Chapter 7

[Inhoud]Stads-wal.In eene nis een beeld van deMater dolorosa,met bloempotten er voor.GRETE,terwijl zij de potten van versche bloemen voorziet.Beproefde vrouwe!Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!Het zwaard in ’t harte,Vervuld van smarte,Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.Ten Vader wendt gijEn zuchten zendt gijOmhoog om zijn’ en uwen nood.O, wie kan voelenHoe ’t aklig woelenDer smart mij dringt door merg en been!De angst, die mij komt bevangen,Zijn siddren, zijn verlangenKent gij, o vrouwe, gij alleen!Waarheen ik mij ook wende,Ellend, ellend, ellendeAanschouwt alom mijn blik;[149]En is de dag verdwenen,Dan moet ik weenen, weenen,Tot dat ik bijna stik.’k Bedauwde door mijn tranen,Tot in de ziel bedrukt,De vensterruiten, toen ikDees bloemen heb geplukt.Toen reeds de zon vroegtijdigIn mijne kamer scheen,Zat ik in mijne spondeMet mijne ellende alleen.O, red mij toch van schande en dood!Beproefde Vrouwe,Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood![150][Inhoud]Straat voor Margareta’s deur. Het is nacht.VALENTIJN,soldaat, Margareta’s broeder.Als ik voorheen zat bij ’t gelag,Waar menigeen te roemen plag,Hoe hij met een loszinnig hoofdEen meisje had haar bloem ontroofd,En dan, als hij dit had betuigd,Met vol bokaal werd toegejuicht,Dan hoorde ik dat gesnoef eerst aan,En liet de snorkers maar begaan.Maar eindlijk streek ik mij den baard;Ik vulde ’t glas tot aan den rand,En sprak: “Er is in ’t gansche land“Geen, die mijn zuster evenaart,“Of die hare eer zoo heeft bewaard!”—“Top, top! Kling, klang!” zoo ging het rond.“Dat is zoo!” klonk uit ieders mond.“Ze is een sieraad van ’t vrouwendom!”Dan zaten al de pogchers stom.En nu!—Om ’t haar zich uit te rukken,Of aan den wand zich dood te drukken,Met steken, zetten, neusophalenMoet ieder schobbejak mij smalen!’k Zit als een schuldnaar in de boeijenEn moet bij ieder woordje zweeten,En hoe ’k van spijt me ook moog’ vermoeijen,Ik kan hen toch geen loognaars heeten![151]Wat komt daar aan met zachten treê?Heb ik het wel, dan zijn ’t er twee.Hij is ’t! Ik voel mijn woede ontbranden;Hij komt niet levend uit mijn handen!FAUSTenMEPHISTOPHELES.FAUST.Gelijk door ’t venster van de sacristyDaarginds het eeuwge lampje flonkert,Maar ’t schijnsel meer en meer verdonkertTot duisternis en woestenij—Zoo is ’t ook in mijn boezem nacht!MEPHISTOPHELES.Mij is ’t zoo als een katje smacht,Dat zachtjes over daken kruipt,En dan weêr langs de muren sluipt:Ik blijf ook braaf en deugdzaam bijEen beetje stelenslust, een beetje schelmerij.Zoo spookt mij reeds door al de ledenDe heerlijke Walpurgisnacht,Die ons komt na en nader treden,En overmorgen wordt verwacht.FAUST.Komt dan de schat intusschen voor den dag,Dien ik daarginder blinken zag?MEPHISTOPHELES.Gij kunt weldra de vreugd beleven,Dat u het potje wordt gegeven.Ik keek er zoo eens even in:’t Was alles geld—is ’t naar uw zin?FAUST.Geen halssieraad, geen speld of ring,Dat ik mijn liefje als tooi kan schenken?[152]MEPHISTOPHELES.Ik zag daarbij wel zoo een ding,Dat me aan een parelsnoer deed denken.FAUST.Dat is heel goed zoo; zonder ietsKom ik niet graag; want niets is niets.MEPHISTOPHELES.Maar ’t moet u daarom niet verdrietenOok zonder dat iets te genieten.Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.Ik zing haar een regt zedig lied,Om haar te wisser te bekoren.Zingt bij den citer.Wat wilt gij nu,Dat vraag ik u,Zoo vroeg alreê beginnen?Geen boerterij!Gij laat hem blij,Geloof me vrij,Als meisje zeker binnen.Neem u in acht!Als ’t is volbragt,Dan goeden nacht,Gij arme, onnoozle dingen!Haat ge ongerief,Schenk dan uw liefNiets als een dief,Maar wisselt eerst de ringen!VALENTIJNtreedt voor.Wien lokt gij hier, vervloekte vent,[153]Vermaledijde rattenvanger?Eerst naar den duivel ’t instrument!Dan naar den duivel ook de zanger!MEPHISTOPHELES.De citer is kapot; die kon er ook niet tegen.VALENTIJN.Nu zal ik u den mantel vegen!MEPHISTOPHELEStot Faust.Heer doctor, niet geweken! Sta!Sluit aan, en hij zal u niet deren.Trek uit uw degen! geen genâ!Stoot toe nu maar; ik zal pareeren.VALENTIJN.Pareer dan!MEPHISTOPHELES.Pareer dan!Wel, wat gij daar zegt!VALENTIJN.Ook die?MEPHISTOPHELES.Ook die?Gewis!VALENTIJN.Ook die? Gewis!’k Geloof, de duivel vecht.Maar wat is dat? Reeds wordt mijn arm zoo zwak!MEPHISTOPHELES,tot FAUST.Stoot toe!VALENTIJNvalt.Stoot toe!O wee![154]MEPHISTOPHELES.Stoot toe! O wee!Nu is de lummel mak!Maar thans van hier! Ik zie reeds volk genaken;Dus weg, en wel met allen spoed.Ik weet van de politie mij heel goed,Maar niet mij van de bloedban af te maken.Beide vertrekken.MARTHA,aan het venster.Sta bij! sta bij!MARGARETA,aan het venster.Sta bij! sta bij!Welk een geweld!MARTHA,als boven.Men schreeuwt en vecht, men tiert en scheldt!VOLK.Daar ligt al een; die zal niet lang meer leven.MARTHA,de deur uitkomende.Waar zijn de moordenaars gebleven?MARGARETA,mede buiten komende.Wie ligt daar?VOLK.Wie ligt daar?Wel, uw broeder Valentijn.MARGARETA.O Hemel, welk een nieuwe pijn!VALENTIJN.Ik sterf! Dat ’s ligt gezegd voorwaar,En ligter nog gedaan.Wat staat en huilt gij, vrouwen, daar?Komt hier, en hoort mij aan![155]Men schaart zich om hem heen.Gij, Grete, hebt—o, zie mij aan!—Nog geen ervaring opgedaanEn weet niet wat gij doet.Ik zeg hier in vertrouwen u:Gij zijt nu toch een hoer,—wel nu,Zoo wees het dan ook goed.MARGARETA.O broeder! God! versta ’k u wel?VALENTIJN.Laat God den Heer hier uit het spel!Gedaan, helaas, is nu gedaan,En zoo het gaan moet, zal het gaan.Gij vingt het met een enklen aan:Weldra komt twee en drie ter baan;En hebt ge eens een dozijn gehad,Dan heeft u ook de heele stad.Als eerst de schande wordt geboren,Wordt zij in stilte voortgebragt;En zie, den sluijer van den nachtTrekt men haar over kop en ooren;Ja, zelfs wil men van kant haar maken.Maar wast zij op en wordt zij groot,Dan gaat zij over dag ook bloot,Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;Want leelijker wordt haar gezigt,Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,Dat alle brave burgerliên,Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,Als voor de pest op zijde wijken.[156]De wroeging zal aan ’t hart u knagen,Wanneer zij u in de oogen zien;Gij zult geen gouden tooi meer dragen,En ook het bedehuis ontvliên,Met kanten kraag noch andre zakenU ooit weêr bij den dans vermaken,Maar bij geboefte in achterhoekenAl sidderend een schuilplaats zoeken;En moge u dan ook God vergeven,Vervloekt toch zijt gij in dit leven!MARTHA.Legt gij nu alles uit ten kwade?Beveel uw ziel in Gods genade!VALENTIJN.Kon ik, o koplares, terstondDe tong u rukken uit den mond,Ik had voorwaar voor al mijn zondenVergiffenis bij God gevonden!MARGARETA.O broeder! o, ’k voel mij zoo naar!VALENTIJN.Ik bid u, laat die tranen daar!Dat gij uwe eer vertradt in ’t stof,Was de ergste hartsteek, die mij trof.Ik ga nu met een vast geloovenAls braaf soldaat naar God hierboven.Hij sterft.[157][Inhoud]Hoofdkerk.Dienst. Orgel en gezang.MARGARETAonder de menigte.BOOZE GEESTachter haar.BOOZE GEEST.Hoe anders, Grete, was ’t u,Toen gij nog vol onschuldHier bij het altaar tradt,En uit het oude boekjeGebeden laast,Half kinderspel,Half God in ’t hart,Grete!Hoe staat u ’t hoofd?En in uw harte,Welke misdaad!Bidt gij nu voor de ziel van uwe moeder,Die door uw toedoen is in ’t graf gedaald?Wier bloed kleeft op uw drempel?En wat draagt ge onder ’t harte?Zeg, wat beweegt zich daar,En ziet, vol angst en vrees,De toekomst te gemoet?MARGARETA.Wee, wee!Hoe raak ik van die angsten vrij,[158]Die mij bevangen, en zich tegen mijDoen hooren!KOOR.Dies irae, dies illaSolvet seclum in favilla.Orgelspel.BOOZE GEEST.Hoor, vol ontzetting,’t Bazuingeschal;De graven beven,En uw hart,In asch begraven,Tot helsche pijnenWeêr opgedolven,Beeft ook!MARGARETA.Was ik maar hier van daan!’t Is of het orgelspelDen adem mij beneemt,’t Gezang mijn hartIn mij doet smelten!KOOR.Judex ergo cum sedebit,Quidquid latet adparebit,Nil inultum remanebit.MARGARETA.’t Wordt mij benaauwd!De muurpilarenBeknellen mij!’t Gewelf omhoogValt op mij neder!—Lucht![159]BOOZE GEEST.Verberg u! Zonde en schandeBlijft niet verborgen.Lucht! Licht!Wee u!KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?Quem patronum regaturus?Cum vix justus sit securus?1BOOZE GEEST.Hun aanschijn wendenDe zaalgen van u afDe reinen vreezenU aan te raken.Wee!KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?MARGARETA.Buurvrouw, uw fleschje!Zij bezwijmt.[160]1Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17 strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende![Inhoud]Walpurgisnacht.Hartsgebergte.FAUSTenMEPHISTOPHELES.MEPHISTOPHELES.Verlangt gij niet een bezemstok?Ik wenschte wel een fermen bok;Wij zijn zeer ver nog van het doel.FAUST.Zoo lang ik mij nog wel ter been gevoel,Word ik door ongeduld niet aangepord.Wat helpt het, of men zich den weg verkort?In deze kronkelende dalenOf in die rotsen te verdwalen,Van waar de bergstroom nederstort,Dat is de saus, waardoor zoo’n wandling smaaklijk wordt.De lente weeft reeds in de berken,En zelfs de pijnboom voelt haar al;Zou zij dan ook op ons niet werken?MEPHISTOPHELES.Voorwaar, ik merk nog niemendal;Ik heb den winter nog in ’t lijf,En wenschte sneeuw en vorst op mijne baan.Hoe treurig stijgt daar de onvolkomen schijfOmhoog der laat reeds opgekomen maan,[161]En schijnt zoo flaauw, dat men bij ieder tredLigt tegen boom of rots-uitstek belandt.Vergun mij dat een dwaallicht ons hier redd’!Daar zie ’k een, dat juist vrolijk brandt.Heidaar, mijn vriend! Mag ’k u wel hier verzoeken?Geen nut toch sticht ge in achterhoeken.Och, licht eens hier naar dezen kant!DWAALLICHT.Uit eerbied, hoop ik, zal het mij gelukkenMijn vlugheid zoo veel mooglijk te onderdrukken;Maar onze loop zwaait als een lanterfant.MEPHISTOPHELES.Ei, ei! Gij denkt de menschen na te âmen!Ga regtuit, of, bij alle duivelsnamen,Ik blaas uw licht uit, kort en goed!DWAALLICHT.Gij zijt hier baas, naar ik bevroed,En ’k wil mij gaarne naar u schikken;Maar denk, de berg is heden dol en mal,En als een dwaallicht u den weg dus wijzen zal,Moet ge alles zoo precies niet wikken.FAUST, MEPHISTOPHELES, DWAALLICHT,in beurtzang.In de droom- en tooverspheerZijn wij, schijnt wel, nu getreden.Leid ons goed, dit zij uwe eer!Dat wij zonder tegenhedenSpoedig bij de heksen komen!Zie die boomen achter boomenSchielijk ver en verder rukken!En die klippen, zie ze eens bukken![162]En die lange steenrots-neuzen,Hoor ze eens snorken, net als reuzen!Door de steenen, die zij kneuzen,Snellen beek en beekje neder.Hoor ik liedren, zacht en teeder?Hoor ’k daar zoete minneklagtenJuist als in dien heiltijd smachten?Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!En ons hopen en ons minnenAlles kaatst ons de echo weder.Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;Steenuil, kaauw en meerkol bassen;Allen zitten in die struiken.Zie ’k geen mooliken daar duiken?Lange beenen, dikke buiken!En die wortels, als de slangen,Winden zich uit zand en rotsen,Maken wonderlijke potsen,Om ons, zoo verschrikt, te vangen;En uit levende eikenlotenStrekken de polypenpootenNaar den wandelaar zich uit.En die duizendkleurge muizen,Die door heide en mos verhuizen!En die glimmerwormpjes zwevenWolk bij wolk als voortgedreven,Dat het ons om de ooren fluit.Maar zeg nu eens of wij stilstaan,Dan wel verder op den dril gaan?Alles schijnt in ’t rond te draaijen;Rotsen, boomen, allen trekkenMalle tronies, scheeve bekken.Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen![163]MEPHISTOPHELES.Pak mij stevig bij den staart!Hier is juist een gat in de aard,Waar men ginder in ’t verschiet’t Gloeijen van den Mammon ziet.FAUST.Hoe zeldzaam blinkt door de aardkorst henenEen flaauwe, roode morgengloor!Men ziet, door vreemden glans beschenen,Tot in het diepst van d’ afgrond door.Hier stijgt de rook; daar trekken dampen;Hier schijnt de gloed door knoest en kluit;Nu heeft zijn loop met niets te kampen,Dan breekt hij als een vuurberg uit.Hier slingert hij zich, zonder hinder,Door ’t dal met honderd adren heen,En dan weêr in dien hoek daarginderKomt alles tot een klomp bijeen.Daar spatten allerwege vonkenAls uitgeworpen gouden zand;Maar zie, daar bij die twee spelonkenGeraakt de rots geheel in brand!MEPHISTOPHELES.Verlicht bij feesten, zoo als heden,Heer Mammon niet zijn prachtig huis?Maar stil! Ik hoor met veel gedruischAlreê de gasten nader treden!FAUST.Hoor, hoe de stormwind door ’t gebergte snort!Zie, hoe die boomen nedersmakken![164]MEPHISTOPHELES.Gij moet de rots bij de oude ribben pakken,Daar ge anders in den afgrond nederstort.Een nevel verdikt nog de nacht;Het loeijen verheft zich met kracht.Hoe vliegen en krassen die uilen!Hoe kraken en breken de zuilenVan groene paleizen! Hoe huilenDe winden met grootere woede!Hier wordt men regt aaklig te moede.Het barst en het knarst en het knettert,Of alles in ’t rond wordt verpletterd,En over het puin in de kolkenDaar jagen en gieren de wolken.Zeg! Hoort gij ’t gezang in de lucht wel,En achter en voor ons ’t gezucht wel?Dus krijschen en gillen zoo naar en zoo bangDe woedende heksen haar toovergezang.HEKSEN,in koor.De heksen naar den Bloksberg spoên;Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.De groote hoop zal henengaan;Voorop ziet men heer Uriaan.Zoo vliegen over steen en stokOp bezemsteelen heks en bok.EENE STEM.Ook de oude Baubo komt meteen,En rijdt nu op een zeug alleen.KOOR.Zij zij geëerd dan en geacht.Vrouw Baubo worde voorgebragt!Een zeug eerst, en haar moêr daarop,Dan volgt het ovrige in galop.[165]EENE STEM.Van waar komt gij?ANDERE STEM.Van waar komt gij?Van de Ilzenfest.Daar keek ik in een uilennest;Één spalkte wijd zijn kijkers open.EERSTE STEM.Wil naar de hel voor mijn part loopen!ANDERE STEM.Mij heeft zij geschonden;Zie maar eens mijn wonden!HEKSEN,in koor.De weg is breed, de weg is lang.Wat is dat voor een dol gedrang?De hooivork steekt, de bezem knarst,Het kind verstikt, de moeder barst.HET HALVE KOOR.Wij sluipen eerst gelijk de slak;De vrouwen vormen ’t eerste koor:Dan gaat het naar den bullebak;De vrouw heeft duizend schreden voor.DE ANDERE HELFT.Laat elk zich op zijn wijze spoên:De vrouw heeft duizend schreên van doen;Maar hoe zij ook zich haasten kan,Een enkle sprong—daar is de man!EENE STEM VAN BOVEN.Kom meê, kom meê, gij daar beneên![166]STEMMEN VAN BENEDEN.Wij wilden graag naar boven heen.Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,Maar ook onvruchtbaar voor altijd.BEIDE KOREN.De wind wordt stil, de sterren vliên;De maan wordt haast niet meer gezien.Het tooverheer spat in zijn drafWel duizend vonken van zich af.STEM VAN BENEDEN.Heidaar! O, wacht eens even!STEM VAN BOVEN.Wie maakt daar zulk een leven?STEM VAN BENEDEN.Neem mede mij! Ach, doe het maar!Ik klim nu reeds driehonderd jaar,En kan den top maar niet bereiken.Ik was zoo graag bij mijns gelijken.BEIDE KOREN.De bezem draagt; ook draagt de stok;De hooivork draagt, en ook de bok:Wie nu niet hooger komen kan,Blijft eeuwig een verloren man.HALVE HEKS,beneden.Ik hink zoo lang reeds achteraan.Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!Ik heb geen rust, wat ik ook doe,En kom er hier toch ook niet toe.[167]KOOR DER HEKSEN.De zalf geeft alle heksen moed;Een lap is voor een zeil nog goed,Voor schip een baktrog, als men ziet;Wie thans niet vliegt, die kan het niet.BEIDE KOREN.Zoodra wij vliegen om den top,Zet u beneên dan in galop,En overdekt de heide alomMet uwen zwerm van ’t heksendom.Zij dalen af.MEPHISTOPHELES.Dat dringt en stoot, dat vliegt en klappert,Dat sist en kirt, dat trekt en knappert,Dat spat en stinkt, dat draaft en rent:’t Is met regt een heksen-element.Hier, Faust! Houd u maar hieromtrent!Waar zijt ge?FAUST,in de verte.Waar zijt ge?Hier!MEPHISTOPHELES.Waar zijt ge? Hier!Hoe? Reeds in gindsche struiken?Dan zal ’k mijn huisregt maar gebruiken!Plaats! Jonker Voland komt! Plaats allen, oud en jong!Hier, doctor! Pak mij aan, en nu een enklen sprong,Opdat wij gaauw ’t gedrang ontwijken!’t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken.Daarginder schittert iets met ongemeenen schijn.Die struiken in! Daar zal ’t u blijken,Dat wij volkomen veilig zijn.[168]FAUST.Gij, geest van tegenspraak! ga voort met mij te leiden.’t Schijnt wel, hier kent gij weg en steg.Wij zijn nu naar den Bloksberg toch op weg,Om daar ons een stil plekje te bereiden.MEPHISTOPHELES.Zie, hoe die vlammen licht verspreiden!Een vrolijk kransje is daar bijeen:In ’t kleine is niemand ooit alleen.FAUST.Ik was toch liever op dien top.Hoe kronklen gloed en rook zich op!Daar ze allen naar den duivel loopen,Moet menig raadsel zich ontknoopen.MEPHISTOPHELES.Maar menig doet zich weder op.Laat maar de groote wereld draven;Wij zullen hier in stilte ons laven.Men weet toch lang en ’t is al oud,Dat m’ in de groote wereld kleine bouwt.Daar zie ik jonge heksen naakt en bloot,En oude, die zich wijselijk bedekken;Het is om mij, en ’k wil er niet meê gekken:De moeite is klein, de grap is groot.Ik hoor al menig instrument;’t Is leelijk, maar daar raakt men aan gewend.Kom gaauw nu meê, en scherp uw zinnen;Ik ga vooruit en leid u binnen,En stel u aan ’t gezelschap voor.Wat zegt ge nu? Dat is geen smaldoek, hoor!Kijk maar eens toe! Naauw is het eind te aanschouwen,En honderd vuren lichten als flambouwen.[169]Men kookt, men drinkt, men danst, men snapt, men gilt—Zeg mij eens, hoe gij ’t beter hebben wilt!FAUST.Wilt ge u nu, om ons hier te introduceeren,Als toovenaar of duivel produceeren?MEPHISTOPHELES.’k Bewaar ’t incognito wel meestal waar ik kom,Doch op galadag doet men al zijne ordes om.Met ster of kouseband ben ’k een, die niets beduidt;Maar met een paardevoet zie ik er deftig uit.Ziet gij dat diertje, met die voelhoorns opgestoken?Het is een slak, zoo als ge ziet.Zij heeft mij nu alreeds geroken;Al wil ik, hier verloochen ik mij niet.Kom! Wij gaan vuur aan vuur bekijken;Ik vraag de bruid, gij gaat er mede strijken.Tot eenigen, die voor halfuitgegane kolen zitten.Zeg, oude heeren! Zit gij hier te droomen?Gij moest in ’t midden liever komen,Met jonge heksen om u heen;Gij zijt genoeg toch te huis alleen.EEN GENERAAL.Wie mag op natiën vertrouwen,Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!Want bij het volk, als bij de vrouwen,Staat steeds de jonkheid boven aan.EEN MINISTER.Thans is men van het regte spoor, helaas!Ik prijs den tijd, den goeden ouden,Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;Want toen was hij en waren wij de baas.[170]EEN PARVENU.En wij, wij waren ook niet domEn weerden ons in ’t zamenspannen;Maar nu keert zich het blaadjen om,En weg zijn onze mooije plannen!EEN AUTEUR.Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,Waar maar een weinig in zit, lezen!En ’t jonge volkje—lieve tijd!Zoo neuswijs was het nooit voordezen!MEPHISTOPHELES,die er op eens zeer oud uitziet.’k Voel dat ten jongsten dag gerijpt is al wat leeft,Nu ik voor ’t laatst mijn schreden herwaarts wende;En wijl mijn vaatje weinig vochts meer geeft,Zoo loopt de wereld ook ten ende.EENE OUDSKOOP-HEKS.O heeren, spoedt u niet zoo voort!Laat de gelegenheid niet varen!O, werpt een blik op mijne waren;Ik heb van allerhande soort.Toch heb ik niets, hoe men ook smade,Wat niet eens menschen eerzucht wekt,En niet eens heeft tot groote schadeDer wereld en den mensch gestrekt.Geen dolk, waarvan het bloed niet heeft gevloten;Geen kelk, waaruit in eens gezonden lijf’t Verterend gift niet is gegoten;Geen tooisel, dat niet een beminnend wijfVerleid, geen zwaard, dat geen verbond verbroken,Of niet ter sluips een vijand heeft doorstoken.[171]MEPHISTOPHELES.Hoor, bestemoêr! gij weet niet meer te leven.Wat vroeger was, is nu gedaan.Wil liever eens wat nieuws ons geven;Slechts nieuwigheden trekken aan.FAUST.Dat mag ik in mijn zak wel steken;’k Heb nooit zoo mooi nog hooren preeken.MEPHISTOPHELES.Daar gaat nu heel de troep naar boven;Gij schuift, denkt ge, en gij wordt geschoven.FAUST.Maar wie is dat daarginder? Zeg!MEPHISTOPHELES.Maar wie is dat daarginder? Zeg!BeschouwHaar goed. ’t Is Lilith, Adams eerste vrouw.Neem u in acht voor hare schoone haren;Dit tooisel is gevaarlijk voor een man:Als zij daarmeê een jongling vangen kan,Laat zij hem niet zoo ligt weêr varen.FAUST.Daar zitten twee, een oude met haar jong;De laatste deed reeds menig sprong.MEPHISTOPHELES.Dat heeft van daag geen rust of vreê!De dans begint alweêr. Kom, gaauw! wij doen ook meê.FAUST,met de jonge heks dansende.’k Had eens een aangenamen droom.[172]Ik zag een grooten appelboom;Twee appels kreeg ik in het oog;Ik vond ze mooi, en klom omhoog.DE JONGE HEKS.Van appels was ’k altijd vriendin,Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,Ook appels in mijn tuintje zien.MEPHISTOPHELES,met de oude heks.’k Had eens een onpleiziergen droom.Ik zag een ouden, dorren boom:Het scheen wel halve hekserij;Want ook, hoe oud, beviel hij mij.DE OUDE HEKS.Ik bied u gaarne mijnen groet,Gij, ridder van den paardenvoet!Vreest gij geen ouden, dorren stam,Dan ben ook ik u niet te stram.EEN LIJDER AAN VERSTOPPINGEN.Vervloekt gespuis! wat maakt u toch zoo koen?Een geest, gij hadt het weten moeten,Staat niet op ordinaire voeten:Nu danst gij zelfs, zoo als wij menschen doen.DE JONGE HEKS,dansende.Wat moet die man daar op ons bal?FAUST,dansende.Och! die is hier en overal;Die meent de alwijsheid te bezitten.Kan hij niet ieder pas bevitten,Dan is de pas zoo goed als niet gedaan.[173]Het slechtst is hij gemutst, wanneer wij voorwaarts gaan.Wanneer ge u juist zoo rond wilt draaijen,Als hij het in zijn ouden molen doet,Dan vindt hij ’t nog al reedlijk goed,Vooral zoo gij hem ook wat lof weet toe te zwaaijen.DE VERSTOPPING-LIJDER.Zijt gij daar nog, gij hellewicht?Verdwijn! Wij hebben ’t menschdom nu verlicht.Dat duivelstuig vraagt naar geen wet of regel;Wij weten ’t zoo, en ’t steekt toch als een egel.Hoe lang toch riep ik tegen elk bedrog!Maar ’t baat niet. Zie, dat ergert iemand toch.DE JONGE HEKS.Schei uit toch met ons hier zoo te vervelen!DE VERSTOPPING-LIJDER.Ik zeg u, geesten, houdt u stil,Daar ik geen geestendespotisme wil;Mijn geest kan in dien waan niet deelen.Er wordt voortgedanst.Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken;Maar ’k doe het togtje altijd toch meê,En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê,Den duivel en de dichters te doen bukken.MEPHISTOPHELES.Hij zal zich in een drekplas nedervlijen,Zoo is hij nog op zijn gemak het meest,En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen;Dan is hij vrij van geesten en van geest.Tot Faust, die uit den dansrei getreden is.Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen,Dat bij den dans zoo aardig zong?[174]FAUST.Ach! Midden onder ’t zingen sprongEen roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.MEPHISTOPHELES.Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren!Wie zal toch aan een muisje, rood geboren,Zich in een herdersuurtje storen!FAUST.Dan zag ik.…MEPHISTOPHELES.Dan zag ik.…Wat?FAUST.Dan zag ik.… Wat?Mephisto, zie eens aan!Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan?Zij schijnt haar schreden in te toomen,En kan haast van de plaats niet komen.Ik moet bekennen—vindt gij niet?—’t Is juist alsof men Grete ziet.MEPHISTOPHELES.Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet;’t Is maar verbeelding wat gij ziet.Er op te turen, is niet goed;Dat geeft maar stremming in het bloed;Ja, men versteent soms van zoo iets.… Maar och,De fabel van Medusa kent gij toch!FAUST.Voorwaar, het is een meisje, bij wier doodHaar de oogen een beminde hand niet sloot.Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken,Mij alles, alles heeft geschonken![175]MEPHISTOPHELES.Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor;Want ieder komt zij als zijn liefje voor.FAUST.O, welk een lijden! welk verrukken!Ik kan daarvan niet los mij rukken!En zonderling! Die roode strookOm haren hals, die, naar ik gis,Niet breeder dan een mesrug is.…MEPHISTOPHELES.Gij hebt gelijk; ik zie het ook.Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen;Want Perseus heeft het afgeslagen.…Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top!Kom! Gaauw dat heuveltje nu op!Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater!En ben ik niet behekst of blind,Dan zie ik waarlijk een theater.Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?EEN DIENSTDOENDE GEEST.Dat men zoo aanstonds weêr begint.Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven,Die wij hier elken avond geven.Een dilettant heeft het geschreven,En dilettanten spelen ’t vlug en snel.Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren,En voor ’t gordijn-ophalen schel!MEPHISTOPHELES.Dat ik u hier moet rencontreeren,Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.[176]

[Inhoud]Stads-wal.In eene nis een beeld van deMater dolorosa,met bloempotten er voor.GRETE,terwijl zij de potten van versche bloemen voorziet.Beproefde vrouwe!Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!Het zwaard in ’t harte,Vervuld van smarte,Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.Ten Vader wendt gijEn zuchten zendt gijOmhoog om zijn’ en uwen nood.O, wie kan voelenHoe ’t aklig woelenDer smart mij dringt door merg en been!De angst, die mij komt bevangen,Zijn siddren, zijn verlangenKent gij, o vrouwe, gij alleen!Waarheen ik mij ook wende,Ellend, ellend, ellendeAanschouwt alom mijn blik;[149]En is de dag verdwenen,Dan moet ik weenen, weenen,Tot dat ik bijna stik.’k Bedauwde door mijn tranen,Tot in de ziel bedrukt,De vensterruiten, toen ikDees bloemen heb geplukt.Toen reeds de zon vroegtijdigIn mijne kamer scheen,Zat ik in mijne spondeMet mijne ellende alleen.O, red mij toch van schande en dood!Beproefde Vrouwe,Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood![150]

Stads-wal.In eene nis een beeld van deMater dolorosa,met bloempotten er voor.GRETE,terwijl zij de potten van versche bloemen voorziet.Beproefde vrouwe!Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!Het zwaard in ’t harte,Vervuld van smarte,Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.Ten Vader wendt gijEn zuchten zendt gijOmhoog om zijn’ en uwen nood.O, wie kan voelenHoe ’t aklig woelenDer smart mij dringt door merg en been!De angst, die mij komt bevangen,Zijn siddren, zijn verlangenKent gij, o vrouwe, gij alleen!Waarheen ik mij ook wende,Ellend, ellend, ellendeAanschouwt alom mijn blik;[149]En is de dag verdwenen,Dan moet ik weenen, weenen,Tot dat ik bijna stik.’k Bedauwde door mijn tranen,Tot in de ziel bedrukt,De vensterruiten, toen ikDees bloemen heb geplukt.Toen reeds de zon vroegtijdigIn mijne kamer scheen,Zat ik in mijne spondeMet mijne ellende alleen.O, red mij toch van schande en dood!Beproefde Vrouwe,Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood![150]

Stads-wal.

In eene nis een beeld van deMater dolorosa,met bloempotten er voor.

GRETE,terwijl zij de potten van versche bloemen voorziet.Beproefde vrouwe!Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!Het zwaard in ’t harte,Vervuld van smarte,Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.Ten Vader wendt gijEn zuchten zendt gijOmhoog om zijn’ en uwen nood.O, wie kan voelenHoe ’t aklig woelenDer smart mij dringt door merg en been!De angst, die mij komt bevangen,Zijn siddren, zijn verlangenKent gij, o vrouwe, gij alleen!Waarheen ik mij ook wende,Ellend, ellend, ellendeAanschouwt alom mijn blik;[149]En is de dag verdwenen,Dan moet ik weenen, weenen,Tot dat ik bijna stik.’k Bedauwde door mijn tranen,Tot in de ziel bedrukt,De vensterruiten, toen ikDees bloemen heb geplukt.Toen reeds de zon vroegtijdigIn mijne kamer scheen,Zat ik in mijne spondeMet mijne ellende alleen.O, red mij toch van schande en dood!Beproefde Vrouwe,Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!

GRETE,terwijl zij de potten van versche bloemen voorziet.

Beproefde vrouwe!Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!Het zwaard in ’t harte,Vervuld van smarte,Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.Ten Vader wendt gijEn zuchten zendt gijOmhoog om zijn’ en uwen nood.O, wie kan voelenHoe ’t aklig woelenDer smart mij dringt door merg en been!De angst, die mij komt bevangen,Zijn siddren, zijn verlangenKent gij, o vrouwe, gij alleen!Waarheen ik mij ook wende,Ellend, ellend, ellendeAanschouwt alom mijn blik;[149]En is de dag verdwenen,Dan moet ik weenen, weenen,Tot dat ik bijna stik.’k Bedauwde door mijn tranen,Tot in de ziel bedrukt,De vensterruiten, toen ikDees bloemen heb geplukt.Toen reeds de zon vroegtijdigIn mijne kamer scheen,Zat ik in mijne spondeMet mijne ellende alleen.O, red mij toch van schande en dood!Beproefde Vrouwe,Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!

Beproefde vrouwe!Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!

Beproefde vrouwe!

Zie in uw rouwe

Genadig neder op mijn nood!

Het zwaard in ’t harte,Vervuld van smarte,Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.

Het zwaard in ’t harte,

Vervuld van smarte,

Aanschouwt ge uw zoon in zijnen dood.

Ten Vader wendt gijEn zuchten zendt gijOmhoog om zijn’ en uwen nood.

Ten Vader wendt gij

En zuchten zendt gij

Omhoog om zijn’ en uwen nood.

O, wie kan voelenHoe ’t aklig woelenDer smart mij dringt door merg en been!

O, wie kan voelen

Hoe ’t aklig woelen

Der smart mij dringt door merg en been!

De angst, die mij komt bevangen,Zijn siddren, zijn verlangenKent gij, o vrouwe, gij alleen!

De angst, die mij komt bevangen,

Zijn siddren, zijn verlangen

Kent gij, o vrouwe, gij alleen!

Waarheen ik mij ook wende,Ellend, ellend, ellendeAanschouwt alom mijn blik;

Waarheen ik mij ook wende,

Ellend, ellend, ellende

Aanschouwt alom mijn blik;

[149]

En is de dag verdwenen,Dan moet ik weenen, weenen,Tot dat ik bijna stik.

En is de dag verdwenen,

Dan moet ik weenen, weenen,

Tot dat ik bijna stik.

’k Bedauwde door mijn tranen,Tot in de ziel bedrukt,De vensterruiten, toen ikDees bloemen heb geplukt.

’k Bedauwde door mijn tranen,

Tot in de ziel bedrukt,

De vensterruiten, toen ik

Dees bloemen heb geplukt.

Toen reeds de zon vroegtijdigIn mijne kamer scheen,Zat ik in mijne spondeMet mijne ellende alleen.

Toen reeds de zon vroegtijdig

In mijne kamer scheen,

Zat ik in mijne sponde

Met mijne ellende alleen.

O, red mij toch van schande en dood!Beproefde Vrouwe,Zie in uw rouweGenadig neder op mijn nood!

O, red mij toch van schande en dood!

Beproefde Vrouwe,

Zie in uw rouwe

Genadig neder op mijn nood!

[150]

[Inhoud]Straat voor Margareta’s deur. Het is nacht.VALENTIJN,soldaat, Margareta’s broeder.Als ik voorheen zat bij ’t gelag,Waar menigeen te roemen plag,Hoe hij met een loszinnig hoofdEen meisje had haar bloem ontroofd,En dan, als hij dit had betuigd,Met vol bokaal werd toegejuicht,Dan hoorde ik dat gesnoef eerst aan,En liet de snorkers maar begaan.Maar eindlijk streek ik mij den baard;Ik vulde ’t glas tot aan den rand,En sprak: “Er is in ’t gansche land“Geen, die mijn zuster evenaart,“Of die hare eer zoo heeft bewaard!”—“Top, top! Kling, klang!” zoo ging het rond.“Dat is zoo!” klonk uit ieders mond.“Ze is een sieraad van ’t vrouwendom!”Dan zaten al de pogchers stom.En nu!—Om ’t haar zich uit te rukken,Of aan den wand zich dood te drukken,Met steken, zetten, neusophalenMoet ieder schobbejak mij smalen!’k Zit als een schuldnaar in de boeijenEn moet bij ieder woordje zweeten,En hoe ’k van spijt me ook moog’ vermoeijen,Ik kan hen toch geen loognaars heeten![151]Wat komt daar aan met zachten treê?Heb ik het wel, dan zijn ’t er twee.Hij is ’t! Ik voel mijn woede ontbranden;Hij komt niet levend uit mijn handen!FAUSTenMEPHISTOPHELES.FAUST.Gelijk door ’t venster van de sacristyDaarginds het eeuwge lampje flonkert,Maar ’t schijnsel meer en meer verdonkertTot duisternis en woestenij—Zoo is ’t ook in mijn boezem nacht!MEPHISTOPHELES.Mij is ’t zoo als een katje smacht,Dat zachtjes over daken kruipt,En dan weêr langs de muren sluipt:Ik blijf ook braaf en deugdzaam bijEen beetje stelenslust, een beetje schelmerij.Zoo spookt mij reeds door al de ledenDe heerlijke Walpurgisnacht,Die ons komt na en nader treden,En overmorgen wordt verwacht.FAUST.Komt dan de schat intusschen voor den dag,Dien ik daarginder blinken zag?MEPHISTOPHELES.Gij kunt weldra de vreugd beleven,Dat u het potje wordt gegeven.Ik keek er zoo eens even in:’t Was alles geld—is ’t naar uw zin?FAUST.Geen halssieraad, geen speld of ring,Dat ik mijn liefje als tooi kan schenken?[152]MEPHISTOPHELES.Ik zag daarbij wel zoo een ding,Dat me aan een parelsnoer deed denken.FAUST.Dat is heel goed zoo; zonder ietsKom ik niet graag; want niets is niets.MEPHISTOPHELES.Maar ’t moet u daarom niet verdrietenOok zonder dat iets te genieten.Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.Ik zing haar een regt zedig lied,Om haar te wisser te bekoren.Zingt bij den citer.Wat wilt gij nu,Dat vraag ik u,Zoo vroeg alreê beginnen?Geen boerterij!Gij laat hem blij,Geloof me vrij,Als meisje zeker binnen.Neem u in acht!Als ’t is volbragt,Dan goeden nacht,Gij arme, onnoozle dingen!Haat ge ongerief,Schenk dan uw liefNiets als een dief,Maar wisselt eerst de ringen!VALENTIJNtreedt voor.Wien lokt gij hier, vervloekte vent,[153]Vermaledijde rattenvanger?Eerst naar den duivel ’t instrument!Dan naar den duivel ook de zanger!MEPHISTOPHELES.De citer is kapot; die kon er ook niet tegen.VALENTIJN.Nu zal ik u den mantel vegen!MEPHISTOPHELEStot Faust.Heer doctor, niet geweken! Sta!Sluit aan, en hij zal u niet deren.Trek uit uw degen! geen genâ!Stoot toe nu maar; ik zal pareeren.VALENTIJN.Pareer dan!MEPHISTOPHELES.Pareer dan!Wel, wat gij daar zegt!VALENTIJN.Ook die?MEPHISTOPHELES.Ook die?Gewis!VALENTIJN.Ook die? Gewis!’k Geloof, de duivel vecht.Maar wat is dat? Reeds wordt mijn arm zoo zwak!MEPHISTOPHELES,tot FAUST.Stoot toe!VALENTIJNvalt.Stoot toe!O wee![154]MEPHISTOPHELES.Stoot toe! O wee!Nu is de lummel mak!Maar thans van hier! Ik zie reeds volk genaken;Dus weg, en wel met allen spoed.Ik weet van de politie mij heel goed,Maar niet mij van de bloedban af te maken.Beide vertrekken.MARTHA,aan het venster.Sta bij! sta bij!MARGARETA,aan het venster.Sta bij! sta bij!Welk een geweld!MARTHA,als boven.Men schreeuwt en vecht, men tiert en scheldt!VOLK.Daar ligt al een; die zal niet lang meer leven.MARTHA,de deur uitkomende.Waar zijn de moordenaars gebleven?MARGARETA,mede buiten komende.Wie ligt daar?VOLK.Wie ligt daar?Wel, uw broeder Valentijn.MARGARETA.O Hemel, welk een nieuwe pijn!VALENTIJN.Ik sterf! Dat ’s ligt gezegd voorwaar,En ligter nog gedaan.Wat staat en huilt gij, vrouwen, daar?Komt hier, en hoort mij aan![155]Men schaart zich om hem heen.Gij, Grete, hebt—o, zie mij aan!—Nog geen ervaring opgedaanEn weet niet wat gij doet.Ik zeg hier in vertrouwen u:Gij zijt nu toch een hoer,—wel nu,Zoo wees het dan ook goed.MARGARETA.O broeder! God! versta ’k u wel?VALENTIJN.Laat God den Heer hier uit het spel!Gedaan, helaas, is nu gedaan,En zoo het gaan moet, zal het gaan.Gij vingt het met een enklen aan:Weldra komt twee en drie ter baan;En hebt ge eens een dozijn gehad,Dan heeft u ook de heele stad.Als eerst de schande wordt geboren,Wordt zij in stilte voortgebragt;En zie, den sluijer van den nachtTrekt men haar over kop en ooren;Ja, zelfs wil men van kant haar maken.Maar wast zij op en wordt zij groot,Dan gaat zij over dag ook bloot,Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;Want leelijker wordt haar gezigt,Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,Dat alle brave burgerliên,Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,Als voor de pest op zijde wijken.[156]De wroeging zal aan ’t hart u knagen,Wanneer zij u in de oogen zien;Gij zult geen gouden tooi meer dragen,En ook het bedehuis ontvliên,Met kanten kraag noch andre zakenU ooit weêr bij den dans vermaken,Maar bij geboefte in achterhoekenAl sidderend een schuilplaats zoeken;En moge u dan ook God vergeven,Vervloekt toch zijt gij in dit leven!MARTHA.Legt gij nu alles uit ten kwade?Beveel uw ziel in Gods genade!VALENTIJN.Kon ik, o koplares, terstondDe tong u rukken uit den mond,Ik had voorwaar voor al mijn zondenVergiffenis bij God gevonden!MARGARETA.O broeder! o, ’k voel mij zoo naar!VALENTIJN.Ik bid u, laat die tranen daar!Dat gij uwe eer vertradt in ’t stof,Was de ergste hartsteek, die mij trof.Ik ga nu met een vast geloovenAls braaf soldaat naar God hierboven.Hij sterft.[157]

Straat voor Margareta’s deur. Het is nacht.VALENTIJN,soldaat, Margareta’s broeder.Als ik voorheen zat bij ’t gelag,Waar menigeen te roemen plag,Hoe hij met een loszinnig hoofdEen meisje had haar bloem ontroofd,En dan, als hij dit had betuigd,Met vol bokaal werd toegejuicht,Dan hoorde ik dat gesnoef eerst aan,En liet de snorkers maar begaan.Maar eindlijk streek ik mij den baard;Ik vulde ’t glas tot aan den rand,En sprak: “Er is in ’t gansche land“Geen, die mijn zuster evenaart,“Of die hare eer zoo heeft bewaard!”—“Top, top! Kling, klang!” zoo ging het rond.“Dat is zoo!” klonk uit ieders mond.“Ze is een sieraad van ’t vrouwendom!”Dan zaten al de pogchers stom.En nu!—Om ’t haar zich uit te rukken,Of aan den wand zich dood te drukken,Met steken, zetten, neusophalenMoet ieder schobbejak mij smalen!’k Zit als een schuldnaar in de boeijenEn moet bij ieder woordje zweeten,En hoe ’k van spijt me ook moog’ vermoeijen,Ik kan hen toch geen loognaars heeten![151]Wat komt daar aan met zachten treê?Heb ik het wel, dan zijn ’t er twee.Hij is ’t! Ik voel mijn woede ontbranden;Hij komt niet levend uit mijn handen!FAUSTenMEPHISTOPHELES.FAUST.Gelijk door ’t venster van de sacristyDaarginds het eeuwge lampje flonkert,Maar ’t schijnsel meer en meer verdonkertTot duisternis en woestenij—Zoo is ’t ook in mijn boezem nacht!MEPHISTOPHELES.Mij is ’t zoo als een katje smacht,Dat zachtjes over daken kruipt,En dan weêr langs de muren sluipt:Ik blijf ook braaf en deugdzaam bijEen beetje stelenslust, een beetje schelmerij.Zoo spookt mij reeds door al de ledenDe heerlijke Walpurgisnacht,Die ons komt na en nader treden,En overmorgen wordt verwacht.FAUST.Komt dan de schat intusschen voor den dag,Dien ik daarginder blinken zag?MEPHISTOPHELES.Gij kunt weldra de vreugd beleven,Dat u het potje wordt gegeven.Ik keek er zoo eens even in:’t Was alles geld—is ’t naar uw zin?FAUST.Geen halssieraad, geen speld of ring,Dat ik mijn liefje als tooi kan schenken?[152]MEPHISTOPHELES.Ik zag daarbij wel zoo een ding,Dat me aan een parelsnoer deed denken.FAUST.Dat is heel goed zoo; zonder ietsKom ik niet graag; want niets is niets.MEPHISTOPHELES.Maar ’t moet u daarom niet verdrietenOok zonder dat iets te genieten.Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.Ik zing haar een regt zedig lied,Om haar te wisser te bekoren.Zingt bij den citer.Wat wilt gij nu,Dat vraag ik u,Zoo vroeg alreê beginnen?Geen boerterij!Gij laat hem blij,Geloof me vrij,Als meisje zeker binnen.Neem u in acht!Als ’t is volbragt,Dan goeden nacht,Gij arme, onnoozle dingen!Haat ge ongerief,Schenk dan uw liefNiets als een dief,Maar wisselt eerst de ringen!VALENTIJNtreedt voor.Wien lokt gij hier, vervloekte vent,[153]Vermaledijde rattenvanger?Eerst naar den duivel ’t instrument!Dan naar den duivel ook de zanger!MEPHISTOPHELES.De citer is kapot; die kon er ook niet tegen.VALENTIJN.Nu zal ik u den mantel vegen!MEPHISTOPHELEStot Faust.Heer doctor, niet geweken! Sta!Sluit aan, en hij zal u niet deren.Trek uit uw degen! geen genâ!Stoot toe nu maar; ik zal pareeren.VALENTIJN.Pareer dan!MEPHISTOPHELES.Pareer dan!Wel, wat gij daar zegt!VALENTIJN.Ook die?MEPHISTOPHELES.Ook die?Gewis!VALENTIJN.Ook die? Gewis!’k Geloof, de duivel vecht.Maar wat is dat? Reeds wordt mijn arm zoo zwak!MEPHISTOPHELES,tot FAUST.Stoot toe!VALENTIJNvalt.Stoot toe!O wee![154]MEPHISTOPHELES.Stoot toe! O wee!Nu is de lummel mak!Maar thans van hier! Ik zie reeds volk genaken;Dus weg, en wel met allen spoed.Ik weet van de politie mij heel goed,Maar niet mij van de bloedban af te maken.Beide vertrekken.MARTHA,aan het venster.Sta bij! sta bij!MARGARETA,aan het venster.Sta bij! sta bij!Welk een geweld!MARTHA,als boven.Men schreeuwt en vecht, men tiert en scheldt!VOLK.Daar ligt al een; die zal niet lang meer leven.MARTHA,de deur uitkomende.Waar zijn de moordenaars gebleven?MARGARETA,mede buiten komende.Wie ligt daar?VOLK.Wie ligt daar?Wel, uw broeder Valentijn.MARGARETA.O Hemel, welk een nieuwe pijn!VALENTIJN.Ik sterf! Dat ’s ligt gezegd voorwaar,En ligter nog gedaan.Wat staat en huilt gij, vrouwen, daar?Komt hier, en hoort mij aan![155]Men schaart zich om hem heen.Gij, Grete, hebt—o, zie mij aan!—Nog geen ervaring opgedaanEn weet niet wat gij doet.Ik zeg hier in vertrouwen u:Gij zijt nu toch een hoer,—wel nu,Zoo wees het dan ook goed.MARGARETA.O broeder! God! versta ’k u wel?VALENTIJN.Laat God den Heer hier uit het spel!Gedaan, helaas, is nu gedaan,En zoo het gaan moet, zal het gaan.Gij vingt het met een enklen aan:Weldra komt twee en drie ter baan;En hebt ge eens een dozijn gehad,Dan heeft u ook de heele stad.Als eerst de schande wordt geboren,Wordt zij in stilte voortgebragt;En zie, den sluijer van den nachtTrekt men haar over kop en ooren;Ja, zelfs wil men van kant haar maken.Maar wast zij op en wordt zij groot,Dan gaat zij over dag ook bloot,Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;Want leelijker wordt haar gezigt,Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,Dat alle brave burgerliên,Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,Als voor de pest op zijde wijken.[156]De wroeging zal aan ’t hart u knagen,Wanneer zij u in de oogen zien;Gij zult geen gouden tooi meer dragen,En ook het bedehuis ontvliên,Met kanten kraag noch andre zakenU ooit weêr bij den dans vermaken,Maar bij geboefte in achterhoekenAl sidderend een schuilplaats zoeken;En moge u dan ook God vergeven,Vervloekt toch zijt gij in dit leven!MARTHA.Legt gij nu alles uit ten kwade?Beveel uw ziel in Gods genade!VALENTIJN.Kon ik, o koplares, terstondDe tong u rukken uit den mond,Ik had voorwaar voor al mijn zondenVergiffenis bij God gevonden!MARGARETA.O broeder! o, ’k voel mij zoo naar!VALENTIJN.Ik bid u, laat die tranen daar!Dat gij uwe eer vertradt in ’t stof,Was de ergste hartsteek, die mij trof.Ik ga nu met een vast geloovenAls braaf soldaat naar God hierboven.Hij sterft.[157]

Straat voor Margareta’s deur. Het is nacht.

VALENTIJN,soldaat, Margareta’s broeder.Als ik voorheen zat bij ’t gelag,Waar menigeen te roemen plag,Hoe hij met een loszinnig hoofdEen meisje had haar bloem ontroofd,En dan, als hij dit had betuigd,Met vol bokaal werd toegejuicht,Dan hoorde ik dat gesnoef eerst aan,En liet de snorkers maar begaan.Maar eindlijk streek ik mij den baard;Ik vulde ’t glas tot aan den rand,En sprak: “Er is in ’t gansche land“Geen, die mijn zuster evenaart,“Of die hare eer zoo heeft bewaard!”—“Top, top! Kling, klang!” zoo ging het rond.“Dat is zoo!” klonk uit ieders mond.“Ze is een sieraad van ’t vrouwendom!”Dan zaten al de pogchers stom.En nu!—Om ’t haar zich uit te rukken,Of aan den wand zich dood te drukken,Met steken, zetten, neusophalenMoet ieder schobbejak mij smalen!’k Zit als een schuldnaar in de boeijenEn moet bij ieder woordje zweeten,En hoe ’k van spijt me ook moog’ vermoeijen,Ik kan hen toch geen loognaars heeten![151]Wat komt daar aan met zachten treê?Heb ik het wel, dan zijn ’t er twee.Hij is ’t! Ik voel mijn woede ontbranden;Hij komt niet levend uit mijn handen!

VALENTIJN,soldaat, Margareta’s broeder.

Als ik voorheen zat bij ’t gelag,

Waar menigeen te roemen plag,

Hoe hij met een loszinnig hoofd

Een meisje had haar bloem ontroofd,

En dan, als hij dit had betuigd,

Met vol bokaal werd toegejuicht,

Dan hoorde ik dat gesnoef eerst aan,

En liet de snorkers maar begaan.

Maar eindlijk streek ik mij den baard;

Ik vulde ’t glas tot aan den rand,

En sprak: “Er is in ’t gansche land

“Geen, die mijn zuster evenaart,

“Of die hare eer zoo heeft bewaard!”—

“Top, top! Kling, klang!” zoo ging het rond.

“Dat is zoo!” klonk uit ieders mond.

“Ze is een sieraad van ’t vrouwendom!”

Dan zaten al de pogchers stom.

En nu!—Om ’t haar zich uit te rukken,

Of aan den wand zich dood te drukken,

Met steken, zetten, neusophalen

Moet ieder schobbejak mij smalen!

’k Zit als een schuldnaar in de boeijen

En moet bij ieder woordje zweeten,

En hoe ’k van spijt me ook moog’ vermoeijen,

Ik kan hen toch geen loognaars heeten![151]

Wat komt daar aan met zachten treê?

Heb ik het wel, dan zijn ’t er twee.

Hij is ’t! Ik voel mijn woede ontbranden;

Hij komt niet levend uit mijn handen!

FAUSTenMEPHISTOPHELES.

FAUST.Gelijk door ’t venster van de sacristyDaarginds het eeuwge lampje flonkert,Maar ’t schijnsel meer en meer verdonkertTot duisternis en woestenij—Zoo is ’t ook in mijn boezem nacht!

FAUST.

Gelijk door ’t venster van de sacristy

Daarginds het eeuwge lampje flonkert,

Maar ’t schijnsel meer en meer verdonkert

Tot duisternis en woestenij—

Zoo is ’t ook in mijn boezem nacht!

MEPHISTOPHELES.Mij is ’t zoo als een katje smacht,Dat zachtjes over daken kruipt,En dan weêr langs de muren sluipt:Ik blijf ook braaf en deugdzaam bijEen beetje stelenslust, een beetje schelmerij.Zoo spookt mij reeds door al de ledenDe heerlijke Walpurgisnacht,Die ons komt na en nader treden,En overmorgen wordt verwacht.

MEPHISTOPHELES.

Mij is ’t zoo als een katje smacht,

Dat zachtjes over daken kruipt,

En dan weêr langs de muren sluipt:

Ik blijf ook braaf en deugdzaam bij

Een beetje stelenslust, een beetje schelmerij.

Zoo spookt mij reeds door al de leden

De heerlijke Walpurgisnacht,

Die ons komt na en nader treden,

En overmorgen wordt verwacht.

FAUST.Komt dan de schat intusschen voor den dag,Dien ik daarginder blinken zag?

FAUST.

Komt dan de schat intusschen voor den dag,

Dien ik daarginder blinken zag?

MEPHISTOPHELES.Gij kunt weldra de vreugd beleven,Dat u het potje wordt gegeven.Ik keek er zoo eens even in:’t Was alles geld—is ’t naar uw zin?

MEPHISTOPHELES.

Gij kunt weldra de vreugd beleven,

Dat u het potje wordt gegeven.

Ik keek er zoo eens even in:

’t Was alles geld—is ’t naar uw zin?

FAUST.Geen halssieraad, geen speld of ring,Dat ik mijn liefje als tooi kan schenken?

FAUST.

Geen halssieraad, geen speld of ring,

Dat ik mijn liefje als tooi kan schenken?

[152]

MEPHISTOPHELES.Ik zag daarbij wel zoo een ding,Dat me aan een parelsnoer deed denken.

MEPHISTOPHELES.

Ik zag daarbij wel zoo een ding,

Dat me aan een parelsnoer deed denken.

FAUST.Dat is heel goed zoo; zonder ietsKom ik niet graag; want niets is niets.

FAUST.

Dat is heel goed zoo; zonder iets

Kom ik niet graag; want niets is niets.

MEPHISTOPHELES.Maar ’t moet u daarom niet verdrietenOok zonder dat iets te genieten.Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.Ik zing haar een regt zedig lied,Om haar te wisser te bekoren.Zingt bij den citer.Wat wilt gij nu,Dat vraag ik u,Zoo vroeg alreê beginnen?Geen boerterij!Gij laat hem blij,Geloof me vrij,Als meisje zeker binnen.Neem u in acht!Als ’t is volbragt,Dan goeden nacht,Gij arme, onnoozle dingen!Haat ge ongerief,Schenk dan uw liefNiets als een dief,Maar wisselt eerst de ringen!

MEPHISTOPHELES.

Maar ’t moet u daarom niet verdrietenOok zonder dat iets te genieten.Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.Ik zing haar een regt zedig lied,Om haar te wisser te bekoren.

Maar ’t moet u daarom niet verdrieten

Ook zonder dat iets te genieten.

Thans, nu ge ’t hemelruim vol sterren ziet,

Zult ge eens een prachtig kunststuk hooren.

Ik zing haar een regt zedig lied,

Om haar te wisser te bekoren.

Zingt bij den citer.

Wat wilt gij nu,Dat vraag ik u,Zoo vroeg alreê beginnen?Geen boerterij!Gij laat hem blij,Geloof me vrij,Als meisje zeker binnen.

Wat wilt gij nu,

Dat vraag ik u,

Zoo vroeg alreê beginnen?

Geen boerterij!

Gij laat hem blij,

Geloof me vrij,

Als meisje zeker binnen.

Neem u in acht!Als ’t is volbragt,Dan goeden nacht,Gij arme, onnoozle dingen!Haat ge ongerief,Schenk dan uw liefNiets als een dief,Maar wisselt eerst de ringen!

Neem u in acht!

Als ’t is volbragt,

Dan goeden nacht,

Gij arme, onnoozle dingen!

Haat ge ongerief,

Schenk dan uw lief

Niets als een dief,

Maar wisselt eerst de ringen!

VALENTIJNtreedt voor.Wien lokt gij hier, vervloekte vent,[153]Vermaledijde rattenvanger?Eerst naar den duivel ’t instrument!Dan naar den duivel ook de zanger!

VALENTIJNtreedt voor.

Wien lokt gij hier, vervloekte vent,[153]

Vermaledijde rattenvanger?

Eerst naar den duivel ’t instrument!

Dan naar den duivel ook de zanger!

MEPHISTOPHELES.De citer is kapot; die kon er ook niet tegen.

MEPHISTOPHELES.

De citer is kapot; die kon er ook niet tegen.

VALENTIJN.Nu zal ik u den mantel vegen!

VALENTIJN.

Nu zal ik u den mantel vegen!

MEPHISTOPHELEStot Faust.Heer doctor, niet geweken! Sta!Sluit aan, en hij zal u niet deren.Trek uit uw degen! geen genâ!Stoot toe nu maar; ik zal pareeren.

MEPHISTOPHELEStot Faust.

Heer doctor, niet geweken! Sta!

Sluit aan, en hij zal u niet deren.

Trek uit uw degen! geen genâ!

Stoot toe nu maar; ik zal pareeren.

VALENTIJN.Pareer dan!

VALENTIJN.

Pareer dan!

MEPHISTOPHELES.Pareer dan!Wel, wat gij daar zegt!

MEPHISTOPHELES.

Pareer dan!Wel, wat gij daar zegt!

VALENTIJN.Ook die?

VALENTIJN.

Ook die?

MEPHISTOPHELES.Ook die?Gewis!

MEPHISTOPHELES.

Ook die?Gewis!

VALENTIJN.Ook die? Gewis!’k Geloof, de duivel vecht.Maar wat is dat? Reeds wordt mijn arm zoo zwak!

VALENTIJN.

Ook die? Gewis!’k Geloof, de duivel vecht.

Maar wat is dat? Reeds wordt mijn arm zoo zwak!

MEPHISTOPHELES,tot FAUST.Stoot toe!

MEPHISTOPHELES,tot FAUST.

Stoot toe!

VALENTIJNvalt.Stoot toe!O wee!

VALENTIJNvalt.

Stoot toe!O wee!

[154]

MEPHISTOPHELES.Stoot toe! O wee!Nu is de lummel mak!Maar thans van hier! Ik zie reeds volk genaken;Dus weg, en wel met allen spoed.Ik weet van de politie mij heel goed,Maar niet mij van de bloedban af te maken.

MEPHISTOPHELES.

Stoot toe! O wee!Nu is de lummel mak!

Maar thans van hier! Ik zie reeds volk genaken;

Dus weg, en wel met allen spoed.

Ik weet van de politie mij heel goed,

Maar niet mij van de bloedban af te maken.

Beide vertrekken.

MARTHA,aan het venster.Sta bij! sta bij!

MARTHA,aan het venster.

Sta bij! sta bij!

MARGARETA,aan het venster.Sta bij! sta bij!Welk een geweld!

MARGARETA,aan het venster.

Sta bij! sta bij!Welk een geweld!

MARTHA,als boven.Men schreeuwt en vecht, men tiert en scheldt!

MARTHA,als boven.

Men schreeuwt en vecht, men tiert en scheldt!

VOLK.Daar ligt al een; die zal niet lang meer leven.

VOLK.

Daar ligt al een; die zal niet lang meer leven.

MARTHA,de deur uitkomende.Waar zijn de moordenaars gebleven?

MARTHA,de deur uitkomende.

Waar zijn de moordenaars gebleven?

MARGARETA,mede buiten komende.Wie ligt daar?

MARGARETA,mede buiten komende.

Wie ligt daar?

VOLK.Wie ligt daar?Wel, uw broeder Valentijn.

VOLK.

Wie ligt daar?Wel, uw broeder Valentijn.

MARGARETA.O Hemel, welk een nieuwe pijn!

MARGARETA.

O Hemel, welk een nieuwe pijn!

VALENTIJN.Ik sterf! Dat ’s ligt gezegd voorwaar,En ligter nog gedaan.Wat staat en huilt gij, vrouwen, daar?Komt hier, en hoort mij aan!

VALENTIJN.

Ik sterf! Dat ’s ligt gezegd voorwaar,

En ligter nog gedaan.

Wat staat en huilt gij, vrouwen, daar?

Komt hier, en hoort mij aan!

[155]

Men schaart zich om hem heen.

Gij, Grete, hebt—o, zie mij aan!—Nog geen ervaring opgedaanEn weet niet wat gij doet.Ik zeg hier in vertrouwen u:Gij zijt nu toch een hoer,—wel nu,Zoo wees het dan ook goed.

Gij, Grete, hebt—o, zie mij aan!—

Nog geen ervaring opgedaan

En weet niet wat gij doet.

Ik zeg hier in vertrouwen u:

Gij zijt nu toch een hoer,—wel nu,

Zoo wees het dan ook goed.

MARGARETA.O broeder! God! versta ’k u wel?

MARGARETA.

O broeder! God! versta ’k u wel?

VALENTIJN.Laat God den Heer hier uit het spel!Gedaan, helaas, is nu gedaan,En zoo het gaan moet, zal het gaan.Gij vingt het met een enklen aan:Weldra komt twee en drie ter baan;En hebt ge eens een dozijn gehad,Dan heeft u ook de heele stad.Als eerst de schande wordt geboren,Wordt zij in stilte voortgebragt;En zie, den sluijer van den nachtTrekt men haar over kop en ooren;Ja, zelfs wil men van kant haar maken.Maar wast zij op en wordt zij groot,Dan gaat zij over dag ook bloot,Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;Want leelijker wordt haar gezigt,Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,Dat alle brave burgerliên,Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,Als voor de pest op zijde wijken.[156]De wroeging zal aan ’t hart u knagen,Wanneer zij u in de oogen zien;Gij zult geen gouden tooi meer dragen,En ook het bedehuis ontvliên,Met kanten kraag noch andre zakenU ooit weêr bij den dans vermaken,Maar bij geboefte in achterhoekenAl sidderend een schuilplaats zoeken;En moge u dan ook God vergeven,Vervloekt toch zijt gij in dit leven!

VALENTIJN.

Laat God den Heer hier uit het spel!Gedaan, helaas, is nu gedaan,En zoo het gaan moet, zal het gaan.Gij vingt het met een enklen aan:Weldra komt twee en drie ter baan;En hebt ge eens een dozijn gehad,Dan heeft u ook de heele stad.

Laat God den Heer hier uit het spel!

Gedaan, helaas, is nu gedaan,

En zoo het gaan moet, zal het gaan.

Gij vingt het met een enklen aan:

Weldra komt twee en drie ter baan;

En hebt ge eens een dozijn gehad,

Dan heeft u ook de heele stad.

Als eerst de schande wordt geboren,Wordt zij in stilte voortgebragt;En zie, den sluijer van den nachtTrekt men haar over kop en ooren;Ja, zelfs wil men van kant haar maken.Maar wast zij op en wordt zij groot,Dan gaat zij over dag ook bloot,Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;Want leelijker wordt haar gezigt,Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.

Als eerst de schande wordt geboren,

Wordt zij in stilte voortgebragt;

En zie, den sluijer van den nacht

Trekt men haar over kop en ooren;

Ja, zelfs wil men van kant haar maken.

Maar wast zij op en wordt zij groot,

Dan gaat zij over dag ook bloot,

Maar wordt niet schooner bij ’t genaken;

Want leelijker wordt haar gezigt,

Hoe meer zij zoekt het zonnelicht.

Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,Dat alle brave burgerliên,Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,Als voor de pest op zijde wijken.[156]De wroeging zal aan ’t hart u knagen,Wanneer zij u in de oogen zien;Gij zult geen gouden tooi meer dragen,En ook het bedehuis ontvliên,Met kanten kraag noch andre zakenU ooit weêr bij den dans vermaken,Maar bij geboefte in achterhoekenAl sidderend een schuilplaats zoeken;En moge u dan ook God vergeven,Vervloekt toch zijt gij in dit leven!

Reeds spoedig, vrees ik, zal men zien,

Dat alle brave burgerliên,

Wanneer ge op straat daar aan komt strijken,

Als voor de pest op zijde wijken.[156]

De wroeging zal aan ’t hart u knagen,

Wanneer zij u in de oogen zien;

Gij zult geen gouden tooi meer dragen,

En ook het bedehuis ontvliên,

Met kanten kraag noch andre zaken

U ooit weêr bij den dans vermaken,

Maar bij geboefte in achterhoeken

Al sidderend een schuilplaats zoeken;

En moge u dan ook God vergeven,

Vervloekt toch zijt gij in dit leven!

MARTHA.Legt gij nu alles uit ten kwade?Beveel uw ziel in Gods genade!

MARTHA.

Legt gij nu alles uit ten kwade?

Beveel uw ziel in Gods genade!

VALENTIJN.Kon ik, o koplares, terstondDe tong u rukken uit den mond,Ik had voorwaar voor al mijn zondenVergiffenis bij God gevonden!

VALENTIJN.

Kon ik, o koplares, terstond

De tong u rukken uit den mond,

Ik had voorwaar voor al mijn zonden

Vergiffenis bij God gevonden!

MARGARETA.O broeder! o, ’k voel mij zoo naar!

MARGARETA.

O broeder! o, ’k voel mij zoo naar!

VALENTIJN.Ik bid u, laat die tranen daar!Dat gij uwe eer vertradt in ’t stof,Was de ergste hartsteek, die mij trof.Ik ga nu met een vast geloovenAls braaf soldaat naar God hierboven.

VALENTIJN.

Ik bid u, laat die tranen daar!

Dat gij uwe eer vertradt in ’t stof,

Was de ergste hartsteek, die mij trof.

Ik ga nu met een vast gelooven

Als braaf soldaat naar God hierboven.

Hij sterft.

[157]

[Inhoud]Hoofdkerk.Dienst. Orgel en gezang.MARGARETAonder de menigte.BOOZE GEESTachter haar.BOOZE GEEST.Hoe anders, Grete, was ’t u,Toen gij nog vol onschuldHier bij het altaar tradt,En uit het oude boekjeGebeden laast,Half kinderspel,Half God in ’t hart,Grete!Hoe staat u ’t hoofd?En in uw harte,Welke misdaad!Bidt gij nu voor de ziel van uwe moeder,Die door uw toedoen is in ’t graf gedaald?Wier bloed kleeft op uw drempel?En wat draagt ge onder ’t harte?Zeg, wat beweegt zich daar,En ziet, vol angst en vrees,De toekomst te gemoet?MARGARETA.Wee, wee!Hoe raak ik van die angsten vrij,[158]Die mij bevangen, en zich tegen mijDoen hooren!KOOR.Dies irae, dies illaSolvet seclum in favilla.Orgelspel.BOOZE GEEST.Hoor, vol ontzetting,’t Bazuingeschal;De graven beven,En uw hart,In asch begraven,Tot helsche pijnenWeêr opgedolven,Beeft ook!MARGARETA.Was ik maar hier van daan!’t Is of het orgelspelDen adem mij beneemt,’t Gezang mijn hartIn mij doet smelten!KOOR.Judex ergo cum sedebit,Quidquid latet adparebit,Nil inultum remanebit.MARGARETA.’t Wordt mij benaauwd!De muurpilarenBeknellen mij!’t Gewelf omhoogValt op mij neder!—Lucht![159]BOOZE GEEST.Verberg u! Zonde en schandeBlijft niet verborgen.Lucht! Licht!Wee u!KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?Quem patronum regaturus?Cum vix justus sit securus?1BOOZE GEEST.Hun aanschijn wendenDe zaalgen van u afDe reinen vreezenU aan te raken.Wee!KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?MARGARETA.Buurvrouw, uw fleschje!Zij bezwijmt.[160]1Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17 strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

Hoofdkerk.Dienst. Orgel en gezang.MARGARETAonder de menigte.BOOZE GEESTachter haar.BOOZE GEEST.Hoe anders, Grete, was ’t u,Toen gij nog vol onschuldHier bij het altaar tradt,En uit het oude boekjeGebeden laast,Half kinderspel,Half God in ’t hart,Grete!Hoe staat u ’t hoofd?En in uw harte,Welke misdaad!Bidt gij nu voor de ziel van uwe moeder,Die door uw toedoen is in ’t graf gedaald?Wier bloed kleeft op uw drempel?En wat draagt ge onder ’t harte?Zeg, wat beweegt zich daar,En ziet, vol angst en vrees,De toekomst te gemoet?MARGARETA.Wee, wee!Hoe raak ik van die angsten vrij,[158]Die mij bevangen, en zich tegen mijDoen hooren!KOOR.Dies irae, dies illaSolvet seclum in favilla.Orgelspel.BOOZE GEEST.Hoor, vol ontzetting,’t Bazuingeschal;De graven beven,En uw hart,In asch begraven,Tot helsche pijnenWeêr opgedolven,Beeft ook!MARGARETA.Was ik maar hier van daan!’t Is of het orgelspelDen adem mij beneemt,’t Gezang mijn hartIn mij doet smelten!KOOR.Judex ergo cum sedebit,Quidquid latet adparebit,Nil inultum remanebit.MARGARETA.’t Wordt mij benaauwd!De muurpilarenBeknellen mij!’t Gewelf omhoogValt op mij neder!—Lucht![159]BOOZE GEEST.Verberg u! Zonde en schandeBlijft niet verborgen.Lucht! Licht!Wee u!KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?Quem patronum regaturus?Cum vix justus sit securus?1BOOZE GEEST.Hun aanschijn wendenDe zaalgen van u afDe reinen vreezenU aan te raken.Wee!KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?MARGARETA.Buurvrouw, uw fleschje!Zij bezwijmt.[160]

Hoofdkerk.

Dienst. Orgel en gezang.

MARGARETAonder de menigte.BOOZE GEESTachter haar.

BOOZE GEEST.Hoe anders, Grete, was ’t u,Toen gij nog vol onschuldHier bij het altaar tradt,En uit het oude boekjeGebeden laast,Half kinderspel,Half God in ’t hart,Grete!Hoe staat u ’t hoofd?En in uw harte,Welke misdaad!Bidt gij nu voor de ziel van uwe moeder,Die door uw toedoen is in ’t graf gedaald?Wier bloed kleeft op uw drempel?En wat draagt ge onder ’t harte?Zeg, wat beweegt zich daar,En ziet, vol angst en vrees,De toekomst te gemoet?

BOOZE GEEST.

Hoe anders, Grete, was ’t u,

Toen gij nog vol onschuld

Hier bij het altaar tradt,

En uit het oude boekje

Gebeden laast,

Half kinderspel,

Half God in ’t hart,

Grete!

Hoe staat u ’t hoofd?

En in uw harte,

Welke misdaad!

Bidt gij nu voor de ziel van uwe moeder,

Die door uw toedoen is in ’t graf gedaald?

Wier bloed kleeft op uw drempel?

En wat draagt ge onder ’t harte?

Zeg, wat beweegt zich daar,

En ziet, vol angst en vrees,

De toekomst te gemoet?

MARGARETA.Wee, wee!Hoe raak ik van die angsten vrij,[158]Die mij bevangen, en zich tegen mijDoen hooren!

MARGARETA.

Wee, wee!

Hoe raak ik van die angsten vrij,[158]

Die mij bevangen, en zich tegen mij

Doen hooren!

KOOR.Dies irae, dies illaSolvet seclum in favilla.

KOOR.

Dies irae, dies illaSolvet seclum in favilla.

Dies irae, dies illa

Solvet seclum in favilla.

Orgelspel.

BOOZE GEEST.Hoor, vol ontzetting,’t Bazuingeschal;De graven beven,En uw hart,In asch begraven,Tot helsche pijnenWeêr opgedolven,Beeft ook!

BOOZE GEEST.

Hoor, vol ontzetting,’t Bazuingeschal;De graven beven,En uw hart,In asch begraven,Tot helsche pijnenWeêr opgedolven,Beeft ook!

Hoor, vol ontzetting,

’t Bazuingeschal;

De graven beven,

En uw hart,

In asch begraven,

Tot helsche pijnen

Weêr opgedolven,

Beeft ook!

MARGARETA.Was ik maar hier van daan!’t Is of het orgelspelDen adem mij beneemt,’t Gezang mijn hartIn mij doet smelten!

MARGARETA.

Was ik maar hier van daan!’t Is of het orgelspelDen adem mij beneemt,’t Gezang mijn hartIn mij doet smelten!

Was ik maar hier van daan!

’t Is of het orgelspel

Den adem mij beneemt,

’t Gezang mijn hart

In mij doet smelten!

KOOR.Judex ergo cum sedebit,Quidquid latet adparebit,Nil inultum remanebit.

KOOR.

Judex ergo cum sedebit,Quidquid latet adparebit,Nil inultum remanebit.

Judex ergo cum sedebit,

Quidquid latet adparebit,

Nil inultum remanebit.

MARGARETA.’t Wordt mij benaauwd!De muurpilarenBeknellen mij!’t Gewelf omhoogValt op mij neder!—Lucht!

MARGARETA.

’t Wordt mij benaauwd!De muurpilarenBeknellen mij!’t Gewelf omhoogValt op mij neder!—Lucht!

’t Wordt mij benaauwd!

De muurpilaren

Beknellen mij!

’t Gewelf omhoog

Valt op mij neder!—Lucht!

[159]

BOOZE GEEST.Verberg u! Zonde en schandeBlijft niet verborgen.Lucht! Licht!Wee u!

BOOZE GEEST.

Verberg u! Zonde en schandeBlijft niet verborgen.Lucht! Licht!Wee u!

Verberg u! Zonde en schande

Blijft niet verborgen.

Lucht! Licht!

Wee u!

KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?Quem patronum regaturus?Cum vix justus sit securus?1

KOOR.

Quid sum miser tunc dicturus?Quem patronum regaturus?Cum vix justus sit securus?1

Quid sum miser tunc dicturus?

Quem patronum regaturus?

Cum vix justus sit securus?1

BOOZE GEEST.Hun aanschijn wendenDe zaalgen van u afDe reinen vreezenU aan te raken.Wee!

BOOZE GEEST.

Hun aanschijn wendenDe zaalgen van u afDe reinen vreezenU aan te raken.Wee!

Hun aanschijn wenden

De zaalgen van u af

De reinen vreezen

U aan te raken.

Wee!

KOOR.Quid sum miser tunc dicturus?

KOOR.

Quid sum miser tunc dicturus?

Quid sum miser tunc dicturus?

MARGARETA.Buurvrouw, uw fleschje!

MARGARETA.

Buurvrouw, uw fleschje!

Zij bezwijmt.

[160]

1Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17 strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

1Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17 strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

1Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17 strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

1Deze aanhalingen uit het oude kerklied, dat in zijn geheel 17 strophen bevat, geven wij in vrije vertaling aldus terug:

In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

In dien dag des toorns, o zonden!Wordt het al tot stof ontbonden.

In dien dag des toorns, o zonden!

Wordt het al tot stof ontbonden.

En de regter in den hoogenStelt het kwaad voor aller oogen;Niets wordt aan de straf onttogen.

En de regter in den hoogen

Stelt het kwaad voor aller oogen;

Niets wordt aan de straf onttogen.

Wien roep ik dan aan in ’t ende?Waar ik ook mijne oogen wende,Niets verlost me uit mijne ellende!

Wien roep ik dan aan in ’t ende?

Waar ik ook mijne oogen wende,

Niets verlost me uit mijne ellende!

[Inhoud]Walpurgisnacht.Hartsgebergte.FAUSTenMEPHISTOPHELES.MEPHISTOPHELES.Verlangt gij niet een bezemstok?Ik wenschte wel een fermen bok;Wij zijn zeer ver nog van het doel.FAUST.Zoo lang ik mij nog wel ter been gevoel,Word ik door ongeduld niet aangepord.Wat helpt het, of men zich den weg verkort?In deze kronkelende dalenOf in die rotsen te verdwalen,Van waar de bergstroom nederstort,Dat is de saus, waardoor zoo’n wandling smaaklijk wordt.De lente weeft reeds in de berken,En zelfs de pijnboom voelt haar al;Zou zij dan ook op ons niet werken?MEPHISTOPHELES.Voorwaar, ik merk nog niemendal;Ik heb den winter nog in ’t lijf,En wenschte sneeuw en vorst op mijne baan.Hoe treurig stijgt daar de onvolkomen schijfOmhoog der laat reeds opgekomen maan,[161]En schijnt zoo flaauw, dat men bij ieder tredLigt tegen boom of rots-uitstek belandt.Vergun mij dat een dwaallicht ons hier redd’!Daar zie ’k een, dat juist vrolijk brandt.Heidaar, mijn vriend! Mag ’k u wel hier verzoeken?Geen nut toch sticht ge in achterhoeken.Och, licht eens hier naar dezen kant!DWAALLICHT.Uit eerbied, hoop ik, zal het mij gelukkenMijn vlugheid zoo veel mooglijk te onderdrukken;Maar onze loop zwaait als een lanterfant.MEPHISTOPHELES.Ei, ei! Gij denkt de menschen na te âmen!Ga regtuit, of, bij alle duivelsnamen,Ik blaas uw licht uit, kort en goed!DWAALLICHT.Gij zijt hier baas, naar ik bevroed,En ’k wil mij gaarne naar u schikken;Maar denk, de berg is heden dol en mal,En als een dwaallicht u den weg dus wijzen zal,Moet ge alles zoo precies niet wikken.FAUST, MEPHISTOPHELES, DWAALLICHT,in beurtzang.In de droom- en tooverspheerZijn wij, schijnt wel, nu getreden.Leid ons goed, dit zij uwe eer!Dat wij zonder tegenhedenSpoedig bij de heksen komen!Zie die boomen achter boomenSchielijk ver en verder rukken!En die klippen, zie ze eens bukken![162]En die lange steenrots-neuzen,Hoor ze eens snorken, net als reuzen!Door de steenen, die zij kneuzen,Snellen beek en beekje neder.Hoor ik liedren, zacht en teeder?Hoor ’k daar zoete minneklagtenJuist als in dien heiltijd smachten?Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!En ons hopen en ons minnenAlles kaatst ons de echo weder.Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;Steenuil, kaauw en meerkol bassen;Allen zitten in die struiken.Zie ’k geen mooliken daar duiken?Lange beenen, dikke buiken!En die wortels, als de slangen,Winden zich uit zand en rotsen,Maken wonderlijke potsen,Om ons, zoo verschrikt, te vangen;En uit levende eikenlotenStrekken de polypenpootenNaar den wandelaar zich uit.En die duizendkleurge muizen,Die door heide en mos verhuizen!En die glimmerwormpjes zwevenWolk bij wolk als voortgedreven,Dat het ons om de ooren fluit.Maar zeg nu eens of wij stilstaan,Dan wel verder op den dril gaan?Alles schijnt in ’t rond te draaijen;Rotsen, boomen, allen trekkenMalle tronies, scheeve bekken.Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen![163]MEPHISTOPHELES.Pak mij stevig bij den staart!Hier is juist een gat in de aard,Waar men ginder in ’t verschiet’t Gloeijen van den Mammon ziet.FAUST.Hoe zeldzaam blinkt door de aardkorst henenEen flaauwe, roode morgengloor!Men ziet, door vreemden glans beschenen,Tot in het diepst van d’ afgrond door.Hier stijgt de rook; daar trekken dampen;Hier schijnt de gloed door knoest en kluit;Nu heeft zijn loop met niets te kampen,Dan breekt hij als een vuurberg uit.Hier slingert hij zich, zonder hinder,Door ’t dal met honderd adren heen,En dan weêr in dien hoek daarginderKomt alles tot een klomp bijeen.Daar spatten allerwege vonkenAls uitgeworpen gouden zand;Maar zie, daar bij die twee spelonkenGeraakt de rots geheel in brand!MEPHISTOPHELES.Verlicht bij feesten, zoo als heden,Heer Mammon niet zijn prachtig huis?Maar stil! Ik hoor met veel gedruischAlreê de gasten nader treden!FAUST.Hoor, hoe de stormwind door ’t gebergte snort!Zie, hoe die boomen nedersmakken![164]MEPHISTOPHELES.Gij moet de rots bij de oude ribben pakken,Daar ge anders in den afgrond nederstort.Een nevel verdikt nog de nacht;Het loeijen verheft zich met kracht.Hoe vliegen en krassen die uilen!Hoe kraken en breken de zuilenVan groene paleizen! Hoe huilenDe winden met grootere woede!Hier wordt men regt aaklig te moede.Het barst en het knarst en het knettert,Of alles in ’t rond wordt verpletterd,En over het puin in de kolkenDaar jagen en gieren de wolken.Zeg! Hoort gij ’t gezang in de lucht wel,En achter en voor ons ’t gezucht wel?Dus krijschen en gillen zoo naar en zoo bangDe woedende heksen haar toovergezang.HEKSEN,in koor.De heksen naar den Bloksberg spoên;Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.De groote hoop zal henengaan;Voorop ziet men heer Uriaan.Zoo vliegen over steen en stokOp bezemsteelen heks en bok.EENE STEM.Ook de oude Baubo komt meteen,En rijdt nu op een zeug alleen.KOOR.Zij zij geëerd dan en geacht.Vrouw Baubo worde voorgebragt!Een zeug eerst, en haar moêr daarop,Dan volgt het ovrige in galop.[165]EENE STEM.Van waar komt gij?ANDERE STEM.Van waar komt gij?Van de Ilzenfest.Daar keek ik in een uilennest;Één spalkte wijd zijn kijkers open.EERSTE STEM.Wil naar de hel voor mijn part loopen!ANDERE STEM.Mij heeft zij geschonden;Zie maar eens mijn wonden!HEKSEN,in koor.De weg is breed, de weg is lang.Wat is dat voor een dol gedrang?De hooivork steekt, de bezem knarst,Het kind verstikt, de moeder barst.HET HALVE KOOR.Wij sluipen eerst gelijk de slak;De vrouwen vormen ’t eerste koor:Dan gaat het naar den bullebak;De vrouw heeft duizend schreden voor.DE ANDERE HELFT.Laat elk zich op zijn wijze spoên:De vrouw heeft duizend schreên van doen;Maar hoe zij ook zich haasten kan,Een enkle sprong—daar is de man!EENE STEM VAN BOVEN.Kom meê, kom meê, gij daar beneên![166]STEMMEN VAN BENEDEN.Wij wilden graag naar boven heen.Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,Maar ook onvruchtbaar voor altijd.BEIDE KOREN.De wind wordt stil, de sterren vliên;De maan wordt haast niet meer gezien.Het tooverheer spat in zijn drafWel duizend vonken van zich af.STEM VAN BENEDEN.Heidaar! O, wacht eens even!STEM VAN BOVEN.Wie maakt daar zulk een leven?STEM VAN BENEDEN.Neem mede mij! Ach, doe het maar!Ik klim nu reeds driehonderd jaar,En kan den top maar niet bereiken.Ik was zoo graag bij mijns gelijken.BEIDE KOREN.De bezem draagt; ook draagt de stok;De hooivork draagt, en ook de bok:Wie nu niet hooger komen kan,Blijft eeuwig een verloren man.HALVE HEKS,beneden.Ik hink zoo lang reeds achteraan.Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!Ik heb geen rust, wat ik ook doe,En kom er hier toch ook niet toe.[167]KOOR DER HEKSEN.De zalf geeft alle heksen moed;Een lap is voor een zeil nog goed,Voor schip een baktrog, als men ziet;Wie thans niet vliegt, die kan het niet.BEIDE KOREN.Zoodra wij vliegen om den top,Zet u beneên dan in galop,En overdekt de heide alomMet uwen zwerm van ’t heksendom.Zij dalen af.MEPHISTOPHELES.Dat dringt en stoot, dat vliegt en klappert,Dat sist en kirt, dat trekt en knappert,Dat spat en stinkt, dat draaft en rent:’t Is met regt een heksen-element.Hier, Faust! Houd u maar hieromtrent!Waar zijt ge?FAUST,in de verte.Waar zijt ge?Hier!MEPHISTOPHELES.Waar zijt ge? Hier!Hoe? Reeds in gindsche struiken?Dan zal ’k mijn huisregt maar gebruiken!Plaats! Jonker Voland komt! Plaats allen, oud en jong!Hier, doctor! Pak mij aan, en nu een enklen sprong,Opdat wij gaauw ’t gedrang ontwijken!’t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken.Daarginder schittert iets met ongemeenen schijn.Die struiken in! Daar zal ’t u blijken,Dat wij volkomen veilig zijn.[168]FAUST.Gij, geest van tegenspraak! ga voort met mij te leiden.’t Schijnt wel, hier kent gij weg en steg.Wij zijn nu naar den Bloksberg toch op weg,Om daar ons een stil plekje te bereiden.MEPHISTOPHELES.Zie, hoe die vlammen licht verspreiden!Een vrolijk kransje is daar bijeen:In ’t kleine is niemand ooit alleen.FAUST.Ik was toch liever op dien top.Hoe kronklen gloed en rook zich op!Daar ze allen naar den duivel loopen,Moet menig raadsel zich ontknoopen.MEPHISTOPHELES.Maar menig doet zich weder op.Laat maar de groote wereld draven;Wij zullen hier in stilte ons laven.Men weet toch lang en ’t is al oud,Dat m’ in de groote wereld kleine bouwt.Daar zie ik jonge heksen naakt en bloot,En oude, die zich wijselijk bedekken;Het is om mij, en ’k wil er niet meê gekken:De moeite is klein, de grap is groot.Ik hoor al menig instrument;’t Is leelijk, maar daar raakt men aan gewend.Kom gaauw nu meê, en scherp uw zinnen;Ik ga vooruit en leid u binnen,En stel u aan ’t gezelschap voor.Wat zegt ge nu? Dat is geen smaldoek, hoor!Kijk maar eens toe! Naauw is het eind te aanschouwen,En honderd vuren lichten als flambouwen.[169]Men kookt, men drinkt, men danst, men snapt, men gilt—Zeg mij eens, hoe gij ’t beter hebben wilt!FAUST.Wilt ge u nu, om ons hier te introduceeren,Als toovenaar of duivel produceeren?MEPHISTOPHELES.’k Bewaar ’t incognito wel meestal waar ik kom,Doch op galadag doet men al zijne ordes om.Met ster of kouseband ben ’k een, die niets beduidt;Maar met een paardevoet zie ik er deftig uit.Ziet gij dat diertje, met die voelhoorns opgestoken?Het is een slak, zoo als ge ziet.Zij heeft mij nu alreeds geroken;Al wil ik, hier verloochen ik mij niet.Kom! Wij gaan vuur aan vuur bekijken;Ik vraag de bruid, gij gaat er mede strijken.Tot eenigen, die voor halfuitgegane kolen zitten.Zeg, oude heeren! Zit gij hier te droomen?Gij moest in ’t midden liever komen,Met jonge heksen om u heen;Gij zijt genoeg toch te huis alleen.EEN GENERAAL.Wie mag op natiën vertrouwen,Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!Want bij het volk, als bij de vrouwen,Staat steeds de jonkheid boven aan.EEN MINISTER.Thans is men van het regte spoor, helaas!Ik prijs den tijd, den goeden ouden,Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;Want toen was hij en waren wij de baas.[170]EEN PARVENU.En wij, wij waren ook niet domEn weerden ons in ’t zamenspannen;Maar nu keert zich het blaadjen om,En weg zijn onze mooije plannen!EEN AUTEUR.Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,Waar maar een weinig in zit, lezen!En ’t jonge volkje—lieve tijd!Zoo neuswijs was het nooit voordezen!MEPHISTOPHELES,die er op eens zeer oud uitziet.’k Voel dat ten jongsten dag gerijpt is al wat leeft,Nu ik voor ’t laatst mijn schreden herwaarts wende;En wijl mijn vaatje weinig vochts meer geeft,Zoo loopt de wereld ook ten ende.EENE OUDSKOOP-HEKS.O heeren, spoedt u niet zoo voort!Laat de gelegenheid niet varen!O, werpt een blik op mijne waren;Ik heb van allerhande soort.Toch heb ik niets, hoe men ook smade,Wat niet eens menschen eerzucht wekt,En niet eens heeft tot groote schadeDer wereld en den mensch gestrekt.Geen dolk, waarvan het bloed niet heeft gevloten;Geen kelk, waaruit in eens gezonden lijf’t Verterend gift niet is gegoten;Geen tooisel, dat niet een beminnend wijfVerleid, geen zwaard, dat geen verbond verbroken,Of niet ter sluips een vijand heeft doorstoken.[171]MEPHISTOPHELES.Hoor, bestemoêr! gij weet niet meer te leven.Wat vroeger was, is nu gedaan.Wil liever eens wat nieuws ons geven;Slechts nieuwigheden trekken aan.FAUST.Dat mag ik in mijn zak wel steken;’k Heb nooit zoo mooi nog hooren preeken.MEPHISTOPHELES.Daar gaat nu heel de troep naar boven;Gij schuift, denkt ge, en gij wordt geschoven.FAUST.Maar wie is dat daarginder? Zeg!MEPHISTOPHELES.Maar wie is dat daarginder? Zeg!BeschouwHaar goed. ’t Is Lilith, Adams eerste vrouw.Neem u in acht voor hare schoone haren;Dit tooisel is gevaarlijk voor een man:Als zij daarmeê een jongling vangen kan,Laat zij hem niet zoo ligt weêr varen.FAUST.Daar zitten twee, een oude met haar jong;De laatste deed reeds menig sprong.MEPHISTOPHELES.Dat heeft van daag geen rust of vreê!De dans begint alweêr. Kom, gaauw! wij doen ook meê.FAUST,met de jonge heks dansende.’k Had eens een aangenamen droom.[172]Ik zag een grooten appelboom;Twee appels kreeg ik in het oog;Ik vond ze mooi, en klom omhoog.DE JONGE HEKS.Van appels was ’k altijd vriendin,Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,Ook appels in mijn tuintje zien.MEPHISTOPHELES,met de oude heks.’k Had eens een onpleiziergen droom.Ik zag een ouden, dorren boom:Het scheen wel halve hekserij;Want ook, hoe oud, beviel hij mij.DE OUDE HEKS.Ik bied u gaarne mijnen groet,Gij, ridder van den paardenvoet!Vreest gij geen ouden, dorren stam,Dan ben ook ik u niet te stram.EEN LIJDER AAN VERSTOPPINGEN.Vervloekt gespuis! wat maakt u toch zoo koen?Een geest, gij hadt het weten moeten,Staat niet op ordinaire voeten:Nu danst gij zelfs, zoo als wij menschen doen.DE JONGE HEKS,dansende.Wat moet die man daar op ons bal?FAUST,dansende.Och! die is hier en overal;Die meent de alwijsheid te bezitten.Kan hij niet ieder pas bevitten,Dan is de pas zoo goed als niet gedaan.[173]Het slechtst is hij gemutst, wanneer wij voorwaarts gaan.Wanneer ge u juist zoo rond wilt draaijen,Als hij het in zijn ouden molen doet,Dan vindt hij ’t nog al reedlijk goed,Vooral zoo gij hem ook wat lof weet toe te zwaaijen.DE VERSTOPPING-LIJDER.Zijt gij daar nog, gij hellewicht?Verdwijn! Wij hebben ’t menschdom nu verlicht.Dat duivelstuig vraagt naar geen wet of regel;Wij weten ’t zoo, en ’t steekt toch als een egel.Hoe lang toch riep ik tegen elk bedrog!Maar ’t baat niet. Zie, dat ergert iemand toch.DE JONGE HEKS.Schei uit toch met ons hier zoo te vervelen!DE VERSTOPPING-LIJDER.Ik zeg u, geesten, houdt u stil,Daar ik geen geestendespotisme wil;Mijn geest kan in dien waan niet deelen.Er wordt voortgedanst.Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken;Maar ’k doe het togtje altijd toch meê,En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê,Den duivel en de dichters te doen bukken.MEPHISTOPHELES.Hij zal zich in een drekplas nedervlijen,Zoo is hij nog op zijn gemak het meest,En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen;Dan is hij vrij van geesten en van geest.Tot Faust, die uit den dansrei getreden is.Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen,Dat bij den dans zoo aardig zong?[174]FAUST.Ach! Midden onder ’t zingen sprongEen roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.MEPHISTOPHELES.Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren!Wie zal toch aan een muisje, rood geboren,Zich in een herdersuurtje storen!FAUST.Dan zag ik.…MEPHISTOPHELES.Dan zag ik.…Wat?FAUST.Dan zag ik.… Wat?Mephisto, zie eens aan!Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan?Zij schijnt haar schreden in te toomen,En kan haast van de plaats niet komen.Ik moet bekennen—vindt gij niet?—’t Is juist alsof men Grete ziet.MEPHISTOPHELES.Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet;’t Is maar verbeelding wat gij ziet.Er op te turen, is niet goed;Dat geeft maar stremming in het bloed;Ja, men versteent soms van zoo iets.… Maar och,De fabel van Medusa kent gij toch!FAUST.Voorwaar, het is een meisje, bij wier doodHaar de oogen een beminde hand niet sloot.Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken,Mij alles, alles heeft geschonken![175]MEPHISTOPHELES.Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor;Want ieder komt zij als zijn liefje voor.FAUST.O, welk een lijden! welk verrukken!Ik kan daarvan niet los mij rukken!En zonderling! Die roode strookOm haren hals, die, naar ik gis,Niet breeder dan een mesrug is.…MEPHISTOPHELES.Gij hebt gelijk; ik zie het ook.Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen;Want Perseus heeft het afgeslagen.…Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top!Kom! Gaauw dat heuveltje nu op!Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater!En ben ik niet behekst of blind,Dan zie ik waarlijk een theater.Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?EEN DIENSTDOENDE GEEST.Dat men zoo aanstonds weêr begint.Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven,Die wij hier elken avond geven.Een dilettant heeft het geschreven,En dilettanten spelen ’t vlug en snel.Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren,En voor ’t gordijn-ophalen schel!MEPHISTOPHELES.Dat ik u hier moet rencontreeren,Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.[176]

Walpurgisnacht.Hartsgebergte.FAUSTenMEPHISTOPHELES.MEPHISTOPHELES.Verlangt gij niet een bezemstok?Ik wenschte wel een fermen bok;Wij zijn zeer ver nog van het doel.FAUST.Zoo lang ik mij nog wel ter been gevoel,Word ik door ongeduld niet aangepord.Wat helpt het, of men zich den weg verkort?In deze kronkelende dalenOf in die rotsen te verdwalen,Van waar de bergstroom nederstort,Dat is de saus, waardoor zoo’n wandling smaaklijk wordt.De lente weeft reeds in de berken,En zelfs de pijnboom voelt haar al;Zou zij dan ook op ons niet werken?MEPHISTOPHELES.Voorwaar, ik merk nog niemendal;Ik heb den winter nog in ’t lijf,En wenschte sneeuw en vorst op mijne baan.Hoe treurig stijgt daar de onvolkomen schijfOmhoog der laat reeds opgekomen maan,[161]En schijnt zoo flaauw, dat men bij ieder tredLigt tegen boom of rots-uitstek belandt.Vergun mij dat een dwaallicht ons hier redd’!Daar zie ’k een, dat juist vrolijk brandt.Heidaar, mijn vriend! Mag ’k u wel hier verzoeken?Geen nut toch sticht ge in achterhoeken.Och, licht eens hier naar dezen kant!DWAALLICHT.Uit eerbied, hoop ik, zal het mij gelukkenMijn vlugheid zoo veel mooglijk te onderdrukken;Maar onze loop zwaait als een lanterfant.MEPHISTOPHELES.Ei, ei! Gij denkt de menschen na te âmen!Ga regtuit, of, bij alle duivelsnamen,Ik blaas uw licht uit, kort en goed!DWAALLICHT.Gij zijt hier baas, naar ik bevroed,En ’k wil mij gaarne naar u schikken;Maar denk, de berg is heden dol en mal,En als een dwaallicht u den weg dus wijzen zal,Moet ge alles zoo precies niet wikken.FAUST, MEPHISTOPHELES, DWAALLICHT,in beurtzang.In de droom- en tooverspheerZijn wij, schijnt wel, nu getreden.Leid ons goed, dit zij uwe eer!Dat wij zonder tegenhedenSpoedig bij de heksen komen!Zie die boomen achter boomenSchielijk ver en verder rukken!En die klippen, zie ze eens bukken![162]En die lange steenrots-neuzen,Hoor ze eens snorken, net als reuzen!Door de steenen, die zij kneuzen,Snellen beek en beekje neder.Hoor ik liedren, zacht en teeder?Hoor ’k daar zoete minneklagtenJuist als in dien heiltijd smachten?Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!En ons hopen en ons minnenAlles kaatst ons de echo weder.Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;Steenuil, kaauw en meerkol bassen;Allen zitten in die struiken.Zie ’k geen mooliken daar duiken?Lange beenen, dikke buiken!En die wortels, als de slangen,Winden zich uit zand en rotsen,Maken wonderlijke potsen,Om ons, zoo verschrikt, te vangen;En uit levende eikenlotenStrekken de polypenpootenNaar den wandelaar zich uit.En die duizendkleurge muizen,Die door heide en mos verhuizen!En die glimmerwormpjes zwevenWolk bij wolk als voortgedreven,Dat het ons om de ooren fluit.Maar zeg nu eens of wij stilstaan,Dan wel verder op den dril gaan?Alles schijnt in ’t rond te draaijen;Rotsen, boomen, allen trekkenMalle tronies, scheeve bekken.Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen![163]MEPHISTOPHELES.Pak mij stevig bij den staart!Hier is juist een gat in de aard,Waar men ginder in ’t verschiet’t Gloeijen van den Mammon ziet.FAUST.Hoe zeldzaam blinkt door de aardkorst henenEen flaauwe, roode morgengloor!Men ziet, door vreemden glans beschenen,Tot in het diepst van d’ afgrond door.Hier stijgt de rook; daar trekken dampen;Hier schijnt de gloed door knoest en kluit;Nu heeft zijn loop met niets te kampen,Dan breekt hij als een vuurberg uit.Hier slingert hij zich, zonder hinder,Door ’t dal met honderd adren heen,En dan weêr in dien hoek daarginderKomt alles tot een klomp bijeen.Daar spatten allerwege vonkenAls uitgeworpen gouden zand;Maar zie, daar bij die twee spelonkenGeraakt de rots geheel in brand!MEPHISTOPHELES.Verlicht bij feesten, zoo als heden,Heer Mammon niet zijn prachtig huis?Maar stil! Ik hoor met veel gedruischAlreê de gasten nader treden!FAUST.Hoor, hoe de stormwind door ’t gebergte snort!Zie, hoe die boomen nedersmakken![164]MEPHISTOPHELES.Gij moet de rots bij de oude ribben pakken,Daar ge anders in den afgrond nederstort.Een nevel verdikt nog de nacht;Het loeijen verheft zich met kracht.Hoe vliegen en krassen die uilen!Hoe kraken en breken de zuilenVan groene paleizen! Hoe huilenDe winden met grootere woede!Hier wordt men regt aaklig te moede.Het barst en het knarst en het knettert,Of alles in ’t rond wordt verpletterd,En over het puin in de kolkenDaar jagen en gieren de wolken.Zeg! Hoort gij ’t gezang in de lucht wel,En achter en voor ons ’t gezucht wel?Dus krijschen en gillen zoo naar en zoo bangDe woedende heksen haar toovergezang.HEKSEN,in koor.De heksen naar den Bloksberg spoên;Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.De groote hoop zal henengaan;Voorop ziet men heer Uriaan.Zoo vliegen over steen en stokOp bezemsteelen heks en bok.EENE STEM.Ook de oude Baubo komt meteen,En rijdt nu op een zeug alleen.KOOR.Zij zij geëerd dan en geacht.Vrouw Baubo worde voorgebragt!Een zeug eerst, en haar moêr daarop,Dan volgt het ovrige in galop.[165]EENE STEM.Van waar komt gij?ANDERE STEM.Van waar komt gij?Van de Ilzenfest.Daar keek ik in een uilennest;Één spalkte wijd zijn kijkers open.EERSTE STEM.Wil naar de hel voor mijn part loopen!ANDERE STEM.Mij heeft zij geschonden;Zie maar eens mijn wonden!HEKSEN,in koor.De weg is breed, de weg is lang.Wat is dat voor een dol gedrang?De hooivork steekt, de bezem knarst,Het kind verstikt, de moeder barst.HET HALVE KOOR.Wij sluipen eerst gelijk de slak;De vrouwen vormen ’t eerste koor:Dan gaat het naar den bullebak;De vrouw heeft duizend schreden voor.DE ANDERE HELFT.Laat elk zich op zijn wijze spoên:De vrouw heeft duizend schreên van doen;Maar hoe zij ook zich haasten kan,Een enkle sprong—daar is de man!EENE STEM VAN BOVEN.Kom meê, kom meê, gij daar beneên![166]STEMMEN VAN BENEDEN.Wij wilden graag naar boven heen.Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,Maar ook onvruchtbaar voor altijd.BEIDE KOREN.De wind wordt stil, de sterren vliên;De maan wordt haast niet meer gezien.Het tooverheer spat in zijn drafWel duizend vonken van zich af.STEM VAN BENEDEN.Heidaar! O, wacht eens even!STEM VAN BOVEN.Wie maakt daar zulk een leven?STEM VAN BENEDEN.Neem mede mij! Ach, doe het maar!Ik klim nu reeds driehonderd jaar,En kan den top maar niet bereiken.Ik was zoo graag bij mijns gelijken.BEIDE KOREN.De bezem draagt; ook draagt de stok;De hooivork draagt, en ook de bok:Wie nu niet hooger komen kan,Blijft eeuwig een verloren man.HALVE HEKS,beneden.Ik hink zoo lang reeds achteraan.Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!Ik heb geen rust, wat ik ook doe,En kom er hier toch ook niet toe.[167]KOOR DER HEKSEN.De zalf geeft alle heksen moed;Een lap is voor een zeil nog goed,Voor schip een baktrog, als men ziet;Wie thans niet vliegt, die kan het niet.BEIDE KOREN.Zoodra wij vliegen om den top,Zet u beneên dan in galop,En overdekt de heide alomMet uwen zwerm van ’t heksendom.Zij dalen af.MEPHISTOPHELES.Dat dringt en stoot, dat vliegt en klappert,Dat sist en kirt, dat trekt en knappert,Dat spat en stinkt, dat draaft en rent:’t Is met regt een heksen-element.Hier, Faust! Houd u maar hieromtrent!Waar zijt ge?FAUST,in de verte.Waar zijt ge?Hier!MEPHISTOPHELES.Waar zijt ge? Hier!Hoe? Reeds in gindsche struiken?Dan zal ’k mijn huisregt maar gebruiken!Plaats! Jonker Voland komt! Plaats allen, oud en jong!Hier, doctor! Pak mij aan, en nu een enklen sprong,Opdat wij gaauw ’t gedrang ontwijken!’t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken.Daarginder schittert iets met ongemeenen schijn.Die struiken in! Daar zal ’t u blijken,Dat wij volkomen veilig zijn.[168]FAUST.Gij, geest van tegenspraak! ga voort met mij te leiden.’t Schijnt wel, hier kent gij weg en steg.Wij zijn nu naar den Bloksberg toch op weg,Om daar ons een stil plekje te bereiden.MEPHISTOPHELES.Zie, hoe die vlammen licht verspreiden!Een vrolijk kransje is daar bijeen:In ’t kleine is niemand ooit alleen.FAUST.Ik was toch liever op dien top.Hoe kronklen gloed en rook zich op!Daar ze allen naar den duivel loopen,Moet menig raadsel zich ontknoopen.MEPHISTOPHELES.Maar menig doet zich weder op.Laat maar de groote wereld draven;Wij zullen hier in stilte ons laven.Men weet toch lang en ’t is al oud,Dat m’ in de groote wereld kleine bouwt.Daar zie ik jonge heksen naakt en bloot,En oude, die zich wijselijk bedekken;Het is om mij, en ’k wil er niet meê gekken:De moeite is klein, de grap is groot.Ik hoor al menig instrument;’t Is leelijk, maar daar raakt men aan gewend.Kom gaauw nu meê, en scherp uw zinnen;Ik ga vooruit en leid u binnen,En stel u aan ’t gezelschap voor.Wat zegt ge nu? Dat is geen smaldoek, hoor!Kijk maar eens toe! Naauw is het eind te aanschouwen,En honderd vuren lichten als flambouwen.[169]Men kookt, men drinkt, men danst, men snapt, men gilt—Zeg mij eens, hoe gij ’t beter hebben wilt!FAUST.Wilt ge u nu, om ons hier te introduceeren,Als toovenaar of duivel produceeren?MEPHISTOPHELES.’k Bewaar ’t incognito wel meestal waar ik kom,Doch op galadag doet men al zijne ordes om.Met ster of kouseband ben ’k een, die niets beduidt;Maar met een paardevoet zie ik er deftig uit.Ziet gij dat diertje, met die voelhoorns opgestoken?Het is een slak, zoo als ge ziet.Zij heeft mij nu alreeds geroken;Al wil ik, hier verloochen ik mij niet.Kom! Wij gaan vuur aan vuur bekijken;Ik vraag de bruid, gij gaat er mede strijken.Tot eenigen, die voor halfuitgegane kolen zitten.Zeg, oude heeren! Zit gij hier te droomen?Gij moest in ’t midden liever komen,Met jonge heksen om u heen;Gij zijt genoeg toch te huis alleen.EEN GENERAAL.Wie mag op natiën vertrouwen,Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!Want bij het volk, als bij de vrouwen,Staat steeds de jonkheid boven aan.EEN MINISTER.Thans is men van het regte spoor, helaas!Ik prijs den tijd, den goeden ouden,Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;Want toen was hij en waren wij de baas.[170]EEN PARVENU.En wij, wij waren ook niet domEn weerden ons in ’t zamenspannen;Maar nu keert zich het blaadjen om,En weg zijn onze mooije plannen!EEN AUTEUR.Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,Waar maar een weinig in zit, lezen!En ’t jonge volkje—lieve tijd!Zoo neuswijs was het nooit voordezen!MEPHISTOPHELES,die er op eens zeer oud uitziet.’k Voel dat ten jongsten dag gerijpt is al wat leeft,Nu ik voor ’t laatst mijn schreden herwaarts wende;En wijl mijn vaatje weinig vochts meer geeft,Zoo loopt de wereld ook ten ende.EENE OUDSKOOP-HEKS.O heeren, spoedt u niet zoo voort!Laat de gelegenheid niet varen!O, werpt een blik op mijne waren;Ik heb van allerhande soort.Toch heb ik niets, hoe men ook smade,Wat niet eens menschen eerzucht wekt,En niet eens heeft tot groote schadeDer wereld en den mensch gestrekt.Geen dolk, waarvan het bloed niet heeft gevloten;Geen kelk, waaruit in eens gezonden lijf’t Verterend gift niet is gegoten;Geen tooisel, dat niet een beminnend wijfVerleid, geen zwaard, dat geen verbond verbroken,Of niet ter sluips een vijand heeft doorstoken.[171]MEPHISTOPHELES.Hoor, bestemoêr! gij weet niet meer te leven.Wat vroeger was, is nu gedaan.Wil liever eens wat nieuws ons geven;Slechts nieuwigheden trekken aan.FAUST.Dat mag ik in mijn zak wel steken;’k Heb nooit zoo mooi nog hooren preeken.MEPHISTOPHELES.Daar gaat nu heel de troep naar boven;Gij schuift, denkt ge, en gij wordt geschoven.FAUST.Maar wie is dat daarginder? Zeg!MEPHISTOPHELES.Maar wie is dat daarginder? Zeg!BeschouwHaar goed. ’t Is Lilith, Adams eerste vrouw.Neem u in acht voor hare schoone haren;Dit tooisel is gevaarlijk voor een man:Als zij daarmeê een jongling vangen kan,Laat zij hem niet zoo ligt weêr varen.FAUST.Daar zitten twee, een oude met haar jong;De laatste deed reeds menig sprong.MEPHISTOPHELES.Dat heeft van daag geen rust of vreê!De dans begint alweêr. Kom, gaauw! wij doen ook meê.FAUST,met de jonge heks dansende.’k Had eens een aangenamen droom.[172]Ik zag een grooten appelboom;Twee appels kreeg ik in het oog;Ik vond ze mooi, en klom omhoog.DE JONGE HEKS.Van appels was ’k altijd vriendin,Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,Ook appels in mijn tuintje zien.MEPHISTOPHELES,met de oude heks.’k Had eens een onpleiziergen droom.Ik zag een ouden, dorren boom:Het scheen wel halve hekserij;Want ook, hoe oud, beviel hij mij.DE OUDE HEKS.Ik bied u gaarne mijnen groet,Gij, ridder van den paardenvoet!Vreest gij geen ouden, dorren stam,Dan ben ook ik u niet te stram.EEN LIJDER AAN VERSTOPPINGEN.Vervloekt gespuis! wat maakt u toch zoo koen?Een geest, gij hadt het weten moeten,Staat niet op ordinaire voeten:Nu danst gij zelfs, zoo als wij menschen doen.DE JONGE HEKS,dansende.Wat moet die man daar op ons bal?FAUST,dansende.Och! die is hier en overal;Die meent de alwijsheid te bezitten.Kan hij niet ieder pas bevitten,Dan is de pas zoo goed als niet gedaan.[173]Het slechtst is hij gemutst, wanneer wij voorwaarts gaan.Wanneer ge u juist zoo rond wilt draaijen,Als hij het in zijn ouden molen doet,Dan vindt hij ’t nog al reedlijk goed,Vooral zoo gij hem ook wat lof weet toe te zwaaijen.DE VERSTOPPING-LIJDER.Zijt gij daar nog, gij hellewicht?Verdwijn! Wij hebben ’t menschdom nu verlicht.Dat duivelstuig vraagt naar geen wet of regel;Wij weten ’t zoo, en ’t steekt toch als een egel.Hoe lang toch riep ik tegen elk bedrog!Maar ’t baat niet. Zie, dat ergert iemand toch.DE JONGE HEKS.Schei uit toch met ons hier zoo te vervelen!DE VERSTOPPING-LIJDER.Ik zeg u, geesten, houdt u stil,Daar ik geen geestendespotisme wil;Mijn geest kan in dien waan niet deelen.Er wordt voortgedanst.Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken;Maar ’k doe het togtje altijd toch meê,En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê,Den duivel en de dichters te doen bukken.MEPHISTOPHELES.Hij zal zich in een drekplas nedervlijen,Zoo is hij nog op zijn gemak het meest,En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen;Dan is hij vrij van geesten en van geest.Tot Faust, die uit den dansrei getreden is.Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen,Dat bij den dans zoo aardig zong?[174]FAUST.Ach! Midden onder ’t zingen sprongEen roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.MEPHISTOPHELES.Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren!Wie zal toch aan een muisje, rood geboren,Zich in een herdersuurtje storen!FAUST.Dan zag ik.…MEPHISTOPHELES.Dan zag ik.…Wat?FAUST.Dan zag ik.… Wat?Mephisto, zie eens aan!Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan?Zij schijnt haar schreden in te toomen,En kan haast van de plaats niet komen.Ik moet bekennen—vindt gij niet?—’t Is juist alsof men Grete ziet.MEPHISTOPHELES.Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet;’t Is maar verbeelding wat gij ziet.Er op te turen, is niet goed;Dat geeft maar stremming in het bloed;Ja, men versteent soms van zoo iets.… Maar och,De fabel van Medusa kent gij toch!FAUST.Voorwaar, het is een meisje, bij wier doodHaar de oogen een beminde hand niet sloot.Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken,Mij alles, alles heeft geschonken![175]MEPHISTOPHELES.Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor;Want ieder komt zij als zijn liefje voor.FAUST.O, welk een lijden! welk verrukken!Ik kan daarvan niet los mij rukken!En zonderling! Die roode strookOm haren hals, die, naar ik gis,Niet breeder dan een mesrug is.…MEPHISTOPHELES.Gij hebt gelijk; ik zie het ook.Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen;Want Perseus heeft het afgeslagen.…Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top!Kom! Gaauw dat heuveltje nu op!Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater!En ben ik niet behekst of blind,Dan zie ik waarlijk een theater.Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?EEN DIENSTDOENDE GEEST.Dat men zoo aanstonds weêr begint.Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven,Die wij hier elken avond geven.Een dilettant heeft het geschreven,En dilettanten spelen ’t vlug en snel.Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren,En voor ’t gordijn-ophalen schel!MEPHISTOPHELES.Dat ik u hier moet rencontreeren,Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.[176]

Walpurgisnacht.

Hartsgebergte.

FAUSTenMEPHISTOPHELES.

MEPHISTOPHELES.Verlangt gij niet een bezemstok?Ik wenschte wel een fermen bok;Wij zijn zeer ver nog van het doel.

MEPHISTOPHELES.

Verlangt gij niet een bezemstok?

Ik wenschte wel een fermen bok;

Wij zijn zeer ver nog van het doel.

FAUST.Zoo lang ik mij nog wel ter been gevoel,Word ik door ongeduld niet aangepord.Wat helpt het, of men zich den weg verkort?In deze kronkelende dalenOf in die rotsen te verdwalen,Van waar de bergstroom nederstort,Dat is de saus, waardoor zoo’n wandling smaaklijk wordt.De lente weeft reeds in de berken,En zelfs de pijnboom voelt haar al;Zou zij dan ook op ons niet werken?

FAUST.

Zoo lang ik mij nog wel ter been gevoel,

Word ik door ongeduld niet aangepord.

Wat helpt het, of men zich den weg verkort?

In deze kronkelende dalen

Of in die rotsen te verdwalen,

Van waar de bergstroom nederstort,

Dat is de saus, waardoor zoo’n wandling smaaklijk wordt.

De lente weeft reeds in de berken,

En zelfs de pijnboom voelt haar al;

Zou zij dan ook op ons niet werken?

MEPHISTOPHELES.Voorwaar, ik merk nog niemendal;Ik heb den winter nog in ’t lijf,En wenschte sneeuw en vorst op mijne baan.Hoe treurig stijgt daar de onvolkomen schijfOmhoog der laat reeds opgekomen maan,[161]En schijnt zoo flaauw, dat men bij ieder tredLigt tegen boom of rots-uitstek belandt.Vergun mij dat een dwaallicht ons hier redd’!Daar zie ’k een, dat juist vrolijk brandt.Heidaar, mijn vriend! Mag ’k u wel hier verzoeken?Geen nut toch sticht ge in achterhoeken.Och, licht eens hier naar dezen kant!

MEPHISTOPHELES.

Voorwaar, ik merk nog niemendal;

Ik heb den winter nog in ’t lijf,

En wenschte sneeuw en vorst op mijne baan.

Hoe treurig stijgt daar de onvolkomen schijf

Omhoog der laat reeds opgekomen maan,[161]

En schijnt zoo flaauw, dat men bij ieder tred

Ligt tegen boom of rots-uitstek belandt.

Vergun mij dat een dwaallicht ons hier redd’!

Daar zie ’k een, dat juist vrolijk brandt.

Heidaar, mijn vriend! Mag ’k u wel hier verzoeken?

Geen nut toch sticht ge in achterhoeken.

Och, licht eens hier naar dezen kant!

DWAALLICHT.Uit eerbied, hoop ik, zal het mij gelukkenMijn vlugheid zoo veel mooglijk te onderdrukken;Maar onze loop zwaait als een lanterfant.

DWAALLICHT.

Uit eerbied, hoop ik, zal het mij gelukken

Mijn vlugheid zoo veel mooglijk te onderdrukken;

Maar onze loop zwaait als een lanterfant.

MEPHISTOPHELES.Ei, ei! Gij denkt de menschen na te âmen!Ga regtuit, of, bij alle duivelsnamen,Ik blaas uw licht uit, kort en goed!

MEPHISTOPHELES.

Ei, ei! Gij denkt de menschen na te âmen!

Ga regtuit, of, bij alle duivelsnamen,

Ik blaas uw licht uit, kort en goed!

DWAALLICHT.Gij zijt hier baas, naar ik bevroed,En ’k wil mij gaarne naar u schikken;Maar denk, de berg is heden dol en mal,En als een dwaallicht u den weg dus wijzen zal,Moet ge alles zoo precies niet wikken.

DWAALLICHT.

Gij zijt hier baas, naar ik bevroed,

En ’k wil mij gaarne naar u schikken;

Maar denk, de berg is heden dol en mal,

En als een dwaallicht u den weg dus wijzen zal,

Moet ge alles zoo precies niet wikken.

FAUST, MEPHISTOPHELES, DWAALLICHT,in beurtzang.In de droom- en tooverspheerZijn wij, schijnt wel, nu getreden.Leid ons goed, dit zij uwe eer!Dat wij zonder tegenhedenSpoedig bij de heksen komen!Zie die boomen achter boomenSchielijk ver en verder rukken!En die klippen, zie ze eens bukken![162]En die lange steenrots-neuzen,Hoor ze eens snorken, net als reuzen!Door de steenen, die zij kneuzen,Snellen beek en beekje neder.Hoor ik liedren, zacht en teeder?Hoor ’k daar zoete minneklagtenJuist als in dien heiltijd smachten?Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!En ons hopen en ons minnenAlles kaatst ons de echo weder.Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;Steenuil, kaauw en meerkol bassen;Allen zitten in die struiken.Zie ’k geen mooliken daar duiken?Lange beenen, dikke buiken!En die wortels, als de slangen,Winden zich uit zand en rotsen,Maken wonderlijke potsen,Om ons, zoo verschrikt, te vangen;En uit levende eikenlotenStrekken de polypenpootenNaar den wandelaar zich uit.En die duizendkleurge muizen,Die door heide en mos verhuizen!En die glimmerwormpjes zwevenWolk bij wolk als voortgedreven,Dat het ons om de ooren fluit.Maar zeg nu eens of wij stilstaan,Dan wel verder op den dril gaan?Alles schijnt in ’t rond te draaijen;Rotsen, boomen, allen trekkenMalle tronies, scheeve bekken.Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen!

FAUST, MEPHISTOPHELES, DWAALLICHT,in beurtzang.

In de droom- en tooverspheerZijn wij, schijnt wel, nu getreden.Leid ons goed, dit zij uwe eer!Dat wij zonder tegenhedenSpoedig bij de heksen komen!Zie die boomen achter boomenSchielijk ver en verder rukken!En die klippen, zie ze eens bukken![162]En die lange steenrots-neuzen,Hoor ze eens snorken, net als reuzen!Door de steenen, die zij kneuzen,Snellen beek en beekje neder.Hoor ik liedren, zacht en teeder?Hoor ’k daar zoete minneklagtenJuist als in dien heiltijd smachten?Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!En ons hopen en ons minnenAlles kaatst ons de echo weder.Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;Steenuil, kaauw en meerkol bassen;Allen zitten in die struiken.Zie ’k geen mooliken daar duiken?Lange beenen, dikke buiken!En die wortels, als de slangen,Winden zich uit zand en rotsen,Maken wonderlijke potsen,Om ons, zoo verschrikt, te vangen;En uit levende eikenlotenStrekken de polypenpootenNaar den wandelaar zich uit.En die duizendkleurge muizen,Die door heide en mos verhuizen!En die glimmerwormpjes zwevenWolk bij wolk als voortgedreven,Dat het ons om de ooren fluit.Maar zeg nu eens of wij stilstaan,Dan wel verder op den dril gaan?Alles schijnt in ’t rond te draaijen;Rotsen, boomen, allen trekkenMalle tronies, scheeve bekken.Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen!

In de droom- en tooverspheerZijn wij, schijnt wel, nu getreden.Leid ons goed, dit zij uwe eer!Dat wij zonder tegenhedenSpoedig bij de heksen komen!

In de droom- en tooverspheer

Zijn wij, schijnt wel, nu getreden.

Leid ons goed, dit zij uwe eer!

Dat wij zonder tegenheden

Spoedig bij de heksen komen!

Zie die boomen achter boomenSchielijk ver en verder rukken!En die klippen, zie ze eens bukken![162]En die lange steenrots-neuzen,Hoor ze eens snorken, net als reuzen!

Zie die boomen achter boomen

Schielijk ver en verder rukken!

En die klippen, zie ze eens bukken![162]

En die lange steenrots-neuzen,

Hoor ze eens snorken, net als reuzen!

Door de steenen, die zij kneuzen,Snellen beek en beekje neder.Hoor ik liedren, zacht en teeder?Hoor ’k daar zoete minneklagtenJuist als in dien heiltijd smachten?Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!En ons hopen en ons minnenAlles kaatst ons de echo weder.

Door de steenen, die zij kneuzen,

Snellen beek en beekje neder.

Hoor ik liedren, zacht en teeder?

Hoor ’k daar zoete minneklagten

Juist als in dien heiltijd smachten?

Hoop, wat werkt ge op onze zinnen!

En ons hopen en ons minnen

Alles kaatst ons de echo weder.

Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;Steenuil, kaauw en meerkol bassen;Allen zitten in die struiken.Zie ’k geen mooliken daar duiken?Lange beenen, dikke buiken!En die wortels, als de slangen,Winden zich uit zand en rotsen,Maken wonderlijke potsen,Om ons, zoo verschrikt, te vangen;En uit levende eikenlotenStrekken de polypenpootenNaar den wandelaar zich uit.En die duizendkleurge muizen,Die door heide en mos verhuizen!En die glimmerwormpjes zwevenWolk bij wolk als voortgedreven,Dat het ons om de ooren fluit.

Oehoe, oehoe! hoor ik krassen;

Steenuil, kaauw en meerkol bassen;

Allen zitten in die struiken.

Zie ’k geen mooliken daar duiken?

Lange beenen, dikke buiken!

En die wortels, als de slangen,

Winden zich uit zand en rotsen,

Maken wonderlijke potsen,

Om ons, zoo verschrikt, te vangen;

En uit levende eikenloten

Strekken de polypenpooten

Naar den wandelaar zich uit.

En die duizendkleurge muizen,

Die door heide en mos verhuizen!

En die glimmerwormpjes zweven

Wolk bij wolk als voortgedreven,

Dat het ons om de ooren fluit.

Maar zeg nu eens of wij stilstaan,Dan wel verder op den dril gaan?Alles schijnt in ’t rond te draaijen;Rotsen, boomen, allen trekkenMalle tronies, scheeve bekken.Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen!

Maar zeg nu eens of wij stilstaan,

Dan wel verder op den dril gaan?

Alles schijnt in ’t rond te draaijen;

Rotsen, boomen, allen trekken

Malle tronies, scheeve bekken.

Wat al dwaallicht ziet men zwaaijen!

[163]

MEPHISTOPHELES.Pak mij stevig bij den staart!Hier is juist een gat in de aard,Waar men ginder in ’t verschiet’t Gloeijen van den Mammon ziet.

MEPHISTOPHELES.

Pak mij stevig bij den staart!

Hier is juist een gat in de aard,

Waar men ginder in ’t verschiet

’t Gloeijen van den Mammon ziet.

FAUST.Hoe zeldzaam blinkt door de aardkorst henenEen flaauwe, roode morgengloor!Men ziet, door vreemden glans beschenen,Tot in het diepst van d’ afgrond door.Hier stijgt de rook; daar trekken dampen;Hier schijnt de gloed door knoest en kluit;Nu heeft zijn loop met niets te kampen,Dan breekt hij als een vuurberg uit.Hier slingert hij zich, zonder hinder,Door ’t dal met honderd adren heen,En dan weêr in dien hoek daarginderKomt alles tot een klomp bijeen.Daar spatten allerwege vonkenAls uitgeworpen gouden zand;Maar zie, daar bij die twee spelonkenGeraakt de rots geheel in brand!

FAUST.

Hoe zeldzaam blinkt door de aardkorst henen

Een flaauwe, roode morgengloor!

Men ziet, door vreemden glans beschenen,

Tot in het diepst van d’ afgrond door.

Hier stijgt de rook; daar trekken dampen;

Hier schijnt de gloed door knoest en kluit;

Nu heeft zijn loop met niets te kampen,

Dan breekt hij als een vuurberg uit.

Hier slingert hij zich, zonder hinder,

Door ’t dal met honderd adren heen,

En dan weêr in dien hoek daarginder

Komt alles tot een klomp bijeen.

Daar spatten allerwege vonken

Als uitgeworpen gouden zand;

Maar zie, daar bij die twee spelonken

Geraakt de rots geheel in brand!

MEPHISTOPHELES.Verlicht bij feesten, zoo als heden,Heer Mammon niet zijn prachtig huis?Maar stil! Ik hoor met veel gedruischAlreê de gasten nader treden!

MEPHISTOPHELES.

Verlicht bij feesten, zoo als heden,

Heer Mammon niet zijn prachtig huis?

Maar stil! Ik hoor met veel gedruisch

Alreê de gasten nader treden!

FAUST.Hoor, hoe de stormwind door ’t gebergte snort!Zie, hoe die boomen nedersmakken!

FAUST.

Hoor, hoe de stormwind door ’t gebergte snort!

Zie, hoe die boomen nedersmakken!

[164]

MEPHISTOPHELES.Gij moet de rots bij de oude ribben pakken,Daar ge anders in den afgrond nederstort.Een nevel verdikt nog de nacht;Het loeijen verheft zich met kracht.Hoe vliegen en krassen die uilen!Hoe kraken en breken de zuilenVan groene paleizen! Hoe huilenDe winden met grootere woede!Hier wordt men regt aaklig te moede.Het barst en het knarst en het knettert,Of alles in ’t rond wordt verpletterd,En over het puin in de kolkenDaar jagen en gieren de wolken.Zeg! Hoort gij ’t gezang in de lucht wel,En achter en voor ons ’t gezucht wel?Dus krijschen en gillen zoo naar en zoo bangDe woedende heksen haar toovergezang.

MEPHISTOPHELES.

Gij moet de rots bij de oude ribben pakken,

Daar ge anders in den afgrond nederstort.

Een nevel verdikt nog de nacht;

Het loeijen verheft zich met kracht.

Hoe vliegen en krassen die uilen!

Hoe kraken en breken de zuilen

Van groene paleizen! Hoe huilen

De winden met grootere woede!

Hier wordt men regt aaklig te moede.

Het barst en het knarst en het knettert,

Of alles in ’t rond wordt verpletterd,

En over het puin in de kolken

Daar jagen en gieren de wolken.

Zeg! Hoort gij ’t gezang in de lucht wel,

En achter en voor ons ’t gezucht wel?

Dus krijschen en gillen zoo naar en zoo bang

De woedende heksen haar toovergezang.

HEKSEN,in koor.De heksen naar den Bloksberg spoên;Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.De groote hoop zal henengaan;Voorop ziet men heer Uriaan.Zoo vliegen over steen en stokOp bezemsteelen heks en bok.

HEKSEN,in koor.

De heksen naar den Bloksberg spoên;Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.De groote hoop zal henengaan;Voorop ziet men heer Uriaan.Zoo vliegen over steen en stokOp bezemsteelen heks en bok.

De heksen naar den Bloksberg spoên;

Geel is de stoppel, ’t zaad is groen.

De groote hoop zal henengaan;

Voorop ziet men heer Uriaan.

Zoo vliegen over steen en stok

Op bezemsteelen heks en bok.

EENE STEM.Ook de oude Baubo komt meteen,En rijdt nu op een zeug alleen.

EENE STEM.

Ook de oude Baubo komt meteen,En rijdt nu op een zeug alleen.

Ook de oude Baubo komt meteen,

En rijdt nu op een zeug alleen.

KOOR.Zij zij geëerd dan en geacht.Vrouw Baubo worde voorgebragt!Een zeug eerst, en haar moêr daarop,Dan volgt het ovrige in galop.

KOOR.

Zij zij geëerd dan en geacht.Vrouw Baubo worde voorgebragt!Een zeug eerst, en haar moêr daarop,Dan volgt het ovrige in galop.

Zij zij geëerd dan en geacht.

Vrouw Baubo worde voorgebragt!

Een zeug eerst, en haar moêr daarop,

Dan volgt het ovrige in galop.

[165]

EENE STEM.Van waar komt gij?

EENE STEM.

Van waar komt gij?

Van waar komt gij?

ANDERE STEM.Van waar komt gij?Van de Ilzenfest.Daar keek ik in een uilennest;Één spalkte wijd zijn kijkers open.

ANDERE STEM.

Van waar komt gij?Van de Ilzenfest.Daar keek ik in een uilennest;Één spalkte wijd zijn kijkers open.

Van waar komt gij?Van de Ilzenfest.

Daar keek ik in een uilennest;

Één spalkte wijd zijn kijkers open.

EERSTE STEM.Wil naar de hel voor mijn part loopen!

EERSTE STEM.

Wil naar de hel voor mijn part loopen!

Wil naar de hel voor mijn part loopen!

ANDERE STEM.Mij heeft zij geschonden;Zie maar eens mijn wonden!

ANDERE STEM.

Mij heeft zij geschonden;Zie maar eens mijn wonden!

Mij heeft zij geschonden;

Zie maar eens mijn wonden!

HEKSEN,in koor.De weg is breed, de weg is lang.Wat is dat voor een dol gedrang?De hooivork steekt, de bezem knarst,Het kind verstikt, de moeder barst.

HEKSEN,in koor.

De weg is breed, de weg is lang.Wat is dat voor een dol gedrang?De hooivork steekt, de bezem knarst,Het kind verstikt, de moeder barst.

De weg is breed, de weg is lang.

Wat is dat voor een dol gedrang?

De hooivork steekt, de bezem knarst,

Het kind verstikt, de moeder barst.

HET HALVE KOOR.Wij sluipen eerst gelijk de slak;De vrouwen vormen ’t eerste koor:Dan gaat het naar den bullebak;De vrouw heeft duizend schreden voor.

HET HALVE KOOR.

Wij sluipen eerst gelijk de slak;De vrouwen vormen ’t eerste koor:Dan gaat het naar den bullebak;De vrouw heeft duizend schreden voor.

Wij sluipen eerst gelijk de slak;

De vrouwen vormen ’t eerste koor:

Dan gaat het naar den bullebak;

De vrouw heeft duizend schreden voor.

DE ANDERE HELFT.Laat elk zich op zijn wijze spoên:De vrouw heeft duizend schreên van doen;Maar hoe zij ook zich haasten kan,Een enkle sprong—daar is de man!

DE ANDERE HELFT.

Laat elk zich op zijn wijze spoên:De vrouw heeft duizend schreên van doen;Maar hoe zij ook zich haasten kan,Een enkle sprong—daar is de man!

Laat elk zich op zijn wijze spoên:

De vrouw heeft duizend schreên van doen;

Maar hoe zij ook zich haasten kan,

Een enkle sprong—daar is de man!

EENE STEM VAN BOVEN.Kom meê, kom meê, gij daar beneên!

EENE STEM VAN BOVEN.

Kom meê, kom meê, gij daar beneên!

Kom meê, kom meê, gij daar beneên!

[166]

STEMMEN VAN BENEDEN.Wij wilden graag naar boven heen.Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,Maar ook onvruchtbaar voor altijd.

STEMMEN VAN BENEDEN.

Wij wilden graag naar boven heen.Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,Maar ook onvruchtbaar voor altijd.

Wij wilden graag naar boven heen.

Wij wieschen ons, en zijn zoo wit als krijt,

Maar ook onvruchtbaar voor altijd.

BEIDE KOREN.De wind wordt stil, de sterren vliên;De maan wordt haast niet meer gezien.Het tooverheer spat in zijn drafWel duizend vonken van zich af.

BEIDE KOREN.

De wind wordt stil, de sterren vliên;De maan wordt haast niet meer gezien.Het tooverheer spat in zijn drafWel duizend vonken van zich af.

De wind wordt stil, de sterren vliên;

De maan wordt haast niet meer gezien.

Het tooverheer spat in zijn draf

Wel duizend vonken van zich af.

STEM VAN BENEDEN.Heidaar! O, wacht eens even!

STEM VAN BENEDEN.

Heidaar! O, wacht eens even!

Heidaar! O, wacht eens even!

STEM VAN BOVEN.Wie maakt daar zulk een leven?

STEM VAN BOVEN.

Wie maakt daar zulk een leven?

Wie maakt daar zulk een leven?

STEM VAN BENEDEN.Neem mede mij! Ach, doe het maar!Ik klim nu reeds driehonderd jaar,En kan den top maar niet bereiken.Ik was zoo graag bij mijns gelijken.

STEM VAN BENEDEN.

Neem mede mij! Ach, doe het maar!Ik klim nu reeds driehonderd jaar,En kan den top maar niet bereiken.Ik was zoo graag bij mijns gelijken.

Neem mede mij! Ach, doe het maar!

Ik klim nu reeds driehonderd jaar,

En kan den top maar niet bereiken.

Ik was zoo graag bij mijns gelijken.

BEIDE KOREN.De bezem draagt; ook draagt de stok;De hooivork draagt, en ook de bok:Wie nu niet hooger komen kan,Blijft eeuwig een verloren man.

BEIDE KOREN.

De bezem draagt; ook draagt de stok;De hooivork draagt, en ook de bok:Wie nu niet hooger komen kan,Blijft eeuwig een verloren man.

De bezem draagt; ook draagt de stok;

De hooivork draagt, en ook de bok:

Wie nu niet hooger komen kan,

Blijft eeuwig een verloren man.

HALVE HEKS,beneden.Ik hink zoo lang reeds achteraan.Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!Ik heb geen rust, wat ik ook doe,En kom er hier toch ook niet toe.

HALVE HEKS,beneden.

Ik hink zoo lang reeds achteraan.Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!Ik heb geen rust, wat ik ook doe,En kom er hier toch ook niet toe.

Ik hink zoo lang reeds achteraan.

Wat zijt ge al ver vooruitgegaan!

Ik heb geen rust, wat ik ook doe,

En kom er hier toch ook niet toe.

[167]

KOOR DER HEKSEN.De zalf geeft alle heksen moed;Een lap is voor een zeil nog goed,Voor schip een baktrog, als men ziet;Wie thans niet vliegt, die kan het niet.

KOOR DER HEKSEN.

De zalf geeft alle heksen moed;Een lap is voor een zeil nog goed,Voor schip een baktrog, als men ziet;Wie thans niet vliegt, die kan het niet.

De zalf geeft alle heksen moed;

Een lap is voor een zeil nog goed,

Voor schip een baktrog, als men ziet;

Wie thans niet vliegt, die kan het niet.

BEIDE KOREN.Zoodra wij vliegen om den top,Zet u beneên dan in galop,En overdekt de heide alomMet uwen zwerm van ’t heksendom.

BEIDE KOREN.

Zoodra wij vliegen om den top,Zet u beneên dan in galop,En overdekt de heide alomMet uwen zwerm van ’t heksendom.

Zoodra wij vliegen om den top,

Zet u beneên dan in galop,

En overdekt de heide alom

Met uwen zwerm van ’t heksendom.

Zij dalen af.

MEPHISTOPHELES.Dat dringt en stoot, dat vliegt en klappert,Dat sist en kirt, dat trekt en knappert,Dat spat en stinkt, dat draaft en rent:’t Is met regt een heksen-element.Hier, Faust! Houd u maar hieromtrent!Waar zijt ge?

MEPHISTOPHELES.

Dat dringt en stoot, dat vliegt en klappert,

Dat sist en kirt, dat trekt en knappert,

Dat spat en stinkt, dat draaft en rent:

’t Is met regt een heksen-element.

Hier, Faust! Houd u maar hieromtrent!

Waar zijt ge?

FAUST,in de verte.Waar zijt ge?Hier!

FAUST,in de verte.

Waar zijt ge?Hier!

MEPHISTOPHELES.Waar zijt ge? Hier!Hoe? Reeds in gindsche struiken?Dan zal ’k mijn huisregt maar gebruiken!Plaats! Jonker Voland komt! Plaats allen, oud en jong!Hier, doctor! Pak mij aan, en nu een enklen sprong,Opdat wij gaauw ’t gedrang ontwijken!’t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken.Daarginder schittert iets met ongemeenen schijn.Die struiken in! Daar zal ’t u blijken,Dat wij volkomen veilig zijn.

MEPHISTOPHELES.

Waar zijt ge? Hier!Hoe? Reeds in gindsche struiken?

Dan zal ’k mijn huisregt maar gebruiken!

Plaats! Jonker Voland komt! Plaats allen, oud en jong!

Hier, doctor! Pak mij aan, en nu een enklen sprong,

Opdat wij gaauw ’t gedrang ontwijken!

’t Is al te dol, ook zelfs voor mijns gelijken.

Daarginder schittert iets met ongemeenen schijn.

Die struiken in! Daar zal ’t u blijken,

Dat wij volkomen veilig zijn.

[168]

FAUST.Gij, geest van tegenspraak! ga voort met mij te leiden.’t Schijnt wel, hier kent gij weg en steg.Wij zijn nu naar den Bloksberg toch op weg,Om daar ons een stil plekje te bereiden.

FAUST.

Gij, geest van tegenspraak! ga voort met mij te leiden.

’t Schijnt wel, hier kent gij weg en steg.

Wij zijn nu naar den Bloksberg toch op weg,

Om daar ons een stil plekje te bereiden.

MEPHISTOPHELES.Zie, hoe die vlammen licht verspreiden!Een vrolijk kransje is daar bijeen:In ’t kleine is niemand ooit alleen.

MEPHISTOPHELES.

Zie, hoe die vlammen licht verspreiden!

Een vrolijk kransje is daar bijeen:

In ’t kleine is niemand ooit alleen.

FAUST.Ik was toch liever op dien top.Hoe kronklen gloed en rook zich op!Daar ze allen naar den duivel loopen,Moet menig raadsel zich ontknoopen.

FAUST.

Ik was toch liever op dien top.

Hoe kronklen gloed en rook zich op!

Daar ze allen naar den duivel loopen,

Moet menig raadsel zich ontknoopen.

MEPHISTOPHELES.Maar menig doet zich weder op.Laat maar de groote wereld draven;Wij zullen hier in stilte ons laven.Men weet toch lang en ’t is al oud,Dat m’ in de groote wereld kleine bouwt.Daar zie ik jonge heksen naakt en bloot,En oude, die zich wijselijk bedekken;Het is om mij, en ’k wil er niet meê gekken:De moeite is klein, de grap is groot.Ik hoor al menig instrument;’t Is leelijk, maar daar raakt men aan gewend.Kom gaauw nu meê, en scherp uw zinnen;Ik ga vooruit en leid u binnen,En stel u aan ’t gezelschap voor.Wat zegt ge nu? Dat is geen smaldoek, hoor!Kijk maar eens toe! Naauw is het eind te aanschouwen,En honderd vuren lichten als flambouwen.[169]Men kookt, men drinkt, men danst, men snapt, men gilt—Zeg mij eens, hoe gij ’t beter hebben wilt!

MEPHISTOPHELES.

Maar menig doet zich weder op.

Laat maar de groote wereld draven;

Wij zullen hier in stilte ons laven.

Men weet toch lang en ’t is al oud,

Dat m’ in de groote wereld kleine bouwt.

Daar zie ik jonge heksen naakt en bloot,

En oude, die zich wijselijk bedekken;

Het is om mij, en ’k wil er niet meê gekken:

De moeite is klein, de grap is groot.

Ik hoor al menig instrument;

’t Is leelijk, maar daar raakt men aan gewend.

Kom gaauw nu meê, en scherp uw zinnen;

Ik ga vooruit en leid u binnen,

En stel u aan ’t gezelschap voor.

Wat zegt ge nu? Dat is geen smaldoek, hoor!

Kijk maar eens toe! Naauw is het eind te aanschouwen,

En honderd vuren lichten als flambouwen.[169]

Men kookt, men drinkt, men danst, men snapt, men gilt—

Zeg mij eens, hoe gij ’t beter hebben wilt!

FAUST.Wilt ge u nu, om ons hier te introduceeren,Als toovenaar of duivel produceeren?

FAUST.

Wilt ge u nu, om ons hier te introduceeren,

Als toovenaar of duivel produceeren?

MEPHISTOPHELES.’k Bewaar ’t incognito wel meestal waar ik kom,Doch op galadag doet men al zijne ordes om.Met ster of kouseband ben ’k een, die niets beduidt;Maar met een paardevoet zie ik er deftig uit.Ziet gij dat diertje, met die voelhoorns opgestoken?Het is een slak, zoo als ge ziet.Zij heeft mij nu alreeds geroken;Al wil ik, hier verloochen ik mij niet.Kom! Wij gaan vuur aan vuur bekijken;Ik vraag de bruid, gij gaat er mede strijken.

MEPHISTOPHELES.

’k Bewaar ’t incognito wel meestal waar ik kom,

Doch op galadag doet men al zijne ordes om.

Met ster of kouseband ben ’k een, die niets beduidt;

Maar met een paardevoet zie ik er deftig uit.

Ziet gij dat diertje, met die voelhoorns opgestoken?

Het is een slak, zoo als ge ziet.

Zij heeft mij nu alreeds geroken;

Al wil ik, hier verloochen ik mij niet.

Kom! Wij gaan vuur aan vuur bekijken;

Ik vraag de bruid, gij gaat er mede strijken.

Tot eenigen, die voor halfuitgegane kolen zitten.

Zeg, oude heeren! Zit gij hier te droomen?Gij moest in ’t midden liever komen,Met jonge heksen om u heen;Gij zijt genoeg toch te huis alleen.

Zeg, oude heeren! Zit gij hier te droomen?

Gij moest in ’t midden liever komen,

Met jonge heksen om u heen;

Gij zijt genoeg toch te huis alleen.

EEN GENERAAL.Wie mag op natiën vertrouwen,Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!Want bij het volk, als bij de vrouwen,Staat steeds de jonkheid boven aan.

EEN GENERAAL.

Wie mag op natiën vertrouwen,Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!Want bij het volk, als bij de vrouwen,Staat steeds de jonkheid boven aan.

Wie mag op natiën vertrouwen,

Men hebbe nog zoo veel voor haar gedaan!

Want bij het volk, als bij de vrouwen,

Staat steeds de jonkheid boven aan.

EEN MINISTER.Thans is men van het regte spoor, helaas!Ik prijs den tijd, den goeden ouden,Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;Want toen was hij en waren wij de baas.

EEN MINISTER.

Thans is men van het regte spoor, helaas!Ik prijs den tijd, den goeden ouden,Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;Want toen was hij en waren wij de baas.

Thans is men van het regte spoor, helaas!

Ik prijs den tijd, den goeden ouden,

Toen ’s vorsten wil werd opgehouden;

Want toen was hij en waren wij de baas.

[170]

EEN PARVENU.En wij, wij waren ook niet domEn weerden ons in ’t zamenspannen;Maar nu keert zich het blaadjen om,En weg zijn onze mooije plannen!

EEN PARVENU.

En wij, wij waren ook niet domEn weerden ons in ’t zamenspannen;Maar nu keert zich het blaadjen om,En weg zijn onze mooije plannen!

En wij, wij waren ook niet dom

En weerden ons in ’t zamenspannen;

Maar nu keert zich het blaadjen om,

En weg zijn onze mooije plannen!

EEN AUTEUR.Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,Waar maar een weinig in zit, lezen!En ’t jonge volkje—lieve tijd!Zoo neuswijs was het nooit voordezen!

EEN AUTEUR.

Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,Waar maar een weinig in zit, lezen!En ’t jonge volkje—lieve tijd!Zoo neuswijs was het nooit voordezen!

Wie zal thans een geschrift, aan ernst of jok gewijd,

Waar maar een weinig in zit, lezen!

En ’t jonge volkje—lieve tijd!

Zoo neuswijs was het nooit voordezen!

MEPHISTOPHELES,die er op eens zeer oud uitziet.’k Voel dat ten jongsten dag gerijpt is al wat leeft,Nu ik voor ’t laatst mijn schreden herwaarts wende;En wijl mijn vaatje weinig vochts meer geeft,Zoo loopt de wereld ook ten ende.

MEPHISTOPHELES,die er op eens zeer oud uitziet.

’k Voel dat ten jongsten dag gerijpt is al wat leeft,

Nu ik voor ’t laatst mijn schreden herwaarts wende;

En wijl mijn vaatje weinig vochts meer geeft,

Zoo loopt de wereld ook ten ende.

EENE OUDSKOOP-HEKS.O heeren, spoedt u niet zoo voort!Laat de gelegenheid niet varen!O, werpt een blik op mijne waren;Ik heb van allerhande soort.Toch heb ik niets, hoe men ook smade,Wat niet eens menschen eerzucht wekt,En niet eens heeft tot groote schadeDer wereld en den mensch gestrekt.Geen dolk, waarvan het bloed niet heeft gevloten;Geen kelk, waaruit in eens gezonden lijf’t Verterend gift niet is gegoten;Geen tooisel, dat niet een beminnend wijfVerleid, geen zwaard, dat geen verbond verbroken,Of niet ter sluips een vijand heeft doorstoken.

EENE OUDSKOOP-HEKS.

O heeren, spoedt u niet zoo voort!

Laat de gelegenheid niet varen!

O, werpt een blik op mijne waren;

Ik heb van allerhande soort.

Toch heb ik niets, hoe men ook smade,

Wat niet eens menschen eerzucht wekt,

En niet eens heeft tot groote schade

Der wereld en den mensch gestrekt.

Geen dolk, waarvan het bloed niet heeft gevloten;

Geen kelk, waaruit in eens gezonden lijf

’t Verterend gift niet is gegoten;

Geen tooisel, dat niet een beminnend wijf

Verleid, geen zwaard, dat geen verbond verbroken,

Of niet ter sluips een vijand heeft doorstoken.

[171]

MEPHISTOPHELES.Hoor, bestemoêr! gij weet niet meer te leven.Wat vroeger was, is nu gedaan.Wil liever eens wat nieuws ons geven;Slechts nieuwigheden trekken aan.

MEPHISTOPHELES.

Hoor, bestemoêr! gij weet niet meer te leven.

Wat vroeger was, is nu gedaan.

Wil liever eens wat nieuws ons geven;

Slechts nieuwigheden trekken aan.

FAUST.Dat mag ik in mijn zak wel steken;’k Heb nooit zoo mooi nog hooren preeken.

FAUST.

Dat mag ik in mijn zak wel steken;

’k Heb nooit zoo mooi nog hooren preeken.

MEPHISTOPHELES.Daar gaat nu heel de troep naar boven;Gij schuift, denkt ge, en gij wordt geschoven.

MEPHISTOPHELES.

Daar gaat nu heel de troep naar boven;

Gij schuift, denkt ge, en gij wordt geschoven.

FAUST.Maar wie is dat daarginder? Zeg!

FAUST.

Maar wie is dat daarginder? Zeg!

MEPHISTOPHELES.Maar wie is dat daarginder? Zeg!BeschouwHaar goed. ’t Is Lilith, Adams eerste vrouw.Neem u in acht voor hare schoone haren;Dit tooisel is gevaarlijk voor een man:Als zij daarmeê een jongling vangen kan,Laat zij hem niet zoo ligt weêr varen.

MEPHISTOPHELES.

Maar wie is dat daarginder? Zeg!Beschouw

Haar goed. ’t Is Lilith, Adams eerste vrouw.

Neem u in acht voor hare schoone haren;

Dit tooisel is gevaarlijk voor een man:

Als zij daarmeê een jongling vangen kan,

Laat zij hem niet zoo ligt weêr varen.

FAUST.Daar zitten twee, een oude met haar jong;De laatste deed reeds menig sprong.

FAUST.

Daar zitten twee, een oude met haar jong;

De laatste deed reeds menig sprong.

MEPHISTOPHELES.Dat heeft van daag geen rust of vreê!De dans begint alweêr. Kom, gaauw! wij doen ook meê.

MEPHISTOPHELES.

Dat heeft van daag geen rust of vreê!

De dans begint alweêr. Kom, gaauw! wij doen ook meê.

FAUST,met de jonge heks dansende.’k Had eens een aangenamen droom.[172]Ik zag een grooten appelboom;Twee appels kreeg ik in het oog;Ik vond ze mooi, en klom omhoog.

FAUST,met de jonge heks dansende.

’k Had eens een aangenamen droom.[172]Ik zag een grooten appelboom;Twee appels kreeg ik in het oog;Ik vond ze mooi, en klom omhoog.

’k Had eens een aangenamen droom.[172]

Ik zag een grooten appelboom;

Twee appels kreeg ik in het oog;

Ik vond ze mooi, en klom omhoog.

DE JONGE HEKS.Van appels was ’k altijd vriendin,Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,Ook appels in mijn tuintje zien.

DE JONGE HEKS.

Van appels was ’k altijd vriendin,Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,Ook appels in mijn tuintje zien.

Van appels was ’k altijd vriendin,

Die ’k reeds van ’t Paradijs bemin.

’k Zou daarom gaarne, kon ’t geschiên,

Ook appels in mijn tuintje zien.

MEPHISTOPHELES,met de oude heks.’k Had eens een onpleiziergen droom.Ik zag een ouden, dorren boom:Het scheen wel halve hekserij;Want ook, hoe oud, beviel hij mij.

MEPHISTOPHELES,met de oude heks.

’k Had eens een onpleiziergen droom.Ik zag een ouden, dorren boom:Het scheen wel halve hekserij;Want ook, hoe oud, beviel hij mij.

’k Had eens een onpleiziergen droom.

Ik zag een ouden, dorren boom:

Het scheen wel halve hekserij;

Want ook, hoe oud, beviel hij mij.

DE OUDE HEKS.Ik bied u gaarne mijnen groet,Gij, ridder van den paardenvoet!Vreest gij geen ouden, dorren stam,Dan ben ook ik u niet te stram.

DE OUDE HEKS.

Ik bied u gaarne mijnen groet,Gij, ridder van den paardenvoet!Vreest gij geen ouden, dorren stam,Dan ben ook ik u niet te stram.

Ik bied u gaarne mijnen groet,

Gij, ridder van den paardenvoet!

Vreest gij geen ouden, dorren stam,

Dan ben ook ik u niet te stram.

EEN LIJDER AAN VERSTOPPINGEN.Vervloekt gespuis! wat maakt u toch zoo koen?Een geest, gij hadt het weten moeten,Staat niet op ordinaire voeten:Nu danst gij zelfs, zoo als wij menschen doen.

EEN LIJDER AAN VERSTOPPINGEN.

Vervloekt gespuis! wat maakt u toch zoo koen?

Een geest, gij hadt het weten moeten,

Staat niet op ordinaire voeten:

Nu danst gij zelfs, zoo als wij menschen doen.

DE JONGE HEKS,dansende.Wat moet die man daar op ons bal?

DE JONGE HEKS,dansende.

Wat moet die man daar op ons bal?

FAUST,dansende.Och! die is hier en overal;Die meent de alwijsheid te bezitten.Kan hij niet ieder pas bevitten,Dan is de pas zoo goed als niet gedaan.[173]Het slechtst is hij gemutst, wanneer wij voorwaarts gaan.Wanneer ge u juist zoo rond wilt draaijen,Als hij het in zijn ouden molen doet,Dan vindt hij ’t nog al reedlijk goed,Vooral zoo gij hem ook wat lof weet toe te zwaaijen.

FAUST,dansende.

Och! die is hier en overal;

Die meent de alwijsheid te bezitten.

Kan hij niet ieder pas bevitten,

Dan is de pas zoo goed als niet gedaan.[173]

Het slechtst is hij gemutst, wanneer wij voorwaarts gaan.

Wanneer ge u juist zoo rond wilt draaijen,

Als hij het in zijn ouden molen doet,

Dan vindt hij ’t nog al reedlijk goed,

Vooral zoo gij hem ook wat lof weet toe te zwaaijen.

DE VERSTOPPING-LIJDER.Zijt gij daar nog, gij hellewicht?Verdwijn! Wij hebben ’t menschdom nu verlicht.Dat duivelstuig vraagt naar geen wet of regel;Wij weten ’t zoo, en ’t steekt toch als een egel.Hoe lang toch riep ik tegen elk bedrog!Maar ’t baat niet. Zie, dat ergert iemand toch.

DE VERSTOPPING-LIJDER.

Zijt gij daar nog, gij hellewicht?

Verdwijn! Wij hebben ’t menschdom nu verlicht.

Dat duivelstuig vraagt naar geen wet of regel;

Wij weten ’t zoo, en ’t steekt toch als een egel.

Hoe lang toch riep ik tegen elk bedrog!

Maar ’t baat niet. Zie, dat ergert iemand toch.

DE JONGE HEKS.Schei uit toch met ons hier zoo te vervelen!

DE JONGE HEKS.

Schei uit toch met ons hier zoo te vervelen!

DE VERSTOPPING-LIJDER.Ik zeg u, geesten, houdt u stil,Daar ik geen geestendespotisme wil;Mijn geest kan in dien waan niet deelen.

DE VERSTOPPING-LIJDER.

Ik zeg u, geesten, houdt u stil,

Daar ik geen geestendespotisme wil;

Mijn geest kan in dien waan niet deelen.

Er wordt voortgedanst.

Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken;Maar ’k doe het togtje altijd toch meê,En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê,Den duivel en de dichters te doen bukken.

Van daag, zie ’k, wil mij niets gelukken;

Maar ’k doe het togtje altijd toch meê,

En ’k hoop nog, vóór mijn laatste treê,

Den duivel en de dichters te doen bukken.

MEPHISTOPHELES.Hij zal zich in een drekplas nedervlijen,Zoo is hij nog op zijn gemak het meest,En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen;Dan is hij vrij van geesten en van geest.

MEPHISTOPHELES.

Hij zal zich in een drekplas nedervlijen,

Zoo is hij nog op zijn gemak het meest,

En hechten zich bloedzuigers aan zijn dijen;

Dan is hij vrij van geesten en van geest.

Tot Faust, die uit den dansrei getreden is.

Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen,Dat bij den dans zoo aardig zong?

Hoe is ’t? Laat gij dat mooije meisje loopen,

Dat bij den dans zoo aardig zong?

[174]

FAUST.Ach! Midden onder ’t zingen sprongEen roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.

FAUST.

Ach! Midden onder ’t zingen sprong

Een roode muis op me aan, haar uit den mond gekropen.

MEPHISTOPHELES.Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren!Wie zal toch aan een muisje, rood geboren,Zich in een herdersuurtje storen!

MEPHISTOPHELES.

Is ’t anders niet? Daarom geen moed verloren!

Wie zal toch aan een muisje, rood geboren,

Zich in een herdersuurtje storen!

FAUST.Dan zag ik.…

FAUST.

Dan zag ik.…

MEPHISTOPHELES.Dan zag ik.…Wat?

MEPHISTOPHELES.

Dan zag ik.…Wat?

FAUST.Dan zag ik.… Wat?Mephisto, zie eens aan!Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan?Zij schijnt haar schreden in te toomen,En kan haast van de plaats niet komen.Ik moet bekennen—vindt gij niet?—’t Is juist alsof men Grete ziet.

FAUST.

Dan zag ik.… Wat?Mephisto, zie eens aan!

Ziet gij dat schoone, bleeke kind wel gaan?

Zij schijnt haar schreden in te toomen,

En kan haast van de plaats niet komen.

Ik moet bekennen—vindt gij niet?—

’t Is juist alsof men Grete ziet.

MEPHISTOPHELES.Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet;’t Is maar verbeelding wat gij ziet.Er op te turen, is niet goed;Dat geeft maar stremming in het bloed;Ja, men versteent soms van zoo iets.… Maar och,De fabel van Medusa kent gij toch!

MEPHISTOPHELES.

Kom, laat dat loopen! ’t Helpt u niet;

’t Is maar verbeelding wat gij ziet.

Er op te turen, is niet goed;

Dat geeft maar stremming in het bloed;

Ja, men versteent soms van zoo iets.… Maar och,

De fabel van Medusa kent gij toch!

FAUST.Voorwaar, het is een meisje, bij wier doodHaar de oogen een beminde hand niet sloot.Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken,Mij alles, alles heeft geschonken!

FAUST.

Voorwaar, het is een meisje, bij wier dood

Haar de oogen een beminde hand niet sloot.

Zij is ’t, die, aan mijn borst gezonken,

Mij alles, alles heeft geschonken!

[175]

MEPHISTOPHELES.Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor;Want ieder komt zij als zijn liefje voor.

MEPHISTOPHELES.

Dat is de tooverij; die brengt u van het spoor;

Want ieder komt zij als zijn liefje voor.

FAUST.O, welk een lijden! welk verrukken!Ik kan daarvan niet los mij rukken!En zonderling! Die roode strookOm haren hals, die, naar ik gis,Niet breeder dan een mesrug is.…

FAUST.

O, welk een lijden! welk verrukken!

Ik kan daarvan niet los mij rukken!

En zonderling! Die roode strook

Om haren hals, die, naar ik gis,

Niet breeder dan een mesrug is.…

MEPHISTOPHELES.Gij hebt gelijk; ik zie het ook.Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen;Want Perseus heeft het afgeslagen.…Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top!Kom! Gaauw dat heuveltje nu op!Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater!En ben ik niet behekst of blind,Dan zie ik waarlijk een theater.Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?

MEPHISTOPHELES.

Gij hebt gelijk; ik zie het ook.

Zij kan haar hoofd zelfs onder d’ arm wel dragen;

Want Perseus heeft het afgeslagen.…

Nog altijd rijst somtijds uw waan ten top!

Kom! Gaauw dat heuveltje nu op!

Wat is ’t hier vrolijk! welk geschater!

En ben ik niet behekst of blind,

Dan zie ik waarlijk een theater.

Is dat niet zoo? Wat zegt gij, vrind?

EEN DIENSTDOENDE GEEST.Dat men zoo aanstonds weêr begint.Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven,Die wij hier elken avond geven.Een dilettant heeft het geschreven,En dilettanten spelen ’t vlug en snel.Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren,En voor ’t gordijn-ophalen schel!

EEN DIENSTDOENDE GEEST.

Dat men zoo aanstonds weêr begint.

Het stuk is nieuw; het laatste van de zeven,

Die wij hier elken avond geven.

Een dilettant heeft het geschreven,

En dilettanten spelen ’t vlug en snel.

Vergeef mij, dat ik mij verwijder, heeren,

En voor ’t gordijn-ophalen schel!

MEPHISTOPHELES.Dat ik u hier moet rencontreeren,Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.

MEPHISTOPHELES.

Dat ik u hier moet rencontreeren,

Is goed zoo; want hier is het groot komediespel.

[176]


Back to IndexNext