"Kom! kom!" zeide ik: "mettertijd zult gijlieden er ook wel smaak in krijgen, als 't wat algemeener wordt. Maar wat ik zeggen wilde, Kapitein! gij hebt mij een leelijke poets gebakken, met mij zoo te laten slapen. Ik weet, gij deedt het om bestwil; maar anders: ik ben daar niet op gesteld."
"Och Patroon! je sliep zoo gerust: ik wou je niet wakker maken, zooals de dief zei, toen hij het horloge van den huzarenofficier van het beddetafeltje nam en de officier hem bij de lurven pakte:—en wij konden dat alles immers best afdoen, Reynszen en ik?"
"Met verlof!" zeide ik tegen dezen: "kendet gij de lieden, die gisteravond laat ten uwent waren?"
"Neen!" antwoordde Reynszen: "het is eerst sedert een paar dagen, dat zij bij mij aankomen: de eene, zooals hij zegt, wil veulens koopen: de andere heeft weer een negotietje van snuisterijen: en een derde is een matroos, die verlof heeft: en een vierde is voor plezier mee, maar wat verscheelt het mij? zoolang zij betalen, vraag ik niet, wie zij zijn, of hoe zij heeten:—en bovendien, Terschelling is een vrijplaats vanouds: al hadden zij wat uitgericht, dan mag niemand hen hier molesteeren."
"Ik weet niet," zeide ik, "of de Heeren Staten veel om uw vrijplaats zouden geven; maar zoude het u aangestaan hebben, indien zij, gelijk hun eerste voornemen was, dit pakhuis leeg gestolen hadden?"
"De duiker haal me!" zeide Reynszen, verbaasd: "voerden die lieve jongens zulke dingen in hun schild?"
"Of wat zoudt gij er van denken," vervolgde ik, met genoegen den indruk bespeurende, dien mijne redenen maakten: "indien zij eens in den volgenden nacht het vaartuig beklommen, dat ginds op de reede ligt, de manschap afmaakten en overboord smeten en met het schip gingen strijken?"
"Met onze thee gaan strijken!" riep Pulver, opstuivende.
"Zoudt gij dan wel in uw schik zijn," vervolgde ik, "van dat voorgewende recht van vrijplaats te hebben volgehouden, en daardoor aanleiding te hebben gegeven tot den moord van die ongelukkigen, die zich ginder veilig wanen, en het vast vertrouwen koesteren dat een goede Justitie voor hen waakt."
"O die schelmen!" riep de waard, met vuur: "hebben zij zulke voornemens? Wacht! daar zullen wij toch even met den Drost over dienen te spreken; want voel je, die dient de zaak toch te beslissen.—En hebben zij zoo openhartig en luidruchtig over hun plannen gesproken, dat UEd. het hooren kon? Maar wanneer hebben zij dat toch gedaan? want, zoolang ik in de kamer was, is er geen woord over gevallen."
Ik bedacht mij een oogenblik, alvorens te antwoorden; want ofschoon ik het hoogst noodig oordeelde, dat Andries en zijn makkers gepakt werden, wenschte ik Sander wel te sparen. "Hoor eens!" zeide ik eindelijk: "hoe ik er achter gekomen ben is hetzelfde, en dat zal ik op zijn tijd wel aan de Justitie ontdekken. Draag gij intusschen zorg, dat men een wakend oog over die kerels houde en hun gangen naga: dat moet, dunkt mij, hier op 't eiland niet moeilijk wezen."
"Neen voorwaar!" zei Pulver lachende: "zij moesten in een konijnshol kruipen; anders weet ik niet, waar zij zich hier zouden verstoppen."
"Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg," zeide Reynszen: "en Mijnheer wordt voor zijn inlichting bedankt. Jawel, Terschelling is een vrijplaats; maar 't behoeft daarom geen boevennest te worden. Nu! ik kuier op en zie of ik den Drost kan vinden. Tot straks dan."—Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, mij met Pulver bij de vrachtwagens latende.
"Wat dunk je, Patroon?" vroeg Pulver, toen hij weg was: "zou UEd. ook lust nebben om met de schuit mee te gaan naar deKjöbenhavn, voor een veranderingetje? Er is hier toch niet veel raars te zien. Kapitein Holmfeld is een hupsche vent, die ons goed onthalen zal, wees daar zeker van: en dan kan UEd. hem de kisten zelf aanbevelen. Dat heeft altijd meer klem, dan dat ik het doe."
Ik omhelsde dit voorstel met genoegen: daar het verblijf op Terschelling toch niet zoo vermakelijk was, of het kon wel eenige variatie gedoogen; ik liet mijn mantel door een der matrozen halen, en weinige minuten waren er verloopen, toen ik, met Pulver en een gedeelte der manschap van deFortuin, mij in het vaartuig bevond, hetwelk de theekisten naar het Deensche schip moest overvoeren. In een klein half uur tijds waren wij de haven uit en op de reede gekomen, en zag ik Kapitein Holmfeld aan de trap staan, onze komst verbeidende. Niet verre van hem stonden twee in mantels gewikkelde personen, die insgelijks naar ons uitkeken.
"Het schijnt dat er passagiers aan boord zijn," zeide ik tegen Pulver.
"Dat dunkt mij ook," zeide Pulver: "ja, dat is geen wonder: er trekken tegenwoordig heel wat lieden dien koers uit. Nu! wij zullen zien."
Weldra lagen wij naast de kof: "alles wel! alles wel" klonk het nu over en weer. "Hier breng ik je een heele winterprovisie", riep Pulver zijn confrater toe: "zoo geurig, dat je schip er wel een jaar naar rieken zal."
"'t Is mij welkom," gaf Kapitein Holmfeld, een stevige vierkante Deen, hem in goed Hollandsch ten antwoord. "Maar gij komt immers ook aan boord, met dien Heer, dien gij bij u hebt?"
"Wel gewis!" zeide Pulver, terwijl hij de ladder besteeg: "dat is een van mijn patroons, dien ik meebreng: hij zal u, hoop ik, ook geen belet doen."
"In 't minste niet," antwoordde Holmfeld; terwijl twee matrozen van zijn manschap aan die van ons vaartuig een paar handspaken toestaken, die mij bij het opstijgen tot een leuning verstrekken moesten.
"Nu blijft gijlieden toch eten?" vervolgde de Kapitein: "ik ga toch niet voor morgen het zeegat uit. Stuurt uw schuit maar weg, en laat die u t'avond terug komen halen; of anders, ik zal u wel met de sloep aan wal laten brengen; want de wind gaat toch liggen: wij krijgen stilte."
"Wat mij betreft," zeide ik, na Pulver even te hebben aangezien: "ik neem gaarne uw aanbod aan: te liever, daar ik betere gedachten van uw keuken heb, dan van den Terschellingschen pot."
"Nu! dat is mij lief," hernam Holmfeld: "wel! wel! 't is een macht van kisten, die gij mij aanbrengt: als ik ze alle maar plaatsen kan:—en staat gij er voor in, Schipper! dat er geen averij aan is?"
"Gij kunt ze zelf bezien," zeide Pulver: "er is geen drop water bij gekomen."
De kisten, die intusschen aan boord waren overgebracht, werden met de vereischte nauwkeurigheid bezichtigd en voorloopig op het dek bijeengezet en met een zeil bedekt, terwijl men bezig was er tusschendeks een geschikte bergplaats voor gereed te maken.
"Ik behoef u de zorg voor de waren, die ik meebreng, niet aan te bevelen," zeide ik tegen Holmfeld: "maar wat ik u in de eerste plaats op het hart moet drukken, is de zorg voor uw eigen schip; want het kon wel gebeuren, dat gij in den volgenden nacht een bezoek ontvingt, dat u alles behalve welkom ware."—En ik verhaalde hem in korte woorden het plan, waar ik onderricht van bekomen had: er bijvoegende, dat het bestuur van Terschelling, naar mijne gedachten, wel de noodige maatregelen zou nemen om een aanslag te voorkomen.
"Dat wensch ik," zeide Holmfeld: "maar in allen gevalle dank ik Mijnheer voor de waarschuwing: en zoo zij het in den kop kregen, zoo iets te beproeven, zouden zij ook ondervinden, dat Kapitein Holmfeld handen aan 't lijf en fiksche gasten aan boord heeft. Maar zij zullen het niet zooverre laten komen.—Wees zoo goed en zeg er maar niets van dat de passagiers het hooren. Die menschen mochten zich maar noodeloos ongerust maken: ofschoon, wat den ouden Heer betreft, ik niet bang zoude wezen, dat hij mij in den steek liet zitten. 't Is een kerel als een boom, en die mee in zijn leven den plankenvloer heeft beloopen: dat zag ik direct wel toen hij aan boord kwam: geen landrot zou zoo op zijn gemak over het dek gekuierd hebben."
"Dat is waar ook," zeide ik: "gij hadt, dunkt mij, passagiers aan boord, waar zijn die gebleven? Ik hoop niet, dat zij bang voor mij zijn."
"Wel neen!" zeide Pulver, zich in het gesprek mengende: "wij zullen ze niet opeten, zooals de matrozen zeiden, toen zij de vaatjes rum van den bottelier hadden gekaapt."
"Zij zijn naar beneden gegaan," zeide Holmfeld: "'t schijnen hupsche menschen; waar wat schuw van vreemde aangezichten. Wij zullen hun echter laten vragen, of zij niet mede een kopje koffie komen drinken. Toe Melis! loop eens gauw naar beneden, en vraag, of Mijnheer en de Juffer ons met hun gezelschap willen vereeren. Zeg dat er niemand vreemds is als de Kapitein van de Fortuin en Mijnheer Huyck."
Wij begaven ons hierop in de kajuit, waar koffie, brood en boter werd aangebracht: en nauwelijks had Pulver zijn koperen tabaksdoos uitgehaald, en een pijp met een geweldige pruik gestopt, of de deur ging open en ik herkende in de binnentredende passagiers—Amelia en haar vader. Ik stond eenigszins verzet; echter was mijn verwondering over hun onverwachte verschijning minder groot dan bij vorige gelegenheden; ik geloof, dat ik reeds aan dergelijke verrassingen gewoon was geworden. Niet wetende, in hoeverre hun ware naam en betrekking aan den kapitein bekend waren, vergenoegde ik mij, hen beleefdelijk te groeten, terwijl alleen een glimlach, dien ik niet weerhouden kon, aan een derde zoude hebben kunnen doen gelooven, dat ik hen vroeger gekend had: en ik besloot mijn handelwijze naar de hunne te regelen; daar zij toch van den kajuitsjongen bericht hadden ontvangen, wien zij boven zouden vinden, en zich dus konden voorbereiden, hoe zich jegens mij te gedragen. Maar zoo ik al zweeg en mij goed hield, er was iemand in ons gezelschap, op wien de komst van de nieuwaangekomenen een indruk maakte, die zich niet zoo licht bedwingen liet. De goede Pulver namelijk had hen nauwelijks in 't aangezicht gekeken, of hij sprong van de bank, waar hij op gezeten was, zoodat de versch gestopte pijp in stukken vloog en, met een goed deel tabak, asch en vuur daarnevens, op den grond rolde, staarde vader en dochter met open mond beurtelings aan en sloeg toen de handen ineen, dat het klapte:
"Wat drommel!" riep hij eindelijk uit: "heb ik het mis, of heb ik het wis?"
"Hoe zoo?" vroeg Holmfeld: "kennen de vrienden mekaar?"
"Dezen Heer ken ik," zeide Van Lintz, met een onveranderd gelaat: en naar mij toetredende, drukte hij mij de hand.
"Neen maar...." hernam Pulver: "bij mijn zaligheid zou ik er op durven zweren:—en toch is het niet wel mogelijk.—Maar zoo ik niet wist dat het geen droom is, en dat wij hier werkelijk in 't Maklijk-Oud bij Terschelling lagen, op den hoekerde Stad Kjöbenhavn, Kapitein Holmfeld, dan zou ik denken, dat wij ons in de zee van de Antilles bevonden."
"Dat is wat ver van hier," zeide Van Lintz, met het onnoozelste gezicht van de wereld, terwijl hij eenige vonken uittrapte, die de pijp van Pulver op de vloermat gestrooid had.
"Wel! Wel!" vervolgde Pulver: "hadden wij nu Sandertje maar hier:—die kon getuigen, of er ooit zoo'n gelijkenis bestaan heeft.—En de Juffer ook—net datzelfde vriendelijke bakkesje, schoon wat grooter en bleeker dan toen:—neen! nu kan ik er toch niet meer aan twijfelen."
"Er bestaat geen onmogelijkheid, dat wij elkander vroeger gezien hebben," zeide Van Lintz, op een koelen toon: "maar uw gezicht staat mij niet voor."
"Wel mogelijk!" zeide mijn metgezel: "Kapitein Pulver, tot uw dienst—vroeger schipper van de Compagnie op dePrins te Paard, thans van het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. op deFortuin, die, God beter 't, ginds in 't zand ligt bedolven.—En heeft UEd. alzoo het ... handwerk vaarwelgezeid?—Nu! dat is prijselijk:—er was toch weinig eer mede te verdienen."
Amelia zag beangst en bevende, eerst haar vader, vervolgens mij aan met een smeekenden blik. Eerstgemelde bleef echter op denzelfden koelen toon tegen Pulver voortgaan:
"Ik weet niet," zeide hij: "wat gij bedoelt. Mijn naam is: Bos: en ik ben op de Antilles nooit geweest."
"Uw herinneringsvermogen bedriegt u, vriend Pulver!" zeide ik: "ik ken dien Heer zeer wel: en de gelijkenis, die gij vindt, kan niet streelend noch aangenaam voor hem zijn."
"Nu! ik ontgeef het mij dan," zeide Pulver: "ik vraag verschooning, zoo ik den verkeerde voorhad, gelijk de soldaat zei, die zijn Kornel overhoop schoot: er is meer gelijk als eigen: maar die ontmoeting, op twaalf graden Noorderbreedte, ligt mij altijd door het hoofd te malen. Ik moet u die toch eens vertellen," zeide hij, terwijl hij een versche pijp stopte.
"Straks!" zeide ik, het gesprek willende afleiden: "wij zitten pas en wij hebben den tijd nog.—Gij hebt het goed getroffen, Kapitein Holmfeld! Waart gij een paar dagen vroeger van Amsterdam gezeild, dan hadt gij den storm ook niet misgeloopen."
"Ik had niet verwacht, u hier aan te treffen, Mijnheer Huyck!" zeide Van Lintz, die inmiddels met zijn dochter had plaats genomen: "het is waarschijnlijk de ramp, aan uw schip overkomen, die u herwaarts gevoerd heeft.—Wanneer is UEd. van huis gegaan?" Ik voldeed aan zijn vraag en gaf hem een vrij omstandige beschrijving van mijn reis, minder uithoofde van de belangrijkheid mijner ontmoetingen als om te voorkomen, dat het gesprek tot het vroegere onderwerp terugkeerde. Toen ik gedaan had, vroeg Amelia: "Gij hebt dus Mejuffrouw uw tante nog vóór uw vertrek gesproken?"
"Ja!" antwoordde ik, beseffende, waar deze vraag op doelde: "zij was zeer wel en had bericht van u ontvangen."
"Ik verzoek u, haar minzaamst van mij te groeten," hernam zij "eenmaal ter plaatse mijner bestemming gekomen, zal ik niet verzuimen haar te schrijven en nogmaals voor al haar goedheid te danken."
"Gij verhaaldet zooeven," zeide Van Lintz, "van de moeite, die gij gehad hebt, om uw eigendom, en dan nog wel tegen betaling van schandelijke bergloonen, uit de handen van den Strandvonder terug te bekomen, maar gij moogt nog van geluk spreken, dat uw vaartuig niet gestrand is op een plaats waar heerlijke rechten op de zeedriften en strandvonden worden uitgeoefend; want dan hadt gij wel geheel onverrichterzake kunnen terugkeeren."
"Of op een plaats, waar zeeroovers wonen," zeide Pulver er bij: "want dan ware niet alleen schip en lading, maar ook leven of vrijheid er mede gemoeid geweest."
"Ik heb," vervolgde Van Lintz, zonder zich aan de aanmerking van Pulver te storen, "van nabij voorbeelden gezien, tot welk een uiterste die afknibbelingen en gewelddadigheden gedreven worden, welke men zich tegen hulpelooze schipbreukelingen veroorlooft, en hoe in een land, hetwelk roem draagt op vrijheid en verlichting, de winzucht ook te dezen opzichte alle menschelijkheid uitdooft, ik was in mijn jeugd zeer bekend en zelfs nauw verwant met een Heer, wiens waren naam ik verzwijgen zal, daar een zijner zonen nog heden een aanzienlijk staatsambt bekleedt, en dien ik dus gemakshalve Murél zal noemen. Deze Heer van Murél woonde op zijn voorvaderlijk slot aan de noordkust van ons land gelegen; doch van het gezag, hetwelk zijn voorgeslacht had uitgeoefend, was hem slechts weinig bijgebleven, en het ontbrak hem bovendien aan middelen om zijn stand behoorlijk op te houden. Wel had hij grond genoeg in eigendom, en de afnemende zee vergrootte jaarlijks zijn grondgebied; maar om dit te bebouwen had hij de kosten eener indijking moeten dragen: en daartoe was hij niet in staat; te meer, daar hij geen slag, of geen lust had om van zijn inkomsten iets ter zijde te leggen; maar die verteerde naarmate hij die ontving; ja eer hij die ontvangen had. Wat hem nog het meest opbracht, was het strandrecht: wat op zijn wadden aan kwam spoelen of aan den grond raakte, was goede prijs; en daar kraaide nooit een haan naar; en wee den armen schipbreukelingen, die hulp of herbergzaamheid bij hem kwamen zoeken; want zij mochten zich gelukkig achten, indien zij vrij kwamen met opoffering van al hun geredde plunje, en indien hij hen niet de zee weer instuurde, waar zij pas uit gered waren.—Maar het was niet altijd stormweer: en niet altijd raakten er vaartuigen in het gezicht van het slot te Murél aan den grond; doch mijn bloedverwant zaliger had een vrij zonderlinge en geheel eigene manier om te zorgen dat dit gebeurde, en de kans zoo voordeelig mogelijk voor hem te maken. Hij was niet ongelijk aan sommige spelers, die, wanneer de fortuin hun niet gunstig is, raad weten om haar een weinig in de hand te werken en een zetje vooruit te geven. Zoo had hij b.v. altijd een loodsboot in zee, die bereid was haar diensten den voorbijvarenden schippers aan te bieden; doch wee dengenen, die ze aanvaardde, want hij kon zeker zijn, dat zijn vaartuig op het droge raakte en dat de lading in de bergplaats van den Heer van Murél overging. Langen tijd was dit middel met een goed gevolg bekroond geworden; doch ten laatste kregen de schippers het in den neus en bedankten den Heer van Murél voor zijn loodsen:—en nu moest er op een andere wijze raadgeschaft. Een zestal kloeke en welgewapende kerels werd den loods toegevoegd, en wanneer dan een voorbijzeilend vaartuig aan boord werd geklampt, was het wel genoodzaakt zich aan hun bedrieglijke leiding over te geven, en den gevorderden tol te betalen."
"Onbegrijpelijk!" riep ik uit: "en werd dit geduld?"
"Ik zoude het niet gelooven, veelmin verhalen," ging Van Lintz voort, "indien ik het niet had gezien; maar ik heb zelf, ik durf het thans wel te bekennen, meer dan een dier tochten bijgewoond: ik was toen nog zeer jong, had geen recht besef van het mijn en dijn, en het kwam niet in mij op, dat mijn oom iets onbetamelijke of onwettigs zoude gelasten: te meer daar hij mij dikwijls onderhield over zijn voorvaderen, die, naar hij beweerde, tot de Noordsche zeekoningen hadden behoord, wier leus was, op den Oceaan geen vrienden te kennen."
"Dan heeft UEd. toch zoo een beetje aan de zeerooverij gedaan," zeide Pulver: "en ik was straks niet zoo geheel buiten koers, dat ik u voor dien anderen aanklampte, die een effectieve zeeroover was."
"En liet het Landsbestuur zulke gruwelijke dingen ongestoord heur gang gaan?" vroeg Holmfeld met een verbazing, welke ik deelde.
"Wat zal ik u zeggen," hernam van Lintz: "de Heer van Murél was geen gemakkelijke patroon, en zeker geen kat om zonder handschoenen aan te vatten. Zijn schuldeischers betaalde hij niet en hij lachte er wat mede, of zij hem voor de Rechtbanken citeerden. Eens kwam er een gerechtsbode uit Groningen, met voornemen van beslag op gijn goederen te leggen, zoo roerend als onroerend; maar nauwelijks was hij het slot genaderd, of de Heer van Murél liet de brug ophalen en weigerde hem den toegang: toen de gerechtsbode hierop aandrong, binnengelaten te worden en met luider stem zijn mandaat begon te ontvouwen, liet de Heer van Murél hem aanzeggen, dat hij zich spoedig van zijn grondgebied had te verwijderen, en dat hij hem in het tegenovergesteld geval zonder eenigen vorm van proces zou doen ophangen. De ambtsdienaar liet zich deze waarschuwing niet herhalen en dankte den Hemel, toen hij zich weder buiten de grenzen der Heerlijkheid bevond. En die zelfde Heer van Murél zat in de vergadering van H. E. Mogenden en was een van 's Lands bestuurders. Prijs wie lust heeft, na dit voorbeeld, de vrijheid, welke men in dit Gemeenebest geniet," voegde de Heer Van Lintz er met een schamperen glimlach bij.
"Met verlof" zeide ik: "juist de omstandigheid, dat UEd. dit bijzonder geval aanhaalt en en als iets schier ongeloofelijks vertelt, bewijst, dat het eenig in zijn soort is en daaruit alzoo geene gevolgtrekking ten nadeele onzer staatsinrichting in 't algemeen kan getrokken worden."
Pulver als een goed patriot, rangschikte zich bij mijn gevoelen; terwijl Holmfeld daarentegen beweerde dat zijn passagier gelijk had en dat in de Vereenigde Provinciën eigenlijk niemand van die zoo hooggeroemde vrijheid genot had, buiten eenige bevoorrechte familiën. Hieruit ontstond een vrij langdurige woordenwisseling; waaraan Van Lintz een einde maakte, door mij voor te stellen, zijn verblijf beneden eens te bezichtigen; ik nam dit gereedelijk aan, te meer, daar ik bemerkte, dat Amelia zeer naar de vrije lucht begon te verlangen: en, inderdaad, de damp, welke de beide schippers uitbliezen, had het vertrek zoodanig vervuld: dat men er den rook kon snijden.
Ik begreep, dat het bezoeken van zijn verblijf aan boord slechts een glimp was, door den Heer Van Lintz aangewend, om gelegenheid te vinden, mij alleen te spreken. Wij liepen dan ook de nauwe slaapplaatsen slechts even door en langs een andere trap weder op het dek komende, begaven wij ons naar de voorplecht.
"Het verheugt mij" zeide ik, "dat ik u hier beiden in veiligheid en van alle vervolging ontslagen zie."
"Ja Mijnheer!" zeide Van Lintz, terwijl hij met den vinger de blanke streep aanwees, die, van Vlieland naar Terschelling loopende, de grenzen tusschen het ruime sop en de binnenzee scheen af te teekenen: daarginds is het open vaarwater en de weg der vrijheid."
"Droevig genoeg," zeide ik, "wanneer men dien buiten zijn vaderland moet zoeken."
"Mijn vaderland!" herhaalde hij, met een bitteren lach: "wat noemt gij mijn vaderland? Is het dat rampzalige Graafschap, waar ik geboren ben en waar de eenzelvigheid van een onbeduidend plantenleven alleen gevarieerd wordt door buurt- of familietwisten? Zijn het die Zeven Provinciën, die verdeeld in zeden en belang, gestadig met elkander overhoop liggen, en waar eenige laatdunkende kooplieden, die men in andere landen nauwelijks de tafel der lakeien zoude waardig keuren, onbeschaamd het meesterschap voeren en de wereld willen regeeren? Is het dat Spanje, dat mij vogelvrij verklaard heeft?—Ik ben een wereldburger, Mijnheer!"
Ik achtte het onnoodig, dezen onbillijken en onbetamelijken uitval te beantwoorden, welke ik overigens zag, dat door Amelia niet werd goedgekeurd: want zij schudde het hoofd en zag haar vader met weemoed aan.
"Ik versta u, mijn dochter!" zeide hij, zich tot haar wendende: "ik weet, wat gij denkt, schoon gij het schroomt te zeggen; gij beschuldigt mij in uw hart, dat ik menschen en staten onrechtvaardig beoordeel, en dat ikzelf in vele opzichten de rampen, die u en mij troffen, door mijn handelwijze heb verwekt. Het is mogelijk: ik heb nooit willen buigen voor onrechtmatig gezag, noch voor wetten, door willekeur ingesteld.—Maar hierover genoeg; de oogenblikken zijn kostbaar en behoeven niet verbeuzeld te worden: ik ben den Heer Huyck schuldig zijn weetgierigheid te voldoen en hem die omstandigheden uit mijn levensloop mede te deelen en op te helderen, welke hem nog duister mochten voorkomen. Ik had gedacht, dit bij brief te doen: onze wederontmoeting biedt mij een gemakkelijker gelegenheid aan, om mij van die taak te kwijten."
Ik betuigde hem mijn genoegen over zijn toezegging: en zich op een affuit gezet hebbende, begon hij zijn verhaal:
"Ik ben geboren uit een adellijk geslacht van het Graafschap Zutfen, de jongste en thans eenig overgeblevene van een aantal kinderen. Mijn vader, de Baron Van Lintz, bracht zijn dagen op zijn afgelegen landgoed door, daar hij geen eigen middelen bezat om in de groote wereld eenig figuur te maken, en de Roomsche godsdienst, welken hij beleed, hem van het bekleeden eener winstgevende bediening uitsloot. Ik scheen dan ook bestemd om, gelijk mijn broeders, stil en onopgemerkt als een boeren-edelman voort te leven; maar het was anders door het lot beslist. Mijn moeder, die tot de heerschende Kerk behoorde, had in 's-Hage en elders vele en aanzienlijke bloedverwanten: en dezen, een meer dan gewonen aanleg in mij meenende te bespeuren, beduidden haar, aan mijn opvoeding een meerdere zorg ten koste te doen leggen, dan mijn broeders ten deel viel; terwijl zij met elkanderen de daartoe vereischte uitgaven op zich namen. Ofschoon ik door mijn vorderingen aan hun verwachting vrij wel beantwoordde, en een kennis van zaken en personen verkreeg, welke mij in mijn volgende loopbaan wel te stade kwam, had ik echter geen trek, om, gelijk zij verlangden, een geleerde te worden. Ik helde meer tot den zeedienst over, waartoe ik—'t geen zeker vreemd genoeg scheen in iemand, die als ik, in een landprovincie geboren was—een bijzondere neiging gevoelde, welke nog versterkt was geworden door de tochtjes, die ik jaarlijks, staande mijn verblijf bij mijn oom te Murél, op de Noordzee deed en waarvan ik u zooeven het een en ander verhaalde. Deze, mijn oom Van Murél was de eenige, die mijn neiging billijkte. Tegen den zin mijner overige bloedverwanten, die het belachelijk vonden, dat ik een loopbaan in zou treden, waar ik het, uithoofde mijner kerkleer, nooit, ver in kon brengen, werd ik, door zijne bemoeiingen als adelborst aangesteld: en na een paar jaren dienst zag ik mij, 't zij door toedoen mijner beschermers, 't zij omdat ik het werkelijk wel maakte, tot Luitenant bevorderd. Dit was nu zeer goed en wel; maar nu was ik ook tot dien rang gestegen, waar de slagboom neerviel: en kleingeestige staatsinstellingen moesten mij beletten, hier te lande ooit hooger op te klimmen.
Ik leerde ondertusschen, te Amsterdam zijnde, de dochters van den op pensioen gestelden Kapitein Reefzeil kennen. Ik werd verliefd op de jongste, en zag mij weldra gelukkig door haar wedermin. Het verschil van Godsdienst was echter een hinderpaal, waartegen mijn ouders minder zouden hebben opgezien (daar, gelijk ik zeide, mijn moeder insgelijks de hervormde leer beleed), doch die voor den ouden streng rechtzinnigen Reefzeil onoverkomelijk was. Bij de teleurstelling, welke ik hierdoor ondervond, voegden zich de verdrietelijkheden, welke mij dagelijks kwelden, wanneer ik jongere of min bekwame officieren mij over 't hoofd zag stijgen, alleen omdat zij der heerschende Kerk waren toegedaan. Ik had dit vroeger, bij 't aanvaarden mijner loopbaan minder geteld; doch nu ik het ondervond, werd het mij onverdraaglijk. Ik was, daar mijn geboorte mij den toegang tot de hoogste kringen verschafte, in kennis geraakt met den Spaanschen Gezant en deze opende mij de gunstigste vooruitzichten, indien ik konde besluiten, in den dienst van Z. Katholieke Majesteit te treden. Dit voorstel kwam mij te aanlokkelijker voor, nademaal ik begreep, dat ik op deze wijze mijn twee vurigste wenschen, het bezit mijner dierbare Cornelia en een hooger stand in de maatschappij, zoude kunnen bereiken. Ik haalde haar over, met mij te vlieden, zond mijn ontslag in, trouwde heimelijk in de kapel van den Gezant en vertrok, door hem van goede brieven van aanbeveling voorzien, met mijn echtgenoote naar Spanje. Ik werd aldaar goed ontvangen. Men had juist bekwame zee-officieren noodig; en het leed niet lang of ik zag mij aan boord van een oorlogsbrik geplaatst. Alles liep mij in den aanvang mede: ik had het geluk gewichtige diensten aan mijn nieuw vaderland te bewijzen en genoot een snelle bevordering. Door toevallige omstandigheden geraakte ik ook in diplomatieke betrekkingen: en een voordeelig tractaat met Portugal gesloten, deed mij in de gunst des Konings klimmen. Ik werd Admiraal, Grande van Spanje, Vlies-ridder, Graaf van Talavera, in één woord, ik zag weinigen mij gelijk en alleen den Koning boven mij verheven. Mijn eenige smart was, dat mijn gade de mij beschoren eer niet had kunnen deelen: zij was kort na mijn aankomst in Spanje overleden, na mij een dochter geschonken te hebben.
Mijn voorspoed (en hoe kon dit anders?) had den nijd van velen opgewekt, en men zocht mij van de hoogte, waartoe ik was opgestegen, te doen nedertuimelen: dagelijks kwamen den Koning geheime inblazingen ter oore: men klaagde mij aan van geldverspilling, van misbruik van gezag, in 't kort van tallooze wandaden, welke ik, zoo ze mij openlijk waren verweten geweest, met gemak had kunnen wederleggen; doch waar ik mij, zoolang ik die niet kende, niet tegen verdedigen kon. Langen tijd weerstond de Koning de kuiperijen mijner haters; maar eindelijk begon hij te wankelen, en zijn vertrouwen op mij verminderde. Ik ontving een zending naar Mexico. Ik begreep, dat deze verwijdering met een ballingschap gelijkstond; maar er viel niet anders te doen dan te gehoorzamen. Ik oordeelde echter, mij tegen de omstandigheden te moeten dekken en zond daarom verscheidene papieren van waarde, ook eenige bescheiden, welke tot mijn justificatie konden strekken, en bij sommige waarvan aanzienlijke lieden uit Spanje gecompromitteerd waren, met een zekere gelegenheid naar Holland, met last om die bij een Notaris te deponeeren, onder voorwaarde van die aan niemand, dan op mijn schriftelijke vergunning, ter hand te stellen. Ik vertrok dan naar Mexico en nam mijn dochter mede, die na den dood van haar moeder in een klooster was opgebracht geweest. Mijn afwezigheid gaf ruim baan aan mijn beschuldigers, en zij verzuimden de gelegenheid niet. Een half jaar had ik in de nieuwe wereld doorgebracht, toen een vaartuig de tijding kwam brengen dat ik naar Spanje teruggeroepen werd om mijn gedrag te verantwoorden. Ik moest gehoorzamen; maar nauwelijks was ik met mijn dochter aan boord van het transportschip gekomen, of mijn degen werd mij afgeëischt, en ik zag mij als gevangene behandeld. Op de terugreis werd ons vaartuig door zeeroovers aangerand en genomen. Alles werd over de kling gejaagd en ik had mijn behoud en dat mijner dochter alleen te danken aan de omstandigheid, dat een der roovers, die vroeger onder mij gediend had, mij herkende. Terwijl men mij naar de schuilplaats der vrijbuiters voerde, kwam mijn oom Van Murél met zijn verhalen mij voor den geest. Ik vormde het besluit mij op het ondankbare Spanje te wreken en voortaan als een Noordsche Zeekoning te leven. Ik liet mijn voornemen aan mijn beschermer bemerken: deze juichte het toe: en toen hij, aan wal gekomen, mijn naam, de smadelijke behandeling, die ik tot loon mijner diensten ondergaan had, en mijn besluit om mij bij hen te voegen, aan de zeeroovers openbaarde, werd ik met algemeene stemmen tot hun opperhoofd verkoren. Wat in de jaren, die ik in het Meer van Maracaibo doorbracht, door mij verricht is, ga ik liefst voorbij: genoeg zij het, dat ik geduchte wraak op Spanje nam van de beleediging mij aangedaan; en de goede Kapitein, die ginds zijn pijp zit te rooken, kan u verhalen hoe gevreesd de naam van Don Manoël in den Mexicaanschen zeeboezem en in de Zee der Antilles was."
Hier viel ik den verhaler in de rede.—Gij wildet wraak op Spanje nemen," zeide ik: "maar kwam die wraak over beleedigingen u door de Rijksgrooten aangedaan, niet op het hoofd neder van onschuldige kooplieden en schippers, die wellicht te voren uwen naam met eerbied genoemd en uw bestuur gezegend hadden?—moest op deze wijze niet de onschuld het gelag betalen?"
"Ik erken, dat uw aanmerking juist schijnt," zeide Van Lintz: "maar is dit niet bij elken oorlog het geval? Boeten de soldaten, die in den veldslag sneuvelen, de arme landlieden, wier oogst vernield en weggeroofd wordt, de burgers, die hun woningen geplunderd en verwoest zien, niet voor het vergrijp der vorsten, in wier raadsvertrek de krijg besloten is? Ik ook, ik had den oorlog aan Spanje verklaard en aan al wie met Spanjaards heulde; en ik strafte den ondankbaren vorst in zijn onderdanen. Gij zult mij wellicht tegenwerpen, dat ik—naar het gewone gevoelen, een roover was en geen vorst door Gods genade; maar ik erken het onderscheid niet, dat door een partijdige beschouwing gemaakt is! ik was Souverein: ik heerschte met onbepaalde macht over de mijnen, en het eenige verschil tusschen mijn tegenpartij en mij bestond daarin, dat ik slechts over vijfhonderd, hij over vijftig millioen onderdanen gebood—maar des te grootscher scheen het mij, zijn overmacht te tarten."
"Ik zal hierover in geen woordentwist treden, die ons te verre zoude leiden," zeide ik, glimlachende over de drogredenen, waarmede Van Lintz zijn handelingen zocht te vergoelijken: "ik acht het met dat al gelukkig, dat niet iedereen zich geroepen voelt, om een dusdanige nieuwe maatschappij te stichten en op roof en doodslag te gronden. Intusschen schijnt die tijdelijke heerschappij, hoe grootsch ook, u verdroten te hebben. UEd. heeft die, meen ik, vrijwillig verlaten."
"Vrijwillig!" herhaalde Amelia, zich aan haar vader klemmende: "ja gewis, Mijnheer Huyck! Vrijwillig, en uit weerzin tegen de leefwijze, die wij leidden. O! geloof toch niet, dat mijn vader in ernst het gevoelen voorstaat, dat hij zooeven uitte. Neen! de omstandigheden, de dwang der roovers, in wier macht wij ons bevonden, noodzaakten hem, in het eerst, hun opperhoofd, of hun slachtoffer te worden; en een gevoel van wraakzucht kan zich daarmede gemengd hebben;—maar ik heb te vaak gezien, met deelneming bijgewoond, hoe dat lijden van onschuldigen, hoe die buit, op ongelukkigen verworven, hem bittere uren en slapelooze nachten gekost hebben, hoe de omgang met zijn woeste gezellen hem tegenstond, en hoe het besef, dat hun handwerk strafbaar in Gods oogen was, hem ieder oogenblik den boezem benauwde. Vergeef mij, mijn vader, zoo ik te vrijmoedig spreek;—maar uw hart was beter dan uw daden: en vaak hebt gij ook naderhand het uur gezegend, waarin gij het besluit volbracht, om aan die leefwijze voor eeuwig vaarwel te zeggen."
"Ik zal ten minste altijd het uur blijven zegenen, dat mij u tot dochter gaf," zeide Van Lintz, Amelia vriendelijk over de wangen streelende: "en ik wil gaarne bekennen, dat ik zonder u, dat besluit, waar gij van spreekt, niet zoo licht zoude genomen hebben;—want, hetzij mijn beroep schuldig ware of niet, ik was er in vele opzichten aan gehecht: en men moet zeeman geweest zijn, Mijnheer Huyck! om zich het alles overwinnende genot voor te stellen, dat men smaakt, wanneer men, met een goed schip onder de voeten en aan 't hoofd eener stoutmoedige en voor niets vervaarde manschap, de zeeën beheerscht en geen meester erkent:—doch genoeg hierover: welke dan ook mijn beweegreden mogen geweest zijn, ik verliet mijn nieuwe onderzaten en droeg het bevel over de bende aan een jongeling over, die met dienzelfden Kapitein Pulver, die mij straks herkende, in mijn handen geraakt is. Gij hebt den knaap gezien: hij was het, die aan den weg nabij Naarden, op dien avond...."
"o!" riep ik uit: "ik heb hem sedert genoeg weder gezien: en wat meer is, hij bevindt zich op dit oogenblik hier geen half uur vandaan: UEd. zoude hem desnoods met een gewonen kijker kunnen zien.—Doch daarover nader: laat ik uw verhaal niet storen."
"Het overige," hernam Van Lintz, "heeft weinig te beteekenen. Ik trok weder naar Europa en kwam behouden in Frankrijk aan. Daar bood ik mijn dienst aan verschillende hoven; maar reeds had zich het gerucht, althans het vermoeden verspreid, dat de Graaf van Talavera en de Zeeroover Don Manoël één persoon waren: en ik ontving allerwegen afwijzende beschikkingen op mijn voorslagen. Eindelijk slaagde ik er in, betrekkingen aan te knoopen met het Russische hof. Het werd echter noodig geoordeeld, opdat de zaak haar beslag krege, dat ik een persoonlijke samenkomst had met den Gezant van den Czaar te 's-Hage en zijn agent te Amsterdam. Ik kwam derhalve naar de Nederlanden: doch werd reeds aan de grenzen gewaarschuwd, dat men mij in Holland als deserteur beschouwde, omdat ik indertijd zonder verlof was weggereisd, en dat bovendien de Spaansche Gezant mij opeischte. Men raadde mij dus, zoo ik het wagen wilde, onder een bedekten naam over te komen. Ik had in het Graafschap mijn ouden vader teruggezien; maar helaas! het was alleen om hem de oogen te sluiten: mijn moeder, al mijn broeders waren reeds lang gestorven.—Niemand van al mijn naaste betrekkingen was meer in leven, dan Martha, mijn oude voedster, welke ik vernam, dat thans de hoeve nabij Naarden bewoonde. Ik vormde toen het plan mij aldaar schuil te houden, tot ik bericht ontving, of ik mij in Amsterdam mocht wagen, en inmiddels mijn dochter derwaarts te zenden, om de gewichtige papieren te lichten, welke onder den Notaris Bouvelt berustende waren. Het overige is u bekend."
"Omtrent," antwoordde ik: "alleen weet ik niet, hoe gij beiden u thans hier bevindt, noch welke uw uitzichten voor de toekomst zijn."
"Gij weet," hernam Van Lintz, "dat mij de heer Blaek, om redenen voor u van geen belang, zijn dienst had toegezegd. Op den morgen, toen het feest aan de hoeve zoude plaats hebben, zorgde hij een half uur voor de andere gasten aanwezig te zijn: en, in zijn koets verscholen, reed ik naar Huizen, waar mij een boot wachtte, die mij naar den boeier bracht van den Heer Blaek, met welken ik naar dit vaartuig werd gesmokkeld, hetwelk gedeeltelijk door hem bevracht is, en waar hij voor mij en mijn dochter plaatsen had besproken. Amelia, in stilte van ons plan verwittigd, was in Amsterdam reeds scheep gegaan; en het gelukte ons alzoo ten einde toe de vervolging en de list van uw Heers vaders agenten te ontduiken. Thans vlei ik mij, op de plaats onzer bestemming gekomen, gelegenheid te vinden om mij naar Rusland te begeven, alwaar de Hemel mij vergunne, mijn dagen, na zooveel wisselvalligheden, in vrede te slijten en aan mijn arme dochter die rust te bezorgen, welke haar geschokt gestel behoeft.—Neem gij intusschen, Mijnheer Huyck! nogmaals mijn dankbetuiging aan. Ik weet, dat het bewaren van ons geheim u een bron van verdriet is geweest."
"Neen, mijn vader!" zeide Amelia: "gij weet nog niet alles:—ach! gij weet niet, welk leed wij den Heer Huyck onwillekeurig veroorzaakt hebben. Zijn zoetste hoop, zijn vurigste zielswensch hebben gevaar geloopen, van door onze noodlottige kennismaking voor altijd verstoord te worden.—Ja!" vervolgde zij met klimmende aandoening, ziende dat ik zwijgend voor mij staarde, terwijl haar vader ons beurtelings met eenige verwondering beschouwde: "een paar woorden, aan Mejuffrouw Jetje Blaek ontvallen, hebben een lichtstraal bij mij doen geboren worden, en ik heb niet gerust voordat mij alles was opgehelderd.—ik heb vernomen, hoe gij, Mijnheer Huyck! Mejuffrouw Blaek bemindet: hoe zij u met wederliefde loonde, hoe haar oom deze verbintenissen tegen was, en hoe lastertongen, die haar onze betrekking als misdadig voorstelden, haar hadden doen besluiten, u alle verdere aanspraak op haar te ontzeggen."
"Hoe!" riep Van Lintz uit, mij met een blik aanziende, waarin zich de uiterste verbazing teekende: "bestond er een teedere betrekking tusschen u en Mejuffrouw Blaek?... de nicht van den ouden Blaek?"
"Ik kan het niet ontkennen," antwoordde ik: "maar thans, daar uw vertrek mijn gelofte heeft opgeheven, vlei ik mij, mijn gedrag ook bij haar te zullen kunnen rechtvaardigen."
"Voor uwe rechtvaardiging zal ik zorgen," zeide Van Lintz, terwijl hij opstond en onstuimig heen en weder op het dek wandelde: "vervloekt zij de belofte, die mij de oude zondaar heeft afgeperst!—Maar ben ik er dan aan gehouden, nu het blijkt, hoe hij mij misleid heeft?—Hij heeft mij verhaald dat het huwelijk tusschen zijn zoon en zijn nicht een stellig bepaalde zaak was."
"Ik weet," zeide ik, "dat zulks zijn verlangen was; en men gelooft gaarne wat men wenscht; maar tot nog toe is het mij niet gebleken, dat de beide jonge lieden genegen waren, de door hem gekoesterde hoop te vervullen. Wat echter de reden betreft, waarom hij zoo sterk op die verbintenis gesteld is, deze kan ik niet gissen."
"Maar ik des te beter," riep Van Lintz: "hij heeft mij misleid, ik herhaal het; maar hij moet niet denken, dat men mij straffeloos tot speelbal neemt. Ik zal hem schrijven:—hij zal u zijn nicht geven—en een goeden bruidsschat bovendien, of ik zal hem het masker afrukken en aan de kaak stellen, den schijnheiligen bedrieger; ik heb er de middelen toe: en hij weet dit."
"Hoe!" vroeg ik, op mijne beurt verbaasd: "UEd. zou in staat zijn...."
"Ik ben de oorzaak van uw verdriet," zeide Van Lintz: "en het is niet meer dan billijk, dat ik goedmake, wat ik bedorven heb. Wees gerust: het hart van een jong meisje laat zich niet dwingen; doch, zoo het slechts aan de toestemming van Jacobus Blaek mangelt—hij zal die geven, dat zweer ik u. De zwarigheid zal alleen daarin bestaan, om zijn nicht van de verkeerdheid harer vermoedens te overtuigen."
"O!" zeide Amelia, terwijl zij mij met een betooverenden glimlach aanzag, en tevens eenige tranen afwischte, van welke ik mij geen rekenschap wist te geven: "een vrouw slaat zoo gaarne geloof aan de onschuld van hem, dien zij liefheeft. Laat de Heer Huyck geen moed verliezen; hij zal, vlei ik mij, bij zijn terugkomst geen moeite hebben, om zijn Henriëtte te overtuigen, dat hij nooit iemand buiten haar bemind heeft."
"Hoe!" zeide ik, aangenaam gestreeld door de hoop, die zij mij gaf, en tevens verrast door het stellige van haar belofte: "gij gelooft waarlijk...."
"Ik ben er zeker van," zeide zij: "maar," vervolgde zij, zich half omwendende: "nu niet meer over dit onderwerp."
"Neen!" zeide Van Lintz, ziende dat ze hevig ontroerd was: "over iets anders gesproken.—Gij zeidet mij zooeven, dat gij mijn voormaligen Luitenant Sander Gerritsz, of Zwarten Piet, zooals hij zich naderhand noemen liet, op Terschelling hadt gelaten?"
Ik voldeed op dit punt aan de nieuwsgierigheid van Van Lintz. Mijn verhaal wekte zijne deelneming en die zijner dochter: en beiden gaven den wensch te kennen, dat Sander hen op de reis vergezellen mocht en evenals Van Lintz zelf, gelegenheid zoeken om in dienst des grooten Czaars een nieuwe en meer eerlijke loopbaan te beginnen. Aan de toestemming van Sander viel niet te twijfelen; want het was bij mij zeker, dat hij nog de oude gehechtheid voor zijn voormaligen meester koesterde, en ik maakte mij sterk hem te overtuigen, dat, al bleef Klaartje in 't leven, zij toch voor hem verloren was. Er bleef dus alleen over, door Kapitein Holmfeld het innemen van een nieuwen passagier te doen goedkeuren: en wij waren juist voornemens hem deswege te gaan spreken, met verzwijging natuurlijk der omstandigheden, waarmede het raadzaam was niet voor den dag te komen, toen de beide Kapiteins naar ons toekwamen.
"Wel zoo! zijn de vrienden een luchtje gaan scheppen?" vroeg Pulver, en zich toen tot Van Lintz wendende, die op wilde staan: "blijf zitten, Mijnheer! hou uw gemak, zooals de havik tot de duif zei terwijl hij haar plukte: ja, wou jelui zien, waar deFortuingebleven is?—naar den kelder, Mijnheer! en de visschen zitten er misschien al in de kajuitskamer een kaartje te spelen."
"Inderdaad!" zeide ik, den blik naar de zandbank wendende, waar ik den dag te voren het wrak nog herkend had en nu niets meer te zien was: "zij is verdwenen! Hoe kan in zulk een korten tijd....?"
"O!" zeide Pulver: "het zand is hier in eeuwigdurende beweging, en een Loods behoeft geen drie weken ziek te zijn om het vaarwater te verleeren. Wij liggen hier nu goed en wel op Maklijk-Oud en hebben water in overvloed; maar Joost weet, hoe het over ettelijke jaren zal wezen, als die verwenschte Robbeplaat nog verder kuiert."
De vrees van Pulver werd bewaarheid; want, op dit oogenblik dat ik schrijf, is sedert lang die reede voor gewone vaartuigen ontoegankelijk geworden en biedt zij alleen bij hoog water den visscher een tijdelijke schuilplaats aan.
"Bedrieg ik mij?" vroeg Schipper Holmfeld, die middelerwijl met zijn kijker naar den kant van het Vlie had uitgezien: "of is het de boeier, die den Heer Bos aan boord gebracht heeft, die ginds komt opzeilen? Gelieft UEd. eens te zien?"
"Inderdaad!" zeide Van Lintz, na op zijne beurt te hebben uitgekeken: "ik heb er niet veel opgelet; maar nu gij 't zegt, hij heeft er veel van."
"UEd. heeft toch niets vergeten?" vroeg Pulver.
"Niets van zoo groot belang, dat men het mij zou komen nabrengen:—ja waarlijk ... hoe meer ik hem beschouw:—zie zelf eens, Mijnheer Huyck...."
"Het is het jacht van Lodewijk Blaek!" riep ik uit, door den kijker ziende, en den groenen voorsteven met verguld beeldwerk herkennende, waar het zilveren schuim tegen opspatte:—en vervolgens, Van Lintz ter zijde trekkende: "was hij mede in 't geheim van uw vertrek?" vroeg ik hem.
"Dat gewis niet," antwoordde Van Lintz; "en al wist hij er van, hij althans zoude de onbeschaamdheid niet hebben, mij opnieuw onder de oogen te komen."
"Het zou toch nogal toevallig zijn," zeide ik, "indien hij juist in den zin gekregen had, ook dezen koers uit te komen. In allen gevalle zullen wij geduld dienen te hebben, en afwachten wat het geeft."
Wij bleven aldus een geruimen tijd uitkijken, zonder dat het vaartuig ons merkbaar naderde, daar het door den tegenwind genoodzaakt was te laveeren, en ons, nu zijn voorplecht, dan zijn, met sierlijk, in den zonneglans fonkelend loofwerk pronkenden spiegel vertoonde. Eindelijk kwam men ons van onze beschouwing afroepen met het bericht, dat de maaltijd was opgedischt, en begaven wij ons in de kajuit. Aan tafel gezeten, had Pulver nauwelijks een mondjevol soep binnen, of hij begon weder over de groote gelijkenis tusschen den Heer Bos en zijn ouden kennis den Zeeroover; en wij moesten met of tegen dank, het verhaal zijner ontmoeting in de Zee van de Antilles hooren, en tevens hoe hij op Terschelling zijn ouden kennis Sander teruggevonden had. Ik nam hieruit aanleiding om den Heer Van Lintz, na hem een geheimen wenk te hebben gegeven, de vraag te doen, of hij niet een bediende noodig had, en hem Sander als zoodanig aan te bevelen.
"Wat drommel, Patroon!" riep Pulver uit: "wou UEd. nou van Sander een huisknecht maken? Is dat een werk voor een jongen, die het zeegat uit geweest is, en als Stuurman heeft rondgezwalkt?"
"Daarom zou hij mij des te liever zijn," antwoordde Van Lintz. "Ik heb iemand noodig, die de zeevaart verstaat; want tusschen ons gezegd: mijn reis staat met de zeevaart in betrekking ... ik ben in mijn leven verder dan op moeders bont boezelaar geweest:—en zoo die Sander Gerritsz...."
"UEd. heeft zijn naam goed onthouden," zeide Pulver, wiens vermoedens weder bovenkwamen en versterkt werden door de zeemansuitdrukking, welke Van Lintz gebezigd had: "en ik wil mijn leven op een vermolmde ra doorbrengen, zoo het heden de eerste reis is, dat UEd. dien heeft hooren noemen. Nu!—dat daargelaten: Harmen Pulver is ook niet mal: en ik weet wat ik denk, zooals de vent in 't dolhuis tegen den oppasser zei."
Van Lintz wilde antwoorden, en ik zag het oogenblik komen, waarin een verklaring onvermijdelijk werd, toen wij opeens een groote drukte aan boord vernamen, en een geluid als van een vaartuig, dat het onze langs zeilde; terwijl het over en weer roepen en praten ons gissen deed, dat er iemand aan boord gekomen was.
"Ik hoor vreemd volk, Kapitein Holmfeld!" zeide ik: "pas maar op: men zou uw boeier prijsmaken eer gij er op verdacht waart."
"'t Zal misschien die Don Manoël wezen, daar de Schipper zooeven van vertelde," zeide Holmfeld, lachende, terwijl hij opstond.
"Neen: daar wil ik mijn kop wel op verbeuren van neen," zeide Pulver: "ofschoon, een kennis van hem, dat ware mogelijk:" en hij zag Van Lintz wantrouwend van ter zijde aan, terwijl Holmfeld de kajuit verliet om te gaan zien, wat het wezen kon.
"Het is, zoo waar ik leve, het jacht van den Heer Blaek, dat van ons afgaat;" zeide Van Lintz, uit het raam ziende: "wat kan dat beduiden?"
Nog had hij niet uitgesproken, toen de deur openging. Kapitein Holmfeld trad binnen, deed een stap zijwaarts en liet iemand door, wiens bijzijn wij er verre af waren te verwachten of te wenschen—Lodewijk Blaek.
De aankomst van dezen onwelkomen gast bracht geen geringe ontsteltenis teweeg bij de personen, die zich in de kajuit bevonden Amelia werd doodsbleek, haar knieën knikten en zij hield zich aan den rug van haar stoel met beide handen vast om niet te vallen. Haar vader stond verrast en wierp op Lodewijk een blik vol toorn en verontwaardiging: en ik zag met bezorgdheid de toekomst te gemoet, overtuigd, dat de verschijning van dezen laatsten niets goeds voorspelde, en tot ergerlijke tooneelen zoude aanleiding geven; temeer, toen ik den glimlach bespeurde, die op zijn lippen zweefde.
"Ik heb de eer het gezelschap nederig te groeten, zeide hij, een spottenden blik op Van Lintz werpende; maar de uitdrukking van zijn gelaat veranderde en zijn kleur verschoot, toen hij mij herkende.
"Ga zitten, Mijnheer Blaek!" zeide Holmfeld: "waarlijk, wij waren er verre af, van ons op uw bezoek te verwachten: dat is hupsch van u."
"En waarom niet?" zeide hij, zijn onbeschroomdheid terugvindende, en plaatste zich meteen op den hem aangeboden stoel naast Amelia, die den haren verschoof: "ik ben immers een liefhebber van op het water rond te zwalken. Maar laat ik niemand storen. Houdt uw gemak, Mijne Heeren! Ik hou, zooals ik zeide, veel van een speelreisje; en bovendien, ik wenschte Mijnheer (zich tot Van Lintz wendende) te bedanken voor de eer, die hij mijn jacht heeft aangedaan, door het tot zijn overtocht te gebruiken. En de Heer Huyck ook hier! maar dat verwondert mij minder: men ziet den rook, waar het vuur is:—en als men zulke trekpleisters heeft...." hier zag hij, schamper lachende, naar Amelia.
"Mijnheer!" zeide Van Lintz, met nadruk: "ik ben hier slechts passagier aan boord, en de Kapitein kan toelaten wie hij verkiest; maar ik moet u zeggen, nu het mij blijkt, dat gij bewust waart van onze tegenwoordigheid alhier, dat uw ongewenscht bezoek de maat vult van al uw onbescheidenheden te mijwaarts."
"Kom Heer Graaf! of welken naam UEd. thans verkiest te dragen," zeide Lodewijk: "UEd. kan het zoo kwaad niet meenen: er is, zoo ik wel onderricht ben, ook een tijd geweest, dat UEd. ongewenscht aan boord kwaamt bij dezulken, die u voor St.-Felten wenschten. Daar is Kapitein Pulver, die weet er een geschiedenis van te vertellen."
"'t Is bij mijn zolen niets anders als ik dacht," zeide Pulver: "ja! ja! Pulver laat zich geen brik voor een barkas verkoopen, zooals ik zei."
"En gij, Kapitein Holmfeld!" vervolgde Lodewijk tegen den verbaasden Schipper: "gij moogt ook wel toezien, of uw geëerde passagier zou uw schip wel eens naar de Baai van Venezuela kunnen sturen."
"Ellendeling!" riep Van Lintz, bleek van woede en zich met moeite bedwingende: "Wat hebt gij voor? Wat beduidt uw komst, en de taal, die gij voert?"
"Ik begrijp er niets van," zeide Holmfeld: "uw eigen vader, Mijnheer Blaek! heeft mij deze lieden aanbevolen en aan boord doen ontvangen."
"Mijn vader is, met verlof gezegd, een oude suffer," zeide Lodewijk: "maar hij had wel anders gehandeld, indien hij geweten had, dat gindsche Heer, die zulk een hoogen toon voert, een deserteur is en een zeeroover."
Er volgde een oogenblik van algemeene stilte op deze woorden. De oogen van Van Lintz rolden hem vreeselijk in 't hoofd, het schuim stond hem op de lippen, en hij ware Lodewijk ongetwijfeld aangevlogen, had niet Amelia, eene uitbarsting willende voorkomen, zich voor haar vader geplaatst en hem omvat.
"Mijnheer mag wezen wie hij wil," zeide Holmfeld, na zich een wijl bedacht te hebben: "hij is mijn passagier: ik heb geld voor den overtocht ontvangen en ik versta niet, dat hij aan mijn boord beleedigd worde."
"Goed gesproken!" zeide Pulver: "of hij een deserteur is geweest weet ik niet; maar, zoo hij al een zeeroover was, kan ik getuigen, dat hij mij op een bescheiden wijze behandeld heeft en mij ongemolesteerd heeft laten gaan, toen hij mij zonder genade had kunnen opknoopen."
"Met u praat ik niet," zeide Lodewijk, "en wat Kapitein Holmfeld betreft, hij mag zich tweemaal bedenken over hetgeen hij zegt; want het zou wel kunnen gebeuren, dat hij anders geen zaken meer te doen kreeg voor ons kantoor."
"Hoor eens," zeide Holmfeld, op zijn beurt warm wordende: "Mijnheer Bos, of zoo hij heeten mag, is onder bescherming van de Deensche vlag en niemand zal hem hier verder affronteeren. En wat u betreft, Sinjeur! die hier twist komt zoeken, ik raad u, maak maar gauw, dat gij van mijn bodem afkomt, of ik laat u tusschendeks smakken en pak u mede naar Denemarken. Wat hagels! ik ben baas op mijn schip."
Lodewijk beet op zijn lippen: "Ik ga," zeide hij, op een sarrenden toon: "en zal te Amsterdam bericht brengen, dat Kapitein Holmfeld misdadigers laat ontsnappen en dat de zoon van den Hoofdschout een afscheidsglaasje met hen drinkt."
Ik had mij voorzichtigheidshalve niet in den twist gemengd; maar deze persoonlijke beleediging begreep ik niet voorbij te kunnen laten gaan: "Mijnheer Blaek!" zeide ik: "ik heb tot nog toe gezwegen: maar ik moet u zeggen, dat gij hier een ellendige rol speelt."
"Met u heb ik thans niets te schaffen," zeide hij; "maar later zult gij mij voldoening voor die woorden geven."
"Ik had u die reeds lang afgevergd," zeide ik: "indien de eerbied voor uw vader en nicht mij niet weerhouden hadden."
"Mijn nicht!" hernam hij, schamper lachende: "het voegt u wel van mijn nicht te spreken, wanneer ik u met uw maitres in gezelschap vind."
"Dat is te veel!" riep ik uit: "zoodra wij aan wal zijn...."
"Gij hebt gehoord, wat ik gezegd heb," zeide Holmfeld, terwijl hij Lodewijk in den kraag vatte: "nog één woord en ik smijt u in den kelder."
"Een oogenblik!" zeide Van Lintz, die inmiddels zich geweld had aangedaan om bedaard te blijven: "indien hier iemand beleedigd is, zoo ben ik het. Ik had wellicht, uit aanmerking van den dienst, welken mij des jonkmans vader gedaan heeft, zijn onbezonnen uitvallen kunnen verschoonen; maar het is de eer mijner dochter, welke hij aanrandt, en bij den Hemel! hij zal niet naar Amsterdam terugkeeren om daar haar goeden naam door zijn schandelijke lastertaal te bezwalken. Welke wapenen verkiest gij, Mijnheer Blaek?
Aller oogen waren op Lodewijk gevestigd; hij sloeg even de zijne neder onder den ontzagwekkenden blik van Van Lintz; maar zijn gelaat bleef dezelfde spotachtige uitdrukking behouden, welke het van zijn binnentreden af niet verlaten had.
"O ho!" zeide hij: "begint Mijnheer eindelijk te begrijpen, dat er een fatsoenlijker wijze is om tusschen cavaliers een twist te beslechten dan met de vuist, gelijk gemeene kruiers?—Wat zal ik u antwoorden? De wapens zijn mij vrij onverschillig; maar liefst vecht ik op den vasten wal; ik heb nooit het ambacht van zeeroover uitgeoefend: en schoon ik redelijk vast sta op de planken van mijn jacht, ben ik nooit gewend geweest—zooals andere lieden—het rapier of de pistool aan boord te bezigen!"
"Het zij zoo!" zeide Van Lintz: "wij zijn in 't gezicht van Terschelling, en daar zal zich wel een eenzaam plekje bevinden waar wij onze zaak kunnen afdoen. Gij zult er zeker niet tegen hebben, dat de Heer Huyck en Kapitein Pulver ons tot getuigen strekken."
"Ik zie niet, dat wij getuigen noodig hebben," zeide Lodewijk; "maar, wat mij betreft, ik heb er niets tegen.—Hoewel de duinkant eenzaam zij, is het verkieslijk, zoomin geruchts mogelijk te maken: en alzoo stel ik voor, den degen te gebruiken."
Van Lintz boog het hoofd ten teeken van goedkeuring. De Kapiteins en ik zagen elkander met verwonderde blikken aan; want de keus van Lodewijk scheen ons vreemd en gewaagd toe: immers, al had hij ook den naam van een geoefend schermer te zijn, hij kon, op 't oog af, niet gerekend worden zijn forsch gespierden weêrpartijder in kracht of behendigheid te evenaren: en een gevecht met pistolen, had, naar onze meening, meer gelijkheid tusschen partijen gevormd. Er viel echter niets aan te veranderen, daar Lodewijk het zelf zoo gewild had; doch de achtelooze, onverschillige wijze, waarop hij zijn keuze gedaan had, bleef ons, evenals die keuze zelve, onverklaarbaar.
Droevig was echter de uitwerking, welke de afloop van den twist op Amelia deed. Schoon haar oog geen traan ontvloot, teekenden al haar gelaatstrekken hevige ontroering en bezorgdheid. "O God!" riep zij, de handen angstig wringende: "moet er om mijnentwil een tweegevecht plaats hebben?—Heb ik niet reeds genoeg uitgestaan, mijn Vader! en moet de laatste stap, dien gij op uw geboortegrond doet, met bloed geteekend worden?—Kunt gij dat niet beletten, Mijnheer Huyck?"
Ik haalde de schouders op: en in waarheid, welk een afkeer ik van nature ook tegen die onmenschelijke en onchristelijke gewoonte koester, om elkander als wilde dieren naar het leven te staan, ik zag niet, hoe er in dit geval aan een vergelijk of verzoening kon gedacht worden: "al wat ik kan voorstellen," zeide ik, "is om zelf de plaats van uw Heer vader te nemen en den Heer Blaek, voor zijn lastertaal de straf te geven, die hij verdiend heeft."
"Is het op die wijze, dat gij mijn zorg denkt te verminderen? en is deze de eenige troost, dien gij mij geven kunt?" zeide Amelia met een verwijtenden blik.
"Wees vooralsnog niet voor uw lief bekommerd, Mejuffrouw!" zeide Lodewijk: "ik hoop later mij met den Heer Huyck te meten en hem zijn smadelijke woorden te doen opslikken:—eerst moet de zaak met uw vader afgedaan zijn."
"Wees toch bedaard Amelia!" zeide Van Lintz, eenigszins ontevreden over den twijfel, welken zijn dochter over den uitslag van het tweegevecht scheen te voeden: de Heer Blaek verlangt een les: hij heeft die noodig: en ik ben bereid, hem die te geven: zou UEd. de goedheid willen hebben, Kapitein Holmfeld! van de sloep vaardig te doen maken. Ik vlei mij, dat wij niet lang zullen wegblijven."
"Te drommel!" fluisterde Pulver mij in 't oor: "wie had dat kunnen vermoeden? Zou UEd. den Heer Lodewijk niet kunnen raden alsnog zeil te minderen? Hij mag groot en sterk zijn: maar tegen dien driedekker van een Don Manoël is hij niet opgewassen."
"Het heeft zoo moeten zijn," zeide ik: "en het ligt er nu eenmaal toe; maar ik had wel gewenscht, dat die thee op den bodem van de zee lage en dat wij hier nooit aan boord waren gekomen; want de hemel weet, hoe men dit geval ten onzen nadeele zal uitleggen."
Wij waren intusschen de kajuit uitgetreden: Holmfeld was zijn bevelen gaan geven tot het klaarmaken der sloep: Van Lintz was naar beneden om zijn degen en mantel te gaan halen, en Lodewijk, tegen het gangboord leunende, stond een deuntje te fluiten en naar wal te zien. Nu naderde mij Amelia en zeide:
"Gij belooft mij, toe te zien, Mijnheer Huyck! dat alles naar behooren toega. Ik kan het niet helpen, maar ik mistrouw dien Heer Blaek."
"Ik heb nooit de beste gedachten van hem gehad," zeide ik: "maar wij zullen zorgen, dat alles volgens de regels geschiede. Ban uw vrees: het zal beter afloopen, dan gij denkt. Uw vader is zich zijner kracht bewust en de jaren voorbij, waarin men onbesuisd te werk gaat en zonder nadenken handelt. Ik bedrieg mij zeer, of zijn voornemen is alleen, dien onbedachtzamen knaap een aandenken aan zijn meerderheid te geven.—Intusschen, ik wenschte met u, dat dit alles geen plaats had gehad."
De sloep was nu gereedgemaakt en Kapitein Holmfeld verzocht ons, den meesten spoed aan onze verrichtingen bij te zetten, daar hij zijn manschappen niet langer dan noodig ware wilde missen. Lodewijk steeg eerst af: vervolgens de Heer Van Lintz, na zijn dochter hartelijk vaarwelgekust te hebben. Ik drukte haar zwijgend de hand tot afscheid en volgde met Pulver; maar nog waren wij niet allen gezeten, toen Amelia boven aan de trap verscheen en, eer iemand het verhinderen kon, zich naar beneden liet glijden.
"Wat wilt gij? En welke dwaasheid is deze?" vroeg haar vader, op een strengen toon.
"Ik wil met u naar wal gaan," zeide Amelia: "niet dan door dwang zal ik u verlaten: mijn besluit is onverzettelijk: en gij weet, mijn vader, dat ik, wat vastheid van wil betreft, uw waardige dochter ben—vrees niet dat ik uw opzet storen of verhinderen zal. Ik zal bij de sloep blijven: gebeurt er eenig ongeval—'t geen de Heiligen verhoeden—dan ben ik immers bij de hand, en er behoeft niet naar het schip gezonden te worden om mijn hulp te vorderen."
Er viel hier niets tegen in te brengen. Wij staken af en roeiden naar de haven; terwijl wij allen, en zelfs Pulver, wien het moeilijk viel, het zwijgen bewaarden. Het jacht van Lodewijk, dat minder diep ging dan het Deensche vaartuig, lag tusschen dit en het dorp in ten anker: alles was stil aan boord: slechts een enkel persoon stond onbeweeglijk aan de voorplecht. Eerst toen wij naderbij kwamen, bespeurde ik, dat die man een kijker in de hand en op ons gevestigd hield. Opeens verdween hij: en nu zag ik, dat de jol aan bak-boordzijde gehaald werd. Ik veronderstelde eerst, dat de knecht van dat jacht, Lodewijk in ons midden herkennende, zijn bevelen kwam vragen; maar niet weinig verwonderd was ik, toen, één voor één, een viertal personen op het dek van het jacht verschenen en in de jol afdaalden, die nu met alle kracht van riemen naar wal word geroeid. Ik zag Lodewijk aan, en ik bemerkte, dat ook zijne oplettendheid op deze manoeuvre gevestigd was, en dat een echt duivelsche lach zich op zijn lippen vertoonde. In andere omstandigheden zou ik hem gevraagd hebben, wie die personen waren, die hij op zijn vaartuig had; thans echter schroomde ik het stilzwijgen te breken, dat in onze sloep heerschte, en wellicht een onhebbelijk antwoord uit te lokken. Weldra was de jol tusschen de in de haven liggende visschersschuiten en achter het paalhoofd verdwenen. De Heer Van Lintz had haar niet bespeurd of er geen acht op geslagen, en zijn dochter was te zeer in haar droevige gepeinzen verdiept, om te letten op iets, wat rondom ons gebeurde. Wat Pulver betreft, hij was juist bezig met vuur te slaan en zijn pijp aan te steken, toen de jol van het jacht afging, en zij had dus ook zijne opmerkzaamheid niet getrokken.
Wij waren eindelijk aan het paalhoofd gekomen, hetwelk wij beklommen, uitgenomen Amelia, die zich tegen de koele zeelucht in haars vaders mantel wikkelende, in de sloep bleef zitten. Wij drongen door de hier wederom verzamelde menigte heen en bevonden ons weldra op het gulle zand voor het dorp.
"Dunkt u niet best," vroeg ik aan Van Lintz, "dat wij eerst naar de herberg gingen en ons van daar, quasi om een wandeling te maken, naar het duin begaven?—Dat zou minder opziens baren en geen argwaan verwekken."
"Die wandeling zal u wel bespaard worden," mompelde Lodewijk; en, op hetzelfde oogenblik trad iemand, die uit den volkshoop te voorschijn kwam, naar Van Lintz toe en legde hem de hand op den schouder met de woorden: "Gij zijt mijn arrestant."
"Uw arrestant!" riep Van Lintz, verbaasd terugtredende en de hand aan zijn degen slaande.
"Wij bidden u, niet te bieden eenige resistentie," zeide Heynsz:—want hij was het zelf:—"mijn dienaars zijn gewapend en ik heb slechts te vertoonen mijn mandaat, om te verkrijgen de noodige assistentie."
"Geef in 's Hemels naam toe," zeide ik tegen Van Lintz: "alle weerstand zou voor het oogenblik nutteloos zijn."
"Heer Graaf van Talavera!" zeide Lodewijk Blaek, met een hoonenden lach, tegen Van Lintz: "gij zijt een fijne diplomaat; maar de kunstgreep, dien ik thans gebezigd heb om u van het Deensche schip te lokken, was toch nieuw."
"Gij zijt de verachtelijkste mensch, dien ik ken," zeide ik, over zulk een helsche list verontwaardigd.
"En de onvoorzichtigste," zeide Van Lintz: "want zijn fieltestreek kan hem zijn halve vermogen kosten.—Maar dat daargelaten! Ik moet zwichten. Hier is mijn degen. Monsieur Heynsz! waar is het uw plan mij heen te voeren? Ik wensche vooraf nog mijn dochter eens te spreken en afscheid van haar te nemen."
"Om Godswille! Wat is er gebeurd?" riep Amelia, die, door een der matrozen ten halve onderricht, angstig kwam toesnellen.
"Niets, lief kind!" zeide Lodewijk: "als alleen dat het plan veranderd is, en dat gij met uw vader en mij in vrede naar Amsterdam terugkeert."
"Is dit noodzakelijk?" vroeg ik aan Heynsz; "en moeten die lieden gedwongen worden, het gelaat van dien schoft op de terugreis voor oogen te hebben?"
"Ik zal u verzoeken, liever een vaartuig te mijnen koste te nemen," zeide Van Lintz.
"Ziedaar een billijk voorstel," zeide ik tegen Heynsz: "gij zijt bovendien afgezonden, om Mijnheer gevangen te nemen, en niet om hem te pijnigen door den aanblik van iemand, die hem met reden hatelijk is."
"Er is geen zwarigheid ter wereld," antwoordde Heynsz: "wij willen den Heer Graaf niet jagen op kosten: wij willen huren een vaartuig en bedanken den Heer Blaek voor zijn verder konvooi. Zoo de Heer Graaf verlangt, wij zullen aan de roeiers, die hem gebracht hebben hier, last geven, van boord te gaan halen zijn bagage."
"Die bagage zal zeker onderzocht worden?" vroeg Van Lintz, hem met een doordringenden blik aanziende: "doch om 't even:—ik verlang er zelfs naar; want daardoor zal de wraak volkomen worden, die ik van dezen Judas nemen moet."
"Wat ... wat beduidt dat toch?" vroeg Lodewijk, enigszins ongerust: "wat hebben uw bagage en mijn vermogen onderling uitstaande?" Hij ontving geen antwoord en bleef enigszins beteuterd staan. Het was mij duidelijk, dat hij gaarne naar zijn jacht zou zijn teruggekeerd, doch dat de zoo stellige woorden van Van Lintz indruk op hem hadden gemaakt: hij bleef dus, schoon op enigen afstand, om ons draaien.
"Zouden wij niet inmiddels naar de herberg gaan?" vroeg ik aan Heynsz; "wij hebben hier zoveel bekijks."
Deze voorslag werd te gereeder door dezen aangenomen, daar hij de Overheid van Terschelling toch verwittigen wilde van het op haar grondgebied gedaan arrest; en terwijl een paar dienaars met de sloep naar den hoeker voeren om de bagage te halen, begaven wij ons naar den herberg; Heynsz ging vooruit met den goeden Pulver, die onophoudelijk zijn verbazing te kennen gaf over den zonderlingen loop dien de zaak genomen had; Van Lintz volgde, den arm aan zijn dochter gevende, terwijl ik aan zijn andere zijde liep en twee dienaars den trein besloten; de halve bevolking klotste achter en om ons heen, en Lodewijk, blijkbaar met zijn figuur verlegen, liep aan de andere zijde van de straat. Hij volgde ons in de herberg, eischte een glas brandewijn, dat hij dadelijk naar binnen sloeg, en zette zich in een donkeren hoek, terwijl Van Lintz en aan een andere zijde plaats namen.
"Waar woont de Drost?" vroeg Heynsz aan Reynszen: "ik wenschte hem dadelijk te spreken."
"Waar hij woont kan ik u makkelijk beduien," antwoordde de waard: "maar gij zult hem thans niet aan zijn huis vinden, vermits hij hier is."
"Hier!—Welnu! wees dan zoo goed hem te roepen." "Hij zal zoo aanstonds terug zijn," hernam Reynszen: "hij is hier achter bij een zieke; want hij is tevens Dokter, moet je weten."
"Ja! dat is ook waar," zeide Pulver: "hoe maakt het die arme meid?"
Reynszen schudde het hoofd en gaf ons te kennen, dat zij op het uiterste was. Ik begaf mij aan het raam, bij mijzelven nadenkende over het zonderlinge noodlot, dat in dit oogenblik zooveel verschillende personen, doch die allen in zekere betrekking tot elkander stonden, bijeenverzameld had. Nu vervoegde zich Heynsz bij mij en ik vroeg hem in stilte, hoe hij te weten was gekomen dat de Heer Van Lintz zich op het Deensche vaartuig bevond. Het geval had zich, gelijk hij verhaalde, op de navolgende wijze toegedragen: Lodewijk Blaek had van zijn schippersknecht vernomen tot welk einde zijn vader het jacht buiten zijn weten had doen dienen. Hij had terstond vermoed dat de ontsnapte persoon niemand anders als Amelia's vader kon zijn, en zulks dadelijk aan Heynsz te kennen gegeven, die nog altijd in de omstreken van Naarden naar den voortvluchtige zocht. De vermoedens stegen bij verdere nasporing tot zekerheid, en nu had Lodewijk, die zich waarschijnlijk op deze wijze op Van Lintz en Amelia wilde wreken, zijn jacht aan Heynsz aangeboden, ten einde daarmede den vluchteling te achterhalen. Dit was hun, gelijk wij gezien hebben, gelukt; maar daar Heynsz eenige zwarigheid maakte om zonder specialen last een onder vreemde vlag zeilend vaartuig aan te doen en te doorzoeken, had Lodewijk op zich genomen, bij Holmfeld aan boord te gaan en den Heer Van Lintz weder van het vaartuig en op Hollandsch grondgebied te troonen.
"Het doet mij leed," zeide ik, "dat gij in uw plan zoo wel geslaagd zijt; de Heer Van Lintz heeft mij het leven gered en het zou, geloof ik, ook mijn vader innig verheugd hebben, indien de man ontkomen ware."
"Ik mag ook best lijden," zeide Heynsz: "dat Zijne Excellentie er behouden af kome;—maar toch! onze reputatie, van uw Heer papa en de mijne, zoude geweest zijn naar de maan, indien hij ware ontsnapt; bedenk eens, hoe zij konden hebben uitgelachen Monsieur Heynsz, als zij gehoord hadden, daarna, dat de man, dien hij zocht, gewoond had in zijn eigen huis en hij hem had laten echappeeren!... maar die Dokter blijft lang weg ... ha! hier is hij."
En op dit oogenblik trad de Heer Substituut-Drossaard en Geneesheer Doedes door de achterdeur binnen.