ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Op potgeld, rente, kustinghbrieven;En schimmelpenningh, lang vergaert,En spaerpot uyt myn mont gespaert?—

Op potgeld, rente, kustinghbrieven;En schimmelpenningh, lang vergaert,En spaerpot uyt myn mont gespaert?—

zooals Vondel zegt:—Och jongenlief! Stel dat maar uit uw zinnen: het zou de bloeien toch uit de hand vallen: en ze zouden hun vingers aan Tantes geld wel niet blauw tellen. Maar Vaderlief! zeg mij toch eens, wij hebben er laatst ook over gesproken, Ferdinand en ik: hoe komt de oude Heer Blaek toch zoo schrikkelijk en geweldig rijk en zijn nichtje zoo arm?—heeft Jetjes vader er den boel wezenlijk doorgelapt, gelijk men verhaalt?"

"Gij vraagt mij meer dan ik u zeggen kan," antwoordde mijn vader: "Ik ben ambtshalve genoeg gedwongen om in de geheimen van anderen te dringen, zoodat ik mij daar uit nieuwsgierigheid zelden over bekommer. Wel weet ik, dat zoowel Jacobus als Hendrik Blaek weinig vermogen bezaten: zoo zelfs, dat zij beiden, eens weduwnaars zijnde, het vaderland hebben verlaten om hun fortuin elders te beproeven. Den eenen is dit gelukt: de andere is gestorven eer hij tijd had gehad, iets te vergaderen."

"Hij moet wel schrikkelijk veel geld hebben, die oom Blaek," zeide Suzanna: "althans zijn zoontje maakt nogal vertering, zonder dat het hem schijnt te hinderen."

"Lodewijk Blaek heeft geld van zijn eigen," zeide mijn moeder "maar wat bekommert ge u daarover kinderen! het geld maakt iemand immers niet gelukkiger: uw vader en ik zijn nooit lieden van vermogen geweest en wij hebben toch genoeglijke dagen te zamen gesleten. Ik heb, dat beken ik, wel eens gewenscht, dat uw vader niet verplicht ware, een zoo drukke bediening waar te nemen als hij doet, en dat hij wat meer tijd overhad; maar zonder werkzaamheden zou hij zich ook ongelukkig voelen."

De komst van mijn jongere broeders en zusters, die zooeven door den cijfermeester verlaten waren en nu het vertrek binnenstoven, deed het gesprek hier afbreken, en er werd dien avond over dat onderwerp niet meer gerept.

Men kan licht beseffen, dat ik den daaropvolgenden dag weinig rust of duur had en den Hemel dankte, toen de werkzaamheden aan het kantoor des avonds waren afgeloopen, en ik, hoewel met een beklemd gemoed, mij naar huis kon spoeden, alwaar ik mijn moeder en zuster, benevens tante Letje, die mede in 't geheim was, gezeten vond, insgelijks in pijnlijke verwachting de terugkomst mijns vaders verbeidende.

Er verliep echter nog een goed half uur, alvorens wij de bekende schel hoorden overgaan. Ons aller hart klopte hevig bij zijn binnentreden; maar toen wij hem aanzagen, stond zijn gelaat zoo strak, dat de vraag: "wel! hoe is het afgeloopen?" ons op de lippen bestierf en wij elkander zuchtend aankeken.

Mijn vader plaatste zijn hoed op de tafel en nam zwijgend plaats.

"Ik zie het al," zeide ik: "het aanzoek is niet gunstig opgenomen."

"Ziehier in substantie waarop het antwoord is nedergekomen. De Heer Blaek heeft mij zeer beleefd ontvangen, en betuigd, dat een verbintenis met onze familie hem zeer zou vereeren. Maar, volgens zijne meening rustte er, ten opzichte zijner nicht, een nog zwaardere verantwoording op hem dan er bestaan zoude, ingeval de Juffer zijn dochter geweest ware.—Zoolang zij nog minderjarig was, kon hij, als haar voogd, zijn toestemming niet geven tot een huwelijk met iemand zonder middelen: zij was nog te jong en te onbedreven om zelve te kiezen: hij kende u volstrekt niet;—en hij moest u dus verzoeken alle verdere pogingen om zijn nicht te zien of te spreken te laten varen, tot zij meerderjarig was en zelve gerechtigd een keus te doen."

"Hoe! mag ik zelfs de kennis niet onderhouden?—Dat is toch wat hard en onbillijk."

"Veroordeel den Heer Blaek niet," zeide mijn vader: "ik kan hem zoo groot ongelijk niet geven: hij is aan God verantwoording schuldig van het lot zijner nicht, en hij behoort voor haar te waken. Gij hebt haar reeds alleen gesproken, uw liefde verklaard en antwoord van haar ontvangen; hij mag, nu hij het aanzoek afslaat, de hernieuwing van dergelijke pogingen niet toestaan."

"Hij bewaart haar zeker voor zijn lieven Lodewijk," zeide Suzanna wrevelig: "maar zoo zij dien neemt, wil ik haar nooit meer zien."

"Kom! omhels mij, Ferdinand! en troost u," zeide mijn goede moeder: "de tijd baart rozen: zoo gij haar wezenlijk blijft liefhebben en gij haar mede niet onverschillig zijt, kan alles nog terecht komen."

"Rechtuit gezegd," zeide mijn vader: "is het misschien beter zoo:—gij zult nu gelegenheid hebben om uw hart te beproeven en te ontdekken of het alleen een voorbijgaande neiging dan wel een duurzame, oprechte liefde is, die u bezielt. Het is voor u, ik beken het, een teleurstelling; maar het is nuttig en heilzaam voor ons, zwakke stervelingen, beproevingen te ondervinden en die standvastig te leeren dragen."

Ik zweeg en zag voor mij; want hoe waar en verstandig ook de woorden mijns vaders waren, het was van mij toch op het oogenblik niet te vergen, dat ik er mede instemde. Ik zette mij mistroostig neder: ook de overigen waren weinig tot vroolijkheid gestemd: en de avond zou vrij treurig zijn afgeloopen, had niet een onvoorzien bezoek ons eenige afleiding geschonken.

Het was namelijk Reynhove, die zich liet aandienen: wij konden niet nalaten, hem te ontvangen, daar men hem reeds gezegd had, dat wij te huis waren; ofschoon wij, althans in de eerste oogenblikken van gedachten waren, dat hij zijn tijd al zeer verkeerd uitkoos. Hij werd dan binnengelaten, en zijn ongedwongen, vroolijke zwier leverde een zoo sterk contrast op met de donkere, betrokkene gezichten der aanwezigen, dat hij in het eerst geen aangenaam denkbeeld van onzen huiselijken kring kan hebben opgevat.

"Ik kan niet mankeeren," zeide hij, na eenige strijkages, mij te komen informeeren naar de gezondheid van Mejuffrouw Huyck. Ik hoop, dat UEd. geenesuitesvan die fatale historie hebt ondervonden.

"Volstrekt geene," antwoordde Suzanna: "en het eenige, wat er mij van bijblijft, is een vast voornemen om niet weder met zulke wilde zeilers scheep te gaan."

"En tevens kwam ik mij de eer procureeren," vervolgde Reynhove, "van kennis te formeeren met den Heer en Mevrouw Huyck: een satisfactie, welke ik mij tot nog toe had moeten refuseeren, en welke het gunstigste resultaat is van dat facheus geval."

"Wij zijn zeer verplicht voor uwe goedheid," zeide mijn vader, glimlachende: "het doet ons echter leed, dat er een zoo gewichtig voorval noodig was, om ons de eer van uw bezoek te verschaften."

"De Heer Reynhove," merkte Suzanna aan, "kan met recht zeggen, dat hij hier is komen aanwaaien; vermits hij zonder den storm niet hier zou geweest zijn."

"Mejuffrouw drijft er den spot mede," zeide Reynhove, een weinig verlegen: "en ik beken, dat ik mij verkeerd exprimeerde. Ik heb tegen mijn eigen belang gehandeld, dat ik hier niet vroeger een visite ben komen brengen; maar, ik declareer oprecht, dat zoodra ik aan Mejuffrouw Huyck gepresenteerd was, ik het project geformeerd had, dat ik thans effectueer." Dit zeggende, keek hij Suzanna zoo veelbeteekenend aan, dat zij een kleur kreeg en dat mijn moeder enigszins bezorgd opzag.

"Men kan wel zien, dat Mijnheer uit Den Haag komt," zeide Suzanna, en zag te gelijk haar moeder aan, als wilde zij zeggen: "heb geen zorg."—"Wat mij betreft," vervolgde zij tot Reynhove: "ik blijf nooit achterlijk, wanneer ik complimenten ontvang, en ik zal op mijne beurt avoueeren, dat ik, hoewel eerst na den storm, het plan geformeerd had, Mijnheer te bedanken voor de attenties, ons bij gelegenheid van het ongeval getemoigneerd."

"Foei Santje!" zeide mijn moeder: "gij moet dit niet als een compliment doen voorkomen. Het is niet meer dan plichtmatig dat gij Mijnheer bedankt, en wij, als ouders, doen hetzelfde."

"Het weinige, dat ik verrichtte, meriteert geeneloges," zeide Reynhove: "ik ben te gelukkig van in de occasie te zijn geweest, om de dames eenige geringe diensten te kunnen bewijzen, en heb niets gedaan als hetgeen ieder, die eenig gevoel van compassie en betamelijkheid bezit, in mijne plaats zoude verricht hebben."

"Dat is een mooi compliment voor Weinstübe," zeide Suzanna.

"Ik kan het niet helpen," zeide Reynhove, "zoo hij geen beter meriteert."

"Nu!" zeide mijn moeder, altijd geneigd om alles van de beste zijde te zien: "hij is verschoonbaar: ik kan nog al vergeven, dat men bij een storm anderen vergeet en alleen om zich zelven denkt. Aan wal zou hij waarschijnlijk beleefder geweest zijn."

"Ik twijfel er aan," zeide Suzanna, het hoofd schuddende.

"En dan," voegde Tante Letje er bij: "ik ken den mensche niet; maar, een zondaar zijnde, gelijk wij allen, zal hij misschien, toen hij de stemme Gods hoorde spreken op de wateren, gedacht hebben, dat de ure des oordeels over hem gekomen was, en zijn ziele hebben gewend tot boete en bekeering."

"Dat is wel mogelijk," zeide Reynhove: "want hij heeft dien avond meer gebeden gereciteerd, dan hij anders, geloof ik, in een jaar doet."

"Welnu," hernam Tante: "UEd. ziet, dat ik gelijk heb:"—en alzoo acht ik het vergeeflijk niet alleen, maar zelfs betamelijk en lofwaardig in dien Weinstübe, dat hij, vervuld zijnde van die dingen, welke dienstig zijn tot de zaligheid, zich alleen bezighield met het noodige, en die kleinigheden verwaarloosde, welke de wereld voorschrijft, maar die in een zoo plechtig oogenblik niet meer zijn dan asch en drek."

Reynhove keek eenigszins zuinig bij het aanhooren van deze taal; maar hij was te wellevend om er iets op te antwoorden; Suzanna beet zich op de lippen, als wilde zij het stekelige antwoord bedwingen, dat haar op de tong zweefde. Wat mij betreft, ofschoon hulde doende aan de gevoelens, welke de woorden mijner Tante hadden ingegeven, ik kon niet verdragen, dat Weinstübes gedrag op het jacht als lofwaardig voorgesteld of ten koste van dat van Reynhove geprezen zoude worden, en vatte daarom het woord op.

"Tante!" zeide ik: "neem mij niet kwalijk; maar ik moet een opmerking maken. UEd. hebt menigmalen, in mijn bijzijn, die kluizenaars veroordeeld, die wanen den hemel te zullen winnen, door zich af te zonderen en hun leven met bidden te slijten, zonder van eenig nut voor hun medemenschen te zijn."

"Dat heb ik," zeide Tante: "want er staat geschreven: Niet zij, die roepen: "Heere: Heere!" maar zij die den wille des Vaders doen, zullen het koninkrijk Gods beerven.

"Welnu," vervolgde ik: "op de groote levensreis zijn wij verplicht ons leven zoodanig in te richten, dat het niet slechts tot onze heiligmaking strekke, maar ook aan den naaste nut en voordeel aanbrenge. Is dit in het algemeen waar, zoo is het zulks ook in bijzondere gevallen als op onzen tocht met het jacht, dien ik een afschaduwing der levensreis durf noemen, in zooverre als wij, reisgenooten zijnde, met moeilijkheden en wederwaardigheden te kampen hadden. Nu, op dien kleinen tocht handelde Weinstübe juist zoo, als de kluizenaars, die UEd. veroordeelt. Hij vergat, dat er anderen met hem waren, zwakker en meer hulpbehoevend dan hij, en in de plaats van hun nood te verlichten, bemoeide hij zich niet met hen, maar strekte hun tot last en maakte hun toestand nog moeilijker en onaangenamer. De Heer Reynhove daarentegen, die voorzeker, zoowel als ik, met ernstige gedachten bezig was, bleef echter in het oog houden, dat zijn welbegrepen plicht niet medebracht om op een bank te liggen zuchten, maar wel om zijn reisgenooten te ondersteunen en op te beuren: en zoo wij in die ure vergaan waren, zou hij met de zelfvoldoening gestorven wezen, dat hij bij het opontbod werkzaam gevonden was."

"Zoo gij het op die wijze beschouwt, Neef!" zeide Tante, "dan hebt gij gelijk: en dan had zeker die Duitsche Heer beter gedaan, zoo hij niet alleen zelf gebeden had, maar ook de overigen in een lofwaardige stemming had pogen te brengen."

"Mijnheer!" zeide Reynhove, mij met warmte de hand drukkende: "ik declareer u op mijn eer, dat UEd. een perfect Advocaat zoudt zijn! maar waarlijk! ik meriteer niet, dat UEd. met zulken lof spreekt van de stemming, welke mij toen bezielde. Ik had een pressentiment, dat wij er wel zouden afkomen; en dacht daardoor zeer weinig aan die zaken, waarover ik had moeten denken, gelijk Mejuffrouw mij zeer juist doet inzien. Ik schaam mij wel een weinig, dat te avoueeren; maar ik begeer geene louanges, die mij niet toekomen."

"Dat is braaf van u gedacht, Mijnheer Reynhove!" zeide mijn vader, "en doet u in mijne opinie rijzen. UEd. zal het misschien onbeleefd vinden, dat ik u de eerste reis, dat UEd. ons met een bezoek vereert, zoo onbewimpeld de waarheid zeg; maar ik moet u ronduit verklaren, naar het weinigje, dat ik van u gezien heb, oordeelende, dat het van u afhangt, een voortreffelijk mensch, en wat meer zegt, een godvreezend Christen te worden."

"En ik, Mijnheer!" zeide Reynhove, "kan u van mijne zijde declareeren, dat ik niets meer ambitionneer dan uwe goede opinie te meriteeren."

"Is UEd. niet een zoon van den Heer Ambrosius Reynhove, die lid is van HH. Hoogmogenden?" vroeg mijn vader.—Reynhove boog.

"Wel! dat verheugt mij. Wij zijn nog te zamen aan de academie geweest. Hij was een mijner beste vrienden."

"Hij heeft mij ook met hooge achting over UEd. gesproken," zeide Reynhove, "en mij gechargeerd, UEd. zijne complimenten te brengen."

"Wij zeiden dikwijls onder ons," vervolgde mijn vader: "Reynhove zal nog eens een aanzienlijk persoon worden; want toen reeds was hij deprimus inter paresen de geboren Voorzitter van alle mogelijke Studenten-commissiën.—En UEd., Mijnheer Reynhove! bekleedt zeker ook reeds deze of gene betrekking?"

"Tot nog toe niet. Ik kan niet zeggen, dat ik die ooit zeer geambitionneerd heb."

"Des te erger, Mijnheer!—Iemand van uwe jaren, die niet geheel van bekwaamheden ontbloot is, behoort werkzaam te zijn, en niet te vergeten, dat de Staat recht heeft op zijn arbeid en talenten:

Hos ante effigies maiorum pone tuorum,

Hos ante effigies maiorum pone tuorum,

Bovendien, de ledigheid is een duivelsoorkussen."

"Spreek toch niet zoo, Papa!" zeide Suzanna, die ik alreeds wegens haar langdurig stilzwijgen bewonderd had: "'t Is uit klinkklare edelmoedigheid, dat Mijnheer niets uitvoert."

"Uit edelmoedigheid, Mejuffrouw!" herhaalde Reynhove verbaasd.

"Wel ja," hernam zij: "er zijn zoovele arme slokkers, die niets bezitten en naar een postje hunkeren, om er van te bestaan, dat de Heer Reynhove, die rijk genoeg is, geen hunner daarvan berooven wil."

"UEd. is te goed, Mejuffrouw!" zeide Reynhove: "maar ook dezen lof moet ik refuseeren; want ik beken, dat mij dit excuus nimmer voor den geest is gekomen."

"Het zou bovendien geene verschooning zijn," zeide mijn vader: "zoolang er eereposten genoeg zijn, die werk verschaffen en die men zonder bezoldiging waarneemt. Ik ben overtuigd, Mijnheer Reynhove! dat uw vader er over denkt gelijk ik."

Reynhove boog, niet wel wetende wat hij zeggen zoude.

"Maar ik vergeet," vervolgde mijn vader, "dat UEd. mij niet zonder reden zoudt kunnen betichten mij te bemoeien met hetgeen mij niet aangaat. Schrijf dit toe aan mijn post van Hoofdschout, die mij in de noodzakelijkheid brengt van mij met eens andermans zaken te bemoeien."

"Ik schrijf," zeide Reynhove, "dit liever toe aan UEd. belangstellende vriendschap en neem in die suppositie uwe raadgevingen met dankbaarheid aan, gepersuadeerd, dat UEd. mij niets kunt zeggen dan hetgeen door mij verdient gemoditeerd en betracht te worden."

"UEd. neemt het recht heuschelijk op," zeide mijn moeder: "mag ik vragen, waar UEd. gelogeerd is?"

"Bij den Heer Blaek," antwoordde Reynhove: "ik heb zijn zoon op de paardenmarkt leeren kennen en heb niet kunnen weerstaan aan zijn pressante invitatie, om eenigen tijd bij hem te komen passeeren."

Mijn vader keek eenigszins strak; maar hervatte spoedig met minzaamheid: "ik twijfel niet, Mijnheer! of uw verblijf bij den Heer Blaek is genoeg berekend om u allerlei genoegens te doen smaken: ook wil ik hem zijn gasten niet aftroggelen. Intusschen, zoo UEd. eens een dag vrij zijt en den gewonen pot bij ons voor lief wilt nemen, wees dan zoo goed daarvan gebruik te maken. UEd. zult ons altijd welkom zijn."

"O ja, Mijnheer!" zeide mijn moeder: "maar vergeet niet, dat het geen Haagsche festijnen zijn, welke wij u kunnen verschaffen."

"UEd. heeft te veel goedheid," zeide Reynhove: "zijt geassureerd dat ik er met het grootste plaisir van profiteeren zal, en mij feliciteer, van zoo wèl in eene estimabele familie als deze geaccueilleerd te zijn."

Na eenig verder onderhoud stond Reynhove op en nam afscheid. Toen hij vertrok, deed ik hem uitgeleide. Zoodra wij in de gang waren, nam hij mij bij de hand: "Ik had nog een verzoek aan u," zeide hij: "maar ik dorst er daarbinnen niet mede voor den dag komen: uw ouders zijn zulke deftige lieden: ik was bang, dat zij mij railleeren zouden. Ik zal u zeggen, wat het geval is. Ik beweerde gisteren tegen Blaek, dat ik met mijn Engelschman naar Haarlem en terug zoude rijden in zeven kwartier; hij pretendeert hetzelfde te kunnen doen met de harddravers, die hij van den Heer Van Baalen gekocht heeft: en daaruit is een pari ontstaan, wie onzer het eerst den weg heen en weder zoude afgelegd hebben. Wij moeten dit morgennamiddag beslissen: te vijf uren rijden wij af aan deTweehonderd Roe. Hebt gij lust om het te komen zien en naderhand een glas wijn te blijven drinken?"

"Ik dank u," antwoordde ik, "ik moet aan 't kantoor zijn. Er is een schip van ons, dat op zijn vertrek staat, en dat geeft mij veel drukten."

"Het spijt mij," zeide hij: "nu,au revoirdan."

Hij vertrok en ik keerde in de huiskamer terug, bij mijzelven denkende dat Reynhove wel gedaan had, zijn voorstel niet te doen in tegenwoordigheid mijner ouders, bij wie een harddraverij contrabande was. Toen ik binnentrad was mijn moeder bezig, mijn vader in 't vriendelijke te beknorren, dat hij dien vreemden Heer, bij zijn eerste bezoek, zoo de les gelezen had.

"Kom! kom!" zeide mijn vader: "ik zou het niet gedaan hebben, indien ik niet de overtuiging bezat, dat bij dien knaap een goede grond ligt en dat de kern beter is dan de schil. 't Is maar jammer, dat hij met dien Lodewijk Blaek omgaat."

"En dat hij zooveel Fransche woorden bezigt," zeide mijn moeder.

"Dat is Haagsche stijl," zeide ik: "en hij doet het niet erger dan anderen."

"Hij zal nog veel te leeren hebben, eer hij de tale Kanaäns spreekt," zeide Tante Letje.

"En gij Santje! Hoe denkt gij over onzen nieuwen kennis?" vroeg ik, bemerkende dat Suzanna, tegen haar gewoonte, stil was: "hoe bevalt hij u?"

"O! ik vind hem zeer naar mijn zin," antwoordde zij: "gij weet, ik hou veel van kapellen, en duizendschoonen, en gouden torren, en palmpaschen- en pinksterbloemen en al wat blinkt en sierlijk is."

"Dat is geen bepaald antwoord op mijn vraag," zeide ik: "hij verdient volgens de getuigenis van vader, niet verward te worden met die pronkers, wier eenige verdiensten in hun mooien rok bestaat."

"Volstrekt niet," hernam zij: "want hij draagt bovendien een bijzonder nette pruik en keurige lubben en een schitterenden diamant aan zijn das.—Het portret van den saletjonker uit denVerliefden Poëetvan Buysero is volkomen op hem toepasselijk:

'k Zag nooit netter van mijn leven:Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven.Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om rechtTe gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht.Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen.Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen.En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn."

'k Zag nooit netter van mijn leven:Wel driemaal op een dag werd hem schoon goed gegeven.Geen kreukje zag men in zijn kleeren, en, om rechtTe gaan, 't was in dien tijd een keuning van een knecht.Hij wou zijn handen maar in rozewater wasschen.Men heeft zijn leven zoo geen man een pruik zien passen.En zijn handschoenen, ho! die waren klaar Jasmijn."

"Santje! Santje!" zeide ik: "biecht zuiver op; want ik bedrieg mij zeer, of die Hagenaar heeft een goed oog op u; en zoo gij iets tegen hem hebt, is het beter, dat hij maar spoedig daarvan kennis bekome; anders zal hij het u nog lastig genoeg maken."

"Santje heeft volkomen gelijk, dat zij het met een Jantje van Leiden afmaakt," zeide mijn moeder: "een jong meisje moet zich nooit uitlaten over een Heer: het mocht haar naderhand berouwen."

"Juist zoo!" voegde mijn vader er bij: "want de oude spreuk zegt terecht, dat men met zijn spot naar bed gaat."

Met deze grap was het onderhoud over Reynhove besloten en wij vervielen langzamerhand weder tot de zwaarmoedige stemming en de stilte, waaruit zijn bezoek ons voor een poos gered had.—Mijn zuster zelfs, anders zoo levendig en opgeruimd, deed geen moeite om het gesprek gaande te houden, en zat in gepeinzen verdiept: 't zij dat haar genegenheid voor mij haar de slechte uitkomst van mijns vaders pogingen evendiep had doen gevoelen alsof het haar eigene zaak geweest ware: 't zij dat werkelijk het bezoek van Reynhove een bijkomende aanleiding tot overdenking had opgeleverd. Eindelijk vroeg mijn moeder, onder andere onverschillige zaken, aan Tante Letje, of zij de Juffer nog gezien had, die bij Heynsz aan huis woonde?

"Wel ja!" antwoordde Tante: "heeft Neef u niet verhaald, dat hij haar tot mijnent ontmoet heeft?"

Allen zagen mij aan en mijn vader zelfs met een ernstigen blik. Ik gevoelde terstond, hoe verkeerd ik gedaan had, van deze toevallige ontmoeting niet te reppen; daar ik nu van achteren den schijn op mij laadde, als had ik die opzettelijk verzwegen.

"'t Is waar!" zeide ik: "ik had het vergeten ... ik had het hoofd zoo vol. Ook heb ik niet gedacht, dat er iemand belang in stelde."

"Nu! die jonge Juffer stelt dan wel belang in u," zeide Tante in haren eenvoud des harten: "zij is nog tweemalen sedert dien tijd bij mij geweest, en heeft mij telkens naar u gevraagd, Neef!—Een zoet meisje, dat moet ik zeggen: jammer maar, dat zij Roomsch is. Haar vader had mij heden ook bezocht, om mij te bedanken voor de vriendelijkheid, die ik, zoo hij zeide, voor zijn dochter gehad had. Een beleefd mensch die Heer Van Beveren, dat moet ik zeggen."

"Van Beveren!" herhaalde mijn vader, die met aandacht naar de woorden zijner zuster geluisterd had: "waar hoort die man te huis?"

"Te Deventer!" antwoordde Tante: "doch hij schijnt hier welbekend; althans hij heeft mij over vele lieden gesproken en wist bijna aller betrekkingen."

"Te Deventer! zoo!" herhaalde mijn vader, nadenkend: "en heeft u die Heer Van Beveren geen geld ter leen gevraagd?"

"Neen Broeder! En hij zag er ook niet uit als iemand, die geld behoefde. Hij was goed gekleed en had het geheele voorkomen van een man, die in de groote wereld leeft."

"Ik behoef u niet te vertellen, Zuster?" zeide mijn vader, "dat de duivel zich somtijds in een engel des lichts verkleedt, om zijn oogmerken te bereiken. Ik zou u aanraden, wat voorzichtig met die lieden te zijn."

"Hoe dan: weet gij eenig kwaad van hen, Broeder?" vroeg Tante, met eenige bezorgdheid.

"Niet het minste; maar ik wil dat toch eens onderzoeken ... er is toch iets, dat mij vreemd voorkomt."

"Gij zult toch niet denken, Willem!" zeide mijn moeder: "dat Heynsz verdachte lieden zal herbergen?"

"'t Is zeker, dat zulks nogal grappig zoude wezen," hernam mijn vader: "maar gij hebt gelijk en uw aanmerking is juist.—En Zuster! sprak de dochter van dien Heer zoo belangstellend over Ferdinand?"

"Och Vader!" zeide ik, alle vermoedens wenschende af te wenden: "Tante zal de zaak waarschijnlijk een weinig vergrooten. Zij en ik zijn misschien de eenigen, die Amelia behalve haar huisgenooten kent."

"Ei! heet zij Amelia?" vroeg mijn vader: "gij schijnt reeds vrij familiaar met haar te zijn, om haar zoo bij haar doopnaam te noemen!"

Ik zag, dat Suzanna bleek werd en ik merkte dat ikzelf een kleur over mijn onvoorzichtige uitdrukking kreeg. Mijn Zuster, waarschijnlijk om mij uit de verlegenheid te redden, zei met een gemaakten lach:

"'t Zal een prinses zijn, die incognito reist; en prinsessen worden nooit anders als bij haar voornamen genoemd."

"Dat is zeker," zeide ik, moed vattende, "dat ik haar doopnaam beter weet, dan haar familienaam; maar overigens is onze kennis al zeer gering en ik verlang die niet nader aan te knoopen, hoe lief zij ook wezen moge."

"Niet?" zeide Tante: "en gijzelf, Neef! hebt haar zoozeer tot voorspraak gestrekt, toen ik haar wilde verstooten."

"Wel Tante! Wat zal ik u zeggen? Uw goedheid spoorde u aan, haar, die u onbekend was, bij u te ontvangen: en mijn hart zeide mij dat de leer, die zij beleed, haar aanspraak op uwe bescherming niet verminderde. Dat is alles."

Mijn vader zag mij aan, schudde bedenkelijk het hoofd, nam een snuifje en verwijderde zich om in zijn vertrek te gaan arbeiden: zoodat, zeer tot mijn genoegen, het gesprek over Amelia en haren vader hierbij rusten bleef.

Het was gelukkig voor mij, bij de stemming, waarin ik mij bevond, dat het ophanden zijnde vertrek van Kapitein Pulver mij vrij wat bezigheid aan 't kantoor verschafte en daardoor buiten de mogelijkheid stelde om mij over te geven aan mijn leedwezen over de ondervonden teleurstelling. Al had de arbeid geene andere nuttigheid als deze, dat hij den geest bezig houdt en belet het verdriet te gevoelen, dan nog zou hij als een weldaad voor het menschdom moeten beschouwd worden. En boven alle andere zijn, in gevallen, wanneer de ziel ontroerd en geschokt is, de zoogenaamde dorre eentonige werkzaamheden, welke ons beroep verschaft, verkieslijk boven die, welke een meer aanlokkende zijde hebben en waarbij de verbeelding mede in 't spel gebracht wordt. Wijsbegeerte en fraaie letteren mogen op den duur kalmte en vertroosting aan den geest bieden: haar beoefening zoude ik vergelijken bij die van de gezondheidskuur, waarvan de invloed, hoe heilzaam ook, eerst later gevoeld wordt; beroepsbezigheden zijn als de pijnstillende opium of de blaartrekkende pleister, welke de kwaal niet wegnemen, maar ons beletten die te gevoelen.

Maar toen ik, na afloop van het kantoor, weder te huis kwam, en de avond te schoon was, om dien op mijn kamer door te brengen, terwijl de dames uit waren, keerde mijn zwaarmoedigheid. "Kom!" dacht ik, na een wijl gepeinsd te hebben: "ik heb op dit oogenblik geen grooter vijand dan mij zelf en mijn gedachten: ik moet of werk hebben of bezigheid zoeken. Waarom zou ik niet naar den Haarlemmerweg gaan en zien hoe de weddenschap is afgeloopen?"

Dit besluit gevormd hebbende, begaf ik mij dadelijk op weg, wandelde de singels om naar de Haarlemmerpoort en kwam ongeveer tegen half zeven ure aan de Tweehonderd Roe; waar ik weldra vernam, dat de beide wedders te vijf uren precies waren afgereden, en dus, bijaldien er geen ongeluk had plaats gehad, welhaast moesten terug wezen. Een vrij talrijk gezelschap zat in den tuin en voor de deur der herberg bijeen, met de wijnflesch of bierkan voor zich, naarmate de staat hunner geldbeurs meerdere of mindere uitgaven gedoogde: anderen wandelden langzaam den weg op en neder, blijkbaar den uitslag des wedrens verbeidende; terwijl enkelen, te paard of in hun chaisen gezeten, met hetzelfde oogmerk stapvoets op en neder reden. Daar waren, onder dien toevloed van menschen, lieden van elken rang of stand, vermogende renteniers, deftige kooplieden, beunhazen, pikeurs, stalhouders en voerlieden; doch allen, op weinige uitzonderingen na,ridders van de zweep: en de onderscheidene gesprekken, welke hier en daar gevoerd werden, hadden overal slechts één onderwerp, de edele rijkunst. De verdiensten der paarden van Lodewijk Blaek, die bij allen bekend waren, werden overwogen: de groote feiten, door hen verricht, in ai hun kleuren opgevijzeld; hun betrekkelijke waarde vergeleken: de prijs, dien zij gegolden hadden, genoemd, enz. enz. Wat het paard van Reynhove betrof, daarover dorst men een minder beslissend oordeel vellen, vermits het slechts aan weinigen bekend was; doch men was van gedachten, dat het, ofschoon uiterlijk van weinig apparentie, echter droog en fraai was, en tot die soort van paarden behoorde, welke niet bij uitstek snel loopen, maar een gestadigen gang hebben en het lang uithouden zonder zich te vermoeien.

Ik keek ondertusschen rond, of ik niet hier en daar onder de menigte een gezicht van een kennis zoude aantreffen; maar ofschoon ik met dezen en genen, die mij van de beurs of van elders bekend was, een groet, of een kort: "hoe vaart Mijnheer?" wisselde, zag ik niemand, met wien ik het de moeite waardig achtte, een bepaald gesprek aan te knoopen. Daar ik eerst aan de Academie, en toen buitenslands geweest was, had ik weinig bekenden, althans onder dat slag van lieden, hetwelk zich hier bevond.—Eindelijk, mij langs een hoopje begevende, dat nog luidruchtiger en drukker was dan de rest, hoorde ik mij eensklaps bij mijn naam noemen: en, mij omwendende, herkende ik Weinstübe, die met een grooten roemer in de eene en een zweep in de andere hand, den redetwist, waarin hij gewikkeld was, afbrak om mij aan te spreken.

"Huyck" riep hij: "foor wien wed jij?"

"Voor geen van beiden," antwoordde ik, mijn hoed even aflichtende, als wilde ik mijn wandeling vervolgen.

"Nein! Pots tit und tat! Je komt er zoo nicht af! Je solt seggen voor wien je pint. Wed jij tegen mich. Ik heb een sakkie sesthalven kewed op de plessen van Plaeck: en er is niemand, die meer dan een sakkie toepeltjes teugen houdt. Toe jij me nou de frundschap und neemt de rest."

"Ik zou u gaarne dat genoegen doen," zeide ik: "maar ik wed niet zoo maar in den wilde: de blessen van Blaek ken ik ternauwernood en het paard van Reynhove in 't geheel niet: zoodat ik over hunne vergelijkende waarde niet kan oordeelen."

Ik dacht er hiermede af te zijn; maar weldra had ik berouw, van maar niet ronduit verklaard te hebben, dat ik in 't geheel niet wedde; want nu kreeg ik terstond het loon voor mijne valsche schaamte.

"Laat je dat niet afschrikken, Mijnheer!" zeide een dikke vent, wien ik naderhand vernam, dat een kastelein van den Overtoom, en een beroemd paardenkenner was: die beestjes van Blaek loopen drommels goed, dat 's waar; 't bennen poppetjes, daar niks aan mankeert: zoo rond as appeltjes en as een zij zoo zacht in den bek, daarom niet; maar kijk! daar hebje dien anderen: heb ik jou daar? het biest mag zoo mager wezen as het wil: des te minder zit hem zijn vet in den weg:—en as je 't zoo ziet afrijen, je zoudt zeggen: het slaat zien beenen deur mekaêr of het mal was;—maar laat hem gerust zijn gang gaan: hij zal het uithouen op den langen weg—en ze alle achter hem laten. Kijk!—het zakkie dubbeltjes durf ik op hem resikeeren; en het past mijn en mijns gelijken niet om meer te doen;—maar hou jij gerust de rest: 't zei je geen schaê doen; zoowaar ik Krijn Jaspersz hiet."

"Ik wil het best gelooven," zeide ik: "maar in zoodanige gevallen ga ik niet op goed geloof af, en dat zult gij mij niet kwalijk nemen. Gij zoudt ook niet gaarne een paard koopen of er op wedden, zonder het alvorens gezien te hebben."

"Nou, dat 's waar ook," zeide hij: "maar anders!... Ik heb de eer niet, van Meneer parteklier te kennen, en ik weet niet, of Meneer verstand van paarden heit; want anders ben je nog niet sekuur al heb je ze gezien: dat heit die makelaar ondervonden, die laatst bij ons was, daar Blaek die ouwe knol van hem an verkocht heit."

"Ja!" zeide Weinstübe, grinnikende: "dien heeft hij oud peet kehad."

"Zoo! heb je ook al gehoord van den moord van Parijs?—Nou! die goeie man had het paard ook gezien en geprobeerd: en hij docht, dat hij wonder wat kocht; maar jawel!—hij liet zich royaal weg een ouwen blinden knol in de handen stoppen en mag den hemel danken, zoo hij er den volgenden dag den nek niet mee gebroken heeft."

"Maar dat is niet veel beter dan stelen," zeide ik: "op deze wijze van eens anders onnoozelheid partij te trekken."

"Hei ho! daar komen zij! daar komen zij!" riepen eenige stemmen. Alles stoof op en keek den weg op; hoewel er nog niets te zien was, dan een stofwolk, die aan deze zijde van het tolhek opsteeg.

Ongeduld, verwachting, hoop en vrees, waren op de aangezichten te lezen, en men staroogde, alsof men den blik door het stof heen had willen laten dringen, om te ontdekken, wie de overhand had. Het duurde echter niet lang, of beide rijtuigen waren naast elkander zichtbaar, zonder dat men nog door den afstand kon onderscheiden welk het eerste was.

"Zij zijn er waarachtig allebei!" riep de een,—"zij hebben mekaar goed bijgehouen!" riep een ander.—"Nou! wat braatje nou van uithouen?" vroeg Weinstübe aan Krijn Jaspersz.: "je ziet immers, dat de peesten an mekaar kewaagd zijn. Heb je ook perauw? Sol je 't afmaken wille voor de helft."

"Patientie!" zei de kastelein: "de laatste loodjes wegen het zwaarst."

"De ruin is voor!" riep opeens een stem.

"Neen! neen!" zeide een ander: "de blessen winnen het."

"De blessen winnen het!" riepen onderscheidene stemmen. En inderdaad zag ik nu ook, dat de twee paarden een eind dichter bij waren dan het eene; ofschoon het rijtuig, dat door de eerstgemelden getrokken werd, wild over den weg heen en weder slingerde, terwijl de sjees van Reynhove met een gelijken gang vorderde.

"Hoera!" riep Weinstübe, met den hoed zwaaiende: "had je nu mijn foorschtel maar aannemen willen. Het sakkie toeppeltjes is mein."

"Hoezee!" riep de menigte, en opende zich voor het rijtuig van Blaek, die, met purper aangezicht, schreeuwende en juichende kwam aangereden. Maar nauwelijks had hij de plek bereikt, als de uiterste grens van den wedren bepaald, of een zijner paarden stortte en hij zelf tuimelde uit de sjees. Hij was echter dadelijk weder op de been en werd nu door de toestroomende liefhebbers met luid gegalm als overwinnaar begroet. Reynhove was intusschen insgelijks aangekomen, mede vrij verhit en ontdaan; doch zijn paard toonde slechts weinige blijken van vermoeidheid en wettigde daardoor de lofspraak, daaraan door Krijn Jaspersz gegeven. Alleen het schuim, waarmede het bedekt was, een korte hoest en een trillende beweging van het lichaam, toen het stilstond, gaven bewijs dat het hard geloopen had. Een lakei van Reynhove schoot dadelijk toe, dekte het met een warm kleed en bracht het op stal met behulp van den kastelein derTweehonderd Roe. Ofschoon nu onze Hagenaar het onderspit gedolven had, bleek mij echter dat de oordeelvelling van den Overtoomschen kastelein juist geweest was; want de paarden van Blaek hadden zich overloopen: het eene lag, zooals ik gezegd heb, op den grond en scheen meer dood dan levend; het andere stond nog, doch hijgende als een juffershondje en zoo onvast op de beenen, als ware het op het punt van neer te storten. Met veel moeite deed men het gevallene opstaan, en bracht men beide opstal.

"Jongen! dat is jammer!—Ik hoop, dat het den beestjes geen kwaad zal doen! Zij hadden zich zoo mooi gekweten!—Je bent den ander toch vooruitgebleven!—'t Mag wezen hoe 't wil: 't is beter, dat ze crepeeren, dan dat die magere knol je voorbij ware gereden, enz. enz."—Zoo klonken de troostredenen, die nu in ruime mate aan Lodewijk werden toegevoegd; maar waar hij geen oor naar had, zoo grootsch was hij op zijn overwinning; ofschoon hem die waarlijk een paar goede paarden kosten zoude.

"Ik ben toch de baas gebleven!" riep hij Reynhove toe, met een zegevierenden blik.

"Dat geloof ik wel," zeide deze, met spijtige bedaardheid: "gij waart schier aan 't hollen geslagen: en ware uw paard niet gestort, dan zoudt gij ze niet gearrêteerd hebben. Op zoo'n wijze zoude ik niet willen triomfeeren."

"Heb ik het niet gezeid?" zeide Krijn Jaspersz: "'t is een bloot toeval en meer niet, zoo de blessen eerst an zijn; maar ik vraag maar an iedereen, of die prijs mooi gewonnen is? Ik heb gezeid, en ik blijf er bij, dat de ruin op den langen weg beter loopt: en as Meneer hem niet had willen sparen, was hij nog de baas gebleven."

"As! As!" herhaalde Weinstübe: "asch is verbrante tourf: en je pint toch je toeppeltjes kwijt, man."

"Dat ben ik," zeide Krijn: "heb daarover geen zorg; maar dat belet niet, dat ik op zoo'n manier geen weddenschap zou willen winnen."

Onder dit praten waren Reynhove en Lodewijk, door de omstanders heen, de herberg binnengedrongen: en geen trek hebbende, om mij in dien wilden boel te mengen, noch om langer naar de klaagliederen van Krijn Jaspersz te luisteren, begaf ik mij naar den tuin, zette mij neder en bestelde een roemer wijn, met oogmerk om na het gebruik daarvan huiswaarts te keeren. Ik had nauwelijks eenige minuten gezeten en was, bij de algemeen heerschende drukte, nog niet geholpen geworden, toen de waard in persoon naar mij toekwam en mij uit naam van Reynhove vroeg, of ik hem en aan de overige Heeren de eer aan wilde doen, mij bij hen te vervoegen.

"Ik bedank Mijnheer wel voor zijn beleefdheid," antwoordde ik: "het is mij daarbinnen te vol en ik ga zoo aanstonds heen."

"Vol! Mijnheer!" herhaalde de waard: "wel neen! zij zitten maar metter zessen daar gunter in den koepel: 't is zeker anders wel de gewoonte, datter meer van de partij zijn, maar die Heer uit Den Haag valt nogal grootsch en wil niet graag met anderen als met zijns gelijken converseeren. Nou! 't is mij wel wat scha; maar wat zal ik zeggen?"

Ik keek in de richting, welke hij mij aanwees, en zag inderdaad, dat Reynhove, Blaek, Weinstübe en een drietal Officieren, zich in een der bij de herberg behoorende koepeltjes bevonden, dat voor hen was vrijgehouden: en het gaf mij juist geen kwaden dunk van Reynhove, dat hij niet verlangde met Jan en alleman te zitten.

"Nou, wat mot ik zeggen?" vervolgde de waard.

Ik had voorzeker wijzer gedaan, en mij vrij wat verdriet bespaard, indien ik bij mijn voornemen gebleven ware en de Heeren alleen had gelaten; maar eensdeels deed een misschien kwalijk gepaste schaamte mij vreezen, dat Reynhove het euvel zoude opnemen, indien ik het voorstel afsloeg; te meer, daar ik mij den vorigen dag verschoond had en nu toch was komen kijken: en daarbij dreef een dwaze ijdelheid mij aan, om mij geroepen te wanen, ten einde aan die liefhebbers een nuttige les te geven. Kortom, ik stond op en volgde den waard naar het koepeltje, waar onze Heeren onder de flesch bijeenzaten.

"Wel! ik moet zeggen," zeide Reynhove. toen hij mij zag: "het kost niet weinig moeite de eer van Mijnheers gezelschap te bekomen. Gisteravond verzoek ik u, en gij refuseert: vandaag verandert gij van idee, en dan laat gij u nog bij de ooren trekken, om ons uw sociëteit te schenken."

"Ik houd niet van mij in te dringen," zeide ik: "en blijf slechts een oogenblik."

"Wel, ik hoop van beter," hernam hij: "maar neem plaats: ik weet niet of gij deze Cavaliers kent: de Heeren Contour, Reekalf Van Ranst, officieren te Naarden in garnizoen." '

Ik boog mij en nam plaats.

"Wat is dat voor een bocht van wijn?" riep Lodewijk, die mij slechts even met een hoofdknik had begroet: "Jan! haal anderen wijn: denk je, dat wij zulke vergifte kost willen zuipen? Haal van den Klooster Baserac: immers zoo de baas er nog van dezelfde heeft als laatst."

"Het heeft weinig gescheeld," zeide ik tegen Reynhove, "of gij hadt den prijs behaald."

"'t Heeft genoeg gescheeld," zeide Lodewijk: "ja! laten zij maar komen, die het tegen de blessen uithouden."

"Nu ja," zeide Reynhove, niet zonder wrevel over het bluffen van Lodewijk: "indien ik mijn paard had willen ambimeeren, zooals gij uwe beesten gedaan hebt, dan had ik u op Halfweg al vooruit kunnen zijn."

"Nu vraag ik aan elk verstandig mensch," zeide Lodewijk, met een luiden lach, "of zulk een verschooning wel iets anders als een uitvlucht is?—Wat duivel! die zijn paarden sparen wil moet niet wedden.—Wat zegt gij er van, Weinstübe?..."

"Das ist recht," antwoordde deze: "onze freund Reynhove sol het auch gaar nicht meinen wollen. Maar met dat al, zijn rein is ein gnap peestje und loopt blaisierig: ich sol hum er nog een sakkie koeltens voor pieten wollen."

"Wacht eerst, tot het te koop is," zeide Reynhove; "intusschen ben ik gereed, zoo vriend Blaek wil, morgen weer tegen hem te rijden, tot aan Guldenhof toe: en voor het dubbele geld."

"Of ik mal ware," zeide Lodewijk: "kom over veertien dagen eens weer, dan zullen wij er nader over spreken."

"Over veertien dagen," zeide Reynhove: "zullen de blessen wel denzelfden weg zijn opgegaan als de witvoet."

"Dat ware altijd een laatste uitkomst," zeide Lodewijk, lachende: "ja! van dat ouwe dier ben ik zeker wél afgekomen."

"Van den witvoet?" herhaalde Reynhove, met verbazing.

"Wat was dat?—Eilieve vertel eens!" vroegen de Officiers: "heb je nog geld aan dat oude beest verdiend?"

"Ja kottorie!" zeide Weinstübe: "laat Plaek dat eens vertellen: je houdt waaraftig je pijk fast fan 't lachen, as je 't hoort."

"Wel, luistert dan," zeide Lodewijk, zijn glas inschenkende, waarna hij zich, met de handen in de vestzakken, achterover in zijn stoel wierp en de houding aannam van een ouden gediende, die een treffelijke krijgsdaad gaat verhalen: "Gijlieden kent Jan Velters van de Leliegracht, die in de wandeling Jan Rijstenbrij wordt genoemd?"

"Een best goed kalf van een jongen," zeide Contour: "'t is nog zoowat een brok van een neef van mij: wij plachten hem altijd te foppen, toen hij klein was: maar er was geen eer met hem te behalen; de sul liet zich alles doen."

"Ik heb hem een paar reizen ontmoet," zeide ik: "hij kwam mij voor een beleefd, werkzaam mensch te zijn, wien niets ontbreekt als een betere gezondheid en wat ruimer middelen."

"Ja!" zeide Weinstübe: "recht zoo! 't is een khale rot; maar hij werkt koet: hij petient ons wel als makelaar: en ik moet zeggen, hij is altijd bront en oblizant."

"Juist zoo!" zeide Lodewijk: "welnu!—Gij hebt allen dien witvoet van mij gekend: een goed en deugdzaam paard in zijn tijd; maar die nu mooi oud, gebroken en hardademig was, en zoo blind, dat ik al last had gegeven om hem dood te schieten.—Maar of ik blij ben, dat ik het niet gedaan heb.—Verleden week, moet gij weten, zit ik bij den ouwe in zijn kamer; daar komt mij die Jan Rijstenbrij met zijn bleeke tronie aangewandeld, met een pak papieren onder den arm, van een graf, dat de ouwe in de Westerkerk voor zich had laten koopen."

"Jongen!" viel de luitenant Reekalf in: "heeft de ouwe plan om op te stappen? Dat zou je goed komen, vriendje?"

"Dat zou het net," zeide Lodewijk, terwijl Reynhove een blik van verontwaardiging op den Officier wierp: "nu:—de knaap zag er zoo ontdaan uit van de kleine wandeling, die hij gemaakt had, dat de ouwe hem verzocht te gaan zitten en hem vroeg, hoe hij het al zoo maakte: "niet te best," was het antwoord: "ik ben verleden week naar Leiden geweest om Professor Boerhave te raadplegen: en die heeft mij het paardrijden aanbevolen."—"Zoo!" zeide mijn vader: "en heb je zijn raad al gevolgd?"—"Ja Mijnheer!" was het antwoord van Velters: "ik heb al een tochtje of wat gedaan met paarden uit de rijschool: ik wenschte wel, dat ik een goed mak beestje in eigendom kon krijgen; doch ik weet niet hoe er aan te komen. Veel geld er voor uit te geven schikt mij niet: en ik ben bang, dat zij mij in den nek zullen zien; want ik heb er geen verstand van."—Toen kwam mij de witvoet voor den geest: ik trok af, liet onzen maat zijn zaakjes met den ouwe af handelen en wachtte hem aan de voordeur af: "Zeg eens, Sinjeur Velters!" zeide ik, toen hij aftrok: "jij woudt gaarne een mak beestje hebben, nietwaar?"—"Jawel, Mijnheer Blaek!" zeide hij.—"Nu man! zoo weet ik er een voor je," zeide ik. "Er staat er nog een bij Jaspersz op stal: dat is net je gading. Zij zullen er misschien wat veel voor vragen; maar met loven en bieden komt men ver: en ik zal je de vriendschap doen, en gaan met je om te zorgen, dat je niet beetgenomen wordt.—Daar was onze man over de huizen, gelijk gij denken kunt. Wel tienmalen zeide hij, hij wist niet, waar hu zooveel beleefdheid aan verdiend had:enfin! 't was aandoenlijk om zijn dankbaarheid te zien.—Ik sprak met hem af, hij zou den volgenden morgen tegen zeven uren bij Jaspersz op stal komen, om het beestje te zien, en dan zou ik er ook wezen. Nu! gij kunt denken, wat er gebeurde: ik dadelijk naar stal, stuur den witvoet bij Jaspersz, ga zelf den man spreken en zeg hem zijn les voor. Den volgenden morgen kom ik met opzet wat later: daar stond onze maat al sedert een kwartier bij het beest, met Jaspersz, die hem er al de fraaie hoedanigheden van aanprees, alsof er nooit een beter een zadel op den rug had gedragen. Jongens! ons Veltersje was zoo blij, dat ik kwam; want hij wist niet meer wat te zeggen.—"Zoo!" zeide ik: "vriend Velters! heb je den knol al eens geprobeerd?"—"Neen Mijnheer!" antwoordde hij: "en ik weet niet, of hij mij wel lijken zou; want, naar Jaspersz zegt, moet het beest al mooi wild en vurig wezen: en dat lijkt mij niet; maar Mijnheer!" vervolgde hij, terwijl hij mij zachtjes ter zijde trok' "heeft het paard niet een ingezonken rug? dat is immers een gebrek?"—"Hm!" zeide ik: "dat hindert, niet, wanneer het gezadeld is; anders, mooi staat het niet, daar hebt gij gelijk in;—maar wij zullen eens zien. Haal het beestje maar eens uit, Jaspersz!—Jongens!" fluisterde ik Velters in, terwijl Jaspersz het beest liet opzadelen: "zie je wel hoe zuur of Jaspersz kijkt, dat ik meegekomen ben? hij weet wel, dat hij je nu niet kan foppen, al wou hij."—Dat alles slikte vriend Rijstenbrij op als zoeten koek. Toen het paard nu buiten stond, ik er op en reed er wat mede de laan op en neder, nu stappende, en dan weer op een hand galopje:—want ik was bang dat hij er in 't geheel niet mede voort zou komen, zoo ik het hem eerst berijden liet. Toen het beest wat los en lenig was geworden, verzocht ik hem mijn plaats te nemen. "Wel! wat zeg je er van?" vroeg ik, toen hij een keer of wat heen en weer was geweest. "Mij dunkt, het loopt vrij aardig," zeide hij: "maar zou het niet wat te gauw moe zijn? Het zweet staat hem een duim dik op het lijf."—"Ja!" zeide ik, "dat dunkt mij ook, Jaspersz!"—"Och Mijnheer!" zeide deze, terwijl hij een groote pruim tabak in den mond stak, om niet te lachen: "dat is van de heetigheid; het beest is in geen zes dagen van stal geweest."—"Maar!" zei Velters wederom, die toch minder onnoozel was dan ik dacht: "struikelt het niet nu en dan wel eens?"—"Dan heb je hem niet goed op den toom gehouden," zeide ik: "toen ik hem reed heeft hij niet gestruikeld."—"En hoe oud is het beest wel?" vroeg hij alweer. "Ja," zei Jaspersz: "piepjong is hij niet meer; maar Monsieur Velters verkiest ook geen heel jong beestje; meer dan een jaar of acht zal hij toen wel niet halen."—"En," vroeg ik, "wat moet dat juweel nu gelden?"—"Honderd dukaten," antwoordde Jaspersz: "en daar valt niets af te dingen. Ik heb er nog gisteren vijfhonderd gulden voor geweigerd aan Mijnheer Zadelhoff, dien Mijnheer kent."—"Honderd dukaten!" herhaalde ik op een toon van verontwaardiging, terwijl ik bij mijzelven lachen moest om het scheef gezicht, dat Velters zette: "wel dat zou de duivel!—Neen man! mij dunkt fl 400 is een mooi bod—of althans—Monsieur Velters moet het weten: maar ik voor mij zoude niet gaarne meer geven."—"Neen zeker!" zei Velters, die bleek van angst was: "en zelfs fl 400 is wel een honderd gulden boven mijn prik; ik ben geen man van de Nieuwe Heerengracht, zooals Mijnheer Blaek." Toen trok ik hem op zij; "hoor," zeide ik, "'t is wel wat duur; maar in uwe plaats betaalde ik liever wat meer voor een goed paard, dan dat je een knol koopt, die u in den steek laat." Hij zat er deerlijk in, maar dorst niet teruggaan:—en om het maar in korte woorden te vertellen, na veel over en weer praten werd de koop voor fl 450 gesloten: en onze vriend trok af, na herhaalde dankbetuigingen voor al de moeite, die ik mij gegeven had; terwijl Jaspersz hem achternariep, dat hij nu een beest had, waar hij de wereld mee uit zou rijden. 't Kan wel waar zijn ook; want vandaag of morgen rijdt de blinde knol den Amstel met hem in."

"Nu! die was heerlijk!" riepen de Officieren; "vierhonderd vijftig gulden voor een knol, die het doodschieten nauwelijks waard is.—Nu! dat verdient zoo'n beunhaas. Wat behoeft hij ook te rijden? Je hebt je dan recht dapper gehouden."

Ik zag met genoegen, dat Reynhove niet instemde met den lof, welken de overigen Lodewijk toezwaaiden; maar, evenals ik, stilzweeg en het hoofd schudde. Wat mij betrof, ik was verontwaardigd over een zoo schandelijk bedrog, te minder verschoonbaar, omdat het gepleegd was tegen iemand, die er zich bij geen mogelijkheid tegen hoeden kon: en, wat mij nog meer ergerde, was de onbeschaamde wijze, waarop men zich nog dorst verhoovaardigen en lofspraak vergen op een daad, die mijns oordeels een geeseling waardig geweest ware. Ik kon mij eindelijk ook niet meer bedwingen; maar, niet gezind mijn gedachten ongevergd te uiten, bij lieden, die mij niet verstaan zouden, vergenoegde ik mij met de vraag, wat de arme Velters toch wel gezegd had, toen hij naderhand ontdekte, hoe deerlijk hij bedrogen was geworden.

"Bedrogen!" herhaalde Lodewijk, mij schuins aanziende: "vergun mij u te zeggen, Mijnheer Huyck! dat dit een uitdrukking is, welke ten dezen niet te pas komt. Gij meent ongetwijfeld—toen hij bemerkte, dat ik hem bij den neus had gehad."

"Indien gij oordeelt, dat deze laatste uitdrukking zachter is," zeide ik, koeltjes, "dan heb ik er vrede mee: de beteekenis blijft toch dezelfde."

"Toen hij het bemerkte," vervolgde Lodewijk, zonder schijnbaar aan mijn woorden te hechten, "toen zag hij, dat hij zijn geld kwijt was, en daar bleef het bij. Denk je, dat hij zoo gek is, zich te beroemen, dat men hem beet heeft gehad?—Of dat hij zou durven klagen over mij? en gevaar loopen mijns vaders gunst en de mijne te verbeuren?"

"Des te erger," zeide Reynhove, met warmte: "ik zou het u pardonneeren, indien gij dezen of genen maquignon had gedupeerd, of wel een cavalier, gelijk gij zijt, die u satisfactie kon vragen; maar dat gij abuseert van de goede trouw eens mans, die van de affaire geheel ignorant is en bovendien van u dependeert, dit is geen nobele manier van ageeren."

Ik knikte goedkeurend bij deze redeneering, die mij zeer behaagde, al was zij in onzuivere taal gesproken. Wat Lodewijk betrof, hij toonde zich ten hoogste gebelgd over hetgeen hij een beleediging noemde: en er zou twist ontstaan zijn, indien de overigen er zien niet tusschen gevoegd hadden en verzocht, het onderwerp daar te laten.

"Hei ho!" riep nu opeens Lodewijk: "wie komt daar aan?—Lucas Helding, zoo waar ik leef! blazend en zweetend als een narrepaard. Hier!" schreeuwde hij, tegen de ruiten tikkende: "hier vriend Helding! hier moet gij wezen! Toe vrienden! ziedaar een heerlijk voorwerp om ons mede te vermaken. Wij moeten hem binnenroepen en besissen."

Ik keek uit! en inderdaad, daar kwam Helding voorbij, met den hoed in de hand, en het gezicht zoo rood als een kalkoensche haan, terwijl hem het zweet tappelings langs de wangen droop. Zoodra hij hoorde dat er getikt werd, draaide hij het hoofd om, en zijn gelaat helderde op, bij den aanblik van een volgeschonken roemer, dien Lodewijk hem voorhield. Ik had den goeden man wel willen waarschuwen, tegen het gevaar, dat hem bedreigde, maar het was te laat: hij was den tuin ingewandeld en stond reeds op den drempel van den koepel te buigen.

"Wel poëet, kom binnen!" riep Lodewijk: "waar komt dat zoo vandaan? Maar drink, eer gij antwoordt. Gij schijnt warm en hebt wat verfrissching noodig."

"Veels te veel goedheid," zeide Helding, nadertredende en het hem aangeboden glas met nieuwe buigingen aannemende: "uwe gezondheid Heeren!—Ik was de slatuintjes eens rondgekuierd; ik dacht niet, dat ik op weg naar huis nog kennissen zoude vinden."

"Allons! ga zitten," zeide Lodewijk, hem bij de schouders vattende en op een stoel plakkende: "en drink nog reis. Zeker ben je weer aan 't verzenmaken geweest onderweg. Toe! laat hooren; wat heb je bij je?"

"Is Mijnheer een dichter?" vroeg Contour, een blij gezicht zettende.

"Een dichter!" herhaalde Lodewijk: "puf nou poëetjes! 't is de baas van 't gansche land!Is dat een vraag, of Lucas Helding een dichter is?"

"Is UEd. waarlijk die vermaarde Lucas Helding, wiens verzen mij zoovele aangename uren hebben doen doorbrengen?" vroeg Contour, met een gemaakte verbazing: "wel, ik had nooit durven droomen, dat ik het geluk ooit zou hebben mogen smaken, van uwe kennis te maken. Gun mij, uwe gezondheid te drinken."

"Te veel goedheid," zeide Helding, zijn glas op nieuw ledigende: "maar hoe kan Mijnheer zoo bekend zijn met mijne gedichten, als ik vragen mag? want ik heb nog nooit iets laten drukken, als eenige...."

"O Mijnheer!" zeide Reekalf, zijn kameraad in verlegenheid ziende: "alsof wij geen kopieën van uw werken hadden;—maar mijn vriend is mij vooruit geweest: gun mij thans ook de eer...." En er werd op nieuw geklonken.

"Ik ben niet minder gecharmeerd van uwe kennis te maken," zeide Reynhove. "Ich wil auch een klaasje wein mit UEd. trinken," zeide Weinstübe. "Ik mag mij mede dat genoegen niet ontzeggen," riep Van Ranst:—en Helding, hoezeer zich tegen die al te groote eer verzettende, zag zich genoodzaakt met elk afzonderlijk een glas te ledigen. Zeker deed hem de wijn naar meer smaken; want toen hij de ronde gedaan had, verzocht hij mij uit zichzelven, de eer te mogen hebben, van ook met mij te klinken.

"Ik kan u zeggen, mijn waarde Monsieur Helding!" zeide Contour, "dat er geen dichter is, wiens verzen meer bij ons regiment bewonderd worden, dan de uwe."

"Het gaat zooverre," zeide Reekalf, "dat twee Luitenants, een Vendrig en drie Kornetten in arrest zijn gezonden, omdat het lezen uwer gedichten hen het parade-uur had doen verzuimen."

"Wat praat gij van arrest," zeide Van Ranst: "ik ken er verscheidenen, die zich moedwillig naar de provoost laten brengen, om op hun gemak uw voortreffelijke dichtwerken te kunnen bestudeeren.

"'t Gaat zooverre," hernam Contour, "dat onze Kolonel laatst, in stede van het commando te geven, een regel uit een uwer werken opzeide."

"Wij hadden bij ons een Cadet," zeide Reekalf, "wiens dood gij op uwe rekening hebt."

"Zijn dood!" riep Helding in verbazing uit: "UEd. spot er mee."

"Volstrekt niet: hij wilde uw schrijftrant navolgen en heeft zich, uit wanhoop over het mislukken zijner pogingen, een kogel door 't hoofd gejaagd."

"Wel! is het mogelijk?" hernam Helding, de handen van verbazing in elkaar slaande: "ik ben er waarachtig van ontsteld."

"Toe geschwind! trink tan tegen den schrik," zeide Weinstübe, hem inschenkende.

"Voor den drommel," zeide Van Ranst: "ik, die hier zit, heb al zes officieren van de Garde in tweegevecht overhoop gestoken, omdat zij ontkenden, dat Helding de eerste dichter van het gemeenebest was."

"Hemel beware ons!" riep de goede Helding uit, verschrikt op zijde schuivende; want Van Ranst, die een groote zwaarlijvige kerel was met dikke knevels en bakkebaarden, zag er inderdaad vervaarlijk uit.

"UEd. is immers," hervatte Contour, "de maker van dat lieve dichtstukje op ... hoe heet het ook?... "Eilieve, Reekalf! help mij eens op den weg."

"Wel ja! van dat geestige gedichtje, dat wij te zamen lazen," zeide deze.

"Welk bedoelt UEd.?" vroeg Helding, zijn oogen beurtelings van den eenen naar den anderen kant wendende: "ik kan niet nagaan...."

"Wel! dat verliefde stukje," zeide Van Ranst: "ik heb het den vijfden van mijn weerpartijders nog in de ooren geschreeuwd, toen ik hem den kop gekloofd had: maar nu ben ik het waarachtig vergeten."

"Dat waar eine frolijke manier om hum naar de eeuwigkeit te promenieren laten," zeide Weinstübe.

"Misschien," zeide Helding, "meent UEd. dat gedichtje op het kuiltje in het kinnetje van Phyllis!"

"Juist!" antwoordde Contour: "'t geen aldus begint ... och! hoe begint het ook weer?"

"Lief kuiltje!..." hief Helding aan.

"Juist: lief kuiltje.... Stilte, Mijne Heeren! Ga voort, mijn waarde Heer Helding!"

"Ja! maak dat wij uit dat kuiltje komen," zeide Lodewijk.—En Helding, die alles voor goede munt opnam, hief op deze wijze aan:


Back to IndexNext