[Inhoud]TOEWIJDING.Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.Gij brengt met u wat eens mij mogt behagenEn menig zoete erinring van weleer;Gelijk een droom uit lang vervlogen dagenKomt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagenVan ’s levens kronkelpaden meer en meer,En noemt het goede, dat ik mogt genieten,Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.Zij zullen deze liederen niet hoorenDe zielen, in wier kring ik vroeger zong;Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.[XXXIV]En mij bevangt een reeds ontwend verlangenNaar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;Daar zweven nu mijn fluisterende zangenAls windgesuis, de Eolusharp gelijk.Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.[XXXV][Inhoud]VOORSPEL OP HET TOONEEL.TOONEELDIRECTEUR. TOONEELDICHTER. EERSTE KOMIEK.DIRECTEUR.Gij, die mij vaak te helpen plagt,Wanneer de zorg mij overmande,Zegt me eens, wat gij wel hier te landeVan onze nieuwe zaak verwacht!Zoo graag wilde ik de menigte behagen,Vooral omdat zij leeft en leven laat;Reeds is het groot theater opgeslagen,En men verwacht een kunstwerk inderdaad.Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken,Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijkenIk ben wel met den geest des volks bekend,Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen:Wel zijn zij aan het beste niet gewend,Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen.Hoe maken wij het nu, dat alles slaagtEn zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt?Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen,Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt,En oud en jong, bij groote hoopen,Door de enge poort der tent zich binnenwringt,Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren,Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt,En met de drift van wilde dierenOm een biljet bijna den hals zich breekt.Alleen de dichter roept dit wonder in het levenBij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even![XXXVI]DICHTER.O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!O zwijg van al dat golven en dat woelen,Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;Waar liefde en vriendschap onzen besten zegenMet godenhand doen kiemen en verplegen.Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,Wat soms de tong al weifelend laat hooren,Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.KOMIEK.Stel vrij het nakroost uit uw zinnen!Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen,Wat toch heeftonsgeslacht daaraan?Dat wil en zal zich diverteeren;En met een snaak, als ik, zich te amuseeren,Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan,Wie aardig meê kan praten op zijn tijd,Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren;Hij wenscht een kring zich wijd en zijd,Om des te meer voor zijn publiek te schittren.Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel:Laat phantasie, met alle hare koren,Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel,Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren![XXXVII]DIRECTEUR.Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld—Vooral wat veel te kijken voor zijn geld!Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen,Zoodat het gapend zich verbazen kan,Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen,En zijt weldra zijn lievling, beste man!De massa kunt gij slechts door ’tveletrekken;Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak:Waarveelis, zal welietsden kijklust wekken,En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak.Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken:Zulk een ragout zal nooit mislukken;Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht.Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt?’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.DICHTER.Gij voelt niet, dat met zulke kladderijGeen echte kunstenaar zich af zal geven;Maar ’k merk het wel: die morserijIs bij ulieden lust en leven.DIRECTEUR.Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan.Hij, die wil vast en zeker gaan,Moet steeds den grooten hoop gerieven.Bedenk welk hout gij hebt te klieven,En zie maar toe, voor wie gij schrijft!D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalenEen ander komt van ’t hartig middagmalen,En, wat het allerlastigst blijft,Nog andren komen van het lezen der journalen.Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen,En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê.[XXXVIII]De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen,En spelen zonder gage meê.Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken?Vult uw talent de zaal alleen?Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken:De helft is koud, de helft gemeen.Deeszit naar ’t kaartspel te verlangen,Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht;Dienaar zijn liefje dezen nacht:En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen!Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer;Want hoe gij ook het aan wilt vangen,Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer!Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!DICHTER.Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht!De dichter zou aldus het hoogste regt,Het menschenregt, hem door natuur geschonken,Verbeuzelen voor zulk een doel?Waardoor toch treft hij elks gevoelEn laat geen menschenharte koel?Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt,En ’t alledaagsche op zijde dringt?Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen,Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,—Disharmonie van zotten en zottinnenVervelend door elkander klinkt,—Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen,Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit?Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen,Zoodat de ziel in weelde ontgloeit?Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden?Wie de avondzon zoo statig ondergaan?Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden,Den minnenden gelieven op hun paân?[XXXIX]Wie vlecht van groene, onoogelijke bladenEen eerkrans voor verdienste hier beneên?Wie, wie bezingt de goden en hun daden?De dichter slechts—en hij alleen.KOMIEK.Dat hij dan al die schoone krachten knede,En heel die dicht-affaire smede,Alsof ’t een minnarijtje was.Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alrasGevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken,En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken …Maar dat was al te mooi; dus komt er een,En scheidt de twee gelieven wreed vaneen.Laat ons ook zulk een stuk eens geven!Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven!Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand,En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant.In bonte kleuren weinig klaarheid,Veel dwaling en een vonkje waarheid,Zoo wordt het brouwsel toegerigt,Dat iedereen verkwikt en sticht.Dan komt de jeugd met gretige ooren,Om in uw tent orakeltaal te hooren;Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed,Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed;Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smartEn elk gevoelt wat omgaat in zijn hart.Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen;Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn:Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen;Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.DICHTER.Geef mij dan ook terug die tijden,Toen ik nog nieuwling was, mijnheer![XL]En mij mogt aan de liedren wijden,Die mij ontstroomden keer op keer!Toen de aard was voor me in nevelen gehuld,De bloesem nog mijn geest verrukte;Toen ik de duizend bloemen plukte,Waar dal aan dal meê was gevuld!Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen;De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen.Geef al wat mij toen streelde of griefde,Het zalig lijden van weleer,De kracht des haats, de magt der liefde …O, geef mij mijne jonkheid weêr!KOMIEK.De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad.Als in een slag geen vijand zich laat temmen;Als om uw hals, met blij gelaat,Zich allerliefste meisjes klemmen;Als ge u van verre d’ eerekransVan ’t zwaar bereikte doel ziet wenken;Als men, na zang en spel en dans,Den nacht besluit met wijn te schenken.Doch het bekende snarenspelTer hand te nemen onverschrokken,En uit die reine en zuivre welDe accoorden spelende te ontlokken—Dat, oude heeren, is u opgelegd,En zal onze achting niet voor u vermindren:De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt;Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.DIRECTEUR.Nu is de zaak genoeg bedisseld;Laat mij nu ook eens daden zien:Terwijl gij complimenten wisselt,Kan iets veel nuttigers geschiên.[XLI]Geen stemming riep iets deeglijks ooit in ’t leven;Zij laat beschroomden in den steek.Zoo ge u voor dichter uit wilt geven,Dat dan de dichter uit u spreek’!U is bekend wat wij behoeven:Men wil iets sterk gepeperds proeven.Pak onderwijl den boel maar aan!Zoo gij niet nu begint, is ’t morgen ongedaan.Men moet geen enklen dag verzuimen;Neem al wat ge aantreft, dwaas of vroed,Gaauw bij den kop maar, kort en goed;Wil dan het wel ter dege schuimen,En werk maar voort, omdat het moet.Op ons tooneel, zoo gij kondt merken,Probeert een ieder wat hij kan:Ontzie dus ook op heden danDecoratief noch tooverwerken!Gij kunt vrij over zon en maanEn over starren ook bevelen;Op water, vuur en rotstooneelenOf beesten komt het meê niet aan.Zoo doet in ’t planken heilig koorZich heel de schepping aan ons voor,En wandelt welbedacht en snelVan ’t hemelrijk door de aard ter hel.[XLII][Inhoud]VOORAFSPRAAKIN DEN HEMEL.DE HEER.DE HEMELSCHE HEERSCHAREN.NaderhandMEPHISTOPHELES.De drie aartsengelen treden voor.RAPHAËL.De zon doet weêr haar loflied hooren,In ’t koor der spheren als altijd;Haar baan voleindigt ze als te voren,Al donderende wijd en zijd.Haar glans, die grenzen kent noch perken,Vervult zelfs de englen met ontzag;Gods ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.GABRIËL.En snel draait, in haar voorwaarts zweven,Zich de aarde rond met al haar pracht,Hier als door hemelgloed omgeven,En daar gehuld in diepen nacht.De zee drijft, onder schuimend klotsen,Gevaarten uit haar worteling,En verder rukken zee en rotsenIn eeuwig snelle wenteling.[XLIII]MICHAËL.En hevig bruisen storm op stormenVan zee naar land, van land naar zeên,Terwijl ze in ’t woên een keten vormenDer diepste wieling om zich heen.Daar vlamt de bliksem alvernielend;De donder volgt met majesteit:Maar wij vereeren, Heer, al knielendUwe almagt en uw heerlijkheid.TE ZAMEN.Uwe almagt, zonder paal noch perken,Vervult ook de englen met ontzag;Uwe ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.MEPHISTOPHELES.Daar gij ons nu eens weder nadert, Heer,En vraagt hoe ’t zoo al gaat in deze tijden,Terwijl ge ook vroeger mij nog al mogt lijden,Zoo ziet gij me ook in dit gezelschap weêr.Maar ’k ben niet thuis in deftige gesprekken,En mooije woorden heb ik nooit gekend:Mijn pathos zou gewis den lachlust wekken,Al had men zich ook ’t lagchen afgewend.Naar hemelbollen moet men mij niet vragen;Ik zie alleen, hoe zich de menschen plagen.De kleine wereldgod blijft van den zelfden slagEn is zoo wonderlijk als op den eersten dag.Misschien zou hij een weinig beter leven,Hadt gij hem niet een glimp van ’t hemellicht gegeven;Hij noemt het Rede, om, onder dezen schijn,Nog dierlijker dan eenig dier te zijn.Hij heeft—wil ’t mij ten goede houên!—Veel van een sprinkhaan in landouwen,[XLIV]Die altijd vliegt en vliegend springt,En in het gras zijn oude liedje zingt;En bleef hij nu nog in het gras maar preêken,Maar overal wil hij zijn neus in steken.DE HEER.Hebt gij mij anders niets te vragen?Komt gij dan altijd bij mij klagen,En wordt van de aarde nooit iets goeds door u gezegd?MEPHISTOPHELES.O Heer, ik vind het daar, als altijd, bitter slecht.De menschen gaan me aan ’t hart in hunne jammerdagen;Ik mag die halzen zelfs niet meer nog plagen.DE HEER.Zeg! kent gij Faust?MEPHISTOPHELES.Zeg! kent gij Faust?Den doctor?DE HEER.Zeg! kent gij Faust? Den doctor?Ja, mijn knecht.MEPHISTOPHELES.Voorwaar, hij dient u op bijzondre wijze:Niet aardsch toch is zijn drank en spijze.Zijn gistend brein brengt hem aan ’t malen.Van zijne dolheid naauwlijks half bewust,Wil hij van ’t firmament de schoonste sterren halen,Van de aarde elk hoogst genot en lust;En waar zijn geest ook heen moog’ dwalen,Niets brengt zijn kloppend hart tot rust.DE HEER.Al dient hij me ook zoo als het mogt wel niet,’k Zal toch hem spoedig in de waarheid leiden:[XLV]De tuinman weet, als ’t spruitje knopjes schiet,Dat rijpe vruchten later hem verbeiden.MEPHISTOPHELES.Wat wedt ge, dat hij u zal wederstreven,Wanneer gij mij verlof wilt geven,Hem aan mijn hand te voeren door het levend?DE HEER.Zoo lang hij nog op aarde leeft,Zoo lang zij dat u niet verboden:De mensch toch doolt zoo lang hij streeft.MEPHISTOPHELES.Ik dank u, Heer! want met de doodenHeb ik nooit gaarne iets aangevangen;Het meest bevielen me altijd frissche, volle wangen;Voor al wat dood is ben ik niet te huis;Het gaat mij als het poesje met de muis.DE HEER.Nu, ’k wil hem aan u overlaten.Trek vrij dien geest van zijnen oorsprong af;Voer hem, zoo gij hem kunt bepraten,Op uwen weg meê in hetgraf,En sta beschaamd, als gij bekennen moet,Dat de edele ook op ’s levens kronkelpadenZich voor het struikelen behoedt!MEPHISTOPHELES.Ik zal mij hierop niet beraden,En ben ook voor die weddingschap niet bang.Wanneer ik eindelijk mijn doel heb mogen treffen,Veroorloof dan me een juichkreet aan te heffen.Stof eten zal hij al zijn leven lang,Gelijk mijn nicht, de alom beroemde slang![XLVI]DE HEER.Gij moogt ook daar u vrij vertoonen.’k Heb uws gelijken nooit gehaat:Van alle geesten, die door hun verzet mij honen,Deed mij de schalk altijd het minste kwaad.Des menschen werkzaamheid kan al te ligt verflauwen;Hij is het liefst van alle zorgen vrij:’k Voeg daarom graag hem een gezel ter zij,Die hem als duivel wakker weet te houên.Doch gijliên, de echte godentelgen,Blijft in het levend rijke schoone zwelgen!Het wordende, dat eeuwig werkt en leeft,Omvatte u met de liefde in al haar krachten,En wat als nevel u voor de oogen zweeft,Bevestig dat met blijvende gedachten.De hemel sluit; de aartsengelen gaan hunnen weg.MEPHISTOPHELESalleen.Van tijd tot tijd mag ik den Heer wel zien,En ’k wacht mij wel met hem te breken.Het is toch mooi van zulke groote liên,Ook met den duivel zelf zoo familjaar te spreken.[1][Inhoud]Eene hooggewelfde Gothische kamer. Het is nacht.Faustonrustig op zijnen stoel aan de schrijftafel.FAUST.’k Studeerde nu philosophie,Geneeskunde en juristerij,En ook, helaas, theologie;Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!Daar sta ik nu, ik brekebeen,En ben zoo wijs nog als voorheen!’k Heet meester, doctor, redenaar,En leid reeds in het tiende jaar,Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,Mijn jongren bij hun neuzen om—En zie toch dat wij niets beseffen.Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!Ik weet wel meer dan al die apen,Magisters, doctors, schrijvers, papen;Geen angst noch twijfel kan mij plagen,Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;Ik heb ’t geloof geheel verloren.Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leerenOm zich te beteren of te bekeeren;Ook heb ik goed noch geld bespaardEn eer noch roem mij opgegaard.Maar langer zou geen hond zoo willen leven;’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:Ligt worden mij door hare kracht[2]Geheimen aan het licht gebragt,Waardoor ’k niet meer in angst en zweetMoet zeggen wat ik zelf niet weet;Welligt wordt mij dan toevertrouwdWat heel de wereld zamenhoudt,Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,En woordgezift aan andren overlaat.O, zaagt gij, vriendelijke maan,Voor ’t laatst het harteleed eens aan,Waarmeê ’k zoo menig winternachtIn dit vertrek heb doorgebragt,Gij waart voorzeker aan mijn zij,Ook zonder al die schrijverij!Mogt van een bergtop mijn gezigtZich spieglen in uw helder licht!O, mogt ik ginds met geesten leven,Op velden in uw schijnsel zweven,En, niet door boekenstof beladen,In uwe frissche dauw mij baden!Maar—’k steek nog in den kerker, datVervloekt en vunzig, muffend gat,Waar zelfs het lieve hemellichtZich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!Benaauwd door dezen boekenlast,Met rook en vuil en stof bedekt,Die, tot de zoldring opgetast,Tot spijs van mot en worm verstrekt;Met flesschen, potten om mij heen,Met instrumenten volgepropt,Grootvaders pruik er in gestopt—Dat is uw wereld—anders geen!En vraagt gij nog, waarom uw hartZich bang in uwen boezem klemt?[3]Waarom eene onverklaarbre smartDen bloedloop in uwe adren stremt?In plaats van ’t leven der natuur,Waarvoor de Heer den stervling schiep,Omringt ge u door een beendrenmuur;In rook en walm verzinkt gij diep.O vlugt! Ruk af dien slavenband!En hier, dit boek, dees gouden mijn,Van Nostrodamus’ eigen hand,Laat dit u tot geleider zijn!Erken daarin der sterren loop;En als natuur u onderwijst,Ontwaakt de zielskracht en de hoop,Gelijk een geest den andren spijst.O ja! De diepste duisterheênVerklaren deze teekens u.Gij zweeft, o geesten, om mij heen:Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!Hij slaat het boek open, en ontdekt het Makrokosmus-teeken.O, welk een weelde heeft bij dit gezigtOp eenmaal al mijn zinnen ingenomen!Ik voel een jong, een heilig levenslichtGelijk een vuurgloed door mijne adren stroomen.Was het een God, die deze teekens schreef,Die thans mijn weetlust stillen zullen,Het arme hart met vreugd vervullen,En met een drift, die steeds mij dreef,De krachten der natuur me onthullen?Benikeen God? Het floers verbleekt;Ik zie in deze reine trekkenWat bovenzinlijk is zich voor mijn oog ontdekken.Thans eerst besef ik wat de wijze spreekt:“Het geestenrijk is niet gesloten;[4]“Uw zin is weg, uw hart is dood.“Op, kweekeling! baad onverdroten“Uw aardsche borst in ’t morgenrood!”Hij beziet het teeken.Hoe alles zich hier zamenweeft,Het eene in ’t andre werkt en leeft!Hoe hemelkrachten op en neder zweven,Elkaâr de gouden emmers geven,En onder ’t Hallelujah zingenVan boven door deze aarde dringen,Harmonisch ’t wereldruim omringen!Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,Waarnaar het dorstend hart verlangt?Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!Hij slaat misnoegd eenige bladeren om, en ontwaart het teeken van den Aardgeest.Hoe anders treft dit teeken mijn gemoed!Gij, geest der aarde, zijt mij nader;’k Voel reeds mijn krachten al te gader,En mij doordringt een frissche gloed.’k Voel sterkte om in de wereld mij te wagen,Het leed der aarde en haar geluk te dragen,Het hoofd te biên aan storm en onweêrsvlagen,Niet bij orkaan of schipbreuk te vertsagen.…Een floers benevelt mijn gezigt.…De maan verbergt haar licht.…De lamp verdwijnt;Een damp verschijnt;Een ijskoude adem daalt van dit gewelf.…O, spaar mij verdre smart![5]Ik voel ’t, gij zweeft om mij, bezworen geest, gij zelf!Ontsluijer u! niet lang gemard!Ha! Hoe, hoe dringt het mij in ’t hart,Tot nieuw en blij gevoelenMijn zinnen komt doorwoelen!’k Gevoel geheel mijn hart u overgeven;Gij moet, gij moet, al kostte ’t mij het leven!Hij neemt het boek, en spreekt het teeken van den Geest geheimvol uit. Eene roodachtige vlam flikkert.De Geestverschijnt in de vlam.GEEST.Wie roept me?FAUST,afgewend.Wie roept me?O, wat mijn oog daar ziet!GEEST.Uw roepstem heeft mij hier doen komenEn uit mijn spheer mij weggenomen,En nu—FAUST.En nu—Wee, ik verdraag u niet!GEEST.Gij ademt weêr, nu gij mij kunt aanschouwen,Mijn stem kunt hooren, mijn gelaat kunt zien:Wel nu, kan ik mijn hulp u biên—Hier ben ik! Welk erbarmelijk mistrouwenGrijpt thans u aan! Waar is de wil, die hier mij riep?Waar is de borst, die zich een wereld schiep,Haar koesterde, haar droeg, en, onervaren,Zich inbeeldde ons, de geesten, te evenaren?Waar zijt ge, Faust, wiens stem ik straks vernam?[6]Die wilde dat ik bij hem kwam?Zijt gij het, die, door mijnen aâm omgeven,Aan al uw leden schijnt te beven,—Een worm, die wegkruipt in het stof?FAUST.Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?Ik ben het, Faust, ik—uws gelijken!GEEST.In ’s levens stroom, in huis en hof,Zweef ik op en neêr,Zweef ik heen en weêr!Geluk en wee,Eene eeuwge zee,Een wislend weven,Een gloeijend leven,—’k Werk zoo aan den snorrenden weefstoel altijd,En lever het kleed aan de godheid gewijd.FAUST.Gij, die het wereldruim doorzweeft,O geest, hoe na gevoel ik me aan uw zij!GEEST.Een geest der aarde, waar ge op leeft,Gelijkt ge, maar niet mij!Verdwijnt.FAUST,in zijn stoel nedervallende.Hoe nu?Niet u?Ik, evenbeeld der godheid,En niet eens u?Er wordt geklopt.O ramp, wat hoor ik! Wie is daar?[7]Nu gaat mijn schoonst geluk te gronde!Voor ’t proza wijkt mijn heil dees stonde.Ik ken dien klop: ’t Is onze Wagenaar!Wagenaar,in een nachtjapon, met eene slaapmuts op en eene keukenlamp in de hand. Faust keert hem misnoegd den rug toe.WAGENAAR.Verschoon me; ik hoorde u declameeren;’t Is vast een treurspel, dat ge in handen hadt.’k Zou van die kunst ook wel iets willen leeren;Want tegenwoordig wil men dat.Men zegt zelfs, dat de geestelijke heerenVan een komediant nog kunnen profiteeren.FAUST.Ja, als de geestlijke een komediant is,Zoo als dat soms wel eens gebeurt.WAGENAAR.O, als men in zijn vak niet bij de hand is,En van de wereld weinig maar bespeurt,Of op haar door een kijker slechts mag turen—Hoe kan men haar dan door verstand besturen!FAUST.Gevoelt gij ’t niet, gij zult het niet beseffen,Wanneer ’t niet uit de ziel ontspringt,En met een overstelpend treffenIn ’t hart van uwe hoorders dringt.Blijf aan uw schrijfcel maar geklonken;Maak daar ragout en andre morserij,En blaas de jammerlijkste vonkenUit uwe potjesbakkerij!U wacht bewondering van apen en hun vrinden,Zijt gij misschien daarmeê gebaat;[8]Maar nimmer zult gij hart aan hart verbinden,Indien ’t u niet van harte gaat.WAGENAAR.Met voor te dragen maakt men meestal een begin;Ik voel dit wel, maar ’t wil er nog niet in.FAUST.Hoor! Volg in eenvoud steeds uw pad,En wees geen nar met bellen aan;Hij toch bezit den grootsten schat,Die nedrig op zichzelf kan staan.En is ’t u ernst eens meê te spreken,Waartoe naar woorden dan gekeken?Veel woorden, vaak om keurigheid bemind,En zoo het heet met geestigheid dooraderd,Zijn, wel beschouwd, gelijk de dwarrelwind,Die in den herfst giert door het dor gebladert.WAGENAAR.Helaas! De kunst is lang,En kort slechts is ons leven.Ik word, bij al mijn trachten en mijn streven,Toch in mijn hart en nieren bang.Hoe zwaar zijn niet de middlen te verwerven,Waardoor men tot de bron geraakt!En eer men nog ten halven weg genaakt,Moet wel een arme duivel sterven.FAUST.Is boekenstof de bron van heil en zegen,Waaruit een dronk u laafnis schenkt?Verkwikking hebt gij niet verkregen,Zoo die uw eigen ziel niet brengt.[9]WAGENAAR.Vergeef! Het is een groot genoegen,Zich in den geest der eeuw te voegen,Te zien hoe eens een wijze heeft gedacht,En zijn idée door ons dan verder wordt gebragt.FAUST.O ja, tot aan der sterren trans!Mijn vriend, de tijden van ’t verleedne althansZij zijn een boek voor u en mij gesloten:Wat als den geest der eeuw vaak wordt gevreesd,Is, wel beschouwd, des menschen eigen geest,Maar niet door God hem ingegoten.Nu schreeuwt en tiert men als bezeten,En kiest op stel en sprong het hazenpad;Voor ontuig wordt deze eeuwgeest uitgekreten,Waarbij ’t geluk zijn einde heeft gehad.Dit alles klinkt heel stichtlijk in onze ooren;Men kan het van Jan Klaassen ook zoo hooren.WAGENAAR.Maar zie—de wereld, wat de mensch al smeedt,Daarvan kan ieder toch wel iets beseffen.FAUST.Ja, wat men zoo beseffen heet;Wie durft den spijker op den kop steeds treffen?De weinigen, geloof me, in ieder land,Die, dwaas genoeg, zich daarvoor niet bewaarden,Maar hun gevoel ’t gepeupel openbaarden,Die heeft men steeds gekruisigd of verbrand.—Maar, vriend! het is vrij laat reeds in den nacht;Wij moeten nu elkaâr verlaten.[10]WAGENAAR.Ik had dit waarlijk niet gedacht;Ik zou bij u nog wel wat willen praten.Maar morgen is het Paasch, dan kom ik weêr,Als gij ’t niet kwalijk neemt, mijnheer!’k Was altijd op de studie als bezeten;’k Weet veel reeds, maar zou gaarne meer nog weten.Vertrekt.FAUST,alleen.Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,Die altijd zich aan flaauwheid laaft,Met gierge hand naar schatten graaft,En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,Dat ik het als een dwerg genaakte.Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije krachtVermat door de adren der natuur te vlietenEn ’t leven als de Goden te genieten—Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,[11]Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;U hier te houden, stond niet in mijn magt.Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;Maar, wreede! gij zijt heengetogen,En laat mij met mijn lot alleen!Wat staat mij nu te doen, te mijden?Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,Zij stremmen onzes levens gang!Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,Dan heet dit zelfbedrog en waan.Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,Verstijft in aardsche jammer en gewoel.Terwijl verbeelding met een stoute vaartEn vol van hope de eeuwigheid gaat meten,Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,En vestigt daar geheime smart;Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,Als vuur, als water, gift of dolk,Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,Den worm, die in het stof zich laaft,En dien de tred des wandelaars begraaft.[12]Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wandenUit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?De prullekraam, die met zijn duizend bandenMe in deze mottenwereld d’ adem stremt?Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?Moet ik misschien in duizend boeken lezen,Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,Met rad en kammen, wals en bendel;’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,Dan hier des nachts te zweeten en te waken;Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,Ontvangt men om er van gebruik te maken.Wat ons niet dient, dat is een zware last;Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?[13]Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,Extract van alle doodelijke krachten,Bewijs uw meester nu uw gunst!Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;De springvloed van den geest begint terug te gaan;Ik voel mij in de volle zee verwezen;Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.Een vuurge wagen komt mij nader zweven,O zie! en ’k voel mijn geest bereid,Op nieuwe baan den aether door te strevenTot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.Dit hooger leven, dat een godheid baarde,Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aardeDen rug vol moed en vastberaden toe!Vermeet u stout de poorten in te dringen,Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;Hier is het tijd om naar den roem te dingen,Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—Niet voor die donkre holen te vertsagen,Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,En stout in ’t onbekende u te begeven.Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:[14]Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,Herinnert mij aan menig blijden nacht.’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:Hier is een sap van bovenaardsche kracht.Een donker vocht zal ’k in u gieten;Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;Dees laatste dronk zij nu met blij genietenAan ’t hooge feest van morgen toegebragt!Hij zet de drinkschaal aan den mond.Klokkenspel en Koorgezang.KOOR VAN ENGELEN.Hij is verrezen!Juich nu, o sterveling,Die het verderf ontving,En wien beangstigingKwelde voordezen!FAUST.Wat diepe toonen treffen daar mijne ooren,En rukken met geweld de schaal mij van den mond?Laat plegtig klokgelui op dezen stondReeds d’ aanvang van het Paaschfeest hooren?Is ’t weêrklank van uw lied, o hemelkoren,Dat luid verkondde dat de Heiland was geboren?[15]KOOR VAN VROUWEN.Wij, droeve vrouwen,Daalden vol smart hier af;Wij, zijn getrouwen,Legden hem neêr in ’t graf.Balsemen, winden,’t Is al door ons geschied:Maar ach, wij vindenChristus hier niet!KOOR DER ENGELEN.Hij is verrezen!Zalig de sterveling,Die na een loutering,Als hij van God ontving,Nu is genezen!FAUST.Wat zoekt gij, die daarboven zweeft,Mij in het stof, o hemeltoonen?O klinkt daar, waar men menschen heeft,In wie ’t geloof altijd mogt wonen!Het wonder is steeds aan ’t geloof verkleefd;Maar ’k zal mij in de spheren niet begeven,Waaruit het englenkoor de blijde boodschap zendt.En toch—van kindsbeen af aan dezen klank gewend,Roept hij ook nu mij weêr terug in ’t leven!Voorheen, o ja, ontving ik van omhoogEen hemelkus bij plegtig sabbathvieren;’t Was een gebed, dat mij aan de aarde onttoog.Een onbeschrijfelijk verlangenDreef mij door bosch en velden rond,En met de tranen op de wangenGevoelde ik hoe een wereld in me ontstond.Dit lied herinnert mij mijn kinderjaren,[16]Herinnert mij mijn lentetijd,En houdt mij nu terug, daar ’k op mijn jeugd blijf staren,Van dezen laatsten worstelstrijd.O, klinkt vrij voort, gij liedren zacht en teeder!De traan ontwelt me; de aarde heeft mij weder!KOOR VAN JONGEREN.Heeft die den dood verwonReeds in dit leven,Heeft onze gloriezonOns reeds begeven?Is hij hierboven alHemelsche vreugd nabij?Ach, in dit aardsche dalIs ’t woestenij!Liet hij de zijnenHier onder zorg en druk?Ach, wij verkwijnenBij zijn geluk!KOOR DER ENGELEN.Licht werd het duister:Christus verliet het graf!Mensch, werp den kluisterBlij van u af!Gij, die hem prijzen wilt,Liefde bewijzen wilt,Broederen spijzen wiltEn onderwijzen wilt,U is de Heer nabij;Hij ’s aan uw zij![17]
[Inhoud]TOEWIJDING.Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.Gij brengt met u wat eens mij mogt behagenEn menig zoete erinring van weleer;Gelijk een droom uit lang vervlogen dagenKomt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagenVan ’s levens kronkelpaden meer en meer,En noemt het goede, dat ik mogt genieten,Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.Zij zullen deze liederen niet hoorenDe zielen, in wier kring ik vroeger zong;Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.[XXXIV]En mij bevangt een reeds ontwend verlangenNaar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;Daar zweven nu mijn fluisterende zangenAls windgesuis, de Eolusharp gelijk.Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.[XXXV]
TOEWIJDING.Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.Gij brengt met u wat eens mij mogt behagenEn menig zoete erinring van weleer;Gelijk een droom uit lang vervlogen dagenKomt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagenVan ’s levens kronkelpaden meer en meer,En noemt het goede, dat ik mogt genieten,Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.Zij zullen deze liederen niet hoorenDe zielen, in wier kring ik vroeger zong;Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.[XXXIV]En mij bevangt een reeds ontwend verlangenNaar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;Daar zweven nu mijn fluisterende zangenAls windgesuis, de Eolusharp gelijk.Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.[XXXV]
Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.Gij brengt met u wat eens mij mogt behagenEn menig zoete erinring van weleer;Gelijk een droom uit lang vervlogen dagenKomt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagenVan ’s levens kronkelpaden meer en meer,En noemt het goede, dat ik mogt genieten,Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.Zij zullen deze liederen niet hoorenDe zielen, in wier kring ik vroeger zong;Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.[XXXIV]En mij bevangt een reeds ontwend verlangenNaar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;Daar zweven nu mijn fluisterende zangenAls windgesuis, de Eolusharp gelijk.Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.
Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.
Weêr komt gij, nevelbeelden, mij omzweven,
Gelijk ge eens in mijn jonkheid hebt gedaan!
Zal ik u ditmaal vorm en adem geven?
Voel ’k nog mijn hart genegen tot dien waan?
Gij nadert? Nu, zoo meng u dan in ’t leven,
Zoo als ge uit damp en nevel zijt ontstaan.
Mijn boezem voelt een jeugdig vuur ontgloeijen,
Nu mij uw toovergeur weêr toe mag vloeijen.
Gij brengt met u wat eens mij mogt behagenEn menig zoete erinring van weleer;Gelijk een droom uit lang vervlogen dagenKomt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagenVan ’s levens kronkelpaden meer en meer,En noemt het goede, dat ik mogt genieten,Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.
Gij brengt met u wat eens mij mogt behagen
En menig zoete erinring van weleer;
Gelijk een droom uit lang vervlogen dagen
Komt de eerste liefde en vriendschap met u weêr.
De smart herleeft; op nieuw verheft zich ’t klagen
Van ’s levens kronkelpaden meer en meer,
En noemt het goede, dat ik mogt genieten,
Doch al te ras, helaas, weêr heen zag vlieten.
Zij zullen deze liederen niet hoorenDe zielen, in wier kring ik vroeger zong;Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.
Zij zullen deze liederen niet hooren
De zielen, in wier kring ik vroeger zong;
Geen vriendlijk nooden is mij meer beschoren;
Weg is de geestdrift, die mijn ziel doordrong.
Mijn lied klinkt onbekenden nu in de ooren,
Wier bijval zelfs mij reeds tot huivren dwong;
En wat zich blijde eens om mij henen schaarde,
Is, zoo ’t nog leeft, verstoven over de aarde.
[XXXIV]
En mij bevangt een reeds ontwend verlangenNaar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;Daar zweven nu mijn fluisterende zangenAls windgesuis, de Eolusharp gelijk.Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.
En mij bevangt een reeds ontwend verlangen
Naar ’t gindsche stil en ernstig geestenrijk;
Daar zweven nu mijn fluisterende zangen
Als windgesuis, de Eolusharp gelijk.
Ik huiver; tranen biglen langs mijn wangen;
Mijn strengheid zwicht, nu ’k voor ’t gevoel bezwijk.
Wat ik bezit, zie ’k als in ’t lang verleden;
En wat verdween, aanschouw ik als in ’t heden.
[XXXV]
[Inhoud]VOORSPEL OP HET TOONEEL.TOONEELDIRECTEUR. TOONEELDICHTER. EERSTE KOMIEK.DIRECTEUR.Gij, die mij vaak te helpen plagt,Wanneer de zorg mij overmande,Zegt me eens, wat gij wel hier te landeVan onze nieuwe zaak verwacht!Zoo graag wilde ik de menigte behagen,Vooral omdat zij leeft en leven laat;Reeds is het groot theater opgeslagen,En men verwacht een kunstwerk inderdaad.Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken,Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijkenIk ben wel met den geest des volks bekend,Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen:Wel zijn zij aan het beste niet gewend,Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen.Hoe maken wij het nu, dat alles slaagtEn zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt?Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen,Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt,En oud en jong, bij groote hoopen,Door de enge poort der tent zich binnenwringt,Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren,Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt,En met de drift van wilde dierenOm een biljet bijna den hals zich breekt.Alleen de dichter roept dit wonder in het levenBij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even![XXXVI]DICHTER.O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!O zwijg van al dat golven en dat woelen,Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;Waar liefde en vriendschap onzen besten zegenMet godenhand doen kiemen en verplegen.Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,Wat soms de tong al weifelend laat hooren,Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.KOMIEK.Stel vrij het nakroost uit uw zinnen!Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen,Wat toch heeftonsgeslacht daaraan?Dat wil en zal zich diverteeren;En met een snaak, als ik, zich te amuseeren,Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan,Wie aardig meê kan praten op zijn tijd,Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren;Hij wenscht een kring zich wijd en zijd,Om des te meer voor zijn publiek te schittren.Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel:Laat phantasie, met alle hare koren,Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel,Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren![XXXVII]DIRECTEUR.Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld—Vooral wat veel te kijken voor zijn geld!Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen,Zoodat het gapend zich verbazen kan,Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen,En zijt weldra zijn lievling, beste man!De massa kunt gij slechts door ’tveletrekken;Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak:Waarveelis, zal welietsden kijklust wekken,En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak.Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken:Zulk een ragout zal nooit mislukken;Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht.Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt?’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.DICHTER.Gij voelt niet, dat met zulke kladderijGeen echte kunstenaar zich af zal geven;Maar ’k merk het wel: die morserijIs bij ulieden lust en leven.DIRECTEUR.Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan.Hij, die wil vast en zeker gaan,Moet steeds den grooten hoop gerieven.Bedenk welk hout gij hebt te klieven,En zie maar toe, voor wie gij schrijft!D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalenEen ander komt van ’t hartig middagmalen,En, wat het allerlastigst blijft,Nog andren komen van het lezen der journalen.Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen,En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê.[XXXVIII]De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen,En spelen zonder gage meê.Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken?Vult uw talent de zaal alleen?Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken:De helft is koud, de helft gemeen.Deeszit naar ’t kaartspel te verlangen,Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht;Dienaar zijn liefje dezen nacht:En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen!Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer;Want hoe gij ook het aan wilt vangen,Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer!Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!DICHTER.Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht!De dichter zou aldus het hoogste regt,Het menschenregt, hem door natuur geschonken,Verbeuzelen voor zulk een doel?Waardoor toch treft hij elks gevoelEn laat geen menschenharte koel?Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt,En ’t alledaagsche op zijde dringt?Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen,Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,—Disharmonie van zotten en zottinnenVervelend door elkander klinkt,—Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen,Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit?Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen,Zoodat de ziel in weelde ontgloeit?Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden?Wie de avondzon zoo statig ondergaan?Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden,Den minnenden gelieven op hun paân?[XXXIX]Wie vlecht van groene, onoogelijke bladenEen eerkrans voor verdienste hier beneên?Wie, wie bezingt de goden en hun daden?De dichter slechts—en hij alleen.KOMIEK.Dat hij dan al die schoone krachten knede,En heel die dicht-affaire smede,Alsof ’t een minnarijtje was.Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alrasGevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken,En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken …Maar dat was al te mooi; dus komt er een,En scheidt de twee gelieven wreed vaneen.Laat ons ook zulk een stuk eens geven!Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven!Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand,En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant.In bonte kleuren weinig klaarheid,Veel dwaling en een vonkje waarheid,Zoo wordt het brouwsel toegerigt,Dat iedereen verkwikt en sticht.Dan komt de jeugd met gretige ooren,Om in uw tent orakeltaal te hooren;Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed,Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed;Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smartEn elk gevoelt wat omgaat in zijn hart.Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen;Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn:Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen;Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.DICHTER.Geef mij dan ook terug die tijden,Toen ik nog nieuwling was, mijnheer![XL]En mij mogt aan de liedren wijden,Die mij ontstroomden keer op keer!Toen de aard was voor me in nevelen gehuld,De bloesem nog mijn geest verrukte;Toen ik de duizend bloemen plukte,Waar dal aan dal meê was gevuld!Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen;De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen.Geef al wat mij toen streelde of griefde,Het zalig lijden van weleer,De kracht des haats, de magt der liefde …O, geef mij mijne jonkheid weêr!KOMIEK.De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad.Als in een slag geen vijand zich laat temmen;Als om uw hals, met blij gelaat,Zich allerliefste meisjes klemmen;Als ge u van verre d’ eerekransVan ’t zwaar bereikte doel ziet wenken;Als men, na zang en spel en dans,Den nacht besluit met wijn te schenken.Doch het bekende snarenspelTer hand te nemen onverschrokken,En uit die reine en zuivre welDe accoorden spelende te ontlokken—Dat, oude heeren, is u opgelegd,En zal onze achting niet voor u vermindren:De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt;Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.DIRECTEUR.Nu is de zaak genoeg bedisseld;Laat mij nu ook eens daden zien:Terwijl gij complimenten wisselt,Kan iets veel nuttigers geschiên.[XLI]Geen stemming riep iets deeglijks ooit in ’t leven;Zij laat beschroomden in den steek.Zoo ge u voor dichter uit wilt geven,Dat dan de dichter uit u spreek’!U is bekend wat wij behoeven:Men wil iets sterk gepeperds proeven.Pak onderwijl den boel maar aan!Zoo gij niet nu begint, is ’t morgen ongedaan.Men moet geen enklen dag verzuimen;Neem al wat ge aantreft, dwaas of vroed,Gaauw bij den kop maar, kort en goed;Wil dan het wel ter dege schuimen,En werk maar voort, omdat het moet.Op ons tooneel, zoo gij kondt merken,Probeert een ieder wat hij kan:Ontzie dus ook op heden danDecoratief noch tooverwerken!Gij kunt vrij over zon en maanEn over starren ook bevelen;Op water, vuur en rotstooneelenOf beesten komt het meê niet aan.Zoo doet in ’t planken heilig koorZich heel de schepping aan ons voor,En wandelt welbedacht en snelVan ’t hemelrijk door de aard ter hel.[XLII]
VOORSPEL OP HET TOONEEL.TOONEELDIRECTEUR. TOONEELDICHTER. EERSTE KOMIEK.DIRECTEUR.Gij, die mij vaak te helpen plagt,Wanneer de zorg mij overmande,Zegt me eens, wat gij wel hier te landeVan onze nieuwe zaak verwacht!Zoo graag wilde ik de menigte behagen,Vooral omdat zij leeft en leven laat;Reeds is het groot theater opgeslagen,En men verwacht een kunstwerk inderdaad.Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken,Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijkenIk ben wel met den geest des volks bekend,Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen:Wel zijn zij aan het beste niet gewend,Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen.Hoe maken wij het nu, dat alles slaagtEn zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt?Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen,Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt,En oud en jong, bij groote hoopen,Door de enge poort der tent zich binnenwringt,Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren,Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt,En met de drift van wilde dierenOm een biljet bijna den hals zich breekt.Alleen de dichter roept dit wonder in het levenBij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even![XXXVI]DICHTER.O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!O zwijg van al dat golven en dat woelen,Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;Waar liefde en vriendschap onzen besten zegenMet godenhand doen kiemen en verplegen.Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,Wat soms de tong al weifelend laat hooren,Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.KOMIEK.Stel vrij het nakroost uit uw zinnen!Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen,Wat toch heeftonsgeslacht daaraan?Dat wil en zal zich diverteeren;En met een snaak, als ik, zich te amuseeren,Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan,Wie aardig meê kan praten op zijn tijd,Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren;Hij wenscht een kring zich wijd en zijd,Om des te meer voor zijn publiek te schittren.Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel:Laat phantasie, met alle hare koren,Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel,Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren![XXXVII]DIRECTEUR.Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld—Vooral wat veel te kijken voor zijn geld!Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen,Zoodat het gapend zich verbazen kan,Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen,En zijt weldra zijn lievling, beste man!De massa kunt gij slechts door ’tveletrekken;Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak:Waarveelis, zal welietsden kijklust wekken,En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak.Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken:Zulk een ragout zal nooit mislukken;Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht.Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt?’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.DICHTER.Gij voelt niet, dat met zulke kladderijGeen echte kunstenaar zich af zal geven;Maar ’k merk het wel: die morserijIs bij ulieden lust en leven.DIRECTEUR.Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan.Hij, die wil vast en zeker gaan,Moet steeds den grooten hoop gerieven.Bedenk welk hout gij hebt te klieven,En zie maar toe, voor wie gij schrijft!D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalenEen ander komt van ’t hartig middagmalen,En, wat het allerlastigst blijft,Nog andren komen van het lezen der journalen.Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen,En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê.[XXXVIII]De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen,En spelen zonder gage meê.Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken?Vult uw talent de zaal alleen?Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken:De helft is koud, de helft gemeen.Deeszit naar ’t kaartspel te verlangen,Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht;Dienaar zijn liefje dezen nacht:En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen!Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer;Want hoe gij ook het aan wilt vangen,Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer!Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!DICHTER.Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht!De dichter zou aldus het hoogste regt,Het menschenregt, hem door natuur geschonken,Verbeuzelen voor zulk een doel?Waardoor toch treft hij elks gevoelEn laat geen menschenharte koel?Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt,En ’t alledaagsche op zijde dringt?Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen,Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,—Disharmonie van zotten en zottinnenVervelend door elkander klinkt,—Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen,Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit?Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen,Zoodat de ziel in weelde ontgloeit?Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden?Wie de avondzon zoo statig ondergaan?Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden,Den minnenden gelieven op hun paân?[XXXIX]Wie vlecht van groene, onoogelijke bladenEen eerkrans voor verdienste hier beneên?Wie, wie bezingt de goden en hun daden?De dichter slechts—en hij alleen.KOMIEK.Dat hij dan al die schoone krachten knede,En heel die dicht-affaire smede,Alsof ’t een minnarijtje was.Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alrasGevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken,En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken …Maar dat was al te mooi; dus komt er een,En scheidt de twee gelieven wreed vaneen.Laat ons ook zulk een stuk eens geven!Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven!Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand,En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant.In bonte kleuren weinig klaarheid,Veel dwaling en een vonkje waarheid,Zoo wordt het brouwsel toegerigt,Dat iedereen verkwikt en sticht.Dan komt de jeugd met gretige ooren,Om in uw tent orakeltaal te hooren;Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed,Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed;Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smartEn elk gevoelt wat omgaat in zijn hart.Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen;Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn:Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen;Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.DICHTER.Geef mij dan ook terug die tijden,Toen ik nog nieuwling was, mijnheer![XL]En mij mogt aan de liedren wijden,Die mij ontstroomden keer op keer!Toen de aard was voor me in nevelen gehuld,De bloesem nog mijn geest verrukte;Toen ik de duizend bloemen plukte,Waar dal aan dal meê was gevuld!Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen;De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen.Geef al wat mij toen streelde of griefde,Het zalig lijden van weleer,De kracht des haats, de magt der liefde …O, geef mij mijne jonkheid weêr!KOMIEK.De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad.Als in een slag geen vijand zich laat temmen;Als om uw hals, met blij gelaat,Zich allerliefste meisjes klemmen;Als ge u van verre d’ eerekransVan ’t zwaar bereikte doel ziet wenken;Als men, na zang en spel en dans,Den nacht besluit met wijn te schenken.Doch het bekende snarenspelTer hand te nemen onverschrokken,En uit die reine en zuivre welDe accoorden spelende te ontlokken—Dat, oude heeren, is u opgelegd,En zal onze achting niet voor u vermindren:De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt;Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.DIRECTEUR.Nu is de zaak genoeg bedisseld;Laat mij nu ook eens daden zien:Terwijl gij complimenten wisselt,Kan iets veel nuttigers geschiên.[XLI]Geen stemming riep iets deeglijks ooit in ’t leven;Zij laat beschroomden in den steek.Zoo ge u voor dichter uit wilt geven,Dat dan de dichter uit u spreek’!U is bekend wat wij behoeven:Men wil iets sterk gepeperds proeven.Pak onderwijl den boel maar aan!Zoo gij niet nu begint, is ’t morgen ongedaan.Men moet geen enklen dag verzuimen;Neem al wat ge aantreft, dwaas of vroed,Gaauw bij den kop maar, kort en goed;Wil dan het wel ter dege schuimen,En werk maar voort, omdat het moet.Op ons tooneel, zoo gij kondt merken,Probeert een ieder wat hij kan:Ontzie dus ook op heden danDecoratief noch tooverwerken!Gij kunt vrij over zon en maanEn over starren ook bevelen;Op water, vuur en rotstooneelenOf beesten komt het meê niet aan.Zoo doet in ’t planken heilig koorZich heel de schepping aan ons voor,En wandelt welbedacht en snelVan ’t hemelrijk door de aard ter hel.[XLII]
TOONEELDIRECTEUR. TOONEELDICHTER. EERSTE KOMIEK.
DIRECTEUR.Gij, die mij vaak te helpen plagt,Wanneer de zorg mij overmande,Zegt me eens, wat gij wel hier te landeVan onze nieuwe zaak verwacht!Zoo graag wilde ik de menigte behagen,Vooral omdat zij leeft en leven laat;Reeds is het groot theater opgeslagen,En men verwacht een kunstwerk inderdaad.Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken,Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijkenIk ben wel met den geest des volks bekend,Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen:Wel zijn zij aan het beste niet gewend,Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen.Hoe maken wij het nu, dat alles slaagtEn zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt?Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen,Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt,En oud en jong, bij groote hoopen,Door de enge poort der tent zich binnenwringt,Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren,Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt,En met de drift van wilde dierenOm een biljet bijna den hals zich breekt.Alleen de dichter roept dit wonder in het levenBij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even!
DIRECTEUR.
Gij, die mij vaak te helpen plagt,
Wanneer de zorg mij overmande,
Zegt me eens, wat gij wel hier te lande
Van onze nieuwe zaak verwacht!
Zoo graag wilde ik de menigte behagen,
Vooral omdat zij leeft en leven laat;
Reeds is het groot theater opgeslagen,
En men verwacht een kunstwerk inderdaad.
Zij zitten al bedaard, met vreugdeblijken,
Om op al ’t moois zich de oogen uit te kijken
Ik ben wel met den geest des volks bekend,
Maar zoo verlegen was ik nooit voordezen:
Wel zijn zij aan het beste niet gewend,
Maar toch, zij hebben magtig veel gelezen.
Hoe maken wij het nu, dat alles slaagt
En zoo door nieuw- als deeglijkheid behaagt?
Want inderdaad, ik mag hen wel zien loopen,
Als zich de stroom naar onze schouwplaats dringt,
En oud en jong, bij groote hoopen,
Door de enge poort der tent zich binnenwringt,
Bij klaren dag, ja reeds vóór vieren,
Aan ’t plaatsbureau in woede ontsteekt,
En met de drift van wilde dieren
Om een biljet bijna den hals zich breekt.
Alleen de dichter roept dit wonder in het leven
Bij zulk publiek. Och vriendlief, help mij even!
[XXXVI]
DICHTER.O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!O zwijg van al dat golven en dat woelen,Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;Waar liefde en vriendschap onzen besten zegenMet godenhand doen kiemen en verplegen.Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,Wat soms de tong al weifelend laat hooren,Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.
DICHTER.
O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!O zwijg van al dat golven en dat woelen,Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;Waar liefde en vriendschap onzen besten zegenMet godenhand doen kiemen en verplegen.
O, spreek toch van dien bonten hoop mij niet,
Bij welks gezigt ons alle geest ontvliedt!
O zwijg van al dat golven en dat woelen,
Dat tegen dank ons in de draaikolk brengt!
Neen, voer mij naar het oord van heilgevoelen,
Waar slechts den dichter reine vreugde wenkt;
Waar liefde en vriendschap onzen besten zegen
Met godenhand doen kiemen en verplegen.
Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,Wat soms de tong al weifelend laat hooren,Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.
Ach, wat daar in ons binnenst raakt aan ’t gloren,
Wat soms de tong al weifelend laat hooren,
Gelukt of niet, verslindt tot onzen schrik,
Helaas, de magt van ’t heillooze oogenblik.
Na jaren slechts, als ’t lot dit heeft beschoren,
Kan ’t, als voltooid, den geest bekooren.
Het echte gaat voor ’t nakroost nooit verloren.
KOMIEK.Stel vrij het nakroost uit uw zinnen!Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen,Wat toch heeftonsgeslacht daaraan?Dat wil en zal zich diverteeren;En met een snaak, als ik, zich te amuseeren,Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan,Wie aardig meê kan praten op zijn tijd,Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren;Hij wenscht een kring zich wijd en zijd,Om des te meer voor zijn publiek te schittren.Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel:Laat phantasie, met alle hare koren,Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel,Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren!
KOMIEK.
Stel vrij het nakroost uit uw zinnen!
Neem eens, dat ik van ’t nakroost wou beginnen,
Wat toch heeftonsgeslacht daaraan?
Dat wil en zal zich diverteeren;
En met een snaak, als ik, zich te amuseeren,
Kan, dunkt mij, altijd ook wel gaan,
Wie aardig meê kan praten op zijn tijd,
Dien zal de luim des volks niet hindren noch verbittren;
Hij wenscht een kring zich wijd en zijd,
Om des te meer voor zijn publiek te schittren.
Daarom, houd in uw oog onafgewend het doel:
Laat phantasie, met alle hare koren,
Vernuft, verstand, verbeelding en gevoel,
Doch—let wel op!—niet zonder dwaasheid hooren!
[XXXVII]
DIRECTEUR.Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld—Vooral wat veel te kijken voor zijn geld!Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen,Zoodat het gapend zich verbazen kan,Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen,En zijt weldra zijn lievling, beste man!De massa kunt gij slechts door ’tveletrekken;Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak:Waarveelis, zal welietsden kijklust wekken,En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak.Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken:Zulk een ragout zal nooit mislukken;Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht.Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt?’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.
DIRECTEUR.
Maar geef ’t publiek—’t is hierop zeer gesteld—
Vooral wat veel te kijken voor zijn geld!
Wordt heel wat voor zijne oogen afgesponnen,
Zoodat het gapend zich verbazen kan,
Dan hebt gij in de breedte veel gewonnen,
En zijt weldra zijn lievling, beste man!
De massa kunt gij slechts door ’tveletrekken;
Een ieder kiest wat meest valt in zijn smaak:
Waarveelis, zal welietsden kijklust wekken,
En elk keert huiswaarts, vol van al ’t vermaak.
Geeft gij eens wat, geef ’t eerst dan maar aan stukken:
Zulk een ragout zal nooit mislukken;
Vlug is het toebereid, zoo vlug als uitgedacht.
Wat helpt het, of gij een geheel hebt aangebragt?
’t Publiek toch zal het uit elkander plukken.
DICHTER.Gij voelt niet, dat met zulke kladderijGeen echte kunstenaar zich af zal geven;Maar ’k merk het wel: die morserijIs bij ulieden lust en leven.
DICHTER.
Gij voelt niet, dat met zulke kladderij
Geen echte kunstenaar zich af zal geven;
Maar ’k merk het wel: die morserij
Is bij ulieden lust en leven.
DIRECTEUR.Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan.Hij, die wil vast en zeker gaan,Moet steeds den grooten hoop gerieven.Bedenk welk hout gij hebt te klieven,En zie maar toe, voor wie gij schrijft!D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalenEen ander komt van ’t hartig middagmalen,En, wat het allerlastigst blijft,Nog andren komen van het lezen der journalen.Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen,En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê.[XXXVIII]De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen,En spelen zonder gage meê.Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken?Vult uw talent de zaal alleen?Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken:De helft is koud, de helft gemeen.Deeszit naar ’t kaartspel te verlangen,Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht;Dienaar zijn liefje dezen nacht:En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen!Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer;Want hoe gij ook het aan wilt vangen,Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer!Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!
DIRECTEUR.
Zulk een verwijt trek ik me in ’t minst niet aan.
Hij, die wil vast en zeker gaan,
Moet steeds den grooten hoop gerieven.
Bedenk welk hout gij hebt te klieven,
En zie maar toe, voor wie gij schrijft!
D’ een doet verveling naar ons stuk verdwalen
Een ander komt van ’t hartig middagmalen,
En, wat het allerlastigst blijft,
Nog andren komen van het lezen der journalen.
Men snelt naar ons nu, vol vertrouwen,
En slechts nieuwsgierigheid bevleugelt iedre schreê.[XXXVIII]
De dames geven zich en haar toilet te aanschouwen,
En spelen zonder gage meê.
Wat droomt gij, dichter, toch van eereblijken?
Vult uw talent de zaal alleen?
Wil uw begunstigers eens van nabij bekijken:
De helft is koud, de helft gemeen.
Deeszit naar ’t kaartspel te verlangen,
Dat hem bij zijn tehuiskomst wacht;
Dienaar zijn liefje dezen nacht:
En daarvoor plaagt gij nu het Muzenkoor om zangen!
Ik zeg u, geef maar meer en altijd meer;
Want hoe gij ook het aan wilt vangen,
Bevredigd zijn ze nooit, mijnheer!
Maar zeg, hoe is ’t? Uwe oogen schieten vonken!
DICHTER.Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht!De dichter zou aldus het hoogste regt,Het menschenregt, hem door natuur geschonken,Verbeuzelen voor zulk een doel?Waardoor toch treft hij elks gevoelEn laat geen menschenharte koel?Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt,En ’t alledaagsche op zijde dringt?Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen,Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,—Disharmonie van zotten en zottinnenVervelend door elkander klinkt,—Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen,Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit?Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen,Zoodat de ziel in weelde ontgloeit?Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden?Wie de avondzon zoo statig ondergaan?Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden,Den minnenden gelieven op hun paân?[XXXIX]Wie vlecht van groene, onoogelijke bladenEen eerkrans voor verdienste hier beneên?Wie, wie bezingt de goden en hun daden?De dichter slechts—en hij alleen.
DICHTER.
Ga heen, en zoek een ander tot uw knecht!
De dichter zou aldus het hoogste regt,
Het menschenregt, hem door natuur geschonken,
Verbeuzelen voor zulk een doel?
Waardoor toch treft hij elks gevoel
En laat geen menschenharte koel?
Is ’t niet de harmonie, die aan zijn borst ontspringt,
En ’t alledaagsche op zijde dringt?
Wanneer natuur den draad, nooit af te spinnen,
Al langzaam op de spil al draaijend dwingt,—
Disharmonie van zotten en zottinnen
Vervelend door elkander klinkt,—
Wie blaast dien stroom, naar d’ ouden sleur bewogen,
Het leven in, zoodat hij rhythmisch vloeit?
Wie brengt het enkele vol luister voor elks oogen,
Zoodat de ziel in weelde ontgloeit?
Wie doet den storm in ’s menschen boezem woeden?
Wie de avondzon zoo statig ondergaan?
Wie strooit de bloesems, om hun hoop te voeden,
Den minnenden gelieven op hun paân?[XXXIX]
Wie vlecht van groene, onoogelijke bladen
Een eerkrans voor verdienste hier beneên?
Wie, wie bezingt de goden en hun daden?
De dichter slechts—en hij alleen.
KOMIEK.Dat hij dan al die schoone krachten knede,En heel die dicht-affaire smede,Alsof ’t een minnarijtje was.Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alrasGevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken,En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken …Maar dat was al te mooi; dus komt er een,En scheidt de twee gelieven wreed vaneen.Laat ons ook zulk een stuk eens geven!Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven!Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand,En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant.In bonte kleuren weinig klaarheid,Veel dwaling en een vonkje waarheid,Zoo wordt het brouwsel toegerigt,Dat iedereen verkwikt en sticht.Dan komt de jeugd met gretige ooren,Om in uw tent orakeltaal te hooren;Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed,Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed;Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smartEn elk gevoelt wat omgaat in zijn hart.Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen;Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn:Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen;Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.
KOMIEK.
Dat hij dan al die schoone krachten knede,
En heel die dicht-affaire smede,
Alsof ’t een minnarijtje was.
Zie, men ontmoet elkaâr toevallig; maar alras
Gevoelt men iets—er volgen zuchten, lonken,
En nu, zoo denkt men, is de zaak geklonken …
Maar dat was al te mooi; dus komt er een,
En scheidt de twee gelieven wreed vaneen.
Laat ons ook zulk een stuk eens geven!
Kom, grijp maar toe in ’t vol gewoel van ’t leven!
Een ieder leeft, elk op zijn eigen hand,
En waar ge ook pakt, ’t is altijd intressant.
In bonte kleuren weinig klaarheid,
Veel dwaling en een vonkje waarheid,
Zoo wordt het brouwsel toegerigt,
Dat iedereen verkwikt en sticht.
Dan komt de jeugd met gretige ooren,
Om in uw tent orakeltaal te hooren;
Dan zuigt een teedre ziel, door uw product gevoed,
Zich melancholisch voedsel voor ’t gemoed;
Dan wordt men beurtelings geschokt door vreugde en smart
En elk gevoelt wat omgaat in zijn hart.
Nog kan men hen, naar keus, doen lagchen of doen weenen;
Nog ziet men hen zich blij vergapen aan den schijn:
Voor hem, die alles kent, is elk genot verdwenen;
Een nieuweling zal altijd dankbaar zijn.
DICHTER.Geef mij dan ook terug die tijden,Toen ik nog nieuwling was, mijnheer![XL]En mij mogt aan de liedren wijden,Die mij ontstroomden keer op keer!Toen de aard was voor me in nevelen gehuld,De bloesem nog mijn geest verrukte;Toen ik de duizend bloemen plukte,Waar dal aan dal meê was gevuld!Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen;De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen.Geef al wat mij toen streelde of griefde,Het zalig lijden van weleer,De kracht des haats, de magt der liefde …O, geef mij mijne jonkheid weêr!
DICHTER.
Geef mij dan ook terug die tijden,
Toen ik nog nieuwling was, mijnheer![XL]
En mij mogt aan de liedren wijden,
Die mij ontstroomden keer op keer!
Toen de aard was voor me in nevelen gehuld,
De bloesem nog mijn geest verrukte;
Toen ik de duizend bloemen plukte,
Waar dal aan dal meê was gevuld!
Al had ik niets, ’k had toch genoeg ontvangen;
De zucht naar waarheid en tot zinbedrog ’t verlangen.
Geef al wat mij toen streelde of griefde,
Het zalig lijden van weleer,
De kracht des haats, de magt der liefde …
O, geef mij mijne jonkheid weêr!
KOMIEK.De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad.Als in een slag geen vijand zich laat temmen;Als om uw hals, met blij gelaat,Zich allerliefste meisjes klemmen;Als ge u van verre d’ eerekransVan ’t zwaar bereikte doel ziet wenken;Als men, na zang en spel en dans,Den nacht besluit met wijn te schenken.Doch het bekende snarenspelTer hand te nemen onverschrokken,En uit die reine en zuivre welDe accoorden spelende te ontlokken—Dat, oude heeren, is u opgelegd,En zal onze achting niet voor u vermindren:De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt;Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.
KOMIEK.
De jonkheid, vriend, hebt gij ook noodig inderdaad.
Als in een slag geen vijand zich laat temmen;
Als om uw hals, met blij gelaat,
Zich allerliefste meisjes klemmen;
Als ge u van verre d’ eerekrans
Van ’t zwaar bereikte doel ziet wenken;
Als men, na zang en spel en dans,
Den nacht besluit met wijn te schenken.
Doch het bekende snarenspel
Ter hand te nemen onverschrokken,
En uit die reine en zuivre wel
De accoorden spelende te ontlokken—
Dat, oude heeren, is u opgelegd,
En zal onze achting niet voor u vermindren:
De grijsheid maakt niet kindsch, gelijk men zegt;
Zij vindt alleen ons nog als ware kindren.
DIRECTEUR.Nu is de zaak genoeg bedisseld;Laat mij nu ook eens daden zien:Terwijl gij complimenten wisselt,Kan iets veel nuttigers geschiên.[XLI]Geen stemming riep iets deeglijks ooit in ’t leven;Zij laat beschroomden in den steek.Zoo ge u voor dichter uit wilt geven,Dat dan de dichter uit u spreek’!U is bekend wat wij behoeven:Men wil iets sterk gepeperds proeven.Pak onderwijl den boel maar aan!Zoo gij niet nu begint, is ’t morgen ongedaan.Men moet geen enklen dag verzuimen;Neem al wat ge aantreft, dwaas of vroed,Gaauw bij den kop maar, kort en goed;Wil dan het wel ter dege schuimen,En werk maar voort, omdat het moet.Op ons tooneel, zoo gij kondt merken,Probeert een ieder wat hij kan:Ontzie dus ook op heden danDecoratief noch tooverwerken!Gij kunt vrij over zon en maanEn over starren ook bevelen;Op water, vuur en rotstooneelenOf beesten komt het meê niet aan.Zoo doet in ’t planken heilig koorZich heel de schepping aan ons voor,En wandelt welbedacht en snelVan ’t hemelrijk door de aard ter hel.
DIRECTEUR.
Nu is de zaak genoeg bedisseld;
Laat mij nu ook eens daden zien:
Terwijl gij complimenten wisselt,
Kan iets veel nuttigers geschiên.[XLI]
Geen stemming riep iets deeglijks ooit in ’t leven;
Zij laat beschroomden in den steek.
Zoo ge u voor dichter uit wilt geven,
Dat dan de dichter uit u spreek’!
U is bekend wat wij behoeven:
Men wil iets sterk gepeperds proeven.
Pak onderwijl den boel maar aan!
Zoo gij niet nu begint, is ’t morgen ongedaan.
Men moet geen enklen dag verzuimen;
Neem al wat ge aantreft, dwaas of vroed,
Gaauw bij den kop maar, kort en goed;
Wil dan het wel ter dege schuimen,
En werk maar voort, omdat het moet.
Op ons tooneel, zoo gij kondt merken,
Probeert een ieder wat hij kan:
Ontzie dus ook op heden dan
Decoratief noch tooverwerken!
Gij kunt vrij over zon en maan
En over starren ook bevelen;
Op water, vuur en rotstooneelen
Of beesten komt het meê niet aan.
Zoo doet in ’t planken heilig koor
Zich heel de schepping aan ons voor,
En wandelt welbedacht en snel
Van ’t hemelrijk door de aard ter hel.
[XLII]
[Inhoud]VOORAFSPRAAKIN DEN HEMEL.DE HEER.DE HEMELSCHE HEERSCHAREN.NaderhandMEPHISTOPHELES.De drie aartsengelen treden voor.RAPHAËL.De zon doet weêr haar loflied hooren,In ’t koor der spheren als altijd;Haar baan voleindigt ze als te voren,Al donderende wijd en zijd.Haar glans, die grenzen kent noch perken,Vervult zelfs de englen met ontzag;Gods ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.GABRIËL.En snel draait, in haar voorwaarts zweven,Zich de aarde rond met al haar pracht,Hier als door hemelgloed omgeven,En daar gehuld in diepen nacht.De zee drijft, onder schuimend klotsen,Gevaarten uit haar worteling,En verder rukken zee en rotsenIn eeuwig snelle wenteling.[XLIII]MICHAËL.En hevig bruisen storm op stormenVan zee naar land, van land naar zeên,Terwijl ze in ’t woên een keten vormenDer diepste wieling om zich heen.Daar vlamt de bliksem alvernielend;De donder volgt met majesteit:Maar wij vereeren, Heer, al knielendUwe almagt en uw heerlijkheid.TE ZAMEN.Uwe almagt, zonder paal noch perken,Vervult ook de englen met ontzag;Uwe ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.MEPHISTOPHELES.Daar gij ons nu eens weder nadert, Heer,En vraagt hoe ’t zoo al gaat in deze tijden,Terwijl ge ook vroeger mij nog al mogt lijden,Zoo ziet gij me ook in dit gezelschap weêr.Maar ’k ben niet thuis in deftige gesprekken,En mooije woorden heb ik nooit gekend:Mijn pathos zou gewis den lachlust wekken,Al had men zich ook ’t lagchen afgewend.Naar hemelbollen moet men mij niet vragen;Ik zie alleen, hoe zich de menschen plagen.De kleine wereldgod blijft van den zelfden slagEn is zoo wonderlijk als op den eersten dag.Misschien zou hij een weinig beter leven,Hadt gij hem niet een glimp van ’t hemellicht gegeven;Hij noemt het Rede, om, onder dezen schijn,Nog dierlijker dan eenig dier te zijn.Hij heeft—wil ’t mij ten goede houên!—Veel van een sprinkhaan in landouwen,[XLIV]Die altijd vliegt en vliegend springt,En in het gras zijn oude liedje zingt;En bleef hij nu nog in het gras maar preêken,Maar overal wil hij zijn neus in steken.DE HEER.Hebt gij mij anders niets te vragen?Komt gij dan altijd bij mij klagen,En wordt van de aarde nooit iets goeds door u gezegd?MEPHISTOPHELES.O Heer, ik vind het daar, als altijd, bitter slecht.De menschen gaan me aan ’t hart in hunne jammerdagen;Ik mag die halzen zelfs niet meer nog plagen.DE HEER.Zeg! kent gij Faust?MEPHISTOPHELES.Zeg! kent gij Faust?Den doctor?DE HEER.Zeg! kent gij Faust? Den doctor?Ja, mijn knecht.MEPHISTOPHELES.Voorwaar, hij dient u op bijzondre wijze:Niet aardsch toch is zijn drank en spijze.Zijn gistend brein brengt hem aan ’t malen.Van zijne dolheid naauwlijks half bewust,Wil hij van ’t firmament de schoonste sterren halen,Van de aarde elk hoogst genot en lust;En waar zijn geest ook heen moog’ dwalen,Niets brengt zijn kloppend hart tot rust.DE HEER.Al dient hij me ook zoo als het mogt wel niet,’k Zal toch hem spoedig in de waarheid leiden:[XLV]De tuinman weet, als ’t spruitje knopjes schiet,Dat rijpe vruchten later hem verbeiden.MEPHISTOPHELES.Wat wedt ge, dat hij u zal wederstreven,Wanneer gij mij verlof wilt geven,Hem aan mijn hand te voeren door het levend?DE HEER.Zoo lang hij nog op aarde leeft,Zoo lang zij dat u niet verboden:De mensch toch doolt zoo lang hij streeft.MEPHISTOPHELES.Ik dank u, Heer! want met de doodenHeb ik nooit gaarne iets aangevangen;Het meest bevielen me altijd frissche, volle wangen;Voor al wat dood is ben ik niet te huis;Het gaat mij als het poesje met de muis.DE HEER.Nu, ’k wil hem aan u overlaten.Trek vrij dien geest van zijnen oorsprong af;Voer hem, zoo gij hem kunt bepraten,Op uwen weg meê in hetgraf,En sta beschaamd, als gij bekennen moet,Dat de edele ook op ’s levens kronkelpadenZich voor het struikelen behoedt!MEPHISTOPHELES.Ik zal mij hierop niet beraden,En ben ook voor die weddingschap niet bang.Wanneer ik eindelijk mijn doel heb mogen treffen,Veroorloof dan me een juichkreet aan te heffen.Stof eten zal hij al zijn leven lang,Gelijk mijn nicht, de alom beroemde slang![XLVI]DE HEER.Gij moogt ook daar u vrij vertoonen.’k Heb uws gelijken nooit gehaat:Van alle geesten, die door hun verzet mij honen,Deed mij de schalk altijd het minste kwaad.Des menschen werkzaamheid kan al te ligt verflauwen;Hij is het liefst van alle zorgen vrij:’k Voeg daarom graag hem een gezel ter zij,Die hem als duivel wakker weet te houên.Doch gijliên, de echte godentelgen,Blijft in het levend rijke schoone zwelgen!Het wordende, dat eeuwig werkt en leeft,Omvatte u met de liefde in al haar krachten,En wat als nevel u voor de oogen zweeft,Bevestig dat met blijvende gedachten.De hemel sluit; de aartsengelen gaan hunnen weg.MEPHISTOPHELESalleen.Van tijd tot tijd mag ik den Heer wel zien,En ’k wacht mij wel met hem te breken.Het is toch mooi van zulke groote liên,Ook met den duivel zelf zoo familjaar te spreken.[1]
VOORAFSPRAAKIN DEN HEMEL.DE HEER.DE HEMELSCHE HEERSCHAREN.NaderhandMEPHISTOPHELES.De drie aartsengelen treden voor.RAPHAËL.De zon doet weêr haar loflied hooren,In ’t koor der spheren als altijd;Haar baan voleindigt ze als te voren,Al donderende wijd en zijd.Haar glans, die grenzen kent noch perken,Vervult zelfs de englen met ontzag;Gods ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.GABRIËL.En snel draait, in haar voorwaarts zweven,Zich de aarde rond met al haar pracht,Hier als door hemelgloed omgeven,En daar gehuld in diepen nacht.De zee drijft, onder schuimend klotsen,Gevaarten uit haar worteling,En verder rukken zee en rotsenIn eeuwig snelle wenteling.[XLIII]MICHAËL.En hevig bruisen storm op stormenVan zee naar land, van land naar zeên,Terwijl ze in ’t woên een keten vormenDer diepste wieling om zich heen.Daar vlamt de bliksem alvernielend;De donder volgt met majesteit:Maar wij vereeren, Heer, al knielendUwe almagt en uw heerlijkheid.TE ZAMEN.Uwe almagt, zonder paal noch perken,Vervult ook de englen met ontzag;Uwe ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.MEPHISTOPHELES.Daar gij ons nu eens weder nadert, Heer,En vraagt hoe ’t zoo al gaat in deze tijden,Terwijl ge ook vroeger mij nog al mogt lijden,Zoo ziet gij me ook in dit gezelschap weêr.Maar ’k ben niet thuis in deftige gesprekken,En mooije woorden heb ik nooit gekend:Mijn pathos zou gewis den lachlust wekken,Al had men zich ook ’t lagchen afgewend.Naar hemelbollen moet men mij niet vragen;Ik zie alleen, hoe zich de menschen plagen.De kleine wereldgod blijft van den zelfden slagEn is zoo wonderlijk als op den eersten dag.Misschien zou hij een weinig beter leven,Hadt gij hem niet een glimp van ’t hemellicht gegeven;Hij noemt het Rede, om, onder dezen schijn,Nog dierlijker dan eenig dier te zijn.Hij heeft—wil ’t mij ten goede houên!—Veel van een sprinkhaan in landouwen,[XLIV]Die altijd vliegt en vliegend springt,En in het gras zijn oude liedje zingt;En bleef hij nu nog in het gras maar preêken,Maar overal wil hij zijn neus in steken.DE HEER.Hebt gij mij anders niets te vragen?Komt gij dan altijd bij mij klagen,En wordt van de aarde nooit iets goeds door u gezegd?MEPHISTOPHELES.O Heer, ik vind het daar, als altijd, bitter slecht.De menschen gaan me aan ’t hart in hunne jammerdagen;Ik mag die halzen zelfs niet meer nog plagen.DE HEER.Zeg! kent gij Faust?MEPHISTOPHELES.Zeg! kent gij Faust?Den doctor?DE HEER.Zeg! kent gij Faust? Den doctor?Ja, mijn knecht.MEPHISTOPHELES.Voorwaar, hij dient u op bijzondre wijze:Niet aardsch toch is zijn drank en spijze.Zijn gistend brein brengt hem aan ’t malen.Van zijne dolheid naauwlijks half bewust,Wil hij van ’t firmament de schoonste sterren halen,Van de aarde elk hoogst genot en lust;En waar zijn geest ook heen moog’ dwalen,Niets brengt zijn kloppend hart tot rust.DE HEER.Al dient hij me ook zoo als het mogt wel niet,’k Zal toch hem spoedig in de waarheid leiden:[XLV]De tuinman weet, als ’t spruitje knopjes schiet,Dat rijpe vruchten later hem verbeiden.MEPHISTOPHELES.Wat wedt ge, dat hij u zal wederstreven,Wanneer gij mij verlof wilt geven,Hem aan mijn hand te voeren door het levend?DE HEER.Zoo lang hij nog op aarde leeft,Zoo lang zij dat u niet verboden:De mensch toch doolt zoo lang hij streeft.MEPHISTOPHELES.Ik dank u, Heer! want met de doodenHeb ik nooit gaarne iets aangevangen;Het meest bevielen me altijd frissche, volle wangen;Voor al wat dood is ben ik niet te huis;Het gaat mij als het poesje met de muis.DE HEER.Nu, ’k wil hem aan u overlaten.Trek vrij dien geest van zijnen oorsprong af;Voer hem, zoo gij hem kunt bepraten,Op uwen weg meê in hetgraf,En sta beschaamd, als gij bekennen moet,Dat de edele ook op ’s levens kronkelpadenZich voor het struikelen behoedt!MEPHISTOPHELES.Ik zal mij hierop niet beraden,En ben ook voor die weddingschap niet bang.Wanneer ik eindelijk mijn doel heb mogen treffen,Veroorloof dan me een juichkreet aan te heffen.Stof eten zal hij al zijn leven lang,Gelijk mijn nicht, de alom beroemde slang![XLVI]DE HEER.Gij moogt ook daar u vrij vertoonen.’k Heb uws gelijken nooit gehaat:Van alle geesten, die door hun verzet mij honen,Deed mij de schalk altijd het minste kwaad.Des menschen werkzaamheid kan al te ligt verflauwen;Hij is het liefst van alle zorgen vrij:’k Voeg daarom graag hem een gezel ter zij,Die hem als duivel wakker weet te houên.Doch gijliên, de echte godentelgen,Blijft in het levend rijke schoone zwelgen!Het wordende, dat eeuwig werkt en leeft,Omvatte u met de liefde in al haar krachten,En wat als nevel u voor de oogen zweeft,Bevestig dat met blijvende gedachten.De hemel sluit; de aartsengelen gaan hunnen weg.MEPHISTOPHELESalleen.Van tijd tot tijd mag ik den Heer wel zien,En ’k wacht mij wel met hem te breken.Het is toch mooi van zulke groote liên,Ook met den duivel zelf zoo familjaar te spreken.[1]
DE HEER.DE HEMELSCHE HEERSCHAREN.NaderhandMEPHISTOPHELES.
De drie aartsengelen treden voor.
RAPHAËL.De zon doet weêr haar loflied hooren,In ’t koor der spheren als altijd;Haar baan voleindigt ze als te voren,Al donderende wijd en zijd.Haar glans, die grenzen kent noch perken,Vervult zelfs de englen met ontzag;Gods ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.
RAPHAËL.
De zon doet weêr haar loflied hooren,
In ’t koor der spheren als altijd;
Haar baan voleindigt ze als te voren,
Al donderende wijd en zijd.
Haar glans, die grenzen kent noch perken,
Vervult zelfs de englen met ontzag;
Gods ondoorgrondelijke werken
Zijn schoon, als op den eersten dag.
GABRIËL.En snel draait, in haar voorwaarts zweven,Zich de aarde rond met al haar pracht,Hier als door hemelgloed omgeven,En daar gehuld in diepen nacht.De zee drijft, onder schuimend klotsen,Gevaarten uit haar worteling,En verder rukken zee en rotsenIn eeuwig snelle wenteling.
GABRIËL.
En snel draait, in haar voorwaarts zweven,
Zich de aarde rond met al haar pracht,
Hier als door hemelgloed omgeven,
En daar gehuld in diepen nacht.
De zee drijft, onder schuimend klotsen,
Gevaarten uit haar worteling,
En verder rukken zee en rotsen
In eeuwig snelle wenteling.
[XLIII]
MICHAËL.En hevig bruisen storm op stormenVan zee naar land, van land naar zeên,Terwijl ze in ’t woên een keten vormenDer diepste wieling om zich heen.Daar vlamt de bliksem alvernielend;De donder volgt met majesteit:Maar wij vereeren, Heer, al knielendUwe almagt en uw heerlijkheid.
MICHAËL.
En hevig bruisen storm op stormen
Van zee naar land, van land naar zeên,
Terwijl ze in ’t woên een keten vormen
Der diepste wieling om zich heen.
Daar vlamt de bliksem alvernielend;
De donder volgt met majesteit:
Maar wij vereeren, Heer, al knielend
Uwe almagt en uw heerlijkheid.
TE ZAMEN.Uwe almagt, zonder paal noch perken,Vervult ook de englen met ontzag;Uwe ondoorgrondelijke werkenZijn schoon, als op den eersten dag.
TE ZAMEN.
Uwe almagt, zonder paal noch perken,
Vervult ook de englen met ontzag;
Uwe ondoorgrondelijke werken
Zijn schoon, als op den eersten dag.
MEPHISTOPHELES.Daar gij ons nu eens weder nadert, Heer,En vraagt hoe ’t zoo al gaat in deze tijden,Terwijl ge ook vroeger mij nog al mogt lijden,Zoo ziet gij me ook in dit gezelschap weêr.Maar ’k ben niet thuis in deftige gesprekken,En mooije woorden heb ik nooit gekend:Mijn pathos zou gewis den lachlust wekken,Al had men zich ook ’t lagchen afgewend.Naar hemelbollen moet men mij niet vragen;Ik zie alleen, hoe zich de menschen plagen.De kleine wereldgod blijft van den zelfden slagEn is zoo wonderlijk als op den eersten dag.Misschien zou hij een weinig beter leven,Hadt gij hem niet een glimp van ’t hemellicht gegeven;Hij noemt het Rede, om, onder dezen schijn,Nog dierlijker dan eenig dier te zijn.Hij heeft—wil ’t mij ten goede houên!—Veel van een sprinkhaan in landouwen,[XLIV]Die altijd vliegt en vliegend springt,En in het gras zijn oude liedje zingt;En bleef hij nu nog in het gras maar preêken,Maar overal wil hij zijn neus in steken.
MEPHISTOPHELES.
Daar gij ons nu eens weder nadert, Heer,
En vraagt hoe ’t zoo al gaat in deze tijden,
Terwijl ge ook vroeger mij nog al mogt lijden,
Zoo ziet gij me ook in dit gezelschap weêr.
Maar ’k ben niet thuis in deftige gesprekken,
En mooije woorden heb ik nooit gekend:
Mijn pathos zou gewis den lachlust wekken,
Al had men zich ook ’t lagchen afgewend.
Naar hemelbollen moet men mij niet vragen;
Ik zie alleen, hoe zich de menschen plagen.
De kleine wereldgod blijft van den zelfden slag
En is zoo wonderlijk als op den eersten dag.
Misschien zou hij een weinig beter leven,
Hadt gij hem niet een glimp van ’t hemellicht gegeven;
Hij noemt het Rede, om, onder dezen schijn,
Nog dierlijker dan eenig dier te zijn.
Hij heeft—wil ’t mij ten goede houên!—
Veel van een sprinkhaan in landouwen,[XLIV]
Die altijd vliegt en vliegend springt,
En in het gras zijn oude liedje zingt;
En bleef hij nu nog in het gras maar preêken,
Maar overal wil hij zijn neus in steken.
DE HEER.Hebt gij mij anders niets te vragen?Komt gij dan altijd bij mij klagen,En wordt van de aarde nooit iets goeds door u gezegd?
DE HEER.
Hebt gij mij anders niets te vragen?
Komt gij dan altijd bij mij klagen,
En wordt van de aarde nooit iets goeds door u gezegd?
MEPHISTOPHELES.O Heer, ik vind het daar, als altijd, bitter slecht.De menschen gaan me aan ’t hart in hunne jammerdagen;Ik mag die halzen zelfs niet meer nog plagen.
MEPHISTOPHELES.
O Heer, ik vind het daar, als altijd, bitter slecht.
De menschen gaan me aan ’t hart in hunne jammerdagen;
Ik mag die halzen zelfs niet meer nog plagen.
DE HEER.Zeg! kent gij Faust?
DE HEER.
Zeg! kent gij Faust?
MEPHISTOPHELES.Zeg! kent gij Faust?Den doctor?
MEPHISTOPHELES.
Zeg! kent gij Faust?Den doctor?
DE HEER.Zeg! kent gij Faust? Den doctor?Ja, mijn knecht.
DE HEER.
Zeg! kent gij Faust? Den doctor?Ja, mijn knecht.
MEPHISTOPHELES.Voorwaar, hij dient u op bijzondre wijze:Niet aardsch toch is zijn drank en spijze.Zijn gistend brein brengt hem aan ’t malen.Van zijne dolheid naauwlijks half bewust,Wil hij van ’t firmament de schoonste sterren halen,Van de aarde elk hoogst genot en lust;En waar zijn geest ook heen moog’ dwalen,Niets brengt zijn kloppend hart tot rust.
MEPHISTOPHELES.
Voorwaar, hij dient u op bijzondre wijze:
Niet aardsch toch is zijn drank en spijze.
Zijn gistend brein brengt hem aan ’t malen.
Van zijne dolheid naauwlijks half bewust,
Wil hij van ’t firmament de schoonste sterren halen,
Van de aarde elk hoogst genot en lust;
En waar zijn geest ook heen moog’ dwalen,
Niets brengt zijn kloppend hart tot rust.
DE HEER.Al dient hij me ook zoo als het mogt wel niet,’k Zal toch hem spoedig in de waarheid leiden:[XLV]De tuinman weet, als ’t spruitje knopjes schiet,Dat rijpe vruchten later hem verbeiden.
DE HEER.
Al dient hij me ook zoo als het mogt wel niet,
’k Zal toch hem spoedig in de waarheid leiden:[XLV]
De tuinman weet, als ’t spruitje knopjes schiet,
Dat rijpe vruchten later hem verbeiden.
MEPHISTOPHELES.Wat wedt ge, dat hij u zal wederstreven,Wanneer gij mij verlof wilt geven,Hem aan mijn hand te voeren door het levend?
MEPHISTOPHELES.
Wat wedt ge, dat hij u zal wederstreven,
Wanneer gij mij verlof wilt geven,
Hem aan mijn hand te voeren door het levend?
DE HEER.Zoo lang hij nog op aarde leeft,Zoo lang zij dat u niet verboden:De mensch toch doolt zoo lang hij streeft.
DE HEER.
Zoo lang hij nog op aarde leeft,
Zoo lang zij dat u niet verboden:
De mensch toch doolt zoo lang hij streeft.
MEPHISTOPHELES.Ik dank u, Heer! want met de doodenHeb ik nooit gaarne iets aangevangen;Het meest bevielen me altijd frissche, volle wangen;Voor al wat dood is ben ik niet te huis;Het gaat mij als het poesje met de muis.
MEPHISTOPHELES.
Ik dank u, Heer! want met de dooden
Heb ik nooit gaarne iets aangevangen;
Het meest bevielen me altijd frissche, volle wangen;
Voor al wat dood is ben ik niet te huis;
Het gaat mij als het poesje met de muis.
DE HEER.Nu, ’k wil hem aan u overlaten.Trek vrij dien geest van zijnen oorsprong af;Voer hem, zoo gij hem kunt bepraten,Op uwen weg meê in hetgraf,En sta beschaamd, als gij bekennen moet,Dat de edele ook op ’s levens kronkelpadenZich voor het struikelen behoedt!
DE HEER.
Nu, ’k wil hem aan u overlaten.
Trek vrij dien geest van zijnen oorsprong af;
Voer hem, zoo gij hem kunt bepraten,
Op uwen weg meê in hetgraf,
En sta beschaamd, als gij bekennen moet,
Dat de edele ook op ’s levens kronkelpaden
Zich voor het struikelen behoedt!
MEPHISTOPHELES.Ik zal mij hierop niet beraden,En ben ook voor die weddingschap niet bang.Wanneer ik eindelijk mijn doel heb mogen treffen,Veroorloof dan me een juichkreet aan te heffen.Stof eten zal hij al zijn leven lang,Gelijk mijn nicht, de alom beroemde slang!
MEPHISTOPHELES.
Ik zal mij hierop niet beraden,
En ben ook voor die weddingschap niet bang.
Wanneer ik eindelijk mijn doel heb mogen treffen,
Veroorloof dan me een juichkreet aan te heffen.
Stof eten zal hij al zijn leven lang,
Gelijk mijn nicht, de alom beroemde slang!
[XLVI]
DE HEER.Gij moogt ook daar u vrij vertoonen.’k Heb uws gelijken nooit gehaat:Van alle geesten, die door hun verzet mij honen,Deed mij de schalk altijd het minste kwaad.Des menschen werkzaamheid kan al te ligt verflauwen;Hij is het liefst van alle zorgen vrij:’k Voeg daarom graag hem een gezel ter zij,Die hem als duivel wakker weet te houên.Doch gijliên, de echte godentelgen,Blijft in het levend rijke schoone zwelgen!Het wordende, dat eeuwig werkt en leeft,Omvatte u met de liefde in al haar krachten,En wat als nevel u voor de oogen zweeft,Bevestig dat met blijvende gedachten.
DE HEER.
Gij moogt ook daar u vrij vertoonen.
’k Heb uws gelijken nooit gehaat:
Van alle geesten, die door hun verzet mij honen,
Deed mij de schalk altijd het minste kwaad.
Des menschen werkzaamheid kan al te ligt verflauwen;
Hij is het liefst van alle zorgen vrij:
’k Voeg daarom graag hem een gezel ter zij,
Die hem als duivel wakker weet te houên.
Doch gijliên, de echte godentelgen,
Blijft in het levend rijke schoone zwelgen!
Het wordende, dat eeuwig werkt en leeft,
Omvatte u met de liefde in al haar krachten,
En wat als nevel u voor de oogen zweeft,
Bevestig dat met blijvende gedachten.
De hemel sluit; de aartsengelen gaan hunnen weg.
MEPHISTOPHELESalleen.Van tijd tot tijd mag ik den Heer wel zien,En ’k wacht mij wel met hem te breken.Het is toch mooi van zulke groote liên,Ook met den duivel zelf zoo familjaar te spreken.
MEPHISTOPHELESalleen.
Van tijd tot tijd mag ik den Heer wel zien,
En ’k wacht mij wel met hem te breken.
Het is toch mooi van zulke groote liên,
Ook met den duivel zelf zoo familjaar te spreken.
[1]
[Inhoud]Eene hooggewelfde Gothische kamer. Het is nacht.Faustonrustig op zijnen stoel aan de schrijftafel.FAUST.’k Studeerde nu philosophie,Geneeskunde en juristerij,En ook, helaas, theologie;Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!Daar sta ik nu, ik brekebeen,En ben zoo wijs nog als voorheen!’k Heet meester, doctor, redenaar,En leid reeds in het tiende jaar,Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,Mijn jongren bij hun neuzen om—En zie toch dat wij niets beseffen.Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!Ik weet wel meer dan al die apen,Magisters, doctors, schrijvers, papen;Geen angst noch twijfel kan mij plagen,Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;Ik heb ’t geloof geheel verloren.Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leerenOm zich te beteren of te bekeeren;Ook heb ik goed noch geld bespaardEn eer noch roem mij opgegaard.Maar langer zou geen hond zoo willen leven;’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:Ligt worden mij door hare kracht[2]Geheimen aan het licht gebragt,Waardoor ’k niet meer in angst en zweetMoet zeggen wat ik zelf niet weet;Welligt wordt mij dan toevertrouwdWat heel de wereld zamenhoudt,Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,En woordgezift aan andren overlaat.O, zaagt gij, vriendelijke maan,Voor ’t laatst het harteleed eens aan,Waarmeê ’k zoo menig winternachtIn dit vertrek heb doorgebragt,Gij waart voorzeker aan mijn zij,Ook zonder al die schrijverij!Mogt van een bergtop mijn gezigtZich spieglen in uw helder licht!O, mogt ik ginds met geesten leven,Op velden in uw schijnsel zweven,En, niet door boekenstof beladen,In uwe frissche dauw mij baden!Maar—’k steek nog in den kerker, datVervloekt en vunzig, muffend gat,Waar zelfs het lieve hemellichtZich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!Benaauwd door dezen boekenlast,Met rook en vuil en stof bedekt,Die, tot de zoldring opgetast,Tot spijs van mot en worm verstrekt;Met flesschen, potten om mij heen,Met instrumenten volgepropt,Grootvaders pruik er in gestopt—Dat is uw wereld—anders geen!En vraagt gij nog, waarom uw hartZich bang in uwen boezem klemt?[3]Waarom eene onverklaarbre smartDen bloedloop in uwe adren stremt?In plaats van ’t leven der natuur,Waarvoor de Heer den stervling schiep,Omringt ge u door een beendrenmuur;In rook en walm verzinkt gij diep.O vlugt! Ruk af dien slavenband!En hier, dit boek, dees gouden mijn,Van Nostrodamus’ eigen hand,Laat dit u tot geleider zijn!Erken daarin der sterren loop;En als natuur u onderwijst,Ontwaakt de zielskracht en de hoop,Gelijk een geest den andren spijst.O ja! De diepste duisterheênVerklaren deze teekens u.Gij zweeft, o geesten, om mij heen:Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!Hij slaat het boek open, en ontdekt het Makrokosmus-teeken.O, welk een weelde heeft bij dit gezigtOp eenmaal al mijn zinnen ingenomen!Ik voel een jong, een heilig levenslichtGelijk een vuurgloed door mijne adren stroomen.Was het een God, die deze teekens schreef,Die thans mijn weetlust stillen zullen,Het arme hart met vreugd vervullen,En met een drift, die steeds mij dreef,De krachten der natuur me onthullen?Benikeen God? Het floers verbleekt;Ik zie in deze reine trekkenWat bovenzinlijk is zich voor mijn oog ontdekken.Thans eerst besef ik wat de wijze spreekt:“Het geestenrijk is niet gesloten;[4]“Uw zin is weg, uw hart is dood.“Op, kweekeling! baad onverdroten“Uw aardsche borst in ’t morgenrood!”Hij beziet het teeken.Hoe alles zich hier zamenweeft,Het eene in ’t andre werkt en leeft!Hoe hemelkrachten op en neder zweven,Elkaâr de gouden emmers geven,En onder ’t Hallelujah zingenVan boven door deze aarde dringen,Harmonisch ’t wereldruim omringen!Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,Waarnaar het dorstend hart verlangt?Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!Hij slaat misnoegd eenige bladeren om, en ontwaart het teeken van den Aardgeest.Hoe anders treft dit teeken mijn gemoed!Gij, geest der aarde, zijt mij nader;’k Voel reeds mijn krachten al te gader,En mij doordringt een frissche gloed.’k Voel sterkte om in de wereld mij te wagen,Het leed der aarde en haar geluk te dragen,Het hoofd te biên aan storm en onweêrsvlagen,Niet bij orkaan of schipbreuk te vertsagen.…Een floers benevelt mijn gezigt.…De maan verbergt haar licht.…De lamp verdwijnt;Een damp verschijnt;Een ijskoude adem daalt van dit gewelf.…O, spaar mij verdre smart![5]Ik voel ’t, gij zweeft om mij, bezworen geest, gij zelf!Ontsluijer u! niet lang gemard!Ha! Hoe, hoe dringt het mij in ’t hart,Tot nieuw en blij gevoelenMijn zinnen komt doorwoelen!’k Gevoel geheel mijn hart u overgeven;Gij moet, gij moet, al kostte ’t mij het leven!Hij neemt het boek, en spreekt het teeken van den Geest geheimvol uit. Eene roodachtige vlam flikkert.De Geestverschijnt in de vlam.GEEST.Wie roept me?FAUST,afgewend.Wie roept me?O, wat mijn oog daar ziet!GEEST.Uw roepstem heeft mij hier doen komenEn uit mijn spheer mij weggenomen,En nu—FAUST.En nu—Wee, ik verdraag u niet!GEEST.Gij ademt weêr, nu gij mij kunt aanschouwen,Mijn stem kunt hooren, mijn gelaat kunt zien:Wel nu, kan ik mijn hulp u biên—Hier ben ik! Welk erbarmelijk mistrouwenGrijpt thans u aan! Waar is de wil, die hier mij riep?Waar is de borst, die zich een wereld schiep,Haar koesterde, haar droeg, en, onervaren,Zich inbeeldde ons, de geesten, te evenaren?Waar zijt ge, Faust, wiens stem ik straks vernam?[6]Die wilde dat ik bij hem kwam?Zijt gij het, die, door mijnen aâm omgeven,Aan al uw leden schijnt te beven,—Een worm, die wegkruipt in het stof?FAUST.Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?Ik ben het, Faust, ik—uws gelijken!GEEST.In ’s levens stroom, in huis en hof,Zweef ik op en neêr,Zweef ik heen en weêr!Geluk en wee,Eene eeuwge zee,Een wislend weven,Een gloeijend leven,—’k Werk zoo aan den snorrenden weefstoel altijd,En lever het kleed aan de godheid gewijd.FAUST.Gij, die het wereldruim doorzweeft,O geest, hoe na gevoel ik me aan uw zij!GEEST.Een geest der aarde, waar ge op leeft,Gelijkt ge, maar niet mij!Verdwijnt.FAUST,in zijn stoel nedervallende.Hoe nu?Niet u?Ik, evenbeeld der godheid,En niet eens u?Er wordt geklopt.O ramp, wat hoor ik! Wie is daar?[7]Nu gaat mijn schoonst geluk te gronde!Voor ’t proza wijkt mijn heil dees stonde.Ik ken dien klop: ’t Is onze Wagenaar!Wagenaar,in een nachtjapon, met eene slaapmuts op en eene keukenlamp in de hand. Faust keert hem misnoegd den rug toe.WAGENAAR.Verschoon me; ik hoorde u declameeren;’t Is vast een treurspel, dat ge in handen hadt.’k Zou van die kunst ook wel iets willen leeren;Want tegenwoordig wil men dat.Men zegt zelfs, dat de geestelijke heerenVan een komediant nog kunnen profiteeren.FAUST.Ja, als de geestlijke een komediant is,Zoo als dat soms wel eens gebeurt.WAGENAAR.O, als men in zijn vak niet bij de hand is,En van de wereld weinig maar bespeurt,Of op haar door een kijker slechts mag turen—Hoe kan men haar dan door verstand besturen!FAUST.Gevoelt gij ’t niet, gij zult het niet beseffen,Wanneer ’t niet uit de ziel ontspringt,En met een overstelpend treffenIn ’t hart van uwe hoorders dringt.Blijf aan uw schrijfcel maar geklonken;Maak daar ragout en andre morserij,En blaas de jammerlijkste vonkenUit uwe potjesbakkerij!U wacht bewondering van apen en hun vrinden,Zijt gij misschien daarmeê gebaat;[8]Maar nimmer zult gij hart aan hart verbinden,Indien ’t u niet van harte gaat.WAGENAAR.Met voor te dragen maakt men meestal een begin;Ik voel dit wel, maar ’t wil er nog niet in.FAUST.Hoor! Volg in eenvoud steeds uw pad,En wees geen nar met bellen aan;Hij toch bezit den grootsten schat,Die nedrig op zichzelf kan staan.En is ’t u ernst eens meê te spreken,Waartoe naar woorden dan gekeken?Veel woorden, vaak om keurigheid bemind,En zoo het heet met geestigheid dooraderd,Zijn, wel beschouwd, gelijk de dwarrelwind,Die in den herfst giert door het dor gebladert.WAGENAAR.Helaas! De kunst is lang,En kort slechts is ons leven.Ik word, bij al mijn trachten en mijn streven,Toch in mijn hart en nieren bang.Hoe zwaar zijn niet de middlen te verwerven,Waardoor men tot de bron geraakt!En eer men nog ten halven weg genaakt,Moet wel een arme duivel sterven.FAUST.Is boekenstof de bron van heil en zegen,Waaruit een dronk u laafnis schenkt?Verkwikking hebt gij niet verkregen,Zoo die uw eigen ziel niet brengt.[9]WAGENAAR.Vergeef! Het is een groot genoegen,Zich in den geest der eeuw te voegen,Te zien hoe eens een wijze heeft gedacht,En zijn idée door ons dan verder wordt gebragt.FAUST.O ja, tot aan der sterren trans!Mijn vriend, de tijden van ’t verleedne althansZij zijn een boek voor u en mij gesloten:Wat als den geest der eeuw vaak wordt gevreesd,Is, wel beschouwd, des menschen eigen geest,Maar niet door God hem ingegoten.Nu schreeuwt en tiert men als bezeten,En kiest op stel en sprong het hazenpad;Voor ontuig wordt deze eeuwgeest uitgekreten,Waarbij ’t geluk zijn einde heeft gehad.Dit alles klinkt heel stichtlijk in onze ooren;Men kan het van Jan Klaassen ook zoo hooren.WAGENAAR.Maar zie—de wereld, wat de mensch al smeedt,Daarvan kan ieder toch wel iets beseffen.FAUST.Ja, wat men zoo beseffen heet;Wie durft den spijker op den kop steeds treffen?De weinigen, geloof me, in ieder land,Die, dwaas genoeg, zich daarvoor niet bewaarden,Maar hun gevoel ’t gepeupel openbaarden,Die heeft men steeds gekruisigd of verbrand.—Maar, vriend! het is vrij laat reeds in den nacht;Wij moeten nu elkaâr verlaten.[10]WAGENAAR.Ik had dit waarlijk niet gedacht;Ik zou bij u nog wel wat willen praten.Maar morgen is het Paasch, dan kom ik weêr,Als gij ’t niet kwalijk neemt, mijnheer!’k Was altijd op de studie als bezeten;’k Weet veel reeds, maar zou gaarne meer nog weten.Vertrekt.FAUST,alleen.Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,Die altijd zich aan flaauwheid laaft,Met gierge hand naar schatten graaft,En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,Dat ik het als een dwerg genaakte.Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije krachtVermat door de adren der natuur te vlietenEn ’t leven als de Goden te genieten—Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,[11]Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;U hier te houden, stond niet in mijn magt.Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;Maar, wreede! gij zijt heengetogen,En laat mij met mijn lot alleen!Wat staat mij nu te doen, te mijden?Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,Zij stremmen onzes levens gang!Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,Dan heet dit zelfbedrog en waan.Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,Verstijft in aardsche jammer en gewoel.Terwijl verbeelding met een stoute vaartEn vol van hope de eeuwigheid gaat meten,Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,En vestigt daar geheime smart;Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,Als vuur, als water, gift of dolk,Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,Den worm, die in het stof zich laaft,En dien de tred des wandelaars begraaft.[12]Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wandenUit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?De prullekraam, die met zijn duizend bandenMe in deze mottenwereld d’ adem stremt?Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?Moet ik misschien in duizend boeken lezen,Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,Met rad en kammen, wals en bendel;’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,Dan hier des nachts te zweeten en te waken;Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,Ontvangt men om er van gebruik te maken.Wat ons niet dient, dat is een zware last;Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?[13]Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,Extract van alle doodelijke krachten,Bewijs uw meester nu uw gunst!Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;De springvloed van den geest begint terug te gaan;Ik voel mij in de volle zee verwezen;Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.Een vuurge wagen komt mij nader zweven,O zie! en ’k voel mijn geest bereid,Op nieuwe baan den aether door te strevenTot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.Dit hooger leven, dat een godheid baarde,Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aardeDen rug vol moed en vastberaden toe!Vermeet u stout de poorten in te dringen,Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;Hier is het tijd om naar den roem te dingen,Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—Niet voor die donkre holen te vertsagen,Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,En stout in ’t onbekende u te begeven.Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:[14]Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,Herinnert mij aan menig blijden nacht.’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:Hier is een sap van bovenaardsche kracht.Een donker vocht zal ’k in u gieten;Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;Dees laatste dronk zij nu met blij genietenAan ’t hooge feest van morgen toegebragt!Hij zet de drinkschaal aan den mond.Klokkenspel en Koorgezang.KOOR VAN ENGELEN.Hij is verrezen!Juich nu, o sterveling,Die het verderf ontving,En wien beangstigingKwelde voordezen!FAUST.Wat diepe toonen treffen daar mijne ooren,En rukken met geweld de schaal mij van den mond?Laat plegtig klokgelui op dezen stondReeds d’ aanvang van het Paaschfeest hooren?Is ’t weêrklank van uw lied, o hemelkoren,Dat luid verkondde dat de Heiland was geboren?[15]KOOR VAN VROUWEN.Wij, droeve vrouwen,Daalden vol smart hier af;Wij, zijn getrouwen,Legden hem neêr in ’t graf.Balsemen, winden,’t Is al door ons geschied:Maar ach, wij vindenChristus hier niet!KOOR DER ENGELEN.Hij is verrezen!Zalig de sterveling,Die na een loutering,Als hij van God ontving,Nu is genezen!FAUST.Wat zoekt gij, die daarboven zweeft,Mij in het stof, o hemeltoonen?O klinkt daar, waar men menschen heeft,In wie ’t geloof altijd mogt wonen!Het wonder is steeds aan ’t geloof verkleefd;Maar ’k zal mij in de spheren niet begeven,Waaruit het englenkoor de blijde boodschap zendt.En toch—van kindsbeen af aan dezen klank gewend,Roept hij ook nu mij weêr terug in ’t leven!Voorheen, o ja, ontving ik van omhoogEen hemelkus bij plegtig sabbathvieren;’t Was een gebed, dat mij aan de aarde onttoog.Een onbeschrijfelijk verlangenDreef mij door bosch en velden rond,En met de tranen op de wangenGevoelde ik hoe een wereld in me ontstond.Dit lied herinnert mij mijn kinderjaren,[16]Herinnert mij mijn lentetijd,En houdt mij nu terug, daar ’k op mijn jeugd blijf staren,Van dezen laatsten worstelstrijd.O, klinkt vrij voort, gij liedren zacht en teeder!De traan ontwelt me; de aarde heeft mij weder!KOOR VAN JONGEREN.Heeft die den dood verwonReeds in dit leven,Heeft onze gloriezonOns reeds begeven?Is hij hierboven alHemelsche vreugd nabij?Ach, in dit aardsche dalIs ’t woestenij!Liet hij de zijnenHier onder zorg en druk?Ach, wij verkwijnenBij zijn geluk!KOOR DER ENGELEN.Licht werd het duister:Christus verliet het graf!Mensch, werp den kluisterBlij van u af!Gij, die hem prijzen wilt,Liefde bewijzen wilt,Broederen spijzen wiltEn onderwijzen wilt,U is de Heer nabij;Hij ’s aan uw zij![17]
Eene hooggewelfde Gothische kamer. Het is nacht.Faustonrustig op zijnen stoel aan de schrijftafel.FAUST.’k Studeerde nu philosophie,Geneeskunde en juristerij,En ook, helaas, theologie;Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!Daar sta ik nu, ik brekebeen,En ben zoo wijs nog als voorheen!’k Heet meester, doctor, redenaar,En leid reeds in het tiende jaar,Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,Mijn jongren bij hun neuzen om—En zie toch dat wij niets beseffen.Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!Ik weet wel meer dan al die apen,Magisters, doctors, schrijvers, papen;Geen angst noch twijfel kan mij plagen,Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;Ik heb ’t geloof geheel verloren.Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leerenOm zich te beteren of te bekeeren;Ook heb ik goed noch geld bespaardEn eer noch roem mij opgegaard.Maar langer zou geen hond zoo willen leven;’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:Ligt worden mij door hare kracht[2]Geheimen aan het licht gebragt,Waardoor ’k niet meer in angst en zweetMoet zeggen wat ik zelf niet weet;Welligt wordt mij dan toevertrouwdWat heel de wereld zamenhoudt,Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,En woordgezift aan andren overlaat.O, zaagt gij, vriendelijke maan,Voor ’t laatst het harteleed eens aan,Waarmeê ’k zoo menig winternachtIn dit vertrek heb doorgebragt,Gij waart voorzeker aan mijn zij,Ook zonder al die schrijverij!Mogt van een bergtop mijn gezigtZich spieglen in uw helder licht!O, mogt ik ginds met geesten leven,Op velden in uw schijnsel zweven,En, niet door boekenstof beladen,In uwe frissche dauw mij baden!Maar—’k steek nog in den kerker, datVervloekt en vunzig, muffend gat,Waar zelfs het lieve hemellichtZich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!Benaauwd door dezen boekenlast,Met rook en vuil en stof bedekt,Die, tot de zoldring opgetast,Tot spijs van mot en worm verstrekt;Met flesschen, potten om mij heen,Met instrumenten volgepropt,Grootvaders pruik er in gestopt—Dat is uw wereld—anders geen!En vraagt gij nog, waarom uw hartZich bang in uwen boezem klemt?[3]Waarom eene onverklaarbre smartDen bloedloop in uwe adren stremt?In plaats van ’t leven der natuur,Waarvoor de Heer den stervling schiep,Omringt ge u door een beendrenmuur;In rook en walm verzinkt gij diep.O vlugt! Ruk af dien slavenband!En hier, dit boek, dees gouden mijn,Van Nostrodamus’ eigen hand,Laat dit u tot geleider zijn!Erken daarin der sterren loop;En als natuur u onderwijst,Ontwaakt de zielskracht en de hoop,Gelijk een geest den andren spijst.O ja! De diepste duisterheênVerklaren deze teekens u.Gij zweeft, o geesten, om mij heen:Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!Hij slaat het boek open, en ontdekt het Makrokosmus-teeken.O, welk een weelde heeft bij dit gezigtOp eenmaal al mijn zinnen ingenomen!Ik voel een jong, een heilig levenslichtGelijk een vuurgloed door mijne adren stroomen.Was het een God, die deze teekens schreef,Die thans mijn weetlust stillen zullen,Het arme hart met vreugd vervullen,En met een drift, die steeds mij dreef,De krachten der natuur me onthullen?Benikeen God? Het floers verbleekt;Ik zie in deze reine trekkenWat bovenzinlijk is zich voor mijn oog ontdekken.Thans eerst besef ik wat de wijze spreekt:“Het geestenrijk is niet gesloten;[4]“Uw zin is weg, uw hart is dood.“Op, kweekeling! baad onverdroten“Uw aardsche borst in ’t morgenrood!”Hij beziet het teeken.Hoe alles zich hier zamenweeft,Het eene in ’t andre werkt en leeft!Hoe hemelkrachten op en neder zweven,Elkaâr de gouden emmers geven,En onder ’t Hallelujah zingenVan boven door deze aarde dringen,Harmonisch ’t wereldruim omringen!Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,Waarnaar het dorstend hart verlangt?Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!Hij slaat misnoegd eenige bladeren om, en ontwaart het teeken van den Aardgeest.Hoe anders treft dit teeken mijn gemoed!Gij, geest der aarde, zijt mij nader;’k Voel reeds mijn krachten al te gader,En mij doordringt een frissche gloed.’k Voel sterkte om in de wereld mij te wagen,Het leed der aarde en haar geluk te dragen,Het hoofd te biên aan storm en onweêrsvlagen,Niet bij orkaan of schipbreuk te vertsagen.…Een floers benevelt mijn gezigt.…De maan verbergt haar licht.…De lamp verdwijnt;Een damp verschijnt;Een ijskoude adem daalt van dit gewelf.…O, spaar mij verdre smart![5]Ik voel ’t, gij zweeft om mij, bezworen geest, gij zelf!Ontsluijer u! niet lang gemard!Ha! Hoe, hoe dringt het mij in ’t hart,Tot nieuw en blij gevoelenMijn zinnen komt doorwoelen!’k Gevoel geheel mijn hart u overgeven;Gij moet, gij moet, al kostte ’t mij het leven!Hij neemt het boek, en spreekt het teeken van den Geest geheimvol uit. Eene roodachtige vlam flikkert.De Geestverschijnt in de vlam.GEEST.Wie roept me?FAUST,afgewend.Wie roept me?O, wat mijn oog daar ziet!GEEST.Uw roepstem heeft mij hier doen komenEn uit mijn spheer mij weggenomen,En nu—FAUST.En nu—Wee, ik verdraag u niet!GEEST.Gij ademt weêr, nu gij mij kunt aanschouwen,Mijn stem kunt hooren, mijn gelaat kunt zien:Wel nu, kan ik mijn hulp u biên—Hier ben ik! Welk erbarmelijk mistrouwenGrijpt thans u aan! Waar is de wil, die hier mij riep?Waar is de borst, die zich een wereld schiep,Haar koesterde, haar droeg, en, onervaren,Zich inbeeldde ons, de geesten, te evenaren?Waar zijt ge, Faust, wiens stem ik straks vernam?[6]Die wilde dat ik bij hem kwam?Zijt gij het, die, door mijnen aâm omgeven,Aan al uw leden schijnt te beven,—Een worm, die wegkruipt in het stof?FAUST.Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?Ik ben het, Faust, ik—uws gelijken!GEEST.In ’s levens stroom, in huis en hof,Zweef ik op en neêr,Zweef ik heen en weêr!Geluk en wee,Eene eeuwge zee,Een wislend weven,Een gloeijend leven,—’k Werk zoo aan den snorrenden weefstoel altijd,En lever het kleed aan de godheid gewijd.FAUST.Gij, die het wereldruim doorzweeft,O geest, hoe na gevoel ik me aan uw zij!GEEST.Een geest der aarde, waar ge op leeft,Gelijkt ge, maar niet mij!Verdwijnt.FAUST,in zijn stoel nedervallende.Hoe nu?Niet u?Ik, evenbeeld der godheid,En niet eens u?Er wordt geklopt.O ramp, wat hoor ik! Wie is daar?[7]Nu gaat mijn schoonst geluk te gronde!Voor ’t proza wijkt mijn heil dees stonde.Ik ken dien klop: ’t Is onze Wagenaar!Wagenaar,in een nachtjapon, met eene slaapmuts op en eene keukenlamp in de hand. Faust keert hem misnoegd den rug toe.WAGENAAR.Verschoon me; ik hoorde u declameeren;’t Is vast een treurspel, dat ge in handen hadt.’k Zou van die kunst ook wel iets willen leeren;Want tegenwoordig wil men dat.Men zegt zelfs, dat de geestelijke heerenVan een komediant nog kunnen profiteeren.FAUST.Ja, als de geestlijke een komediant is,Zoo als dat soms wel eens gebeurt.WAGENAAR.O, als men in zijn vak niet bij de hand is,En van de wereld weinig maar bespeurt,Of op haar door een kijker slechts mag turen—Hoe kan men haar dan door verstand besturen!FAUST.Gevoelt gij ’t niet, gij zult het niet beseffen,Wanneer ’t niet uit de ziel ontspringt,En met een overstelpend treffenIn ’t hart van uwe hoorders dringt.Blijf aan uw schrijfcel maar geklonken;Maak daar ragout en andre morserij,En blaas de jammerlijkste vonkenUit uwe potjesbakkerij!U wacht bewondering van apen en hun vrinden,Zijt gij misschien daarmeê gebaat;[8]Maar nimmer zult gij hart aan hart verbinden,Indien ’t u niet van harte gaat.WAGENAAR.Met voor te dragen maakt men meestal een begin;Ik voel dit wel, maar ’t wil er nog niet in.FAUST.Hoor! Volg in eenvoud steeds uw pad,En wees geen nar met bellen aan;Hij toch bezit den grootsten schat,Die nedrig op zichzelf kan staan.En is ’t u ernst eens meê te spreken,Waartoe naar woorden dan gekeken?Veel woorden, vaak om keurigheid bemind,En zoo het heet met geestigheid dooraderd,Zijn, wel beschouwd, gelijk de dwarrelwind,Die in den herfst giert door het dor gebladert.WAGENAAR.Helaas! De kunst is lang,En kort slechts is ons leven.Ik word, bij al mijn trachten en mijn streven,Toch in mijn hart en nieren bang.Hoe zwaar zijn niet de middlen te verwerven,Waardoor men tot de bron geraakt!En eer men nog ten halven weg genaakt,Moet wel een arme duivel sterven.FAUST.Is boekenstof de bron van heil en zegen,Waaruit een dronk u laafnis schenkt?Verkwikking hebt gij niet verkregen,Zoo die uw eigen ziel niet brengt.[9]WAGENAAR.Vergeef! Het is een groot genoegen,Zich in den geest der eeuw te voegen,Te zien hoe eens een wijze heeft gedacht,En zijn idée door ons dan verder wordt gebragt.FAUST.O ja, tot aan der sterren trans!Mijn vriend, de tijden van ’t verleedne althansZij zijn een boek voor u en mij gesloten:Wat als den geest der eeuw vaak wordt gevreesd,Is, wel beschouwd, des menschen eigen geest,Maar niet door God hem ingegoten.Nu schreeuwt en tiert men als bezeten,En kiest op stel en sprong het hazenpad;Voor ontuig wordt deze eeuwgeest uitgekreten,Waarbij ’t geluk zijn einde heeft gehad.Dit alles klinkt heel stichtlijk in onze ooren;Men kan het van Jan Klaassen ook zoo hooren.WAGENAAR.Maar zie—de wereld, wat de mensch al smeedt,Daarvan kan ieder toch wel iets beseffen.FAUST.Ja, wat men zoo beseffen heet;Wie durft den spijker op den kop steeds treffen?De weinigen, geloof me, in ieder land,Die, dwaas genoeg, zich daarvoor niet bewaarden,Maar hun gevoel ’t gepeupel openbaarden,Die heeft men steeds gekruisigd of verbrand.—Maar, vriend! het is vrij laat reeds in den nacht;Wij moeten nu elkaâr verlaten.[10]WAGENAAR.Ik had dit waarlijk niet gedacht;Ik zou bij u nog wel wat willen praten.Maar morgen is het Paasch, dan kom ik weêr,Als gij ’t niet kwalijk neemt, mijnheer!’k Was altijd op de studie als bezeten;’k Weet veel reeds, maar zou gaarne meer nog weten.Vertrekt.FAUST,alleen.Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,Die altijd zich aan flaauwheid laaft,Met gierge hand naar schatten graaft,En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,Dat ik het als een dwerg genaakte.Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije krachtVermat door de adren der natuur te vlietenEn ’t leven als de Goden te genieten—Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,[11]Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;U hier te houden, stond niet in mijn magt.Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;Maar, wreede! gij zijt heengetogen,En laat mij met mijn lot alleen!Wat staat mij nu te doen, te mijden?Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,Zij stremmen onzes levens gang!Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,Dan heet dit zelfbedrog en waan.Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,Verstijft in aardsche jammer en gewoel.Terwijl verbeelding met een stoute vaartEn vol van hope de eeuwigheid gaat meten,Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,En vestigt daar geheime smart;Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,Als vuur, als water, gift of dolk,Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,Den worm, die in het stof zich laaft,En dien de tred des wandelaars begraaft.[12]Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wandenUit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?De prullekraam, die met zijn duizend bandenMe in deze mottenwereld d’ adem stremt?Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?Moet ik misschien in duizend boeken lezen,Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,Met rad en kammen, wals en bendel;’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,Dan hier des nachts te zweeten en te waken;Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,Ontvangt men om er van gebruik te maken.Wat ons niet dient, dat is een zware last;Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?[13]Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,Extract van alle doodelijke krachten,Bewijs uw meester nu uw gunst!Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;De springvloed van den geest begint terug te gaan;Ik voel mij in de volle zee verwezen;Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.Een vuurge wagen komt mij nader zweven,O zie! en ’k voel mijn geest bereid,Op nieuwe baan den aether door te strevenTot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.Dit hooger leven, dat een godheid baarde,Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aardeDen rug vol moed en vastberaden toe!Vermeet u stout de poorten in te dringen,Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;Hier is het tijd om naar den roem te dingen,Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—Niet voor die donkre holen te vertsagen,Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,En stout in ’t onbekende u te begeven.Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:[14]Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,Herinnert mij aan menig blijden nacht.’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:Hier is een sap van bovenaardsche kracht.Een donker vocht zal ’k in u gieten;Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;Dees laatste dronk zij nu met blij genietenAan ’t hooge feest van morgen toegebragt!Hij zet de drinkschaal aan den mond.Klokkenspel en Koorgezang.KOOR VAN ENGELEN.Hij is verrezen!Juich nu, o sterveling,Die het verderf ontving,En wien beangstigingKwelde voordezen!FAUST.Wat diepe toonen treffen daar mijne ooren,En rukken met geweld de schaal mij van den mond?Laat plegtig klokgelui op dezen stondReeds d’ aanvang van het Paaschfeest hooren?Is ’t weêrklank van uw lied, o hemelkoren,Dat luid verkondde dat de Heiland was geboren?[15]KOOR VAN VROUWEN.Wij, droeve vrouwen,Daalden vol smart hier af;Wij, zijn getrouwen,Legden hem neêr in ’t graf.Balsemen, winden,’t Is al door ons geschied:Maar ach, wij vindenChristus hier niet!KOOR DER ENGELEN.Hij is verrezen!Zalig de sterveling,Die na een loutering,Als hij van God ontving,Nu is genezen!FAUST.Wat zoekt gij, die daarboven zweeft,Mij in het stof, o hemeltoonen?O klinkt daar, waar men menschen heeft,In wie ’t geloof altijd mogt wonen!Het wonder is steeds aan ’t geloof verkleefd;Maar ’k zal mij in de spheren niet begeven,Waaruit het englenkoor de blijde boodschap zendt.En toch—van kindsbeen af aan dezen klank gewend,Roept hij ook nu mij weêr terug in ’t leven!Voorheen, o ja, ontving ik van omhoogEen hemelkus bij plegtig sabbathvieren;’t Was een gebed, dat mij aan de aarde onttoog.Een onbeschrijfelijk verlangenDreef mij door bosch en velden rond,En met de tranen op de wangenGevoelde ik hoe een wereld in me ontstond.Dit lied herinnert mij mijn kinderjaren,[16]Herinnert mij mijn lentetijd,En houdt mij nu terug, daar ’k op mijn jeugd blijf staren,Van dezen laatsten worstelstrijd.O, klinkt vrij voort, gij liedren zacht en teeder!De traan ontwelt me; de aarde heeft mij weder!KOOR VAN JONGEREN.Heeft die den dood verwonReeds in dit leven,Heeft onze gloriezonOns reeds begeven?Is hij hierboven alHemelsche vreugd nabij?Ach, in dit aardsche dalIs ’t woestenij!Liet hij de zijnenHier onder zorg en druk?Ach, wij verkwijnenBij zijn geluk!KOOR DER ENGELEN.Licht werd het duister:Christus verliet het graf!Mensch, werp den kluisterBlij van u af!Gij, die hem prijzen wilt,Liefde bewijzen wilt,Broederen spijzen wiltEn onderwijzen wilt,U is de Heer nabij;Hij ’s aan uw zij![17]
Eene hooggewelfde Gothische kamer. Het is nacht.
Faustonrustig op zijnen stoel aan de schrijftafel.
FAUST.’k Studeerde nu philosophie,Geneeskunde en juristerij,En ook, helaas, theologie;Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!Daar sta ik nu, ik brekebeen,En ben zoo wijs nog als voorheen!’k Heet meester, doctor, redenaar,En leid reeds in het tiende jaar,Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,Mijn jongren bij hun neuzen om—En zie toch dat wij niets beseffen.Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!Ik weet wel meer dan al die apen,Magisters, doctors, schrijvers, papen;Geen angst noch twijfel kan mij plagen,Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;Ik heb ’t geloof geheel verloren.Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leerenOm zich te beteren of te bekeeren;Ook heb ik goed noch geld bespaardEn eer noch roem mij opgegaard.Maar langer zou geen hond zoo willen leven;’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:Ligt worden mij door hare kracht[2]Geheimen aan het licht gebragt,Waardoor ’k niet meer in angst en zweetMoet zeggen wat ik zelf niet weet;Welligt wordt mij dan toevertrouwdWat heel de wereld zamenhoudt,Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,En woordgezift aan andren overlaat.O, zaagt gij, vriendelijke maan,Voor ’t laatst het harteleed eens aan,Waarmeê ’k zoo menig winternachtIn dit vertrek heb doorgebragt,Gij waart voorzeker aan mijn zij,Ook zonder al die schrijverij!Mogt van een bergtop mijn gezigtZich spieglen in uw helder licht!O, mogt ik ginds met geesten leven,Op velden in uw schijnsel zweven,En, niet door boekenstof beladen,In uwe frissche dauw mij baden!Maar—’k steek nog in den kerker, datVervloekt en vunzig, muffend gat,Waar zelfs het lieve hemellichtZich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!Benaauwd door dezen boekenlast,Met rook en vuil en stof bedekt,Die, tot de zoldring opgetast,Tot spijs van mot en worm verstrekt;Met flesschen, potten om mij heen,Met instrumenten volgepropt,Grootvaders pruik er in gestopt—Dat is uw wereld—anders geen!En vraagt gij nog, waarom uw hartZich bang in uwen boezem klemt?[3]Waarom eene onverklaarbre smartDen bloedloop in uwe adren stremt?In plaats van ’t leven der natuur,Waarvoor de Heer den stervling schiep,Omringt ge u door een beendrenmuur;In rook en walm verzinkt gij diep.O vlugt! Ruk af dien slavenband!En hier, dit boek, dees gouden mijn,Van Nostrodamus’ eigen hand,Laat dit u tot geleider zijn!Erken daarin der sterren loop;En als natuur u onderwijst,Ontwaakt de zielskracht en de hoop,Gelijk een geest den andren spijst.O ja! De diepste duisterheênVerklaren deze teekens u.Gij zweeft, o geesten, om mij heen:Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!
FAUST.
’k Studeerde nu philosophie,Geneeskunde en juristerij,En ook, helaas, theologie;Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!Daar sta ik nu, ik brekebeen,En ben zoo wijs nog als voorheen!’k Heet meester, doctor, redenaar,En leid reeds in het tiende jaar,Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,Mijn jongren bij hun neuzen om—En zie toch dat wij niets beseffen.Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!Ik weet wel meer dan al die apen,Magisters, doctors, schrijvers, papen;Geen angst noch twijfel kan mij plagen,Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;Ik heb ’t geloof geheel verloren.Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leerenOm zich te beteren of te bekeeren;Ook heb ik goed noch geld bespaardEn eer noch roem mij opgegaard.Maar langer zou geen hond zoo willen leven;’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:Ligt worden mij door hare kracht[2]Geheimen aan het licht gebragt,Waardoor ’k niet meer in angst en zweetMoet zeggen wat ik zelf niet weet;Welligt wordt mij dan toevertrouwdWat heel de wereld zamenhoudt,Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,En woordgezift aan andren overlaat.
’k Studeerde nu philosophie,
Geneeskunde en juristerij,
En ook, helaas, theologie;
Ik zweette er van, zoo ’k gul belij!
Daar sta ik nu, ik brekebeen,
En ben zoo wijs nog als voorheen!
’k Heet meester, doctor, redenaar,
En leid reeds in het tiende jaar,
Nu op, dan neêr, nu dwars, dan krom,
Mijn jongren bij hun neuzen om—
En zie toch dat wij niets beseffen.
Dit kan mij vaak in ’t harte treffen!
Ik weet wel meer dan al die apen,
Magisters, doctors, schrijvers, papen;
Geen angst noch twijfel kan mij plagen,
Geen hel noch duivel vrees me aanjagen:
Maar vreugde is me ook niet meer beschoren;
Ik heb ’t geloof geheel verloren.
Ik zie nu, dat ik niemand iets kan leeren
Om zich te beteren of te bekeeren;
Ook heb ik goed noch geld bespaard
En eer noch roem mij opgegaard.
Maar langer zou geen hond zoo willen leven;
’k Heb mij dus tot de tooverkunst begeven:
Ligt worden mij door hare kracht[2]
Geheimen aan het licht gebragt,
Waardoor ’k niet meer in angst en zweet
Moet zeggen wat ik zelf niet weet;
Welligt wordt mij dan toevertrouwd
Wat heel de wereld zamenhoudt,
Zoodat ik alle werkkracht naga en haar zaad,
En woordgezift aan andren overlaat.
O, zaagt gij, vriendelijke maan,Voor ’t laatst het harteleed eens aan,Waarmeê ’k zoo menig winternachtIn dit vertrek heb doorgebragt,Gij waart voorzeker aan mijn zij,Ook zonder al die schrijverij!Mogt van een bergtop mijn gezigtZich spieglen in uw helder licht!O, mogt ik ginds met geesten leven,Op velden in uw schijnsel zweven,En, niet door boekenstof beladen,In uwe frissche dauw mij baden!
O, zaagt gij, vriendelijke maan,
Voor ’t laatst het harteleed eens aan,
Waarmeê ’k zoo menig winternacht
In dit vertrek heb doorgebragt,
Gij waart voorzeker aan mijn zij,
Ook zonder al die schrijverij!
Mogt van een bergtop mijn gezigt
Zich spieglen in uw helder licht!
O, mogt ik ginds met geesten leven,
Op velden in uw schijnsel zweven,
En, niet door boekenstof beladen,
In uwe frissche dauw mij baden!
Maar—’k steek nog in den kerker, datVervloekt en vunzig, muffend gat,Waar zelfs het lieve hemellichtZich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!Benaauwd door dezen boekenlast,Met rook en vuil en stof bedekt,Die, tot de zoldring opgetast,Tot spijs van mot en worm verstrekt;Met flesschen, potten om mij heen,Met instrumenten volgepropt,Grootvaders pruik er in gestopt—Dat is uw wereld—anders geen!
Maar—’k steek nog in den kerker, dat
Vervloekt en vunzig, muffend gat,
Waar zelfs het lieve hemellicht
Zich schuil houdt voor mijn zwak gezigt!
Benaauwd door dezen boekenlast,
Met rook en vuil en stof bedekt,
Die, tot de zoldring opgetast,
Tot spijs van mot en worm verstrekt;
Met flesschen, potten om mij heen,
Met instrumenten volgepropt,
Grootvaders pruik er in gestopt—
Dat is uw wereld—anders geen!
En vraagt gij nog, waarom uw hartZich bang in uwen boezem klemt?[3]Waarom eene onverklaarbre smartDen bloedloop in uwe adren stremt?In plaats van ’t leven der natuur,Waarvoor de Heer den stervling schiep,Omringt ge u door een beendrenmuur;In rook en walm verzinkt gij diep.
En vraagt gij nog, waarom uw hart
Zich bang in uwen boezem klemt?[3]
Waarom eene onverklaarbre smart
Den bloedloop in uwe adren stremt?
In plaats van ’t leven der natuur,
Waarvoor de Heer den stervling schiep,
Omringt ge u door een beendrenmuur;
In rook en walm verzinkt gij diep.
O vlugt! Ruk af dien slavenband!En hier, dit boek, dees gouden mijn,Van Nostrodamus’ eigen hand,Laat dit u tot geleider zijn!Erken daarin der sterren loop;En als natuur u onderwijst,Ontwaakt de zielskracht en de hoop,Gelijk een geest den andren spijst.O ja! De diepste duisterheênVerklaren deze teekens u.Gij zweeft, o geesten, om mij heen:Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!
O vlugt! Ruk af dien slavenband!
En hier, dit boek, dees gouden mijn,
Van Nostrodamus’ eigen hand,
Laat dit u tot geleider zijn!
Erken daarin der sterren loop;
En als natuur u onderwijst,
Ontwaakt de zielskracht en de hoop,
Gelijk een geest den andren spijst.
O ja! De diepste duisterheên
Verklaren deze teekens u.
Gij zweeft, o geesten, om mij heen:
Hoort gij me, o geeft mij antwoord nu!
Hij slaat het boek open, en ontdekt het Makrokosmus-teeken.
O, welk een weelde heeft bij dit gezigtOp eenmaal al mijn zinnen ingenomen!Ik voel een jong, een heilig levenslichtGelijk een vuurgloed door mijne adren stroomen.Was het een God, die deze teekens schreef,Die thans mijn weetlust stillen zullen,Het arme hart met vreugd vervullen,En met een drift, die steeds mij dreef,De krachten der natuur me onthullen?Benikeen God? Het floers verbleekt;Ik zie in deze reine trekkenWat bovenzinlijk is zich voor mijn oog ontdekken.Thans eerst besef ik wat de wijze spreekt:“Het geestenrijk is niet gesloten;[4]“Uw zin is weg, uw hart is dood.“Op, kweekeling! baad onverdroten“Uw aardsche borst in ’t morgenrood!”
O, welk een weelde heeft bij dit gezigt
Op eenmaal al mijn zinnen ingenomen!
Ik voel een jong, een heilig levenslicht
Gelijk een vuurgloed door mijne adren stroomen.
Was het een God, die deze teekens schreef,
Die thans mijn weetlust stillen zullen,
Het arme hart met vreugd vervullen,
En met een drift, die steeds mij dreef,
De krachten der natuur me onthullen?
Benikeen God? Het floers verbleekt;
Ik zie in deze reine trekken
Wat bovenzinlijk is zich voor mijn oog ontdekken.
Thans eerst besef ik wat de wijze spreekt:
“Het geestenrijk is niet gesloten;[4]
“Uw zin is weg, uw hart is dood.
“Op, kweekeling! baad onverdroten
“Uw aardsche borst in ’t morgenrood!”
Hij beziet het teeken.
Hoe alles zich hier zamenweeft,Het eene in ’t andre werkt en leeft!Hoe hemelkrachten op en neder zweven,Elkaâr de gouden emmers geven,En onder ’t Hallelujah zingenVan boven door deze aarde dringen,Harmonisch ’t wereldruim omringen!Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,Waarnaar het dorstend hart verlangt?Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!
Hoe alles zich hier zamenweeft,Het eene in ’t andre werkt en leeft!Hoe hemelkrachten op en neder zweven,Elkaâr de gouden emmers geven,En onder ’t Hallelujah zingenVan boven door deze aarde dringen,Harmonisch ’t wereldruim omringen!
Hoe alles zich hier zamenweeft,
Het eene in ’t andre werkt en leeft!
Hoe hemelkrachten op en neder zweven,
Elkaâr de gouden emmers geven,
En onder ’t Hallelujah zingen
Van boven door deze aarde dringen,
Harmonisch ’t wereldruim omringen!
Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,Waarnaar het dorstend hart verlangt?Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!
Welk schouwspel! maar helaas, ’t was maar een tooverbeeld!
Waar vat ik u, natuur, die ’t al bedeelt?
Waar zijn uw borsten, waar die bronnen onzer krachten,
Waaraan de hemel en ook de aarde hangt,
Waarnaar het dorstend hart verlangt?
Gij stroomt, gij drenkt—en ik blijf vruchtloos smachten!
Hij slaat misnoegd eenige bladeren om, en ontwaart het teeken van den Aardgeest.
Hoe anders treft dit teeken mijn gemoed!Gij, geest der aarde, zijt mij nader;’k Voel reeds mijn krachten al te gader,En mij doordringt een frissche gloed.’k Voel sterkte om in de wereld mij te wagen,Het leed der aarde en haar geluk te dragen,Het hoofd te biên aan storm en onweêrsvlagen,Niet bij orkaan of schipbreuk te vertsagen.…Een floers benevelt mijn gezigt.…De maan verbergt haar licht.…De lamp verdwijnt;Een damp verschijnt;Een ijskoude adem daalt van dit gewelf.…O, spaar mij verdre smart![5]Ik voel ’t, gij zweeft om mij, bezworen geest, gij zelf!Ontsluijer u! niet lang gemard!Ha! Hoe, hoe dringt het mij in ’t hart,Tot nieuw en blij gevoelenMijn zinnen komt doorwoelen!’k Gevoel geheel mijn hart u overgeven;Gij moet, gij moet, al kostte ’t mij het leven!
Hoe anders treft dit teeken mijn gemoed!
Gij, geest der aarde, zijt mij nader;
’k Voel reeds mijn krachten al te gader,
En mij doordringt een frissche gloed.
’k Voel sterkte om in de wereld mij te wagen,
Het leed der aarde en haar geluk te dragen,
Het hoofd te biên aan storm en onweêrsvlagen,
Niet bij orkaan of schipbreuk te vertsagen.…
Een floers benevelt mijn gezigt.…
De maan verbergt haar licht.…
De lamp verdwijnt;
Een damp verschijnt;
Een ijskoude adem daalt van dit gewelf.…
O, spaar mij verdre smart![5]
Ik voel ’t, gij zweeft om mij, bezworen geest, gij zelf!
Ontsluijer u! niet lang gemard!
Ha! Hoe, hoe dringt het mij in ’t hart,
Tot nieuw en blij gevoelen
Mijn zinnen komt doorwoelen!
’k Gevoel geheel mijn hart u overgeven;
Gij moet, gij moet, al kostte ’t mij het leven!
Hij neemt het boek, en spreekt het teeken van den Geest geheimvol uit. Eene roodachtige vlam flikkert.De Geestverschijnt in de vlam.
GEEST.Wie roept me?
GEEST.
Wie roept me?
FAUST,afgewend.Wie roept me?O, wat mijn oog daar ziet!
FAUST,afgewend.
Wie roept me?O, wat mijn oog daar ziet!
GEEST.Uw roepstem heeft mij hier doen komenEn uit mijn spheer mij weggenomen,En nu—
GEEST.
Uw roepstem heeft mij hier doen komen
En uit mijn spheer mij weggenomen,
En nu—
FAUST.En nu—Wee, ik verdraag u niet!
FAUST.
En nu—Wee, ik verdraag u niet!
GEEST.Gij ademt weêr, nu gij mij kunt aanschouwen,Mijn stem kunt hooren, mijn gelaat kunt zien:Wel nu, kan ik mijn hulp u biên—Hier ben ik! Welk erbarmelijk mistrouwenGrijpt thans u aan! Waar is de wil, die hier mij riep?Waar is de borst, die zich een wereld schiep,Haar koesterde, haar droeg, en, onervaren,Zich inbeeldde ons, de geesten, te evenaren?Waar zijt ge, Faust, wiens stem ik straks vernam?[6]Die wilde dat ik bij hem kwam?Zijt gij het, die, door mijnen aâm omgeven,Aan al uw leden schijnt te beven,—Een worm, die wegkruipt in het stof?
GEEST.
Gij ademt weêr, nu gij mij kunt aanschouwen,
Mijn stem kunt hooren, mijn gelaat kunt zien:
Wel nu, kan ik mijn hulp u biên—
Hier ben ik! Welk erbarmelijk mistrouwen
Grijpt thans u aan! Waar is de wil, die hier mij riep?
Waar is de borst, die zich een wereld schiep,
Haar koesterde, haar droeg, en, onervaren,
Zich inbeeldde ons, de geesten, te evenaren?
Waar zijt ge, Faust, wiens stem ik straks vernam?[6]
Die wilde dat ik bij hem kwam?
Zijt gij het, die, door mijnen aâm omgeven,
Aan al uw leden schijnt te beven,—
Een worm, die wegkruipt in het stof?
FAUST.Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?Ik ben het, Faust, ik—uws gelijken!
FAUST.
Zou ik voor u, o vlamverschijnsel, wijken?
Ik ben het, Faust, ik—uws gelijken!
GEEST.In ’s levens stroom, in huis en hof,Zweef ik op en neêr,Zweef ik heen en weêr!Geluk en wee,Eene eeuwge zee,Een wislend weven,Een gloeijend leven,—’k Werk zoo aan den snorrenden weefstoel altijd,En lever het kleed aan de godheid gewijd.
GEEST.
In ’s levens stroom, in huis en hof,
Zweef ik op en neêr,
Zweef ik heen en weêr!
Geluk en wee,
Eene eeuwge zee,
Een wislend weven,
Een gloeijend leven,—
’k Werk zoo aan den snorrenden weefstoel altijd,
En lever het kleed aan de godheid gewijd.
FAUST.Gij, die het wereldruim doorzweeft,O geest, hoe na gevoel ik me aan uw zij!
FAUST.
Gij, die het wereldruim doorzweeft,
O geest, hoe na gevoel ik me aan uw zij!
GEEST.Een geest der aarde, waar ge op leeft,Gelijkt ge, maar niet mij!
GEEST.
Een geest der aarde, waar ge op leeft,
Gelijkt ge, maar niet mij!
Verdwijnt.
FAUST,in zijn stoel nedervallende.Hoe nu?Niet u?Ik, evenbeeld der godheid,En niet eens u?
FAUST,in zijn stoel nedervallende.
Hoe nu?
Niet u?
Ik, evenbeeld der godheid,
En niet eens u?
Er wordt geklopt.
O ramp, wat hoor ik! Wie is daar?[7]Nu gaat mijn schoonst geluk te gronde!Voor ’t proza wijkt mijn heil dees stonde.Ik ken dien klop: ’t Is onze Wagenaar!
O ramp, wat hoor ik! Wie is daar?[7]
Nu gaat mijn schoonst geluk te gronde!
Voor ’t proza wijkt mijn heil dees stonde.
Ik ken dien klop: ’t Is onze Wagenaar!
Wagenaar,in een nachtjapon, met eene slaapmuts op en eene keukenlamp in de hand. Faust keert hem misnoegd den rug toe.
WAGENAAR.Verschoon me; ik hoorde u declameeren;’t Is vast een treurspel, dat ge in handen hadt.’k Zou van die kunst ook wel iets willen leeren;Want tegenwoordig wil men dat.Men zegt zelfs, dat de geestelijke heerenVan een komediant nog kunnen profiteeren.
WAGENAAR.
Verschoon me; ik hoorde u declameeren;
’t Is vast een treurspel, dat ge in handen hadt.
’k Zou van die kunst ook wel iets willen leeren;
Want tegenwoordig wil men dat.
Men zegt zelfs, dat de geestelijke heeren
Van een komediant nog kunnen profiteeren.
FAUST.Ja, als de geestlijke een komediant is,Zoo als dat soms wel eens gebeurt.
FAUST.
Ja, als de geestlijke een komediant is,
Zoo als dat soms wel eens gebeurt.
WAGENAAR.O, als men in zijn vak niet bij de hand is,En van de wereld weinig maar bespeurt,Of op haar door een kijker slechts mag turen—Hoe kan men haar dan door verstand besturen!
WAGENAAR.
O, als men in zijn vak niet bij de hand is,
En van de wereld weinig maar bespeurt,
Of op haar door een kijker slechts mag turen—
Hoe kan men haar dan door verstand besturen!
FAUST.Gevoelt gij ’t niet, gij zult het niet beseffen,Wanneer ’t niet uit de ziel ontspringt,En met een overstelpend treffenIn ’t hart van uwe hoorders dringt.Blijf aan uw schrijfcel maar geklonken;Maak daar ragout en andre morserij,En blaas de jammerlijkste vonkenUit uwe potjesbakkerij!U wacht bewondering van apen en hun vrinden,Zijt gij misschien daarmeê gebaat;[8]Maar nimmer zult gij hart aan hart verbinden,Indien ’t u niet van harte gaat.
FAUST.
Gevoelt gij ’t niet, gij zult het niet beseffen,
Wanneer ’t niet uit de ziel ontspringt,
En met een overstelpend treffen
In ’t hart van uwe hoorders dringt.
Blijf aan uw schrijfcel maar geklonken;
Maak daar ragout en andre morserij,
En blaas de jammerlijkste vonken
Uit uwe potjesbakkerij!
U wacht bewondering van apen en hun vrinden,
Zijt gij misschien daarmeê gebaat;[8]
Maar nimmer zult gij hart aan hart verbinden,
Indien ’t u niet van harte gaat.
WAGENAAR.Met voor te dragen maakt men meestal een begin;Ik voel dit wel, maar ’t wil er nog niet in.
WAGENAAR.
Met voor te dragen maakt men meestal een begin;
Ik voel dit wel, maar ’t wil er nog niet in.
FAUST.Hoor! Volg in eenvoud steeds uw pad,En wees geen nar met bellen aan;Hij toch bezit den grootsten schat,Die nedrig op zichzelf kan staan.En is ’t u ernst eens meê te spreken,Waartoe naar woorden dan gekeken?Veel woorden, vaak om keurigheid bemind,En zoo het heet met geestigheid dooraderd,Zijn, wel beschouwd, gelijk de dwarrelwind,Die in den herfst giert door het dor gebladert.
FAUST.
Hoor! Volg in eenvoud steeds uw pad,
En wees geen nar met bellen aan;
Hij toch bezit den grootsten schat,
Die nedrig op zichzelf kan staan.
En is ’t u ernst eens meê te spreken,
Waartoe naar woorden dan gekeken?
Veel woorden, vaak om keurigheid bemind,
En zoo het heet met geestigheid dooraderd,
Zijn, wel beschouwd, gelijk de dwarrelwind,
Die in den herfst giert door het dor gebladert.
WAGENAAR.Helaas! De kunst is lang,En kort slechts is ons leven.Ik word, bij al mijn trachten en mijn streven,Toch in mijn hart en nieren bang.Hoe zwaar zijn niet de middlen te verwerven,Waardoor men tot de bron geraakt!En eer men nog ten halven weg genaakt,Moet wel een arme duivel sterven.
WAGENAAR.
Helaas! De kunst is lang,
En kort slechts is ons leven.
Ik word, bij al mijn trachten en mijn streven,
Toch in mijn hart en nieren bang.
Hoe zwaar zijn niet de middlen te verwerven,
Waardoor men tot de bron geraakt!
En eer men nog ten halven weg genaakt,
Moet wel een arme duivel sterven.
FAUST.Is boekenstof de bron van heil en zegen,Waaruit een dronk u laafnis schenkt?Verkwikking hebt gij niet verkregen,Zoo die uw eigen ziel niet brengt.
FAUST.
Is boekenstof de bron van heil en zegen,
Waaruit een dronk u laafnis schenkt?
Verkwikking hebt gij niet verkregen,
Zoo die uw eigen ziel niet brengt.
[9]
WAGENAAR.Vergeef! Het is een groot genoegen,Zich in den geest der eeuw te voegen,Te zien hoe eens een wijze heeft gedacht,En zijn idée door ons dan verder wordt gebragt.
WAGENAAR.
Vergeef! Het is een groot genoegen,
Zich in den geest der eeuw te voegen,
Te zien hoe eens een wijze heeft gedacht,
En zijn idée door ons dan verder wordt gebragt.
FAUST.O ja, tot aan der sterren trans!Mijn vriend, de tijden van ’t verleedne althansZij zijn een boek voor u en mij gesloten:Wat als den geest der eeuw vaak wordt gevreesd,Is, wel beschouwd, des menschen eigen geest,Maar niet door God hem ingegoten.Nu schreeuwt en tiert men als bezeten,En kiest op stel en sprong het hazenpad;Voor ontuig wordt deze eeuwgeest uitgekreten,Waarbij ’t geluk zijn einde heeft gehad.Dit alles klinkt heel stichtlijk in onze ooren;Men kan het van Jan Klaassen ook zoo hooren.
FAUST.
O ja, tot aan der sterren trans!
Mijn vriend, de tijden van ’t verleedne althans
Zij zijn een boek voor u en mij gesloten:
Wat als den geest der eeuw vaak wordt gevreesd,
Is, wel beschouwd, des menschen eigen geest,
Maar niet door God hem ingegoten.
Nu schreeuwt en tiert men als bezeten,
En kiest op stel en sprong het hazenpad;
Voor ontuig wordt deze eeuwgeest uitgekreten,
Waarbij ’t geluk zijn einde heeft gehad.
Dit alles klinkt heel stichtlijk in onze ooren;
Men kan het van Jan Klaassen ook zoo hooren.
WAGENAAR.Maar zie—de wereld, wat de mensch al smeedt,Daarvan kan ieder toch wel iets beseffen.
WAGENAAR.
Maar zie—de wereld, wat de mensch al smeedt,
Daarvan kan ieder toch wel iets beseffen.
FAUST.Ja, wat men zoo beseffen heet;Wie durft den spijker op den kop steeds treffen?De weinigen, geloof me, in ieder land,Die, dwaas genoeg, zich daarvoor niet bewaarden,Maar hun gevoel ’t gepeupel openbaarden,Die heeft men steeds gekruisigd of verbrand.—Maar, vriend! het is vrij laat reeds in den nacht;Wij moeten nu elkaâr verlaten.
FAUST.
Ja, wat men zoo beseffen heet;
Wie durft den spijker op den kop steeds treffen?
De weinigen, geloof me, in ieder land,
Die, dwaas genoeg, zich daarvoor niet bewaarden,
Maar hun gevoel ’t gepeupel openbaarden,
Die heeft men steeds gekruisigd of verbrand.—
Maar, vriend! het is vrij laat reeds in den nacht;
Wij moeten nu elkaâr verlaten.
[10]
WAGENAAR.Ik had dit waarlijk niet gedacht;Ik zou bij u nog wel wat willen praten.Maar morgen is het Paasch, dan kom ik weêr,Als gij ’t niet kwalijk neemt, mijnheer!’k Was altijd op de studie als bezeten;’k Weet veel reeds, maar zou gaarne meer nog weten.
WAGENAAR.
Ik had dit waarlijk niet gedacht;
Ik zou bij u nog wel wat willen praten.
Maar morgen is het Paasch, dan kom ik weêr,
Als gij ’t niet kwalijk neemt, mijnheer!
’k Was altijd op de studie als bezeten;
’k Weet veel reeds, maar zou gaarne meer nog weten.
Vertrekt.
FAUST,alleen.Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,Die altijd zich aan flaauwheid laaft,Met gierge hand naar schatten graaft,En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,Dat ik het als een dwerg genaakte.Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije krachtVermat door de adren der natuur te vlietenEn ’t leven als de Goden te genieten—Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,[11]Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;U hier te houden, stond niet in mijn magt.Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;Maar, wreede! gij zijt heengetogen,En laat mij met mijn lot alleen!Wat staat mij nu te doen, te mijden?Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,Zij stremmen onzes levens gang!Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,Dan heet dit zelfbedrog en waan.Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,Verstijft in aardsche jammer en gewoel.Terwijl verbeelding met een stoute vaartEn vol van hope de eeuwigheid gaat meten,Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,En vestigt daar geheime smart;Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,Als vuur, als water, gift of dolk,Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,Den worm, die in het stof zich laaft,En dien de tred des wandelaars begraaft.[12]Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wandenUit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?De prullekraam, die met zijn duizend bandenMe in deze mottenwereld d’ adem stremt?Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?Moet ik misschien in duizend boeken lezen,Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,Met rad en kammen, wals en bendel;’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,Dan hier des nachts te zweeten en te waken;Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,Ontvangt men om er van gebruik te maken.Wat ons niet dient, dat is een zware last;Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?[13]Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,Extract van alle doodelijke krachten,Bewijs uw meester nu uw gunst!Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;De springvloed van den geest begint terug te gaan;Ik voel mij in de volle zee verwezen;Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.Een vuurge wagen komt mij nader zweven,O zie! en ’k voel mijn geest bereid,Op nieuwe baan den aether door te strevenTot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.Dit hooger leven, dat een godheid baarde,Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aardeDen rug vol moed en vastberaden toe!Vermeet u stout de poorten in te dringen,Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;Hier is het tijd om naar den roem te dingen,Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—Niet voor die donkre holen te vertsagen,Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,En stout in ’t onbekende u te begeven.Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:[14]Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,Herinnert mij aan menig blijden nacht.’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:Hier is een sap van bovenaardsche kracht.Een donker vocht zal ’k in u gieten;Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;Dees laatste dronk zij nu met blij genietenAan ’t hooge feest van morgen toegebragt!
FAUST,alleen.
Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,Die altijd zich aan flaauwheid laaft,Met gierge hand naar schatten graaft,En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!
Moog’ hem de hoop niet eindelijk begeven,
Die altijd zich aan flaauwheid laaft,
Met gierge hand naar schatten graaft,
En blij is, als een worm het loon is voor zijn streven!
Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,Dat ik het als een dwerg genaakte.
Ik vraag: mag zoo’n Jan Salie nu,
Daar geesten mij omringen, zich doen hooren?
Maar ach! Voor ditmaal dank ik u,
Dat gij mij zoo op eens kwaamt storen!
Ge ontruktet aan de wanhoop mij terstond,
Die zich reeds van mijn zinnen meester maakte,
Toen ik ’t verschijnsel zoo ontzaglijk vond,
Dat ik het als een dwerg genaakte.
Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije krachtVermat door de adren der natuur te vlietenEn ’t leven als de Goden te genieten—Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!
Ik, evenbeeld der godheid, dat, nog in den dut,
Zich waande voor den spiegel van de waarheid,—
Te baden dacht in hemelglans en klaarheid,
En ’t aardsche kleed te hebben afgeschud,—
Ik, meer dan Cherub zelfs, wiens vrije kracht
Vermat door de adren der natuur te vlieten
En ’t leven als de Goden te genieten—
Ik zie mijn droombeeld plotseling verschieten;
Één donderwoord—en ’k tast weêr in den nacht!
’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,[11]Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;U hier te houden, stond niet in mijn magt.Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;Maar, wreede! gij zijt heengetogen,En laat mij met mijn lot alleen!Wat staat mij nu te doen, te mijden?Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,Zij stremmen onzes levens gang!
’k Vermeet mij niet, aan u gelijk te wezen,[11]
Al zijt gij ook op mijn bevel verrezen;
U hier te houden, stond niet in mijn magt.
Toen gij straks zweefdet voor mijne oogen,
Toen voelde ik mij zoo groot, zoo kleen;
Maar, wreede! gij zijt heengetogen,
En laat mij met mijn lot alleen!
Wat staat mij nu te doen, te mijden?
Zeg! Moet ik luistren naar dien drang?
Ach, onze daden ook, niet minder dan ons lijden,
Zij stremmen onzes levens gang!
Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,Dan heet dit zelfbedrog en waan.Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,Verstijft in aardsche jammer en gewoel.
Bij ’t heerlijkst, wat den geest ooit is geschonken,
Sluit altijd vreemd en vreemder stof zich aan;
Als wij door ’t goede op de aard ons zien belonken,
Dan heet dit zelfbedrog en waan.
Wat ons het leven gaf, het heerlijk heilgevoel,
Verstijft in aardsche jammer en gewoel.
Terwijl verbeelding met een stoute vaartEn vol van hope de eeuwigheid gaat meten,Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,En vestigt daar geheime smart;Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,Als vuur, als water, gift of dolk,Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.
Terwijl verbeelding met een stoute vaart
En vol van hope de eeuwigheid gaat meten,
Is ’t kleinste plekje haar genoeg op aard,
Wanneer ’t geluk haar heeft vergeten.
De zorg gaat dadelijk zich nestlen in ons hart,
En vestigt daar geheime smart;
Zij kwelt en martelt ons, en wat men late of doe,
Zij dekt zich steeds met nieuwe maskers toe.
Zij mag als huis en hof, als vrouw en kind verschijnen,
Als vuur, als water, gift of dolk,
Ge ontwaart niets dan een afgrondskolk,
En ziet zelfs wat ge hebt ook voor uw oog verdwijnen.
’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,Den worm, die in het stof zich laaft,En dien de tred des wandelaars begraaft.[12]Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wandenUit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?De prullekraam, die met zijn duizend bandenMe in deze mottenwereld d’ adem stremt?Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?Moet ik misschien in duizend boeken lezen,Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,Met rad en kammen, wals en bendel;’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,Dan hier des nachts te zweeten en te waken;Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,Ontvangt men om er van gebruik te maken.Wat ons niet dient, dat is een zware last;Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.
’k Gelijk den goden niet—ik heb dat nu gevoeld;
Den worm gelijk ik, die het stof doorwoelt,
Den worm, die in het stof zich laaft,
En dien de tred des wandelaars begraaft.[12]
Of is ’t geen stof, wat tusschen deze wanden
Uit honderd reten dringt en mij de borst beklemt?
De prullekraam, die met zijn duizend banden
Me in deze mottenwereld d’ adem stremt?
Hier zou ik vinden wat me ontbreekt?
Moet ik misschien in duizend boeken lezen,
Dat overal de wijsheid wordt gepreekt?
Dat ook ’t geluk wel hier of daar kan wezen?
Wat grijnst gij mij, o holle schedel, aan!
Zoo ’t in den bol u, juist als mij, eens maalde?
Gij ook den dag zocht, om in donker rond te gaan,
En ook, met lust naar waarheid, jammerlijk verdwaalde?
’t Is of gij, instrumenten, met mij spot,
Met rad en kammen, wals en bendel;
’k Stond aan de poort; gij zoudt de sleutel zijn van ’t slot?
Neen! Gij verschuift, hoe kloek ook, niet den grendel!
Ook raadselachtig zelfs bij helder licht,
Laat zich natuur den sluijer niet ontrooven;
Wat zij u wil verbergen voor ’t gezigt,
Dat dwingt gij haar niet af, hoe ge ook u uit moogt sloven.
Gij prullekraam, die ’k nooit heb aangeraakt,
Staat hier slechts wijl ik u zoo heb gevonden;
De lamp heeft geel en rookrig u gemaakt,
Zoo lang ze u hier haar’ walm heeft toegezonden.
’t Waar’ beter ligt zoo ik mijn goedje had verbrast,
Dan hier des nachts te zweeten en te waken;
Het erfdeel, door zijn vadren opgetast,
Ontvangt men om er van gebruik te maken.
Wat ons niet dient, dat is een zware last;
Wie ’t oogenblik waardeert, past beter op zijn zaken.
Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?[13]Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,Extract van alle doodelijke krachten,Bewijs uw meester nu uw gunst!Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;De springvloed van den geest begint terug te gaan;Ik voel mij in de volle zee verwezen;Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.
Maar waarom toch mijn oog zoo op die plek gerigt wordt?
Is ’t gindsche fleschje voor mij een magneet?
Waarom wordt alles in een heldren glans gekleed,
Alsof het woud des nachts door maneschijn verlicht wordt?[13]
Ik groet u, fleschjen, eenig in uw soort,
Dat ik te voorschijn haal uit uw verborgen oord!
’k Vereer in u vernuft en geest en kunst.
Gij, die een zoete sluimring doet verwachten,
Extract van alle doodelijke krachten,
Bewijs uw meester nu uw gunst!
Ik zie u, en ik voel mijn smart verzachten;
Ik vat u, en reeds minder wordt mijn smachten;
De springvloed van den geest begint terug te gaan;
Ik voel mij in de volle zee verwezen;
Haar spiegel is op eens aan mijnen voet verrezen;
Een nieuwe morgen lacht van welige oevers me aan.
Een vuurge wagen komt mij nader zweven,O zie! en ’k voel mijn geest bereid,Op nieuwe baan den aether door te strevenTot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.Dit hooger leven, dat een godheid baarde,Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aardeDen rug vol moed en vastberaden toe!Vermeet u stout de poorten in te dringen,Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;Hier is het tijd om naar den roem te dingen,Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—Niet voor die donkre holen te vertsagen,Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,En stout in ’t onbekende u te begeven.
Een vuurge wagen komt mij nader zweven,
O zie! en ’k voel mijn geest bereid,
Op nieuwe baan den aether door te streven
Tot nieuwe spheren, nieuwe werkzaamheid.
Dit hooger leven, dat een godheid baarde,
Dat zoudt ge, een worm, nu reeds verdienen—hoe?
Ja, keer maar eerst de dierbre zon der aarde
Den rug vol moed en vastberaden toe!
Vermeet u stout de poorten in te dringen,
Voor wie een ander moedeloos bezwijkt;
Hier is het tijd om naar den roem te dingen,
Dat menschenwaarde niet voor godengrootheid wijkt,—
Niet voor die donkre holen te vertsagen,
Waarin verbeelding zich als in een kerker bant,
Zich in dien doorgang onbeschroomd te wagen,
Waar aan den mond de gansche hel ontbrandt;
Deez’ stap te doen kloekmoedig, zonder beven,
En stout in ’t onbekende u te begeven.
Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:[14]Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,Herinnert mij aan menig blijden nacht.’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:Hier is een sap van bovenaardsche kracht.Een donker vocht zal ’k in u gieten;Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;Dees laatste dronk zij nu met blij genietenAan ’t hooge feest van morgen toegebragt!
Maar kom nu hier uit uw verborgen hoek,
Kom hier, o drinkschaal, die ik zoek,—
Waaraan ik niet gedacht heb zoo veel jaren!
Gij waart de feestroem vaak bij ’t voorgeslacht:[14]
Den stroefsten gast deedt ge op u vrolijk staren,
Werd ooit met u een vreugdedronk gebragt.
Het beeldwerk, zoo vol kunst en pracht,
De pligt des drinkers om daarop een vers te maken,
En d’ inhoud dan zich goed te laten smaken,
Herinnert mij aan menig blijden nacht.
’k Zal thans uit u geen gastvriend toe gaan drinken;
’k Zal mijn vernuft door u niet laten blinken:
Hier is een sap van bovenaardsche kracht.
Een donker vocht zal ’k in u gieten;
Dit brouwsel zal door al mijne adren vlieten;
Dees laatste dronk zij nu met blij genieten
Aan ’t hooge feest van morgen toegebragt!
Hij zet de drinkschaal aan den mond.
Klokkenspel en Koorgezang.
KOOR VAN ENGELEN.Hij is verrezen!Juich nu, o sterveling,Die het verderf ontving,En wien beangstigingKwelde voordezen!
KOOR VAN ENGELEN.
Hij is verrezen!Juich nu, o sterveling,Die het verderf ontving,En wien beangstigingKwelde voordezen!
Hij is verrezen!
Juich nu, o sterveling,
Die het verderf ontving,
En wien beangstiging
Kwelde voordezen!
FAUST.Wat diepe toonen treffen daar mijne ooren,En rukken met geweld de schaal mij van den mond?Laat plegtig klokgelui op dezen stondReeds d’ aanvang van het Paaschfeest hooren?Is ’t weêrklank van uw lied, o hemelkoren,Dat luid verkondde dat de Heiland was geboren?
FAUST.
Wat diepe toonen treffen daar mijne ooren,
En rukken met geweld de schaal mij van den mond?
Laat plegtig klokgelui op dezen stond
Reeds d’ aanvang van het Paaschfeest hooren?
Is ’t weêrklank van uw lied, o hemelkoren,
Dat luid verkondde dat de Heiland was geboren?
[15]
KOOR VAN VROUWEN.Wij, droeve vrouwen,Daalden vol smart hier af;Wij, zijn getrouwen,Legden hem neêr in ’t graf.Balsemen, winden,’t Is al door ons geschied:Maar ach, wij vindenChristus hier niet!
KOOR VAN VROUWEN.
Wij, droeve vrouwen,Daalden vol smart hier af;Wij, zijn getrouwen,Legden hem neêr in ’t graf.Balsemen, winden,’t Is al door ons geschied:Maar ach, wij vindenChristus hier niet!
Wij, droeve vrouwen,
Daalden vol smart hier af;
Wij, zijn getrouwen,
Legden hem neêr in ’t graf.
Balsemen, winden,
’t Is al door ons geschied:
Maar ach, wij vinden
Christus hier niet!
KOOR DER ENGELEN.Hij is verrezen!Zalig de sterveling,Die na een loutering,Als hij van God ontving,Nu is genezen!
KOOR DER ENGELEN.
Hij is verrezen!Zalig de sterveling,Die na een loutering,Als hij van God ontving,Nu is genezen!
Hij is verrezen!
Zalig de sterveling,
Die na een loutering,
Als hij van God ontving,
Nu is genezen!
FAUST.Wat zoekt gij, die daarboven zweeft,Mij in het stof, o hemeltoonen?O klinkt daar, waar men menschen heeft,In wie ’t geloof altijd mogt wonen!Het wonder is steeds aan ’t geloof verkleefd;Maar ’k zal mij in de spheren niet begeven,Waaruit het englenkoor de blijde boodschap zendt.En toch—van kindsbeen af aan dezen klank gewend,Roept hij ook nu mij weêr terug in ’t leven!Voorheen, o ja, ontving ik van omhoogEen hemelkus bij plegtig sabbathvieren;’t Was een gebed, dat mij aan de aarde onttoog.Een onbeschrijfelijk verlangenDreef mij door bosch en velden rond,En met de tranen op de wangenGevoelde ik hoe een wereld in me ontstond.Dit lied herinnert mij mijn kinderjaren,[16]Herinnert mij mijn lentetijd,En houdt mij nu terug, daar ’k op mijn jeugd blijf staren,Van dezen laatsten worstelstrijd.O, klinkt vrij voort, gij liedren zacht en teeder!De traan ontwelt me; de aarde heeft mij weder!
FAUST.
Wat zoekt gij, die daarboven zweeft,
Mij in het stof, o hemeltoonen?
O klinkt daar, waar men menschen heeft,
In wie ’t geloof altijd mogt wonen!
Het wonder is steeds aan ’t geloof verkleefd;
Maar ’k zal mij in de spheren niet begeven,
Waaruit het englenkoor de blijde boodschap zendt.
En toch—van kindsbeen af aan dezen klank gewend,
Roept hij ook nu mij weêr terug in ’t leven!
Voorheen, o ja, ontving ik van omhoog
Een hemelkus bij plegtig sabbathvieren;
’t Was een gebed, dat mij aan de aarde onttoog.
Een onbeschrijfelijk verlangen
Dreef mij door bosch en velden rond,
En met de tranen op de wangen
Gevoelde ik hoe een wereld in me ontstond.
Dit lied herinnert mij mijn kinderjaren,[16]
Herinnert mij mijn lentetijd,
En houdt mij nu terug, daar ’k op mijn jeugd blijf staren,
Van dezen laatsten worstelstrijd.
O, klinkt vrij voort, gij liedren zacht en teeder!
De traan ontwelt me; de aarde heeft mij weder!
KOOR VAN JONGEREN.Heeft die den dood verwonReeds in dit leven,Heeft onze gloriezonOns reeds begeven?Is hij hierboven alHemelsche vreugd nabij?Ach, in dit aardsche dalIs ’t woestenij!Liet hij de zijnenHier onder zorg en druk?Ach, wij verkwijnenBij zijn geluk!
KOOR VAN JONGEREN.
Heeft die den dood verwonReeds in dit leven,Heeft onze gloriezonOns reeds begeven?Is hij hierboven alHemelsche vreugd nabij?Ach, in dit aardsche dalIs ’t woestenij!Liet hij de zijnenHier onder zorg en druk?Ach, wij verkwijnenBij zijn geluk!
Heeft die den dood verwon
Reeds in dit leven,
Heeft onze gloriezon
Ons reeds begeven?
Is hij hierboven al
Hemelsche vreugd nabij?
Ach, in dit aardsche dal
Is ’t woestenij!
Liet hij de zijnen
Hier onder zorg en druk?
Ach, wij verkwijnen
Bij zijn geluk!
KOOR DER ENGELEN.Licht werd het duister:Christus verliet het graf!Mensch, werp den kluisterBlij van u af!Gij, die hem prijzen wilt,Liefde bewijzen wilt,Broederen spijzen wiltEn onderwijzen wilt,U is de Heer nabij;Hij ’s aan uw zij!
KOOR DER ENGELEN.
Licht werd het duister:Christus verliet het graf!Mensch, werp den kluisterBlij van u af!Gij, die hem prijzen wilt,Liefde bewijzen wilt,Broederen spijzen wiltEn onderwijzen wilt,U is de Heer nabij;Hij ’s aan uw zij!
Licht werd het duister:
Christus verliet het graf!
Mensch, werp den kluister
Blij van u af!
Gij, die hem prijzen wilt,
Liefde bewijzen wilt,
Broederen spijzen wilt
En onderwijzen wilt,
U is de Heer nabij;
Hij ’s aan uw zij!
[17]