VII.

VII.Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters, die uitzagen op den tuin van het huis—een ouderwetsche, stille stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. ’s Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en ’s winters lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van ’t onbetreden grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor stapten en de pooten schudden.De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor den chef stond een prachtig bronzen inktkoker—de godin van ’t geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand; ’t was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara met eigen handen met bloemen beschilderd.In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en teekeningen en fotografieën van Fortuna.Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen, dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af, waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen, Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam en berichten van en aan den principaal bracht.Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan ’t hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.’t Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af te nemen.Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets te vullen. Toen kreeg hij smaak in ’t financieele leven en liet er zich geheel door meesleepen.Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl zich aan ’t hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als ’t ware opgroeiden in zijn voetstappen—onder zijn handen, en die plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en welvaart in ruimen kring verspreidden.’t Groote vermogen van zijn vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die op het bedrijf betrekking hadden en deze „Fortunawissels”—zooals zij in het kantoor genoemd werden—liepen met zijn eigene samen over al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van ’t werken van ’t huis kreeg. ’t Was intusschen niet alleen door ’t kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden; men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud; maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden, werden ze telkens vernieuwd.Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan ’t eind van de wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen, dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw wisselstroompjewerd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan achteraan kwam Christensen,—hij, die vroeger altijd de eerste was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben, dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en „interessentskaber,” bezette alle posten, bestuurde de banken, en hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen—hoog geacht en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in leven en sterven—allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede houden moest.Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,—het eenige wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige overtuiging uit te spreken.Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag met welbehagen rond in zijn kantoor.Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had hij gevoeldhoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde de aanbidding.Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde—ja, dat een zekere nonchalance tegenover kleinere collega’s tot de voorrechten van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als eigenmachtigheid zich op wilde werken.Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor, waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten met groote sprongen over ’t grasveld stoven met de staarten in de hoogte, om in huis te komen.De professor was wat zenuwachtig—bijna plechtig gestemd; zijn zoon had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen, de huisdokter van de jongelui boven, was ook in ’t kantoor geweest om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw aanstaande was.Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel, voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur toch vandaag? Ze waren pas—eergisteren—bij elkaar geweest op debestuursvergaderingvan de fabriek; ’t ging niet heelemaal zoo goed daar, als men verwacht had.De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag, in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de groote gebeurtenis boven bij de jongelui.„Goeden morgen—Mijnheer Christensen!—Gaat u uit in dien storm?”„Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht te zeggen.”De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten, en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd; dat stond den professor ook niet aan.„Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende, die ik—ten minste voorloopig—niet op een bestuursvergadering wil aanroeren.”„Ja, dat dacht ik wel;—Mijnheer Christensen schrikt gauw.”„Ja zeker, al te gauw,” antwoordde Christensen goedig; „maar ik ben om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen.”„Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek.”„Daar hebt u gelijk in—Professor, dat kan men niet,” antwoordde de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn stoel en streek zich over ’t gezicht, ernstig en waardig met al de zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den toestand voelde.De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar krans reikte.Een oogenblik stilte—dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.„’t Is geen uitlokkend reisweer,” zuchtte de bankdirecteur.„Moet u op reis?”„Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk.”„Maar dat doet u toch nog vooreerst niet.”„’t Zal niet zoo lang duren; want van ’t jaar wil ik ’t eerste seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten van ons—groot en klein—zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen.”„Dat geloof ik volstrekt niet,” riep de professor levendig. „Lieve hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich een stuk in den kraag te drinken,—geen muziek, geen theater, geen openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat ’t leven hier nog grijzer en treuriger worden zal;ik wil liever hopen, dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter, vroolijker leven voor groot en klein.”„Ja, laat ons dat hopen—Professor. ’t Doet goed u zoo vol vertrouwen te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt.”„Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen, hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet.”„Die gaan nu niet allen even goed.”„U bedoelt...?”„Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar bedrijfskapitaal te kort komen zal.”„Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten voorraad, waarvan de verkoop...”„waarvan de verkoop ons schade geven zal,” viel de bankdirecteur hem kalm in de rede; „en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo’n geduldig crediteur—dat geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden.”„Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt,” antwoordde de professor met een handbeweging.„Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar.”De professor maakte een ongeduldige beweging. ’t Had hem moeite genoeg gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.„Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen te vragen endat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening,” zuchtte de bankdirecteur.„Neen—nu moet ik werkelijk lachen!—vindt u, dat u te veel aandeelen in Fortuna hebt?”„Wilt u er misschien vijf van koopen?”„Koopen?—nu, goed dan!—Ik koop vijf van uw aandeelen.”„Wat geeft u er voor?”„Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari.”„Goed,” zei de bankdirecteur. „Duizend gulden per aandeel. Wilt u er soms meer hebben?”„U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen,” lachte de professor wat gedwongen.„Ik slaap nooit goed in ’t voorjaar,” antwoordde de andere droog en stond op; ’t scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: „U moogt uw aandeelen terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen.”„Dank u zeer,” antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging heen door ’t bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,—dat was alles. En toch scheen ’t hem alsof er iets was bijgekomen, dat er vroeger niet geweest was—of iets weggenomen.Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu toe was alles goed gegaan,allen hadden hem bewonderd met ’t volste vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan dat, als hij—Carsten Lövdahl—eerst zich verwaardigde koopman te willen worden, dan moest hij—dat sprak van zelf—in alle opzichten boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen leefde.Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met leege handen—een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren ze profetieën.Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af, ging naar ’t middenste venster en staarde naar beneden in den kalen, ingesloten tuin, waar de storm huishield.Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte, dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van ’t huis was.Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel om en dacht in eens weer aan den toestand boven.Maar ’t was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse’s dik lichaam kwam voor den dag,—waardig, maar wat verlegen—in de lage deur.„Pardon, Professor!—ik maak gebruik van mijnkennis van uw huis, die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren doorgaan. Dr. Bentzen vertelde ’t me; en toen meende ik, dat een bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon doen; dit is immers een oogenblik—een gebeurtenis zoo verblijdend in ’t einde—dat willen we ten minste bidden en hopen.”„Ik dank u, dominé,—dat is heel vriendelijk van u.”„Hoe staat het er nu meê?”„Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;—maar ’t is toch altijd...”„Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan te roepen.”De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden door tegen den storm in te loopen.De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk, godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden; er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem aan te pakken.En de predikant scheen even erg in de war. ’t Ging weer juist als de laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te spreken. Vandaag was ’t nu iets anders; maar de pauze werd lang en de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde ’t eene been over ’t andere, zag van de godin van ’t geluk naar den kapelaan en zei—zoo in ’t voorbijgaan:„Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?”„Ja, Professor!—dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna.”„Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad.”„Zeker, zeker!”„En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen.”„Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst.”„En die wordt van ’t jaar niet minder.”Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw Clara te vergeten, die daarboven lag.Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn borstzak maakte:„U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld, als ik een beetje over had.”Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel een pak van den bankdirecteur Christensen.De professor maakte het open; ’t waren de vijf aandeelen voorzien van de formeele overschrijving.„Hij heeft haast,” mompelde de professor geërgerd.„De bode wacht,” zei Marcussen.„Waar wacht de bode op?”Marcussen fluisterde: „Ik geloof dat hij iets van contant geld zei.”De professor week achteruit: „Nu dadelijk! nabanktijd?—wat zijn dat voor praatjes!—Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten.”Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond, die precies op ’t beeldje op den inktkoker leek.De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:„Zijn dat aandeelen in de fabriek?”„Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij gelaten heeft.”„Verkoopt hij ze dan?” vroeg Kruse voorzichtig.„Neen, verre van daar! ’t was een oude afrekening, een liquidatie, eigenlijk een soort vriendelijkheid.”„Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?”„Ik weet het waarlijk op ’t oogenblik niet. We zullen ’t Marcussen vragen.”Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was: „’t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven pari.”„Ja, natuurlijk,” antwoordde de professor en boog zich ver achter den lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed naar de wangen stijgen; ’t was voor ’t eerst, dat hij een zaak als deze probeerde.De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad met zijn dikke hand.„Mooie papieren,” zei hij glimlachend. „Was het niet 7 procent verleden jaar?”„Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar...een idee! dominé!” riep de professor vroolijk, „neem u ze! ’t zijn juist stukken voor u; hebt u er lust in—als ’t u belieft!... vijf stuks.”„Wilt u ze verkoopen, Professor!”„Ik wil mijn belofte houden: u te helpen.”„O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn.”„Och, daar worden we ’t wel over eens,” meende de professor. Hij keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. ’t Was voor ’t eerst, dat hij koopman in ’t klein zou zijn; hij voelde hoe de grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen—de grenzen, tusschen dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die iets achtergelaten, een herinnering—een richting aan zijn gedachten gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.Nu hij eenmaal koopman was, moest hij ’t ook heelemaal zijn. ’t Ging niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien—op deze zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna, en kon hij ’t eene oogenblik een waar koopen en die in ’t volgende wat duurder verkoopen—dat was immers ’t principe van den handel,—volkomen „fair play”. Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:„Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor eenduizend en vijftig gulden per aandeel; dat is vijf procent boven ’t betaalde bedrag.”„Staan ze niet hooger?”De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:„Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar...”„Dank u wel!—ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u.” Op ’t gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.„Wel, dat mag ik graag zien,” riep de professor, „een contante post.”En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna het overige in kleine biljetten te samen f 5250.De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:„U hebt zeker een groot gedeelte van ’t vermogen van uw vrouw in de zaak van Mijnheer uw vader gestoken?”„Neen,—Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past.”„Dat kan ik me wel begrijpen,” lachte de professor, „Jörgen Kruse heeft zeker geld genoeg.”„Denkt u dat?”„Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal zooveel hebben.”„Hoe dat?”„Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn inkomen verdubbelen.”„Meent u dat werkelijk?”Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn jas toeknoopte en afscheid nam.Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden, klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en procenten eindigde,—vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem weer terug: „Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen.”„Juist wat ik dacht; we moeten hopen—hopen en bidden,” zei de predikant en stak zijn hand uit; en ’t was hun beiden, terwijl ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den knop voor de electrische bel.„Marcussen—geef dezen brief aan de bode van Christensen.”Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, teldeze en borg ze zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen à pari had gekocht; hier had hij in een half uurtweehonderdvijftiggulden op diezelfde papieren verdiend.Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde, en eindigde bij de godin van ’t geluk, die hem half zwevend haar krans toereikte.Op ’t zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam binnenstuiven—bleek, met ’t gezicht van aandoening vertrokken. De tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij ’t zelf wist. Hij wierp zich in de armen van zijn vader:„Een zoon—Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke jongen!”„Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij geloofd!”VIII.De lente kwam vroeg, maar langzaam; ’t was nog vrij koud ’s morgens als Abraham naar de fabriek ging.Maar de lucht was frisch en licht en ’t was een gelukkige tijd voor hem. Terwijl Clara ziek was,—en dat duurde lang,—woonde hij in zijn zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond.Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst heel stil.Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel herstellen zou.En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel, richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker was, dat ze weer als vroeger worden zou—heelemaal? Alle mogelijke maatregelen ende grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden.In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om haar kind.„Ze is te jong; wacht maar,” zei de baker.Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig, maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze was zoo moe.En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in de wieg lag. Daar buiten onder ’t volk was hij ’t best op zijn plaats.Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven.Maar van ’t eene werk naar het andere te gaan, met ’t volk te praten, naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te spelen—dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een beetje in ’t verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en zijmiste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk, dat zij het wist.Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van ’t leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde ze minder vreugde als Abraham kwam.Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of stroomden de tranen uit haar oogen.Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar altijd zacht gestreeld en „arme Grete,” gezegd, op een manier, die haar goed deed.Zij kon niet zien—dat was waar; ’t moest iets wonderlijks zijn, dat licht, dat ’s morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten.Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze bijna negentien jaar en begon sterker te worden.Maar nu was ’t alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen hoewel hij er nooit over sprak,—dat kind veranderde heel het leven voor Greta Steffensen.Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet kunnen verzorgen—zijn kind! Ach—dat zou ze geen oogenblik alleen laten; zij zou het zoo vast—zoo vast houden!—en ze drukte haar hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren moest—die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde te zijn.De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom.„Dat is toch niet waar!” riep daarom Abraham op een dag uit, „je bent toch nog geen veertig!”„Ik ben waarempel al vijf en veertig,” antwoordde Kruse kalm en streek over zijn dun haar.„Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet.”„Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld,” antwoordde Kruse glimlachend. „En vrouwen houden zich ook langer goed.”„Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud.”„Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald.”„Mevrouw Gottwald!” riep Abraham, „zij ziet er toch even oud uit als jij.”„Och—onzin, kinderpraat!” stoof Kruse plotseling op. „Mevrouw Gottwald ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw.”Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit denmond vallen, sperde de oogen wijd open en riep:„Brand!—brand in een oud huis!”Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde en vloekte een paar maal geweldig.Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid; maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of andere manier schuld aan deze verhuizing had.Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen had hij ’t druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik aanleiding om: „Brand!” te roepen.„Och, schei nu uit,” zei Kruse uit de hoogte. „Je ben heelemaal niet grappig.”„Ja, maar je vindt dus—in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is—ja, want ze is wel rijk ook.”„Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is,” zei Kruse goedig, „maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen.”„Hoe weet je dat?”„Ik heb het boekje gezien.”„Kijk eens hier!—dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen.”„Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?”„Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen.”„Neen—wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft ’t vaste plan een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;—je weet immers, dat ze een zoon had?—hm! je kent die geschiedenis wel?”Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden.Abraham stond op om heen te gaan; ’t was nog vroeg in den avond. De zon stond laag in ’t westen en scheen onder de laatste zware wolken door, die na een regendag naar ’t zuiden dreven. Hij kreeg lust naar Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij ’t laatste bij haar was.Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze voortliepen, zei hij:„Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan.”„Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in zijn hoofd.”„Een fraseur, een oude gek!”„Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch...”„Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel, dat hij niet den minsten invloed onder ’t volk heeft.”„Ze begrijpen hem niet.”„Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem.Er zijn vrij wat meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten van ons weten.”„Hoor eens Kruse!” zei Abraham en lachte. „Nu zijn we onder vier oogen en je weet, dat ik ’t over ’t geheel met je eens ben wat de meeste van je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet, dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?”„Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben, terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van ’t leven, zooals het in werkelijkheid is.”„Waarom alleen van onder op?”„Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de heerschappij van ’t gepeupel, dat als je maar komt met een klein voorstel van politieke vrijheid of invloed van ’t volk, ze dadelijk meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel, leeren die menschen niets ter wereld.”Abraham lachte.„Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?”„Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordtin usum Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt;een wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen en „communards” in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in Stockholm;—dàt lezen ze niet.”„Dat is altijd iets,” meende Abraham.„Ja zeker—dat is nog niet zoo weinig!—Maar zij lezen, waar bijna niemand van ons aan denkt,—zij lezen en herlezen duizende brieven, die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want daar leert het volk voor ’t eerst van zijn eigen familie, in zijn eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring—het eenigste wat een mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek, die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven, heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en die allen kennen.”Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden; hij was in zekeren zin welsprekend—Kruse, als hij aan den gang kwam; en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde.Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon Abraham niet. Hij vond als ’t ware geen waarborg in die kleine,radicalerechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch.Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af elkaar te ontmoeten inde arbeidersvereeniging, waar Abraham na het feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had.Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette, trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats midden in haar werk vond.„Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?”„Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind, dat ik er sterker van word.”„’t Is zeker wat bitter.”„Och dat hindert niet; kom, ga zitten.”„Je ben niet wel—Grete.”„Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit.”„Ach, ik wou...”„Wat wou je?”„Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou—Grete! dan werd ’t een lang verhaal.”„Vertel maar en laat het maar goed lang worden.”„Allereerst zou ik zoo’n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben—voorspoed vooral...”„En dan?”„Ja—dat kan ik niet vertellen.”„Neen, nu moet ik wel lachen!—dat zijn de domste wenschen, die ik ooit gehoord heb; maar meer—nog meer domme wenschen!”„Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was.”„Och ja! wie moest er meegaan.”„Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna.”„Wie nog meer?”„Jij moest meegaan.”„Wie nog meer?”„Je vader.”„Wie nog meer?”„Mijn vader.”„Wie nog meer?”„Wil je nog meer meêhebben, Grete?”„Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?”„Ik weet het niet.”„Nu zeg je de waarheid niet.”„Welnu, nog één dan.”„Maar één?”„Maar één!”„Een heel kleintje?”„Ja zeker, en dan moesten we...”„Niemand meer, wel?”„Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; ’t is niet zoo’n vreeselijk groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen.”„Maar dan vielen alle anderen in ’t water behalve wij beiden, neen—wij tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham.”„Ja, als jij ’t beter kunt dan ik, dan is ’t maar beter, dat jij wenscht.”Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,—vuurrood, de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,—stil als een kanon, vóór het afgaat.Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm.„Vader!—u is ontslagen.”„Ja!”—’t eerste schot bulderde los, „ik ben ontslagen binnentijds, op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit Christiania hierheengeroepen is om met die lorrige machines te werken, waar niemand hier begrip van had—mij hebben ze er uit gesmeten! Maar dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;—er was niets beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je waarom ik ontslagen ben—Greta!”Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem door—hevig bewogen als hij was, wie Abraham was.„Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er van? Hij kan ’t je vertellen. Vraag ’t hem maar, Greta!—dan kun je hooren wat er aan je vader mankeert.”„Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven, dat het mogelijk is,” antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen.„Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen ’t hooren, voor den duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken, ze hebben me ronduit gezegd, dat ’t was om oneerbiedig optreden—hoor jelui!—wat zegt u daarvan?”De man werd vuurrood en ’t was alsof hem de oogen uit ’t hoofd zouden springen: „Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals—tot die vervloekte machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof ’t je eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigenzult!—En wie—Marcussen—dat zwijn—Lövdahl!...”„Stil, Vader!”„Hoor eens Steffensen!” zei Abraham en stond op. „Ik ben ’t met je eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden.”Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij:„Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de directeur alles in orde brengen zal.”Steffensen scheen ’t meest geneigd er weer op los te bulderen; maar hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan, bromde de oude:„Misschien zit er toch wel wat in dien jongen.”„Ziet u wel!” riep Greta zegevierend. „U, die altijd gezegd hebt, dat hij precies als de anderen was.”Steffensen zag haar aan en zei: „Als je nu toch eens teleurgesteld werd, Greta.”„Ja, dan moest ik maar sterven,” zei ze zacht.Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden.Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader inalle opzichten ook was—’t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen al die geldmenschen niet weinig was veranderd.Ook dat wilde Abraham hem zeggen—open en eerlijk, zonder heftigheid, en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in zijn eer hersteld werd.Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: „Vader! ik kom mijn recht eischen als volwassene.”De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen gesproken, dat de professor wetenmoest, dat dit Abraham krenken zou.’t Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke, en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen ’t moeielijker maakte harde en scherpe woorden te gebruiken.Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen, dat hij moed en wilskracht had als ’t er op aan kwam.In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen.Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk, met gedempte stem, maar ernstig:„Vader, ik kom om mijn recht...”„Stil, stil, in Gods naam—mijn jongen. Praat zoo hard niet,” fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer.„Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar numoetu me aanhooren.”„Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik...”„Ikkanniet langer wachten, Vader.”„Maar Bentzen is daar alleen.”„De dokter!”—Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. „Wat doet hij hier?”„Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was.”„Maar mijn God!” riep Abraham; „wat is er dan? Is Clara ziek?”„Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht.”„Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!”„Ik dacht, dat ’t meisje het je gezegd had. ’t Begon zoo, dat hij...”„Hij!—kleine Carsten? Vader!—Vader, ’t zijn toch geen stuipen?”„Neen, mijn jongen. Stuipen zijn ’t niet; dat wil zeggen...”„U is er niet zeker van!—o Vader, laat me bij hem!”„Neen, neen.—Wees nu kalm!—Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is ’t alleen maar wat koorts.”„Ja, ga u naar binnen, Vader.—Gauw! en vertel u me wat het is. Groote God! Als we hem moesten verliezen!”Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind had gespeeld; ’t grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen zwollen op.Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn hoofd—behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve zekerheid: ’t zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale kinderen bij massa’s op dien leeftijd? Neen—er was geen hoop. Hij voelde ’t zoo duidelijk.’t Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat ’t water nu warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om ’t bad in orde te maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend:„’t Wordt beter.”Maar Abraham geloofde ’t niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de kamer uit.„Nu, dokter?”—Abraham dacht, dat alles voorbij was.„O, ’t gaat goed, heel goed,” antwoordde de dokter; en toen ’t dienstmeisje en de professor op ’t zelfde oogenblik met de kleine badkuip van ’t kind kwamen aandragen, zei hij: „Ik geloof niet, dat het bad noodig is—Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak; maar verder is ’t kind volkomen rustig.”Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:—de pols was zwak, had de dokter gezegd.Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht voort en hielden de deurknopvast; Abraham keerde zich naar hen toe met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht.„Hij slaapt; alle gevaar is voorbij,” fluisterde de professor.Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat ze hem verder weg moesten brengen.Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen, die zich verkwikte met een glas portwijn:„Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,—mijn beste Abraham! Als we grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal.”„Ja, achterna kun je wel moedig zijn,” meende de professor.„Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club, Professor! ’t Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en dan misschien een beetje maagpijn.” Daarop dronk hij zijn glas uit en nam afscheid.Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de stoep staan. ’t Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer verlicht na al die gemoedsbewegingen.Maar eindelijk zei de professor:„Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na een langen dag praktijk in den ouden tijd.”Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht.Maar toen zij in ’t donker achterbleven zei de professor: „Ja, ’t is waar ook! Nu denk ik er aan:er was iets, waar je me over spreken wou, Abraham.”„Nu is u moe, Vader.”„Maar ’t kwam me voor, alsof ’t iets heel gewichtigs was.”„Ja, dat was ’t ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;—ik dank u.”Steffensen?—Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten—tegen zulk een vader!—Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen—morgen; maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren.Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag—bleek en mooi—in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes, die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort.Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan den helderen morgen.Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was; dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan ’t dienstmeisje hoe het gegaan was.O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad.Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had, dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar beneden om te ontbijten.Aan tafel begon de professor dadelijk:„Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wathet toch zou zijn, waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen.”Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds onder ’t eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had; daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen; één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie verdwenen was uit de machinekamer.Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor was bereid veel toe te geven. Vooral was hij ’t met Abraham eens, dat ’t dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets zijn wat Marcussen verzonnen had.Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij; maar de professor zou ’t hem om verschillende redenen afraden.Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het.

VII.Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters, die uitzagen op den tuin van het huis—een ouderwetsche, stille stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. ’s Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en ’s winters lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van ’t onbetreden grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor stapten en de pooten schudden.De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor den chef stond een prachtig bronzen inktkoker—de godin van ’t geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand; ’t was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara met eigen handen met bloemen beschilderd.In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en teekeningen en fotografieën van Fortuna.Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen, dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af, waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen, Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam en berichten van en aan den principaal bracht.Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan ’t hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.’t Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af te nemen.Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets te vullen. Toen kreeg hij smaak in ’t financieele leven en liet er zich geheel door meesleepen.Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl zich aan ’t hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als ’t ware opgroeiden in zijn voetstappen—onder zijn handen, en die plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en welvaart in ruimen kring verspreidden.’t Groote vermogen van zijn vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die op het bedrijf betrekking hadden en deze „Fortunawissels”—zooals zij in het kantoor genoemd werden—liepen met zijn eigene samen over al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van ’t werken van ’t huis kreeg. ’t Was intusschen niet alleen door ’t kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden; men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud; maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden, werden ze telkens vernieuwd.Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan ’t eind van de wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen, dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw wisselstroompjewerd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan achteraan kwam Christensen,—hij, die vroeger altijd de eerste was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben, dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en „interessentskaber,” bezette alle posten, bestuurde de banken, en hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen—hoog geacht en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in leven en sterven—allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede houden moest.Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,—het eenige wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige overtuiging uit te spreken.Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag met welbehagen rond in zijn kantoor.Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had hij gevoeldhoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde de aanbidding.Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde—ja, dat een zekere nonchalance tegenover kleinere collega’s tot de voorrechten van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als eigenmachtigheid zich op wilde werken.Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor, waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten met groote sprongen over ’t grasveld stoven met de staarten in de hoogte, om in huis te komen.De professor was wat zenuwachtig—bijna plechtig gestemd; zijn zoon had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen, de huisdokter van de jongelui boven, was ook in ’t kantoor geweest om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw aanstaande was.Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel, voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur toch vandaag? Ze waren pas—eergisteren—bij elkaar geweest op debestuursvergaderingvan de fabriek; ’t ging niet heelemaal zoo goed daar, als men verwacht had.De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag, in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de groote gebeurtenis boven bij de jongelui.„Goeden morgen—Mijnheer Christensen!—Gaat u uit in dien storm?”„Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht te zeggen.”De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten, en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd; dat stond den professor ook niet aan.„Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende, die ik—ten minste voorloopig—niet op een bestuursvergadering wil aanroeren.”„Ja, dat dacht ik wel;—Mijnheer Christensen schrikt gauw.”„Ja zeker, al te gauw,” antwoordde Christensen goedig; „maar ik ben om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen.”„Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek.”„Daar hebt u gelijk in—Professor, dat kan men niet,” antwoordde de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn stoel en streek zich over ’t gezicht, ernstig en waardig met al de zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den toestand voelde.De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar krans reikte.Een oogenblik stilte—dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.„’t Is geen uitlokkend reisweer,” zuchtte de bankdirecteur.„Moet u op reis?”„Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk.”„Maar dat doet u toch nog vooreerst niet.”„’t Zal niet zoo lang duren; want van ’t jaar wil ik ’t eerste seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten van ons—groot en klein—zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen.”„Dat geloof ik volstrekt niet,” riep de professor levendig. „Lieve hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich een stuk in den kraag te drinken,—geen muziek, geen theater, geen openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat ’t leven hier nog grijzer en treuriger worden zal;ik wil liever hopen, dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter, vroolijker leven voor groot en klein.”„Ja, laat ons dat hopen—Professor. ’t Doet goed u zoo vol vertrouwen te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt.”„Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen, hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet.”„Die gaan nu niet allen even goed.”„U bedoelt...?”„Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar bedrijfskapitaal te kort komen zal.”„Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten voorraad, waarvan de verkoop...”„waarvan de verkoop ons schade geven zal,” viel de bankdirecteur hem kalm in de rede; „en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo’n geduldig crediteur—dat geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden.”„Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt,” antwoordde de professor met een handbeweging.„Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar.”De professor maakte een ongeduldige beweging. ’t Had hem moeite genoeg gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.„Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen te vragen endat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening,” zuchtte de bankdirecteur.„Neen—nu moet ik werkelijk lachen!—vindt u, dat u te veel aandeelen in Fortuna hebt?”„Wilt u er misschien vijf van koopen?”„Koopen?—nu, goed dan!—Ik koop vijf van uw aandeelen.”„Wat geeft u er voor?”„Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari.”„Goed,” zei de bankdirecteur. „Duizend gulden per aandeel. Wilt u er soms meer hebben?”„U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen,” lachte de professor wat gedwongen.„Ik slaap nooit goed in ’t voorjaar,” antwoordde de andere droog en stond op; ’t scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: „U moogt uw aandeelen terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen.”„Dank u zeer,” antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging heen door ’t bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,—dat was alles. En toch scheen ’t hem alsof er iets was bijgekomen, dat er vroeger niet geweest was—of iets weggenomen.Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu toe was alles goed gegaan,allen hadden hem bewonderd met ’t volste vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan dat, als hij—Carsten Lövdahl—eerst zich verwaardigde koopman te willen worden, dan moest hij—dat sprak van zelf—in alle opzichten boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen leefde.Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met leege handen—een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren ze profetieën.Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af, ging naar ’t middenste venster en staarde naar beneden in den kalen, ingesloten tuin, waar de storm huishield.Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte, dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van ’t huis was.Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel om en dacht in eens weer aan den toestand boven.Maar ’t was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse’s dik lichaam kwam voor den dag,—waardig, maar wat verlegen—in de lage deur.„Pardon, Professor!—ik maak gebruik van mijnkennis van uw huis, die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren doorgaan. Dr. Bentzen vertelde ’t me; en toen meende ik, dat een bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon doen; dit is immers een oogenblik—een gebeurtenis zoo verblijdend in ’t einde—dat willen we ten minste bidden en hopen.”„Ik dank u, dominé,—dat is heel vriendelijk van u.”„Hoe staat het er nu meê?”„Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;—maar ’t is toch altijd...”„Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan te roepen.”De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden door tegen den storm in te loopen.De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk, godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden; er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem aan te pakken.En de predikant scheen even erg in de war. ’t Ging weer juist als de laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te spreken. Vandaag was ’t nu iets anders; maar de pauze werd lang en de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde ’t eene been over ’t andere, zag van de godin van ’t geluk naar den kapelaan en zei—zoo in ’t voorbijgaan:„Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?”„Ja, Professor!—dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna.”„Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad.”„Zeker, zeker!”„En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen.”„Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst.”„En die wordt van ’t jaar niet minder.”Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw Clara te vergeten, die daarboven lag.Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn borstzak maakte:„U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld, als ik een beetje over had.”Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel een pak van den bankdirecteur Christensen.De professor maakte het open; ’t waren de vijf aandeelen voorzien van de formeele overschrijving.„Hij heeft haast,” mompelde de professor geërgerd.„De bode wacht,” zei Marcussen.„Waar wacht de bode op?”Marcussen fluisterde: „Ik geloof dat hij iets van contant geld zei.”De professor week achteruit: „Nu dadelijk! nabanktijd?—wat zijn dat voor praatjes!—Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten.”Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond, die precies op ’t beeldje op den inktkoker leek.De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:„Zijn dat aandeelen in de fabriek?”„Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij gelaten heeft.”„Verkoopt hij ze dan?” vroeg Kruse voorzichtig.„Neen, verre van daar! ’t was een oude afrekening, een liquidatie, eigenlijk een soort vriendelijkheid.”„Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?”„Ik weet het waarlijk op ’t oogenblik niet. We zullen ’t Marcussen vragen.”Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was: „’t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven pari.”„Ja, natuurlijk,” antwoordde de professor en boog zich ver achter den lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed naar de wangen stijgen; ’t was voor ’t eerst, dat hij een zaak als deze probeerde.De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad met zijn dikke hand.„Mooie papieren,” zei hij glimlachend. „Was het niet 7 procent verleden jaar?”„Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar...een idee! dominé!” riep de professor vroolijk, „neem u ze! ’t zijn juist stukken voor u; hebt u er lust in—als ’t u belieft!... vijf stuks.”„Wilt u ze verkoopen, Professor!”„Ik wil mijn belofte houden: u te helpen.”„O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn.”„Och, daar worden we ’t wel over eens,” meende de professor. Hij keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. ’t Was voor ’t eerst, dat hij koopman in ’t klein zou zijn; hij voelde hoe de grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen—de grenzen, tusschen dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die iets achtergelaten, een herinnering—een richting aan zijn gedachten gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.Nu hij eenmaal koopman was, moest hij ’t ook heelemaal zijn. ’t Ging niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien—op deze zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna, en kon hij ’t eene oogenblik een waar koopen en die in ’t volgende wat duurder verkoopen—dat was immers ’t principe van den handel,—volkomen „fair play”. Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:„Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor eenduizend en vijftig gulden per aandeel; dat is vijf procent boven ’t betaalde bedrag.”„Staan ze niet hooger?”De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:„Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar...”„Dank u wel!—ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u.” Op ’t gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.„Wel, dat mag ik graag zien,” riep de professor, „een contante post.”En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna het overige in kleine biljetten te samen f 5250.De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:„U hebt zeker een groot gedeelte van ’t vermogen van uw vrouw in de zaak van Mijnheer uw vader gestoken?”„Neen,—Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past.”„Dat kan ik me wel begrijpen,” lachte de professor, „Jörgen Kruse heeft zeker geld genoeg.”„Denkt u dat?”„Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal zooveel hebben.”„Hoe dat?”„Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn inkomen verdubbelen.”„Meent u dat werkelijk?”Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn jas toeknoopte en afscheid nam.Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden, klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en procenten eindigde,—vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem weer terug: „Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen.”„Juist wat ik dacht; we moeten hopen—hopen en bidden,” zei de predikant en stak zijn hand uit; en ’t was hun beiden, terwijl ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den knop voor de electrische bel.„Marcussen—geef dezen brief aan de bode van Christensen.”Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, teldeze en borg ze zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen à pari had gekocht; hier had hij in een half uurtweehonderdvijftiggulden op diezelfde papieren verdiend.Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde, en eindigde bij de godin van ’t geluk, die hem half zwevend haar krans toereikte.Op ’t zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam binnenstuiven—bleek, met ’t gezicht van aandoening vertrokken. De tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij ’t zelf wist. Hij wierp zich in de armen van zijn vader:„Een zoon—Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke jongen!”„Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij geloofd!”

Carsten Lövdahl zat in zijn particulier bureau. Drie hooge vensters, die uitzagen op den tuin van het huis—een ouderwetsche, stille stadstuin met dichte lindeboomen, die de omliggende huizen verborg. ’s Zomers viel een koele groene glans in de groote kamer, en ’s winters lichtte de sneeuw wit van de knoestige stammen en van ’t onbetreden grasveld, waar de katten van de buren voorzichtig in elkaars spoor stapten en de pooten schudden.

De massieve schrijftafel van donker oud eikenhout zonder versiering stond midden op den vloer; brieven en papieren in goed gerangschikte stapels bedekten de zijkanten, en op het groene laken, midden voor den chef stond een prachtig bronzen inktkoker—de godin van ’t geluk op een bal staande, met een krans van eikenbladen in de hand; ’t was een cadeau van de mededirecteuren van Fortuna en daar naast lag een pen in den vorm van een witte zwanenveer, door Mevrouw Clara met eigen handen met bloemen beschilderd.

In het rond stonden zware deftige stoelen op een rij, dan kwam een kast, een sofa en dan weer stoelen; en de wanden zelf waren behangen met modellen van schepen en kaarten, een paar zee-schilderstukken en teekeningen en fotografieën van Fortuna.

Het dikke donkergroene vloerkleed, dat zomer en winter bleef liggen, dempte de voetstappen en maakte de kamer nog plechtiger. Zware portières scheidden het bureau van den chef van de buitenkantoren af, waar de makelaars en agenten uit en in liepen; de man van vertrouwen, Marcussen, was de eenige, die onversaagd door de portière binnen kwam en berichten van en aan den principaal bracht.

Nergens was een spoor overgebleven van den geneesheer of den man van wetenschap; Carsten Lövdahl had geen halve maatregelen genomen: hij was met hart en ziel koopman geworden; zijn speculatiën interesseerden hem en namen hem geheel in beslag, en hij was er trotsch op, dat hij aan ’t hoofd van den grootsten omzet in de stad stond.

’t Was zoo met hem gegaan, dat hij bijna altijd de eerste werd in al wat hij ondernam. Als oogendokter had hij spoedig den grootsten naam gemaakt; en hij had zich teruggetrokken, nog vóór zijn roem begon af te nemen.

Later had hij zich wat eenzaam gevoeld met zijn belangstelling in literatuur en wetenschap onder louter geldmenschen. En vooral toen er een leegte in zijn gezellige conversatie kwam, na den dood van Mevrouw Wenche, voelde hij meer en meer behoefte zijn leven met iets te vullen. Toen kreeg hij smaak in ’t financieele leven en liet er zich geheel door meesleepen.

Met een ijver, alsof hij een jonge man was, stelde Carsten Lövdahl zich aan ’t hoofd van een menigte nieuwe ondernemingen, die als ’t ware opgroeiden in zijn voetstappen—onder zijn handen, en die plaats en werk gaven aan grooten en kleinen, die verdiensten en welvaart in ruimen kring verspreidden.’t Groote vermogen van zijn vrouw, dat hoofdzakelijk bestond uit buitenlandsche effecten en geldswaardige papieren, deponeerde hij voor een groot gedeelte in binnen- en buitenlandsche banken, waardoor hij gemakkelijk wissels op anderen kon trekken, zonder al dadelijk in den beginne in ruime mate van wissels op zijn naam geëndosseerd gebruik te maken.

Als hoofddirecteur van de fabriek zond hij alle papieren uit, die op het bedrijf betrekking hadden en deze „Fortunawissels”—zooals zij in het kantoor genoemd werden—liepen met zijn eigene samen over al de met hem bevriende handelshuizen, zoodat Abraham al, bij zijn komst in de zaak, door het wisselboek een grootschen indruk van ’t werken van ’t huis kreeg. ’t Was intusschen niet alleen door ’t kantoor van Carsten Lövdahl, dat de wissels rijkelijk stroomden; men zei dat geld gemakkelijk te krijgen was, maar men zag eigenlijk niet waar het vandaan kwam. Wat men voor oogen zag was ook geen goud; maar een massa snel circuleerende papieren, die als een stroom zich vermeerderden en op hun smalle, driemaandelijksche coupons aller hoop op inwisseling met zich omdroegen. In plaats van ingewisseld te worden, werden ze telkens vernieuwd.

Alles tierde in de stad; allen wilden meedoen en voor aller plannen was er plaats. Wilde iemand naar Spitsbergen om zeldzame waterplanten te zoeken of kopermijnen exploiteeren ergens aan ’t eind van de wereld in Dovrefjeld, stoombooten bouwen of bedehuizen, waterpompen of een circus oprichten, men ging maar het imposante kantoor van Lövdahl binnen, zette zijn plannen uiteen en noemde een paar namen, dan was de vennootschap gevormd, een crediet geopend en een nieuw wisselstroompjewerd geboren, dat voortschuimde, zich met den grooten stroom vereenigde en in de bewegelijke massa verdween.

Mevrouw Christensen beleefde menig smartelijk uur; haar man ging achteruit, dat was zonneklaar. Lövdahl vóór en Lövdahl na! en dan achteraan kwam Christensen,—hij, die vroeger altijd de eerste was. Maar de bankdirecteur zelf scheen er vrede meê te hebben, dat hij de tweede in den kring geworden was; hij vormde geen oppositie. En in de schoonste eendracht besliste de kring over alle groote en kleine zaken in de stad, bestuurde alle vennootschappen en „interessentskaber,” bezette alle posten, bestuurde de banken, en hielp zichzelf en zijn naaste betrekkingen en hield de menschen, die er buiten moesten blijven, er buiten; verder dronken zij toasten op elkaar en lieten hoera! voor zich roepen bij feestelijke gelegenheden.

Als sieraad waren ook de ambtenaren in den kring opgenomen—hoog geacht en gevleid; maar op hun manier versterkten zij ook het kapitaal in leven en sterven—allen: de tolbeambte, de rechter, de notaris, die de boedelscheiding behandelde en zelfs de predikant, die de lijkrede houden moest.

Verder was geld en niets anders dan geld de spil, waarom het heele leven draaide, waarom allen zich vrijwillig rangschikten,—het eenige wat iemand recht gaf zijn mond open te doen om een zelfstandige overtuiging uit te spreken.

Carsten Lövdahl leunde achterover in den breeden leunstoel en zag met welbehagen rond in zijn kantoor.

Nu kon hij met een glimlach terugdenken aan de tijden, dat hij in zijn wetenschappelijken trots den handelsstand verachtte. Nu had hij gevoeldhoe zoet het is macht over veel menschen te hebben. De knielende aanbidding, waarmeê zijn geld en invloed hem nu overal omringden, was een heel ander voedsel voor zijn ijdelheid dan de koele wetenschappelijke waardeering, die vroeger zijn loon was.

En dan was hij ook veel vrijer dan vroeger, hij behoefde niet voorzichtig te zijn of op zich zelf te letten; hij behoefde niet bang te zijn zich te verspreken; nergens lag er een nauwlettende critiek op den loer; alles wat hij deed werd goed bevonden en verhoogde de aanbidding.

Hij had spoedig bemerkt, dat hij kon doen wat hij wilde—ja, dat een zekere nonchalance tegenover kleinere collega’s tot de voorrechten van den kring behoorde. Carsten Lövdahl werd daarom ook spoedig vrijgevig met beloften en wonderbaarlijk vergeetachtig; neerbuigend en behulpzaam tegenover hen, die kropen, koel en uit de hoogte als eigenmachtigheid zich op wilde werken.

Zoo zat hij op een morgen tegen het eind van den winter; een lentestorm uit het zuidwesten met stortregen ruischte door de stad en sloeg nu en dan met kracht tegen de lindeboomen in den tuin van den professor, waar de aarde zwart en zuur was van het sneeuwwater en waar de katten met groote sprongen over ’t grasveld stoven met de staarten in de hoogte, om in huis te komen.

De professor was wat zenuwachtig—bijna plechtig gestemd; zijn zoon had hem juist laten zeggen, dat Clara zich onwel voelde. Dr. Bentzen, de huisdokter van de jongelui boven, was ook in ’t kantoor geweest om den professor meê te deelen, dat de bevalling van de jonge mevrouw aanstaande was.

Lövdahl werkte verstrooid; keek op de klok boven den schoorsteenmantel, voor den grooten spiegel, of richtte zich een beetje in den stoel op en keek in den spiegel: hij zat graag zóó, dat hij zich zelf kon zien.

Marcussen kondigde den bankdirecteur Christensen aan.

De professor werd onaangenaam verrast. Wat wilde de bankdirecteur toch vandaag? Ze waren pas—eergisteren—bij elkaar geweest op debestuursvergaderingvan de fabriek; ’t ging niet heelemaal zoo goed daar, als men verwacht had.

De stemming was wat vreemd geweest. Kwam de bankdirecteur al vandaag, in dit weer! En dan midden in zijn spanning over den uitslag van de groote gebeurtenis boven bij de jongelui.

„Goeden morgen—Mijnheer Christensen!—Gaat u uit in dien storm?”

„Ik loop altijd met den wind in den rug, zooals Randolf zaliger placht te zeggen.”

De bankdirecteur nam een stoel en ging heel bij den lessenaar zitten, en scheen lang te willen blijven; hij was tot schertsen geneigd; dat stond den professor ook niet aan.

„Ik kom om met u te spreken over enkele dingen, de fabriek betreffende, die ik—ten minste voorloopig—niet op een bestuursvergadering wil aanroeren.”

„Ja, dat dacht ik wel;—Mijnheer Christensen schrikt gauw.”

„Ja zeker, al te gauw,” antwoordde Christensen goedig; „maar ik ben om zoo te zeggen opgegroeid tusschen wissels en papieren, en op die manier wordt men niet, wat de professor een moedig man zou noemen.”

„Ik meen, dat men niet zoo maar zijn ervaringen aan een bank kan overbrengen op een produktieve zaak als een fabriek.”

„Daar hebt u gelijk in—Professor, dat kan men niet,” antwoordde de bankdirecteur toestemmend; hij leunde achterover in zijn stoel en streek zich over ’t gezicht, ernstig en waardig met al de zelfbewustheid, die hem eigen was, wanneer hij zich meester van den toestand voelde.

De professor voelde dat en hield zich even stijf en imponeerend in zijn breeden leunstoel voor Fortuna, die hem half zwevende haar krans reikte.

Een oogenblik stilte—dat de storm vulde door zich met een waanzinnigen wervelwind van de daken te storten en de naakte lindentakken te zweepen zoodat dor loof, water en zand tegen de ruiten stoven.

„’t Is geen uitlokkend reisweer,” zuchtte de bankdirecteur.

„Moet u op reis?”

„Ik moet immers naar Carlsbad, zooals gewoonlijk.”

„Maar dat doet u toch nog vooreerst niet.”

„’t Zal niet zoo lang duren; want van ’t jaar wil ik ’t eerste seizoen nemen, dat is niet zoo duur en ik denk wel, dat de meesten van ons—groot en klein—zich voorloopig wat zullen moeten bekrimpen.”

„Dat geloof ik volstrekt niet,” riep de professor levendig. „Lieve hemel! wat moeten de menschen in deze vochtigen uithoek zich nog verder ontzeggen. Hier zijn immers geen andere amusementen dan zich een stuk in den kraag te drinken,—geen muziek, geen theater, geen openbare vermakelijkheden. Neen, neen, laat ons toch niet meenen, dat ’t leven hier nog grijzer en treuriger worden zal;ik wil liever hopen, dat de tegenwoordige opkomst van de stad zal leiden tot een lichter, vroolijker leven voor groot en klein.”

„Ja, laat ons dat hopen—Professor. ’t Doet goed u zoo vol vertrouwen te hooren spreken; God geve, dat u gelijk hebt.”

„Maar zie u dan toch maar eens om u heen, Mijnheer Christensen, hoe de eene onderneming na de andere op touw wordt gezet.”

„Die gaan nu niet allen even goed.”

„U bedoelt...?”

„Ik bedoel b.v. dat onze fabriek in den loop van dit jaar bedrijfskapitaal te kort komen zal.”

„Er is geen reden voor bezorgdheid. We hebben een zeer grooten voorraad, waarvan de verkoop...”

„waarvan de verkoop ons schade geven zal,” viel de bankdirecteur hem kalm in de rede; „en behalve dat hebt u aan de fabriek een aanzienlijk voorschot gegeven; en al is u nu ook nog zoo’n geduldig crediteur—dat geld moet toch vroeg of laat terugbetaald worden.”

„Mijn vertrouwen op Fortuna is onbeperkt,” antwoordde de professor met een handbeweging.

„Dat is het zeker wel; maar als de fabriek haar schuld aan u had afbetaald, was er zeker geen winst geweest verleden jaar.”

De professor maakte een ongeduldige beweging. ’t Had hem moeite genoeg gekost om met behulp van Marcussen een voordeelige balans voor de fabriek in orde te maken; maar hij wilde liever zijn eigen geld wagen dan bekennen, dat de fabriek onder zijn leiding slecht ging.

„Ik denk wel, dat we op de eerstvolgende algemeene vergadering genoodzaakt zullen zijn een vrij groote bijbetaling op de aandeelen te vragen endat zal zonder twijfel voor velen een moeilijkheid zijn. Ik heb niet minder dan 15 aandeelen voor mijn rekening,” zuchtte de bankdirecteur.

„Neen—nu moet ik werkelijk lachen!—vindt u, dat u te veel aandeelen in Fortuna hebt?”

„Wilt u er misschien vijf van koopen?”

„Koopen?—nu, goed dan!—Ik koop vijf van uw aandeelen.”

„Wat geeft u er voor?”

„Ik wil ze nemen voor wat u er voor betaald hebt, à pari.”

„Goed,” zei de bankdirecteur. „Duizend gulden per aandeel. Wilt u er soms meer hebben?”

„U hebt zeker slecht geslapen, Mijnheer Christensen,” lachte de professor wat gedwongen.

„Ik slaap nooit goed in ’t voorjaar,” antwoordde de andere droog en stond op; ’t scheen, dat hij zijn doel met dit bezoek bereikt had.

Aan de deur zei de professor nog eens schertsend: „U moogt uw aandeelen terugnemen als we a.s. jaar 10% winst uitbetalen.”

„Dank u zeer,” antwoordde de bankdirecteur glimlachend en ging heen door ’t bijkantoor. Achter zijn hand keek hij ter sluiks over alle lessenaars en tafels en snuffelde even, alsof hij met den neus onderzocht of de lucht wel de echte onvervalschte goudgeur had. Maar professor Lövdahl bleef in zijn leuningstoel achter en zag rond in het kantoor, alsof hier binnen iets veranderd was. Alles stond op zijn plaats. De klokwijzer was een kwartier verder gegaan,—dat was alles. En toch scheen ’t hem alsof er iets was bijgekomen, dat er vroeger niet geweest was—of iets weggenomen.

Dat was de eerste schaduw, die over zijn nieuwe leven trok; tot nu toe was alles goed gegaan,allen hadden hem bewonderd met ’t volste vertrouwen; en nooit had hij zelf zich iets anders voorgesteld, dan dat, als hij—Carsten Lövdahl—eerst zich verwaardigde koopman te willen worden, dan moest hij—dat sprak van zelf—in alle opzichten boven die halfbeschaafde groothandelaars staan, waar hij tusschen leefde.

Maar in dit oogenblik liepen zijn gedachten onwillekeurig en zonder dat hij ze terughouden kon, over de meest wilde mogelijkheden van verliezen... geruïneerd zijn... failliet gaan!

Hij dacht opeens aan groote huizen, die plotseling in elkaar gestort waren, fortuinen, die waren versmolten, rijke menschen met leege handen—een zee van ongelukken, val, vernedering doken op als herinneringen, die op een rij gingen staan en vooruitwezen als waren ze profetieën.

Hij rukte zich uit die gedachten los, veegde zijn voorhoofd af, ging naar ’t middenste venster en staarde naar beneden in den kalen, ingesloten tuin, waar de storm huishield.

Hij hoorde niet, dat iemand op het deurtje in de lambriseering klopte, dat in den corridor uit kwam, waar een kleine wenteltrap naar de tweede verdieping liep en een uitgang aan de achterzijde van ’t huis was.

Langs dien weg kwamen alleen schuwe smeekelingen en de intiemste huisvrienden; en toen de professor eindelijk merkte, dat de deur kraakte, terwijl die voorzichtig geopend werd, keerde hij zich snel om en dacht in eens weer aan den toestand boven.

Maar ’t was geen boodschap van de jongelui. Maarten Kruse’s dik lichaam kwam voor den dag,—waardig, maar wat verlegen—in de lage deur.

„Pardon, Professor!—ik maak gebruik van mijnkennis van uw huis, die ik nog uit mijn jongensjaren heb; ik wilde niet graag de kantoren doorgaan. Dr. Bentzen vertelde ’t me; en toen meende ik, dat een bezoek van den predikant misschien de familie eenigszins goed kon doen; dit is immers een oogenblik—een gebeurtenis zoo verblijdend in ’t einde—dat willen we ten minste bidden en hopen.”

„Ik dank u, dominé,—dat is heel vriendelijk van u.”

„Hoe staat het er nu meê?”

„Alles wijst er op, dat het normaal en goed verloopen zal;—maar ’t is toch altijd...”

„Natuurlijk. Het is juist een oogenblik om te bidden en den Heer aan te roepen.”

De kapelaan ging zitten in den stoel, waarvan de bankdirecteur zooeven was opgestaan, en zat uit te blazen; hij was wat kortademig geworden door tegen den storm in te loopen.

De professor trok zijn gezicht in de rechte plooi voor een stichtelijk, godsdienstig gesprek. Eigenlijk mocht hij dien dominé niet lijden; er was iets dubbels, of iets halfs in hem; hij wist nooit hoe hem aan te pakken.

En de predikant scheen even erg in de war. ’t Ging weer juist als de laatste keer, toen hij hier kwam om over de aandeelen in Fortuna te spreken. Vandaag was ’t nu iets anders; maar de pauze werd lang en de professor wilde even graag als toen een half godsdienstig gesprek met dezen jongen theoloog vermijden. Hij legde ’t eene been over ’t andere, zag van de godin van ’t geluk naar den kapelaan en zei—zoo in ’t voorbijgaan:

„Interesseert u zich nog voor onze fabriek, Mijnheer Kruse?”

„Ja, Professor!—dat doe ik. Ik interesseer me zeer voor Fortuna.”

„Die is ook een zegen voor veel kleine burgers hier in de stad.”

„Zeker, zeker!”

„En de aandeelhouders hebben zich waarlijk ook niet te beklagen.”

„Dat hoor ik! Er was verleden jaar een mooie winst.”

„En die wordt van ’t jaar niet minder.”

Opeens kwam er een echte schachergeest over den professor. Hij begon te vertellen en de zaken van de fabriek op te hemelen, tot de predikant al levendiger en belangstellender werd en als in een roes kwam door die groote getallen. En beiden schenen heelemaal de arme Mevrouw Clara te vergeten, die daarboven lag.

Eindelijk zei de predikant, terwijl hij een beweging naar zijn borstzak maakte:

„U hebt me verleden beloofd me te helpen met het plaatsen van geld, als ik een beetje over had.”

Op datzelfde oogenblik kwam Marcussen binnen. De beide heeren aan den lessenaar dachten dadelijk, dat hij een boodschap van boven brengen kwam en hun gezicht veranderde van uitdrukking; maar het was enkel een pak van den bankdirecteur Christensen.

De professor maakte het open; ’t waren de vijf aandeelen voorzien van de formeele overschrijving.

„Hij heeft haast,” mompelde de professor geërgerd.

„De bode wacht,” zei Marcussen.

„Waar wacht de bode op?”

Marcussen fluisterde: „Ik geloof dat hij iets van contant geld zei.”

De professor week achteruit: „Nu dadelijk! nabanktijd?—wat zijn dat voor praatjes!—Maar wacht Marcussen, laat de bode even gaan zitten.”

Marcussen ging heen, en de professor wierp de aandeelbewijzen nonchalant voor zich neer en leunde achterover om het gesprek voort te zetten. De oogen van den predikant weken niet van de mooi geïllustreerde papieren, waarop een geluksgodin met een krans stond, die precies op ’t beeldje op den inktkoker leek.

De professor liet hem den tijd; en eindelijk zei de andere:

„Zijn dat aandeelen in de fabriek?”

„Ja, dat zijn een paar aandeelen, die mijn vriend Christensen mij gelaten heeft.”

„Verkoopt hij ze dan?” vroeg Kruse voorzichtig.

„Neen, verre van daar! ’t was een oude afrekening, een liquidatie, eigenlijk een soort vriendelijkheid.”

„Voor welken prijs heeft de professor ze overgenomen?”

„Ik weet het waarlijk op ’t oogenblik niet. We zullen ’t Marcussen vragen.”

Maar de predikant hield zijn hand terug, die reeds bij de schel was: „’t Komt er niet zoo veel op aan; zij staan wel een heel eind boven pari.”

„Ja, natuurlijk,” antwoordde de professor en boog zich ver achter den lessenaar, alsof hij iets van den grond opnam; hij voelde het bloed naar de wangen stijgen; ’t was voor ’t eerst, dat hij een zaak als deze probeerde.

De predikant had de aandeelbewijzen open geslagen en streek ze glad met zijn dikke hand.

„Mooie papieren,” zei hij glimlachend. „Was het niet 7 procent verleden jaar?”

„Ja, voorzoover ik me herinneren kan; maar...een idee! dominé!” riep de professor vroolijk, „neem u ze! ’t zijn juist stukken voor u; hebt u er lust in—als ’t u belieft!... vijf stuks.”

„Wilt u ze verkoopen, Professor!”

„Ik wil mijn belofte houden: u te helpen.”

„O dank u, dank u; als ze niet te duur zijn.”

„Och, daar worden we ’t wel over eens,” meende de professor. Hij keek aldoor voor zich neer in de la, die hij half uitgetrokken had en deed alsof hij ergens naar zocht. Maar in werkelijkheid klopten zijn polsen en slapen; hij aarzelde en was onzeker. ’t Was voor ’t eerst, dat hij koopman in ’t klein zou zijn; hij voelde hoe de grenzen tusschen goed en kwaad in elkaar liepen—de grenzen, tusschen dat wat voluit eerlijk en wat een beetje schurkachtig was.

Maar hoe kort die aanval van schrik en bange voorgevoelens na het bezoek van den bankdirecteur Christensen ook geduurd had, toch had die iets achtergelaten, een herinnering—een richting aan zijn gedachten gevend, die zij te voren nog niet gevolgd hadden.

Nu hij eenmaal koopman was, moest hij ’t ook heelemaal zijn. ’t Ging niet aan de fijngevoelige man van wetenschap te spelen, als men tegen Christensen en consorten op wou werken. In die dubbelheid lag juist het gevaar; dáár vooral moest hij zich voor wachten. En bovendien—op deze zaak was niets te zeggen. Hij voor zich twijfelde niet aan Fortuna, en kon hij ’t eene oogenblik een waar koopen en die in ’t volgende wat duurder verkoopen—dat was immers ’t principe van den handel,—volkomen „fair play”. Hij zei daarom eindelijk op een kalmen, welwillenden toon:

„Ik wil u deze vijf aandeelen laten voor eenduizend en vijftig gulden per aandeel; dat is vijf procent boven ’t betaalde bedrag.”

„Staan ze niet hooger?”

De professor voelde dadelijk, dat hij dom geweest was; hij had veel meer kunnen vragen; maar hij antwoordde:

„Ik geloof wel, dat als men de aandeelen van Fortuna aan de markt bracht, het blijken zou, dat ze hooger staan; maar...”

„Dank u wel!—ik begrijp u; dat is heel vriendelijk van u.” Op ’t gezicht van Maarten Kruse kwam bijna een glimlach, terwijl hij in zijn borstzak greep en zijn portefeuille voor den dag haalde.

„Wel, dat mag ik graag zien,” riep de professor, „een contante post.”

En terwijl hij met officieele langzaamheid ieder aandeelbewijs van zijn handteekening voor overschrijving voorzag, telde Maarten de vijfduizend gulden even langzaam op in groote bankbiljetten, daarna het overige in kleine biljetten te samen f 5250.

De professor kon zien, dat er nog meer in de portefeuille was en toen hij het geld onder een presse-papier had gelegd en den ander de aandeelbewijzen overhandigd had, zei hij:

„U hebt zeker een groot gedeelte van ’t vermogen van uw vrouw in de zaak van Mijnheer uw vader gestoken?”

„Neen,—Vader zegt, dat dit niet voor zijn zaken past.”

„Dat kan ik me wel begrijpen,” lachte de professor, „Jörgen Kruse heeft zeker geld genoeg.”

„Denkt u dat?”

„Uw vader is zeker heel rijk; maar hij moest eigenlijk twee maal zooveel hebben.”

„Hoe dat?”

„Hij kon immers door zijn geld in nieuwe ondernemingen te steken en met ondernemende menschen samen te werken, zonder twijfel zijn inkomen verdubbelen.”

„Meent u dat werkelijk?”

Maarten herkauwde deze woorden van den professor nog terwijl hij zijn jas toeknoopte en afscheid nam.

Maar toen zij de kleine deur, die op de trap uitkwam, open deden, klonk een scherpe, snijdende gil door het huis.

Beide heeren bleven staan en keken elkaar verlegen aan, heel beschaamd toen ze aan dit gesprek dachten, dat zoo vroom begon en met geld en procenten eindigde,—vooral de predikant. Hij begon te kuchen en te stotteren zonder iets te kunnen uitbrengen.

Maar de professor als de oudste, kreeg het eerst zijn plechtige stem weer terug: „Nu er nog geen boodschap van boven gekomen is, willen we maar hopen, dat alles goed gaat: we moeten wachten en hopen.”

„Juist wat ik dacht; we moeten hopen—hopen en bidden,” zei de predikant en stak zijn hand uit; en ’t was hun beiden, terwijl ze elkaar in de oogen zagen een zekere voldoening te zien, dat ze wederkeerig elkaar deze kleine menschelijke zwakheid vergaven.

Zoodra hij weg was, stak de professor de vijfduizend gulden in een couvert, verzegelde het met zijn particulier signet en drukte op den knop voor de electrische bel.

„Marcussen—geef dezen brief aan de bode van Christensen.”

Daarop nam hij de tweehonderdvijftig gulden, teldeze en borg ze zorgvuldig in zijn eigen portemonnaie. Hij glimlachte, ja hij lachte bij de gedachte aan dien voorzichtigen Christensen; die zijn aandeelen à pari had gekocht; hier had hij in een half uurtweehonderdvijftiggulden op diezelfde papieren verdiend.

Och ja! Carsten Lövdahl kon wel tegen hen allen op, als hij maar wilde. Rustig en tevreden liet hij zijn oogen door de kamer gaan, begon bij de vensters, waar de regen in den verwaaiden tuin neerstriemde, en eindigde bij de godin van ’t geluk, die hem half zwevend haar krans toereikte.

Op ’t zelfde oogenblik hoorde hij snelle voetstappen den wenteltrap afstormen; hij stond op in angst en spanning; Abraham kwam binnenstuiven—bleek, met ’t gezicht van aandoening vertrokken. De tranen liepen hem over de wangen, zonder dat hij ’t zelf wist. Hij wierp zich in de armen van zijn vader:

„Een zoon—Vader! alles gelukkig afgeloopen, een heerlijke, flinke jongen!”

„Ik feliciteer je, mijn jongen, ik feliciteer ons allen. God zij geloofd!”

VIII.De lente kwam vroeg, maar langzaam; ’t was nog vrij koud ’s morgens als Abraham naar de fabriek ging.Maar de lucht was frisch en licht en ’t was een gelukkige tijd voor hem. Terwijl Clara ziek was,—en dat duurde lang,—woonde hij in zijn zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond.Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst heel stil.Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel herstellen zou.En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel, richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker was, dat ze weer als vroeger worden zou—heelemaal? Alle mogelijke maatregelen ende grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden.In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om haar kind.„Ze is te jong; wacht maar,” zei de baker.Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig, maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze was zoo moe.En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in de wieg lag. Daar buiten onder ’t volk was hij ’t best op zijn plaats.Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven.Maar van ’t eene werk naar het andere te gaan, met ’t volk te praten, naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te spelen—dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een beetje in ’t verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en zijmiste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk, dat zij het wist.Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van ’t leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde ze minder vreugde als Abraham kwam.Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of stroomden de tranen uit haar oogen.Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar altijd zacht gestreeld en „arme Grete,” gezegd, op een manier, die haar goed deed.Zij kon niet zien—dat was waar; ’t moest iets wonderlijks zijn, dat licht, dat ’s morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten.Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze bijna negentien jaar en begon sterker te worden.Maar nu was ’t alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen hoewel hij er nooit over sprak,—dat kind veranderde heel het leven voor Greta Steffensen.Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet kunnen verzorgen—zijn kind! Ach—dat zou ze geen oogenblik alleen laten; zij zou het zoo vast—zoo vast houden!—en ze drukte haar hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren moest—die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde te zijn.De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom.„Dat is toch niet waar!” riep daarom Abraham op een dag uit, „je bent toch nog geen veertig!”„Ik ben waarempel al vijf en veertig,” antwoordde Kruse kalm en streek over zijn dun haar.„Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet.”„Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld,” antwoordde Kruse glimlachend. „En vrouwen houden zich ook langer goed.”„Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud.”„Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald.”„Mevrouw Gottwald!” riep Abraham, „zij ziet er toch even oud uit als jij.”„Och—onzin, kinderpraat!” stoof Kruse plotseling op. „Mevrouw Gottwald ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw.”Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit denmond vallen, sperde de oogen wijd open en riep:„Brand!—brand in een oud huis!”Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde en vloekte een paar maal geweldig.Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid; maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of andere manier schuld aan deze verhuizing had.Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen had hij ’t druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik aanleiding om: „Brand!” te roepen.„Och, schei nu uit,” zei Kruse uit de hoogte. „Je ben heelemaal niet grappig.”„Ja, maar je vindt dus—in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is—ja, want ze is wel rijk ook.”„Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is,” zei Kruse goedig, „maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen.”„Hoe weet je dat?”„Ik heb het boekje gezien.”„Kijk eens hier!—dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen.”„Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?”„Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen.”„Neen—wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft ’t vaste plan een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;—je weet immers, dat ze een zoon had?—hm! je kent die geschiedenis wel?”Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden.Abraham stond op om heen te gaan; ’t was nog vroeg in den avond. De zon stond laag in ’t westen en scheen onder de laatste zware wolken door, die na een regendag naar ’t zuiden dreven. Hij kreeg lust naar Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij ’t laatste bij haar was.Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze voortliepen, zei hij:„Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan.”„Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in zijn hoofd.”„Een fraseur, een oude gek!”„Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch...”„Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel, dat hij niet den minsten invloed onder ’t volk heeft.”„Ze begrijpen hem niet.”„Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem.Er zijn vrij wat meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten van ons weten.”„Hoor eens Kruse!” zei Abraham en lachte. „Nu zijn we onder vier oogen en je weet, dat ik ’t over ’t geheel met je eens ben wat de meeste van je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet, dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?”„Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben, terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van ’t leven, zooals het in werkelijkheid is.”„Waarom alleen van onder op?”„Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de heerschappij van ’t gepeupel, dat als je maar komt met een klein voorstel van politieke vrijheid of invloed van ’t volk, ze dadelijk meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel, leeren die menschen niets ter wereld.”Abraham lachte.„Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?”„Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordtin usum Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt;een wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen en „communards” in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in Stockholm;—dàt lezen ze niet.”„Dat is altijd iets,” meende Abraham.„Ja zeker—dat is nog niet zoo weinig!—Maar zij lezen, waar bijna niemand van ons aan denkt,—zij lezen en herlezen duizende brieven, die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want daar leert het volk voor ’t eerst van zijn eigen familie, in zijn eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring—het eenigste wat een mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek, die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven, heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en die allen kennen.”Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden; hij was in zekeren zin welsprekend—Kruse, als hij aan den gang kwam; en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde.Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon Abraham niet. Hij vond als ’t ware geen waarborg in die kleine,radicalerechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch.Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af elkaar te ontmoeten inde arbeidersvereeniging, waar Abraham na het feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had.Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette, trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats midden in haar werk vond.„Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?”„Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind, dat ik er sterker van word.”„’t Is zeker wat bitter.”„Och dat hindert niet; kom, ga zitten.”„Je ben niet wel—Grete.”„Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit.”„Ach, ik wou...”„Wat wou je?”„Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou—Grete! dan werd ’t een lang verhaal.”„Vertel maar en laat het maar goed lang worden.”„Allereerst zou ik zoo’n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben—voorspoed vooral...”„En dan?”„Ja—dat kan ik niet vertellen.”„Neen, nu moet ik wel lachen!—dat zijn de domste wenschen, die ik ooit gehoord heb; maar meer—nog meer domme wenschen!”„Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was.”„Och ja! wie moest er meegaan.”„Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna.”„Wie nog meer?”„Jij moest meegaan.”„Wie nog meer?”„Je vader.”„Wie nog meer?”„Mijn vader.”„Wie nog meer?”„Wil je nog meer meêhebben, Grete?”„Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?”„Ik weet het niet.”„Nu zeg je de waarheid niet.”„Welnu, nog één dan.”„Maar één?”„Maar één!”„Een heel kleintje?”„Ja zeker, en dan moesten we...”„Niemand meer, wel?”„Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; ’t is niet zoo’n vreeselijk groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen.”„Maar dan vielen alle anderen in ’t water behalve wij beiden, neen—wij tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham.”„Ja, als jij ’t beter kunt dan ik, dan is ’t maar beter, dat jij wenscht.”Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,—vuurrood, de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,—stil als een kanon, vóór het afgaat.Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm.„Vader!—u is ontslagen.”„Ja!”—’t eerste schot bulderde los, „ik ben ontslagen binnentijds, op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit Christiania hierheengeroepen is om met die lorrige machines te werken, waar niemand hier begrip van had—mij hebben ze er uit gesmeten! Maar dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;—er was niets beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je waarom ik ontslagen ben—Greta!”Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem door—hevig bewogen als hij was, wie Abraham was.„Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er van? Hij kan ’t je vertellen. Vraag ’t hem maar, Greta!—dan kun je hooren wat er aan je vader mankeert.”„Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven, dat het mogelijk is,” antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen.„Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen ’t hooren, voor den duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken, ze hebben me ronduit gezegd, dat ’t was om oneerbiedig optreden—hoor jelui!—wat zegt u daarvan?”De man werd vuurrood en ’t was alsof hem de oogen uit ’t hoofd zouden springen: „Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals—tot die vervloekte machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof ’t je eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigenzult!—En wie—Marcussen—dat zwijn—Lövdahl!...”„Stil, Vader!”„Hoor eens Steffensen!” zei Abraham en stond op. „Ik ben ’t met je eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden.”Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij:„Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de directeur alles in orde brengen zal.”Steffensen scheen ’t meest geneigd er weer op los te bulderen; maar hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan, bromde de oude:„Misschien zit er toch wel wat in dien jongen.”„Ziet u wel!” riep Greta zegevierend. „U, die altijd gezegd hebt, dat hij precies als de anderen was.”Steffensen zag haar aan en zei: „Als je nu toch eens teleurgesteld werd, Greta.”„Ja, dan moest ik maar sterven,” zei ze zacht.Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden.Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader inalle opzichten ook was—’t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen al die geldmenschen niet weinig was veranderd.Ook dat wilde Abraham hem zeggen—open en eerlijk, zonder heftigheid, en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in zijn eer hersteld werd.Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: „Vader! ik kom mijn recht eischen als volwassene.”De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen gesproken, dat de professor wetenmoest, dat dit Abraham krenken zou.’t Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke, en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen ’t moeielijker maakte harde en scherpe woorden te gebruiken.Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen, dat hij moed en wilskracht had als ’t er op aan kwam.In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen.Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk, met gedempte stem, maar ernstig:„Vader, ik kom om mijn recht...”„Stil, stil, in Gods naam—mijn jongen. Praat zoo hard niet,” fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer.„Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar numoetu me aanhooren.”„Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik...”„Ikkanniet langer wachten, Vader.”„Maar Bentzen is daar alleen.”„De dokter!”—Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. „Wat doet hij hier?”„Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was.”„Maar mijn God!” riep Abraham; „wat is er dan? Is Clara ziek?”„Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht.”„Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!”„Ik dacht, dat ’t meisje het je gezegd had. ’t Begon zoo, dat hij...”„Hij!—kleine Carsten? Vader!—Vader, ’t zijn toch geen stuipen?”„Neen, mijn jongen. Stuipen zijn ’t niet; dat wil zeggen...”„U is er niet zeker van!—o Vader, laat me bij hem!”„Neen, neen.—Wees nu kalm!—Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is ’t alleen maar wat koorts.”„Ja, ga u naar binnen, Vader.—Gauw! en vertel u me wat het is. Groote God! Als we hem moesten verliezen!”Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind had gespeeld; ’t grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen zwollen op.Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn hoofd—behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve zekerheid: ’t zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale kinderen bij massa’s op dien leeftijd? Neen—er was geen hoop. Hij voelde ’t zoo duidelijk.’t Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat ’t water nu warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om ’t bad in orde te maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend:„’t Wordt beter.”Maar Abraham geloofde ’t niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de kamer uit.„Nu, dokter?”—Abraham dacht, dat alles voorbij was.„O, ’t gaat goed, heel goed,” antwoordde de dokter; en toen ’t dienstmeisje en de professor op ’t zelfde oogenblik met de kleine badkuip van ’t kind kwamen aandragen, zei hij: „Ik geloof niet, dat het bad noodig is—Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak; maar verder is ’t kind volkomen rustig.”Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:—de pols was zwak, had de dokter gezegd.Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht voort en hielden de deurknopvast; Abraham keerde zich naar hen toe met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht.„Hij slaapt; alle gevaar is voorbij,” fluisterde de professor.Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat ze hem verder weg moesten brengen.Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen, die zich verkwikte met een glas portwijn:„Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,—mijn beste Abraham! Als we grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal.”„Ja, achterna kun je wel moedig zijn,” meende de professor.„Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club, Professor! ’t Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en dan misschien een beetje maagpijn.” Daarop dronk hij zijn glas uit en nam afscheid.Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de stoep staan. ’t Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer verlicht na al die gemoedsbewegingen.Maar eindelijk zei de professor:„Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na een langen dag praktijk in den ouden tijd.”Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht.Maar toen zij in ’t donker achterbleven zei de professor: „Ja, ’t is waar ook! Nu denk ik er aan:er was iets, waar je me over spreken wou, Abraham.”„Nu is u moe, Vader.”„Maar ’t kwam me voor, alsof ’t iets heel gewichtigs was.”„Ja, dat was ’t ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;—ik dank u.”Steffensen?—Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten—tegen zulk een vader!—Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen—morgen; maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren.Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag—bleek en mooi—in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes, die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort.Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan den helderen morgen.Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was; dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan ’t dienstmeisje hoe het gegaan was.O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad.Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had, dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar beneden om te ontbijten.Aan tafel begon de professor dadelijk:„Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wathet toch zou zijn, waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen.”Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds onder ’t eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had; daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen; één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie verdwenen was uit de machinekamer.Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor was bereid veel toe te geven. Vooral was hij ’t met Abraham eens, dat ’t dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets zijn wat Marcussen verzonnen had.Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij; maar de professor zou ’t hem om verschillende redenen afraden.Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het.

De lente kwam vroeg, maar langzaam; ’t was nog vrij koud ’s morgens als Abraham naar de fabriek ging.

Maar de lucht was frisch en licht en ’t was een gelukkige tijd voor hem. Terwijl Clara ziek was,—en dat duurde lang,—woonde hij in zijn zoogenaamd kantoor, waar zijn vaders boeken stonden; hij at beneden bij den professor of ergens anders en had het vrije leven van een ongetrouwd man, wat hij zeer aangenaam vond.

Zijn vrouw zag hij daarentegen weinig; ze vond het niet prettig als hij kwam. Clara was veranderd, ze was nadenkend geworden en lag liefst heel stil.

Ze had vreeselijk geleden; haar fijn, weinig ontwikkeld lichaam was zoo mishandeld geworden en ze dacht, dat ze nooit weer geheel herstellen zou.

En dàt was het, waar ze aan lag te denken. Als ze zich herinnerde wat ze doorgemaakt had, voelde ze een rilling langs haar rug gaan tot in de punten van de teenen toe, en als ze in een onrustigen slaap viel, richtte ze zich met een schok op en meende, dat het weer van voren af aan beginnen zou. Verscheiden keer per dag vroeg ze of het zeker was, dat ze weer als vroeger worden zou—heelemaal? Alle mogelijke maatregelen ende grootste voorzichtigheid paste ze gehoorzaam en geduldig toe en dacht er aan als de dokter of de baker wat vergaten. Over haar gezicht was ze gerust, als ze vermoeid den handspiegel neêrlegde: de huid was zelfs blanker geworden.

In de eerste dagen bekommerde Mevrouw Clara zich niet zooveel om haar kind.

„Ze is te jong; wacht maar,” zei de baker.

Maar zij kon bijna niet verdragen den vader te zien. Als hij zijn gezicht vertoonde, achter het gordijn, glimlachend en overgelukkig, maakte zij een ongeduldige beweging en verzocht hem heen te gaan. Ze was zoo moe.

En hij ging zingende heen naar zijn fabriek, nadat hij zijn oogen had verlustigd met dat kleine geelachtig gerimpelde propje, dat in de wieg lag. Daar buiten onder ’t volk was hij ’t best op zijn plaats.

Marcussen was onontbeerlijk op het kantoor in de stad, zoodat het dagelijksch toezicht op het bedrijf op Abraham rustte; dat deed hij ook het liefst. Kantoorwerk was hem nog altijd vreemd gebleven.

Maar van ’t eene werk naar het andere te gaan, met ’t volk te praten, naar vrouw en kinderen te vragen, en vooral een beetje dokter te spelen—dat was juist een werkje voor Abraham. Hij was zoo blij als hij hen mocht helpen in ziekte en bij ongelukken. Maar het moest een beetje in ’t verborgen gaan, want Dr. Bentzen was de dokter van de onderneming. Intusschen begrepen de arbeiders spoedig, dat het de ambitie van den jongen Lövdahl was een even goed dokter te zijn als Bentzen, en ze vonden gauw uit, dat hij beter was. In dezen tijd, toen de vadervreugde hem zoo licht om het hart maakte en zijn gedachten zoozeer innam, voelde hij minder behoefte om Greta te bezoeken; en zijmiste hem ook minder, nadat men haar verteld had, dat Mevrouw Lövdahl een zoon gekregen had. Abraham sprak er niet over, want hij had een gevoel alsof het haar hinderen zou; maar hij merkte duidelijk, dat zij het wist.

Greta was ook niet ontwikkeld als andere jonge meisjes; het onvaste en overdrevene in haar vaders karakter had ook haar kennis van ’t leven onvast en grillig gemaakt; maar nu was ze zelf volwassen; ze wist ongeveer wat er met Mevrouw Clara gebeurd was en daarna voelde ze minder vreugde als Abraham kwam.

Greta Steffensen had van haar vader geleerd, dat het leven een bloedige onrechtvaardigheid is; dat eenigen mogen genieten en millioenen lijden. Als hij goed aan den gang was kon ze gloeien van ergernis of stroomden de tranen uit haar oogen.

Maar zij had het goed wat haarzelf betrof. Met al zijn gebulder was Steffensen in den grond teer voor haar; alle menschen hadden haar altijd zacht gestreeld en „arme Grete,” gezegd, op een manier, die haar goed deed.

Zij kon niet zien—dat was waar; ’t moest iets wonderlijks zijn, dat licht, dat ’s morgens kwam, en dat ze aan haar open oogen voelen kon. Maar lieve hemel! zij had het zoo goed in andere opzichten.

Zoo was het leven tot nu toe voor haar voorbij gegaan: geregeld werk en een opgeruimd gemoed hadden er haar boven op gehouden; nu was ze bijna negentien jaar en begon sterker te worden.

Maar nu was ’t alsof alles stil stond. Dat kind, dat die vreemde dame ter wereld gebracht had, en dat Abrahams stem van vreugde deed trillen hoewel hij er nooit over sprak,—dat kind veranderde heel het leven voor Greta Steffensen.

Wat haar vader haar had uitgelegd, dat zij, die blind was, geen kind kon verzorgen, klonk haar nu als dom gepraat. Zou zij haar kind niet kunnen verzorgen—zijn kind! Ach—dat zou ze geen oogenblik alleen laten; zij zou het zoo vast—zoo vast houden!—en ze drukte haar hoofdkussen tegen haar warme borst in slapelooze nachten, die vol tranen en halfbewuste ellende waren over die jeugd, die verdorren moest—die liefde, die verwelken zou, zonder iemand tot vreugde te zijn.

De onrust in zijn huis had ook dit gevolg voor Abraham, dat hij meer tijd kreeg om zijn vrienden onder de ongetrouwde jongelui te bezoeken. Hij bracht vooral vaak zijn avonden bij Peter Kruse door. Wel was er een groot verschil in leeftijd tusschen hen; maar Kruse was een gemoedelijke kerel; je dacht nooit aan zijn ouderdom.

„Dat is toch niet waar!” riep daarom Abraham op een dag uit, „je bent toch nog geen veertig!”

„Ik ben waarempel al vijf en veertig,” antwoordde Kruse kalm en streek over zijn dun haar.

„Dat zou ik nooit gedacht hebben. Je moeder is toch nog zoo oud niet.”

„Ja, zie je... ik kwam ook tamelijk vroeg op de wereld,” antwoordde Kruse glimlachend. „En vrouwen houden zich ook langer goed.”

„Och welneen! Vrouwen worden veel gauwer oud.”

„Ja, enkelen; maar kijk nu b.v. eens naar Mevrouw Gottwald.”

„Mevrouw Gottwald!” riep Abraham, „zij ziet er toch even oud uit als jij.”

„Och—onzin, kinderpraat!” stoof Kruse plotseling op. „Mevrouw Gottwald ziet er waarachtig even jong uit als je vrouw.”

Abraham wou grappig zijn, liet de pijp uit denmond vallen, sperde de oogen wijd open en riep:

„Brand!—brand in een oud huis!”

Maar toen werd de goede Peter Kruse heelemaal wanhopend; hij knorde en vloekte een paar maal geweldig.

Hij was inwoner geworden bij Mevrouw Gottwald en woonde boven in de drie kleine kamers. Waarom hij van huis was weggegaan, waar zijn moeder hem zoo graag had willen houden wist niemand met zekerheid; maar Abraham leidde uit enkele woorden af, dat Maarten op een of andere manier schuld aan deze verhuizing had.

Over zijn broeder Maarten sprak Peter Kruse niet graag; daarentegen had hij ’t druk over zijn gastvrouw, en Abraham had ieder oogenblik aanleiding om: „Brand!” te roepen.

„Och, schei nu uit,” zei Kruse uit de hoogte. „Je ben heelemaal niet grappig.”

„Ja, maar je vindt dus—in ernst, dat ze jong, mooi en rijk is—ja, want ze is wel rijk ook.”

„Neen, rijk geloof ik toch niet, dat ze is,” zei Kruse goedig, „maar ze heeft wel een spaarbankboekje met een paar honderd kronen.”

„Hoe weet je dat?”

„Ik heb het boekje gezien.”

„Kijk eens hier!—dus jelui ben al aan de geldquæstie toegekomen.”

„Ja, zooals je ziet; maar weet je wat ze met dat geld doen wil?”

„Vermoedelijk voor jou een nieuwe pruik koopen.”

„Neen—wees nu eens even ernstig! Stel je voor: ze heeft ’t vaste plan een mooi monument op te richten op het kerkhof voor haar zoon;—je weet immers, dat ze een zoon had?—hm! je kent die geschiedenis wel?”

Ja, Abraham wist het wel; hij voelde een steek in het hart, zooals altijd als hij aan den kleinen trouwen Marius dacht en de bouquet, die hij eens gekregen had. Hij werd opeens ernstig genoeg en luisterde maar half naar Kruse, die doorging met het bespreken van Mevrouw Gottwalds aangelegenheden, die hem blijkbaar in hooge mate interesseerden.

Abraham stond op om heen te gaan; ’t was nog vroeg in den avond. De zon stond laag in ’t westen en scheen onder de laatste zware wolken door, die na een regendag naar ’t zuiden dreven. Hij kreeg lust naar Greta te gaan; ze zag zoo bleek toen hij ’t laatste bij haar was.

Peter Kruse ging meê om wat frissche lucht te scheppen en terwijl ze voortliepen, zei hij:

„Ik begrijp niet, Lövdahl, dat je dien Steffensen kunt uitstaan.”

„Hij is vermakelijk; er zijn werkelijk veel wonderlijke ideeën in zijn hoofd.”

„Een fraseur, een oude gek!”

„Voor een eenvoudige arbeider, vind ik toch...”

„Een arbeider! zeg je. Verbeeldt je je misschien, dat een arbeider in dezen tijd met zulke holle praatjes aankomt? Neen, zie je, Steffensen kan wel goed genoeg geweest zijn in zijn jeugd, tien à twintig jaar geleden; toen waren menschen als hij noodig om de arbeiders wakker te schudden met groote woorden en goed klinkende zinwendingen. Maar de arbeiders van heden zijn wakker en vrij wat meer ontwikkeld; daarom loopt Steffensen rond als een oude schreeuwer. Je ziet zelf wel, dat hij niet den minsten invloed onder ’t volk heeft.”

„Ze begrijpen hem niet.”

„Ja, òf ze. Ze doorzien hem en lachen om hem.Er zijn vrij wat meer solide eigenschappen noodig om vertrouwen en invloed onder onze arbeiders te winnen; zij zijn waarachtig verder gekomen dan de meesten van ons weten.”

„Hoor eens Kruse!” zei Abraham en lachte. „Nu zijn we onder vier oogen en je weet, dat ik ’t over ’t geheel met je eens ben wat de meeste van je nieuwe ideeën betreft. Maar zeg me nu eens eerlijk: Geloof je niet, dat je in je haat tegen de steunpilaren van de maatschappij geneigd ben je lieve kleine burgers wat te veel in de hoogte te steken?”

„Ik geloof alleen wat ik weet. En dat is, dat in dit land de bovenste lagen van de maatschappij een paar geslachten stil gestaan hebben, terwijl een heel nieuwe levensbeschouwing de kamers van de denkers en boekengeleerden heeft verlaten, om in de maatschappij van onder op door te dringen als een levende stroom van bruikbare kennis van ’t leven, zooals het in werkelijkheid is.”

„Waarom alleen van onder op?”

„Omdat de tijd de steunpilaren van de maatschappij angstig maakt. Hun pers heeft hun zoolang de ooren vol gepraat over anarchie en de heerschappij van ’t gepeupel, dat als je maar komt met een klein voorstel van politieke vrijheid of invloed van ’t volk, ze dadelijk meenen, dat er sprake is van hun geld te deelen en hun vrouwen en kinderen prijs te geven. Maar op die manier, dat begrijp je wel, leeren die menschen niets ter wereld.”

Abraham lachte.

„Maar je kleine burgers dan! Wat leeren die?”

„Ten eerste lezen ze niet de couranten van de steunpilaren der maatschappij, waarin de heele wereld op den kop gezet wordtin usum Delphini, doode gedachten met versche scheldwoorden opgedischt;een wegdoezelen van de werkelijke trekken van den tijd en een dagelijksch herhalen van de oude oer-waarheden, dat er schurken in Amerika wonen en „communards” in Parijs, de wijsheid in Christiania en de deugd in Stockholm;—dàt lezen ze niet.”

„Dat is altijd iets,” meende Abraham.

„Ja zeker—dat is nog niet zoo weinig!—Maar zij lezen, waar bijna niemand van ons aan denkt,—zij lezen en herlezen duizende brieven, die ons elk jaar toestroomen van de Noren in Amerika. Zie je, dat is een bron van ontwikkeling beter dan alle couranten en boeken. Want daar leert het volk voor ’t eerst van zijn eigen familie, in zijn eigen taal, uit zijn eigen gedachtenkring—het eenigste wat een mensch door en door begrijpen kan. En denk eens aan al die kritiek, die in die brieven ligt over al onze toestanden van onder tot boven, heldere, gemakkelijk te begrijpen oordeelvellingen en vergelijkingen van neven en nichten of van Oom Lars, die zoo geloofwaardig was en die allen kennen.”

Abraham liet hem uitspreken en antwoordde maar met enkele woorden; hij was in zekeren zin welsprekend—Kruse, als hij aan den gang kwam; en er was veel in wat hij zei, wat Abraham bewonderde.

Maar zich geheel bij hem en zijn opvattingen aansluiten, dat kon Abraham niet. Hij vond als ’t ware geen waarborg in die kleine,radicalerechtsgeleerde, die hij al van zijn jongensjaren af had leeren beschouwen als een gevaarlijk, half verachtelijk mensch.

Toen ze afscheid namen voor het huis van Steffensen spraken ze af elkaar te ontmoeten inde arbeidersvereeniging, waar Abraham na het feest veel vertrouwen en de plaats als vice-president verworven had.

Terwijl Kruse verder ging en zijn toespraak in zich zelf voortzette, trad Abraham het kamertje binnen, waar hij Greta op haar gewone plaats midden in haar werk vond.

„Je ziet zoo bleek, Grete! voel je je niet beter?”

„Ja, dank je, veel beter; je medicijn smaakt niet lekker, maar ik vind, dat ik er sterker van word.”

„’t Is zeker wat bitter.”

„Och dat hindert niet; kom, ga zitten.”

„Je ben niet wel—Grete.”

„Ja zeker, hoor je. Scheid nu maar uit.”

„Ach, ik wou...”

„Wat wou je?”

„Als ik je alles zou vertellen, wat ik graag wou—Grete! dan werd ’t een lang verhaal.”

„Vertel maar en laat het maar goed lang worden.”

„Allereerst zou ik zoo’n vaste hand willen hebben als Vader had in zijn allerbesten tijd; en dan wou ik voorspoed en moed hebben—voorspoed vooral...”

„En dan?”

„Ja—dat kan ik niet vertellen.”

„Neen, nu moet ik wel lachen!—dat zijn de domste wenschen, die ik ooit gehoord heb; maar meer—nog meer domme wenschen!”

„Dan wou ik, dat ik op een stoomschip was.”

„Och ja! wie moest er meegaan.”

„Veel, heel veel menschen! Alle arbeiders op Fortuna.”

„Wie nog meer?”

„Jij moest meegaan.”

„Wie nog meer?”

„Je vader.”

„Wie nog meer?”

„Mijn vader.”

„Wie nog meer?”

„Wil je nog meer meêhebben, Grete?”

„Wil je niet nog iemand meêhebben, Abraham?”

„Ik weet het niet.”

„Nu zeg je de waarheid niet.”

„Welnu, nog één dan.”

„Maar één?”

„Maar één!”

„Een heel kleintje?”

„Ja zeker, en dan moesten we...”

„Niemand meer, wel?”

„Neen, kind! nu zijn we dan aan boord; ’t is niet zoo’n vreeselijk groot schip; maar dan moesten we ver weg reizen.”

„Maar dan vielen alle anderen in ’t water behalve wij beiden, neen—wij tweeën, neen wij drieën, niet waar, Abraham.”

„Ja, als jij ’t beter kunt dan ik, dan is ’t maar beter, dat jij wenscht.”

Zoo liep hun gesprek, maar plotseling hoorden zij geraas; dat was Steffensen, die thuis kwam. De deur vloog open door een schop en een pak met olie bevlekte linnen kleeren vloog naar binnen, daarop een kist met werktuigen en eindelijk Steffensen zelf,—vuurrood, de handen diep in de zak, met uitpuilende oogen, maar stil,—stil als een kanon, vóór het afgaat.

Greta liet haar werk los en greep Abrahams arm.

„Vader!—u is ontslagen.”

„Ja!”—’t eerste schot bulderde los, „ik ben ontslagen binnentijds, op een verachtelijke manier. Steffensen, die uitdrukkelijk van uit Christiania hierheengeroepen is om met die lorrige machines te werken, waar niemand hier begrip van had—mij hebben ze er uit gesmeten! Maar dat alles was nog zoo erg niet. Ik weet immers wel wat het lot van een gewoon arbeider is, en ik ken de bloedzuigers wel;—er was niets beters te verwachten; maar één ding brandt me in mijn ziel! Weet je waarom ik ontslagen ben—Greta!”

Hij ging vlak voor hen beide staan. En eerst toen drong het tot hem door—hevig bewogen als hij was, wie Abraham was.

„Ja kijk! daar heb je nou een van de hooge heeren. Wat zegt u er van? Hij kan ’t je vertellen. Vraag ’t hem maar, Greta!—dan kun je hooren wat er aan je vader mankeert.”

„Ik weet hier niets van, Steffensen! en ik kan eigenlijk niet gelooven, dat het mogelijk is,” antwoordde Abraham. Hij zelf was bleek geworden en hij voelde zijn drift opkomen, omdat de directie, of zijn vader dit toch gedaan had zonder er hem over te raadplegen.

„Nu als u dan niets weet, dan zult u en de anderen ’t hooren, voor den duivel! Ik ben weggejaagd zonder behoorlijke opzegging van te voren en zonder dat ze zich de moeite geven, een voorwendsel te zoeken, ze hebben me ronduit gezegd, dat ’t was om oneerbiedig optreden—hoor jelui!—wat zegt u daarvan?”

De man werd vuurrood en ’t was alsof hem de oogen uit ’t hoofd zouden springen: „Stel je voor! eerst moet je verdragen, dat ze alles bezitten, de aarde hier en de hemel hiernamaals—tot die vervloekte machines toe, waar je op loopt te passen zoo zorgvuldig alsof ’t je eigen vleesch en bloed was en dan willen ze nog, dat je ze eerbiedigenzult!—En wie—Marcussen—dat zwijn—Lövdahl!...”

„Stil, Vader!”

„Hoor eens Steffensen!” zei Abraham en stond op. „Ik ben ’t met je eens. Dit is absoluut onverantwoordelijk van de directie en ik geef er je mijn woord op, dat je volkomen in je eer hersteld zult worden.”

Die woorden brachten Steffensen in de war; maar Greta riep blij:

„Ziet u wel, Vader! kom nu bij ons en wees kalm, u hoort, dat de directeur alles in orde brengen zal.”

Steffensen scheen ’t meest geneigd er weer op los te bulderen; maar hij kwam onder den indruk van de vastheid, die over de houding van den jongen directeur gekomen was, en toen Abraham was heengegaan, bromde de oude:

„Misschien zit er toch wel wat in dien jongen.”

„Ziet u wel!” riep Greta zegevierend. „U, die altijd gezegd hebt, dat hij precies als de anderen was.”

Steffensen zag haar aan en zei: „Als je nu toch eens teleurgesteld werd, Greta.”

„Ja, dan moest ik maar sterven,” zei ze zacht.

Maar Abraham liep met stormpas de stad in. Nu zou hij met allen afrekenen. De directie moest bijeenkomen. Hij was niet bang. Hij wilde vrijuit spreken. Ze zouden niet zeggen van de fabriek waar hij directeur was, dat bekwame menschen werden weggejaagd, omdat ze op een feest woorden spraken, die de groote lui niet aanstonden.

Maar eerst zou de slag geleverd worden tusschen zijn vader en hem. Er was toch een grens aan den kinderlijken eerbied; hij wilde zijn recht als volwassene eischen. Hoe uitstekend zijn vader inalle opzichten ook was—’t viel toch niet te ontkennen, dat hij door dit leven tusschen al die geldmenschen niet weinig was veranderd.

Ook dat wilde Abraham hem zeggen—open en eerlijk, zonder heftigheid, en overigens er op staan, dat Steffensen zijn plaats behield en in zijn eer hersteld werd.

Hij liep zijn toespraak aan zijn vader in te studeeren en toen hij in de stad kwam, had hij die klaar; hij zou zóó beginnen: „Vader! ik kom mijn recht eischen als volwassene.”

De professor was niet thuis en dadelijk kwam bij Abraham de verdenking op, dat zijn vader op zijn komst was voorbereid en zich aan zijn eerste heftigheid wilde onttrekken; want zij hadden zoo vaak over Steffensen gesproken, dat de professor wetenmoest, dat dit Abraham krenken zou.

’t Dienstmeisje zei, dat de professor boven was. Abraham ging de trap op: nu werd het erger: hij moest de verklaring uitlokken in zijn eigen kamer, waar het stil moest gehouden worden voor de zieke, en waar de feestelijke rust om den jong-geborene heen ’t moeielijker maakte harde en scherpe woorden te gebruiken.

Maar dat hielp niet; nu moest het gebeuren; hij zou ze nu eens toonen, dat hij moed en wilskracht had als ’t er op aan kwam.

In de voorkamer lag een vreemde hoed en stok, maar hij dacht er niet over na en ging met vaste schreden de huiskamer binnen.

Hier kwam zijn vader hem te gemoet uit de slaapkamer. De professor hief de hand op en wilde iets zeggen; maar Abraham begon dadelijk, met gedempte stem, maar ernstig:

„Vader, ik kom om mijn recht...”

„Stil, stil, in Gods naam—mijn jongen. Praat zoo hard niet,” fluisterde de professor en duwde hem de kamer weer uit in de voorkamer.

„Ik zal kalm zijn, Vader en zacht spreken; maar numoetu me aanhooren.”

„Ja, ja lieve Abraham, maar op dit oogenblik...”

„Ikkanniet langer wachten, Vader.”

„Maar Bentzen is daar alleen.”

„De dokter!”—Abraham herinnerde zich opeens dien vreemden hoed. „Wat doet hij hier?”

„Ik had je een boodschap willen sturen, maar ik wist niet waar je was.”

„Maar mijn God!” riep Abraham; „wat is er dan? Is Clara ziek?”

„Neen, neen. Clara neemt het kalmer op dan ik dacht.”

„Maar wat is er dan, Vader? Zeg het dan!”

„Ik dacht, dat ’t meisje het je gezegd had. ’t Begon zoo, dat hij...”

„Hij!—kleine Carsten? Vader!—Vader, ’t zijn toch geen stuipen?”

„Neen, mijn jongen. Stuipen zijn ’t niet; dat wil zeggen...”

„U is er niet zeker van!—o Vader, laat me bij hem!”

„Neen, neen.—Wees nu kalm!—Ik zal naar binnen gaan. Mogelijk is ’t alleen maar wat koorts.”

„Ja, ga u naar binnen, Vader.—Gauw! en vertel u me wat het is. Groote God! Als we hem moesten verliezen!”

Hij stond voor het venster, terwijl zijn vader in de slaapkamer was. Hij stond in de oude ingesloten tuin te kijken, waar hij als kind had gespeeld; ’t grasveld werd groen en de knoppen van de lindeboomen zwollen op.

Maar geen herinnering, geen gedachte kon plaats vinden in zijn hoofd—behalve dat ééne verschrikkelijke, wat in zijn licht bewogen fantaisie van een akelig voorgevoel aangroeide tot een halve zekerheid: ’t zou zoo moeten zijn: hij zou hem verliezen. Niets was waarschijnlijker; zwak en buitengewoon klein was de jongen, en met moeite was hij ter wereld gekomen. Stierven niet gezonde en normale kinderen bij massa’s op dien leeftijd? Neen—er was geen hoop. Hij voelde ’t zoo duidelijk.

’t Dienstmeisje kwam uit de keuken om te zeggen dat ’t water nu warm was en de professor kwam uit de slaapkamer om ’t bad in orde te maken. Terwijl hij Abraham voorbijging zei hij geruststellend:

„’t Wordt beter.”

Maar Abraham geloofde ’t niet; en de tijd ging voorbij. In de keuken hoorde hij water in de badkuip schenken; maar binnen bij kleine Carsten was alles stil. Geen enkel geluid, dat hoop gaf. Dr. Bentzen kwam de kamer uit.

„Nu, dokter?”—Abraham dacht, dat alles voorbij was.

„O, ’t gaat goed, heel goed,” antwoordde de dokter; en toen ’t dienstmeisje en de professor op ’t zelfde oogenblik met de kleine badkuip van ’t kind kwamen aandragen, zei hij: „Ik geloof niet, dat het bad noodig is—Lövdahl. De pols is nu vrij normaal; wat zwak; maar verder is ’t kind volkomen rustig.”

Beide doktoren gingen naar binnen, en Abraham bleef voor de dampende badkuip staan en luisterde. Hij durfde nog niet hopen:—de pols was zwak, had de dokter gezegd.

Na een lange, lange poos kwamen de twee heeren terug; zij slopen zacht voort en hielden de deurknopvast; Abraham keerde zich naar hen toe met een vraag in elken trek van zijn angstig vertrokken gezicht.

„Hij slaapt; alle gevaar is voorbij,” fluisterde de professor.

Abraham wierp zich in zijn armen en barstte in schreien uit, zoodat ze hem verder weg moesten brengen.

Toen hij weer eenigszins in evenwicht gekomen was, zei Dr. Bentzen, die zich verkwikte met een glas portwijn:

„Ik zal je wat in vertrouwen zeggen,—mijn beste Abraham! Als we grootvader worden, dan worden we heel angstig; vooral als het een kleinzoontje geldt, dat onzen hooggeachten naam dragen zal.”

„Ja, achterna kun je wel moedig zijn,” meende de professor.

„Ach! je hadt me waarachtig wel met rust kunnen laten op de club, Professor! ’t Heele geval was niets anders dan een beetje koorts en dan misschien een beetje maagpijn.” Daarop dronk hij zijn glas uit en nam afscheid.

Zij gingen met hem meê naar beneden en bleven een oogenblik op de stoep staan. ’t Was laat geworden. De straat was leeg en stil, de avond mooi en zacht na den regen, en allen voelden zich min of meer verlicht na al die gemoedsbewegingen.

Maar eindelijk zei de professor:

„Nu, goeden nacht! nu wil ik graag naar bed. Ik ben zoo moe als na een langen dag praktijk in den ouden tijd.”

Bentzen ging heen en trok de huisdeur dicht.

Maar toen zij in ’t donker achterbleven zei de professor: „Ja, ’t is waar ook! Nu denk ik er aan:er was iets, waar je me over spreken wou, Abraham.”

„Nu is u moe, Vader.”

„Maar ’t kwam me voor, alsof ’t iets heel gewichtigs was.”

„Ja, dat was ’t ook. Maar nu ben ik ook moe, om u de waarheid te zeggen. We laten dat rusten tot morgen. Goeden nacht Vader;—ik dank u.”

Steffensen?—Steffensen! hoe oneindig ver weg was hij niet van Abrahams gedachten; en hoe in de wereld had hij er aan kunnen denken zich om zooiets tegen zijn vader te verzetten—tegen zulk een vader!—Natuurlijk zou hij die zaak in orde brengen—morgen; maar dat kon immers wel in alle kalmte gebeuren.

Op de teenen sloop hij de slaapkamer binnen. Clara lag—bleek en mooi—in dat groote bed; en kleine Carsten sliep met zachte snikken in zijn heel klein neusje, en rimpeltjes in de fijne vingertjes, die op gepelde garnaaltjes leken, van de allerkleinste soort.

Toen ging ook Abraham ter ruste en sliep als een Patriarch tot aan den helderen morgen.

Iets onaangenaams hinderde hem dadelijk, vóór hij nog goed wakker was; dat was Steffensen. Maar hij zette dat op zij, belde en vroeg aan ’t dienstmeisje hoe het gegaan was.

O, goed! Mevrouw en de kleine hadden een rustigen nacht gehad.

Dat was het voornaamste; de rest zou wel in orde komen. Nadat hij Clara goeden morgen gezegd en er zich persoonlijk van overtuigd had, dat de kleine met de garnaalvingertjes wel bewaard was, ging hij naar beneden om te ontbijten.

Aan tafel begon de professor dadelijk:

„Ik dacht er gisteren avond laat nog over, wathet toch zou zijn, waar je me over spreken wou, en ik kwam eindelijk op Steffensen.”

Abraham gaf toe, dat het zoo was; en nu begon de professor, steeds onder ’t eten, de zaak uit te leggen. De directie had eenstemmig zijn ontslag geëischt; de man was niet onontbeerlijk; hij was ook niet zoo arm als hij zich voordeed; men zei, dat hij gespaard had; daar kwam bij, dat hij een uiterst moeilijk heer was, slecht gezind en ontevreden. Er waren veel klachten van de andere arbeiders ingekomen; één had zelfs er op gewezen, maar alleen mondeling, dat er machineolie verdwenen was uit de machinekamer.

Abraham verdedigde Steffensen heel kalm en bezonnen; en de professor was bereid veel toe te geven. Vooral was hij ’t met Abraham eens, dat ’t dwaas was over een oneerbiedig optreden te spreken, dat moest iets zijn wat Marcussen verzonnen had.

Maar aan den anderen kant moest Abraham ook zijn vader hierin gelijk geven, dat hij tenminste niet anders had kunnen handelen. Wilde Abraham zich tot de directie wenden, dan stond hem dat natuurlijk vrij; maar de professor zou ’t hem om verschillende redenen afraden.

Abraham zou zich bedenken. En daarbij bleef het.


Back to IndexNext