DERTIENDE HOOFDSTUK.

Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

Thésée est arrivé, Thésée est en ces lieux,

declameerde Susanna.

"Tusschen twee haakjes," vervolgde Tante, "hebt gij de nieuwe uitgave van Racine medegebracht, welke ik verzocht had dat gij bestellen zoudt?... Hoe gelukkig was het, dat ik juist heden in de stad moest zijn om een comparitie te houden met den Heer Van Baalen, die geloof ik, vrij raar op zijn neus zal kijken wanneer hij u ziet: want hij verwacht zich op een klein jongetje met een dik hoofd, een rooden neus en groote ooren, die niets anders kan dan wat cijferen en wat pennen vermaken, en gij zijt voorwaar omtrent zoo groot als hij:... gij moet nog niet bij hem gaan, zoo gij er nog niet geweest zijt; want ik wil uw eerste ontmoeting met hem volstrekt bijwonen en mij met zijn verbazing vermaken."

"En nu gij hier zijt, Zuster!" zeide mijn vader, "zult gij ons wel het genoegen doen van uw rijtuig weg te zenden en hier den avond te blijven doorbrengen, om de terugkomst van Ferdinand met ons te vieren."

"Eigentlijk," antwoordde Tante, "was ik voornemens geweest, terstond weêr naar buiten te vertrekken, maar de omstandigheid dat Neef terug is, verandert mijn plan. Ik zal dan heden-avond blijven: op de voorwaarde alleen, dat nicht Santje nu haar woord houde en een week of drie bij mij op Heizicht kome doorbrengen; ik heb haar een kleine verrassing bestemd, die haar niet ongevallig zijn zal:—en Neef moet ook mede, al ware het maar voor een paar dagen."

"Hoe!" zeide mijn moeder, mij bij de hand nemende als vreesde zij mij te verliezen: "hij is pas terug en wilt gij hem ons weder ontnemen?"

"Wel zeker! Bovendien heb ik hem over zaken te spreken. Van Balen komt Zondag bij mij eten.... Broeder heeft immers al verteld wat het plan is:—maar ik laat hem zelf oordeelen of ik iets onbillijks vorder?"

"Volstrekt niet," zeide mijn vader: "en het zou de plicht van Ferdinand wezen, een paar dagen bij u door te brengen, indien het niet veeleer een genoegen voor hem ware."

"Natuurlijk!" merkte zijn Zuster aan: "het lieve jongetje zou anders ook te veel van zijn stuk raken, indien hij zoo op een bof het reizend leven tegen de eentonigheid der stad verwisselde. 't Is beter dat hij zoetjes aan de verandering wenne.—En bovendien hij mag niet nalaten op Heizicht te komen: want, zoo als Addison in the fair Rosamond zegt:

The bower and lady both are drest,And ready to receive their guest."

The bower and lady both are drest,And ready to receive their guest."

"Wil ik dan zeggen, dat het rijtuig van Tante Van Bempden maar weg moet rijden?" vroeg ik.

"Als 't u belieft," antwoordde Tante: "en laat Joris om tien uren terugkomen."

"En de koets van Tante Letje?"

Wat deze betrof, zij maakte zwarigheid om te blijven; daar het met hare gewoonte streed, den avond uit te gaan, wanneer zij ter kerke geweest was; echter werden de bedenkingen, welke zij opperde, zoo heftig bestreden, en verzocht mijn moeder, aan wier bede zij zelden weerstaan kon, haar zoo dringend, voor deze reis een uitzondering te maken, dat zij eindelijk toegaf.

Wij plaatsten ons dan om de theetafel, en ik moet hier tusschen twee haakjes de bekentenis afleggen, dat onder al de genietingen, welke mijn terugkomst bij de mijnen mij opleverde, die, van wederom een lekker kopje van dien goddelijken drank, in echt Sineesch porcelein geschonken, te mogen smaken, op verre na de minste niet was.

"Nu moet gij ons recht veel vertellen van uw reizen," zeide Tante Van Bempden: "hoe zegt Lafontaine ook weer van de zwaluw?"

"Quiconque a beaucoup vû,Peut avoir beaucoup retenu,"

"Quiconque a beaucoup vû,Peut avoir beaucoup retenu,"

zeide Susanna, haar te recht helpende.

"Van harte gaarne," zeide ik: "indien UEd. mij slechts vragen wilt, ben ik tot antwoorden bereid:" en ik schoof mijn stoel dichter naar den haren. Maar nu schoven ook de overigen hunne zetels bij en ik zag, dat mijn taak niet zoo gemakkelijk was, als ik mij die had voorgesteld; want ik werd van vier of vijf kanten bestormd met vragen van geheel verschillenden aard; en daar het mij minder gemakkelijk viel, die gelijktijdig te beantwoorden, dan aan de overigen, om die gelijktijdig te doen, moest ik wel verzoeken, of men ordelijk wilde te werk gaan, en ik stelde voor, dat, ten einde niemand redenen tot beklag zoude hebben, elk der aanwezigen, te beginnen met Tante Van Bempden, die rechts van mij zat, op zijn beurt mij eene vraag zoude doen. Dit vond goedkeuring, en nu werd ik beurtelings over de meest uiteenloopende onderwerpen ondervraagd. Aan Tante Van Bempden, moest ik een beschrijving geven van het Carnaval, dat ik te Napels had bijgewoond, terwijl Susanna mij over de kleeding der Oostenrijksche dames ondervroeg: mijn vader stelde er meer belang in, iets van de gedenkstukken van het Oude Rome te hooren, en tante Letje wilde weten, hoe ik het toch in dat Heidensche land had aangelegd om mijn godsdienstplichten uit te oefenen. Toen de beurt aan mijn goede moeder kwam, drukte de vraag, welke zij deed, haar moederlijke teederheid volkomen uit; want zij verlangde een volkomen beschrijving van alle zoodanige personen, die mij op reis van dienst geweest waren of beleefdheid hadden betoond, en van welke ik in mijn brieven gesproken had: en zij schepte er een zichtbaar genoegen in, van hen te hooren gewagen, die in haar Ferdinand hadden belang gesteld.

Toen de eerste nieuwsgierigheid bevredigd was, werd langzamerhand het gesprek meer algemeen: en Tante Van Bempden, wier gedachten zich zelden lang bij het zelfde onderwerp bepaalden, en die er van hield de gelegenheid bij de haren te vatten, nam mijn vader onderhanden, om zijn oordeel, waarop zij, en met recht, niet weinig prijs stelde, over eenige nieuw uitgekomen werken te vragen, over welke hij haar echter grootendeels antwoordt schuldig moest blijven door zijn beroepsbezigheden slechts zeer weinig tijd tot lezen had, en in de weinige ledige oogenblikken, die hem overschoten, liever zijn oudeclassicibij de hand nam, dan de voortbrengselen van den dag. Toen nu Tante bemerkte, dat zij omtrent deze punten weinig troost erlangen kon, begon zij over politiek te redeneeren: een onderwerp, waaromtrent mijn vader geen ignorantie kon pretendeeren, en welke behandeling hij zich dus getroostte, hoezeer dat duidelijk op te merken was, dat zulks alleen uit inschikkelijkheid geschiedde; want vooreerst was hij geen vriend van met dames over dergelijke stoffen te redekavelen, en ten andere dwong zijn ambt hem reeds genoeg daarover te hooren en wilde hij, in gezelschap zijnde, ter ontspanning van zijn geest wel eens over iets anders praten.

Gedurende het onderhoud van mijn vader met Tante Van Bempden, gaf mijn moeder, voor wie die onderwerpen veelal te uitheemsch en te hoogdravend waren, mij een vrij breedvoerig, doch zeer duidelijk verslag van de gehoorde predikatie, en voegde er nogmaals de betuiging bij van haar leedwezen dat ik haar niet vergezeld had: Tante Letje zat stil voort te arbeiden, en vergenoegde zich, met nu en dan een aanmerking betreffende het een of ander, dat haar meer bijzonder gesticht had, te voegen bij hetgeen mijn moeder verhaalde: terwijl Suzanna, die, zoo lang het verslag duurde, zich alleen met haar trekpot en schoteltjes bemoeid had, na het eindigen daarvan het woord nam en mij vertelde, wie er al in de kerk geweest was, en met wie zij al in het uitgaan gesproken had.

"Ik ben er gek afgekomen," zeide zij: "ik had mij gevleid, aan mijn buren in het doophek en aan al wie ik ontmoeten zou, in echten courantenstijl te vertellen: heden is hier met lang span (alias de Muiderschuit) gearriveerd de Heer Ferdinand Huyck, zoon van den Ed. Gestr. Heer Hoofdofficier en broeder van de beminnelijke Juffrouw Suzanna Alette Huyck;—maar jawel:—pas ben ik op mijn plaats gekomen, of daar haalt mijn buurvrouw, het dikke wijf van den koperslager, haar loddereintje uit de tasch en na mij driemalen te hebben aangekeken, als wilde zij zeggen: "ik weet wat ik weet," en driemalen aan het mooie zilveren doosje geroken te hebben, steekt zij het mij toe en vraagt: "is Mijnheer uw broeder ook in de kerk? Wel! wel! dat moet een vreugde geweest zijn!—Ja, ik heb het al gehoord van de krantenvrouw. En heeft Mijnheer een goede reis gehad? Wel! wel!"—En eer ik haar kon antwoorden, daar tikt Betje Du Fay, die aan de andere zijde zat, mij op den arm. (Je herinnert je Betje Du Fay wel, Ferdinand? de dochter van Schepen Du Fay met dien haviksneus?) en begint met een schor stemmetje: "ik feliciteer je wel Santje! met de terugkomst van je broer:" en te gelijk voel ik de dorre vingers van Mevrouw Muysvaal, mijn achterbuurvrouw, mijn schouder grijpen als met een arendsklauw, en gonst het in mijn ooren: "ik heb met veel genoegen vernomen dat uw broeder terug is. Ik feliciteer u wel:"—en meteen piept het en bromt het voor en achter mij al de rijen langs, als waren er overal echo's: "ik feliciteer je wel. Juffrouw Huyck, ik feliciteer je wel:"—zoodat ik blij was, dat het gezang werd aangeheven, want mijn nek begon mij zeer te doen van het knikken en buigen.—En bij het uitgaan was het nog erger; want toen dacht ik, dat ik nooit den dorpel, veelmin de koets zou bereikt hebben, zoo drong men zich om mij heen: "Is het waar wat ik gehoord heb? Is Ferdinand waarlijk terug?—Ik kom eerstdaags uw broeder zien. Hartelijk geluk!" enz. En zoo ging het voort, zoodat mijn ribben bont en blauw zijn van de stompen en duwen, die ik gekregen heb van al de lieden, die uit loutere deelneming op mij afkwamen."

"Santje overdrijft weer, volgens haar gewoonte, zeide mijn moeder; "ik heb maar een paar menschen gesproken die er iets van schenen te weten; maar Santje schijnt er van te houden, diergelijke opschuddingen in de kerk te maken."

"De menschen moesten wat meer denken," zeide Tante Letje, "dat de kerk is een bedehuis, en niet een plaats voor ijdelen klap en onnut gesnap; maar het is als de profeet zegt: zelfs in mijnen huyze vindt ik haar boosheyt.—Ik wilde wel, Nicht! dat gij over deze stofte gelezen hadt een dierbaar boekske, dat geschreven is door de eerzame Weduwe Knijpduim, en dat ten titel draagt: "over de onchristelijke opschuddinge in Gods Kerke," waarin dat alles uitvoerig betoogd wordt. 't Is niet gedrukt; maar zij heeft het ons eens op de oefening bij den zielbezorger Zoutbrand voorgelezen. Ik zal het u wel eens bezorgen, Santje! het kan u nuttig zijn."

"Spreek mij niet van Juffrouw Knijpduim, Tante!" zeide Santje: "die kan mij nooit door woorden of werken meer stichten, sedert ik haar laatst in de Oude Kerk met een andere oude Juffer een kwartier lang heb zien kijven en knorren over haar plaatsen, dat geen vischwijven het erger hadden kunnen doen. En wat mij het meest ergerde, was dat, toen zij gezeten waren, zij dadelijk de waaiers uitsloegen om te gaan bidden. Maar de oude Heer Slyper, die achter haar in de ouderlingenbank zat, tikte haar op de schouders en zeide: "wacht daar liever nog wat mede, tot gij bekoeld zijt, en denk inmiddels om Matth. V: 24."

"Hoe is het, Santje! krijgen wij geen thee meer?" vroeg mijn vader, die, ofschoon luisterende naar de redeneeringen van Tante Van Bempden, echter genoeg van Santjes vertelling gehoord, en te goed den onvergenoegden blik van Tante Letje bespeurd had, om niet te begrijpen, dat het gesprek een andere wending moest nemen. Santje begreep dien wenk en haastte zich, terwijl zij de kopjes vulde, mij te vragen, welke der plaatsen, die ik bezocht had, ik het liefst tot mijn verblijf zoude kiezen. Van mijn kant willende medewerken om het gesprek zoo ver mogelijk van het vorige onderwerp te verwijderen, gaf ik een ontwijkend antwoord, en begon de voor- en nadeelen op te tellen van al de voornaamste steden, waar ik eenigen tijd had doorgebracht. Mijn vader moest zich staande dit gesprek voor eenigen tijd verwijderen om ambtsbezigheden, en nu viel Tante Van Bempden, die mij van Rome hoorde spreken, mij plotseling in de rede, om mij te vragen of ik de fresco's in het Vaticaan gezien had.

Ik antwoordde toestemmend en wilde een uitgebreide beschrijving van deze kunststukken geven; maar kwam er deze reis vrij van; want Tante scheen de gelegenheid alleen te willen waarnemen, niet om van mij iets te vernemen, maar om mij een redetwist te vertellen tusschen den Kunstkooper Tempermes en den Makelaar Mosselzalf, betreffende een haar toebehoorende schilderij, welke de eerste beweerde dat een origineele Carlo Dolce was, de andere daarentegen voor een kopie hield. De behandeling van dit punt gaf aanleiding tot een omslachtige uitweiding over de Italiaansche school, welke gevolgd werd door een vertoog over het voortreffelijke der keurslijven v. Douillié, en besloten met een aanbeveling van den pasteibakker Jakobsz.

De verschijning der jongere leden van de familie, die nu uit de verschillende scholen terugkwamen, gaf een nieuwe wending aan het gesprek, door aan Tante een andere bezigheid te bezorgen; want, aan mijn broeder Frits verzocht hebbende, haar een groot pak aan te reiken, met grauw papier omwonden, dat uit het rijtuig gekomen en in een hoek der kamer gelegd was, opende zij het, en vertoonde aan de verheugde kinderen een menigte prentenboekjes, welke zij onlangs gekocht had en hun ten geschenke aanbood, aan elk in 't bijzonder de uitlegging op den koop toegevende van het onderwerp, dat in de boekjes behandeld of op de plaatjes afgebeeld was, met vele aanwijzingen daarbij, op welke wijze en ten welken einde zij een en ander best zouden kunnen gebruiken. De milddadigheid van Tante bracht mij te binnen, dat ik ook geschenken had rond te deelen, en, zoodra het theegoed van tafel was genomen verzocht ik Frits en Jakob mij even naar mijn kamer te willen volgen. Zij voldeden slechts schoorvoetende aan mijn verzoek; want het kostte hun moeite de geschiedenis van Robinson Crusoë met fraaie houtsneeplaten, en de galerij van uitheemsche kleederdrachten neder te leggen;—maar des te hooger steeg hun blijdschap, toen ik, hen in mijn kamer gebracht hebbende, mijn koffers opende en daaruit een talrijken hoop pakjes, doozen en andere snuisterijen haalde, waarmede ik hen belaadde, terwijl ik mijzelf belastte met die voorwerpen, welke het meest gevaar liepen van te breken of beschadigd te worden.

"Mijn hemel! Ferdinand! waar moet dat alles heen?" vroeg mijn moeder, toen ik, vergezeld van mijn twee helpers, de zijkamer instapte.

"Zij gelijken wel de drie koningen, die met giften en gaven uit het Oosten komen," fluisterde Suzanna Tante Van Bempden in 't oor.

"Stil!" zeide deze met een bestraffenden blik: "laat Tante Letje u niet hooren."

"Mijn tijd! zijn dat allemaal presenten?" riepen mijn zusters Letje en Keetje, terwijl zij, haastig opstaande, een hoektafeltje bijschoven om er mijn waren op uit te stallen: de twee jongsten, Karel en Truitje, klapten in de handen en dansten van vreugde.

"Wel Ferdinand! Ik geloof, dat gij u arm gekocht hebt," zeide mijn moeder, haar breiwerk neerleggende: "komt toch nergens aan, kinderen! uw broeder zal het u immers wel wijzen."

"Ik hoop dat er voor mij ook wat bij is," zeide Suzanna, insgelijks oprijzende en zich nevens mij vervoegende. Zelfs Tante Letje kon haar nieuwsgierigheid niet bedwingen en ik vond mij weldra door de geheele familie omringd.

Het was een plechtig oogenblik. Daar stonden zij allen om mij heen in gespannen verwachting: en de stilte werd alleen afgebroken door halfgesmoorde uitroepen, als: "wat zou ik toch krijgen? hé! wat ben ik nieuwsgierig!—Ik weet wel wat ik zou verlangen! Stil toch! hinder uw broeder niet! Heden! wat een boel dingen!"—Wat mij betreft, ik liet mij geen woord ontvallen, maar een der zes of zeven scharen, om niet te gewagen van even zoovele knipmesjes, welke mij werden overgereikt, aannemende, maakte ik mij gereed om over te gaan tot het lossnijden der pakjes, toen ik mijn hand plotseling weder ophief.

"Wat is er? wat is er?" vroegen onderscheidene stemmen.

"Zullen wij niet wachten, tot vader weer terug is?" vroeg ik.

Daar keken zij elkander zwijgend en zuchtend aan.

"Wel foei!" zeide Suzanna: "dat is niet mooi, ons ongeduld eerst op de proef te stellen en dan niet te voldoen."

"Ja! maar mij dunkt dat Ferdinand gelijk heeft," zeide mijn moeder: "'t Zal vader zeker genoegen doen, de uitpakking bij te wonen, en daar moeten wij hem niet van berooven. Zijt nu verstandig kinderen!" vervolgde zij, ziende, dat deze en gene de lip liet hangen. "Uw vader zal wel zoo aanstonds terugkomen."

"Daar is Papa! daar is Papa!" riepen opeens een paar stemmen: en terstond liepen al de kinderen de kamer uit en kwamen terug, mijn vader, die uit zijn studeervertrek juist terugkwam, bij zijn gebloemde avondjapon voortsleurende.

"Ik geloof, dat ik ter goeder ure terugkom," zeide mijn vader, wien een blik, op de tafel geworpen, nog meer dan het door elkander roepen der kinderen, de toedracht der zaak deed begrijpen.

Nu ging de schaar haar gang: en het kleine Truitje was uitgelaten van vreugd, toen de losgemaakte papieren haar een fraai gekleeden pop deden aanschouwen.

"Ik hoop," zeide Kareltje, mij met zijn blauwe oogen vragend aanziende: "ik hoop...." hij durfde toch niet te zeggen wat hij hoopte; want hij begreep, dat het anders kon uitvallen; maar toen ik hem het voor hem bestemde toereikte, zag hij dat zijn wensch naar een verfdoos toch verwezenlijkt was.

Het zou bij u, waarde lezers! weinig belang wekken, indien ik stuk voor stuk de voorwerpen ging opnoemen, waarmede ik de jongere leden der familie beschonk; ofschoon gij,—voor zooverre gijzelven ooit in het geval zijt geweest, dergelijke geschenken na uw terugkomst van een buitenlandsche reis rond te deelen, of in uw jongere jaren die van anderen ontvangen hebt,—u de gewaarwordingen nog wel levendig zult kunnen voorstellen, welke men alsdan gevoelt, en welke te streelender zijn, naarmate het geschonkene meer de behoefte of den wensch van het oogenblik bevredigt. Wat mij betreft, ten dezen opzichte slaagde ik zeer gelukkig; want al wat ik uitdeelde was ook juist hetgeen men verlangde: en mijn broeders en zusters begonnen reeds te denken dat ik de gaaf had, op verren afstand iemands gedachten te raden, toen een glimlach mijner moeder aan de oudsten althans deed gissen, dat de goede vrouw mij in haar laatste brieven eenige wenken gegeven had omtrent hetgene meest welkom zijn zou.

Toen nu het kleine volkje beschonken, of, om niet dubbelzinnig te spreken, begiftigd—was, kwam de beurt aan de grooteren, en Suzanna zette groote oogen op toen ik haar met een sluier vereerde (men zou thans zeggen: een voile) die, in aanmerking mijner bekrompen middelen, als een kostbaar geschenk kon worden aangemerkt. Voor mijn moeder had ik een netgewerkt zakhorloge medegebracht en voor Tante Letje een eenvoudigen, doch sierlijk gesneden ivoren waaier, die haar bijzonder behaagde, omdat hij fraai en toch niet opzichtig was. Tante Van Bempden, die alles had of kom laten komen, wat de weelde verlangen kon, ontving een kleine antieke urn, welke ik te Rome had gekocht:—dit geschenk bracht een langdurige vergelijking teweeg tusschen den antieken en hedendaagschen smaak in bouw- en beeldhouwkunst.—Eindelijk was mijn vader niet weinig in zijn schik, toen ik, een doos openschuivende, hem een kleine verzameling aanbood der Romeinsche munten, die vóór den tijd der Keizers in gebruik waren, door mij gedurende mijn verblijf te Rome bijeengebracht. Mijn vader was, ondanks de bezigheden, welke zijn ambt hem opleide, een minnaar gebleven der classieke oudheid en van alles, wat daarmede in verband stond: en het was hem de zoetste verpoozing van zijn arbeid, wanneer hij, in de weinige uren van uitspanning, die hem te beurt vielen, zich in de lezing en beoefening zijner geliefkoosde schrijvers verlustigen kon. De brokken uit de Latijnsche dichters, waarmede hij gemeenzaam was, werden dan ook, gelijk men uit de vorenstaande bladzijden heeft kunnen zien, niet minder dikwijls in het dagelijksch gesprek door hem te pas gebracht dan de aanhalingen uit hetCorpus Iuris: ja somtijds ontvielen hem die, wanneer hij tegen mijn moeder sprak, hetgeen dan bij deze, en vooral bij mijn zuster, niet zelden een glimlach of vroolijke scherts deed ontstaan. Maar niet alleen de werken der Ouden waren mijn vader dierbaar: al wat zich, al ware het slechts zijdelings, aan de dagen van Athene of Rome's grootheid hechtte, was hem welkom: en die geldstukken, wier gehalte of innerlijke waardij voorzeker van weinig beduidenis was, en die hun meeste waarde daaruit ontleenden dat het stel vrij volledig scheen, werden door hem met te meer opgetogenheid beschouwd, naarmate der grootsche herinneringen, die zij bij hem opwekten.

Allen waren dus recht vergenoegd en tevreden: en de vroolijkheid werd niet weinig vermeerderd, toen een groote taart, ter viering mijner terugkomst gebakken, op de tafel verscheen en de zintuigen door de aangenaamste geuren streelen kwam. Witte broodjes, schoteltjes met kalfsvleesch en ossetong, en heerlijke vruchten, zooals in Europa de stookkasten van ons land alleen kunnen opleveren, omringden den hoofdschotel: en de sleutel des wijnkelders werd mij toevertrouwd om een flesch te halen van den wijn, die mij het best beviel. De kinderen kregen allen verlof, tot tien uren op te blijven: en de avond liep zoo genoeglijk af als men bij mogelijkheid verlangen kon: ja de algemeene vreugde werd door geen ander toeval gestoord, dan dat Tante Letje door het afbrokkelen van een stuk taart, een confituurvlek op haar hagelwitten halsdoek kreeg, en dat Jakob een half glas wijn stortte over eene der prenten, welke hij van Tante Van Bempden gekregen had: twee ongevallen, die echter, zooverre mij gebleken is, geen blijvenden indruk bij de lijdende partijen achterlieten.

"Ferdinand!" zeide mijn zuster Suzanna, toen zij zich den volgenden morgen alleen bij mij op mijn kamer bevond, waar zij mij hielp, mijn kleedingstukken en linnengoed in de kasten te schikken: "gij weet, dat gij mij nog rekenschap schuldig zijt wegens een gezegde, dat gij u gistermorgen hebt laten ontvallen."

"Santje!" zeide ik, terwijl ik haar een zijden vest overreikte: "gij weet, dat ik nog de vierschaar over u moet spannen wegens een misdrijf, door u begaan."

"Boe! boe! denk niet, dat gij mij met uw groote woorden zult afschrikken!—Tusschenbeide gezegd, daar zal heel wat speksteen noodig zijn, om de vlekken uit dit vest te krijgen:—ter zake: wie heeft u verteld, dat ik uw brieven heb laten lezen?"

"Wat knaagt dat geweten! Wie heeft u verlof gegeven, de gedenkwaardige memoriën, die ik u toezond, onder het oog van anderen te brengen?"

"Komaan! daar hebben wij een formeeleaccusatie, gelijk mijn vader zou zeggen: alleen is zij nog, zoo ik mij niet bedrieg, watvaagenongedetermineerd: ja—ik kan ook wel stadhuiswoorden samenflansen: ik weet zeer goed, dat men iemand niet condemneert wegens toegebrachte slagen, tenzij men eerst wete, op wiens rug de slagen neergekomen zijn. Vrage: aan wie heb ik uw prulschriften medegedeeld?"

"Antwoord: aan Mejuffrouw Henriëtte Blaek.—Schuldig bevonden! Gij krijgt een kleur—spoedig tot deconfessie."

"Wie heeft u dat gezegd?" vroeg Suzanna, terwijl zij uit loutere verbazing een batisten hemd, dat zij opgevouwen had, weder open liet rollen.

"Eenirreprochabelegetuige, Mejuffrouw Blaek zelve."

"Gij hebt haar dan gesproken?—En hoe vindt gij haar?"

"Een zeer aardig meisje!—maar dat doet niets tot het poinct in quaestie."

"Zeer aardig! Beken maar, dat gij op haar verliefd zijt. Gij krijgt een kleur—spoedig tot deconfessie.

"Verliefd! op een meisje, dat ik maar eens in mijn leven gezien heb? Denkt gij, dat ik zoo spoedig vlam vat?"

"Als wist ik niet, dat de jonge Heeren op uw leeftijd verlieven, wanneer zij slechts een vrouwenmuts op een bezemsteel zien."

"Altemaal praatjes om van den tekst af te dwalen. Vrage nogmaal, of gij genegen zijt, buiten pijn en banden, deconfessieaf te leggen, van te hebben geperpetreerd het enorme en in een land van goede justitie intolerabele feit, van aan gezegde Juffer Henriëtte Blaek en de hemel weet aan wie nog meer te hebben gegeven communicatie van zoodanige schrifturen en geheime stukken, als u waren toegezonden door den weledelen Heere Ferdinand Huyck,juris Romani neo non canonici Doctor, en welhaast,Deo volente, compagnon in het huis Van Bempden, Van Baalen en Co?"

"En zoo ik dat nu al bekenne, wat dan?"

"Dan zal ik u verder interrogeeren en vragen wat gij tot uw defensie hebt teallegueeren."

"Dat uw schrift onleesbaar is, zoodat de Heer Van Baalen de handen van schrik in elkander zal slaan, wanneer hij het ziet: en dat ik de hulp van Mejuffrouw Blaek, die zich volkomen verstaat op het ontcijferen van allerlei hiëroplyphen en manuscripten, heb moeten inroepen, om er uit wijs te worden."

"Die defensie gaat mank; want mijn schrift is net en leesbaar genoeg, en zoo ik, om het papier te besparen, wat klein geschreven heb, uw oogen zijn jong en goed, en er zijn overal brillen te koop."

"Ik heb ten minste geen bril noodig om te zien, dat er al heel wat aan uw kousen zal te mazen zijn, en dat, zoo gij nog een paar dagen langer op reis waart gebleven, gij hier blootsvoets hadt kunnen aankomen:—doch laat ons een speldje bij die gekheid steken: en vertel mij eens zonder omwegen, wanneer, waar, en ter welker gelegenheid gij Henriëtte gesproken hebt."

"Gij verdiendet, dat ik uw nieuwsgierigheid onbevredigd liet; maar kom! ik ben een goede broeder en zal medelijden met u hebben; want gij zoudt misschien barsten van ongeduld, en dat ware ongelukkig voor uw zijden keurs."

Ik voldeed dan aan haar verlangen, en gaf haar een vrij omstandig verhaal van mijn wedervaren op Guldenhof, waarmede zij zich niet weinig vermaakte.

"Maar dat is waarachtig een roman," ving zij aan, nadat ik mijn verhaal had geëindigd: "en al hadt gij er nog zoo tegen, gij zijt nu toch, naar de schoone orde der dingen, verplicht op haar te verlieven;—maar gij ziet, dat uw verhaal mijn vrijspraak medebrengt; want hoe zoudt gij het mij nu ten kwade kunnen duiden, dat ik uw brieven aan Henriëtte heb laten lezen? Hadt gij anders wel zulk een heerlijke stof tot onderhoud gehad? Gij zijt mij veeleer groote dankbaarheid verschuldigd, dat ik in uw afwezigheid mijn best gedaan heb, om aan een lief meisje goede gedachten van u te doen opvatten".

"Ik geloof, dat ik dit als een compliment moet opnemen, waarmede gij zoekt goed te maken hetgeen gij verbruid hebt."

"Ei kom! gij hebt veel te grooten dunk van uw eigene bekwaamheden, om iets voor mijne complimenten te geven: en ik ben overtuigd, dat de betuiging van Henriëtte, dat zij gelachen heeft om uw gekke uitdrukkingen, en uw beschrijvingen bewonderd, uw eigenliefde bijzonder gestreeld heeft. Ja zelfs, biecht maar zuiver op, hebt gij niet juist daarom van mijn misbruik van vertrouwen melding gemaakt, ten einde de gelegenheid te hebben, u met mij over Henriëtte te onderhouden?

Car pour un amoureuxIl est doux de causer de l'objet de ses feux."

Car pour un amoureuxIl est doux de causer de l'objet de ses feux."

Ik glimlachte; want er was veel waars in hetgeen zij zeide.

"Maar pas op!" vervolgde zij: "en hou uw hart achter dubbel slot, immers vooralsnog: de Heer Blaek zou u toch de hand zijner nicht niet toestaan."

"Wie denkt er aan hem die te vragen?—maar toch, stel eens, dat ik zulks deed, mag ik dan weten, wat hij tegen mijn persoon zou hebben."

"Tegen uw persoon?—Niets ter wereld. Maar hij zal allen vrijers den zak geven, enkel in de hoop, dat het zijn zoon eens behagen zal op zijn nicht te verlieven."

"Dat komt overeen uit met hetgeen mij de waardin te Eemnes vertelde; maar zoo die jonge Heer nu niet wil?"

"Spreek er niet van: er schuilt iets achter, ik begrijp niet wat: slechts eens heb ik eenige dagen op Guldenhof doorgebracht, en toen heb ik met eigen oogen gezien, dat de oude Heer, voor zijn zoon, het hof maakte aan zijn nicht. 't Is in allen gevalle zeer edelmoedig van hem; want dat lieve brokje van een Lodewijk zal zeer rijk worden, en zijn nicht heeft niets en hangt alleen van ooms goedertierenheid af."

"Hoe!" riep ik uit met eenige verbazing; want deze mededeeling strookte niet met hetgeen mij door den Heer Bos nopens Henriëttes vader verhaald was: "ik meende...." hier zweeg ik stil; want ik kon mijn autoriteiten niet noemen.

"Geloof mij," vervolgde Suzanna: "het is genoeg bekend, dat zij niets heeft. En haar oom, dit valt niet te ontkennen, heeft recht christelijk met haar gehandeld."

"Dat is wel mogelijk: en toch staat de man mij in sommige opzichten tegen: waarom weet ik zelf niet."

"Dat zeide Tante Van Bempden ook, toen hij haar voor een paar jaren ten huwelijk vroeg."

"Wat! heeft hij zich op zijn ouden dag nog aan een blauwtje gewaagd?"

"Hij is zoo oud niet als hij wel lijkt: zeker is hij in de laatste jaren merkelijk afgevallen;—maar jawel! hij heeft het beproefd, niet lang nadat gij van hier vertrokken waart. Zij heeft hem, gelijk aan meer anderen, geantwoord:

Prince, je chéris trop ma chère liberté,

Prince, je chéris trop ma chère liberté,

en heeft ons de vreugd niet willen ontzeggen van in haar een erftante te blijven beschouwen. Echter zijn zij goede vrinden gebleven, en daardoor ben ik in kennis geraakt met Henriëtte, voor welke Tante Van Bempden een bijzondere affectie heeft opgevat, en van wie zij dikwijls getuigt, dat zij het eenige meisje is, dat welopgevoed van een kostschool teruggekomen is."

"Maar hoe komt het toch," vroeg ik, na een poos te hebben nagedacht, "dat die Heer Blaek zoo machtig rijk is, en dat zijn nicht, die toch de eigen dochter is van zijn broeder, niets bezit? Heeft de Heer Blaek van zijn vrouw die schatten geërfd?"

"Hoor eens, hoe die jonge heer, die niet verliefd is, zich naar de zaken informeert! Maar denkt gij dan, dat ik de geschiedenis van die menschen zoo op mijn duimpje ken?—Of zijn vrouw geld had, weet ik niet; ik geloof dat hij gelukkig in den handel geweest ia en bovendien ergens een aardige erfenis gehad heeft: terwijl de vader van Henriëtte daarentegen den boel er door gelapt heeft en ellendig gestorven is. Hoe dit zij, de slotsom blijft altijd, dat men haar evenals mij, om onze goede hoedanigheden zal moeten nemen; want dat wij anders groot gevaar loopen, als vrijsters te sterven."

Hier werd het gesprek afgebroken door mijn moeder, die mij kwam onderhouden over de noodzakelijkheid om mij eenige nieuwe kleedingstukken, als hemden, kousen, enz. aan te schaffen: een onderwerp, dat, voor 't oogenblik althans, nog belangrijker en zeker meer spoed vereischende was, dan mijn vrijerij naar een Juffrouw zonder geld. Daar mijn waarde lezers wellicht niet van deze meening zullen zijn, zal ik hun dit onderhoud schenken, en evenmin gewag maken van ettelijke bezoeken van goede vrienden en kennissen, die mij dien morgen met mijn behoudene aankomst geluk kwamen wenschen.

Wij waren, op den namiddag van denzelfden dag, aan het nagerecht gezeten, toen men aan mijn vader een gezegeld pakket overhandigde, hetwelk hij werktuiglijk opendeed, wanende dat het in betrekking tot zijn ambtsbetrekkingen stond. Maar nauwelijks had hij er een vluchtig oog in geslagen, of verbaasdheid vertoonde zich op zijn trekken: zijn deftig gelaat ontplooide zich, en hij barstte uit in een luid gelach.

"Dat gaat u meer aan dan mij, Ferdinand!" zeide hij, mij den brief overreikende: "ja! lees maar overluid; het zijn geen geheimen!"

Ik nam den brief op en las niet zonder verbazing hetgeen volgt:

"Edelgestrenge Heer!

"Gelijk het vanouds de gewoonte is geweest, dat alle braven zioh verheugen over het geluk, dat aan vrome en aanzienlijke luiden te beurt valt, zoo moet de stoffe van blijdschap, welke aan UEG. en geëerde familie geschonken is, door de behoudene terugkomst van UEGs. uitmuntenden Heer zoon, ook bij alle rechtschapene ingezetenen dezer stad een billijke vreugde doen ontstaan.

"Bij mij althans is die vreugde zoo levendig geweest, dat ik mijn gevoel deswege niet heb kunnen noch willen bedwingen, maar hetzelve in hoogdravende klanken lucht heb moeten geven, welke ik toevertrouwd heb aan het nevensgaand papier.

"Mocht UEG. op dit zwakke voortbrengsel mijner nederige zanggodinne een gunstig oog laten vallen, niets zoude aangenamer zijn aan hem, die onder ootmoedige aanbeveling in UEGs. protectie, de eer heeft te zijn met den diepsten eerbied.

UEG. dienstvaardige en gehoorzameDienaar en HoogschatterLUCAS HELDING."

Mijn adres is op deRaamgracht, ten huize vanHeynsz, portretschilder.

Het "nevensgaand papier" droeg tot opschrift:

JUBELZANG,

"Uitgegalmd ter gelegenheid der voorspoedige wederkomste van den Weledelen Heer Ferdinand Huyck, Zoon enz."

Daarop volgde een gedicht van ruim honderd regelen, vrij net geschreven, en niet beter noch slechter dan de meeste verzen, die men in dien tijd maakte: ik werd daarin bij Theseus vergeleken, die behouden te Athene terugkwam. Gelukkig kende de poëet mijn avonturen van Woensdag-avond niet, anders had hij den Heer Bos als Minos, Amelia als de verlatene Ariadne en Andries als den Minotaurus kunnen laten optreden. Overigens werd ik overladen met loftuitingen en afgebeeld als

"Een jongeling, de bloem der Amstellandsche knapen,Zoo kloek van lijf en leen, van inborst zoo rechtschapen,Die zedigheid aan moed en geest aan vroomheid paart,En in des levens bloei reeds toont een mannenaard."

"Een jongeling, de bloem der Amstellandsche knapen,Zoo kloek van lijf en leen, van inborst zoo rechtschapen,Die zedigheid aan moed en geest aan vroomheid paart,En in des levens bloei reeds toont een mannenaard."

terwijl mijn vader de rijksteepitheta ornantiaontving, die uit te denken, of bij de oude dichters te stelen waren.

Wij vermaakten ons allen met dit fraaie stuk en ten koste van den armen vervaardiger, uitgenomen mijn moeder, voor wie het genoeg was, dat Helding mijn vader en mij lofspraken gaf, welke zij ons in haar hart waardig keurde, en die beweerde dat het een zeer zoet versje was, ofschoon hier en daar wat al te hoogdravend voor haar verstand.

"'t Is een heerlijk denkbeeld, om Papa bij Egeus te vergelijken," zeide Suzanna: "had hij nu maar geweten, hoe Papa 's morgens in verlegenheid was, toen Ferdinand niet terugkwam, dan had hij die vergelijking nog verder kannen uitwerken..., ofschoon vader de dwaasheid niet zou gehad hebben van in 't water te springen."

"Foei Santje! Wat zijn dat voor malle gezegden?" vroeg mijn moeder, die de geschiedenis van Egeus en Theseus niet volkomen helder voor den geest had.

"Wel! laat Frits u die historie eens verhalen," zeide mijn vader. "Age puer! incipias!"

En Frits, recht in zijn schik, de op de Latijnsche School verkregen kunde te mogen luchten, verhaalde nu het geval in al zijn kleuren, hetgeen ik niet doen zal, teneinde aan de mama's, die in het geval mijner moeder verkeeren mochten, gelegenheid te laten, zich daaromtrent door haar in de mythologie onderwezen zoontjes te doen inlichten en zich in het geheugen der veelbelovende knaapjes te verblijden.

"Verbeeld u nu," zeide Suzanna, nadat het verhaal geëindigd was, dat Papa, die eergistermorgen niet anders dacht, of Ferdinand was door den Minotaurus ingeslokt, uit pure wanhoop denzelfdencouphad willen doen als wijlen de Heer Egeus, en gij over hem stondt, als Badeloch uitroepende:

"Waar wilt gij heen? u zelf verdrinken in de gracht?

"Waar wilt gij heen? u zelf verdrinken in de gracht?

Wat zou dat een treffend schouwspel hebben opgeleverd."

"Nu! ik vind dat malle aardigheden," zeide mijn moeder.

"Maar hoe komt die zotte vent van uw terugkomst af te weten?" vroeg mijn vader.

"Ik heb hem bij den Heer Blaek op Guldenhof ontmoet," antwoordde ik, en gaf nu opnieuw, ofschoon ditmaal in weinige woorden, een kort verslag van mijn oponthoud aldaar.

"'t Is een arme duivel," zeide mijn vader: "poëta famelicus: en dat gedicht hebben wij niet voor niet; maar het zij zoo!"

"Wij mochten hem toch wel ten eten vragen," zeide mijn moeder.

"Niet te haastig, beste schat!" hernam mijn vader: "ik verbuig hem niet tot gastvriend te hebben: wanneer wij zoo terstond bijten aan het eerste aas, dat hij ons toewerpt, dan hebben wij kans dat hij ons niet loslaat, maar onze geheele familie lid voor lid bezingt."

"Wel dat ware niet onaardig," zeide Suzanna: "ik ben nog wel ouder dan Jetje Blaek, en er is nog nooit een vers ter mijner eere gemaakt. Het wordt hoog tijd, dat ik ook eens uit mijn vergetelheid rake. Ik zou van mijn kant zeer hartelijk wenschen, dat die poëet eens verzocht werd. Ik wilde wel zien, of ik hem niet tot mijn aanbidder maken kon."

"Santje! wat zijn dat voor zotheden, die u door 't hoofd malen?" zeide mijn moeder.

"Ik bedank er hartelijk voor om den man in huis te halen," zeide mijn vader, "en ik wilde dat hij op zijn Pegasus naar China reed."

"Dat is een verwénsching en een vérwensching tevens," zeide Suzanna.

"Intusschen," vervolgde mijn vader, "zijn beleefdheid moet betaald worden, en daarmede dient Ferdinand zich te belasten, als zijnde ten deze de geconcerneerde partij,heros celebratus. Zie daar twee dukaten: die zult gij naargelang van zaken hem aanbieden of op de tafel laten liggen. Ik geloof, dat die hem nog beter te pas zullen komen dan een uitnoodiging aan onzen disch, die hem nog een fooi aan de meid kost.—Hij is met dat al een eerlijke kerel, die veel wederwaardigheden gehad heeft: en hij verdient een aalmoes, zoo niet voor het goede, dat hij doet, dan ten minste voor het kwade, dat hij nalaat: en dat zegt, helaas! al veel."

"En onder welke van die twee categorieën schikt UEd. zijn verzen?" vroeg Suzanna.

"Onder geene, zottinnetje! dat is een gepatenteerde bedelarij, waartegen geene plakkaten bestaan."

"Die toch wel noodig waren," hernam Suzanna: "want ik ben van de meening van den Misanthrope, en zeg als hij, met betrekking tot slechte verzen:

Qu' un homme est pendable après les avoir faits."

Qu' un homme est pendable après les avoir faits."

"'t Is toch zonderling," merkte mijn vader aan, "dat de vrouwen altijd zoo crimineel zijn. Zoo men u tot Hoofdofficier aanstelde, zou er binnen de veertien dagen een oproer zijn."

Ik wandelde dan, niet lang nadat wij van tafel waren opgestaan, naar de Raamgracht, en vond weldra het huis dat ik zocht, en hetwelk kenbaar was aan het, vrij slecht geschilderd, doch sprekend gelijkend afbeeldsel eener in Amsterdam te dier tijd welbekende groenvrouw, 't welk achter de glasruiten der zijkamer geplaatst was, nevens een bordje, waarop in gekleurde letteren te lezen stond: ZACHARIAS HEYNSZ,Portretschilder. Het was een ouderwetsch gebouwde woning, drie verdiepingen hoog behalve den zolder, met twee kruisramen naast elkander en een vrij hooge, recht opgaande stoep. Ik schelde aan, de bovendeur ging open, en wel, evenals zulks alleen in de toovergeschiedenissen en in sommige Amsterdamsche huizen plaats heeft, zonder dat men kon gewaar worden door welk middel: eerst toen ik opzag, ontdekte ik, aan het bovenste einde van een vrij steile, van de voordeur door een kort portaal afgescheiden trap, iets dat zich in de duisternis bewoog en naar een vrouwelijke gedaante zweemde.

"Wat is er van je dienst, Sinjeur?" klonk de stem uit de hoogte.

"Ik wilde Monsieur[5]Helding spreken."

"Kom maar op!" antwoordde de stem: "en wees zoo goed, de deur weer achter je te sloiten."

Ik ontsloot op dit verzoek de deur geheel, en na die weder behoorlijk gesloten te hebben, trad ik tastende naar boven, mij tot meerdere zekerheid vasthoudende aan de koord, welke langs den muur liep, en waarmede de vrouw, die boven stond, de deur had opengetrokken.

"Nou dat trappie op," zeide zij mij, zoodra ik bij haar stond: "en dan de derde deur aan je rechterhand: maar pas op! het is wat doister hier."

En inderdaad, het was zoo donker, dat ik werk had, mijn voeten op de rechte plaats neder te zetten. "Voorwaar," dacht ik: "per ardua ad as tra!zoo onze dichter nooit den top van den Helicon bestegen heeft, het is niet, dat hij de gewoonte mist om te klimmen."

Ik vond eindelijk de deur, welke ik zocht, en klopte aan.

"Binnen!" riep een stem, die mij toonde dat ik te recht was.

Ik trad in: het was een achterkamertje met één raam, waarvan de ruiten voor de helft gebroken waren: de vloer was met roode tichelsteenen belegd, hetgeen in heete zomerdagen zeer frisch, maar 's winters wat koud moet geweest zijn; terwijl ook de bedstede zonder gordijnen geen zeer behaaglijk aanzien had. Voor 't overige bestond de geheele inboedel uit eene tafel en twee stoelen. Op den eenen zat de bewoner zelf, met een blauwe bakkersmuts op het hoofd, een rood baaien buis aan 't lijf en kousen van touwwerk aan de beenen. De andere stoel was met degarderobedes goeden mans beladen: zijn degen stond er tegen aan: zijn pruik versierde den eenen en zijn hoed den anderen knop.

Het vereischte geen geringe mate van voorzichtigheid om den bewoner te naderen: daar de vloer grootendeels bedekt was met boeken, wier versletene, bemorste en gescheurde banden wel getuigden, dat de eigenaar meer hun innerlijke waarde dan hun uiterlijken tooi op prijs stelde.

"Wel, Mijnheer Huyck!" zeide Helding, oprijzende en zijn kort, zwart gebrand, pijpje uit den mond nemende: "neemt UEd. waarlijk zelf de moeite? Waarom heeft UEd. de meid niet boven gestuurd: ik ware wel afgekomen en vriend Heynsz had ons zijn zijkamertje wel afgestaan."

"'t Is misschien wat vrijpostig, dat ik zoo op kom loopen," zeide ik: "maar de meid zeide mij, ik moest maar bovengaan. Ik kon niet nalaten, mijn dank te betuigen voor de beleefdheid,..."

"Te veel eer, te veel goedheid," zeide Helding, terwijl hij mij zijn stoel aanbood en den anderen ontdeed van de daarop geplaatste kleedingstukken, die hij gezamenlijk op den bultzak in de slaapstede wierp: maar wat ik UEd. bidden mag, neem toch eerst plaats, ik ben geheel verlegen en confuus van de moeite die UEd. neemt om zoo tot de hanebalken op te klimmen.—Ik woon hier wat hoog."

"Wel! dat is als het behoort," zeide ik, lachende: "een poëet kan niet te dicht bij de Goden huizen."

"UEd. gelieft te schertsen," antwoordde hij: "maar waarlijk, het is hier te hoog. Voor mij is dit niets: ik ben dit gewend: alleen 's winters kan het hier wel wat bar zijn; doch ik blijf er gezond bij en vroolijk. En waarmede zal UEd. gediend zijn? Nectar of ambrozijn is hier niet te bekomen; maar ik heb toch nog een paar flacons echten cognac, die mij overgebleven zijn van een vereering, mij gedaan door den waardigen Heere Willem De Bron, toen ik een dichtstuk gemaakt had op zijn gouden bruiloft."

Ik kon niet nalaten bij mij zelven te lachen over de niet onaardige wijze, waarop Helding, terwijl hij mij beleefdheid aandeed, tevens de gelegenheid te baat nam, om mij te kennen te geven, dat hij gewend was, zijn liederen met eencadeaubetaald te zien. Ik zocht mij met dat al jegens hem te verontschuldigen, zeggende, dat ik, zooeven van tafel komende, niets verlangde; maar het was vruchteloos praten; de gulle man kreeg een der kostbare fleschjes van onder zijn bedstede voor den dag en vulde daar twee kleine kelkjes mede, waarna hij mij zwijgend aanzag, als wilde hij zeggen: "nu ben ik gereed uw lofspraken aan te hooren."

Ik liet hem ook niet lang in verlegenheid: en wetende, dat de menschen in 't algemeen en de dichters in 't bijzonder nog liever gevleid dan geprezen worden, zwaaide ik aan het flauwe voortbrengsel zijner Muze meer lof toe dan ik aan de beste verzen van Vondel zou geschonken hebben. Ik schaamde er mij wel wat over, maar wat zoude ik doen? de man had mij zulke onverdiende loftuitingen op rijm vereerd, dat ik hem wel met gelijke munt in proza diende te betalen. Hij hoorde mij zwijgend aan, met een glans van genoegen op het gelaat, nu en dan het bovenlijf buigende, en bij poozen een slokje uit zijn glaasje nemende, hetgeen hij met zooveel welgevallen scheen te proeven, dat het mij twijfelachtig voorkwam, wat hem beter aanstond, de lofspraak of de brandewijn.

"Ach Mijnheer!" zeide hij, toen ik mijn kraam van complimenten had uitgeput: "dachten alle menschen in Holland zooals UEd. en legden zij allen zulk een juist oordeel en zulk een fijnen smaak aan den dag, het zou er wat beter met ons Muzenzonen uitzien. Maar helaas! daar is in de zeven Provinciën geen liefhebberij voor de dichtkunst meer."

"De Heer Blaek," zeide ik, "schijnt u nogal te beschermen."

"De Heer Blaek," antwoordde Helding, "is een waardige schutsheer der letteren en ik ben hem groote dankbaarheid verschuldigd. Jammer maar," vervolgde hij, een weinig bijschuivende, "dat hij zooveel zaken in het hoofd heeft en daardoor somtijds zoo stil is, zoo afgetrokken. Soms gebeurt het, dat ik hem de beste regels voorlees, die ik ooit vervaardigd heb, en wanneer ik aan het einde ben en een klein compliment verwacht, dan schijnt hij ais uit een droom te ontwaken, en vraagt aan zijn zoon, hoe de wisselkoers op Genua is, of welken prijs de koffie op de laatste veiling gehaald heeft."

"Maar zijn zoon dan?" zeide ik, zoetjes aan het gesprek op Henriëtte wenschende te brengen.

"Zijn zoon is een knap jong mensch! vol vernuft en geest; maar zoo wild! nu, de jeugd mag wel wat los zijn: hij schept er altijd vermaak in, den ouden Helding wat te plagen. Soms fluit hij een deuntje, terwijl ik aan 't voorlezen ben, of maakt proppen en broodballetjes en knipt mij die tegen den neus. Ja! er zijn geen poetsen, die hij mij niet speelt. Heeft hij mij laatst niet buiten mijn weten een scharlaken lap op den rug gespeld enquasiom een boodschap aan den pluimgraaf, naar de menagerie gestuurd, waar de kalkoenen mij aanvlogen als dol? En een andere reize, toen ik een lichtkleurige broek aanhad, stuurde hij zijn honden een moddersloot in en liet die vervolgens tegen mij opspringen, zoodat ik, geen andere kleding bij mij hebbende, den gansenen avond voor het keukenvuur heb moeten zitten om mij te drogen, en zeker niet weer in de zaal had durven verschijnen, indien Mejuffrouw Henriëtte, van mijn ongeval gehoord hebbende, zich mijner niet ontfermd had en mij uit de oude plunje van haar oom een ander kleedingstuk had opgeschommeld. Zooals ik zeg: het is een vroolijk Heer; maar ik moet het van hem wel verdragen! wij zijn zulke oude kennissen: en hij heeft soms wilde buien ook."

Ik schudde het hoofd en beklaagde bij mijzelven den armen man, die op zijne jaren om een aalmoes zulke vernederingen dulden moest. "En Mejuffrouw Blaek," zeide ik toen: "zij althans schijnt u zeer genegen."

"O Mijnheer! Een engel is zij. Wel is waar, zij vat niet altijd de fijne knepen der poëzie! maar anders, een hart heeft zij ... zooals geen meisje uit de stad. Ja! zoo dat eens een huwelijk geeft, de Heer Lodewijk zal dan een juweeltje van een vrouw aan haar hebben, dat verzeker ik u."

"Is dat huwelijk reeds bepaald?" vroeg ik, eenigszins onrustig.

"De oude Heer zou het gaarne zien; maar, tusschen ons gezegd," vervolgde hij op een vertrouwelijken toon: "de Heer Lodewijk wil, geloof ik, zijn vrijheid nog wel wat behouden: ja! ja! dat geeft somtijds onpleizierige tooneelen; maar, ik mag niet uit de school klappen. Eergisteren onder anderen, toen UEd. Guldenhof verlaten hadt, was het er vrij onstuimig ... ja! de oude Heer heeft niet gaarne dat andere jongelieden hun hof aan Juffrouw Jetje maken. Zoo ik mij op uwe bescheidenheid verlaten kon, zou ik UEd. kunnen verhalen, wat er bij die gelegenheid voorviel."

Ik antwoordde niets; want, ofschoon vrij nieuwsgierig, wilde ik den man niet aanmoedigen om familietwisten, waarvan het toeval hem getuige had gemaakt, aan mij te openbaren. De brandewijn had intusschen op Helding zijn invloed uitgewerkt en hem spraakzaam, of liever, openhartig gemaakt. Hij nam mijn stilzwijgen op als een bewijs van toestemming en ging aldus voort:

"Pas was UEd. uit het oog, of daar begon het lieve leven. De Heer Blaek zette een gezicht, zooals hij alleen bij feestelijke gelegenheden doet: "past het een fatsoenlijk, welopgevoed meisje," vroeg hij, "met een jong Heer alleen te zitten en drank met hem te gebruiken?" Toen sloeg mijn lieve Flora (ik ben schertsenderwijze gewoon haar Flora te noemen) haar oogjes neder en zeide: "Oom! ik heb geen drank geproefd: ik heb zelfs geen woord met den Heer Huyck gesproken, eer hij zich bekend gemaakt had."—Dat lieve stemmetje had de gewone uitwerking: en de omstandigheid, die zijn nicht hem mededeelde, scheen den ouden Heer een pak van 't hart te nemen. "Zoo!" zeide hij, "had je hem nooit meer gezien? Maar hoe weet je dan, of hij u geen knollen voor citroenen in handen gestopt heeft: gij deedt beter, niet meer zoo alleen naar den koepel te gaan; er zwerft zooveel slecht volk tegenwoordig langs den weg, en een gauwdief neemt alle namen aan. Baas Roggeveld heeft ons immers nog verteld van die inbraak. 't Is zeker volk van de bende van Zwarten Piet. En dan kleeden zich die schelmen soms als Heeren en sluipen in de huizen, om te zien, of er iets van hun gading is."—"Ja!" zeide de Heer Lodewijk: "en wanneer zij niets anders vinden, pakken zij de mooie meisjes ook al mede."—Ik kan u zeggen, Mijnheer Huyck, het denkbeeld deed mij schrikken! verbeeld u, mijn aanbiddelijke Flora,


Back to IndexNext