"Hm!" zeide Doedes, verwonderd rondziende: "groot gezelschap—veel vreemde gezichten—dienders met stokken!—hm!"
"Hoe is het met de arme lijderes?" vroeg ik, naar hem toegaande.
"Hm!—zooeven afgeleid—omnes mortales aumus—affectio pulmonaris—mijn taak afgeloopen—naar huis gaan—rekening schreven—hm!"
"Heb ik het genoegen, den Heer Drost te zien?" vroeg Heynsz, terwijl hij groette en zijn naam en hoedanigheid bekend maakte: "ik wenschte UEd. even te spreken."
"Hm!—dieven zoeken—pakhuis bedreigd—aanslag op het Deensche schip—reeds vier gepakt—deze Heer mij gewaarschuwd."
"Met uw verlof!" zeide Heynsz: "ik weet niet wat UEd. bedoelt; maar mijne komst heeft een andere oorzaak."
Dit zeggende, trok hij den Dokter naar het venster, waar beiden zich een wijl onderhielden. Ik bespeurde intusschen uit de gelaatstrekken van den Drost, dat de hem gedane mededeeling hem niet bijzonder naar den zin was.
"Hm!" mompelde hij eindelijk: "Terschelling een vrijplaats—oude privileges—inbreuken genoeg—volhouden—hm?"
"Hoe!" riep Heynsz uit, twijfelende of hij wel gehoord had: "wat bedoelt gij?"
"Niet toelaten—Schepensbank bijeenroepen—zaak van gewicht—violatie van jurisdictie—hm!"
"Wat meent gij toch?" vroeg Heynsz: "acht gij het noodig te roepen bijeen een Schepensbank om te beslissen een zaak zoo eenvoudig als deze? Gij ziet immers mijn orders: die zijn duidelijk en peremptoir. Gij kunt lezen, hoop ik."
"Orders—hm!" zeide Doedes, het hoofd schuddende en het hem aangeboden bevelschrift afwijzende: "hier niet geldig—Amsterdamsche Hoofd-Officier te huis regeeren—hier niet den baas spelen."
"Maar ziet gij dan niet, dat het is een bevel van de Staten," hernam Heynsz onverduldig.
"Hm!—jawel—maar dit een exceptioneel geval—voorrecht—hm! Terschelling een vrijplaats—apprehensie zonder jurisdictie—Schepenen beslissen."
Heynsz bleef met open mond staan, een oogenblik buiten staat tot spreken, zoo verbaasd was hij, dat een gerechtelijk ambtenaar een bevel dorst weerstaan, waar zelfs de Amsterdamsche Regeering aan had toegegeven. Terwijl hij, zijn gewone gevatheid en tegenwoordigheid van geest voor een wijl verliezende, scheen te overpeinzen, hoe hij best den koppigen Drost tot toegeeflijkheid zoude brengen en van zijn ongelijk overtuigen, wendde hij, 't zij toevallig, 't zij uit vrees van hem uit het oog te verliezen, den blik naar Van Lintz: en de angst, dat deze het zonderling beweren van den Terschellingschen overheidspersoon gehoord zou hebben en daarvan partij trekken, deed hem het zweet op het aangezicht stijgen; terwijl zijn gelaat een zoo kluchtige uitdrukking aannam, dat ik, in weerwil van mijzelf niet kon nalaten te glimlachen.
Ook Van Lintz glimlachte: want, schoon op een afstand gezeten, had hij de woorden van den Drost zeer goed verstaan: hij was geen man om die onopgemerkt of ongebruikt voor bij te laten glippen. Hij rees op en naar de beide rechtsbeambten toetredende: "mij dunkt, vriend Heynsz!" zeide hij: "dat gij u een weinig vergaloppeerd hebt, althans naar het oordeel van dezen Heer."
"Niet in het minste," zeide Heynsz, zijn spijt vruchteloos zoekende te bedwingen: "ik heb mijn orders om u te apprehendeeren waar ik u vinde,—orders, geëmaneerd van onze Heeren Staten—en het is maar een plaisanterie dat die Heer zich zou opposeeren daartegen:—of behoort Terschelling niet langer aan de Heeren Staten van Holland en West-Friesland?par exemple!"
"Ongetwijfeld!" antwoordde Van Lintz: "sedert het door Karel, Hertog van Aarschot aan H.H.M.M. is verkocht en overgedragen; maar die koop kan hun geen recht geven de priveleges te vernietigen, welke dit eiland bevorens van zijn wettige Heeren verkregen bad en sedert onheuglijke jaren bezat."
"Dat geloof ik," zeide Heynsz, met een smalenden lach;—"zoo onheuglijk, dat niemand zich kan herinneren, door wien of wanneer die ooit gegeven zijn."
"Hm!" bromde Doedes er tusschen in: "de geapprehendeerde heeft gelijk—privilegium rite concessum—Schepenen uitwijzen—morgen partijen hooren—beiden cautio praesteeren—hm!"
"Morgen!" herhaalde Heynsz, met de uiterste verbazing: "denkt gij, dat ik hier kom om mij te amuseeren en dat mijne praesentie zoo maar kan gemist worden te Amsterdam dagen achtereen."
"Het is voorwaar wat erg," zeide Van Lintz, glimlachende, "ik wed, dat de dieven reeds illumineeren wegens uwe afwezigheid: en, zonder gekscheren gesproken, het doet mij oprecht leed dat gij zooveel moeite om mijnentwille hebt gedaan."
"Parbleu!" riep Heynsz": "in welk wespennet ben ik gevallen? Mijnheer Huyck! Schipper Pulver!—Zijt toch zoo goed en helpt mij dien Drost, of wat hij wezen mag, te brengen tot rede. Beduidt hem toch, dat hij zich blootstelt te worden gesuspendeerd, gecasseerd, ja exemplaarlijk met boete en aan den lijve gestraft als rebel, zoo hij niet obtempereert aan de instructiën en bevelen van H. H. Staten, onze hooge Souverein.
"Hm!" zeide Doedes—"cautie stellen—Terschelling een vrijplaats en daarmede uit—hm!"
"Voor den duivel!" schreeuwde Heynsz: "Terschelling zal geen vrijplaats zijn voor u, dat beloof ik u: en ik zal een relaas opmaken waar het behoort;—maar al deze praatjes hebben niets te beduiden: geef mij een behoorlijke sententie of andere legale afwijzing, en ik zal zien wat ik te doen heb."
"Gij kunt dat niet weigeren," zeide ik tegen den Drost: "en in allen gevalle moet ik u dringend aanraden, te bedenken wat gij doet, en of de gronden, waarop gij uw beweren bouwt, eenige kracht hebben;—bedenk, dat gij moeielijk iets tegen 's Lands Hooge Regeering kunt volhouden,"
"Mij dunkt!" zeide Reynszen, die geheel niet van oordeel ontbloot was en, als zelf Lid van Schepensbank, begreep, zich in de zaak te moeten mengen: "wat Mijnheer daar zeit, is zoo gek niet: en je meugt wel bedenken wat je doet, Meester Doedes; want wat gij verricht, dat moet het eiland naderhand ontgelden, zooals gij weet."
"Hm!—Zelf Schepen—daarom meepraten—Drost beter weten—hm!"
"Juist!" hernam Reynszen: "ik ben zelf Schepen en een geboren Terschellinger daarenboven: en ik dien de oude herkomsten dus al zoo goed en beter te weten dan iemand, die hier van den vasten wal gekomen is."
"Hoe!" riep Heynsz, deze omstandigheid in zijn voordeel aangrijpende: "is de Drost geen Terschellinger? dan mag hij dubbel voorzichtig zijn, hoe hij het aanlegt in deze zaak."
Twee of drie andere personen, die gedurende het gesprek waren binnengekomen en, gelijk mij naderhand bleek, tot de Notabelen van het dorp behoorden, vereenigden zich met de gevoelens van Reynszen en drongen bij den Drost aan, dat hij Schepensbank zou beleggen, en niet, om een onzeker privilege vast te houden, de ontevredenheid wekken van het hooge Landsbestuur. Terwijl al de aanwezigen met het behandelen van dit vraagpunt bezig waren, naderde mij de vrouw des huizes, en fluisterde mij in het oor, dat de oude Heer, die met mij op Terschelling gekomen was, mijn terugkomst vernomen hebbende, mij liet verzoeken even bij hem te komen.
Ik gevoelde een oogenblik berouw, den goeden Helding in het midden der drukte vergeten te hebben en te gelijk kwam het denkbeeld bij mij op, dat het raadzaam ware, Sander te waarschuwen, eer hij binnenkomen en Heynsz met zijn dienaars in den mond mocht loopen. Ik begaf mij dus naar achteren, waar mij een treurig schouwspel wachtte. Helding zat naast de bedstede, en hield de hand der ontslapene tusschen de zijne, terwijl hem de stille tranen langs de wangen liepen: en zijn blikken waren met een uitdrukking van diepe, maar gelatene droefheid naar den hemel gewend. Tegenover hem stond Sander tegen den wand te leunen; zijn oogen waren strak en stijf op het lijk gevestigd; maar het hevige zwoegen van zijn boezem verried de innerlijke gemoedsbeweging die hem kwelde.
Zwijgend drukte ik de hand van den goeden Helding: "Het heeft zoo moeten wezen," zeide de arme man: "en ik zal in Gods wijzen wil berusten; maar het is hard voor een vader, temoetenzeggen haar dood was beter dan haar leven."
"Ik beklaag u," zeide ik: "ook u, Sander Gerritsz! maar"—vervolgde ik, laatstgemelde ter zijde trekkende: "wees voorzichtig; want ook uw eigen leven loopt gevaar: Heynsz en zijn dienaars bevinden zich hiernaast."
Hij zag mij aan met een verwilderden blik, die mij nauwelijks deed gelooven, dat hij mij verstaan had.
"Ik herhaal het," hernam ik: "vertoon u niet: blijf hier, tot ik u waarschuwe. Er is misschien gelegenheid voor u, om met Kapitein Holmfeld te vertrekken. Ik zal u een brief voor hem medegeven. Het is hier voor u te gevaarlijk:"—en meteen sloeg ik het raam open, dat een uitgang naar den duinkant opende. Hij zag mij een wijl als sprakeloos aan, en toen, zich bezinnende, knikte hij, dat hij mij begreep.
"Wat is er?" vroeg Helding, opstaande en hem verbaasd aanziende.
"Onderzoek het niet," antwoordde ik: "hij is hier in gevaar: ik zal u de opheldering later geven. Spreken wij thans over de schikkingen, die er in deze treurige omstandigheden te maken zijn."
Hiertoe werd ons echter weinig tijds gegund: wij hadden slechts even het punt der begrafenis aangeroerd, toen de vrouw van Reynszen weder aankwam.
"Die vreemde Heer," zeide zij, zich tot mij wendende, "heeft mij gezeid, hij wilde u nog gaarne eens spreken, aleer hij naar boord keerde."
"Welke Heer? Wien bedoelt gij?" vroeg ik, eenigszins verwonderd.
"Hij zeit dat hij....—ja... wie kan al die vreemde namen onthouen...? Blaek hiet hij, 'eloof ik."
"Blaek!" herhaalde Sander, plotseling opspringende met een uitdrukking van hevige drift.
"Bedwing u," zeide ik, voor een uitbersting bevreesd: "denk aan de gevolgen! Wees bedaard."
"Blaek!" zeide Helding: "Wie? Lodewijk Blaek? Komt hij hier, om den ouden man te tergen, wiens kind hij bedorven, wiens grijze haren hij met schande bedekt heeft?—Hou mij niet tegen, Mijnheer Huyck! Ik wil hem spreken!—Gij zult het een vader niet beletten, den moordenaar zijner dochter op te zoeken."
Ik zag het oogenblik, dat beiden zich naar het voorhuis zouden begeven, en daar ik beiden niet kon tegenhouden, achtte ik het raadzaam den onstuimigen Sander, wiens drift ik het meest vreesde, bij den arm te nemen en den doortocht te beletten. Helding was mij intusschen ontsnapt; maar nauwelijks was hij met vrouw Reynszen de deur uit, of ik volgde hen, stootte Sander naar binnen, sloeg de deur dicht en schoof er den grendel op, waarna ik mij in de herberg spoedde.
Hier was men gedurende mijn afwezigheid tot een besluit gekomen, in den zin als door Reynszen was voorgesteld, en had men rondgezonden om de Schepenen bij elkander te roepen. Lodewijk, die tot dien tijd getoefd had, om te zien of hij kon te weten komen, wat de raadselachtige uitdrukking van Van Lintz bedoelde, had eindelijk, bemerkende, dat het nog lang kon duren, eer deze vervoerd werd, besloten naar boord te keeren; doch mij eerst willende spreken, stond hij alsnu mij midden in de herberg af te wachten, toen Helding, wien ik op den voet volgde, eensklaps voor zijn oogen stond.
"Helding!" riep hij verbaasd: "hoe drommel komt gij hier verzeild, poëet?"
"Komt gij uw werk zien, moordenaar van mijn kind?" riep de verbolgen vader uit, zich voor hem plaatsende: "ha! gij dacht, omdat gij gewoon waart den ouden man te bespotten, dat het u ook vrijstond, de dochter te misbruiken. Maar kom!—volg mij, en zie wat gij hebt uitgericht."
"Wat beduidt dit?" vroeg Lodewijk, wrevelig: "vertoont gij een treurspel van uw maaksel?—Of is het een klucht?"
"Neen! God weet het," zeide Helding: "het is wel een wezenlijk en waarachtig treurspel, en wee, driewerf wee u, die er de stoffe toe geleverd hebt. Mijn kind isdood:dood, verstaat gij? en van hier kunt gij haar beschouwen. Zie of zij u nog bekoren zal."
"Wat heb ik met uw dochter uitstaande?" mompelde Lodewijk, op wien door dit voorval de algemeene oplettendheid gevestigd was.
"Hebt gij een dochter verloren?" vroeg Amelia, den ouden man met deelneming naderende.
"En UEd. ook hier!" riep Helding, haar de hand drukkende: "O Mejuffrouw! gij hebt welgedaan, dien man daar uw kamer te ontzeggen. Hadt gij aan zijn verleidelijken praat gehoor gegeven, wellicht ware ook uw lot aan dat van mijn arme Klaartje gelijk geworden. O! waarom heb ik ook niet, evenals uw vader, den slang van mijn kamer geworpen, in stede van z'n verfoeilijke geschenken aan te nemen!—Maar kom! volg mij!" vervolgde hij, Lodewijk bij den arm grijpende: "gij moet, gij zult uw slachtoffer zien."
Het was voorwaar voor iemand, die, als ik, deze beide personen te voren gekend had, een opmerkelijk schouwspel om den geheelen omkeer gade te slaan, die er in hun onderlinge betrekking had plaats gevonden. Helding, de anders zoo kruipende, vreesachtige, afhankelijke slaaf van de grillen zijner meerderen, dwong thans, met het hoofd omhoog, den arm gebiedend uitgestrekt, zijn voormaligen patroon hem te volgen; terwijl deze, de trotsche, rijke, laatdunkende jongeling, met neergeslagen oogen en bevende stappen zijn geleider, voor wiens zedelijk overwicht hij zwichtte, naar het achterhuis volgde.
Ik, en verscheidene onder de aanwezigen met mij, vergezelden hen naar de kamer, waar Klaartje op het doodsbed lag uitgestrekt en waar zich, tot mijn blijdschap, Sander niet meer bevond. Waarschijnlijk had hij zich, op het hooren der naderende voetstappen, door het open venster verwijderd. Aan de bedstede gekomen, sloeg Helding het dekkleed op, en de ziellooze gelaatstrekken zijner dochter aan Lodewijk vertoonende, zeide hij: "aanschouw uw slachtoffer!"
Lodewijk stond een oogenblik als verplet: zijn gelaat was doodsbleek, zijn lippen blauw, en zijn oogen rolden hem wild door 't hoofd. Hij vermande zich eindelijk, en, mij een woedenden blik toewerpende, zeide hij: "het is aan u, dat ik dat alles verschuldigd ben. Maar ik zal het u betaald zetten."
"Aan wie wilt gij mij overleveren?" vroeg ik, hem met verachting aanziende.
"Vervloekt!" riep hij, stampvoetende: en zich met een heftige beweging van den arm van Helding losrukkende, verliet hij de kamer en herberg.
Na zijn vertrek bleef ik insgelijks niet langer, dan noodig was om met Helding en de vrouw des huizes de noodige schikkingen voor de begrafenis te maken, en begaf mij toen naar het Raadhuis, waar de Schepensbank reeds vergaderd en Heynsz met zijn gevangene heengetrokken was. Terwijl men alhier beraadslaagde, kwam de bagage van Van Lintz van het vaartuig terug: en kort daarna meldde zich iemand bij Heynsz aan, dien ik terstond voor een der boden van mijn vader herkende.
"Gelukkig, dat ik u vinde, Sinjeur!" zeide hij, zich met Heynsz een weinig ter zijde begevende: "UEd. kon nauwelijks Pampus uit zijn, toen Z.-Ed.-Gestrenge, ten gevolge van berichten, uit Den Haag ontvangen, mij gelastte u te gaan opzoeken. Hier is de brief."
Heynsz had dien nauwelijks gelezen, of hij riep mij terzijde: "dit verandert de zaak merkelijk," zeide hij: "Z.-Ed. Gestr. gelast mij, zoo ik in handen krijge den Heer Van Lintz, hem te houden in custodie tot nader order, en alleen op te zenden de papieren, die bij hem gevonden worden."
"Dat is een goed teeken voor den Heer Van Lintz," zeide ik: "het bewijst, dat men het in Den Haag nog niet eens is, of men hem houden wil."
Heynsz ging terstond den bekomen last aan Schepenen mededeelen, en hun verzoeken, hem in het uitvoeren daarvan behulpzaam te zijn. Zij bewilligden gereedelijk in den voorgestelden maatregel van bewaking, waardoor hun voorgewend privilege vooralsnog ongeschonden bleef, en er werd een tijdelijke verblijfplaats voor den Heer Van Lintz en zijn dochter aangewezen: terwijl diens bagage onderzocht en zijn papieren, na behoorlijk verzegeld te zijn, met een geleidenden brief van Heynsz aan mijn vader, waar ik er zelf een bijvoegde, aan den bode ter hand werden gesteld, die een paar uur later weder onder zeil ging.
Het eerste voornemen van den Drost was geweest, Van Lintz in de gewone gevangenis van Terschelling te doen bewaren; maar Heynsz, de middelen van voorzorg en bewaking, die het eiland aan mocht bieden, weinig vertrouwende, had beter geoordeeld, den gevangene zijn woord als edelman af te nemen, dat hij niet ontsnappen zoude, en op deze belofte gerust, hem met zijn dochter logies bezorgd bij een der gegoedste ingezetenen, waar wij nu dien dag gezamenlijk het avondeten gebruikten. Op het nagerecht ontving ik een geschreven briefje van Sander, waarin deze mij verzocht, mijn belofte ten aanzien van den brief van aanbeveling aan Holmfeld gestand te doen, zeggende, mij den volgenden morgen te zeven uren bij de meest noordelijke lantaarn te zullen wachten.
Ik verscheurde dit briefje terstond na de lezing en bleef eenige oogenblikken in gedachten.—"Ik hoop," zeide Van Lintz, "dat dit geen cartel van den Heer Blaek is?—Wacht u voor dien man; hij ware niet te goed om u zonder waarschuwing overhoop te schieten."
"Neen," zeide ik: "dit briefje is niet van hem; maar echter vordert het van mij, dat ik mij iets vroeger van hier verwijdere, ten einde het antwoord gereed te maken."
Dit gezegd hebbende rees ik op en verliet het vertrek. Aan de voordeur gekomen zag ik, dat Amelia mij volgde. "Doe geen moeite," zeide ik, "ik zal er wel uitkomen."
"Mijnheer Huyck!" zeide zij, met een bevende stem: "Vergeef mij mijn vrijpostigheid; maar ik ben zoo gewoon geraakt, altijd het ergste te vreezen. Is dit briefje wezenlijk niet van den Heer Blaek?"
"Ik ben gevoelig voor uwe belangstelling," zeide ik: "maar ik verzeker u, dat uw vrees zonder grond is:" en ik gaf haar in korte woorden te kennen, wat het geval was.
"De Hemel zij gedankt!" hernam zij: "ik herinner mij dien Sander wel, en den noodlottigen naam van Pedro Negro, dien wij hem gaven, en dien hij naderhand, hoor ik, maar al te berucht heeft gemaakt. Er zat een goede aard in den man: en God geve, dat hij zijn vroegere verkeerdheden door een verbeterd levensgedrag uitwissche."
Ik keerde naar de herberg en schreef den brief, dien ik Sander beloofd had, waarna ik mij ter rust begaf, met last dat men niet verzuimen zou mij te wekken. Den volgenden morgen was ik dan ook vroegtijdig op de been, en de aanbiedingen afslaande van Pulver en van Helding, die mij vergezellen wilden, begaf ik mij naar de bestemde plaats.
Het was een fraaie morgen: de wind was naar het Zuiden omgeloopen, en deze gelegenheid werd te baat genomen, zoowel door enkele koppels vinken en bonte kraaien, die mij over 't hoofd vlogen, aankondigende dat het najaar gekomen was, als door ettelijke vaartuigen, die, de ree van 't Vlie verlaten hebbende, noordwaarts opstevenden; maar niet weinig was ik teleurgesteld, toen ik bemerkte, dat ook deKjöbenhavnhet anker gelicht had en met uitgespannen zeilen het zeegat uitstevende. Kapitein Holmfeld had zeker niet langer durven vertoeven, en nam ook de laatste hoop van Sander met zich mede.
Welhaast had ik het duin bereikt, waarop zich de vuurbaak verhief: een eenvoudige, van ruwe balken saamgestelde toestel, en welken men beklom langs een op verscheidene plaatsen van sporten ontbloote ladder. Ik zag om mij heen, of ik Sander ook ergens gewaarwerd; maar hij kwam niet opdagen. Langen tijd wandelde ik op en neder; eindelijk werd ik ongeduldig: ik begon te vermoeden, dat ook hij het Deensche schip had zien wegzeilen, en, geen trek hebbende, den morgen hier door te brengen, besloot ik, weder naar het dorp te keeren.
Ik had ongeveer de helft van den terugtocht afgelegd, toen het mij voorkwam, dat ik in de nabijheid een geluid hoorde als van iemand, die angstig steunde. Ik zag rond en ontdekte, in een laagte tusschen de duinen, een voorwerp, dat mij, voor zooveel de struiken mij toelieten te zien, een menschelijk lichaam toescheen. Ik snelde derwaarts heen, en nog na zoovele jaren gaat er een huivering door mijn leden, bij de gedachte aan het schouwspel, dat zich aan mijn oogen voordeed.
Op het naakte zand lagen twee lichamen uitgestrekt: het eene was dat van Sander: hij lag op den rug: de doodskleur was op zijn gelaat verspreid, en zijn bloed, dat tappelings uit een aan 't hoofd bekomen wond vloeide, vormde een rooden plas op den barren grond. Dwars over hem heen lag Lodewijk Blaek, met het aangezicht in het zand en een pistool naast hem op den grond.
Met een kreet van ontzetting trad ik nader en keerde het lichaam van dezen laatste om. Zijn hemd en vest waren stijf van bloed, en zijn trekken als die eens dooden; maar een pijnlijke zucht, die hem bij deze beweging ontsnapte, kondigde mij aan, dat het leven hem nog niet verlaten had en redding misschien mogelijk was. Ik rukte hem het hemd open, zag dat hij een diepe wond in de borst had en hield er mijn zakdoek voor, om de bloedvloeiing zoo mogelijk te stelpen. Wat Sander betrof, hij was reeds koud en had blijkbaar den adem uitgeblazen. Het bebloede mes, waarmede hij zijne weerpartij; waarschijnlijk verwond had, was aan zijn hand ontvallen.
Onwetend wat te doen, den gewonde niet willende verlaten, en toch buiten staat, hem zonder hulp te vervoeren, sloeg ik de oogen rond om te ontdekken, of zich ook een levend wezen in de nabijheid opdeed, toen ik plotseling op een kleinen afstand, vlak voor mij iemand gewaarwerd, die mij met aandacht scheen gade te slaan. Zijn aanblik verwekte in het eerste oogenblik dien indruk op mij, welken het staroogen der slang op den onschuldigen vogel teweeg-brengt: ik had Andries herkend. Mijn volgende beweging was, het mes van Sander op te vatten, om mij des noods tegen een aanval van dien schelm te verdedigen. Maar wat hem betrof, hij keerde zich om, zonder een woord te spreken, en liep, onder het geschreeuw van "moord! moord!" naar den kant van het dorp toe. Ik stond op: en zag terzelfder tijd Pulver en Helding, die met drift kwamen aanloopen.
"God beware ons! Wat is hier geschied?" vroeg de laatste.
"Wij zijn toch nog niet tijdig genoeg gekomen om een ongeval te verhoeden," zeide Pulver: "ben je ook gekwetst, Patroon?"
"Raak de doode lichamen niet aan, Mijnheer Huyck!" riep Helding, die op dit stuk met het gewone vooroordeel behept was: "daar komt nooit eenig goeds van."
"Maar wie heeft dat toch gedaan?" vroeg Pulver.
"Ja! Wie heeft dat gedaan?" vroegen nu onderscheidene stemmen: en eenige eilanders, wier getal meer en meer aangroeide, verzamelden zich om de plek, doch altijd, ten gevolge van hetzelfde vooroordeel, op zekeren afstand blijvende. Ik zag, dat sommigen het hoofd schudden, mij schuins aanzagen en elkander met den elleboog aanstootten of toewenkten.
"Helpt mij toch deze ongelukkigen naar het dorp te brengen," zeide ik: "de eene leeft nog."
"Wij zullen wachten, tot de Drost komt—wij zullen er geen hand aan slaan—of wij mal waren? om een lijk aan te raken en zoodoende den boedel te aanvaarden," mompelden de omstanders.
"Zij hebben elkander vermoord, zeide ik, den vragenden blik van Pulver beantwoordende: "dat lijdt geen twijfel."
"Nu ja!—dat zal de Drost wel beslissen," hernamen de dorpelingen: en ik zag, dat hun blikken gevestigd waren op het mes, dat ik in de hand hield.
"Hij doet wel, dat hij de schuld aan de dooien geeft," mompelde Andries, die mede onder den hoop was teruggekeerd: "dooien spreken niet tegen," denkt hij: "hij is zoo leep als het hout van de galg."
Ik zag, dat ik algemeen van den moord verdacht werd gehouden: mijn toestand was alles behalve aangenaam: ik begreep echter, alvorens mij te verdedigen, nogmaals een beroep op hun menschlievendheid te moeten doen. "Vrienden!" riep ik, Lodewijk half oprichtende: "deze leeft nog. Wilt gij hem zonder hulp laten sterven?"
"Wacht!" zeide Pulver: "ik zal u helpen. Patroon. Als hij nog niet naar zijn grootje is, is er geen gevaar bij."
"En ik ook," zeide Helding: "ofschoon hij het juist aan mij niet verdiend heeft, maar ik heb te veel verplichting aan Mijnheer Huyck, om hem alleen in den steek te laten."
Op dit oogenblik kwam Doedes met Reynszen en eenige andere notabelen aanloopen.
"Hm!" riep de eerste: "twee lijken?—Moord gepleegd?—door wien?"
Allen zwegen: een der aanwezigen wees op Andries en zeide: "die man is ons komen roepen."
"Ja!" zeide Andries, mij aanziende: "ik zal geen grooteluis-kinderen betichten, zoomin als met een kotter een Admiraalsschip aanzeilen;—maar wanneer men een bebloed mes in de hand houdt...."
"Menschen!" riep ik, met een krachtige stem: "gelooft dien man niet: hij is een schelm, een straatroover, van wien gij u verzekeren moest. Ik ben hier gekomen, toen zij beiden op den grond lagen:—dit mes behoorde aan den doode,—doch verliest geen tijd in onnut gepraat: de Heer Blaek is misschien nog te redden."
"Hm!" zeide Doedes, het hoofd schuddende: "de Heer Blaek uw vriend niet—vroeg uitgegaan—tweegevecht—hm!—nog te redden?" en te gelijk naderende, onderzocht hij de wond: "hm!" zeide hij: "snijdend werktuig diep ingedrukt," en toen mij aanziende: "dat mes, hm!"—Ik gaf het hem: "wond met dit mes toegebracht—vena jugularis—kraakbeen gekwetst—langzame genezing—spoedig vervoeren."—Onder het spreken haalde hij zijn gereedschappen voor den dag en legde een haastig verband; waarna hij zich bij Sander begaf en diens wond peilde: hm!" zeide hij "kogel in 't hersenvlies—dood als een pier—hm!—vulnus letale."
Hiermede besloot hij zijn lijkschouwing en begaf zich met Reynszen en nog twee of drie andere der met hem gekomen notabelen op zijde. Hun gesprek was kort en levendig: ik zag, aan de blikken, die zij naar mijn kant wierpen, dat ik daarvan het onderwerp was. Na den afloop daarvan, trad Doedes naar mij toe en zeide:
"Gij ons volgen—verantwoorden."
"Dat wil ik gaarne doen," zeide ik: "maar gij zult toch geen geloof hechten...."
"Ja!" zeide Reynszen, het hoofd schuddende: "'t zou mij van Mijnheer spijten: maar er is een zware praesumtie—UEd. was geen vriend van den gewonde."
"Ben je dol?" vroeg Pulver: "Mijnheer Huyck voor een moordenaar aan te zien!"
"Goed recht geven," zeide Doedes: "geen aanziens des persoons—hei wat!" vervolgde hij, ziende dat Andries zich verwijderde: "die man blijven—meegaan—getuigenis afleggen."
"Zorg, dat hij niet ontsnappe," zeide ik: "hij is de vent, waar ik met den kastelein over sprak,—de man, die plan had het pakhuis te berooven."
Men verzekerde zich van Andries en plaatste Lodewijk op een burrie, die inmiddels was aangebracht. Terwijl dit geschiedde, opende hij de oogen, zag rond en vroeg met een nauwelijks hoorbare stem: "waar ben ik?"
"Nu zult gij allen de waarheid hooren!" riep ik verheugd uit. "Blaek, om 's hemels wil! zeg ons: wie was uw moordenaar?"
De gewonde zag mij een poos sprakeloos aan, als wilde hij zich bedenken, terwijl zich de omstanders in gespannen verwachting om ons heen drongen, ten einde de woorden van zijn lippen op te vangen. Opeens scheen hij zich te bezinnen, een boosaardige glimlach vertoonde zich op zijn gelaat, en mij scherp aanziende: "gij," zeide hij.
"Ellendige!" riep ik: "wilt gij met een leugen de eeuwigheid ingaan?"
Een diepe stilte volgde bij de aanwezigen. Reynszen zag mij met een medelijdenden blik aan, terwijl hij de schouders ophaalde als wilde hij zeggen: "gij hoort het." Pulver zuchtte en beet op zijn vingers; Helding stond als versuft: hij drukte mij de handen, terwijl hem de tranen uit de oogen sprongen. Wat mij betreft, ik was zoodanig door de beschuldiging verplet, dat ik geen woord meer kon uitbrengen en werktuiglijk mij op weg begaf in den trein, die nu met den gekwetste en den doode langzaam naar het dorp trok.
De maar van het gebeurde was ons reeds vooruitgeloopen en het was niet dan met moeite dat wij ons een weg konden banen door de gansche bevolking van het dorp, welke dit voorval op de been bracht. Geen oud wijf was aan 't spinnewiel en geen kind op school gebleven: en alles was nieuwsgierig om te zien, hoe een Amsterdamsch rijkeluiskind werd opgebracht, omdat hij een andere Heer had overhoop gestoken. Lodewijk werd in het huis van Doedes gevoerd, alwaar hij de noodige verpleging onderging, terwijl men Andries en mij op het Raadhuis bracht. Hier moesten wij wachten, tot de bijeengeroepen Schepenen in genoegzamen getale vergaderd waren om mij een voorloopig verhoor af te nemen. Eindelijk werd ik tusschen twee gerechtsdienaars binnengebracht en vond de Schepensbank vergaderd, aan wier hoofd vriend Heynszen in volle achtbaarheid gezeten was: die mij nu gelastte een verhaal van mijn wedervaren te doen.
Toen ik dit naar waarheid verricht had, werd Andries binnengeroepen.
"Hebt gij iets op dezen getuige aan te merken?" werd mij gevraagd.
"Zeer veel!" zeide ik: "hij is een erkende straatroover: en zoo men Heynsz laat roepen zal deze mijn gezegde bevestigen."
"Wel mogelijk!" bromde Doedes, die, aan het einde der tafel gezeten, zich vast in de handen wreef van blijdschap over de belangrijke beschuldiging, die hij te vervolgen had:; Heynsz een bemoeial—geen bewijs tegen dien getuige—voortgaan!"
"Wij zullen den geaccuseerde akte verleenen van zijn wraking," zeide Reynszen, met een deftigheid, die mij verbaasde: "en inmiddels voortgaan met den getuige te examineeren. Andries Matthijsen! wat hebt gij te deposeeren?"
Andries gaf hierop een verhaal, hetwelk niet dan een aaneenschakeling van leugens behelsde: hij had, zeide hij, een pistoolschot gehoord en was daarop komen aangieren: bij het naderen had hij Sander op den grond zien liggen en mij bezig gevonden met den Heer Blaek te worstelen, welken laatste hij na een kort gevecht had zien vallen; waarop hij dadelijk hulp was gaan roepen.
Ik maakte geen aanmerking op deze getuigenis; maar vergenoegde mij de schouders op te halen en bij mijn vroegere verklaring te volharden. Nu werd Pulver binnengeroepen en insgelijks ondervraagd.
"Ja!" zeide hij: "ik weet van het geval niets anders te vertellen, als dat, toen ik er met Sinjeur Helding bijkwam, wij Sandertje achterover op den grond zagen liggen, alsof hij zonshoogte nemen wou, en den Heer Blaek, dwars over hem heen, terwijl de Patroon er bijstond, als iemand die geen raad weet. Maar dat hij part of deel aan het geval zou hebben, dat kan ik op al de wereld niet begrijpen."
"Hm!" zeide Doedes: "uw opinie niet gevraagd—deposeeren—meer niet."
"Maar," vroeg Reynszen aan Pulver: "hoe kwaamt gij daar aan het duin met uw makker?"
"Wij waren uitgegaan om den Heer Huyck te zoeken, over wiens lang wegblijven wij ongerust begonnen te worden," antwoordde Pulver in zijn eenvoudigheid.
"Er was dus reden, om ongerust te wezen? Gij hadt dus vermoedens, dat zijn afwezendheid met verkeerde oogmerken gepaard ging?"
"Dat is te zeggen," antwoordde de goede Schipper, verlegen: "de Patroon had gisteren een kattebelletje ontvangen: en wij waren bang of het ook van den Heer Blaek ware en of er altemet ... in één woord—wij waren wel bang, dat zij mekaar reis in 't vaarwater zouen zitten."
Ik voelde een koude rilling door mijn leden varen; want ik begreep welke gevolgtrekking men uit deze verklaring trekken zoude.
"Hm! hm!" zeide Doedes, met een zegepralenden blik rondziende: "de zaak opgehelderd—klaar als de dag—hm!"
Helding, die na Pulver optrad, verklaarde in substantie hetzelfde, en voegde er tevens het een en ander bij, betreffende de redenen van veete, welke Sander tegen Lodewijk Blaek kon voeden; en welke het niet onwaarschijnlijk maakten, dat er tusschen deze beiden een gevecht had plaats gehad. Zoowel hij als de Schipper werden ondervraagd of zij het ten processe overgelegde mes herkenden, als mij behoord te hebben. Beiden betuigden, het nooit te hebben gezien.
De laatste getuige, die gehoord werd, was schijnbaar in mijn voordeel. Het was een visschersknaap, die deponeerde, dat hij den avend te voren, van iemand, die naar zijn beschrijving volkomen met Sander overeenkwam, een briefje had ontvangen, met verzoek het aan mij te overhandigen, voor welke boodschap hij een stuiver genoten had.
"De Heeren zien dus," zeide ik, "dat deze depositie met mijn verhaal overeenkomt, en dat ik naar het duin was gegaan om Sander Gerritsz te zoeken. Hier is bovendien de brief, dien ik te zijnen behoeve aan Kapitein Holmfeld geschreven had."
"Hm ja!" zeide Doedes: "afspraak met den gedecodeerde—den Heer Blaek aan te vallen—aan Sander een brief—hem uit de voeten helpen na perpetratie van het feit—slim overlegd—hm!"
"Als men aan al mijn daden een verkeerde uitlegging wil geven," zeide ik, terwijl mij het bloed naar 't aangezicht steeg.
"Hm!" hernam Doedes, een boek, 't welk hij had medegebracht, opnemende en aan Schepenen toonende: "gelijkstaande casus—Consultatiën en Advysen, Deel I, bladz. 650—depositie van den gekwetste—getuige bij avonture reprochabel—de geculpeerde gezien met een mes in de hand—quo visi rixari et unus vulneratus—concurreerendeindicia—in alles gelijkstaande—en dus: Gerechtigheid te contendeeren,"—hier rees hij op, en zeide met meerdere stemverheffing, als iemand die ambtshalve een eisch doet: "dat de gevangene zal worden getorqueerd ter discretie van den Rechter ende alzoo tot scherper examen gebracht."
"Getorqueerd!" herhaalde ik, terwijl mij het bloote denkbeeld sidderen deed: "gij wilt mij toch niet ter pijnbank brengen op deze bloote presumtie;—want, Mijne Heeren! de getuigenis van den gekwetste isextra judiciumgegeven en kan in dit oogenblik niet tegen mij worden aangevoerd; hij moet zich bedrogen hebben, en niet geweten, wat hij zeide. Hij zal, zoo hij geneest, hetgeen God geve, zijn verklaring herroepen, daar is geen twijfel aan."
"De geïnculpeerde heeft gelijk," zeide de Voorzitter: "en bovendien, Heer Drost! wij weten nog niet, waar gij hem van beschuldigt, van moord of van bloote verwonding.—Wij zullen daarom de zaak voor alsnog suspendeeren en bevel geven, den geïnculpeerde te incarcereeren, tot hij nader gemandeerd wordt. Ook de getuigen moeten zoo lang hier blijven, tot zij nader gehoord kunnen worden."
Met deze woorden werd de zitting opgeheven, en ik naar de gevangenis gebracht. Dergelijke lokalen zijn zelden zeer geriefelijk en de Terschellingsche kerker maakte geen uitzondering op den algemeenen regel: het was een klein en vochtig vertrek, met naakte wanden, en dat tot eenig ameublement een tafel had, waar slechts drie pooten meer van in wezen waren, een stoel met gebroken zitting en een houten brits, die alle blijken droeg van veeljarigen dienst.
Alleengelaten zijnde, ging ik zitten en zocht mijn denkbeelden bijeen te zamelen; want de doorgestane ontroering, schrik en angst hadden mij in een staat van verwarring gebracht, waarin mij al hetgeen mij was overkomen als een bange vreeselijke droom toescheen; maar het duurde een geruime poos, eer ik tot recht besef van mijn toestand geraakte. Eindelijk echter gelukte het mij te bedaren: en nu stond de verschrikkelijke waarheid mij in al haar naaktheid voor de oogen. Ja! ik was het zelf, ik, Ferdinand Huyck, de zoon van den Hoofdschout, op wien het gewicht eener kapitale beschuldiging rustte: tegen wien zich zulke ontzettende verdenkingen verhieven: en, had ik in den aanvang de zaak licht geteld en vertrouwd op het bewustzijn mijner onschuld, ik zag nu in, dat er krachtige gronden zouden moeten bijgebracht worden om de tegen mij aangevoerde bewijzen te ontzenuwen. En dan dacht ik aan mijn ouders: aan mijn brave moeder, wier zwak gestel de tijding niet zou weerstaan, dat haar zoon van zulk een misdaad verdacht werd gehouden: aan mijn vader, die zijn leed met het Stoïcisme, dat hem kenmerkte, verkroppen, maar later des te meer bezuren zoude: en dan, de kwellende gedachte, dat ik hen zelfs niet van mijn onschuld overtuigen kon!—dat zij door een derde, die de zaak wellicht vergrooten of in een ongunstig daglicht stellen, van het gebeurde onderricht zouden worden; dat zij wellicht den naam zouden vloeken van den zoon, die hun grijze haren met schande bedekte ... dat alles was schrikkelijk: het deed mij het bloed in de aderen terugkrimpen en het koude zweet door alle poriën uitbersten.
Nu wilde ik schrijven; maar daartoe ontbraken mij de middelen en niemand beantwoordde mijn geroep: ik was alleen en—verlaten—zonder toegang. Ik zag mij verplicht, te wachten, tot mijn verzoek zoude worden ingewilligd; want ik hing van de grillen van Meester Doedes af en ik had reeds genoeg bespeurd, dat hij er verre af was van mij genegen te zijn.
Eindelijk, na uren, pijnlijk doorgebracht, zag ik de deur van mijn kerker opengaan en werd ik aangenaam verrast door het binnentreden van Heynsz. "Goddank!" riep ik, zoodra ik hem zag: "ik ben dan nog niet geheel verlaten."
"Mijnheer Huyck! Mijnheer Huyck!" zeide hij, zoodra ons de sluiter alleengelaten had, met een bedenkelijk gezicht: "dat is een geval voor mij, te zien den zoon van uw vader in zulk een ongelegenheid!"
"Nietwaar?" vroeg ik, hem de hand toestekende: "gij gelooft niet aan mijn schuld?"
"Ma foi!" antwoordde hij, "alle presumtie is tegen u; en er zouden in waarheid zijn termen, om op u te appliceeren de torture; maar ik begrijp niet, waarom UEd. niet bekent; want ik veronderstel, gij hebt toegebracht die wond in cas van zelfdefensie."
"Hoe! ook gij zijt tegen mij?" riep ik, met bittere teleurstelling.
"Wat zal ik zeggen? Twee getuigen tegen u!"
"Waarvan de eene mijn vijand, en de andere een schurk is."
"Ja, die Andries!—nu die zal er niet afkomen zeer gemakkelijk; want, vrijplaats of niet, hangen zal hij; maar waarom, uit wat reden, zou hij u bezwaren?"
"Redenen genoeg: vooreerst uit ingeboren kwaadaardigheid: ten tweede omdat ik een zoon van den Hoofdofficier ben: ten derde, omdat hij een oude veete tegen mij heeft;—want zonder den Heer Van Lintz had ik eens zijn mes in mijn ribben gevoeld."
"Goed!—de Heer Van Lintz kan gehoord worden:—maar nu de Heer Blaek, zou die zoover drijven de slechtheid om u valsch te betichten van hem vermoord te hebben.... 't Is mogelijk; maar dat is gruwzaam!"
"Ik moet nog gelooven," zeide ik, "dat zijn beschuldiging het gevolg is, of van een verzinning, of van een onwillekeurige gemoedsopwelliug, en dat hij, zoo hij in 't leven blijft, die wel weder zal intrekken."
"Dat geloof ik niet," zeide Heynsz: "want hij is beter en heeft toch niet ingetrokken zijn verklaring: maar integendeel die bevestigd met nadere omstandigheden."
"Welnu!" hernam ik: "in dat geval ben ik overtuigd, dat zijne depositie met die van Andries moet variëeren."
"Dat doen zij ook," zeide Heynsz: "ik heb die gelezen, allebei; want, gezegd tusschen ons, Reynszen is een verstandig man, die wel hooren wil naar raad en niet is een dwarshoofd als die Doedes: en hij heeft in dit geval geraadpleegd mijne ondervinding: ook heb ik te danken aan hem, dat ik heb bekomen permissie om u te bezoeken; want de Drost wilde u houden buitenaccès; hij is wat in de drukte, die Meester Doedes: een belangrijk casus als deze: doodslag en verwonding: en tot patiënt om te verzorgen een rijken Amsterdammer, dat is te veel plaisier op éénen tijd voor een man als hij."
"Ik geloof het wel," zeide ik: "maar nu de depositiën?"
"Aha ja!—Wel dan: de Heer Blaek vertelt, dat hij van u ontvangen heeft een cartel om te vechten in duel op het duin: dat hij, daar gekomen zijnde, is geattaqueerd door u en Sander, en dat hij ontvangen heeft van u een steek met een mes, op het oogenblik dat hij om te defendeeren zijn leven, door het hoofd schoot Sander:—of liever Zwarten Piet:—want het blijkt, dat het deze gevreesde gauwdief is geweest, die te dezer gelegenheid is omgekomen.—Andries vertelt daarentegen...."
"Ik heb de depositie van dezen laatste gehoord," viel ik in: "maar in allen gevalle volgt uit beider verklaring dat Sander door Blaek is gedood, en dan is deze laatste insgelijks als getuige reprochabel, daar hijzelf ter verantwoording over een doodslag zal geroepen moeten worden."
"'t Isjuste! en dat heb ik al gezegd aan Reynszen. 't Is doodjammer, dat UEd. zijt getreden in de negotie en niet zijt geworden Advocaat: want UEd. saisiseert de punten van defensie juist als 't behoort, maarma foi!al had UEd. in drift of anderszins overhoopgestoken diencanaillevan een Blaek, ik zoude er UEd. niet te minder om achten."
"Maar ik herhaal u, dat mijn handen zuiver zijn van zijn bloed; en...."
"Ik geloof u, Mijnheer Huyck! Ik geloof u—en zoo ik straks sprak anders, het is, omdat ik zoo ben gewend: wanneer men tegen een geculpeerde spreekt, moet men altijd beginnen te veronderstellen de schuld: anders komt men nooit achter de waarheid ... maar dat daargelaten. Hoe kan ik van eenigen dienst zijn aan UEd.?"
"Kan ik geen schrijftuig bekomen? Ik wenschte zoo gaarne mijn vader kennis te geven van dit ongelukkige voorval, eer hem zulks van een andere zijde ter ooren komt."
"Ik vrees, dat men u daartoe niet zal geven de permissie", zeide Heynsz, het hoofd schuddende: "maar laat mij over, te verrichten die onaangename taak. Ik zal Z.-Ed.-Gestr. voorbereiden op eene voorzichtige wijze en het voorstellen bij provisie als een zaak, waar UEd. slechts in gemoeid zijt of waarbij het onzeker is of UEd. als getuige of als geculpeerde zult paraisseeren. Ik zal wel geven een goede kleur aan de zaak: wees gerust."
Helaas! Ik was zeer verre van gerust te zijn, of een onbepaald vertrouwen te bezitten op den gelukkigen briefstijl van Heynsz en op zijn voorzichtigheid en zijne wijze van de zaak voor te dragen. Ik moest echter wel berusten: er was niets anders aan te doen.
"UEd. is hier slecht gelogeerd," zeide hij, nadat wij het voormelde punt hadden afgehandeld, "ik zal daarover spreken met Reynszen. Er is geen reden om te behandelen als een slechten boef iemand, die wel in staat is te betalen een goed logies.—Maarà -propos!" zeide hij: "eer ik het vergeet, ik moet UEd. de groete doen van den Heer Van Lintz, van zijn dochter en van den armen Helding. Ik weet niet, wie bedroefder is van de twee over uw geval, de oude poëet of de jonge Juffer. De eerste doet niets als schelden en razen, en de laatste is als een wanhopig mensch en beschuldigt zichzelve van de oorzaak te zijn van al deze ellende."
"Amelia?—Zij is toch waarlijk geheel onschuldig aan het voorgevallene."
"Ma foi!" zeide Heynsz, glimlachende: "niet zoo geheel en al. Had zij niet in de oogen gestoken den Heer Blaek, deze haar niet had achterna gevolgd en was niet aangekomen hier:—enfin! het eene is een gevolg van het andere."
"En Kapitein Pulver?" vroeg ik.
"O ho! die ware al gegaan naar Amsterdam om zich te beklagen over de regeering van Terschelling, dat zij had de brutaliteit van u vast te zetten; maar ik heb hem gelukkig teruggehouden daarvan; te meer daar zijn getuigenis u wellicht kan zijn van dienst.—Maar ik moet u verlaten; want ik dien de gelegenheid waar te nemen, om te schrijven:—ik zal zorg dragen, dat UEd. ontvangt betere meubelen."
Heynsz verliet mij en was zoogoed als zijn woord: want een uur later bezorgde men mij een bed met zijn toebehooren, benevens een tafel, stoelen, die, schoon niet nieuwerwetsch, echter bruikbaar waren, en mijn bagage. Ik zal hier geen beschrijving geven van de treurige nachten en vervelende dagen, welke ik sleet, zonder dat zich eenige verandering in mijn toestand of eenig uitzicht voor de toekomst opdeed. De eenige verstrooiing, welke ik had, bestond in de bezoeken van Heynsz, die mij tijdingen bracht van hetgeen er voorviel en van den toestand van Lodewijk. De wond van dezen scheen minder gevaarlijk dan men in den aanvang gedacht had; maar de gestadige koortsen, welke hem teisterden, hadden hem zeer verzwakt. Men vleide zich echter, dat zijn jeugd en sterk gestel de kwaal zouden te boven komen. Ten opzichte van het gepleegde feit bleef hij echter dezelfde depositie staven; zoodat mijn zaak nog geen betere wending scheen te nemen.
Het was op den zesden ochtend na mijn gevangenneming, dat, terwijl ik mijmerend voor mijn tafel zat en aan de mijnen dacht, ik de grendelen van mijn kerkerdeur hoorde openschuiven. Ik rees op, eenigszins verwonderd; want dit was het uur niet, waarop ik eenig bezoek verwachtende was: de deur ging open: iemand trad met drift binnen: en ik deed van verbazing een stap terug op het zien van Reynhove.
"Reynhove!" riep ik: "u was ik wel het minst te verwachten.
En ik had niet verwacht, ooit Terschelling te zullen zien," antwoordde hij: "en voorwaar niet om zulk een reden.—Arme vriend! Gij zijt mager en bleek geworden: dit logies deugt u mets.
"En mijn ouders!... weet gij iets van hen?... Vanwaar komt gij?" vroeg ik, in gespannen verwachting.
"Allen wel:—een half uur geleden hier gearriveerd—rechtstreeks van Amsterdam—en met commissiën van allerleigenre—rechts en links."
"Gij komt van Amsterdam?—Hebt gij mijn vader gezien?—Weet hij, weet mijne goede moeder?..."
"Stil.... Een oogenblik! Gun mij den tijd adem te halen, zeide Reynhove, zich nederzettende en zijn paruik in orde schikkende: "ma foi," vervolgde hij, rondziende: "gij zijt hier niet te best gelogeerd: —nu—dat is te begrijpen.—Uw vader is wel, ik ben bij hem geweest: hij poogt zich goed te houden en voor uw moeder te verbergen wat hier is gepasseerd; maar het goede mensch is toch in doodelijkeinquiétude, want zij merkt wel, dat er iets gaande is.—Enfin, het is een mal geval: en ik wilde wel om duizend kronen, dat gij hier nooit heengetrokken waart."
"Mijn arme ouders!... en zij houden mij toch niet voor schuldig, Reynhove?"
"Gij vergeet wat ik u zeide, dat niemand iets van de ware toedracht der zaaksoupconneert, behalve alleen uw vader ... maar laat mij u alles toch ordelijk verhalen."
"En mijn zuster?... En ... de andere betrekkingen?'
"Uw zuster is wel, en uwe Tantes ook, en Mejuffrouw Blaek ook—ofschoon zeer gesaisisseerd van dat fatale geval."
Ik wil wel gelooven," hernam ik, "dat de toestand van Lodewijk...."
"Ja! en dan de dood van haar oom...."
"Hoe!" riep ik uit: "is de oude heer Blaek dood?"
"De wereld geabandonneerd" zeide Reynhove: "en wel zonder het appèl af te wachten.—Maar zoo gij mij niet aan het woord laat, zult gij nooit iets naar behooren vernemen.—Antwoord mij eerst: wien denkt gij in mij te zien?"
"Een vriend, naar ik hoop," zeide ik, eenigszins verwonderd over deze vraag.
"Dat spreekt vanzelf;—maar, hehalve dat? Gij raadt het niet?"
"Ach!" zeide ik: "denk toch in welke omstandigheden ik mij bevind, en hoe weinig ik, zelfs tot onschuldige scherts, gesteld ben."
"'t Is waar: gij hebt gelijk.—Welnu! gij ziet in mij een gedelegeerde van Hunne Hoogmogendenpas moins que-ça. Ik ben hier op een missie uit en begin mijn diplomatiekecarrière."
"Ik wensch u geluk," zeide ik, zuchtende: "maar in 's Hemels naam...."
"Uw vader had gelijk," vervolgde Reynhove: "het werd tijd, dat ik eens iets anders deed als rijden en mij amuseeren. Ik heb zijn raad gevolgd en ben in politieke betrekking gekomen.—Hoor nu verder: een paar dagen na uw vertrek van Amsterdam, werd door de Heeren in den Haag, ten gevolge der voorspraak van den Russischen Gezant, met wien men gaarne goede vrienden wilde blijven, van een dringend advies van de Amsterdamsche regeering, en van dedémarches, door ettelijke lieden vaninfluentiegedaan, werd er goedgevonden, zeg ik, omprimoden Heer Van Lintz, dien gij kent, niet uit te leveren aan Spanje, en secundo, om hem niet als deserteur te beschouwen; waartoe dan ook bleken geene termes aanwezig te zijn, daar zijn akte van ontslag reeds, op een paar formaliteiten na, was opgemaakt voor zijn escapade met Mejuffrouw Reefzeil:—kort en goed: alle difficulteiten waren weggeruimd en het bevel van apprehensie moest gecontramandeerd worden. Ik werd door mijn vader gechargeerd, die goede tijding aan de Amsterdamsche regeering te brengen:—ronduit gezegd: ik had mijzelven geoffreerd om die boodschap te doen: ik wist, dat de tijding uw vader welkom zoude zijn—en bovendien—waarom zoude ik hetniëeren?—er was nog een trekpleister, die mij naar Amsterdam en wel naar uw huis deed verlangen."
"Hoe!" viel ik Reynhove in de rede: "hebt gij zulke gedachten in 't hoofd?"
"Uw zuster Suzanna is een plaaggeest," antwoordde hij lachende: "maar met dat al, ik zou mij hoogst gelukkig rekenen, indien zij mij levenslang tot het doel van haar plagerijen wilde nemen: wij zouden zien, wie het langst het uit zoude houden.—Maar dat daargelaten, want ik heb ernstiger zaken te behandelen. Ik vond uw vader aan 't Stadhuis: de Heer Blaek ging juist van hem vandaan en scheen alles behalve opgeruimd. Uw vader wilde, toen hij mij gesproken had, terstond een tweede expres naar Terschelling sturen om bevel te geven, den Heer Van Lintz te libereeren:—één had hij er reeds weggezonden, op een vroegere tijding dat de zaak goed stond;—maar terwijl wij nog aan 't praten waren, daar kwam de brief aan van Heynsz, waarbij werd gemeld, hoe Lodewijk was gewond en hoe men u als getuige bij de zaak hield ... ik zag den man verbleeken toen hij den brief las, en merkte terstond, dat er onraad moest zijn. Hij vermande zich echter en reikte mij met een kalm gelaat den brief toe. Ik ontstelde insgelijks over den inhoud: maar zag niet terstond alles door. "Die tijding zal den ouden Heer Blaek geweldig frappeeren," zeide ik: maar ik begrijp niet, hoe uw zoon daarin geïmpliqueerd is."—"Ik maar al te wel," antwoordde hij: "zij hebben elkander geprovoceerd—de eene is als het slachtoffer gevallen van dat noodlottig punt van eer; en de andere ... (o God! mijn zoon!...) heeft de wraak der wet te duchten. "O! Mijnheer ben een ongelukkig vader!""—Ik had innig medelijden met den braven man en bood hem aan, zelf als expres naar Terschelling te gaan en te onderzoeken hoe het met de zaak geschapen stond. Hij aarzelde eenige oogenblikken: maar nam eindelijk mijn propositie met dankbaarheid aan. Daar ik toch niet voor den avond vertrekken kon, ging ik eerst naar den Heer Blaek om hem het ongeval zijns zoons te verhalen—mede voorwaar geen aangename commissie; ik vernam, dat hij niet te spreken was, maar mij verzocht een uur later te komen. Ik voldeed aan het verzoek;—toen ik op den bepaalden tijd weder aan zijn huis kwam, was hij een lijk.—Hij had, naar men vermoedt, zich met vergif om 't leven gebracht."
"Ontzettend! en wat kan de reden zijn?..."
"Die is nog een raadsel: droefheid over het ongeval zijns zoons kan het niet geweest zijn; want dat kon hem nog niet bekend wezen;—maar dat zal zich wellicht later openbaren. Henriëtte was radeloos en onwetend wat te doen. Ik stuurde naar uw vader. Hij kwam, uw moeder kwam, Mejuffrouw Suzanna kwam——in 't kort—het was een tooneel vol desolatie en drukte. Op de schrijftafel van den overledene lag een toegelakte brief aan zijn zoon: dien vermoeden wij, dat licht over het geval zoude verspreiden:—enfin!hij moest kennis van het gebeurde dragen en ik zeilde dus naar dit eiland af met een driedubbele missie."
"En...? Mejuffrouw Blaek...?"
"Zooals ik u gezegd heb, zij is violent geschrikt—bedroefd....enfin; zooals men bij dergelijke gevallen gesteld is.—Om kort te gaan: ik heb mij bij mijn komst alhier geadresseerd aan zekeren vent, die den naam van Doedes draagt, en eenquibusinfoliois,
"Ik ken hem, tot mijn ongeluk," zeide ik.
"Welnu! Ik ben begonnen met aan hem en aan Heynsz het bevel voor te lezen, om den Heer Van Lintz te libereeren:—vervolgens heb ik mij naar Lodewijk begeven, en hem, met permissie van dienzelfden Doedes, die mij zoowel een zotte Dokter als een zotte Drost toeschijnt, na behoorlijke preparatie, het overlijden van zijn Heer Papa gecommuniceerd. Hij was, 't is zonde dat ik het zeg, meer verbaasd dan bedroefd—enfin! hij scandaliseerde mij en ik ben maar spoedig van hem afgeloopen, na hem den brief te hebben gelaten, die, hoop ik, meerimpressieop hem zal maken. Toen heb ik aan dien Doedes gezegd, dat ik u moest zien en spreken, en de vent heeft, met al zijn wijsheid en waan, het niet durven weigeren aan iemand, die zulk een mooien rok aan had, die hem een bevel van H.H.M.M. bracht en die op zulk een hoogen toon tegen hem sprak.—En nu ben ik hier—en recht verdrietig, van u in zulk een gek parquet te zien; want ik hoor, dat het hier geen quaestie van een duel is, maar dat Lodewijk u van moord beschuldigt."
"Hij liegt, Reynhove! bij al wat heilig is, hij liegt."
"In dat geval is het een heel gemeene leugen, en hoop ik, dat hij tot inkeer zal komen.—Maar...."
Op dit oogenblik werd ons gesprek gestoord door een groote drukte aan de deur, die met gedruisch openging; terwijl Reynszen, Pulver, Helding, Heynsz en de Stokbewaarder bijna allen gelijktijdig binnendrongen, en allen dooreen schreeuwden.
"De Heer Blaek verlangt u te spreken," riep Reynszen mij toe.
"Hij zal bakzeil inhalen!" schreeuwde Pulver.
"Hij wil met geen leugen de eeuwigheid ingaan," zeide Helding.
"De Heer Van Lintz is al gewaarschuwd," riep Heynsz.
"Mijne Heeren!" zeide ik, opstaande: "wij kunnen wel allen te gelijk zingen, maar niet te gelijk spreken; mag ik vragen, wat er is voorgevallen, of welke tijding gij brengt?"
"Stil! stil!" zeide Reynszen, tegen de overigen, die opnieuw vooraan drongen: "ziehier het geval. De Heer Blaek heeft een brief van zijn vader ontvangen, die, God vergeve het hem, zichzelven verdaan heeft. Wat het geval recht is, weet ik niet; maar hij heeft verlangd, den geïnculpeerde, benevens den Heer Van Lintz en dien Heer" (op Reynhove wijzende) "te spreken. Ik wensch van harte, Mijnheer Huyck! dat het tot uw voordeel zij: doch ik mag u nog met niets vleien. Wees zoo goed mij te volgen."
Er was geen bevel, waaraan ik met meer bereidwilligheid voldoen kon: ik kleedde mij, en eenige oogenblikken later waren wij allen aan het huis van Doedes, die ons aan de voordeur ontving.
"Hoe is het met den lijder?" vroeg hem Reynszen.
"Hm!" antwoordde hij: "slechtesymptomata—brief gelezen—flauwten gehad—gisteren nog druk en woelig—met alles ontevreden—harde bedden—slechte bediening—rijkeluisklachten,—en nu—stil—gedwee—mak als een lam—geen koorts—erger—zwakte—vriendelijkheid—mis—slecht afloopen."
Wij volgden den Drost naar het vertrek van den zieke, alwaar zich de Heer Van Lintz en zijn dochter reeds bevonden, die bij onze komst oprezen en mij zwijgend de hand kwamen drukken. Na een stillen wedergroet, wendde ik de oogen naar de bedstede des gewonden, en ik kon niet nalaten, ondanks de redenen van wrevel, die ik tegen hem voedde, een diep medelijden te gevoelen met den toestand, waarin ik hem terugvond. Dat kort te voren nog zoo forsch en moedig gelaat was geheel ingevallen. Door het strakke vel schenen de beenderen heen, een akelige bleekheid was over het geheele wezen verspreid en de in hun kassen weggezonken oogen van allen glans beroofd. Hij lag achterover, en zoo onbeweeglijk, dat ik hem in het eerste oogenblik voor dood hield: hij scheen echter mijn nadering te bespeuren, draaide het hoofd even naar mij toe en herkende mij: een licht rood bedekte even zijn gelaat: hij wendde het hoofd nog verder om, totdat hij Doedes in 't oog kreeg, en vroeg, met een flauwe stem, of de Notaris nog niet gekomen was.
"Notaris naar Midland"—antwoordde Doedes: "boodschap gestuurd—komen als hij terug is."
Dit verwijl scheen den lijder te hinderen: hij deed eenige moeite om zich in 't bed op te richten: zijn bedoeling bemerkende, trad de oppasster, die hem verzorgde, toe, en met behulp van deze gelukte het hem een zittende houding aan te nemen. Wij stonden intusschen allen met pijnlijk ongeduld te verbeiden, wat de uitslag zijner mededeeling zoude wezen.
"Mijne Heeren!" zeide hij, met een flauwe en bevende stem, die langzamerhand in kracht en vastheid toenam: "ik heb u verzocht, hier te komen. Ik voel, dat het spoedig ... met mij gedaan zal wezen ... en ik wil ... zooveel in mij is, herstellen, wat ik bedorven heb."
Hier hield hij een oogenblik stil, als om nieuwe kracht tot spreken te vergaderen. Allen bleven wij hem zwijgend aanstaren, in gespannen verwachting.
"Het eerste wat ik doen moet," vervolgde hij, "is, hier in tegenwoordigheid van den Voorzitter van Schepenen en van den Drost, te verklaren, dat ik den Heer Huyck valschelijk heb beticht ... en dat hij geheel onschuldig is aan de wond, die mij het leven kost."
"God zij gedankt!" hoorde ik Amelia, met een flauwe stem achter mij uitroepen, en mijn hart zeide haar dien uitroep na.
"Hm!" zeide Doedes: "confessio in articulo mortis: eerst zóó spreken—nu weer anders—moord toch gepleegd—dader op 't kerkhof?"
"Dat zou je wel kunnen raden," mompelde Heynsz, "want Zwarte Piet is begraven, en zoo die het niet gedaan heeft, weet ik niet wie er aan zoude zijn coupabel."
"Och ja!" zuchtte Helding: "op het kerkhof ligt hij naast mijn arm kind!—verleden Maandag heb ik hen beiden ter aarde besteld. Zij zijn in den dood vereenigd, die levend van elkaar gescheiden waren."
"Indien het den zieke niet te veel vermoeide," zeide Reynszen: "zou hij wel eenige nadere inlichtingen aan de Justitie dienen op te geven, dan konnen wij daar acte van opmaken."
Lodewijk knikte met het hoofd ten teeken van goedkeuring, en Reynszen, zich aan een tafel zettende, maakte zich gereed zijn verklaring op te teekenen.
"De Heer Van Lintz," zeide Lodewijk, "zal zich herinneren, mij eenige woorden te hebben toegevoegd, nopens papieren, onder hem berustende, en welke invloed op mijn fortuin konden maken. Ik weet thans, dat die bedreiging niet ijdel was:—maar hierover nader. Genoeg, zij verontrustte mij—en dit was de oorzaak, dat ik hier bleef, ten einde te zien, wat het gevolg daarvan zoude kunnen zijn.—Ik was ongerust, ongedurig, als gejaagd—ik begreep, dat ik in de bewuste zaak een weinig voordeelige rol gespeeld had:—ik had uit blinde wraakzucht tegen den Heer Van Lintz, uit haat en liefde (want ik weet niet hoe het gevoel te bestempelen, dat zijn dochter mij inboezemde) mij verlaagd om een handlanger der Justitie te worden—en zag te laat in, hoe verachtelijk mij zulks in aller oogen maken zoude: kortom! ik was wrevelig en vol spijt; maar, gelijk het gaat, ik beschuldigde iedereen behalve mijzelven, en vloekte op den Heer Van Lintz, op mijn dwazen hartstocht, op Heynsz—maar bovenal op den Heer Huyck, wien ik als mijn doodvijand beschouwde. Ik was naar mijn jacht gekeerd! maar bracht den nacht slapeloos door, en keerde, zoodra het dag werd, naar wal, met een koppel pistolen voorzien, en van zins den Heer Huyck tot een tweegevecht uit te dagen. Hem niet aan de herberg vindende, liep ik het duin in, met het oogmerk van hem op te zoeken, toen ik den persoon van Sander Gerritsz op zijde kwam. Nauwelijks had deze mij aangeblikt, of hij kwam in drift op mij af, en schold mij in hevige bewoordingen voor den moordenaar zijner liefste uit. Weinig lijdzaam van natuur, en wrevelig bovendien wegens al wat er gebeurd was, gaf ik hem een slag in 't aangezicht; waarop hij mij in de borst greep en er een worsteling tusschen ons beiden ontstond, aan welke ik een einde maakte door een pistool uit mijn zak te halen en hem door 't hoofd te schieten. Hij wankelde, maar zijn laatste krachten bijeenzamelende, trok hij zijn mes, stootte het, eer ik het verhinderen kon, mij in den strot, en viel toen stijf achterover, terwijl ik te gelijker tijd bedwelmd nederstortte en niet weer bijkwam, dan toen ik, in 't leven teruggeroepen, den Heer Huyck nevens mij herkende. Toen was het, of mij een helsche geest influisterde, dat ik hem van den moord betichten moest. Ik voldeed aan die inblazing; later deden wraakzucht, haat, valsche schaamte, mij bij mijn verklaring volharden. Maar de ontzettende tijding, die ik heden bekomen heb, en de mededeelingen, mij door mijn ongelukkigen vader gezonden, hebben mij de oogen geopend. Ik heb de hand van God herkend, die het kwaad niet ongewroken laat.—Ik heb van mijzelven geijsd:—en van al de ongerechtigheden, die ik bedreven heb. Gave de Heer, dat ik die alle kon herstellen, gelijk ik deze doe ... en gij, Mijnheer Huyck!... Mejuffrouw!... mijn goede Helding!... vergeeft mij ... opdat God mij vergeve."
Bij het uiten dezer laatste woorden verzwakte zijn stem merkbaar en hij zakte in elkander, als iemand die een poging boven zijn krachten gedaan heeft. Wij traden dichter aan zijn legerstede om hem die geruststelling te schenken welke hij verlangde.—"Ik vergeef u," zeide Van Lintz: "want ik weet bij eigen ondervinding te wel, tot welke uitersten gekrenkte eigenliefde en toomelooze zucht ter inwilliging onzer neigingen ons kunnen voeren. Gij hebt u willen wreken ... ik ken dat gevoel ... ik heb het ook eenmaal ... en te vreeselijk ... ingewilligd." Dit gezegd hebbende, trad hij terug en bleef in sombere gepeinzen staan.
Helding drukte den lijder zwijgend de hand; maar was buiten staat zijn vol gemoed uit te storten. "Ik betuig oprecht Mijnheer Blaek!" zeide ik, op mijne beurt naderende, dat bij mij geen greintje wrok tegen u overblijft; en moge de Algoede u niet alleen zoo volkomen vergeven als ik u vergeef;—maar u behouden om door een oprechten wandel zijn naam te verheerlijken."
"Hm!" zeide Doedes, naderende, en zijn patiënt den pols voelende: "zwak—lassitudo—niet allen hier blijven—heengaan—hm!"
"Wel ja!" zeide Reynszen: "mij dunkt, het is nu alles beklonken: ik heb de verklaring opgemaakt, die de gewonde heeft afgelegd, zoo hij die nog verkiest te hooren en in staat is, die te teekenen, dan zie ik geen zwarigheid, den Heer Huyck onder handtasting te ontslaan; want de depositie van Andries Matthijssen is bij mij ook geen oortje waard en naar hetgeen onze vriend Heynsz vertelt, loopt hij meer kans zelf de galg te kussen, dan er anderen aan te helpen."
Lodewijk, eenigszins bijgekomen zijnde, toonde zich bereid, de verklaring te hooren lezen, en te teekenen, een daad, welke hij, schoon met moeite, ten einde bracht. Toen wilden wij afscheid van hem nemen en ons verwijderen, maar hij gaf te kennen, dat zijn gemoed nog niet geheel ontlucht was en dat hij nog iets met den Heer Van Lintz had af te handelen, waarbij echter alleen Reynhove en ik getuigen mochten zijn, weshalve hij verzocht, dat al de overigen het vertrek zouden verlaten.
Toen men aan zijn verlangen voldaan had, bleef hij nog een wijl op de deur staren, als vreezende, dat iemand het in zijn hoofd mocht krijgen, terug te keeren, en zich tot Reynhove wendende: "schuif den grendel dicht!" zeide hij met een ongeduldige beweging: "en gij, Huyck! schenk mij dat glas nog eens vol ... mijn lippen branden."
Ik bood hem het gevulde glas aan: hij dronk het met langzame teugen ledig, terwijl wij elkander aanzagen, niet zonder nieuwsgierigheid, waar dit alles op zoude uitdraaien. Eindelijk zette hij het glas neder, haalde van onder zijn dek een papier voor den dag, hetwelk hij tusschen de vingers frommelde en, Van Lintz aanziende, begon hij in dezer voege:
"Gij hebt mijn vader vroeger gekend, Mijnheer?"
Van Lintz beantwoordde deze vraag met een koele buiging.
"Gij hebt waarschijnlijk vernomen, hoe zijn uiteinde is geweest," vervolgde Lodewijk: "maar wat gij noch iemand weet, hetgeen ik zelf eerst op dit oogenblik vernomen heb, is het zielelijden, waarmede hij zoovele jaren geworsteld heeft, en dat hem thans het leven gekost heeft. Het is echter nuttig, dat gij drieën hiermede bekend zijt, opdat gij ten minste bij anderen, die geneigd mochten zijn, over hem een onbarmhartig vonnis te vellen, de getuigenis zoudt kunnen afleggen, dat hij meer te beklagen dan te veroordeelen was. Lees dezen brief overluid, Huyck!—en gij zult beseffen, welke uitwerking hij op mij maken moest."
Ik nam het papier van hem aan en las. Het was de brief, dien Reynhove had medegebracht, en de inhoud luidde als volgt:
"Wanneer gij dezen brief ontvangt, mijn zoon! zal uw vader voor den rechterstoel des Allerhoogsten verschenen zijn:—en, zoo de wroeging van een sedert vijftien jaren gefolterd geweten mij dringt, dit leren te verlaten, gij, ongelukkige! gij, die alleen in staat zoudt geweest zijn, mij de rust terug te geven, en mij met het leven te verzoenen, gij verhaast den stap, die mij de eeuwigheid invoert.
"O! dat ik vroeger gesproken had! Wellicht zoudt gij aan mijn raad, aan mijn wensch hebben gehoor gegeven en het hart pogen te winnen van haar, die ik voor u bestemde. Een huwelijk tusschen u en uwe nicht had alles vereffend!—maar wat zeg ik?—Het heeft zoo moeten zijn. Gij waart een zoo beminnelijke, zoo deugdzame gade niet waardig; en ik was bestemd, de straf voor mijn misdrijf te ontvangen en de schande, die mij wacht, in het graf te ontvlieden.
"Dan, de tijd is te kort:—en ik moet mij haasten, de laatste levenskrachten, die mij nog overblijven, te besteden. Luister dan:—beklaag mij: vloek mij niet: en laat mijn voorbeeld u tot leering strekken.
"Gij zult wel gehoord hebben, dat mijn broeder en ik, in vroegere jaren, veel moeite hadden om behoorlijk rond te komen, en dienvolgens onze fortuin buitenslands gingen beproeven. Men heeft er u bij verteld, dat ik gelukkig slaagde, terwijl het hem tegenliep. Hoor thans voor 't eerst de zuivere waarheid:
"Van mijn jeugd af had een onverzadelijke dorst naar schatten mij de ziel beheerscht. Ik zag zooveel rijkdom en weelde om mij heen, dat ik het denkbeeld niet verdragen kon, voor anderen, die mij in stand en geboorte gelijk waren, te moeten onderdoen. En echter scheen ik daartoe bestemd; want mijn vader bezat weinig buiten hetgeen zijn ambt hem schonk, en zijn levenswijze was niet van dien aard, dat hij veel kon sparen. Ik besloot dus, toen ik tot jongelingsjaren gekomen was, dat een goed huwelijk het eerste middel zoude zijn, om mijn doel te bereiken. Ik slaagde naar wensch;—immers ik dacht zoo:—ik zag niet naar schoonheid of zielsgaven: ik zocht slechts een rijke vrouw en trouwde haar schatten. Mijn eerste straf was het noodlottige leven, dat ik met uw moeder leidde;—ik wil daarover niet uitweiden. Zij stierf en toonde mij den haat, dien zij mij toedroeg, door bij uitersten wil te bepalen, dat haar vermogen op u zou komen, zonder dat ik daarvan eenige vruchten zou mogen trekken. Ik was nu even ver als ik te voren was: ik besloot naar de West te gaan en daar mijn fortuin te beproeven, terwijl ik u bij de meervermogende familie uwer moeder achterliet.
"De uitkomst beantwoordde wederom niet aan mijn verwachtingen. Na jaren vol tegenspoeds keerde ik terug en kwam te Lissabon aan. Daar ontmoette ik den Graaf van Talavera, die er voor de belangen van het Spaansche hof aanwezig was; en ik hernieuwde met hem de kennis, die ik vroeger met hem als Baron Van Lintz had gemaakt. Van hem bekwam ik tijding van mijn Broeder, die tevens zijn zwager was (zij hadden elk eene Juffrouw Reefzeil getrouwd) en vernam, hoe deze, die insgelijks zijn fortuin buitenslands was gaan beproeven, en zaken in de Levant had verricht, te Lissabon werd verwacht. Ik nam voor, zijn komst te verbeiden: en werkelijk, hij kwam weldra opdagen; maar zijn uiterlijk verried geen rijkdom. Nauwelijks was hij een paar dagen met ons geweest, of hij werd door een hevige ziekte overvallen, die hem, na een korte ongesteldheid, aan den rand des grafs bracht. De Graaf van Talavera deelde met mij de zorgen zijner verpleging en was de eerste, die hem waarschuwde, dat hij, naar het oordeel des geneesheers, weinige dagen levens meer overig had, en orde op zijn zaken stellen moest. Mijn broeder glimlachte op een droevige wijze. "Dit laatste zal mij weinig moeite kosten," zeide hij: "Ik had gehoopt mijn dochter, mijn eenigst pand, te zullen terugzien en haar de welvaart, die ik voor haar vergaarde, zelf te brengen: nu zal mijn broeder zich met die taak dienen te belasten."—Wij zagen elkander verwonderd aan, de Graaf en ik; want wij begrepen niet, waar die welvaart schuilen kon. Toen haalde mijn broeder een dikken rotting voor den dag, die aan zijn voeteneinde lag, en waarmede wij, wegens haar lomp fatsoen, meermalen den spot hadden gedreven. Hij verzocht mij den knop er af te draaien en hetgeen zich daarin bevond op de tafel uit te schudden. Ik deed zulks, en nu ontdekten wij met verbazing, dat de stok hol en geheel gevuld was met edelgesteenten van een onschatbaren prijs. Mijn broeder nam er eenige van af, en mij die ter hand stellende, zeide hij: "deze zijn voor u, en zullen u, zoo gij die met overleg verkoopt, in staat stellen uw fortuin weder op te bouwen. De overige zult gij aan mijn dochter brengen, als haars vaders erfdeel...."—Toen gelastte hij, dat men een juwelier zou roepen: er werd een inventaris opgemaakt, waarop de prijzen volgens taxatie genoteerd werden: en daarvan een afschrift aan mij en een aan den Graaf ter hand gesteld; terwijl wij beide stukken teekenden en de bestemming der juweelen daarop vermeldden. Weinige dagen later stierf mijn broeder in mijn armen, en terwijl zijn stervende mond mij zijn dochter aanbeval. Ik bleef niet langer te Lissabon dan voor de begrafenis noodig was, en zeilde af naar Amsterdam.
"Ondertusschen was ik weinig tevreden, wanneer ik de fortuin, die mijn broeder gemaakt had, met de mijne vergeleek; en zonder te bedenken, dat hij geen genot van zijn moeizaam verkregen schatten had gehad, terwijl ik de toekomst nog voor mij had, dacht ik er slechts aan, om mijn nicht te benijden, die zoo gemakkelijk aan een erfenis kwam, waarop ik, zonder haar, alleen aanspraak zoude gehad hebben. Nu fluisterde mij de duivel in: waarom zoudt gij dien schat aan uw nicht brengen? behoud hem voor u-zelf, drijf er handel mede, en maak het op een andere wijze goed met de dochter uws broeders. Geen haan zal er naar kraaien, en de Graaf van Talavera zal er zich in Spanje niet over bekommeren, of gij aan het vertrouwen uws stervenden broeders beantwoord hebt. Ik was te Amsterdam, zonder tot een besluit gekomen te zijn: men was aldaar reeds van den dood mijns broeders onderricht, en te gelijk overtuigd (zoozeer had hij zijn winsten bedekt gehouden), dat hij arm gestorven was. Nu had ik de zwakheid, of noem het de laagheid, de lieden niet uit den droom te helpen: ik verkocht mijn juweelen, of liever die mijner nicht niet op eens, maar langzamerhand, en begon een handel, dien ik meer en meer uitbreidde. Ik was voorspoedig. Het scheen alsof het onrechtvaardig verkregen geld in mijne handen moest gezegend worden; dan innerlijk was ik verre van mijn voorspoed te genieten.
"Eenige jaren waren verloopen, toen ik (nog sidder ik bij de herinnering) een brief van den Graaf van Talavera ontving. Hij had, schreef hij, vernomen, dat ik zeer vermogend was geworden, terwijl men van mijn nicht niets af wist: kortom de brief gaf niet onduidelijk te kennen, dat hij iets van de zaak vermoedde. Hij eindigde met mij te melden, dat hij het duplicaat van den inventaris naar Amsterdam zou overzenden en bij den Notaris Bouvelt doen deponeeren. Dit bericht ontzette mij: om tegen den dreigenden slag gewapend te zijn, liet ik terstond mijn nicht van de school komen, waar zij zich bevond, nam haar bij mij en behandelde haar als mijn eigen kind, voornemens zijnde om, zoo ik aangeklaagd werd, dadelijk rekening en verantwoording te doen. Maar nu bekwam ik de tijding, dat de Graaf in ongenade en naar Amerika was—en een jaar daarna verspreidde zich het gerucht van zijn dood. Ik was thans van mijn grootste zorg ontslagen; want ik hoopte altijd, dat hij zijn bedreiging om dat papier over te zenden, niet had ten uitvoer gelegd. Intusschen had ik Henriëtte als een dochter liefgekregen, en hoe meer ik haar leerde kennen en waardeeren, hoe feller verwijtingen ik mij deed van haar een vermogen te hebben onthouden, dat haar rechtmatig toebehoorde. Toen kwam het denkbeeld bij mij op, dat een huwelijk tusschen u beiden alles in 't gelijk, zoude brengen: en ik behoef u mijn streven naar dat doel niet voor den geest terug te brengen; het is u genoeg bekend.