboom.

LEERLING.Het is mij alles als een droom.Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren—Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?

LEERLING.

Het is mij alles als een droom.

Zou ik een andren keer—’k word als op nieuw herboren—

Van uwe wijsheid niet wat meer nog mogen hooren?

MEPHISTOPHELES.Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.

MEPHISTOPHELES.

Wat ik vermag, zij gaarn gedaan.

LEERLING.Ik kan onmooglijk nu reeds gaan.Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven,Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.

LEERLING.

Ik kan onmooglijk nu reeds gaan.

Zie hier mijn album; ’k zal nog even blijven,

Opdat ge een spreuk daarin zoudt kunnen schrijven.

MEPHISTOPHELESschrijft iets in het album, en geeft het terug.

LEERLINGleest.Eritis sicut Deus, scientes bonum et malum.1

LEERLINGleest.

Eritis sicut Deus, scientes bonum et malum.1

Hij slaat het boek vol eerbied toe, buigt zich, en vertrekt.

MEPHISTOPHELES.Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang,Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.

MEPHISTOPHELES.

Volg gij maar de oude spreuk en mijne nicht de slang,

Dan wordt ge eens zeker voor uw Godgelijkheid bang.

FAUSTtreedt in eene modekleeding binnen.Waar gaan wij nu naar toe?

FAUSTtreedt in eene modekleeding binnen.

Waar gaan wij nu naar toe?

[64]

MEPHISTOPHELES.Waar gaan wij nu naar toe?Waarheen gij zelf maar wilt.Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt.Veel zult ge bij dit alles leeren,En tevens regt u diverteeren.

MEPHISTOPHELES.

Waar gaan wij nu naar toe?Waarheen gij zelf maar wilt.

Wij zien de wereld, en hoe ’t groot van ’t klein verschilt.

Veel zult ge bij dit alles leeren,

En tevens regt u diverteeren.

FAUST.Maar bij al ’t geen ’k als doctor weetOntbreekt mij wat men “wereld” heet.’t Loopt met de proeve vast abuis;’k Was nimmer in de wereld thuis.Ik voel vooraf reeds angst en vreezen;’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.

FAUST.

Maar bij al ’t geen ’k als doctor weet

Ontbreekt mij wat men “wereld” heet.

’t Loopt met de proeve vast abuis;

’k Was nimmer in de wereld thuis.

Ik voel vooraf reeds angst en vreezen;

’k Zal met mijzelv’ verlegen wezen.

MEPHISTOPHELES.Mijn vriend, waartoe die valsche waan?Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.

MEPHISTOPHELES.

Mijn vriend, waartoe die valsche waan?

Steun op uzelv’, en ’t zal wel gaan.

FAUST.Maar wat brengt ons naar noord of zuid?Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?

FAUST.

Maar wat brengt ons naar noord of zuid?

Waar hebt gij paarden, knecht en wagen?

MEPHISTOPHELES.Wij spreiden slechts den mantel uit;Die zal ons door het luchtruim dragen.Doch neem bij deze stoute schredeVooral niet veel bagage mede:Wat vuurlucht, dat ik zelf berei,Helpt ons van de aarde, ons allebei;En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan.Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan!

MEPHISTOPHELES.

Wij spreiden slechts den mantel uit;

Die zal ons door het luchtruim dragen.

Doch neem bij deze stoute schrede

Vooral niet veel bagage mede:

Wat vuurlucht, dat ik zelf berei,

Helpt ons van de aarde, ons allebei;

En zijn wij ligt, dan zal het schielijk gaan.

Veel heil nu op uw nieuwe levensbaan!

[65]

1“Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b,volgens deVulgataof Latijnsche vertaling.Vert.↑

1“Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b,volgens deVulgataof Latijnsche vertaling.Vert.↑

1“Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b,volgens deVulgataof Latijnsche vertaling.Vert.↑

1“Gij zult als God wezen, kennende goed en kwaad.” Het gezegde van de slang tot de vrouw, Gen. III: 5b,volgens deVulgataof Latijnsche vertaling.

Vert.↑

[Inhoud]Auerbach’s wijnkelder te Leipzig.EEN GEZELSCHAP VROLIJKE DRINKEBROÊRS.KIKKERT.Wil niemand drinken, niemand zingen?Dan zal ik u daar wel toe dwingen!Nu zit gij als versuft en lam,En anders zijt ge vuur en vlam.BRANDER.Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag,Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.KIKKERTwerpt hem een glas wijn in het gezigt.Daar hebt gij beide!BRANDER.Daar hebt gij beide!Vuile hond!KIKKERT.Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!SIEBEL.De deur uit wie niet zingt en drinktEn dadelijk met de andren klinkt!Hoezee! dat gaat u voor![66]ALTMEIJER.Hoezee! dat gaat u voor!O wee, ik ben verloren!Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!SIEBEL.Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas,Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.KIKKERT.Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt!Vifalderaldera!ALTMEIJER.Vifalderaldera!KIKKERT.Vifalderaldera!De kelen zijn gestemd.Zingt.Het lieve, heilge Roomsche rijk,Hoe blijft het nog zoo hangen!BRANDER.Een ander lied! Dank God maar ieder morgen,Dat gij niet hebt voor ’t Roomsche rijk te zorgen.’k Ben blij dat ik, zoo ’k gul beken,Noch kanselier noch keizer ben.Maar ’t moet ons aan geen opperhoofd ontbreken:Wij kiezen dus een paus of deken.Gij weet toch welk een rang hij heeft,Die in een zaak den uitslag geeft.KIKKERTzingt.Ontplooi uw vlerken, nachtegaal,En groet mijn liefje duizendmaal![67]SIEBEL.Weg met uw liefje en groet; ik wil daar niets van hooren.KIKKERT.Wilt gij dat niet? Wel nu, stop dan maar beide uw ooren.Zingt.Open, liefje! ’t Is nu nacht.Open, liefje! Uw minnaar wacht.Sluit nu, liefje, stil en zacht!SIEBEL.Ja, zing maar voort; zeg dat gij naar haar smacht:Hij lacht het best, die ’t laatste lacht.Zoo ’t mij eens ging, zal ’t u ook gaan.Tot minnaar wensch ik haar een baviaan:Dien moge zij haar gunsten schenken;Misschien is hij daarmeê vereerd.Een oude bok, die van den Bloksberg keert,Moge in galop nog goeden nacht haar wenken.Een brave kerel, van echt vleesch en bloed,Is voor die deerne veel te goed.’k Wil van geen andre groeten weten,Dan dat haar glazen wierden ingesmeten.BRANDER,op de tafel slaande.Pas op! Hoor wat ik u gebied!Bekend is, dat ik weet te leven,’t Ontbreekt hier aan verliefden niet,En dezen moet ik nu een liedTot een besluit ten beste geven.Geef acht! Een lied van nieuwe sneê,En zingt den laatsten regel meê.Zingt.Daar was een rat in ’t keldernest;[68]Zij hield veel van gepeuzel,En had zich dik en vet gemestMet boter, spek en reuzel.Vergift bragt eindelijk haar de meid:Toen kromp ze ineen van narigheid,Als iemand, die verliefd is.KOOR.Als iemand, die verliefd is.BRANDER.Zij liep benaauwd deur in, deur uit,En kroop in alle hoeken;Zij slaakte een akelig geluid,En wist niet, waar ’t te zoeken.Zij sprong van angst nu hier, dan daar,En maakte een vreemd en wild gebaar,Als iemand, die verliefd is.KOOR.Als iemand, die verliefd is.BRANDER.Ja, eindlijk, midden op den dag,Kwam ze in de keuken loopen,Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach!Nu met den dood bekoopen.Toen riep al lagchend nog de meid:“Zie daar! Zij sterft van narigheid,Als iemand, die verliefd is!”KOOR.Als iemand, die verliefd is.SIEBEL.Wat maakt dat volkje daar een leven![69]Het is ook al een heele kunst,Een arme rat vergift te geven!BRANDER.Die beesten staan bij u wel zeer in gunst!ALTMEIJER.Die dikzak, met zijn kalen knikker,Vindt in dit lied zich niet gestreeld:In een gezwollen rat of kikkerZiet hij zijn eigen evenbeeld.FAUSTenMEPHISTOPHELESkomen binnen.MEPHISTOPHELES.Ik moet nu, vóór alle andre dingen,U brengen in fideele kringen,Opdat ge van uw somberheid geneest.Dit volkje hier viert ieder dag een feest.Vrij plat, maar met veel zelfbehagen,Draait elk zich in zijn eigen cirkel rond,Als om zijn staart een jonge hond.Zoo zij niet over hoofdpijn klagenEn hun de waard maar verder borgt,Zijn ze opperblij en onbezorgd.BRANDER.Kijk, dat zijn waarlijk vreemde snaken!Men ziet het aan hun bleeke kaken,Zij zijn vast nog geen uur in stad.KIKKERT.Gij hebt gelijk. Hoor! Leipzig is een schat,Een klein Parijs; men kan er zich beschaven.SIEBEL.Waarvoor ziet gij die vreemdelingen aan?[70]KIKKERT.Bij een glas wijn—laat mij maar eens begaan!—Trek ik, gelijk een kindertandje,De wurmen uit den neus van zulk een kwantje.Het zijn voorzeker groote liên;Men kan het aan hun trotsche houding zien.BRANDER.Kwakzalvers zijn het, durf ik wedden!ALTMEIJER.Misschien.KIKKERT.Misschien.Laat mij dat eens beredden!MEPHISTOPHELEStot Faust.Den duivel ruikt dat volk niet gaauw,Al had hij ’t ook reeds in zijn klaauw.FAUST.Gegroet, mijnheeren!SIEBEL.Gegroet, mijnheeren!Dank tot wedergroet!Zacht, terwijl hij Mephistopheles van ter zijde aanziet.Wat! Hinkt die vent op d’ eenen voet?MEPHISTOPHELES.Is ’t ook veroorloofd ons bij u te voegen?Daar hier de wijn niet best is, naar ’k bespeur,Vergoedt uw bijzijn dit genoegen.ALTMEIJER.Gij schijnt mij een verwend sinjeur.[71]KIKKERT.Ge hebt vast laat het galgeveld verlaten.Hebt gij met Hans nog gesoupeerd misschien?MEPHISTOPHELES.Wij hebben hem op onze reis gezien,En mogten toen nog even met hem praten.Op u, zijn neven, heeft hij braaf gepocht;Veel groeten heeft hij ons aan u verzocht.Hij maakt eene buiging tegen Kikkert.ALTMEIJERzacht.Die vent is bij de hand!SIEBEL.Die vent is bij de hand!’t Ontbreekt hem niet aan praats.KIKKERT.Wacht maar! Ik zet hem daadlijk op zijn plaats.MEPHISTOPHELES.Wij hoorden straks, bedrieg ’k mij niet,Gezang van wakkre mannenkoren:Voorzeker moet een lustig liedIn dit gewelf zich goed doen hooren.KIKKERT.Zijt ge ook een virtuoos? een man van ’t vak?MEPHISTOPHELES.Helaas! Mijn lust is groot, al zijn mijn krachten zwak.ALTMEIJER.Zing eens een lied![72]MEPHISTOPHELES.Zing eens een lied!’k Voldoe volgaarne aan uw verlangen.SIEBEL.Maar splinternieuw en flink en vlug!MEPHISTOPHELES.Wij komen pas uit Spanje hier terug,Het schoone land van druiven en gezangen.Zingt.Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi.KIKKERT.Wat zegt ge daar? Een vlooi? Hoe komt die hier te pas?Zoo’n onderwerp is me al te kras!MEPHISTOPHELESzingt.Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi;Hij mogt haar gaarne lijdenEn vond haar o zoo mooi!Toen riep hij eens zijn snijder;Die kwam in een fourgon.“Meet gaauw dien jonker kleêren,“En ook een pantalon!”BRANDER.Vergeet maar niet den man op ’t hart te drukken,Dat hij goed meet en knipt en rijgt,Opdat, zal alles wel gelukken,De pantalon geen plooijen krijgt.[73]MEPHISTOPHELES.En in fluweel en zijdeWas nu de vlooi gedost;Ook had ze een ridderkruisje,Maar nog geen hoogen post.Toen werd ze op eens minister,En droeg een groote ster;Nu bragten ook haar broêrtjesHet aan het hof zeer ver.En al wat aan het hof wasWerd even zeer geplaagd,De prinsen en prinsesjesGestoken en geknaagd.Toch durfden zij niet kikken,Maar lieten ze begaan.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!KOOR,juichend.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!KIKKERT.O bravo! bravo! dat was mooi!SIEBEL.Zoo ga ’t voortaan ook ieder vlooi!BRANDER.Spits de vingers en pak ze beet!ALTMEIJER.Maar dat men nu niet den wijn vergeet![74]MEPHISTOPHELES.Graag dronk ik van uw wijn een glas,Indien hij maar wat beter was.SIEBEL.Breng dat niet weder hier te pas!MEPHISTOPHELES.Ik vrees, de waard vindt daar geen voordeel bij;’k Liet anders deze waarde heerenUit onzen kelder eens probeeren.SIEBEL.Geef op maar! ’k Neem de zaak op mij!KIKKERT.Schenkt ge ons een goed glas wijn, wij zullen ’t niet vergeten,Maar niet te weinig, moet ge weten;Want zal ik in de regten promoveeren,Dan moet ik eerst ter deeg mijn keelgat smeren.ALTMEIJERzacht.Zij zijn vast van den Rijn, naar ik bespeur.MEPHISTOPHELES.Geef eens een boor.BRANDER.Geef eens een boor.Maar wat daarmeê gedaan?Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?ALTMEIJER.Daarginder heeft de waard een mand gereedschap staan.MEPHISTOPHELESneemt er een boor uit. Tot Kikkert.Zeg op nu! Wat voor soort zal ik u schenken?[75]KIKKERT.Hoe meent ge dat? Hebt gij zoo velerlei?MEPHISTOPHELES.Elk heeft de keus; hem wordt geleverd op zijn wenken.ALTMEIJERtot Kikkert en Siebel.Aha! Reeds likt ge uw lippen allebei!KIKKERT.Goed! Alsikkiezen moet, zij Rijnwijn mij geschonken;Men drinkt uit hem slechts vuur en vonken.MEPHISTOPHELES,terwijl hij ter plaatse, waar Kikkert zit, een gat in den rand van de tafel boort.Wat was, om proppen van te maken!ALTMEIJERtot Kikkert.Maar dat zijn immers goochlaarszaken!MEPHISTOPHELEStot Brander.En gij?BRANDER.En gij?Ik wil Champagnewijn,En regt mousseerend moet hij zijn.MEPHISTOPHELESboort. Een heeft vervolgens den wassen prop gemaakt en in het gat gestopt.BRANDER.Men kan niet steeds wat vreemd is mijden:Het goede pleegt zoo vaak veraf te zijn.Een echte Duitscher mag geen Franschman lijden;Maar gaarne drinkt hij toch zijn wijn.[76]SIEBEL,terwijl Mephistopheles zijne plaats nadert.Voor mij, ’k hoû niet van zuur of wrang:Geef mij wat zoets; maar talm niet lang!MEPHISTOPHELES,al voortborende.Gij krijgt Tokayer; wees niet bang!ALTMEIJER.Neen, heeren! Schei maar met die gekheid uit!Ik zie het in: gij tracht ons wat te foppen.MEPHISTOPHELES.Kom, kom! Met zulke schrandre koppenSpot zelfs niet de allergrootste guit.Maar spoedig! Langer niet vertraagd!Met welken wijn kan ik u dienen?ALTMEIJER.Met elken. Nu niet meer gevraagd!MEPHISTOPHELES.nadat alle gaten geboord en digtgestopt zijn, met vreemde gebaren.Druiven draagt de wijnstok,Horens de geitenbok.De wijn is sappig; de ranken zijn hout;Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd.Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet:Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.Trekt uit de proppen nu en drinkt!ALLEN,terwijl zij de proppen uittrekken, en voor ieder de verlangde wijn in het glas loopt.O, schoone bron, die hier ontspringt!MEPHISTOPHELES.Maar geeft wel acht, dat gij niet stort, terwijl gij zingt![77]ALLENdrinken herhaalde malen, al zingende:Wij voelen ons zoo blij te moêAls vijftienhonderd zwijnen!MEPHISTOPHELES.Geef ’t volk de vrijheid; gij beleeft dan zulke grappen.FAUST.’k Had nu wel lust om op te stappen.MEPHISTOPHELES.Neen, wacht nog wat en blijf nog even;Dan zult ge een andre grap beleven.SIEBELdrinkt onvoorzigtig; de wijn stort op den grond, en wordt eene vlam.Helpt, vrienden, helpt! Daar brandt de hel!MEPHISTOPHELES,de vlam toesprekende.Bedaar wat, goede medgezel!Tot de drinkebroêrs.Nu was het slechts wat vagevuur, mijn vrinden!SIEBEL.Hoe meent ge dat? Wij zullen u wel vinden!Het schijnt als of gij ons niet kent!Wij passen voor dat element.KIKKERT.Daarmeê komt ge ons niet weder aan.ALTMEIJER.Mij dunkt, wij moesten hen maar zachtjes laten gaan.[78]SIEBEL.Hoe nu? Gij durft u onderstaanOm hier den toovenaar te spelen?MEPHISTOPHELES.Stil, oude wijnzak!SIEBEL.Stil, oude wijnzak!Maagre haan!Gij wilt ons ook nog lomp bejeegnen?BRANDER.Wacht maar! Er zullen slagen reegnen.ALTMEIJERhaalt den prop op zijne plaats uit de tafel; het vuur springt naar hem toe.Ik brand! Ik sta in vlam!SIEBEL.Ik brand! Ik sta in vlam!’t Is tooverij!Stoot neêr! Die man is vogelvrij!Zij halen hunne messen uit, en gaan op Mephistopheles los.MEPHISTOPHELES,met een gebaar van ernst.Een enkel tooverwoordVerandre zin en oord:Wees hier en waar ’t u meer bekoort!Zij staan verbaasd, en zien elkander aan.ALTMEIJER.Waar ben ik? Welk een heerlijk land!KIKKERT.Wijnbergen, zie ik wel?[79]SIEBEL.Wijnbergen, zie ik wel?En druiven bij de hand!BRANDER.Hier, onder deze wijngaardbosschen,Zie, welke ranken, welke trossen!Hij pakt Siebel bij den neus; de anderen doen het wederkeerig elkander, en heffen de messen omhoog.MEPHISTOPHELES,als boven.O waan, laat los dien tooverband,En zie, hoe Joost u kan verblinden!SIEBEL.Wat doet ge?ALTMEIJER.Wat doet ge?Wat?KIKKERT.Wat doet ge? Wat?Moet ik uw neus hier vinden?BRANDER,tot Siebel.En d’ uwen heb ik in mijn hand!ALTMEIJER.Het was een schok, die al mijn leên deed beven;Ik zijg ter aard—o, wil een stoel mij geven!KIKKERT.Maar zeg nu, wat er is geschied!Weet gij het soms? Ik weet het niet.[80]SIEBEL.Waar is de vent? Als ik hem maar bespeur,Laat ik hem levend niet vertrekken.ALTMEIJER.Ik kon hem door de kelderdeurEn rijdende op een vat ontdekken.Mijn voeten zijn zoo zwaar als lood.Naar de tafel ziende.Ik dacht daar, dat de wijn nog vloot.SIEBEL.Bedrog was alles, louter schijn.KIKKERT.’t Kwam mij toch voor, als dronk ik wijn.BRANDER.En ik zag druiven van den Rijn.ALTMEIJER.Zeg nu nog eens, dat er geen wondren zijn![81]

Auerbach’s wijnkelder te Leipzig.EEN GEZELSCHAP VROLIJKE DRINKEBROÊRS.KIKKERT.Wil niemand drinken, niemand zingen?Dan zal ik u daar wel toe dwingen!Nu zit gij als versuft en lam,En anders zijt ge vuur en vlam.BRANDER.Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag,Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.KIKKERTwerpt hem een glas wijn in het gezigt.Daar hebt gij beide!BRANDER.Daar hebt gij beide!Vuile hond!KIKKERT.Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!SIEBEL.De deur uit wie niet zingt en drinktEn dadelijk met de andren klinkt!Hoezee! dat gaat u voor![66]ALTMEIJER.Hoezee! dat gaat u voor!O wee, ik ben verloren!Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!SIEBEL.Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas,Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.KIKKERT.Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt!Vifalderaldera!ALTMEIJER.Vifalderaldera!KIKKERT.Vifalderaldera!De kelen zijn gestemd.Zingt.Het lieve, heilge Roomsche rijk,Hoe blijft het nog zoo hangen!BRANDER.Een ander lied! Dank God maar ieder morgen,Dat gij niet hebt voor ’t Roomsche rijk te zorgen.’k Ben blij dat ik, zoo ’k gul beken,Noch kanselier noch keizer ben.Maar ’t moet ons aan geen opperhoofd ontbreken:Wij kiezen dus een paus of deken.Gij weet toch welk een rang hij heeft,Die in een zaak den uitslag geeft.KIKKERTzingt.Ontplooi uw vlerken, nachtegaal,En groet mijn liefje duizendmaal![67]SIEBEL.Weg met uw liefje en groet; ik wil daar niets van hooren.KIKKERT.Wilt gij dat niet? Wel nu, stop dan maar beide uw ooren.Zingt.Open, liefje! ’t Is nu nacht.Open, liefje! Uw minnaar wacht.Sluit nu, liefje, stil en zacht!SIEBEL.Ja, zing maar voort; zeg dat gij naar haar smacht:Hij lacht het best, die ’t laatste lacht.Zoo ’t mij eens ging, zal ’t u ook gaan.Tot minnaar wensch ik haar een baviaan:Dien moge zij haar gunsten schenken;Misschien is hij daarmeê vereerd.Een oude bok, die van den Bloksberg keert,Moge in galop nog goeden nacht haar wenken.Een brave kerel, van echt vleesch en bloed,Is voor die deerne veel te goed.’k Wil van geen andre groeten weten,Dan dat haar glazen wierden ingesmeten.BRANDER,op de tafel slaande.Pas op! Hoor wat ik u gebied!Bekend is, dat ik weet te leven,’t Ontbreekt hier aan verliefden niet,En dezen moet ik nu een liedTot een besluit ten beste geven.Geef acht! Een lied van nieuwe sneê,En zingt den laatsten regel meê.Zingt.Daar was een rat in ’t keldernest;[68]Zij hield veel van gepeuzel,En had zich dik en vet gemestMet boter, spek en reuzel.Vergift bragt eindelijk haar de meid:Toen kromp ze ineen van narigheid,Als iemand, die verliefd is.KOOR.Als iemand, die verliefd is.BRANDER.Zij liep benaauwd deur in, deur uit,En kroop in alle hoeken;Zij slaakte een akelig geluid,En wist niet, waar ’t te zoeken.Zij sprong van angst nu hier, dan daar,En maakte een vreemd en wild gebaar,Als iemand, die verliefd is.KOOR.Als iemand, die verliefd is.BRANDER.Ja, eindlijk, midden op den dag,Kwam ze in de keuken loopen,Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach!Nu met den dood bekoopen.Toen riep al lagchend nog de meid:“Zie daar! Zij sterft van narigheid,Als iemand, die verliefd is!”KOOR.Als iemand, die verliefd is.SIEBEL.Wat maakt dat volkje daar een leven![69]Het is ook al een heele kunst,Een arme rat vergift te geven!BRANDER.Die beesten staan bij u wel zeer in gunst!ALTMEIJER.Die dikzak, met zijn kalen knikker,Vindt in dit lied zich niet gestreeld:In een gezwollen rat of kikkerZiet hij zijn eigen evenbeeld.FAUSTenMEPHISTOPHELESkomen binnen.MEPHISTOPHELES.Ik moet nu, vóór alle andre dingen,U brengen in fideele kringen,Opdat ge van uw somberheid geneest.Dit volkje hier viert ieder dag een feest.Vrij plat, maar met veel zelfbehagen,Draait elk zich in zijn eigen cirkel rond,Als om zijn staart een jonge hond.Zoo zij niet over hoofdpijn klagenEn hun de waard maar verder borgt,Zijn ze opperblij en onbezorgd.BRANDER.Kijk, dat zijn waarlijk vreemde snaken!Men ziet het aan hun bleeke kaken,Zij zijn vast nog geen uur in stad.KIKKERT.Gij hebt gelijk. Hoor! Leipzig is een schat,Een klein Parijs; men kan er zich beschaven.SIEBEL.Waarvoor ziet gij die vreemdelingen aan?[70]KIKKERT.Bij een glas wijn—laat mij maar eens begaan!—Trek ik, gelijk een kindertandje,De wurmen uit den neus van zulk een kwantje.Het zijn voorzeker groote liên;Men kan het aan hun trotsche houding zien.BRANDER.Kwakzalvers zijn het, durf ik wedden!ALTMEIJER.Misschien.KIKKERT.Misschien.Laat mij dat eens beredden!MEPHISTOPHELEStot Faust.Den duivel ruikt dat volk niet gaauw,Al had hij ’t ook reeds in zijn klaauw.FAUST.Gegroet, mijnheeren!SIEBEL.Gegroet, mijnheeren!Dank tot wedergroet!Zacht, terwijl hij Mephistopheles van ter zijde aanziet.Wat! Hinkt die vent op d’ eenen voet?MEPHISTOPHELES.Is ’t ook veroorloofd ons bij u te voegen?Daar hier de wijn niet best is, naar ’k bespeur,Vergoedt uw bijzijn dit genoegen.ALTMEIJER.Gij schijnt mij een verwend sinjeur.[71]KIKKERT.Ge hebt vast laat het galgeveld verlaten.Hebt gij met Hans nog gesoupeerd misschien?MEPHISTOPHELES.Wij hebben hem op onze reis gezien,En mogten toen nog even met hem praten.Op u, zijn neven, heeft hij braaf gepocht;Veel groeten heeft hij ons aan u verzocht.Hij maakt eene buiging tegen Kikkert.ALTMEIJERzacht.Die vent is bij de hand!SIEBEL.Die vent is bij de hand!’t Ontbreekt hem niet aan praats.KIKKERT.Wacht maar! Ik zet hem daadlijk op zijn plaats.MEPHISTOPHELES.Wij hoorden straks, bedrieg ’k mij niet,Gezang van wakkre mannenkoren:Voorzeker moet een lustig liedIn dit gewelf zich goed doen hooren.KIKKERT.Zijt ge ook een virtuoos? een man van ’t vak?MEPHISTOPHELES.Helaas! Mijn lust is groot, al zijn mijn krachten zwak.ALTMEIJER.Zing eens een lied![72]MEPHISTOPHELES.Zing eens een lied!’k Voldoe volgaarne aan uw verlangen.SIEBEL.Maar splinternieuw en flink en vlug!MEPHISTOPHELES.Wij komen pas uit Spanje hier terug,Het schoone land van druiven en gezangen.Zingt.Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi.KIKKERT.Wat zegt ge daar? Een vlooi? Hoe komt die hier te pas?Zoo’n onderwerp is me al te kras!MEPHISTOPHELESzingt.Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi;Hij mogt haar gaarne lijdenEn vond haar o zoo mooi!Toen riep hij eens zijn snijder;Die kwam in een fourgon.“Meet gaauw dien jonker kleêren,“En ook een pantalon!”BRANDER.Vergeet maar niet den man op ’t hart te drukken,Dat hij goed meet en knipt en rijgt,Opdat, zal alles wel gelukken,De pantalon geen plooijen krijgt.[73]MEPHISTOPHELES.En in fluweel en zijdeWas nu de vlooi gedost;Ook had ze een ridderkruisje,Maar nog geen hoogen post.Toen werd ze op eens minister,En droeg een groote ster;Nu bragten ook haar broêrtjesHet aan het hof zeer ver.En al wat aan het hof wasWerd even zeer geplaagd,De prinsen en prinsesjesGestoken en geknaagd.Toch durfden zij niet kikken,Maar lieten ze begaan.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!KOOR,juichend.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!KIKKERT.O bravo! bravo! dat was mooi!SIEBEL.Zoo ga ’t voortaan ook ieder vlooi!BRANDER.Spits de vingers en pak ze beet!ALTMEIJER.Maar dat men nu niet den wijn vergeet![74]MEPHISTOPHELES.Graag dronk ik van uw wijn een glas,Indien hij maar wat beter was.SIEBEL.Breng dat niet weder hier te pas!MEPHISTOPHELES.Ik vrees, de waard vindt daar geen voordeel bij;’k Liet anders deze waarde heerenUit onzen kelder eens probeeren.SIEBEL.Geef op maar! ’k Neem de zaak op mij!KIKKERT.Schenkt ge ons een goed glas wijn, wij zullen ’t niet vergeten,Maar niet te weinig, moet ge weten;Want zal ik in de regten promoveeren,Dan moet ik eerst ter deeg mijn keelgat smeren.ALTMEIJERzacht.Zij zijn vast van den Rijn, naar ik bespeur.MEPHISTOPHELES.Geef eens een boor.BRANDER.Geef eens een boor.Maar wat daarmeê gedaan?Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?ALTMEIJER.Daarginder heeft de waard een mand gereedschap staan.MEPHISTOPHELESneemt er een boor uit. Tot Kikkert.Zeg op nu! Wat voor soort zal ik u schenken?[75]KIKKERT.Hoe meent ge dat? Hebt gij zoo velerlei?MEPHISTOPHELES.Elk heeft de keus; hem wordt geleverd op zijn wenken.ALTMEIJERtot Kikkert en Siebel.Aha! Reeds likt ge uw lippen allebei!KIKKERT.Goed! Alsikkiezen moet, zij Rijnwijn mij geschonken;Men drinkt uit hem slechts vuur en vonken.MEPHISTOPHELES,terwijl hij ter plaatse, waar Kikkert zit, een gat in den rand van de tafel boort.Wat was, om proppen van te maken!ALTMEIJERtot Kikkert.Maar dat zijn immers goochlaarszaken!MEPHISTOPHELEStot Brander.En gij?BRANDER.En gij?Ik wil Champagnewijn,En regt mousseerend moet hij zijn.MEPHISTOPHELESboort. Een heeft vervolgens den wassen prop gemaakt en in het gat gestopt.BRANDER.Men kan niet steeds wat vreemd is mijden:Het goede pleegt zoo vaak veraf te zijn.Een echte Duitscher mag geen Franschman lijden;Maar gaarne drinkt hij toch zijn wijn.[76]SIEBEL,terwijl Mephistopheles zijne plaats nadert.Voor mij, ’k hoû niet van zuur of wrang:Geef mij wat zoets; maar talm niet lang!MEPHISTOPHELES,al voortborende.Gij krijgt Tokayer; wees niet bang!ALTMEIJER.Neen, heeren! Schei maar met die gekheid uit!Ik zie het in: gij tracht ons wat te foppen.MEPHISTOPHELES.Kom, kom! Met zulke schrandre koppenSpot zelfs niet de allergrootste guit.Maar spoedig! Langer niet vertraagd!Met welken wijn kan ik u dienen?ALTMEIJER.Met elken. Nu niet meer gevraagd!MEPHISTOPHELES.nadat alle gaten geboord en digtgestopt zijn, met vreemde gebaren.Druiven draagt de wijnstok,Horens de geitenbok.De wijn is sappig; de ranken zijn hout;Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd.Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet:Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.Trekt uit de proppen nu en drinkt!ALLEN,terwijl zij de proppen uittrekken, en voor ieder de verlangde wijn in het glas loopt.O, schoone bron, die hier ontspringt!MEPHISTOPHELES.Maar geeft wel acht, dat gij niet stort, terwijl gij zingt![77]ALLENdrinken herhaalde malen, al zingende:Wij voelen ons zoo blij te moêAls vijftienhonderd zwijnen!MEPHISTOPHELES.Geef ’t volk de vrijheid; gij beleeft dan zulke grappen.FAUST.’k Had nu wel lust om op te stappen.MEPHISTOPHELES.Neen, wacht nog wat en blijf nog even;Dan zult ge een andre grap beleven.SIEBELdrinkt onvoorzigtig; de wijn stort op den grond, en wordt eene vlam.Helpt, vrienden, helpt! Daar brandt de hel!MEPHISTOPHELES,de vlam toesprekende.Bedaar wat, goede medgezel!Tot de drinkebroêrs.Nu was het slechts wat vagevuur, mijn vrinden!SIEBEL.Hoe meent ge dat? Wij zullen u wel vinden!Het schijnt als of gij ons niet kent!Wij passen voor dat element.KIKKERT.Daarmeê komt ge ons niet weder aan.ALTMEIJER.Mij dunkt, wij moesten hen maar zachtjes laten gaan.[78]SIEBEL.Hoe nu? Gij durft u onderstaanOm hier den toovenaar te spelen?MEPHISTOPHELES.Stil, oude wijnzak!SIEBEL.Stil, oude wijnzak!Maagre haan!Gij wilt ons ook nog lomp bejeegnen?BRANDER.Wacht maar! Er zullen slagen reegnen.ALTMEIJERhaalt den prop op zijne plaats uit de tafel; het vuur springt naar hem toe.Ik brand! Ik sta in vlam!SIEBEL.Ik brand! Ik sta in vlam!’t Is tooverij!Stoot neêr! Die man is vogelvrij!Zij halen hunne messen uit, en gaan op Mephistopheles los.MEPHISTOPHELES,met een gebaar van ernst.Een enkel tooverwoordVerandre zin en oord:Wees hier en waar ’t u meer bekoort!Zij staan verbaasd, en zien elkander aan.ALTMEIJER.Waar ben ik? Welk een heerlijk land!KIKKERT.Wijnbergen, zie ik wel?[79]SIEBEL.Wijnbergen, zie ik wel?En druiven bij de hand!BRANDER.Hier, onder deze wijngaardbosschen,Zie, welke ranken, welke trossen!Hij pakt Siebel bij den neus; de anderen doen het wederkeerig elkander, en heffen de messen omhoog.MEPHISTOPHELES,als boven.O waan, laat los dien tooverband,En zie, hoe Joost u kan verblinden!SIEBEL.Wat doet ge?ALTMEIJER.Wat doet ge?Wat?KIKKERT.Wat doet ge? Wat?Moet ik uw neus hier vinden?BRANDER,tot Siebel.En d’ uwen heb ik in mijn hand!ALTMEIJER.Het was een schok, die al mijn leên deed beven;Ik zijg ter aard—o, wil een stoel mij geven!KIKKERT.Maar zeg nu, wat er is geschied!Weet gij het soms? Ik weet het niet.[80]SIEBEL.Waar is de vent? Als ik hem maar bespeur,Laat ik hem levend niet vertrekken.ALTMEIJER.Ik kon hem door de kelderdeurEn rijdende op een vat ontdekken.Mijn voeten zijn zoo zwaar als lood.Naar de tafel ziende.Ik dacht daar, dat de wijn nog vloot.SIEBEL.Bedrog was alles, louter schijn.KIKKERT.’t Kwam mij toch voor, als dronk ik wijn.BRANDER.En ik zag druiven van den Rijn.ALTMEIJER.Zeg nu nog eens, dat er geen wondren zijn![81]

Auerbach’s wijnkelder te Leipzig.

EEN GEZELSCHAP VROLIJKE DRINKEBROÊRS.

KIKKERT.Wil niemand drinken, niemand zingen?Dan zal ik u daar wel toe dwingen!Nu zit gij als versuft en lam,En anders zijt ge vuur en vlam.

KIKKERT.

Wil niemand drinken, niemand zingen?

Dan zal ik u daar wel toe dwingen!

Nu zit gij als versuft en lam,

En anders zijt ge vuur en vlam.

BRANDER.Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag,Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.

BRANDER.

Dat ligt aan u; gij brengt niets voor den dag,

Geen ui, geen grap, of wat het wezen mag.

KIKKERTwerpt hem een glas wijn in het gezigt.Daar hebt gij beide!

KIKKERTwerpt hem een glas wijn in het gezigt.

Daar hebt gij beide!

BRANDER.Daar hebt gij beide!Vuile hond!

BRANDER.

Daar hebt gij beide!Vuile hond!

KIKKERT.Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!

KIKKERT.

Smaakt het u niet, hoû dan uw mond!

SIEBEL.De deur uit wie niet zingt en drinktEn dadelijk met de andren klinkt!Hoezee! dat gaat u voor!

SIEBEL.

De deur uit wie niet zingt en drinkt

En dadelijk met de andren klinkt!

Hoezee! dat gaat u voor!

[66]

ALTMEIJER.Hoezee! dat gaat u voor!O wee, ik ben verloren!Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!

ALTMEIJER.

Hoezee! dat gaat u voor!O wee, ik ben verloren!

Hoû op, of anders barsten nog mijne ooren!

SIEBEL.Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas,Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.

SIEBEL.

Wanneer ’t weêrgalmt van onzen Wijn-Parnas,

Voelt men eerst regt den grondtoon van den bas.

KIKKERT.Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt!Vifalderaldera!

KIKKERT.

Zoo is ’t. De deur uit wie de vreugde stremt!

Vifalderaldera!

ALTMEIJER.Vifalderaldera!

ALTMEIJER.

Vifalderaldera!

KIKKERT.Vifalderaldera!De kelen zijn gestemd.

KIKKERT.

Vifalderaldera!De kelen zijn gestemd.

Zingt.

Het lieve, heilge Roomsche rijk,Hoe blijft het nog zoo hangen!

Het lieve, heilge Roomsche rijk,Hoe blijft het nog zoo hangen!

Het lieve, heilge Roomsche rijk,

Hoe blijft het nog zoo hangen!

BRANDER.Een ander lied! Dank God maar ieder morgen,Dat gij niet hebt voor ’t Roomsche rijk te zorgen.’k Ben blij dat ik, zoo ’k gul beken,Noch kanselier noch keizer ben.Maar ’t moet ons aan geen opperhoofd ontbreken:Wij kiezen dus een paus of deken.Gij weet toch welk een rang hij heeft,Die in een zaak den uitslag geeft.

BRANDER.

Een ander lied! Dank God maar ieder morgen,

Dat gij niet hebt voor ’t Roomsche rijk te zorgen.

’k Ben blij dat ik, zoo ’k gul beken,

Noch kanselier noch keizer ben.

Maar ’t moet ons aan geen opperhoofd ontbreken:

Wij kiezen dus een paus of deken.

Gij weet toch welk een rang hij heeft,

Die in een zaak den uitslag geeft.

KIKKERTzingt.Ontplooi uw vlerken, nachtegaal,En groet mijn liefje duizendmaal!

KIKKERTzingt.

Ontplooi uw vlerken, nachtegaal,En groet mijn liefje duizendmaal!

Ontplooi uw vlerken, nachtegaal,

En groet mijn liefje duizendmaal!

[67]

SIEBEL.Weg met uw liefje en groet; ik wil daar niets van hooren.

SIEBEL.

Weg met uw liefje en groet; ik wil daar niets van hooren.

KIKKERT.Wilt gij dat niet? Wel nu, stop dan maar beide uw ooren.

KIKKERT.

Wilt gij dat niet? Wel nu, stop dan maar beide uw ooren.

Zingt.

Open, liefje! ’t Is nu nacht.Open, liefje! Uw minnaar wacht.Sluit nu, liefje, stil en zacht!

Open, liefje! ’t Is nu nacht.Open, liefje! Uw minnaar wacht.Sluit nu, liefje, stil en zacht!

Open, liefje! ’t Is nu nacht.

Open, liefje! Uw minnaar wacht.

Sluit nu, liefje, stil en zacht!

SIEBEL.Ja, zing maar voort; zeg dat gij naar haar smacht:Hij lacht het best, die ’t laatste lacht.Zoo ’t mij eens ging, zal ’t u ook gaan.Tot minnaar wensch ik haar een baviaan:Dien moge zij haar gunsten schenken;Misschien is hij daarmeê vereerd.Een oude bok, die van den Bloksberg keert,Moge in galop nog goeden nacht haar wenken.Een brave kerel, van echt vleesch en bloed,Is voor die deerne veel te goed.’k Wil van geen andre groeten weten,Dan dat haar glazen wierden ingesmeten.

SIEBEL.

Ja, zing maar voort; zeg dat gij naar haar smacht:

Hij lacht het best, die ’t laatste lacht.

Zoo ’t mij eens ging, zal ’t u ook gaan.

Tot minnaar wensch ik haar een baviaan:

Dien moge zij haar gunsten schenken;

Misschien is hij daarmeê vereerd.

Een oude bok, die van den Bloksberg keert,

Moge in galop nog goeden nacht haar wenken.

Een brave kerel, van echt vleesch en bloed,

Is voor die deerne veel te goed.

’k Wil van geen andre groeten weten,

Dan dat haar glazen wierden ingesmeten.

BRANDER,op de tafel slaande.Pas op! Hoor wat ik u gebied!Bekend is, dat ik weet te leven,’t Ontbreekt hier aan verliefden niet,En dezen moet ik nu een liedTot een besluit ten beste geven.Geef acht! Een lied van nieuwe sneê,En zingt den laatsten regel meê.

BRANDER,op de tafel slaande.

Pas op! Hoor wat ik u gebied!

Bekend is, dat ik weet te leven,

’t Ontbreekt hier aan verliefden niet,

En dezen moet ik nu een lied

Tot een besluit ten beste geven.

Geef acht! Een lied van nieuwe sneê,

En zingt den laatsten regel meê.

Zingt.

Daar was een rat in ’t keldernest;[68]Zij hield veel van gepeuzel,En had zich dik en vet gemestMet boter, spek en reuzel.Vergift bragt eindelijk haar de meid:Toen kromp ze ineen van narigheid,Als iemand, die verliefd is.

Daar was een rat in ’t keldernest;[68]Zij hield veel van gepeuzel,En had zich dik en vet gemestMet boter, spek en reuzel.Vergift bragt eindelijk haar de meid:Toen kromp ze ineen van narigheid,Als iemand, die verliefd is.

Daar was een rat in ’t keldernest;[68]

Zij hield veel van gepeuzel,

En had zich dik en vet gemest

Met boter, spek en reuzel.

Vergift bragt eindelijk haar de meid:

Toen kromp ze ineen van narigheid,

Als iemand, die verliefd is.

KOOR.Als iemand, die verliefd is.

KOOR.

Als iemand, die verliefd is.

Als iemand, die verliefd is.

BRANDER.Zij liep benaauwd deur in, deur uit,En kroop in alle hoeken;Zij slaakte een akelig geluid,En wist niet, waar ’t te zoeken.Zij sprong van angst nu hier, dan daar,En maakte een vreemd en wild gebaar,Als iemand, die verliefd is.

BRANDER.

Zij liep benaauwd deur in, deur uit,En kroop in alle hoeken;Zij slaakte een akelig geluid,En wist niet, waar ’t te zoeken.Zij sprong van angst nu hier, dan daar,En maakte een vreemd en wild gebaar,Als iemand, die verliefd is.

Zij liep benaauwd deur in, deur uit,

En kroop in alle hoeken;

Zij slaakte een akelig geluid,

En wist niet, waar ’t te zoeken.

Zij sprong van angst nu hier, dan daar,

En maakte een vreemd en wild gebaar,

Als iemand, die verliefd is.

KOOR.Als iemand, die verliefd is.

KOOR.

Als iemand, die verliefd is.

Als iemand, die verliefd is.

BRANDER.Ja, eindlijk, midden op den dag,Kwam ze in de keuken loopen,Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach!Nu met den dood bekoopen.Toen riep al lagchend nog de meid:“Zie daar! Zij sterft van narigheid,Als iemand, die verliefd is!”

BRANDER.

Ja, eindlijk, midden op den dag,Kwam ze in de keuken loopen,Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach!Nu met den dood bekoopen.Toen riep al lagchend nog de meid:“Zie daar! Zij sterft van narigheid,Als iemand, die verliefd is!”

Ja, eindlijk, midden op den dag,

Kwam ze in de keuken loopen,

Viel neêr bij ’t vuur, en moest het, ach!

Nu met den dood bekoopen.

Toen riep al lagchend nog de meid:

“Zie daar! Zij sterft van narigheid,

Als iemand, die verliefd is!”

KOOR.Als iemand, die verliefd is.

KOOR.

Als iemand, die verliefd is.

Als iemand, die verliefd is.

SIEBEL.Wat maakt dat volkje daar een leven![69]Het is ook al een heele kunst,Een arme rat vergift te geven!

SIEBEL.

Wat maakt dat volkje daar een leven![69]

Het is ook al een heele kunst,

Een arme rat vergift te geven!

BRANDER.Die beesten staan bij u wel zeer in gunst!

BRANDER.

Die beesten staan bij u wel zeer in gunst!

ALTMEIJER.Die dikzak, met zijn kalen knikker,Vindt in dit lied zich niet gestreeld:In een gezwollen rat of kikkerZiet hij zijn eigen evenbeeld.

ALTMEIJER.

Die dikzak, met zijn kalen knikker,

Vindt in dit lied zich niet gestreeld:

In een gezwollen rat of kikker

Ziet hij zijn eigen evenbeeld.

FAUSTenMEPHISTOPHELESkomen binnen.

MEPHISTOPHELES.Ik moet nu, vóór alle andre dingen,U brengen in fideele kringen,Opdat ge van uw somberheid geneest.Dit volkje hier viert ieder dag een feest.Vrij plat, maar met veel zelfbehagen,Draait elk zich in zijn eigen cirkel rond,Als om zijn staart een jonge hond.Zoo zij niet over hoofdpijn klagenEn hun de waard maar verder borgt,Zijn ze opperblij en onbezorgd.

MEPHISTOPHELES.

Ik moet nu, vóór alle andre dingen,

U brengen in fideele kringen,

Opdat ge van uw somberheid geneest.

Dit volkje hier viert ieder dag een feest.

Vrij plat, maar met veel zelfbehagen,

Draait elk zich in zijn eigen cirkel rond,

Als om zijn staart een jonge hond.

Zoo zij niet over hoofdpijn klagen

En hun de waard maar verder borgt,

Zijn ze opperblij en onbezorgd.

BRANDER.Kijk, dat zijn waarlijk vreemde snaken!Men ziet het aan hun bleeke kaken,Zij zijn vast nog geen uur in stad.

BRANDER.

Kijk, dat zijn waarlijk vreemde snaken!

Men ziet het aan hun bleeke kaken,

Zij zijn vast nog geen uur in stad.

KIKKERT.Gij hebt gelijk. Hoor! Leipzig is een schat,Een klein Parijs; men kan er zich beschaven.

KIKKERT.

Gij hebt gelijk. Hoor! Leipzig is een schat,

Een klein Parijs; men kan er zich beschaven.

SIEBEL.Waarvoor ziet gij die vreemdelingen aan?

SIEBEL.

Waarvoor ziet gij die vreemdelingen aan?

[70]

KIKKERT.Bij een glas wijn—laat mij maar eens begaan!—Trek ik, gelijk een kindertandje,De wurmen uit den neus van zulk een kwantje.Het zijn voorzeker groote liên;Men kan het aan hun trotsche houding zien.

KIKKERT.

Bij een glas wijn—laat mij maar eens begaan!—

Trek ik, gelijk een kindertandje,

De wurmen uit den neus van zulk een kwantje.

Het zijn voorzeker groote liên;

Men kan het aan hun trotsche houding zien.

BRANDER.Kwakzalvers zijn het, durf ik wedden!

BRANDER.

Kwakzalvers zijn het, durf ik wedden!

ALTMEIJER.Misschien.

ALTMEIJER.

Misschien.

KIKKERT.Misschien.Laat mij dat eens beredden!

KIKKERT.

Misschien.Laat mij dat eens beredden!

MEPHISTOPHELEStot Faust.Den duivel ruikt dat volk niet gaauw,Al had hij ’t ook reeds in zijn klaauw.

MEPHISTOPHELEStot Faust.

Den duivel ruikt dat volk niet gaauw,

Al had hij ’t ook reeds in zijn klaauw.

FAUST.Gegroet, mijnheeren!

FAUST.

Gegroet, mijnheeren!

SIEBEL.Gegroet, mijnheeren!Dank tot wedergroet!

SIEBEL.

Gegroet, mijnheeren!Dank tot wedergroet!

Zacht, terwijl hij Mephistopheles van ter zijde aanziet.

Wat! Hinkt die vent op d’ eenen voet?

Wat! Hinkt die vent op d’ eenen voet?

MEPHISTOPHELES.Is ’t ook veroorloofd ons bij u te voegen?Daar hier de wijn niet best is, naar ’k bespeur,Vergoedt uw bijzijn dit genoegen.

MEPHISTOPHELES.

Is ’t ook veroorloofd ons bij u te voegen?

Daar hier de wijn niet best is, naar ’k bespeur,

Vergoedt uw bijzijn dit genoegen.

ALTMEIJER.Gij schijnt mij een verwend sinjeur.

ALTMEIJER.

Gij schijnt mij een verwend sinjeur.

[71]

KIKKERT.Ge hebt vast laat het galgeveld verlaten.Hebt gij met Hans nog gesoupeerd misschien?

KIKKERT.

Ge hebt vast laat het galgeveld verlaten.

Hebt gij met Hans nog gesoupeerd misschien?

MEPHISTOPHELES.Wij hebben hem op onze reis gezien,En mogten toen nog even met hem praten.Op u, zijn neven, heeft hij braaf gepocht;Veel groeten heeft hij ons aan u verzocht.

MEPHISTOPHELES.

Wij hebben hem op onze reis gezien,

En mogten toen nog even met hem praten.

Op u, zijn neven, heeft hij braaf gepocht;

Veel groeten heeft hij ons aan u verzocht.

Hij maakt eene buiging tegen Kikkert.

ALTMEIJERzacht.Die vent is bij de hand!

ALTMEIJERzacht.

Die vent is bij de hand!

SIEBEL.Die vent is bij de hand!’t Ontbreekt hem niet aan praats.

SIEBEL.

Die vent is bij de hand!’t Ontbreekt hem niet aan praats.

KIKKERT.Wacht maar! Ik zet hem daadlijk op zijn plaats.

KIKKERT.

Wacht maar! Ik zet hem daadlijk op zijn plaats.

MEPHISTOPHELES.Wij hoorden straks, bedrieg ’k mij niet,Gezang van wakkre mannenkoren:Voorzeker moet een lustig liedIn dit gewelf zich goed doen hooren.

MEPHISTOPHELES.

Wij hoorden straks, bedrieg ’k mij niet,

Gezang van wakkre mannenkoren:

Voorzeker moet een lustig lied

In dit gewelf zich goed doen hooren.

KIKKERT.Zijt ge ook een virtuoos? een man van ’t vak?

KIKKERT.

Zijt ge ook een virtuoos? een man van ’t vak?

MEPHISTOPHELES.Helaas! Mijn lust is groot, al zijn mijn krachten zwak.

MEPHISTOPHELES.

Helaas! Mijn lust is groot, al zijn mijn krachten zwak.

ALTMEIJER.Zing eens een lied!

ALTMEIJER.

Zing eens een lied!

[72]

MEPHISTOPHELES.Zing eens een lied!’k Voldoe volgaarne aan uw verlangen.

MEPHISTOPHELES.

Zing eens een lied!’k Voldoe volgaarne aan uw verlangen.

SIEBEL.Maar splinternieuw en flink en vlug!

SIEBEL.

Maar splinternieuw en flink en vlug!

MEPHISTOPHELES.Wij komen pas uit Spanje hier terug,Het schoone land van druiven en gezangen.

MEPHISTOPHELES.

Wij komen pas uit Spanje hier terug,

Het schoone land van druiven en gezangen.

Zingt.

Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi.

Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi.

Daar was ereis een koning,

Die had een groote vlooi.

KIKKERT.Wat zegt ge daar? Een vlooi? Hoe komt die hier te pas?Zoo’n onderwerp is me al te kras!

KIKKERT.

Wat zegt ge daar? Een vlooi? Hoe komt die hier te pas?

Zoo’n onderwerp is me al te kras!

MEPHISTOPHELESzingt.Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi;Hij mogt haar gaarne lijdenEn vond haar o zoo mooi!Toen riep hij eens zijn snijder;Die kwam in een fourgon.“Meet gaauw dien jonker kleêren,“En ook een pantalon!”

MEPHISTOPHELESzingt.

Daar was ereis een koning,Die had een groote vlooi;Hij mogt haar gaarne lijdenEn vond haar o zoo mooi!Toen riep hij eens zijn snijder;Die kwam in een fourgon.“Meet gaauw dien jonker kleêren,“En ook een pantalon!”

Daar was ereis een koning,

Die had een groote vlooi;

Hij mogt haar gaarne lijden

En vond haar o zoo mooi!

Toen riep hij eens zijn snijder;

Die kwam in een fourgon.

“Meet gaauw dien jonker kleêren,

“En ook een pantalon!”

BRANDER.Vergeet maar niet den man op ’t hart te drukken,Dat hij goed meet en knipt en rijgt,Opdat, zal alles wel gelukken,De pantalon geen plooijen krijgt.

BRANDER.

Vergeet maar niet den man op ’t hart te drukken,

Dat hij goed meet en knipt en rijgt,

Opdat, zal alles wel gelukken,

De pantalon geen plooijen krijgt.

[73]

MEPHISTOPHELES.En in fluweel en zijdeWas nu de vlooi gedost;Ook had ze een ridderkruisje,Maar nog geen hoogen post.Toen werd ze op eens minister,En droeg een groote ster;Nu bragten ook haar broêrtjesHet aan het hof zeer ver.En al wat aan het hof wasWerd even zeer geplaagd,De prinsen en prinsesjesGestoken en geknaagd.Toch durfden zij niet kikken,Maar lieten ze begaan.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!

MEPHISTOPHELES.

En in fluweel en zijdeWas nu de vlooi gedost;Ook had ze een ridderkruisje,Maar nog geen hoogen post.Toen werd ze op eens minister,En droeg een groote ster;Nu bragten ook haar broêrtjesHet aan het hof zeer ver.

En in fluweel en zijde

Was nu de vlooi gedost;

Ook had ze een ridderkruisje,

Maar nog geen hoogen post.

Toen werd ze op eens minister,

En droeg een groote ster;

Nu bragten ook haar broêrtjes

Het aan het hof zeer ver.

En al wat aan het hof wasWerd even zeer geplaagd,De prinsen en prinsesjesGestoken en geknaagd.Toch durfden zij niet kikken,Maar lieten ze begaan.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!

En al wat aan het hof was

Werd even zeer geplaagd,

De prinsen en prinsesjes

Gestoken en geknaagd.

Toch durfden zij niet kikken,

Maar lieten ze begaan.

Alsonseen vlooi komt steken,

Dan is ’t met haar gedaan!

KOOR,juichend.Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!

KOOR,juichend.

Alsonseen vlooi komt steken,Dan is ’t met haar gedaan!

Alsonseen vlooi komt steken,

Dan is ’t met haar gedaan!

KIKKERT.O bravo! bravo! dat was mooi!

KIKKERT.

O bravo! bravo! dat was mooi!

SIEBEL.Zoo ga ’t voortaan ook ieder vlooi!

SIEBEL.

Zoo ga ’t voortaan ook ieder vlooi!

BRANDER.Spits de vingers en pak ze beet!

BRANDER.

Spits de vingers en pak ze beet!

ALTMEIJER.Maar dat men nu niet den wijn vergeet!

ALTMEIJER.

Maar dat men nu niet den wijn vergeet!

[74]

MEPHISTOPHELES.Graag dronk ik van uw wijn een glas,Indien hij maar wat beter was.

MEPHISTOPHELES.

Graag dronk ik van uw wijn een glas,

Indien hij maar wat beter was.

SIEBEL.Breng dat niet weder hier te pas!

SIEBEL.

Breng dat niet weder hier te pas!

MEPHISTOPHELES.Ik vrees, de waard vindt daar geen voordeel bij;’k Liet anders deze waarde heerenUit onzen kelder eens probeeren.

MEPHISTOPHELES.

Ik vrees, de waard vindt daar geen voordeel bij;

’k Liet anders deze waarde heeren

Uit onzen kelder eens probeeren.

SIEBEL.Geef op maar! ’k Neem de zaak op mij!

SIEBEL.

Geef op maar! ’k Neem de zaak op mij!

KIKKERT.Schenkt ge ons een goed glas wijn, wij zullen ’t niet vergeten,Maar niet te weinig, moet ge weten;Want zal ik in de regten promoveeren,Dan moet ik eerst ter deeg mijn keelgat smeren.

KIKKERT.

Schenkt ge ons een goed glas wijn, wij zullen ’t niet vergeten,

Maar niet te weinig, moet ge weten;

Want zal ik in de regten promoveeren,

Dan moet ik eerst ter deeg mijn keelgat smeren.

ALTMEIJERzacht.Zij zijn vast van den Rijn, naar ik bespeur.

ALTMEIJERzacht.

Zij zijn vast van den Rijn, naar ik bespeur.

MEPHISTOPHELES.Geef eens een boor.

MEPHISTOPHELES.

Geef eens een boor.

BRANDER.Geef eens een boor.Maar wat daarmeê gedaan?Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?

BRANDER.

Geef eens een boor.Maar wat daarmeê gedaan?

Gij hebt toch niet de vaten voor de deur?

ALTMEIJER.Daarginder heeft de waard een mand gereedschap staan.

ALTMEIJER.

Daarginder heeft de waard een mand gereedschap staan.

MEPHISTOPHELESneemt er een boor uit. Tot Kikkert.Zeg op nu! Wat voor soort zal ik u schenken?

MEPHISTOPHELESneemt er een boor uit. Tot Kikkert.

Zeg op nu! Wat voor soort zal ik u schenken?

[75]

KIKKERT.Hoe meent ge dat? Hebt gij zoo velerlei?

KIKKERT.

Hoe meent ge dat? Hebt gij zoo velerlei?

MEPHISTOPHELES.Elk heeft de keus; hem wordt geleverd op zijn wenken.

MEPHISTOPHELES.

Elk heeft de keus; hem wordt geleverd op zijn wenken.

ALTMEIJERtot Kikkert en Siebel.Aha! Reeds likt ge uw lippen allebei!

ALTMEIJERtot Kikkert en Siebel.

Aha! Reeds likt ge uw lippen allebei!

KIKKERT.Goed! Alsikkiezen moet, zij Rijnwijn mij geschonken;Men drinkt uit hem slechts vuur en vonken.

KIKKERT.

Goed! Alsikkiezen moet, zij Rijnwijn mij geschonken;

Men drinkt uit hem slechts vuur en vonken.

MEPHISTOPHELES,terwijl hij ter plaatse, waar Kikkert zit, een gat in den rand van de tafel boort.Wat was, om proppen van te maken!

MEPHISTOPHELES,terwijl hij ter plaatse, waar Kikkert zit, een gat in den rand van de tafel boort.

Wat was, om proppen van te maken!

ALTMEIJERtot Kikkert.Maar dat zijn immers goochlaarszaken!

ALTMEIJERtot Kikkert.

Maar dat zijn immers goochlaarszaken!

MEPHISTOPHELEStot Brander.En gij?

MEPHISTOPHELEStot Brander.

En gij?

BRANDER.En gij?Ik wil Champagnewijn,En regt mousseerend moet hij zijn.

BRANDER.

En gij?Ik wil Champagnewijn,

En regt mousseerend moet hij zijn.

MEPHISTOPHELESboort. Een heeft vervolgens den wassen prop gemaakt en in het gat gestopt.

BRANDER.Men kan niet steeds wat vreemd is mijden:Het goede pleegt zoo vaak veraf te zijn.Een echte Duitscher mag geen Franschman lijden;Maar gaarne drinkt hij toch zijn wijn.

BRANDER.

Men kan niet steeds wat vreemd is mijden:

Het goede pleegt zoo vaak veraf te zijn.

Een echte Duitscher mag geen Franschman lijden;

Maar gaarne drinkt hij toch zijn wijn.

[76]

SIEBEL,terwijl Mephistopheles zijne plaats nadert.Voor mij, ’k hoû niet van zuur of wrang:Geef mij wat zoets; maar talm niet lang!

SIEBEL,terwijl Mephistopheles zijne plaats nadert.

Voor mij, ’k hoû niet van zuur of wrang:

Geef mij wat zoets; maar talm niet lang!

MEPHISTOPHELES,al voortborende.Gij krijgt Tokayer; wees niet bang!

MEPHISTOPHELES,al voortborende.

Gij krijgt Tokayer; wees niet bang!

ALTMEIJER.Neen, heeren! Schei maar met die gekheid uit!Ik zie het in: gij tracht ons wat te foppen.

ALTMEIJER.

Neen, heeren! Schei maar met die gekheid uit!

Ik zie het in: gij tracht ons wat te foppen.

MEPHISTOPHELES.Kom, kom! Met zulke schrandre koppenSpot zelfs niet de allergrootste guit.Maar spoedig! Langer niet vertraagd!Met welken wijn kan ik u dienen?

MEPHISTOPHELES.

Kom, kom! Met zulke schrandre koppen

Spot zelfs niet de allergrootste guit.

Maar spoedig! Langer niet vertraagd!

Met welken wijn kan ik u dienen?

ALTMEIJER.Met elken. Nu niet meer gevraagd!

ALTMEIJER.

Met elken. Nu niet meer gevraagd!

MEPHISTOPHELES.nadat alle gaten geboord en digtgestopt zijn, met vreemde gebaren.Druiven draagt de wijnstok,Horens de geitenbok.De wijn is sappig; de ranken zijn hout;Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd.Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet:Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.Trekt uit de proppen nu en drinkt!

MEPHISTOPHELES.nadat alle gaten geboord en digtgestopt zijn, met vreemde gebaren.

Druiven draagt de wijnstok,Horens de geitenbok.De wijn is sappig; de ranken zijn hout;Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd.Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet:Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.

Druiven draagt de wijnstok,

Horens de geitenbok.

De wijn is sappig; de ranken zijn hout;

Uit houten tafels wordt wijn ook gebouwd.

Natuur heeft wondren, als men ’t wel beziet:

Hier is een wonder, al gelooft gij ’t niet.

Trekt uit de proppen nu en drinkt!

Trekt uit de proppen nu en drinkt!

ALLEN,terwijl zij de proppen uittrekken, en voor ieder de verlangde wijn in het glas loopt.O, schoone bron, die hier ontspringt!

ALLEN,terwijl zij de proppen uittrekken, en voor ieder de verlangde wijn in het glas loopt.

O, schoone bron, die hier ontspringt!

MEPHISTOPHELES.Maar geeft wel acht, dat gij niet stort, terwijl gij zingt!

MEPHISTOPHELES.

Maar geeft wel acht, dat gij niet stort, terwijl gij zingt!

[77]

ALLENdrinken herhaalde malen, al zingende:Wij voelen ons zoo blij te moêAls vijftienhonderd zwijnen!

ALLENdrinken herhaalde malen, al zingende:

Wij voelen ons zoo blij te moêAls vijftienhonderd zwijnen!

Wij voelen ons zoo blij te moê

Als vijftienhonderd zwijnen!

MEPHISTOPHELES.Geef ’t volk de vrijheid; gij beleeft dan zulke grappen.

MEPHISTOPHELES.

Geef ’t volk de vrijheid; gij beleeft dan zulke grappen.

FAUST.’k Had nu wel lust om op te stappen.

FAUST.

’k Had nu wel lust om op te stappen.

MEPHISTOPHELES.Neen, wacht nog wat en blijf nog even;Dan zult ge een andre grap beleven.

MEPHISTOPHELES.

Neen, wacht nog wat en blijf nog even;

Dan zult ge een andre grap beleven.

SIEBELdrinkt onvoorzigtig; de wijn stort op den grond, en wordt eene vlam.Helpt, vrienden, helpt! Daar brandt de hel!

SIEBELdrinkt onvoorzigtig; de wijn stort op den grond, en wordt eene vlam.

Helpt, vrienden, helpt! Daar brandt de hel!

MEPHISTOPHELES,de vlam toesprekende.Bedaar wat, goede medgezel!

MEPHISTOPHELES,de vlam toesprekende.

Bedaar wat, goede medgezel!

Tot de drinkebroêrs.

Nu was het slechts wat vagevuur, mijn vrinden!

Nu was het slechts wat vagevuur, mijn vrinden!

SIEBEL.Hoe meent ge dat? Wij zullen u wel vinden!Het schijnt als of gij ons niet kent!Wij passen voor dat element.

SIEBEL.

Hoe meent ge dat? Wij zullen u wel vinden!

Het schijnt als of gij ons niet kent!

Wij passen voor dat element.

KIKKERT.Daarmeê komt ge ons niet weder aan.

KIKKERT.

Daarmeê komt ge ons niet weder aan.

ALTMEIJER.Mij dunkt, wij moesten hen maar zachtjes laten gaan.

ALTMEIJER.

Mij dunkt, wij moesten hen maar zachtjes laten gaan.

[78]

SIEBEL.Hoe nu? Gij durft u onderstaanOm hier den toovenaar te spelen?

SIEBEL.

Hoe nu? Gij durft u onderstaan

Om hier den toovenaar te spelen?

MEPHISTOPHELES.Stil, oude wijnzak!

MEPHISTOPHELES.

Stil, oude wijnzak!

SIEBEL.Stil, oude wijnzak!Maagre haan!Gij wilt ons ook nog lomp bejeegnen?

SIEBEL.

Stil, oude wijnzak!Maagre haan!

Gij wilt ons ook nog lomp bejeegnen?

BRANDER.Wacht maar! Er zullen slagen reegnen.

BRANDER.

Wacht maar! Er zullen slagen reegnen.

ALTMEIJERhaalt den prop op zijne plaats uit de tafel; het vuur springt naar hem toe.Ik brand! Ik sta in vlam!

ALTMEIJERhaalt den prop op zijne plaats uit de tafel; het vuur springt naar hem toe.

Ik brand! Ik sta in vlam!

SIEBEL.Ik brand! Ik sta in vlam!’t Is tooverij!Stoot neêr! Die man is vogelvrij!

SIEBEL.

Ik brand! Ik sta in vlam!’t Is tooverij!

Stoot neêr! Die man is vogelvrij!

Zij halen hunne messen uit, en gaan op Mephistopheles los.

MEPHISTOPHELES,met een gebaar van ernst.Een enkel tooverwoordVerandre zin en oord:Wees hier en waar ’t u meer bekoort!

MEPHISTOPHELES,met een gebaar van ernst.

Een enkel tooverwoordVerandre zin en oord:Wees hier en waar ’t u meer bekoort!

Een enkel tooverwoord

Verandre zin en oord:

Wees hier en waar ’t u meer bekoort!

Zij staan verbaasd, en zien elkander aan.

ALTMEIJER.Waar ben ik? Welk een heerlijk land!

ALTMEIJER.

Waar ben ik? Welk een heerlijk land!

KIKKERT.Wijnbergen, zie ik wel?

KIKKERT.

Wijnbergen, zie ik wel?

[79]

SIEBEL.Wijnbergen, zie ik wel?En druiven bij de hand!

SIEBEL.

Wijnbergen, zie ik wel?En druiven bij de hand!

BRANDER.Hier, onder deze wijngaardbosschen,Zie, welke ranken, welke trossen!

BRANDER.

Hier, onder deze wijngaardbosschen,

Zie, welke ranken, welke trossen!

Hij pakt Siebel bij den neus; de anderen doen het wederkeerig elkander, en heffen de messen omhoog.

MEPHISTOPHELES,als boven.O waan, laat los dien tooverband,En zie, hoe Joost u kan verblinden!

MEPHISTOPHELES,als boven.

O waan, laat los dien tooverband,

En zie, hoe Joost u kan verblinden!

SIEBEL.Wat doet ge?

SIEBEL.

Wat doet ge?

ALTMEIJER.Wat doet ge?Wat?

ALTMEIJER.

Wat doet ge?Wat?

KIKKERT.Wat doet ge? Wat?Moet ik uw neus hier vinden?

KIKKERT.

Wat doet ge? Wat?Moet ik uw neus hier vinden?

BRANDER,tot Siebel.En d’ uwen heb ik in mijn hand!

BRANDER,tot Siebel.

En d’ uwen heb ik in mijn hand!

ALTMEIJER.Het was een schok, die al mijn leên deed beven;Ik zijg ter aard—o, wil een stoel mij geven!

ALTMEIJER.

Het was een schok, die al mijn leên deed beven;

Ik zijg ter aard—o, wil een stoel mij geven!

KIKKERT.Maar zeg nu, wat er is geschied!Weet gij het soms? Ik weet het niet.

KIKKERT.

Maar zeg nu, wat er is geschied!

Weet gij het soms? Ik weet het niet.

[80]

SIEBEL.Waar is de vent? Als ik hem maar bespeur,Laat ik hem levend niet vertrekken.

SIEBEL.

Waar is de vent? Als ik hem maar bespeur,

Laat ik hem levend niet vertrekken.

ALTMEIJER.Ik kon hem door de kelderdeurEn rijdende op een vat ontdekken.Mijn voeten zijn zoo zwaar als lood.

ALTMEIJER.

Ik kon hem door de kelderdeur

En rijdende op een vat ontdekken.

Mijn voeten zijn zoo zwaar als lood.

Naar de tafel ziende.

Ik dacht daar, dat de wijn nog vloot.

Ik dacht daar, dat de wijn nog vloot.

SIEBEL.Bedrog was alles, louter schijn.

SIEBEL.

Bedrog was alles, louter schijn.

KIKKERT.’t Kwam mij toch voor, als dronk ik wijn.

KIKKERT.

’t Kwam mij toch voor, als dronk ik wijn.

BRANDER.En ik zag druiven van den Rijn.

BRANDER.

En ik zag druiven van den Rijn.

ALTMEIJER.Zeg nu nog eens, dat er geen wondren zijn!

ALTMEIJER.

Zeg nu nog eens, dat er geen wondren zijn!

[81]


Back to IndexNext