Chapter 8

[Inhoud]Open veld. Het is een sombere dag.FAUSTenMEPHISTOPHELES.FAUST.In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen! Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!MEPHISTOPHELES.Zij is de eerste niet.FAUST.Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen, en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander[177]hem weder in zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het lot van zoo vele duizenden!MEPHISTOPHELES.Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in, als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij dat aan ons?FAUST.Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in verderf zijn wellust vindt!MEPHISTOPHELES.Hebt gij nu gedaan?FAUST.Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!MEPHISTOPHELES.Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden,[178]zijne grendels niet openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of gij?Faust staart vol woestheid in het rond.Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.FAUST.Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!MEPHISTOPHELES.En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.FAUST.En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u, wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!MEPHISTOPHELES.Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg. Dat kan ik.FAUST.Haasten wij ons dan![179][Inhoud]Open veld. Het is nacht.FAUSTenMEPHISTOPHELES,op zwarte paarden voortrennende.FAUST.Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?MEPHISTOPHELES.Ik weet niet wat ze kokkerellen.FAUST.Dat komt al heen en weêr gesneld!MEPHISTOPHELES.’t Zijn heksen en haar medgezellen.FAUST.Dat is dus ook al hekserij?MEPHISTOPHELES.Voorbij maar gaauw! Voorbij![180][Inhoud]Kerker.FAUST,met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen,En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan.Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen;En ach, haar misdrijf was een goede waan!Wat aarzelt gij, haar weêr te groetenWat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten?Vooruit, of ’t is met haar gedaan!Hij steekt een sleutel in het slot; van binnen wordt gezongen:Mijn moeder, die hoer,Die bragt mij om ’t leven;Mijn vader, die schelm,Hij heeft mij vergeven!Mijn zusje, nu dood,Had ik op mijn schoot,Maar in een koeler oord;Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.Vlieg voort! Vlieg voort!FAUST,opensluitende.Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedtEn alles hoort en alles ziet!Hij treedt binnen.[181]MARGARETA,zich op hare legerstede verbergende.Wee! wee! zij komen! Bittre dood!FAUST,zacht haar toefluisterende.Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.MARGARETA,zich naar hem toe wentelende.Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!FAUST.O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!Hij grijpt hare ketenen, om ze te ontsluiten.MARGARETA,op de knieën.Wie heeft, o beul! u deze magtZoo over mij gegeven?Gij haalt mij reeds te middernacht;Ontferm u! Laat mij nog wat leven!Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?Zij staat op.Ik ben zoo jong nog, en zoo vroegMoet ik reeds sterven!Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.Vat mij zoo ruw en woest niet aan!Spaar mij; wat heb ik u gedaan?Ontferming smeek ik op mijn kniên!Ik heb u nooit te voren toch gezien!FAUST.Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!MARGARETA.Ik ben geheel nu in uw magt.[182]Maar laat mijn kind toch even komen!Het was bij mij geheel den nacht;Men heeft het toen mij afgenomen,En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt.O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen!Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht.’t Is juist zoo als het sprookje zegt;Waar heb ik dat ook weêr gelezen?FAUST,aan hare voeten.Hij, die u mint, komt herwaarts snellen,Om u in vrijheid weêr te stellen.MARGARETA,zich op hem werpende.O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken!Ziet gij dien steen omhoog wel steken?Ziet gij dien drempel wel?Daar kookt de hel!SamiëlBegint zijn spel,Opdat gij ’t wete!FAUST,uitbarstende.Grete! Grete!MARGARETA,opmerkzaam.Dat was een vriendenstem!Zij springt op; hare ketenen vallen af.Hij roept me; o waar, waar vind ik hem?Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen!Aan zijn hals wil ik springen,Aan zijn borst mij wringen.Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel,Te midden van ’t huilen en woeden der hel,Te midden van den duivelschen hoonHerkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.[183]FAUST.Ik ben ’t!MARGARETA.Ik ben ’t!Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!Hem vastklemmende.Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij!Nu zal geen keten mij meer knellen!Gij komt mij nu in vrijheid stellen—Ik ben gered!’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette.En gij zoo vriendelijk mij groette,En ook het tuintje, waar ’k bij nachtMet Martha u heb opgewacht!FAUST,haar naar de deur trekkende.Kom nu! Kom gaauw!MARGARETA.Kom nu! Kom gaauw!O, blijf, mijn vrind!Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.Zij liefkoost hem.FAUST.Maak voort!Ontvlieden wij dit oord!De tijd vervliegt, verloopt intusschen.MARGARETA.Hoe? Gij kunt niet meer kussen?Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd,Hebt gij het kussen afgeleerd?Het is of angst mij aan uw hals bevong!Als vroeger door uw woorden, door uw blikken,Een gansche hemel mij doordrong,[184]En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken!O, kus mij nu,Of anders kus ik u!Zij omvat hem.O wee! Uw mond geeft niets weêrom,Is stom!Waar is uw min, mijn leven,Gebleven?Geen kus tot wellekom!Zij wendt zich van hem af.FAUST.Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed!Ik min u nog steeds met den eigensten gloed;Maar laat ons nu dadelijk gaan!MARGARETA,naar hem toe gewend.En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?FAUST.Ik ben het; kom nu meê!MARGARETA.Ik ben het; kom nu meê!Gij werpt mijn ketens neêr,En ik ben de uwe als vroeger weêr?Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt?En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?FAUST.Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.MARGARETA.Mijn moeder heb ik omgebragt,Mijn kind heb ik verdronken.O, was ’t niet u en mij geschonken!U ook.… Gij zijt het! Weg met schroom![185]Geef mij de hand—het is geen droom!.…Uw lieve hand.… Maar ach, wat is zij klam!Wisch af! Naar mij ter ooren kwam,Kleeft bloed er aan.Ach, wat hebt gij gedaan!Steek op den degen!Ik bid u, kom!FAUST.O, van ’t verledene gezwegen!Gij brengt mij om!MARGARETA.Neen, gij moet overblijven.De graven wil ik u beschrijven;Voor die moet gij zorgenReeds morgen.Mijn moeder zij de beste plaats gegeven;Mijn broeder komt dan vlak daarneven;Ik ’t verst op de rij,Maar toch wat nabij.Mijn kind dan aan mijn regterzij.Geen ander toch wil bij mij rusten.…U naast mij waar’ de dierste mijner lusten …Maar dit geluk is voor mij al te groot!Wat zou ik mij daarover kwellen!’t Is of ’k u altijd na moet snellen,En gij mij steeds teruggestoot!En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!FAUST.Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!MARGARETA.Daarheen?[186]FAUST.Daarheen?In vrijheid.MARGARETA.Daarheen? In vrijheid.Is het graf daar, dat ons wacht?Loert daar de dood in eeuwgen nacht?Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht,En verder ook geen enkle schrede.…Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!FAUST.Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.MARGARETA.Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen.Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten!Het is zoo naar, gebedeld eten,En nog daarbij een kwaad geweten!Het is zoo naar, als balling rond te dwalen …En toch, zij zullen me achterhalen!FAUST.Ik blijf waar gij u ook bevindt.MARGARETA.O spoedig! Red mijn arme kind!Dien weg op! Altijd maar regtuit!Dat beekje langs, tot dat ge stuit!Dat bosch in, links, daar bij dien pas.…Ziet gij dien plas?O, grijp het wicht nu ras!Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog;O, red het! Red!FAUST.O, red het! Red!Bezin u toch!Een enklen stap, en gij zijt vrij![187]MARGARETA.O, waren we eerst dien berg voorbij!Daar zit mijn moeder op een steen.Een rilling gaat mij door de leên!Daar zit mijn moeder op een steen;Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen.Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer;Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr;Zij sluimert, om ons te verblijdenIn de oude gelukkige tijden!FAUST.Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen,Dan zal ik u naar buiten dragen!MARGARETA.Laat af! Mij geen geweld gedaan!O, vat mij toch zoo ruw niet aan!’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!FAUST.O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!MARGARETA.De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag,Die nu mijn hoogtij wezen mag!Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart.Wee mijn krans!’t Is juist geschied!Ik weet dat gij mij wederziet,Maar bij geen bruiloftsdans!Het volk dringt toe; men hoort het niet.Het vult de straten, de stegen,En al de wegen.De doodsklok roept; daar breekt de staf;[188]O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen!Men plaatst mij op den vreeselijken stoel!’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen,Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel!Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.FAUST.O, ware ik nooit geboren!MEPHISTOPHELES,die zich nu vertoont.Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren!Geen verder praten, klagen, snappen;Mijn paarden trappen;Het is reeds morgenstond.MARGARETA.Wat rijst daar uit den grond?Die daar! O, zend hem voort!Wat wil hij in dit heilig oord?Mij wil hij!FAUST.Mij wil hij!Gij zult leven!MARGARETA.Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom, of ik laat u beiden in den loop!MARGARETA.O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!Gij engelen, gij heilge scharen,Omringt mij en wilt mij bewaren!…O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!Zij sterft.[189]MEPHISTOPHELES.Zij is gevonnisd!STEM VAN BOVEN.Zij is gevonnisd!Ze is gered!MEPHISTOPHELEStot Faust.Zij is gevonnisd! Ze is gered!Kom meê!ECHO VAN DE KERKERMUREN.Hendrik … Hendrik …!

[Inhoud]Open veld. Het is een sombere dag.FAUSTenMEPHISTOPHELES.FAUST.In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen! Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!MEPHISTOPHELES.Zij is de eerste niet.FAUST.Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen, en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander[177]hem weder in zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het lot van zoo vele duizenden!MEPHISTOPHELES.Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in, als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij dat aan ons?FAUST.Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in verderf zijn wellust vindt!MEPHISTOPHELES.Hebt gij nu gedaan?FAUST.Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!MEPHISTOPHELES.Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden,[178]zijne grendels niet openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of gij?Faust staart vol woestheid in het rond.Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.FAUST.Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!MEPHISTOPHELES.En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.FAUST.En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u, wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!MEPHISTOPHELES.Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg. Dat kan ik.FAUST.Haasten wij ons dan![179]

Open veld. Het is een sombere dag.FAUSTenMEPHISTOPHELES.FAUST.In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen! Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!MEPHISTOPHELES.Zij is de eerste niet.FAUST.Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen, en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander[177]hem weder in zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het lot van zoo vele duizenden!MEPHISTOPHELES.Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in, als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij dat aan ons?FAUST.Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in verderf zijn wellust vindt!MEPHISTOPHELES.Hebt gij nu gedaan?FAUST.Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!MEPHISTOPHELES.Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden,[178]zijne grendels niet openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of gij?Faust staart vol woestheid in het rond.Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.FAUST.Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!MEPHISTOPHELES.En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.FAUST.En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u, wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!MEPHISTOPHELES.Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg. Dat kan ik.FAUST.Haasten wij ons dan![179]

Open veld. Het is een sombere dag.

FAUSTenMEPHISTOPHELES.

FAUST.In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen! Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!

FAUST.

In ellende! In wanhoop! Erbarmelijk op de aarde lang rondgedoold, en nu gevangen! Als misdadige in den kerker opgesloten, om aan ontzettende folteringen te worden prijsgegeven! Zóó ver is het dus gekomen! Verraderlijke, verachtelijke geest, en dat hebt gij voor mij geheim gehouden! Sta maar, sta! Wentel vrij uwe duivel-oogen grimmig in het hoofd rond! Sta, en trotseer mij door uwe onverdragelijke tegenwoordigheid! Gevangen! In onherstelbare ellende! Overgegeven aan booze geesten en het regtsprekende gevoellooze menschdom! En mij wiegt gij intusschen in den slaap door laffe verstrooijingen,—gij verbergt mij hare ellende, en laat haar hulpeloos verkwijnen!

MEPHISTOPHELES.Zij is de eerste niet.

MEPHISTOPHELES.

Zij is de eerste niet.

FAUST.Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen, en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander[177]hem weder in zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het lot van zoo vele duizenden!

FAUST.

Hond! Verfoeijelijk ondier! O oneindige geest, verander den worm weder in zijne hondengedaante, zoo als hij op dien avond om mij heen drentelde, om den onergdenkenden wandelaar voor de voeten te kruipen, en den nedervallenden op de schouders te hangen! Verander[177]hem weder in zijn vroegeren toestand, dat hij voor mij op den buik in het zand kruipt, en ik hem met voeten trap, dat gedrocht!—De eerste niet!—O ellende! o ellende! door geen menschenziel te bevatten, dat meer dan één schepsel in de diepte van deze ellende verzonk; dat niet het eerste voldeed voor de schuld van al de overigen, in zijn pijnlijk stervens-uur voor de oogen van den eeuwig Vergevende! Mij woelt het lijden van die eenige door merg en been! Gij glimlacht bedaard over het lot van zoo vele duizenden!

MEPHISTOPHELES.Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in, als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij dat aan ons?

MEPHISTOPHELES.

Nu zijn wij reeds weder aan de grens van onze schranderheid,—daar, waar bij u, menschen, het hoofd op hol gaat. Waarom laat gij u met ons in, als gij met ons niet gelijken tred weet te houden? Gij wilt vliegen, en al dadelijk wordt ge duizelig. Dringen wij ons aan u op, of doet gij dat aan ons?

FAUST.Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in verderf zijn wellust vindt!

FAUST.

Steek uwe verslindensgrage tanden zoo niet tegen mij uit! Dat walgt mij.—Groote, heerlijke Geest, die u verwaardigd hebt mij te verschijnen,—gij, die mijn hart kent en mijn gemoed—waarom hebt gij mij aan dien schandgezel gesmeed, die aan leed zich verlustigt en in verderf zijn wellust vindt!

MEPHISTOPHELES.Hebt gij nu gedaan?

MEPHISTOPHELES.

Hebt gij nu gedaan?

FAUST.Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!

FAUST.

Red haar—of wee u! Den verschrikkelijksten vloek over u voor eeuwen!

MEPHISTOPHELES.Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden,[178]zijne grendels niet openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of gij?

MEPHISTOPHELES.

Ik kan de boeijen van den wreker niet ontbinden,[178]zijne grendels niet openen. Red haar! Wie was het, die haar in het verderf stortte? Ik of gij?

Faust staart vol woestheid in het rond.

Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.

Zoekt gij naar den donder? Goed, dat hij u, ellendigen sterveling, niet gegeven werd! Een onschuldigen, die ons tegenkomt, te verpletteren, dat is het doen van tirannen, om zich uit verlegenheden te redden.

FAUST.Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!

FAUST.

Breng mij bij haar! Zij moet vrij zijn!

MEPHISTOPHELES.En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.

MEPHISTOPHELES.

En het gevaar, waaraan gij u blootstelt? Weet wel, dat nog op de stad bloedschuld ligt van uwe hand! Over de plek van den verslagene zweven wrekende geesten, en loeren op het terugkeeren van den moordenaar.

FAUST.En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u, wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!

FAUST.

En dat voegt gij mij nog toe? Moord en dood van eene wereld over u, wangedrocht! Breng mij bij haar, zeg ik, en bevrijd haar!

MEPHISTOPHELES.Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg. Dat kan ik.

MEPHISTOPHELES.

Ik ga met u, en zal doen wat ik kan! Maar heb ik alle magt in den hemel en op aarde? De zinnen van den cipier wil ik bedwelmen; maak u dan van de sleutels meester, en breng haar naar buiten met menschenhand. Ik houd de wacht. De tooverpaarden staan gereed, en ik voer u beide weg. Dat kan ik.

FAUST.Haasten wij ons dan!

FAUST.

Haasten wij ons dan!

[179]

[Inhoud]Open veld. Het is nacht.FAUSTenMEPHISTOPHELES,op zwarte paarden voortrennende.FAUST.Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?MEPHISTOPHELES.Ik weet niet wat ze kokkerellen.FAUST.Dat komt al heen en weêr gesneld!MEPHISTOPHELES.’t Zijn heksen en haar medgezellen.FAUST.Dat is dus ook al hekserij?MEPHISTOPHELES.Voorbij maar gaauw! Voorbij![180]

Open veld. Het is nacht.FAUSTenMEPHISTOPHELES,op zwarte paarden voortrennende.FAUST.Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?MEPHISTOPHELES.Ik weet niet wat ze kokkerellen.FAUST.Dat komt al heen en weêr gesneld!MEPHISTOPHELES.’t Zijn heksen en haar medgezellen.FAUST.Dat is dus ook al hekserij?MEPHISTOPHELES.Voorbij maar gaauw! Voorbij![180]

Open veld. Het is nacht.

FAUSTenMEPHISTOPHELES,op zwarte paarden voortrennende.

FAUST.Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?

FAUST.

Wat doen ze daar toch bij het galgeveld?

MEPHISTOPHELES.Ik weet niet wat ze kokkerellen.

MEPHISTOPHELES.

Ik weet niet wat ze kokkerellen.

FAUST.Dat komt al heen en weêr gesneld!

FAUST.

Dat komt al heen en weêr gesneld!

MEPHISTOPHELES.’t Zijn heksen en haar medgezellen.

MEPHISTOPHELES.

’t Zijn heksen en haar medgezellen.

FAUST.Dat is dus ook al hekserij?

FAUST.

Dat is dus ook al hekserij?

MEPHISTOPHELES.Voorbij maar gaauw! Voorbij!

MEPHISTOPHELES.

Voorbij maar gaauw! Voorbij!

[180]

[Inhoud]Kerker.FAUST,met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen,En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan.Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen;En ach, haar misdrijf was een goede waan!Wat aarzelt gij, haar weêr te groetenWat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten?Vooruit, of ’t is met haar gedaan!Hij steekt een sleutel in het slot; van binnen wordt gezongen:Mijn moeder, die hoer,Die bragt mij om ’t leven;Mijn vader, die schelm,Hij heeft mij vergeven!Mijn zusje, nu dood,Had ik op mijn schoot,Maar in een koeler oord;Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.Vlieg voort! Vlieg voort!FAUST,opensluitende.Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedtEn alles hoort en alles ziet!Hij treedt binnen.[181]MARGARETA,zich op hare legerstede verbergende.Wee! wee! zij komen! Bittre dood!FAUST,zacht haar toefluisterende.Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.MARGARETA,zich naar hem toe wentelende.Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!FAUST.O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!Hij grijpt hare ketenen, om ze te ontsluiten.MARGARETA,op de knieën.Wie heeft, o beul! u deze magtZoo over mij gegeven?Gij haalt mij reeds te middernacht;Ontferm u! Laat mij nog wat leven!Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?Zij staat op.Ik ben zoo jong nog, en zoo vroegMoet ik reeds sterven!Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.Vat mij zoo ruw en woest niet aan!Spaar mij; wat heb ik u gedaan?Ontferming smeek ik op mijn kniên!Ik heb u nooit te voren toch gezien!FAUST.Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!MARGARETA.Ik ben geheel nu in uw magt.[182]Maar laat mijn kind toch even komen!Het was bij mij geheel den nacht;Men heeft het toen mij afgenomen,En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt.O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen!Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht.’t Is juist zoo als het sprookje zegt;Waar heb ik dat ook weêr gelezen?FAUST,aan hare voeten.Hij, die u mint, komt herwaarts snellen,Om u in vrijheid weêr te stellen.MARGARETA,zich op hem werpende.O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken!Ziet gij dien steen omhoog wel steken?Ziet gij dien drempel wel?Daar kookt de hel!SamiëlBegint zijn spel,Opdat gij ’t wete!FAUST,uitbarstende.Grete! Grete!MARGARETA,opmerkzaam.Dat was een vriendenstem!Zij springt op; hare ketenen vallen af.Hij roept me; o waar, waar vind ik hem?Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen!Aan zijn hals wil ik springen,Aan zijn borst mij wringen.Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel,Te midden van ’t huilen en woeden der hel,Te midden van den duivelschen hoonHerkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.[183]FAUST.Ik ben ’t!MARGARETA.Ik ben ’t!Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!Hem vastklemmende.Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij!Nu zal geen keten mij meer knellen!Gij komt mij nu in vrijheid stellen—Ik ben gered!’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette.En gij zoo vriendelijk mij groette,En ook het tuintje, waar ’k bij nachtMet Martha u heb opgewacht!FAUST,haar naar de deur trekkende.Kom nu! Kom gaauw!MARGARETA.Kom nu! Kom gaauw!O, blijf, mijn vrind!Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.Zij liefkoost hem.FAUST.Maak voort!Ontvlieden wij dit oord!De tijd vervliegt, verloopt intusschen.MARGARETA.Hoe? Gij kunt niet meer kussen?Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd,Hebt gij het kussen afgeleerd?Het is of angst mij aan uw hals bevong!Als vroeger door uw woorden, door uw blikken,Een gansche hemel mij doordrong,[184]En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken!O, kus mij nu,Of anders kus ik u!Zij omvat hem.O wee! Uw mond geeft niets weêrom,Is stom!Waar is uw min, mijn leven,Gebleven?Geen kus tot wellekom!Zij wendt zich van hem af.FAUST.Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed!Ik min u nog steeds met den eigensten gloed;Maar laat ons nu dadelijk gaan!MARGARETA,naar hem toe gewend.En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?FAUST.Ik ben het; kom nu meê!MARGARETA.Ik ben het; kom nu meê!Gij werpt mijn ketens neêr,En ik ben de uwe als vroeger weêr?Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt?En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?FAUST.Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.MARGARETA.Mijn moeder heb ik omgebragt,Mijn kind heb ik verdronken.O, was ’t niet u en mij geschonken!U ook.… Gij zijt het! Weg met schroom![185]Geef mij de hand—het is geen droom!.…Uw lieve hand.… Maar ach, wat is zij klam!Wisch af! Naar mij ter ooren kwam,Kleeft bloed er aan.Ach, wat hebt gij gedaan!Steek op den degen!Ik bid u, kom!FAUST.O, van ’t verledene gezwegen!Gij brengt mij om!MARGARETA.Neen, gij moet overblijven.De graven wil ik u beschrijven;Voor die moet gij zorgenReeds morgen.Mijn moeder zij de beste plaats gegeven;Mijn broeder komt dan vlak daarneven;Ik ’t verst op de rij,Maar toch wat nabij.Mijn kind dan aan mijn regterzij.Geen ander toch wil bij mij rusten.…U naast mij waar’ de dierste mijner lusten …Maar dit geluk is voor mij al te groot!Wat zou ik mij daarover kwellen!’t Is of ’k u altijd na moet snellen,En gij mij steeds teruggestoot!En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!FAUST.Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!MARGARETA.Daarheen?[186]FAUST.Daarheen?In vrijheid.MARGARETA.Daarheen? In vrijheid.Is het graf daar, dat ons wacht?Loert daar de dood in eeuwgen nacht?Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht,En verder ook geen enkle schrede.…Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!FAUST.Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.MARGARETA.Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen.Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten!Het is zoo naar, gebedeld eten,En nog daarbij een kwaad geweten!Het is zoo naar, als balling rond te dwalen …En toch, zij zullen me achterhalen!FAUST.Ik blijf waar gij u ook bevindt.MARGARETA.O spoedig! Red mijn arme kind!Dien weg op! Altijd maar regtuit!Dat beekje langs, tot dat ge stuit!Dat bosch in, links, daar bij dien pas.…Ziet gij dien plas?O, grijp het wicht nu ras!Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog;O, red het! Red!FAUST.O, red het! Red!Bezin u toch!Een enklen stap, en gij zijt vrij![187]MARGARETA.O, waren we eerst dien berg voorbij!Daar zit mijn moeder op een steen.Een rilling gaat mij door de leên!Daar zit mijn moeder op een steen;Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen.Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer;Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr;Zij sluimert, om ons te verblijdenIn de oude gelukkige tijden!FAUST.Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen,Dan zal ik u naar buiten dragen!MARGARETA.Laat af! Mij geen geweld gedaan!O, vat mij toch zoo ruw niet aan!’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!FAUST.O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!MARGARETA.De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag,Die nu mijn hoogtij wezen mag!Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart.Wee mijn krans!’t Is juist geschied!Ik weet dat gij mij wederziet,Maar bij geen bruiloftsdans!Het volk dringt toe; men hoort het niet.Het vult de straten, de stegen,En al de wegen.De doodsklok roept; daar breekt de staf;[188]O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen!Men plaatst mij op den vreeselijken stoel!’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen,Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel!Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.FAUST.O, ware ik nooit geboren!MEPHISTOPHELES,die zich nu vertoont.Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren!Geen verder praten, klagen, snappen;Mijn paarden trappen;Het is reeds morgenstond.MARGARETA.Wat rijst daar uit den grond?Die daar! O, zend hem voort!Wat wil hij in dit heilig oord?Mij wil hij!FAUST.Mij wil hij!Gij zult leven!MARGARETA.Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom, of ik laat u beiden in den loop!MARGARETA.O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!Gij engelen, gij heilge scharen,Omringt mij en wilt mij bewaren!…O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!Zij sterft.[189]MEPHISTOPHELES.Zij is gevonnisd!STEM VAN BOVEN.Zij is gevonnisd!Ze is gered!MEPHISTOPHELEStot Faust.Zij is gevonnisd! Ze is gered!Kom meê!ECHO VAN DE KERKERMUREN.Hendrik … Hendrik …!

Kerker.FAUST,met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen,En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan.Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen;En ach, haar misdrijf was een goede waan!Wat aarzelt gij, haar weêr te groetenWat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten?Vooruit, of ’t is met haar gedaan!Hij steekt een sleutel in het slot; van binnen wordt gezongen:Mijn moeder, die hoer,Die bragt mij om ’t leven;Mijn vader, die schelm,Hij heeft mij vergeven!Mijn zusje, nu dood,Had ik op mijn schoot,Maar in een koeler oord;Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.Vlieg voort! Vlieg voort!FAUST,opensluitende.Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedtEn alles hoort en alles ziet!Hij treedt binnen.[181]MARGARETA,zich op hare legerstede verbergende.Wee! wee! zij komen! Bittre dood!FAUST,zacht haar toefluisterende.Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.MARGARETA,zich naar hem toe wentelende.Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!FAUST.O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!Hij grijpt hare ketenen, om ze te ontsluiten.MARGARETA,op de knieën.Wie heeft, o beul! u deze magtZoo over mij gegeven?Gij haalt mij reeds te middernacht;Ontferm u! Laat mij nog wat leven!Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?Zij staat op.Ik ben zoo jong nog, en zoo vroegMoet ik reeds sterven!Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.Vat mij zoo ruw en woest niet aan!Spaar mij; wat heb ik u gedaan?Ontferming smeek ik op mijn kniên!Ik heb u nooit te voren toch gezien!FAUST.Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!MARGARETA.Ik ben geheel nu in uw magt.[182]Maar laat mijn kind toch even komen!Het was bij mij geheel den nacht;Men heeft het toen mij afgenomen,En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt.O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen!Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht.’t Is juist zoo als het sprookje zegt;Waar heb ik dat ook weêr gelezen?FAUST,aan hare voeten.Hij, die u mint, komt herwaarts snellen,Om u in vrijheid weêr te stellen.MARGARETA,zich op hem werpende.O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken!Ziet gij dien steen omhoog wel steken?Ziet gij dien drempel wel?Daar kookt de hel!SamiëlBegint zijn spel,Opdat gij ’t wete!FAUST,uitbarstende.Grete! Grete!MARGARETA,opmerkzaam.Dat was een vriendenstem!Zij springt op; hare ketenen vallen af.Hij roept me; o waar, waar vind ik hem?Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen!Aan zijn hals wil ik springen,Aan zijn borst mij wringen.Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel,Te midden van ’t huilen en woeden der hel,Te midden van den duivelschen hoonHerkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.[183]FAUST.Ik ben ’t!MARGARETA.Ik ben ’t!Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!Hem vastklemmende.Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij!Nu zal geen keten mij meer knellen!Gij komt mij nu in vrijheid stellen—Ik ben gered!’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette.En gij zoo vriendelijk mij groette,En ook het tuintje, waar ’k bij nachtMet Martha u heb opgewacht!FAUST,haar naar de deur trekkende.Kom nu! Kom gaauw!MARGARETA.Kom nu! Kom gaauw!O, blijf, mijn vrind!Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.Zij liefkoost hem.FAUST.Maak voort!Ontvlieden wij dit oord!De tijd vervliegt, verloopt intusschen.MARGARETA.Hoe? Gij kunt niet meer kussen?Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd,Hebt gij het kussen afgeleerd?Het is of angst mij aan uw hals bevong!Als vroeger door uw woorden, door uw blikken,Een gansche hemel mij doordrong,[184]En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken!O, kus mij nu,Of anders kus ik u!Zij omvat hem.O wee! Uw mond geeft niets weêrom,Is stom!Waar is uw min, mijn leven,Gebleven?Geen kus tot wellekom!Zij wendt zich van hem af.FAUST.Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed!Ik min u nog steeds met den eigensten gloed;Maar laat ons nu dadelijk gaan!MARGARETA,naar hem toe gewend.En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?FAUST.Ik ben het; kom nu meê!MARGARETA.Ik ben het; kom nu meê!Gij werpt mijn ketens neêr,En ik ben de uwe als vroeger weêr?Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt?En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?FAUST.Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.MARGARETA.Mijn moeder heb ik omgebragt,Mijn kind heb ik verdronken.O, was ’t niet u en mij geschonken!U ook.… Gij zijt het! Weg met schroom![185]Geef mij de hand—het is geen droom!.…Uw lieve hand.… Maar ach, wat is zij klam!Wisch af! Naar mij ter ooren kwam,Kleeft bloed er aan.Ach, wat hebt gij gedaan!Steek op den degen!Ik bid u, kom!FAUST.O, van ’t verledene gezwegen!Gij brengt mij om!MARGARETA.Neen, gij moet overblijven.De graven wil ik u beschrijven;Voor die moet gij zorgenReeds morgen.Mijn moeder zij de beste plaats gegeven;Mijn broeder komt dan vlak daarneven;Ik ’t verst op de rij,Maar toch wat nabij.Mijn kind dan aan mijn regterzij.Geen ander toch wil bij mij rusten.…U naast mij waar’ de dierste mijner lusten …Maar dit geluk is voor mij al te groot!Wat zou ik mij daarover kwellen!’t Is of ’k u altijd na moet snellen,En gij mij steeds teruggestoot!En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!FAUST.Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!MARGARETA.Daarheen?[186]FAUST.Daarheen?In vrijheid.MARGARETA.Daarheen? In vrijheid.Is het graf daar, dat ons wacht?Loert daar de dood in eeuwgen nacht?Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht,En verder ook geen enkle schrede.…Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!FAUST.Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.MARGARETA.Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen.Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten!Het is zoo naar, gebedeld eten,En nog daarbij een kwaad geweten!Het is zoo naar, als balling rond te dwalen …En toch, zij zullen me achterhalen!FAUST.Ik blijf waar gij u ook bevindt.MARGARETA.O spoedig! Red mijn arme kind!Dien weg op! Altijd maar regtuit!Dat beekje langs, tot dat ge stuit!Dat bosch in, links, daar bij dien pas.…Ziet gij dien plas?O, grijp het wicht nu ras!Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog;O, red het! Red!FAUST.O, red het! Red!Bezin u toch!Een enklen stap, en gij zijt vrij![187]MARGARETA.O, waren we eerst dien berg voorbij!Daar zit mijn moeder op een steen.Een rilling gaat mij door de leên!Daar zit mijn moeder op een steen;Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen.Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer;Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr;Zij sluimert, om ons te verblijdenIn de oude gelukkige tijden!FAUST.Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen,Dan zal ik u naar buiten dragen!MARGARETA.Laat af! Mij geen geweld gedaan!O, vat mij toch zoo ruw niet aan!’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!FAUST.O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!MARGARETA.De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag,Die nu mijn hoogtij wezen mag!Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart.Wee mijn krans!’t Is juist geschied!Ik weet dat gij mij wederziet,Maar bij geen bruiloftsdans!Het volk dringt toe; men hoort het niet.Het vult de straten, de stegen,En al de wegen.De doodsklok roept; daar breekt de staf;[188]O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen!Men plaatst mij op den vreeselijken stoel!’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen,Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel!Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.FAUST.O, ware ik nooit geboren!MEPHISTOPHELES,die zich nu vertoont.Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren!Geen verder praten, klagen, snappen;Mijn paarden trappen;Het is reeds morgenstond.MARGARETA.Wat rijst daar uit den grond?Die daar! O, zend hem voort!Wat wil hij in dit heilig oord?Mij wil hij!FAUST.Mij wil hij!Gij zult leven!MARGARETA.Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom, of ik laat u beiden in den loop!MARGARETA.O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!Gij engelen, gij heilge scharen,Omringt mij en wilt mij bewaren!…O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!Zij sterft.[189]MEPHISTOPHELES.Zij is gevonnisd!STEM VAN BOVEN.Zij is gevonnisd!Ze is gered!MEPHISTOPHELEStot Faust.Zij is gevonnisd! Ze is gered!Kom meê!ECHO VAN DE KERKERMUREN.Hendrik … Hendrik …!

Kerker.

FAUST,met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen,En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan.Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen;En ach, haar misdrijf was een goede waan!Wat aarzelt gij, haar weêr te groetenWat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten?Vooruit, of ’t is met haar gedaan!

FAUST,met een sleutelbos en eene lamp voor een ijzeren deurtje.

’k Word door een lang ontwend gevoel bevangen,

En al de ellende van het menschdom grijpt mij aan.

Hier toeft ze, aan ’t einde van deez sombre gangen;

En ach, haar misdrijf was een goede waan!

Wat aarzelt gij, haar weêr te groeten

Wat vreest gij, haar hier weêr te ontmoeten?

Vooruit, of ’t is met haar gedaan!

Hij steekt een sleutel in het slot; van binnen wordt gezongen:

Mijn moeder, die hoer,Die bragt mij om ’t leven;Mijn vader, die schelm,Hij heeft mij vergeven!Mijn zusje, nu dood,Had ik op mijn schoot,Maar in een koeler oord;Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.Vlieg voort! Vlieg voort!

Mijn moeder, die hoer,Die bragt mij om ’t leven;Mijn vader, die schelm,Hij heeft mij vergeven!Mijn zusje, nu dood,Had ik op mijn schoot,Maar in een koeler oord;Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.Vlieg voort! Vlieg voort!

Mijn moeder, die hoer,

Die bragt mij om ’t leven;

Mijn vader, die schelm,

Hij heeft mij vergeven!

Mijn zusje, nu dood,

Had ik op mijn schoot,

Maar in een koeler oord;

Toen werd ik als een mooi roodborstje groot.

Vlieg voort! Vlieg voort!

FAUST,opensluitende.Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedtEn alles hoort en alles ziet!

FAUST,opensluitende.

Zij weet niet, dat haar minnaar haar bespiedt

En alles hoort en alles ziet!

Hij treedt binnen.

[181]

MARGARETA,zich op hare legerstede verbergende.Wee! wee! zij komen! Bittre dood!

MARGARETA,zich op hare legerstede verbergende.

Wee! wee! zij komen! Bittre dood!

FAUST,zacht haar toefluisterende.Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.

FAUST,zacht haar toefluisterende.

Stil! stil! Ik kom uw boeijen slaken.

MARGARETA,zich naar hem toe wentelende.Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!

MARGARETA,zich naar hem toe wentelende.

Zijt gij een mensch? gevoel dan mijnen nood!

FAUST.O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!

FAUST.

O stil! Gij zult de wachters doen ontwaken!

Hij grijpt hare ketenen, om ze te ontsluiten.

MARGARETA,op de knieën.Wie heeft, o beul! u deze magtZoo over mij gegeven?Gij haalt mij reeds te middernacht;Ontferm u! Laat mij nog wat leven!Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?Zij staat op.Ik ben zoo jong nog, en zoo vroegMoet ik reeds sterven!Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.Vat mij zoo ruw en woest niet aan!Spaar mij; wat heb ik u gedaan?Ontferming smeek ik op mijn kniên!Ik heb u nooit te voren toch gezien!

MARGARETA,op de knieën.

Wie heeft, o beul! u deze magtZoo over mij gegeven?Gij haalt mij reeds te middernacht;Ontferm u! Laat mij nog wat leven!Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?

Wie heeft, o beul! u deze magt

Zoo over mij gegeven?

Gij haalt mij reeds te middernacht;

Ontferm u! Laat mij nog wat leven!

Is ’t morgen dan niet tijds genoeg?

Zij staat op.

Ik ben zoo jong nog, en zoo vroegMoet ik reeds sterven!Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.Vat mij zoo ruw en woest niet aan!Spaar mij; wat heb ik u gedaan?Ontferming smeek ik op mijn kniên!Ik heb u nooit te voren toch gezien!

Ik ben zoo jong nog, en zoo vroeg

Moet ik reeds sterven!

Schoon was ik ook, en dat kwam mij verderven!

De vriend was bij mij, maar nu zie ’k hem nooit.

Vertreden ligt de krans; de bloemen zijn verstrooid.

Vat mij zoo ruw en woest niet aan!

Spaar mij; wat heb ik u gedaan?

Ontferming smeek ik op mijn kniên!

Ik heb u nooit te voren toch gezien!

FAUST.Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!

FAUST.

Zal ik dien jammer weêrstand kunnen biên!

MARGARETA.Ik ben geheel nu in uw magt.[182]Maar laat mijn kind toch even komen!Het was bij mij geheel den nacht;Men heeft het toen mij afgenomen,En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt.O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen!Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht.’t Is juist zoo als het sprookje zegt;Waar heb ik dat ook weêr gelezen?

MARGARETA.

Ik ben geheel nu in uw magt.[182]

Maar laat mijn kind toch even komen!

Het was bij mij geheel den nacht;

Men heeft het toen mij afgenomen,

En zegt nu, dat ik ’t wicht heb omgebragt.

O, nooit zal ik weêr vrolijk wezen!

Zij zingen liedjes op mij; maar dat vind ik slecht.

’t Is juist zoo als het sprookje zegt;

Waar heb ik dat ook weêr gelezen?

FAUST,aan hare voeten.Hij, die u mint, komt herwaarts snellen,Om u in vrijheid weêr te stellen.

FAUST,aan hare voeten.

Hij, die u mint, komt herwaarts snellen,

Om u in vrijheid weêr te stellen.

MARGARETA,zich op hem werpende.O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken!Ziet gij dien steen omhoog wel steken?Ziet gij dien drempel wel?Daar kookt de hel!SamiëlBegint zijn spel,Opdat gij ’t wete!

MARGARETA,zich op hem werpende.

O, laat ons knielen en de Heilgen smeeken!

Ziet gij dien steen omhoog wel steken?

Ziet gij dien drempel wel?

Daar kookt de hel!

Samiël

Begint zijn spel,

Opdat gij ’t wete!

FAUST,uitbarstende.Grete! Grete!

FAUST,uitbarstende.

Grete! Grete!

MARGARETA,opmerkzaam.Dat was een vriendenstem!

MARGARETA,opmerkzaam.

Dat was een vriendenstem!

Zij springt op; hare ketenen vallen af.

Hij roept me; o waar, waar vind ik hem?Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen!Aan zijn hals wil ik springen,Aan zijn borst mij wringen.Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel,Te midden van ’t huilen en woeden der hel,Te midden van den duivelschen hoonHerkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.

Hij roept me; o waar, waar vind ik hem?

Vrij ben ik; niets kan mij bedwingen!

Aan zijn hals wil ik springen,

Aan zijn borst mij wringen.

Hij riep mij, o ja, en ik hoorde het wel,

Te midden van ’t huilen en woeden der hel,

Te midden van den duivelschen hoon

Herkende ik zijn zoeten, zijn minnenden toon.

[183]

FAUST.Ik ben ’t!

FAUST.

Ik ben ’t!

MARGARETA.Ik ben ’t!Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!

MARGARETA.

Ik ben ’t!Gij zijt het? O, dan ben ik vrij!

Hem vastklemmende.

Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij!Nu zal geen keten mij meer knellen!Gij komt mij nu in vrijheid stellen—Ik ben gered!’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette.En gij zoo vriendelijk mij groette,En ook het tuintje, waar ’k bij nachtMet Martha u heb opgewacht!

Hij is ’t! Hij is ’t! Nu is mijn leed voorbij!

Nu zal geen keten mij meer knellen!

Gij komt mij nu in vrijheid stellen—

Ik ben gered!

’k Zie weêr de straat, waar ik u ’t eerst ontmoette.

En gij zoo vriendelijk mij groette,

En ook het tuintje, waar ’k bij nacht

Met Martha u heb opgewacht!

FAUST,haar naar de deur trekkende.Kom nu! Kom gaauw!

FAUST,haar naar de deur trekkende.

Kom nu! Kom gaauw!

MARGARETA.Kom nu! Kom gaauw!O, blijf, mijn vrind!Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.

MARGARETA.

Kom nu! Kom gaauw!O, blijf, mijn vrind!

Ik toef zoo gaarne waar gij u bevindt.

Zij liefkoost hem.

FAUST.Maak voort!Ontvlieden wij dit oord!De tijd vervliegt, verloopt intusschen.

FAUST.

Maak voort!

Ontvlieden wij dit oord!

De tijd vervliegt, verloopt intusschen.

MARGARETA.Hoe? Gij kunt niet meer kussen?Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd,Hebt gij het kussen afgeleerd?Het is of angst mij aan uw hals bevong!Als vroeger door uw woorden, door uw blikken,Een gansche hemel mij doordrong,[184]En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken!O, kus mij nu,Of anders kus ik u!

MARGARETA.

Hoe? Gij kunt niet meer kussen?

Mijn vriend, nu tot mij weêrgekeerd,

Hebt gij het kussen afgeleerd?

Het is of angst mij aan uw hals bevong!

Als vroeger door uw woorden, door uw blikken,

Een gansche hemel mij doordrong,[184]

En gij mij kuste of gij mij woudt verstikken!

O, kus mij nu,

Of anders kus ik u!

Zij omvat hem.

O wee! Uw mond geeft niets weêrom,Is stom!Waar is uw min, mijn leven,Gebleven?Geen kus tot wellekom!

O wee! Uw mond geeft niets weêrom,

Is stom!

Waar is uw min, mijn leven,

Gebleven?

Geen kus tot wellekom!

Zij wendt zich van hem af.

FAUST.Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed!Ik min u nog steeds met den eigensten gloed;Maar laat ons nu dadelijk gaan!

FAUST.

Kom, volg mij, mijn liefje, en vat moed!

Ik min u nog steeds met den eigensten gloed;

Maar laat ons nu dadelijk gaan!

MARGARETA,naar hem toe gewend.En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?

MARGARETA,naar hem toe gewend.

En gij zijt het zelf wel? Kan ik daar op aan?

FAUST.Ik ben het; kom nu meê!

FAUST.

Ik ben het; kom nu meê!

MARGARETA.Ik ben het; kom nu meê!Gij werpt mijn ketens neêr,En ik ben de uwe als vroeger weêr?Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt?En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?

MARGARETA.

Ik ben het; kom nu meê!Gij werpt mijn ketens neêr,

En ik ben de uwe als vroeger weêr?

Hoe komt het dan, dat gij zoo somber zijt?

En weet gij wel, mijn vriend, wie gij bevrijdt?

FAUST.Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.

FAUST.

Kom gaauw! Reeds wijkt de donkre nacht.

MARGARETA.Mijn moeder heb ik omgebragt,Mijn kind heb ik verdronken.O, was ’t niet u en mij geschonken!U ook.… Gij zijt het! Weg met schroom![185]Geef mij de hand—het is geen droom!.…Uw lieve hand.… Maar ach, wat is zij klam!Wisch af! Naar mij ter ooren kwam,Kleeft bloed er aan.Ach, wat hebt gij gedaan!Steek op den degen!Ik bid u, kom!

MARGARETA.

Mijn moeder heb ik omgebragt,

Mijn kind heb ik verdronken.

O, was ’t niet u en mij geschonken!

U ook.… Gij zijt het! Weg met schroom![185]

Geef mij de hand—het is geen droom!.…

Uw lieve hand.… Maar ach, wat is zij klam!

Wisch af! Naar mij ter ooren kwam,

Kleeft bloed er aan.

Ach, wat hebt gij gedaan!

Steek op den degen!

Ik bid u, kom!

FAUST.O, van ’t verledene gezwegen!Gij brengt mij om!

FAUST.

O, van ’t verledene gezwegen!

Gij brengt mij om!

MARGARETA.Neen, gij moet overblijven.De graven wil ik u beschrijven;Voor die moet gij zorgenReeds morgen.Mijn moeder zij de beste plaats gegeven;Mijn broeder komt dan vlak daarneven;Ik ’t verst op de rij,Maar toch wat nabij.Mijn kind dan aan mijn regterzij.Geen ander toch wil bij mij rusten.…U naast mij waar’ de dierste mijner lusten …Maar dit geluk is voor mij al te groot!Wat zou ik mij daarover kwellen!’t Is of ’k u altijd na moet snellen,En gij mij steeds teruggestoot!En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!

MARGARETA.

Neen, gij moet overblijven.

De graven wil ik u beschrijven;

Voor die moet gij zorgen

Reeds morgen.

Mijn moeder zij de beste plaats gegeven;

Mijn broeder komt dan vlak daarneven;

Ik ’t verst op de rij,

Maar toch wat nabij.

Mijn kind dan aan mijn regterzij.

Geen ander toch wil bij mij rusten.…

U naast mij waar’ de dierste mijner lusten …

Maar dit geluk is voor mij al te groot!

Wat zou ik mij daarover kwellen!

’t Is of ’k u altijd na moet snellen,

En gij mij steeds teruggestoot!

En toch—gij zijt het zelf, en zijt zoo goed!

FAUST.Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!

FAUST.

Beseft gij dat? Zoo maak dan spoed!

MARGARETA.Daarheen?

MARGARETA.

Daarheen?

[186]

FAUST.Daarheen?In vrijheid.

FAUST.

Daarheen?In vrijheid.

MARGARETA.Daarheen? In vrijheid.Is het graf daar, dat ons wacht?Loert daar de dood in eeuwgen nacht?Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht,En verder ook geen enkle schrede.…Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!

MARGARETA.

Daarheen? In vrijheid.Is het graf daar, dat ons wacht?

Loert daar de dood in eeuwgen nacht?

Kom dan ter plaats, waarnaar ik smacht,

En verder ook geen enkle schrede.…

Gij gaat nu heen? O Hendrik, kon ik mede!

FAUST.Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.

FAUST.

Gij kunt, als gij maar wilt; de deur staat open.

MARGARETA.Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen.Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten!Het is zoo naar, gebedeld eten,En nog daarbij een kwaad geweten!Het is zoo naar, als balling rond te dwalen …En toch, zij zullen me achterhalen!

MARGARETA.

Ik mag niet weg; voor mij is niets te hopen.

Wat helpt het, daar zij toch mij niet vergeten!

Het is zoo naar, gebedeld eten,

En nog daarbij een kwaad geweten!

Het is zoo naar, als balling rond te dwalen …

En toch, zij zullen me achterhalen!

FAUST.Ik blijf waar gij u ook bevindt.

FAUST.

Ik blijf waar gij u ook bevindt.

MARGARETA.O spoedig! Red mijn arme kind!Dien weg op! Altijd maar regtuit!Dat beekje langs, tot dat ge stuit!Dat bosch in, links, daar bij dien pas.…Ziet gij dien plas?O, grijp het wicht nu ras!Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog;O, red het! Red!

MARGARETA.

O spoedig! Red mijn arme kind!

Dien weg op! Altijd maar regtuit!

Dat beekje langs, tot dat ge stuit!

Dat bosch in, links, daar bij dien pas.…

Ziet gij dien plas?

O, grijp het wicht nu ras!

Het komt omhoog; ’t beweegt zich nog;

O, red het! Red!

FAUST.O, red het! Red!Bezin u toch!Een enklen stap, en gij zijt vrij!

FAUST.

O, red het! Red!Bezin u toch!

Een enklen stap, en gij zijt vrij!

[187]

MARGARETA.O, waren we eerst dien berg voorbij!Daar zit mijn moeder op een steen.Een rilling gaat mij door de leên!Daar zit mijn moeder op een steen;Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen.Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer;Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr;Zij sluimert, om ons te verblijdenIn de oude gelukkige tijden!

MARGARETA.

O, waren we eerst dien berg voorbij!

Daar zit mijn moeder op een steen.

Een rilling gaat mij door de leên!

Daar zit mijn moeder op een steen;

Zij zwijgt en schudt haar hoofd alleen.

Zij wenkt niet, zij spreekt niet, het hoofd doet haar zeer;

Zij sluimert zoo lang reeds; ze ontwaakt niet weêr;

Zij sluimert, om ons te verblijden

In de oude gelukkige tijden!

FAUST.Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen,Dan zal ik u naar buiten dragen!

FAUST.

Helpt hier geen smeeken, bidden, vragen,

Dan zal ik u naar buiten dragen!

MARGARETA.Laat af! Mij geen geweld gedaan!O, vat mij toch zoo ruw niet aan!’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!

MARGARETA.

Laat af! Mij geen geweld gedaan!

O, vat mij toch zoo ruw niet aan!

’k Heb u toch steeds met liefde bijgestaan!

FAUST.O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!

FAUST.

O lieve, zie! daar breekt de dag reeds aan!

MARGARETA.De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag,Die nu mijn hoogtij wezen mag!Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart.Wee mijn krans!’t Is juist geschied!Ik weet dat gij mij wederziet,Maar bij geen bruiloftsdans!Het volk dringt toe; men hoort het niet.Het vult de straten, de stegen,En al de wegen.De doodsklok roept; daar breekt de staf;[188]O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen!Men plaatst mij op den vreeselijken stoel!’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen,Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel!Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.

MARGARETA.

De dag? O ja, ’t wordt dag! Daar komt de laatste dag,

Die nu mijn hoogtij wezen mag!

Zeg niemand, dat gij reeds bij Grete waart.

Wee mijn krans!

’t Is juist geschied!

Ik weet dat gij mij wederziet,

Maar bij geen bruiloftsdans!

Het volk dringt toe; men hoort het niet.

Het vult de straten, de stegen,

En al de wegen.

De doodsklok roept; daar breekt de staf;[188]

O zie, hoe zij mij pakken, binden, knijpen!

Men plaatst mij op den vreeselijken stoel!

’k Zie ieder naar zijn hals reeds grijpen,

Bij ’t lemmet dat ik aan den mijnen voel!

Als ’t graf ligt de aarde, stom en koel.

FAUST.O, ware ik nooit geboren!

FAUST.

O, ware ik nooit geboren!

MEPHISTOPHELES,die zich nu vertoont.Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren!Geen verder praten, klagen, snappen;Mijn paarden trappen;Het is reeds morgenstond.

MEPHISTOPHELES,die zich nu vertoont.

Kom spoedig, of gij beiden zijt verloren!

Geen verder praten, klagen, snappen;

Mijn paarden trappen;

Het is reeds morgenstond.

MARGARETA.Wat rijst daar uit den grond?Die daar! O, zend hem voort!Wat wil hij in dit heilig oord?Mij wil hij!

MARGARETA.

Wat rijst daar uit den grond?

Die daar! O, zend hem voort!

Wat wil hij in dit heilig oord?

Mij wil hij!

FAUST.Mij wil hij!Gij zult leven!

FAUST.

Mij wil hij!Gij zult leven!

MARGARETA.Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!

MARGARETA.

Barmhartig God! Ik wil me in uwe handen geven!

MEPHISTOPHELEStot Faust.Kom, of ik laat u beiden in den loop!

MEPHISTOPHELEStot Faust.

Kom, of ik laat u beiden in den loop!

MARGARETA.O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!Gij engelen, gij heilge scharen,Omringt mij en wilt mij bewaren!…O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!

MARGARETA.

O red mij, Vader! Gij zijt al mijn hoop!

Gij engelen, gij heilge scharen,

Omringt mij en wilt mij bewaren!…

O Hendrik, wat doet uw gezigt mij wee!

Zij sterft.

[189]

MEPHISTOPHELES.Zij is gevonnisd!

MEPHISTOPHELES.

Zij is gevonnisd!

STEM VAN BOVEN.Zij is gevonnisd!Ze is gered!

STEM VAN BOVEN.

Zij is gevonnisd!Ze is gered!

MEPHISTOPHELEStot Faust.Zij is gevonnisd! Ze is gered!Kom meê!

MEPHISTOPHELEStot Faust.

Zij is gevonnisd! Ze is gered!Kom meê!

ECHO VAN DE KERKERMUREN.Hendrik … Hendrik …!

ECHO VAN DE KERKERMUREN.

Hendrik … Hendrik …!


Back to IndexNext