NEGENDE HOOFDSTUK.

De morgenstond had zijn weldadigen invloed op mij uitgeoefend en met het daglicht waren die kwellende droombeelden en onrustige gedachten verdwenen, die mij gedurende den nacht hadden beziggehouden. Ik aarzelde dus niet om mij weer naar mijn legerstede te begeven, en de natuur, haar rechten hernemende, welke zij te lang aan de verbeelding had afgestaan, deed mij een weldadigen slaap genieten, waaruit ik niet ontwaakte, dan toen de stem mijns gastheers mij riep, en ik, de vakerige oogen wrijvende, den Heer Bos, reeds geheel gekleed, zag voor mij staan.

"Het is tijd!" zeide hij: "het spijt mij zulk een aangename rust te storen; maar gij zult ongetwijfeld de eerste schuit niet willen misloopen."

"Gij ziet," zeide ik, opstaande, "dat mijn toilet geene groote moeite zal vereischen. Ik heb niets anders te doen als mij te wasschen, en ik ben tot uw dienst."

"Ik heb u gebracht wat gij noodig hebt," zeide de Heer Bos, mij op de tafel wijzende, waar hij een kom met water en een handdoek had neergeplaatst. "Ik behoef niet te vragen of gij goed geslapen hebt."

"Daar kan ik niet volmondig ja op zeggen," antwoordde ik, en verhaalde hem tevens hoe mijn nachtrust gestoord was geweest. Gedurende mijn verhaal bleef ik de wezenstrekken van mijn gastheer zorgvuldig gadeslaan. Geen verwondering noch ontroering was daarop zichtbaar: alleen zag ik hem een paar reizen de wenkbrauwen samentrekken.

"Ik verwachtte niet anders," zeide hij, toen ik met mijn mededeeling geëindigd had: "en ik had dienaangaande het noodige onderricht aan de oude Martha gegeven. Ondertusschen, die schurk moet u noch mij hier zien: de gevolgen zouden te gevaarlijk kunnen wezen. Ik moet mij daarover nog met de oude onderhouden. Wees zoo goed, zoolang bij mijn dochter te vertoeven."

Wij verlieten het vertrek, en begaven ons weder naar datgene, waar wij den vorigen avond hadden doorgebracht. Ik vond hier Amelia, in hetzelfde gewaad als den vorigen dag gekleed, behalve dat zij nu een muts droeg en een falie daar over heen: ook was zij met een zonnescherm voorzien. De Heer Bos liet ons alleen, en na een korten morgengroet, bleven wij, beiden zwijgend en eenigszins met onze houding verlegen, voor ons zien.

Het leed niet lang, of de Heer Bos kwam terug: "alles is in orde," zeide hij: "Andries ligt in de hooischuur zijn roes uit te slapen, en, eer hij wakker is, zijn wij ver van hier. Ik heb bovendien zijn moeder gewaarschuwd, dat de justitie hem opspoorde; en een kleine wenk van dien aard zal, vlei ik mij, genoegzaam zijn, om hem verre van hier te zenden.—Niets verhindert ons dus langer, de reis aan te vangen."

"Ik weet niet," zeide Amelia, zich met minzaamheid tot mij wendende, "of Mijnheer ook nog vooraf iets verlangt te gebruiken."

"Het is mij nog vroeg genoeg," zeide ik: "en daar ik toch genoodzaakt ben, mij te Naarden een oogenblik op te houden, zullen wij evengoed daar eenig ontbijt kunnen nuttigen."

"Welaan dan!" zeide de Heer Bos, en trad meteen, door ons gevolgd, de kamer uit.

In het voorhuis stond de oude Martha, die, nijgende, en de handen drukkende van den Heer Bos en van Amelia, afscheid van ons nam.

"Wij danken u voor uw herbergzaamheid," zeide de Heer Bos: "vergeet niet, hetgeen ik u omtrent uw zoon gezegd heb, en neem dit aan, voor den omslag, dien wij u veroorzaakt hebben. Mijn goed zal ik nader laten halen. Bedenk, dat alles van uw stilzwijgendheid afhangt."

"Ach!" zeide zij: "met wie spreekt de oude Martha ooit? Geen haan zal er na kraaien, dat UEd. hier 'eweest is: en in een kwartier tijds zijn al de kamers weer dicht 'esloten en het beddegoed uit de bedsteden 'enomen, en kan niemand merken, dat ik hier volk heb 'ehad."

Ik kon mij niet weerhouden van te glimlachen: "zoo al de slaapplaatsen zoogoed gestoffeerd zijn als de mijne," dacht ik, "zal zeker het opredderen niet veel tijd kosten."

Intusschen naderde ik ook op mijne beurt de oude vrouw en stelde haar onder dankbetuiging voor het nachtverblijf eene kleine fooi ter hand. Toen ik mij omwendde, zag ik dat de Heer Bos een koffer had opgenomen, die waarschijnlijk het goed van zijn dochter bevatte.

"Mag ik u niet van die moeite ontslaan?" vroeg ik hem; "daar toch Mejuffrouw nu onder mijn geleide komt, is het niet meer dan billijk, dat ik haar goed drage."

"Wij zullen het ieder een gedeelte van den weg dragen," zeide de Heer Bos: "ik ga niet met u tot Naarden."

De toon, waarop hij deze woorden uitsprak, was zoo beslissend, dat ik het ongeraden vond, verder aan te dringen. Wij begaven ons dan op reis, de Heer Bos den tocht geleidende, en even wakker doorstappende, alsof hij, in stede van een koffer, een pak veeren onder den arm had. Ik heb nog verzuimd te zeggen, dat hij thans zijn rooden mantel niet omhad, en zijn Spaanschen hoed tegen een meer gewonen verwisseld had.

Amelia liep zwijgend achter haar vader; en ik sloot den tocht. Wij namen, in stede van den modderigen hollen weg, een zandpad door de eikenstruiken, hetgeen op een driesprong uitkwam, waar onze geleider stilhield.

"Hier moeten wij scheiden," zeide de Heer Bos: "dit voetpad links brengt u aan de poort van Naarden. Vaarwel Amelia! God behoede u en schenke u het noodige beleid om de moeilijke taak te volbrengen, die gij op u genomen hebt."

Dit zeggende drukte hij een hartelijken kus op 't voorhoofd zijner dochter. Wat haar betrof, zij schreide niet; zij stortte geen ijdele, doch bij zulk een scheiding toch niet berispelijke klachten uit: maar de doodelijke bleekheid, welke zich over haar gelaat verspreidde, toonde niettemin hoezeer haar hart op dit oogenblik leed.

"Wat u betreft, Mijnheer!" zeide de Heer Bos, mij de hand drukkende: "ontvang mijn voorloopigen dank voor den dienst, dien gij mij bewijzen wilt. Ik vertrouw u mijn dochter: en gij zult, hiervan houde ik mij overtuigd, u dat vertrouwen niet onwaardig betoonen."

"Is er niets anders dat ik voor u doen kan?" vroeg ik hem terwijl ik zijn handdruk beantwoordde.

"Voor het oogenblik niet:—ik heb reeds te veel van u gevorderd; wellicht meer dan gij zult kunnen volhouden;... doch het zij zooals het wil!... alleen dit nog!... mocht mij het lot eens treffen, dat mijn vijanden mij toewenschen, ontferm u dan over mijn ongelukkige dochter:—wees dan haar voorspraak.... Zorg dan, dat zij in staat gesteld worde, zich een wijkplaats volgens haar wensen te kiezen."

Ik gaf door een buiging mijn toestemming in dit verzoek te kennen en nam nu den koffer op, dien de Heer Bos had neergezet en die mij zwaarder voorkwam dan ik gedacht had, waarop hij na Amelia nogmaals vaarwel gezegd te hebben, zich met rassche schreden rechtsaf en naar den zeekant begaf. Wij oogden hem een poos na en sloegen toen zwijgend het aangewezen pad in, dat ons weldra op den heirweg in de nabijheid van Naarden bracht. Buiten de poort nam ik een knaap aan, om den koffer te dragen; bood mijn arm Amelia aan, en bevond mij met haar na verloop van eenige minuten in de herberg te Naarden.

In de herberg gekomen zijnde, werden wij door den waard in een zijkamertje gewezen, waar ik terstond voor Amelia en voor mij een paar kop koffie en boterhammen bestelde; en de vraag deed, of er ook goed met den vrachtwagen van Deventer was aangekomen aan het adres van Mr. F. Huyck. De waard beantwoordde deze vraag toestemmend en gaf mij te kennen, dat het goed zich in de groote kamer aan de overzijde bevond. Ik vroeg hierop verlof aan Amelia van haar een oogenblik alleen te mogen laten, en begaf mij naar de aangewezen plaats, waar ik werkelijk, na eenig zoekens, de mij behoorende koffers, doozen en verdere voorwerpen, uit onderscheidene andere goederen, welke aldaar in heerlijke eendracht en verwarring door en op elkaar gestapeld waren, terugvond; waarop ik den waard verzocht, die gezamenlijk met den koffer van Amelia naar de schuit op Amsterdam te laten brengen, en de roef voor mij te huren.

Terwijl ik met dit alles bezig was, had ik wel opgemerkt dat er paarden voor het logement hadden stilgehouden: doch in de drukte van het oogenblik daar geen bijzondere acht op geslagen. Toen mijn bestelling echter was afgeloopen, en ik mij weder naar het zijkamertje terug zoude begeven, sloeg ik het oog, in 't voorbijgaan, door de gang naar buiten en zag een paar fraaie, kostelijk getoomde en gezadelde rijpaarden, die reeds een goeden rit schenen te hebben gedaan, naar men kon opmaken uit het schuim, dat hun breede borst bedekte, en die door den staljongen voor de deur gevoederd werden, terwijl een rijknecht, in zwierige livrei, daarnevens stond. Ik hield mij echter niet op met die te beschouwen, daar ik Amelia niet langer wilde alleen laten,—maar men verbeelde zich mijn verwondering en mijn misnoegen tevens, toen ik, de zijkamer binnentredende, iemand, in rijgewaad uitgedost, over Amelia aan de tafel zag zitten, met den hoed op het hoofd, het rijzweepje in de hand en de beenen uitgestrekt, en in dien persoon dengenen herkende, dien ik minst van allen hier verwacht of gewenscht zoude hebben, den Heer Lodewijk Blaek. "Daar beginnen de wederwaardigheden al!" dacht ik bij mijzelven: en mijn spijt was zoo groot, dat ik als sprakeloos aan de deur bleef staan.

"Komt het glaasje haast, dat ik besteld heb?" vroeg Lodewijk, mij slechts terloops aanziende: "o vergeef mij!" voegde hij er bij, mij herkennende: "ik dacht dat het de kastelein was.—Mijnheer Huyck! ik wensch u goeden morgen."—Hier lichtte hij even zijn hoed, en zich terstond naar Amelia wendende, met wie hij reeds in onderhoud scheen te zijn getreden: "en reist de Juffrouw zoo alleen?" vroeg hij: "in waarheid! het zou mij tot bijzondere eer strekken u te mogen brengen, waar UEd. wezen wilde.—Men treft soms onwelkom gezelschap op reis aan," (dit laatste was ik volkomen met hem eens) "en het is ridderplicht, de dames, die alleen en verlaten zijn, daartegen te beschermen."

Ik was nog niet recht bekomen van mijn verbazing. Ik zag, hoe Amelia bleek en ontsteld was geworden door de gemeenzame toespraak van den vrijpostigen losbol: en ik wist nog niet, welke houding ik moest aannemen. Het eenvoudigste ware zeker geweest, terstond aan Lodewijk te verklaren, dat de Juffer geene bescherming behoefde, daar zij zich reeds onder de mijne bevond; maar ik huiverde op de gedachte, daardoor verkeerde vermoedens op te wekken bij iemand, op wiens bescheidenheid ik mij niet kon verlaten. "Waar zal Henriëtte Blaek mij voor houden," dacht ik bij mijzelven, "wanneer zij van haar neef verneemt, dat ik met een mooi jong meisje op reis ben geweest?" Deze gedachte belette mij te handelen gelijk de edelmoedigheid mij eigenlijk zoude hebben voorgeschreven, en ik besloot, mij te vergenoegen met aan Lodewijk het voortzetten zijner aanbiedingen te beletten, door zelf een gesprek met hem aan te knoopen.

"Is UEd. hedenmorgen reeds van Guldenhof aan komen rijden? UEd. moet het warm hebben, ofschoon de ochtendstond altijd het best geschikt is tot dergelijke tochten. En hoe vaart de familie op Guldenhof? Het is een fraai paard, dat UEd. daar heeft," enz. enz. Lodewijk antwoordde slechts met enkele woorden op deze en dergelijke toespraken, welke ik tot hem richtte: en, geene de minste gedachte voedende, dat ik tot Amelia in eenige betrekking stond, bleef hij haar gedurig aanstaren, lonkte en knipoogde, en scheen haar door zijdelingsche wenken te kennen te willen geven hoe onaangenaam hem de stoornis was, welke ik in huntête-a-têtehad aangebracht.

Wat Amelia betrof, zij beantwoordde hem op dezelfde wijze, als hij mij deed, namelijk met niet veel meer dan "ja Mijnheer!" of "neen Mijnheer!" Zij hield de oogen gedurig voor zich geslagen op het kopje, dat zij in de hand hield en waaruit zij nu en dan een langzame teug nam. Ik kon niet nalaten van met een gevoel van diepe beschaming op te merken, dat zij, na mij toen ik binnenkwam even te hebben aangezien, geen oog meer op mij wendde, als wilde zij mij de bescherming niet afvergen, welke ik haar niet uit eigen beweging verleende. Deze bescheidenheid van hare zijde overwon weldra mijn voornemen om mij te houden, alsof wij elkaar niet kenden, en ik was op het punt, van aan Lodewijk te verzoeken, de Juffer, die ik de eer had gezelschap te houden, niet langer lastig te vallen, toen de waard, met een glaasje likeur binnentredende, mij de eer der bekentenis kwam ontnemen.

"Mijnheer!" zeide hij tegen Lodewijk: "een glaasje cognac als 't UEd. belieft: Mijnheer!" (tegen mij) "als UEd. naar de schuit moet zal het tijd worden."

"Hoeveel ben ik u schuldig?" vroeg ik, terwijl Amelia intusschen was opgestaan.

"Sta mij ten minste toe, u tot aan de schuit te brengen...." zeide Lodewijk, insgelijks opstaande en Amelia zijn arm aanbiedende.

"Zeven gulden vijftien stuivers, wegens betaalde vracht voor UEds. goed," antwoordde mij de waard: "twee kommetjes koffie en twee boterhammen....?"

"Twee!" herhaalde Lodewijk, een oog op de tafel werpende, en vervolgens Amelia en mij aanziende met een blik, die mij deed ontwaren, dat hij lont begon te ruiken, en die ook den waard deed opkijken.

"Wel ja!" zeide deze: "Mijnheer betaalt immers ook voor de Juffrouw?"

"Voorzeker!" zeide ik, hem twee dukaten ter hand stellende, met verzoek van mij geld terug te geven: "als UEd. gereed is!" vroeg ik, mij tot Amelia wendende.

"Nu begrijp ik het!" zeide Lodewijk, met een boozen lach, die mij machtig veel lust gaf hem op zijn gezicht te trommelen.

"Heureux mortel!" voegde hij er bij, het hoofd schuddende en mij schamper aanziende. "Ik vraag u om verschooning, Mejuffer! Maar waarom heeft de Heer Huyck mij niet terstond gewaarschuwd, dat ik vergeefsche moeite deed?"

Ik voelde dat ik rood werd; want ik kon de juistheid dezer aanmerking van Lodewijk niet ontkennen: "Mijnheer!" zeide ik, op een toon, dien ik trachtte zoo natuurlijk mogelijk te maken: "ik heb niets over deze Juffer te zeggen. Een gelukkig toeval heeft mij haar doen ontmoeten: en haarfamilie(met nadruk op het woordfamilie) heeft mij verzocht, daar wij toch éénen weg gingen, wel te willen zorg dragen, dat haar op reis niets ontbrak. Ik dacht, dat UEd. haar kende, anders zou ik niet geweten hebben, waaraan uw voorslagen toe te schrijven. Ik heb de eer uw dienaar te zijn."

"Goede reis samen," zeide Lodewijk: "en ik hoop dat defamilievan de Juffer alle reden zal hebben, over haar keuze tevreden te zijn," voegde hij er bij, op een toon, die mij verstaan deed, dat hij geen woord geloofde van al wat ik hem, ik moet bekennen vrij onhandig, verteld had.

Ik antwoordde verder niets; maar, den arm aan Amelia gevende, verliet ik met haar de herberg. Nauwelijks waren wij de stadspoort uit, toen Lodewijk ons, met zijn lakei achter zich, voorbijreed. Hij deed zijn groet vergezeld gaan met een spotachtigen glimlach, en bleef langzaam voor ons uit rijden. Toen wij de laatste brug der vestingwerken hadden verlaten en de trekschuit in 't gezicht kregen, zag ik hem weder ophouden en eenige woorden wisselen met iemand, die zich nabij de klep van de schuit hield; waarna hij in vollen draf verder reed.

Wij waren spoedig aan de plaats der afvaart, waar de kruier zich met mijn goed bevond en mij het roefbriefje ter hand stelde. Amelia ging dadelijk naar binnen; wat mij betreft, ik bleef een oogenblik de oplading der goederen gadeslaan, toen mij de persoon naderde, met wien ik Lodewijk had zien spreken en dien ik terstond voor Simon herkende. Hun onderhoud deed bij mij een vermoeden ontstaan, hetwelk zich later bevestigde; doch dat ik mij wel wachtte aan Amelia mede te deelen, ten einde haar niet nutteloos te verontrusten.

"Whelkom, meneer Hijk!" zeide Simon: "phen je nog 'ier? Me dacht, je zat hal 'oog en droog te Hamsterdam? Ken ik thoch niks an je kwijt worden? Niet?—Nou! dhaarom zei je thoch ghezond blijven. Has ik je dan reis weerzie met ghezondheid?"

Het vertrek der schuit maakte een einde aan de rede van Simon, die een plaats nam op de voorplecht, terwijl ik met Amelia in de roef ging zitten.

Ik zag aan de koele en gestrenge uitdrukking van haar gelaat, dat mijn gedrag eenige verontschuldiging vereischte, en ik moest bij mijzelven erkennen, dat zij reden had, ontevreden over mij te zijn. Ik sprak haar dus, eenigen tijd nadat de schuit van wal had gestoken, op de volgende wijze aan:

"Ik vrees, Mejuffrouw, dat gij mij beschuldigt, van weinig te beantwoorden aan het vertrouwen, door uw Heer vader in mij gesteld."

"Mijnheer!" antwoordde zij, "ik heb het recht niet, u eenige verwijtingen te doen. Ik gevoel zeer wel, hoe moeilijk de toestand was, waarin de ontmoeting van een bekende u moest brengen; en het doet mij van harte leed, dat gij u om mijnentwille wellicht onaangenaamheden op den hals haalt."

"Uwe goedheid," zeide ik, "behandelt mij meer grootmoediglijk dan ik verdien; maar waarlijk, gij hadt recht gehad, een andere handelwijs van mij te verwachten. Geloof echter, dat, zoo ik niet terstond den Heer Blaek voor zijn onbeschaamdheid bestrafte, zulks slechts daarom was, omdat ik hoopte dat hij vóór ons vertrekken zoude: en ik was bezorgd, dat zoo hij, gelijk nu geschied is, ontdekte dat wij te zamen reisden, hij nasporingen in 't werk zou stellen, welke het geheim van uw Heer vader in gevaar mochten brengen."

Deze reden was nu wel niet de ware; maar zij had toch zooveel grond van waarschijnlijkheid voor zich, dat Amelia, naar mijne meening, niet kon nalaten, die voor volkomen geldig te houden. Zij scheen er zich dan ook mede te vergenoegen.

"Ik hoop," zeide zij, "dat gij geen last meer zult hebben van deze ontmoeting, en dat de Heer Blaek zich met de door u gegeven inlichtingen zal tevreden stellen.—Is hij de zoon van den Heer Blaek, over wien wij gisteravond spraken? Hij schijnt mij toe geen gelukkig toonbeeld op te leveren van de Amsterdamsche Heeren. Wellicht echter," voegde zij er bij, "moet ik zijn vrijpostigheid alleen toeschrijven aan den verlatenen toestand, waarin ik mij bevind."

"Het was gisteren voor het eerst, dat ik dien Heer ontmoette," was mijn antwoord: "maar het zou mij grieven, indien UEd. onze Amsterdamsche jongelingschap naar hem wilde beoordeelen. Er zijn er onder, die, zooals hij, hoovaardig op hun rijkdom en aanzien, zich een toon aanmatigen, die hun vrij kwalijk voegt, en zich, vooral tegen een kunne, die zij eerbiedigen moesten, alles veroorloven, op het voorbeeld der Fransche windbuilen, die zij naäpen, zonder tevens die welgemanierde bevalligheid te bezitten, welke bij onze naburen de onbescheidenheid eenigszins vergeeflijk maakt. Maar gij zult, naar ik hoop, te Amsterdam ook jongelieden vinden, die zich door een ordentelijk, zedelijk gedrag onderscheiden, nauwgezet zijn in het betrachten hunner maatschappelijke plichten, zich aanbevelen door een heuschen beschaafden omgang, en niet van oordeel zijn, dat drinken, rossen en rijden, grof spelen en dergelijke uitspattingen tot de kenmerken eens fatsoenlijken mans behooren."

"Ik twijfel er niet aan," zeide zij: "het zal te Amsterdam zijn, als overal, dat men er veel kaf onder 't koren vindt. Helaas! wat mij betreft, ik zal er niet in de gelegenheid zijn om zulks bij ondervinding te leeren, en mijn toestand zal mij wel dwingen, mij afgezonderd te houden van alle gezelschappen. Hoe gelukkig zijt gij, Mijnheer! aan wien deze reis niets dan vreugde en blijdschap voorspelt. Gij gaat een beminde familie terugvinden en moogt u thans reeds verheugen in die zalige ontmoeting.... terwijl ik!... maar verschoon mij, ik heb geen recht u met mijne klachten op te houden. Verhaal mij eens, bid ik u, hoe groot is het huisgezin van uw Heer vader?"

Ik beantwoordde deze vraag, en, van het eene op het andere komende, geraakten wij van lieverlede in een belangrijk en levendig onderhoud, in den loop waarvan ik telkens meerdere redenen vond om het gezond verstand en het edel hart van mijn reisgenoote te bewonderen. Wij brachten alzoo bijna ongemerkt de lange en vervelende vaart van Naarden tot Muiden ten einde. Aan die stad gekomen, moet men, gelijk bekend is, de schuit verlaten om zich in een andere in te schepen. Wij trokken dan te zamen en gearmd Muiden door, toen een nieuwe gebeurtenis mij stof gaf tot nieuwe bekommernis over de taak, die ik op mij genomen had, en waarmede ik mij reeds begon te vereenigen. Onder het voortwandelen hoorde ik achter ons het klappen van een zweep en het rollen van een rijtuig over de straatsteenen. Ik zag om: daar reed ons een prachtige koets voorbij, met vier witte paarden bespannen, en twee lakeien achterop: en, eer ik nog den tijd had om na te denken, aan wien dit rijtuig behoorde, herkende ik daarbinnen den ouden Heer Blaek, met zijn hofdichter over—, en—o spijt!—zijn schoone nicht naast hem. Ik bloosde tot achter de ooren toe: ik groette:—de Heer Blaek had mij niet opgemerkt;—maar Henriëtte had mij gezien, en de koele blik, welken zij bij het teruggroeten op ons beiden nederwierp, drong mij door de ziel heen.—Zij had mij herkend: daar was geen twijfel aan;—en wat toch moest zij nu van mij denken? Ik had haar gezegd, dat ikalleennaar Amsterdam reisde; en nu had zij mij met een onbekende Juffer gearmd gezien:—en ik zou mij misschien nimmer in de mogelijkheid bevinden, haar de aanleiding mijner handelwijze te verklaren.—Zelfs ook dan, al ontsloeg mij de Heer Bos van alle geheimhouding, wie zou de zonderlinge ontmoetingen, die mij in deze weinige uren overkomen waren, op mijn woord af verkiezen te gelooven.

Doch, wat deed het er eigenlijk toe, of Henriëtte Blaek ons al of niet gezien had? Haar neef had ons immers gezien en ik hield mij genoeg van zijn minzame gezindheid te mijwaart verzekerd, om tevens overtuigd te zijn, dat hij zulks niet verzwijgen zou, althans niet aan zijn nicht.—En bovendien, welk groot belang stelde ik toch in de gedachten, die een meisje, dat ik slechts eenmaal gezien had, omtrent mij koesterde? Ik was immers niet op haar verliefd! Iemand van mijn koel en bedaard gestel, wien de Franschen zelfs den naam vanle phlegmatique Hollandaisgegeven hadden, zou zoo op een bof verlieven!—Onmogelijk—en echter....!

Deze en dergelijke denkbeelden vlogen, als vuurkogels, die zich doorkruisen en tegen elkaar horten, mijn geest door, zoolang ik de stad Muiden doorliep, ja beletteden mij eenige aandacht te schenken aan Amelia, die zwijgend aan mijn zijde ging. Alleen had ik opgemerkt dat zij, toen het rijtuig ons voorbijsnorde en ik een kleur kreeg, mij terloops had aangekeken, en vervolgens terstond haar falie dichter over haar gelaat had neergetrokken. Zelfs meende ik mij naderhand te herinneren, dat ik haar arm op dat oogenblik tegen den mijnen had voelen trillen.—Hoe dit zij, ik sloeg, gelijk ik zeide, weinig acht op haar, en, zoo zij mijn gedachten al bezighield, was het, om haar, op een vrij onedelmoedige wijze... voor Sint-Felten te wenschen.

Zoodra wij echter buiten Muiden en weder in de roef gezeten waren, namen mijn gedachten een geheel anderen loop en vergat ik mijn eigen spijt geheel, om slechts aan het leed mijner reisgenoote te denken; want nauwelijks was de schuit van wal gestoken, of ik zag haar in tranen uitbersten.

Hoewel ik nooit heb kunnen begrijpen, hoe de dichters en romanschrijvers, van een weenende schoone sprekende, durven beweren, dat "haar tranen haar schoonheid nog verhoogden," en hoewel ik een rooden neus en gezwollen oogen, welke daarmede doorgaans vergezeld gaan, niet onder de bevalligste verschijnsels tel, zoo kan ik toch niet ontkennen, dat de aanblik eener schreiende vrouw altijd een innig gevoel van mededoogen en deelneming in mijn borst heeft opgewekt, en dat ik nooit tranen langs haar kaken zag vloeien zonder den wensch te voeden, dat het in mijne macht mocht zijn, die te drogen. Maar hoeveel smartelijker moest mij dus niet dit schouwspel vallen, nu ik mij geheel buiten de mogelijkheid bevond, niet alleen van de bron des leeds te stoppen, maar zelfs van een enkel gepast troostwoord toe te spreken. Ik gevoelde terstond, wat bij Amelia die diepe droefheid ontstaan deed: welke kracht die aandoeningen moesten bezitten, die in staat waren een ziel, zoo sterk als de hare, met zulk een hevigheid te schokken.

Ik gevoelde, dat ik toch iets moest zeggen, al ware het slechts om den schijn van hardvochtigheid te vermijden. "In 's Hemels naam, Mejuffrouw!" voegde ik haar toe, terwijl ik, over haar gezeten, de handen op het tafeltje der roef smeekenderwijze samenvouwde: "wat ik u bidden mag, bedaar! Het is mij zoo grievend, u te zien weenen."

"Vergeef mij,... o vergeef mij,... Mijnheer Huyck...." zeide zij al snikkende: "ik gevoel, dat ik mij dwaas aanstelle... maar het zal ras weder over zijn.... Ach! misschien doet het mij goed:—ik heb in jaren niet geschreid."

Ik wist bij ondervinding, dat niets weldadiger is voor hen die lijden, dan den oorsprong van hun leed te kunnen mededeelen: en met dat oogmerk waagde ik het, de volgende vraag te doen:

"Maar, indien het niet onbescheiden is zulks te willen weten, wat heeft dan nu die bittere droefheid bij u kunnen verwekken?... Is er van mijne zijde eenige aanleiding daartoe gegeven, zoo bid ik u, uit den grond mijns harten, om vergiffenis.—Maar o! laat mij toch niet in de onzekerheid. Schenk mij uw vertrouwen! bedenk, dat uw vader mij tot uw beschermer heeft uitgekozen:—laat dien titel, waarop ik mij verhoovaardig, u aansporen, mij als uw broeder te beschouwen, en mij mede te deelen, wat u thans op het hart drukt."

"O neen! vraag het mij niet," zeide zij, de oogen afwisschende en het gelaat in haar fraaien ronden arm, die op de tafel rustte, half verbergende: "gij zoudt mij te dwaas, te kinderachtig vinden;... en toch!" vervolgde zij, na eene korte stilte, het hoofd weder opheffende en mij met waardigheid aanziende: "waarom zou ik het verzwijgen, daar gij het wel zult geraden hebben. Ik heb met kalme onverschrokkenheid de rampen en wederwaardigheden doorgestaan, die mijn nog zoo korten levensloop gekenmerkt hebben: ik heb aan geéne hartstochtelijke bewegingen toegegeven, zoo dikwerf de fortuin, het leven of de vrijheid mijns vaders en de mijne tevens in gevaar stonden: maar dat ik, die vroeger ... ik schaam mij bijkans het nu te zeggen ... door honderden gediend en vereerd werd... die den geringsten smaad mij aangedaan door den dood des beleedigers zou hebben zien straffen ... dat ik, die tot nog toe nooit het oog voor iemand heb behoeven neder te slaan, en voor niets te blozen heb ... dat ik tot zulk een laagte gedaald ben, om te moeten ondervinden, dat een fatsoenlijk man, wanneer hij zich in mijn gezelschap bevindt en een kennis ontmoet ... vergeef mij ... zich schaamt, gelijk een schuldige zou doen ... dit treft mij tot in het binnenste van mijn gemoed: het is een contrast, dat geschikt ware om mij ijlhoofdig te maken!"

Ik bloosde opnieuw, zag voor mij en zweeg: want wat kon ik aanvoeren tegen hetgeen zij gezegd had? O! hoe nietig en laf schenen mij thans de strijd en wrevel, bij mij ontstaan, in tegenstelling met de diepe smart, die haar gemoed vervulde! Hoezeer beklaagde ik haar, en welk een eerbied gevoelde ik niet voor de maagdelijke kieschheid, welke haar zulk een gewicht deed hechten aan een omstandigheid, die in het oog van anderen misschien onopgemerkt ware gebleven of althans slechts als een beuzeling beschouwd geworden.

Er ging een geruim tijdsverloop voorbij, eer ik den moed tot spreken wedervond; Amelia was intusschen weder bedaard geworden en zat aandachtig de toppen van hare (zeker buitengemeen fraaie) vingeren te bekijken: iets dat, gelijk ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, meer haar gewoonte was, wanneer zij niet bezig was of sprak, en waaruit ik reeds had opgemerkt dat zij geen Hollandsche opvoeding had genoten en zich op het breien of kousenstoppen niet verstond.

"Ik beken u," zeide ik, "dat ik min of meer onthutst was, toen ons die koets voorbijreed en ik Mejuffrouw Blaek daarin herkende."

"Mejuffrouw Blaek!" herhaalde Amelia, een doordringenden blik op mij vestigende: "ik dacht zoo;—maar, ik ben u in de rede gevallen: verschoon mij: ga voort, bid ik u."

"Ik was dit te meer," vervolgde ik, eenigszins bedremmeld, omdat ik haar gisteren, gelijk ik de eer had u te zeggen, heb gesproken, omdat zij een groot vriendin mijner zuster is, en dat het voor ons beiden licht onaangename gevolgen kan hebben, indien het ruchtbaar wordt dat...." Hier bleef ik steken.

"Dat gij dit alles overdacht hebt, betwijfel ik niet," zeide Amelia: "maar vergun mij op te merken, dat uw denkbeelden al zeer vlug op elkander volgen, indien zij bij u een zoo onmiddellijke ontsteltenis konden veroorzaken op het oogenblik dat de oogen dier Juffer u ontmoetten."

De juistheid dezer opmerking leverde mij een nieuw bewijs, dat het mij gemakkelijker zou vallen, mijzelven dan Amelia te misleiden.

"Mejuffrouw!" zeide ik, een meer vroolijke wending aan ons gesprek willende geven: "gij verstaat u bij uitnemendheid in het ontleden der menschelijke gedachten: en ik betuig: dat ikzelf misschien niet zoo goed in staat zou zijn te beslissen, wat er straks in mijn hart is omgegaan. Dit is zeker, dat mijn beweging onwillekeurig was, en als zoodanig ben ik daarvoor niet verantwoordelijk. Misschien heb ik eene onvoorzichtigheid gedaan, door aan het verlangen van uw Heer vader te voldoen, want ik had moeten berekenen, dat men niet straffeloos de taak op zich neemt, van aan een schoone Jonkvrouw tot leidsman te verstrekken."

"Ik heb nog liever, Mijnheer!" zeide Amelia, "dat zich de spijtige uitdrukking van zoo straks op uw gelaat vertoont, dan dat gij mij door plichtplegingen zoekt tevreden te stellen, die ik, helaas! te wel weet dat niet meer kunnen zijn dan ijdele klanken. Wat mij betreft, ik spreek ernstig: en ik verzeker u, het doet mij innig leed, dat mijn vader het noodig geoordeeld heeft, u een last op den hals te laden, welke u geene andere dan onaangename gevolgen berokkenen kan. Want, ach! zoo is het altijd gegaan. Het is de vloek, die op ons huis ligt, dat elke dienst, daaraan bewezen, het ongeluk bewerkt van hem, die dezen dienst bewijst."

"Mejuffrouw!" hernam ik: "ook ik spreek ernstig, en ik betuig u uit den grond mijns harten, dat, zoo de dienst, welken ik u thans poog te bewijzen, aan de verwachting van uw vader beantwoordt, mij die nimmer ongelukkig zal kunnen maken; want welke gevolgen die ook hebbe, ik zal het bewustzijn behouden van den plicht der dankbaarheid volbracht en naar de inspraak van mijn geweten gehandeld te hebben."

"Gij zijt een braaf mensch, Mijnheer Huyck," zeide Amelia, mij met aandoening de hand reikende: "en mijn vader, door zijn vertrouwen op u te stellen, heeft mij een nieuw bewijs gegeven, met hoeveel juistheid hij bij den eersten oogopslag de menschen weet te beoordeelen.—Dan, laat ons thans niet meer spreken over hetgeen toch niet meer te veranderen is:

La plainte ni la peur ne changent le destin,

La plainte ni la peur ne changent le destin,

zegt de goede Lafontaine, wiens geestige werken u misschien niet onbekend zijn."

"En hij heeft gelijk ook," zeide ik: "ofschoon gij den regel, dien hij er op volgen laat, wel niet zult toestemmen; noch erkennen willen dat

le moins prévoyant est toujours le plus sage."

le moins prévoyant est toujours le plus sage."

"Vergeet niet," hernam zij, "dat hij vooraf laat gaan: quandle mal est certain. Gij moet geene plaatsen uit haar verband halen, gelijk, naar ik wel vernomen heb, de ketters gewoon zijn te doen, ter staving van hunne anders onbewijsbare gevoelens."

Dit antwoord der bekoorlijke zwerfster bevestigde een vermoeden, hetwelk ik reeds den vorigen avond, uit sommige van haar uitdrukkingen, omtrent haar geloofsbelijdenis had opgevat: ik verlangde echter geen theologische wending aan ons gesprek te geven en ving dus aan, over andere onderwerpen te spreken: daar ik mij echter weinig meer herinner van hetgeen wij verder afhandelden en zulks ook voor mijn lezers waarschijnlijk even vervelend zoude zijn als indien ik hen dwong de reis in de trekschuit zelve te maken, zal ik slechts datgene vermelden, hetwelk Amelia mij toevoegde, toen wij Amsterdam bijna bereikt hadden.

"Hier," zeide zij op een plechtigen toon, "moet onze korte kennis eindigen.—Zoodra wij uit het oog des schippers zijn, verlaten wij elkander, waarschijnlijk voor altijd. God doe u de betrekkingen, die u dierbaar zijn, in welstand en vreugde ontmoeten!—Hij loone u met zijn rijksten zegen, voor hetgeen gij zoo grootmoedig ten gevalle mijns vaders hebt verricht,—en waarvan de herinnering, hoop ik, weldra geheel bij u uitgewischt moge worden."

"Uitgewischt!" herhaalde ik: "en waarom dat? Zoo ik in den beginne al eenigen weerzin tegen den mij opgedragen last gevoelde, ik ondervind thans slechts een innig leedwezen, namelijk van te denken dat ik u wellicht nooit wederzie."

"Dit leedwezen zal u niet lang bijblijven," hernam zij, met droefgeestigheid het hoofd schuddende: "en het is ook beter, dat gij onze korte ontmoeting vergeet. Gij bevindt u, door geboorte en stand, in betrekkingen, welke u niet veroorloven, u verder in te laten met ongelukkigen, zooals wij, die door het lot genoodzaakt zijn het daglicht te schuwen en sluipwegen te bewandelen. Op ieder van ons beiden rust een verschillende plicht, dien wij naar onze beste pogingen zullen trachten te vervullen: de zoon van den Hoofdschout heeft reeds genoeg voor mij gedaan: meer te doen zou ons niet baten en hem misschien strafbaar maken. Ik geloof, dat gij mij verstaat, zonder dat ik een verdere verklaring aan mijn woorden behoef te geven."

"Ik weet niet," zeide ik, "wat de zoon van den Hoofdschout aan uw vader of u mag zeggen, en in hoeverre ik altemet, door u een goeden uitslag met zijn bedoelingen toe te wenschen mijn plicht als burger zou te kort doen; maar niets verbiedt mij toch, de hoop te uiten, dat het u steeds welga, en dat, na de rampen en wederwaardigheden, die u getroffen hebben, ik u eenmaal moge terugvinden, in dien maatschappelijken toestand geplaatst, waar uw geboorte, opvoeding en begaafdheden u ongetwijfeld toe bestemd hebben."

Amelia dankte mij met een handdruk voor dezen wensch, en wij spraken geen woord verder, totdat de schipper, zijn hoofd naar binnen stekende, ons "welkom te Amsterdam!" deed hooren.

"Hoe zullen wij het nu aanleggen met ons goed?" vroeg Amelia.

"Laat dat aan mij over," antwoordde ik, die reeds mijn plan gemaakt had: "en blijf stil in de roef zitten, tot ik u roep. Hei! ho!" riep ik, naar buiten springende: "is daar ook een kruier?"

"Zal ik het goed van Mijnheer niet te huis brengen?" vroeg de schippersknecht, de muts even aflichtende.

Dit was juist wat ik wilde: "wanneer heb ik het dan?" vroeg ik.

"Binnen het half uur is het bij u. UEd. is immers de zoon van den Heer Hoofdschout, wel bekend?"

"Goed!" was mijn antwoord: "alleen dat stuk," vervolgde ik, op het koffertje van Amelia wijzende: "moet ik terstond medenemen, omdat ik er iets uit moet nemen en het dan verder opzenden."

"Heel wel, Mijnheer! als Mijnheer dan daarvoor maar een van die menschen wil nemen...."

Ik zag om: een aantal knapen en sjouwerlieden had zich om mij heen gedrongen. Ik koos een hunner uit, aan wien ik het koffertje overreikte.—"Zuster!" riep ik toen: "als het u maar belieft."

Amelia kwam terstond voor den dag, en wij begaven ons, naast elkander, doch niet gearmd, en met den jongen achter ons, langs den Binnen-Amstel verder. Wij hadden het geluk, niemand van mijn kennis te ontmoeten. Aan de Amstelstraat gekomen, hield ik stil.

"Wij gaan hier van elkander," zeide ik: "jongen! gij volgt de Juffrouw en brengt haar bij den Heer Bouvelt op den Buitenkant bij de Peperstraat."

Amelia en ik drukten elkander de hand tot afscheid: zij ging met den knaap de lange houten brug naar de Muiderstraat op, terwijl ik mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Toen ik ongeveer honderd schreden verder gegaan was, wendde ik het hoofd nog, eens naar haar om: maar hoe groot was mijn verwondering en tevens mijn spijt, toen ik bemerkte, dat niet langer dezelfde knaap, maar Simon de marskramer achter haar ging met het koffertje op zijn rug. Ik waande een oogenblik, dat het mij schemerde; maar ik kon geen twijfel meer voeden; het was Simon zelf, en de andere knaap liep op een drafje met het marsje van den Jood weg. Mijn maatregelen van voorzorg, naar mij dacht met zooveel overleg gekozen, waren dus verijdeld! en dat wel door de schalkheid van een listigen marskramer, en die het nu in zijn macht had, althans gedeeltelijk, achter het geheim te komen. Maar het was te laat om er iets aan te doen; en elke nieuwe bemoeienis van mijn kant zoude, in den tegenwoordigen stand der zaken, meer na- dan voordeel hebben aangebracht. Voor 't overige wist ik bij geruchte, dat de Heer Bouvelt een geschikt man was, die de achting zijner medeburgers genoot en onder wiens bescherming Amelia zoo veilig mogelijk wezen moest; deze gedachte stelde mij weder enigszins gerust, en het denkbeeld, dat elke schrede, die ik nu deed, mij dichter bij de mijnen bracht, nam weldra mijn geest zodanig in, dat het alle andere, ook dat van mijn laatste avonturen, ten eenenmale verdrong.

O! wie kan naar eisch dien stroom van gewaarwordingen beschrijven, die ons overstelpt, wanneer wij, na een lange afwezendheid, het ouderlijk huis weder naderen, en de oogenblikken tellen, die ons nog scheiden van hen, die ons dierbaar zijn. Welk een vreemde mengeling van blijdschap, van hoop, van angstvalligheid, van geluk, van vrees, komen ons gemoed vervullen!—Welk een aantal verwarde en verschillende vragen stellen zich aan onze verbeelding voor!—Zullen al de leden van het huisgezin gezond en bij elkander zijn?—Zal er geen lastig bezoek wezen van onverschillige derden, wier tegenwoordigheid die zoete stonden des wederziens belemmert en ons het warme gevoel des harten dwingt te smoren?—Heeft men wellicht juist dezen dag tot een pleiziertocht uitgekozen? of is men om een andere reden afwezig, zoodat wij bij onze terugkomst slechts ledige en verlatene kamers, en niemand vinden om aan het hart te drukken?—Leven de oude dienstboden nog, waaraan wij van kindsbeen af gewend waren, of zullen wij op ons aanschellen deze of gene onbekende neepmuts zien verschijnen, die, alleen de bovendeur openende, en met een verbaasd gelaat de ontroering bespeurende, die op het onze te lezen is, ons begroet met de ijskoude vraag: "wat is er van je dienst, Sinjeur?"—Zal het huisraad nog in elk vertrek dezelfde plaats bekleeden, waar het vroeger stond, en waar het, naar ons begrip, behoort te zijn gebleven? Zullen de kamers zelve dezelfde bestemming bewaard hebben?—Ach! wij herinneren ons alles, zooals het zich bij ons vertrek bevond, en wij weten, dat elke verandering, die wij vinden zullen, ook die ten goede is aangebracht, ons een gevoel van leedwezen zal doen ondervinden.

Ook in mijn geest speelden en verdrongen zich al die vragen, terwijl ik met haastige schreden mijn weg langs den Binnen-Amstel vervolgde. Nu bereikte ik de Erwtenmarkt, de Doodkistemakersgracht: ik zag den Regulierstoren voor mij; deze was een herkenningspunt; want men kon hem evenzeer zien van het huis mijns vaders:—ik kwam op den Singel: in het hoekhuis woonde nog dezelfde bakker, waar ik als knaap gewoon was drieduitskorstjes te koopen, en de bakkerin zat nog op haar oude plaats achter de toonbank: ik knikte haar goeden dag;—maar ik wachtte niet af, of zij mij herkende: ik had den gevel van mijns vaders huis gezien: en ik verdubbelde mijn tred. Eenige onzer buren zaten voor het raam: ik groette hen met dien blijden blik, die te kennen geeft: "ja, ik ben het wèl; kijkt maar goed: het is Ferdinand, die te huis komt:"—ik snelde de stoep op en het was mij, of mijn voetzolen minder luid op de blauwe zerken klonken dan het hart mij in de borst bonsde: ik keek in de zijkamer:—ja waarlijk! daar zat mijn moeder met mijn oudste zuster, beiden op de gewone plaats:—het was mij, als werden mijn oogen beneveld: en terwijl ik met de eene hand tegen het raam tikte, trok ik met de andere aan de schel alsof het huis in brand stond.

Mijn goede moeder, die wat bijziende was, had mij niet herkend; en Suzanna zat met den rug naar mij toe. Ik had haar wel zien oprijzen; doch zij kwam niet aan het raam dan op hetzelfde oogenblik, waarin ik de voordeur intrad. En het was geen nieuw aangezicht, het was wel degelijk onze getrouwe Aagt de werkmeid, die voor mij; stond, en die onder den uitroep: "wel is het mogelijk!" mij om den hals viel: "goeden morgen Aagt!" zeide ik, haar omhelzing beantwoordende: "is alles wel?"

Maar zij dacht er niet aan om mij te antwoorden: zij had mij reeds weder losgelaten, en riep nu, terwijl de tranen langs haar dorre wangen liepen, met luider stemme: "Mevrouw! Juffrouw! daar is de jonge Heer Ferdinand!"—En tegelijkertijd bijna vloog de deur der zijkamer open, en drukte ik mijn lieve moeder en zuster aan het hart: en toen was hetklos! klos! klos!—trip, trap, tripvan alle zijden: en kwamen mijn jonger broeders en zusters van boven en de overige dienstboden van beneden de trappen af- en opgestormd: en het was een gedruisch, en een gekus, en een gelach, en een geween en een gevraag, en een geroep door elkaar, dat hooren en zien er bij vergingen. Eenige oogenblikken later zat ik in de zijkamer naast mijn moeder, die mijn handen tusschen de hare geklemd, en uit wier vriendelijke, hemelsblauwe oogen, nu en dan een traan langs het zachte, engelachtige gelaat nedervloeide: terwijl al haar overige kinderen in een blijden kring om ons heen stonden.

"Wij hadden u zoo spoedig niet verwacht, Ferdinand!" zeide Suzanna: (want moeder en ik waren bijna niet in staat een woord te spreken) "ik mag niet beginnen met te knorren:—maar ik dacht, dat gij in Westfalen verliefd waart geworden en met deze of gene moeffrikaansche pottedeern zoudt terugkomen, daar wij in veertien dagen geen tijding van u hadden."

"Hoe!" zeide ik: "ik verklaar u, dat ik geen zes dagen geleden uit Munster geschreven heb: dan is de brief verloren geraakt."

"Licht mogelijk," zeide zij: "men gebruikt tegenwoordig, hoor ik, enkel slakken en schildpadden tot postboden:—nu, in allen gevalle zijt gijzelf ons nog welkomer dan een brief en spaart het mij de moeite, uw hanepooten te ontcijferen."

"Pas op, Santje!" hernam ik: "ik weet van goeder hand dat gij mijn brieven zoo laag niet schat en die zelfs aan uw vriendinnen lezen laat."

"Hoe weet je dat!" zeide zij, een weinig rood wordende: "Qui te l'a dit? Zeker heeft papa u dat geschreven."

"Neen! dat heeft papa mij niet geschreven: maar dat weet ik toch van zeer goeder hand:—pas maar op! ik zal u daarover onder vier oogen de les eens lezen; en dan zult gij er niet gemakkelijk afkomen."

"Zie toch eens, mama!" zeide Santje, terwijl moeder tusschen haar tranen om ons harrewarren lachte; "wat is het reizen toch een heerlijk ding, om jongelieden te vormen. Daar verbeeldt zich Ferdinand nu, omdat hij eenige landen en steden bezocht heeft en misschien niets anders geleerd heeft dan te liegen als een courant, dat hij mijne plak ontwassen is en durft zich een meesterachtigen toon aanmatigen tegen zijn oudste zuster. Neen mannetje!" vervolgde zij, mij met den vinger dreigende: "ik zie wel dat het hoog tijd is, dat gij te huis komt en u weder ondersubordinatiebegeeft. Dat komt er van, wanneer die heertjes zoo lang hun eigen meesters geweest zijn."

"Kinderen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij zijt waarachtig nog altijd dezelfde. Gij ziet elkander eerst sedert een paar minuten terug, en het oude geplaag is weder aan den gang,"

"Wel! lieve moeder!" zeide ik, haar nogmaals omhelzende: "ik hoop waarlijk wel dat gij mij niet veranderd vinden zult."

"Hoe verwaand!" zeide Suzanna: "net alsof de jonge Heer volmaakt was, toen hij heenging. O hemel! wat zal ik daar nog aan te ontbolsteren hebben:—maar zeg mij? Wat zal Mijnheer na de reis gebruiken? Zal ik wat koffie zetten of verkiest gij een glaasje wijn? En hoe staat het met den eetlust? Is die nog zoogoed als voor vijf jaren? Dan kan ik mijn vingers weder lam maken van het boterhammen snijden; of lust u wellicht onzen Hollandschen kost niet meer?"

"Wel foei!" zeide ik: "zou mij een boterham niet smaken, met echte Delftsche boter en Beemster kaas?—En dat nog wel door mijn zuster bereid!"

"Dat is wel gezegd, Ferdinand! En nu begin ik nogal hoop op u te voeden. Maar kom! gij vertelt ons niets:—hoe hebt gij uw reisgenoot gelaten? en waar komt gij nu het laatst vandaan?"

"Dat zijn te veel vragen opeens," zeide ik, het tijdstip, waarop ik met mijn leugens zou moeten beginnen, zoolang mogelijk wenschende te verschuiven.

"Neen Santje!" viel mijn moeder in, mij zonder het te weten uit de verlegenheid helpende: "eerst moet de goede jongen wat te eten hebben: ofschoon ik u niet raad veel te gebruiken; want uw zuster en ik gaan naar de avondkerk en wij eten vroeg vandaag."

"Wel dat treft nu óók!" zeide ik: "zóó ben ik te huis, en zóó laat gij beiden mij weer alleen. Dat gij nu juist in de weekbeurt gaan moet? kan die kerkgang niet tot aanstaanden Zondag uitgesteld worden?"

"Had ik geweten, lieve jongen! dat gij heden thuis zoudt komen," antwoordde mijn moeder, "dan was ik liever gisteravond gegaan; maar het is nu eens zoo geschikt en uw tante Letje rekent er op, dat wij haar komen afhalen. Gij zult misschien wel met ons mede willen gaan, nietwaar? want het zal u ook aangenaam zijn, weder in een Hollandsche kerk te komen en den goeden God voor uw behoudene terugkomst te danken."

"Waarlijk ja, Ferdinandje!" zeide Suzanna: "dat moogt ge wel doen; want ik vrees dat gij wel een vrome toespraak noodig zult hebben, en dat het hoognoodig zal zijn, dat gij den catechismus weder eens opvat; gij hebt mooi tijd gehad om dien te verleeren."

"Wees maar gerust," hernam ik: wij zullen morgen eens zien, wie van ons beiden het best zijn vraagboekje in 't geheugen heeft."

Gedurende het laatste gedeelte van dit gesprek, hadden mijn moeder en Suzanna eenig ontbijt uit de kast gekregen en mij voorgezet. Terwijl ik bezig was, daarvan te nuttigen, met dien smaak, welken men na een lange afwezigheid ook aan de eenvoudigste vaderlandsche spijze vindt, en intusschen de menigvuldige vragen beantwoordde, mij door het jongere deel der familie gedaan, kwam mijn bagage te huis: en nu stoven allen, meisjes zoowel als knapen, naar het voorhuis, om de dienstboden te helpen in het naar boven slepen mijner koffers. Ik wilde mij insgelijks daarmede bemoeien; doch Suzanna weerhield mij.

"Wees maar bedaard," zeide zij: "gij zijt van daag de held van 't stuk en moogt geen hand uitsteken. Wij zullen wel oppassen, dat alles voorzichtig de trappen opga, zonder dat er iets breke van al de kostbare kristalwerken en fraaie porseleinen, die gij ons ten geschenke medebrengt, en zonder dat de keurige stoffage beschadigd worde, welke gij mij vereeren wilt om een danskleed van te maken.... Tusschen twee haakjes, ik hoop, dat gij nog eenige nieuwe rokken en vesten voor u zelven hebt liggen in een van die koffers; want zoo dat smerige pakje, 't geen gij nu aanhebt, uw eenige gewaad is, mogen wij wel terstond naar den kleêrmaker sturen en u, zoolang hij bezig is, achter slot houden; want een vreemde zou schrikken, zoo hij u zag."

Ik begon te lachen en keek op de huisklok; want het moest, dacht mij, haast de tijd wezen, dat mijn vader te huis kwam; en ik brandde van verlangen om hem te omhelzen. Men begrijpt, dat ik terstond bij mijn komst naar hem gevraagd had. Het antwoord was geweest, dat hij zich welvarend, en, als naar gewoonte, op het stadhuis bevond.

Het leed ook niet lang, of ik zag den waardigen man de stoep opkomen en aanschellen. "Wacht!" riep Suzanna: "blijf gij hier! wij moeten even een grap hebben met vader," en zij snelde naar de voordeur, die zij opende.

"Goeden dag, Santje," hoorde ik mijn vader zeggen.

"Goeden dag, papa! Wat ziet UEd. er bedrukt uit. Is er iets gebeurd?"

"Neen, kind!" was het antwoord: "maar zeg mij, is er nog geen brief van Ferdinand?"

"Neen, papa! die loopt zeker in Twente de ganzen na om een pen te krijgen."

"'t Is onbegrijpelijk," hernam mijn vader, terwijl hij, gelijk Suzanna mij naderhand vertelde, bedenkelijk het hoofd schudde en met een angstigen blik opwaarts zag.

"Maar kom toch hier, lieve Willem!" riep mijn moeder, die het niet langer uit kon houden: "hier is veel beter dan een brief."

"Vader! beste vader!" riep ik, den braven man tegensnellende en hem omarmende.

"Zoo! zijt gij er dan toch?" zeide hij, mij met hartelijkheid aan zijn borst drukkende: "laat mij u eens aanzien," vervolgde hij, mij zachtjes van zich verwijderende en aandachtig met zijn doordringende blikken beschouwende: "gij ziet er wat verhit en vermoeid van de reis uit," hervatte hij, na een korte stilte, op een langzamen toon: "maar anders voldoet mij uw uitzicht wel en gij brengt mij terug hetgeen gij bij uw vertrek bezat:mentem sanam in corpore sano. Gij hebt ons zeker willen verrassen en ons daarom niet geschreven, wanneer gij te huis dacht te zijn. Maar gij hadt waarschijnlijk vergeten dat uw vader Hoofdschout was, en dat ik op mijn avondrapport van gisteren de tijding hebben zoude, dat men u dien ochtend te Soest gezien had. Ik had u gisteravond reeds hier verwacht."

"Waart gij daarom gisteravond en heden aan het ontbijt zoo stil en afgetrokken?" vroeg mijn moeder: "en waarom hier niets van gezegd?"

"Ik wilde geen van u allen ongerust maken," antwoordde mijn vader: "maar zoo ik Ferdinand thans niet gevonden had, zou ik onmiddellijk een koerier naar Naarden gezonden hebben; want dan had ik gedacht, dat er een ongeluk had plaats gehad,—Gij hebt ongetwijfeld te Naarden gelogeerd, Ferdinand?"

Ik zat op heete kolen; want ik begreep, dat nu de ondervragingen zouden beginnen, en ik begon de moeilijkheid al te gevoelen van een verhoor, afgenomen door een vader, dien men niet misleiden wil, en een Hoofdschout, dien men niet licht misleiden kan. De woorden, die mijn vader tot mijn moeder gericht had, hadden mij ondertusschen den tijd gegeven om mij te herstellen: mijn antwoord luidde eenigszins ontwijkend:

"Ik ben door het slechte weer verhinderd geweest hier gisteren reeds te zijn, lieve vader! Het heeft hard geregend aan gene zijde van Naarden. Hebt gij hier geen bui gehad?—Ik heb onderweg moeten schuilen en ben nu met de eerste schuit van Naarden gekomen."

Er was niets anders dan volkomen waarheid in hetgeen ik zeide, en toch kromp mij het hart, alsof ik een samenweefsel van logens verteld had. Mijn vader nam echter volkomen genoegen met deze opheldering.

"'t Is juist zooals ik dacht," zeide hij: "ja, wij hebben hier ook wel wat regen gehad; maar toch niet zoo erg:—dan, naar ik hoor, moet de bui in Gooiland veel schade hebben gedaan:—nu, gij zult ons van dezen middag alles wel wat meer omstandig verhalen."

"Ja!" voegde mijn goede moeder er bij: "gij zult nu ook wel verlangen u wat op te frisschen. Kom! wil ik u eens naar uw kamer brengen?"

"Wil ik hem den weg niet wijzen, mama?" vroeg Suzanna: "ik zal hem op geen doolpad brengen."—"Of ik!—of ik!" riepen Letje en Keetje.

"Neen! neen!" zeide moeder, het hoofd schuddende: "gij ijdeltuiten kunt naar uwe kamers gaan en u kleeden om bijtijds klaar te zijn voor den eten. Ik zal mijn jongen te recht helpen: 't is lang geleden, dat hij niet door moeder is naar boven gebracht, nietwaar Ferdinand?"

Ik voelde, dat mijn oogen vochtig werden; en, de lieve vrouw onder den arm nemende, ging ik met haar de trappen op.

"Hoe, mama!" vroeg ik, toen zij mij binnenleidde in een ruim en luchtig vertrek, dat te voren tot logeervertrek had gediend voor zoodanige bekenden van buiten, als ons nu en dan bezochten: "is deze fraaie kamer voor mij alleen?"

"Ja Ferdinand," antwoordde zij, terwijl haar trekken het genoegen aantoonden, dat haar mijne vreugde over deze schikking verschafte: "mij dacht, gij waart nu oud genoeg om een kamer voor n zelven te hebben, waar gij onverhinderd kunt werken, en nu en dan dezen of genen ontvangen. Maar mij dunkt, de meiden hadden, nu gij eens hier zijt, de ramen wel kunnen sluiten." Dit zeggende, maakte de zorgvuldige moeder die zelve toe, keek vervolgens het beddegoed na, de waschtafel en het linnenkabinet, om te zien of er ook iets ontbrak, en wreef met haar zakdoek de bijna onzichtbare stofdeeltjes weg, die zich op het spiegelglas of op de gladde tafel bevonden.

"Waarlijk, mama!" zeide ik, diep getroffen over de blijken van haar zorgvolle liefde: "al de vrienden, die mij bezoeken, zullen mij deze kamer benijden, en vooral de lieve moeder, die ze voor mij in orde bracht."

"Ik ben blijde, dat zij u gevalt," zeide mijn moeder: "maar zeg mij eens, Ferdinand!" vervolgde zij, mij naderende, en met mijn lokken spelende: "hebt gij, toen gij op reis waart, wel eens gedacht aan de laatste belofte, die gij mij deedt op den avond voor uw vertrek?—Hebt gij nooit iets volbracht, dat gij u schamen zoudt mij te vertellen?"

"O! geloof mij," antwoordde ik, haar omhelzende: "altijd is mij de gedachte voor den geest gebleven: ik mag een zoo goede moeder als de mijne in niets bedroeven."

"Beste jongen!" hernam zij: "het besef der vreugde, die gij mij thans doet smaken, moet u zoeter genot schenken dan eene van die genietingen, welke gij om mijnentwille hebt opgeofferd, u had kannen aanbieden. O! wat zal het mij zalig zijn hedenavond mijn Schepper te danken, dat Hij u wedergebracht heeft, zoo rein en zoogoed als toen gij mij verliet.

En wederom rustten hare blikken, die niets dan liefde en teederheid ademden, op mij en speelde er een hemelsche glimlach tusschen de tranen die haar ontrolden. Een geruimen tijd bleven wij beiden, in stilte en zonder te spreken, de zaligheid genieten, die onze harten doorstroomde. O! dacht ik bij mijzelven, had die goede moeder gisteren kunnen weten welk gevaar zij geloopen heeft, dien zoon, dien zij zoo liefheeft, te verliezen, haar moederhart had die angsten niet doorgestaan!

Het schijnt den mensch ingeschapen, zich, zoodra de eerste opwelling voorbij is, ook voor de beminnelijkste zwakheden te schamen. Mijn moeder liet mijn hand los en veegde de oogen af.

"Kom!" zeide zij: "wij zijn kinderachtig:—maar zeg mij, Ferdinand, is al die bagage van u? En zijn al deze koffers vol? dat goed zal weder gepakt zijn, gelijk de Heeren dat gewoonlijk doen, alles door en op elkander gesmeten, zonder te passen of te schikken. Ik wed, dat ik wel kans zou gevonden hebben, met de helft dier koffers toe te komen."

"Wel mama! nu maakt gij het al te grof," zeide ik: "denkt gij dat ik gedurende mijn reizen geen pakken geleerd heb? Neen voorwaar, die beschuldiging is onverdiend. Maar ik heb onderweg mijn bagage niet weinig zien vermeerderen: en wanneer men bedenkt, dat ik geen klein getal broeders en zusters heb, die allen een geschenk verwachtende waren, zal het u niet verwonderen, dat ik mij in de noodzakelijkheid heb bevonden, de middelen van vervoer eenigszins te vermeerderen."

"Nu, wij zullen eens zien wat het geeft," zeide mijn moeder: "ik zal u niet langer ophouden: kleed u maar aan, en zoo gij iets noodig hebt, moet gij maar schellen."

Met deze woorden verliet mij de goede vrouw en bleef ik alleen in het bezit van mijn prachtig vertrek. Ik kon echter niet terstond voldoen aan haar laatste verzoek: mijn gemoed was vol: ik zonk half in een leunstoel neder en stortte mijn ziel uit in vurige dankgebeden tot Hem, die mij den zegen had doen smaken, van hereenigd te worden met al die panden, welke mij zoo dierbaar waren. Na het volbrengen dezer behoefte van mijn hart, rees ik op, haastte mij, al wat ik aan het lijf had af te leggen en met een gevoel van walging in een hoek te smijten, en schoone kleederen en linnengoed uit mijn koffer te krijgen: ja een gevoel van verkwikking en wellust vervulde mij, toen ik, nu van top tot teen in een nieuwen dos gestoken, mij met welgevallen in den spiegel beschouwde. Er ontbrak nog wel is waar een pruik om mijn toilet te volmaken; maar dewijl het weldra etenstijd zou wezen, en, ook, al ware de kapper bij de hand geweest, de plechtigheid van het haarsnijden en het passen van een nieuw hoofdtooisel te lang zoude hebben aangehouden, begreep ik die gevoeglijk tot den volgenden morgen te kunnen uitstellen. Ik haastte mij naar beneden en zat weldra met de mijnen op mijn oude plaats, tusschen moeder en Santje aan het middagmaal: waar ik van vragen bestormd werd door het jongere deel van het huisgezin, zoodat mijn vader meer dan eens stilte moest gebieden, en mijn moeder de kinderen beknorren en hun verzoeken, mij toch te laten uitblazen en in vrede mijn eten nuttigen.

Daar mijn moeder en zuster, gelijk ik reeds gezegd heb, voornemens waren naar de kerk te gaan, liep het middagmaal nog al haastig af: 't geen mij niet speet; want ik was weinig tot praten gestemd en begon de gevolgen der vermoeienissen van den vorigen dag te ondervinden, en wel op een zoo blijkbare wijze, dat ik dienaangaande het verwijt van mijn zuster Suzanna moest ondergaan.

"Wat maakt het reizen de jonge lieden toch wellevend," zeide zij: "is het te Weenen of te Genua dat gij zoo hebt leeren gapen?—Ik dacht zoo meteen, dat de geheele soepterrine er aan moest gelooven. Gij kunt u gerust bij den drogist op het Rokin verhuren, indien hij zijn gaper verliest. Dominee Best krijgt een beroerte op 't lijf als hij u ziet."

"Ik geloof, dat ik hem niet in de gelegenheid zal stellen," zeide ik: "ik ga niet naar de kerk om te slapen: en ik ben overtuigd, dat mij hedenavond de Apostel Paulus zelf niet wakker zoude houden."

"Neen waarlijk, gij ziet bleek van de vaak," zeide mijn moeder, eenigszins ongerust: "vindt gij ook niet, schat!" (zich tot mijn vader wendende) "dat Ferdinand er, sedert hij aan tafel is gekomen, niet best uitziet."

"Dat is zeer natuurlijk," zeide Suzanna: "straks was zijn gezicht beter dan zijn gewaad, en nu is het omgekeerd."

"Ik geloof ook," zeide mijn vader, "dat hij maar wijzer zal handelen met te huis te blijven en wat rust te nemen. Hij zal vermoeid zijn, en daar is niets vreemds in:


Back to IndexNext