Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit.
Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit.
Ware ik in zijn plaats, ik ging een paar uren te bed liggen; of anders kan hij in mijne kamer in den grooten armstoel wat gaan dutten, tenzij hij liever verkieze, wat met mij te praten."
"Ziedaar een alternatief, dat ik gaarne aanneem," zeide ik: "ik beken, dat ik heden maar een half mensch ben en zelfs buiten staat, mij met fatsoen uit een schermutseling met Santje te redden."
"Dan zal ik ook maar geen kruit en lood op u verschieten," zeide Suzanna: "want er steekt geen eer in de overwinning, wanneer de vijand zich niet verweert:A vaincre sans péril, on triomphe sans gloire."
"Zeer goed," zeide ik: "zoo gij slechts niet vergt, dat ik u voor deze edelmoedigheid bedanke; want gij weet zoogoed als ik, dat de tijd om mij te plagen u toch ontbreken zou, daar het rijtuig binnen een paar minuten voor de deur zal staan."
Ik bedroog mij niet; nauwelijks had ik uitgesproken, toen er gescheld werd en men het rijtuig kwam aankondigen. De beide dames vertrokken: het jongere gedeelte van het gezelschap ging uit elkander, en ik trok met mijn vader naar zijn kamer. Wij spraken een wijl over onverschillige zaken; maar ziende, dat ik vruchtelooze pogingen deed om de aanvechtingen van den slaap te bestrijden, gaf mij op nieuw den raad daaraan geen langer weerstand te bieden. Ik begreep, dat zulks ook het wijste zoude zijn, en plaatste mij zoo gemakkelijk mogelijk in den grooten armstoel, dien ik in den donkersten hoek van het vertrek had geschoven. Mijn vader ging bij het raam zitten en eenige schrifturen nazien: en het leed niet lang of ik lag in een gerusten slaap gedompeld.
Ik had ongeveer een half uur in dezen aangenamen, zorgeloozen toestand doorgebracht, toen ik half wakker gemaakt werd door drie kleine slagen, op een bijzondere wijze tegen eene der deuren gegeven.
"Daar wordt geklopt," zeide ik, de armen uitrekkende en willende opstaan.
"Hou uw gemak," zeide mijn vader: "het is niemand anders als Heynsz, die mij zijn rapport komt doen. Slaap maar door," vervolgde hij lachende: "dan geraakt gij niet in de verzoeking van de geheimen der Justitie te verklappen."
Dit gezegd hebbende stond hij op, haalde een bos met sleutels uit zijn zak, opende daarmede een deur, welke zich in een hoek van het vertrek bevond, en liet den zooeven genoemden persoon binnenkomen. Daar deze geen geringe rol gespeeld heeft in de avonturen, welke ik nog te verhalen heb, zal men het mij niet kwalijk afnemen, dat ik, tot recht verstand van het volgende, eenige meer omstandige beschrijving van den man ter neder stelle.
Het is mij onbewust of Zacharias Heynsz een afstammeling was van zijn naamgenoot, den dichter, wiens voortbrengselen onze vaderen een tijdlang bewonderden, maar die, sedert Vondel en Hooft hunne onsterfelijke werken uitgaven, al spoedig vergeten werd, schoon hij nog lang bij den Duitschen nabuur als een voorbeeld ter navolging werd aangemerkt. Zeker is het, dat de Zacharias Heynsz, dien ik gekend heb, niet misdeeld was van die begaafdheden, welke, zoo hij tot een andere loopbaan ware bestemd geweest, hem een meerdere vermaardheid zouden hebben gegeven dan hem nu ten deel viel. Intusschen, uit hetgeen mij bij onderscheidene gelegenheden van hem ter ooren kwam, ware stoffe genoeg te vergaren geweest, om een levensloop te beschrijven, die om het avontuurlijke zeer lezenswaardig had kunnen geacht worden, ja met denGil BlasofGuzman d' Aifarachewedijveren, indien zich slechts een even bekwame pen als die van Le Sage tot de samenstelling daarvan had aangeboden. Wat mij betreft, die verre van het denkbeeld ben verwijderd zulk een schrijver zelfs op eenigen afstand te willen nastreven, ik zal mij vergenoegen met een korte opgave van het merkwaardigste, dat deze persoon, tot op den tijd dat ik hem in mijns vaders vertrek terugzag, was overkomen.
De vader van onzen Heynsz, indien hij dan al van den ouden dichter afstamde, was van de voorouderlijke deftigheid ontaard, als vervullende hij geene hoogere betrekking dan die van lakei bij een onzer aanzienlijkste Regenten, wien hij, bij gelegenheid dat deze als afgezant het Fransche hof bezocht, naar Parijs volgde. Aldaar wisten zijn breede schouderen, zijn kloeke gedaante en blozende wangen, aan welke begaafdheden de fraai gegalonneerde rok voorzeker niet weinig luister bijzette, het hart te winnen der dienstmaagd uit de herberg, waar de gezant zijn intrek had, en welke aannam onzen borst Fransch te leeren spreken. Of haar leerling goede vorderingen onder haar opzicht maakte, weet ik niet; zooveel is zeker, dat hij, als een tweede Alcibiades, het zooverre bracht in de minnekunst, dat zijn meesteres na verloop van een paar jaren als zijn echte vrouw met hem in Holland terugkeerde. Het was een wakkere tas, die vrouw Heynsz, en zij had voor haar huwelijk al vrij wat rondgezworven: ja men beweerde, dat zij, evenals de moeder van Campo Weyerman, in oorlogsvuur ontstoken, het schortekleed voor het musket verwisseld, ja den veldslag van Senef en de verovering van Namen had bijgewoond. Zelfs wilden kwade tongen wel verhalen, dat zij tot Sergeant bevorderd zoude geweest zijn, indien niet de Luitenant, verwonderd over de omstandigheid, dat haar figuur op een wijze uit begon te puilen, welke hem bij het behoorlijkaligneerenzijner Compagnie eenigszins hinderlijk voorkwam, de zaak nader onderzocht en het geheim ontdekt had. Wat er van zij, de vader van onzen Zacharias had geene reden zich over zijne echtverbintenia te beklagen. De ondersteuning van zijn vermogenden beschermer had hem in staat gesteld een herberg te Amsterdam te aanvaarden, voornamelijk ingericht voor de landgenooten zijner huisvrouw, die het talent had, hun de uien en magere soep, waaraan zij in het moederland gewoon waren, bijna evengoed, althans op dezelfde wijze toebereid, te doen terugvinden. Zacharias, de eenige spruit, waarmede hun echt gezegend werd, had dus al vroeg gelegenheid, om met menschen van allerlei slag te leeren omgaan, 't geen hem later, gelijk men zien zal, niet weinig te stade kwam. Te dier tijd echter maakte hij daarvan geenszins het behoorlijke gebruik en was zijn ouders tot weinig dienst, daar hij zich meer met lanterfanten en slenteren langs de straat geneerde, dan met het verrichten der boodschappen of bezigheden, welke hem werden opgedragen. Daarenboven gevoelde onze Heynsz een onweerstaanbare neiging voor de teekenkunst, welke slechts eenige meerdere opleiding en beschaving zou hebben noodig gehad, om hem in dat vak tot geene geringe hoogte op te voeren. Zijn ouders echter waren alles behalve in hun schik met deze begaafdheid van hun zoon: en hunne ontevredenheid had niet weinig kracht verkregen, toen zij van meer dan een reiziger klachten bekwamen, dat de onbeschaamde knaap zich verstout had, afbeeldingen van hun persoon, welke hen op een belachelijke wijze voorstelden, op hunne kamerdeur te plakken. Hierover ernstig bestraft zijnde, beloofde bij wel beterschap; maar de liefhebberij was te diep bij hem ingeworteld, dan dat hij die geheel zou hebben laten varen. Intusschen verwierf hem deze de gunst van een Franschen schilder, die, bij zijn ouders zijn intrek genomen hebbende, zoo getroffen werd door de beschouwing van sommige voortbrengselen van des jongelings kunstvermogen, dat hij aan de ouders den voorslag deed, hem met zich te nemen, en in de geheimen der kunst in te wijden, ter wedervergelding waarvan Zacharias hem eenigen dienst op reis zoude bewijzen. Dit werd met gretigheid toegestaan: en de ouders, nu geheel van inzicht veranderd, zagen reeds in 't vooruitzicht hun zoon, gelijk een tweeden Rubbens, met goud en ridderkruisen behangen, tot hen terugkeeren. Dan helaas! hoe ijdel was deze hoop!—De kennismaking met den Heer De Vieux (zoo heette de Franschman) moest den armen knaap, in stede van voordeel, louter schande en tegenspoed aanbrengen. In den beginne ging alles goed; en meester en leerling beiden wenschten elkander met hunne onderlinge betrekking geluk;—maar eensklaps vervielen voor Zacharias alle uitzichten voor de toekomst; daar zijn meester, zich met hem in Zwitserland bevindende, van waar zij voornemens waren naar Italië te trekken, in een herberg werd vermoord, na van al hetgeen hij aan goud en kostbaarheden bij zich had, beroofd te zijn geworden. Dewijl de misdadigers onbekend waren, vielen de vermoedens natuurlijk op Zacharias, die zich in de gevangenis zag werpen, zonder steun, zonder iemand, die hem kende of voor hem in de bres wilde springen. Hij raakte wel is waar, na een detentie, welke bijna een jaar duurde, wegens mangel van bewijzen op vrije voeten; maar werd nu ook, zoo kaal als de verloren zoon, in een vreemd land, en waar niemand zich zijner aantrok, op straat gezet. Hij besloot, al bedelende naar Parijs te gaan en aldaar te beproeven, of hij de familie zijner moeder vinden en door deze in staat gesteld zoude kunnen worden, de terugreize naar Amsterdam op eene meer behoorlijke wijze voort te zetten. Verscheidene malen gebeurde het hem, als vagebond te worden vastgezet, en de reis van Genève naar Lyon werd door hem niet in eenige dagen, maar in maanden volbracht: daar hij tot drie keeren toe weder over de grenzen teruggebracht werd. Eindelijk Lyon bereikt hebbende, deed hem een zonderling toeval met den beruchten Cartouche in kennis komen: een ontmoeting, welke hij later veelal behagen schepte te verhalen en waarvan de uitslag was, dat hij van dien Kapitein der gauwdieven een beurs metlouis d'orbekwam. Dit maakte de uitvoering van het plan, dat onze reiziger gemaakt had, merkelijk lichter. Te Parijs trof hij den broeder zijner moeder in redelijke omstandigheden aan, en werd door hem wèl ontvangen. Dan, in stede van naar Amsterdam terug te keeren, keurde hij beter, zich eerst nog te Parijs in de schilderkunst te blijven oefenen, en ondertusschen den kost te verdienen met het maken van portretten, waarin hij, althans wat de gelijkenis betrof, zeer wel slaagde.—Dan het was hem voorbeschikt, dat de kunst hem altijd, in de plaats van eer en goud, ellende en schande berokkenen moest. Eens het afbeeldsel van een Edelman uit de provincie hebbende vervaardigd, stak hij in diens bijzijn de daarvoor ontvangene belooning in de beurs, welke hij van Cartouche bekomen had, en om haar fraaiheid gewoon was bij zich te dragen. De Heer zeide niets, maar den volgenden dag werd Heynsz voor het gerecht geroepen, en gevraagd, waar hij die beurs vandaan had, welke, gelijk van achteren bleek, te Lyon aan gezegden Edelman ontstolen was. Onze schilder, niet durvende bekennen, dat hij die van Cartouche ontvangen had, verklaarde stoutweg, dat hij die van een reizenden marskramer gekocht had. Men deed onderzoek, en, ongelukkig voor hem, bevond men, dat hij zich, juist tijdens den diefstal, nabij Lyon en wel in zeer bekrompene omstandigheden bevonden had; terwijl hij later op eens in een deftig gewaad was verder gereisd. De aanklacht wegens den moord van De Vieux werd mede ter sprake gebracht en was althans niet geschikt de gemoederen der Rechters voor hem in te nemen. Kortom, hij werd tot de galeien verwezen en bracht aldaar een tiental jaren door. Zijn gedrag was echter zoo gunstig onderscheiden van dat der overige boeven, dat hij er die verzachting in zijn lot genoot, welke met de reglementen van den dienst strookende waren, en zelfs eenigszins met het opzicht over de anderen werd belast. Eindelijk kwam toevallig zijn onschuld uit aan de beide wanbedrijven, welke hem te laste waren gelegd geweest. Hij werd ontslagen, en, Frankrijk nu vaarwelzeggende, trok hij, met het weinige geld dat hij van zijn familie te Parijs bekwam, en met een pas van den gezant van Hunne Hoog Mogenden, naar zijn vaderland terug. Te Amsterdam gekomen, vond hij zijn ouders overleden en de herberg in andere handen. Hij zette zich hierop in den Haag neder en vatte het schildersberoep weder bij de hand.—Maar de jaren van studie en genie waren intusschen jammerlijk vervlogen, en schoon hij nog altijd gelukkig in het treffen der gelijkenis was, zijn afbeeldingen misten die kracht van uitdrukking en die levendigheid van coloriet, welke den meester kenmerken, en zijn hulp werd dus niet ingeroepen dan door lieden van den minderen stand, uitgelokt door den matigen prijs, dien zij voor zijn voortbrengselen betaalden.
Terwijl hij aldus zich op een sobere wijs geneerde, werd hij voor de derde reize beschuldigd van een misdaad welke hij niet gepleegd had. Hij had namelijk de vrouw van een juwelier ten haren huize geportretteerd in een kamer, waarin zich verscheidene voorwerpen van hooge waarde bevonden. Kort na zijn vertrek werd er een prachtige garnituur gemist, en bij gedane nasporing bleek het, dat een man, die naar de beschrijving vrijwel op Heynsz geleek, gemelde juweelen verpand had. Hij werd opnieuw verhoord en gevangengezet; deze laatste gevangenis was echter de kortste. Hij had in den kerker het vertrouwen gewonnen eener aldaar met hem opgesloten dievenbende, door hunne afbeeldingen welgelijkend met kool op den wand te schetsen. Deze schelmen maakten hem deelgenoot van een plan ter ontkoming, dat vernuftig uitgedacht was en zeker zou gelukt zijn, indien hij, voorziende dat zulks hem geen ondienst zoude doen, het geheim niet aan de Justitie verklapt had. Tevens was het hem gelukt, door listige vragen, bij zijn medegevangenen uit te vorschen, wie den diefstal bij den juwelier had begaan: en het was hem gebleken, dat het de zoon des huizes zelf was, die zijn vader bestolen had. Zijn dubbele ontdekking had ten gevolge, dat hij niet alleen werd vrijgesteld, maar zelfs een belooning ontving.
Dan hierbij bleef het niet. De geschiedenis van onzen Heynsz trok de aandacht van den toenmaligen Hoofdschout van Amsterdam, mijns vaders voorganger, die zich te dier tijd toevallig in den Haag bevond. Hij deed onderzoek naar den schilder, en, na een met hem gehouden gesprek, oordeelde hij, dat deze de geschiktste persoon was, om te Amsterdam een bediening te vervullen, welke kort te voren was opengevallen.
Bekend is het, dat de Hoofdschout alhier in deze betrekking door vijf Onderschouten en door twee Klerken wordt geassisteerd, die van stadswege aangesteld worden en als stedelijke ambtenaren op de betaalsrollen verschijnen. Maar minder algemeen bekend en toch onontbeerlijk zijn de geheime agenten, welke het Hoofd der Justitie hunne diensten verleenen. Ontelbaar zijn de draden, waarmede het beleid van dien magistraat als met een kunstig geweven spinneweb niet alleen het geheele land overspant, maar welke, ook naar buiten verlengd, met al de voorname steden van Europa in betrekking staan. Het heir van spionnen en verklikkers, dat zich in die uitgebreide sfeer beweegt en tot welks bezoldiging de Hoofdschout jaarlijks aanzienlijke sommen ontvangt, kan echter uit den aard der zaak niet met hem noch zelfs met de ondergeschikte ambtenaren in onmiddellijke aanraking komen. Die onder hen, welke van een zoogenaamden fatsoenlijken stand zijn, zouden geen nut meer kunnen doen, zoodra het publiek kennis droeg dat zij met de Justitie in betrekking stonden; terwijl andere verklikkers van een minderen rang onderling onbekend blijven, en soms elkander moeten gadeslaan. Ten einde de zaken dus een behoorlijken gang zouden gaan is er een tusschenpersoon noodig, die, niet als ambtenaar bekend, zich belast met het overbrengen van des Hoofdschouts bevelen aan de geheime handlangers der Justitie, en hunne berichten wederkeerig te zijner kennisse brengt: een trechter waar alles doorheen gaat, of liever een totebel, die uit het slijk en de modder, waarin hij wordt nedergelaten, alleen datgene ophaalt, wat den meester van dienst is. Zoodanig een man wordt, of werd althans in dien tijd, uit de geheime fondsen betaald; hij had het oppertoezicht over de geheime agenten, knoopte de noodige betrekkingen aan bij de kollegiën der Admiraliteiten, bij de Bank, bij de lands- en stadsinrichtingen, in de koffiehuizen, enz., wierf de geschiktste voorwerpen aan of stelde de zoodanigen af, die hem geen genoegzaam vertrouwen inboezemden. Niet met de Onderschouten, maar onmiddellijk met den Hoofdschout stond hij in betrekking; en kwam bij deze tweemalen daags zijn rapport doen[4]. Deze bediening was opengevallen en nu sloeg de Hoofdschout, gelijk ik gezegd heb, de oogen op Heynsz, om die te vervullen. Hij oordeelde niet ten onrechte, dat iemand, die zoovele jaren van zijn leven in gezelschap van boeven en schelmen had doorgebracht, al de loopjes moest kennen, welke zij te baat nemen (en hiervan had Heynsz reeds een bewijs gegeven door de schrandere wijze waarop hij, op de Gevangenpoort zittende, den dief der juweelen had opgespoord): dat wijders Heynsz dit voor zich had, dat hij te vertrouwen was, en niet besmet door het gezelschap, waarmede hij zoo lang verkeerd had: en eindelijk, dat hij verscheidene talen sprak en een beroep dreef, hetwelk hij oogenschijnlijk kon blijven uitoefenen en 't geen hem overal den toegang bezorgde. Het akkoord was spoedig gemaakt, want, behalve dat de bezoldiging niet gering was, gevoelde Heynsz in zich juist die hoedanigheden leven, welke hem voor het aangeboden vak geschikt maakten. Hij verhuisde dan ook naar Amsterdam en was sedert, tot zijn dood toe, de getrouwe rechterhand der Justitie. Voor de wereld, die van deze schikking onkundig was, bleef hij de schilder van beroep, en voegde bij de winstjes, welke zijn portretten hem bezorgden, nog deze, dat hij gestoffeerde kamers te zijne huizen verhuurde: 't welk hem dikwijls in de gelegenheid stelde, verdachte personen op een gemakkelijke wijze in 't oog te houden, hun bedoelingen te leeren kennen, en, wanneer het noodig was, hen over te leveren.
Het huis mijns vaders stond, gelijk men reeds vernomen heeft, op den Cingel, en had van achteren gemeenschap met een gang, in het Klooster uitkomende. Door deze gang sloop Heynsz tweemalen daags ongemerkt binnen en kwam (gelijk ook thans geschiedde) aan het kabinet mijns vaders tikken.
Op den tijd, dat ik hem terugzag, kan hij ongeveer zestig jaren oud zijn geweest; maar, niet-tegenstaande zijn jaren en de veelvuldige wederwaardigheden, die hij had doorgestaan, was hij nog wakker en vlug: en men had hem slechts aan te zien, om te oordeelen, dat hij een dier lieden was, welke men, om zoo te spreken, met stokken moet doodslaan. Van postuur was hij klein en schraal, altijd zindelijk, ofschoon naar zijn stand en eenvoudig gekleed. Zijn gelaatstrekken hadden niets buitengemeens; maar zijn kleine graauwe oogen, die immerdoor in beweging waren, duidden aan, dat het hem niet aan vlugheid en scherpzinnigheid ontbrak. Niettegenstaande de post, door hem bekleed, in de oogen van velen verachtelijk zou schijnen, genoot hij in zekere mate de achting mijns vaders: een voorrecht, dat over het algemeen niet zoo licht te verkrijgen was. Want, behalve dat mijn vader hem wegens zijn bekwaamheid en trouwe dienst waardeerde, even als een jager zijn besten drijfbrak of staanden hond op prijs stelt, zoo was er in de daad niets op den man te zeggen, en vereerde hij, wel aangemerkt, een bediening, welke te voren doorgaans vervuld was geworden door voormalige dieven, verhelers van gestolen goed, of andere ter kwader faam staande personen: naar de oude leer, dat men dieven met dieven vangen moet. De gunst, waarin Heynsz wist dat hij bij mijn vader stond, deed hem dan ook wel eens zich in zijne tegenwoordigheid vrijheden veroorloven, die den eerbied, aan de achtbaarheid van den Hoofdschout verschuldigd, te buiten gingen, en noodzaakten mijn vader hem het zwijgen op te leggen, wanneer hij aan zijn historietjes zonder einde over Cartouche en de Fransche boeven begon.
Daar men de persoon van Heynsz niet altijd aan de oogen der huisgenooten onttrekken kon, had men eerst aan mijn zuster en mij, en voorts aan al de overige kinderen, van onze vroegste jeugd af ingescherpt, dat wij nooit aan iemand iets moesten laten blijken van 's mans verschijning ten onzen huize. Hiervan was het gevolg, dat wij hem altijd hadden aangezien als een geheimzinnig wezen, dat geëerbiedigd en ontweken moest worden: ja wij koesterden een heilige vrees voor hem, niet ongelijk aan die, welke ik mij voorstel dat de kinderen eens vromen Bramins gevoelen voor den ondergeschikten geest, die, volgens de Hindoosche fabelen, de huishouding in orde brengt.—Wat de dienstboden betrof, deze kregen Heynsz nooit te zien; want aan geen hunner werd de toegang tot mijns vaders studeervertrek vergund, dan bij de gelegenheid der maandelijksche schoonmaak: en alleen de gerechtsdienaar, die in de benedengang beidde, vermocht daar, schoon nooit dan na getikt te hebben, binnenkomen.
Na deze inlichtingen, voor wier wijdloopigheid ik verschoning verzoek, keer ik tot mijn verhaal terug.
Ik had mij, toen Heynsz, gelijk ik zeide, op de gewone wijze werd binnengelaten, met zijn stoel zoodanig omgekeerd, dat ik door de hooge leuning geheel voor zijn oog verborgen was: en, niet nieuwsgierig zijnde naar de geheimen der Justitie, de gemakkelijkste houding gekozen om weder in te slapen; maar, gelijk het veeltijds gaat, zoodra men moeite om te slapen doet, gelukt zulks het minst. Dit ondervond ik ook nu, en in weerwil van mij zelven moest ik luisteren naar een gesprek, hetwelk mij in de beginne onverschillig was, doch naderhand des te belangrijker werd.
"Welnu Heynsz!" vroeg mijn vader, zich weder aan de tafel plaatsende, waar de ander met betamelijken eerbied voor bleef staan: "wat brengt gij voor goeds?"
Ik hoorde Heynsz de bladeren omslaan van een zakboekje, waarin hij gewoon was op te teekenen hetgeen aan de orde van den dag was.
"N°. 1," zeide hij; terwijl zijn stijl en tongval den Hollander verrieden, die, reeds jong zijn land verlaten hebbende, de taal zijner ouderen wel niet geheel verleerd heeft, maar toch somtijds moeite heeft het rechte woord te vinden en den volzin behoorlijk te rangschikken: n° 1: de Koning vanCorselogeert in het wapen van Emden en heeft bij Kuyt een cabriolet besteld, waarmede hij plan heeft morgen naar Rotterdam te rijden."
"Hij zal zijn reis nog wat dienen uit te stellen," merkte mijn vader aan, die insgelijks zijn zakboekje ter hand had genomen, en aanteekeningen maakte, naarmate de beambte sprak: "wij zullen hem heden voor zonnenondergang een logement in de gijzeling bezorgen."
"Een Koning in de gijzeling!" dacht ik:—en ik herinnerde mij niet zonder een sombere gewaarwording, dat ik op mijn reis dien zelfden Theodoor, met al de eerbewijzingen aan zijn rang verschuldigd, op het plechtigst in Corsika had zien huldigen en met de kroon vercieren, welke hij slechts eenen zomer gevoerd had.
"Ma foi!" hernam Heynsz, "indien zijn crediteuren hem laten plakken, zij zullen lang wachten eer zij blaauw tellen hunne vingers aan zijn geld, en het zal hen wel verveelen, hem te geven de kost.—Ik weet descience certaine, dat hij kaal is als de oude Heer Job."
"Kent gij den kleêrmaker Melisz, ter wiens rekwisitie hij vervolgd is?" vroeg mijn vader.
"Of ik hem ken? Ik heb geschilderd het portret van hem, zijn vrouw, en zijn dochter: 't was jammer van de schoone coleuren, besteed aan die leelijke bakkes."
"Welnu! tracht hun dan te beduiden, dat zij het arrest opheffen, en geduld hebben. Ik zal zorgen, dat de debiteur zich niet verwijdere: en ik vlei mij, dat hij een goeden borg zal vinden. De man is ongelukkig: en, hoewel een gewezen Koning zijn schulden behoort te betalen gelijk een gewoon burger, dient men toch medelijden te hebben met iemand, die van zulk een hoogte gevallen is. Maar laat ons voortgaan.—Wat is er verder?"
"N°. 2. De diefstal bij den Juwelier Levi Samuëlz, is gecommitteerd door Mozes Abramsz, alias Mortje la Hayne, thans resideerende in den Duvelshoek, n°. 110."
"Mozes Abramsz!—Een oude kennis:
extenuata gerens veteris vestigia poenae;
extenuata gerens veteris vestigia poenae;
maar zijt gij daar zeker van?"
"Zeer zeker. UEd. Achtbare weet dat ik vanouds heb een fijnen neus om te attrapeeren dieven van juweelen. Karel de Speelman, die hem assistentie heeft gegeven in het uitsnijden der glasruiten, en het goed op straat heeft aangenomen, is de man die hem heeft verklapt; ik geloof dat zoo Abramsz bij het deelen als een bonnette dief had gehandeld, de Speelman wel zou gehouden hebben den mond."
"Best! Gij geeft vier dukaten aan Karel den Speelman en waarschuwt hem, dat hij binnen vierentwintig uren de stad moet verlaten, of dat ik hem anders als complice zal laten pakken. Verder!"
"N°. 3. Campo Weyerman heeft de Loge der Vrijmetselaren in de Stilsteeg geopend met een heerlijke aanspraak en een fraai poême, waarin hij hun heeft geschilderd het groote belang van deugd en moraal. Alles is afgeloopen in complete orde."
"Zeer wel; doch wat mij minder moreel en deugdzaam voorkomt, is, dat die zelfde Campo een fatsoenlijke burgerdochter uit 's Hage, buiten weten van haar ouders, te zijnen huize heeft getroond. Waarom heb ik daar niet eer tijding van gehad?"
"Het is gebeurd in mijn absentie. Ik kom het heden eerst te vernemen en ging juist aan UEA. dit verhalen."
"Genoeg! draag zorg, dat de ouders ondershands bericht bekomen van het verblijf hunner dochter, en hou intusschen den knaap in 't oog. Het is de eerste reis niet, dat hem iets dergelijks gebeurt; hij is onverbeterlijk en behoort onder diegenen,qui hostili more matrimonia student sibi conjungere.—Wat meer?"
"N°. 4. Wij hebben het adres gevonden van dien Jean Albert, welken de Fransche politie vruchteloos door geheel Europa opspoort."
"Voortreffelijk! dat vergoedt uw verzuim met Campo. En waar houdt hij zich op?"
"Hij heeft niet gequitteert Parijs een oogenblik en logeert er nog altijd in de kleine straat du Bac. Ah! 't was eenrusé compère, die zelfde Jean Albert: ik heb hem gekend heel wel aan het Bagne. Hij heeft nog eens aan mijn Heer d' Argenson geschreven, dat zoo hij hem wilde aanstellen alschef de la Police Secrète, er binnen zes maanden geen straatroof meer in Parijs zoude plaats hebben."
"'t Is wel! Gij zult mij de bewijzen opgeven die ter zake dienstig zijn, opdat ik deze tijding aan mijn ambtgenoot te Parijs schrijve. Wat is er meer?"
"N°. 5. Ziehier het lijstje der sedert gisteravond aangekomen personen."
"Hm! hm!" zeide mijn vader: en hij begon halfluid een soort van vreemdelingslijst te lezen, welke hij met aanmerkingen verzeld deed gaan:
"Donderdag morgen: de HeerDu Bourg: (hm! die komt hier zien, of hij het geld, dat hij aan de Bank te Aken verspeeld heeft met de acties op de Zuid terug kan winnen:—Iusus res antiqua ... sed pro tempore abiit in lacrimas....) met twee bedienden, logeert in den gouden Bal.—(De kastelein is een jong beginner. Gij zorgt, dat hij gewaarschuwd worde, niet te veel krediet te verleenen aan dien avonturier, ondanks zijn fraaien stoet:)—de heer Peperkorrel uit Hoorn: Jacob Jansz en familie uit Alkmaar: Nathanaël Rosen uit Berlijn, bij Levi den uitdrager in de Muiderstraat:—(die komt zeker een collecte doen:—) Peer, de Manke, Joost Roelifs en Symen de Beer, ketelboeters, in de Drie Verrotte Kamizooltjes:—(gij zult onderzoeken waar dat volkje den tijd doorbrengt:—) De heer Blaek en familie van buiten.—(Ik heb u reeds meer gezegd, dat het heen en wedertrekken der lieden naar hunne buitenplaatsen en terug niet behoeft vermeld te worden:) Jan Cornelisz, koekebakker van Haarlem enz. enz. Volgen de lieden die met de schuiten gekomen zijn."
Ik gevoelde een vreemde gewaarwording, toen ik den Heer Blaek en de zijnen zoo zonderling verzelschapt zag. Mijn vader vervolgde:
"In de schuiten van Haarlem niemand die suspect was dan alleen de knecht uit het groote koffiehuis in 's Hage die door zijn meester wegens diefstal verjaagd is. (Men houde dien man in 't oog.) Met de schuiten van Utrecht:" hier zweeg mijn vader een oogenblik en scheen met zijn potlood eenige namen aan te schrappen, als van personen, die hij der bewaking aanbeval: "met de schuit van Weesp: twee officieren van 't Oranje Regiment: twee deserteurs uit Hanover: (aangeschrapt!)—enz.—Met de schuiten van Muiden...."—werd ik dubbel aandachtig:
"Met de schuiten van Muiden: hm! hm! de Heer Ferdinand Huyck."
"Ik vat deze gelegenheid aan, UEA. mijn gelukwenschingen aan te bieden, over de voorspoedige terugkomst van uw Heer zoon."
"Ik dank u.—Wie is die juffrouw Bos: die ik op de lijst vinde?"
Ik begon over al mijn leden te beven: het antwoord van Heynsz stelde mij echter gerust.
"De dochter van den tabakskooper op den hoek van de Leliegracht."
"Er zijn dan twee Juffrouwen Bos van Muiden gekomen," dacht ik bij mij zelven: "of het vernuft van Heynsz is verschalkt."
"En die Juffrouw Van Beveren? vervolgde mijn vader: "waar neemt die haar intrek?"
"Bij uwen onderdanigen dienaar," antwoordde Heynsz: "een aardig meisje uit Deventer, dat mij door deftige lieden is aanbevolen...."
"'t Is wel!" zeide mijn vader: "Vervolg: wat geven de tijdingen van buiten?"
"N°. 6. De bende, welke weder eenige dieverijen en huisbraken onder Gooiland heeft bedreven, bestaat uit drie personen, indien namelijk mijn informatiën juist zijn."
Hier werd ik opmerkzaam, gelijk men denken kan. "Het zou nog al kluchtig zijn, dacht ik, "indien ik den aanval, op mij zelf gedaan, hoorde vertellen."
"De een," vervolgde Heynsz, "is een Bohémien, een Heiden, met name Peer Hendriks, alias 't Haentje, en op zijn Heidensch Baerlo. Hij is heden morgen, zoo ik hoor, door den veldwachter van Bussem geapprehendeerd geworden:—de tweede is Andries Mathyssen gewezen matroos, de zoon van een boerin, nabij Oud-Naarden."
"Ik ken hem en zijn moeder," zeide mijn vader: "hij stond vanouds in het kladboek aangeschreven:atro carbone notatus."
"Uw Heer zoon," vervolgde Heynsz, "zal UEA. kunnen vertellen, hoe die Andries gister-morgen den beest heeft gespeeld in de herberg te Zoest. Hij is vandaar naar zijn woning gekeerd; maar, toen heden-morgen de dienaars hem kwamen opsporen, was de vogel gevlogen."
"Hij zal wel in het net komen," zeide mijn vader. "En de derde?" "De derde, en die zooveel als de voornaamste der bende is, schijnt na al hetgene men van hem vertelt, niemand anders te wezen als de beruchte Zwarte Piet, die vroeger in de West-Indien heeft geexcerceerd het bedrijf van zeeroover, en nu, bij gebrek van beter, zich met straatschenderij geneert. Wat dien betreft, hij is geen vogel om zich zoo gemakkelijk te laten knippen; maar Tys de Blindeman zal zien of hij hem niet op kan loopen en mij bericht sturen van zijn gangen."
"Goed!—maar nu het belangrijkste van allen: de Vliesridder?—Het gij eenig bericht omtrent hem?"
"N.° 7. De Vliesridder is met zijn dochter gisteren-morgen om half acht ure uit Amersfoort gereden met een huifwagen van De Geus: te Zoest heeft hij stilgehouden en, aldaar onbescheiden behandeld zijnde door dien zelfden Andries Matthijssen, van wien ik zoo even sprak, hem een stoot gegeven, die bijna bespaard had aan den scherprechter de moeite, hem van dienst te kunnen zijn:—althans zoo vertelt kleine Simon de marskramer."
"Goed!—Verder!" zeide mijn vader.—Men kan licht beseffen met welk een aandacht ik luisterde naar een opgave, welke voor mij zoo belangrijk werd.
"Zij hebben te Eenmes het middagmaal gebruikt, zijn bij Naarden beiden uit de kar gestapt ... en sedert heeft men niets van hen vernomen."
"Niets!" herhaalde mijn vader, op een toon, die de hoogste ontevredenheid te kennen gaf: "is Simon hen dan niet achtervolgd?"
"Ed. Achtb.! Simon had last Andries mede in het oog te houden, en het is hem gegaan gelijk den man, waarvan spreekt vader Cats, die vangen wilde twee hazen te gelijk."
"Hij had zich aan den Vliesridder moeten houden.—Andries begaat voor alsnog zijn diefstallen buiten onze judicatuur, en het is meer uit beleefdheid voor onze Gooische naburen, en uit voorzorg, dat wij de moeite op ons nemen, zijn gangen na te gaan.—Maar de Vliesridder! Iemand tegen wien het hooge landsbewind een bevel van apprehensie heeft uitgevaardigd!—dat is een man van meer beteekenis, zou ik denken.
"Mag ik UEA. doen opmerken, dat alle kasteleins en voerlieden tusschen hier en Arnhem hebben zijn portret, en dat hij gevat moet worden, zoodra hij zich op het rechtsgebied vertoont."
"Dat is nog niet genoeg! Hij moet gevat worden, eer hij in staat zij, of zelf, of door anderen, papieren te lichten, die zich hier te Amsterdam moeten bevinden en van het hoogste belang zijn. Het is geen gewoon mensch met wien gij te doen hebt: hij kent de zaken en zal list tegen list stellen. Bovendien heeft hij nog vrienden en betrekkingen, die hem de behulpzame hand zullen bieden. Er moet hier dus een dubbele waakzaamheid plaats hebben. Kunt gij niet nagaan, met wien hij hier ter stede korrespondentie voert?"
"Nog niet, Ed. Achtbare!—doch zoo UEA. verkiest, zou men kunnen waarschuwen de post, en dan zijn er middelen genoeg om te komen achter het geheim."
"Hij zal zijne brieven zelf niet schrijven.—Wist ik hier maar iemand, met wien hij betrekkingen heeft onderhouden."
Mijn goede vader dacht weinig, dat de persoon, die in staat was, hem de meest voldoende narichten te geven, zich als derde in het vertrek bevond. Het gehoorde had mij intusschen zoo sterk aangegrepen, dat ik geen acht meer kon geven op het laatste gedeelte van het onderhoud tusschen mijn vader en Heynsz, hetwelk over voor mij onverschillige zaken liep en slechts korten tijd duurde, waarna de ondergeschikte ambtenaar, op dezelfde geheime wijze als waarop hij gekomen was, het vertrek weder verliet. Deze oogenblikken van respijt kwamen mij wel te stade. Ware hij terstond vertrokken, ik zoude, geloof ik, in weerwil van mijn beloften aan den Heer Bos (of aan den Vliesridder, gelijk ik hem had hooren betitelen) alles aan mijn vader bekend hebben! want dan ware ik zeker geweest, dat zijn doordringend oog een geheim op mijn gelaat zou gelezen hebben. Mijn toestand was met dat alles kwellend: ik begreep, dat eenmaal mijn geheim zoude moeten uitkomen, dat dan wellicht hetcrimen reticentiaemij ten laste zou gelegd worden: dat bovendien mijn vader zelf beticht zoude kunnen worden, der zake niet onkundig te zijn geweest:—en dan, al ware het maar alleen de gedachte van mijn vader onvergenoegd te zien, dat hij zijn ambtsplicht niet volbrengen kon gelijk hij wenschte: het middel te bezitten, om hem daartoe in staat te stellen, en gedwongen te zijn, dit voor mij te houden: O dit viel mij hard! En toch! ik zou mij zelven veracht hebben, indien ik in staat ware geweest, den man, die mij het leven gered had, aan hen, die zijn vrijheid belaagden, te kunnen verraden.
Ik veinsde derhalve door te slapen, en rees niet eerder uit mijn schuilplaats op, dan nadat Heynsz reeds een poos vertrokken was.
[4]Men herinnere zich, dat de steller van het Handschrift de zaken voordraagt zoo als die in zijnen tijd bestonden.Noot van den uitgever.
[4]Men herinnere zich, dat de steller van het Handschrift de zaken voordraagt zoo als die in zijnen tijd bestonden.Noot van den uitgever.
"Welnu!" vroeg mijn vader, die nog altijd te schrijven zat: "zijt gij wel voldaan van uw slaapje? mij dunkt, gij waart ook in het geval van Argus:Succubuisse oculos, ad opertaque lumina somno.
Ik voelde dat ik een kleur kreeg, toen ik antwoordde dat mij de rust verkwikt had.
"Dat verheugt mij," zeide mijn vader: "ik had al half berouw, dat ik u bij mijn gesprek met Heynsz had laten assisteeren: maar gij sliept zoo gerust, dat de stads-omroeper zelf u niet wakker geschreeuwd zoude hebben. En is er altemet iets geweest dat u het eene oor is ingekomen, zoo vertrouw ik, dat zulks het andere oor weer is uitgegaan, en verzoek u althans er niemand, zelfs mij niet, iets van te laten blijken."
Dit was juist hetgeen ik zelf ook verlangde, en ik verzekerde mijn vader, dat ik van ganscher harte aan zijne aanbeveling voldoen zoude.
"'t Is wel!" zeide hij: "neem nu een stoel en ga bij mij zitten. Wij moeten een onderhoud hebben, dat ik liefst niet te lang wilde uitstellen: wij hebben nu den tijd: en in de volgende dagen zullen wij over weinige oogenblikken kunnen beschikken: want men zal u wel komen bezoeken en het zal zijn:
Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,
Salutant, ad coenam vocant, adventum gratulantur,
gelijk Terentius zegt. Of zijt gij nog te slaperig om naar mij te luisteren?"
Ik betuigde, dat ik volkomen bereid was hem aan te hooren; waarop hij aldus begon:
"Gij zijt nu weder terug: en ik vertrouw dat zulks niet zal zijn om uw dagen in ijdele ledigheid door te brengen, en een straatslijper te worden."
"In-tegendeel, vader! Niets zal mij aangenamer zijn, dan mijn tijd op een nuttige en werkzame wijze door te brengen."
"Zeer goed! ledigheid is een duivelsoorkussen. Gij weet, wat Ovidius zegt:
Quaeritur, Aegisthus quare sit factus adulter. In promptu est ratio: desidiosus erat.
Quaeritur, Aegisthus quare sit factus adulter. In promptu est ratio: desidiosus erat.
En welk beroep zoudt gij u liefst verkiezen?"
"Ik beken u," antwoordde ik, "dat ik daaromtrent mijn keus niet zoude weten te bepalen."
"Hm!" zeide mijn vader, het hoofd schuddende: "daar houde ik niet van. Een jong mensch moet altijd voor dit of dat vak een voorkeur hebben. Ik haat onverschilligheid in dat geval: die is niet natuurlijk op uwe jaren, tenzij bij domkoppen en losbollen, onder geene van welke categoriën ik u rangschik.
"UEd. weet, dat ik het verwijt van onverschilligheid niet verdien, en dat ik als kind een bijzondere geneigdheid had tot den zeedienst, welke echter vroeger om gegronde redenen niet heeft kunnen ingewilligd worden, en mij thans ook weinig zou baten, daar ik te oud ben om te beginnen. Ik heb intusschen, zoo vaak ik over het onderwerp nadacht, te recht of te onrecht gemeend, dat de reden, waarom UEd. geweigerd hebt mijn liefhebberij ten deze in te willigen, daarin gelegen was, dat UEd. iets anders voor mij op het oog hadt. UEd. heeft mij laten studeeren en zult misschien verlangen, dat ik advocaat worde:—doch ik beken, tot mijn leedwezen, dat ik op reis veel verleerd heb, en mij weêr druk zal moeten oefenen, wil ik der balie geen schande aandoen."
"Dat laat zich alles wel hooren," zeide mijn vader, met een glimlach: "bovendien, hoezeer ik voor mij de betrekking van advocaat,nobile illud officium, boven alle andere stel, en u, wat mij betreft, gaarne gezien had onder de zoodanigen,
qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,
qui iuris nodos et legum aenigmata solvunt,
levert echter dat ambt, althans in de eerste jaren, weinig verdiensten op: en, hoezeer ik niet in een bekrompen stand leef, is mijn vermogen te gering en mijn huisgezin te groot, om u, zoo gij het trouwen eens in 't hoofd kreegt, een behoorlijk uitzet te geven. Ik zou u wel door mijn invloed aan dezen of genen post kunnen helpen: maar ieder heeft zijn eigene inzichten, en, schoon ik die van anderen eerbiedig, heb ik voor mij een tegenzin aan het uitdeelen van bedieningen. Gij moet door uw eigene bekwaamheid protectie verdienen, en niet door gunst alleen voortkomen. Intusschen, ik moet u thans gulweg zeggen, dat het mij in zekere opzichten niet spijt, dat uw keus nog niet gevestigd is; want nu vlei ik mij, dat gij te meer geneigd zult zijn te doen hetgeen u voordeeligst zijn kan.—Wat zoudt gij van den handel denken?"
"De handel is een heerlijk iets," antwoordde ik, eenigszins verwonderd over deze plotslinge vraag: "maar dat men niet zonder fondsen beginnen kan."
"Niet! En hoe doen dan zoovelen, die hier met een paar schellingen in den zak (God weet waar vandaan!) komen aanwaaien, menschen,
quorum nemo queat patriam monstrare parentis,
quorum nemo queat patriam monstrare parentis,
en die, eer men hun rechten naam nog weet, aan het hoofd van een huis van negotie staan?—Doch gij hebt gelijk.—Gij moet ook met iets beginnen en daartoe doet zich eene gunstige gelegenheid op. Gij weet, het huis Van Bempden, Van Baalen en Comp. heeft, sedert den dood van uw oom, onder die zelfde firma, maar alleen onder de directie van laatstgemelde blijven bestaan. Uw tante heeft haar geld daarin gelaten; maar haar oogmerk was en is nog, u, bij uw terugkomst, mede in die zaak te plaatsen en deelgenoot der firma te maken. De gelukkige uitslag uwer pogingen te Livorno aangewend, om bij de liquidatie van de firma Bertini nog een deel terug te bekomen van hetgeen dat huis aan uw tante schuldig was, heeft haar goede gedachten omtrent uw bekwaamheid ingeboezemd."
"Ik ben mijn tante zeer verplicht voor den goeden dunk, dien zij van mij heeft, en herken haar vriendschap te mijwaart."
"Gij hebt ook elders op uw reizen persoonlijke kennis gemaakt met verscheidene Correspondenten van het huis, en, naar eenige uitdrukkingen te oordeelen, welke sommigen hunner in hun brieven omtrent u hebben gebezigd en welke uw tante mij medegedeeld heeft, komt het mij voor, dat gij hun wel bevallen zijt. Dit kan nooit kwaad en zal bij hen het crediet voor het huis niet doen dalen, wanneer gij daar associé van wordt. Wel is waar,
omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,
omnia non pariter rebus sunt omnibus apta,
en gij zijt niet van jongs af tot den handel opgeleid; maar ik vlei mij, dat eenige inspanning, gevoegd bij de op uw reizen verkregen ondervinding, en vooral de leiding van den Heer Van Baalen, u weldra op de hoogte zullen brengen, waar gij op wezen moet. Het komt er nu slechts op aan om te weten, of gij geen tegenzin in het beroep zelf hebt."
"Ik geloof, dat ik mijn fortuin met voeten zou stooten, indien ik zulk een aanbod niet dankbaar aannam; maar is de Heer Van Baalen insgelijks met deze schikking volkomen tevreden? En ziet hij er niet tegen op, een onbedrevene als mij tot compagnon te nemen?"
"Hij Heeft geene zwarigheden gemaakt; en de drie ton, welke uw tante in het huis heeft gelaten, wegen ook nog al tegen eenige bedenkingen op.—Nu! ik wensch u geluk, en ik hoop, dat gij u zoowel zijne achting als het vertrouwen uwer tante zult waardig maken."
Ik kan niet ontkennen, dat mijn eigenliefde zeer gestreeld werd met het vooruitzicht, dat zich voor mij opende. Ik was nu geen ledigganger meer, die zonder bepaald doel in de wereld voortleefde, neen, ik zag mij, als deelgenoot in een bloeiende zaak, geplaatst in een betrekking, waarin het slechts van mij afhing een ruim bestaan en de achting mijner medeburgers te verwerven. Ik kon niet nalaten mijn blijdschap aan mijn vader te betuigen: de geheele geschiedenis van den vorigen dag was voor mij op den achtergrond teruggeplaatst, en, alleen denkende aan hetgeen mij thans was medegedeeld, deed ik dienaangaande een menigte vragen, welke mijn goede vader het zich een genoegen maakte, te beantwoorden. Ons onderhoud deed den tijd met snelheid vervliegen; en nog waren wij aan 't redeneeren, toen het ophouden van een rijtuig voor de huisdeur en het klinken der schel ons verwittigden, dat onze dames uit de kerk terugkwamen.
Wij gingen naar de zijkamer. Er stonden niet slechts eene, maar twee koetsen voor de deur. Uit de eerste kwam mijn moeder met Susanna en tante Letje: uit de tweede tante Van Bempden: en weldra traden de vier dames de kamer in: tante Letje, in haar effen violetkleurig taffen gewaad, met haar stijve neepmuts, zonder eenig cieraad, dan haar prachtigen kerkbijbel met schildpadden band en gouden sloten: en tante Van Bempden met hare fontanges, Brusselsche kanten, en honderden van linten en kwikken:—twee volkomen kontrasten; maar beide, elk in haar soort, voortreffelijke menschen.
Tante Letje, welke nu eene eerbare vrijster was van ongeveer vijfenveertig jaren, ging bij de booze wereld door voor hetgeen men eene fijne kwezel noemt. Men weet, het is geen ongewoon verschijnsel, dat in groote familiën, vooral in die, waar verscheidene zusters zijn, zich eene daarvan reeds vroeg begint te onderscheiden, door het dragen van een stemmig, onopgesmukt, gewaad, door het afzweren van alle wereldsche vermaken, door den schier uitsluitenden omgang met predikanten, zielverzorgers, en zoogenaamde vromen, door het spreken der tale Kanaans (gelijk men het bezigen van veelvuldige Bijbelsche uitdrukkingen noemt), door het getrouw ter kerke gaan en het houden of bijwonen van oefeningen ter onderlinge stichting. In de kerk kan men haar spoedig herkennen aan den deemoedigen gang, waarmede zij naar hare plaats: aan den eerbied, welken de plaatsbewaarsters voor haar koesteren, zoodat zij alleen nimmer gedwongen zijn, in te schikken: aan de groete des voorzangers: aan het lange gebed, dat zij, zoodra zij gezeten zijn, van achter den breed uitgeslagen waaier doen: eindelijk aan de wijze, waarop zij den leeraar aanzien en den blik vol hemelvreugde (anderen zeggen: vol hoogmoed) opwaarts slaan, zoo vaak in de predikatie gewag gemaakt wordt van uitverkorenen, waaronder zij zich bij uitsluiting achten te behooren. Gewoonlijk zijn het noch de mooisten, noch de geestigsten der familie, welke tot deze caste behooren, en verslijten zij haar leven in den vrijsterstaat, doch er is geen regel zonder uitzondering, en men zou onbillijk handelen, door de aanleidende oorzaak van haar gedrag altijd te willen toeschrijven aan hare vrees van in de wereld geen opgang te zullen maken. Er zijn er enkelen, ja, bij wie die reden veel moge gegolden hebben, zelfs buiten haar weten: er zijn er, die, hoovaardig op hare vermeende godsvrucht, in Fariseeuwschen hoogmoed op hare mede-Christenen als op de Tollenaren en Zondaren nederzien, alles, wat anderen goeds en loffelijks verrichten, met den naam van blinkende zonden bestempelen, en die alle Christelijke deugden bezitten, maar alleen de hoogste, de voornaamste, de liefde, ontberen;—maar al moge dit met enkelen het geval zijn, ik houde mij overtuigd, dat verreweg de meesten van haar, niet-tegenstaande de kleine gebreken, waarmede zij behebt mogen zijn, vaak als voorbeelden verdienen te worden aangeprezen, boven de zoodanigen, die haar gedrag bespotten en beschimpen.
Zoodanig althans was het oordeel, hetwelk mij de omgang met mijn tante Letje over de personen van haar slag heeft doen vellen. Bij haar voorzeker bestond de godsvrucht niet enkeld in uiterlijke vertooning, maar woonde die in naar rein menschlievend hart. Men mocht dan haar stijve, smakelooze kleeding berispen: de bijbeltaal, waarin zij sprak, mocht niet altijd evenzeer ter snede worden aangebracht: zij velde wellicht nu en dan een te gestreng oordeel over schuldige vermaken; maar niemand kon haar te laste leggen dat zij niet in oprechtheid wandelde. Haar kennis was niet uitstekend; maar zij bezat, wat oneindig meer geldt, een vast en onverzettelijk geloof; en zonder aan andersdenkenden de zaligheid te willen ontzeggen, blikte zij die met vromen Christenzin als haar wettig erfdeel te gemoet. Zij vooral was wars van kwaadsprekendheid en voer altijd tegen de zonde, nimmer tegen den zondaar uit: en wanneer zij zich met kracht tegen de leer der goede werken verklaarde, moest men niet vergeten, dat in haar volkomen bewaarheid werd hetgeen onze Katechismus leert, dat het onmogelijk is, dat een waarachtig geloof niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid; want nimmer was haar hart of haar beurs voor den lijdenden natuurgenoot gesloten, en wanneer zij gaf, vervulde zij letterlijk het voorschrift des Heilands, en wist haar slinkehand niet, wat naar rechte uitdeelde. Haar gebrek aan genoegzaam doorzicht en haar zucht tot liefdadigheid waren oorzaak, dat zij somtijds haar gaven ook aan onwaardigen wegschonk; doch zij verklaarde meer dan eens, dat zij liever honderdmalen door slechte lieden bedrogen wilde zijn, dan dat een vrome noodlijdende ongetroost van haar af zoude gaan.
Een geheel andere vrouw was haar zuster, Mevrouw Van Bempden. Nog zeer jong gehuwd zijnde met een schatrijken echtgenoot, die, geen naaste betrekkingen hehbende, haar hij zijn vroegtijdig afsterven aan het hoofd van een kolossaal vermogen had achtergelaten, had zij zich door haar maatschappelijke positie gedwongen gezien in de groote wereld te leven, en haar geneigdheid had zich daar niet tegen gekant. Haar rustelooze, nimmer lang met hetzelfde voorwerp bezige geaardheid, dreef haar aan, gedurig nieuwe voorwerpen van belangstelling en verstrooiing te zoeken: haar dagen rolden voort in eene bestendige afwisseling van gastmalen, feesten, comediepartijen, speelreisjes, enz. Zij las ook; maar zonder keus of onderscheid: stichtelijke boeken, romans, brieven, verhalen, zedekundige werken, poëzij, al wat maar gedrukt werd; doch zij faalde meestal, wanneer zij iets van het gelezene te pas zou brengen en moest alsdan de hulp inroepen van mijn zuster Susanna, die, zelve een liefhebster van lezen en in het bezit van een ijzervast geheugen, zelden bij die gelegenheid te kort schoot.
Men moet echter uit het bovenstaande niet afleiden, dat Tante Van Bempden in den slechten zin des woords een wereldsche vrouw was. Schoon in 't algemeen geenlaudator temporis acti, durf ik zeggen, dat in die dagen een ongodsdienstige vrouw iets onbekends was. Tante Van Bempden ging trouw ter kerke, kende haar Catechismus op een haar, wist zoo goed als iemand, zelfs met tante Letje, een gesprek over geloofspunten te voeren en zich zeer dapper te verdedigen, wanneer deze haar berispte, dat zij nu en dan bij de Remonstranten ter kerke ging: zij was mededeelzaam, zelfs mild;—maar haar godsdienst was, gelijk men wel eens zegt, zonder verzuim van affaire. Intusschen, wie haar recht kende, vond zich gedwongen te verklaren, dat haar gebreken, zoo zij al dien naam verdienden, uit den maatschappelijken toestand voortvloeiden, waarin zij geplaatst was, terwijl haar goede hoedanigheden uit haar hart voortkwamen. Voor mij althans, die nimmer dan weldaden van haar ontving, ik zou schandelijk doen, indien ik een andere getuigenis van haar gaf, dan dat zij, alles wel gewogen, eene uitmuntende vrouw was.
"Wees van harte welkom, waarde Neef!" zeide tante Letje, terwijl zij mij omhelsde: "alzoo sullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren:" vervolgens zich tot mijn vader wendende: "wel moogt gij, waarde Broeder! den Profeet nazeggen: brengt mijn soonen van verre, ja van het eynde der aerde."
De verdere wenschen die zij uitte werd ik verhinderd te verstaan; want tante Van Bempden had zich voor mij geplaatst en drukte mij, met tranen in de oogen aan haar hart:
"Goeden dag! beste Ferdinand!" riep zij: "wèl, zijt gij eindelijk daar? ja, ik durf niets te voegen bij de vrome gezegden van Zuster: anders zoude ik zeggen met Racine ... hoe zegt Racine ook weêr, Santje?"