IV.„De Heer zegene uw ingaan en uw uitgaan van nu af, alle dagen uws levens.”Met deze woorden leidde de kapelaan zijn verloofde over den drempel van zijn vaders huis. De dikke Jörgen Kruse kwam zóó in de war door dien plechtigen intocht, dat hij de handen vouwde en „Amen” zei.Maar zijn vrouw, die even mager was, als hij dik, wierp haar breiwerk weg en liep snel haar nieuwe schoondochter tegemoet.„Welkom! Welkom in ons huis—lieve kind. En God geve, dat je je bij ons tevreden en gelukkig voelt; jij ben ook welkom, lieve Maarten!—ik kan je niet eens behoorlijk een kus geven om je grooten baard. Jelui verrast ons. De boot zou hier niet vóór zes uur wezen, zei Peter. Zag jelui hem niet? Dan komt hij wel dadelijk hier. Maar Frederika—hoe kun je Maarten nu met zoo’n akeligen baard laten loopen. Dat zou ik hem wel verbieden als ik jou was.”„Zooiets moet Moeder niet tegen Frederika zeggen. De gedachte komt niet in haar op—dat weet ik wel zeker—dat zij zou opstaan tegen haar aanstaanden echtgenoot. Heb ik geen gelijk, Frederika?”„Ja Maarten.”„Och”—zei Juffrouw Kruse, „zóó plechtig meende ik ’t ook niet; een vrouw kan waarempel heel wat klaar spelen, zonder juist tegen haar man op te staan.”„De Schrift leert ons—zooals Moeder weet.”„Ja jongen, dat weet ik,” viel zijn moeder hem droog in de rede; „maar nu moeten we niet met de theologie beginnen; maar met een kop koffie. Alles op zijn tijd. Ga zitten, Frederika, en nog eens: hartelijk welkom in ons huis, lieve kinderen!”Jörgen Kruse dacht, zooals altijd, wanneer zijn vrouw sprak: „Wat drommel, waar haalt ze al die woorden vandaan?” Eindelijk kwam hij ook naar voren en mompelde wat, maar trok zich dadelijk terug in zijn hoek. Intusschen was ’t niet zoozeer zijn nieuwe schoondochter, maar eigenlijk zijn zoon, die hem zoo verlegen maakte. Toen Maarten de theologie als zijn studie koos, verheugden zijn beide ouders zich daarover. Dat paste ook goed: de oudste, Peter, was jurist, en de oude Jörgen dacht zoo: als ’t nu eenmaal een uitgemaakte zaak was, dat hij geen van zijn zonen daar kon krijgen, waar hij ze ’t liefst hebben wou—n.l. in den winkel, dan zou het toch eigenlijk wel aardig wezen zijn eigen jongen met de toga aan op den preekstoel te zien.Maar was dat nu werkelijk zijn kleine, dikke Maarten, die hier zoo uit de hoogte aankwam en hem zoo ernstig—bijna beschermend de hand drukte? Groot was hij nu, met een dikken baard en hij keek de menschen zoo streng aan door zijn lichtblauwen bril.’t Werd zijn vader heel wonderlijk te moede; en terwijl de flinke, kleine Juffrouw Kruse al gauw Frederika aan ’t praten kreeg onder de koffie enonvervaard Maarten als vroeger behandelde, liep de oude Jörgen verlegen rond en zocht tevergeefs naar den toon, die hij moest aanslaan tegenover dien plechtig gestemden zoon.„Rook je ook, Maarten?” vroeg hij eindelijk, half bang.„Bijna nooit,” antwoordde Maarten met diepen ernst en een zucht, die moest aanduiden, dat dit een van zijn vele vrijwillige ontberingen was.Allen vonden trouwens, dat Maarten heel waardig geworden was, nadat hij aan de studie van de theologie begonnen was. Het stugge, wat Maarten, de achterblijver, in de school eigen was, ging in den loop der jaren over in een zuren ernst, die hem als van zelf tot de theologie bracht.Hij behoorde tot de gelukkigen; hij was reeds kapelaan aan de nieuwe kerk in de stad; kort na zijn benoeming volgde zijn verloving en hij was van plan dadelijk te trouwen; want zijn verloofde was rijk en had geen ouders.Mooi was Frederika Andersen eigenlijk niet; maar Juffrouw Kruse meende, dat ze echt goed en lief wezen moest... zóó teer als ze soms naar Maarten op kon zien.Kort daarna kwam de oudste zoon—de advokaat binnen; hij was buiten adem, kwam regelrecht van de stoomboot en maakte veel excuses, omdat hij niet bij de aankomst van ’t verloofde paar had kunnen zijn.„Maar dat komt door die lieve vereeniging, die al mijn tijd in beslag neemt,” zei hij. „Ik moet hulp hebben. Jij, broer Maarten! moet meêdoen; onze menschen wonen meest in de buurt van de fabriek.”„Je meent Fortuna; maar wat is dat voor een vereeniging waar je over praat?”„O—een arbeidersvereeniging. Eerst was ’t enkel een verbruiksvereeniging; nu is er een spaarkas aan verbonden, en een ziekenkas en van allerlei.”„Een vereeniging van arbeiders dus?—en daar ben jij lid van, Peter?”„Lid?”—riep Juffrouw Kruse, „’t is immers Peters vereeniging; hij heeft ze gesticht en alles op streek geholpen.”„Zoo,” antwoordde Maarten droog.Juffrouw Kruse kreeg een kleur en wilde iets zeggen; maar zij bedacht zich en vroeg haar schoondochter met haar meê naar boven te gaan naar haar kamertje.De vader was ook weer weggeslopen naar den winkel, zoodat de beide broeders alleen waren.„Ik feliciteer je—Maarten! met je benoeming èn met je verloving; ze ziet er zoo aardig en lief uit.”„Frederika is een ernstig en streng opgevoed meisje.”„Ja?—maar ze kan daarom wel aardig wezen.”„Zulke lichtzinnige woorden passen in ’t geheel niet voor mijn verloofde. En ik wil je van te voren verzoeken om...”„Onzin, Maarten. Stel je niet zoo aan. Die toon kan misschien goed voor anderen zijn; maar je moet je niet verbeelden, dat ik, die je zoo goed ken, daarvan onder den indruk kom. Onder vier oogen kun je gerust je heele dominé’swaardigheid op zij leggen; gerust jongen, je maakt er je in mijn oogen alleen maar belachelijk door.”„Het doet me oprecht leed, Peter, dat je nog voortdurend schijnt...”Maar Peter was al de deur uit en Maarten bleef hem een oogenblik staan nakijken. Toen ging hijaan de tafel zitten, schreef cijfers in zijn zakboekje en ging aan ’t optellen.De advokaat Peter Kruse had den naam tamelijk dom te zijn; en hij had het dan ook niet ver in de wereld gebracht. Hij verdiende zooveel als hij noodig had en woonde trouwens thuis, omdat de oudelui Kruse dat graag hadden.De toekomst scheen niet schitterend; want ’t sprak van zelf, dat geen enkele publieke inrichting haar rechtszaken aan dat radicale advokaatje kon toevertrouwen. De ambtman kon hem geen zaken geven en omdat hij nu niet dronk en ook niet onvertrouwbaar was, werd men ’t er over eens, dat hij te dom was.Daarentegen had hij er een zekeren slag van op een slinksche manier het vertrouwen van eenvoudige menschen te winnen.Hij stookte namentlijk het volk op, heette het. Hoewel hij een aan de academie opgeleid man was, verkeerde hij onder de arbeiders en bracht ze er toe zich aaneen te sluiten ter wille van gemeenschappelijke belangen: goedkooper voedsel en betere woningen.Hij was daarom van harte gehaat door alle fatsoenlijke menschen en werd in hun courant uitgescholden. Peter Kruse was zooveel ouder dan zijn broeder Maarten, dat hij al een volwassen man was toen Maarten nog op school ging. En daarom viel het hem nog moeilijker dien neerbuigenden dominé’stoon te verdragen; ook kon hij over ’t geheel de predikanten niet uitstaan; of—zooals ’t in de courant heette—ongeloof en goddeloosheid waren ook bij hem onafscheidelijk verbonden met politiek radicalisme.Thuis had hij steun aan zijn moeder; want JörgenKruse ging geheel in zijn zaak op. Maar zijn moeder, die van zijn kindsheid af hem alleen gehad had om voor te zorgen,—zij volgde hem zoo goed zij kon en kreeg daardoor belangstelling voor en kennis van allerlei; want in ’t begin had ze van geen van beiden veel.Ze was begonnen als winkeljuffrouw bij Jörgen Kruse, in den tijd, toen hij nog een bescheiden komenijs-mannetje was, die kaarsen, en witte suiker en stroop verkocht aan den kleinen man. En eerst een heele poos, nadat ze hem een zoon geschonken had, werd ze tot de waardigheid van „Juffrouw” verheven en kwam in de kamer, als ze in den winkel gemist kon worden.Maar later werd die kleine onregelmatigheid door bijna allen vergeten; zij sloofde en werkte met haar man; en toen ze eindelijk den weg tegen den steilen heuvel opgekomen waren, die van niets naar iets leidt;—toen zei Jörgen Kruse: „Ja, nu dank ik je wel voor je hulp—Amalia Catherina,—kom nu in de kamer zitten en rust uit.”Toen kwamen de goede dagen, en toen kwam Maarten ter wereld;—daarom was hij zoo dik geworden! De goede dagen gebruikte Juffrouw Kruse om een en ander te leeren, en hoewel ’t altijd met de geleerdheid maar zóó zóó ging, toch kreeg ze er zóóveelrespectvoor, dat ze doorzette, dat haar beide zonen zouden studeeren.Bij den eersten liet Jörgen dat zonder veel tegenwerking toe: Peter was mager en bleek en had lust in leeren. Maar toen Maarten op zijn twaalfde jaar naar ’t gymnasium moest, probeerde hij een klein gevecht te leveren.Maarten was dik en stug en speelde nooit iets anders dan „winkeltje;” hij verloor nooit een cent.En eer ’t werd uitgemaakt, dat hij studeeren moest;—want dat werd uitgemaakt: Jörgen kon ’t niet houden als Amalia Catherina met al die vele woorden aankwam—voor dien tijd stond Maarten met zijn vader in den winkel en dreef in allen ernst handel.En hoe vaak had Jörgen niet met bewondering de taaie zekerheid gezien, waarmeê de kleine jongen de tabaksrol nam, die uitmeette volgens de streepjes op de toonbank en tabak afsneed voor twee cent, zoo precies op ’t streepje, dat—als ’t er niet binnen was, dan in elk geval er toch niet buiten.„Och ja!” zuchtte de oude Jörgen Kruse in zijn kantoortje, „nu is hij dan dominé geworden, en dat is nu wel heel mooi; maar waarachtig, de jongen hoort hier.”In de kamer zat Maarten en schreef op wat de reis van hem en zijn verloofde gekost had; en toen ze beneden kwam, zei hij:„Frederika!—ik heb nu onze rekening opgemaakt en ik krijg nog twee en dertig en een halve cent van je.”De nieuwe kapelaan had overigens nog niet veel succes in de stad; er was niets nieuws aan hem; alle menschen kenden den dikken zoon van Jörgen Kruse; en toen zij hem nu opeens op den preekstoel zagen met toga en bef en hem van uit de hoogte de gemeente bestraffend hoorde toespreken, vonden velen—vooral de ouderen—dat wat wonderlijk.Maar toen hij zijn examens gedaan had en uitdrukkelijk naar deze gemeente gezonden was door hen, die volgens Gods eigen wil Zijn rijk hier op aarde in Stockholm besturen, toen moest men hem immers ootmoedig erkennen als degene, die een waardigheid bekleedde, die recht tot bestraffengaf,—hoe wonderlijk ’t ook wezen mocht voor vleesch en bloed, dat die dikke jongen opeens voor hen stond om hun zielen te verzorgen.En al kwamen de menschen nu niet in zoo grooten getale toestroomen wanneer hij preekte, als gewoonlijk gebeurt bij een nieuwen predikant, hij won aan den anderen kant de onverdeelde achting en genegenheid van zijn superieuren en collega’s. Want hij was nooit lastig; hij wilde nooit iets nieuws of moeilijks, maar had een gepasten eerbied voor het oude, die hem goed stond.Vooral het armbestuur was verrukt. Nieuwe kapelanen waren gewoonlijk een ware beproeving voor hen: dàn moest er een onderzoek naar een arm gezin gedaan worden, dan moest je hier en dan daar helpen; dames kwamen met soep aanzetten en de armen kwamen allemaal in beweging, zoodat je ze geen baas blijven kon.Maar niets van dat alles gebeurde bij dezen nieuwen kapelaan. Hij verwees den eersten arme, die ’t bij hem probeerde, naar ’t armbestuur, zooals ’t hoort, en er kwam geen enkel potje soep door zijn toedoen.Toen Maarten getrouwd was, huurde hij een woning dicht bij ’t huis van zijn vader, zoodat ze meestal even de straat overstaken om bij de oudelui te eten. ’t Vermogen van zijn vrouw was in aandeel en in schepen en dergelijke fondsen geplaatst in haar geboortestad Kragerö; maar Maarten wilde geen handel drijven en vroeg het geld op.Juffrouw Kruse had er zich zoo op verheugd het jonge paar zoo dicht bij zich te hebben—misschien wel al te veel, dacht ze later; een mensch moet zich niet te veel ergens op verheugen; want dan volgt zoo licht een teleurstelling.Was ze teleurgesteld?—Volstrekt niet. Juffrouw Kruse zou zich geschaamd hebben, als iemand zooiets had durven zeggen;—neen, dat niet;—maar ’t was alleen zoo vreemd.Maarten was immers dominé—streng en ernstig; en Frederika—ja ze was zoo lief en aardig als ’t maar kon voor wie van haar hielden; maar ze was werkelijk te oud voor Juffrouw Kruse. Jonge menschen moeten toch waarachtig jong zijn, vond Juffrouw Kruse.En dan kwam er nog iets bij: ze moest erkennen, dat de jongelui er veel meer slag van hadden zuinig huis te houden, dan zij en haar man ooit gehad hadden—zelfs niet toen ze ’t zoo krap hadden die eerste jaren.Ze hadden ook eenvoudig geleefd—ach! heel eenvoudig; maar zooals Maarten en Frederika—op een cent af te weten wat er kon worden uitgespaard op zeep en lucifers—dat had zij—en zelfs Jörgen nooit geweten.Maar alles hadden de jongelui uitgerekend en berekend en alles konden ze goedkooper krijgen, van eieren af—die kochten ze trouwens niet vaak—tot schuurzand toe—en altijd keek Juffrouw Kruse even verlegen, als Maarten zei:„Dat is maar heerlijk, dat Moeder ’t zoo ruim heeft en zoo duur koopen kan, niet waar Frederika?”„Ja—je hebt gelijk—Maarten!—’t is alleen maar ongelukkig voor kleine burgers als wij, dat de prijzen stijgen als sommigen te veel betalen.”En dan met de dienstboden... Juffrouw Kruse had er nooit op gelet, voor Frederika er haar opmerkzaam op maakte, hoe ongelooflijk veel de meiden „aan kunnen” als ze zelf over de boter mogen gaan. De dienstmeisjes van Frederika—ze hield er maar één, maar telkens kreeg ze een andere—die aten waarempel bijna niets.Het begon de goede Juffrouw Kruse te drukken, dat ze een oude vrouw zou zijn geworden, zonder geleerd te hebben op de kleintjes te passen en een goede huisvrouw te zijn. Want ze was ’t aan den anderen kant volkomen met de jongelui eens, dat niets leelijker is dan Gods gaven te verspillen en te vermorsen.Aan tafel op een Zondag vroeg Peter Maarten of hij de fabriek had gezien. „Er is veel veranderd sinds je de laatste keer naar Christiania ging;—daar kun je van op aan.”„Ik ben er een paar keer voorbij gegaan,” antwoordde Maarten; „wordt er geld verdiend?”„Als water! Vraag Vader maar; hij heeft ieder jaar spijt als haren op zijn hoofd, omdat hij er maar één aandeel in heeft.”„Och, één is genoeg,” bromde Jörgen; „een mensch moet niet al te begeerig zijn.”„Als ’t is zooals Peter zegt, dat er geld verdiend wordt, weet ik niet, waarom u zich achteraf zoudt houden; ’t is immers een volkomen eerlijke zaak en behalve dat ook nuttig voor de stad.”„Wil je aandeelen koopen, Maarten?”„Ik drijf geen handel,” antwoordde Maarten stug, na een poosje vroeg hij zijn vader: „Hoe hoog staan zij?”„Ze zijn niet op de beurs genoteerd,” antwoordde Peter, „want hier worden zoo goed als geen aandeelen in Fortuna verkocht. Men wacht ieder jaar een enorme winst; tot nu toe maakten ze maar 6%.”„Zes en een half,” verbeterde de vader.„Ja, maar dan is er bijna niets voor het reservefonds afgenomen.”„Kom—een man als Prof. Lövdahl is zoo goed als een reservefonds.”„Vindt Peter soms niet, dat 6% een mooie rente is? Weet je veel zaken, die meer geven?” Maartens toon tegenover zijn broeder was meestal een beetje oorlogszuchtig.„Die rente is groot genoeg; maar er staat niemand borg voor...”„Borg!” viel de oude man hem in de rede, „dat zijn immers de Professor en de directeur Christensen.”„Ja, Christensen, vader. Maar hij zit nu overal in, dus kan hij wel niet zoo’n sterke borg zijn voor elke zaak afzonderlijk; maar wie kan er trouwens voor instaan, dat de produkten niet dalen in prijs, zoodat de fabriek met verlies werkt, en ’t kapitaal opvorderen moet en zich dan toch niet redden kan. Wie staat daar borg voor?”„Dat is immers onzin, Peter!—we weten allemaal wel, dat ieder menschelijke onderneming aan de wisselingen van ’t geluk onderworpen is, of ik bedoel aan ’t bestuur van de Voorzienigheid; maar als de directie zorgvuldig en voorzichtig is, dan is een onderneming als Fortuna menschelijkerwijs gesproken—vrij zeker. Iedereen heeft immers vertrouwen in Professor Lövdahl?”„Ja, dat is een groot man,” riep Jörgen Kruse, en legde zijn mes en vork neer. „Hij kan alles aan den gang krijgen, wat ’t ook is. En dan is hij ontzettend rijk.”„Ik zou wel eens willen weten, waarom die man geld leent,” zei Peter.„Leent hij geld?” vroegen de beide anderen.„Ja, ik heb verscheidene cliënten gehad, die mij verteld hebben, dat zij Carsten Lövdahl geld geleend hebben, enkel op zijn quitantie.”„Wat zijn dat voor menschen?”„Eenvoudige luidjes, die een beetje overgespaard hebben.”„Ja, dan begrijp ik het wel,” meende Jörgen.„Dat zijn dan van die stakkers, die geen kapitaal genoeg hebben om van te leven; en dan is Lövdahl goedhartig genoeg om hun geld te nemen en „in zijn zaak te zetten”—zooals dat heet; en dan betaalt hij ze meestal een rente van 6 à 7 procent.”„Wat zegt u?” Maarten sprong op. „Zei u 6 à 7 procent?”„Ja, wat weet ik er van?” antwoordde de oude.„Maar dat lijkt op Professor Lövdahl om op die manier wel te doen. Want wel verdient hij zelf onnoemelijk veel; maar hij is een van die menschen, die graag hebben, dat ook anderen geld verdienen; hij is niet als sommige andere Pausen hier in de stad, die een armen stakker geen cent verdienste gunnen, omdat ze alles zelf willen hebben.”Daardoor kwamen ze aan ’t praten over Christensen en anderen uit dien kring; en Peter bracht den ouden man aan ’t lachen door ’t laatste nieuws uit de stad te vertellen.Maarten at in gedachten voort en mompelde nu en dan: „Zeven procent!”V.Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen, tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor een bezoek meer noodig was.Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht; hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan.En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat er een fout in zijn leven was, iets hols in ’t geluk, dat hem altijd gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als ’t ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen—dàn ’t liefst sloop hij ’t huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag, waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haarwerk, en dan was er niets van ’t honende en bittere, dat daarop te voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond, zoolang hij daar was.’t Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid te winnen. Van ’t oogenblik dat zij zijn stem voor ’t eerst hoorde, had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of een lichte handbeweging.Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven, die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een kwetsenden blik.Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken, waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid.„Hoe kun je ’t toch verdragen, dat je zoo rijk ben!” zei ze eens tegen hem.„Wat meen je met „verdragen?””„Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom.”„Ja, je weet, dat ik dom ben.”„Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs.”„Wat meende je dan?”„Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen, niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?”„Vader is rijk; ik ben niet rijk.”„Och—zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?”„Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt.”„Waarom wil je mij zooveel geven?”„Omdat... omdat...”„Omdat je me liefhebt,” zei ze en lachte.Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan kon komen.„Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden als ik werken moet?” Ze lachte weer zoo vergenoegd. „Maar je kunt er van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer.”„Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!”„Dat heb ik gehoord.”„Van wie?”„Van jou.”„Dat is heelemaal niet waar,—Grete!—Ik heb nooit een woord gezegd...”„Neen, geen woord!—’t Zijn niet de woorden, die ik hoor, ’t is de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je „Dag Grete,” gezegd hebt! Ja, ik kan ’t aan je voetstappen buiten hooren of je alleen komt om me op te houden, of dat...”—„of dat...?”Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer hij het kon verhinderen—als hij het al gewild had—gleed zij op zijn schoot en fluisterde hem in ’t oor:„Of dat je komt—moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham.”Zonnestralen vielen in de kamer; ’t was herfst—vroeg in den herfst, met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan alle kanten en dat het haar zoo goed deed.Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het nooit te voren zóó gevoeld; maar ’t was als zag hij op dit oogenblik voor ’t eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was; alles werd hem zoo helder—zoo helder en leeg; ’t kwam hem voor of hij zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En wat zou ’t leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde?Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd.„Vandaag ben je gedrukt, Abraham!—en weet je waarom?”„Weet jij het, Grete?”„Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt.”„Ja, weet je; dat was misschien beter,” barstte hij bitter uit.„Maar dat gaat niet,” ging zij ernstig voort, en ging—voor zich uit voelend, weer naar haar plaats.„Waarom niet?”„Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede—ik kan niet trouwen.”„Wie zegt dat?”„Vader heeft het gezegd.”„Och—als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt.”„Neen, ’t is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als ’t kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit, dan kan ik het niet zien;—ach—ik zie het vóór me!” ze hield de hand voor de blinde oogen—, „neen, neen, het gaat niet.”’t Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en alle gedachten aan zooiets buitensloot.Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets.Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk, dat Steffensen ’t niet prettig vond hem te ontmoeten.Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe: „Vader is boos.”Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich gewoonlijk waschte, als hij van ’t werk kwam; en terwijl hij in ’t waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop:„Een trekpot!—wat zeg je—een zilveren trekpot met suikerpot en melkkan!—van alle... ho!ho!”—hij dook weer met het gezicht onder water—„van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon plechtig—wat zeg je?”„Begrijp je ’t?” fluisterde Greta.„’k Begrijp er geen woord van,”—antwoordde Abraham, en stond op om heen te gaan.—„voor de vriendelijkheid: de trekpot;—voor de goede zorg: de suikerpot;—en voor de humane behandeling: de melkkan!—wat zal de brave man verrast wezen! haha!—neem me niet kwalijk—jongeheer!—de oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen.”„Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?” riep Abraham.„Och—stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo’n stukje comedie wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in mijn jeugd—dat was nog wel in Mandal; God betere ’t! maar ik speelde beter dan u, Meneer de directeur!”„Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,—geen woord van al wat u zegt.”Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker.„En u wilt me wijs maken...”„Hij weet niets, Vader.”„Bah, wat weet jij daarvan?—ik heb een paar goede oogen in mijn hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?”„Ik heb er geen woord van gehoord,” antwoordde Abraham.„U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet,” voegde Greta er ernstig bij.„Wel drommels!” mompelde Steffensen ongeloovig; „misschien weet u ook niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane...”„Schei uit,” riep Abraham knorrig, „ik heb geen lust naar je onzin te hooren; dag Greta!”„Och, Meneer de directeur,” zei Steffensen en wreef zich vergenoegd in de handen. „Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,—de kindermeid—zooals ze hem noemen—rond op de heele fabriek en zei ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen—wat zegt u? op den 4den October,—den beroemden verjaardag van den professor. ’t Was natuurlijk volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja, dat lesje kent u wel?—’t Komt regelrecht van den droogzolder van den bankdirecteur Christensen.„Wilt u meêdoen?” vroeg Abraham.„Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: „nee niks, padetout!”—en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten tijd op de fabriek geweest is.”„Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft; ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te verhinderen, als hij er van wist.”„Ach, wist je maar... wist je maar...” neuriedede oude en liep weer de keuken in om zich verder klaar te maken.„Waarom kunt u niet meê doen, Vader?” vroeg Grete wat angstig; „’t is toch zeker niet veel voor elk apart.”„Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?—ja, dat zal ik je zeggen.” En hij ging midden in de deur staan en richtte ’t hoofd op, alsof hij van ’t spreekgestoelte sprak: „omdat dit heelemaal humbug is—een spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de menschen, die daar op de fabriek werken,—dat die ooit een cent bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?—en toch komen ze allen met hun vrijwillige bijdragen aan.—Ja, vrijwillig, omdat ze liever een paar dagen droog brood eten, dan ’t er op te wagen om den heelen winter zonder brood te zitten;—daarom komen ze, omdat ze zóó arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,—zóó arm is de oude Steffensen niet—dat is ’t heele verschil.”En alsof hij ’t niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had, ging hij haastig voort:„Want je moet weten, kind! dat het hier in ’t land als een genade beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar even in ’t leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je ’t nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste kleinigheid de straat op jaagt—ja, dan moet je komen aanzetten met je vrijwillige bijdragen. ’t Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de humane behandeling een melkkan.”Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw Gottwald, die binnenkwam en groette. ’t Was nog zoo licht in het westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat verlegen; ’t was lang geleden, dat hij haar gezien had.Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht, gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te ontmoeten, als hij bij Greta was.Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden wat verlegen. Eindelijk zeide zij: „U komt nooit meer bij mij, Mijnheer Lövdahl.”„Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger.”„Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je hem nog?”„Ja, zoo duidelijk,” antwoordde Abraham; „vooral in die kleine grijze winterjas, met die ceinture in den rug.”„Ach, lieve hemel, ja!—die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste.”Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen waren zij aan het kerkhofgekomen, waar Mevrouw Gottwald heen wilde,—naar het graf van kleinen Marius.’t Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te zeggen, maar ’t weer opgaf.Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand hielden, keerde zij ’t mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: „Je moet niet boos op me worden,—Abraham!—Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta Steffensen...”Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken.„Neen, neen!... zóó meen ik het niet—lieve Abraham. Ik weet wel, dat je zoo niet ben. Maar toch—ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest, dat ’t me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!”Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan haar herinnerde.Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond.’t Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek met Mevrouw Clara.„Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest—zegt Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn.”’t Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk, wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren.„Ja—ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest ben, Abraham?” begon Clara nu.Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen.„Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham er ook een heeft.”„’t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna wordt voorbereid?” vroeg Abraham.„Heb je dat dan niet eerder gehoord?” vroeg Clara.„Niemand heeft er me een woord van gezegd.”„Ja, mij ook niet; ’t moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn,” zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen glijden.„En die collecte, Vader...”„St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?” riep de professor en hield de handen voor de ooren.„Ja, dat moet ik ook zeggen,” merkte Clara op.„U weet het dus—Vader!—Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo’n collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden.”„Als we er nu juist over moeten praten,” antwoordde de professor, „dan vind ik zoo’n idee,als het van de arbeiders zelf uitgaat, mooi en eervol voor beide partijen.”„Ja, als het van de arbeiders uitgaat.”„Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel,” sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op Abraham maakte.„Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was uitgegaan?” vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham liep de kamer op en neer met een sigaar.Na een pauze zei hij:„’t Kan zijn, dat ’t oorspronkelijk plan van de arbeiders is uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen—misschien de meesten—meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs, dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage aankomt, niet zeker is dat hij in ’t werk blijft.”„Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer met je vriend Steffensen gepraat.”Abraham moest toegeven, dat het zoo was.„Ja, wat hem betreft is ’t vrijwel hetzelfde of hij al dan niet „met zijn bijdrage aankomt,” zooals jij ’t noemt. Zijn ontslag is al besloten, en hij krijgt het binnen kort.”„Dat kan toch niet, Vader?—Moet Steffensen weggejaagd worden? een bekwaam arbeider, die nooit drinkt.”„Weggejaagd!—wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moetSteffensen weg. Dat is toch zoo eenvoudig en klaar als de dag.”In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als hij hem anders toescheen; maar ’t was nog nooit gebeurd, dat Abraham zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd hij driftig; ’t bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei:„Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;—òf ik ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!”„Neen maar... wat bezielt je, Abraham!” riep Clara.„Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest, dat zit hem in ’t bloed.—Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham, als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer, die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik iets van deze geheime voorbereidselen voor ’t feest gehoord hebben, zie je, dat is immers alleen uit kieschheid.”„Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?”„Steffensen—die Steffensen?—je kent hem niet, Abraham.”Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. ’t Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de familie nogkwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo’n lust om even binnen te komen.Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen.En dan ook—Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,—liefst wat royaal—en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes, die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden, hoe akelig en burgerlijk ’t was overdadig met eten en drinken om te gaan, zelfs al kon men ’t wel betalen.De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op ’t inwendig bedrijf van de fabriek.Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en ’t was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen na tafel en nam maar weinig deel aan ’t gesprek.Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij elkaar te komen, terwijl de predikant,—wat verlegen—vroeg wanneer hij den professor over zaken zou kunnen spreken.VI.Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De professor was kalm en welwillend, maar ’t viel niet te ontkennen, dat hij wat nieuwsgierig was.Omdat hij meende dat ’t op een liefdadigheidscollecte of ander vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken.Maar hij begreep gauw, dat daar ’t gesprek niet over loopen moest; en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend directeur van de fabriek.„Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een Voorzienigheid in ’t klein moet wezen voor zooveel menschen. We probeerenzooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren.”Maar dat was het ook niet.—Ook over de arbeiders wilde de kapelaan niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend:„De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld.”„De aandeelen!—wat blieft u?—nu ja. U vroeg naar de aandeelen,—ja, die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen—zoo heel veel zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen, en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven.”De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had, toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden.Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor altijd de man van wetenschap—klaar met spot van uit de hoogte met de „kooplui.” Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen en winst zouden zitten praten.Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde.„Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?” vroeg de predikant, toen zij een poosje gepraat hadden.„Ja,—om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er ’t laatst van kocht...”„Koopt u ze dan zelf?”„Neen, dat doe ik eigenlijk niet,” antwoorddede professor; „ik heb al zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen, dan onaangenaamheden hebben.”„En toen hebt u betaald...?”„Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen—voor zoover ik me herinneren kan.”„Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?” vroeg de kapelaan levendig.„Wilt u dan koopen?”„Ik zal u zeggen, Professor,” antwoordde Maarten en trachtte wat zalvend te spreken, „mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van wat men aardsche goederen noemt.”„Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft.”„Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun in ziekte of andere beproevingen—dat is alles. Maar hoe onbeduidend het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt.”„Natuurlijk,” merkte de professor op.„’t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant voor vermogend houdt,” voegde de kapelaan er ernstig bij.De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde, zei welwillend:„Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in ’t algemeen door mij uw geld te laten plaatsen...”„Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag,” riep Maarten levendig uit; „een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf regelen;maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het tijdelijke te verwaarloozen.”„Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en ’t zal mij een genoegen zijn, als ik...”„Dank u, ik dank u hartelijk!” riep de kapelaan en herwon nu al zijn waardigheid; „als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik hopen dat bij u te kunnen plaatsen?”„Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste wijze uit te zetten.”„Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?” zei Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan.„In mijn zaak?” herhaalde de professor langzaam.„Dat laat ik geheel aan u over,” zei Maarten haastig, terwijl hij opstond om heen te gaan. „U weet zelf, Professor, hoe kleiner ’t kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken.”Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig bezoek. ’t Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven, zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar ’t zou nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in ’t groot te doen; hij had geen geld noodig—allerminst duur geld; en als ’t op hoop van hooger rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon ’t wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen in Fortuna nemen—dat was iets anders. ’t Was altijd een steun als er koopers kwamen.Maar Maarten liep er over te denken—of hij toch niet dom gedaan had door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon.—’t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van ’t groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum wat steviger zou worden als ’t op den verjaardag van Professor Lövdahl werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op ’t zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen.Mevrouw Christensen schreide—ja zoowaar, dat deed ze,—ze schreide iederen dag een deuntje om dat zilveren servies.Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en melkkan van massief zilver!Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu niets voor haar man om daarmeê aan te komen. ’t Was daarom geen zier minder ergerlijk!Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor, alsof Professor Lövdahl ’t uit haar eigen kast gestolen had;—ja er was zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: „Daar stond het!”„Je ben een uil—Christensen,” herhaalde ze snikkend toen het feest naderde; „je kunt president zijn van vereenigingen voor arme kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me, goeie God!—je geeft me daar vrijwillig ’t eenige baantje op, waar een beetje zilver van kon komen,—ja, want dat kon je toch wel van te voren weten. En dan moet ons—ja ik zeg met opzet:onszilver naar dien... dien...” Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was voor ProfessorLövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde.’t Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur kon dat toch niet, omdat ze in ’t zelfde huis woonden; en dan werden ze weer goed op elkaar—tot ze weer boos werden.Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden.En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam.Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troepDuitschemuzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het weer zoo mooi als het maar kon. ’t Was heel stil in de lucht,—frisch, maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee.De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn stemdoen voort klinken over de menigte op de helling beneden.Marcussen was aan ’t versieren met vlaggen en groen; hij had een paar van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij hielp ze op en af van trappen en stoelen—gedienstig en galant. En de meisjes lachten en gilden zoo’n beetje, en lieten zich in zijn armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp.Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in ’t kerkeboek had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor geworden en wat het feest betreft—hij was eigenlijk daar de man.Intusschen was ’t ook druk in ’t huis van de Lövdahls: er zou een groot heerendiner gegeven worden ter eere van ’t feest en de tafel stond al gedekt in de zaal.Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte, heen en weer onder ’t kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou.Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warmen met een kleur en de japon nog maar half dicht.„Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het feest, zegt hij.”„O zoo, is ’t anders niet?—Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat is er? Abraham, waarom wil je niet meê?” vroeg de professor vriendelijk aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam.„Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar Clara stuift dadelijk op en dan...”„’t Verjaarfeest van je vader,” viel de professor hem glimlachend in de rede.„Neen Vader,—dat is ’t niet. Dàt vieren we hier—thuis; maar ’t feest op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning—als u ’t bij den naam noemen wilt.”De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: „Ik heb geen tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je zegt of liever van wat je meent; maar je hebt—zooals de jeugd over ’t algemeen tegenwoordig—een ongelukkige lust om met een te groote ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen waar ’t in ’t geheel niet past.”„Maar als ’t nu mijn overtuiging is.”„Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen, die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van middag om 4 uur bij mij te komen eten?”„’t Is niet goed van u, Vader, om ’t zoo op te nemen; u weet best...”„Ja zeker, ik weet ’t zoo best, dat je ’t op jouwmanier goed meent, en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten zijn; dat zit je in ’t bloed. Ik probeerde—zooals je je misschien herinnert—meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven ’t gemiddeld peil verheft—neen, neen! laat me uitspreken; we zullen niet disputeeren, maar dat is ’t toch, waar alles uit voortkomt.—Och, lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?”Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord.Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,—zijn mooie vrouw—vroolijk in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat, den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren dat zijn vader en zijn vrouw ’t ooit over iets oneens geweest waren.Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die van Abraham.Hij had, terwijl hij daar zoo aan ’t venster stond een gevoel, alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen ouden jong bestond. Er was immers, als hij ’t nauwkeurig naging geen enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte, die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens gedachtengang in den grond toch zoo edel was,—hoe hij zoo vreemd, ja bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde.En Clara,—zij ook!—wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze paradoxen haar bijval geschonken had.Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen, die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording, zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken.Abraham bleef lang aan ’t hoekvenster staan en keek neer op de straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buitende stad te doen en frissche lucht te scheppen.Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was ’t enkel een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed.En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch niet eigenlijk iets heel belachelijks in?Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten verzetten, òf—beter nog, midden op ’t feest moeten optreden en ’t luide uitspreken, dat hij zoo’n vertooning, waar het kapitaal indirect de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong—humbug vond, en erger!Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als die onschuldige burgers meegaan naar ’t feest; niets was toch zoo miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers.En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen als een domper: ’t gevoel hoe averechts en onzinnig ’t leven was ingericht; hoe mislukt hij zelf was,—bedorven, een sukkel, die ’t nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en groote schandelijke nederlagen.Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden haar en hadden een vriendelijkwoord voor haar en dan was er ook muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De muzikanten speelden: „die Wacht am Rhein” tusschen de verschillende toespraken in.Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was.De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames; champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over ’t laatste groen uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard, waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters stonden in groepjes daar omheen;—stil en ernstig.Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen in staan.De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest, en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht en Lövdahl had bedankt met een: „Leve de arbeiders!” Die toast was juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij.Warm door ’t bier drinken in de zon, en van’t hoera! roepen stonden de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet te goed achtte om een glas bier te nemen onder ’t volk.Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in ’t minst niet verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde.De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die aan iets kwaads dacht,—niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl een haar beter was dan deftige stadsmenschen over ’t geheel waren; maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze bijna kon doen, wat ze wilde.„Is je vader hier niet, Grete?”„Ja,—hij was juist hier; zie je hem niet?”„Neen—tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij ’t spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen.”„Ja, daar is hij zeker,” meende Greta met een slim lachje.Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend.„Wat bedoel je?—wat is je vader van plan te doen?”„Vader zal een toespraak houden,” fluisterde Greta triomfeerend.„Goeie hemel!—dat moet hij niet doen!” riep Abraham onwillekeurig; hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield—en die zou natuurlijk onaangenaam worden—dan maakte hij zichzelf heelemaal onmogelijk.Maar Steffensen stond al op ’t spreekgestoelte; met den hoed in de hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden.Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde; en ’t heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van ’t spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk:„Dames en Heeren!—ik ben een arbeider—een van de slecht gezinden—zegt men;—een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!—Ik wil u hier alleen maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan.”Intusschen schenen de „Hooggeëerde heeren en dames” ’t plotseling druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken.„Ik wil u dank zeggen,” riep Steffensen luid, „u dank zeggen, omdat u vandaag—dames en heeren!—de zon zoo heerlijk en gratis op ons, kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan onze spaarduiten voor een zilverenservies, omdat u onze vrouwen en dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u.”Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid lachend tot de arbeiders.„Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor jelui houden.”„Steffensen moet zijn bek houden,” klonk een zware stem uit de arbeiders.„Neen, neen! laat Steffensen spreken,” riepen zij van andere zijden; maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig, kalm man zei: „Steffensen moet niet spreken.”’t Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen verscheidenen: „Steffensen moet niet spreken,” terwijl de beste arbeiders zich om Abraham schaarden.Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: „Als hij ’t is—de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de moeite sparen; want hij is ’t met ons eens;—hij is een van de onzen, niet waar, Mijnheer de directeur?”Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij zeggen moest.„Maar waaromantwoordje niet?” vroeg Greta verwonderd; „je ben ’t immers met ons eens.”Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke manier van het spreekgestoelteaf te komen en er ontstond een oogenblik van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen.Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in ’t leven te kunnen ingrijpen en zijn man te staan.„Ja, zeker ben ik een van de uwen,” riep hij den arbeiders toe; „daarom blijf ik hier beneden bij u—en niet daar boven bij de aristocraten. Wij,—wij arbeiders—we zullen elkaar trouw blijven, hier is mijn hand!”Die werd door honderden gegrepen—gedrukt en omklemd. En niemand had den directeur ooit te voren zóó gezien,—rank en stralend, zooals hij zich langzaam een weg baande door de schare heen.Steffensen wilde weer van ’t oogenblik gebruik maken en stelde luide voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen, enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten; allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in zijn val.Naar zijn voorstel luisterde men niet en ’t verloor zich geheel in een donderend „hoera!” voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid.De arbeiders trokken zich toen ook terug inkleine groepjes na eerst Abrahams hand stevig gedrukt te hebben.Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige, strijdlustige stemming.Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin hij aan ’t hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader zich voor hem bogen en zeiden:„Je hadt toch gelijk!”Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal tevreden over Abraham.„Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo laf zijn als jelui,” zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die lid was geweest van ’t comité, dat het zilver had aangeboden.„We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen.”„Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten.”„Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten—bij de directie,” meende de timmerman.„Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip.”„Dat zal mettertijd wel blijken.”„Ja, dat zal ’t wel,” bromde Steffensen nijdig; hij begreep de toespeling.De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van de stad, en vooral na dendood van zijn vrouw had het groote diner langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele toasten en wonderlijke plechtigheden.Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren, dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd.Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd en zat innig vergenoegd te knipoogen.En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken.Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was.De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn zoon naar ’t venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het geraas van den feestdisch gestoord te worden.„Ik wist wel, dat je komen zoudt—mijn beste jongen,” zei de professor hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders.Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort:„Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld; maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer ze aan elkaar verbonden worden...”„Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en zilver,” antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen.„Hoe meen je dat?” vroeg zijn vader en trok zijn arm terug.„Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader.”„Ja, ik zag je daar.”„En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen om mij heen.”„Heb je een vereeniging gesticht?” vroeg zijn vader koel.„Neen—geen vereeniging—geen bepaalde vereeniging; maar we hebben ons bij elkaar aangesloten—weet u.—Zoo’n heel hartelijke aaneensluiting—zooiets trouwhartigs, ziet u...” Abraham sprak onzeker en kreeg een kleur. Was ’t toch niet eigenlijk iets heel belachelijks, wat hij gedaan had? Maar ’t gezicht van den professor helderde op tot het straalde:„Dat is goed—dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt.”„Dat bedoelde ik juist,” viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu al zijn moed terug.„...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog te helpen, zooals b.v....” de professor legde weer zijn arm om de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in ’t oor,—„zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur Christensen.”Abraham lachte—gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat.„Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?—op een olifant,” fluisterde Abraham.„Ja, je hebt gelijk,” lachte de professor; „maar het gaat niet aan, dat we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk, Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop voor de toekomst. Groet je volk van mij.”Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte.Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in ’t leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote, bewonderde vader!
IV.„De Heer zegene uw ingaan en uw uitgaan van nu af, alle dagen uws levens.”Met deze woorden leidde de kapelaan zijn verloofde over den drempel van zijn vaders huis. De dikke Jörgen Kruse kwam zóó in de war door dien plechtigen intocht, dat hij de handen vouwde en „Amen” zei.Maar zijn vrouw, die even mager was, als hij dik, wierp haar breiwerk weg en liep snel haar nieuwe schoondochter tegemoet.„Welkom! Welkom in ons huis—lieve kind. En God geve, dat je je bij ons tevreden en gelukkig voelt; jij ben ook welkom, lieve Maarten!—ik kan je niet eens behoorlijk een kus geven om je grooten baard. Jelui verrast ons. De boot zou hier niet vóór zes uur wezen, zei Peter. Zag jelui hem niet? Dan komt hij wel dadelijk hier. Maar Frederika—hoe kun je Maarten nu met zoo’n akeligen baard laten loopen. Dat zou ik hem wel verbieden als ik jou was.”„Zooiets moet Moeder niet tegen Frederika zeggen. De gedachte komt niet in haar op—dat weet ik wel zeker—dat zij zou opstaan tegen haar aanstaanden echtgenoot. Heb ik geen gelijk, Frederika?”„Ja Maarten.”„Och”—zei Juffrouw Kruse, „zóó plechtig meende ik ’t ook niet; een vrouw kan waarempel heel wat klaar spelen, zonder juist tegen haar man op te staan.”„De Schrift leert ons—zooals Moeder weet.”„Ja jongen, dat weet ik,” viel zijn moeder hem droog in de rede; „maar nu moeten we niet met de theologie beginnen; maar met een kop koffie. Alles op zijn tijd. Ga zitten, Frederika, en nog eens: hartelijk welkom in ons huis, lieve kinderen!”Jörgen Kruse dacht, zooals altijd, wanneer zijn vrouw sprak: „Wat drommel, waar haalt ze al die woorden vandaan?” Eindelijk kwam hij ook naar voren en mompelde wat, maar trok zich dadelijk terug in zijn hoek. Intusschen was ’t niet zoozeer zijn nieuwe schoondochter, maar eigenlijk zijn zoon, die hem zoo verlegen maakte. Toen Maarten de theologie als zijn studie koos, verheugden zijn beide ouders zich daarover. Dat paste ook goed: de oudste, Peter, was jurist, en de oude Jörgen dacht zoo: als ’t nu eenmaal een uitgemaakte zaak was, dat hij geen van zijn zonen daar kon krijgen, waar hij ze ’t liefst hebben wou—n.l. in den winkel, dan zou het toch eigenlijk wel aardig wezen zijn eigen jongen met de toga aan op den preekstoel te zien.Maar was dat nu werkelijk zijn kleine, dikke Maarten, die hier zoo uit de hoogte aankwam en hem zoo ernstig—bijna beschermend de hand drukte? Groot was hij nu, met een dikken baard en hij keek de menschen zoo streng aan door zijn lichtblauwen bril.’t Werd zijn vader heel wonderlijk te moede; en terwijl de flinke, kleine Juffrouw Kruse al gauw Frederika aan ’t praten kreeg onder de koffie enonvervaard Maarten als vroeger behandelde, liep de oude Jörgen verlegen rond en zocht tevergeefs naar den toon, die hij moest aanslaan tegenover dien plechtig gestemden zoon.„Rook je ook, Maarten?” vroeg hij eindelijk, half bang.„Bijna nooit,” antwoordde Maarten met diepen ernst en een zucht, die moest aanduiden, dat dit een van zijn vele vrijwillige ontberingen was.Allen vonden trouwens, dat Maarten heel waardig geworden was, nadat hij aan de studie van de theologie begonnen was. Het stugge, wat Maarten, de achterblijver, in de school eigen was, ging in den loop der jaren over in een zuren ernst, die hem als van zelf tot de theologie bracht.Hij behoorde tot de gelukkigen; hij was reeds kapelaan aan de nieuwe kerk in de stad; kort na zijn benoeming volgde zijn verloving en hij was van plan dadelijk te trouwen; want zijn verloofde was rijk en had geen ouders.Mooi was Frederika Andersen eigenlijk niet; maar Juffrouw Kruse meende, dat ze echt goed en lief wezen moest... zóó teer als ze soms naar Maarten op kon zien.Kort daarna kwam de oudste zoon—de advokaat binnen; hij was buiten adem, kwam regelrecht van de stoomboot en maakte veel excuses, omdat hij niet bij de aankomst van ’t verloofde paar had kunnen zijn.„Maar dat komt door die lieve vereeniging, die al mijn tijd in beslag neemt,” zei hij. „Ik moet hulp hebben. Jij, broer Maarten! moet meêdoen; onze menschen wonen meest in de buurt van de fabriek.”„Je meent Fortuna; maar wat is dat voor een vereeniging waar je over praat?”„O—een arbeidersvereeniging. Eerst was ’t enkel een verbruiksvereeniging; nu is er een spaarkas aan verbonden, en een ziekenkas en van allerlei.”„Een vereeniging van arbeiders dus?—en daar ben jij lid van, Peter?”„Lid?”—riep Juffrouw Kruse, „’t is immers Peters vereeniging; hij heeft ze gesticht en alles op streek geholpen.”„Zoo,” antwoordde Maarten droog.Juffrouw Kruse kreeg een kleur en wilde iets zeggen; maar zij bedacht zich en vroeg haar schoondochter met haar meê naar boven te gaan naar haar kamertje.De vader was ook weer weggeslopen naar den winkel, zoodat de beide broeders alleen waren.„Ik feliciteer je—Maarten! met je benoeming èn met je verloving; ze ziet er zoo aardig en lief uit.”„Frederika is een ernstig en streng opgevoed meisje.”„Ja?—maar ze kan daarom wel aardig wezen.”„Zulke lichtzinnige woorden passen in ’t geheel niet voor mijn verloofde. En ik wil je van te voren verzoeken om...”„Onzin, Maarten. Stel je niet zoo aan. Die toon kan misschien goed voor anderen zijn; maar je moet je niet verbeelden, dat ik, die je zoo goed ken, daarvan onder den indruk kom. Onder vier oogen kun je gerust je heele dominé’swaardigheid op zij leggen; gerust jongen, je maakt er je in mijn oogen alleen maar belachelijk door.”„Het doet me oprecht leed, Peter, dat je nog voortdurend schijnt...”Maar Peter was al de deur uit en Maarten bleef hem een oogenblik staan nakijken. Toen ging hijaan de tafel zitten, schreef cijfers in zijn zakboekje en ging aan ’t optellen.De advokaat Peter Kruse had den naam tamelijk dom te zijn; en hij had het dan ook niet ver in de wereld gebracht. Hij verdiende zooveel als hij noodig had en woonde trouwens thuis, omdat de oudelui Kruse dat graag hadden.De toekomst scheen niet schitterend; want ’t sprak van zelf, dat geen enkele publieke inrichting haar rechtszaken aan dat radicale advokaatje kon toevertrouwen. De ambtman kon hem geen zaken geven en omdat hij nu niet dronk en ook niet onvertrouwbaar was, werd men ’t er over eens, dat hij te dom was.Daarentegen had hij er een zekeren slag van op een slinksche manier het vertrouwen van eenvoudige menschen te winnen.Hij stookte namentlijk het volk op, heette het. Hoewel hij een aan de academie opgeleid man was, verkeerde hij onder de arbeiders en bracht ze er toe zich aaneen te sluiten ter wille van gemeenschappelijke belangen: goedkooper voedsel en betere woningen.Hij was daarom van harte gehaat door alle fatsoenlijke menschen en werd in hun courant uitgescholden. Peter Kruse was zooveel ouder dan zijn broeder Maarten, dat hij al een volwassen man was toen Maarten nog op school ging. En daarom viel het hem nog moeilijker dien neerbuigenden dominé’stoon te verdragen; ook kon hij over ’t geheel de predikanten niet uitstaan; of—zooals ’t in de courant heette—ongeloof en goddeloosheid waren ook bij hem onafscheidelijk verbonden met politiek radicalisme.Thuis had hij steun aan zijn moeder; want JörgenKruse ging geheel in zijn zaak op. Maar zijn moeder, die van zijn kindsheid af hem alleen gehad had om voor te zorgen,—zij volgde hem zoo goed zij kon en kreeg daardoor belangstelling voor en kennis van allerlei; want in ’t begin had ze van geen van beiden veel.Ze was begonnen als winkeljuffrouw bij Jörgen Kruse, in den tijd, toen hij nog een bescheiden komenijs-mannetje was, die kaarsen, en witte suiker en stroop verkocht aan den kleinen man. En eerst een heele poos, nadat ze hem een zoon geschonken had, werd ze tot de waardigheid van „Juffrouw” verheven en kwam in de kamer, als ze in den winkel gemist kon worden.Maar later werd die kleine onregelmatigheid door bijna allen vergeten; zij sloofde en werkte met haar man; en toen ze eindelijk den weg tegen den steilen heuvel opgekomen waren, die van niets naar iets leidt;—toen zei Jörgen Kruse: „Ja, nu dank ik je wel voor je hulp—Amalia Catherina,—kom nu in de kamer zitten en rust uit.”Toen kwamen de goede dagen, en toen kwam Maarten ter wereld;—daarom was hij zoo dik geworden! De goede dagen gebruikte Juffrouw Kruse om een en ander te leeren, en hoewel ’t altijd met de geleerdheid maar zóó zóó ging, toch kreeg ze er zóóveelrespectvoor, dat ze doorzette, dat haar beide zonen zouden studeeren.Bij den eersten liet Jörgen dat zonder veel tegenwerking toe: Peter was mager en bleek en had lust in leeren. Maar toen Maarten op zijn twaalfde jaar naar ’t gymnasium moest, probeerde hij een klein gevecht te leveren.Maarten was dik en stug en speelde nooit iets anders dan „winkeltje;” hij verloor nooit een cent.En eer ’t werd uitgemaakt, dat hij studeeren moest;—want dat werd uitgemaakt: Jörgen kon ’t niet houden als Amalia Catherina met al die vele woorden aankwam—voor dien tijd stond Maarten met zijn vader in den winkel en dreef in allen ernst handel.En hoe vaak had Jörgen niet met bewondering de taaie zekerheid gezien, waarmeê de kleine jongen de tabaksrol nam, die uitmeette volgens de streepjes op de toonbank en tabak afsneed voor twee cent, zoo precies op ’t streepje, dat—als ’t er niet binnen was, dan in elk geval er toch niet buiten.„Och ja!” zuchtte de oude Jörgen Kruse in zijn kantoortje, „nu is hij dan dominé geworden, en dat is nu wel heel mooi; maar waarachtig, de jongen hoort hier.”In de kamer zat Maarten en schreef op wat de reis van hem en zijn verloofde gekost had; en toen ze beneden kwam, zei hij:„Frederika!—ik heb nu onze rekening opgemaakt en ik krijg nog twee en dertig en een halve cent van je.”De nieuwe kapelaan had overigens nog niet veel succes in de stad; er was niets nieuws aan hem; alle menschen kenden den dikken zoon van Jörgen Kruse; en toen zij hem nu opeens op den preekstoel zagen met toga en bef en hem van uit de hoogte de gemeente bestraffend hoorde toespreken, vonden velen—vooral de ouderen—dat wat wonderlijk.Maar toen hij zijn examens gedaan had en uitdrukkelijk naar deze gemeente gezonden was door hen, die volgens Gods eigen wil Zijn rijk hier op aarde in Stockholm besturen, toen moest men hem immers ootmoedig erkennen als degene, die een waardigheid bekleedde, die recht tot bestraffengaf,—hoe wonderlijk ’t ook wezen mocht voor vleesch en bloed, dat die dikke jongen opeens voor hen stond om hun zielen te verzorgen.En al kwamen de menschen nu niet in zoo grooten getale toestroomen wanneer hij preekte, als gewoonlijk gebeurt bij een nieuwen predikant, hij won aan den anderen kant de onverdeelde achting en genegenheid van zijn superieuren en collega’s. Want hij was nooit lastig; hij wilde nooit iets nieuws of moeilijks, maar had een gepasten eerbied voor het oude, die hem goed stond.Vooral het armbestuur was verrukt. Nieuwe kapelanen waren gewoonlijk een ware beproeving voor hen: dàn moest er een onderzoek naar een arm gezin gedaan worden, dan moest je hier en dan daar helpen; dames kwamen met soep aanzetten en de armen kwamen allemaal in beweging, zoodat je ze geen baas blijven kon.Maar niets van dat alles gebeurde bij dezen nieuwen kapelaan. Hij verwees den eersten arme, die ’t bij hem probeerde, naar ’t armbestuur, zooals ’t hoort, en er kwam geen enkel potje soep door zijn toedoen.Toen Maarten getrouwd was, huurde hij een woning dicht bij ’t huis van zijn vader, zoodat ze meestal even de straat overstaken om bij de oudelui te eten. ’t Vermogen van zijn vrouw was in aandeel en in schepen en dergelijke fondsen geplaatst in haar geboortestad Kragerö; maar Maarten wilde geen handel drijven en vroeg het geld op.Juffrouw Kruse had er zich zoo op verheugd het jonge paar zoo dicht bij zich te hebben—misschien wel al te veel, dacht ze later; een mensch moet zich niet te veel ergens op verheugen; want dan volgt zoo licht een teleurstelling.Was ze teleurgesteld?—Volstrekt niet. Juffrouw Kruse zou zich geschaamd hebben, als iemand zooiets had durven zeggen;—neen, dat niet;—maar ’t was alleen zoo vreemd.Maarten was immers dominé—streng en ernstig; en Frederika—ja ze was zoo lief en aardig als ’t maar kon voor wie van haar hielden; maar ze was werkelijk te oud voor Juffrouw Kruse. Jonge menschen moeten toch waarachtig jong zijn, vond Juffrouw Kruse.En dan kwam er nog iets bij: ze moest erkennen, dat de jongelui er veel meer slag van hadden zuinig huis te houden, dan zij en haar man ooit gehad hadden—zelfs niet toen ze ’t zoo krap hadden die eerste jaren.Ze hadden ook eenvoudig geleefd—ach! heel eenvoudig; maar zooals Maarten en Frederika—op een cent af te weten wat er kon worden uitgespaard op zeep en lucifers—dat had zij—en zelfs Jörgen nooit geweten.Maar alles hadden de jongelui uitgerekend en berekend en alles konden ze goedkooper krijgen, van eieren af—die kochten ze trouwens niet vaak—tot schuurzand toe—en altijd keek Juffrouw Kruse even verlegen, als Maarten zei:„Dat is maar heerlijk, dat Moeder ’t zoo ruim heeft en zoo duur koopen kan, niet waar Frederika?”„Ja—je hebt gelijk—Maarten!—’t is alleen maar ongelukkig voor kleine burgers als wij, dat de prijzen stijgen als sommigen te veel betalen.”En dan met de dienstboden... Juffrouw Kruse had er nooit op gelet, voor Frederika er haar opmerkzaam op maakte, hoe ongelooflijk veel de meiden „aan kunnen” als ze zelf over de boter mogen gaan. De dienstmeisjes van Frederika—ze hield er maar één, maar telkens kreeg ze een andere—die aten waarempel bijna niets.Het begon de goede Juffrouw Kruse te drukken, dat ze een oude vrouw zou zijn geworden, zonder geleerd te hebben op de kleintjes te passen en een goede huisvrouw te zijn. Want ze was ’t aan den anderen kant volkomen met de jongelui eens, dat niets leelijker is dan Gods gaven te verspillen en te vermorsen.Aan tafel op een Zondag vroeg Peter Maarten of hij de fabriek had gezien. „Er is veel veranderd sinds je de laatste keer naar Christiania ging;—daar kun je van op aan.”„Ik ben er een paar keer voorbij gegaan,” antwoordde Maarten; „wordt er geld verdiend?”„Als water! Vraag Vader maar; hij heeft ieder jaar spijt als haren op zijn hoofd, omdat hij er maar één aandeel in heeft.”„Och, één is genoeg,” bromde Jörgen; „een mensch moet niet al te begeerig zijn.”„Als ’t is zooals Peter zegt, dat er geld verdiend wordt, weet ik niet, waarom u zich achteraf zoudt houden; ’t is immers een volkomen eerlijke zaak en behalve dat ook nuttig voor de stad.”„Wil je aandeelen koopen, Maarten?”„Ik drijf geen handel,” antwoordde Maarten stug, na een poosje vroeg hij zijn vader: „Hoe hoog staan zij?”„Ze zijn niet op de beurs genoteerd,” antwoordde Peter, „want hier worden zoo goed als geen aandeelen in Fortuna verkocht. Men wacht ieder jaar een enorme winst; tot nu toe maakten ze maar 6%.”„Zes en een half,” verbeterde de vader.„Ja, maar dan is er bijna niets voor het reservefonds afgenomen.”„Kom—een man als Prof. Lövdahl is zoo goed als een reservefonds.”„Vindt Peter soms niet, dat 6% een mooie rente is? Weet je veel zaken, die meer geven?” Maartens toon tegenover zijn broeder was meestal een beetje oorlogszuchtig.„Die rente is groot genoeg; maar er staat niemand borg voor...”„Borg!” viel de oude man hem in de rede, „dat zijn immers de Professor en de directeur Christensen.”„Ja, Christensen, vader. Maar hij zit nu overal in, dus kan hij wel niet zoo’n sterke borg zijn voor elke zaak afzonderlijk; maar wie kan er trouwens voor instaan, dat de produkten niet dalen in prijs, zoodat de fabriek met verlies werkt, en ’t kapitaal opvorderen moet en zich dan toch niet redden kan. Wie staat daar borg voor?”„Dat is immers onzin, Peter!—we weten allemaal wel, dat ieder menschelijke onderneming aan de wisselingen van ’t geluk onderworpen is, of ik bedoel aan ’t bestuur van de Voorzienigheid; maar als de directie zorgvuldig en voorzichtig is, dan is een onderneming als Fortuna menschelijkerwijs gesproken—vrij zeker. Iedereen heeft immers vertrouwen in Professor Lövdahl?”„Ja, dat is een groot man,” riep Jörgen Kruse, en legde zijn mes en vork neer. „Hij kan alles aan den gang krijgen, wat ’t ook is. En dan is hij ontzettend rijk.”„Ik zou wel eens willen weten, waarom die man geld leent,” zei Peter.„Leent hij geld?” vroegen de beide anderen.„Ja, ik heb verscheidene cliënten gehad, die mij verteld hebben, dat zij Carsten Lövdahl geld geleend hebben, enkel op zijn quitantie.”„Wat zijn dat voor menschen?”„Eenvoudige luidjes, die een beetje overgespaard hebben.”„Ja, dan begrijp ik het wel,” meende Jörgen.„Dat zijn dan van die stakkers, die geen kapitaal genoeg hebben om van te leven; en dan is Lövdahl goedhartig genoeg om hun geld te nemen en „in zijn zaak te zetten”—zooals dat heet; en dan betaalt hij ze meestal een rente van 6 à 7 procent.”„Wat zegt u?” Maarten sprong op. „Zei u 6 à 7 procent?”„Ja, wat weet ik er van?” antwoordde de oude.„Maar dat lijkt op Professor Lövdahl om op die manier wel te doen. Want wel verdient hij zelf onnoemelijk veel; maar hij is een van die menschen, die graag hebben, dat ook anderen geld verdienen; hij is niet als sommige andere Pausen hier in de stad, die een armen stakker geen cent verdienste gunnen, omdat ze alles zelf willen hebben.”Daardoor kwamen ze aan ’t praten over Christensen en anderen uit dien kring; en Peter bracht den ouden man aan ’t lachen door ’t laatste nieuws uit de stad te vertellen.Maarten at in gedachten voort en mompelde nu en dan: „Zeven procent!”
„De Heer zegene uw ingaan en uw uitgaan van nu af, alle dagen uws levens.”
Met deze woorden leidde de kapelaan zijn verloofde over den drempel van zijn vaders huis. De dikke Jörgen Kruse kwam zóó in de war door dien plechtigen intocht, dat hij de handen vouwde en „Amen” zei.
Maar zijn vrouw, die even mager was, als hij dik, wierp haar breiwerk weg en liep snel haar nieuwe schoondochter tegemoet.
„Welkom! Welkom in ons huis—lieve kind. En God geve, dat je je bij ons tevreden en gelukkig voelt; jij ben ook welkom, lieve Maarten!—ik kan je niet eens behoorlijk een kus geven om je grooten baard. Jelui verrast ons. De boot zou hier niet vóór zes uur wezen, zei Peter. Zag jelui hem niet? Dan komt hij wel dadelijk hier. Maar Frederika—hoe kun je Maarten nu met zoo’n akeligen baard laten loopen. Dat zou ik hem wel verbieden als ik jou was.”
„Zooiets moet Moeder niet tegen Frederika zeggen. De gedachte komt niet in haar op—dat weet ik wel zeker—dat zij zou opstaan tegen haar aanstaanden echtgenoot. Heb ik geen gelijk, Frederika?”
„Ja Maarten.”
„Och”—zei Juffrouw Kruse, „zóó plechtig meende ik ’t ook niet; een vrouw kan waarempel heel wat klaar spelen, zonder juist tegen haar man op te staan.”
„De Schrift leert ons—zooals Moeder weet.”
„Ja jongen, dat weet ik,” viel zijn moeder hem droog in de rede; „maar nu moeten we niet met de theologie beginnen; maar met een kop koffie. Alles op zijn tijd. Ga zitten, Frederika, en nog eens: hartelijk welkom in ons huis, lieve kinderen!”
Jörgen Kruse dacht, zooals altijd, wanneer zijn vrouw sprak: „Wat drommel, waar haalt ze al die woorden vandaan?” Eindelijk kwam hij ook naar voren en mompelde wat, maar trok zich dadelijk terug in zijn hoek. Intusschen was ’t niet zoozeer zijn nieuwe schoondochter, maar eigenlijk zijn zoon, die hem zoo verlegen maakte. Toen Maarten de theologie als zijn studie koos, verheugden zijn beide ouders zich daarover. Dat paste ook goed: de oudste, Peter, was jurist, en de oude Jörgen dacht zoo: als ’t nu eenmaal een uitgemaakte zaak was, dat hij geen van zijn zonen daar kon krijgen, waar hij ze ’t liefst hebben wou—n.l. in den winkel, dan zou het toch eigenlijk wel aardig wezen zijn eigen jongen met de toga aan op den preekstoel te zien.
Maar was dat nu werkelijk zijn kleine, dikke Maarten, die hier zoo uit de hoogte aankwam en hem zoo ernstig—bijna beschermend de hand drukte? Groot was hij nu, met een dikken baard en hij keek de menschen zoo streng aan door zijn lichtblauwen bril.
’t Werd zijn vader heel wonderlijk te moede; en terwijl de flinke, kleine Juffrouw Kruse al gauw Frederika aan ’t praten kreeg onder de koffie enonvervaard Maarten als vroeger behandelde, liep de oude Jörgen verlegen rond en zocht tevergeefs naar den toon, die hij moest aanslaan tegenover dien plechtig gestemden zoon.
„Rook je ook, Maarten?” vroeg hij eindelijk, half bang.
„Bijna nooit,” antwoordde Maarten met diepen ernst en een zucht, die moest aanduiden, dat dit een van zijn vele vrijwillige ontberingen was.
Allen vonden trouwens, dat Maarten heel waardig geworden was, nadat hij aan de studie van de theologie begonnen was. Het stugge, wat Maarten, de achterblijver, in de school eigen was, ging in den loop der jaren over in een zuren ernst, die hem als van zelf tot de theologie bracht.
Hij behoorde tot de gelukkigen; hij was reeds kapelaan aan de nieuwe kerk in de stad; kort na zijn benoeming volgde zijn verloving en hij was van plan dadelijk te trouwen; want zijn verloofde was rijk en had geen ouders.
Mooi was Frederika Andersen eigenlijk niet; maar Juffrouw Kruse meende, dat ze echt goed en lief wezen moest... zóó teer als ze soms naar Maarten op kon zien.
Kort daarna kwam de oudste zoon—de advokaat binnen; hij was buiten adem, kwam regelrecht van de stoomboot en maakte veel excuses, omdat hij niet bij de aankomst van ’t verloofde paar had kunnen zijn.
„Maar dat komt door die lieve vereeniging, die al mijn tijd in beslag neemt,” zei hij. „Ik moet hulp hebben. Jij, broer Maarten! moet meêdoen; onze menschen wonen meest in de buurt van de fabriek.”
„Je meent Fortuna; maar wat is dat voor een vereeniging waar je over praat?”
„O—een arbeidersvereeniging. Eerst was ’t enkel een verbruiksvereeniging; nu is er een spaarkas aan verbonden, en een ziekenkas en van allerlei.”
„Een vereeniging van arbeiders dus?—en daar ben jij lid van, Peter?”
„Lid?”—riep Juffrouw Kruse, „’t is immers Peters vereeniging; hij heeft ze gesticht en alles op streek geholpen.”
„Zoo,” antwoordde Maarten droog.
Juffrouw Kruse kreeg een kleur en wilde iets zeggen; maar zij bedacht zich en vroeg haar schoondochter met haar meê naar boven te gaan naar haar kamertje.
De vader was ook weer weggeslopen naar den winkel, zoodat de beide broeders alleen waren.
„Ik feliciteer je—Maarten! met je benoeming èn met je verloving; ze ziet er zoo aardig en lief uit.”
„Frederika is een ernstig en streng opgevoed meisje.”
„Ja?—maar ze kan daarom wel aardig wezen.”
„Zulke lichtzinnige woorden passen in ’t geheel niet voor mijn verloofde. En ik wil je van te voren verzoeken om...”
„Onzin, Maarten. Stel je niet zoo aan. Die toon kan misschien goed voor anderen zijn; maar je moet je niet verbeelden, dat ik, die je zoo goed ken, daarvan onder den indruk kom. Onder vier oogen kun je gerust je heele dominé’swaardigheid op zij leggen; gerust jongen, je maakt er je in mijn oogen alleen maar belachelijk door.”
„Het doet me oprecht leed, Peter, dat je nog voortdurend schijnt...”
Maar Peter was al de deur uit en Maarten bleef hem een oogenblik staan nakijken. Toen ging hijaan de tafel zitten, schreef cijfers in zijn zakboekje en ging aan ’t optellen.
De advokaat Peter Kruse had den naam tamelijk dom te zijn; en hij had het dan ook niet ver in de wereld gebracht. Hij verdiende zooveel als hij noodig had en woonde trouwens thuis, omdat de oudelui Kruse dat graag hadden.
De toekomst scheen niet schitterend; want ’t sprak van zelf, dat geen enkele publieke inrichting haar rechtszaken aan dat radicale advokaatje kon toevertrouwen. De ambtman kon hem geen zaken geven en omdat hij nu niet dronk en ook niet onvertrouwbaar was, werd men ’t er over eens, dat hij te dom was.
Daarentegen had hij er een zekeren slag van op een slinksche manier het vertrouwen van eenvoudige menschen te winnen.
Hij stookte namentlijk het volk op, heette het. Hoewel hij een aan de academie opgeleid man was, verkeerde hij onder de arbeiders en bracht ze er toe zich aaneen te sluiten ter wille van gemeenschappelijke belangen: goedkooper voedsel en betere woningen.
Hij was daarom van harte gehaat door alle fatsoenlijke menschen en werd in hun courant uitgescholden. Peter Kruse was zooveel ouder dan zijn broeder Maarten, dat hij al een volwassen man was toen Maarten nog op school ging. En daarom viel het hem nog moeilijker dien neerbuigenden dominé’stoon te verdragen; ook kon hij over ’t geheel de predikanten niet uitstaan; of—zooals ’t in de courant heette—ongeloof en goddeloosheid waren ook bij hem onafscheidelijk verbonden met politiek radicalisme.
Thuis had hij steun aan zijn moeder; want JörgenKruse ging geheel in zijn zaak op. Maar zijn moeder, die van zijn kindsheid af hem alleen gehad had om voor te zorgen,—zij volgde hem zoo goed zij kon en kreeg daardoor belangstelling voor en kennis van allerlei; want in ’t begin had ze van geen van beiden veel.
Ze was begonnen als winkeljuffrouw bij Jörgen Kruse, in den tijd, toen hij nog een bescheiden komenijs-mannetje was, die kaarsen, en witte suiker en stroop verkocht aan den kleinen man. En eerst een heele poos, nadat ze hem een zoon geschonken had, werd ze tot de waardigheid van „Juffrouw” verheven en kwam in de kamer, als ze in den winkel gemist kon worden.
Maar later werd die kleine onregelmatigheid door bijna allen vergeten; zij sloofde en werkte met haar man; en toen ze eindelijk den weg tegen den steilen heuvel opgekomen waren, die van niets naar iets leidt;—toen zei Jörgen Kruse: „Ja, nu dank ik je wel voor je hulp—Amalia Catherina,—kom nu in de kamer zitten en rust uit.”
Toen kwamen de goede dagen, en toen kwam Maarten ter wereld;—daarom was hij zoo dik geworden! De goede dagen gebruikte Juffrouw Kruse om een en ander te leeren, en hoewel ’t altijd met de geleerdheid maar zóó zóó ging, toch kreeg ze er zóóveelrespectvoor, dat ze doorzette, dat haar beide zonen zouden studeeren.
Bij den eersten liet Jörgen dat zonder veel tegenwerking toe: Peter was mager en bleek en had lust in leeren. Maar toen Maarten op zijn twaalfde jaar naar ’t gymnasium moest, probeerde hij een klein gevecht te leveren.
Maarten was dik en stug en speelde nooit iets anders dan „winkeltje;” hij verloor nooit een cent.En eer ’t werd uitgemaakt, dat hij studeeren moest;—want dat werd uitgemaakt: Jörgen kon ’t niet houden als Amalia Catherina met al die vele woorden aankwam—voor dien tijd stond Maarten met zijn vader in den winkel en dreef in allen ernst handel.
En hoe vaak had Jörgen niet met bewondering de taaie zekerheid gezien, waarmeê de kleine jongen de tabaksrol nam, die uitmeette volgens de streepjes op de toonbank en tabak afsneed voor twee cent, zoo precies op ’t streepje, dat—als ’t er niet binnen was, dan in elk geval er toch niet buiten.
„Och ja!” zuchtte de oude Jörgen Kruse in zijn kantoortje, „nu is hij dan dominé geworden, en dat is nu wel heel mooi; maar waarachtig, de jongen hoort hier.”
In de kamer zat Maarten en schreef op wat de reis van hem en zijn verloofde gekost had; en toen ze beneden kwam, zei hij:
„Frederika!—ik heb nu onze rekening opgemaakt en ik krijg nog twee en dertig en een halve cent van je.”
De nieuwe kapelaan had overigens nog niet veel succes in de stad; er was niets nieuws aan hem; alle menschen kenden den dikken zoon van Jörgen Kruse; en toen zij hem nu opeens op den preekstoel zagen met toga en bef en hem van uit de hoogte de gemeente bestraffend hoorde toespreken, vonden velen—vooral de ouderen—dat wat wonderlijk.
Maar toen hij zijn examens gedaan had en uitdrukkelijk naar deze gemeente gezonden was door hen, die volgens Gods eigen wil Zijn rijk hier op aarde in Stockholm besturen, toen moest men hem immers ootmoedig erkennen als degene, die een waardigheid bekleedde, die recht tot bestraffengaf,—hoe wonderlijk ’t ook wezen mocht voor vleesch en bloed, dat die dikke jongen opeens voor hen stond om hun zielen te verzorgen.
En al kwamen de menschen nu niet in zoo grooten getale toestroomen wanneer hij preekte, als gewoonlijk gebeurt bij een nieuwen predikant, hij won aan den anderen kant de onverdeelde achting en genegenheid van zijn superieuren en collega’s. Want hij was nooit lastig; hij wilde nooit iets nieuws of moeilijks, maar had een gepasten eerbied voor het oude, die hem goed stond.
Vooral het armbestuur was verrukt. Nieuwe kapelanen waren gewoonlijk een ware beproeving voor hen: dàn moest er een onderzoek naar een arm gezin gedaan worden, dan moest je hier en dan daar helpen; dames kwamen met soep aanzetten en de armen kwamen allemaal in beweging, zoodat je ze geen baas blijven kon.
Maar niets van dat alles gebeurde bij dezen nieuwen kapelaan. Hij verwees den eersten arme, die ’t bij hem probeerde, naar ’t armbestuur, zooals ’t hoort, en er kwam geen enkel potje soep door zijn toedoen.
Toen Maarten getrouwd was, huurde hij een woning dicht bij ’t huis van zijn vader, zoodat ze meestal even de straat overstaken om bij de oudelui te eten. ’t Vermogen van zijn vrouw was in aandeel en in schepen en dergelijke fondsen geplaatst in haar geboortestad Kragerö; maar Maarten wilde geen handel drijven en vroeg het geld op.
Juffrouw Kruse had er zich zoo op verheugd het jonge paar zoo dicht bij zich te hebben—misschien wel al te veel, dacht ze later; een mensch moet zich niet te veel ergens op verheugen; want dan volgt zoo licht een teleurstelling.
Was ze teleurgesteld?—Volstrekt niet. Juffrouw Kruse zou zich geschaamd hebben, als iemand zooiets had durven zeggen;—neen, dat niet;—maar ’t was alleen zoo vreemd.
Maarten was immers dominé—streng en ernstig; en Frederika—ja ze was zoo lief en aardig als ’t maar kon voor wie van haar hielden; maar ze was werkelijk te oud voor Juffrouw Kruse. Jonge menschen moeten toch waarachtig jong zijn, vond Juffrouw Kruse.
En dan kwam er nog iets bij: ze moest erkennen, dat de jongelui er veel meer slag van hadden zuinig huis te houden, dan zij en haar man ooit gehad hadden—zelfs niet toen ze ’t zoo krap hadden die eerste jaren.
Ze hadden ook eenvoudig geleefd—ach! heel eenvoudig; maar zooals Maarten en Frederika—op een cent af te weten wat er kon worden uitgespaard op zeep en lucifers—dat had zij—en zelfs Jörgen nooit geweten.
Maar alles hadden de jongelui uitgerekend en berekend en alles konden ze goedkooper krijgen, van eieren af—die kochten ze trouwens niet vaak—tot schuurzand toe—en altijd keek Juffrouw Kruse even verlegen, als Maarten zei:
„Dat is maar heerlijk, dat Moeder ’t zoo ruim heeft en zoo duur koopen kan, niet waar Frederika?”
„Ja—je hebt gelijk—Maarten!—’t is alleen maar ongelukkig voor kleine burgers als wij, dat de prijzen stijgen als sommigen te veel betalen.”
En dan met de dienstboden... Juffrouw Kruse had er nooit op gelet, voor Frederika er haar opmerkzaam op maakte, hoe ongelooflijk veel de meiden „aan kunnen” als ze zelf over de boter mogen gaan. De dienstmeisjes van Frederika—ze hield er maar één, maar telkens kreeg ze een andere—die aten waarempel bijna niets.
Het begon de goede Juffrouw Kruse te drukken, dat ze een oude vrouw zou zijn geworden, zonder geleerd te hebben op de kleintjes te passen en een goede huisvrouw te zijn. Want ze was ’t aan den anderen kant volkomen met de jongelui eens, dat niets leelijker is dan Gods gaven te verspillen en te vermorsen.
Aan tafel op een Zondag vroeg Peter Maarten of hij de fabriek had gezien. „Er is veel veranderd sinds je de laatste keer naar Christiania ging;—daar kun je van op aan.”
„Ik ben er een paar keer voorbij gegaan,” antwoordde Maarten; „wordt er geld verdiend?”
„Als water! Vraag Vader maar; hij heeft ieder jaar spijt als haren op zijn hoofd, omdat hij er maar één aandeel in heeft.”
„Och, één is genoeg,” bromde Jörgen; „een mensch moet niet al te begeerig zijn.”
„Als ’t is zooals Peter zegt, dat er geld verdiend wordt, weet ik niet, waarom u zich achteraf zoudt houden; ’t is immers een volkomen eerlijke zaak en behalve dat ook nuttig voor de stad.”
„Wil je aandeelen koopen, Maarten?”
„Ik drijf geen handel,” antwoordde Maarten stug, na een poosje vroeg hij zijn vader: „Hoe hoog staan zij?”
„Ze zijn niet op de beurs genoteerd,” antwoordde Peter, „want hier worden zoo goed als geen aandeelen in Fortuna verkocht. Men wacht ieder jaar een enorme winst; tot nu toe maakten ze maar 6%.”
„Zes en een half,” verbeterde de vader.
„Ja, maar dan is er bijna niets voor het reservefonds afgenomen.”
„Kom—een man als Prof. Lövdahl is zoo goed als een reservefonds.”
„Vindt Peter soms niet, dat 6% een mooie rente is? Weet je veel zaken, die meer geven?” Maartens toon tegenover zijn broeder was meestal een beetje oorlogszuchtig.
„Die rente is groot genoeg; maar er staat niemand borg voor...”
„Borg!” viel de oude man hem in de rede, „dat zijn immers de Professor en de directeur Christensen.”
„Ja, Christensen, vader. Maar hij zit nu overal in, dus kan hij wel niet zoo’n sterke borg zijn voor elke zaak afzonderlijk; maar wie kan er trouwens voor instaan, dat de produkten niet dalen in prijs, zoodat de fabriek met verlies werkt, en ’t kapitaal opvorderen moet en zich dan toch niet redden kan. Wie staat daar borg voor?”
„Dat is immers onzin, Peter!—we weten allemaal wel, dat ieder menschelijke onderneming aan de wisselingen van ’t geluk onderworpen is, of ik bedoel aan ’t bestuur van de Voorzienigheid; maar als de directie zorgvuldig en voorzichtig is, dan is een onderneming als Fortuna menschelijkerwijs gesproken—vrij zeker. Iedereen heeft immers vertrouwen in Professor Lövdahl?”
„Ja, dat is een groot man,” riep Jörgen Kruse, en legde zijn mes en vork neer. „Hij kan alles aan den gang krijgen, wat ’t ook is. En dan is hij ontzettend rijk.”
„Ik zou wel eens willen weten, waarom die man geld leent,” zei Peter.
„Leent hij geld?” vroegen de beide anderen.
„Ja, ik heb verscheidene cliënten gehad, die mij verteld hebben, dat zij Carsten Lövdahl geld geleend hebben, enkel op zijn quitantie.”
„Wat zijn dat voor menschen?”
„Eenvoudige luidjes, die een beetje overgespaard hebben.”
„Ja, dan begrijp ik het wel,” meende Jörgen.
„Dat zijn dan van die stakkers, die geen kapitaal genoeg hebben om van te leven; en dan is Lövdahl goedhartig genoeg om hun geld te nemen en „in zijn zaak te zetten”—zooals dat heet; en dan betaalt hij ze meestal een rente van 6 à 7 procent.”
„Wat zegt u?” Maarten sprong op. „Zei u 6 à 7 procent?”
„Ja, wat weet ik er van?” antwoordde de oude.
„Maar dat lijkt op Professor Lövdahl om op die manier wel te doen. Want wel verdient hij zelf onnoemelijk veel; maar hij is een van die menschen, die graag hebben, dat ook anderen geld verdienen; hij is niet als sommige andere Pausen hier in de stad, die een armen stakker geen cent verdienste gunnen, omdat ze alles zelf willen hebben.”
Daardoor kwamen ze aan ’t praten over Christensen en anderen uit dien kring; en Peter bracht den ouden man aan ’t lachen door ’t laatste nieuws uit de stad te vertellen.
Maarten at in gedachten voort en mompelde nu en dan: „Zeven procent!”
V.Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen, tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor een bezoek meer noodig was.Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht; hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan.En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat er een fout in zijn leven was, iets hols in ’t geluk, dat hem altijd gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als ’t ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen—dàn ’t liefst sloop hij ’t huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag, waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haarwerk, en dan was er niets van ’t honende en bittere, dat daarop te voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond, zoolang hij daar was.’t Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid te winnen. Van ’t oogenblik dat zij zijn stem voor ’t eerst hoorde, had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of een lichte handbeweging.Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven, die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een kwetsenden blik.Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken, waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid.„Hoe kun je ’t toch verdragen, dat je zoo rijk ben!” zei ze eens tegen hem.„Wat meen je met „verdragen?””„Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom.”„Ja, je weet, dat ik dom ben.”„Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs.”„Wat meende je dan?”„Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen, niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?”„Vader is rijk; ik ben niet rijk.”„Och—zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?”„Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt.”„Waarom wil je mij zooveel geven?”„Omdat... omdat...”„Omdat je me liefhebt,” zei ze en lachte.Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan kon komen.„Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden als ik werken moet?” Ze lachte weer zoo vergenoegd. „Maar je kunt er van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer.”„Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!”„Dat heb ik gehoord.”„Van wie?”„Van jou.”„Dat is heelemaal niet waar,—Grete!—Ik heb nooit een woord gezegd...”„Neen, geen woord!—’t Zijn niet de woorden, die ik hoor, ’t is de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je „Dag Grete,” gezegd hebt! Ja, ik kan ’t aan je voetstappen buiten hooren of je alleen komt om me op te houden, of dat...”—„of dat...?”Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer hij het kon verhinderen—als hij het al gewild had—gleed zij op zijn schoot en fluisterde hem in ’t oor:„Of dat je komt—moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham.”Zonnestralen vielen in de kamer; ’t was herfst—vroeg in den herfst, met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan alle kanten en dat het haar zoo goed deed.Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het nooit te voren zóó gevoeld; maar ’t was als zag hij op dit oogenblik voor ’t eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was; alles werd hem zoo helder—zoo helder en leeg; ’t kwam hem voor of hij zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En wat zou ’t leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde?Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd.„Vandaag ben je gedrukt, Abraham!—en weet je waarom?”„Weet jij het, Grete?”„Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt.”„Ja, weet je; dat was misschien beter,” barstte hij bitter uit.„Maar dat gaat niet,” ging zij ernstig voort, en ging—voor zich uit voelend, weer naar haar plaats.„Waarom niet?”„Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede—ik kan niet trouwen.”„Wie zegt dat?”„Vader heeft het gezegd.”„Och—als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt.”„Neen, ’t is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als ’t kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit, dan kan ik het niet zien;—ach—ik zie het vóór me!” ze hield de hand voor de blinde oogen—, „neen, neen, het gaat niet.”’t Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en alle gedachten aan zooiets buitensloot.Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets.Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk, dat Steffensen ’t niet prettig vond hem te ontmoeten.Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe: „Vader is boos.”Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich gewoonlijk waschte, als hij van ’t werk kwam; en terwijl hij in ’t waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop:„Een trekpot!—wat zeg je—een zilveren trekpot met suikerpot en melkkan!—van alle... ho!ho!”—hij dook weer met het gezicht onder water—„van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon plechtig—wat zeg je?”„Begrijp je ’t?” fluisterde Greta.„’k Begrijp er geen woord van,”—antwoordde Abraham, en stond op om heen te gaan.—„voor de vriendelijkheid: de trekpot;—voor de goede zorg: de suikerpot;—en voor de humane behandeling: de melkkan!—wat zal de brave man verrast wezen! haha!—neem me niet kwalijk—jongeheer!—de oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen.”„Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?” riep Abraham.„Och—stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo’n stukje comedie wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in mijn jeugd—dat was nog wel in Mandal; God betere ’t! maar ik speelde beter dan u, Meneer de directeur!”„Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,—geen woord van al wat u zegt.”Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker.„En u wilt me wijs maken...”„Hij weet niets, Vader.”„Bah, wat weet jij daarvan?—ik heb een paar goede oogen in mijn hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?”„Ik heb er geen woord van gehoord,” antwoordde Abraham.„U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet,” voegde Greta er ernstig bij.„Wel drommels!” mompelde Steffensen ongeloovig; „misschien weet u ook niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane...”„Schei uit,” riep Abraham knorrig, „ik heb geen lust naar je onzin te hooren; dag Greta!”„Och, Meneer de directeur,” zei Steffensen en wreef zich vergenoegd in de handen. „Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,—de kindermeid—zooals ze hem noemen—rond op de heele fabriek en zei ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen—wat zegt u? op den 4den October,—den beroemden verjaardag van den professor. ’t Was natuurlijk volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja, dat lesje kent u wel?—’t Komt regelrecht van den droogzolder van den bankdirecteur Christensen.„Wilt u meêdoen?” vroeg Abraham.„Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: „nee niks, padetout!”—en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten tijd op de fabriek geweest is.”„Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft; ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te verhinderen, als hij er van wist.”„Ach, wist je maar... wist je maar...” neuriedede oude en liep weer de keuken in om zich verder klaar te maken.„Waarom kunt u niet meê doen, Vader?” vroeg Grete wat angstig; „’t is toch zeker niet veel voor elk apart.”„Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?—ja, dat zal ik je zeggen.” En hij ging midden in de deur staan en richtte ’t hoofd op, alsof hij van ’t spreekgestoelte sprak: „omdat dit heelemaal humbug is—een spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de menschen, die daar op de fabriek werken,—dat die ooit een cent bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?—en toch komen ze allen met hun vrijwillige bijdragen aan.—Ja, vrijwillig, omdat ze liever een paar dagen droog brood eten, dan ’t er op te wagen om den heelen winter zonder brood te zitten;—daarom komen ze, omdat ze zóó arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,—zóó arm is de oude Steffensen niet—dat is ’t heele verschil.”En alsof hij ’t niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had, ging hij haastig voort:„Want je moet weten, kind! dat het hier in ’t land als een genade beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar even in ’t leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je ’t nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste kleinigheid de straat op jaagt—ja, dan moet je komen aanzetten met je vrijwillige bijdragen. ’t Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de humane behandeling een melkkan.”Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw Gottwald, die binnenkwam en groette. ’t Was nog zoo licht in het westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat verlegen; ’t was lang geleden, dat hij haar gezien had.Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht, gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te ontmoeten, als hij bij Greta was.Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden wat verlegen. Eindelijk zeide zij: „U komt nooit meer bij mij, Mijnheer Lövdahl.”„Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger.”„Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je hem nog?”„Ja, zoo duidelijk,” antwoordde Abraham; „vooral in die kleine grijze winterjas, met die ceinture in den rug.”„Ach, lieve hemel, ja!—die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste.”Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen waren zij aan het kerkhofgekomen, waar Mevrouw Gottwald heen wilde,—naar het graf van kleinen Marius.’t Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te zeggen, maar ’t weer opgaf.Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand hielden, keerde zij ’t mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: „Je moet niet boos op me worden,—Abraham!—Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta Steffensen...”Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken.„Neen, neen!... zóó meen ik het niet—lieve Abraham. Ik weet wel, dat je zoo niet ben. Maar toch—ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest, dat ’t me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!”Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan haar herinnerde.Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond.’t Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek met Mevrouw Clara.„Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest—zegt Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn.”’t Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk, wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren.„Ja—ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest ben, Abraham?” begon Clara nu.Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen.„Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham er ook een heeft.”„’t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna wordt voorbereid?” vroeg Abraham.„Heb je dat dan niet eerder gehoord?” vroeg Clara.„Niemand heeft er me een woord van gezegd.”„Ja, mij ook niet; ’t moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn,” zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen glijden.„En die collecte, Vader...”„St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?” riep de professor en hield de handen voor de ooren.„Ja, dat moet ik ook zeggen,” merkte Clara op.„U weet het dus—Vader!—Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo’n collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden.”„Als we er nu juist over moeten praten,” antwoordde de professor, „dan vind ik zoo’n idee,als het van de arbeiders zelf uitgaat, mooi en eervol voor beide partijen.”„Ja, als het van de arbeiders uitgaat.”„Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel,” sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op Abraham maakte.„Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was uitgegaan?” vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham liep de kamer op en neer met een sigaar.Na een pauze zei hij:„’t Kan zijn, dat ’t oorspronkelijk plan van de arbeiders is uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen—misschien de meesten—meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs, dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage aankomt, niet zeker is dat hij in ’t werk blijft.”„Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer met je vriend Steffensen gepraat.”Abraham moest toegeven, dat het zoo was.„Ja, wat hem betreft is ’t vrijwel hetzelfde of hij al dan niet „met zijn bijdrage aankomt,” zooals jij ’t noemt. Zijn ontslag is al besloten, en hij krijgt het binnen kort.”„Dat kan toch niet, Vader?—Moet Steffensen weggejaagd worden? een bekwaam arbeider, die nooit drinkt.”„Weggejaagd!—wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moetSteffensen weg. Dat is toch zoo eenvoudig en klaar als de dag.”In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als hij hem anders toescheen; maar ’t was nog nooit gebeurd, dat Abraham zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd hij driftig; ’t bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei:„Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;—òf ik ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!”„Neen maar... wat bezielt je, Abraham!” riep Clara.„Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest, dat zit hem in ’t bloed.—Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham, als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer, die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik iets van deze geheime voorbereidselen voor ’t feest gehoord hebben, zie je, dat is immers alleen uit kieschheid.”„Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?”„Steffensen—die Steffensen?—je kent hem niet, Abraham.”Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. ’t Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de familie nogkwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo’n lust om even binnen te komen.Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen.En dan ook—Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,—liefst wat royaal—en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes, die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden, hoe akelig en burgerlijk ’t was overdadig met eten en drinken om te gaan, zelfs al kon men ’t wel betalen.De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op ’t inwendig bedrijf van de fabriek.Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en ’t was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen na tafel en nam maar weinig deel aan ’t gesprek.Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij elkaar te komen, terwijl de predikant,—wat verlegen—vroeg wanneer hij den professor over zaken zou kunnen spreken.
Abraham haalde langzamerhand heel wat mandjes bij Greta Steffensen, tot ze zulke goede kennissen werden, dat er geen voorwendsel voor een bezoek meer noodig was.
Ze trok hem op een vreemde manier aan, met een zachte, stille kracht; hij dacht er geen oogenblik aan die te weerstaan.
En de oude was eigenlijk interessant, als men maar eerst aan hem gewend was. Abraham vond in de spottende redevoeringen, die Steffensen gewoonlijk hield, veel van de moderne beschouwingen terug, waar hij zelf in stilte mee rond liep. Maar liefst als er in Abraham iets in beweging kwam, een gevoel, dat er iets niet in orde was met hem, dat er een fout in zijn leven was, iets hols in ’t geluk, dat hem altijd gediend had, of als dat een nog erger vorm aannam en hij zich als ’t ware in bochten wrong voor twee onverbiddelijke oogen—dàn ’t liefst sloop hij ’t huisje binnen, dat daar aan den bocht van den weg lag, waar die zich van de fabriek af boog. Dan ging hij dicht bij Greta zitten, nam een van haar kleine, fijne handen en legde die op zijn gezicht, opdat ze de vingers over zijn trekken zou laten gaan om te raden, waar hij aan dacht. Ze zat met hem te babbelen onder haarwerk, en dan was er niets van ’t honende en bittere, dat daarop te voorschijn kwam, als haar vader sprak. Zij boog het hoofd en luisterde naar Abrahams stem, en een gelukkige glimlach lag om den fijnen mond, zoolang hij daar was.
’t Was niet moeilijk geweest voor Abraham om haar vertrouwelijkheid te winnen. Van ’t oogenblik dat zij zijn stem voor ’t eerst hoorde, had ze hem zooveel vertrouwen getoond, als een gewoon jong meisje hem nooit zou gegeven hebben. Maar omdat zij niet zien kon, werd ze nooit in de war gebracht door een schaduw of een veranderde uitdrukking op zijn gezicht, en daardoor kwam het, dat ze vrijmoedig en onbekommerd sprak over allerlei waar men anders over heen glijdt met een blik of een lichte handbeweging.
Ze was gewend de dingen bij hun naam te hooren noemen; en de omgang met haar grof besnaarde vader had haar een naieve zekerheid gegeven, die nooit geschokt was door een dubbelzinnigen glimlach of een kwetsenden blik.
Abraham was de eerste, dien zij ontmoette uit een wereld, die beschaafder was dan de hare; en daarom waren er ontelbare zaken, waar zij met hem over wilde spreken, en die ze vroeger vóór zich gehouden had. Zoo werden hun bijeenkomsten een bonte mengeling van kinderpraatjes en de allerintiemste vertrouwelijkheid.
„Hoe kun je ’t toch verdragen, dat je zoo rijk ben!” zei ze eens tegen hem.
„Wat meen je met „verdragen?””
„Kun je dat niet begrijpen, dan ben je dom.”
„Ja, je weet, dat ik dom ben.”
„Alleen maar als je wilt; want anders ben je verschrikkelijk wijs.”
„Wat meende je dan?”
„Heb je Vader nooit hooren vertellen van de armen? van de echte armen, niet zooals wij, maar van menschen, die geen eten hebben?”
„Vader is rijk; ik ben niet rijk.”
„Och—zoo kom je er niet af; je kunt alles krijgen, wat je wilt; en als hij sterft, krijg je alles. Wat zul je dan met al dat geld doen?”
„Ik zal jou zooveel geven als je hebben wilt.”
„Waarom wil je mij zooveel geven?”
„Omdat... omdat...”
„Omdat je me liefhebt,” zei ze en lachte.
Abraham voelde dit als een schok en zocht naar antwoord; ze gebruikte dat zeldzame, moeilijke woord even gemakkelijk als ze op andere oogenblikken met een echte ruwe uitdrukking van haar vader aan kon komen.
„Of heb je me niet lief? Waarom kom je dan hier en zit me op te houden als ik werken moet?” Ze lachte weer zoo vergenoegd. „Maar je kunt er van op aan, dat ik het weet. En van je vrouw houdt je ook niet meer.”
„Neen maar, Grete! Hoe ben je zoo wijs geworden!”
„Dat heb ik gehoord.”
„Van wie?”
„Van jou.”
„Dat is heelemaal niet waar,—Grete!—Ik heb nooit een woord gezegd...”
„Neen, geen woord!—’t Zijn niet de woorden, die ik hoor, ’t is de klank. Ik weet al waar je aan denkt, als je „Dag Grete,” gezegd hebt! Ja, ik kan ’t aan je voetstappen buiten hooren of je alleen komt om me op te houden, of dat...”
—„of dat...?”
Ze liet haar werk vallen en strekte de armen naar hem uit; en eer hij het kon verhinderen—als hij het al gewild had—gleed zij op zijn schoot en fluisterde hem in ’t oor:
„Of dat je komt—moe en gedrukt, omdat je verdriet hebt, Abraham.”
Zonnestralen vielen in de kamer; ’t was herfst—vroeg in den herfst, met laag staande zon, die de kleine vensters binnenscheen en de kamer met warm goud licht vulde. En terwijl Abraham, wonderlijk bedwelmd en half beschaamd trachtte zich te houden, als gebeurde er niets bizonders om haar niet af te schrikken, legde Greta haar wang tegen de zijne en zei, dat ze voelde hoe de zonneschijn haar omringde aan alle kanten en dat het haar zoo goed deed.
Hij werd opeens zoo grenzenloos bedroefd, dat hij wel had willen schreien, zooals hij daar zat en haar in de armen hield; hij had het nooit te voren zóó gevoeld; maar ’t was als zag hij op dit oogenblik voor ’t eerst, hoe onuitsprekelijk averechts en onzinnig het leven was; alles werd hem zoo helder—zoo helder en leeg; ’t kwam hem voor of hij zelf al oud was en door een lange laan van teleurstellingen liep. En wat zou ’t leven die stumper brengen, die zich aan hem vastklemde?
Ze voelde zijn stemming dadelijk. Dat deed ze altijd.
„Vandaag ben je gedrukt, Abraham!—en weet je waarom?”
„Weet jij het, Grete?”
„Je zoudt mij liever tot vrouw hebben dan haar, die je nu hebt.”
„Ja, weet je; dat was misschien beter,” barstte hij bitter uit.
„Maar dat gaat niet,” ging zij ernstig voort, en ging—voor zich uit voelend, weer naar haar plaats.
„Waarom niet?”
„Ten eerste omdat je er al een hebt, en ten tweede—ik kan niet trouwen.”
„Wie zegt dat?”
„Vader heeft het gezegd.”
„Och—als je een man vondt, dien je goed kende en waar je van hieldt.”
„Neen, ’t is niet om den man; maar om de kinderen; vader zegt, dat als ’t kleintje naar de kachel gaat en kokende koffie over zich heen gooit, dan kan ik het niet zien;—ach—ik zie het vóór me!” ze hield de hand voor de blinde oogen—, „neen, neen, het gaat niet.”
’t Was duidelijk, dat dit beeld in haar bewustzijn gebrand stond en alle gedachten aan zooiets buitensloot.
Abraham was in gedachten verdiept geraakt; hij zat met haar lange vlechten te spelen; zij boog zich over haar werk en zei ook niets.
Zoo zaten ze toen Steffensen tegen zeven uur van de fabriek thuis kwam. Abraham kon er niet goed achter komen of de oude iets tegen zijn bezoeken aan Greta had; maar vandaag was het toch duidelijk, dat Steffensen ’t niet prettig vond hem te ontmoeten.
Hij liep door de kamer te fluiten, en Greta fluisterde Abraham toe: „Vader is boos.”
Intusschen was Steffensen naar de keuken gegaan, waar hij zich gewoonlijk waschte, als hij van ’t werk kwam; en terwijl hij in ’t waschwater dook en proestte als een nijlpaard, riep hij hardop:
„Een trekpot!—wat zeg je—een zilveren trekpot met suikerpot en melkkan!—van alle... ho!ho!”—hij dook weer met het gezicht onder water—„van alle arbeiders op Fortuna; dat wordt buitengewoon plechtig—wat zeg je?”
„Begrijp je ’t?” fluisterde Greta.
„’k Begrijp er geen woord van,”—antwoordde Abraham, en stond op om heen te gaan.
—„voor de vriendelijkheid: de trekpot;—voor de goede zorg: de suikerpot;—en voor de humane behandeling: de melkkan!—wat zal de brave man verrast wezen! haha!—neem me niet kwalijk—jongeheer!—de oude Steffensen neemt de vrijheid jelui allemaal uit te lachen.”
„Wat is dat toch voor een trekpot, waar je van praat?” riep Abraham.
„Och—stel u nu niet aan! hoe aandoenlijk dat u zoo’n stukje comedie wilt spelen voor een eenvoudig man. Ik heb ook comedie gespeeld in mijn jeugd—dat was nog wel in Mandal; God betere ’t! maar ik speelde beter dan u, Meneer de directeur!”
„Best mogelijk! Want ik speel geen comedie. Ik begrijp u niet,—geen woord van al wat u zegt.”
Steffensen kwam in de deur staan, terwijl hij zich met den handdoek afdroogde. Hij had een rood vet glimmend gezicht met twee groote uitpuilende oogen, die hij nu op Abraham richtte als een tooneelkijker.
„En u wilt me wijs maken...”
„Hij weet niets, Vader.”
„Bah, wat weet jij daarvan?—ik heb een paar goede oogen in mijn hoofd; durft u me vlak aankijken en zeggen, dat u niets weet van het arbeidersfeest, dat op Fortuna wordt voorbereid?”
„Ik heb er geen woord van gehoord,” antwoordde Abraham.
„U kunt er zeker van zijn, dat hij niets weet,” voegde Greta er ernstig bij.
„Wel drommels!” mompelde Steffensen ongeloovig; „misschien weet u ook niets van het eeregeschenk: trekpot, suikerpot en voor de humane...”
„Schei uit,” riep Abraham knorrig, „ik heb geen lust naar je onzin te hooren; dag Greta!”
„Och, Meneer de directeur,” zei Steffensen en wreef zich vergenoegd in de handen. „Wil Meneer niet zoo vriendelijk zijn een paar minuten te blijven, dan zult u eens wat hooren. Vandaag ging Marcussen,—de kindermeid—zooals ze hem noemen—rond op de heele fabriek en zei ons aan, dat alle arbeiders overeen gekomen waren aan Professor Lövdahl een eeregeschenk te overhandigen—wat zegt u? op den 4den October,—den beroemden verjaardag van den professor. ’t Was natuurlijk volkomen vrijwillig; maar hij twijfelde er niet aan, dat elke brave arbeider met vreugde deze welkome gelegenheid zou aangrijpen... ja, dat lesje kent u wel?—’t Komt regelrecht van den droogzolder van den bankdirecteur Christensen.
„Wilt u meêdoen?” vroeg Abraham.
„Nee, nee, mijn beste Meneer! De oude Steffensen antwoordde: „nee niks, padetout!”—en de anderen hadden grooten lust hetzelfde te doen; maar toen zagen we allemaal, dat Marcussen een streepje in zijn boekje zette, en dat moest zeker beteekenen, dat Steffensen den langsten tijd op de fabriek geweest is.”
„Och onzin! Steffensen! meen je nu, dat Vader om zulke dingen geeft; ik ben er zeker van, dat hij alles zou doen om die dwaze collecte te verhinderen, als hij er van wist.”
„Ach, wist je maar... wist je maar...” neuriedede oude en liep weer de keuken in om zich verder klaar te maken.
„Waarom kunt u niet meê doen, Vader?” vroeg Grete wat angstig; „’t is toch zeker niet veel voor elk apart.”
„Waarom ik niet meê kan doen, mijn kind?—ja, dat zal ik je zeggen.” En hij ging midden in de deur staan en richtte ’t hoofd op, alsof hij van ’t spreekgestoelte sprak: „omdat dit heelemaal humbug is—een spiegelgevecht en een drommelsche vertooning! Meen je soms, dat de menschen, die daar op de fabriek werken,—dat die ooit een cent bezitten, die ze niet zelf hard noodig hebben?—en toch komen ze allen met hun vrijwillige bijdragen aan.—Ja, vrijwillig, omdat ze liever een paar dagen droog brood eten, dan ’t er op te wagen om den heelen winter zonder brood te zitten;—daarom komen ze, omdat ze zóó arm zijn, dat ze gedwongen zijn om laf te zijn,—zóó arm is de oude Steffensen niet—dat is ’t heele verschil.”
En alsof hij ’t niet prettig vond, dat hij dat laatste gezegd had, ging hij haastig voort:
„Want je moet weten, kind! dat het hier in ’t land als een genade beschouwd wordt zich dood te werken voor een loon, dat je maar even in ’t leven houdt en je lichaam zoowat bekleed. En als je ’t nu zoo gelukkig treft, dat je slooft voor een kapitalist, die je niet heelemaal dood knijpt, en die je niet direct voor de minste kleinigheid de straat op jaagt—ja, dan moet je komen aanzetten met je vrijwillige bijdragen. ’t Kapitaal wil zilver hebben: een trekpot voor de vriendelijkheid, voor de goede zorg een suikerpot en voor de humane behandeling een melkkan.”
Hij werd gestoord door dat iemand op de deur klopte; dat was Mevrouw Gottwald, die binnenkwam en groette. ’t Was nog zoo licht in het westen, dat men elkaar kon zien in de kamer, en Abraham groette wat verlegen; ’t was lang geleden, dat hij haar gezien had.
Mevrouw Gottwald gebruikte in hare modezaak veel manden van Greta Steffensen en kwam daarom dikwijls bij haar aan. Abraham had haar een paar maal ontmoet; maar vermeed dit liefst. Gedeeltelijk had hij een slecht geweten, omdat hij haar zoo zelden een bezoek bracht, gedeeltelijk vond hij het niet prettig menschen uit de stad te ontmoeten, als hij bij Greta was.
Maar dien avond kon hij niet ontsnappen. Mevrouw Gottwald verzocht hem ronduit te wachten, dan konden zij te samen naar huis gaan. Hij presenteerde haar den arm, en zij liepen een eindweegs voort, beiden wat verlegen. Eindelijk zeide zij: „U komt nooit meer bij mij, Mijnheer Lövdahl.”
„Lieve Mevrouw Gottwald, noem u mij toch Abraham, zooals vroeger.”
„Ik wil u zoo heel graag noemen als vroeger. Maar u is me in den laatsten tijd zoo vreemd geworden, ik kan u niet meer zien als de vriend en de afgod van kleine Marius, want dat was je. Herinner je hem nog?”
„Ja, zoo duidelijk,” antwoordde Abraham; „vooral in die kleine grijze winterjas, met die ceinture in den rug.”
„Ach, lieve hemel, ja!—die heb ik nog altijd. Het doet me zoo goed iemand te spreken, die hem gekend heeft. En je ben zoowat de eenigste.”
Abraham nam zich voor haar vaker een bezoek te brengen; en intusschen waren zij aan het kerkhofgekomen, waar Mevrouw Gottwald heen wilde,—naar het graf van kleinen Marius.
’t Was Abraham een paar maal voorgekomen alsof zij iets trachtte te zeggen, maar ’t weer opgaf.
Maar toen ze afscheid van elkaar zouden nemen en elkaar bij de hand hielden, keerde zij ’t mooie bedroefde gezicht naar hem toe met een angstige uitdrukking in de heldere, bruine oogen: „Je moet niet boos op me worden,—Abraham!—Er is iets wat ik je zeggen moet. Greta Steffensen...”
Hij maakte een ongeduldige beweging en wilde zijn hand terugtrekken.
„Neen, neen!... zóó meen ik het niet—lieve Abraham. Ik weet wel, dat je zoo niet ben. Maar toch—ja dat wilde ik maar zeggen, omdat... omdat ik altijd een gevoel heb, dat je ook een beetje van mij ben, ter wille van kleine Marius. Nu moet je niet boos wezen en niet denken, dat ik me met iets bemoei, wat me niet aangaat; mijn leven is zoo geweest, dat ’t me is alsof alle weerlooze vrouwen mij aangaan. Goeden nacht!”
Abraham liep door in de richting van de stad, en dacht intusschen aan zijn moeder. Er was altijd iets in Mevrouw Gottwald, dat hem aan haar herinnerde.
Dat de menschen hem konden wantrouwen in zijn verhouding met Greta Steffensen, had hij wel gedacht. Maar het ergerde hem, dat Mevrouw Gottwald daarop gezinspeeld had. En door deze nieuwe indrukken raakte wat hij van Steffensen had gehoord wat op den achtergrond.
’t Was donker in de kamer van den professor; maar boven in zijn eigen woning vond Abraham zijn vader in een vertrouwelijk gesprek met Mevrouw Clara.
„Goeden avond, mijn jongen! je ben den heelen middag uit geweest—zegt Clara. Kom nu eens bij ons zitten. Ik wil van avond jelui gast zijn.”
’t Gezicht van den professor straalde, terwijl hij het mooie jonge paar aanzag, de elegante kamers, al die weelde en al dat geluk, wat hij geschapen had voor die twee menschen, die hem zoo lief waren.
„Ja—ik zou ook wel eens willen weten, waar je al dien tijd geweest ben, Abraham?” begon Clara nu.
Maar de professor merkte, dat Abraham niet best gehumeurd was, en hij had al geleerd kleine scènes tusschen hen te voorkomen.
„Laat ons dat nu niet vragen, Clara! Er zitten zooveel geheimen en verrassingen in de lucht; je kunt er wel zeker van zijn, dat Abraham er ook een heeft.”
„’t Is dus waar, wat men vertelt, dat er een arbeidersfeest op Fortuna wordt voorbereid?” vroeg Abraham.
„Heb je dat dan niet eerder gehoord?” vroeg Clara.
„Niemand heeft er me een woord van gezegd.”
„Ja, mij ook niet; ’t moet een plannetje van de jonge Mevrouw zijn,” zei de professor; hij wilde er klaarblijkelijk schertsend over heen glijden.
„En die collecte, Vader...”
„St! st! Hoe kun je zoo indiscreet zijn?” riep de professor en hield de handen voor de ooren.
„Ja, dat moet ik ook zeggen,” merkte Clara op.
„U weet het dus—Vader!—Dat had ik niet gedacht. U moet toch zoo’n collecte onder arme arbeiders uiterst pijnlijk vinden.”
„Als we er nu juist over moeten praten,” antwoordde de professor, „dan vind ik zoo’n idee,als het van de arbeiders zelf uitgaat, mooi en eervol voor beide partijen.”
„Ja, als het van de arbeiders uitgaat.”
„Daaromtrent bestaat in dat geval niet de minste reden tot twijfel,” sprak de professor met heel zijn waardigheid, die altijd indruk op Abraham maakte.
„Je meende misschien, dat die collecte van Vader zelf was uitgegaan?” vroeg Clara honend, terwijl ze den professor een glas warme grog bracht, die ze zelf voor hem had klaargemaakt; hij kuste haar galant de hand, en ze nam dicht bij hem plaats met haar werk. Abraham liep de kamer op en neer met een sigaar.
Na een pauze zei hij:
„’t Kan zijn, dat ’t oorspronkelijk plan van de arbeiders is uitgegaan; maar dit weten we toch allemaal, dat velen—misschien de meesten—meêdoen enkel omdat ze niet anders durven; ja ik weet zelfs, dat ze op de fabriek zeggen, dat hij, die niet met een bijdrage aankomt, niet zeker is dat hij in ’t werk blijft.”
„Wie heeft je dien onzin wijsgemaakt? Abraham! nu heb je zeker weer met je vriend Steffensen gepraat.”
Abraham moest toegeven, dat het zoo was.
„Ja, wat hem betreft is ’t vrijwel hetzelfde of hij al dan niet „met zijn bijdrage aankomt,” zooals jij ’t noemt. Zijn ontslag is al besloten, en hij krijgt het binnen kort.”
„Dat kan toch niet, Vader?—Moet Steffensen weggejaagd worden? een bekwaam arbeider, die nooit drinkt.”
„Weggejaagd!—wie zegt nu, dat hij zal worden weggejaagd?! De directie verlangt bezuinigingen en nu hebben we uitgezien naar goedkooper werkkracht. Die hebben we gevonden en nu moetSteffensen weg. Dat is toch zoo eenvoudig en klaar als de dag.”
In den laatsten tijd was het een paar maal gebeurd, dat Abraham zijn vader in kleinigheden niet zoo groot en volmaakt gevonden had als hij hem anders toescheen; maar ’t was nog nooit gebeurd, dat Abraham zich ronduit tegen zijn vader verzette. Maar op dit oogenblik werd hij driftig; ’t bloed steeg hem naar het hoofd, en hij zei:
„Ik vind niet, dat ik volkomen royaal behandeld word: hier worden afspraken en schikkingen gemaakt, waar ik geen woord van weet;—òf ik ben directeur, en dan wil ik als directeur behandeld worden, òf ik kan heengaan. Ik wil niet als een nul voor spek en boonen er bij loopen!”
„Neen maar... wat bezielt je, Abraham!” riep Clara.
„Wees maar kalm, kind! Abraham is altijd wat driftig geweest, dat zit hem in ’t bloed.—Je zult zelf wel inzien, lieve Abraham, als je even kalm nadenkt, dat je je vergist. Men geeft je alle eer, die je toekomt, als assistent van de directie; maar dat jij noch ik iets van deze geheime voorbereidselen voor ’t feest gehoord hebben, zie je, dat is immers alleen uit kieschheid.”
„Nu ja, dat kan wel zijn: maar ik vraag nu: zal Steffensen ontslagen worden, als ik uitdrukkelijk verlang, dat hij blijven zal?”
„Steffensen—die Steffensen?—je kent hem niet, Abraham.”
Op dat oogenblik kwam het dienstmeisje binnen en zei, dat er een heer en dame in de vestibule waren, die vroegen of de familie thuis was. ’t Bleek, dat het dominé Kruse en zijn vrouw was. Zij spraken allebei tegelijk, en maakten veel excuses, omdat ze zoo laat op den avond de familie nogkwamen storen. Maar ze kwamen juist van de bijbellezing en zagen, dat er nog licht op was, en toen kregen zij zoo’n lust om even binnen te komen.
Ze werden heel vriendelijk ontvangen, omdat ze zoo heel gelegen kwamen.
En dan ook—Clara hield veel van Mevrouw Frederika. Ze vond het prettig de dominé en zijn vrouw goed te onthalen,—liefst wat royaal—en tegelijk hoorde ze met belangstelling naar alle kunstjes, die Frederika haar leerde om zuinig te koken. En als Abraham dan den volgenden dag knorde over saus, die eigenlijk niet meer dan een dikke meelpap was, vond ze er een genoegen in hem voor te houden, hoe akelig en burgerlijk ’t was overdadig met eten en drinken om te gaan, zelfs al kon men ’t wel betalen.
De professor en de predikant kwamen spoedig in een gesprek, dat over de armen begon, toen op de fabrieksarbeiders kwam en eindelijk neerkwam op ’t inwendig bedrijf van de fabriek.
Alleen Abraham voelde zich steeds onaangenaam gestemd; hij hield niet van dien pedanten Maarten de achterblijver, ook niet van zijn vrouw; en ’t was hem zelfs onaangenaam, dat deze menschen zich in den laatsten tijd meer en meer in zijn kring drongen. Hij bleef op en neer loopen na tafel en nam maar weinig deel aan ’t gesprek.
Dat was anders levendig genoeg; want de predikant had evenveel aan den professor te vragen als Clara aan Frederika; en toen ze afscheid namen, hadden de dames afgesproken den volgenden Maandag weer bij elkaar te komen, terwijl de predikant,—wat verlegen—vroeg wanneer hij den professor over zaken zou kunnen spreken.
VI.Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De professor was kalm en welwillend, maar ’t viel niet te ontkennen, dat hij wat nieuwsgierig was.Omdat hij meende dat ’t op een liefdadigheidscollecte of ander vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken.Maar hij begreep gauw, dat daar ’t gesprek niet over loopen moest; en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend directeur van de fabriek.„Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een Voorzienigheid in ’t klein moet wezen voor zooveel menschen. We probeerenzooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren.”Maar dat was het ook niet.—Ook over de arbeiders wilde de kapelaan niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend:„De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld.”„De aandeelen!—wat blieft u?—nu ja. U vroeg naar de aandeelen,—ja, die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen—zoo heel veel zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen, en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven.”De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had, toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden.Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor altijd de man van wetenschap—klaar met spot van uit de hoogte met de „kooplui.” Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen en winst zouden zitten praten.Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde.„Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?” vroeg de predikant, toen zij een poosje gepraat hadden.„Ja,—om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er ’t laatst van kocht...”„Koopt u ze dan zelf?”„Neen, dat doe ik eigenlijk niet,” antwoorddede professor; „ik heb al zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen, dan onaangenaamheden hebben.”„En toen hebt u betaald...?”„Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen—voor zoover ik me herinneren kan.”„Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?” vroeg de kapelaan levendig.„Wilt u dan koopen?”„Ik zal u zeggen, Professor,” antwoordde Maarten en trachtte wat zalvend te spreken, „mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van wat men aardsche goederen noemt.”„Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft.”„Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun in ziekte of andere beproevingen—dat is alles. Maar hoe onbeduidend het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt.”„Natuurlijk,” merkte de professor op.„’t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant voor vermogend houdt,” voegde de kapelaan er ernstig bij.De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde, zei welwillend:„Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in ’t algemeen door mij uw geld te laten plaatsen...”„Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag,” riep Maarten levendig uit; „een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf regelen;maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het tijdelijke te verwaarloozen.”„Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en ’t zal mij een genoegen zijn, als ik...”„Dank u, ik dank u hartelijk!” riep de kapelaan en herwon nu al zijn waardigheid; „als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik hopen dat bij u te kunnen plaatsen?”„Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste wijze uit te zetten.”„Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?” zei Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan.„In mijn zaak?” herhaalde de professor langzaam.„Dat laat ik geheel aan u over,” zei Maarten haastig, terwijl hij opstond om heen te gaan. „U weet zelf, Professor, hoe kleiner ’t kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken.”Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig bezoek. ’t Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven, zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar ’t zou nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in ’t groot te doen; hij had geen geld noodig—allerminst duur geld; en als ’t op hoop van hooger rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon ’t wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen in Fortuna nemen—dat was iets anders. ’t Was altijd een steun als er koopers kwamen.Maar Maarten liep er over te denken—of hij toch niet dom gedaan had door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon.—’t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van ’t groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum wat steviger zou worden als ’t op den verjaardag van Professor Lövdahl werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op ’t zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen.Mevrouw Christensen schreide—ja zoowaar, dat deed ze,—ze schreide iederen dag een deuntje om dat zilveren servies.Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en melkkan van massief zilver!Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu niets voor haar man om daarmeê aan te komen. ’t Was daarom geen zier minder ergerlijk!Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor, alsof Professor Lövdahl ’t uit haar eigen kast gestolen had;—ja er was zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: „Daar stond het!”„Je ben een uil—Christensen,” herhaalde ze snikkend toen het feest naderde; „je kunt president zijn van vereenigingen voor arme kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me, goeie God!—je geeft me daar vrijwillig ’t eenige baantje op, waar een beetje zilver van kon komen,—ja, want dat kon je toch wel van te voren weten. En dan moet ons—ja ik zeg met opzet:onszilver naar dien... dien...” Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was voor ProfessorLövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde.’t Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur kon dat toch niet, omdat ze in ’t zelfde huis woonden; en dan werden ze weer goed op elkaar—tot ze weer boos werden.Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden.En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam.Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troepDuitschemuzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het weer zoo mooi als het maar kon. ’t Was heel stil in de lucht,—frisch, maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee.De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn stemdoen voort klinken over de menigte op de helling beneden.Marcussen was aan ’t versieren met vlaggen en groen; hij had een paar van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij hielp ze op en af van trappen en stoelen—gedienstig en galant. En de meisjes lachten en gilden zoo’n beetje, en lieten zich in zijn armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp.Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in ’t kerkeboek had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor geworden en wat het feest betreft—hij was eigenlijk daar de man.Intusschen was ’t ook druk in ’t huis van de Lövdahls: er zou een groot heerendiner gegeven worden ter eere van ’t feest en de tafel stond al gedekt in de zaal.Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte, heen en weer onder ’t kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou.Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warmen met een kleur en de japon nog maar half dicht.„Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het feest, zegt hij.”„O zoo, is ’t anders niet?—Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat is er? Abraham, waarom wil je niet meê?” vroeg de professor vriendelijk aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam.„Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar Clara stuift dadelijk op en dan...”„’t Verjaarfeest van je vader,” viel de professor hem glimlachend in de rede.„Neen Vader,—dat is ’t niet. Dàt vieren we hier—thuis; maar ’t feest op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning—als u ’t bij den naam noemen wilt.”De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: „Ik heb geen tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je zegt of liever van wat je meent; maar je hebt—zooals de jeugd over ’t algemeen tegenwoordig—een ongelukkige lust om met een te groote ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen waar ’t in ’t geheel niet past.”„Maar als ’t nu mijn overtuiging is.”„Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen, die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van middag om 4 uur bij mij te komen eten?”„’t Is niet goed van u, Vader, om ’t zoo op te nemen; u weet best...”„Ja zeker, ik weet ’t zoo best, dat je ’t op jouwmanier goed meent, en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten zijn; dat zit je in ’t bloed. Ik probeerde—zooals je je misschien herinnert—meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven ’t gemiddeld peil verheft—neen, neen! laat me uitspreken; we zullen niet disputeeren, maar dat is ’t toch, waar alles uit voortkomt.—Och, lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?”Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord.Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,—zijn mooie vrouw—vroolijk in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat, den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren dat zijn vader en zijn vrouw ’t ooit over iets oneens geweest waren.Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die van Abraham.Hij had, terwijl hij daar zoo aan ’t venster stond een gevoel, alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen ouden jong bestond. Er was immers, als hij ’t nauwkeurig naging geen enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte, die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens gedachtengang in den grond toch zoo edel was,—hoe hij zoo vreemd, ja bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde.En Clara,—zij ook!—wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze paradoxen haar bijval geschonken had.Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen, die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording, zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken.Abraham bleef lang aan ’t hoekvenster staan en keek neer op de straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buitende stad te doen en frissche lucht te scheppen.Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was ’t enkel een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed.En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch niet eigenlijk iets heel belachelijks in?Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten verzetten, òf—beter nog, midden op ’t feest moeten optreden en ’t luide uitspreken, dat hij zoo’n vertooning, waar het kapitaal indirect de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong—humbug vond, en erger!Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als die onschuldige burgers meegaan naar ’t feest; niets was toch zoo miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers.En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen als een domper: ’t gevoel hoe averechts en onzinnig ’t leven was ingericht; hoe mislukt hij zelf was,—bedorven, een sukkel, die ’t nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en groote schandelijke nederlagen.Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden haar en hadden een vriendelijkwoord voor haar en dan was er ook muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De muzikanten speelden: „die Wacht am Rhein” tusschen de verschillende toespraken in.Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was.De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames; champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over ’t laatste groen uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard, waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters stonden in groepjes daar omheen;—stil en ernstig.Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen in staan.De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest, en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht en Lövdahl had bedankt met een: „Leve de arbeiders!” Die toast was juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij.Warm door ’t bier drinken in de zon, en van’t hoera! roepen stonden de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet te goed achtte om een glas bier te nemen onder ’t volk.Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in ’t minst niet verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde.De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die aan iets kwaads dacht,—niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl een haar beter was dan deftige stadsmenschen over ’t geheel waren; maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze bijna kon doen, wat ze wilde.„Is je vader hier niet, Grete?”„Ja,—hij was juist hier; zie je hem niet?”„Neen—tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij ’t spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen.”„Ja, daar is hij zeker,” meende Greta met een slim lachje.Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend.„Wat bedoel je?—wat is je vader van plan te doen?”„Vader zal een toespraak houden,” fluisterde Greta triomfeerend.„Goeie hemel!—dat moet hij niet doen!” riep Abraham onwillekeurig; hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield—en die zou natuurlijk onaangenaam worden—dan maakte hij zichzelf heelemaal onmogelijk.Maar Steffensen stond al op ’t spreekgestoelte; met den hoed in de hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden.Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde; en ’t heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van ’t spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk:„Dames en Heeren!—ik ben een arbeider—een van de slecht gezinden—zegt men;—een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!—Ik wil u hier alleen maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan.”Intusschen schenen de „Hooggeëerde heeren en dames” ’t plotseling druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken.„Ik wil u dank zeggen,” riep Steffensen luid, „u dank zeggen, omdat u vandaag—dames en heeren!—de zon zoo heerlijk en gratis op ons, kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan onze spaarduiten voor een zilverenservies, omdat u onze vrouwen en dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u.”Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid lachend tot de arbeiders.„Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor jelui houden.”„Steffensen moet zijn bek houden,” klonk een zware stem uit de arbeiders.„Neen, neen! laat Steffensen spreken,” riepen zij van andere zijden; maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig, kalm man zei: „Steffensen moet niet spreken.”’t Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen verscheidenen: „Steffensen moet niet spreken,” terwijl de beste arbeiders zich om Abraham schaarden.Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: „Als hij ’t is—de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de moeite sparen; want hij is ’t met ons eens;—hij is een van de onzen, niet waar, Mijnheer de directeur?”Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij zeggen moest.„Maar waaromantwoordje niet?” vroeg Greta verwonderd; „je ben ’t immers met ons eens.”Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke manier van het spreekgestoelteaf te komen en er ontstond een oogenblik van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen.Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in ’t leven te kunnen ingrijpen en zijn man te staan.„Ja, zeker ben ik een van de uwen,” riep hij den arbeiders toe; „daarom blijf ik hier beneden bij u—en niet daar boven bij de aristocraten. Wij,—wij arbeiders—we zullen elkaar trouw blijven, hier is mijn hand!”Die werd door honderden gegrepen—gedrukt en omklemd. En niemand had den directeur ooit te voren zóó gezien,—rank en stralend, zooals hij zich langzaam een weg baande door de schare heen.Steffensen wilde weer van ’t oogenblik gebruik maken en stelde luide voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen, enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten; allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in zijn val.Naar zijn voorstel luisterde men niet en ’t verloor zich geheel in een donderend „hoera!” voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid.De arbeiders trokken zich toen ook terug inkleine groepjes na eerst Abrahams hand stevig gedrukt te hebben.Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige, strijdlustige stemming.Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin hij aan ’t hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader zich voor hem bogen en zeiden:„Je hadt toch gelijk!”Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal tevreden over Abraham.„Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo laf zijn als jelui,” zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die lid was geweest van ’t comité, dat het zilver had aangeboden.„We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen.”„Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten.”„Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten—bij de directie,” meende de timmerman.„Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip.”„Dat zal mettertijd wel blijken.”„Ja, dat zal ’t wel,” bromde Steffensen nijdig; hij begreep de toespeling.De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van de stad, en vooral na dendood van zijn vrouw had het groote diner langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele toasten en wonderlijke plechtigheden.Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren, dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd.Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd en zat innig vergenoegd te knipoogen.En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken.Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was.De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn zoon naar ’t venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het geraas van den feestdisch gestoord te worden.„Ik wist wel, dat je komen zoudt—mijn beste jongen,” zei de professor hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders.Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort:„Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld; maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer ze aan elkaar verbonden worden...”„Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en zilver,” antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen.„Hoe meen je dat?” vroeg zijn vader en trok zijn arm terug.„Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader.”„Ja, ik zag je daar.”„En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen om mij heen.”„Heb je een vereeniging gesticht?” vroeg zijn vader koel.„Neen—geen vereeniging—geen bepaalde vereeniging; maar we hebben ons bij elkaar aangesloten—weet u.—Zoo’n heel hartelijke aaneensluiting—zooiets trouwhartigs, ziet u...” Abraham sprak onzeker en kreeg een kleur. Was ’t toch niet eigenlijk iets heel belachelijks, wat hij gedaan had? Maar ’t gezicht van den professor helderde op tot het straalde:„Dat is goed—dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt.”„Dat bedoelde ik juist,” viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu al zijn moed terug.„...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog te helpen, zooals b.v....” de professor legde weer zijn arm om de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in ’t oor,—„zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur Christensen.”Abraham lachte—gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat.„Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?—op een olifant,” fluisterde Abraham.„Ja, je hebt gelijk,” lachte de professor; „maar het gaat niet aan, dat we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk, Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop voor de toekomst. Groet je volk van mij.”Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte.Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in ’t leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote, bewonderde vader!
Een paar dagen later bracht de kapelaan volgens afspraak aan Professor Lövdahl een bezoek in zijn particulier kantoor. De predikant was wat zenuwachtig en onrustig en moest gedurig het zweet van zijn voorhoofd vegen met zijn zakdoek, die hij in de gesloten vuist ineenkneep. De professor was kalm en welwillend, maar ’t viel niet te ontkennen, dat hij wat nieuwsgierig was.
Omdat hij meende dat ’t op een liefdadigheidscollecte of ander vereeniging zou neerkomen, begon hij, om den verlegen jongen man te hulp te komen, met een paar algemeene gezegden over de vele plichten en moeilijkheden, die een nauwgezet zieleherder konden drukken.
Maar hij begreep gauw, dat daar ’t gesprek niet over loopen moest; en eindelijk was hij op het punt ronduit te vragen wat de predikant wilde, toen deze eindelijk heel onhandig de vraag er uit bracht of de professor zich tevreden voelde in zijn arbeid als administreerend directeur van de fabriek.
„Och ja, zoo tamelijk; er is immers altijd een groote verantwoordelijkheid verbonden aan het feit dat men zoowat een Voorzienigheid in ’t klein moet wezen voor zooveel menschen. We probeerenzooveel we kunnen het lot van de arbeiders te verbeteren.”
Maar dat was het ook niet.—Ook over de arbeiders wilde de kapelaan niet spreken. Hij hoestte en zei toen aarzelend:
„De aandeelen zijn zeker over verschillende personen verdeeld.”
„De aandeelen!—wat blieft u?—nu ja. U vroeg naar de aandeelen,—ja, die zijn over veel personen verdeeld, dat wil zeggen—zoo heel veel zijn er niet. Het bedrag is groot. Elk aandeel is van 1000 kronen, en wij hebben geen halve of kleinere willen uitgeven.”
De professor herwon zijn zelfbeheersching, die hij bijna verloren had, toen hij begreep, dat dit een gesprek over zaken zou worden.
Als hij met menschen uit zijn vroegeren kring sprak, was de professor altijd de man van wetenschap—klaar met spot van uit de hoogte met de „kooplui.” Daarom kwam het hem al dadelijk wat ongewoon en als iets uit de verkeerde wereld voor, dat twee academieburgers over aandeelen en winst zouden zitten praten.
Maar Maarten Kruse nam de zaak heel verstandig op, toen hij maar eerst op het gewenschte onderwerp van gesprek gekomen was. En hij sprak er over met een kennis van zaken, die den professor ten hoogste verbaasde.
„Hoe hoog staan de aandeelen van Fortuna op dit oogenblik?” vroeg de predikant, toen zij een poosje gepraat hadden.
„Ja,—om u de waarheid te zeggen, dat weet ik niet. Toen ik er ’t laatst van kocht...”
„Koopt u ze dan zelf?”
„Neen, dat doe ik eigenlijk niet,” antwoorddede professor; „ik heb al zooveel aandeden; maar het is een paar maal gebeurd, dat een enkele aandeelhouder zich raar aanstelde op de algemeene ledenvergadering en dan wilde ik liever de aandeelen van den ontevredene koopen, dan onaangenaamheden hebben.”
„En toen hebt u betaald...?”
„Ik heb de aandeelen voor den inkoopsprijs overgenomen—voor zoover ik me herinneren kan.”
„Kan men dan nog aandeelen à pari koopen?” vroeg de kapelaan levendig.
„Wilt u dan koopen?”
„Ik zal u zeggen, Professor,” antwoordde Maarten en trachtte wat zalvend te spreken, „mijn vrouw is niet geheel en al ontbloot van wat men aardsche goederen noemt.”
„Ik heb gehoord, dat uw vrouw fortuin heeft.”
„Ach, fortuin kan men het eigenlijk niet noemen. Een sommetje als steun in ziekte of andere beproevingen—dat is alles. Maar hoe onbeduidend het ook is, ik wilde het toch graag in de stad plaatsen en liefst op een wijze, die zoo min mogelijk in het oog valt.”
„Natuurlijk,” merkte de professor op.
„’t Is in geen enkel opzicht goed, als de gemeente haar predikant voor vermogend houdt,” voegde de kapelaan er ernstig bij.
De professor, die nu eindelijk begreep waar zijn bezoeker heen wilde, zei welwillend:
„Wanneer u er over denkt effecten te koopen, of in ’t algemeen door mij uw geld te laten plaatsen...”
„Ja juist, dat wilde ik juist zoo graag,” riep Maarten levendig uit; „een man in mijn positie kan immers niet zoo goed zulke zaken zelf regelen;maar aan den anderen kant is het toch ook niet goed het tijdelijke te verwaarloozen.”
„Zeer zeker niet,... neen... ik begrijp u zoo goed, en ’t zal mij een genoegen zijn, als ik...”
„Dank u, ik dank u hartelijk!” riep de kapelaan en herwon nu al zijn waardigheid; „als ik dus met Gods hulp wat geld overhoud, mag ik hopen dat bij u te kunnen plaatsen?”
„Ik wil u graag naar vermogen helpen uw geld op de voordeeligste wijze uit te zetten.”
„Het voordeeligste zou wel zijn het in uw eigen zaak te plaatsen?” zei Maarten onderzoekend, en zag den ander oplettend aan.
„In mijn zaak?” herhaalde de professor langzaam.
„Dat laat ik geheel aan u over,” zei Maarten haastig, terwijl hij opstond om heen te gaan. „U weet zelf, Professor, hoe kleiner ’t kapitaal is, hoe meer men er van moet zien te maken.”
Toen hij weg was, dacht Professor Lövdahl lang na over dit merkwaardig bezoek. ’t Was wel waar, dat enkele van de kleine burgers hun spaarpenningen aan hem hadden gebracht en dat hij uit goedhartigheid hun een aandeeltje in een goede zaak hier en daar had gegeven, zoodat hun geld een betere rente gaf, dan in een bank. Maar ’t zou nooit in hem zijn opgekomen zoo iets in ’t groot te doen; hij had geen geld noodig—allerminst duur geld; en als ’t op hoop van hooger rente was, dat de predikant zijn geld bij hem wilde plaatsen, kon ’t wel gebeuren dat hij teleurgesteld werd; maar wilde hij aandeelen in Fortuna nemen—dat was iets anders. ’t Was altijd een steun als er koopers kwamen.
Maar Maarten liep er over te denken—of hij toch niet dom gedaan had door niet ronduit te vragen op welke rente hij rekenen kon.
—’t Was niet gemakkelijk uit te maken van wie het idee van ’t groote arbeidersfeest op de fabriek was uitgegaan. Marcussen had eens tegen consul With gezegd, dat in den herfst de fabriek tien jaar had bestaan. En toen had de consul zeker gedacht dat dit magere jubileum wat steviger zou worden als ’t op den verjaardag van Professor Lövdahl werd gezet. En zoo was er telkens wat bij gekomen, tot het eindelijk op ’t zilveren servies en de grootsche toebereidselen was neergekomen.
Mevrouw Christensen schreide—ja zoowaar, dat deed ze,—ze schreide iederen dag een deuntje om dat zilveren servies.
Stel je voor! dat alles had zij kunnen hebben: Trekpot, suikerpot en melkkan van massief zilver!
Niet daarom: ze had zelf een zilveren theeservies; maar dat was nu niets voor haar man om daarmeê aan te komen. ’t Was daarom geen zier minder ergerlijk!
Soms, als ze lang over dat zilver gedacht had kwam het haar voor, alsof Professor Lövdahl ’t uit haar eigen kast gestolen had;—ja er was zelfs een plaats in de kast, waar het had moeten staan; en nooit keek Mevrouw Christensen naar haar zilver of ze zuchtte: „Daar stond het!”
„Je ben een uil—Christensen,” herhaalde ze snikkend toen het feest naderde; „je kunt president zijn van vereenigingen voor arme kraamvrouwen en voor alle mogelijke ziekenfondsen; maar je geeft me, goeie God!—je geeft me daar vrijwillig ’t eenige baantje op, waar een beetje zilver van kon komen,—ja, want dat kon je toch wel van te voren weten. En dan moet ons—ja ik zeg met opzet:onszilver naar dien... dien...” Ze kon geen woord vinden, dat vreeselijk genoeg was voor ProfessorLövdahl en ze schreide, dat ze er van beefde.
’t Huwelijk van den bankdirecteur was als de meesten; hij was helaas niet zoo autoritair in zijn huiskamer als in zijn kantoor; tegen zijn vrouw kon hij niet op en dan werd hij boos, en dan werd zij boos en dan kibbelden ze en dan bleven ze boos op elkaar. Maar op den duur kon dat toch niet, omdat ze in ’t zelfde huis woonden; en dan werden ze weer goed op elkaar—tot ze weer boos werden.
Christensen moest deze keer den toorn van zijn vrouw zoo goed mogelijk verdragen en tegelijk zich voorbereiden voor de toespraak, die hij uit naam van de arbeiders tot Professor Lövdahl zou houden.
En terwijl hij daar zat en bezig was met groote woorden en klinkende zinnen, wreef hij zijn zachte neus en snuffelde zoowat, alsof zijn eigen lofrede hem wat verdacht voorkwam.
Alles kwam zoo goed bij elkaar voor dit feest. Er was een troepDuitschemuzikanten in de stad gekomen, en op den dag zelf was het weer zoo mooi als het maar kon. ’t Was heel stil in de lucht,—frisch, maar niet koud. De zon scheen met een roodachtigen gloed zacht door de lichte herfstnevelen, die optrokken en verdwenen; en de glad gespoelde landpunten en landtongen met paarse strepen heidekruid in de spleten staken uit in de blauwe, licht gerimpelde zee.
De fabrieksgebouwen zelf waren zoo leelijk en zoo vol roet, dat ze alle mogelijke versiering trotseerden; en Marcussen gaf ze ook intijds op en bracht al wat er was aan kransen en vlaggen bijeen om een groote estrade, die hij in de haast boven op den heuvel had laten opslaan. Van hier kon de spreker de fabriek overzien en zijn stemdoen voort klinken over de menigte op de helling beneden.
Marcussen was aan ’t versieren met vlaggen en groen; hij had een paar van de dienstmeisjes van den directeur tot hulp gekregen; en hij hielp ze op en af van trappen en stoelen—gedienstig en galant. En de meisjes lachten en gilden zoo’n beetje, en lieten zich in zijn armen vallen en konden niets doen zonder zijn hulp.
Marcussen was een groote, knappe man met een vluggen blik en een tact om met meisjes om te gaan, waar hij door beroemd geworden was. Hij had werkelijk een bizonder slechten naam en zelf placht hij onder vrienden te verklaren, dat hij een apart folio in ’t kerkeboek had. Maar overigens was hij in de zaak de rechterhand van den professor geworden en wat het feest betreft—hij was eigenlijk daar de man.
Intusschen was ’t ook druk in ’t huis van de Lövdahls: er zou een groot heerendiner gegeven worden ter eere van ’t feest en de tafel stond al gedekt in de zaal.
Het rijtuig stond voor de deur, en de koetsier zat in gala op den bok en hield de glanzende paarden. De professor liep, als naar gewoonte, heen en weer onder ’t kleeden en studeerde zijn toespraak in, waarmeê hij voor de ontvangen eerbewijzingen danken zou.
Daar kwam het dienstmeisje van de jongelui boven met de boodschap van Mevrouw of de professor niet zoo vriendelijk zou willen zijn even boven te komen, liefst dadelijk. De professor ging haastig heen met de witte das in de hand; hij meende, dat de jonge Mevrouw iets scheelde. Maar Clara kwam hem al in de voorkamer tegemoet, warmen met een kleur en de japon nog maar half dicht.
„Stel u voor, papa, hij wil niet meê. Abraham wil niet meê naar het feest, zegt hij.”
„O zoo, is ’t anders niet?—Kind, je hebt me zoo doen schrikken. Wat is er? Abraham, waarom wil je niet meê?” vroeg de professor vriendelijk aan zijn zoon, die juist uit zijn kamer kwam.
„Och anders niet, dan dat ik geen lust heb naar dit feest te gaan. Maar Clara stuift dadelijk op en dan...”
„’t Verjaarfeest van je vader,” viel de professor hem glimlachend in de rede.
„Neen Vader,—dat is ’t niet. Dàt vieren we hier—thuis; maar ’t feest op de fabriek is niets dan aanstellerij, een echte vertooning—als u ’t bij den naam noemen wilt.”
De professor wenkte Clara kalm te zijn en antwoordde: „Ik heb geen tijd en wil ook mijn feestelijke stemming niet bederven door nu met jou hierover te disputeeren. Er kan wel wat van aan wezen, van wat je zegt of liever van wat je meent; maar je hebt—zooals de jeugd over ’t algemeen tegenwoordig—een ongelukkige lust om met een te groote ethische maatstaf aan te komen dragen, ook ten ontijde en in gevallen waar ’t in ’t geheel niet past.”
„Maar als ’t nu mijn overtuiging is.”
„Als je overtuiging je niet toelaat getuige te zijn van de eerbewijzen, die aan je vader worden aangeboden, dan moet je thuisblijven, dat is duidelijk. Maar ik hoop, dat je overtuiging je zal toestaan van middag om 4 uur bij mij te komen eten?”
„’t Is niet goed van u, Vader, om ’t zoo op te nemen; u weet best...”
„Ja zeker, ik weet ’t zoo best, dat je ’t op jouwmanier goed meent, en dat je deze manier kiest is iets, waar ik op voorbereid had moeten zijn; dat zit je in ’t bloed. Ik probeerde—zooals je je misschien herinnert—meermalen in je jeugd je te waarschuwen tegen dien geest van ontevredenheid, die niet hebben kan, dat iets of iemand zich boven ’t gemiddeld peil verheft—neen, neen! laat me uitspreken; we zullen niet disputeeren, maar dat is ’t toch, waar alles uit voortkomt.—Och, lieve Clara, wil je niet even een knoop in mijn das leggen?”
Abraham bedwong met geweld een heftig antwoord, keerde zich om en ging in zijn kamer. Zijn vrouw ging hem rakelings voorbij toen zij naar de slaapkamer terugging om zich verder te kleeden, en een poos later weer, toen ze naar het rijtuig ging. Hij merkte haar parfum en haar japon raakte hem bijna; maar geen van beiden sprak een woord.
Hij bleef voor zich uit zitten staren tot hij het rijtuig hoorde wegrijden. Daar zaten zij naast elkaar,—zijn mooie vrouw—vroolijk in feestdos en zijn vader met zijn ridderorden in groot formaat, den stok tusschen de knieën en de handen gevouwen over den ivoren knop. Die twee pasten bij elkaar. Abraham kon zich niet herinneren dat zijn vader en zijn vrouw ’t ooit over iets oneens geweest waren.
Bijna als bij instinct kwamen zij altijd tot elkaar met dezelfde opinie en die was bijna altijd precies het tegenovergestelde van die van Abraham.
Hij had, terwijl hij daar zoo aan ’t venster stond een gevoel, alsof er tusschen zijn levensbeschouwing en die van zijn vader een diepe klove moest zijn, een grooter afstand dan ooit tusschen ouden jong bestond. Er was immers, als hij ’t nauwkeurig naging geen enkele zaak, die zij van de zelfde zijde konden zien; geen gedachte, die zich niet dadelijk in tweeën spleet en hen ver uit elkaar deed gaan in oneenigheid en ontstemming. Als hij nu alles samen nam aan toespelingen, gesprekken en warme debatten, kon hij niet begrijpen hoe zijn groote en bewonderde vader, wiens hoofd zoo helder, wiens gedachtengang in den grond toch zoo edel was,—hoe hij zoo vreemd, ja bijna vijandelijk tegenover alles kon staan, wat Abraham volgens den drang van zijn hart moest bewonderen en waar hij voor strijden wilde.
En Clara,—zij ook!—wel was zij opgegroeid in oude, zonderlinge pruiken-ideeën; maar hij had toch met haar zooveel gesproken over de nieuwe gedachten en zij had toch veel daarvan met zulk een ijver aangenomen. Nu ontkende zij, dat zij ooit aan zijn dwaze en goddelooze paradoxen haar bijval geschonken had.
Welnu, des te krachtiger moest hij zelf staan; aan de strenge eischen, die de nieuwe tijd stelde aan persoonlijke waarheid en verantwoording, zou hij wel weten te voldoen. In dit oogenblik dacht hij aan zijn moeder: zóó zou zij hem gaarne hebben gezien: als hij zulk een arbeidersfeest als humbug beschouwde, moest hij protesteeren en niet ter wille van zijn vader er zich aan medeplichtig maken.
Abraham bleef lang aan ’t hoekvenster staan en keek neer op de straat. Er waren bijna geen menschen; want de halve stad was buiten bij het feest; en terwijl hij de enkele achterblijvers nazag, die haastig weg gingen, dacht hij er over, hoe mooi het weer was, en welk een genoegen het voor oud en jong wezen zou een wandeling buitende stad te doen en frissche lucht te scheppen.
Vele brave burgers en eenvoudige lieden gingen met hun vrouwen daarheen; ze begrepen niet veel van de toespraken en dachten niet veel na over de diepere beteekenis van het feest. Voor hen was ’t enkel een Zondag midden in de week, een halve vrije dag, die hun goed deed.
En hier liep hij in zijn mooie kamers te protesteeren! Was daar toch niet eigenlijk iets heel belachelijks in?
Opeens stond het duidelijk voor hem, dat als dat protesteeren wat beteekenen zou, dan had hij òf zich ernstig tegen zijn vader moeten verzetten, òf—beter nog, midden op ’t feest moeten optreden en ’t luide uitspreken, dat hij zoo’n vertooning, waar het kapitaal indirect de arbeiders tot vernederende eerbewijzen dwong—humbug vond, en erger!
Durfde hij geen van beiden dan kon hij waarachtig even goed als die onschuldige burgers meegaan naar ’t feest; niets was toch zoo miserabel als dat protesteeren in zijn eigen kamers.
En weer kwam die stemming, die een enkele keer over hem was gekomen als een domper: ’t gevoel hoe averechts en onzinnig ’t leven was ingericht; hoe mislukt hij zelf was,—bedorven, een sukkel, die ’t nooit verder zou brengen dan tot een paar belachelijke aanloopjes en groote schandelijke nederlagen.
Mismoedig en onverschillig nam hij zijn hoed en slenterde naar buiten, om een poosje naar Greta te gaan; maar hij vond het huis gesloten. Waarschijnlijk had Steffensen haar meê naar het feest genomen; ze vond het prettig onder menschen te zijn; allen kenden haar en hadden een vriendelijkwoord voor haar en dan was er ook muziek. Abraham ging ook verder, de kant naar de fabriek uit. De muzikanten speelden: „die Wacht am Rhein” tusschen de verschillende toespraken in.
Toen hij op den top van den heuvel gekomen was bleef hij onwillekeurig staan, onder den indruk van dit wonderlijk tooneel. Hij was zoo gewoon hier iederen dag heen en weer te loopen, dat hij iedere plek om de fabriek kende; maar nu was het alsof vreemden hem alles afgenomen hadden en hij zelf heelemaal overcompleet was.
De groote tribune op den heuvel was vol elegant gekleede dames; champagneglazen fonkelden en bedienden liepen ijverig bezig rond. De vlaggen hingen onbewegelijk in rijke plooien neer over ’t laatste groen uit de tuinen, goudgele bladen en roode bessen. Aan beide zijden stond de nieuwsgierige menigte uit de stad; maar beneden aan den heuvel hadden de arbeiders van Fortuna zich om een lange tafel geschaard, waar ze werden onthaald op bier en sigaren. Hun vrouwen en dochters stonden in groepjes daar omheen;—stil en ernstig.
Abraham was niet in de stemming om zijn vrouw en de anderen te ontmoeten; hij nam een omweg tusschen de gebouwen van de fabriek door en van daar kwam hij onder de arbeiders terecht en ging tusschen hen in staan.
De bankdirecteur had gesproken over dezen dag en het dubbele feest, en de professor had geantwoord; een deputatie had het zilver gebracht en Lövdahl had bedankt met een: „Leve de arbeiders!” Die toast was juist gedronken toen Abraham kwam en het feest was dus bijna voorbij.
Warm door ’t bier drinken in de zon, en van’t hoera! roepen stonden de arbeiders vergenoegd met hun korte pijpjes of met de kostelijke sigaren diep in den mond gestoken en in een rookwolk zóó dicht, alsof die uit de schoorsteenen kwam. Zij ontvingen Abraham eerbiedig en vriendelijk en het werd dadelijk zoo uitgelegd, dat de jonge directeur geen champagne met de deftige lui wou drinken, maar dat hij zich niet te goed achtte om een glas bier te nemen onder ’t volk.
Zonder veel van den indruk, dien hij maakte, te merken; zocht Abraham naar Greta en vond haar onder de vrouwen. Ze werd in ’t minst niet verlegen, maar vuurrood van blijdschap, toen ze zijn stem hoorde.
De vrouwen en meisjes trokken zich een weinig van haar terug, maar bleven toch in een opeen gedrongen groepje staan, zoodat ze van uit de tribune niet gezien konden worden. Er was niemand onder hen, die aan iets kwaads dacht,—niet omdat ze meenden, dat de jonge Lövdahl een haar beter was dan deftige stadsmenschen over ’t geheel waren; maar Greta Steffensen was blind, en niet als andere meisjes; het ongeluk beschermde haar tegen gevaar en tegen afgunst, zoodat ze bijna kon doen, wat ze wilde.
„Is je vader hier niet, Grete?”
„Ja,—hij was juist hier; zie je hem niet?”
„Neen—tenzij hij tusschen de menschenmassa daar ginds bij ’t spreekgestoelte is, daar verdringen ze zich omheen.”
„Ja, daar is hij zeker,” meende Greta met een slim lachje.
Abraham merkte dat dadelijk op. Haar mimiek was zoo opvallend.
„Wat bedoel je?—wat is je vader van plan te doen?”
„Vader zal een toespraak houden,” fluisterde Greta triomfeerend.
„Goeie hemel!—dat moet hij niet doen!” riep Abraham onwillekeurig; hij dacht er aan hoe moeilijk het nu al voor Steffensen was zijn werk te behouden. Als hij nu vandaag een onaangename toespraak hield—en die zou natuurlijk onaangenaam worden—dan maakte hij zichzelf heelemaal onmogelijk.
Maar Steffensen stond al op ’t spreekgestoelte; met den hoed in de hand en kromme armen maakte hij een reeks eerbiedige buigingen voor het deftige publiek, terwijl de jongelui uit de stad begonnen te lachen en hem met allerlei grappen aanmoedigden.
Abraham merkte op hoe zijn vader den bankdirecteur iets toefluisterde; en ’t heele gezelschap op de tribune trok zich zoo ver mogelijk van ’t spreekgestoelte terug in een verwarde mengeling van gedwongen beleefdheid en vrees voor dien algemeen bekenden, slecht gezinden man. Maar Steffensen liet hun geen tijd; hij begon dadelijk:
„Dames en Heeren!—ik ben een arbeider—een van de slecht gezinden—zegt men;—een van de ergsten, zeggen sommigen. Maar wees u maar niet bang, hooggeëerde heeren en dames!—Ik wil u hier alleen maar danken, u innig danken, zóó aangedaan als een diep bewogen arbeider op uw fabriek Fortuna maar wezen kan.”
Intusschen schenen de „Hooggeëerde heeren en dames” ’t plotseling druk te krijgen met afscheid nemen en elkaar de hand te drukken.
„Ik wil u dank zeggen,” riep Steffensen luid, „u dank zeggen, omdat u vandaag—dames en heeren!—de zon zoo heerlijk en gratis op ons, kleine luidjes, laat schijnen, omdat u niet meer van ons verlangt dan onze spaarduiten voor een zilverenservies, omdat u onze vrouwen en dochters zoowat met rust laat, ja u allen wil ik vooral danken, omdat u ons zoo mooi vergunt ons leven te slijten in gezegenden arbeid voor u.”
Nu was er geen enkele van de hooggeëerde dames en heeren meer; de groote tribune was leeg; alleen enkele verblufte bedienden stonden bij de tafel met champagne. Maar Steffensen maakte toch een diepe buiging voor het gezelschap, dat zich bijeen groepeerde en heenging naar den weg waar de rijtuigen stonden; toen wendde hij zich luid lachend tot de arbeiders.
„Daar gaat de heele chique! Wat zeg je? Nu zal ik mijn toespraak voor jelui houden.”
„Steffensen moet zijn bek houden,” klonk een zware stem uit de arbeiders.
„Neen, neen! laat Steffensen spreken,” riepen zij van andere zijden; maar er werd een stil gemor gehoord, dat toenam, tot een ernstig, kalm man zei: „Steffensen moet niet spreken.”
’t Was een van de oudste meesterknechts op de fabriek, en nu riepen verscheidenen: „Steffensen moet niet spreken,” terwijl de beste arbeiders zich om Abraham schaarden.
Steffensen werd bleek; maar hij bedwong zich en riep: „Als hij ’t is—de jonge Lövdahl, waar jelui bang voor ben, dan kun jullie je de moeite sparen; want hij is ’t met ons eens;—hij is een van de onzen, niet waar, Mijnheer de directeur?”
Abraham voelde aller oogen op zich rusten; maar wist niet wat hij zeggen moest.
„Maar waaromantwoordje niet?” vroeg Greta verwonderd; „je ben ’t immers met ons eens.”
Steffensen greep de aanleiding aan om op een eenigszins behoorlijke manier van het spreekgestoelteaf te komen en er ontstond een oogenblik van stilte en gespannen verwachting in den kring. Er stonden nu verscheiden rijen arbeiders dicht om Abraham heen.
Maar in zijn binnenste schoot plotseling een lang onderdrukte kiem op: een jeugdig besluit vol geestdrift. Hij voelde kracht in zijn ziel en een opbruisende moed als iemand, die zich plotseling bewust wordt zelf te kunnen handelen, met vaste hand in ’t leven te kunnen ingrijpen en zijn man te staan.
„Ja, zeker ben ik een van de uwen,” riep hij den arbeiders toe; „daarom blijf ik hier beneden bij u—en niet daar boven bij de aristocraten. Wij,—wij arbeiders—we zullen elkaar trouw blijven, hier is mijn hand!”
Die werd door honderden gegrepen—gedrukt en omklemd. En niemand had den directeur ooit te voren zóó gezien,—rank en stralend, zooals hij zich langzaam een weg baande door de schare heen.
Steffensen wilde weer van ’t oogenblik gebruik maken en stelde luide voor onmiddellijk een vereeniging te stichten, een comité te vormen, enz. Maar zoodra Steffensen sprak, kwam er iets koels over de meesten; allen wisten, dat hij slecht aangeschreven stond: zijn dagen op de fabriek waren geteld, en hij kon zoo licht anderen meêsleepen in zijn val.
Naar zijn voorstel luisterde men niet en ’t verloor zich geheel in een donderend „hoera!” voor den directeur; men wilde op zijn gezondheid drinken; maar er was niets meer; de bedienden hadden de tafel opgeruimd, het feest was voorbij en de volksmassa had zich verspreid.
De arbeiders trokken zich toen ook terug inkleine groepjes na eerst Abrahams hand stevig gedrukt te hebben.
Op weg naar de stad was Abraham in een vreemde, plechtige, strijdlustige stemming.
Flauwe beelden en herinneringen van wat hij in zijn jeugd gelezen had doken weer in hem op en hij zag een toekomst voor zich, waarin hij aan ’t hoofd van de arbeidersbeweging stond. De omtrekken van dat beeld werden grooter: hij brak alle bruggen af, hij ruimde al die grove onrechtvaardigheid in de samenleving weg, en toen hij de stad naderde was hij juist zoover gekomen, dat Clara en zijn vader zich voor hem bogen en zeiden:
„Je hadt toch gelijk!”
Maar Steffensen ging stil en knorrig naar huis. Greta was ook niet blij. Ze ergerde zich ter wille van haar vader en was niet heelemaal tevreden over Abraham.
„Er zijn toch, God bewaar me, geen arbeiders in de wereld, die zoo laf zijn als jelui,” zei Steffensen tegen een ouden timmerman, die lid was geweest van ’t comité, dat het zilver had aangeboden.
„We hebben zoo weinig, waarmeê we ons verweren kunnen.”
„Bah! als we ons maar bij elkaar aansloten.”
„Ja, enkelen van ons hebben zich immers aangesloten—bij de directie,” meende de timmerman.
„Ja, en wat heb jelui nu voor dat ellendige gekruip.”
„Dat zal mettertijd wel blijken.”
„Ja, dat zal ’t wel,” bromde Steffensen nijdig; hij begreep de toespeling.
De verjaardag van den professor was een feest voor de heeren van de stad, en vooral na dendood van zijn vrouw had het groote diner langzamerhand een eigenaardigen vorm aangenomen met traditioneele toasten en wonderlijke plechtigheden.
Abraham was nog voortdurend in een strijdlustige stemming; maar er was geen aanleiding tot een uitbarsting. Clara was vriendelijk en beminnelijk, zacht als een lam. Ze had namelijk een gesprek met haar schoonvader gehad, waarin zij het er over eens geworden waren, dat Abraham tegenwoordig zenuwachtig was en dat men maar wat met hem meêpraten moest om te voorkomen dat het erger werd.
Ook aan tafel viel er niets voor, dat hem aanleiding kon geven op een of andere wijze een uitval te doen; iedereen was even zacht gestemd en zat innig vergenoegd te knipoogen.
En naarmate hij de roes bij de anderen zag toenemen en zelf onbekommerd meêdronk, werden de strenge lijnen van den maatschappelijken strijd uitgewischt en de aanrukkende kolonne der arbeiders werd overstemd door het vroolijk gerinkel van glazen en vorken.
Hij stond op en ging naar het hoofd van de tafel om te klinken met zijn vader, zooals op dien dag de gewoonte was.
De professor stond dadelijk van zijn plaats aan tafel op en trok zijn zoon naar ’t venster, waar ze samen konden spreken, zonder door het geraas van den feestdisch gestoord te worden.
„Ik wist wel, dat je komen zoudt—mijn beste jongen,” zei de professor hartelijk en legde den linkerarm om zijn schouders.
Abraham werd bewogen en stotterde; maar zijn vader ging voort:
„Er kan wel allerlei humbug zijn bij velerlei dingen in deze wereld; maar je moet de beteekenis van een goede vriendschappelijke verhouding tusschen arbeiders en werkgevers niet te laag schatten; hoe nauwer ze aan elkaar verbonden worden...”
„Men verbindt zich niet nauwer aan de arbeiders met champagne en zilver,” antwoordde Abraham dapper; nu was het hem ernst; hij had een idee, waar hij meê voor den dag wilde komen.
„Hoe meen je dat?” vroeg zijn vader en trok zijn arm terug.
„Ik was vandaag beneden bij de arbeiders, Vader.”
„Ja, ik zag je daar.”
„En ik heb me heelemaal bij hen aangesloten; ze schaarden zich allen om mij heen.”
„Heb je een vereeniging gesticht?” vroeg zijn vader koel.
„Neen—geen vereeniging—geen bepaalde vereeniging; maar we hebben ons bij elkaar aangesloten—weet u.—Zoo’n heel hartelijke aaneensluiting—zooiets trouwhartigs, ziet u...” Abraham sprak onzeker en kreeg een kleur. Was ’t toch niet eigenlijk iets heel belachelijks, wat hij gedaan had? Maar ’t gezicht van den professor helderde op tot het straalde:
„Dat is goed—dat was uitstekend van je, Abraham. Zóó moet het juist zijn. Geen dwaze vereeniging die den enkele bindt.”
„Dat bedoelde ik juist,” viel Abraham hem in de rede. Hij kreeg nu al zijn moed terug.
„...en die alleen maar dient om kleine eerzuchtige wezens omhoog te helpen, zooals b.v....” de professor legde weer zijn arm om de schouders van zijn zoon en fluisterde hem vertrouwelijk in ’t oor,—„zooals b.v. onze waardige vriend daar, de bankdirecteur Christensen.”
Abraham lachte—gevleid als hij was doordat zijn vader zich met hem vroolijk wilde maken over den machtigsten man van de stad, die nog wel in al zijn waardigheid op drie pas afstand van hen zat.
„Weet u, waar hij van achteren op lijkt, Vader?—op een olifant,” fluisterde Abraham.
„Ja, je hebt gelijk,” lachte de professor; „maar het gaat niet aan, dat we hier onze waardige gasten staan uit te lachen. Ik dank je hartelijk, Abraham; je hadt me vandaag geen beter cadeau komen brengen; juist in die ongedwongen verhouding tusschen ondergeschikten en superieuren zie ik een gezegenden weerglans van den goeden ouden tijd en een hoop voor de toekomst. Groet je volk van mij.”
Zij scheidden met een handdruk en gingen ieder naar zijn plaats aan tafel, waar de algemeene vroolijkheid hen spoedig weer meêsleepte.
Maar Abraham was dien geheelen avond als buiten zichzelf van blijdschap en hoop op de toekomst. En hij eindigde met in uitgelatenheid zijn vrouw alle trappen op te dragen, toen zij naar bed moest. Hij had in ’t leven ingegrepen, zich in den strijd van den dag geworpen; maar hij had al half overwonnen. Zijn vader stond aan zijn zijde, zijn groote, bewonderde vader!