DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

d'armes et d'ennemis je suis environnée."

d'armes et d'ennemis je suis environnée."

"Wat wil men?" vroeg Tante: "wie van het gezelschap moet er gepakt worden."

"Van het gezelschap niemand," antwoordde de Naarder Onderschout: "maar het zal UEd. niet weinig bevreemden van te vernemen, dat die vrouw daar goedvindt uw hoeve tot een logies voor verdachte lieden te bezigen.

"Het is zoo, Zuster!" zeide mijn vader: "de Baron Van Lintz, dien gij u nog wel herinneren zult, heeft hier gisteren, en zoo ik mij niet bedrieg, ook vroeger nog, zijn intrek gehad."

"Nu ja!" zeide Martha, de zwijgende ondervraging van Tantes blik beantwoordende: "hij is hier 'eweest, en zijn dochter ook: en nou binnen zij Goddank weg en vrij ook, naar ik hoop. En al moest Mevrouw men er op men ouwen dag voor op straat zetten, ik kon niet aêrs doen als ik 'edaan heb. Wie zou nou zoo barbaarsch wezen, om as iemand, dien men met zijn eigen melk het 'evoed, bij je komt en zeit: moeder Martha! ze zitten men overal op het lijf, en ik kan nergens een veilige schuilplaats vinden, om dan te zeggen: scheer je van mijn deur weg."

"Daar is wat van aan," zeide Tante: "en ik kan toch ook niet vinden, dat mijn erf er door onteerd is, dat er een Grande van Spanje op gelogeerd heeft.—En wat is er van hem geworden?—Die arme Van Lintz! hij is zoo dikwijls mijn Cavalier geweest."

"Dat is juist de vraag, wat er van hem geworden is," zeide de Naarder Onderschout: "hij heeft, ondanks al onze voorzorgen, weten te ontsnappen."

"Dat verblijdt mij," zeide Tante Letje: "want het zal tot een vertroosting strekken voor zijn arme dochter, die hedenmorgen, toen ik haar verliet, bittere tranen schreide, uit ongerustheid over het lot haars vaders."

"Hoe? Is het dan werkelijk zijn dochter, die ten uwen huize is? Gij zult mij dat alles nader vertellen, Zuster!" zeide Tante Van Bempden.

"Zij behoeft niet voor de misslagen haars vaders te boeten," zeide mijn vader: "en ik vlei mij, dat zij bij mijn zuster een meer betamend verblijf heeft gevonden, dan bij Heynsz, en er althans aan geen lastige bezoeken zal blootgesteld worden." Dit zeggende zag mijn vader Lodewijk aan, die verbaasd een stap achteruit deed.

"Hoe!" riep hij: "was die Juffer...?" Hij eindigde den volzin niet, met reden begrijpende, dat de wijze, waarop hij haar kennis gemaakt had, hem niet tot eer verstrekte.

"Ed.-Gestrenge!" zeide Heynsz, mijn vader ter zijde trekkende: "ik heb nog eens geïnterrogeerd al die lieden: zij hebben niemand zien gaan van hier, als alleen den koetsier van den Heer Blaek met het rijtuig."

"Dat rijtuig zou te Huizen stallen," zeide mijn vader zachtjes: "Haast u derwaarts en hoor of het er werkelijk geweest is. De Heer Blaek en de Graaf zijn oude bekenden."

Dit gezegd hebbende, begaf mijn vader zich met zijn ambtgenoot ter zijde, ten einde de meest geschikte maatregelen te beramen: waarop deze laatste zich verwijderde, en ook Heynsz met de dienaars in verschillende richtingen aftrokken. Dit voorval had intusschen de genoegens der partij gestremd: tot zelfs de kinderen toe dorsten zich niet aan hunne gewone, vroolijke luidruchtigheid overgeven, bij het zien der opschudding, die plaats vond, en der ontsteltenis, welke op veler gelaat te lezen was. Tante Van Bempden bemerkte dit, en oordeelende dat alleen de verandering van tooneel de gemoederen weder tot rust zoude brengen, gaf zij last om in te spannen. Terwijl dit plaats had en de dames zich weder met de gewone toebereidselen ter afreize bezig hielden, deed ik aan mijn vader het verhaal van mijn kennismaking met den Graaf.

"Indien gij verkeerd gehandeld hebt," zeide hij, na mij met bedaardheid te hebben aangehoord, "zult gij genoeg gestraft zijn door de kwellingen, die gij deze laatste weken hebt ondergaan. Ik zal u geene verwijten doen: uw toestand was moeilijk: en sterkere hoofden dan het uwe zouden er van aan 't malen zijn geraakt. Ik zal intusschen blijde zijn indien de Freule gelegenheid vindt om Tante te verlaten. Ik weet niet of het wel goed voor u en voor haar is, dat zij daar langer blijft."

"Ik verzeker u," zeide ik, "dat ik voor haar alleen deelneming en niets meer gevoel."

"'t Is mogelijk! Maar zij—zij is ongelukkig: en dan hecht men zich lichtelijk aan hen die ons diensten bewijzen:—en wanneer dan hij, die den dienst bewezen heeft, een knappe jongen is, en zij, die dien dienst ontvangt, een meisje met een niet ongevoelig hart, dan deugt zulks voor geen van beiden, en is de laatste vooral te beklagen.—Dan, nu geen woord meer over dat onderwerp."

Ik kon niet nalaten van bij mijzelven te glimlachen over de samenstemming van hetgeen Amelia's vader mij vroeger had te kennen gegeven en hetgeen thans de bekommering van den mijnen wekte. Ik had echter geene zoo groote inbeelding van mijzelven, om te gelooven, dat ik nu juist de persoon zoude zijn, op wien Amelia verlieven zoude.

Een oogenblik daarna kwam het rijtuig van den Heer Blaek terug: een schijnbaar onbeduidende wenk, door dezen aan den koetsier gegeven, en welken de laatste met een hoofdknik beantwoordde, bevestigde mij in mijn vermoedens omtrent de wijze, waarop de Graaf ontsnapt was.

Wij reden nu allen weer naar Heizicht, alwaar wij met een wandeling door de plaats den tijd poogden te korten en nieuwen eetlust op te doen tot het middagmaal. Nauwelijks had de bel het teeken hiertoe gegeven, of wij zagen het rijtuig van den Heer Van Baalen oprijden en hijzelf met een bezorgd gelaat daaruit stappen.

"Wel, mijn waarde Van Baalen! riep Tante hem toe: "hebt gij zoovele drukte aan het kantoor gehad? Wij rekenden al niet meer op u."

"Wat helpt het klagen!" zeide hij, de schouders ophalende: "het is mijn lot, en ik tref het altijd ongelukkig, dat, zoo vaak ik uit verzocht word, er iets in den weg moet komen. Vriend Huyck! ik moet u even spreken, met verlof van het gezelschap."

"Is er zwarigheid?" vroeg ik, met hem ter zijde gaande.

"Niet gering!" antwoordde hij: "deFortuinis door den storm op de Terschellingsche banken geslagen. De equipage is gered, en men is bezig de lading te lossen; maar het schip zal, vrees ik, verloren zijn."

"Dat is voorwaar een Jobstijding!" zeide ik ontroerd: "en is UEd. zeker dat niemand er het leven bij ingeschoten heeft?"

"Niemand," zeide Van Baalen: "en dat is waarlijk een wonder te noemen. Nu ik hoop maar, dat Pulver wijs genoeg zal zijn om een spoedige gelegenheid te vinden, om de goederen verder te zenden: vooral de thee; want daar is nog een kapitaal op te winnen; en wordt dat nu verzuimd, dan is binnen een maand de markt overhoopt. Het is drommels uit den koers; anders ware het nog altijd wel zaak, er iemand heen te zenden, om te zien hoe de zaken staan en wat er nog van te halen is, eer de strandvonders en kustwaarders met alles gaan strijken."

"Dan is het misschien best, dat ik er zelf maar heen zeile," zeide ik.

"Ik dorst het u niet voorstellen," zeide Van Baalen: "maar dat zou voorzeker een brave daad van u zijn.—Wanneer zoudt gij in staat zijn te vertrekken?"

"Wel! dadelijk, als het noodig is."

"Neen! Heden zoudt gij toch geene gelegenheid meer vinden: en wij dienen vooraf nog dezen en genen te spreken; want ik kon dezen morgen, met de Zaterdag, slechts de helft aantreffen van hen, die ik noodig had. Zoo gij morgen met den Harlinger beurtman vertrekt, en verder een visschersvaartuig naar Terschelling neemt, zal het toch altijd het beste middel van overtocht zijn; want de gewoneroutemet de postschuit kan ik u niet erg aanraden."

Dit punt alzoo geregeld hebbende, begaven wij ons weder bij het gezelschap, waar wij natuurlijk geen geheim maakten van het voorval, en de betuigingen van deelneming der aanwezigen erlangden. Een en ander was echter weinig geschikt om de genoegens, die men zich van het feest had voorgesteld, te verhoogen.

"Wel lieve moeder!" zeide ik, de beste vrouw bij de hand nemende: "uw jaardag wordt onder geen blijde voorteekenen gevierd."

"O!" zeide zij, mij een kus op het voorhoofd drukkende: "beklaag mij niet: ik gevoel mij gelukkig; want ik heb op dezen dag de zekerheid bekomen, dat wij u onschuldig verdacht hebben gehouden; en zou ik dan nog over iets anders kunnen bedroefd zijn?"

De gebeurtenissen van den dag waren echter nog niet ten einde geloopen: op het nagerecht ontving mijn vader met de 's-Gravenlandsche schuit een pakket uit Amsterdam. Behalve eenige berichten voor hem, bevatte het een brief voor Tante Letje, dien hij haar ter hand stelde. Zij opende dien: hij was van Amelia, die haar, onder warme dankbetuigingen voor het haar verleende verblijf, kennis gaf, dat zij vertrokken was, om haar vader terug te vinden en met dezen de Vereenigde Provinciën voor altijd te verlaten, terwijl zij verschooning verzocht, van zich dus zonder afscheid te verwijderen, hetgeen men toch vooral aan geen gebrek aan hartelijkheid moest toeschrijven: maar alleen aan de gebiedende noodwendigheid, welke haar gedwongen had, op een zoo verhaaste wijze van de zich opdoende gelegenheid gebruik te maken.

"Zij maakte zich op en ginck heenen," zeide Tante Letje: "maar ik zegge: de Heere beeft haar laten gaen; want zij volgt haar vader wien zij verplicht is te eeren en te gehoorzamen, ofschoon hij een man Belials zij, vol van twistzoeking en ongerechtigheid!"

"Ik sloeg haar 't heilig kruis, naardien zij optrock, na."

"Ik sloeg haar 't heilig kruis, naardien zij optrock, na."

zeide Suzanna.

"Ja! ik ben ook maar blijde, dat zij weg is," zeide mijn moeder: "want zij moge dan zoo mooi en verstandig zijn als men wil, ik hou niet van die vreemde floddermadammen, die zoo geheel anders zijn, als wij gewend zijn."

Ik kon mij niet weerhouden, te glimlachen over dezen uitval van mijn anders zoo goede moeder; maar ook zij was niet vrij van het verschoonbare vooroordeel, hetwelk gemeenlijk door al de zoodanigen, die aan een ordelijke, afgepaste, alledaagsche sleur gewoon zijn, wordt opgevat tegen hen, die daarvan met voordacht of onschuldig afwijken. Ik gevoelde geen trek om als Amelia's verdediger op te treden, daar ik zelf innerlijk over haar vertrek verheugd was en niet verlangde verder over haar te praten; en ten andere verhinderde ook de tegenwoordigheid van Lodewijk, voor wien het onderwerp mede niet aangenaam kon zijn, zoowel mij als de overige Heeren, iets meer betreffende haar in 't midden te brengen. Al het gebeurde had echter eenige stilte bij de aanwezigen teweeggebracht, en maakte dat het feest, wat althans de vroolijkheid betreft, niet volkomen aan Tantes verwachting beantwoordde: vooral de Heeren Blaek, vader en zoon, waren afgetrokken van gedachten, en het kwam mij voor, dat het beiden een verlossing scheen, toen hun rijtuig werd aangemeld, waar zij dan ook niet vertoefden gebruik van te maken, maar zich dadelijk verwijderden: terwijl ik kort daarna met den Heer Van Baalen den terugtocht naar Amsterdam ondernam.

De volgende morgen werd door mij besteed om van mijn compagnon en een paar andere, bij de zaak belanghebbende lieden, de laatste instructiën te ontvangen, mijn goed te pakken en daarbij uit mijns vaders boekerij eenige werken te voegen, handelende over het strandrecht; welker lezing mij eenigszins in staat zoude kunnen stellen om met meer kennis van zaken de mij opgedragen taak te volvoeren en tevens eenig tijdverdrijf aan boord zou bezorgen. Na afscheid genomen te hebben van mijn ouders, die, ofschoon het noodzakelijke mijner reis inziende, echter (en vooral mijn moeder) niet konden nalaten eenige bekommering deswege te gevoelen, te meer na de slechte ondervinding, die ik kort te voren van een zeetochtje had opgedaan, en de rampen, welke de Texelsche lijst vermeldde, trok ik tegen zes uren naar den beurtman. Het was nog vroeg toen ik aankwam, en er bevonden zich nog maar weinige passagiers aan boord; doch wier getal van lieverlede aangroeide. Eindelijk ging de bel, welke de leuteraars en achterblijvers waarschuwen moest, dat het vertrek ophanden was; doch niet weinig stond ik verwonderd, toen ik, den steiger langs kijkende naar de passagiers, die nu hijgende en blazende aan kwamen geloopen, onder hen vriend Lucas Helding herkende, het lijf in eene dichte overjas gewikkeld en met een mantelzak onder den arm.

"Welzoo!" riep ik, toen hij aan boord stapte: "gij hier, vriend Helding? Gij waart wel de laatste man, dien ik tot reisgenoot verwachtte."

"Is het mogelijk!" riep hij van zijn kant uit: "Mijnheer Huyck! wel dat is een aangename verrassing! ik kon niet hopen zulk een vereerend gezelschap aan boord te vinden. En gaat UEd. ook naar Harlingen, als ik vragen mag?"

"Dat zal wel waar, zijn," antwoordde ik lachende: "want ik geloof niet dat de schipper ons ergens anders zal aan wal zetten: althans dat zou een slecht teeken zijn;—maar in zooverre is uw vraag zoo onjuist niet, ingeval gij het doel mijner reis beoogt, want die moet zich nog verder uitstrekken dan Harlingen. Maar wat jaagt u naar Frieslands kust?"

"Och Mijnheer! een treurige reden; maar die ik zoo niet vertellen kan," en hier zag hij om zich heen, als wilde hij mij te kennen geven, dat hij zich in tegenwoordigheid van zoovelen niet vrij kon uitlaten. Later echter, toen wij onder zeil waren en de meeste passagiers zich naar beneden hadden begeven, deelde hij mij in 't vertrouwen de reden zijner reis mede. Hij had namelijk van Heynsz, wiens, op last mijns vaders, in 't werk gestelde nasporingen eindelijk van uitwerking geweest waren, het bericht bekomen, dat zijn dochter Klaartje, na lang her- en derwaarts te hebben rondgezworven, eindelijk was te land gekomen te Harlingen en aldaar als meid diende in een kroeg, welke juist niet in den besten reuk stond en gewoonlijk door varensgezellen bezocht werd. Bij het ontvangen dier mededeeling had Helding, zonder lang beraad, het besluit genomen dadelijk op reis te gaan om het verdoolde schaap op te zoeken en zoo mogelijk weer terug te brengen. Het was aandoenlijk op te merken, hoe hij, aan de eene zijde, huiverde tegen de ontmoeting en zich schaamde over haar, die zijn onberispelijken naam onteerd had, en, aan de andere zijde, verlangde haar terug te zien en, kon het zijn weder tot zich te nemen. "Och!" zeide hij: "ik weet het wel, Mijnheer Huyck; zij heeft gezondigd: maar zij is toch mijn dochter, mijn eenig kind, en was eenmaal het sprekende beeld van haar nu zalige moeder—en Goddank! dat deze niet geleefd heeft, om haar schande te zien—ofschoon, indien de brave vrouw was blijven leven, zij wellicht ons kind weerhouden had van den slechten weg op te gaan; want daartegen kan een vader toch zoo niet waken als een moeder doet;—och! het is misschien grootendeels ook mijne schuld, omdat ik het kind niet genoeg heb gadegeslagen of te mal met haar geweest ben:—ik had haar zoo lief: en als ik haar maar eens weer bij mij heb en zij berouw toont, dan zal zich alles wel weer schikken en wij zullen nog blijde dagen samen beleven."

Deze en dergelijke redenen had Helding overvloedig de gelegenheid mij te herhalen, gedurende onzen overtocht, die ruim vier en twintig uren duurde, daar wij den wind vlak tegen hadden en dus genoodzaakt waren gedurig te laveeren: en, ofschoon zijn stof tot onderhoud dus noch gevarieerd noch opbeurend was, hoorde ik hem echter liever over dit onderwerp spreken, hetwelk ten minste van zijn goed hart getuigde, dan dat ik gedwongen ware geweest, hem over poëzie te hooren redekavelen of, wat erger was, naar het opzeggen zijner dichterlijke voortbrengselen te moeten luisteren.

Het was ongeveer 's namiddags zeven uren toen wij Harlingen bereikten. Reeds gedurende den overtocht had ik aan Helding den raad gegeven, om zich dadelijk bij de Overheid te vervoegen en van deze assistentie te verzoeken tot het doen zijner nasporing: daar ik met reden beducht was, dat de lieden, bij wie zijn dochter inwoonde, zwarigheid zouden maken in haar vertrek te bewilligen, en misschien voorgeven, dat zij nog schulden had, of andere dergelijke voorwendselen oprapen, of ook haar verborgen houden: en daar ik dien avond toch niets beters te doen had, bood ik aan hem te vergezellen; een voorstel, 't welk hij dankbaar aannam, overtuigd, dat mijn naam en tegenwoordigheid meer klem aan zijn verzoek zouden bijzetten. Na alvorens met een visschersman, dien ik had doen ontbieden, een akkoord getroffen te hebben om mij den volgenden morgen met het krieken van den dag naar Terschelling over te brengen, verliet ik met Helding de herberg, waarin wij onzen intrek genomen hadden, en vergezelde hem bij den Schout, die zich dadelijk tot medewerking geneigd betoonde en ons een dienaar medegaf, met last om ons behulpzaam te zijn in onze nasporing en zoo men zwarigheid maakte, partijen voor hem te brengen. Minder gunstig echter viel ons bezoek in het wijnhuis uit, waar wij tot bescheid bekwamen, dat de persoon, die wij zochten, wel sedert drie weken daar aan huis had verkeerd, doch sedert een paar dagen met een varensgezel, die een oude bekende scheen, was afgetrokken. Deze tijding sloeg, gelijk men denken kan, den armen Helding geheel ter neder; want behalve de teleurstelling in zijn verwachting, was het voor hem bij den bekrompen staat zijner geldmiddelen, geheel geen aangenaam vooruitzicht, om, ter verdere nasporing zijner dochter, nieuwe uitgaven te moeten maken, die wellicht even vruchteloos zouden besteed zijn als die, waartoe hij reeds was verplicht geweest. Ik gaf echter den moed niet zoo ras verloren, maar ging voort met de lieden in het wijnhuis te ondervragen, en gaf hun zelfs te kennen, dat ik nog eenigszins de echtheid hunner berichten bleef wantrouwen.

"Zoo jou me niet 'elooven wilt," zeide eindelijk de waard, terwijl hij op een der lieden wees, die in zijn voorhuis onder hun gelag bijeenzaten: "daar zit Janke Sikkes, die heeft hen zelf met zijn schuit weg 'ebracht."

Ik zag om en herkende den visschersman, dien ik voor den overtocht had besproken. Deze, hoorende wat het geval was, rees op en bevestigde de verklaring van den waard, er bijvoegende, dat hij de jongelui naar Terschelling had overgebracht.

"Indien dit zoo is, vriend Helding!" zeide ik: "dan behoeft gij den moed nog niet te laten zakken: en daar het gelukkig toeval wil, dat ik juist denzelfden weg op moet, dien onze vluchtelingen hebben genomen, zoo kunt gij de reis kosteloos met mij maken; en tenzij de vluchtelingen het zeegat uit zijn, kan het niet missen, of wij moeten het verloren schaap terugvinden."

"Och!" zeide Helding, op een zwaarmoedigen toon: "ik vrees, het zal wel weer vruchteloos zijn;... maar desniettemin zal ik met dankbaarheid van UEds. vriendelijk aanbod gebruik maken;... want ik heb juist op zoo een verre reis niet gerekend, en het zou mij licht aan geld ontbreken om verder te gaan. Hoever licht dat land wel, daar zij is heengegaan?"

"O!" antwoordde ik, met moeite een glimlach onderdrukkende over de geographische kennis, welke de man ten toon spreidde: "wij hebben wel geen voordeeligen wind; maar toch, morgen met den namiddag zullen wij er wel zijn."

Wij verlieten de kroeg en gingen na het nuttigen van een goed avondmaal vroegtijdig ter ruste, ten einde den volgenden morgen op het afgesproken uur bij de hand te zijn. Wij waren dan ook op den bestemden tijd aan boord en hadden weldra aan de haven van Harlingen vaarwelgezegd. Janke Sikkes was met het vaarwater bekend sedert zijn geboorte af; en, aangevuurd door de hoop op een goede belooning, deed hij zijn uiterste best om ons op de spoedigst mogelijke wijze naar ons bestemmingsoord te voeren. Onderweg poogden wij nog eenige berichten bij hem in te winnen omtrent den persoon, die Klaartje op reis vergezeld had; hij wist ons weinig dienaangaande te vertellen; alleen zeide hij, dat de jonkman een knap slag van een kerel was, die de zeemanskunst goed scheen te verstaan en zelf eens mede een hand aan 't werk geslagen had; maar dat hij zich over zijn naam of betrekking niet had willen uitlaten, en dat het meisken ook weinig gesproken had, maar den geheelen overtocht zeer bedroefd enmankeliekwas geweest.

Het was ongeveer middag, toen wij het eiland in het gezicht kregen. Het was een dier schoone, warme dagen, welke men meermalen in de eerste helft van September geniet; en hoewel de wind nog uit den Noorderhoek woei, was hij echter eenige streken meer naar het Oosten geloopen, en deden alle voorteekenen zich op, dat wij meer bestendig weer zouden krijgen, dan wij tot dusver hadden gehad. Niet onbevallig deed zich weldra het dorp West-Terschelling, met zijn hoogen Brandaris, aan ons voor: en zijn roode, door de zon beschenen daken, tusschen het groen der lindeboomen, staken vroolijk af tegen de witte duinen, die ten Noorden aan het eiland ten bolwerk verstrekken; terwijl een menigte loods- en visschersschuiten, die in de haven lagen, of af- en aangingen, het tooneel verlevendigden. Ten Noordwesten liet zich, op eenigen afstand, tusschen de ver vooruitstekende zandbanken, een half op zijde liggend wrak zien, dat reeds van masten en tuigage ontdaan was, en hetwelk ik aan den nieuwgeschilderden, naar ons toegekeerden spiegel, voor de (ditmaal zooonfortuinige)Fortuinherkende.

Aan de haven gekomen zijnde, zagen wij, hoe reeds een groot gedeelte der jeugdige bevolking, welke ons van verre had zien aankomen, ons van het strand en van het havenhoofd stond te verbeiden met de nieuwsgierigheid, welke de komst van vreemdelingen vooral op zeedorpen pleegt te verwekken, en nu met de handen in den zak onze ontscheping aangaapte. Ik zag echter onder den hoop ook enkele meer bejaarde inwoners, en het was tot een dezer laatsten, dat ik mij wendde om te vernemen, of zij ook wisten waar Kapitein Pulver te vinden was.

"Wijs deuzen Heeren den weg eens naar Geurt Reynszen," zeide de man tegen den naastbijstaanden knaap: en deze, na ons nog even te hebben aangekeken, sloeg zonder overhaasting den gullen zandweg in, die naar het dorp bracht. Wij volgden onzen wegwijzer, geleid door de gansche jonge bevolking, die zich om ons heen drong, als had zij in last bekomen ons op te brengen. Enkelen draafden vooruit om bericht van onze komst te brengen, en dit had ten gevolge, dat wij weldra Kapitein Pulver in persoon ons te gemoet zagen komen.

"Wel patroon!" riep de man uit, toen hij mij gewaarwerd: "ben je daar warempel zelf komen aanwaaien: dat is een leelijkeintervalmet ons schip!—Het spijt mij danig van de ouweFortuin: en ze heeft 'er naam slecht gedragen: 't Is jammer van de kostelijke verf, die er nog aan gespendeerd is; maar, niemand kan 't helpen, zooals de man zei, toen hij zijn vrouw van de trappen gegooid had. 't Is dan ook een boos weertje geweest: een wind, dat geen vier heerenknechts een mand met bruidsuikers tegen een sluis zouden opgetrokken hebben; en raakt men in dat gindsche vaarwater maar eenmaal grond, dan is het: zie er van af, en wij mogen nog onzen Lieven Heer wel danken, dat er niemand bij omgekomen is, als twee geiten, die verzopen zijn. Ondertusschen, patroon! 't Is mij lief, je wel te zien."

"En hoe staat het met het schip en de lading?" vroeg ik. "Is er veel schade."

"O! wat de lading betreft," antwoordde Pulver: "die is grootendeels geborgen; maar het schip,—kijk er van af, zeg ik:—dat woelt al gedurig meer in het zand: en ofschoon UEd. het vandaag nog hebt kunnen zien, zal het morgen wel heelendal naar den kelder zijn."

"Zoo! dan is de lading toch in zekerheid:—dat doet mij genoegen."

"Wel mag het u genoegen doen; maar wat helpt het? zooals de man zei toen hij klontjes te huis bracht en de koffie al gedronken was. Ik heb, sedert de boel hier in 't pakhuis (en 't is er een pakhuis naar!) is opgeslagen, er al zooveel over te zeggen, als een koksmaatje over de kluifjes, die de kat benaderd heeft. Ik had anders zulk een schoone gelegenheid om de thee, waar een kapitaal op te winnen is, verder te zenden; maar 't is maar goed, dat UEd. hier is om een oog in 't zeil te houden; want zij zullen wel wat meer respect voor UEd. hebben dan voor mijn persoontje.—En wie is Mijnheer? als ik vragen mag? want onbekend maakt onbemind." Hier wees hij op Helding.

Ik gaf hem zulks in korte woorden te verstaan, terwijl wij vervolgens gezamenlijk de woning binnentraden van den hierbovengenoemden Geurt Reynszen, die bij de hoedanigheid van Onderstrandvonder ook, gelijk mij naderhand bleek, die van voorzittend Schepen bekleedde en dus een der gewichtigste personages van het eiland was. Het bovenlijf van een dikken zeegod, met roode bolle wangen en een blauwen baard, hetwelk vroeger den voorsteven van een schip had versierd, en volgens de daaronder geplaatste aanwijzing den God Neptuin verbeeldde, prijkte boven de voordeur, en scheen in zijn voorover gebogen houding de voorbijgangers uit te noodigen om binnen te treden en den brandewijn van vriend Reynszen te proeven, terwijl de woordengoed logiesop den deurpost nog verder het bedrijf van dezen nuttigen eilander aankondigden.

Het was dus met dezen Reynszen voornamelijk, dat ik over het doel mijner komst zoude moeten spreken: terwijl ik mij tevens vleide, dat hij beter dan iemand in staat zoude zijn eenig bericht aangaande de dochter van Helding te verschaffen.

Reynszen, een man van ongeveer zestig jaar, maar nog wakker en sterk, en wiens grauwe kat-oogen sluwheid en overleg verraadden, ontving ons met een voorkomende vriendelijkheid, die echter eenigszins verflauwde, toen Pulver hem mijn naam en betrekking als reeder van het gestrande schip deed kennen: en het viel mij niet moeilijk, uit de wijze, waarop hij mij opnam, te gissen, dat hij trachtte zijn oordeel op te maken, in hoeverre ik vatbaar was om mij te laten blinddoeken of bepraten. Zijn gelaat klaarde echter weder op, toen ik voor Helding en mijzelven logies bij hem bestelde: waarschijnlijk begreep hij, dat twee Heeren uit Amsterdam in allen gevalle goede vertering bij hem zouden maken, en dat hij als kastelein wel datgene aan mij zou terugverdienen, wat hij als Strandvonder door mijn komst zou moeten missen. Hij bood ons pijpen aan en begon een praatje over weer en wind, terwijl zijn dochter stoelen bijschoof en op onzen last eenige boterhammen ging smeren; want de zeelucht en de reis hadden ons honger gegeven. Pulver begon hierop het verhaal van zijn geleden schipbreuk, hetwelk men mij verschoonen zal, zoo ik het niet in zijn geheel geve, daar in dit geschrift reeds tweemalen een diergelijke ramp vrij omstandig beschreven is. Het bleek mij echter reeds toen, en later werd het ook door de getuigenis van de equipage van deFortuinbevestigd, dat Schipper en stuurman hun plicht tot het uiterste hadden volbracht en dat de geleden wederwaardigheid alleen aan het geweld van den storm te wijten was, die het vaartuig op de Robbeplaat had gesmeten, waarvan het niet mogelijk was af te komen.

Het ontging mij niet, dat Helding, gedurende het vrij lange en door allerlei aanmerkingen en uitweidingen afgebroken verhaal van den Schipper, al op heete kolen zat, en gedurig rondkeek, als wilde hij vragen, wanneer de beurt toch eens aan hem komen en over de zaak zoude gesproken worden, welke hem op Terschelling riep. Juist wilde ik daarover beginnen, toen een nieuw personage de herberg binnentrad. Deze was een dor schraal kereltje, wiens onbeduidende lichaamsbouw sterk afstak tegen de kloeke gestalte van Reynszen en van de Terschellingsche visschers, die ik aan de haven gezien had. Ook was hij niet in 't duffel en baai gekleed, gelijk de overige dorpelingen: en zijn rok en hoed, hoewel ouderwetsch fatsoen, kenmerkten meer de dracht van den vasten wal of een nabootsing daarvan. Zijn door de kinderziekte sterkgeschonden gelaat had weinig behaaglijks; terwijl de omgekrulde onderlip en vooruitgezette borst geen geringe mate van zelftevredenheid en verachting van anderen schenen aan te kondigen.

"Zoo Drost! ben je daar?" vroeg Reynszen, den nieuwaangekomene de broederhand toestekende. Deze scheen blijkbaar het niet te durven wagen, zijn mager handje aan den krachtigen aangreep des kasteleins bloot te stellen, en stak hem slechts een vinger toe.

Ik stond een oogenblik in twijfel, of de naam van Drost, aan den onbekende gegeven, 's mans eigen naam of een verkorting van den titel van Drossaard moest beteekenen. Ik wist, dat deze laatste ambtsbetrekking door een der Burgemeesteren van Enkhuizen werd bekleed: en ik kon te minder gelooven, dat ik dezen voor mij zag, daar de toon en houding van Reynszen jegens den nieuwgekomene die gemeenzaamheid aanduidden, welke tusschen goede bekenden plaats heeft.

"Zel je een pijp rooken?" vervolgde Reynszen tegen den onbekende, die ons van ter zijde bekeek:—"dat zijn Amsterdamsche Heeren, die komen hier vanwege deFortuin!" en toen, zich naar ons keerende: "dat is de Drost," zeide hij.

A tous seigneurs tous honneurs. Ik rees op, en groette den Dignitaris, die, na mij kortaf goeden dag te hebben gewenscht, zich tot Reynszen wendde, in de navolgende afgebroken bewoordingen:

"Niet rooken ... weinig tijd ... zieken bezoeken ... Raad bijeengeweest ... hoe is de patiënt?"

"Niet te bestig," antwoordde Reynszen: "ik wou dat zij weg waren gebleven."

"Hebt gij hier een zieke in huis?" vroeg ik.

"Ja," antwoordde Reynszen: "een vrouwken van den vasten wal: de Dokter heit er ook al geen zinnigheid in." Hier wees hij op den Drost: en nu werd het mij opeens duidelijk, dat deze niet de Drossaard zelf, maar zijn Substituut moest wezen, die, tevens met dit ambt, de hoedanigheid van geneesheer bekleedde. Ik dacht echter over dit punt slechts vluchtig na; want het gezegde had mijn aandacht getrokken.

"Van den vasten wal?" herhaalde ik: "en wanneer aangekomen?"

"Eerst sedert drie dagen van Harlingen, 'eloof ik."

Helding was doodsbleek en keek beurtelings mij en den kastelein aan.

"En haar naam?"

"De vent, die met haar is—haar man wil ik hopen—noemt haar Klaartje; en dat is al wat ik er van weet."

"O mijn dochter! mijn Klaartje!" riep Helding, terwijl hem dikke tranen langs de wangen rolden. "Waar is zij? Breng mij bij haar!"

"Bedaar, mijn goede Helding!" zeide ik: "gij hoort, dat zij ongesteld is: uw onverwachte verschijning zou nadeelige uitwerkselen kunnen teweegbrengen. Wat zegt er de Dokter van?"

"Hm!" zeide deze: "ontstoken hersenen ...galachtig bloed ... raaskallen ... aandoeningen te vermijden ...abstinentia et quies."

"UEd. denkt dus," hernam ik, "dat haar vader, wien zij in lang niet gezien heeft, niet zonder eenige voorbereiding bij haar behoort te worden toegelaten?"

"Hm! hm!—nog niet—eerst zien—oordeel opschorten—straks beslissen," antwoordde de geneesheer.

Het kostte mij eenige moeite om Helding te overtuigen, dat hij zijn ongeduldig verlangen naar zijn dochter bedwingen moest; doch na eenigen tegenstand gaf hij toe en beloofde zich bedaard te zullen houden, terwijl ik op zijn verzoek aannam, den Dokter bij zijn bezoek te vergezellen en hem nauwkeurig kondschap te brengen aangaande den toestand zijner dochter. Reeds vreesde ik, daar de woning mij toescheen niet zeer groot te zijn, dat de lijderes zich misschien in een nabijgelegen kamer bevond en van daar iets van ons gesprek gehoord of de stem haars vaders herkend zoude hebben: maar deze vrees bleek mij ongegrond te zijn; want het ziekvertrek, waarheen ik mij thans met den Dokter begaf, bevond zich in een afzonderlijk huisje, mede aan Reynszen toebehoorende, en waarmede men door een achterdeur en binnenplaats of tuintje gemeenschap had.

Wij vonden bij het inkomen de zieke in een vrij zindelijke bedstede gelegen, voor welke iemand gezeten was, met den rug naar ons toegekeerd, die haar hand in de zijne hield, terwijl hij, voorovergebukt, met het hoofd op de andere hand leunde. Hij had zijn buis uitgetrokken en dit, waarschijnlijk om de lijderes te verwarmen, op het voeteneinde neergelegd. Bij onze nadering zag hij op, en ik herkende—hoewel niet geheel onverwachts—Sander Gerritsz—of, anders gezegd Zwarten Piet.

"Plaats maken!" zeide de Dokter: "Wat gerust?—Nog ijlende?"

"Zij is bedaarder, maar doodzwak," zeide Sander, met een zucht; "zij ligt geheel wezenloos en heeft mij nog geen woord toegesproken," en toen, mij herkennende: "Mijnheer Huyck!" riep hij verbaasd uit.

"Ongelukkige! gij hier?" zeide ik, het hoofd schuddende; "maar kom even ter zijde, en laat den Dokter bij de patiënt."

De Dokter nam de plaats in, welke Sander ledig liet, en voelde den pols van Klaartje, die nog geen bewijs had gegeven dat zij onze komst bespeurd had en met het gelaat naar het schot gekeerd lag. Ik nam onderwijl Sander in een hoek van het vertrek en fluisterde hem in 't oor:

"Haar vader is gekomen."

"God! ook dit nog!" zeide hij, en bedekte zich het gelaat met beide handen.

"Zou zij in staat zijn, hem te zien?"

"Ach! wat zou het baten? zij kent niemand—zelfs mij niet."

"Koorts af!" zeide de Dokter, opstaande: "bedaarder ...meliora symptomata... gerstewater drinken ... citroensap ... likkepot zenden ... morgen weerkomen...."

"Zou 't mogelijk zijn!" riep Sander uit, verheugd toetredende: "bevindt zij zich inderdaad beter?"

"Nog zwak," zeide de Dokter: "versterking ingeven.—Recept schrijven!"—Dit gezegd hebbende, haalde hij een papier uit den zak en ging zijn voorschrift opschrijven.

"Klaartje!" hernam Sander, zich over het bed heenbuigende: "herkent gij mij niet?"

Klaartje lichtte bij deze toespraak even het hoofd op en keek om, zoodat ik haar vlak in het aangezicht zag. Zij had nog schoone en regelmatige trekken; maar de fletsheid der wangen en de lichtroode strepen en vlekken onder de oogen en langs den neus getuigden dat een ongebonden leefwijze, nog meer dan de ziekte, haar vroegere bekoorlijkheden vóór den tijd had doen vervallen.

"Waar ben ik?" vroeg zij met een flauwe stem, zich met de vlakke hand over het voorhoofd wrijvende: "hoe kom ik hier? Ik ben hard ziek geweest, geloof ik:—maar nu is het beter: ik wilde wel wat drinken."

"Hier hebt gij drinken," zeide Sander, haar een kommetje aan den mond brengende: "bevindt gij u waarlijk beter, mijn liefste?"

"Zoo! zijt gij daar nog, Sander?" hernam zij: "dat is goed:—maar hoe kom ik toch hier?—Ik ben wat in de war geweest en heb veel geleden ... maar 't is zonderling: ik voel nergens pijn meer."

Niettegenstaande de verklaring van den geneesheer, kon ik niet deelen in de betere hoop, die hij Sander had ingeboezemd. Dat ophouden van alle pijn, gevoegd bij den strakken blik der half gebroken oogen, scheen mij een onrustbarend kenteeken te zijn, en ik begon te duchten, dat Helding zijn dochter slechts zou terugvinden om haar terstond weder te verliezen.

"Wie is die Heer?" vroeg zij, op mij wijzende.

Ik beschouwde deze vraag als geschikt om er aanleiding uit te ontleenen, ten einde haar op het bezoek haars vaders voor te bereiden, en voorkwam dus het antwoord, dat Sander geven wilde.

"Ik kom uit Amsterdam," zeide ik, "en heb een boodschap voor u, van iemand, die u van harte liefheeft."

"Iemand in Amsterdam ... die mij liefheeft!" herhaalde zij met een uitdrukking van twijfel en smart: "wie is er, die mij liefheeft in Amsterdam?—O God! er is wel een geweest, die het mij gezegd heeft ... maar hij was een verleider ... hij was de oorzaak van mijn verderf en ellende."

"Hij, van wien ik spreek," vervolgde ik, "is iemand, die nooit als uw welzijn beoogd heeft. Bedenk eens wel: is er niemand in Amsterdam, wien natuur en plicht beide u voorschrijven lief te hebben en het verdriet te vergoeden, dat gij hem veroorzaakt hebt?"

"Wat!" zeide zij, met verheffing van stem: "van mijn vader komt gij! van mijn vader!... hoort gij Sander?... die Heer komt van mijn ongelukkigen vader!—en denkt hij nog aan zijn slechte, nietswaardige dochter, die hem zooveel verdriets heeft gekost?—En weet hij, dat ik nog leef?—O! het ware immers veel beter, dat ik dood ware,—dan behoefde hij geen leed meer te gevoelen over een schepsel, dat niets dan schande over zijn eerlijken naam heeft gebracht."

"Meisje!" zeide ik: "onze Vader in de Hemelen is lankmoedig jegens hen, die berouw toonen: en moet uw aardsche vader dat voorbeeld niet volgen? Gij zijt nooit uit zijn gedachten geweest en hij verlangt niets vuriger, dan u aan zijn hart te drukken en alles te vergeven." Zij weende:—Sander weende: ik was mede diep ontroerd, de Dokter borg zijn recept in een groot lederen zakboek en zeide, terwijl hij opstond: "geen gevaar ... ouden Heer roepen ... gerust hier komen."

"Wie? welke oude Heer?" vroeg Klaartje met levendigheid.

"Zoo uw vader zich hier bevond," zeide ik: "zoudt gij dan kracht genoeg bezitten om hem terug te zien?"

"Mijn vader!—Hier? O God! laat ik hem nog eenmaal vergeving bidden en dan sterven.—Maar neen: dat is niet mogelijk."

"Zie of het mogelijk is," zeide ik, terwijl op hetzelfde oogenblik de Arts terugkwam, gevolgd door Pulver, die Helding geleidde, daar deze werk had om zich staande te houden, zoo beefde hij.

"Waar is zij? Waar is mijn kind?" riep de oude man, terwijl hij met uitgestrekte armen en wankelende knieën het vertrek binnentrad. Zij was half opgerezen in haar bed, en het was slechts met moeite, dat Sander haar kon terughouden er uit te springen, om zich aan de voeten haars vaders te werpen. Helding viel haar om den hals en snikte luid.

"Vergeving, mijn vader!" was alles wat zij uit kon brengen, terwijl Sander, van aandoening overstelpt, zijn gelaat in de handen verborg.

"Verduiveld!" zeide Pulver, zich een traan uit het oog wisschende, "ik zit liever een heelen nacht bij slecht weer in de bramzaling, dan dat ik zoo iets bijwoon."

"Hou u maar bedaard, kindlief!" zeide Helding, terwijl zijn eigen stem beefde: "God zij geloofd, dat ik u weerom heb: wij zullen over het verledene niet meer spreken en alleen over de toekomst denken: maak maar spoedig weer beter te worden, dan gaat gij met mij weer naar Amsterdam en wij zullen een stil en genoeglijk huishouwentje hebben, als vanouds."

"Neen Vader!" zeide zij, treurig het hoofd schuddende: "naar Amsterdam terugkeeren, dat zal niet gaan—ik voel hier iets" (op haar hart wijzende) "dat mij zegt, dat het met mij niet lang meer zal duren. O! wie had mij ooit dien onverdienden zegen durven voorspellen, dat ik nog voor mijn dood mijn vader zou terugzien en dat hij zich mijner ontfermen zou? Helaas!" vervolgde zij, hem beschouwende: "uw haren waren niet grijs toen ik u verliet.—Wee mij! ik heb dat verdriet u veroorzaakt!—Maar vaderlief! Gij moet ook een vriendelijk woord tot Sander spreken: hij heeft mij te Harlingen teruggevonden en, ondanks al mijn slechtheid, had hij mij nog lief en wilde mij met zich nemen, hoewel ik hem zeide, dat ik zijn liefde door mijn wangedrag verbeurd had: en hij heeft mij in mijn ziekte niet verlaten, maar zoo trouwhartig opgepast, als geen baker beter had kunnen doen."

"Sander Gerritsz!" riep Helding verbaasd uit, toen de jongeling hem met een treurigen blik aanzag.

"Sander Gerritsz!" herhaalde Pulver, niet minder verwonderd.

"Sandertje! wat drommel!..." Hier zweeg hij, daar ik hem toewenkte, dat hij zich niet met de zaak bemoeien zoude.

"Sander Gerritsz!" herhaalde ook de Dokter, als scheen hij zich dien naam insgelijks te herinneren: en te gelijk een andere portefeuille, dan die, waarin hij zijn recepten borg, voor den dag halende, begon hij in de daarin vervatte papieren te snuffelen.

"Ach! mijn goede Monsieur Helding!" zeide Sander: "UEd. weet, ik heb haar altijd lief gehad. Ik zou haar ook gaarne tot vrouw genomen hebben, niettegenstaande al wat er gebeurd is;—maar de Heer Huyck weet, dat ik hier niet kan blijven, dat ... in 't kort, dat het beter voor haar is, dat zij met haar vader naar Amsterdam terugkeert."

"Ja mijn hartje!" zeide Helding: "keer met mij naar huis: wij zullen wel wat voor u vinden: ik heb nog veelvermogende beschermers, die ons niet in den brand zullen laten: daar is de waardige Heer Huyck ... daar zijn de Heeren Blaek...."

"Blaek!... Blaek!..." herhaalde Klaartje, met een uitdrukking van afgrijzen: "liever leed ik het ergste, wat een mensch kan overkomen, dan dat ik aan iemand, die Blaek heette, iets te danken had."

"Hoe!" riep Helding: "wat hebben die Heeren u toch gedaan?"

"O! spreek er mij niet van," hernam Klaartje: "is niet Lodewijk Blaek de bewerker van mijn ongeluk? Heeft hij niet, toen de goede Sander het zeegat uit was, mij met een zoet praatje verleid, en mij overreed om mijn braven, besten vader te verlaten? Heeft hij mij niet, arm en naakt, in schande verlaten en gedwongen, daar ik niet te huis durfde keeren, om ... O God!"

"En waarom durfdet gij niet tot mij terugkeeren?" vroeg Helding: "wist gij dan niet, dat het hart van den ouden man altijd voor u openstond?"

"Lodewijk Blaek!" mompelde Sander: "was hij de schurk die u bedierf?—O! dat ik hem hier had, om hem zijn laagheid betaald te zetten!"

"Ach! ik schaamde mij zoo, terug te keeren," zeide Klaartje: "en daardoor ben ik van kwaad tot erger gevallen ... en zoo is het dat ik sterven moet, zoo jong nog en door mijn eigen schuld!—Maar ik heb vergiffenis ontvangen van die twee, die ik het meest beleedigd heb, van mijn vader en van mijn goeden Sander—en dit vertroost mij.—Ween niet, Sander! het is zoo beter:—toen ik, op uw verzoek, Harlingen verliet, was ik nog loszinnig en dacht alleen om het geluk van weer met u te zijn; maar thans heb ik een beter inzicht verkregen ... ik was niet waardig, uw vrouw te zijn—en ik moest geen schande brengen in het huis mijns vaders:—het is voor mij, voor u beiden beter, dat ik sterve."

"Foei! zoo moet gij niet spreken," zeide Helding: "nietwaar Dokter?"

"Wel neen!" antwoordde deze, zijn papieren weder bergende: "niet sterven—weder gezond worden—niet zooveel praten!—femina animal loquax—te veel vermoeien.—Hm! Zonderling—Sander Gerritsz—dien naam meer gehoord—hm!—brief van den Drost—zeeroof—inbreken—Jaco—niet vinden—thuis liggen—hm!" Deze laatste woorden sprak hij slechts halfluid en mompelend uit, zoodat zij door de meesten, die te veel met Klaartje bezig waren om op hem te letten, niet of slechts half verstaan werden.

"Kom!" zeide ik tegen de zieke: "gij moet u zoo ongerust niet maken, noch u het ergste voorstellen: tracht wat te slapen; want gij hebt rust nodig. Wat dunkt U, kapitein! zoo wij die goede lieden eens alleenlieten. Ons bijzijn is hier toch overbodig."

"Ja, zeide de Dokter: "hier te vol—rust noodig—ik ook weg—veel drukten—likkepot bereiden—archief nazien—zieken bezoeken—twee klisteeren—aderlating—twee boeren overhoop liggen—brief aan den Drost schrijven—Maaike Jansz linkerarm gebroken—heengaan."

Met deze woorden vertrok hij: ik volgde hem met Pulver, en weldra vervoegde zich ook Sander bij ons, die waarschijnlijk gevoelde, dat de bescheidenheid hem gebood vader en dochter een wijl alleen te laten. Op de opene plaats echter, die de twee woningen vaneenscheidde, hield Pulver hem staande.

"Nu zel je mij toch niet ontkennen," zeide hij: "dat je Sander Gerritsz bent en dat ik je op het buiten van Mevrouw Van Bempden heb gepraaid."

"Stil wat!" fluisterde ik, bevreesd, dat de Dokter, die juist de herberg intrad, hem hooren zoude.

"Neen voorwaar niet, mijn goede Schipper!" antwoordde Sander, hem de hand toestekende: "maar laat het tusschen ons blijven. Ik heb dien naam sedert lang, en om billijke redenen, laten varen."

"Daar heb je verkeerd aangedaan," hernam Pulver: "men moet zich de vlag nooit schamen, daar men jaren onder gevaren heeft. Wel man! dat verhoopte ik niet, toen ik je daar onder die zeeroovers aan twee ankers vastliet, dat ik je ooit weer in ons land aan boord zou komen: nu! bergen en dalen ontmoeten mekaar niet; maar menschen wel. En waar heb je al gezworven, zooals de ouwe vloo tegen de jonge zei?"

"Ja Schipper! dat zal ik u naderhand wel reis vertellen," antwoordde Sander; "waar ik geweest ben, komt er minder op aan," vervolgde hij met een zucht: "het zal eerder te bezien staan, waar ik heen moet: hoewel ik verklaar, dat het mij in deze treurige oogenblikken vrij onverschillig is."

"Ja!" zeide ik, hem terzijde trekkende: "gij moet op uwe hoede zijn. Die Dokter is tevens Substituut van den Drost, en, voor zooveel uit 's mans woorden te verstaan is, maak ik op, dat hij reeds berichten omtrent u heeft, en dat dit eiland u geen veilige schuilplaats biedt."

"Ik wijk niet van hier, zoolang Klaartje in dezen toestand blijft," zeide Sander; "en wat dien meester Doedes aanbelangt, ik ben juist niet erg voor hem beschroomd: ik weet nog wel een huismiddeltje, om hem de oogen te doen dichtknijpen."

Dit zeggende opende hij de deur der herberg, waar wij binnentraden en den Dokter reeds vertrokken vonden.—Ik verzocht Reynszen, zorg te dragen voor een goede waakster om de zieke op te passen; waarop hij mij verzekerde, dat zijn vrouw en dochter zich reeds bereid hadden verklaard, die taak op zich te nemen, en dat overigens niets ontbreken zou om haar toestand zooveel mogelijk te verzachten.

Niet ongenegen een weinig lucht te scheppen, sloeg ik aan Pulver een wandeling voor, waarop wij onze zaken zouden kunnen bepraten. Wij begaven ons, na van Sander afscheid genomen te hebben, het strand langs, en ik vroeg hem, wat er al zoo geëischt werd en hoe wij best ons goed terug zouden krijgen en geschillen of processen vermijden.

"Ja!" antwoordde hij: "wat zal ik veel zeggen? Wie in de schuit is, moet meevaren: en het helpt niet of men tegen dat volkje hier met grof geschut aan boord komt en hen bedreigt met de Commissarissen tot de Pilotage of met Gecommitteerde Raden; want daar geven zij al zooveel om als een walvischhaalder om een dooie schelvisch. Ze liggen hier buiten schoots, weet je! en storen er zich niet aan, of zij brieven en bevelen krijgen: hebben is hebben, denken zij: en wil je niet naar hun pijpen dansen, dan leeren zij het je tot je schade: ik heb nog liever met royale zeeroovers te doen dan met zulk slag van volk. Daar ligt nu de Hyson en Souchong in het pakhuis: en ik heb niet later dan van morgen een kattebelletje ontvangen van Schipper Holmfeld, die op de ree van 't Vlie ligt; dat hij die met alle gemak bergen kon en ze meenemen naar Kopenhagen: een gelegenheid, zoo schoon als men wenschen kon; maar nu wil die verbruide Strandvonder de waren niet laten volgen dan tegen een derde van de waarde voor bergloon; terwijl hem volgens alle ordonnantiën en costuymen niet meer dan zes twintigsten kunnen toekomen."

"Zoo hij al eens recht heeft op zooveel," zeide ik: "want er is hier minder quaestie van geredde, dan wel van geborgen goederen; daar gij met de equipage bijna alles gedaan hebt.—Intusschen, indien het daarmede gedaan ware ... het is ons veel waard, ons goed terug te bekomen."

"Dan is er," vervolgde Pulver: "nog een klein bagatelletje bij van anderhalf percent voor den Strandvonder, en nog een rekening van onkosten, voor gebruikte schuiten en wagens en gegeven fooien, daar een mensch de oogen van overloopen."

"Dat is toch wat grof," zeide ik: "want waar vraagt men het eenderde bergloon voor, indien men nog een extra-rekening maakt voor onkosten?—Maar kunnen wij, de quaestie over het bedrag daarlatende, de goederen niet loskrijgen onder borgstelling?"

"Wel ja! zeide Pulver: "reken daarop (zooals de schoolmeester zei, toen hij den jongen een schellingskoek in plaats van een lei in de hand stopte). Zij zullen geen goed laten volgen, voor en aleer er een volkomen afrekening heeft plaats gehad."

"Dat zullen wij dan zien," hernam ik. "Wanneer vertrekt die Deensche schipper?"

"Zoo ras er goede gelegenheid is: en, gelijk ik het weer aanzie, schiet de wind al meer en meer uit en zal hij niet lang meer op zijn ligplaats blijven. Hij heeft mij zelfs bericht, dat, zoo hij eenigszins kon, hij naar Maklijk-Oud zou opzeilen en dan onze thee in 't voorbijgaan innemen."

"Voortreffelijk! zorg dan, dat gij in allen gevalle morgenochtend een vaartuig bespreekt, om de lading in te schepen en over te brengen: ik zal ondertusschen met den Strandvonder spreken, en zien, wat ik van den vent gedaan kan krijgen."

Aldus ons plan gemaakt hebbende, zetteden wij onze wandeling nog een eindweegs voort, over onverschillige zaken pratende, tot wij het dienstig vonden terug te keeren. Nauwelijks waren wij het dorp weder binnengetreden of ik zag den gewichtigen man, die de betrekkingen van Substituut-Drossaard en Geneesheer vereenigde, uit een der huizen voor den dag komen, en, zoodra hij ons gewaarwerd, zijn koers tot ons richten.

"Als UEd. dien man tot vriend kunt maken, zal alles goed gaan," zeide Pulver: "hij is hier zooveel als de admiraalswimpel, waar alles naar kijkt, die meester Doedes: en zij moeten wel ontzag voor hem hebben: want zetten zij hem den voet dwars, en knijpt hij ze niet als Drost, dan pepert hij het hun in als Dokter."

"Gevonden!" zeide Doedes (gelijk ik nu vernomen had dat 's mans naam was), zoodra hij ons zag: en meteen klopte hij op zijn zak: "goed geheugen—Monsieur Weerglas—Sander Gerritsz—struikroover —zeeschuimer—brief van den Drost—knevelen—naar den vasten wal zenden—hm!"

"Wat zegt UEd.?" vroeg Pulver, eenigszins verschrikt: "Is Sandertje een roover?—Och! dan heeft die verbruide Don Manoël het op zijn rekening; want beter kalf van een jongen heb ik nooit aan boord gehad: maar zoo gaat het: wie met pek omgaat, wordt er mee besmet."

"En zijn uw orders zoo gestreng?" vroeg ik, niet zonder eenig leedwezen te gevoelen over het lot, dat Sander boven 't hoofd hing.

"Orders, hm! hm!—Terschelling een vrijplaats—refugium—Staten niet achten—vervallenprivilegium—orders gestreng."

Ik zweeg en begreep dat het beter voor mij was, dit punt niet verder aan te roeren. Vooreerst had ik er overvloedig mijn bekomst van, om mij met eens andersmans zaken te bemoeien: en, ten tweede kwam het mij voor, dat meester Doedes, ondanks zijn beslissenden toon, het nog maar half met zichzelven eens was, of hij het oude recht van vrijplaats, waar Terschelling aanspraak op maakte, al dan niet zou eerbiedigen, en achtte ik het, als Zoon van den Hoofdschout, ongepast, mij in een geschil van zoo teederen aard te mengen, 't welk mij later waarschijnlijk kwalijk zoude genomen worden. Ik vond het dus verkieslijker, den man over mijn eigen zaken te onderhouden, en deelde hem in korte woorden de redenen mijner komst en den onhebbelijken eisch des Strandvonders mede.

"Hm!" zeide hij, het hoofd schuddende: "gaat den Strandvonder aan—mij niet—u voor Schepens beklagen—goed recht uitspreken!"

"Ja," zeide ik, "maar ik zou liever de zaak zonder vonnis in den minne zien te vinden, en daarom wenschte ik uwe tusschenkomst in deze in te roepen."

"Hm!—mij niet in moeien—mijne zaken niet—maar—als de zaak in orde is niet vergeten:—tiende penning mij betalen—ten profijte der gemeente—oud recht van Terschelling—hm!"

"Hoe," riep ik: "nog meer exacties! dat recht is immers afgeschaft bij een besluit van HH. Staten?"

"Hm! edict van 12 December 1663—gekheid—Staten hun macht te buiten gegaan—hm!—volhouden."

"Hoe!" riep ik: "gij, die hier den Drossaard vertegenwoordigt, zoudt u kanten tegen een edict der Staten, waarbij een middeleeuwsche vexatio paal en perk gesteld is?"

"Hm!—Drost—Enkhuizen—nooit hier komen—geld trekken—niets uitvoeren—Doedes al het werk doen—Staten oude wijven—het eiland niet kennen—makkelijk besluiten nemen in Den Haag—Terschelling zware lasten—vele rampen—schrale verdiensten—leven wagen bij schipbreuken—qui onera—etiam fructus."

"Ik wil gaarne toegeven," hernam ik, "dat de brave lieden, die het hunne hebben gedaan om bijstand te bieden aan de manschap van deFortuin, of die tot het bergen der lading hebben medegewerkt, aanspraak hebben op belooning: en die zal hun ook geworden, maar ik zal nooit toestemmen in de verplichting om zulke hooge bergloonen te betalen als van ons gevorderd worden, noch recognitiegelden, die afgeschaft zijn; en zoo de Strandvonder geen rede verstaat, dunkt mij, dat gij, Mijnheer! mij recht moet verschaffen, en althans niet, bij reeds bestaande, een nieuwe exactie voegen."

"Hm!—Zaak van den Strandvonder—geen belang er bij—negotium a me alienum—voor de Rechtbank—zeven Schepenen—goed recht—naar huis gaan."—Met dit bescheid verliet hij ons en begaf zich binnen zijn woning waar wij op dit oogenblik voorstonden.

"Goed recht!—Ja, dat kan UEd. denken," zeide Pulver: "wij komen bij den duivel te biecht. Met dat al, ik geloof, dat zoo UEd. den man een kleine fooi voor zijn beleefdheid beloofd hadt...."

"Dat in eeuwigheid niet," zeide ik: "denkt gij, dat ik de Justitie om wil koopen?"

"Nu!" hernam Pulver: "wij zullen zien wat er van wordt, zei de blinde, en hoe UEd. met Reynszen varen zult...; maar, dat Sandertje een roover geworden is, dat spijt mij tot in mijn ziel."

Hier waren wij aan de herberg terug, en ik trad nu met den Strandvonder in onderhandeling; doch ook hier vond ik het onmogelijk om den man af te brengen van zijn eisch, die, volgens hem, op goed recht en oude herkomsten steunde: zoodat ik, daar ik toch verlangde de thee te verzenden, per slot nog blijde was, hem in mijn voorstel te zien treden, om het gevorderde, gelijk ook de 10 pct. recognitie, onder protest te betalen, terwijl Pulver, die inmiddels volgens afspraak een schuit was gaan bestellen, terugkwam met de tijding, dat de hoekerKjöbenhavn, Schipper Holmfeld, zich reeds in het Maklijk-Oud bevond.

De toestand der zieke, waarvan Helding mij van tijd tot tijd bericht kwam geven, was intusschen niet verbeterd: zij scheen van uur tot uur zwakker geworden en de kenteekenen eener spoedige ontbinding begonnen zich te vertoonen. Haar geest bleef echter helder en opgeklaard, en zij had zich met meer kalmte dan zich verwachten liet, met den Predikant onderhouden, die op haar verlangen haar was komen bezoeken. Sander, die bij den Drost was ontboden geweest, was van daar teruggekeerd en week niet van haar sponde; terwijl de vrouw en dochter van Reynszen bij afwisseling bij haar waren en met alle hartelijkheid die diensten bewezen, welke een vrouw meer dan een man in staat is waar te nemen: ja zelfs aangeboden hadden den nacht bij haar op te zitten.

Hoewel voor Helding een bed in een afzonderlijk vertrek gereedgemaakt was, verkoos hij, gelijk niet te verwonderen was, den nacht in de ziekekamer door te brengen. Wat mij betreft, ik begaf mij met Pulver, nadat wij het avondeten gebruikt hadden, in de ons aangewezen slaapkamer, waar wij ons in twee tegenover elkander geplaatste bedsteden ter ruste schikten. Ik was echter ook thans niet bestemd, die ongestoord te genieten: althans, nauwelijks was ik onder de dekens gekropen, of een luid gepraat, gevloek, gezang en geloop, dat mij zoo duidelijk in de ooren klonk alsof het in mijn slaapvertrek plaats had, schonk mij de onaangename overtuiging, dat mijn bedstede allernaast den zoogenaamden gemeenen haard gelegen en daarvan slechts door een dun beschot was afgescheiden. Voorts bleek het mij, dat de herberg bezocht was door een aantal varensgezellen en visschers, die zich vrij luidruchtig aanstelden en wier gemeene taal verward dooreen klonk. Onder die stemmen was er een, welke het mij voorkwam meer te hebben gehoord; doch ik kon mij niet te binnen brengen, waar en wanneer zulks had plaats gehad. Dit alles hield mij uit den slaap, en ik kon niet nalaten, het lot van Pulver te benijden, die, meer verwijderd van het gedruisch, of beter daaraan gewoon, was ingeslapen zoodra hij de veeren geroken had, en met een luide basstem lag te snorken. Ik troostte mij echter met de gedachte, dat die drukke gasten niet den geheelen nacht in mijn nabijheid blijven maar ook weldra hun kwartier zouden zoeken, en besloot inmiddels geduld te nemen.

En inderdaad, langzamerhand dropen de gezellen één voor één af, en hoorde ik Reynszen elk op zijn beurt een goeden avond wenschen: zij waren allen op één na weg, toen de laatst overgeblevene, dezelfde, wiens stem mij bekend voorkwam, tot den waard begon te spreken:

"Wel! hoe is 't? Is die vent met zijn duffelsch buis hier niet meer, die met die bleeke meid is komen andwalen?"

"Jawel!" antwoordde Reynszen: "maar ik weet niet, of hij jou nu wel te woord zal staan; want zen liefste is dan maar erg ziek. 't Zal krap an zijn, as ze den morgen haalt."

"Dat d.... niet. Zeg hem, dat hij hier komt, dat Andries er is, en hem spreken moet."

"Andries!" herhaalde ik bij mijzelven, terwijl het koude zweet mij over het lijf liep, en ik verwonderde mij niet langer, dat mij de stem bekend was voorgekomen. Ik ging recht overeind zitten en spande mij nu zoozeer in om te luisteren en geen woord te verliezen, als ik vroeger mijn best gedaan had om niet naar het gepraat te hooren.

"Nu, ik wil hem wel roepen," zeide de waard: "maar toch ik twijfel, of hij hier zal komen. Met deze woorden verliet Reynszen het voorvertrek. Andries bleef met de vingers op tafel trommelen en een liedje neuriën, terwijl ik geheel ontroerd over het zonderlinge toeval, dat mij opnieuw in de nabuurschap bracht van een zoo gevaarlijken fielt, bij mijzelven overdacht, of het ook raadzaam zou wezen, hem aan te geven. Spoedig echter hoorde ik de deur, welke naar het achterhuis leidde, weder opengaan.

.Wel!" klonk de stem van Andries den binnenkomende te gemoet: "lag je vertuid, dat je zoolang noodig hadt het anker te winden?"

"Wat wilt gij?" vroeg Sander met een sombere stem.

"Wat ik wil?—Wel nu nog fraaier! Hebben wij geen afspraak gemaakt om mekaar hier te praaien! En waarvoor ben je anders hier angeland?"

"'t Is waar!" antwoordde Sander met een diepen zucht: "maar het is al verklikt, dat ik hier zou komen. Ik ben bij den Drost ontboden geweest...."

"Welnu! En hij heeft u weer laten afzeilen; anders zou je nu niet hier met mij spreken:—wat wou hu?"

"Hij heeft mij te kennen gegeven, dat hij in last ontvangen had, mij in verzekering te nemen: maar tevens dat dit eiland vanouds een vrijplaats was voor zoodanigen, die hier stil verkozen te leven en borg stellen voor hun goed gedrag."

"Bij ()," zeide Andries: "wij zouden borg voor elkaar kunnen wezen."

"Ik heb hem een goeden borg op tafel gelegd," hernam Sander: "en die heeft hij ter griffie gedeponeerd: zoodat wij als beste vrienden gescheiden zijn."

"Bij mijn zolen," zeide Andries: "ik zou hem ook zulk een borg willen geven; maar, dan is het eerst noodig, dat ik die zelf ga koopen:—en daarover moeten wij nu samen scheepsraad beleggen."

"Ik dank u," zeide Sander: "ik heb reeds genoeg op mijn rekening, en begeer mijn zondenregister niet te vergrooten.

"Hoe! wat!" riep Andries uit; "is de man een kind geworden? Zet () die grillen uit den kop: neem een glas brandewijn en verzuip daar alle viezevazen in. Ga zitten vent! Denk je, dat ik hier ben ten anker 'ekomen om bot te vangen?"

Er was een oogenblik stilte: ik hoorde stoelen verschuiven, en bemerkte, dat beiden zich aan de andere zijde van het beschot, dat ons scheidde, hadden geplaatst.

"Jongen!" zeide Andries: "er is zulk een schoone zaak voor ons te doen. Dat pakhuis ... ik ben er heen gelaveerd ... met eenen trap ligt de deur in ... kostelijke thee man, en geen averij: en Joosje ligt met zijn aak in de haven. In een ommezien is het voort, zonder dat iemand lont ruikt of vermoedens op ons heeft."

"Dat zal nooit gebeuren!" zeide Sander: "die Huyck is een braaf slag van een kerel, en ik zal niet dulden, dat iemand de hand slaat aan 't geen hem toekomt."

"Huyck zeg je? Welke Huyck?" vroeg Andries, blijkbaar verwonderd.

"De zoon van den Hoofdofficier," antwoordde Sander: "hij is gisteren gekomen en logeert hier in de herberg."

"Te droes! doet hij?—Wel dan zou ik een dubbelen trek in de zaak hebben; want ik heb met dien verbrusten zandhaas nog een ouwe afrekening te houen—en zoo ik hem op de eene of andere wijze averij bezorgen kan, ik zal het, de d.... haal mij, niet laten."

"Gij zult wel," zeide Sander: "of wij worden kwade vrienden."

"Nu! dan wat anders," hernam Andries: "ik bedank om mij hier te vertuien: en dien meester Doedes vertrouw ik zooveel als een verrotte plank en heb ook geen plan hem anders als het voormarszeil te betalen. Hij zal, als hij onze borgtochten beetheeft, er net zooveel consciëntiewerk van maken om ons uit te leveren, als ik om dit glas brandewijn te drinken. Hoor! ik weet iets dat ons er uit helpt. De pleit is hier toch van het schip en wij moeten zien hoe wij verder komen. Nou is er van avond een hoeker op Maklijk-Oud voor anker gekomen, die wel niet voor overmorgen het zeegat uitgaat. Wat dunkt je, zoo wij die eens een bezoek brachten en de reis op eigen gelegenheid deden?"

"Hoor Andries!" zeide Sander: "Ik ben hier gekomen, 't is waar, om met u en de overige makkers te overleggen, wat ons te doen stond; maar ik ben van gedachten veranderd: wat gij voorhebt is mij om 't even: ik zal u geen stroobreed in den weg leggen; maar reken niet op mij om u te helpen."

"Wel die en dat, hoe heb ik het met je? Ben je bekeerd of heb je een schat opgevischt?—En zou je ons nou verraaien, nou we je hulp het meest noodig hebben?"

"Ik herhaal, dat ik u niet verraden zal, maar stil uw gang laten gaan: dit moet u genoeg zijn. De reden, waarom ik mij niet, ais vanouds, aan uw hoofd stel, is u, dunkt mij, tamelijk onverschillig. Ik wil niet, en daarmee uit."

"Brui naar de pomp," zeide Andries, wrevelig: "heeft die sloerie je omgepraat: 't is er ook een lievertje naar!—En hoe wil je, dat ik zulk een boodschap an de maats overbreng? Zij zullen het immers niet 'elooven. En wat koers zel je dan verder houen? Of ben je een stille verklikker 'eworden."

"Wat ik doen wil, of doen zal, is mijne zaak," zeide Sander: "ik heb gehoord, wat gij te zeggen hadt, en wensch u goeden nacht:—ik kan mij thans niet langer met u ophouden: vaarwel."—Dit zeggende stond hij op.

"Maar wat deksel! Is het Zwarte Piet, dien ik spreken hoor? of is hij 't niet?" vroeg Andries, oprijzende en hem volgende: "bedenk toch: een spiksplinternieuw vaartuig,—en een rijke vracht—je bent nou zeker wat dingsig onder je baaitje om de ziekte van die seldrementsche meid: maar denk er reis over na, en zoo je er nog toe besluit, geef er mij dan morgen met den dag maar sein van. Wij ankeren zoolang bij...." Hier veranderde zijn stem in een zacht gefluister, hetwelk ik niet verstaan kon. Sander scheen echter geen voldoend antwoord te geven; want ik hoorde ten slotte Andries met een zwaren vloek van hem gaan onder den uitroep van: "je verdijt het? wel ga dan en laat je opknoopen!"—Een oogenblik later hoorde ik hem de voordeur uitgaan, die hij met geweld achter zich toetrok, terwijl ook Sander zich van zijnen kant verwijderde.

Ik bleef de zaak overpeinzen. Naar het weinige, dat ik begrepen had, te oordeelen, kwam het mij niet onwaarschijnlijk voor, dat Andries en zijn makkers het oogmerk hadden, om het Deensche vaartuig te verrassen en prijs te maken: doch het denkbeeld boezemde mij eenige gerustheid in, dat zij die onderneming te gewaagd aanzagen om die zonder de leiding of medehulp van Sander te doen. Ik achtte het ondertusschen mijn plicht, zoowel den Kapitein van het schip als de Overheden op Terschelling te waarschuwen van het gesmeede ontwerp, en het deed mij leed, dat ik het adres van de plaats, waar de booswichten bijeenkwamen, niet had kunnen verstaan. Ook was ik niet geheel zonder bezorgdheid over de koopwaren, die in het pakhuis lagen; doch ik vleide mij, dat daar vooreerst geen aanslag op gedaan zou worden en dat ik in allen gevalle aan Sander een steun zoude hebben om die goederen, al werden zij gestolen, weder terug te bekomen. Lang nog hielden de ontroering over het gebeurde en de overpeinzingen, die daarvan het gevolg waren, mij uit den slaap, totdat eindelijk de vermoeidheid zegevierde en ik het geluk had in te sluimeren. Toen ook was mijn slaap zoo vast, dat de zon reeds hoog aan den hemel stond eer ik ontwaakte. Ik bemerkte dat Pulver reeds was opgestaan, en waarschijnlijk uit bescheidenheid, het vertrek verlaten had zonder mij te wekken. Ik kleedde mij spoedig aan en haastte mij naar het voorhuis, ten einde hem op te zoeken. Ik vond echter noch hem, noch Reynszen; maar op mijn geroep kwam de vrouw van laatstgemelde aangeloopen.

"Zoekt Mijnheer mijn man en den Schipper?" antwoordde zij op mijn vragen: "o heden! die zijn al sedert drie uren aan het pakhuis. Zij wilden Mijnheer niet wakker maken: Mijnheer sliep zoo gerust."

"Een fraaie reden!" zeide ik, eenigszins ontevreden: "denken zij, dat ik hier op Terschelling gekomen ben om te slapen?—En hoe staat het met de zieke?"

"Slapjes!" antwoordde vrouw Reynszen: "het arme schaap zal het niet lang meer maken: och! 't is stichtelijk om te hooren, zoo onderworpen en gelaten als zij is; en de ouwe man is dan danig en danig bedroefd, en de andere ook, zoodat het met geen droge oogen is bij te weunen. Gisteren gaf de meester nogal hoop, dat het schikken zou; maar hedenmorgen had hij er ook al geen zinnigheid in."

"Hoe!—is de Dokter ook al reeds hier geweest?" vroeg ik, hoe langer hoe meer ontevreden op mijzelven, dat ik mij verslapen en op Pulver, dat hij mij niet gewekt had en de noodzakelijkheid gevoelende, van mij terstond naar het pakhuis te begeven: ik legde echter vooraf een kort bezoek af bij de zieke, verzocht aan Helding alles te bestellen, wat hij tot gemak of lafenis mocht noodig oordeelen: en, Sander ter zijde nemende, gaf ik dezen te kennen, dat ik hem een oogenblikje afzonderlijk wenschte te spreken.

"Ik heb gisternacht uw gesprek met Andries gehoord," zeide ik, zoodra wij ons alleen bevonden.

Hij bloosde en zag een wijl voor zich neder: "welnu!" zeide toen, het hoofd met eenige fierheid opheffende, "dan zal UEd. ook gehoord hebben, dat ik genoten weldaden weet te erkennen."

"Dat heb ik," zeide ik "en ik dank u voor de ridderlijke wijze, waarop gij voor mijn thee in de bres zijt gesprongen. Ik beklaag u, arme man, want gij wilt den goeden weg op, en gij weet slechts niet hoe zulks aan te vangen: is het zoo niet?"

"Ach Mijnheer! moet ik het u bekennen?" zeide Sander, terwijl hij weder voor zich zag en het hoofd met weemoed schudde: "UEd. hebt betere gedachten van mij dan ik verdien. Toen ik op dit eiland aanlandde, was het niet met het voornemen om mij te beteren. Het is waar, dat het leven, hetwelk ik in Gooiland leidde, mij tegen de borst stuitte; want ik was niet in de wieg gelegd om een gemeene straatroover te zijn. Neen! het leven en bedrijf in de West-Indien, dat was meer voor mij geschikt: en echter: zelfs daartoe ware ik nooit gekomen, had mij het voorbeeld van Don Manoël niet aangevuurd. Maar hij had aan mijn tot dien tijd toe sluimerende verbeeldingskracht een nieuwen weg aangewezen; hij had mij geleerd, datgene als iets grootsch en verheven te beschouwen, hetgeen ik voorheen zondig en schandelijk gerekend had. Hem te volgen, met hem op den Oceaan te strijden, dood en vernieling aan te brengen, was mij een wellust, een verdienste geworden. Zijn vijanden waren ook de mijnen: en zoo het mij reeds een onvolprezen voorrecht toescheen, als zijn Luitenant zijn manschap aan te voeren, hoe moest mijn hoogmoed dan niet stijgen, toen ik, na zijn vertrek, mij zelf tot opperhoofd verheven zag!—Ik weet, dat het handwerk, dat ik dreef, onwettig en ongeoorloofd was; dat de dood mijn loon was, indien ik gevangen werd:—maar aan een anderen kant: ik was machtig, onafhankelijk, zonder iemand, die mij te bevelen had: ik schatte mij hooger dan een Admiraal; want deze moge de eerste op de vloot zijn, hij mag die vloot toch niet voeren, dan waar Heeren Staten het hem gelasten. Welnu!—het was dat leven, het was die hooge rang, waar ik naar reikhalsde, dien ik weder herwinnen wilde: en ik wilde er Klaartje in doen deelen: want ondanks haar ontrouw, en ondanks al wat er gebeurd is, heb ik haar altijd blijven liefhebben, en de gedachte aan haar was de eenige, die mij soms kwelde, toen ik in de West-Indien was. Het was daarom, dat ik Andries en zijne makkers hier had ontboden: mijn voornemen was—en hij weet het goed die schoelje—om zoo mogelijk een goed zeebouwend vaartuig weg te kapen:—en eenmaal in het ruime sop gekomen, zou ik den weg naar het meer van Maracaibo en mijn oude makkers wel weder hebben teruggevonden."

"En," zeide ik, "om aan uw dwazen, doemwaardigen wensch te voldoen, zoudt gij in koelen bloede de manschap vermoord hebben van het schip, dat gij behoefdet?"

"Dat alles is voorbij," vervolgde Sander, zonder mijn vraag te beantwoorden. "Ik heb Klaartje teruggezien: ik ben getuige van haar lijden, van haar berouw geweest: ik heb gevoeld, dat ik nog te weekhartig was om ... vergeef mij ... een rol vol te houden, die een hart van staal vereischt. Ik heb van mijn voornemen afgezien:—en ik ken mijn makkers genoeg: zij zullen het zonder mij niet durven ondernemen, veelmin ten uitvoer brengen:—zij zullen zich verstrooien:—en de hemel geve, dat ik nooit weer van hen hoore."

"En gij," vroeg ik: "welke zijn uw verdere plannen?"

"Kan ik aan de toekomst denken, zoo lang zij ginds ligt te sterven?" vroeg hij op een eenigszins verwijtenden toon,

"Ja, dat kunt en moet gij," antwoordde ik, na een oogenblik geweifeld te hebben: "gij moet uw leven beteren en dat moogt gij geen oogenblik uitstellen. Gij moet dit land verlaten, waar gij niet langer als een eerlijk man kunt leven, maar de wereld staat voor u open. Ga naar Rusland: daar worden wakkere gezellen als gij, die het zeemanswerk verstaan, met open armen ontvangen: bied daar uw diensten aan en gij zult door de wereld komen: is het al niet in een hooge betrekking, dan althans in zulk eene, welke gij u nimmer behoeft te schamen."

"Gij meent het wel met mij, Mijnheer Huyck!" zeide Sander, met aandoening: "en ik zal uw woorden overdenken; maar verg mij niet, thans reeds eenig besluit te nemen. Ik moet eerst aan Klaartje de oogen sluiten: dan misschien.... God zegene u, Mijnheer Huyck!"

Met deze woorden wendde hij zich af en keerde naar het ziekvertrek terug. Zijn verhaal had een diepen indruk op mij gemaakt.

"Al weder een slachtoffer van kwalijk geplaatste eerzucht," dacht ik bij mijzelven, terwijl ik de herberg verliet: "die Sander had een braaf en nuttig mensch kunnen worden, indien zijn ongelukkig gesternte hem niet het al te verleidelijke voorbeeld van Don Manoël had voor oogen gesteld: en deze zal eens, op den dag des oordeels, behalve zijn eigen schuld, ook de wandaden te verantwoorden hebben, waaraan zich deze ongelukkige heeft schuldig gemaakt."

Aldus peinzende, was ik weldra de bergplaats der gestrande goederen genaderd, en zag van verre den braven schipper, die zweetende en zwoegende zijn matrozen bevelen gaf, terwijl zij onder zijn opzicht de kisten thee op een paar wagens laadden, en Reynszen hen voor de open deur van het pakhuis stond aan te zien. Zoodra Pulver mij in 't oog kreeg, liep hij naar mij toe, roepende:

"'t Is al afgewasschen Patroon! zooals de kajuitsjongen zei, toen hij de hemden van den kapitein overboord had laten vallen: ik heb den deurwaarder van morgen al uit zijn bed getrommeld, en hij heeft een exploit aan Reynszen gedaan, je leven zoo niet ... en het geld betaald ook: en nou gaan wij den boel naar deKjöbenhavnbrengen. Kijk eens, Patroon! 't is een lust om te zien, zoo kurkdroog als de kisten gebleven zijn; er is geen druppel water bij de thee gekomen:—nu in allen gevalle, dat zou aan hem, die ze drinken moet, de moeite van 't zetten bespaard hebben."

"En drink jelui waarachtig dat goed nou te Amsterdam?" vroeg Reynszen, nader tredende: "'t is bylo een rare kost: ik heb 't eens gezien: maar ik zou 't niet lusten."


Back to IndexNext