dans quel piège as-tu conduit mes pas?"
dans quel piège as-tu conduit mes pas?"
"Het schijnt," zeide Tante, met reden eenigszins gevoelig over de handelwijze van Lodewijk, "het schijnt, dat Mijnheer Blaek weinig gewend is dames aan boord te hebben."
"Ja Mevrouw!" vervolgde Lodewijk, eenigszins verlegen: "tegen 't weer kan niemand; en wie had zich op zulk een onvoorzienen en geweldigen storm kunnen verwachten?—Al had ik niet met dien boeier om 't hardst gezeild, wij waren toch niet vrijgekomen."
"Mocht de drommel!" zeide Klaas, wiens zeemansrondheid deze logenachtige verontschuldiging niet verdragen kon: "Jan Pergens lag warm en wel binnen Muiden, toen het zware weer begon: en dat hadden wij ook kunnen doen."
"Wat reutel je Klaas?" zeide Lodewijk, zich omkeerende, op een barschen toon: "bemoei je met je werk en niet met ons discours, of je krijgt je paspoort op staanden voet."
"Mijn paspoort!" herhaalde Klaas, zich ter zijde begevende: "hm! er zal op 't jacht in de eerste weken toch niet veul te verdienen vallen."
"Nu Mijnheer Blaek!" zeide Tante: "gedane zaken hebben geen keer, en het beste is, dat wij alle verwijtingen maar daarlaten."
"Te meer," zeide Henriëtte, "daar Lodewijk al genoeg gestraft is: want hij zal zijn jacht ook niet even gemakkelijk aan de overzijde van den dijk krijgen als het aan deze zijde gekomen is."
"Neen!" zeide Reynhove: "tenzij er een aardbeving kome, die het weder teruglanceert."
"Ja!" bromde Lodewijk: "jelui hebt goed spotten. Hoe ik het hier vandaan krijg, weet Joost."
"Mij dunkt," zeide ik: "wij moesten liever zien, hoe wij zelf hier vandaan komen. Op wat hoogte zijn wij zoowat?"
"Wij zullen een heel eind beoosten Muiden zijn," zeide Lodewijk: "wij konden verd.... nergens ongelukkiger te land komen: wij zijn een half uur van alle bewoonde plaatsen af: en het wordt zoo donker, dat men niet zien kan welken weg men op moet."
"Dat is zeker ongelukkig," zeide ik: "maar wij kunnen toch niet hier blijven: en ik geloof zelfs, dat eenige beweging goed zal doen aan de dames en de slechte gevolgen voorkomen, die koude en nattigheid teweegbrengen."
"Ik zal gaarne de dames accompagneeren," zeide Reynhove: "maar ik moet alleen remarqueeren, dat het in de kajuit droog is, en dat zij buiten geëxponeerd worden om nog meer doornat te worden."
"Ja dat mag zoo zijn," zeide Henriëtte: "maar ik voor mij zal van harte gaarne loopen:—indien echter Mevrouw Van Bempden het afkeurt...."
"Ik doe alles liever, dan langer in dit noodlottige jacht te blijven," zeide Tante: "Kom! terstond maar opgewandeld! Wij zullen toch wel ergens te land komen."
"Vergezelt gij ons?" vroeg ik aan Lodewijk, "of blijft gij aan boord?"
"Ik heb altijd gehoord," zeide Lodewijk, "dat de kapitein het laatst aan boord moet blijven; maar zoo gijlieden ergens aankomt, stuur mij dan in 's hemels naam wat vertrouwd volk, om hier den boel te bewaken."
"Ik zou u gaarne van dienst zijn," zeide ik: "maar gij gevoelt, dat ik de dames niet verlaten kan."
"En ik evenmin," zeide Reynhove: "eerst moeten de dames enlieu de suretézijn: zij hebben waarlijk bij nacht niet te veel aan de assistentie van ons beiden: en zoo gij ons Klaas met de lantaren wildet medegeven, ware zulks, geloof ik, niet te veel geëxigeerd."
"En wie zal mij dan volk gaan halen en hier brengen?"
"Wel, stuur Weinstübe op kondschap uit," zeide Reynhove: "maar dat is waar ook:où diantre est-il?"
"Ja! waar is Weinstübe?" riepen wij allen, onszelven het verwijt doende, dat wij hem niet eerder gemist hadden.
"De hemel beware ons!" zeide Tante: "ik hoop niet dat hij overboord is gevallen!"
Weinstübe werd overal gezocht: doch vruchteloos: nergens, noch in de kajuit, noch in 't vooronder was hij te ontdekken. Sommige onder ons meenden zich te herinneren, dat zij hem, een oogenblik voordat wij over den dijk geraakten, nog aan de voorplecht hadden zien staan: en wij konden niet nalaten de gevolgtrekking op te maken, dat hij te dier gelegenheid over boord was geslagen en zijn dood in de golven gevonden had. Hoe gek en lastig de vent ook ware, het was toch een schrikkelijke gedachte, onzen reisgenoot verloren te hebben door een zoo noodlottig toeval, hetwelk evenzeer elk onzer had kunnen treffen. Er was echter niets aan te herstellen: en deze gebeurtenis versterkte zelfs de begeerte der dames om hoe eerder hoe beter het tooneel van zooveel treurigs te verlaten. Ten einde zij echter een geschikte plaats zouden vinden om af te stappen, liet ik mij overboord glijden en zocht nu welke plek de droogste ware en tevens de naastgelegene om den weg te bereiken, die beneden langs den dok liep. Nauwelijks echter had ik een oogenblik rondgeloopen, of ik hoorde een flauwe stem kort bij mij, die erbarmelijke klaagtonen aanhief, welke ons de wind en de regen tot nog toe waarschijnlijk hadden belet te hooren.
"Wie is daar?" riep ik, zonder in de duisternis eenig voorwerp te kunnen onderscheiden: "Klaas! licht eens bij. Hier in de buurt is iemand, die angstig kermt."
"God beware ons!" riep Klaas, die niet geheel vrij was van bijgeloovige denkbeelden: "als het de geest maar niet is van dien armen mof."
"Om 't even!" zeide ik: "wij moeten het toch onderzoeken."
Klaas vatte echter moed en, met een brandende lantaren gewapend, liet hij zich naast mij afzakken. Wij vernamen nu nog duidelijker het gesteen en een flauwe stem liet deze woorden kort bij ons hooren:
"Ach lieber Gott! zum hulfe! Iek pin todt."
"'t Is wel Weinstübe zelf en niet zijn geest," zeide ik, op het geluid afgaande: en weldra ontdekten wij, met behulp der lantaren, den armen Duitscher in eigen persoon, die ongeveer tien passen van het vaartuig af tot aan den hals toe in een moddersloot was gezakt en ontwijfelbaar gestikt ware bij gebrek aan spoedige hulp. Hoe hij daar kwam was ons een raadsel; maar dewijl het niet te vergen was, dat hij ons in zijn tegenwoordigen toestand daarvan de oplossing geven zoude, staken wij hem een roeispaan toe en trokken wij hem uit de sloot, waaruit hij deerlijk toegetakeld voor den dag kwam en nu aan den kant te beven stond als een juffershondje, buiten staat om eenig antwoord te geven. Wij raadden hem, zoo het hem zijn krachten toelieten, met ons mede te gaan en zich warm te loopen, daar er toch aan boord geen gelegenheid was, om hem van andere kleederen te voorzien.
Nu werd de trap uitgezet op de geschikst bevondene plaats: en de dames verlieten het vaartuig; waarna wij Lodewijk, hoezeer tegen zijn zin, alleenlatende, ons gezamenlijk op weg begaven, vooruitgelicht door Klaas, die in de eene hand de lantaren droeg, en in de andere een roeispaan om den grond te polsen en te zorgen, dat wij niet van den weg afdwaalden. Na hem volgden Henriëtte en Suzanna: dan ik, Tante geleidende: en vervolgens Reynhove met een tweede lantaren: terwijl Weinstübe hompelend en strompelend zich achterna sleepte. Het was geen gemakkelijk noch aangenaam werk, alzoo door de modder te ploeteren, ofschoon de wind tot ons geluk merkelijk verminderd was en de dijk ons eenigszins beschutte; maar het was stikdonker; terwijl een fijne regen den grond zoowel als onze kleederen doorweekte.
Wij hadden ongeveer een kwartieruurs voortgesukkeld, en ik bemerkte, dat Tante, hoe goed zij zich ook poogde te houden, hoe langer hoe minder in staat was om voort te gaan en al zwaarder op mijn arm leunde. Zij was uitgeput van angst en vermoeidheid en liep slechts werktuiglijk voort. Eindelijk bleef zij geheel staan met den uitroep: "o wee! daar verlies ik mijn schoen!"
"Hou op!" riep ik, tot hen die voor mij waren:—en de trein stond stil.
"Tante is haar schoen kwijt," zeide ik: "waarachtig, de weg is al te slecht. Is er hier geen woning in de nabijheid?"
"Als je nog een amerijtje geduld heit," zeide Klaas: "daar gunter aan den weg zie ik een lichtje."
"Is 't nog ver?" vroeg Tante: "ik kan waarachtig niet verder voort en ik zal u liever hier tegen den dijk blijven wachten."
"Dat zal ik nooit dulden," zeide ik: "'t ware om te besterven. Maar zoo de Heer Reynhove mij zijn rotting wil toesteken, zie ik wel kans om u voort te helpen."
Reynhove was dadelijk bereid en gaf zijn licht aan Weinstübe, waarop wij, ieder een einde van den rotting nemende, Tante verzochten daarop te gaan zitten en haar armen om onze schouders te slaan. Op deze geïmproviseerde draagbaar, die zeker niet van de gemakkelijkste was, droegen wij haar verder voort, niet zonder vrij wat te struikelen en dikwijls op te houden. Nog kan ik het mijzelf niet verklaren, hoe het mogelijk was, dat wij op den smallen weg, waar wij telkens tot de enkels toe inzakten en gedurig uitgleden of afweken, niet honderdmalen met onze vracht zijn omgerold: en ik beken, dat ik recht in mijn schik was, toen wij eindelijk voor een boerenhek stonden, hetwelk naar een boerderij geleidde, en dat ik het ongastvrij hondengeblaf met welgevallen begroette.
Nu hielden wij allen stil voor het geslotene hek, en Klaas, een stentorstem opzettende, begon uit al zijn macht te schreeuwen: "heidaar! boer! boer!"
Wij ontvingen echter op dit eerste geroep geen ander antwoord dan een nog gevaarlijker gehuil en gejank van de honden. Wij begonnen dus allen eenparig mede te schreeuwen, elk zijn best, en de honden des te harder te blaffen, alsof wij wedijverden, wie hei meeste leven kon maken: en het was een geweld, dat men op een uur afstands had kunnen hooren.
Eindelijk werd er een deur in de boerenwoning ontsloten en zagen wij licht door de opening schemeren. Wij zwegen allen, als door een gelijktijdig gevoel van hoop en verwachting overvallen,
"Wat wil jelui? Wat is er?" vroeg een stem.
"Schipbreukelingen!" riep de een. "Kunnen wij opkomen?" vroeg een ander. "Eilieve hoor eens!" schreeuwde een derde. "Goed volk!" riepen wij eindelijk, allen te gelijk.
De persoon, die in de deur stond en wiens donkeren omtrek alleen wij tegen den verlichten muur achter hem konden onderscheiden, deed geene beweging om te naderen en scheen besluiteloos. Toen verzocht ik mijn tochtgenooten wat stil te wezen, en, mijn stem verheffende: "kom eens hier, goede vriend!" riep ik: "gij kunt een goede fooi verdienen, zoo gij ons helpen wilt."
Het woord fooi maakte blijkbaar indruk: de persoon kwam naar buiten, en, ofschoon wij hem door de duisternis weder uit het oog verloren, hoorden wij aan het geklos zijner klompen, dat hij ons naderde. Maar toen hij, naar onze gissing, halverwegen den afstand tot het hek gekomen was, bemerkten wij, tot onze bittere teleurstelling, dat hij eensklaps met een vervaarlijken kreet terugkeerde en vrij wat sneller dan bij zijn aankomst den weg naar huis nam, en de deur achter zich toesmeet.
"Dat zal hem de duivel leeren," zeide Klaas: "wij motten er toch binnen."
"Kan dit hek niet geforceerd worden?" vroeg Reynhove.
Het hek was wel voorzien en de sloot te breed om er over te springen; maar bij onderzoek bemerkten wij, dat er kans was om op zijde van het hek om te klimmen en ik stelde voor aan Klaas, dit gezamenlijk te doen.
"Om Gods wil, doe het niet, Ferdinand!" zeide Tante: "zoo de honden u eens aanvielen."
"Geen nood Tante! zoo wij in Friesland waren, waar de honden altijd losloopen op de werf, dan zou ik weinig zin in de expeditie hebben; maar in dit gewest liggen zij meestal vast."
Dit zeggende, was ik reeds aan de andere zijde, en, door Klaas gevolgd, wandelde ik op het woonhuis aan; doch nauwelijks hadden wij eenige schreden gedaan, of het bleek ons, dat men van binnenshuis deze schennis van het grondgebied had bespeurd; want een raam werd opengeslagen en een hoofd kwam voor den dag.
"As jelui niet gauw maakt, dat je wegkomt," werd ons toegeschreeuwd, "zel ik er op losbranden, in dat geval!"
"Maar hoor dan toch eens!" riep ik: "wij zijn geen dieven: wij...."
Hier werd mijn rede op een zeer onaangename wijze afgebroken door het afgaan van een vuurroer, dat de man aan het venster in de hand hield. Gelukkig trof het schot geen van ons beiden; maar het baarde niettemin een grooten schrik bij ons gezelschap, dat een angstig gegil aanhief. Ik besloot echter nog eene poging te doen, en, mij achter een boom stellende, waar ik schootvrij meende te zijn, riep ik wederom:
"Wees toch voorzichtig. Het is Mevrouw Van Bempden van Heizicht, die aan het hek staat: en ik ben Huyck van Amsterdam."
"Wat zeg je?" hernam de stem van boven: "Mevrouw Van Bempden! scheer je ze wat? ja, in dat geval, wil ik ereis zeggen...."
"Ken je mij niet, Roggeveld!" riep ik; want ik herkende nu duidelijk de stem, die mij al in den beginne niet vreemd was voorgekomen: "ik ben Huyck! geloof mij toch: Mevrouw Van Bempden staat daar buiten."
"Wel, wie heit van zijn leven!" riep hij "verakskeseer mijn onbeleefdheid. Ik kom zoo bij je."
"'t Is warempel 'elukkig ook, dat de man je kent," zeide Klaas: "aêrs hadden wij nog werk 'ehad het hum aan zijn domme verstand te brengen."
Ondertusschen riep ik hun die buiten stonden toe, dat zij maar gerust zouden wezen en dat er hulp zoude komen opdagen. Niet lang duurde het ook of de voordeur ging weder open en Roggeveld trad te voorschijn en kwam naar ons toe, terwijl zijn vrouw, zijn knecht en een paar meiden nieuwsgierig aan de deur hieven staan.
"Wel wie heit van zijn leven!" herhaalde Roggeveld, naar ons toekomende, "ik heb jelui ummers niet 'eraekt?—Nou! 't was maer los kruit, wil ik ereis zeggen; maer ik dacht niet aêrs, of het dieven waren, in dat geval."
"Dat had uw knecht wel anders kunnen gewaarworden, indien hij niet was gaan loopen."
"Jae! Kees dacht, 'et waren spoeken: en jelui ziet er ook al pover uit, hoor."
Ik kon den man geen ongelijk geven; want op den afstand, waarop wij ons bevonden, leverden zij, die buiten stonden, vooral de dames, die, zooals ik vroeger verhaald heb, tafellakens hadden omgeslagen, bij het twijfelachtige licht der lantaren een vrij kluchtige vertooning op, en de schrik van Kees kwam mij vrij natuurlijk en verschoonhaar voor.
Het hek werd ontsloten, en terwijl wij ons ongeval in korte bewoordingen aan Roggeveld mededeelden, bracht deze ons naar zijn woning. Ik laat aan mijn lezers over zich de uitroepen voor te stellen van: "wel kijk ereis: Heere bewaar ons! lieve tijd! wel jemenie! wie heit zoo iets meer beleefd!" en diergelijke, die het Roggeveldsche gezin deed hooren bij het vernemen dezer wederwaardigheden.
"Nou vraag ik je reis," zeide de vrouw van den huize, terwijl zij haar best deed om een goed vuur aan den gang te krijgen, "wat of die rijke lui zich al in gevaar begeven, en op zee gaan uit plezier, wanneer zij warm en wel te huis kunnen zitten."
Intusschen werd de breede raad gespannen, wat er te doen stond. Ik stelde voor, dat, indien Roggeveld de noodige ligging bezorgen kon, de dames zich hoe eerder hoe beter te bedde zouden begeven, terwijl wij Heeren den nacht bij het vuur zouden doorbrengen. Tante had niets in te brengen tegen het eerste gedeelte van mijn voorstel; maar vroeg of er intusschen niet iemand zoude kunnen gaan naar Heizicht of naar de hoeve van de oude Martha, om haar rijtuig te zoeken en te zeggen dat men haar afhalen kwam.
"O!" zeide ik, "er valt nog veel bovendien te beredderen: maak maar eerst, dat gij in bed komt: dat is nu het voornaamste."
De dames begrepen, dat dit inderdaad de verkieslijkste partij was en verwijderden zich met de vrouw en de dochters van den huize: terwijl wij ons, zoodra het vuur goed brandde, om den haard sloten en op Engelsche wijze, naar een recept van Reynhove, die er zich goed op verstond, van brandewijn, water en suiker ons een verwarmenden drank bereidden, terwijl wij ons langzamerhand van schoenen en bovenkleederen ontdeden en die op de warme plaat voor het vuur lieten drogen.
"Nu hebt gij ons nog niet verhaald, Weinstübe!" zeide Reynhove, toen wij een poos gezeten hadden, "hoe gij daar in die sloot zijt gearriveerd."
"Wat sol ich er lang ofer braten?" zeide Weinstübe: "ich stond an de foorblecht, und da kingen wir den dijk ober: und ich dacht zo, wir kingen nach de blitz: und ich fiel und ich hield mihr selbst an ein tauw fest: und die tauw schlingerde mit mir, und ich fiel pijten poord: und ich dacht das ich versaufen waar: aber nein: ich lag in 't gras. Und ich stund op und ich dacht: dat tijfelsche schip komt ofer mich hin, und so lief ich voraus, und ich sakte bis de oren in eine modderschloot und da lag ich zu sportelen, und zu dreien, und zu schreien; aber da waar niemand, die mihr achtte."
"Ik geloof inderdaad," zeide Reynhove, "dat uw positie verre van amusant was; maar laat u raden, Weinstübe, en vertel dat gedeelte uwer lotgevallen aan niemand over. Het is waarlijk al te vernederend, om, wanneer men zulk een schoone kans heeft geloopen in de open zee te verdrinken, slechts in een stinksloot te land te komen."
Terwijl Reynhove op deze wijze voortging met Weinstübe te plagen, wendde ik mij naar Roggeveld, en vernam of er ook gelegenheid ware, iemand, zoowel naar het gestrande vaartuig, als naar Oud-Naarden of 's-Gravenland te zenden: en op deze punten ingelicht zijnde, vroeg ik aan de beide Heeren, wat hunne verdere voornemens waren. Nadat ieder zijn meening en verlangen geuit had, werd alles dienovereenkomstig geregeld en bepaald, en ik wilde juist de vrouw van Roggeveld roepen om van het afgesprokene aan de dames kennis te geven, toen zij de keuken binnenkwam en mij berichtte dat Tante mij wenschte te spreken. Ik volgde haar naar een opkamertje met twee bedsteden: in de eene zag ik Tante zitten, die het nachtgewaad der boerin aan 't lijf had en bezig was een kandeeltje te drinken. Op de andere bedstede, waarvan de gordijnen waren dichtgeschoven, durfde ik slechts een zijdelingschen blik te slaan.
"Hoe bevindt gij u, Tante?" vroeg ik, mij tot haar begevende.
"Dat schikt wel," antwoordde zij: "en ik ben blijde, dat ik in bed lig. Maar hoor eens, Ferdinand! Ik vrees, dat men op Heizicht doodelijk ongerust zal wezen."
"Dat vrees ik ook, Tante!"
"En ik ben bang, dat men boodschappen naar Amsterdam en naar Guldenhof en de Hemel weet waar verder zal sturen, en overal alles in rep en roer brengen."
"Dat is niet onwaarschijnlijk."
"Ik wenschte daarom wel," vervolgde Tante, "dat Baas Roggeveld of iemand van zijnentwege kon gaan zeggen, dat wij ons allen wel bevinden."
"Ik ben bereid er heen te rijden," zeide ik.
"Neen! dat wil ik volstrekt niet: gij behoeft u niet op nieuw aan nattigheid en koude bloot te stellen."
"Laat dat aan mij over, lieve Tante! Gij zult toch niet langer verkiezen hier te blijven dan tot morgenochtend, en wel eenig schoon goed willen hebben, om behoorlijk gekleed te huis te komen."
"'t Is gelukkig juist Zaterdagavond," zeide de stem van Suzanna van uit de andere bedstede: en zij liet er een half gesmoord gelach op volgen, terwijl een ander stemmetje "st! stil!" fluisterde.
"Stil wat, meisjes!" zeide Tante: "wel foei!"
"Wilt gij eens weten, wat wij hebben afgesproken, onder uw welnemen," zeide ik: "Roggeveld zal zijn boerewagen inspannen, en daarmede zullen Reynhove, Weinstübe en ik naar Muiden vertrekken."
"Beau trio de baudets," mompelde Suzanna.
"De Heeren zullen van daar hun weg wel vinden naar Amsterdam: en ik den mijnen naar 's-Gravenland, vanwaar ik iemand naar de hoeve zal sturen, om te zien of uw rijtuig zich daar nog bevindt."
"Goed overlegd," zeide Tante.
"En wat Klaas betreft, die zal, met al wie hier in de buurt kan opgeloopen worden, naar zijn meester terugkeeren, ten einde hem de hulp te bewijzen, die hij noodig mocht hebben."
"'t Zou ook jammer zijn, dat zij den armen jongen wegstalen," zeide Suzanna.
"Nu! ik vind alles zeer goed geschikt," zeide Tante, "als gij dan maar met Kaatje de kamenier overlegt: die weet, wat ons gezonden moet worden."
"Dit zoo zijnde, wensch ik u een goeden nacht," hernam ik. Ik bleef echter nog een oogenblik staan, en vroeg met een bevende stem:
"Hebben de jonge dames ook nog iets te gelasten?"
Ik bekwam in het eerst geen antwoord; maar er was eenige beweging, en een dof gemompel achter de bedgordijnen. Ik stond zelf eenigszins verlegen, niet wetende of ik gaan of blijven zoude. Opeens vertoonde zich net hoofd van Suzanna tusschen de gordijnen door.
"Henriëtte vraagt, of gij niet een boodschap aan haar oom zoudt kunnen zenden, die anders in ongerustheid zou wezen over zijn lieve zoontje."
"Ik was bevreesd om onbescheiden te wezen," fluisterde het lieve stemmetje van Henriëtte: "maar UEd. zou mij zeer verplichten, Mijnheer Huyck, indien het in uw vermogen ware."
"Ik neem dit stellig op mij," zeide ik, mij buigende.
"En dan verder," vervolgde Suzanna, "verzoekt Henriëtte, dat gij aan Kaatje haar kapsel met rozeroode strikken vraagt, en haar kleed met de fontanges en haar zijden keurs, en haar Brusselsche schoenen en...."
"Ik verzoek om verschooning, Mijnheer Huyck," zeide Henriëtte: "ik heb niets van dat alles gezegd; zooals Kaatje 't schikt, is 't mij wel. Foei Santje...."
"Foei Santje!" zeide ik op mijne beurt: en het schelmachtige gelaat mijner zuster verdween weder achter de gordijnen;—waarop ik, de dames nogmaals een goede nachtrust wenschende, mij naar beneden begaf. Welhaast was nu de boerewagen ingespannen en schokten en hotsten wij naar Muiden, waar wij de halve stad in opschudding brachten. Ik zond eenig volk aan Lodewijk tot bewaking van het gestrande vaartuig, en een man te paard naar de hoeve van de oude Martha: ik nam afscheid van mijn reisgenooten, terwijl Reynhove op zich nam mijne familie te Amsterdam gerust te stellen, en, een fourgon nemende, reed ik naar 's-Gravenland, waar, als men denken kan, niemand te bed was gegaan. Ik deelde aan de kamenier de bevelen van Tante mede, schreef een briefje aan den Heer Blaek, om hem in korte woorden met de toedracht der zaken bekend te maken, en begaf mij vervolgens ter ruste. Ofschoon het gebeurde van den avond wel geschikt was geweest, om mijn ziel te ontstemmen, en mij, in het begin, de beeltenis van de verbolgen zee en het geteisterde vaartuig en daartusschen dat van de beminnelijke Henriëtte gedurig voor de oogen speelden, en hare liefdevolle woorden mij tusschen het geruisch der golven en het gegier der winden in de ooren suisden, zoo zegevierde toch eindelijk de vermoeidheid over deze kinderen van het brein en viel ik in een diepen slaap, waaruit ik niet eerder ontwaakte, dat toen de bediende mij kwam waarschuwen, dat het rijtuig van Heizicht teruggekomen en weder met versche paarden bespannen was. Ik kleedde mij spoedig aan, ging naar beneden, en vond de kamenier reeds met een half dozijn doozen, gereed om mij te vergezellen. Wij begaven ons terstond op weg naar de boerderij van Roggeveld: van waar de dames, na een haastig toilet, met ons terugkeerden. Alle drie waren naar tijdsomstandigheden vrij welvarende, alleen Tante klaagde over hoofdpijn, en ging dus, zoodra zij op Heizicht kwam, weder naar bed; terwijl wij jonge lieden onze krachten poogden terug te bekomen door het gebruik van een stevig ontbijt.
"Ik hoop," zeide Henriëtte tegen Suzanna: "dat de gezondheid van die goede Mevrouw Van Bempden maar geen slechte gevolgen moge ondervinden van dezen ongelukkigen tocht."
"Ik hoop het met u," zeide ik: "maar ik durf denzelfden wensch koesteren met betrekking tot allen, die van de partij zijn geweest."
"Wel ja!" zeide mijn zuster: "neem den wensch zoo algemeen mogelijk: 't zou jammer zijn u-zelf te vergeten. Gij doet zooals nicht Bender, die, als zij gasten heeft, nooit zegt; "ik hoop dat het den vrienden," maar: "ik hoop dat het ons wel zal smaken."
"Wat mij betreft," zeide ik, "ik ben niet van zout of van kraak porselein en zal aan een nat pak of aan een weinigje vermoeienis niet sterven."
"Ei kom!" zeide Suzanna: "gij praat als een held, en ondertusschen, laatst, toen gij terugkwaamt van de reis, waart gij ook mooi ziek van de bui, die gij op uw dak hadt gehad."
"Inderdaad?" vroeg Henriëtte, op een toon van bezorgdheid, die mij verrukte: "dan zou het u toch waarlijk wel kwaad kunnen doen, Mijnheer Huyck! van zoo kort daarna opnieuw aan zulk een weer te zijn blootgesteld."
"Het zou hem kwaad doen," zeide Suzanna, haar napratende: "wel Jetje! gij zoudt mijn broeder in den grond bederven. 't Is goed, dat gij mijn zuster niet zijt."
"Dat zeg ik ook," zeide ik, Henriëtte aanstarende met een veelbeteekenenden blik, die haar de oogen neer deed slaan.
"Ik moet zeggen, 't is al zeer beleefd," hernam Suzanna: "waar heb je die fraaie complimenten leeren maken?"
"O!" zeide ik: "Mejuffrouw Blaek houdt niet van complimenten: en ik durf hetgeen ik zeg staande houden, zonder wegens onwellevendheid veroordeeld te worden."
"Dat loopt mij te hoog," zeide Suzanna.
"Ja, mij ook," zeide Henriëtte: "en wij zullen Mijnheer de verklaring zijner woorden maar niet afvergen. Zie!" zeide zij, na eenige oogenblikken zwijgens en met het blijkbaar inzicht om van gesprek te veranderen: "'t is mij nog even of ik de beweging van het vaartuig voel."
"Een gewone sensatie wanneer men op het water is geweest," zeide ik: "en die van zelve wel slijten zal."
"Nu!" zeide Suzanna: "ik begeer die van mijn leven, noch in schijn, noch inderdaad weder te ondervinden: ik denk als Poot: 't Isvaren, maar met grootgevaar: en zoo ik ooit trouw, zal ik de voorwaarde maken, dat mijn man er geen boeier op nahoude. Ik zou geen oogenblik gerust zijn."
"Dan moogt gij evenzeer de voorwaarde maken," zeide ik, "dat hij geen rijtuig houde; want ik geloof, dat men, alles bijeenrekenende, meer ongelukken met rij- dan wel met vaartuigen tellen zal."
"Dat leert mijne ondervinding niet," zeide Suzanna: "want ik heb wel honderdmalen in een rijtuig gezeten en nog nooit eenig ongeluk gehad: en voor de eerste reis dat ik op het water ben, loopt het zoo deerlijk af."
"Lodewijk zou u een tegenovergestelde ondervinding voorwerpen," zeide Henriëtte: "hij is wel twintigmaal van 't paard gevallen en heeft, de hemel weet hoe dikwijls, met de sjees omgelegen; terwijl deze rampspoed de eerste is, die zijn jacht overkomt."
"'t Is dan zeer gracieux van zijnentwege," zeide Suzanna: "dat hij die juist voor ons bewaard heeft."
Op dit oogenblik kwam de kamenier van Tante binnen, en verzocht, of Mejuffrouw Suzanna even bij Mevrouw wilde komen.
"Ohé!" zeide Suzanna: "ik voorzie het al: de beschikkingen van den maaltijd zullen mij worden opgedragen. Wat eet gij liefst, Jetje?—En gij, Ferdinand?"
"Kom!" zeide ik: "maak maar dat gij boven komt: Tante wacht u immers."
"Aha!—Mijnheer wil gaarne van mij ontslagen worden! Nu! ik zal u verlossen van mijn overtollig gezelschap: ik ga al."—En, een spotachtigen blik op ons slaande, verliet zij het vertrek en liet ons samen.
Wij bleven, gelijk veelal in dergelijke gevallen plaats heeft, een geruimen tijd zwijgende over elkander zitten: ik, vast besloten hebbende, mijn zielsverlangen te uiten, maar verlegen, hoe best het onderhoud aan te vangen: zij, ten gevolge van dat fijne voorgevoel, hetwelk aan alle vrouwen eigen is, vermoedende wat er in mij omging, en ijverig voortwerkende met het hoofd voorovergebogen en de oogen stijf op haar borduurwerk gevestigd; terwijl echter haar kleursverandering en het zwoegen van haar boezem de onrust van haar gemoed verrieden.
Ik wilde beginnen mijn hartsgeheim te ontdekken, maar wist niet hoe: mij dacht, ik kon toch niet zoo plompweg met de deur in huis vallen en in de plaats van: "'t is mooi weer," tegen haar zeggen: "ik bemin u." Ik vergat, dat tusschen twee gelieven, al spreekt men geen woord, het onderhoud zijn loop vervolgt, de geest dezelfde gedachtenreeks bij beiden doorloopt en langs dezelfde schakels voortgaat, zoodat indien beiden na een uur zwijgens den mond opendeden, men tien tegen één zou kunnen wedden, dat beiden hetzelfde woord zouden uitspreken; evenals twee gelijkgestemde harpen, die hetzelfde akkoord uitslaan.
Eindelijk, toen de pauze een geruimen tijd had geduurd, en ik reeds bedacht begon te worden dat Suzanna terug zou komen eer ik nog een woord gesproken had, hervatte ik het gesprek daar, waar wij het gelaten hadden.
"Wij spraken daar van ongelukken met rijtuigen en schepen.—Daar ligt al een zeer troostrijk denkbeeld voor mij in opgesloten."
"Voor u? en hoe dat?" vroeg zij, zonder de oogen op te slaan, terwijl mijn onbeduidend gezegde haar een kleur als bloed aanjoeg.
"Omdat," zeide ik, "ik geen rij- noch voertuig houd, en dus minder dan anderen in de gelegenheid ben om ongelukken daarmede te krijgen."
Nu had die fraaie, zoogenaamde troostgrond, wel beschouwd, noch zin noch slot: want, ofschoon geen speeljacht hebbende, had ik niettemin den vorigen avond tot het getal der schipbreukelingen behoord; en ik reed dikwijls genoeg, zoo niet in mijn eigen, dan toch in eens anders rijtuig; maar het ging mij, zooals het zelfs verstandiger lieden bij dergelijke gelegenheden gaat, ik sprak, zonder dat het mij schelen konde, wat ik zeide, mits ik maar aanleiding vond om tot het punt te komen waar ik wezen wilde: en deed evenals de jager, die, het wild navolgende, er weinig om geeft, of hij een gebaand pad inslaat en veeltijds door heggen en struiken kruipt of over slooten en dammen springt om zijn doel te bereiken. Henriëtte nam dan ook de moeite niet, mijn argument tegen te spreken; maar deed er het zwijgen toe: zoodat ik mij genoodzaakt zag, op denzelfden toon voort te gaan.
"En ik geloof niet, dat ik ooit een speeljacht of een rijtuig bezitten zal."
Dezelfde stilte.
"Ik geloof, dat men zeer gelukkig kan zijn zonder een van beide."
Dezelfde stilte: maar haar lieve vingertjes begonnen te beven, alsof zij bespeurde, dat ik weldra duidelijker spreken zoude.
"En gij, Mejuffer!" vervolgde ik, niet minder bevend: "gelooft gij insgelijks ... ik meen: zoudt gij gelukkig kunnen zijn ... zonder rijtuig ... zonder al die gemakken, waaraan gij thans ... aan het huis van uw oom ... gewoon zijt geraakt?"
Dit was een vraag: en hier diende een antwoord op. Dit antwoord was echter datgene, hetwelk altijd gegeven wordt, wanneer men schroomt of zich ongehouden acht, rechtstreeks of onbewimpeld te antwoorden.
"Dat weet ik niet ... dat isbetrekkelijk."
"Vergeef mij," zeide ik: "mijn vraag was misschien onbescheiden. Maar," vervolgde ik, opstaande, en mij nevens haar plaatsende, met de eene hand op de tafel en de andere op den rug van haar stoel: "indien ik die vraag doe, 't is omdat bijaldien uw hart gehecht ware aan die genoegens, welke de rijkdom alleen kan verschaffen, ik schromen zoude, u een verklaring te doen, die...." hier zweeg ik een oogenblik en begon nog harder te beven. Zij bleef stip op haar werk zien, beurtelings, rood en bleek wordende.
"Gij hebt mij gisteren," vervolgde ik, "toen wij ons in levensgevaar bevonden, eenige woorden toegesproken, welke ik nimmer vergeten zal en die mij ook thans nog als hemelmuziek in de ooren ruischen. Ik zou echter geene gevolgtrekkingen durven maken uit hetgeen wellicht aanleiding vond in de ontroering van het oogenblik en in den staat van opgewondenheid, waarin wij toen verkeerden. Maar zoudt gij thans, bij bedaarder zinnen, mij vergunnen, aan die woorden een uitlegging te geven, welke mij voordeelig ware?"
Hier lichtte Henriëtte de oogen op en zag mij aan met een engelachtigen blik, maar terstond weder voor zich ziende: "ik durf mij vleien," zeide zij, "dat ik toen bedaard was en geen bewijs van opgewondenheid gegeven heb. Wat ik dus toen zeide...."
"Blijft gij dat ook thans gestand doen?" vroeg ik, in verrukking, haar bij de hand vattende en mij over haar schouders neerbuigende.
Zij beantwoordde mijn handdruk en liet terzelfder tijd het hoofd tegen mijn arm nedervallen. Maar weldra richtte zij zich weder op, en, het hoofd schuddende, zeide zij met een weemoedigen blik: "Kom! ik ben een zottin. Verschoon mij, Mijnheer Huyck! Het is beter, dat wij dit onderwerp niet verder aanroeren ... en zelfs, dat wij elkanders gezelschap vermijden."
"Hoe!" riep ik uit, verbaasd en terneergeslagen: "gij geeft mij de zoetste hoop en tegelijker tijd, in één adem, wilt gij mij die weer ontnemen.
"Ik gevoel dat ik verkeerd heb gehandeld," zeide zij: "maar ik beschouw u als edelmoedig genoeg om geen misbruik te maken van een oogenblik van zwakheid. Uw woorden hadden mij verrast...." (Met allen eerbied gesproken, ik geloof dat dit een weinig bezijden de waarheid was) "en ik heb niet welgedaan die zoo onbedachtzaam te beantwoorden."
"Niet welgedaan," herhaalde ik: "door aan de inspraak van uw gevoel gehoor te geven liever dan aan die van de koele rede? Doch, ik zie niet in, waarom deze beide in dit geval in tegenspraak behoeven te zijn. Zoo uw hart, door de beantwoording mijner liefde, mij tot den gelukkigsten der stervelingen maken wil, begrijp ik niet, welke gewichtige gronden de rede daartegen kan inbrengen."
"Ik ken u nog sinds zeer kort," zeide zij: "en niet genoeg, om te weten of het gevoel van ... voorkeur, dat ik u toedraag, behoorlijk te rechtvaardigen is!"
"Indien dit zoo is, wil ik de hoop niet opgeven," zeide ik: "want ik ben overtuigd, dat de narichten, die men over mij zoude willen inwinnen, niet zoo geheel tot mijn nadeel kunnen uitloopen."
"Ik geloof u, Mijnheer!" hernam zij, het hoofd schuddende, met een droefgeestige uitdrukking op het gelaat, die mij bewees, dat zij de ware reden van haar terughouding niet vermeldde: "maar toch!..."
"Welnu!" wat kan er meer zijn? Ik bid u, verzwijg uwe zwarigheden niet: ik vlei mij, dat, zoo gij mij slechts wederliefde schenken wilt, ik in staat zal zijn alle andere bedenkingen te overwinnen."
"Ik hang van mijn oom af," zeide zij, de oogen nederslaande: "en ik twijfel, of hij...."
"Hoe!" zeide ik: "zou hij iets tegen mijn persoon of familie kunnen in te brengen hebben? Of is het mijn gebrek aan fortuin, dat mij in den weg zoude staan? 't Is waar, rijk ben ik niet; maar ik ben thans deelgenoot eener bloeiende firma en hoop weldra in staat te zijn, eene vrouw, wel niet op een weelderigen, maar toch op een ordentelijken voet te kunnen onderhouden."
"Mijn oom zal dat nimmer willen," herhaalde zij: "en ook dan zelfs, wanneer ik mondig en mijn eigen meesteresse ware, zou ik nimmer iets doen, hetgeen hem mishagen kon, hem aan wien ik alles verschuldigd ben en dien ik eeren moet als een vader, ja meer dan een vader: want hij heeft mij welgedaan, zonder daartoe gehouden te zijn."
"Men kan het hem ten minste vragen," zeide ik: "geef mij slechts uwe toestemming om mijn vader te verzoeken met den Heer Blaek te spreken: dat is al wat ik verlang."
"Hoor! ik wil oprecht met u zijn," zeide zij, "en u niets verzwijgen. Mijn oom heeft zich vast in 't hoofd gezet, dat Lodewijk mij trouwen moet. Tot nog toe (moet ik zeggen gelukkig voor mij?) stemmen vader en zoon niet overeen in hun wenschen: anders weet ik waarlijk niet, wat ik zou moeten doen. Zoolang Lodewijk dus nog ongehuwd blijft, zal mijn oom zijn hoop niet laten varen, en ieder aanzoek afwijzen, dat hem om mijn hand gedaan wordt."
"Dus zou ik dan moeten wachten, tot Mijnheer Lodewijk goedvindt, zich in den echten staat te begeven, of op te stappen?—Mij dunkt toch, dat uw oom, bespeurende, dat gij over en weer geen geneigdheid gevoelt om zijn plannen te bevorderen, niet dwaas genoeg zal zijn, om die vol te willen houden. Hij heeft u en zijn zoon beiden lief: en zal uw beider ongeluk toch niet willen. Mij dunkt, ik zou mij sterk maken, hem zulks aan zijn verstand te brengen."
"Ik vrees, ik vrees," zeide Henriëtte; "maar ik heb er in zooverre niets tegen, dat gij het beproeft," voegde zij er bij met een betooverenden lach.
"Heb dank voor deze vergunning," zeide ik, haar hand met vurigheid aan mijn lippen brengende: "laat nu gebeuren wat wil, eenmaal toch zullen wij vereenigd zijn."
Op dit oogenblik ging de deur open. Wij stoven verschrikt uit elkander en zagen, tot onze niet geringe ontsteltenis, de Heeren Blaek, vader en zoon, binnentreden. De eerstgemelde scheen onze verwarring niet te bespeuren; althans hij toonde daar niets van: maar terstond naar Henriëtte toegaande, omhelsde hij haar hartelijk en vroeg haar of zij reeds van den schrik bekomen was, en of zij zich niet ongesteld gevoelde.
"O!" zeide zij: "ik ben zoo wel, of er niets gebeurd was."
"Ik weet niet, Nichtje!" zeide Lodewijk, die intusschen ons beiden met een spotachtigen blik beschouwd had; "maar mij dunkt als men u wel aankijkt, gij ziet er toch wel wat ontdaan uit. Laat eens zien," vervolgde hij, haar hand nemende: "gij beeft er waarlijk nog van."
"In allen gevalle," zeide ik, niet zonder eenige verontwaardiging: "zou het geen wonder zijn, indien Mejuffrouw de gevolgen van dien noodlottigen avond nog ondervond."
"Zoo, vriend Huyck," zeide Lodewijk, als zag hij mij eerst nu: "wel gerust?—Ja! 't was een ongelukkig geval. Maar wie drommel kan het helpen? Ik lij er het meest bij! En hoe heeft die stoffel van een Weinstübe het toch gemaakt? Jongens! wat zat de vent in de benauwdheid!"
"Ik ben uw dienaar, Mijnheer!" zeide de oude Heer Blaek zich buigende: "wij waren eens komen vernemen naar de gezondheid van de dames: en tevens moet ik u mijn dank betuigen voor de spoedige mededeeling. Lodewijk dient ook zijne verontschuldigingen te maken:—hij heeft gewis wat onvoorzichtig gehandeld; doch, zooals hij zegt, hij lijdt er het meeste bij: want het zal geen kleintje kosten om het jacht weer in 't water te krijgen:—en er zullen wel wat reparatiën aan moeten gedaan worden ook."
"En verhaal ons eens," zeide Henriëtte, "hoe is het u verder gegaan?"
"O!" antwoordde Lodewijk: "men heeft mij wel lang genoeg laten wachten; maar eindelijk kwam er toch volk opdagen, en toen heb ik Klaas bij 't jacht gelaten en ben naar Guldenhof getrokken en terstond, zoodra ik gekleed was, was het wederom inspannen om hierheen te rijden."
"Gij gevoelt," zeide de Heer Blaek tegen Henriëtte, "dat Lodewijk zich geen oogenblik rust wilde gunnen, voor hij vernomen had, hoe het met zijn lieve nicht was gesteld."
Onder dit praten kwam Suzanna weder binnen, met de boodschap aan de Heeren, dat Tante eenigszins vermoeid was, doch meende op te staan om hen te ontvangen. Het ontbrak nu niet aan stof tot gesprek, waartoe al de gebeurtenissen van den vorigen avond weder werden opgehaald. Na verloop van eenigen tijd kwam Tante ook beneden, en kort daarna reden mijn ouders, die vroeg in den morgen door Reynhove bericht van het gebeurde bekomen, en, niet weinig bekommerd, dadelijk rijtuig besteld hadden, Heizicht binnen. Ik zal hier van de blijdschap des wederziens niet gewagen, die men zich licht kan voorstellen: en even van de gesprekken, welke dien dag gevoerd werden en waarvan de reeds verhaalde gebeurtenis het hoofdonderwerp uitmaakte. Ik was vermoeid en verveeld van zoo dikwijls over hetzelfde te hooren praten, en bovendien belette mij de verliefde stemming, waarin ik mij bevond, behoorlijk aandacht te schenken aan hetgeen er gesproken werd.
Het was mijn oogmerk geweest, met Suzanna den volgenden morgen vroegtijdig weder naar Amsterdam te vertrekken: de komst mijner ouders bracht echter eenige verandering in ons plan teweeg: en, daar zij twee plaatsen in hun rijtuig open hadden, werd er goedgevonden dat wij beiden na den eten met hen zouden terugkeeren; een schikking, waar niet veel tegen in te brengen viel; hoezeer Tante zich bitter beklaagde, dat men haar juist nu, nadat zij zulk een schrik had gehad, zoo alleen liet (want Henriëtte zoude ook den volgenden dag vertrekken); dat dit niet vriendelijk of beleefd was, enz. Intusschen wisten wij allen zeer goed, dat zij van den schrik reeds genoeg bekomen was, en inderdaad liever alleen wenschte te zijn, om op haar gemak al de toebereidselen te kunnen maken voor de feestviering, welke zij voornemens was, veertien dagen later ter gelegenheid van den jaardag mijner moeder, op Heizicht te geven, en waarmede haar levendige verbeelding reeds sedert lang werkzaam was geweest.—De tweede persoon, die reden had om zich over de bespoediging van ons vertrek te beklagen, was ikzelf: want ik zag mij daardoor teleurgesteld in het aangenaam vooruitzicht om nog dien avond in het gezelschap door te brengen van haar die ik liefhad. Men begrijpt echter, dat ik mijn verlangen om te blijven niet aan den dag dorst brengen, vreezende, zoo ik daarvan sprak, mijn zielsgeheim te verraden, hetwelk ik, gelijk verliefden gewoonlijk doen, mij verbeeldde, dat ieder reeds in mijn oogen lezen kon. Alleen een droevige blik, op Henriëtte geworpen, en een handdruk, die meer dan gewoonlijk beteekende, bij ons vertrek, moesten haar doen weten, hoeveel mij dit afscheid kostte:—en ik geloof mij niet bedrogen te hebben, zoo ik, toen wij reeds in het rijtuig gezeten waren en het laatst vaarwel over en weder klonk, een traan in hare oogen meende te zien glinsteren.
In het naar huis gaan was ik stil en afgetrokken, zoo zelfs dat Suzanna mij daarover bespotte; ik had echter twee zeer goede verschooningen gereed, namelijk: slaap en vermoeienis, welke mijn goede moeder alleszins geldig vond: en ik bekwam alzoo verlof om niet te spreken en mij tot slapen te zetten. Suzanna, die, niettegenstaande zij er mij mede gebruid had, zelve toch eenigszins de uitwerking der doorgestane vermoeienissen voelde, begon weldra te gapen en te knikkebollen, en raakte, zoodra het donker was, in een diepe rust; zoodat ik nu volle vrijheid bekwam, om, met geslotene oogen en in een hoek van het rijtuig gedoken, mij over te geven aan mijn verliefde droomen, welke langzamerhand in werkelijke droomen overgingen; zoodat ik, toen wij de Weesperpoort binnenreden, in een gerusten slaap lag gedompeld.
"Dat zijt gij gelukkig ontkomen," zeide de Heer Van Baalen, toen hij mij den volgenden morgen op het kantoor begroette: "gij hadt waarlijk tot spijs voor de visschen kunnen verstrekken;—belieft het u dezen brief in te zien, die gisteren met de Hamburger post is aangekomen."
"In waarheid," antwoordde ik, den brief aannemende: "het is eene bijzondere bewaring Gods!" en ik doorliep vluchtig het blad, dat ik in handen had.
"Men wil wel zeggen," vervolgde hij, "dat die Jongeheer Blaek de rechte man niet is, om een jacht te besturen!—Is UEd. niet van oordeel, dat wij die commissie zeer goed kunnen volbrengen?"
"Mij dunkt, dat de risico niet groot is," antwoordde ik op de laatste vraag. "Ja Mijnheer! Het is eigenlijk een gewaagde onderneming, met hem te gaan zeilen," was mijn bescheid op de eerste.
"Neen voorwaar!" hernam hij: "ik heb ook in mijn jongen tijd een boeier gehad; maar ik ben er vroeg mede uitgescheiden: ik trof nooit goed weer: de spullen waren altijd onklaar: ik kon nooit een geschikten helper krijgen: ik was altijd ongelukkig in al dat soort van ondernemingen. Maar, om die commissie te volvoeren, wenschte ik gaarne een meer ijverigen makelaar te nemen dan die De Wijs is:—ik heb nogal die nota niet ontvangen, waar ik laatst over sprak.—Bovendien ben ik stellig onderricht, dat hij somtijds zaken voor zichzelf doet: en de zoodanigen wil ik niet gebruiken. Zij, die zaken voor zich doen, moeten die van hun patroon noodwendig verwaarloozen."
"Wat dunkt UEd.," zeide ik, mij mijn vriend van de dichteren-vereeniging herinnerende: "zoo wij Velters gebruikten?"
"Hm! hm! Hij is niet onknap, en heeft een goeden wil, maar hij is wat jong."
"Des te ijveriger zal hij zijn en des te minder eigenwijs."
"Dat moet ik u toegeven;—maar er is nog iets anders:—hij rijdt te paard:—en ziedaar iets ongehoords voor een makelaar."
"Niet anders als zeer vroeg in den morgen," zeide ik: "en op voorschrift van zijn dokter;—maar ik geloof niet, dat iemand hem ooit in gezelschap met anderen heeft zien rijden."
"En dan," vervolgde Van Baalen: "wat het ergst van alles is, hij maakt rijmpjes.—Hoe wil er nu ooit een degelijk en bruikbaar mensch van groeien?"
"Wel!" zeide ik: "dat bewijst alleen, dat hij te veel ledigen tijd heeft. Hij is waarlijk niet onknap: en, zoo ik er eenigszins over durf oordeelen, dan heeft hij veel kennis van zaken en een helder, gezond verstand. Verschaffen wij hem werk, dan zal hij dat rijmen vanzelf wel laten varen."
"Nu,fiat! UEd. heeft zijn zaak zoowel bepleit, dat ik er niets verder tegen kan inbrengen. Zijn vader was bovendien een braaf man, aan wien ik veel verplichting heb gehad.—Wij kunnen het beproeven.—Zien wij verder: Willem Bartelsz. en Co. te Enkhuizen schrijven, dat zij op ons trekken zullen. Eilieve! Mijnheer Wijdveld! Hoe staat onze rekening met dat huis?—Mij dunkt, wij moeten reeds in avans voor hen zijn."
"Zoo is het, Mijnheer!" zeide de Boekhouder, het folio opslaande.
"Daar zal over geschreven dienen te worden," zeide Van Baalen: "dat kan zoo niet gaan."
"Heeft UEd. geen vertrouwen op de lieden?" vroeg ik.
"Hoor, mijn waarde Heer Huyck! Vertrouwen is een goede zaak en buiten die kan men geen handel drijven: maarne quid nimis! zooals wij op de school plachten te zeggen. In de negotie moet men zelfs zijn eigen vader niet te veel vertrouwen schenken: dat is een vaste regel: hou u daaraan. Niet of de firma Willem Bartelsz en Co. staat ter goeder naam en faam: en ik zou gaarne een dik pak wissels op haar bezitten, door een solide huis getrokken;—maar alles kan mee- en tegenloopen: en ik heb er zoovelen in mijn leven zien vallen, die zoo vast schenen te staan als het stadhuis.—Monsieur Snijders! zijt gij bij den Notaris Bouvelt geweest?—En hoe luidde de boodschap?"
"Ja, Mijnheer!" antwoordde de kantoorbediende: "En het briefje was meer geruststellend: de patiënt heeft een redelijken nacht gehad en bevindt zich iets beter."
"Nu! dat verheugt mij," zeide Van Baalen: "zou hij er waarlijk bovenop komen? Er zou ook veel aan den man verloren zijn geweest.—Hij bezit het vertrouwen van de halve stad, ja van menigeen buiten de stad:—ik geloof zelfs, dat men weinig handelskantoren zoude vinden, die zulke uitgebreide relatiën hebben als hij."
"De Hemel geve dat hij spoedig herstelle!" dacht ik bij mijzelf: "dan is het te verwachten, dat mijn geheimzinnige vriend Bos ook spoedig klaar komt en opdrost."
Die naam van Bouvelt had intusschen opnieuw een snaar aangeroerd, welke een reeks van herinneringen deed ontstaan, en ik had werk om behoorlijke aandacht te schenken aan hetgeen mijn Compagnon mij verder mededeelde. En toen ik eindelijk, aan mijn lessenaar gezeten, mij tot den arbeid zoude begeven, zag ik mij opnieuw buiten staat om een behoorlijke oplettendheid te wijden aan datgene, waar ik mij mede bezig moest houden, en schenen de letters, die ik voor mij had, zich telkens te vereenigen om geen anderen naam aan mijn oogen voor te stellen, dan dien van Henriëtte Blaek.
Ik schaamde mij echter, niet over mijn liefde, maar over den invloed, dien een hartstocht over mij uitoefende: en ik vormde het besluit om niet langer uit te stellen mijn ouders met het gebeurde bekend te maken. "Het is," dacht ik, "alleen de onzekerheid, welke mij het werk moeielijk maakt. Is eens mijn lot op deze of gene wijze beslist, dan zal ik kalmer zijn en weer in staat mijn plichten naar behooren te vervullen."
Hoe zegende ik het geluk, een moeder te bezitten. Want men gevoelt het, het was voor haar, dat ik in de eerste plaats mijn hart wenschte te ontboezemen. Zij, dit wist ik, zou mij met verschoonende deelneming aanhooren; zij zou wat in mijn hart omging op rechten prijs stellen: zij zou mij ten voorspraak strekken bij een vader, dien ik liefhad en eerde, maar die wellicht mijn liefde af zou keuren, of als een voorbijgaande neiging aanzien, bestemd om even spoedig te verdwijnen als zij was opgekomen.
Ik nam dan ook nog dienzelfden middag de gelegenheid waar, dat mijn vader in zijn kamer aan 't werk zat, en dat Suzanna met de jongere kinderen een grachtje rondging, om de lieve vrouw over mijn huwelijksplannen te onderhouden, en haar te bidden, mijn vader te bewegen, om een bezoek bij den Heer Blaek af te leggen en hem voor mij de hand zijner nicht te vragen. Mijn moeder luisterde naar mij met de belangstelling, waarop ik wist te kunnen rekenen: maar toch kon ik aan de eenigszins ontevredene uitdrukking van haar gelaat bemerken, dat het medegedeelde haar niet volkomen welkom was. Ik was echter op zwarigheden voorbereid en wist met de welsprekendheid eens verliefden al de bedenkingen op te lossen, welke zij, zoowel uit de kortstondigheid mijner kennismaking met Henriëtte, als uit ons gebrek aan fortuin wist te putten. Het viel mij echter zwaarder dan ik gedacht had, haar te overreden om mij haar hulp te beloven ter bereiking van een oogmerk, dat, naar ik duidelijk gewaar werd, hare meer verhevene verwachtingen teleurstelde. Want, welke moeder, zij moge overigens de nederigste en verstandigste vrouw zijn, koestert geen inzichten en wenschen omtrent haar kinderen, hooger en grootscher dan de wezenlijkheid kan teweegbrengen? Eindelijk echter, toen zij vernam, dat ik mijn liefde reeds verklaard had, en dat de zaak tusschen Henriëtte en mij zoo goed als beklonken was, deed zij, zooals alle moeders zouden gedaan hebben: zij omhelsde mij, en beloofde, mijn belangen te zullen voorstaan en bij mijn vader bepleiten.
Den volgenden namiddag riep mijn vader, die aan tafel buitengewoon stil en afgetrokken was geweest, mij met hem naar zijn kamer. Ik volgde bevende als een misdadiger, die in het verhoor zal gaan; want zijn gelaat stond strak en ernstig en voorspelde weinig goeds. Hij wees mij zwijgend een stoel aan en zette zich over mij. Na een snuifje te hebben genomen, begon hij aldus:
"Uw moeder heeft mij gezegd dat gij huwelijksplannen in 't hoofd hebt."
"Inderdaad, Vaderlief! En ik zou mij hoogstgelukkig achten, indien zij uwe goedkeuring konden wegdragen."
"Gij hebt altijd een bedaard oordeel gehad, Ferdinand! en waart nooit gewoon u te overijlen. Des te meer bevreemdt het mij, dat gij, nu het den gewichtigsten stap uws levens geldt, u blootstelt, wegens onberadenheid veroordeeld te worden."
"Ik hoop," zeide ik, "dat mijn keus mij voor een dergelijk vonnis vrijwaart.
"Rechtuit gesproken, dat doet zij niet. Ik heb altijd veel goeds van de bedoelde Juffer gehoord:" ('t is zonderling, dat vaders in een dergelijk geval nooit den naam uitspreken, als waren zij bang dat daarin een mystieke kracht lag opgesloten), "zij ziet er lief uit, en ik kan klaar begrijpen, dat een jongmensch haar naar zijn zin vindt;—maar toch! een meisje, dat gij nog den tijd niet hebt gehad te leeren kennen, zoo opeens tot de gezellin uws levens te kiezen, dat is wat vlug, wat wild geprocedeerd, en, zooals ik zeide, dat had ik niet van u verwacht."
"Ik moet bekennen," zeide ik, "dat uw beschuldiging veel grond heeft; maar ik neem de vrijheid, u te doen opmerken, dat ik, door een samenloop van toevallige omstandigheden, gelegenheid heb gehad, haar karakter te leeren kennen en waardeeren. Toen ik haar voor het eerst ontmoette op den koepel van Guldenhof, trof mij haar beschaafde toon, haar ingetogenheid en minzaamheid: later op Heizicht vond ik een nieuw behagen in haar ongedwongen en toch recht fatsoenlijken omgang:—en op het jacht, in de ure des gevaars, kreeg ik eerbied voor haar beradenheid, haar kalmte van geest en godsdienstzin. UEd. zult mij toestemmen, dat die weinige dagen mij beter hebben in staat gesteld, een oordeel over haar te vellen, dan dat ik haar jaren lang op gastmalen en danspartijen ontmoet had."
"Daar is wat van aan:—en met welk oog ziet zij u aan?"
Ik verhaalde aan mijn vader de omstandigheden van mijn onderhoud met Henriëtte.
"Ik had niet verwacht," hernam hij, "dat gij een dergelijken stap zoudt doen, alvorens uwe ouders daarover te raadplegen."
"Ik betuig u, mijn vader!" zeide ik, "dat het volstrekt mijn voornemen niet was, toen ik naar Heizicht vertrok, mijn liefde te verklaren; doch na hetgeen op het jacht was voorgevallen, kon ik niet nalaten te spreken."
"Intusschen zie ik niet, dat gij nog ver gevorderd zijt."
"Niet!—daar ik de zekerheid heb, dat mijn aanzoek aan Henriëtte niet onverschillig is?"
"Goed! maar zij heeft u te kennen gegeven, dat haar oom zijn toestemming waarschijnlijk zal terughouden:—en ik moet u betuigen dat ik niet anders zeggen kan, of de man zal gelijk hebben ook. Zoolang zij nog minderjarig is, zou hij zeer verkeerd handelen, alle meer schitterende uitzichten, die zich voor haar zouden kunnen opdoen, te vernietigen, door haar weg te geven aan iemand, wiens fortuin slechts in verwachtingen bestaat;—want gij weet het, wat ik u kan medegeven is weinig of niets."
"Ik verlang ook niet," zeide ik, "dat de Heer Blaek terstond in een huwelijk toestemme. Zoo hij slechts verlof geeft, dat ik zijn nicht oppasse, en zoo 't heet, nadere kennis met haar make: ziedaar alles, wat ik voor het oogenblik vergen kan."
Mijn vader haalde de schouders op. "Na hetgeen gij met de Juffer gesproken hebt," zeide hij, "hebt gij mij in een zekeren zin wel in de noodzakelijkheid gebracht om acces voor u te verzoeken. Ik zal den Heer Blaek belet doen vragen."
"Vader!" riep ik, uitgelaten van blijdschap: "uw goedheid is grooter dan ik verdien. Hoe zal ik dat vergelden?"
"Stil," zeide hij: "verheug u niet te spoedig en bouw geen luchtkasteelen; want het antwoord van den Heer Blaek kon die wel opeens vernietigen.—Intusschen, ik moet het u zeggen, de mededeeling van uw liefde heeft mij in zeker opzicht genoegen gedaan. Ik was inderdaad bezorgd, dat gij andere dingen in uw schild voerdet, en dat uw afgetrokkenheid in de voorgaande week een andere, min verschoonbare oorzaak had.—Doch ik hoor Heynsz de trap opkomen:—ianitor ante fores: ga nu heen:—ik beloof u, hedenavond nog zal ik aan den Heer Blaek schrijven."
Ik kuste vurig de hand mijns goeden vaders, en na aan mijn moeder en Suzanna den stand van zaken te hebben medegedeeld, snelde ik met een opgeruimd gemoed naar het kantoor. Bij mijn terugkomst in den familiekring, verhaalde mijn vader mij, dat hij aan den Heer Blaek had geschreven, en dat deze geantwoord had, hem den volgenden avond te zullen afwachten.
"Nu hoop ik, Papa!" zeide Suzanna, "dat UEd. toch niet vergeten zult, al de goede hoedanigheden van Ferdinand op te tellen, ten einde den Heer Blaek te overtuigen, dat hij aan niemand anders zijn nicht beter kan besteden, dan aan hem."
"Gij zoudt weldoen, mij die op een lijstje te geven," zeide mijn vader: "misschien mocht ik er sommige vergeten."
"UEd. zoudt kunnen beginnen, hem het lofdicht van Helding te laten lezen," zeide Suzanna."
"Carminibus confide bonis," zeide mijn vader: "maar Ovidius *beweert nergens, dat men ook op prulverzen vertrouwen moet."
"Nu!" hernam Suzanna: "dan most UEd. het over een anderen boeg wenden en vooreerst hem prijzen wegens het buitengewoon doorzicht, dat hij aan den dag legt door zoo, in vier of vijf dagen, welke hij met haar heeft doorgebracht, zich in staat te bevinden om al de voortreffelijke hoedanigheden te ontdekken, waarmede Jetje Blaek begiftigd is."
"Ik zou die snaar maar niet aanroeren," zeide mijn moeder, het hoofd schuddende: "ik vrees, dat de Heer Blaek al wel uit zichzelven de opmerking zal maken, dat die liefde al vrij spoedig is opgekomen."
"In de tweede plaats," vervolgde Suzanna: "moet UEd. hoog opgeven van Ferdinands zelfvertrouwen, hetwelk hem vrijmoedigheid geeft om, hoewel hijzelf niets bezit, een Juffer te vragen, die ook niets heeft, in de vaste overtuiging, dat hij spoedig fortuin zal maken."
"Och, gij maakt weer paskwillen," zeide mijn moeder, "maar al heeft Ferdinand nu niet veel, hij is toch niet geheel zonder vooruitzichten: en, zooals ik mijn schoonzusters ken, vlei ik mij, dat zij wel iets zullen bijbrengen, om hem in staat te stellen, zijn huishouding te beginnen."
"Wel ja!" zeide Suzanna: "wat zou men niet voor zulk een lief neefje doen?—Nu! ik zal eens zien, of ze in de bos voor hem blazen; want zij zullen voor mij vast niet minder doen, en dan weet ik, ingeval ik eens gevraagd worde, waar ik op rekenen kan;—maar laten wij niet afdwalen:—UEd. moet verder zijn standvastigheid roemen in het bewaren van 't geheim, 't geen zich daaruit bewijzen laat, dat hij aan niemand, zelfs aan mij niet, die hem toch nog met goeden raad had kunnen dienen, iets van zijne liefde heeft laten blijken."
"Dat was juist zoo lofwaardig niet," zeide mijn moeder.
"Ga maar voort," zeide ik tot Suzanna: "ik ben nu best gestemd om geplaagd te worden."
"Wel, gij zoudt mij haast doen zwijgen," hernam zij: "want in dat geval heb ik er weinig eer van.—Voorts moet Papa breed uitweiden over de welsprekendheid, die gij bezit, en waarmede gij zoo in een wip het hart van een onschuldig maagdelijn veroverd hebt, zoodat gij zeggen kunt als César: ik kwam, zag en overwon."
"Ik weet niet," zeide mijn vader: "of het juist veel voor het oordeel van de Juffer bewijst, dat zij haar jawoord zoo spoedig aan dien Sinjeur gegeven heeft."
"Foei Willem!" zeide mijn moeder: "hoe kunt gij zoo iets zeggen."
"Och! 't is maar één paar bedorven," zeide Suzanna: "maar gij moet denken, Papa, dat Jetje ook niet te streng veroordeeld moet worden. Zij kan haar vrijers wel tellen: en dewijl haar neef, die bullebak, haar toch niet hebben wil, doet zij zoo mal niet, de gelegenheid bij de haren te pakken. Ik weet, helaas! zelve bij ondervinding, dat de liefste, beminnelijkste, aardigste, geestigste meisjes, zonder geld, vruchteloos op den uitkijk zitten, en als Mevrouw Blauwbaard roepen: Anna! zuster Anna! ziet gij niets komen?"
"Ei zoo, Santje!" zeide ik: "ik wist niet dat gij er zoo over dacht. Hebt gij zulk een haast om getrouwd te zijn?"
"Oho! hadt gij hoop, mij als een oude vrijster te zien sterven, en rekent gij al op mijn erfenis voor uwe kinderen?