ZESDE HOOFDSTUK.

[3]Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog verkeerdelijker Nederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen in net blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel.We praeten ummers allemaelOprechte zuivre Duitsche tael.Noot van den Uitgever.

[3]Zoo noemde men indertijd de taal, welke men sedert Hollandsch of nog verkeerdelijker Nederlandsch genoemd heeft. Zoo zegt ook Krelis Louwen in net blijspel van dien naam, II Bedrijf 10 tooneel.We praeten ummers allemaelOprechte zuivre Duitsche tael.Noot van den Uitgever.

Ik had dit gansche tooneel met een stomme verbazing beschouwd, onbekwaam om de betrekking te verklaren, welke er tusschen mijn redder en den hoofdman der roovers bestond, en dezen zoo gedwee het veld voor hem ruimen deed. Was de ontzagwekkende vreemdeling misschien ook zelf het hoofd geweest eener meer uitgebreide bende? en moest ik zijn invloed op Zwarten Piet, en den naam van Kapitein, dien deze hem gaf, daaruit afleiden? Wat hiervan wezen mocht, ik voelde mij van eerbiedige bewondering doordrongen voor den man, die, wapenloos, en, bijna alleen door het vermogen van zijn wil, mij uit de handen van drie boosdoeners verlost had: en, zoodra het geritsel der struiken, waardoor zich Zwarte Piet een weg baande, en waarnaar de vreemdeling aandachtig scheen te luisteren geheel had opgehouden, begon ik, in de warmste bewoordingen, mijn erkentenis aan hem uit te drukken voor den dienst, dien hij mij bewezen had.

Hij ontving mijn betuigingen met koelheid: "al genoeg," zeide hij, na een poos zwijgens: "ik was u wederkeerig een dienst schuldig, ter vergelding van dien, welken gij mij hedenmorgen bewezen hebt."

"Geloof, Kapitein!" zeide ik, hem den titel gevende, welken Zwarte Piet omtrent hem gebezigd had, "dat mijn dankbaarheid...."

"Verschoon mijl!" viel hij mij kortaf in de rede: "ik heb thans geen tijd om al het fraais aan te hooren dat gij mij zeggen wilt. Ik heb iets op den weg verloren en moet mij haasten het op te zoeken; want het is allemans gading, en...."

"Een groene beurs!" riep ik uit, verheugd over de gelegenheid, welke zich aanbood van hem op mijn beurt een dienst te bewijzen.

"Hebt gij haar gevonden?" vroeg hij, terwijl hij al rechts en links van het pad langs den grond keek.

"Zij bevatte goudstukken," vervolgde ik: "en bovendien...."

"En een ring met een stempel," zeide hij, den volzin besluitende.

"Hier is zij," hernam ik, de beurs voor den dag halende, en met blijdschap aan den eigenaar ter hand stellende, "door mij te redden hebt gij meteen uw eigendom gered"—en ik verhaalde hem, hoe die beurs de voorname aanleiding was geweest mijner ontmoeting met de roovers.

"Het is als ik gedacht had," zeide de Kapitein: "ik heb den voerman op den weg betaald en toen zeker de beurs naast mijn zak in de plaats van er in gestoken. Gij hebt mij inderdaad een gewichtigen dienst bewezen. Te oordeelen naar uw wezen en uw spraak," vervolgde hij, terwijl hij mij met opmerkzaamheid beschouwde: "schijnt gij tot een deftigen stand in de maatschappij te behooren en zou ik u misschien met een aanbieding beleedigen. Daar echter uw plunje geen weelde aanduidt, meen ik niet onbeleefd te handelen, door u een geringedouceurvoor de genomene moeite te schenken." En terzelfder tijd nam hij een paar goudstukken tusschen de vingers en stak mij die toe.

"Ik dank u," zeide ik: "uw aanbieding is zoo bescheiden gedaan, dat zij mij niet beleedigen kan. Ik behoef geen belooning, ik ben de zoon van den Heer Huyck, den Hoofdschout van Amsterdam, en zoo ik u van eenigen dienst kan zijn...."

"Zoo!" zeide hij, terwijl zijn gelaat zich op een zonderlinge wijze samentrok: "de zoon van den Hoofdschout moest zich, minder dan iemand, alleen wagen op onveilige wegen."

Hier zweeg hij een poos, deed het geld weder in de beurs en vervolgde op deze wijze:

"Het was ongetwijfeld uw voornemen heden tot Naarden te gaan."

"Ik vrees," zeide ik, "dat het te laat zal zijn de stad nog voor poortsluiten te bereiken: ook hoor ik de klok niet meer luiden; echter zou ik van meening zijn, dat ik derwaarts behoor te gaan, om rapport te maken van de ontmoeting, die mij is overkomen ... en zoo UEd. mij wildet vergezellen...."

"Dat noem ik spreken, gelijk den waardigen zoon eens Hoofdschouts betaamt," zeide de vreemdeling, met een gemaakten lach: "maar ik voor mij gevoel geene roeping om aan de bruggen mijn keel heesch te schreeuwen en bij elken schildwacht een half uur te wachten tot de korporaal der ronde komt, en dan van de beleefdheid van dezen af te hangen om teruggezonden te worden of den halven nacht in het wachthuis door te brengen, ten einde de zotte verhooren te ondergaan, welke bij een zoodanige gelegenheid nooit missen."

"Zooals UEd. wil," zeide ik: "doch ik meen dat er aan deze zijde buiten de poort een vrij goede herberg is,Jan Tabakof een dergelijken naam voerende;—zoo wij daarheen gingen en iemand zonden, om...."

"Niets van dat alles," zeide de vreemdeling, met de hand een ongeduldige beweging makende: "laat Zwarte Piet met zijn bende elders gaan om zich te doen ophangen: ik wil de koord daartoe niet spinnen. Wat u betreft, handel zooals gij het goedvindt: ik schrijf u geene wetten voor; maar zoo gij mij gelooft, en er eenigszins prijs op stelt om mij genoegen te geven, zult gij hedenavond niet naar stad gaan; integendeel stel ik u voor tot mijnent te vernachten: en zoo gij de eenvoudige huisvesting voor lief nemen wilt, welke een eenvoudige boerenwoning u kan verschaffen, zal ik mij aan u verplicht rekenen."

Ik beken, dat ik eenigszins over deze aanbieding verzet stond, en aarzelde, hoe die te beantwoorden. Juist de schijnbare gulheid en openhartigheid, waarmede zijn voorslag gedaan werd, boezemden mij wantrouwen in; want ik wist die niet te rijmen met de geheimzinnigheid, welke zijn overige daden en gezegden tot nog toe omsluierd had, en het kwam mij onverklaarbaar voor, dat iemand, die zich voor 't overige gedroeg, als wilde hij alle nasporing en onderzoek ontwijken, de onvoorzichtigheid zou hebben, een hem onbekenden jongeling, en dat nog wel den zoon eens Hoofdschouts, in zijn verblijf toe te laten, ja te noodigen. Met dat al, ik gevoelde weinig trek om alleen stadwaarts te kuieren en mij nogmaals bloot te stellen aan een ontmoeting met de lieden, uit wier handen ik zooeven verlost was: nieuwsgierigheid spoorde mij aan, om nader uit te vorschen, wie toch mijn redder wezen mocht: en dit een en ander te zamen gevoegd deed mij besluiten het gedane voorstel te aanvaarden, onder de betuiging mijner erkentelijkheid en tevens van de hoop, dat ik door mijn verblijf geen ongelegenheid aan mijn gastheer zoude veroorzaken.

"Volstrekt niet," zeide deze, terwijl hij met haast het voetpad weder insloeg, hetwelk hij was langs gekomen: "alleen door hier te blijven draaien, zou ik in ongelegenheid kunnen geraken."

"In dat geval vergezel ik u terstond," zeide ik, en volgde hem op het ingeslagen spoor. Het paadje geleidde ons weldra op een hollen dwarsweg, aan weerszijden dicht begroeid met doornestruiken, en door de gevallene regens op vele plaatsen zoo vol water staande, dat men werk had voort te komen.

"'t Is hier slecht wandelen, Kapitein!" zeide ik, mijn voet losrukkende, die in de modder was blijven steken.

"Dat kan ik niet ontkennen," antwoordde hij: "maar mag ik vragen, waarom gij mij den titel van Kapitein toekent?"

"Ik heb u door een dier lieden van zooeven aldus hooren noemen," hernam ik.

"Wel mogelijk!" zeide hij, met een spottenden blik naar mij omziende: "maar omdat die gekken mij zoo noemen, moet daarom een verstandig jongmensch hun voorbeeld volgen? Ik heb op dien naam thans even zoomin aanspraak als op dien van Czaar, waarmede gij mij van morgen vereerd hebt. Gij kunt alle titels met mij sparen, vervolgde hij op een vrij hoogen toon: "ik heet eenvoudig Bos ... althans voor het tegenwoordige."

Ik zweeg en volgde, gelijk een hond, die een kastijding ontvangen heeft, zonder verdere woordenwisseling mijn geleider, wiens groote stappen ik moeite had bij te houden. Ik dacht, dat die fatale holle weg nimmer zoude eindigen, toen wij ten laatste aan een klein boerenhekje kwamen, hetwelk de Heer Bos openstootte en waar wij doortrokken. Een vrij smal pad, hetwelk door een dichtvallend hekje gesloten was, bracht ons weldra van achteren op een moestuin, aan welks einde ik een landhoeve gewaarwerd, welke ik veronderstelde dat het doel onzer wandeling zijn zoude.

Ik bedroog mij niet. Op het geblaf van een naast de deur aan een ketting gelegen mopshondje, ging de voordeur open, en een zwarte gedaante, van welke de meer en meer vallende duisternis mij alleen toeliet de vormen te onderkennen, trad haastig naar buiten en fluisterde van verre: "Zijt gij het, Vader?"

"Stil! stil!" antwoordde deze: "ik kom niet alleen ... dezen weg op, Mijnheer!... waar is de oude Martha?"

"Bezig met het avondeten te bereiden," antwoordde de dochter op een nog flauweren toon, terwijl ik meende te bespeuren, dat zij met weinig verwonderd was over de aankomst van een zoo onverwachten gast als ik.

"'t Is wel!" antwoordde haar vader, binnentredende: "breng Mijnheer in het opkamertje: hij zal van nacht hier blijven: ik ga even met Martha overleggen, waar wij hem huisvesten zullen."

Dit zeggende, opende hij de deur van een soort van keuken, alwaar ik een oude vrouw zag nedergehurkt en bezig met koeken te bakken. Hij trad binnen en, de deur achter zich sluitende, liet hij mij met zijn dochter alleen, beiden voorzeker evenzeer met onze figuur verlegen. De jonge Juffer althans oogde haar vader met verbazing na en wendde vervolgens de vragende blikken op mij.

Ik begreep dat de welvoeglijkheid eenige verontschuldiging vorderde.

"Mejuffer!" zeide ik: "ik vrees, dat ik hier ongelegenheid zal veroorzaken; maar Mijnheer uw vader heeft gewild, dat...."

"Wat mijn vader begeert, moet volbracht worden," antwoordde zij, met een vaste stem en een deftige hoofdbuiging: "wees zoo goed mij te volgen." Dit gezegd hebbende, keerde zij zich om en besteeg een trapje, dat naar een klein vertrekje geleidde, waar binnen ik haar volgde.

Zij schoof mij een stoel toe: ik nam echter geen plaats; maar bleef met de eene hand op de leuning rusten: mijn hoofd was zoo vol en al mijn denkbeelden door de vreemde ontmoetingen van den dag zoo verward, dat ik nauwelijks wist of ik droomde, dan of ik waakte. Intusschen bleef mijn geleidster over mij staan, in de houding van iemand, die een opheldering verwacht, en ik achtte het mijn plicht, haar die te geven.

"Uw Heer vader," zeide ik, "heeft mij zooeven het leven gered. Zonder zijn grootmoedige tusschenkomst had het er slecht met mij uitgezien.

"Is u eenig ongeval overkomen?" vroeg zij, op een deelnemenden toon.

Ik was op het punt, haar mijn wedervaren te verhalen, toen het denkbeeld mij opeens voor den geest kwam, dat mijn gastheer het wellicht niet zou goedkeuren, zoo zijn dochter van het voorgevallene onderricht en alzoo noodeloos verontrust werd. Ik vergenoegde mij dus met te antwoorden: "uw Heer vader zal u voorzeker wel zelf willen mededeelen, op welke wijze hij zich een eeuwige aanspraak op mijn dankerkentenis verworven heeft."

"Maar neem toch plaats, Mijnheer!" hernam zij, na eenige oogenblikken zwijgens, waarschijnlijk bespeurende, dat ik niet genegen was, haar verder bescheid te geven. "Mijn vader zal ongetwijfeld dadelijk hier zijn. Vergun mij u een oogenblik hier alleen te laten. Ik ga eens zien, of ik hem ook van dienst kan zijn."

Met deze woorden zweeg zij en vertrok, de deur zorgvuldig achter zich sluitende.

Mijn eerste beweging, zoodra ik mij alleen bevond, was, op mijne knieën te vallen en den innigen dank mijns harten te brengen aan den Almachtigen God, die mij zoo genadiglijk uit het doodsgevaar verlost had. Niet slechts om mijnentwille dankte ik Hem, maar ook voor mijn ouders en dierbaarste betrekkingen; want ik ijsde op het bloote denkbeeld van hun ontsteltenis en rouw, indien zij eens vernomen hadden, dat die zoon, wiens leven op een zoo langdurige reis en in vreemde landen in gezondheid was gespaard gebleven, in zijn eigen vaderland en zoo nabij het doel zijner bestemming door het moordend staal van roovers ware gevallen. Ik bleef een geruimen tijd in die gestalte; want mijn gemoed was vol en mijn ziel in een staat van hooge spanning: een natuurlijk gevolg van mijn toestand. Toen ik oprees, voelde ik mij vermoeid en afgemat, en zonk met gesloten oogen en gevouwen handen op mijn stoel neder.

Langzamerhand begonnen mijn denkbeelden op te klaren: de ontmoeting met de dieven speelde mij nog wel voor den geest; maar meer nog trof mij de zonderlinge gril van het noodlot, die mij tweemalen op eenen dag, en telkens op een zoo vreemde wijze, in kennis met een onbekende Juffer bracht. Ik gevoelde thans echter minder opgewektheid dan des morgens om mijn hof aan mijn gastvrouw te maken en bij haar den galanten ridder te spelen; de doorgestane nattigheid, vermoeienis en schrik, en een zekere ongerustheid, welke ik voedde omtrent hetgeen nog volgen moest, zouden mij daartoe buiten staat hebben gesteld.

De jonge Juffer bleef intusschen weg, en ik moet tot mijn schaamte bekennen, dat mij dit eenige ongerustheid begon te baren: vooral in aanmerking der omstandigheid, dat zij den grendel op de deur geschoven had, en dat ik mij dus in het kamertje opgesloten en gevangen bevond. "Wie weet," dacht ik nu, "of die Heer Bos, of zooals hij heeten mag, niet eenig voornemen omtrent mijn persoon koestert? Het is duidelijk, dat hij onbekend wil zijn: zou hij ook de verspieder zijn van deze of gene vreemde mogendheid, en geheime plannen vormen, verderfelijk voor het Gemeenebest? Ik ben lang uitlandig geweest en dus niet op de hoogte, om goed met onzen politieken toestand bekend te zijn. Er is misschien een omwenteling, een oorlog ophanden. Deze man kan een avonturier zijn, een hoofd van kwalijkgezinden, die mij gevangen wil houden, uit vreeze dat ik zijn aanwezigheid alhier aan mijn vader verklikken zal."

Ik bleef bij dit laatste vermoeden staan, hetwelk mij, alles overdacht hebbende, het aannemelijkste voorkwam, en hield mij intusschen bezig met het opnemen van het kamertje, dat ik nu oordeelde mij ten kerker te verstrekken.

Dit onderzoek was spoedig volbracht. De meubelen bestonden uit een vermolmd, wormstekig noteboomhouten kabinet, op gedraaide pooten, hetwelk naast de deur stond en met drie porseleinen vazen pronkte, in eene van welke een ruiker van verlepte goudsbloemen geplaatst was. Daartegenover bevond zich de kleine, met gewast taf bedekte tafel, aangeschoven tegen het venster, dat in lood was gezet en met drie ijzeren bouten voorzien, welke alle gedachte op ontkoming van die zijde verijdelden. Bij de tafel stonden drie gemeene houten stoelen: de beide vakken rechts en links waren betimmerd met dubbele deuren, die vermoedelijk bedsteden verborgen.

De avond begon te vallen, en ik ongeduldig te worden: juist wilde ik beproeven of ik de deur niet kon openen en onder het een of ander voorwendsel naar beneden gaan, toen ik een bedaarden stap op de trappen hoorde. De grendel week en de dochter mijne gastheers stond voor mij, met een glas water in de hand.

"Mijn vader heeft mij alles verhaald," zeide zij, met een eenigszins ontstelde stem; "wij ook zijn u dank verschuldigd: ik heb gedacht, dat gij wellicht zoudt verlangen, iets te drinken ... en ik geloof, niet ten onrechte: maar ga toch zitten: gij beeft er, dunkt mij, nog van."

Zij reikte mij het glas toe: ik wilde het aan den mond brengen, maar juist toen zag ik, dat het troebel was: de gedachte, of er ook een slaapdrank in gemengd was, kwam mij pijlsnel voor den geest.

"Neem het maar," vervolgde zij: "'t is klaar water, waarin ik eenige droppels spiritus heb gedaan. Ik zou u gaarne wijn aanbieden; maar dien hebben wij niet."

Ik schaamde mij nu over mijn argwaan: en het meisje, dat zoo minzaam en hartelijk tegen mij sprak, geen minder vertrouwen waardig achtende dan Alexander aan zijn geneesheer betoonde, dronk ik het glas in langzame teugen ledig.

"Te veel goedheid!" zeide ik, terwijl mijn tanden tegen het glas kletterden: "inderdaad! gij komt mijn verlangen voor; want ik schaam mij niet te erkennen, dat mij dat geval van zooeven eenige ontsteltenis veroorzaakt heeft."

"Men zou van iets minder kunnen ontstellen," zeide zij; "althans wanneer men aan dergelijke schriktooneelen ongewoon is; maar helaas! men went aan alles," voegde zij er op een droefgeestigen toon bij.

"Hoe, Mejuffer!" zeide ik, eenigszins verwonderd, en hopende door mijn vraag den draad van het geheim machtig te worden: "is u ooit iets dergelijks overkomen?"

"Er zijn droevige omstandigheden van verschillenden aard," antwoordde zij: "het tooneel, dat hedenmorgen te Soest plaats had, was reeds genoeg om iemand schrik aan te jagen."

"'t Is waar ook! Gij moet u toen in die huifkar niet op uw gemak bevonden hebben. Weinig dacht ik, zoo spoedig en op zulk een vreemde wijze, kennis te zullen maken met de persoon, die zich daarbinnen aan ieders oog onttrokken hield."

"Ach!" zeide zij, op een weemoedige wijze het hoofd schuddende: "mijn vader heeft geglimlacht, toen hij mij verhaalde met welk een kluchtigen vond gij ons een veiligen aftocht bezorgd hebt. Hij had dit sedert jaren niet gedaan."

"Hij schijnt vele wederwaardigheden ondergaan te hebben," zeide ik.

"Gave God," hernam zij, "dat wij daarvan slechts in den verleden tijd mochten spreken!"

Hier zweeg zij, en zich omwendende, wischte zij een traan uit het oog. Ik wist ook niet, hoe het gesprek weder te beginnen: het innige zielelijden, hetwelk haar scheen te beheerschen, boezemde mij eerbied in, en in de stemming, waarin zij zich bevond, vreesde ik een gezegde te wagen of een uitdrukking te bezigen, die haar gemoed op dezelfde onaangename wijze zou kwetsen als een valsche toon de ooren eens kenners. Van een anderen kant, dacht ik, zou het misschien onbeleefd kunnen geacht worden, het gesprek geheel te laten vallen: en ik waagde derhalve de volgende vraag:

"Deze hoeve is ongetwijfeld uw gewone huisvesting niet."

"Helaas! Mijnheer!" antwoordde zij op een toon, die mij tot in de ziel roerde: "wij hebben geen huisvesting, die wij de onze kunnen noemen."

"Niet, Mejuffer!" zeide ik: "dan moet ik des te meer mijn vrijpostigheid beschuldigen, van u door mijn bijzijn nog grooteren last te veroorzaken."

"Verschoon mij," hervatte zij, zich herstellende: "mijn vader heeft u, geloof ik, reeds gezegd, dat die last niet noemenswaardig is. Integendeel," voegde zij er fluisterend bij, "ik ben overtuigd, dat hij u niet herwaarts zoude gebracht hebben, indien hij niet van oordeel ware geweest, dat zulks niet tevens het raadzaamst ware voor onze veiligheid."

Dat was wel juist hetgene, waar ik ook van overtuigd was; maar toch klonk het mij eenigszins vreemd, de openhartige bekentenis daarvan uit haren mond te vernemen. Ik meende dan ook te moeten te kennen geven, dat ik geenszins dedupeder uitnoodiging van den Heer Bos geweest was.

"Het spijt mij, Mejuffer!" zeide ik, "dat uwe woorden mij bevestigen in een vermoeden, hetwelk ik reeds als onwaardig had onderdrukt, dat namelijk uw Heer vader mij verdenken kon van hem te zullen verraden."

"Verraden!" herhaalde zij, terwijl ik haar oogen, niettegenstaande de duisternis, welke reeds in het vertrek begon te heerschen, zag schitteren van verontwaardiging: "indien hij u daartoe bekwaam had geacht, zou hij u dan hier gebracht en vrijwillig met zijn schuilplaats bekend gemaakt hebben? Wat wist gij van hem, dat gij zoudt kunnen verraden?... maar vergeef mij, Mijnheer, ik spreek als een onverstandig meisje over zaken, waarover het zwijgen mij beter voegde. Erger u niet over de woorden, die ik mij ontvallen liet: de zonderlinge, de valsche toestand, waarin wij ons bevinden, vergunt mij niet, u duidelijker uit te leggen wat ik meene en gevoele. Gij zult geen misbruik maken van een uitdrukking, die mij onbedacht ontsnapte. Een woord van u zou ons niet alleen, maar ook de arme vrouw, die deze hoeve bewoont, in 't ongeluk atorten. Zeg mij, dat ik in u hetzelfde vertrouwen mag stellen, hetwelk mijn vader toont jegens u te voeden: zeg mij, dat gij de wetten der gastvrijheid eerbiedigen zult."

"Mejuffer!" antwoordde ik, getroffen en verbaasd over deze uitboezeming van schijnbaar onsamenhangende woorden, welke mij per slot even wijs lieten als ik bij den aanvang was: "gij zegt wèl, dat ik, al wilde ik ook, omtrent uw vader of u niets zou kunnen verraden; want niet alleen, dat mij niets ten uwen opzichte bekend is; maar ook de plaats van uw tegenwoordig verblijf zal niemand van mij vernemen, indien dit althans uw verlangen is;—zou ik iets kunnen weigeren aan hem, die mij het leven gered heeft?—Het smart mij maar, dat iemand, van uwe kunne en jaren, genoodzaakt is zich schuil te houden, in stede van zich met opgeheven hoofd in de samenleving te vertoonen, waarvan zij zeker een sieraad zou uitmaken."

Deze laatste woorden sprak ik op een zeer koelen toon uit, opdat zij er niet den minsten zweem eener plichtpleging in zou bespeuren. Haar antwoord toonde mij ook, dat zij die niet als zoodanig had opgevat.

"Men kan niet betreuren, wat men nooit gekend heeft," zeide zij, weemoedig het hoofd schuddende: "en voorzeker zou ik mij kwalijk geplaatst vinden in die samenleving, welke gij bedoelt. Het weinige echter, dat ik daarvan gezien heb, is mij niet uitlokkelijk genoeg voorgekomen om mijn gedachten lang bezig te houden of die af te trekken van de roeping, die mij hier op aarde is aangewezen."

Ik bleef eenigszins verlegen staan, niet wetende wat te antwoorden op haar betuiging, toen gelukkig voor mij, en ook voor haar, zoo ik mij niet bedrieg, de Heer Bos de kamer binnentrad. Hij had zich van zijn rooden reismantel ontdaan en vertoonde zich nu aan mij in het eenvoudige gewaad van een land-edelman of gegoeden pachter.

"Ik vraag u om verschooning, zoo ik u wat lang heb laten wachten," zeide hij, zich tot mij wendende op een wijze, die wel hoffelijk was, maar toch altijd als die welke men in acht neemt jegens iemand, die een sport lager op de maatschappelijke ladder staat: "ik had beneden nog iets te verrichten: mijn dochter heeft het u, hoop ik, aan niets laten ontbreken ... immers, aan niets van hetgeen wij u hier kunnen verschaffen," voegde hij er met een bitteren lach bij.

"Ik weet niet, wat ik voor het oogenblik zou kunnen verlangen," zeide ik, "of het zou een gelegenheid moeten zijn om mijn aangezicht en mijn kleederen te ontdoen van het slijk en de modderspatten, die ik op weg heb opgedaan."

"Ga een waschkom halen, Amelia!" zeide de Heer Bos: "en een kleerborstel, indien hier een dergelijk meubel te vinden is ... of, hoe kan ik zoo dwaas wezen? ik heb den mijnen immers in den zak."

De jonge juffer vertrok en ik begon mijn plunje een weinig op te knappen, met behulp van den zakborstel, dien mij de Heer Bos had toegestoken. Onder het schuieren trof iets blinkende op de keerzijde van den borstel mijn oogen: ik bezichtigde dien van naderbij en zag, dat het een koperen plaatje was, waarop hetzelfde wapen gesneden stond, dat ik op den zegelring ontdekt had. Mijn beweging ontging mijn gastheer niet en, naar het mij voorkwam, maakte die hem eenigszins onvergenoegd; immers, zoodra zijn dochter terug was en het waschwater, dat zij bracht, op de tafel had nedergezet, nam hij den borstel terug, bezag dien en reikte hem toen aan haar over: "verbrand dit meubel," zeide hij.

"Hoe Papa! dien borstel, dien gij zoovele jaren gebruikt hebt en die u nooit verliet!" riep zij, hem verbaasd aanziende.

"Verstaat gij niet, wat ik zeg? Mijzelven kost het, van een ouden dienaar te scheiden, al is het maar een borstel;—maar wij moeten niets overhouden, dat ons verraden kan. Ga mijn kind! en doe wat ik u gelast heb: blijf verder Martha maar wat helpen: ik heb, gelijk gij weet, nog wat met dien Heer te spreken."

Amelia zuchtte en vertrok, het hoofd schuddende en den borstel beschouwende.

"Zij is er niet in gesticht," zeide haar vader, haar naoogende: "en ik kan het klaar begrijpen; want mijzelf hindert het ook. Men moge het een kinderachtig zwak noemen; maar er bestaat toch bij ons een stellige gehechtheid aan voorwerpen, die wij lang gebruikt hebben en waar wij aan gewoon waren; en er is iets onaangenaams in het verlies daarvan gelegen: hoeveel te lastiger is het dan niet, wanneer men door de noodzakelijkheid gedrongen wordt, die op te offeren ... ja te vernietigen;... maar dat daargelaten. Zoodra gij u genoegzaam opgefrischt zult hebben en op uw gemak bevinden, zal ik u een oogenblik gehoor verzoeken."

Ik verlangde niets liever; want ik hoopte nu eindelijk al het geheimzinnige opgeklaard te zien, hetwelk tot nog toe de gedragingen en woorden van vader en dochter verzeld had. Ik haastte mij dus zooveel mogelijk met mijn toilet en plaatste mij toen recht over den Heer Bos in de gemakkelijkste houding die ik nemen kon. In hoeverre aan mijn verwachting voldaan werd, zal men in het volgende Hoofdstuk beschreven vinden.

"Ik ben overtuigd, Mijnheer Huyck!" zeide mijn gastheer na eenige oogenblikken stilte, "dat gij u al vreemde gedachten van mij gevormd hebt, en uw geest gedurende de laatste twee uren vruchteloos op de pijnbank hebt gezet om uit te vorschen, wie ik toch eigenlijk ben en wat ik met u voorheb."

"Indien dit al zoo ware," zeide ik, "geloof ik van mijn kant te mogen zeggen, dat al wat ik in die twee uren gezien en gehoord heb, niet weinig gestrekt heeft om de denkbeelden en pogingen, die UEd. mij toeschrijft, te rechtvaardigen."

"Dat stem ik u toe. Zelfs de zoodanigen, die zich het minst aan de handelingen hunner medemenschen gelegen laten liggen, zouden, in een geval als het uwe, hunne nieuwsgierigheid geprikkeld gevoelen. Het spijt mij slechts, dat mijn eigene veiligheid mij verbiedt, aan uw weetlust naar vereischten te voldoen."

Ik keek niet weinig op mijn neus; want nu bleef ik even ver als te voren: "wat drommel kan de vent van mij willen?" dacht ik bij mijzelven; "zoo hij mij anders niets te zeggen heeft, waartoe dan die plechtstatige voorbereiding en die inleiding, die meer dan een foppage is?"

"Mijnheer!" zeide ik: "ik eerbiedig uw geheim en begeer niets daarvan te weten, zoodra UEd. begrijpt het te moeten voor u houden. Indien het echter de vrees is voor mijn onbescheidenheid, welke u zou weerhouden, mij uw vertrouwen te schenken, zoo moet ik u mijn leedwezen betuigen, dat gij geen betere gedachten omtrent mij koestert."

"Nu spreekt gij als alle jonge lieden, die het in hun verheven waan hoogst kwalijk nemen, wanneer men hen niet beschouwt als van een andere klei gevormd dan de overige kinderen van Eva. Neen, Mijnheer Huyck! ik geloof en vertrouw, dat gij een braaf, rechtschapen jongeling zijt, die mij de volstrektste geheimhouding zoudt beloven, en dat wel ter goeder trouw.—Het zou slechts te bezien staan, of gij u altijd in de mogelijkheid zoudt bevinden, dia te bewaren."

"Ik begrijp niet," zeide ik, "wat mij zou kunnen verhinderen, mijn woord gestand te doen."

"O! Ik begrijp dit des te beter!" hernam hij: "en het zal u straks wellicht mede duidelijk worden;—doch ter zake:—want het is niet om u bloot te vertellen dat ik u niets zeggen wil, dat ik dit onderhoud begonnen ben. Ik heb van u twee diensten te vragen: en de betuigingen van erkentenis, die u straks ontvallen zijn, geven mij den moed, daarmede onbeschroomd voor den dag te komen."

"Ik zal de vrijheid nemen," zeide ik, "UEd. te doen opmerken, dat die betuigingen mij niet ontvallen zijn, maar welgemeend waren.—Wat verder?"

"Gij zijt een letterknecht," zeide de Heer Bos; "intusschen, uw opheldering bevalt mij; want zij toont, dat gij niet behoort tot dat slag van menschen, die veel beloven en weinig geven. Dan, gij wildet nog iets zeggen."

"Slechts dit wilde ik er bijvoegen," zeide ik: "dat ik bereid ben UEd. alle diensten te betoonen, welke niet buiten mijn vermogen liggen of tegen mijn plicht strijden."

"Ziedaar een hoogst voorzichtige en prijzenswaardigerestrictie," zeide de Heer Bos, zich de kin wrijvende: "Jammer maar, dat men, wanneer het er op aankomt, zoo oneindig veel onder die rubriek van plicht kan brengen, terwijl de perken van het vermogen somtijds zoo bijster eng worden;—doch, wij zullen zien, hoe gij over mijn verzoeken denken zult. Luister!—In de eerste plaats zal het mij aangenaam zijn, dat gij bij niemand, wie het ook wezen moge, iets van onze ontmoeting te Soest, noch van die historie met Zwarten Piet en zijn maats, noch van uw nachtverblijf alhier, eenig en het minste gewag maakt."

"Maar," vroeg ik, "welke voldoende redenen zal ik dan kunnen geven van het oponthoud, dat mij belet heeft, heden mijn reis naar Amsterdam voort te zetten, gelijk mijn stellig voornemen was?"

"Daar hebben wij al zwarigheden," zeide mijn gastheer, niet zonder eenige bitterheid: "kunt gij het slechte weer, de vochtige wegen, het misloopen der schuit en honderd andere redenen, die gij zelf beter kunt uitdenken dan ik, niet opgeven aan hen, die recht hebben u daarnaar te vragen?"

"Ik ben niet gewoon de dingen anders te vertellen, dan zij zich hebben toegedragen," zeide ik, droogweg: "doch in dit bijzonder geval wil ik u de belofte doen, te verklaren, dat zoowel het weer, 't geen waar is, als andere omstandigheden, die ik niet noemen kan, mijn reize vertraagd hebben; onder dit enkele beding echter, dat ik aan mijn vader, voor wien ik nooit iets verborgen hield, al wat mij is overkomen, onbewimpeld verhale."

"Aan uw vader!" herhaalde de Heer Bos met eenige drift, en terwijl hij zijn stoel verzette. "Het aan uw vader verhalen?—Is dit kinderpraat of mannentaal?—Aan uw vader! opdat hij zijn rakkers uitzende en zoowel Zwarten Piet en zijn bende als mij en mijn arme dochter in triomf binnen Amsterdam doe sleepen?—Meent gij het oprecht? of hoe heb ik het met u?"

"Geloof, Mijnheer!" zeide ik, "dat ik mijn vader genoeg ken, om te weten, dat ik hem iets van dezen aard vertrouwen kan, zonder dat hij er eenig misbruik van maken zal. Denkt gij, dat ik anders de veiligheid van mijn redder in de waagschaal zou willen stellen, of zelfs het leven van dien roover, die, om welke reden dan ook, van zijn opzet heeft afgezien."

"Gij zijt een braaf mensch," hervatte de Heer Bos, na eenige oogenblikken te hebben nagedacht: "ik weet, ik kan u niet beletten aan uw vader, ja aan iedereen, te vertellen wat gij wilt. Ditdilemmawil ik u slechts ter overweging voorhouden:—uw vader is Hoofdschout, en als zoodanig heeft hij, dit weet ik, last bekomen, mij overal op te sporen, en, zoo hij mij vinden kan, mij uit te leveren aan hen, die mijn verderf zoeken. Zoo gij hem dus op het spoor brengt van mijn tegenwoordig verblijf, zult gij dan bij hem, die, zoo ik weet, een gemoedelijk man is, niet, hetgeen gij rechtsgeleerden eenpugna officiorumnoemt, doen ontstaan? Zal hij dan volgens zijn eed niet gehouden zijn den man te doen vatten, dien hij, als de redder zijns zoons, uit dankbaarheid liever sparen zou?"

Hier zweeg hij een oogenblik, als om de uitwerking zijner redeneering af te wachten. Ik gevoelde daarvan het gewicht: want ik wist, hoe gestreng en nauwgezet mijn vader was in het betrachten zijner plichten, en hoe het hem zou hinderen, in het bezit te wezen van een geheim, waar hij niet dat gebruik van mocht maken, hetwelk zijn ambt en plicht hem voorschreven.

"Daarentegen," vervolgde de Heer Bos: "zoo gij zwijgt, blijft uw geweten en—dat uws vaders in rust. Hij zal te mijnen opzichte de ontvangene bevelen trachten ten uitvoer te leggen en zulks meer onbekommerd doen, daar hij niet weten zal dat hij eenige verplichting aan mij heeft: en gij van uw kant, zult u noch het verwijt behoeven te doen, de oorzaak mijner gevangenneming geweest te zijn, noch dat, van uw vader belet te hebben zijn plicht te volbrengen."

Ik had niets tegen deze redeneering in te brengen; en ofschoon het mij altijd een hinderlijk denkbeeld bleef, iets voor mijn vader te moeten verzwijgen, achtte ik echter in dit bijzonder geval aan het verlangen van mijn gastheer te moeten voldoen.

"Het is wel," zeide ik: "ik beloof u, geen melding van het voorgevallene te maken aan wien het ook zij; doch onder een uitzondering, welke, zoo ik meen, geheel in uw voordeel is. Indien het u eens niet gelukt, de handen der justitie te ontsnappen, sta mij dan toe, door mededeeling van het gebeurde, mijn vader een gunstige gedachte jegens u te doen opvatten. Misschien kan hij u alsdan van dienst zijn, en zeker zal hij dat, indien het in zijn vermogen is."

"Deze voorwaarde is zoo billijk," zeide de Heer Bos, "dat ik die niet slechts volkomen goedkeure, maar u tevens machtig, om ingeval ik eens buiten gevaar geraak (waarvan ik u alsdan de tijding zal doen geworden), hem insgelijks omtrent het gebeurde in te lichten.—Dit punt alzoo afgesproken zijnde, ga ik over tot mijn tweede verzoek, waartegen ik overtuigd ben, dat gij minder bedenkingen zult opperen, hoezeer de vervulling daarvan u waarschijnlijk meer last zal veroorzaken, dan die van het eerste."

"Ik ben verzekerd," dacht ik bij mijzelven, "dat deze Heer Bos een bankroetier is en mij geld te leen gaat vragen."

"Na hetgeen ik vroeger gezegd heb," vervolgde hij, "zal ik u niet behoeven te vertellen, dat ik mij niet in Amsterdam kan vertoonen, zonder gevaar te loonen van in de knip te geraken. Hier in den omtrek kan ik mij uithoofde van oude betrekkingen beter schuilhouden en de spionnen van den Baljuw van Gooiland, die ook wellicht nog geen bevelen omtrent mij ontvangen heeft, beter misleiden. Intusschen kan ik mijn arme dochter niet bij mij houden: zij moet in mijn zwervend leven niet deelen; en hare tegenwoordigheid zoude slechts strekken om mijn schuilhoek des te eerder te doen ontdekken. Bovendien moet ik te Amsterdam eenig geld en eenige oude papieren ontvangen: een commissie, waarmede niemand zich zou kunnen of willen belasten, en die ik alleen aan mijn Amelia kan opdragen. Een zekere notaris Bouvelt, die in uwe stad woont, en wien gij misschien wel zult hebben hooren noemen, zal haar tot zijnent huisvesten en voor een nicht van hem laten doorgaan. Is zij eens daar, dan ben ik niet langer omtrent haar bekommerd;—doch de groote zwarigheid is: hoe komt zij in Amsterdam?"

Ik keek eenigszins vreemd op. "Wel Mijnheer Bos!" zeide ik; "er vaart immers om de twee uren een volksschuit van Naarden op Amsterdam: en er zijn rijtuigen genoeg te krijgen, zoodat...."

"Dat weet ik," hernam hij: "maar ik weet ook, dat huurkoetsiers en schippers gehouden zijn bericht te geven aan den Hoofdschout van al de passagiers, die hun verdacht voorkomen."

"Een jonge Juffer als zij zal toch niet onder de verdachte personen gerangschikt worden," zeide ik.

"Gij bedriegt u.—Ik ben zeker, dat men mijn aankomst wachtende was en mij te Soest en te Eemnes reeds bespiedde. Door onderweg af te stappen, heb ik die krabben wel voor een poos het spoor bijster kunnen maken: maar zij zullen het spoedig hervinden. Zij weten, dat ik mijn dochter bij mij heb. Zien zij nu een Juffer, die alleen van Naarden naar Amsterdam reist en in beschrijving met Amelia overeenkomt, dan weten zij al genoeg, om meer uit te vorschen. Neen! mijn kind moet de reis doen op een wijze, welke hun alle vermoedens ontneemt: en ter bereiking van dat doel wilde ik u voorslaan, haar onder uwe bescherming derwaarts te brengen."

Ik wist niet of ik wel gehoord had, zoo verbaasde mij deze voorslag. Had de Heer Bos mij dien eenvoudig weg gedaan, ik had dien zonder bedenking aanvaard; maar juist de inleiding, welke hij had doen voorafgaan om alle zwarigheden af te snijden, deed er eene menigte bij mij oprijzen. Bemerkende, dat hij op een antwoord wachtte, haastte ik mij zulks te geven, de eerste moeilijkheid, die zich aan mij voordeed, daarbij aangrijpende.

"Mijnheer!" zeide ik, "het ware mij natuurlijk veel eer en genoegen, het aangenaam gezelschap uwer dochter op de reis te genieten! maar heeft UEd wel nagedacht, dat juist ik de minst geschikte persoon ben om haar tot leidsman te strekken? Wanneer men te Amsterdam, wanneer mijn vader verneemt, dat ik met een onbekende Juffer aldaar ben aangekomen, zal zulks dan niet juist die vermoedens teweegbrengen, die UEd. wenscht te voorkomen?"

"Ik zei," zeide de Heer Bos, zich in een ontevredene houding achterover op zijn stoel werpende, "dat gij Amsterdammers allen volkomen dezelfden zijt en honderd redenen tegen eene hebt wanneer het er op aankomt iets te doen, hetwelk met uw gewone sleur van denken en handelen niet volkomen strookt. Zeg liever ronduit: "ik doe het niet," dan weet men waar zich aan te houden."

"Verschoon mij," Mijnheer!" hernam ik, een weinig verlegen en denkende hem te bevredigen: "wat mij betreft, zal ik het gaarne doen, en mij niet storen aan hetgeen de kwade tongen mij wellicht mochten nageven; maar...."

"De kwade tongen!" riep de Heer Bos, opspringende, met een heftige stem, welke mij deed bespeuren hoezeer ik mij versproken had: "wie heeft die meer te vreezen, mijn dochter of gij?—Wie zal er een jonkman te minder om achten, zoo hij, op reis zijnde, zich liever in de roef bij een jonge Juffer voegt, welke hij bij toeval ontmoet, dan dat hij met den gemeenen hoop in het ruim gaat zitten? Neen, indien de laster zich aan een van beiden hechten moet, zij is het, tegen wie hij zijn pijlen scherpen zal. Hoe! een vader bewijst genoeg vertrouwen te stellen in uwe braafheid, om zijn eenigen schat op aarde, zijn brave, engelreine dochter onder uw bescherming te stellen, en gij acht, dat zulk een bescherming uw goeden naam in gevaar zoude brengen? of denkt gij misschien, omdat ik mij niet in 't openbaar vertoonen mag, het recht te hebben, van mijn dochter als een gelukzoekster te beschouwen, als een verworpene, een melaatsche, wier gezelschap besmetting aanbrengt? Mijnheer! gij doet mij op een wreede, op een bittere wijze het rampzalige van mijn toestand en van dien mijner onschuldige, mijner dierbare Amelia gevoelen. Het is mogelijk, dat uw stijve Amsterdamsche kooplieden, uw afgepaste Patriciërs, een handelwijze als de uwe zouden toejuichen ... wat mij betreft, wanneer mij iemand een dienst vraagt, zeg ik ja of neen; maar kom niet met gezochte voorwendsels voor den dag."

"Mijnheer!" zeide ik, toen die vloed van woorden voorbij was, dien het onmogelijk zonde geweest zijn te stuiten: "ik herhaal u, dat ik bereid ben u den gevraagden dienst te bewijzen, en tevens de beschuldiging verre van mij verwijder, als had ik u door eenig gezegde of gedachte willen beleedigen. Omtrent het in de waagschaal stellen van mijn tot heden onbevlekten naam, zal ik niet met u twisten; ofschoon UEd. mij vergunnen zult, daaromtrent mijn eigene meening te bewaren:—en, vergun mij dit er bij te voegen, het kan niet anders dan u gerustheid inboezemen, wanneer gij bespeurt, dat gij uw dochter toevertrouwt aan iemand, die zelf meer nauwgezet omtrent dat punt denkt dan gij. Indien ik dus zwarigheden gemaakt heb, deze golden niet mij, maar uw eigene veiligheid en de reputatie van Mejuffrouw Bos."

"Geef mij de hand!" zeide hij, naar mij toekomende: "gij zijt een braaf jongeling, en hebt volkomen gelijk. Ik heb verkeerd gedaan, mij driftig tegen u te maken; want uw bezwaren doen u eer aan. Ik hoop, dat deze rondborstige bekentenis u vergenoegen zal;—ik ben nooit gewoon geweest, verschooning te vragen: en het zou mij spijten, u op een andere wijze voldoening te moeten geven."

Ik verzekerde hem, dat ik volkomen tevreden was over zijn gulle bekentenis, en kon niet nalaten, onderwijl in mijzelven te lachen over de zotte veronderstelling, dat ik, om al de avonturen van den dag, die bijna met een messengevecht begonnen waren, waardiglijk te bekronen, die zoude sluiten met een geregelddueltegen mijn bevrijder.

"Om verder op uw bedenkingen nog eens terug te komen," zeide hij: "vergun mij u te herhalen, dat het alleen van hier tot aan de poort van Amsterdam is, dat mijn dochter u lastig zal vallen. Eens daar zijnde, zal zij haar weg wel vinden. De schipper zal u kennen of niet, dit doet tot de zaak niets af: in het eerste geval zal hij niet noodig achten aan den Hoofdschout eenig rapport te geven, dat zijn zoon met of zonder dame van de reis terug is: in het tweede zal hij insgelijks geen vermoeden tegen Amelia koesteren; want hij zal u beiden voor broeder en zuster aanzien, en, daar gij niet aan de beschrijving beantwoordt, die van mijn persoon gegeven is, ook verder geen acht op u slaan.—Mocht men eens naderhand van u willen weten, met welke Juffer gij gereisd hebt, zoo kunt gij den onbescheiden vrager het antwoord schuldig blijven: en aan hem, die recht heeft de vraag te doen, eenvoudig zeggen, dat gij aan een Juffer, wier naam u onbekend was, die kleine diensten en beleefdheden op reis bewezen hebt, welke ieder welopgevoed man aan de zwakkere sekse verschuldigd is."

Ik had nu niets te doen dan toe te stemmen, en ik deed dit ook, hoewel een geheime stem mij te kennen gaf, dat ik mij op een maalstroom van draaierijen en verwarringen inscheepte, waaruit ik mij niet dan met moeite zou redden.

"Mag ik nog eene vraag doen?" zeide ik ten slotte: "is Mejuffrouw Bos reeds van het gemaakte plan onderricht?—en stemt zij er gaaf in toe, zich aan een onbekende te vertrouwen?"

"Mijn dochter heeft nooit een anderen wil gehad dan die haars vaders," antwoordde hij: "en in dit geval heeft zij met mij de noodzakelijkheid dezer schikking ingezien;—doch gij zult het haar zoo aanstonds zelf kunnen vragen; want ik hoor haar komen. 't Is of zij geraden had, dat de zaak juist beklonken was."

"Mag men binnenkomen?" klonk nu de stem van Amelia, buiten de deur.

"Brengt gij het licht met u?" vroeg haar vader.—Wij hadden het wel noodig, want het was gedurende ons gesprek stikdonker geworden.

"Het licht en het avondeten," antwoordde zij.

"Wacht dan een oogenblik," hernam de Heer Bos: "dan zal ik eerst de blinden sluiten. Men mocht ons van buiten bespeuren: en men kan geen genoegzame voorzorgen nemen."

Dit gezegd hebbende, sloot hij het luik en liet vervolgens Amelia in. Zij droeg in de eene hand eene flesch, waarop een aangestoken kaars stak, op den arm een servet, en in de andere hand een blikken trommel, welke ik giste gevuld te zijn met de eetwaren, te Eemnes gekocht. De oude Martha volgde met een kruik bier, en een bord, waarop zich een bierglas, een wijnkelkje, een kommetje, een papiertje met zout, een peperbos, twee stalen vorken, een tinnen lepel en drie messen van verschillend fatsoen bevonden.

"'t 'Zelschap zal zich motten behelpen," zeide laatstgenoemde, terwijl zij Mejuffrouw Bos hielp aan het dekken der tafel en het uitpakken van de trommel. "We kunnen het zoo op zijn elfendertigste niet bezorgen: niet, of er bennen hier wel wat fijne glazen en borden ook, dat beloof ik; maar die heit Mevrouw achter 't slot."

"Aha!" dacht ik bij mijzelven: "'t is dus een Mevrouw, aan wie deze woning behoort. 't Is nu de vraag, of zij weet, aan welke gasten in dit oogenblik op haar erf huisvesting verleend wordt."

Onder dit alles nam ik de oude vrouw eenigszins nauwkeuriger in oogenschouw: ik meende mij te herinneren, haar nogmaals gezien te hebben, ofschoon waarschijnlijk jaren geleden: daar echter die grauwe oogen met roode randen voorzien, die puntige neus, dat gelaat, waarop de sporen des ouderdoms die der kinderziekte begonnen te vervangen, die ingevallen, tandelooze mond en scherpe kin, die gebogen gang en bevende stem, onder de kenmerken behoorden, welke aan meer dan eene bedaagde boerin passende zijn, ontgaf ik mij dit. Een vrij eenvoudig toeval wekte echter nieuwe vermoedens bij mij op. Martha liet namelijk, onder het in orde brengen van den disch, een mes van de tafel vallen. Ik was er spoediger bij dan zij, om het op te rapen, en overhandigde het haar. Toen zij het van mij aannam, zag zij mij in 't gezicht en opeens begon zij over al haar leden te beven.

"Heilige Maagd!" zeide zij: "is het mogelijk!..."

"Wat is mogelijk?" vroeg de Heer Bos: "kent gij dien Heer?"

"Waarlijk!" antwoordde zij: "ik weet niet ... maar die Heer lijktent zoo sprekend op een neefje van Mevrouw, die wel eensjes bij ons kwam, jaren geleden.... Maar het kan toch niet wezen. Immers...."

"Kom, oudje!" viel de Heer Bos in, wien kennelijk de wending van het gesprek niet beviel: "gij kunt Mijnheer niet kennen, die hier vandaag voor 't eerst in 't land komt. Ga maar naar de keuken en stel die dwaze denkbeelden uit uw gedachten."

"Nou!" zeide Martha, terwijl zij zich met Amelia weder naar beneden begaf: "er is meer gelijk als eigen; maar toch indien het niet sprekend de jonge Heer...."

Mijn gastheer, de deur weder sluitende, belette mij de juistheid der gissing van de oude vrouw te beoordeelen, ofschoon ik er wel wat onder had durven verwedden, dat zij geen ongelijk had in haar vermoeden, zoomin als ik in het mijne. Ik wist haar echter niet te huis te brengen. Iets meer nopens haar wenschende te vernemen, waagde ik de volgende vraag:

"Woont deze oude ziel hier alleen? dan loopt zij, dunkt mij, nog al gevaar, een bezoek van Zwarten Piet te ontvangen."

"Zij had haar man tot haar bescherming," antwoordde de Heer Bos: "en sedert deze onlangs overleden is,... gij ziet zij draagt nog den rouw over hem ... woont haar zoon, een afgedankte varensgezel, bij haar in. Wel is waar, aan dezen heeft zij weinig hulp; want, naar zij mij vertelt, is hij meestal, en ook thans, van huis en verdoet zijn tijd in de kroegen en dobbelhuizen."

"Mijn hemel!" zeide ik: "wie weet of haar zoon niet dezelfde knaap is, die heden tweemalen zoo geducht door u begroet is geworden."

"Licht mogelijk!" zeide de Heer Bos, al lachende: "in dat gevat heb ik hem den dienst slecht betaald, dien zijn moeder mij bewijst: doch dan mogen wij ons tevens geluk wenschen, dat hij van huis is; want een soortgelijken knaap acht ik tot alles in staat. Ik zal hedenavond nog eens onderzoek doen, of uw vermoedens gegrond zijn."

Op dit oogenblik kwam Amelia terug met een schotel pannekoeken, dien zij op de tafel nederzette. "Ziezoo!" zeide zij: "als de Heeren nu maar plaats willen nemen; het avondeten is opgedaan."

Wij namen plaats, en ik vond nu voor het eerst gelegenheid, om de Juffer, die tot mijn reisgenoote voor den volgenden morgen bestemd was, eenigszins nauwkeuriger op te nemen, dan het flauwe daglicht mij bij onze eerste kennismaking vergund had te doen. Haar gestalte, vooral wanneer zij zat, was eer rijzig, dan gemiddeld te noemen; maar al haar ledematen waren volkomen aan elkander geëvenredigd en evenmin van grofheid als van te groote rankheid te beschuldigen: alleen moest men haar handen uitzonderen, die, hetgeen juist niet als een gebrek kon beschouwd worden, zoo tenger en smal waren als die van een aankomend meisje. Wat haar gelaat betrof, ofschoon het den strengsten vitter moeielijk zoude gevallen zijn, er iets aan te berispen, bezat het echter niet die soort van schoonheid, welke mij het meeste geviel. Misschien kwam zulks hierdoor, dat ik niet kon nalaten in mijn geest gestadig vergelijkingen te maken tusschen haar en Henriëtte Blaek, wier uiterlijke, ofschoon minder regelmatig fraai te noemen, een zeker iets bezat, hetwelk mij meer behaagde. Deze laatste had mij bij den eersten aanblik geheel ingenomen; wat Amelia betrof, ik gevoelde, wanneer ik den droefgeestigen trek beschouwde, die haar groote donkerbruine oogen benevelde, een beweging van medelijden, van hartelijke welwillendheid, van dienstvaardigheid; maar niets, dat naar liefde zweemde. Misschien, ik erken het gaarne, ontsproot dit verschil van gewaarwording uit dezelfde Amsterdamsche afgepastheid en tegenzin in het buitengewone, waartegen de Heer Bos zoozeer (en naar mijn begrip ten onrechte) was uitgevaren, en verflauwde de zonderlinge aard der omstandigheden, waarin ik Amelia ontmoet had, de uitwerking, welke anders haar bevalligheden hadden kunnen teweegbrengen:—ik twijfel er echter niet aan (want zoo loopen de opvattingen en gewaarwordingen uiteen), of een ander jongeling, met een meer romanesken of ondernemenden geest begaafd dan ik, zou, juist om dat zonderlinge, des te eerder op haar verliefd zijn geworden. Wat hiervan zij, de waarheid is, dat Mejuffrouw Bos heerlijk schoone oogen had, met lange, sierlijk naar boven gekrulde pinkers voorzien, en bekranst met zuivere, net gevormde, blinkende wenkbrauwen, even gitzwart als haar lokken, die in natuurlijke krullen het hoofd bedekten. De vorm van het gelaat was volkomen eirond; en gelijk ik reeds gezegd heb, het was onmogelijk eenige feil te vinden in het beloop van den een weinig gebogen neus (die hoewel zachter van vorm, echter volkomen op dien haars vaders geleek), van de fijne lippen en van de gladde kin, die zich op den schoonen hals eenigszins verdubbelde. Alleen op de kleur van het vel zoude men hebben kunnen aanmerken, dat die niet volkomen blank was, maar eerder overdekt met die tint, welke men bij Spaansche of Italiaansche vrouwen ontmoet; doch, behalve dat het mij nog onbewezen was, welke landstreek of welke moeder haar het licht geschonken had, zoo kon ik bij eenbrunettede melkwitte blankheid niet vorderen, welke de eigenschap eener schooneblondineuitmaakt.

Het was niet alleen over de oogen, dat een waas van zwaarmoedigheid verspreid was. Ook in een paar rimpels, die nu en dan het anders gladde voorhoofd plooiden, en in een eenigszins pijnlijken trek, welken de mond vertoonde, meende ik de sporen van een diep, in 't hart geworteld leed te ontdekken. Een oogenblik van vroolijkheid zou gewis een geheel nieuwen, verrukkenden glans over haar wezen hebben verspreid; maar het scheen dat de vreugde en Amelia elkander voor eeuwig hadden vaarwel-gezegd; slechts zeer enkel kwam een lichte blos zich op haar wangen vertoonen; en wanneer zij glimlachte, was die glimlach eer geschikt om droevige, dan om blijmoedige gedachten te verwekken.

Wat haar gewaad betrof, het was geheel zwart en duidde niet den minsten zweem van opschik aan, terwijl men kon zien, dat het reeds eenigen tijd gedragen was geweest: echter was alles, wat zij aanhad, niet alleen van de fijnste stoffage, maar getuigde bovendien de snede van keurs en mouwen, dat een modemaakster daaraan had gewerkt, die voor haar vak bij uitnemendheid berekend was en haar taak vervuld had op een wijze, het voorwerp waardig, waaraan zij haar arbeid had besteed.

Het afbeeldsel van den Heer Bos heb ik reeds gegeven, althans zooverre als ik er bij onze eerste ontmoeting van had kunnen oordeelen. Ik zal er thans slechts bijvoegen, dat zijn dochter veel op hem geleek; doch zijn gelaat, hoewel mede bruin van verf, scheen eer door den invloed van het weer die kleur te hebben aangenomen, dan die aan de natuur dank te weten. Hij droeg een blonde pruik, die waarschijnlijk een deel zijner vermomming uitmaakte; want zijn haar was zwart met enkele grijze plekken doormengd. Wijders was zijn linnen van de fijnste soort: en een keurige netheid op zijn persoon kenmerkte den welopgevoeden man. Zijn handen waren fraai, volkomen aristocratisch van vorm, en met spiegelgladde nagels voorzien: terwijl geen vlekje of spatje rok of vest ontsierde.

De wendingen en manieren van vader en dochter beiden waren gemakkelijk en wellevend: men behoefde slechts een oogenblik met hen in gezelschap te zijn geweest, om te bespeuren dat zij fatsoenlijke lieden waren en met fatsoenlijke lieden verkeerd hadden. Het eenige wat mij hinderde in den Heer Bos was de toon van meerderheid, welken hij zich gedurig jegens mij aanmatigde, en die niet van dien aard was dat hij door zijn meerdere jaren gewettigd konde worden. Het was licht te zien, dat hij in omstandigheden verkeerd had, welke hem het recht gaven, te bevelen, en dat hij zich niet dan met moeite in een minderen toestand wist te schikken. Wat de dochter betrof, al wat zij deed of zeide, was even beleefd en gepast; maar insgelijks van dien aard, dat het nimmer tot eenige gemeenzaamheid aanleiding geven kon.

"De Heer Huyck zal de vriendelijkheid hebben, u naar Amsterdam te brengen, Amelia!" zeide mijn gastheer, nadat wij eenige oogenblikken in stilte gegeten hadden.

Amelia antwoordde niets, maar zij zag mij aan met een beleefde hoofdbuiging, waaruit men evengoed kon opmaken, dat zij zich mijn geleide wel getroosten wilde, als dat zij er mede vereerd was.

"Het zal namelijk zijn," voegde ik er bij, "indien de Juffer er niet tegen heeft. Intusschen moet ik niet vergeten u verlof te vragen, om morgenochtend, te Naarden, even aan de herberg te vernemen, of de postwagen aangekomen is, waarmede ik mijn reisbagage verwacht. Het zal een gering oponthoud zijn en u, hoop ik, geen hinder veroorzaken."

"In het minste niet," zeide Amelia: "wij zullen dan maar wat vroeger van hier gaan."

"Het zal," zeide ik, "aan u, of aan uw Heer vader staan, het uur van vertrek te bepalen: want daar ik bekennen moet, niet recht te weten waar wij zijn, kan ik slecht berekenen hoeveel tijd wij noodig hebben om van hier naar Naarden te wandelen."

"0!" zeide de Heer Bos, "in een klein half uur kunt gij er op uw gemak zijn: reken er dan nog een half uur bij, voor het inwinnen der berichten, die gij hebben moet en voor het gaan naar de schuit, dan is het vroeg genoeg zoo gij hier tegen halfzes vandaan gaat."

"En moeten wij," vroeg ik lachende, "dien fraaien hollen weg dan weer door, dien wij hedenavond gekomen zijn? dan beklaag ik Mejuffrouw Bos."

"Dat behoeft juist niet," antwoordde hij: "wij hadden dien heden ook niet behoeven te nemen; maar ik was van oordeel dat de modderige landweg den indruk mijner stappen niet zoo lang bewaren zonde als het zandpad door het bosch, hetwelk bovendien langs bewoonde huizen loopt."

"Hoe!" riep ik uit: "heeft Mejuffrouw dien afschuwelijken weg mede moeten doortrekken?"

"Dat niet alleen," zeide de Heer Bos; "maar nog wel, evenals ik, beladen met pak en zak;—want wij gevoelden geen trek om onze bagage in de huifkar te laten, noch om die te laten dragen door dezen of genen arbeider, en ons aan zijn bescheidenheid te wagen. En dan wilde Amelia nog wel op het voorbeeld van Esopus, den spijskorf dragen, schoon die het zwaarst van alles was, en niet, als in het geval van den Phrygiër, gaandeweg geledigd werd."

"'t Is waar," zeide Amelia, terwijl zij haar fijne handjes wreef: "mijn vingers dragen nog de sporen van den ring, waaraan ik de trommel hield."

"Gij zoudt mij waarlijk het maal bederven," zeide ik, "wanneer ik denk aan het ongemak, dat u het dragen dier spijzen veroorzaakt heeft."

"Mijn vriend!" zeide de Heer Bos tot mij, met meer innig gevoel, dan waarvoor ik hem vatbaar oordeelde: "indien de gedachte aan het leed mijner dochter mij verhinderen moest te eten, zou ik sedert lang geene spijs meer genuttigd hebben."—Dit gezegd hebbende, stak hij over tafel de hand aan Amelia toe en drukte de hare met een warmte, welke mij zien deed, dat, wat overigens de man zich te verwijten mocht hebben, hartelijke verkleefdheid aan zijn dochter hem was bijgebleven.

"Kom!" zeide hij eindelijk: "wij moeten hopen, dat deze bedroevende staat van zaken niet duren zal. Nog eenige weinige slechte dagen, Amelia! en wij zullen, zoo mijn voorgevoel waarheid spreekt, van al de zorg en kwelling, die ons thans drukken, ontslagen zijn en blijder dagen te gemoet zien....; wij moeten nu aan onzen gast het tooneel niet aanbieden eener weekhartigheid, waar hij te minder in deelen kan, daar hij er de aanleiding niet van verstaat."

En, terstond van toon en stoffe veranderende, begon hij mij over mijn reizen te ondervragen: een onderzoek, gelijk men weet, altijd aangenaam aan hem tot wien het gericht wordt. Het gesprek, hetwelk hieruit geboren werd, gaf mij gelegenheid om op te merken, dat de Heer Bos de meeste landstreken van Europa bezocht had niet alleen, maar ook een grondige kennis bezat van de zeden, gewoonten en staathuishoudkunde der onderscheidene volkeren; ja, dat hij vele en belangrijke bijzonderheden wist, welke hij niet kon hebben vernomen dan door eene nauwe betrekking en omgang met die personen, welke in hun vaderland het meeste gezag of den voornaamsten invloed uitoefenden. Ongevoelig bracht ons de loop van het onderhoud ook op het punt onzer koloniale bezittingen, en ik stond versteld over de kennis, welke hij ook te dien opzichte ten toon spreidde. Daar de mijne dienaangaande gering was, was ik niet in staat met volkomen zekerheid over de juistheid zijner opgaven en narichten te oordeelen; maar toch had de op mijn reizen verkregene gewoonte van met allerlei slag van lieden om te gaan, mij niet geheel buiten een zekeren graad van menschenkennis gelaten, zoodat ik de logenachtige versieringen van den sprookjesverteller eenigszins wist te onderscheiden van de onopgesmukte verhalen des zaakkundigen reizigers: en, hoewel ik ten deze begreep geen onbepaald krediet te moeten verleenen, veelmin mijn zegel te kunnen hechten aan de stoute beslissingen en beoordeelingen, welke de Heer Bos zich betreffende de handelingen zoo der Compagnie als van hare dienaren veroorloofde, zoo wist hij die echter met zulke schijnbaar gegronde en afdoende redenen te omkleeden, dat het, in mijn oog althans, geen geringe moeite en bekwaamheid zou vereischt hebben, die met een goed gevolg te wederleggen. Van de Oost en West kwamen wij op Czaar Peter te huis en op de stoute hervormingen, door hem in Rusland ondernomen: en de naam van dien grooten Alleenheerscher, ons aan de grap van dien morgen herinnerende, bracht ons als vanzelf op het Soester avontuur en op de onweersbui terug. Gevraagd zijnde hoe ik het gedurende den regen gesteld had, verhaalde ik, dat ik geschuild had op de hofstede Guldenhof, toebehoorende aan den Heer Blaek.

"Guldenhof!" herhaalde Amelia: "is dat niet die fraaie plaats aan de andere zijde van Eemnes? Ik heb het even gewaagd, toen wij die voorbijgingen, mijn hoofd buiten de huifkar te steken en dat prachtige goed te beschouwen, hoewel het mij bijkans een stijven nek had gekost."

"De Heer Blaek!" herhaalde van zijn kant mijn gastheer, bijna terzelfdertijd: "is Jacobus Blaek de eigenaar van dat vorstelijk buitengoed?... Het moet hem dan wel zijn medegeloopen, sedert ik hem gekend heb: want toen zag het er sober uit met zijn tijdelijke goederen:... dan: waarover verwonder ik mij?" vervolgde hij, als tegen zichzelven sprekende en terwijl hij met zijn mes op de tafel speelde: "ik heb minder recht dan iemand om over de wisseling der fortuin eenige verbazing te toonen."

"Zoo ik wel onderricht ben," zeide ik, "heeft de Heer Blaek een aanzienlijk vermogen in de Oost-Indiën gewonnen."

"Hij?" zeide de Heer Bos: "gij verwart hem met zijn broeder, die werkelijk zeer rijk kon genoemd worden; want het toeval was hem even gunstig geweest, als het den eigenaar van Guldenhof, in dien tijd althans, tegenliep. Nu! zoo eenig mensch de gaven der fortuin verdiende, het was dezelfde Hendrik Blaek; want een meer edelmoedig hart, en meer geneigd hetgeen hij bezat met anderen te deelen, heb ik nooit gekend. De arme drommel heeft niet lang genot gehad van hetgeen hij met zooveel zorg vergaard had. Hij is een der weinige menschen, wier dood mij een wezenlijke smart veroorzaakt heeft."

"Gij hebt hem dan zeer van nabij gekend?" vroeg ik, niet zonder deelneming: want een gesprek over den vader der bevallige Henriëtte kon mij niet anders dan belangrijk zijn.

"Hij was een braaf en beminnelijk mensch," zeide mijn gastheer, blijkbaar een rechtstreeksche beantwoording mijner vraag wenschende te ontwijken: en terstond vervolgende: "hij heeft een dochter nagelaten: leeft zij nog?"

Ik voelde, dat ik op deze vraag tot over de ooren toe rood werd: misnoegd op mijzelven, dat ik mij, ofschoon onwillekeurig, zou blootstellen aan verdere onderzoekingen, trachtte ik mijn verwarring onder den schijn van luchthartigheid te bemantelen en antwoordde met een gemaakten lach: "voorzeker leeft zij: althans toen ik haar van morgen sprak, was zij nog in blakenden welstand."

"En is zij nog niet gehuwd?" vroeg de Heer Bos al verder: "mij dunkt eener goede partij als haar moet het niet aan vrijers ontbreken."

"Gehuwd is zij niet," antwoordde ik: "en meer weet ik er niet van, daar ik eerst heden van mijn buitenlandsche reize terugkeer;—maar ik stem volkomen met u in, dat zij geen gebrek aan aanzoeken hebben kan."

"De hemel schenke haar wijsheid, om een goede keuze te doen," zeide mijn gastheer: "maar komaan! de avond is gevorderd: en het is tijd, dat gij beiden u ter ruste begeeft, om morgen weer vroeg bij de hand te kunnen zijn. Het hindert mij toch," vervolgde hij, de kruimels van zijn roksmouw afknippende, "dat ik mijn ouden borstel moet missen."

"Zou UEd. hem zóó niet kunnen gebruiken?" zeide Amelia, terwijl haar wangen voor een oogenblik door een zachten glans van genoegen werden bestraald! en meteen haalde zij het betreurde voorwerp van onder haar bouwen voor den dag en stak het over de tafel aan haar vader toe. Deze beschouwde het met een blik van verrassing: het plaatje met het wapen was er afgerukt en de spijkergaatjes, die nog van het vroeger bestaan daarvan hadden kunnen getuigen, met den rug van een mes zooveel mogelijk gelijkgewreven.

"Ik dank u, Amelia!" zeide de Heer Bos, met aandoening: "waarlijk! het is kinderachtig van mij, aldus aan een nietig meubel te hechten; maar ... gij weet het, melieve! dat ik bij wezenlijke rampen mijn gemoedskalmte niet verloren heb: en gij zult mij deze zwakheid ten goede houden.—Waarlijk!" vervolgde hij, den borstel aandachtig beschouwende: "ziedaar wel een evenbeeld, dat ik op mijzelven toepasselijk kan maken. Ben ik niet evenals hij, na jaren wrijvens en schurens, van mijn glans beroofd, toen ik oud werd, en thans in het oog der wereld even weinig meer waard als dit meubel den Jood zou wezen, dien wij hedenmorgen ontmoet hebben?"

"UEd. zal mij de opmerking vergunnen," zeide ik, "dat, gelijk deze borstel nog evengoed dienst kan doen, al is hij van zijn pronk beroofd, datzelfde voorrecht ook u kan vergund blijven. Onze waarde berust immers niet in uiterlijke praal, maar in het nut dat wij stichten."

Ik dacht met deze aanmerking en voorzeker alles behalve nieuwe vergelijking mijnen gastheer een verplichtend gezegde toe te voegen; maar de zonderlinge uitdrukking, die zijn gelaat aannam, toen ik met spreken geëindigd had, trof mij zoodanig, dat ik mij wel wachtte op denzelfden toon voort te gaan. Gedurende het gesprek over de Heeren Blaek hadden, naar 't schijnt, oude herinneringen een uitdrukking van zachte droefgeestigheid op zijne trekken verspreid, welke ik niet gedacht had, daar immer te zullen aantreffen, en welke nog vermeerderd werd door het hervinden van zijn borstel en de gedachten, welke de beschouwing daarvan in zijn boezem had opgewekt:—maar nu was opeens die uitdrukking verdwenen: het gansche gelaat had de strenge, terugstootende plooi hernomen, die het gewoonlijk kenmerkte: en een bittere lach kwam het nog meer ontsieren."

"Hoor!" zeide hij, op een schamperen toon, terwijl hij een blik op mij wierp, die mij onwillekeurig sidderen deed: "de diensten, welke ik gewoon ben geweest te bewijzen, waren niet altijd van dien aard, dat men er mij veel dank voor wist."

"Vader!" zeide Amelia, met een bevende stem, terwijl zij oprees en hem bleef aanzien met een weemoedigen blik, die hem zijn rasch gezegde scheen te verwijten.

"Gij hebt gelijk, mijn kind!" zeide hij: "en ik handel dwaselijk, door aan zulke denkbeelden toe te geven... zoo de Heer Huyck het goedvindt, zal ik hem zijn slaapstede toonen."

Deze laatste woorden sprak hij weder op een zeer natuurlijken en hoffelijken toon uit en liet die met een buiging van het bovenlijf vergezeld gaan. Ik boog insgelijks ten bewijze van toestemming: en na gedane dankzegging rezen wij gezamenlijk op. Ik wenschte aan Amelia een gerusten nacht, en volgde den Heer Bos, die, na zich half bij zijn dochter verontschuldigd te hebben, dat hij haar in het donker liet de kaars opnam en mij in een klein vertrekje bracht, hetwelk op dezelfde trap, doch eenige treden hooger, uitkwam.

"Ik denk niet," zeide hij, mij op een nauwe bedstede wijzende, die zich aldaar bevond, "dat u dit nachtverblijf machtig zal aanstaan: maar gij zult het moeten nemen zooals gij het vindt."

"O! zeide ik: "maak daarover geene verontschuldigingen; ik ben lang genoeg op reis geweest om mij te hebben leeren behelpen: en een nacht is gauw doorgebracht. Maar wat ik u bidden mag, neem het licht met u: Mejuffrouw Bos bevindt zich alleen en in het duister. Ik heb geen licht noodig om mijn slaapstede te vinden."

"Zoo gij niets meer noodig hebt, en u in 't donker kunt uitkleeden, zal ik aan uw verzoek voldoen," zeide mijn gastheer, en mij een goede nachtrust toegewenscht hebbende, verliet hij het vertrek. Ik had intusschen den eenigen stoel, die zich daarin bevond, voor mijn slaapplaats geschoven en, mij van mijn bovenkleederen ontdaan hebbende, kroop ik met de rest te bedde; want in de onzekerheid hoe de gesteldheid daarbinnen zou wezen, was ik eenigszins huiverig om mij geheel te ontkleeden.

En inderdaad, mijn ligplaats was noch slechter, noch beter dan ik reden had mij voor te stellen. Het bed bestond uit een harde peul, waarvan men de opvulsels niet behoefde te raden; want van alle zijden staken mij de puntige stroohalmen in de leden, zoo vaak ik mij omwendde. Het laken was van dien aard, dat het mij, welke houding ik aannam, nooit geheel bedekte; lag ik recht uitgestrekt, dan staken mijn voeten er buiten: haalde ik deze binnen en ging ik krom liggen, dan waren mijn knieën ongedekt:—en wat het ware, dat mij tot hoofdkussen diende, kon ik volstrekt niet uitvinden en moest eerst den volgenden morgen ontdekken, dat het uit een oud stel vischnetten bestond, in een meelzak gewikkeld. De vinding was niet onaardig en ik ben nooit te weten gekomen, of ik haar aan het vernuft van den Heer Bos, van zijn beminnelijke dochter of van de oude Martha moest toeschrijven.

Het was echter niet het min gemakkelijke mijner ligging, dat mij zou verhinderd hebben, na een zoo vermoeienden dag, een zoete rust te genieten. Integendeel waren het die vermoeienissen zelven en de onderscheidene schokken, welke ik naar lichaam en geest ontvangen had, die mij beletteden, den slaap te vatten, waar ik zoo vurig naar verlangen moest. Duizend verschillende en verwarde denkbeelden maalden mij door het brein en deden dat brandend en koortsig gevoel in mijn hoofd ontstaan, hetwelk aan elke sluimering vijandig is. Al de ontmoetingen van den dag kwamen mij beurtelings voor den geest zweven, gelijk de schimmen eener fantasmagorie. Ik zag weder den twist in de herberg: ik hoorde den hatelijken Andries vloeken en den Jood zijn kramerijen venten: ik onderscheidde het lieve gezichtje van de bevallige Henriëtte Blaek: ik bestreed opnieuw de drie struikroovers en dankte weer mijn redding aan mijn geheimzinnigen gastheer, die zich aan de oogen mijner verbeelding in een nog majestueuzer gestalte voordeed dan in de wezenlijkheid. Dan weder stelde ik mij de belofte voor den geest, welke ik den Heer Bos gedaan had, en de moeilijkheden, welke voor mij zouden kunnen ontstaan zoo uit de verplichting, die ik op mij genomen had, om Amelia naar Amsterdam te brengen, als uit die, van het op dien gevaarvollen avond voorgevallene voor elk geheim te houden. Bij dit alles voegde zich nog een zeker gevoel van ongerustheid, dat ik niet van mij af konde werpen, en hetwelk was toe te schrijven aan de onzekerheid, waarin ik verkeerde, zoo omtrent de plaats waar ik mij bevond, als omtrent hetgeen mij nog kon te wachten staan. Wel is waar, ik voedde geen vrees meer voor den Heer Bos, die er naar allen schijn belang bij had, mij te vriend te houden; maar ik was niet zonder zorg omtrent Andries, die, naar mijn innige overtuiging, niemand anders wezen kon dan de zoon der weduwe, in wier woning ik mij bevond: het onaangename vermoeden begon mij te bekruipen, of ik niet altemet de legerstede van dien booswicht betrokken had: en ik kon de benauwende gedachte niet verbannen, dat hij wellicht te huis komen en mij de weinig gewenschte eer van zijn bezoek geven zou.

Ik had, kort nadat ik mij te bedde begeven had, den luchtigen voetstap van Amelia eenige reizen op de trappen gehoord, en veronderstelde dat zij de overblijfselen van ons avondmaal naar de keuken bracht. Daarop had zij een vrij langdurig onderhoud met haar vader gehad, waarvan ik echter niets dan bloote klanken verstaan kon, en zich toen ter ruste begeven. De Heer Bos was vervolgens naar beneden gegaan; naar mijn gedachten, om aan de oude Martha eenige onderrichtingen te geven: het duurde wel een uur eer hij terugkwam en zich in de bedstede, tegenover die, waarin zijn dochter sliep, begaf. Een zwaar gesnork kondigde mij weldra aan, dat, welke zijn zorgen voor de toekomst ook wezen mochten, die echter niet in staat waren, hem het slapen te beletten.

Wat mij betreft, er verliepen uren achtereen, eer de slaap mijn oogen sloot, en toen zelfs bracht die noch rust, noch verkwikking mede. Benauwende, pijnlijke droomen kwelden mij, en deden mij ieder oogenblik met schrik uit mijn sluimering ontwaken. Ik zag het ouderlijk huis in vlammen staan: gewapende roovers, waaronder zich Andries en, vreemd genoeg, ook de poëet Helding bevonden, stormden ter plundering binnen, en werden aangevoerd door den Heer Jacobus Blaek, die zijn regenscherm als een staf van commando rondzwaaide. Ik zag mijn moeder, doodsbleek en met bloed bedekt, door twee dier boosdoeners voortsleepen: ik hoorde het noodgeschrei mijner zusters en broeders, die in de vlammen omkwamen: en dan zag ik opeens boven het vlammend puin, Henriëtte, Amelia, en een talrijken stoet bevallige, in feestgewaad uitgedoste jonge meisjes luchtig en onbezorgd ronddansen, en rozen strooien op de vonken, die onder haar voeten opspatteden. Opeens deed Andries, die een ijzeren geldkist uit den brand had gesleurd, welke hij met geweld op straat sleepte, een afgrijselijken vloek hooren: alles verdween voor mijn oogen, en ik ontwaakte.

Maar, schoon wakker, nog dreunde mij die stem in de ooren, en nog herklonken die slagen, welke echter niet op een ijzeren kist, maar op de deur der woning nederkwamen. Ik ging recht overeind zitten. Er kon geen twijfel meer aan zijn: het was Andries, die weder te huis kwam.

De morgenschemering was aangebroken: ik liet mij zoo zachtjes als ik kon uit mijn bed zakken, kleedde mij aan, omklemde mijn knuppel met beide handen en bleef toen, op den stoel gezeten, angstig luisteren, wat er volgen zou. Weldra hoorde ik de oude Martha naar het voorhuis schoffelen. Ik rees op, en overlegde of het ook zaak zoude wezen, den Heer Bos te gaan wekken, toen ik Martha met een heesche stem haar zoon hoorde toeroepen: "daar slaapt van nacht familie van Mevrouw hier in huis: ik mag je niet opendoen: zie maar dat je in de schuur terecht komt."

Ofschoon mij deze woorden eenigszins geruststelden ten opzichte der voornemens van de moeder, bleef ik echter niet zonder zorg, of zich de zoon wel daaraan zoude storen. Mijn onzekerheid was intusschen spoedig voorbij; want na eenige vruchtelooze pogingen om de deur open te krijgen, ging Andries al brommende en vloekende weg, en Martha haastte zich, haar bed weder op te zoeken, hetgeen mij ten blijk strekte, dat zij geen vrees voor zijn terugkomst koesterde.

Dit tooneel had mij echter allen slaap ontnomen. Ik bleef nog een geruimen tijd stilzitten, toen naderde ik het venster, opende het met zoo weinig gerucht mogelijk, en ademde de verkwikkende morgenlucht in, die mij van buiten tegenstroomde.

Dan, was die frissche ochtendkoelte welkom aan mijn verhit gestel, niet minder aangenaam werd ik verrast door het heerlijke schouwspel, dat zich voor mijn oogen opdeed en hetwelk ik verre was te verwachten. Het uitzicht, dat ik den avond te voren van de kamer, waar wij ons toen bevonden, had gehad, was beperkt: het raam, waar ik nu voorstond, opende zich aan eene andere zijde van het gebouw en vergunde mij het gezicht van een natuurtooneel, het penseel eens schilders waardig. Ter linkerzijde en achter een schuur, een duiventil en een paar andere kleine gebouwen, tot de hoeve behoorende, verhief zich een fraaie groep eeuwenheugende eikeboomen, wier kruin wel door den zeewind was ontbladerd, doch wier knoestige met breede takken voorziene stammen zich donker afteekenden tegen den nog kleurloozen hemel en tegen de Zuiderzee, over wier grauwe oppervlakte een aantal kleine vaartuigen elkander kruisten. Iets meer nabij verhief zich een oude, met mos en heesters overdekte bouwval, de strenge stijl van welks bouworde scheen aan te kondigen, dat ik de overblijfselen van een klooster voor mij had: een muurtje, dat waarschijnlijk voorheen een kerkhof omheind had, verbond dit gedenkstuk van vroegere dagen aan de hoeve, waarin ik mij bevond. Ter rechterzijde liep de grond glooiend opwaarts, en werd het verschiet hier en daar belemmerd door golvende heuvelen, deels met koren en boekweit beteeld, deels met heesters en kreupelhout begroeid, deels bedekt met de paarskleurige heide, waarlangs de witgewolde kudde reeds hun ochtendmaal kwamen gebruiken. De stilte van den morgen werd alleen nu en dan afgebroken door het dof geloei der runderen in den stal en het gekraai van den wakkeren haan, die met zijn kakelbonten harem over het erf kuierde en het rijzend zonnelicht begroette, dat allengskens aan dit natuurtooneel leven en beweging kwam bijzetten. Opeens trof mij de gedachte: ik had dit bevallig geheel nog éénmaal beschouwd: wanneer of in welk gezelschap, dit wist ik mij niet te binnen te brengen; maar het kwam mij voor, als ware het niet de eerste reize, dat ik mij hier bevond. Ik kon uit den weg, dien ik den vorigen avond genomen had, en uit de nabijheid der zee, het besluit opmaken, dat ik mij ten Oosten en niet verre van Naarden moest bevinden en wel omtrent de plaats, waar vroeger een stad van denzelfden naam in de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten was te gronde gegaan; maar ik had, zooverre ik wist, nooit eenig uitstapje naar dien kant gemaakt. Eindelijk gaf ik het op: en daar ik meermalen het naburige Muiderberg bezocht had, waar het landschap veel overeenkomst had met datgene, hetwelk ik nu voor oogen had, maakte ik het besluit op, dat ik door die gelijkheid van natuurtooneel misleid, mij ten onrechte verbeeldde, hier vroeger geweest te zijn.


Back to IndexNext