I.Abraham Lövdahl was student geworden.Hij was negentien jaar oud, knap van uiterlijk, gezond en vroolijk; goed gekleed en goed van geld voorzien. Het leven sprong voor hem open als de deuren van een balzaal en hij stormde het binnen met groote oogen.Nog lag er over het studentenleven de laatste wegstervende glans van een schoonen, zorgeloozen tijd; nog kon men spreken van idealen, zonder dat allen lachten; en als de president met zijn heldere stem, ’t mooie blonde hoofd in den nek, liefelijke woorden door de zaal deed ruischen, dan voelden de jongelieden als ’t ware machtige wiekslagen over zich heen gaan;—de borst zwol en ’t was als werd hun lichaam lichter, alsof ze zouden kunnen vliegen.Abraham Lövdahl had ook zijn vleugels voelen groeien. De plotselinge overgang van ’t grauwe schoolleven in dwang en eentonigheid tot deze gulden vrijheid onder enkel vreemden—die bedwelmde hem als wijn.Al de glans, waarin de studententijd voor hem straalde in zijn moeilijke schooluren, was nu over zijn eigen leven neergedaald. En ’t was hem alsof zijn voeten de aarde niet raakten, hij zweefde meteen vriend in elken arm hoog daarboven in een lichtstroom van mooie woorden, van geestdrift en aandoening.Tot hij geplukt werd.Want rondom, in de maatschappij en in de restauraties—altijd op dezelfde vaste plaatsen—zat een groep begaafde menschen, die leefden van het plukken van jongelieden. Ze namen hun niet hun geld af; maar de glanzende veeren, die de besten onder hen droegen.’t Waren hoog ontwikkelde geesten, die alles kenden en bijna alles hadden doorgemaakt; daar was niets in den hemel of op de aarde, wat zij niet in een grap omzetten; en toen Abraham een jaar lang de eer genoten had zijn vaste plaats bij hen te hebben, was ook hij in staat om alles te lachen, zelfbewust, zonder belangstelling, geblaseerd—geplukt.Hij ging toen over tot de conversatie, maakte daar opgang, en was spoedig verloofd met de dochter van den advokaat Meinhardt.Dat kwam zoo van zelf, omdat Mevrouw Meinhardt het graag wilde en Abraham was in de wolken van geluk.Zijn meisje was zeker ook wel gelukkig. Maar Clara was zwak. ’t Was tegen ’t eind van den winter, dat hun verloving beklonken werd en ze had zóóveel gedanst, dat ze volkomen uitgeput was.Clara Meinhardt was de schoonheid van de familie; de drie andere zusters waren ook mooi, maar Clara—zij was een schoonheid, dat zei Mama ook.Abraham Lövdahl was de beste partij op dat oogenblik, hoewel hij wel heel jong was. Maar Mevrouw Meinhardt vond, dat ’t aardig was als de heeren jong trouwden. Later werden ze waarlijk al te nonchalant.De studie in de medicijnen was geen vak voor hem; dat duurde veel te lang.Maar Abraham was al begonnen. En ’t was altijd zijn plan geweest die wetenschap te kiezen, waarin zijn vader zoo’n grooten naam verworven had,—ja, hij droomde er zelfs van ’t werk van zijn vader voort te zetten en zich als specialiteit aan de oogheelkunde te wijden.Professor Lövdahl had ook altijd gemeend, dat het van zelf sprak, dat zijn zoon dokter zou worden.Maar wat hielp dat alles nu, als Mevrouw Meinhardt het niet wilde.Abraham streed eerst half in gekheid, later in vollen ernst met de heele familie Meinhardt; maar hij verloor het en gaf zich over, toen Clara op een goeden dag in tranen badende zeide, dat ze ’t nu wel begreep; hij wilde het tot een breuk laten komen door zijn halsstarrigheid.Daar kon hij niet tegen. En zoo werd het dan in „de rechten.” De professor was meer bereid de verandering goed te keuren, dan men verwachtte. Eigenlijk had hij ernietstegen, dat de opvoeding van zijn zoon in de richting van het juridische ging, nu hij zich door de nieuwe fabriek meer van de wetenschap af en tot het praktische leven aangetrokken voelde. Maar voor Abraham zelf werd die verandering van studie een inleiding tot en een oefening in het buigen van zijn wil en toch gelukkig zijn. Want Clara beloonde hem en Mevrouw Meinhardt vergaf hem.’t Voornaamste was immers gelukkig te leven in een tevreden omgeving; hij gaf een geliefd levensplan op,—dat was een offer; maar daar zou hij voor beloond worden. ’t Was geen principe, dat hij opgaf;—want in dat geval zou hij nooithebben toegegeven—nooit! Thuis, in de groote woning van zijn vader ging ’t leven zoo stil en vreedzaam voort, juist zooals Abraham het graag had; sterke gemoedsbewegingen herinnerde hij zich alleen uit den tijd, toen zijn moeder leefde.Hij herinnerde zich haar zoo goed, trek voor trek en vooral die wonderlijke diepe oogen; maar in die herinneringen mengden zich anderen aan veel pijnlijke oogenblikken, als hij vol schuldgevoel voor die niet te ontwijken oogen gestaan had, die altijd hetzelfde van hem verlangden: waar en oprecht te zijn.Er was veel in hem, waarin die eisch weerklank vond; maar het leven had hem geen aanleiding gegeven een slag te slaan voor zijn innige overtuiging; en veel onaangename kleinigheden hadden gemaakt, dat ’t hem bijna pijnlijk was aan zijn moeder te denken, die hij toch zoo innig had liefgehad en zoo vroeg verloren.Zijn jonge ziel nam veel nieuwe gedachten en ideeën in zich op, die heelemaal niet pasten in het salon van de familie Meinhardt—niet eens recht bij Professor Lövdahl. Zijn godsdienstige en politieke opvattingen veranderden snel, want hij had een sterke neiging tot kritiek en tegenstand. Maar zijn positie was noodlottig! Waar moest hij heen met alles wat in hem gistte? Bij de menschen op wier liefde hij prijs stelde zou dat maar onnoodige tweespalt en misverstand geven. Waarom zou hij verspelen wat hij liefhad, zonder eenig nut? En zoo ging hij het verste van al zijn kameraden, en zijn wilde paradoxen schitterden in de tabaksrook, als de vrienden bijeen zaten te drinken, tot ze welsprekend werden en zich in toekomstdroomen verloren.Abraham Lövdahl deed zijn juridisch examen inkorten tijd—gelokt door zijn verlangen naar ’t bezit van zijn geliefde en aangezet door de lichte grijze oogen van Mevrouw Meinhardt.Na een kort verblijf thuis—hij was zoo ongeduldig, dat hij zich geen tijd gaf voor een reis in het buitenland—vierde hij in Christiania zijn bruiloft met Mejuffrouw Clara Meinhardt.De jonggehuwden deden ook geen reis in het buitenland; want Mevrouw Meinhardt vond, dat het veel gezelliger was al dat geld te gebruiken voor een zomer buiten met de heele familie. De jongelui zouden afzonderlijk op een boerderij in de buurt logeeren, dan waren ze toch waarempel even vrij als in Zwitserland.Maar Abraham verlangde met ongeduld naar zijn eigen huis, om van al die Meinhardts af te komen en ook om zijn vrouwtje te toonen hoe mooi alles in hun eigen kamers was ingericht.Ze zouden de bovenverdieping van Professor Lövdahls groot ruim huis bewonen. De hooge, deftige, ouderwetsche kamers, en suite, stonden op den zomeravond, toen het jonge paar thuis kwam vol bloemen, maar ze lagen halfdonker in ’t laatste roode licht van de avondzon.De tweede verdieping van het groote huis lag zoo hoog, dat men het uitzicht had over de lage huizen aan ’t strand; en het fjord lag daar als een glanzende spiegel en droeg de kleine eilanden en de gladde uit het water opstekende rotsen, terwijl ’t land in een dalende lijn al lager en lager weggleed in den horizont, die samenviel met de open zee.Abraham had zijn huis lief en zijn borst zwol, toen hij zijn vrouw naar het open raam van hun eetkamer bracht.„Is ’t hier niet heerlijk, Clara?”„Waar?—wat bedoel je?”„’t Uitzicht,—de zee—’t licht—”„Maar lieve hemel!—hier is immers geen enkele boom.”„Ach—jij domme Oostlander,” antwoordde hij vroolijk en draaide haar rond, zoodat ze de kamer inzag, „is ’t hier dan niet mooi, hè?”„’t Is hier bijna donker.”„Ik zal ’t licht aansteken.”„O neen—dat hoeft niet; dat heeft geen haast.”Maar hij stak gauw hier een kandelaber en daar een lamp aan, zoodat er een soort ongelijkmatig licht in de kamers viel; en nu trok hij haar meê om haar het allerbeste te laten zien: haar eigen boudoirtje.„Hier kan ’t zeker wel aardig zijn overdag,” zei ze en voelde de portière tusschen de vingers.„Komt hier zon?”„Den heelen langen dag,” antwoordde Abraham blij.„O foei!—dan moeten we overal hoezen over maken. We kunnen onze beste meubelen toch niet door de zon laten bederven.”„Och kom!—die tijd, die zorg. Ze moeten maar tegen een beetje zon kunnen,” zei Abraham; „maar zie nu eens hier. Dit is nog ’t mooiste van alles—’t naaitafeltje van mijn moeder. Dat is jaren geleden hierheen gekomen uit Japan met een van de schippers van Grootvader Knorr.”„Dat kan men wel zien.”„Wat bedoel je?—Clara!”„Maar lieve hemel!—Kijk nu eens, al dat goud en die gekke figuren; ’t is heelemaal niet smaakvol.”„Neen hoor eens! nu heb je ’t toch waarachtig mis, Clara! Kijk eens naar den jager hier op dendeksel, met de valk op de hand en die ingelegde figuren van goud!—’t Is een prachtstuk—moet je weten—dat naar het oordeel van kenners een eerste plaats in een museum verdient.”„Ja, maar ik wil geen museum hebben.”„Maar je moet toch kunnen begrijpen...”„Ja, ik kan me zoo best begrijpen, dat jij verrukt bent over dat oude meubel, omdat het van je moeder was, waar je immers zooveel van hieldt. Maar je moet toch toegeven, dat je zooiets nu niet meer gebruikt.”Hij antwoordde niet, maar sloot het tafeltje.„Neen—weet je wat het mooiste is wat ik hier in huis gezien heb?”—vroeg Clara, terwijl ze voor den spiegel stond en haar haren in orde bracht.„Jij zelf waarschijnlijk.”„Hê, wat ben jij onaardig?”—er kwam dadelijk een strammen trek om haar mond.„Neen, neen,” riep hij lachend; „dat kwam me maar zoo op de lippen, toen ik je in den spiegel zag, want jij bent wezenlijk het mooiste en liefste wat er in ’t heele huis is”—en met veel dergelijke woorden en kussen werd ze eindelijk tevreden gesteld en ging voort:„Het mooiste, wat ik tot nu toe gezien heb is werkelijk je vader.”„Ja, niet waar!” riep Abraham verheugd. „Is dat niet een indrukwekkende figuur?”„Hij heeft werkelijk iets gedistingueerds. Hij is een man, die men zelfs in de stad opmerken zou.”„Ja, dat wil ik zoowaar wel gelooven,” zei Abraham en glimlachte wat uit de hoogte. Zij dacht dadelijk, dat hij aan haar kleinen uitgedroogden vader dacht, en voegde er bij:„Jij lijkt zeker ’t meest op je moeder, Abraham.”„Moet dat een kleine... steek verbeelden?”„Een steek?—maar mijn hemel, hoe kom je er bij?—je moeder, waar je immers zoo veel van hieldt!”„Ja zeker—’t klonk alleen maar zoo wonderlijk, nadat je pas Vader zoo sterk geprezen hadt.”„Hoor eens Abraham, je ben werkelijk irriteerend met je achterdocht—”„Ik achterdochtig!—maar lieve kind, hoe kun je nu beweren...”„Ja, dat ben je; je ben vreeselijk achterdochtig, je meent altijd, dat achter de onschuldigste woorden...”„Gekheid! laat ons nu niet onzen intocht in huis houden met onzin en misverstand; komm Clärchen, zu Bett!”—en hij sloeg vroolijk den arm om haar middel en droeg haar half naar de slaapkamer; maar ze spartelde tegen en wilde niet op zijn scherts ingaan.Maar toen zij in de flauw verlichte kleedkamer en later in de slaapkamer kwam, werd ze zachter gestemd.Daar waren zooveel zaken, die in de eenvoudige slaapkamer van de meisjes Meinhardt nooit waren voorgekomen; en daar was een weelde en een smaak in de inrichting van het geheel, die een sterken indruk op haar maakte. Zij kuste haar man en zeide: „Naar zoo’n slaapkamer heb ik altijd verlangd.”In verrukking ging hij heen om de kaarsen en lampen uit te doen en te zien of alles in huis in orde was en de vensters gesloten waren. Eindelijk kwam hij in ’t kamertje van zijn vrouw en bleef voor het Japansche naaitafeltje staan.Van zijn vroegste kindsheid af was hij gewendgeweest vreemden bij dit prachtstuk te zien stilstaan, zoodat hij er toe gekomen was het voor een van de mooiste en merkwaardigste dingen in de wereld te houden. Hij kende iedere veer van den bonten valk en de scheeve oogen in het gele gezicht van den jager. En terwijl hij daar stond, mompelde hij:„„dat oude meubel!”—zei ze. Dat meent ze niet. Ze meende er niets kwaads meê.”II.De directeur van de bank, Christensen, naderde het slot van zijn toespraak; hij wisselde een blik met Professor Lövdahl, terwijl hij zich van zijn presidentsplaats vooroverboog naar zijn medebestuursleden en zijn stem dempte tot een vertrouwelijken, familiaren toon.„Maar hoewel in dit alles nu geenszins eendirectgevaar ligt voor de toekomst van de fabriek, moeten we toch nauwkeurig acht geven op alle omstandigheden, die schadelijk of voordeelig kunnen werken en over ’t geheel, naar ons beste vermogen trachten de belangen van onze medeaandeelhouders te behartigen. En daar nu de prijzen van velen van onze voornaamste produkten ontegenzeggelijk neiging tot dalen vertoonen, moeten we naar mijn overtuiging al onze aandacht richten op het verminderen van onze exploitatiekosten.Dat kan op twee manieren gebeuren, òf doordat we tijdelijk enkele takken van ons bedrijf neerleggen en vrij wat arbeiders ontslaanòfdoor alle uitgaven voor administratie en loonen zooveel mogelijk in te korten.”„Ik voor mij zou zeer weinig geneigd zijn met een beperking van ons bedrijf mee te gaan,” antwoordde Professor Lövdahl, „evenzeer ter wille vanonze brave arbeiders, als om een andere reden en wel deze: dat ik de bezwaren van onzen geachten president in het geheel niet deel. Ik wil gaarne toegeven, dat de aanleg zelf wat kostbaar was, dat verscheiden uitgaven, die in ’t eerst noodig waren, nog moeten blijven bestaan, en meer dergelijke zaken. Maar ik twijfel er geen oogenblik aan, of Fortuna, wanneer de zaak met kennis van zaken en verstandige zuinigheid bestuurd wordt, zal blijken, zooal niet een goudmijn—dan toch een goede zaak voor de aandeelhouders te zijn, zooals ze nu al een zegen voor de stad is.”Nu was de afspraak, dat consul With op dit oogenblik een vrij groote verlaging van ’t honorarium van den chef—Mordtmann—zou voorstellen. Maar voor hij aan het woord komen kon, stond de jonge chef op; hij was uitdrukkelijk voor deze bestuursvergadering uitgenoodigd.„Mijne Heeren,” begon Michal Mordtmann vrij en ongedwongen. „Het verheugt mij in zekeren zin, dat de verhandelingen vandaag deze richting genomen hebben; want dat maakt het nog gemakkelijker iets te zeggen, wat ik op het hart heb. Ik heb zelf met zorg het dalen der prijzen in het buitenland gevolgd; en zonder mij daar verder al te veel door te laten verontrusten, heb ik toch ingezien, dat nu en voor de naaste toekomst alle mogelijke besparingen van het allergrootste belang zijn. Ik heb dus eens rondgezien—in alle hoeken en gaten of er niet hier en daar iets overtolligs zou zijn, iets wat men zou kunnen missen, een post, die men uitsparen kon. En eindelijk heb ik werkelijk iets overtolligs gevonden, iets wat ik geloof, dat de fabriek nu goed missen kan en dat is... mijne Heeren,—ja, dat ben ik zelf.”De heeren directeuren zetten groote oogen op; maar hij ging vriendelijk en glimlachend voort:„Zoo noodig als ik wel durf zeggen, dat ik was bij het aanleggen van de fabriek, even overbodig ben ik nu, nadat zij geheel in werking is gekomen,de arbeiders geoefend, het kantoorpersoneel geroutineerd, en vooral nu er een directie is, bestaande uit de meest deskundige en voornaamste mannen van zaken uit de stad. Ik heb er daarom al lang over gedacht u voor te stellen mijn post te schrappen. Een groot gedeelte van de loopende zaken zouden kunnen overgelaten worden aan onzen vertegenwoordiger Marcussen en overigens zou de fabriek door de geëerde directie zelf bestuurd kunnen worden. Maar ik heb er wat tegen op gezien, met dit voorstel voor den dag te komen; ten eerste omdat er toch misschien wat zelfbeheersching noodig is om je eigen overbodigheid in te zien; en dan kan ik niet ontkennen—dat spreekt trouwens van zelf—dat ik slechts ongaarne van deze fabriek afscheid neem, die me lief geworden is, en van het aangenaam samenwerken met u, mijne Heeren.” Op deze woorden volgde een pauze. Consul With verheugde zich over de gelukkige wending, die de zaak nam, en keek glimlachend Professor Lövdahl aan; maar de bankdirecteur Christensen wreef zijn groote neus en verborg met de vingers zijn oogen, terwijl hij wantrouwend en van ter zijde naar Mordtmann zag.’t Was eigenlijk Professor Lövdahl, die een samenzwering in de directie tot stand had gebracht, om—zoo mogelijk—Mordtmann weg te krijgen; en nu ging hij vrijwillig, bij den eersten wenk. Daar moest iets achter steken.„Ik, als president, kan ’t er niet meê eens zijn—ten minste niet zonder nader motiveering meê eens zijn,—dat de heer Mordtmann als directeur plotseling overbodig zou geworden zijn. Er zou in ieder geval eenige tijd moeten verloopen...”„Pardon, Mijnheer de president!—maar ik wilde om persoonlijke redenen, juist aan de geëerde directie verzoeken mij toe te staan reeds met Kerstmis af te treden.”„Met Kerstmis al!”... De president keek nog bedenkelijker.„Wij willen natuurlijk maar noode zulk een bekwaam directeur laten gaan; maar als Mijnheer Mordtmann ’t zelf wenscht, dan...”De professor zette de toespraak van Consul With voort: „dan hebben wij waarlijk alle reden om hem hierin zooveel mogelijk tegemoet te komen, hoezeer we ook betreuren...”„Maar hebben de heeren wel aan het meerder werk en de groote verantwoordelijkheid voor ons gedacht, wanneer de directeur nu plotseling aftreedt?” vroeg Christensen. „Wat mij betreft, ik durf in dat geval mijn plaats als president niet langer bekleeden. Dat wordt mij te veel. Ik ben niet sterk,” en half verscholen achter zijn groote witte hand, die hij over zijn gezicht liet glijden, sloeg hij nauwkeurig de anderen gade—overtuigd, dat zij allen als gewoonlijk zouden verzekeren, dat hij onmisbaar was.Maar Professor Lövdahl voorkwam de anderen door eenigszins droog te zeggen:„Als het om het welzijn van onze fabriek gaat, neem ik aan, dat wij allen ons met genoegen tot het uiterste zullen inspannen.”De bankdirecteur Christensen aarzelde. Hij was tot nu toe algemeen erkend als de eerste in denkleinen kring van mannen, die directeuren, bestuurders, vertegenwoordigers van alle mogelijke zaken in de stad waren. ’t Was zijn lust en zijn leven vergaderingen te houden, besluiten te redigeeren en zijn eigen zware stem te hooren voortrollen door de vergaderlokalen met welgevormde, edele en verheven zinnen. Maar bovendien bezat hij een onuitsprekelijke fijne snuif in handelszaken. Zijn groote zachte neus kon als ’t ware een slechte zaak op grooten afstand ruiken; en nadat hij nog eens ter sluiks een blik op Mordtmann geworpen had, nam hij zijn besluit en zei:„Ik heb geen overdreven voorstellingen van mijn eigen beteekenis als president; maar daar de post mij nu te moeilijk worden zal, wil ik de heeren verzoeken, een ander te kiezen op de eerstkomende Algemeene Vergadering.”Een ontevreden, afwijzend gemompel werd om de tafel gehoord, maar Christensen ging voort: „Ja, ja,—laat het zoo blijven, Heeren. Mijn gezondheid is, zooals u weet, niet zoo heel sterk; en de steeds toenemende ontwikkeling van de stad legt immers op velerlei wijzen beslag op... de meer op den voorgrond staande burgers. Bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat ik geen deskundige ben...”„Kom... Mijnheer Christensen”—riepen velen glimlachend.„Neen, neen. Ik meen het in ernst; er is—ronduit gezegd—eigenlijk maar één onder ons, die al die scheikunde begrijpt, en dat is Professor Lövdahl. Als hij genegen is de plaats als president over te nemen, dan twijfel ik er niet aan of de Algemeene Vergadering zal dit met acclamatie aannemen.”„De Heeren weten zeker allen wel, dat ik meer voor het wetenschappelijke dan voor het mercantilevoel,” begon de professor, „en in ’t begin trad ik eigenlijk alleen tot de directie toe om een onderneming, waarvan men geluk en zegen voor onze stad verwachten kon, aan den gang te brengen.Maar later is ’t me zoo gegaan, dat ik deze fabriek steeds liever gekregen heb; en als die nu te lijden zal hebben van slechte tijden, wil ik er mijn ouden rug gaarne onder zetten: maar Heeren—die rug is oud. Ik kan niet als Mijnheer Mordtmann in drie stappen van de fabriek naar de stad komen...”„Natuurlijk! men zou den president een assistent moeten geven—”„Pardon,—’t is niet mijn bedoeling om indiscreet te wezen,” zei Michal Mordtmann; „maar zooals we weten, heeft de professor een zoon, die onlangs met glans zijn examen in de rechten heeft gedaan. Zou zulk een post niet heel geschikt en aangenaam zijn voor een jongen candidaat—om meê te beginnen? De juridische kennis—ik kan u verzekeren, dat die in velerlei gevallen van groot belang voor onze zaak wezen zou.”Professor Lövdahl kwam in de war. Voor de tweede keer doorzag die Mordtmann zijn geheimste gedachten; juist zóó had hij den uitslag van de zaak gewenscht; maar hij was voorbereid op veel kleine intrigues, om het doel te bereiken. En nu werd hem dit alles aangebracht in een oogenblik en juist door den man, dien hij ten val had willen brengen.Want nu werd snel en bijna zonder debat aangenomen aan de Algemeene Vergadering deze veranderingen voor te stellen. De post als directeur in zijn vroegeren vorm wordt opgeheven. De directie zelf met Professor Lövdahl als president neemt het bestuur van de fabriek over. Aan den president wordt toegestaan een assistent te kiezen voor wienhet traktement door de Algemeene Vergadering zal worden vastgesteld.Toen zij op straat gekomen waren, nam consul With den arm van den professor en feliciteerde hem lachend met dien gelukkigen uitslag.„Maar kun je begrijpen wat Mordtmann bezielde? Wij hadden ons voorgesteld, dat hij zich met handen en voeten aan zijn baantje zou vastklampen. Hij moet gemerkt hebben, dat de stemming al te veel tegen hem was.”„Misschien heeft hij dat wel,” antwoordde de professor verstrooid; maar toen hij afscheid van den consul genomen had, bleef hij op ’t kleine plein voor zijn huis staan en zag uit over de haven, waar de rookende schoorsteenen van Fortuna zich tegen den hemel afteekenden. De menschen, die voorbijgingen, groetten de statige figuur eerbiedig, zooals hij daar stond, geleund op zijn kostbaren donker bruinen stok—met uitgesneden ivoren knop, een geschenk van zijn collega’s aan de universiteit. Hij groette terug zonder ze te zien, want hij dacht aan het pas gebeurde met Mordtmann. Carsten Lövdahl had dien man altijd gehaat, en daardoor was hij er toe gekomen Fortuna en haar directeur nauwlettend te controleeren; voortdurend ging hij Mordtmann na,—nooit op een wijze, die persoonlijke bitterheid verraadde; maar alleen als een conscientieus directeur.Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat een partij in de directie tegen den directeur gestemd was; de een vond hem te kostbaar, een ander hield niet van hem en de goedige consul With ging met zijn vriend, den professor, meê.En nu opeens—vrijwillig—glimlachend gaf Mordtmann alles op en ging heen.Niet zóó had de professor zijn doel willen bereiken: de ander had verdrongen, verworpen, vernederd moeten worden!Maar nu was hij dan toch weg, en dat was de hoofdzaak. ’t Meerdere werk en de grooter verantwoording verontrustten Carsten Lövdahl niet bizonder. Hij had werkelijk in deze jaren lust gekregen om dat groote veelzijdige werk te besturen. Het ging zoo goed en gaf aan zoo velen werk. En hij brandde van verlangen te toonen hoe heel anders en veel beter ’t zou gaan zonder dien kwast—Mordtmann.En ’t meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen.Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven zitten, waar de vergadering gehouden was—nog steeds onzeker en wantrouwend.Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl, die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot nu toe geweest. ’t Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de man, die zoo’n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak, en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij hoorden niet tot de ratten, die ’t schip verlieten vóór er gevaar was.Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden, want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te veel aandeelen en zij te veel vriendinnen.Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader:„’t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,—u kunt wel begrijpen van wien die kwam—en eer iemand het wist, was ik van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik—in elk geval voorloopig—zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,—ik ben het volkomen eens met wat u in uw brief van den 18den schreef.”Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden.Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het werk en ’t groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines.Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen als huisvriend.Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor.Op een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts, een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; ’t schip lag in Dantzig te laden.De professor was in spanning—in een spanning, die voor hem geheel nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg.En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw en eigenaardig welbehagen.Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door ’t groote vermogen van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting voor „kooplui” en ’t heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor geld in het bloed. ’t Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht; maar zonder het directe gevoel van de macht van ’t geld en ’t vele, dat daarmeê te bereiken is.Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij had macht zich nog meer te verschaffen. Voor ’t eerst had hij dat bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs, dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had.Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen, ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd.Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan ’t werk—gelukkig en vol moed.III.„Kom binnen, kom er maar in, Meneer! dan kunt u eens zien hoe de mindere man het heeft; dat is wel eens goed voor u. En dan is ’t ook in de mode, wat zegt u nou? De werkgevers kennen immers tegenwoordig het leven en de omstandigheden van hun arbeiders door en door. En kijk eens naar de letterkunde. Wat zegt u! de kleine burgerman, de arbeiders, de armen... O m’n waarde Meneer! we vloeien over van meêvoelen en medelijden! Ja ’t is een heerlijke wereld, waar we in leven. Wat zegt u nou?”En bij die woorden wees hij rond in de kleine donkere kamer, waar bijna niets stond.Alleen dicht bij ’t venster lag een hoop riet en witte afgeschilde teenen en daar midden in zat een jong meisje manden te vlechten.„Wie hebt u daar bij u, Vader?” vroeg ze scherp.„De advokaat, de jonge Lövdahl, de nieuwe directeur zegt men;—ja Meneer, ze is blind” voegde hij er droogweg bij:—„dat komt niet zelden voor bij de armen, de kleine burgerlui en de arbeiders.”De dochter glimlachte bitter en keerde de doffe waterachtige blauwe oogen tegen ’t licht, terwijl haar witte vingers een wilgeteen bogen.Abraham Lövdahl voelde zich onaangenaam aangedaan; en toen de oude man naar de kleine keuken ging om zijn koffie te halen, zei hij verlegen:„Is u altijd... is u al van uw geboorte af zoo ongelukkig geweest?”Het jonge meisje keerde zich om, zoodra ze zijn stem hoorde, sloeg de oogen neer en luisterde oplettend naar die weinige woorden. Maar toen ze zoo zat en hij niet meer gedwongen werd in die pijnlijke, leege oogen te zien, trof het hem hoe wonderlijk mooi ze was.’t Bittere en ontevredene in haar mond, dat ook in de licht opgetrokken neusvleugels trilde, was nu weg en haar zuiver gevormd voorhoofd met donkerblond golvend haar stond zoo onschuldig en droevig boven de doffe oogen, boven ’t magere, zwaarmoedige gezicht.„Zeg dat nog eens,” vroeg ze.„Hoor je ’t niet, Greta! die deftige Meneer doet je de eer aan je te vragen of je blind geboren ben. Ja, Meneer, dat is ze;—slecht bloed—slecht armelui’s bloed.”De oude man ging zitten met zijn kop koffie in de eene en een stuk grof roggebrood, met een beetje boter vol zoutklompen besmeerd, in de andere hand.Abraham Lövdahl had anders in den korten tijd, dat hij aan de fabriek was, de arbeiders toeschietelijk gevonden en prettig om meê om te gaan, maar deze oude machinist trok hem heelemaal niet aan, en hij had er spijt van, dat hij zich in zijn hol had laten lokken.„Ja, zwarte koffie, zwart brood en boter, die als glas tusschen je tanden knarst;—dat zal nu nog wel niet iets zijn, om u aan te bieden.”„Nu nog niet...?”Abraham zag hem aan.„Ja, ja, men kan nooit weten, wat men nog eens zal moeten eten,—voor men doodgaat. Wat zegt u nou?”Hij schaterde van ’t lachen over zijn eigen geestigheid en ’t jonge meisje lachte meê; maar zij hield gauw op en boog zich over haar werk, terwijl Abraham, die deze menschen heelemaal niet begreep, afscheid nam en naar de deur ging.„Als u eens weer komt, moet u eens naar Greta’s manden komen zien.”„Hij komt nooit weer, Vader!” zei de dochter halfluid; maar Abraham hoorde het. En er was iets in haar toon, dat hem trof.„Ik wil gaarne eens binnenkomen, als ik hier voorbijkom en uw manden zien; ik zal zeker wel manden noodig hebben voor mijn nieuwe huis.”—Hij richtte deze woorden vriendelijk tot haar en ging heen zonder verder op den ouden man te letten.„Vader, zeg u eens!—wat is dat toch voor een soort mensch, die oude machinist Steffensen.”„Och, een praatjesmaker, die van alles in de wereld heeft geprobeerd en nooit ergens voor deugde.”„Maar hij zorgt toch voor de machines.”„Nu ja!—Mordtmann protegeerde hem. Ze zijn allebei een beetje kwasterig; maar Steffensen is een oproermaker, die niet in een behoorlijke fabriek als de onze past.”„U denkt er toch niet aan hem weg te zenden?”„Ja, zoodra er een gelegenheid is.”„Maar hij is arm.”„Er zijn er, die meenen dat hij rijk is.”„Maar zijn dochter is blind.”„Heeft hij een dochter?”„Ik dacht, dat u haar oogen wel gezien had. Dat is een interessant geval.”„Zoo,” antwoordde de professor droog en ging voort met zijn werk.Maar Abraham besloot nauwkeuriger op Greta’s oogen te letten. Alle boeken van den professor waren naar boven gebracht. En Abraham bracht daar menig uur door, liefst ’s Zondags, als de anderen naar de kerk waren.’t Was een drukke dag; en de jongelui boven zouden dien avond voor ’t eerst gasten ontvangen. De professor had het zoo gewild en zijn bedienden beneden zorgden voor ’t souper en al ’t andere. Toch was de jonge Mevrouw zoo moe, dat ze niet dacht ooit met haar toilet klaar te zullen komen. Abraham liep zenuwachtig de kamers in en uit: nu was ’t haast tijd; hij wachtte en luisterde aan de deur. ’t Dienstmeisje kwam de kamer uit,—neen—Mevrouw was nog niet klaar.„Goede hemel, Clara! Kun je je niet een beetje haasten, al was ’t alleen maar ter wille van Vader.”„Ach!—spreek niet over je vader! Een man als hij zou me nooit zoo overspannen hebben als hij ’t geweten had. Maar hij kan ’t immers niet weten en als jij dan niet meer zorg voor me hebt.”„Nu, laat ons dan liever de menschen afzeggen.”„Hè, Abraham, wat ben je onverdragelijk—als je zooiets zegt wat je toch niet meent”„Ja, maar als je nu werkelijk zoo onwel ben...”„Als—geloof je me soms niet?”„Ja natuurlijk Clara! maar ’t is ook een drommelsch werk om in die omstandigheden gasten te ontvangen.”„Foei toch! Vloek toch niet zoo vreeselijk.”Toch kwam ze mooi en stralend van vriendelijkheid haar schoonvader tegemoet en luisterde blozend naar zijn ouderwetsche complimentjes. En Abraham moest wel de kracht bewonderen waarmeê de zwakke Clara haar vermoeidheid overwon, als ’t moest. Neen, eigenlijk—om de waarheid te zeggen, hij ergerde er zich over, dat hij moest doen alsof hij aan die vermoeidheid geloofde—die vreeselijke vermoeidheid, die plotseling als weggeblazen kon worden. Maar ’t waren grillen, die Clara van haar moeder had. Die zou hij er wel uit krijgen. Maar behalve dat was ze bekoorlijk—dat zei iedereen.De avond liep goed van stapel; de oude heeren speelden kaart; in het salon werd muziek gemaakt, en ’t gezelschap was feestelijk gestemd, omdat men voor ’t eerst bijeen was in ’t nieuwe huis, waar veel te zien en te bewonderen was.Maar juist toen alles het vroolijkste toeging ontdekte Abraham plotseling een paar stramme plooien om den mond van zijn vrouw, een sprekende copie waren ze van anderen, die hij kende—die van Mevrouw Meinhardt.Ze werd opeens stil, zag hem voorbij; en als hij ’t woord regelrecht tot haar richtte, hoorde zij ’t niet. Zelfs ’t algemeene gesprek stokte—er kwam als een domper over de vroolijkheid; ’t was als ging er koude uit van de jonge gastvrouw. ’t Was wezenlijk zoo vreemd. Men zag elkaar aan, een paar jonge vrouwen begrepen het,—ja zelfs Peter Kruse, die ongetrouwd was, mompelde in zichzelf: „Daar heb je waarachtig wat moois op sleeptouw gekregen—mijn beste Abraham à Santa Clara.”Abraham streed den heelen avond als een wanhopende, met die rimpels; hij werd opgewonden vroolijk, om de stemming te bewaren; maar niemandkon goed meêdoen onder den ijskouden glimlach van de gastvrouw.Hij trachtte haar te bereiken om haar iets in te fluisteren—ze keerde zich om en sprak met wie ’t dichtst bij haar stond; hij smeekte haar met de oogen, dat ze toch ontdooien zou, en met die afschuwelijke comedie uitscheiden; had hij wat verkeerds gedaan—en daar had hij een duister gevoel van—dan konden ze daar immers later over praten—maar niet hier—niet zich bloot geven voor al die vreemden!Maar hij had even goed gezichten kunnen trekken tegen de kachel; ze bleef voortdurend stijf, koud en beleefd—of onbeleefd—zooals ’t uitkwam. Toen Abraham dus eindelijk, afgemat van dien moeilijken avond—zijn laatsten gast had uitgelaten, liep hij snel door de kamers naar ’t boudoir van zijn vrouw, waar ze op hem stond te wachten, maar deed alsof ze onverschillig een paar bloemen schikte.„Ziezoo! wat is er nu? zeg me wat er is, Clara,” riep hij en ging vlak voor haar staan.„Wat er is?—Wat bedoel je?”„Och, dat weet je heel goed, zooals jij den heelen avond gedaan hebt! Opeens, voor iemand ’t weet, zit je als een mummie, lacht niet, geeft geen antwoord.”„Als ik tegen ’t eind van den avond niet heb kunnen verbergen dat ik ontstemd was—hoewel God weet, dat ik er al mijn krachten voor heb ingespannen—dan weet jij tenminste de reden en hoeft er niet naar te vragen.”„Ik weet de reden niet. Ik begrijp wel, dat je boos op mij ben; maar de drommel hale me, als ik weet wat ik gedaan heb!”„En daar durf je op te vloeken!—je weet misschien niet hoe je daar achter de piano zat, met je neus in de haren van die malle Lina With.”„We zaten toch niet achter de piano!”„Nou... er was ten minste niet veel van jelui te zien; maar aan je lachen kon je wel hooren wat voor dingen jelui behandelde. En toen ik er aan kwam, omdat ik me voor jou schaamde en vriendelijk en voorkomend iets over haar japon zei...”„Ja, je zei, dat je niet van die groene kleur hieldt.”„Toen antwoordde ze, bizonder impertinent: die is blauw, Mevrouw! en jij—wat deedt jij?”...„Ik zei zeker ook dat die blauw was, want dat was-ie.”„Die was groen, flesschegroen, zoo groen als spinazie, maar dat doet er trouwens geen zier toe; je kunt niet begrijpen hoe volkomen onverschillig ’t me is of dat mensch haar botten met groen of blauw overtrekt; maar ’t karakteristieke voor jou, ’t leelijke van je is, dat zelfs in de kleinste, de meest onverschillige kwesties dadelijk naar de tegenpartij overloopt,—nooit kun je mij helpen...”„Neen maar lieve Clara! als nu de japon me blauw toeschijnt.”„Waarom denk je, dat ze je blauw voorkomt? Alleen omdat die misselijke Lina With ’t zei; dadelijk natuurlijk! was je ’t met haar eens! maar ik—je eigen vrouw!”„Geloof je heusch, dat Lina With gevaarlijk is?”„Och, ’t is met allemaal ’t zelfde! je trekt iedereen boven mij voor; ik ben alleen tusschen al die vreemde menschen; en jij, die me steunen moest je laat me gemeen in den steek, om... om... om...” Ze schreide zoo hevig, dat haar stem weg ging en vloog de kamer uit.Abraham liep haar achterna; maar aan de deur van de slaapkamer keerde hij om en stak een sigaar aan; hij liep op en neer in de kamers, die nog warm waren na ’t feest; en hij dacht na over zijn huwelijk en zijn vrouw—over zijn leven, zooals ’t met hem was voortgegleden in zonneschijn en geluk, zonder schokken. Nu en dan bleef hij voor een spiegel staan en bekeek zichzelf half verwonderd.Was hij dat werkelijk, die dit beleefd had? Was hij het, die niet meer bereikt had. Dit leven, dat zoo los om hem heen hing, zoo zonder beteekenis,—was dat zijn leven?... Wel was hem zijn eerste frissche jeugd al spoedig ontnomen, maar later was hij toch zoover gekomen in moderne lectuur, dat hij al gauw vermoedde, dat ’t niet heelemaal zoo in de wereld toeging, als ’t aan de studenten aan de universiteit te Christiania gedoceerd werd.’t Was niet zoo, dat alles bijna overal in orde was, behalve in Amerika, dat alle raadsels der wetenschap waren opgelost of in ieder geval vandaag of morgen zouden worden opgelost aan de universiteit te Christiania. In plaats van dat de waarheid vast stond, het bestaan over ’t algemeen harmonisch en rechtvaardig was, de jeugd voor inspanning bijna geheel bewaard, omdat de ouden alles zoo buitengewoon goed hadden ingericht—in plaats van dit alles, waar zijn thuis, de school en de universiteit zijn hoofd meê hadden opgevuld, zag hij al spoedig, dat hij integendeel geboren was in een tijd vol van de meest verschillende bewegingen, en in een maatschappij, die juist behoefte had aan moedige jonge menschen.En Abraham Lövdahl had een machtigen drang gevoeld om aan te pakken—waar ’t maar mogelijkwas—overal! ’t Was alles immers averechts verkeerd. Maar altijd was dit de noodlottige vraag: Waar moest hij ingrijpen? ’t Moest zóó gebeuren dat er werkelijk iets door bereikt werd—een of andere taak voor hem; anders hielp het immers niet;—anders kon hij immers zijn naaste omgeving niet doen begrijpen wat hij bedoelde met dat „aanpakken.”Hij had het met Clara geprobeerd, toen zij geëngageerd waren. Hij had haar al zijn wilde ideeën toevertrouwd; en tot zekere hoogte amuseerde ’t haar te luisteren naar al die schreeuwende tegenstellingen met al wat ze geleerd had en geloofde. Alleen als ’t al te gek werd lachte ze en beweerde, dat hij dat niet meenen kon.Tot wat Clara ’t meest aantrok hoorde de emancipatie van de vrouw. Ze luisterde oplettend als hij in woorden, die gloeiden van toorn, den man aanviel, die duizende jaren lang in ruwheid de vrouwen had onderdrukt en verongelijkt. En als hij de toekomst schilderde, waar man en vrouw gelijken zouden zijn, die in onderling overleg handelden, dan drukte Clara zich tegen hem aan: „Zul je altijd zóó tegen mij wezen, Abraham?”Al die beloften, die oprechte verzekeringen!—had hij ze gebroken?Neen,—hij vond het niet; hij was zich bewust, dat hij er eerlijk naar had gestreefd hun samenleven vredig te maken en mooi; maar Clara was verwend—dat viel niet te ontkennen. Zulke afschuwelijke scènes als die van dezen avond moest hij niet verdragen.Hij wilde ze ook niet langer verdragen; nu wachtte ze hem—dat wist hij—tot een verzoening bereid, als hij zich eerst voldoende verootmoedigd had;maar Abraham zwoer, dat hij zich niet verootmoedigen zou en bleef in de kamers heen en weer loopen; en terwijl zijn sigaar langzamerhand uitging kwamen de machinist Steffensen en het blinde meisje hem weer in de gedachten. ’t Was een wonderlijk paar; hij zou den advokaat Kruse, die alle menschen kende, eens vragen, waar zij eigenlijk vandaan kwamen.Voorloopig besloot hij ook zich te verzetten tegen zijn vaders plan om Steffensen te ontslaan. Het streed tegen Abrahams opvatting een bekwaam man uit ’t werk te laten wegzenden, omdat hij een praatjesmaker was—waarschijnlijk een knappe bol. Hij moest juist blijven.Hoe zou ’t anders met dat arme blinde kind gaan?En haar beeld stond opeens zoo helder voor hem—aandoenlijk, als was ’t een herinnering uit zijn jeugd: dat witte voorhoofd, dat zoo onschuldig boven die doffe oogen lag, boven dat magere, zwaarmoedige gezicht.Lang en ver weg voerden Abraham zijn fantastische droomen over die oogen, waar misschien weer leven in zou kunnen komen; droomen van een blik vol dankbaarheid en genegenheid, waaraan hij zulk een behoefte had. En ’t was laat in den nacht toen hij naar bed ging. Clara sliep al.
I.Abraham Lövdahl was student geworden.Hij was negentien jaar oud, knap van uiterlijk, gezond en vroolijk; goed gekleed en goed van geld voorzien. Het leven sprong voor hem open als de deuren van een balzaal en hij stormde het binnen met groote oogen.Nog lag er over het studentenleven de laatste wegstervende glans van een schoonen, zorgeloozen tijd; nog kon men spreken van idealen, zonder dat allen lachten; en als de president met zijn heldere stem, ’t mooie blonde hoofd in den nek, liefelijke woorden door de zaal deed ruischen, dan voelden de jongelieden als ’t ware machtige wiekslagen over zich heen gaan;—de borst zwol en ’t was als werd hun lichaam lichter, alsof ze zouden kunnen vliegen.Abraham Lövdahl had ook zijn vleugels voelen groeien. De plotselinge overgang van ’t grauwe schoolleven in dwang en eentonigheid tot deze gulden vrijheid onder enkel vreemden—die bedwelmde hem als wijn.Al de glans, waarin de studententijd voor hem straalde in zijn moeilijke schooluren, was nu over zijn eigen leven neergedaald. En ’t was hem alsof zijn voeten de aarde niet raakten, hij zweefde meteen vriend in elken arm hoog daarboven in een lichtstroom van mooie woorden, van geestdrift en aandoening.Tot hij geplukt werd.Want rondom, in de maatschappij en in de restauraties—altijd op dezelfde vaste plaatsen—zat een groep begaafde menschen, die leefden van het plukken van jongelieden. Ze namen hun niet hun geld af; maar de glanzende veeren, die de besten onder hen droegen.’t Waren hoog ontwikkelde geesten, die alles kenden en bijna alles hadden doorgemaakt; daar was niets in den hemel of op de aarde, wat zij niet in een grap omzetten; en toen Abraham een jaar lang de eer genoten had zijn vaste plaats bij hen te hebben, was ook hij in staat om alles te lachen, zelfbewust, zonder belangstelling, geblaseerd—geplukt.Hij ging toen over tot de conversatie, maakte daar opgang, en was spoedig verloofd met de dochter van den advokaat Meinhardt.Dat kwam zoo van zelf, omdat Mevrouw Meinhardt het graag wilde en Abraham was in de wolken van geluk.Zijn meisje was zeker ook wel gelukkig. Maar Clara was zwak. ’t Was tegen ’t eind van den winter, dat hun verloving beklonken werd en ze had zóóveel gedanst, dat ze volkomen uitgeput was.Clara Meinhardt was de schoonheid van de familie; de drie andere zusters waren ook mooi, maar Clara—zij was een schoonheid, dat zei Mama ook.Abraham Lövdahl was de beste partij op dat oogenblik, hoewel hij wel heel jong was. Maar Mevrouw Meinhardt vond, dat ’t aardig was als de heeren jong trouwden. Later werden ze waarlijk al te nonchalant.De studie in de medicijnen was geen vak voor hem; dat duurde veel te lang.Maar Abraham was al begonnen. En ’t was altijd zijn plan geweest die wetenschap te kiezen, waarin zijn vader zoo’n grooten naam verworven had,—ja, hij droomde er zelfs van ’t werk van zijn vader voort te zetten en zich als specialiteit aan de oogheelkunde te wijden.Professor Lövdahl had ook altijd gemeend, dat het van zelf sprak, dat zijn zoon dokter zou worden.Maar wat hielp dat alles nu, als Mevrouw Meinhardt het niet wilde.Abraham streed eerst half in gekheid, later in vollen ernst met de heele familie Meinhardt; maar hij verloor het en gaf zich over, toen Clara op een goeden dag in tranen badende zeide, dat ze ’t nu wel begreep; hij wilde het tot een breuk laten komen door zijn halsstarrigheid.Daar kon hij niet tegen. En zoo werd het dan in „de rechten.” De professor was meer bereid de verandering goed te keuren, dan men verwachtte. Eigenlijk had hij ernietstegen, dat de opvoeding van zijn zoon in de richting van het juridische ging, nu hij zich door de nieuwe fabriek meer van de wetenschap af en tot het praktische leven aangetrokken voelde. Maar voor Abraham zelf werd die verandering van studie een inleiding tot en een oefening in het buigen van zijn wil en toch gelukkig zijn. Want Clara beloonde hem en Mevrouw Meinhardt vergaf hem.’t Voornaamste was immers gelukkig te leven in een tevreden omgeving; hij gaf een geliefd levensplan op,—dat was een offer; maar daar zou hij voor beloond worden. ’t Was geen principe, dat hij opgaf;—want in dat geval zou hij nooithebben toegegeven—nooit! Thuis, in de groote woning van zijn vader ging ’t leven zoo stil en vreedzaam voort, juist zooals Abraham het graag had; sterke gemoedsbewegingen herinnerde hij zich alleen uit den tijd, toen zijn moeder leefde.Hij herinnerde zich haar zoo goed, trek voor trek en vooral die wonderlijke diepe oogen; maar in die herinneringen mengden zich anderen aan veel pijnlijke oogenblikken, als hij vol schuldgevoel voor die niet te ontwijken oogen gestaan had, die altijd hetzelfde van hem verlangden: waar en oprecht te zijn.Er was veel in hem, waarin die eisch weerklank vond; maar het leven had hem geen aanleiding gegeven een slag te slaan voor zijn innige overtuiging; en veel onaangename kleinigheden hadden gemaakt, dat ’t hem bijna pijnlijk was aan zijn moeder te denken, die hij toch zoo innig had liefgehad en zoo vroeg verloren.Zijn jonge ziel nam veel nieuwe gedachten en ideeën in zich op, die heelemaal niet pasten in het salon van de familie Meinhardt—niet eens recht bij Professor Lövdahl. Zijn godsdienstige en politieke opvattingen veranderden snel, want hij had een sterke neiging tot kritiek en tegenstand. Maar zijn positie was noodlottig! Waar moest hij heen met alles wat in hem gistte? Bij de menschen op wier liefde hij prijs stelde zou dat maar onnoodige tweespalt en misverstand geven. Waarom zou hij verspelen wat hij liefhad, zonder eenig nut? En zoo ging hij het verste van al zijn kameraden, en zijn wilde paradoxen schitterden in de tabaksrook, als de vrienden bijeen zaten te drinken, tot ze welsprekend werden en zich in toekomstdroomen verloren.Abraham Lövdahl deed zijn juridisch examen inkorten tijd—gelokt door zijn verlangen naar ’t bezit van zijn geliefde en aangezet door de lichte grijze oogen van Mevrouw Meinhardt.Na een kort verblijf thuis—hij was zoo ongeduldig, dat hij zich geen tijd gaf voor een reis in het buitenland—vierde hij in Christiania zijn bruiloft met Mejuffrouw Clara Meinhardt.De jonggehuwden deden ook geen reis in het buitenland; want Mevrouw Meinhardt vond, dat het veel gezelliger was al dat geld te gebruiken voor een zomer buiten met de heele familie. De jongelui zouden afzonderlijk op een boerderij in de buurt logeeren, dan waren ze toch waarempel even vrij als in Zwitserland.Maar Abraham verlangde met ongeduld naar zijn eigen huis, om van al die Meinhardts af te komen en ook om zijn vrouwtje te toonen hoe mooi alles in hun eigen kamers was ingericht.Ze zouden de bovenverdieping van Professor Lövdahls groot ruim huis bewonen. De hooge, deftige, ouderwetsche kamers, en suite, stonden op den zomeravond, toen het jonge paar thuis kwam vol bloemen, maar ze lagen halfdonker in ’t laatste roode licht van de avondzon.De tweede verdieping van het groote huis lag zoo hoog, dat men het uitzicht had over de lage huizen aan ’t strand; en het fjord lag daar als een glanzende spiegel en droeg de kleine eilanden en de gladde uit het water opstekende rotsen, terwijl ’t land in een dalende lijn al lager en lager weggleed in den horizont, die samenviel met de open zee.Abraham had zijn huis lief en zijn borst zwol, toen hij zijn vrouw naar het open raam van hun eetkamer bracht.„Is ’t hier niet heerlijk, Clara?”„Waar?—wat bedoel je?”„’t Uitzicht,—de zee—’t licht—”„Maar lieve hemel!—hier is immers geen enkele boom.”„Ach—jij domme Oostlander,” antwoordde hij vroolijk en draaide haar rond, zoodat ze de kamer inzag, „is ’t hier dan niet mooi, hè?”„’t Is hier bijna donker.”„Ik zal ’t licht aansteken.”„O neen—dat hoeft niet; dat heeft geen haast.”Maar hij stak gauw hier een kandelaber en daar een lamp aan, zoodat er een soort ongelijkmatig licht in de kamers viel; en nu trok hij haar meê om haar het allerbeste te laten zien: haar eigen boudoirtje.„Hier kan ’t zeker wel aardig zijn overdag,” zei ze en voelde de portière tusschen de vingers.„Komt hier zon?”„Den heelen langen dag,” antwoordde Abraham blij.„O foei!—dan moeten we overal hoezen over maken. We kunnen onze beste meubelen toch niet door de zon laten bederven.”„Och kom!—die tijd, die zorg. Ze moeten maar tegen een beetje zon kunnen,” zei Abraham; „maar zie nu eens hier. Dit is nog ’t mooiste van alles—’t naaitafeltje van mijn moeder. Dat is jaren geleden hierheen gekomen uit Japan met een van de schippers van Grootvader Knorr.”„Dat kan men wel zien.”„Wat bedoel je?—Clara!”„Maar lieve hemel!—Kijk nu eens, al dat goud en die gekke figuren; ’t is heelemaal niet smaakvol.”„Neen hoor eens! nu heb je ’t toch waarachtig mis, Clara! Kijk eens naar den jager hier op dendeksel, met de valk op de hand en die ingelegde figuren van goud!—’t Is een prachtstuk—moet je weten—dat naar het oordeel van kenners een eerste plaats in een museum verdient.”„Ja, maar ik wil geen museum hebben.”„Maar je moet toch kunnen begrijpen...”„Ja, ik kan me zoo best begrijpen, dat jij verrukt bent over dat oude meubel, omdat het van je moeder was, waar je immers zooveel van hieldt. Maar je moet toch toegeven, dat je zooiets nu niet meer gebruikt.”Hij antwoordde niet, maar sloot het tafeltje.„Neen—weet je wat het mooiste is wat ik hier in huis gezien heb?”—vroeg Clara, terwijl ze voor den spiegel stond en haar haren in orde bracht.„Jij zelf waarschijnlijk.”„Hê, wat ben jij onaardig?”—er kwam dadelijk een strammen trek om haar mond.„Neen, neen,” riep hij lachend; „dat kwam me maar zoo op de lippen, toen ik je in den spiegel zag, want jij bent wezenlijk het mooiste en liefste wat er in ’t heele huis is”—en met veel dergelijke woorden en kussen werd ze eindelijk tevreden gesteld en ging voort:„Het mooiste, wat ik tot nu toe gezien heb is werkelijk je vader.”„Ja, niet waar!” riep Abraham verheugd. „Is dat niet een indrukwekkende figuur?”„Hij heeft werkelijk iets gedistingueerds. Hij is een man, die men zelfs in de stad opmerken zou.”„Ja, dat wil ik zoowaar wel gelooven,” zei Abraham en glimlachte wat uit de hoogte. Zij dacht dadelijk, dat hij aan haar kleinen uitgedroogden vader dacht, en voegde er bij:„Jij lijkt zeker ’t meest op je moeder, Abraham.”„Moet dat een kleine... steek verbeelden?”„Een steek?—maar mijn hemel, hoe kom je er bij?—je moeder, waar je immers zoo veel van hieldt!”„Ja zeker—’t klonk alleen maar zoo wonderlijk, nadat je pas Vader zoo sterk geprezen hadt.”„Hoor eens Abraham, je ben werkelijk irriteerend met je achterdocht—”„Ik achterdochtig!—maar lieve kind, hoe kun je nu beweren...”„Ja, dat ben je; je ben vreeselijk achterdochtig, je meent altijd, dat achter de onschuldigste woorden...”„Gekheid! laat ons nu niet onzen intocht in huis houden met onzin en misverstand; komm Clärchen, zu Bett!”—en hij sloeg vroolijk den arm om haar middel en droeg haar half naar de slaapkamer; maar ze spartelde tegen en wilde niet op zijn scherts ingaan.Maar toen zij in de flauw verlichte kleedkamer en later in de slaapkamer kwam, werd ze zachter gestemd.Daar waren zooveel zaken, die in de eenvoudige slaapkamer van de meisjes Meinhardt nooit waren voorgekomen; en daar was een weelde en een smaak in de inrichting van het geheel, die een sterken indruk op haar maakte. Zij kuste haar man en zeide: „Naar zoo’n slaapkamer heb ik altijd verlangd.”In verrukking ging hij heen om de kaarsen en lampen uit te doen en te zien of alles in huis in orde was en de vensters gesloten waren. Eindelijk kwam hij in ’t kamertje van zijn vrouw en bleef voor het Japansche naaitafeltje staan.Van zijn vroegste kindsheid af was hij gewendgeweest vreemden bij dit prachtstuk te zien stilstaan, zoodat hij er toe gekomen was het voor een van de mooiste en merkwaardigste dingen in de wereld te houden. Hij kende iedere veer van den bonten valk en de scheeve oogen in het gele gezicht van den jager. En terwijl hij daar stond, mompelde hij:„„dat oude meubel!”—zei ze. Dat meent ze niet. Ze meende er niets kwaads meê.”
Abraham Lövdahl was student geworden.
Hij was negentien jaar oud, knap van uiterlijk, gezond en vroolijk; goed gekleed en goed van geld voorzien. Het leven sprong voor hem open als de deuren van een balzaal en hij stormde het binnen met groote oogen.
Nog lag er over het studentenleven de laatste wegstervende glans van een schoonen, zorgeloozen tijd; nog kon men spreken van idealen, zonder dat allen lachten; en als de president met zijn heldere stem, ’t mooie blonde hoofd in den nek, liefelijke woorden door de zaal deed ruischen, dan voelden de jongelieden als ’t ware machtige wiekslagen over zich heen gaan;—de borst zwol en ’t was als werd hun lichaam lichter, alsof ze zouden kunnen vliegen.
Abraham Lövdahl had ook zijn vleugels voelen groeien. De plotselinge overgang van ’t grauwe schoolleven in dwang en eentonigheid tot deze gulden vrijheid onder enkel vreemden—die bedwelmde hem als wijn.
Al de glans, waarin de studententijd voor hem straalde in zijn moeilijke schooluren, was nu over zijn eigen leven neergedaald. En ’t was hem alsof zijn voeten de aarde niet raakten, hij zweefde meteen vriend in elken arm hoog daarboven in een lichtstroom van mooie woorden, van geestdrift en aandoening.
Tot hij geplukt werd.
Want rondom, in de maatschappij en in de restauraties—altijd op dezelfde vaste plaatsen—zat een groep begaafde menschen, die leefden van het plukken van jongelieden. Ze namen hun niet hun geld af; maar de glanzende veeren, die de besten onder hen droegen.
’t Waren hoog ontwikkelde geesten, die alles kenden en bijna alles hadden doorgemaakt; daar was niets in den hemel of op de aarde, wat zij niet in een grap omzetten; en toen Abraham een jaar lang de eer genoten had zijn vaste plaats bij hen te hebben, was ook hij in staat om alles te lachen, zelfbewust, zonder belangstelling, geblaseerd—geplukt.
Hij ging toen over tot de conversatie, maakte daar opgang, en was spoedig verloofd met de dochter van den advokaat Meinhardt.
Dat kwam zoo van zelf, omdat Mevrouw Meinhardt het graag wilde en Abraham was in de wolken van geluk.
Zijn meisje was zeker ook wel gelukkig. Maar Clara was zwak. ’t Was tegen ’t eind van den winter, dat hun verloving beklonken werd en ze had zóóveel gedanst, dat ze volkomen uitgeput was.
Clara Meinhardt was de schoonheid van de familie; de drie andere zusters waren ook mooi, maar Clara—zij was een schoonheid, dat zei Mama ook.
Abraham Lövdahl was de beste partij op dat oogenblik, hoewel hij wel heel jong was. Maar Mevrouw Meinhardt vond, dat ’t aardig was als de heeren jong trouwden. Later werden ze waarlijk al te nonchalant.
De studie in de medicijnen was geen vak voor hem; dat duurde veel te lang.
Maar Abraham was al begonnen. En ’t was altijd zijn plan geweest die wetenschap te kiezen, waarin zijn vader zoo’n grooten naam verworven had,—ja, hij droomde er zelfs van ’t werk van zijn vader voort te zetten en zich als specialiteit aan de oogheelkunde te wijden.
Professor Lövdahl had ook altijd gemeend, dat het van zelf sprak, dat zijn zoon dokter zou worden.
Maar wat hielp dat alles nu, als Mevrouw Meinhardt het niet wilde.
Abraham streed eerst half in gekheid, later in vollen ernst met de heele familie Meinhardt; maar hij verloor het en gaf zich over, toen Clara op een goeden dag in tranen badende zeide, dat ze ’t nu wel begreep; hij wilde het tot een breuk laten komen door zijn halsstarrigheid.
Daar kon hij niet tegen. En zoo werd het dan in „de rechten.” De professor was meer bereid de verandering goed te keuren, dan men verwachtte. Eigenlijk had hij ernietstegen, dat de opvoeding van zijn zoon in de richting van het juridische ging, nu hij zich door de nieuwe fabriek meer van de wetenschap af en tot het praktische leven aangetrokken voelde. Maar voor Abraham zelf werd die verandering van studie een inleiding tot en een oefening in het buigen van zijn wil en toch gelukkig zijn. Want Clara beloonde hem en Mevrouw Meinhardt vergaf hem.
’t Voornaamste was immers gelukkig te leven in een tevreden omgeving; hij gaf een geliefd levensplan op,—dat was een offer; maar daar zou hij voor beloond worden. ’t Was geen principe, dat hij opgaf;—want in dat geval zou hij nooithebben toegegeven—nooit! Thuis, in de groote woning van zijn vader ging ’t leven zoo stil en vreedzaam voort, juist zooals Abraham het graag had; sterke gemoedsbewegingen herinnerde hij zich alleen uit den tijd, toen zijn moeder leefde.
Hij herinnerde zich haar zoo goed, trek voor trek en vooral die wonderlijke diepe oogen; maar in die herinneringen mengden zich anderen aan veel pijnlijke oogenblikken, als hij vol schuldgevoel voor die niet te ontwijken oogen gestaan had, die altijd hetzelfde van hem verlangden: waar en oprecht te zijn.
Er was veel in hem, waarin die eisch weerklank vond; maar het leven had hem geen aanleiding gegeven een slag te slaan voor zijn innige overtuiging; en veel onaangename kleinigheden hadden gemaakt, dat ’t hem bijna pijnlijk was aan zijn moeder te denken, die hij toch zoo innig had liefgehad en zoo vroeg verloren.
Zijn jonge ziel nam veel nieuwe gedachten en ideeën in zich op, die heelemaal niet pasten in het salon van de familie Meinhardt—niet eens recht bij Professor Lövdahl. Zijn godsdienstige en politieke opvattingen veranderden snel, want hij had een sterke neiging tot kritiek en tegenstand. Maar zijn positie was noodlottig! Waar moest hij heen met alles wat in hem gistte? Bij de menschen op wier liefde hij prijs stelde zou dat maar onnoodige tweespalt en misverstand geven. Waarom zou hij verspelen wat hij liefhad, zonder eenig nut? En zoo ging hij het verste van al zijn kameraden, en zijn wilde paradoxen schitterden in de tabaksrook, als de vrienden bijeen zaten te drinken, tot ze welsprekend werden en zich in toekomstdroomen verloren.
Abraham Lövdahl deed zijn juridisch examen inkorten tijd—gelokt door zijn verlangen naar ’t bezit van zijn geliefde en aangezet door de lichte grijze oogen van Mevrouw Meinhardt.
Na een kort verblijf thuis—hij was zoo ongeduldig, dat hij zich geen tijd gaf voor een reis in het buitenland—vierde hij in Christiania zijn bruiloft met Mejuffrouw Clara Meinhardt.
De jonggehuwden deden ook geen reis in het buitenland; want Mevrouw Meinhardt vond, dat het veel gezelliger was al dat geld te gebruiken voor een zomer buiten met de heele familie. De jongelui zouden afzonderlijk op een boerderij in de buurt logeeren, dan waren ze toch waarempel even vrij als in Zwitserland.
Maar Abraham verlangde met ongeduld naar zijn eigen huis, om van al die Meinhardts af te komen en ook om zijn vrouwtje te toonen hoe mooi alles in hun eigen kamers was ingericht.
Ze zouden de bovenverdieping van Professor Lövdahls groot ruim huis bewonen. De hooge, deftige, ouderwetsche kamers, en suite, stonden op den zomeravond, toen het jonge paar thuis kwam vol bloemen, maar ze lagen halfdonker in ’t laatste roode licht van de avondzon.
De tweede verdieping van het groote huis lag zoo hoog, dat men het uitzicht had over de lage huizen aan ’t strand; en het fjord lag daar als een glanzende spiegel en droeg de kleine eilanden en de gladde uit het water opstekende rotsen, terwijl ’t land in een dalende lijn al lager en lager weggleed in den horizont, die samenviel met de open zee.
Abraham had zijn huis lief en zijn borst zwol, toen hij zijn vrouw naar het open raam van hun eetkamer bracht.
„Is ’t hier niet heerlijk, Clara?”
„Waar?—wat bedoel je?”
„’t Uitzicht,—de zee—’t licht—”
„Maar lieve hemel!—hier is immers geen enkele boom.”
„Ach—jij domme Oostlander,” antwoordde hij vroolijk en draaide haar rond, zoodat ze de kamer inzag, „is ’t hier dan niet mooi, hè?”
„’t Is hier bijna donker.”
„Ik zal ’t licht aansteken.”
„O neen—dat hoeft niet; dat heeft geen haast.”
Maar hij stak gauw hier een kandelaber en daar een lamp aan, zoodat er een soort ongelijkmatig licht in de kamers viel; en nu trok hij haar meê om haar het allerbeste te laten zien: haar eigen boudoirtje.
„Hier kan ’t zeker wel aardig zijn overdag,” zei ze en voelde de portière tusschen de vingers.
„Komt hier zon?”
„Den heelen langen dag,” antwoordde Abraham blij.
„O foei!—dan moeten we overal hoezen over maken. We kunnen onze beste meubelen toch niet door de zon laten bederven.”
„Och kom!—die tijd, die zorg. Ze moeten maar tegen een beetje zon kunnen,” zei Abraham; „maar zie nu eens hier. Dit is nog ’t mooiste van alles—’t naaitafeltje van mijn moeder. Dat is jaren geleden hierheen gekomen uit Japan met een van de schippers van Grootvader Knorr.”
„Dat kan men wel zien.”
„Wat bedoel je?—Clara!”
„Maar lieve hemel!—Kijk nu eens, al dat goud en die gekke figuren; ’t is heelemaal niet smaakvol.”
„Neen hoor eens! nu heb je ’t toch waarachtig mis, Clara! Kijk eens naar den jager hier op dendeksel, met de valk op de hand en die ingelegde figuren van goud!—’t Is een prachtstuk—moet je weten—dat naar het oordeel van kenners een eerste plaats in een museum verdient.”
„Ja, maar ik wil geen museum hebben.”
„Maar je moet toch kunnen begrijpen...”
„Ja, ik kan me zoo best begrijpen, dat jij verrukt bent over dat oude meubel, omdat het van je moeder was, waar je immers zooveel van hieldt. Maar je moet toch toegeven, dat je zooiets nu niet meer gebruikt.”
Hij antwoordde niet, maar sloot het tafeltje.
„Neen—weet je wat het mooiste is wat ik hier in huis gezien heb?”—vroeg Clara, terwijl ze voor den spiegel stond en haar haren in orde bracht.
„Jij zelf waarschijnlijk.”
„Hê, wat ben jij onaardig?”—er kwam dadelijk een strammen trek om haar mond.
„Neen, neen,” riep hij lachend; „dat kwam me maar zoo op de lippen, toen ik je in den spiegel zag, want jij bent wezenlijk het mooiste en liefste wat er in ’t heele huis is”—en met veel dergelijke woorden en kussen werd ze eindelijk tevreden gesteld en ging voort:
„Het mooiste, wat ik tot nu toe gezien heb is werkelijk je vader.”
„Ja, niet waar!” riep Abraham verheugd. „Is dat niet een indrukwekkende figuur?”
„Hij heeft werkelijk iets gedistingueerds. Hij is een man, die men zelfs in de stad opmerken zou.”
„Ja, dat wil ik zoowaar wel gelooven,” zei Abraham en glimlachte wat uit de hoogte. Zij dacht dadelijk, dat hij aan haar kleinen uitgedroogden vader dacht, en voegde er bij:
„Jij lijkt zeker ’t meest op je moeder, Abraham.”
„Moet dat een kleine... steek verbeelden?”
„Een steek?—maar mijn hemel, hoe kom je er bij?—je moeder, waar je immers zoo veel van hieldt!”
„Ja zeker—’t klonk alleen maar zoo wonderlijk, nadat je pas Vader zoo sterk geprezen hadt.”
„Hoor eens Abraham, je ben werkelijk irriteerend met je achterdocht—”
„Ik achterdochtig!—maar lieve kind, hoe kun je nu beweren...”
„Ja, dat ben je; je ben vreeselijk achterdochtig, je meent altijd, dat achter de onschuldigste woorden...”
„Gekheid! laat ons nu niet onzen intocht in huis houden met onzin en misverstand; komm Clärchen, zu Bett!”—en hij sloeg vroolijk den arm om haar middel en droeg haar half naar de slaapkamer; maar ze spartelde tegen en wilde niet op zijn scherts ingaan.
Maar toen zij in de flauw verlichte kleedkamer en later in de slaapkamer kwam, werd ze zachter gestemd.
Daar waren zooveel zaken, die in de eenvoudige slaapkamer van de meisjes Meinhardt nooit waren voorgekomen; en daar was een weelde en een smaak in de inrichting van het geheel, die een sterken indruk op haar maakte. Zij kuste haar man en zeide: „Naar zoo’n slaapkamer heb ik altijd verlangd.”
In verrukking ging hij heen om de kaarsen en lampen uit te doen en te zien of alles in huis in orde was en de vensters gesloten waren. Eindelijk kwam hij in ’t kamertje van zijn vrouw en bleef voor het Japansche naaitafeltje staan.
Van zijn vroegste kindsheid af was hij gewendgeweest vreemden bij dit prachtstuk te zien stilstaan, zoodat hij er toe gekomen was het voor een van de mooiste en merkwaardigste dingen in de wereld te houden. Hij kende iedere veer van den bonten valk en de scheeve oogen in het gele gezicht van den jager. En terwijl hij daar stond, mompelde hij:„„dat oude meubel!”—zei ze. Dat meent ze niet. Ze meende er niets kwaads meê.”
II.De directeur van de bank, Christensen, naderde het slot van zijn toespraak; hij wisselde een blik met Professor Lövdahl, terwijl hij zich van zijn presidentsplaats vooroverboog naar zijn medebestuursleden en zijn stem dempte tot een vertrouwelijken, familiaren toon.„Maar hoewel in dit alles nu geenszins eendirectgevaar ligt voor de toekomst van de fabriek, moeten we toch nauwkeurig acht geven op alle omstandigheden, die schadelijk of voordeelig kunnen werken en over ’t geheel, naar ons beste vermogen trachten de belangen van onze medeaandeelhouders te behartigen. En daar nu de prijzen van velen van onze voornaamste produkten ontegenzeggelijk neiging tot dalen vertoonen, moeten we naar mijn overtuiging al onze aandacht richten op het verminderen van onze exploitatiekosten.Dat kan op twee manieren gebeuren, òf doordat we tijdelijk enkele takken van ons bedrijf neerleggen en vrij wat arbeiders ontslaanòfdoor alle uitgaven voor administratie en loonen zooveel mogelijk in te korten.”„Ik voor mij zou zeer weinig geneigd zijn met een beperking van ons bedrijf mee te gaan,” antwoordde Professor Lövdahl, „evenzeer ter wille vanonze brave arbeiders, als om een andere reden en wel deze: dat ik de bezwaren van onzen geachten president in het geheel niet deel. Ik wil gaarne toegeven, dat de aanleg zelf wat kostbaar was, dat verscheiden uitgaven, die in ’t eerst noodig waren, nog moeten blijven bestaan, en meer dergelijke zaken. Maar ik twijfel er geen oogenblik aan, of Fortuna, wanneer de zaak met kennis van zaken en verstandige zuinigheid bestuurd wordt, zal blijken, zooal niet een goudmijn—dan toch een goede zaak voor de aandeelhouders te zijn, zooals ze nu al een zegen voor de stad is.”Nu was de afspraak, dat consul With op dit oogenblik een vrij groote verlaging van ’t honorarium van den chef—Mordtmann—zou voorstellen. Maar voor hij aan het woord komen kon, stond de jonge chef op; hij was uitdrukkelijk voor deze bestuursvergadering uitgenoodigd.„Mijne Heeren,” begon Michal Mordtmann vrij en ongedwongen. „Het verheugt mij in zekeren zin, dat de verhandelingen vandaag deze richting genomen hebben; want dat maakt het nog gemakkelijker iets te zeggen, wat ik op het hart heb. Ik heb zelf met zorg het dalen der prijzen in het buitenland gevolgd; en zonder mij daar verder al te veel door te laten verontrusten, heb ik toch ingezien, dat nu en voor de naaste toekomst alle mogelijke besparingen van het allergrootste belang zijn. Ik heb dus eens rondgezien—in alle hoeken en gaten of er niet hier en daar iets overtolligs zou zijn, iets wat men zou kunnen missen, een post, die men uitsparen kon. En eindelijk heb ik werkelijk iets overtolligs gevonden, iets wat ik geloof, dat de fabriek nu goed missen kan en dat is... mijne Heeren,—ja, dat ben ik zelf.”De heeren directeuren zetten groote oogen op; maar hij ging vriendelijk en glimlachend voort:„Zoo noodig als ik wel durf zeggen, dat ik was bij het aanleggen van de fabriek, even overbodig ben ik nu, nadat zij geheel in werking is gekomen,de arbeiders geoefend, het kantoorpersoneel geroutineerd, en vooral nu er een directie is, bestaande uit de meest deskundige en voornaamste mannen van zaken uit de stad. Ik heb er daarom al lang over gedacht u voor te stellen mijn post te schrappen. Een groot gedeelte van de loopende zaken zouden kunnen overgelaten worden aan onzen vertegenwoordiger Marcussen en overigens zou de fabriek door de geëerde directie zelf bestuurd kunnen worden. Maar ik heb er wat tegen op gezien, met dit voorstel voor den dag te komen; ten eerste omdat er toch misschien wat zelfbeheersching noodig is om je eigen overbodigheid in te zien; en dan kan ik niet ontkennen—dat spreekt trouwens van zelf—dat ik slechts ongaarne van deze fabriek afscheid neem, die me lief geworden is, en van het aangenaam samenwerken met u, mijne Heeren.” Op deze woorden volgde een pauze. Consul With verheugde zich over de gelukkige wending, die de zaak nam, en keek glimlachend Professor Lövdahl aan; maar de bankdirecteur Christensen wreef zijn groote neus en verborg met de vingers zijn oogen, terwijl hij wantrouwend en van ter zijde naar Mordtmann zag.’t Was eigenlijk Professor Lövdahl, die een samenzwering in de directie tot stand had gebracht, om—zoo mogelijk—Mordtmann weg te krijgen; en nu ging hij vrijwillig, bij den eersten wenk. Daar moest iets achter steken.„Ik, als president, kan ’t er niet meê eens zijn—ten minste niet zonder nader motiveering meê eens zijn,—dat de heer Mordtmann als directeur plotseling overbodig zou geworden zijn. Er zou in ieder geval eenige tijd moeten verloopen...”„Pardon, Mijnheer de president!—maar ik wilde om persoonlijke redenen, juist aan de geëerde directie verzoeken mij toe te staan reeds met Kerstmis af te treden.”„Met Kerstmis al!”... De president keek nog bedenkelijker.„Wij willen natuurlijk maar noode zulk een bekwaam directeur laten gaan; maar als Mijnheer Mordtmann ’t zelf wenscht, dan...”De professor zette de toespraak van Consul With voort: „dan hebben wij waarlijk alle reden om hem hierin zooveel mogelijk tegemoet te komen, hoezeer we ook betreuren...”„Maar hebben de heeren wel aan het meerder werk en de groote verantwoordelijkheid voor ons gedacht, wanneer de directeur nu plotseling aftreedt?” vroeg Christensen. „Wat mij betreft, ik durf in dat geval mijn plaats als president niet langer bekleeden. Dat wordt mij te veel. Ik ben niet sterk,” en half verscholen achter zijn groote witte hand, die hij over zijn gezicht liet glijden, sloeg hij nauwkeurig de anderen gade—overtuigd, dat zij allen als gewoonlijk zouden verzekeren, dat hij onmisbaar was.Maar Professor Lövdahl voorkwam de anderen door eenigszins droog te zeggen:„Als het om het welzijn van onze fabriek gaat, neem ik aan, dat wij allen ons met genoegen tot het uiterste zullen inspannen.”De bankdirecteur Christensen aarzelde. Hij was tot nu toe algemeen erkend als de eerste in denkleinen kring van mannen, die directeuren, bestuurders, vertegenwoordigers van alle mogelijke zaken in de stad waren. ’t Was zijn lust en zijn leven vergaderingen te houden, besluiten te redigeeren en zijn eigen zware stem te hooren voortrollen door de vergaderlokalen met welgevormde, edele en verheven zinnen. Maar bovendien bezat hij een onuitsprekelijke fijne snuif in handelszaken. Zijn groote zachte neus kon als ’t ware een slechte zaak op grooten afstand ruiken; en nadat hij nog eens ter sluiks een blik op Mordtmann geworpen had, nam hij zijn besluit en zei:„Ik heb geen overdreven voorstellingen van mijn eigen beteekenis als president; maar daar de post mij nu te moeilijk worden zal, wil ik de heeren verzoeken, een ander te kiezen op de eerstkomende Algemeene Vergadering.”Een ontevreden, afwijzend gemompel werd om de tafel gehoord, maar Christensen ging voort: „Ja, ja,—laat het zoo blijven, Heeren. Mijn gezondheid is, zooals u weet, niet zoo heel sterk; en de steeds toenemende ontwikkeling van de stad legt immers op velerlei wijzen beslag op... de meer op den voorgrond staande burgers. Bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat ik geen deskundige ben...”„Kom... Mijnheer Christensen”—riepen velen glimlachend.„Neen, neen. Ik meen het in ernst; er is—ronduit gezegd—eigenlijk maar één onder ons, die al die scheikunde begrijpt, en dat is Professor Lövdahl. Als hij genegen is de plaats als president over te nemen, dan twijfel ik er niet aan of de Algemeene Vergadering zal dit met acclamatie aannemen.”„De Heeren weten zeker allen wel, dat ik meer voor het wetenschappelijke dan voor het mercantilevoel,” begon de professor, „en in ’t begin trad ik eigenlijk alleen tot de directie toe om een onderneming, waarvan men geluk en zegen voor onze stad verwachten kon, aan den gang te brengen.Maar later is ’t me zoo gegaan, dat ik deze fabriek steeds liever gekregen heb; en als die nu te lijden zal hebben van slechte tijden, wil ik er mijn ouden rug gaarne onder zetten: maar Heeren—die rug is oud. Ik kan niet als Mijnheer Mordtmann in drie stappen van de fabriek naar de stad komen...”„Natuurlijk! men zou den president een assistent moeten geven—”„Pardon,—’t is niet mijn bedoeling om indiscreet te wezen,” zei Michal Mordtmann; „maar zooals we weten, heeft de professor een zoon, die onlangs met glans zijn examen in de rechten heeft gedaan. Zou zulk een post niet heel geschikt en aangenaam zijn voor een jongen candidaat—om meê te beginnen? De juridische kennis—ik kan u verzekeren, dat die in velerlei gevallen van groot belang voor onze zaak wezen zou.”Professor Lövdahl kwam in de war. Voor de tweede keer doorzag die Mordtmann zijn geheimste gedachten; juist zóó had hij den uitslag van de zaak gewenscht; maar hij was voorbereid op veel kleine intrigues, om het doel te bereiken. En nu werd hem dit alles aangebracht in een oogenblik en juist door den man, dien hij ten val had willen brengen.Want nu werd snel en bijna zonder debat aangenomen aan de Algemeene Vergadering deze veranderingen voor te stellen. De post als directeur in zijn vroegeren vorm wordt opgeheven. De directie zelf met Professor Lövdahl als president neemt het bestuur van de fabriek over. Aan den president wordt toegestaan een assistent te kiezen voor wienhet traktement door de Algemeene Vergadering zal worden vastgesteld.Toen zij op straat gekomen waren, nam consul With den arm van den professor en feliciteerde hem lachend met dien gelukkigen uitslag.„Maar kun je begrijpen wat Mordtmann bezielde? Wij hadden ons voorgesteld, dat hij zich met handen en voeten aan zijn baantje zou vastklampen. Hij moet gemerkt hebben, dat de stemming al te veel tegen hem was.”„Misschien heeft hij dat wel,” antwoordde de professor verstrooid; maar toen hij afscheid van den consul genomen had, bleef hij op ’t kleine plein voor zijn huis staan en zag uit over de haven, waar de rookende schoorsteenen van Fortuna zich tegen den hemel afteekenden. De menschen, die voorbijgingen, groetten de statige figuur eerbiedig, zooals hij daar stond, geleund op zijn kostbaren donker bruinen stok—met uitgesneden ivoren knop, een geschenk van zijn collega’s aan de universiteit. Hij groette terug zonder ze te zien, want hij dacht aan het pas gebeurde met Mordtmann. Carsten Lövdahl had dien man altijd gehaat, en daardoor was hij er toe gekomen Fortuna en haar directeur nauwlettend te controleeren; voortdurend ging hij Mordtmann na,—nooit op een wijze, die persoonlijke bitterheid verraadde; maar alleen als een conscientieus directeur.Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat een partij in de directie tegen den directeur gestemd was; de een vond hem te kostbaar, een ander hield niet van hem en de goedige consul With ging met zijn vriend, den professor, meê.En nu opeens—vrijwillig—glimlachend gaf Mordtmann alles op en ging heen.Niet zóó had de professor zijn doel willen bereiken: de ander had verdrongen, verworpen, vernederd moeten worden!Maar nu was hij dan toch weg, en dat was de hoofdzaak. ’t Meerdere werk en de grooter verantwoording verontrustten Carsten Lövdahl niet bizonder. Hij had werkelijk in deze jaren lust gekregen om dat groote veelzijdige werk te besturen. Het ging zoo goed en gaf aan zoo velen werk. En hij brandde van verlangen te toonen hoe heel anders en veel beter ’t zou gaan zonder dien kwast—Mordtmann.En ’t meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen.Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven zitten, waar de vergadering gehouden was—nog steeds onzeker en wantrouwend.Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl, die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot nu toe geweest. ’t Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de man, die zoo’n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak, en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij hoorden niet tot de ratten, die ’t schip verlieten vóór er gevaar was.Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden, want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te veel aandeelen en zij te veel vriendinnen.Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader:„’t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,—u kunt wel begrijpen van wien die kwam—en eer iemand het wist, was ik van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik—in elk geval voorloopig—zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,—ik ben het volkomen eens met wat u in uw brief van den 18den schreef.”Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden.Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het werk en ’t groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines.Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen als huisvriend.Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor.Op een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts, een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; ’t schip lag in Dantzig te laden.De professor was in spanning—in een spanning, die voor hem geheel nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg.En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw en eigenaardig welbehagen.Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door ’t groote vermogen van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting voor „kooplui” en ’t heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor geld in het bloed. ’t Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht; maar zonder het directe gevoel van de macht van ’t geld en ’t vele, dat daarmeê te bereiken is.Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij had macht zich nog meer te verschaffen. Voor ’t eerst had hij dat bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs, dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had.Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen, ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd.Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan ’t werk—gelukkig en vol moed.
De directeur van de bank, Christensen, naderde het slot van zijn toespraak; hij wisselde een blik met Professor Lövdahl, terwijl hij zich van zijn presidentsplaats vooroverboog naar zijn medebestuursleden en zijn stem dempte tot een vertrouwelijken, familiaren toon.
„Maar hoewel in dit alles nu geenszins eendirectgevaar ligt voor de toekomst van de fabriek, moeten we toch nauwkeurig acht geven op alle omstandigheden, die schadelijk of voordeelig kunnen werken en over ’t geheel, naar ons beste vermogen trachten de belangen van onze medeaandeelhouders te behartigen. En daar nu de prijzen van velen van onze voornaamste produkten ontegenzeggelijk neiging tot dalen vertoonen, moeten we naar mijn overtuiging al onze aandacht richten op het verminderen van onze exploitatiekosten.
Dat kan op twee manieren gebeuren, òf doordat we tijdelijk enkele takken van ons bedrijf neerleggen en vrij wat arbeiders ontslaanòfdoor alle uitgaven voor administratie en loonen zooveel mogelijk in te korten.”
„Ik voor mij zou zeer weinig geneigd zijn met een beperking van ons bedrijf mee te gaan,” antwoordde Professor Lövdahl, „evenzeer ter wille vanonze brave arbeiders, als om een andere reden en wel deze: dat ik de bezwaren van onzen geachten president in het geheel niet deel. Ik wil gaarne toegeven, dat de aanleg zelf wat kostbaar was, dat verscheiden uitgaven, die in ’t eerst noodig waren, nog moeten blijven bestaan, en meer dergelijke zaken. Maar ik twijfel er geen oogenblik aan, of Fortuna, wanneer de zaak met kennis van zaken en verstandige zuinigheid bestuurd wordt, zal blijken, zooal niet een goudmijn—dan toch een goede zaak voor de aandeelhouders te zijn, zooals ze nu al een zegen voor de stad is.”
Nu was de afspraak, dat consul With op dit oogenblik een vrij groote verlaging van ’t honorarium van den chef—Mordtmann—zou voorstellen. Maar voor hij aan het woord komen kon, stond de jonge chef op; hij was uitdrukkelijk voor deze bestuursvergadering uitgenoodigd.
„Mijne Heeren,” begon Michal Mordtmann vrij en ongedwongen. „Het verheugt mij in zekeren zin, dat de verhandelingen vandaag deze richting genomen hebben; want dat maakt het nog gemakkelijker iets te zeggen, wat ik op het hart heb. Ik heb zelf met zorg het dalen der prijzen in het buitenland gevolgd; en zonder mij daar verder al te veel door te laten verontrusten, heb ik toch ingezien, dat nu en voor de naaste toekomst alle mogelijke besparingen van het allergrootste belang zijn. Ik heb dus eens rondgezien—in alle hoeken en gaten of er niet hier en daar iets overtolligs zou zijn, iets wat men zou kunnen missen, een post, die men uitsparen kon. En eindelijk heb ik werkelijk iets overtolligs gevonden, iets wat ik geloof, dat de fabriek nu goed missen kan en dat is... mijne Heeren,—ja, dat ben ik zelf.”
De heeren directeuren zetten groote oogen op; maar hij ging vriendelijk en glimlachend voort:
„Zoo noodig als ik wel durf zeggen, dat ik was bij het aanleggen van de fabriek, even overbodig ben ik nu, nadat zij geheel in werking is gekomen,de arbeiders geoefend, het kantoorpersoneel geroutineerd, en vooral nu er een directie is, bestaande uit de meest deskundige en voornaamste mannen van zaken uit de stad. Ik heb er daarom al lang over gedacht u voor te stellen mijn post te schrappen. Een groot gedeelte van de loopende zaken zouden kunnen overgelaten worden aan onzen vertegenwoordiger Marcussen en overigens zou de fabriek door de geëerde directie zelf bestuurd kunnen worden. Maar ik heb er wat tegen op gezien, met dit voorstel voor den dag te komen; ten eerste omdat er toch misschien wat zelfbeheersching noodig is om je eigen overbodigheid in te zien; en dan kan ik niet ontkennen—dat spreekt trouwens van zelf—dat ik slechts ongaarne van deze fabriek afscheid neem, die me lief geworden is, en van het aangenaam samenwerken met u, mijne Heeren.” Op deze woorden volgde een pauze. Consul With verheugde zich over de gelukkige wending, die de zaak nam, en keek glimlachend Professor Lövdahl aan; maar de bankdirecteur Christensen wreef zijn groote neus en verborg met de vingers zijn oogen, terwijl hij wantrouwend en van ter zijde naar Mordtmann zag.
’t Was eigenlijk Professor Lövdahl, die een samenzwering in de directie tot stand had gebracht, om—zoo mogelijk—Mordtmann weg te krijgen; en nu ging hij vrijwillig, bij den eersten wenk. Daar moest iets achter steken.
„Ik, als president, kan ’t er niet meê eens zijn—ten minste niet zonder nader motiveering meê eens zijn,—dat de heer Mordtmann als directeur plotseling overbodig zou geworden zijn. Er zou in ieder geval eenige tijd moeten verloopen...”
„Pardon, Mijnheer de president!—maar ik wilde om persoonlijke redenen, juist aan de geëerde directie verzoeken mij toe te staan reeds met Kerstmis af te treden.”
„Met Kerstmis al!”... De president keek nog bedenkelijker.
„Wij willen natuurlijk maar noode zulk een bekwaam directeur laten gaan; maar als Mijnheer Mordtmann ’t zelf wenscht, dan...”
De professor zette de toespraak van Consul With voort: „dan hebben wij waarlijk alle reden om hem hierin zooveel mogelijk tegemoet te komen, hoezeer we ook betreuren...”
„Maar hebben de heeren wel aan het meerder werk en de groote verantwoordelijkheid voor ons gedacht, wanneer de directeur nu plotseling aftreedt?” vroeg Christensen. „Wat mij betreft, ik durf in dat geval mijn plaats als president niet langer bekleeden. Dat wordt mij te veel. Ik ben niet sterk,” en half verscholen achter zijn groote witte hand, die hij over zijn gezicht liet glijden, sloeg hij nauwkeurig de anderen gade—overtuigd, dat zij allen als gewoonlijk zouden verzekeren, dat hij onmisbaar was.
Maar Professor Lövdahl voorkwam de anderen door eenigszins droog te zeggen:
„Als het om het welzijn van onze fabriek gaat, neem ik aan, dat wij allen ons met genoegen tot het uiterste zullen inspannen.”
De bankdirecteur Christensen aarzelde. Hij was tot nu toe algemeen erkend als de eerste in denkleinen kring van mannen, die directeuren, bestuurders, vertegenwoordigers van alle mogelijke zaken in de stad waren. ’t Was zijn lust en zijn leven vergaderingen te houden, besluiten te redigeeren en zijn eigen zware stem te hooren voortrollen door de vergaderlokalen met welgevormde, edele en verheven zinnen. Maar bovendien bezat hij een onuitsprekelijke fijne snuif in handelszaken. Zijn groote zachte neus kon als ’t ware een slechte zaak op grooten afstand ruiken; en nadat hij nog eens ter sluiks een blik op Mordtmann geworpen had, nam hij zijn besluit en zei:
„Ik heb geen overdreven voorstellingen van mijn eigen beteekenis als president; maar daar de post mij nu te moeilijk worden zal, wil ik de heeren verzoeken, een ander te kiezen op de eerstkomende Algemeene Vergadering.”
Een ontevreden, afwijzend gemompel werd om de tafel gehoord, maar Christensen ging voort: „Ja, ja,—laat het zoo blijven, Heeren. Mijn gezondheid is, zooals u weet, niet zoo heel sterk; en de steeds toenemende ontwikkeling van de stad legt immers op velerlei wijzen beslag op... de meer op den voorgrond staande burgers. Bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat ik geen deskundige ben...”
„Kom... Mijnheer Christensen”—riepen velen glimlachend.
„Neen, neen. Ik meen het in ernst; er is—ronduit gezegd—eigenlijk maar één onder ons, die al die scheikunde begrijpt, en dat is Professor Lövdahl. Als hij genegen is de plaats als president over te nemen, dan twijfel ik er niet aan of de Algemeene Vergadering zal dit met acclamatie aannemen.”
„De Heeren weten zeker allen wel, dat ik meer voor het wetenschappelijke dan voor het mercantilevoel,” begon de professor, „en in ’t begin trad ik eigenlijk alleen tot de directie toe om een onderneming, waarvan men geluk en zegen voor onze stad verwachten kon, aan den gang te brengen.
Maar later is ’t me zoo gegaan, dat ik deze fabriek steeds liever gekregen heb; en als die nu te lijden zal hebben van slechte tijden, wil ik er mijn ouden rug gaarne onder zetten: maar Heeren—die rug is oud. Ik kan niet als Mijnheer Mordtmann in drie stappen van de fabriek naar de stad komen...”
„Natuurlijk! men zou den president een assistent moeten geven—”
„Pardon,—’t is niet mijn bedoeling om indiscreet te wezen,” zei Michal Mordtmann; „maar zooals we weten, heeft de professor een zoon, die onlangs met glans zijn examen in de rechten heeft gedaan. Zou zulk een post niet heel geschikt en aangenaam zijn voor een jongen candidaat—om meê te beginnen? De juridische kennis—ik kan u verzekeren, dat die in velerlei gevallen van groot belang voor onze zaak wezen zou.”
Professor Lövdahl kwam in de war. Voor de tweede keer doorzag die Mordtmann zijn geheimste gedachten; juist zóó had hij den uitslag van de zaak gewenscht; maar hij was voorbereid op veel kleine intrigues, om het doel te bereiken. En nu werd hem dit alles aangebracht in een oogenblik en juist door den man, dien hij ten val had willen brengen.
Want nu werd snel en bijna zonder debat aangenomen aan de Algemeene Vergadering deze veranderingen voor te stellen. De post als directeur in zijn vroegeren vorm wordt opgeheven. De directie zelf met Professor Lövdahl als president neemt het bestuur van de fabriek over. Aan den president wordt toegestaan een assistent te kiezen voor wienhet traktement door de Algemeene Vergadering zal worden vastgesteld.
Toen zij op straat gekomen waren, nam consul With den arm van den professor en feliciteerde hem lachend met dien gelukkigen uitslag.
„Maar kun je begrijpen wat Mordtmann bezielde? Wij hadden ons voorgesteld, dat hij zich met handen en voeten aan zijn baantje zou vastklampen. Hij moet gemerkt hebben, dat de stemming al te veel tegen hem was.”
„Misschien heeft hij dat wel,” antwoordde de professor verstrooid; maar toen hij afscheid van den consul genomen had, bleef hij op ’t kleine plein voor zijn huis staan en zag uit over de haven, waar de rookende schoorsteenen van Fortuna zich tegen den hemel afteekenden. De menschen, die voorbijgingen, groetten de statige figuur eerbiedig, zooals hij daar stond, geleund op zijn kostbaren donker bruinen stok—met uitgesneden ivoren knop, een geschenk van zijn collega’s aan de universiteit. Hij groette terug zonder ze te zien, want hij dacht aan het pas gebeurde met Mordtmann. Carsten Lövdahl had dien man altijd gehaat, en daardoor was hij er toe gekomen Fortuna en haar directeur nauwlettend te controleeren; voortdurend ging hij Mordtmann na,—nooit op een wijze, die persoonlijke bitterheid verraadde; maar alleen als een conscientieus directeur.
Eindelijk had hij het zoo ver gebracht, dat een partij in de directie tegen den directeur gestemd was; de een vond hem te kostbaar, een ander hield niet van hem en de goedige consul With ging met zijn vriend, den professor, meê.
En nu opeens—vrijwillig—glimlachend gaf Mordtmann alles op en ging heen.
Niet zóó had de professor zijn doel willen bereiken: de ander had verdrongen, verworpen, vernederd moeten worden!
Maar nu was hij dan toch weg, en dat was de hoofdzaak. ’t Meerdere werk en de grooter verantwoording verontrustten Carsten Lövdahl niet bizonder. Hij had werkelijk in deze jaren lust gekregen om dat groote veelzijdige werk te besturen. Het ging zoo goed en gaf aan zoo velen werk. En hij brandde van verlangen te toonen hoe heel anders en veel beter ’t zou gaan zonder dien kwast—Mordtmann.
En ’t meest verheugde hij zich als hij er aan dacht, dat Abraham zijn assistent zou worden. Het jonge paar zou boven wonen; er zou leven en vroolijkheid in huis komen, en de vele bittere herinneringen zouden in de hoeken worden gedrongen en verdwijnen.
Maar de bankdirecteur Christensen was in zijn eigen kantoor blijven zitten, waar de vergadering gehouden was—nog steeds onzeker en wantrouwend.
Wat zou zijn vrouw zeggen als ze te weten kwam, dat hij zijn presidentsplaats had opgegeven en dat nog wel voor Professor Lövdahl, die eigenlijk niet in den kring thuis hoorde! Want zij wilde, dat hij de eerste, absoluut de eerste wezen zou in de stad, en dat was hij tot nu toe geweest. ’t Zou de noodige scènes geven. En toch... toch had hij er geen berouw van. Hij vertrouwde op zijn neus, die hem nog nooit bedrogen had. Er moest iets aan de lucht zijn. Mordtmann was niet de man, die zoo’n positie zonder reden opgaf; hij was een slimme snaak, en zijn vader Isaak Mordtmann en Co. in Bergen was nog slimmer; zij hoorden niet tot de ratten, die ’t schip verlieten vóór er gevaar was.
Dus vatte hij moed en besloot te dragen wat gedragen moest worden, want zelfs niet al kon het hem redden, wilde hij tegenover zijn vrouw den minsten twijfel uiten over Fortuna; daarvoor had hij te veel aandeelen en zij te veel vriendinnen.
Michal Mordtmann schreef denzelfden dag aan zijn vader:
„’t Ging gladder dan een van ons zich had voorgesteld. Ik nam een toevallige ontstemming in de directievergadering te baat,—u kunt wel begrijpen van wien die kwam—en eer iemand het wist, was ik van alles af. En daar ben ik heel blij om, hoewel ik—in elk geval voorloopig—zonder betrekking ben; maar ik denk wel, dat u wat voor mij vinden zult. Wat de fabriek zelf betreft,—ik ben het volkomen eens met wat u in uw brief van den 18den schreef.”
Zoo kwam het, dat Professor Lövdahl in nader contact kwam met de handelswereld in de stad, die hij tot nu toe had trachten te vermijden.
Maar Fortuna nam meer en meer zijn belangstelling in, naarmate het werk en ’t groote bedrijf hem helderder werd. Hij las buitenlandsche werken en tijdschriften, veranderde en verbeterde, en maakte groote plannen voor nieuwe bedrijfsvormen en kostbare machines.
Zijn praktijk als dokter was niet groot en die beperkte zich langzamerhand tot eenige goede oude huizen, waar hij bleef komen als huisvriend.
Daarentegen werden zijn wachtkamer en studeerkamer meer en meer in kantoren veranderd; er kwam een penningmeester en een jong mensch om boodschappen in de stad en naar de fabriek te doen; en agenten en makelaars begonnen er te komen als op een gewoon koopmanskantoor.Op een dag gelukte het een indringerigen korenagent, half onder scherts, een lading rogge aan Carsten Lövdahl te verkoopen; ’t schip lag in Dantzig te laden.
De professor was in spanning—in een spanning, die voor hem geheel nieuw was; hij ergerde er zich eigenlijk over; maar de rogge steeg.
En toen hij ten slotte 3000 kronen zuivere winst voor zich op zijn lessenaar liggen zag, toen voelde Carsten Lövdahl een geheel nieuw en eigenaardig welbehagen.
Als volwassen man was hij altijd rijk geweest door ’t groote vermogen van zijn vrouw; maar van zijn jeugd af zat hem de openlijke verachting voor „kooplui” en ’t heimelijke respect van ambtenaarsfamilies voor geld in het bloed. ’t Vermogen van zijn vrouw had hij verstandig en voorzichtig beheerd, blij met het welvaren, dat het geld bracht; maar zonder het directe gevoel van de macht van ’t geld en ’t vele, dat daarmeê te bereiken is.
Maar dit geld, dat daar voor hem op tafel lag, had iets heel bizonders. Hij zelf had het in een oogenblik voortgebracht; hij had macht zich nog meer te verschaffen. Voor ’t eerst had hij dat bedwelmend gevoel, dat in zijn handen een kracht berustte, die als een natuurmacht menschen opheffen en neerbuigen kon. En terwijl hij over de banknoten streek, tintelden zijn vingers en hij vond zelfs, dat het gekreukelde papier een aangenamen geur had.
Toen Abraham thuis kwam, vond hij dus zijn vader als verjongd en ijverig bezig in een groot bewegen van verschillende ondernemingen, ofschoon Fortuna nog als de voornaamste genoemd werd.
Hij kreeg zijn vaste plaats aan een nieuwen lessenaar en ging aan ’t werk—gelukkig en vol moed.
III.„Kom binnen, kom er maar in, Meneer! dan kunt u eens zien hoe de mindere man het heeft; dat is wel eens goed voor u. En dan is ’t ook in de mode, wat zegt u nou? De werkgevers kennen immers tegenwoordig het leven en de omstandigheden van hun arbeiders door en door. En kijk eens naar de letterkunde. Wat zegt u! de kleine burgerman, de arbeiders, de armen... O m’n waarde Meneer! we vloeien over van meêvoelen en medelijden! Ja ’t is een heerlijke wereld, waar we in leven. Wat zegt u nou?”En bij die woorden wees hij rond in de kleine donkere kamer, waar bijna niets stond.Alleen dicht bij ’t venster lag een hoop riet en witte afgeschilde teenen en daar midden in zat een jong meisje manden te vlechten.„Wie hebt u daar bij u, Vader?” vroeg ze scherp.„De advokaat, de jonge Lövdahl, de nieuwe directeur zegt men;—ja Meneer, ze is blind” voegde hij er droogweg bij:—„dat komt niet zelden voor bij de armen, de kleine burgerlui en de arbeiders.”De dochter glimlachte bitter en keerde de doffe waterachtige blauwe oogen tegen ’t licht, terwijl haar witte vingers een wilgeteen bogen.Abraham Lövdahl voelde zich onaangenaam aangedaan; en toen de oude man naar de kleine keuken ging om zijn koffie te halen, zei hij verlegen:„Is u altijd... is u al van uw geboorte af zoo ongelukkig geweest?”Het jonge meisje keerde zich om, zoodra ze zijn stem hoorde, sloeg de oogen neer en luisterde oplettend naar die weinige woorden. Maar toen ze zoo zat en hij niet meer gedwongen werd in die pijnlijke, leege oogen te zien, trof het hem hoe wonderlijk mooi ze was.’t Bittere en ontevredene in haar mond, dat ook in de licht opgetrokken neusvleugels trilde, was nu weg en haar zuiver gevormd voorhoofd met donkerblond golvend haar stond zoo onschuldig en droevig boven de doffe oogen, boven ’t magere, zwaarmoedige gezicht.„Zeg dat nog eens,” vroeg ze.„Hoor je ’t niet, Greta! die deftige Meneer doet je de eer aan je te vragen of je blind geboren ben. Ja, Meneer, dat is ze;—slecht bloed—slecht armelui’s bloed.”De oude man ging zitten met zijn kop koffie in de eene en een stuk grof roggebrood, met een beetje boter vol zoutklompen besmeerd, in de andere hand.Abraham Lövdahl had anders in den korten tijd, dat hij aan de fabriek was, de arbeiders toeschietelijk gevonden en prettig om meê om te gaan, maar deze oude machinist trok hem heelemaal niet aan, en hij had er spijt van, dat hij zich in zijn hol had laten lokken.„Ja, zwarte koffie, zwart brood en boter, die als glas tusschen je tanden knarst;—dat zal nu nog wel niet iets zijn, om u aan te bieden.”„Nu nog niet...?”Abraham zag hem aan.„Ja, ja, men kan nooit weten, wat men nog eens zal moeten eten,—voor men doodgaat. Wat zegt u nou?”Hij schaterde van ’t lachen over zijn eigen geestigheid en ’t jonge meisje lachte meê; maar zij hield gauw op en boog zich over haar werk, terwijl Abraham, die deze menschen heelemaal niet begreep, afscheid nam en naar de deur ging.„Als u eens weer komt, moet u eens naar Greta’s manden komen zien.”„Hij komt nooit weer, Vader!” zei de dochter halfluid; maar Abraham hoorde het. En er was iets in haar toon, dat hem trof.„Ik wil gaarne eens binnenkomen, als ik hier voorbijkom en uw manden zien; ik zal zeker wel manden noodig hebben voor mijn nieuwe huis.”—Hij richtte deze woorden vriendelijk tot haar en ging heen zonder verder op den ouden man te letten.„Vader, zeg u eens!—wat is dat toch voor een soort mensch, die oude machinist Steffensen.”„Och, een praatjesmaker, die van alles in de wereld heeft geprobeerd en nooit ergens voor deugde.”„Maar hij zorgt toch voor de machines.”„Nu ja!—Mordtmann protegeerde hem. Ze zijn allebei een beetje kwasterig; maar Steffensen is een oproermaker, die niet in een behoorlijke fabriek als de onze past.”„U denkt er toch niet aan hem weg te zenden?”„Ja, zoodra er een gelegenheid is.”„Maar hij is arm.”„Er zijn er, die meenen dat hij rijk is.”„Maar zijn dochter is blind.”„Heeft hij een dochter?”„Ik dacht, dat u haar oogen wel gezien had. Dat is een interessant geval.”„Zoo,” antwoordde de professor droog en ging voort met zijn werk.Maar Abraham besloot nauwkeuriger op Greta’s oogen te letten. Alle boeken van den professor waren naar boven gebracht. En Abraham bracht daar menig uur door, liefst ’s Zondags, als de anderen naar de kerk waren.’t Was een drukke dag; en de jongelui boven zouden dien avond voor ’t eerst gasten ontvangen. De professor had het zoo gewild en zijn bedienden beneden zorgden voor ’t souper en al ’t andere. Toch was de jonge Mevrouw zoo moe, dat ze niet dacht ooit met haar toilet klaar te zullen komen. Abraham liep zenuwachtig de kamers in en uit: nu was ’t haast tijd; hij wachtte en luisterde aan de deur. ’t Dienstmeisje kwam de kamer uit,—neen—Mevrouw was nog niet klaar.„Goede hemel, Clara! Kun je je niet een beetje haasten, al was ’t alleen maar ter wille van Vader.”„Ach!—spreek niet over je vader! Een man als hij zou me nooit zoo overspannen hebben als hij ’t geweten had. Maar hij kan ’t immers niet weten en als jij dan niet meer zorg voor me hebt.”„Nu, laat ons dan liever de menschen afzeggen.”„Hè, Abraham, wat ben je onverdragelijk—als je zooiets zegt wat je toch niet meent”„Ja, maar als je nu werkelijk zoo onwel ben...”„Als—geloof je me soms niet?”„Ja natuurlijk Clara! maar ’t is ook een drommelsch werk om in die omstandigheden gasten te ontvangen.”„Foei toch! Vloek toch niet zoo vreeselijk.”Toch kwam ze mooi en stralend van vriendelijkheid haar schoonvader tegemoet en luisterde blozend naar zijn ouderwetsche complimentjes. En Abraham moest wel de kracht bewonderen waarmeê de zwakke Clara haar vermoeidheid overwon, als ’t moest. Neen, eigenlijk—om de waarheid te zeggen, hij ergerde er zich over, dat hij moest doen alsof hij aan die vermoeidheid geloofde—die vreeselijke vermoeidheid, die plotseling als weggeblazen kon worden. Maar ’t waren grillen, die Clara van haar moeder had. Die zou hij er wel uit krijgen. Maar behalve dat was ze bekoorlijk—dat zei iedereen.De avond liep goed van stapel; de oude heeren speelden kaart; in het salon werd muziek gemaakt, en ’t gezelschap was feestelijk gestemd, omdat men voor ’t eerst bijeen was in ’t nieuwe huis, waar veel te zien en te bewonderen was.Maar juist toen alles het vroolijkste toeging ontdekte Abraham plotseling een paar stramme plooien om den mond van zijn vrouw, een sprekende copie waren ze van anderen, die hij kende—die van Mevrouw Meinhardt.Ze werd opeens stil, zag hem voorbij; en als hij ’t woord regelrecht tot haar richtte, hoorde zij ’t niet. Zelfs ’t algemeene gesprek stokte—er kwam als een domper over de vroolijkheid; ’t was als ging er koude uit van de jonge gastvrouw. ’t Was wezenlijk zoo vreemd. Men zag elkaar aan, een paar jonge vrouwen begrepen het,—ja zelfs Peter Kruse, die ongetrouwd was, mompelde in zichzelf: „Daar heb je waarachtig wat moois op sleeptouw gekregen—mijn beste Abraham à Santa Clara.”Abraham streed den heelen avond als een wanhopende, met die rimpels; hij werd opgewonden vroolijk, om de stemming te bewaren; maar niemandkon goed meêdoen onder den ijskouden glimlach van de gastvrouw.Hij trachtte haar te bereiken om haar iets in te fluisteren—ze keerde zich om en sprak met wie ’t dichtst bij haar stond; hij smeekte haar met de oogen, dat ze toch ontdooien zou, en met die afschuwelijke comedie uitscheiden; had hij wat verkeerds gedaan—en daar had hij een duister gevoel van—dan konden ze daar immers later over praten—maar niet hier—niet zich bloot geven voor al die vreemden!Maar hij had even goed gezichten kunnen trekken tegen de kachel; ze bleef voortdurend stijf, koud en beleefd—of onbeleefd—zooals ’t uitkwam. Toen Abraham dus eindelijk, afgemat van dien moeilijken avond—zijn laatsten gast had uitgelaten, liep hij snel door de kamers naar ’t boudoir van zijn vrouw, waar ze op hem stond te wachten, maar deed alsof ze onverschillig een paar bloemen schikte.„Ziezoo! wat is er nu? zeg me wat er is, Clara,” riep hij en ging vlak voor haar staan.„Wat er is?—Wat bedoel je?”„Och, dat weet je heel goed, zooals jij den heelen avond gedaan hebt! Opeens, voor iemand ’t weet, zit je als een mummie, lacht niet, geeft geen antwoord.”„Als ik tegen ’t eind van den avond niet heb kunnen verbergen dat ik ontstemd was—hoewel God weet, dat ik er al mijn krachten voor heb ingespannen—dan weet jij tenminste de reden en hoeft er niet naar te vragen.”„Ik weet de reden niet. Ik begrijp wel, dat je boos op mij ben; maar de drommel hale me, als ik weet wat ik gedaan heb!”„En daar durf je op te vloeken!—je weet misschien niet hoe je daar achter de piano zat, met je neus in de haren van die malle Lina With.”„We zaten toch niet achter de piano!”„Nou... er was ten minste niet veel van jelui te zien; maar aan je lachen kon je wel hooren wat voor dingen jelui behandelde. En toen ik er aan kwam, omdat ik me voor jou schaamde en vriendelijk en voorkomend iets over haar japon zei...”„Ja, je zei, dat je niet van die groene kleur hieldt.”„Toen antwoordde ze, bizonder impertinent: die is blauw, Mevrouw! en jij—wat deedt jij?”...„Ik zei zeker ook dat die blauw was, want dat was-ie.”„Die was groen, flesschegroen, zoo groen als spinazie, maar dat doet er trouwens geen zier toe; je kunt niet begrijpen hoe volkomen onverschillig ’t me is of dat mensch haar botten met groen of blauw overtrekt; maar ’t karakteristieke voor jou, ’t leelijke van je is, dat zelfs in de kleinste, de meest onverschillige kwesties dadelijk naar de tegenpartij overloopt,—nooit kun je mij helpen...”„Neen maar lieve Clara! als nu de japon me blauw toeschijnt.”„Waarom denk je, dat ze je blauw voorkomt? Alleen omdat die misselijke Lina With ’t zei; dadelijk natuurlijk! was je ’t met haar eens! maar ik—je eigen vrouw!”„Geloof je heusch, dat Lina With gevaarlijk is?”„Och, ’t is met allemaal ’t zelfde! je trekt iedereen boven mij voor; ik ben alleen tusschen al die vreemde menschen; en jij, die me steunen moest je laat me gemeen in den steek, om... om... om...” Ze schreide zoo hevig, dat haar stem weg ging en vloog de kamer uit.Abraham liep haar achterna; maar aan de deur van de slaapkamer keerde hij om en stak een sigaar aan; hij liep op en neer in de kamers, die nog warm waren na ’t feest; en hij dacht na over zijn huwelijk en zijn vrouw—over zijn leven, zooals ’t met hem was voortgegleden in zonneschijn en geluk, zonder schokken. Nu en dan bleef hij voor een spiegel staan en bekeek zichzelf half verwonderd.Was hij dat werkelijk, die dit beleefd had? Was hij het, die niet meer bereikt had. Dit leven, dat zoo los om hem heen hing, zoo zonder beteekenis,—was dat zijn leven?... Wel was hem zijn eerste frissche jeugd al spoedig ontnomen, maar later was hij toch zoover gekomen in moderne lectuur, dat hij al gauw vermoedde, dat ’t niet heelemaal zoo in de wereld toeging, als ’t aan de studenten aan de universiteit te Christiania gedoceerd werd.’t Was niet zoo, dat alles bijna overal in orde was, behalve in Amerika, dat alle raadsels der wetenschap waren opgelost of in ieder geval vandaag of morgen zouden worden opgelost aan de universiteit te Christiania. In plaats van dat de waarheid vast stond, het bestaan over ’t algemeen harmonisch en rechtvaardig was, de jeugd voor inspanning bijna geheel bewaard, omdat de ouden alles zoo buitengewoon goed hadden ingericht—in plaats van dit alles, waar zijn thuis, de school en de universiteit zijn hoofd meê hadden opgevuld, zag hij al spoedig, dat hij integendeel geboren was in een tijd vol van de meest verschillende bewegingen, en in een maatschappij, die juist behoefte had aan moedige jonge menschen.En Abraham Lövdahl had een machtigen drang gevoeld om aan te pakken—waar ’t maar mogelijkwas—overal! ’t Was alles immers averechts verkeerd. Maar altijd was dit de noodlottige vraag: Waar moest hij ingrijpen? ’t Moest zóó gebeuren dat er werkelijk iets door bereikt werd—een of andere taak voor hem; anders hielp het immers niet;—anders kon hij immers zijn naaste omgeving niet doen begrijpen wat hij bedoelde met dat „aanpakken.”Hij had het met Clara geprobeerd, toen zij geëngageerd waren. Hij had haar al zijn wilde ideeën toevertrouwd; en tot zekere hoogte amuseerde ’t haar te luisteren naar al die schreeuwende tegenstellingen met al wat ze geleerd had en geloofde. Alleen als ’t al te gek werd lachte ze en beweerde, dat hij dat niet meenen kon.Tot wat Clara ’t meest aantrok hoorde de emancipatie van de vrouw. Ze luisterde oplettend als hij in woorden, die gloeiden van toorn, den man aanviel, die duizende jaren lang in ruwheid de vrouwen had onderdrukt en verongelijkt. En als hij de toekomst schilderde, waar man en vrouw gelijken zouden zijn, die in onderling overleg handelden, dan drukte Clara zich tegen hem aan: „Zul je altijd zóó tegen mij wezen, Abraham?”Al die beloften, die oprechte verzekeringen!—had hij ze gebroken?Neen,—hij vond het niet; hij was zich bewust, dat hij er eerlijk naar had gestreefd hun samenleven vredig te maken en mooi; maar Clara was verwend—dat viel niet te ontkennen. Zulke afschuwelijke scènes als die van dezen avond moest hij niet verdragen.Hij wilde ze ook niet langer verdragen; nu wachtte ze hem—dat wist hij—tot een verzoening bereid, als hij zich eerst voldoende verootmoedigd had;maar Abraham zwoer, dat hij zich niet verootmoedigen zou en bleef in de kamers heen en weer loopen; en terwijl zijn sigaar langzamerhand uitging kwamen de machinist Steffensen en het blinde meisje hem weer in de gedachten. ’t Was een wonderlijk paar; hij zou den advokaat Kruse, die alle menschen kende, eens vragen, waar zij eigenlijk vandaan kwamen.Voorloopig besloot hij ook zich te verzetten tegen zijn vaders plan om Steffensen te ontslaan. Het streed tegen Abrahams opvatting een bekwaam man uit ’t werk te laten wegzenden, omdat hij een praatjesmaker was—waarschijnlijk een knappe bol. Hij moest juist blijven.Hoe zou ’t anders met dat arme blinde kind gaan?En haar beeld stond opeens zoo helder voor hem—aandoenlijk, als was ’t een herinnering uit zijn jeugd: dat witte voorhoofd, dat zoo onschuldig boven die doffe oogen lag, boven dat magere, zwaarmoedige gezicht.Lang en ver weg voerden Abraham zijn fantastische droomen over die oogen, waar misschien weer leven in zou kunnen komen; droomen van een blik vol dankbaarheid en genegenheid, waaraan hij zulk een behoefte had. En ’t was laat in den nacht toen hij naar bed ging. Clara sliep al.
„Kom binnen, kom er maar in, Meneer! dan kunt u eens zien hoe de mindere man het heeft; dat is wel eens goed voor u. En dan is ’t ook in de mode, wat zegt u nou? De werkgevers kennen immers tegenwoordig het leven en de omstandigheden van hun arbeiders door en door. En kijk eens naar de letterkunde. Wat zegt u! de kleine burgerman, de arbeiders, de armen... O m’n waarde Meneer! we vloeien over van meêvoelen en medelijden! Ja ’t is een heerlijke wereld, waar we in leven. Wat zegt u nou?”
En bij die woorden wees hij rond in de kleine donkere kamer, waar bijna niets stond.
Alleen dicht bij ’t venster lag een hoop riet en witte afgeschilde teenen en daar midden in zat een jong meisje manden te vlechten.
„Wie hebt u daar bij u, Vader?” vroeg ze scherp.
„De advokaat, de jonge Lövdahl, de nieuwe directeur zegt men;—ja Meneer, ze is blind” voegde hij er droogweg bij:—„dat komt niet zelden voor bij de armen, de kleine burgerlui en de arbeiders.”
De dochter glimlachte bitter en keerde de doffe waterachtige blauwe oogen tegen ’t licht, terwijl haar witte vingers een wilgeteen bogen.
Abraham Lövdahl voelde zich onaangenaam aangedaan; en toen de oude man naar de kleine keuken ging om zijn koffie te halen, zei hij verlegen:
„Is u altijd... is u al van uw geboorte af zoo ongelukkig geweest?”
Het jonge meisje keerde zich om, zoodra ze zijn stem hoorde, sloeg de oogen neer en luisterde oplettend naar die weinige woorden. Maar toen ze zoo zat en hij niet meer gedwongen werd in die pijnlijke, leege oogen te zien, trof het hem hoe wonderlijk mooi ze was.
’t Bittere en ontevredene in haar mond, dat ook in de licht opgetrokken neusvleugels trilde, was nu weg en haar zuiver gevormd voorhoofd met donkerblond golvend haar stond zoo onschuldig en droevig boven de doffe oogen, boven ’t magere, zwaarmoedige gezicht.
„Zeg dat nog eens,” vroeg ze.
„Hoor je ’t niet, Greta! die deftige Meneer doet je de eer aan je te vragen of je blind geboren ben. Ja, Meneer, dat is ze;—slecht bloed—slecht armelui’s bloed.”
De oude man ging zitten met zijn kop koffie in de eene en een stuk grof roggebrood, met een beetje boter vol zoutklompen besmeerd, in de andere hand.
Abraham Lövdahl had anders in den korten tijd, dat hij aan de fabriek was, de arbeiders toeschietelijk gevonden en prettig om meê om te gaan, maar deze oude machinist trok hem heelemaal niet aan, en hij had er spijt van, dat hij zich in zijn hol had laten lokken.
„Ja, zwarte koffie, zwart brood en boter, die als glas tusschen je tanden knarst;—dat zal nu nog wel niet iets zijn, om u aan te bieden.”
„Nu nog niet...?”Abraham zag hem aan.
„Ja, ja, men kan nooit weten, wat men nog eens zal moeten eten,—voor men doodgaat. Wat zegt u nou?”
Hij schaterde van ’t lachen over zijn eigen geestigheid en ’t jonge meisje lachte meê; maar zij hield gauw op en boog zich over haar werk, terwijl Abraham, die deze menschen heelemaal niet begreep, afscheid nam en naar de deur ging.
„Als u eens weer komt, moet u eens naar Greta’s manden komen zien.”
„Hij komt nooit weer, Vader!” zei de dochter halfluid; maar Abraham hoorde het. En er was iets in haar toon, dat hem trof.
„Ik wil gaarne eens binnenkomen, als ik hier voorbijkom en uw manden zien; ik zal zeker wel manden noodig hebben voor mijn nieuwe huis.”—Hij richtte deze woorden vriendelijk tot haar en ging heen zonder verder op den ouden man te letten.
„Vader, zeg u eens!—wat is dat toch voor een soort mensch, die oude machinist Steffensen.”
„Och, een praatjesmaker, die van alles in de wereld heeft geprobeerd en nooit ergens voor deugde.”
„Maar hij zorgt toch voor de machines.”
„Nu ja!—Mordtmann protegeerde hem. Ze zijn allebei een beetje kwasterig; maar Steffensen is een oproermaker, die niet in een behoorlijke fabriek als de onze past.”
„U denkt er toch niet aan hem weg te zenden?”
„Ja, zoodra er een gelegenheid is.”
„Maar hij is arm.”
„Er zijn er, die meenen dat hij rijk is.”
„Maar zijn dochter is blind.”
„Heeft hij een dochter?”
„Ik dacht, dat u haar oogen wel gezien had. Dat is een interessant geval.”
„Zoo,” antwoordde de professor droog en ging voort met zijn werk.
Maar Abraham besloot nauwkeuriger op Greta’s oogen te letten. Alle boeken van den professor waren naar boven gebracht. En Abraham bracht daar menig uur door, liefst ’s Zondags, als de anderen naar de kerk waren.
’t Was een drukke dag; en de jongelui boven zouden dien avond voor ’t eerst gasten ontvangen. De professor had het zoo gewild en zijn bedienden beneden zorgden voor ’t souper en al ’t andere. Toch was de jonge Mevrouw zoo moe, dat ze niet dacht ooit met haar toilet klaar te zullen komen. Abraham liep zenuwachtig de kamers in en uit: nu was ’t haast tijd; hij wachtte en luisterde aan de deur. ’t Dienstmeisje kwam de kamer uit,—neen—Mevrouw was nog niet klaar.
„Goede hemel, Clara! Kun je je niet een beetje haasten, al was ’t alleen maar ter wille van Vader.”
„Ach!—spreek niet over je vader! Een man als hij zou me nooit zoo overspannen hebben als hij ’t geweten had. Maar hij kan ’t immers niet weten en als jij dan niet meer zorg voor me hebt.”
„Nu, laat ons dan liever de menschen afzeggen.”
„Hè, Abraham, wat ben je onverdragelijk—als je zooiets zegt wat je toch niet meent”
„Ja, maar als je nu werkelijk zoo onwel ben...”
„Als—geloof je me soms niet?”
„Ja natuurlijk Clara! maar ’t is ook een drommelsch werk om in die omstandigheden gasten te ontvangen.”
„Foei toch! Vloek toch niet zoo vreeselijk.”
Toch kwam ze mooi en stralend van vriendelijkheid haar schoonvader tegemoet en luisterde blozend naar zijn ouderwetsche complimentjes. En Abraham moest wel de kracht bewonderen waarmeê de zwakke Clara haar vermoeidheid overwon, als ’t moest. Neen, eigenlijk—om de waarheid te zeggen, hij ergerde er zich over, dat hij moest doen alsof hij aan die vermoeidheid geloofde—die vreeselijke vermoeidheid, die plotseling als weggeblazen kon worden. Maar ’t waren grillen, die Clara van haar moeder had. Die zou hij er wel uit krijgen. Maar behalve dat was ze bekoorlijk—dat zei iedereen.
De avond liep goed van stapel; de oude heeren speelden kaart; in het salon werd muziek gemaakt, en ’t gezelschap was feestelijk gestemd, omdat men voor ’t eerst bijeen was in ’t nieuwe huis, waar veel te zien en te bewonderen was.
Maar juist toen alles het vroolijkste toeging ontdekte Abraham plotseling een paar stramme plooien om den mond van zijn vrouw, een sprekende copie waren ze van anderen, die hij kende—die van Mevrouw Meinhardt.
Ze werd opeens stil, zag hem voorbij; en als hij ’t woord regelrecht tot haar richtte, hoorde zij ’t niet. Zelfs ’t algemeene gesprek stokte—er kwam als een domper over de vroolijkheid; ’t was als ging er koude uit van de jonge gastvrouw. ’t Was wezenlijk zoo vreemd. Men zag elkaar aan, een paar jonge vrouwen begrepen het,—ja zelfs Peter Kruse, die ongetrouwd was, mompelde in zichzelf: „Daar heb je waarachtig wat moois op sleeptouw gekregen—mijn beste Abraham à Santa Clara.”
Abraham streed den heelen avond als een wanhopende, met die rimpels; hij werd opgewonden vroolijk, om de stemming te bewaren; maar niemandkon goed meêdoen onder den ijskouden glimlach van de gastvrouw.
Hij trachtte haar te bereiken om haar iets in te fluisteren—ze keerde zich om en sprak met wie ’t dichtst bij haar stond; hij smeekte haar met de oogen, dat ze toch ontdooien zou, en met die afschuwelijke comedie uitscheiden; had hij wat verkeerds gedaan—en daar had hij een duister gevoel van—dan konden ze daar immers later over praten—maar niet hier—niet zich bloot geven voor al die vreemden!
Maar hij had even goed gezichten kunnen trekken tegen de kachel; ze bleef voortdurend stijf, koud en beleefd—of onbeleefd—zooals ’t uitkwam. Toen Abraham dus eindelijk, afgemat van dien moeilijken avond—zijn laatsten gast had uitgelaten, liep hij snel door de kamers naar ’t boudoir van zijn vrouw, waar ze op hem stond te wachten, maar deed alsof ze onverschillig een paar bloemen schikte.
„Ziezoo! wat is er nu? zeg me wat er is, Clara,” riep hij en ging vlak voor haar staan.
„Wat er is?—Wat bedoel je?”
„Och, dat weet je heel goed, zooals jij den heelen avond gedaan hebt! Opeens, voor iemand ’t weet, zit je als een mummie, lacht niet, geeft geen antwoord.”
„Als ik tegen ’t eind van den avond niet heb kunnen verbergen dat ik ontstemd was—hoewel God weet, dat ik er al mijn krachten voor heb ingespannen—dan weet jij tenminste de reden en hoeft er niet naar te vragen.”
„Ik weet de reden niet. Ik begrijp wel, dat je boos op mij ben; maar de drommel hale me, als ik weet wat ik gedaan heb!”
„En daar durf je op te vloeken!—je weet misschien niet hoe je daar achter de piano zat, met je neus in de haren van die malle Lina With.”
„We zaten toch niet achter de piano!”
„Nou... er was ten minste niet veel van jelui te zien; maar aan je lachen kon je wel hooren wat voor dingen jelui behandelde. En toen ik er aan kwam, omdat ik me voor jou schaamde en vriendelijk en voorkomend iets over haar japon zei...”
„Ja, je zei, dat je niet van die groene kleur hieldt.”
„Toen antwoordde ze, bizonder impertinent: die is blauw, Mevrouw! en jij—wat deedt jij?”...
„Ik zei zeker ook dat die blauw was, want dat was-ie.”
„Die was groen, flesschegroen, zoo groen als spinazie, maar dat doet er trouwens geen zier toe; je kunt niet begrijpen hoe volkomen onverschillig ’t me is of dat mensch haar botten met groen of blauw overtrekt; maar ’t karakteristieke voor jou, ’t leelijke van je is, dat zelfs in de kleinste, de meest onverschillige kwesties dadelijk naar de tegenpartij overloopt,—nooit kun je mij helpen...”
„Neen maar lieve Clara! als nu de japon me blauw toeschijnt.”
„Waarom denk je, dat ze je blauw voorkomt? Alleen omdat die misselijke Lina With ’t zei; dadelijk natuurlijk! was je ’t met haar eens! maar ik—je eigen vrouw!”
„Geloof je heusch, dat Lina With gevaarlijk is?”
„Och, ’t is met allemaal ’t zelfde! je trekt iedereen boven mij voor; ik ben alleen tusschen al die vreemde menschen; en jij, die me steunen moest je laat me gemeen in den steek, om... om... om...” Ze schreide zoo hevig, dat haar stem weg ging en vloog de kamer uit.
Abraham liep haar achterna; maar aan de deur van de slaapkamer keerde hij om en stak een sigaar aan; hij liep op en neer in de kamers, die nog warm waren na ’t feest; en hij dacht na over zijn huwelijk en zijn vrouw—over zijn leven, zooals ’t met hem was voortgegleden in zonneschijn en geluk, zonder schokken. Nu en dan bleef hij voor een spiegel staan en bekeek zichzelf half verwonderd.
Was hij dat werkelijk, die dit beleefd had? Was hij het, die niet meer bereikt had. Dit leven, dat zoo los om hem heen hing, zoo zonder beteekenis,—was dat zijn leven?... Wel was hem zijn eerste frissche jeugd al spoedig ontnomen, maar later was hij toch zoover gekomen in moderne lectuur, dat hij al gauw vermoedde, dat ’t niet heelemaal zoo in de wereld toeging, als ’t aan de studenten aan de universiteit te Christiania gedoceerd werd.
’t Was niet zoo, dat alles bijna overal in orde was, behalve in Amerika, dat alle raadsels der wetenschap waren opgelost of in ieder geval vandaag of morgen zouden worden opgelost aan de universiteit te Christiania. In plaats van dat de waarheid vast stond, het bestaan over ’t algemeen harmonisch en rechtvaardig was, de jeugd voor inspanning bijna geheel bewaard, omdat de ouden alles zoo buitengewoon goed hadden ingericht—in plaats van dit alles, waar zijn thuis, de school en de universiteit zijn hoofd meê hadden opgevuld, zag hij al spoedig, dat hij integendeel geboren was in een tijd vol van de meest verschillende bewegingen, en in een maatschappij, die juist behoefte had aan moedige jonge menschen.
En Abraham Lövdahl had een machtigen drang gevoeld om aan te pakken—waar ’t maar mogelijkwas—overal! ’t Was alles immers averechts verkeerd. Maar altijd was dit de noodlottige vraag: Waar moest hij ingrijpen? ’t Moest zóó gebeuren dat er werkelijk iets door bereikt werd—een of andere taak voor hem; anders hielp het immers niet;—anders kon hij immers zijn naaste omgeving niet doen begrijpen wat hij bedoelde met dat „aanpakken.”
Hij had het met Clara geprobeerd, toen zij geëngageerd waren. Hij had haar al zijn wilde ideeën toevertrouwd; en tot zekere hoogte amuseerde ’t haar te luisteren naar al die schreeuwende tegenstellingen met al wat ze geleerd had en geloofde. Alleen als ’t al te gek werd lachte ze en beweerde, dat hij dat niet meenen kon.
Tot wat Clara ’t meest aantrok hoorde de emancipatie van de vrouw. Ze luisterde oplettend als hij in woorden, die gloeiden van toorn, den man aanviel, die duizende jaren lang in ruwheid de vrouwen had onderdrukt en verongelijkt. En als hij de toekomst schilderde, waar man en vrouw gelijken zouden zijn, die in onderling overleg handelden, dan drukte Clara zich tegen hem aan: „Zul je altijd zóó tegen mij wezen, Abraham?”
Al die beloften, die oprechte verzekeringen!—had hij ze gebroken?
Neen,—hij vond het niet; hij was zich bewust, dat hij er eerlijk naar had gestreefd hun samenleven vredig te maken en mooi; maar Clara was verwend—dat viel niet te ontkennen. Zulke afschuwelijke scènes als die van dezen avond moest hij niet verdragen.
Hij wilde ze ook niet langer verdragen; nu wachtte ze hem—dat wist hij—tot een verzoening bereid, als hij zich eerst voldoende verootmoedigd had;maar Abraham zwoer, dat hij zich niet verootmoedigen zou en bleef in de kamers heen en weer loopen; en terwijl zijn sigaar langzamerhand uitging kwamen de machinist Steffensen en het blinde meisje hem weer in de gedachten. ’t Was een wonderlijk paar; hij zou den advokaat Kruse, die alle menschen kende, eens vragen, waar zij eigenlijk vandaan kwamen.
Voorloopig besloot hij ook zich te verzetten tegen zijn vaders plan om Steffensen te ontslaan. Het streed tegen Abrahams opvatting een bekwaam man uit ’t werk te laten wegzenden, omdat hij een praatjesmaker was—waarschijnlijk een knappe bol. Hij moest juist blijven.
Hoe zou ’t anders met dat arme blinde kind gaan?
En haar beeld stond opeens zoo helder voor hem—aandoenlijk, als was ’t een herinnering uit zijn jeugd: dat witte voorhoofd, dat zoo onschuldig boven die doffe oogen lag, boven dat magere, zwaarmoedige gezicht.
Lang en ver weg voerden Abraham zijn fantastische droomen over die oogen, waar misschien weer leven in zou kunnen komen; droomen van een blik vol dankbaarheid en genegenheid, waaraan hij zulk een behoefte had. En ’t was laat in den nacht toen hij naar bed ging. Clara sliep al.