IX.

IX.De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te voren had gedaan.Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn, als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.Wat vooral in Juffrouw Kruse’s verstandig kopje spookte, was een voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden waren en zich ’t leven zoo zuur maakten.Ze dacht ’t meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem geweest! dat moest ze toegeven.En dan Maarten en nog erger—Frederika!Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets te zien. Datwaren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit, dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!—nooit een frisch jong lachen.Maarten was dominé,—nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze lachten—lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. ’t Grootste genoegen was—dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;—hier nam juffrouw Kruse vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen, weg te breien.Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren preeken over de tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge in uw gordelen hebben.”’t Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden hun offer1moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor ’t heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er over rijkdom geschreven staat; de beide mantelsen de rijke jongeling, de rijke man en Lazarus, de kameel en ’t naaldeoog—’t kwam alles in die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over, toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld; en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart, en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij—als het jaar eens heel goed geweest was,—’t met de kerstgeschenken en ’t offer voor den predikant wat ruimer nam.Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen, deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al ’t pijnlijke weg, wat uit den tijd van armoede overgebleven was; enJörgen, die altijd dik geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve dat—hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine, dat—al had zij de huisdeur verguld—hij alleen gezegd zou hebben: „Ja Moeder,—daar zul je wel een bedoeling meê hebben.”Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de eetkamer of naar boven verhuisden.’t Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten.Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste messen op; ’t huis was zooals ’t behoorde, een eenvoudig, solide, welgesteld huis.Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare malen heen en weer gedraaid moest worden—dat men altijd op zijn dood moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt?„Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling,” zei Juffrouw Kruse halfluid en trok stevig aan dekous, zoodat die een eindelooze lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,—niet ronduit, maar door honderd kleine toespelingen—allebei, Maarten en Frederika. In ’t begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord, wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij, dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei:„Zeg, Moeder!—ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd.”„Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?”„Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?”„Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er een andere reden voor hebt!”„Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is—dan is ’t omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan.”„Pas toch op je woorden, Peter! Heb je ’t ook gemerkt?”Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: „maar daar moet je je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê.”„Zoo?—Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij ’t hebben, die ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in—zijn spaarpot!...”„Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk, en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan.”„Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik ’t zoo lang mogelijk verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als ik verhuisde.”Juffrouw Kruse werd rood: „En dat zei Maarten tegen jou—Peter?”„Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?”„Hij is dominé—zie je,” mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte verzachtte haar telkens.Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde.Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis van Mevrouw Gottwald brengen; en ’t was haar een genot te zien hoe gezellig hij ’t kreeg.Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig zuur glimlachje:„Zoo, hier is boedelscheiding geweest—hoor ik.”Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: „Wat meen je daarmeê, Frederika.”„Och, ’t was maar, omdat ik zoo’n verhuisboel van hier zag wegrijden,—eergisteren.”„Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel weten.”„O, zoo! ik wist niet, dat Peter ’t heele ameublement krijgen zou. Wist jij dat, Maarten?”„Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten,” riep Juffrouw Kruse en probeerde te lachen. „’t Waren natuurlijk enkel de meubels, die hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad.”„Neen, pardon Moeder, dat was ’t niet.”„Maar ik verzeker je, Frederika.”„Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven; maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje—dat heeft ten minste in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom.”„Ja, dat speeltafeltje!—daar heb je gelijk in,” antwoordde Juffrouw Kruse heel verlegen; „er waren misschien ook nog een paar andere kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en zoo was het er wat leeg, en toen...”„Ja, lieve Hemel!—het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen.”Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En toch wist zij—en de anderen wisten ’t ook—dat de jonggetrouwden een flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van waard was.Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg, Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch zei ze geen woord.Waarom?—ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang voor die twee menschen die ’t zóó samen eens waren. En dan ook—hij was dominé.Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En dat merkten ze en maakten er gebruik van.Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij nietzooveel kleine behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw Kruse’s hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En ’t allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet heelemaal met rust liet.Hij—Peter—was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze nagedacht, terwijl ze hem onder ’t hart droeg—ongehuwd en onzeker hoe dit alles zou gaan.’t Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam.Maar ’t was niet waar—heelemaal niet waar, als iemand zou willen zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als ’t er op aan kwam; en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer.’t Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon, bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of ’t nu kousen waren of een of ander kleinigheid in huis—een voetenbankje, een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven hadvoor zijn nieuwe woning—ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel, al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van ’t oude hart van Juffrouw Kruse ging.Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen, dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger.Op een zondag zei de jonge dominésvrouw:„Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt.”„Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder.”Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen; ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek, vet en slap, maar heel waardig.’t Was over ’t algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten; want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was iets vogelachtigsin de ronde oogen en de neus, die dor en spits geworden was.Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon:„Och ja,—als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch, dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke—ja, ik noem dit „een onnatuurlijke sterke” soep te geven—niet waar? Maarten.—Ik vind het bepaald verkeerd, zoo’n overdaad.”Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse’s hart; zij wist door wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem:„Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens van je leeren.”Frederika werd wat verlegen.„Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week of misschien de week daarvoor—toen kreeg je vleeschsoep, niet waar Maarten? Weet je ’t nog? je vondt ze lekker.”„Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder,” antwoordde Maarten plechtig.„Wel, dat doet me pleizier,” antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar muts recht; „en wat had je dan in die soep gedaan, kind?”„Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en dan wat gebruind meel.”Maar toen was Juffrouw Kruse’s geduld uitgeput. Als er iets was wat zij als solide ouderwetschekookster haatte en verachtte, dan waren ’t zulke poespas-gerechten, en alleen al ’t woord Liebig kon haar tot een uitbarsting brengen.Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden:„Ja, wil ik je eens wat zeggen—Frederika!—dan dank ik den hemel, dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten.”Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten—die stoffel—kwam haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit en vloog de eetkamer uit.Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend:„Hoe kunt u ’t hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen, Moeder.”Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten, hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen haar schoondochter geweest was. En ’t eind was, dat ze de kamer uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprechtberouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf.Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; ’t kwam al spoedig zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich zelf dacht: „Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?”—En uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous.Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen aan ’t werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou ’t toch met Maarten zijn—hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch klaarblijkelijk—dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen—die toch klaarblijkelijk verslaafd was—of in elk geval groot gevaar liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar kind een verharde huichelaar was?—neen—neen, dat kon zoo niet zijn; hij moest door de list des duivels verblind zijn voor ’t gevaar, dat hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was—zoo geharnast in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in een roeiboot,—zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen, dat er klippen voor den boeg lagen.Als men een oude vrouw ziet—gerimpeld en met keurig linnen aan, in een leunstoel met een breikous,—de kamer gezellig, met muurbloemen en schuine zonnestralen over ’t tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje.En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: „Ja, ja! de jeugd kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van ’t leven dragen,”—dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: „De oude ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van ’t leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen, tot de zon ondergaat.”En toch!—er gaat zooveel om in zoo’n oud hoofd en ’t zou kunnen zijn, dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld en met keurig linnen aan—een oude vrouw, die zit te peinzen bij haar breikous.1Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt „offer” genoemd.X.Daar rolt een stroom van goud van ’t eene land naar ’t andere. Waar de wereldhandel de groote sommen verplaatst vloeit die stroom in een breede, geweldige bedding, en naar alle kanten in tallooze vertakkingen gaan de kleine gulden stroompjes tot naar de verste achterhoeken van de wereld.Maar boven op dien stroom kronkelt het blauw-witte schuim van de wissels rond.Dat ziedt en ritselt en verspreidt zich in strepen over de heele aarde en loopt heen en terug in een onophoudelijke haast.Maar als de groote goudstroom daar buiten daalt—dan snellen de kleine gulden wateraartjes terug van uit de uithoekjes van de wereld. Alsof de aarde zelf haar goud weer tot zich gezogen had—zoo verdwijnt het: eerst in de verste kleine kanalen, dan dichter en dichter bij, tot ook de groote vertakkingen inkrimpen en als tot ijs verstijven.Maar juist als zulk een ijstijd nadert wordt het gewemel van de wissels steeds woester. Het schuimt en neemt toe, stijgt en stijgt als een opkomende vloed, drukt een smal, langwerpig streepje purper onder de deur door,—nog een, en nog een tot de deur meêgeeft en de losgebroken wateren heenspoelen over huizen en tuinen, velden en eigendommen,’t groote en ’t kleine verwoesten, uit elkaar scheuren, doen splijten en voor alle winden heen jagen wat menschen met vlijt en liefde bijeen brachten. En daarna blijft niets over dan berouw en schande, vernedering en zelfverwijt, vervloekingen en tranen.Niet eens de bankdirecteur Christensen had er een vermoeden van, dat een wereldcrisis naderde; maar zijn nooit falende neus begon te merken, dat de echte, onvervalschte goudlucht al zwakker en zwakker werd op sommige punten.Daarom had hij een harden strijd te voeren, niet alleen met zijn vrouw, maar ook met zijn collega’s in de directie van de bank. De bank van Christensen—zooals die in de volkstaal heette—was opgericht door de eerste kooplieden in de stad en werd nauwgezet alleen tot hulp van den kring zelf gebruikt; maar Christensen, de eigenlijke stichter en oprichter behield altijd den grootsten invloed in ’t bestuur. Dat verdiende hij ook, omdat hij in de eerste moeilijke dagen zijn kracht en tijd ten offer had gebracht om de bank op te werken.Daardoor kwam het ook, dat men hem de directeur van de bank bleef noemen, zelfs lang, nadat een gehonoreerd ambtenaar was aangesteld om de dagelijksche zaken te regelen. Maar men zei van Christensen, dat hij niet zou kunnen leven zonder een paar keer daags in zijn dierbare bank rond te snuffelen.De strijd, dien hij nu voerde met zijn medebestuurders, liep over de zoogenaamde Fortunawissels. Christensen had zich in ’t hoofd gezet, dat hij ze uit de bank wilde hebben; zij moesten opgekocht worden, naarmate ze vervielen en niet weer vernieuwd.Dat zei hij intusschen niet in het openbaar; hij was een te nauwgezet koopman om ’t crediet van een onderneming te willen verzwakken—allerminst zoolang hij zelf aandeelen had. Maar hij werkte heel voorzichtig met toespelingen en schijnbaar onschuldige voorstellen, zoodat de anderen ongeveer de bedoeling wel konden vermoeden, zonder dat ze die behoefden te begrijpen of er in toe te stemmen; en de vergadering eindigde als gewoonlijk daarmeê, dat men met vage, onbepaalde woorden den president de handen vrij liet.Groote kooplieden in een kleine omgeving haten elkaar altijd, omdat de een zich niet bewegen kan zonder den ander te hinderen; maar de bankdirecteur Christensen had een zeer bizonderen hekel aan Carsten Lövdahl. En dat niet alleen, omdat Lövdahl hem over het hoofd groeide; maar Christensen, die van kind af aan zich op den handel had toegelegd en zich zelf had opgewerkt,—rijk was hij pas door zijn huwelijk geworden,—hij kon ’t eenvoudig niet uitstaan, dat die trotsche man van wetenschap zich in de koopmanswereld indrong en daar den baas wilde spelen. Door allerlei intrigues en door middel van zijn invloed was het hem gelukt den professor buiten het bestuur van zijn bank te houden, waartoe Lövdahl anders natuurlijk zou zijn uitgenoodigd; en toen hij nu zoo half en half de toestemming van de andere bestuursleden had om de Fortunawissels te weren, wendde hij zich dadelijk tot den administreerenden directeur, die hem gehoorzaamde als een hond en gaf hem de noodige orders.Marcussen kwam dus op een dag half lachend en half verbluft bij den professor binnen met een paar wissels in de hand.„Nu zal ik u eens wat moois vertellen, Professor!Rasmus komt terug van de bank van Christensen met de boodschap, dat de Fortunawissels tegen contanten moeten worden ingewisseld.”„Welnu Marcussen, dan wisselen wij ze in. Christensen is werkelijk belachelijk met zijn angst.”„Pardon Professor! maar er kan toch geen sprake van zijn, dat we alle Fortunawissels zullen inwisselen.”„Bedoelde hijalle!”„Ja, dat heeft Rasmus begrepen, dat er bedoeld werd voor ’t vervolg.”„Hoeveel kan de fabriek zoowat in Christensens bank aan wissels hebben staan?”„Ik weet ’t niet precies; zoowat honderdvijftig à tweehonderd duizend gulden.”„Maar Groote hemel!—Marcussen!—en dat moeten we tegen contanten inwisselen, nu dadelijk? een dezer dagen?”Het bloed steeg den professor naar het hoofd; hij was zoo in ’t geheel niet gewend aan zulk soort verrassingen, dat hij dadelijk radeloos werd. De sombere voorgevoelens, waaraan hij al eens door Christensen’s schuld geleden had, kwamen hem nu weer bestormen. Wilde die man hem in ’t verderf storten? Was het mogelijk Carsten Lövdahl te ruïneeren. ’t Was ongehoord! absoluut ongehoord! papieren te weigeren, waaropzijnnaam stond—en de schrik uitte zich in een stroom booze woorden over den bankdirecteur.Marcussen luisterde verwonderd naar deze uitbarsting, maar hij was ’t er trouwens volkomen meê eens; hij ook voelde zich beleedigd in zijn zaak; en toen de professor zweeg, stelde hij voor, dat ze heel kalm Rasmus weer naar de bank terug zouden zenden, met de boodschap, dat het nu nietschikte deze papieren in te wisselen. Dan kon de professor Christensen onder handen nemen, als zij elkaar eens ontmoetten.Maar daar wilde de professor niet van hooren. Toen de toorn was uitgebarsten bleef alleen de schrik over; en hij begon Marcussen levendig uit te vragen of Fortuna niet iets te goed had in de boeken of contant in de kas.Marcussen streek zijn mooie knevel op en vertrok den mond tot een schuinschen glimlach—ongeveer als wanneer de meisjes geld wilden hebben:—„Als de professor werkelijk Christensens onbeschaamdheid verdragen wil, dan is er immers niets tegen die papieren in te wisselen.”„Zoo—je hebt dus geld?”„We hebben ’t niet liggen; maar we kunnen ons crediet gebruiken.”„Crediet—Marcussen! Als de bank de wissels van de fabriek weigert is dat immers juist omdat ons crediet verzwakt is.”„Pardon, Professor! maar in deze zaak gebruiken we ons crediet heelemaal niet.”„’t Is een solide zaak, Marcussen.”„Al te solide—ten minste in ons geval. Met den naam Carsten Lövdahl op ’t papier kan ik in acht dagen een millioen krijgen.”De professor leunde achterover in zijn stoel, hij wist, dat het waar was. De naam was uitstekend; het groote vermogen, dat op eens losgemaakt was, had zijn zaak den naam gegeven van een van de meest solide en contante van de geheele kust, en Lövdahl hoorde dat graag.„De fabriek heeft nog al veel schuld,” zeide hij.„’t Beste zou zijn de fabriek naar den drommel te laten loopen,” zeide Marcussen openhartig.„Maar Marcussen, hoe kun je...!”„Pardon Professor!—ik meende alleen, dat we wel veel doen voor die fabriek.”„’t Zal gaan met Fortuna; je zult ’t zien,—jij en al die wijze heeren;—laat ons daar niet meer over praten.—Wat meende je met „ons crediet gebruiken?””Marcussen zag zijn chef aarzelend aan; hij had zijn handelsopvoeding gekregen in zaken, die hun crediet zeer goed tot het uiterste wisten te gebruiken.„Wij gaan naar de Noorsche bank en halen zooveel geld als we willen,” zei hij glimlachend.„Maar waar dekken we dat meê?”...Nu vond Marcussen dat ’t mooi genoeg was—al die onschuld. En hij verklaarde daarom vlug en vloeiend:„We trekken voor de som, die we vandaag noodig hebben—b.v. op O. T. Falch-Olsen te Christiania met 6 dagen zicht, disconteeren de wissels in de Noorsche bank en zenden van avond per post ons drie maandsaccept tot dekking.”„Hm, ja, dat zouden we kunnen doen,” antwoordde de professor; maar de zaak was eigenlijk dat hij, die er zoo laat aan begonnen was, niet zooals Marcussen met wissels om kon gaan; hij was daarvan altijd een weinig onder den indruk en liet graag zulke dingen aan zijn vertrouwden vertegenwoordiger over.Marcussen voerde zijn plan in een ommezien uit en ging zelf naar de bank van Christensen om het genoegen te hebben daar eenige vriendelijkheden te zeggen.De administreerende directeur kromp dan ook ineen als een worm onder Marcussens scherpe tong,—’t was dan ook werkelijk al te dwaas een papierte weigeren, waarop Carsten Lövdahls naam stond.Maar de bankdirecteur Christensen, die aan ’t ander eind van ’t kantoor stond en deed alsof hij een paar papieren doorzag, nam de zaak heel kalm op. En toen Marcussen weg was en de directeur een bescheiden opmerking wilde wagen over zijn al te groote strengheid, nam zijn chef alleen maar het geld, dat Marcussen gebracht had op, en hield ze den directeur onder den neus.„Kijk eens naar deze bankbiljetten. Splinternieuwe banknoten uit de Noorsche bank!”„Ja, wat meent u daarmeê?”„Nu, dat beteekent geld opnemen op zijn eigen accept,” fluisterde Christensen, en ging heen, om verdere vragen te voorkomen. Maar de arme directeur was dien heelen morgen in de war. Zijn vertrouwen op den neus van den bankdirecteur was juist even vast als zijn overtuiging, dat Carsten Lövdahl solide was, en dat evenwicht hield hem in de pijnlijkste onrust.Hij sprak ook met niemand over de verdenking, die Christensen in zijn ziel gezaaid had. En hoewel de naam van Carsten Lövdahl straalde in den glans van steeds toenemende macht, waren er toch op dit oogenblik eenige van die fijne, onzichtbare miasmen geboren geworden, die in de lucht zweven en zich verdichten tot een stil, zacht gesuis in ’t riet, een fluisteren in de hoeken, een zweem van een gerucht, geheimzinnige toespelingen, een vragen, dat ’t gerucht versterkt, algemeene spanning, tot de laster opeens opvlamt om een nieuwen naam die bedorven is, verteerd, versleten, gekauwd en weer uitgespuwd.Maar in de zaak van Lövdahl kwam van dezen dag af nog meer leven en omzet. Marcussen was er de man voor om zijn crediet te gebruiken, ende professor, die juist in dat jaar veel geld op koren verdiende, werkte met lust en vlijt en vond in Marcussen een medewerker, die hem kon volgen èn zijn plannen uitvoeren, en die—dit was ’t voornaamste—nooit verlegen was om middelen of met vervelende bezwaren aankwam.De lange blonde knevel van Marcussen glansde en naarmate zijn positie als de eerste man op ’t eerste kantoor van de stad den kring van zijn kennissen uitbreidde, strekte hij zijn werk onder de dienstmeisjes uit tot hoogere kringen en was spoedig de ridder onder de dames. Dat verbeterde zijn naam niet, die even slecht bleef, maar wel zijn manieren; en zijn onbeschrijfelijke brutaliteit tegenover vrouwen maakte hem eenvoudig onweerstaanbaar. Onder mannen was hij vroolijk en ruw, vol van de ergste histories; een heerlijke kameraad—tot alles bereid—tot drinken en betalen; dat laatste deed hij uit een dikke portefeuille, waar de muntjes en de bonte bladen uit het boek der liefde door elkaar lagen.Tegenover Abraham was hij altijd eerbiedig en nam nauwkeurig den afstand tusschen hen in acht. Maar juist daarom was Abraham, die daar niet van hield, dubbel vriendelijk en kameraadschappelijk. En daar het steeds meer bleek, dat Abraham het best op de fabriek thuis was, nam Marcussen langzamerhand de plaats op het kantoor in, die oorspronkelijk aan den zoon van den chef was toegedacht.Maar Abraham had de handen vol,—allereerst in zijn dubbele positie als de officiëele leider en de geheime dokter van de fabriek; bovendien had hij heel wat werk van allerlei aard als vicepresident van de arbeidersvereeniging.’t Was intusschen zijn lust en zijn leven bezig te zijn voor zulke dingen als het spaargeld vande arbeiders, hun ziekenfonds en dergelijke zaken; ’t was dan ook door zijn positie aan de vereeniging, dat hij in staat werd gesteld de zaak van Steffensen in orde te brengen.Toen hij namentlijk een paar dagen er over had loopen denken wat hij doen moest naar aanleiding van Steffensens onrechtvaardig ontslag, werd de heele zaak hem ten slotte uiterst onaangenaam om over te denken. En hij zou er zich misschien geheel van hebben teruggetrokken, als niet altijd het beeld van Greta weer teruggekomen was,—zooals ze daar zat met haar riet en wilgentakjes en op hem wachtte met dat sterke vertrouwen, dat hij niet meer kon ontberen.’t Hinderde hem zóó, dat hij bijna niet tot zijn dagelijkschen gang naar de fabriek kon komen, omdat hij haar deur voorbij moest en wist, dat de oude in de kamer zat en haar telkens vertelde, dat hij haar deur voorbij ging.Eindelijk nam hij zijn vriend Kruse in vertrouwen en vertelde hem de heele geschiedenis.Kruse begreep alles. Hij zat zooals gewoonlijk, wat in elkaar gedoken en sloot de oogen half in een wolk van tabaksrook. In alle stilte zag hij dien sterken, knappen man aan, die geen raad wist met die kleine moeilijkheid en met een vlugge beweging sloeg hij de asch van zijn sigaar.„Ik vind niet, dat je hier herrie over moet maken.”„Neen, niet waar? Wat voor den drommel geeft dat ook—om iets wat eigenlijk zoo onbeduidend is; ging ’t om iets, dat de moeite waard was, dan zouden de hooge heeren ’t wel voelen...”„Maar ik raad je aan om de zaak heen te gaan,” ging Kruse droog voort. „We maken Steffensen tot chef in den winkel.”„In de verbruiksvereeniging?”„Ja, dat is toch ook een baantje, en nog niet zoo’n verkeerd baantje, als de handel blijft toenemen zooals tot nu toe.”„Maar denk je, dat ze hem willen hebben? Je weet, hij is niet gezien onder de arbeiders.”„We moeten onzen invloed gebruiken, zooals Christensen zou zeggen. Ik kan Steffensen niet uitstaan—dat weet je; maar ik geloof, dat hij geschikt is om den winkel te besturen; en ik denk ook, dat jij dien uitweg wel goed zult vinden.”„Natuurlijk! Ik zou heel blij zijn...”—„en nu nog iets,” viel Kruse hem in de rede en zag den ander met een fijn glimlachje aan: „’t Is voor die brave heeren van de directie heel goed te zien, dat de arbeiders zich zelf helpen; den man, dien zij zonder reden hebben uitgestooten, helpen de arbeiders zelf aan brood.”„Ja, ja, ja! Daar heb je ook gelijk aan. ’t Is een prachtig idee! Dank je wel, Kruse! Ik dank je hartelijk.”En Abraham sloeg het kleine mannetje krachtig op den schouder. Hij was verrukt, vol lust en ijver om aan den gang te gaan—direct!Maar toen hij weg was stond Peter Kruse lang met dat bittere glimlachje op de lippen in gedachten verzonken en eindelijk zei hij in zich zelf: „Ja zie eens, zóó worden ze—zij, die de besten en moedigsten van ons allen zouden kunnen zijn!”Abraham liep langzamer, naarmate hij dichter bij ’t huis van Steffensen kwam; hij bereidde het tooneel voor, maakte het plan en wist, toen hij de hand aan de deurknop bracht, precies hoe hij het zeggen zou en wat indruk het op die twee menschen maken zou.„Goedenavond Steffensen, goedenavond Grete! ’t is een heel poosje geleden, dat we elkaar zagen,” zoo begon hij met een zachte stem, alsof hij wat moe was.„Ja, ik kan me wel voorstellen, dat u het druk gehad hebt,” bromde Steffensen.Greta zeide niets, maar luisterde met hoopvolle verwachting.„Ja, ik heb ’t druk gehad, met mijn eigen zaken en met die van anderen.”Steffensen, die in ’t begin dwars en stug was blijven zitten, werd nu onrustig. Die dagen van wachten hadden hem gedrukt. ’t Was ook geen gekheid: een oud man met een blinde dochter en dan zonder werk! Wel was ’t waar wat men zei, dat hij wat geld op de spaarbank had, maar dat had hij altijd gehoopt Greta te kunnen nalaten. Als hij nu dat geld moest gebruiken dan was er voor haar geen ander vooruitzicht dan de armenzorg, als hij er niet meer was. Hij probeerde nog zich goed te houden, maar in werkelijkheid zat hij bevend zijn vonnis af te wachten.„Nu,” zei hij zoo barsch als hij maar kon, „zal ik nu stoker blijven of niet?”„Neen, je zult geen stoker blijven,” antwoordde Abraham kalm.Hij voelde, hoe Greta, die naast hem zat, ineen kromp, maar Steffensen sprong op en begon te vloeken en te razen, zooals hij gewoonlijk deed. Abraham bleef heel kalm en had er pleizier in hoe het heele tooneel zich precies afspeelde zooals hij ’t zich had voorgesteld. Nu vond hij het oogenblik gekomen het beslissende woord te spreken.„Herinner je je wel, dat ik beloofde de zaak in orde te maken?”„Jawel! En de oude Steffensen was dom genoeg het te gelooven.”„Och, dat was nog zoo dom niet,” antwoordde Abraham lachend—„en toen ik eenmaal op me genomen had te helpen, meende ik, dat het ’t beste was ’t afdoende te doen. ’t Is een vrij hard werk met die machines, en in den winter voor de gezondheid gevaarlijk, zóó van de warmte in de open schuren—niet waar?”„’t Is een ellendig werk, maar je hebt er toch je brood door.”„Ja, je brood!—Er zijn verschillende manieren om je brood te verdienen, maar als je oud wordt dan komt ’t er op aan een manier te vinden, die voor je krachten past en je niet vóór je tijd om hals helpt.”Steffensen voelde zich weer onzeker. Hij deed een paar stappen vooruit en keek Abraham met zijn strakke oogen vlak in ’t gezicht.„Ik wilde je daarom de betrekking aanbieden van chef in den winkel van de arbeidersvereeniging.”Steffensen was verbaasd. ’t Eerste wat in hem opkwam was de lust om op de knieën te danken voor die redding uit armoede en ellende.Maar dat duurde maar een oogwenk; zijn lange haat tegen ’t kapitaal, zijn ingewortelde gewoonte om onverzoenlijk en misnoegd te zijn zat hem te diep in ’t bloed. Hij bromde maar wat van „dat je maar nemen moest wat zich voordeed als je eerst uit je werk getrapt was.”Maar in werkelijkheid was hij zóó bewogen, dat hij naar de keuken ging, waar hij gedachteloos kopjes en emmers ging verzetten. ’t Was algemeen bekend, dat de vrouw, die tot nu toe den verkoop in den winkel bestuurd had, geld had overgelegden nu trouwen ging, ofschoon ze een weduwe over de vijftig jaar was.Eerst toen de oude was heengegaan, keerde Abraham zich naar Greta om van zijn triomf te genieten, maar hij werd teleurgesteld door de uitdrukking op haar gezicht.„Nu Grete?—ben je niet over me tevreden?”„Jawel! Ik dank je wel! Vader is zoo bang geweest, maar ik wist wel, dat je zou helpen en voor hem opkomen. Dat heb je toch gedaan?”„Ja, natuurlijk, dat kun je toch wel begrijpen,” antwoordde Abraham wat verlegen.Greta werd dadelijk belangstellend, zoodat hij er haastig bijvoegde:„Je kunt er van op aan, dat ik hen voelen liet...”„Wat zei je? Toe vertel dat! wat zei je tegen hen? Was je vader er bij?”Dat interesseerde haar klaarblijkelijk ’t meeste. Ze had haars vader bloed! En niets kwam haar zoo groot en heerlijk voor, als dat iemand zich tegen de machtigen verzette en hun de waarheid in het gezicht zei.Nadat het ontwaakt bewustzijn van den geheelen omvang van haar ongeluk haar liefde zoo teer, zoo pijnlijk gemaakt had, was ze tegenover Abraham niet zoo gelijkmatig als vroeger; en terwijl ze nu haar gezicht naar hem toekeerde—zoo gespannen, zoo vol liefde, zoo begeerig hem nog meer te mogen bewonderen—ja toen had Abraham de kracht niet dit eenige menschenhart los te laten, dat hem heel zijn geloof—heel zijn vertrouwen gaf. En hij begon te liegen.—Opgewonden en door haar vragen geleid werd hij vindingrijk; hij had zoo vaak met haar de reis gemaakt door fantastische sprookjes. Deze keer waren ’t nu rondweg leugens; maar ’t leek er toch wat op.En hij gaf een referaat van zijn heele toespraak die hijhad willenhouden, en die zoo begon: „Ik kom om mijn recht te eischen.”—Ja, toen hij eenmaal aan den gang was gaf hij nergens meer om en beschreef hoe de heele directie gesmeekt had om Steffensen als stoker te mogen behouden; maar hij had het afgeslagen; hij—Abraham Lövdahl—zou de hooge heeren toonen, dat de arbeiders zich zelf kunnen helpen.Maar te gelijkertijd voelde hij, dat hij vuurrood werd, toen hij haar liet beloven niets van dit alles aan iemand te zeggen, zelfs niet aan Steffensen.Greta straalde en merkte niets en Abraham trachtte zijn slecht geweten gerust te stellen en nam haar bewondering aan. Nu was ’t maar goed, dat ze hem niet zien kon. ’t Zou hem onmogelijk geweest zijn zoo te doen tegenover een paar oogen, een paar niet te ontwijken oogen!„Wat scheelt je? Abraham! Waarom loop je van me weg? Waar ben je? Kom weer hier en ga zitten.”„Neen Grete! ik moet weg. ’t Is al laat. Goeie nacht!—ik kom gauw terug.”Abraham keerde van zijn triomftocht terug met gebogen rug, schuw en zoo wonderlijk slap in de beenen. Niets van alles wat hij probeerde, hielp. ’t Was waarlijk geen kleinigheid wat er gebeurd was; want ’t waren leugens, echte, zonneklare leugens! Hij had wel vroeger al gelogen zoo in ’t klein; maar nooit zóó laf, zóó met opzet.En een paar groote, diepe oogen hadden als ’t ware plaats genomen in dat blinde gezicht en een oogenblik voor hem gestaan. En hij kon ze niet ontwijken, wat hij ook deed en hoe hij zich wendde en keerde; hij moest aan zijn moeder denken, met pijn en tegenzin, maar hijmoest!Naarmate de tijd voorbij ging en hij in ’t werk in kwam kreeg ook de kapelaan Maarten Kruse veel te doen. Zijn priesterlijk ambt nam hij waar door Zondags te preeken op zijn beurt en een of ander bijbellezing te houden, zoodat de leekenpredikanten geen voorwendsel tot aanmerkingen zouden hebben. Maar overigens werd zijn tijd eigenlijk gezegd—door zeer wereldsche zaken in beslag genomen, en hij werd een trouw bezoeker van Lövdahls kantoor—altijd door de achterdeur.’t Nieuwe principe van Marcussen, dat het crediet gebruikt moest worden, maakte het wenschelijk voor de zaak van den professor meer en solide endossanten te hebben. Tot nu toe had men bijna geen andere namen noodig gehad dan Consul With, maar nu zou ’t goed zijn er meer te hebben; en Marcussen stelde de oude Jörgen Kruse voor.De professor legde toen den kapelaan uit hoe ’t eenvoudig dwaas was in tijden als deze geld te laten liggen voor nauwelijks vier procent en ’t gevolg werd spoedig, dat er voorzichtig handelsbetrekkingen werden aangeknoopt tusschen Jörgen Kruse en Carsten Lövdahl.De oude Jörgen moest de geschiktheid voor zaken doen van zijn zoon bewonderen, al was hij ’t niet altijd eens met de jongelui als ze geld opnamen. Maar hij kon toch over ’t geheel niet tegen Maarten op, want zoodra er oneenigheid kwam werd de zoon opeens predikant en dan wist de oude Jörgen niet hoe hij zich houden moest. Zoo kwam heel wat van Kruses goed bewaard geld voor den dag—„om in de zaak van Lövdahl gestoken te worden,”—zooals Maarten ’t noemde en de rente was een aardig sommetje bij de eerste half jaarlijksche afrekening, dat moest de oude Jörgen zelf toegeven.En langzamerhand werd het gewoonte onder de menschen om hun spaarpenningen naar Carsten Lövdahl te brengen; de hoogere rente, die hij gaf maakte, dat de sierlijke „rekening-couranten” van Marcussen verre boven ’t spaarbankboekje te verkiezen waren.En toen de oude Jörgen eerst den smaak beet kreeg van deze inkomsten, verkregen zonder moeite en bijna zonder risico, gaf hij zijn dwaze kleingeestige voorzichtigheid op en werd bijna nog begeeriger dan zijn zoon om met die schitterende zaak van Lövdahl aan den gang te gaan, waar zooveel goud uit vloeide.Toen Maarten Kruse zijn vrouw voor ’t eerst de renten van ’t geld bracht, dat langzamerhand bij Carsten Lövdahl geplaatst was, legde Mevrouw Frederika haar magere armen om den hals van haar man en fluisterde:„Dat is zeker bijna zeven procent, Maarten.”„Dat weet ik niet; ik heb ’t niet nagerekend,” antwoordde Maarten met waardigheid; „maar ’t schijnt wel alsof een rijke zegen dien man begeleidt.”„Maar dit geld—zullen we dat niet in de bank zetten? Dat is toch zekerder.”„Zooals je wilt, Frederika.”En toen werd dit geld in de bank gezet.Maar acht dagen later zei Mevrouw Kruse:„Weet je Maarten, hoeveel we in deze week verloren hebben?”„Hebben we wat verloren?”„Door die rente—je weet wel—in de bank te zetten in plaats van bij Lövdahl hebben we meer dan drie gulden in één week verloren.—Ik heb het uitgerekend.”„Zoo!” antwoordde haar man teleurgesteld, en er ontstond een pauze.De predikant zat in zijn vaders couranten te lezen—zij werden ’t eerst bij de jongelui gebracht;—en Mevrouw Frederika was bezig een hoed te maken van een zwarte das, die Maarten niet langer gebruiken kon, omdat hij altijd met een witte das liep.„Zeg eens,” zei eindelijk Mevrouw Frederika, „vindje niet, dat er iets verkeerds in is om zoo ’t geld te verspillen. Denk eens aan deze drie gulden. Wat hadden we daar niet voor kunnen koopen!”„Of ze weggeven, Frederika.”„Ja zeker, denk eens aan hoeveel armen hadden we niet met dat geld kunnen voeden, die nu niemand ten goede komen?—Ik geloof wezenlijk dat je naar den professor moet gaan—ja, want je ben toch wel zeker van hem?” en alsof die vraag alleen haar al ontzette, richtte zij haar scherpe vogel-oogen op haar man.Maarten antwoordde door van uit de hoogte de schouders even op te halen.„Wil je, dat ik dat geld ook naar Lövdahl breng?” vroeg hij.„Ja, je moet maar doen wat je wilt; maar ik vind wel,... ja, je weet dat ik van zulke dingen geen verstand heb; maar ’t komt me voor, dat het eenvoudig verkeerd—zonde—is iets verloren te laten gaan.”Toen Marcussen den volgenden dag in het kantoor van den chef geroepen werd door de electrische bel, riep de professor hem opgeruimd toe:„Je hadt gelijk, Marcussen! De dominé is hier geweest met het geld.”

IX.De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te voren had gedaan.Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn, als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.Wat vooral in Juffrouw Kruse’s verstandig kopje spookte, was een voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden waren en zich ’t leven zoo zuur maakten.Ze dacht ’t meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem geweest! dat moest ze toegeven.En dan Maarten en nog erger—Frederika!Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets te zien. Datwaren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit, dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!—nooit een frisch jong lachen.Maarten was dominé,—nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze lachten—lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. ’t Grootste genoegen was—dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;—hier nam juffrouw Kruse vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen, weg te breien.Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren preeken over de tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge in uw gordelen hebben.”’t Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden hun offer1moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor ’t heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er over rijkdom geschreven staat; de beide mantelsen de rijke jongeling, de rijke man en Lazarus, de kameel en ’t naaldeoog—’t kwam alles in die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over, toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld; en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart, en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij—als het jaar eens heel goed geweest was,—’t met de kerstgeschenken en ’t offer voor den predikant wat ruimer nam.Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen, deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al ’t pijnlijke weg, wat uit den tijd van armoede overgebleven was; enJörgen, die altijd dik geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve dat—hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine, dat—al had zij de huisdeur verguld—hij alleen gezegd zou hebben: „Ja Moeder,—daar zul je wel een bedoeling meê hebben.”Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de eetkamer of naar boven verhuisden.’t Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten.Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste messen op; ’t huis was zooals ’t behoorde, een eenvoudig, solide, welgesteld huis.Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare malen heen en weer gedraaid moest worden—dat men altijd op zijn dood moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt?„Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling,” zei Juffrouw Kruse halfluid en trok stevig aan dekous, zoodat die een eindelooze lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,—niet ronduit, maar door honderd kleine toespelingen—allebei, Maarten en Frederika. In ’t begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord, wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij, dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei:„Zeg, Moeder!—ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd.”„Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?”„Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?”„Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er een andere reden voor hebt!”„Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is—dan is ’t omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan.”„Pas toch op je woorden, Peter! Heb je ’t ook gemerkt?”Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: „maar daar moet je je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê.”„Zoo?—Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij ’t hebben, die ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in—zijn spaarpot!...”„Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk, en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan.”„Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik ’t zoo lang mogelijk verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als ik verhuisde.”Juffrouw Kruse werd rood: „En dat zei Maarten tegen jou—Peter?”„Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?”„Hij is dominé—zie je,” mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte verzachtte haar telkens.Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde.Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis van Mevrouw Gottwald brengen; en ’t was haar een genot te zien hoe gezellig hij ’t kreeg.Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig zuur glimlachje:„Zoo, hier is boedelscheiding geweest—hoor ik.”Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: „Wat meen je daarmeê, Frederika.”„Och, ’t was maar, omdat ik zoo’n verhuisboel van hier zag wegrijden,—eergisteren.”„Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel weten.”„O, zoo! ik wist niet, dat Peter ’t heele ameublement krijgen zou. Wist jij dat, Maarten?”„Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten,” riep Juffrouw Kruse en probeerde te lachen. „’t Waren natuurlijk enkel de meubels, die hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad.”„Neen, pardon Moeder, dat was ’t niet.”„Maar ik verzeker je, Frederika.”„Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven; maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje—dat heeft ten minste in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom.”„Ja, dat speeltafeltje!—daar heb je gelijk in,” antwoordde Juffrouw Kruse heel verlegen; „er waren misschien ook nog een paar andere kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en zoo was het er wat leeg, en toen...”„Ja, lieve Hemel!—het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen.”Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En toch wist zij—en de anderen wisten ’t ook—dat de jonggetrouwden een flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van waard was.Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg, Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch zei ze geen woord.Waarom?—ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang voor die twee menschen die ’t zóó samen eens waren. En dan ook—hij was dominé.Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En dat merkten ze en maakten er gebruik van.Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij nietzooveel kleine behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw Kruse’s hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En ’t allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet heelemaal met rust liet.Hij—Peter—was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze nagedacht, terwijl ze hem onder ’t hart droeg—ongehuwd en onzeker hoe dit alles zou gaan.’t Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam.Maar ’t was niet waar—heelemaal niet waar, als iemand zou willen zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als ’t er op aan kwam; en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer.’t Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon, bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of ’t nu kousen waren of een of ander kleinigheid in huis—een voetenbankje, een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven hadvoor zijn nieuwe woning—ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel, al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van ’t oude hart van Juffrouw Kruse ging.Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen, dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger.Op een zondag zei de jonge dominésvrouw:„Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt.”„Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder.”Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen; ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek, vet en slap, maar heel waardig.’t Was over ’t algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten; want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was iets vogelachtigsin de ronde oogen en de neus, die dor en spits geworden was.Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon:„Och ja,—als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch, dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke—ja, ik noem dit „een onnatuurlijke sterke” soep te geven—niet waar? Maarten.—Ik vind het bepaald verkeerd, zoo’n overdaad.”Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse’s hart; zij wist door wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem:„Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens van je leeren.”Frederika werd wat verlegen.„Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week of misschien de week daarvoor—toen kreeg je vleeschsoep, niet waar Maarten? Weet je ’t nog? je vondt ze lekker.”„Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder,” antwoordde Maarten plechtig.„Wel, dat doet me pleizier,” antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar muts recht; „en wat had je dan in die soep gedaan, kind?”„Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en dan wat gebruind meel.”Maar toen was Juffrouw Kruse’s geduld uitgeput. Als er iets was wat zij als solide ouderwetschekookster haatte en verachtte, dan waren ’t zulke poespas-gerechten, en alleen al ’t woord Liebig kon haar tot een uitbarsting brengen.Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden:„Ja, wil ik je eens wat zeggen—Frederika!—dan dank ik den hemel, dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten.”Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten—die stoffel—kwam haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit en vloog de eetkamer uit.Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend:„Hoe kunt u ’t hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen, Moeder.”Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten, hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen haar schoondochter geweest was. En ’t eind was, dat ze de kamer uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprechtberouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf.Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; ’t kwam al spoedig zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich zelf dacht: „Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?”—En uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous.Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen aan ’t werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou ’t toch met Maarten zijn—hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch klaarblijkelijk—dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen—die toch klaarblijkelijk verslaafd was—of in elk geval groot gevaar liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar kind een verharde huichelaar was?—neen—neen, dat kon zoo niet zijn; hij moest door de list des duivels verblind zijn voor ’t gevaar, dat hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was—zoo geharnast in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in een roeiboot,—zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen, dat er klippen voor den boeg lagen.Als men een oude vrouw ziet—gerimpeld en met keurig linnen aan, in een leunstoel met een breikous,—de kamer gezellig, met muurbloemen en schuine zonnestralen over ’t tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje.En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: „Ja, ja! de jeugd kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van ’t leven dragen,”—dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: „De oude ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van ’t leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen, tot de zon ondergaat.”En toch!—er gaat zooveel om in zoo’n oud hoofd en ’t zou kunnen zijn, dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld en met keurig linnen aan—een oude vrouw, die zit te peinzen bij haar breikous.1Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt „offer” genoemd.

De onversaagde Juffrouw Kruse begon te tobben, iets, wat ze nooit te voren had gedaan.

Maar in den loop der jaren en nu de goede tijd gekomen was kreeg ze steeds minder te doen en steeds langer kousebeenen te breien; en dàn, als ze kousebeenen zitten te breien, gaan de oude vrouwtjes tobben.

Wat vooral in Juffrouw Kruse’s verstandig kopje spookte, was een voortdurend toenemende verbazing over de tegenwoordige jeugd; maar ze verwonderde zich niet, als andere oude vrouwen over de dwaasheid en lichtzinnigheid van de jonge menschen, integendeel, ze kon niet begrijpen waarom de jonge menschen zoo zwaar op de hand geworden waren en zich ’t leven zoo zuur maakten.

Ze dacht ’t meest aan haar eigen kring; van anderen wist ze niet veel.

Peter was haar oogappel. Als hij getrouwd was zou hij zonder vlek of rimpel geweest zijn; maar iets jongs en frisch was er nooit aan hem geweest! dat moest ze toegeven.

En dan Maarten en nog erger—Frederika!

Juffrouw Kruse liet de breikous zinken en langen tijd op den schoot rusten, terwijl ze in gedachten voor zich uit staarde, zonder iets te zien. Datwaren de wonderlijkste jonge menschen, die men zich kon voorstellen. Hadden zij ooit een of ander vermaak? Hoorde men ooit, dat ze ergens blij mee waren? Nooit een schertsend woord!—nooit een frisch jong lachen.

Maarten was dominé,—nu ja. Goeie hemel! Ze had toch heel wat dominés gekend, die even goed waren als hij en die toch niet bang waren voor wat scherts en vroolijkheid. En dan Frederika! Wie zou kunnen gelooven dat ze een jonggetrouwde vrouw van 24 à 25 jaar was. Juffrouw Kruse dacht aan haar eigen jeugd, hoe ze toen pleizier hadden, hoe ze lachten—lachten en werkten! want dat deden ze ook. En hun vermaken waren niet duur; zij zouden niemand ruïneeren. ’t Grootste genoegen was—dat ze jong waren. En dat hadden ze gratis. Verder was alles eenvoudig. Ze wisten ook wat sparen was;—hier nam juffrouw Kruse vlijtig de kous weer ter hand om de gedachten, die nu opkwamen, weg te breien.

Toen de welstand in huis steeds toenam en bijna rijkdom werd, had juffrouw Kruse op een Zondag in de kerk de proost Sparre hooren preeken over de tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult ge in uw gordelen hebben.”

’t Was midden in den zomer en nog ver van den dag, dat de gemeenteleden hun offer1moesten betalen, zoodat de proost den rijkdom en de rijken ernstig onder handen nam; en alsof hij opeens met deze zaak voor ’t heele jaar wou afrekenen, nam hij in zijn preek alles samen, wat er over rijkdom geschreven staat; de beide mantelsen de rijke jongeling, de rijke man en Lazarus, de kameel en ’t naaldeoog—’t kwam alles in die preek voor. Zij, die de proost kenden en met hem omgingen wisten wel, dat die preek meer als troost voor de armen, dan als bestraffing voor de rijken dienen moest; maar de eerlijke ziel van Juffrouw Kruse kon die woorden maar niet vergeten. Zij sprak er met haar man over, toen zij uit de kerk kwamen; maar Jörgen had juist niet aan zich zelf gedacht, omdat hij heelemaal nog niet vond, dat hij zoo rijk was. Maar nu legde zij hem uit, dat zij al lang geleden rijk genoeg waren om aan de verzoekingen van den rijkdom te zijn blootgesteld; en daar Jörgen altijd te kort schoot in het debat, moest hij vrede hebben met wat meer uitgaven en wat minder schraperigheid.

Sinds dien tijd was Juffrouw Kruse op haar post in haar eigen hart, en ze paste ook op haar man, zoo goed zij kon. Maar hij had nu zijn veiligen schuilhoek in den donkeren ouden winkel, waar hij zijn vermogen verdiende bij stuivers door krap te meten en te wegen en daar bleef het ongeveer gaan als vroeger. De voornaamste verbetering met Jörgen kwam wel hierop neer, dat hij—als het jaar eens heel goed geweest was,—’t met de kerstgeschenken en ’t offer voor den predikant wat ruimer nam.

Maar wat haar zelf betreft overwon zijn vrouw de verzoeking tot gierigheid, die anders voor de hand lag, voor haar, die zelf zoo meê gezwoegd had om alles bij elkaar te houden. En toen Juffrouw Kruse tijd en geld over kreeg om allerlei nood om zich heen te lenigen, deed ze ook uit haar huis en haar huishouden al ’t pijnlijke weg, wat uit den tijd van armoede overgebleven was; enJörgen, die altijd dik geweest was, hij kreeg nog meer omvang in nieuwe kleeren en schoone boordjes, en hij glom door goed voedsel en goede verpleging.

Hij durfde niet te knorren over de uitgaven; hij had er eigenlijk ook geen lust in, want hij voelde zich behagelijk. En behalve dat—hij had ook van oudsher zulk een vertrouwen in Amalia Catherine, dat—al had zij de huisdeur verguld—hij alleen gezegd zou hebben: „Ja Moeder,—daar zul je wel een bedoeling meê hebben.”

Ze vergulde de huisdeur niet, maar ze versierde en knapte op, bij kleine beetjes te gelijk, ieder jaar wat, tot de kale, saaie kamers leven kregen door gordijnen en muurbloemen, tapijten en gemakkelijke stoelen, terwijl de stijve, ouderwetsche houten stoelen naar de eetkamer of naar boven verhuisden.

’t Eetservies veranderde ook. Ze waren begonnen met een stuk rookvleesch, dat op de tafel lag en waar ze om beurten een stuk van sneden, dat ze in de hand hielden en waar ze van beten.

Nu was Juffrouw Kruse zoover in haar ontwikkeling gekomen, dat ze eergierig werd wat damast tafelgoed betrof. Haar tafelkleeden en servetten blonken tegen de zilveren vorken en de glimmend gepoetste messen op; ’t huis was zooals ’t behoorde, een eenvoudig, solide, welgesteld huis.

Waarom moest ze nu op haar ouden dag daarmeê ophouden, en teruggaan naar de pijnlijkheid van de armoedige dagen? Zou het wezenlijk de bedoeling van Onzen lieven Heer zijn, dat elk dubbeltje ontelbare malen heen en weer gedraaid moest worden—dat men altijd op zijn dood moest zijn, dat ook niet de kleinste kleinigheid verspild wordt?

„Och! geen sprake van. Dat is nooit Zijn bedoeling,” zei Juffrouw Kruse halfluid en trok stevig aan dekous, zoodat die een eindelooze lange dunne worst scheen. En dat verlangden ze toch van haar,—niet ronduit, maar door honderd kleine toespelingen—allebei, Maarten en Frederika. In ’t begin gaf ze er niet veel om; maar langzamerhand kon ze niet laten een steekje onder water te voelen in bijna elk woord, wat de jongelui spraken. Ze antwoordde niets; en lang meende zij, dat niemand anders het merkte, tot Peter op een dag plotseling zei:

„Zeg, Moeder!—ik heb drie kamertjes boven Mevrouw Gottwald gehuurd.”

„Maar mijn God! Peter! Waarom wil je uit huis gaan?”

„Vindt u niet, dat ik daar oud genoeg voor ben, Moeder?”

„Praatjes, Peter! meen je, dat ik niet aan je zien kan, dat je er een andere reden voor hebt!”

„Ja, dat heb ik ook. En als u weten wilt, welke dat is—dan is ’t omdat ik Maartens hatelijkheden niet langer verdragen kan.”

„Pas toch op je woorden, Peter! Heb je ’t ook gemerkt?”

Juffrouw Kruse keek onwillekeurig de kamer rond: „maar daar moet je je niet aan storen. Hij meent er niets kwaads meê.”

„Zoo?—Is u daar zoo zeker van? Hij heeft nu elken Zondag over de huishuur gesproken: hoe hoog die is en hoe goed zij ’t hebben, die ze niet hoeven te betalen; en dan valt zij meê in—zijn spaarpot!...”

„Stil, stil Peter! je kunt zoo raar praten. Frederika is een flinke vrouw. En stoor jij je maar niet aan Maarten; hij is wat wonderlijk, en je weet, dat je me een groot verdriet zou doen door heen te gaan.”

„Ja, dat wist ik wel, Moeder, en daarom heb ik ’t zoo lang mogelijk verdragen; maar verleden Zondag, toen u uit was, vroeg hij mij hoeveel ik dacht, dat u in huur zoudt kunnen krijgen voor mijn kamers, als ik verhuisde.”

Juffrouw Kruse werd rood: „En dat zei Maarten tegen jou—Peter?”

„Ja, meent u, dat Mijnheer de kapelaan zich daarvoor geneert?”

„Hij is dominé—zie je,” mompelde de moeder aarzelend; en die gedachte verzachtte haar telkens.

Ze kon niets meer aan de zaak doen en Peter verhuisde.

Maar toen begon zij zijn nieuw tehuis in orde te maken; al zijn oude meubels en wat hij verder noodig had, liet zij naar het huis van Mevrouw Gottwald brengen; en ’t was haar een genot te zien hoe gezellig hij ’t kreeg.

Toen Mevrouw Frederika de volgende keer met haar man bij haar schoonouders kwam, om daar te eten, zei ze met haar eigenaardig zuur glimlachje:

„Zoo, hier is boedelscheiding geweest—hoor ik.”

Juffrouw Kruse schrikte op; maar ze antwoordde kalm: „Wat meen je daarmeê, Frederika.”

„Och, ’t was maar, omdat ik zoo’n verhuisboel van hier zag wegrijden,—eergisteren.”

„Maar kind, dat waren immers Peters meubelen, dat kon je toch wel weten.”

„O, zoo! ik wist niet, dat Peter ’t heele ameublement krijgen zou. Wist jij dat, Maarten?”

„Neen maar Frederika, hoe kun je nu zoo praten,” riep Juffrouw Kruse en probeerde te lachen. „’t Waren natuurlijk enkel de meubels, die hij altijd boven in zijn kamers heeft gehad.”

„Neen, pardon Moeder, dat was ’t niet.”

„Maar ik verzeker je, Frederika.”

„Ja, Moeder hoeft mij geen rekenschap van haar doen en laten te geven; maar dat donkere mahoniehouten speeltafeltje—dat heeft ten minste in de voorkamer gestaan, in elk geval, zoolang ik hier in huis kom.”

„Ja, dat speeltafeltje!—daar heb je gelijk in,” antwoordde Juffrouw Kruse heel verlegen; „er waren misschien ook nog een paar andere kleinigheden bij; maar dat kwam omdat hij nu drie kamers kreeg en zoo was het er wat leeg, en toen...”

„Ja, lieve Hemel!—het gaat mij natuurlijk niet aan, wat u weggeven wilt; maar dan moet u niet beweren, dat Peter alleen zijn oude ameublement meê kreeg: eerlijk is eerlijk, dàt wil ik maar zeggen.”

Juffrouw Kruse drukte de lippen op elkaar. Ze wilde niets zeggen. En toch wist zij—en de anderen wisten ’t ook—dat de jonggetrouwden een flinke som van Jörgen gekregen hadden voor een ameublement, terwijl de oude rommel, die Peter meegekregen had, daar geen vierde part van waard was.

Dat alles wist Juffrouw Kruse, en ze wist ook, dat, als ze nu zweeg, Frederika een volgende keer nog vrijmoediger op zou treden, en toch zei ze geen woord.

Waarom?—ze wilde geen ongenoegen maken; en ook was ze een beetje bang voor die twee menschen die ’t zóó samen eens waren. En dan ook—hij was dominé.

Maar ze wist zelf niet, dat de ware reden, waarom ze allen strijd vermeed, deze was: dat ze te fijn voelde om tot hen af te dalen. En dat merkten ze en maakten er gebruik van.

Maarten was trouwens zoo onhandig, dat hij nietzooveel kleine behendige steekjes kon geven als Frederika; maar hij steunde haar door daar zoo welgedaan en instemmend naast haar te zitten. Het eenige wat hij uit zich zelf bedenken kon, was te doen, alsof zijn moeder hem altijd bij Peter achter stelde. Maar als er iets was wat Juffrouw Kruse’s hart raakte, dan was het juist dit. Tusschen kinderen verschil te maken, was al meê het leelijkste wat ze zich voorstellen kon. En ’t allerergste was, dat haar geweten juist op dit punt haar niet heelemaal met rust liet.

Hij—Peter—was immers in den boozen tijd geboren en veel had ze nagedacht, terwijl ze hem onder ’t hart droeg—ongehuwd en onzeker hoe dit alles zou gaan.

’t Zou dus geen wonder zijn, als dit kleine zwakke kindje, dat bij haar geweest was in schande en zwaren arbeid, haar hart zóó vervuld had, dat er misschien niet precies evenveel plaats was overgebleven voor den kleinen dikzak, die zoo lang daarna kwam.

Maar ’t was niet waar—heelemaal niet waar, als iemand zou willen zeggen, dat ze Maarten niet even lief had, als ’t er op aan kwam; en nog minder waar was het, als iemand zou beweren, dat ze in woorden of daden Peter voortrok ten koste van zijn broer.

’t Ging integendeel zoo toe: uit vrees voor te dwalen door een geheime neiging overlaadde ze Maarten met weldaden, breide ze en spon, bakte en maakte zij in voor zijn huis, terwijl ze heel angstig werd als ze in alle stilte Peter een paar kousen toestopte. Maar of ’t nu kousen waren of een of ander kleinigheid in huis—een voetenbankje, een spiegeltje of zooiets, dat ze Peter gegeven hadvoor zijn nieuwe woning—ze kon er zeker van zijn, dat, zoodra Frederika den volgenden keer de deur binnenkwam, haar oog juist op die leege plaats viel, al was die ook nog zoo klein, en dan kwam dat zure glimlachje of een of ander vlijmscherpe opmerking, die door de teerste vezels van ’t oude hart van Juffrouw Kruse ging.

Langzamerhand kwam het zoover, dat Juffrouw Kruse werkelijk dagelijks een beetje strijd voeren moest om haar huis in de eenvoudige welvarendheid te houden, die zij in de latere jaren had ingevoerd. Zelfs de oude Jörgen merkte het en werd zoo moedig, dat hij wat bromde over den wijn iederen Zondag. Maar zie, dat werd Amalia Catherine toch te kras, en hij werd zóó grondig onder handen genomen, dat hij daar niet meer meê aankwam. Maar met Frederika was het erger.

Op een zondag zei de jonge dominésvrouw:

„Ik geloof zeker, dat Moeder een halve koe zondags in die soep kookt.”

„Ja, maar die is dan ook zoo sterk, dat ik ze de heele week in mijn rug kan voelen; mag ik nog een schepje, Moeder.”

Dat was Peter, die zijn moeder placht te hulp te komen, als er een bui op komst was. Maar Frederika liet zich niet van de wijs brengen; ze wierp een snellen blik op haar man, die daar naast haar zat, bleek, vet en slap, maar heel waardig.

’t Was over ’t algemeen een merkwaardige ongelijkheid in het uiterlijk tusschen die twee, innerlijk zoo geheel overeenstemmende echtgenooten; want terwijl Maarten steeds dikker werd, was Frederika heel mager geworden na haar bruiloft. Het jeugdige in haar gezicht dat de eenigszins scherpe trekken afrondde, had zij verloren; en er was iets vogelachtigsin de ronde oogen en de neus, die dor en spits geworden was.

Nadat ze kracht geput had uit een blik op Maarten, ging ze op dien vriendelijken, neerbuigenden toon voort, die Peter razend maken kon:

„Och ja,—als men meent, dat het er af kan en niet denkt aan al die vele monden, die verzadigd hadden kunnen worden met het vleesch, dat hier opgekookt is, om ons een onnatuurlijke—ja, ik noem dit „een onnatuurlijke sterke” soep te geven—niet waar? Maarten.—Ik vind het bepaald verkeerd, zoo’n overdaad.”

Er kriebelde en prikte iets in Juffrouw Kruse’s hart; zij wist door wat ze in de keuken hoorde heel goed wat de armen gewoonlijk bij de jonge dominésvrouw kregen; maar ze kon er niet toe komen te spreken over haar eigen weldadigheid en over wat ze met dat gekookte vleesch deed; daarom zei ze vriendelijk, maar met een ietwat bevende stem:

„Hoe maak jij dan vleeschsoep, lieve Frederika? Laat mij dat eens van je leeren.”

Frederika werd wat verlegen.

„Ja, dat kunnen we niet zoo heel dikwijls doen; maar verleden week of misschien de week daarvoor—toen kreeg je vleeschsoep, niet waar Maarten? Weet je ’t nog? je vondt ze lekker.”

„Die was misschien nog wel zoo lekker als die van Moeder,” antwoordde Maarten plechtig.

„Wel, dat doet me pleizier,” antwoordde Juffrouw Kruse en zette haar muts recht; „en wat had je dan in die soep gedaan, kind?”

„Ja, er was goed kalfsvleesch in en dan een volle lepel Liebig en dan wat gebruind meel.”

Maar toen was Juffrouw Kruse’s geduld uitgeput. Als er iets was wat zij als solide ouderwetschekookster haatte en verachtte, dan waren ’t zulke poespas-gerechten, en alleen al ’t woord Liebig kon haar tot een uitbarsting brengen.

Zij wendde zich geheel naar haar schoondochter en zei zóó levendig en met zooveel nadruk, dat haar mutsenbanden er van trilden:

„Ja, wil ik je eens wat zeggen—Frederika!—dan dank ik den hemel, dat ik zulke knoeierij niet hoef te eten.”

Peter barstte in hartelijk lachen uit. De oude Jörgen, die altijd eerst een poos daarna begreep wat er gaande was, keek van den een naar den ander, maar Frederika zat een oogenblik als verstomd. Ze kon van boosheid geen woord uitbrengen. Maarten—die stoffel—kwam haar ook niet te hulp, en plotseling barstte ze in luid huilen uit en vloog de eetkamer uit.

Maarten was bleek geworden; hij zei streng en verwijtend:

„Hoe kunt u ’t hart hebben, die arme Frederika zoo te mishandelen, Moeder.”

Ja zeker, dat was verkeerd, heelemaal verkeerd; maar het was haar zoo uit den mond gevallen, zei de moeder; ze had alweer vergeten, hoe het gekomen was en had enkel een gevoel, dat ze onaardig tegen haar schoondochter geweest was. En ’t eind was, dat ze de kamer uit moest gaan om Frederika op te zoeken, die ze snikkend op de sofa in de huiskamer vond. En daar moest de oude vrouw haar met veel verontschuldigingen verzachten om haar weer aan tafel terug te brengen. Maar die gebeurtenis werd voor Mevrouw Frederika een onuitputtelijke wapenkamer, van waar ze menig scherpe dolk haalde om haar schoonmoeder meê te kwetsen. En de oude vrouw had zoo oprechtberouw, dat ze dit aannam als een rechtvaardige straf.

Intusschen was het gevolg van dit alles, dat de oude Juffrouw Kruse zich angstig en onzeker voelde in haar eigen huis; ’t kwam al spoedig zoover dat ook bij de kleinste kleinigheid, die ze deed, in zich zelf dacht: „Wat zullen Maarten en Frederika daarvan zeggen?”—En uren lang zat zij te peinzen bij haar breikous.

Maar altijd richtte zij zich met een ruk op en zette de breipennen aan ’t werk als die groote vraag bij haar opkwam: hoe zou ’t toch met Maarten zijn—hij, die een dienaar des Heeren zijn moest, en die toch klaarblijkelijk—dat kon ze niet langer voor zich zelf verbergen—die toch klaarblijkelijk verslaafd was—of in elk geval groot gevaar liep verslaafd te worden aan de zonde van de gierigheid? Hoe kon dat samengaan? Moest ze de gedachte plaats in haar ziel geven, dat haar kind een verharde huichelaar was?—neen—neen, dat kon zoo niet zijn; hij moest door de list des duivels verblind zijn voor ’t gevaar, dat hem dreigde. Als hij maar niet zoo stijf geweest was—zoo geharnast in zijn priesterwaardigheid, dan zou ze hem wel geholpen hebben; zij had immers die preek van proost Sparre in haar hart gegrift. Maar hij was als een groot hoog pantserschip en zij als een oud vrouwtje in een roeiboot,—zij kon niet naast hem gaan liggen en hem toeroepen, dat er klippen voor den boeg lagen.

Als men een oude vrouw ziet—gerimpeld en met keurig linnen aan, in een leunstoel met een breikous,—de kamer gezellig, met muurbloemen en schuine zonnestralen over ’t tapijt, dan heeft zij het goed, het oudje.

En als ze dan toch de mutsenbanden schudt en zegt: „Ja, ja! de jeugd kan wel blij en luchthartig zijn; wij ouden moeten den last van ’t leven dragen,”—dan zou al licht de oneerbiedige jeugd denken: „De oude ziel! waar heeft zij zich over te beklagen? Ze zit daar in een rustig hoekje, en heeft afgedaan met den strijd en de teleurstellingen van ’t leven; ze breit onbekommerd voort, verdiept in haar herinneringen, tot de zon ondergaat.”

En toch!—er gaat zooveel om in zoo’n oud hoofd en ’t zou kunnen zijn, dat ze een zwaren last van de bitterheid des levens draagt, zooals ze daar zit, te midden van muurbloemen en zonneschijn, gerimpeld en met keurig linnen aan—een oude vrouw, die zit te peinzen bij haar breikous.

1Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt „offer” genoemd.

1Bij kerkelijke plechtigheden betalen de gemeenteleden in Scandinavië een zeker bedrag aan den predikant. Dat wordt „offer” genoemd.

X.Daar rolt een stroom van goud van ’t eene land naar ’t andere. Waar de wereldhandel de groote sommen verplaatst vloeit die stroom in een breede, geweldige bedding, en naar alle kanten in tallooze vertakkingen gaan de kleine gulden stroompjes tot naar de verste achterhoeken van de wereld.Maar boven op dien stroom kronkelt het blauw-witte schuim van de wissels rond.Dat ziedt en ritselt en verspreidt zich in strepen over de heele aarde en loopt heen en terug in een onophoudelijke haast.Maar als de groote goudstroom daar buiten daalt—dan snellen de kleine gulden wateraartjes terug van uit de uithoekjes van de wereld. Alsof de aarde zelf haar goud weer tot zich gezogen had—zoo verdwijnt het: eerst in de verste kleine kanalen, dan dichter en dichter bij, tot ook de groote vertakkingen inkrimpen en als tot ijs verstijven.Maar juist als zulk een ijstijd nadert wordt het gewemel van de wissels steeds woester. Het schuimt en neemt toe, stijgt en stijgt als een opkomende vloed, drukt een smal, langwerpig streepje purper onder de deur door,—nog een, en nog een tot de deur meêgeeft en de losgebroken wateren heenspoelen over huizen en tuinen, velden en eigendommen,’t groote en ’t kleine verwoesten, uit elkaar scheuren, doen splijten en voor alle winden heen jagen wat menschen met vlijt en liefde bijeen brachten. En daarna blijft niets over dan berouw en schande, vernedering en zelfverwijt, vervloekingen en tranen.Niet eens de bankdirecteur Christensen had er een vermoeden van, dat een wereldcrisis naderde; maar zijn nooit falende neus begon te merken, dat de echte, onvervalschte goudlucht al zwakker en zwakker werd op sommige punten.Daarom had hij een harden strijd te voeren, niet alleen met zijn vrouw, maar ook met zijn collega’s in de directie van de bank. De bank van Christensen—zooals die in de volkstaal heette—was opgericht door de eerste kooplieden in de stad en werd nauwgezet alleen tot hulp van den kring zelf gebruikt; maar Christensen, de eigenlijke stichter en oprichter behield altijd den grootsten invloed in ’t bestuur. Dat verdiende hij ook, omdat hij in de eerste moeilijke dagen zijn kracht en tijd ten offer had gebracht om de bank op te werken.Daardoor kwam het ook, dat men hem de directeur van de bank bleef noemen, zelfs lang, nadat een gehonoreerd ambtenaar was aangesteld om de dagelijksche zaken te regelen. Maar men zei van Christensen, dat hij niet zou kunnen leven zonder een paar keer daags in zijn dierbare bank rond te snuffelen.De strijd, dien hij nu voerde met zijn medebestuurders, liep over de zoogenaamde Fortunawissels. Christensen had zich in ’t hoofd gezet, dat hij ze uit de bank wilde hebben; zij moesten opgekocht worden, naarmate ze vervielen en niet weer vernieuwd.Dat zei hij intusschen niet in het openbaar; hij was een te nauwgezet koopman om ’t crediet van een onderneming te willen verzwakken—allerminst zoolang hij zelf aandeelen had. Maar hij werkte heel voorzichtig met toespelingen en schijnbaar onschuldige voorstellen, zoodat de anderen ongeveer de bedoeling wel konden vermoeden, zonder dat ze die behoefden te begrijpen of er in toe te stemmen; en de vergadering eindigde als gewoonlijk daarmeê, dat men met vage, onbepaalde woorden den president de handen vrij liet.Groote kooplieden in een kleine omgeving haten elkaar altijd, omdat de een zich niet bewegen kan zonder den ander te hinderen; maar de bankdirecteur Christensen had een zeer bizonderen hekel aan Carsten Lövdahl. En dat niet alleen, omdat Lövdahl hem over het hoofd groeide; maar Christensen, die van kind af aan zich op den handel had toegelegd en zich zelf had opgewerkt,—rijk was hij pas door zijn huwelijk geworden,—hij kon ’t eenvoudig niet uitstaan, dat die trotsche man van wetenschap zich in de koopmanswereld indrong en daar den baas wilde spelen. Door allerlei intrigues en door middel van zijn invloed was het hem gelukt den professor buiten het bestuur van zijn bank te houden, waartoe Lövdahl anders natuurlijk zou zijn uitgenoodigd; en toen hij nu zoo half en half de toestemming van de andere bestuursleden had om de Fortunawissels te weren, wendde hij zich dadelijk tot den administreerenden directeur, die hem gehoorzaamde als een hond en gaf hem de noodige orders.Marcussen kwam dus op een dag half lachend en half verbluft bij den professor binnen met een paar wissels in de hand.„Nu zal ik u eens wat moois vertellen, Professor!Rasmus komt terug van de bank van Christensen met de boodschap, dat de Fortunawissels tegen contanten moeten worden ingewisseld.”„Welnu Marcussen, dan wisselen wij ze in. Christensen is werkelijk belachelijk met zijn angst.”„Pardon Professor! maar er kan toch geen sprake van zijn, dat we alle Fortunawissels zullen inwisselen.”„Bedoelde hijalle!”„Ja, dat heeft Rasmus begrepen, dat er bedoeld werd voor ’t vervolg.”„Hoeveel kan de fabriek zoowat in Christensens bank aan wissels hebben staan?”„Ik weet ’t niet precies; zoowat honderdvijftig à tweehonderd duizend gulden.”„Maar Groote hemel!—Marcussen!—en dat moeten we tegen contanten inwisselen, nu dadelijk? een dezer dagen?”Het bloed steeg den professor naar het hoofd; hij was zoo in ’t geheel niet gewend aan zulk soort verrassingen, dat hij dadelijk radeloos werd. De sombere voorgevoelens, waaraan hij al eens door Christensen’s schuld geleden had, kwamen hem nu weer bestormen. Wilde die man hem in ’t verderf storten? Was het mogelijk Carsten Lövdahl te ruïneeren. ’t Was ongehoord! absoluut ongehoord! papieren te weigeren, waaropzijnnaam stond—en de schrik uitte zich in een stroom booze woorden over den bankdirecteur.Marcussen luisterde verwonderd naar deze uitbarsting, maar hij was ’t er trouwens volkomen meê eens; hij ook voelde zich beleedigd in zijn zaak; en toen de professor zweeg, stelde hij voor, dat ze heel kalm Rasmus weer naar de bank terug zouden zenden, met de boodschap, dat het nu nietschikte deze papieren in te wisselen. Dan kon de professor Christensen onder handen nemen, als zij elkaar eens ontmoetten.Maar daar wilde de professor niet van hooren. Toen de toorn was uitgebarsten bleef alleen de schrik over; en hij begon Marcussen levendig uit te vragen of Fortuna niet iets te goed had in de boeken of contant in de kas.Marcussen streek zijn mooie knevel op en vertrok den mond tot een schuinschen glimlach—ongeveer als wanneer de meisjes geld wilden hebben:—„Als de professor werkelijk Christensens onbeschaamdheid verdragen wil, dan is er immers niets tegen die papieren in te wisselen.”„Zoo—je hebt dus geld?”„We hebben ’t niet liggen; maar we kunnen ons crediet gebruiken.”„Crediet—Marcussen! Als de bank de wissels van de fabriek weigert is dat immers juist omdat ons crediet verzwakt is.”„Pardon, Professor! maar in deze zaak gebruiken we ons crediet heelemaal niet.”„’t Is een solide zaak, Marcussen.”„Al te solide—ten minste in ons geval. Met den naam Carsten Lövdahl op ’t papier kan ik in acht dagen een millioen krijgen.”De professor leunde achterover in zijn stoel, hij wist, dat het waar was. De naam was uitstekend; het groote vermogen, dat op eens losgemaakt was, had zijn zaak den naam gegeven van een van de meest solide en contante van de geheele kust, en Lövdahl hoorde dat graag.„De fabriek heeft nog al veel schuld,” zeide hij.„’t Beste zou zijn de fabriek naar den drommel te laten loopen,” zeide Marcussen openhartig.„Maar Marcussen, hoe kun je...!”„Pardon Professor!—ik meende alleen, dat we wel veel doen voor die fabriek.”„’t Zal gaan met Fortuna; je zult ’t zien,—jij en al die wijze heeren;—laat ons daar niet meer over praten.—Wat meende je met „ons crediet gebruiken?””Marcussen zag zijn chef aarzelend aan; hij had zijn handelsopvoeding gekregen in zaken, die hun crediet zeer goed tot het uiterste wisten te gebruiken.„Wij gaan naar de Noorsche bank en halen zooveel geld als we willen,” zei hij glimlachend.„Maar waar dekken we dat meê?”...Nu vond Marcussen dat ’t mooi genoeg was—al die onschuld. En hij verklaarde daarom vlug en vloeiend:„We trekken voor de som, die we vandaag noodig hebben—b.v. op O. T. Falch-Olsen te Christiania met 6 dagen zicht, disconteeren de wissels in de Noorsche bank en zenden van avond per post ons drie maandsaccept tot dekking.”„Hm, ja, dat zouden we kunnen doen,” antwoordde de professor; maar de zaak was eigenlijk dat hij, die er zoo laat aan begonnen was, niet zooals Marcussen met wissels om kon gaan; hij was daarvan altijd een weinig onder den indruk en liet graag zulke dingen aan zijn vertrouwden vertegenwoordiger over.Marcussen voerde zijn plan in een ommezien uit en ging zelf naar de bank van Christensen om het genoegen te hebben daar eenige vriendelijkheden te zeggen.De administreerende directeur kromp dan ook ineen als een worm onder Marcussens scherpe tong,—’t was dan ook werkelijk al te dwaas een papierte weigeren, waarop Carsten Lövdahls naam stond.Maar de bankdirecteur Christensen, die aan ’t ander eind van ’t kantoor stond en deed alsof hij een paar papieren doorzag, nam de zaak heel kalm op. En toen Marcussen weg was en de directeur een bescheiden opmerking wilde wagen over zijn al te groote strengheid, nam zijn chef alleen maar het geld, dat Marcussen gebracht had op, en hield ze den directeur onder den neus.„Kijk eens naar deze bankbiljetten. Splinternieuwe banknoten uit de Noorsche bank!”„Ja, wat meent u daarmeê?”„Nu, dat beteekent geld opnemen op zijn eigen accept,” fluisterde Christensen, en ging heen, om verdere vragen te voorkomen. Maar de arme directeur was dien heelen morgen in de war. Zijn vertrouwen op den neus van den bankdirecteur was juist even vast als zijn overtuiging, dat Carsten Lövdahl solide was, en dat evenwicht hield hem in de pijnlijkste onrust.Hij sprak ook met niemand over de verdenking, die Christensen in zijn ziel gezaaid had. En hoewel de naam van Carsten Lövdahl straalde in den glans van steeds toenemende macht, waren er toch op dit oogenblik eenige van die fijne, onzichtbare miasmen geboren geworden, die in de lucht zweven en zich verdichten tot een stil, zacht gesuis in ’t riet, een fluisteren in de hoeken, een zweem van een gerucht, geheimzinnige toespelingen, een vragen, dat ’t gerucht versterkt, algemeene spanning, tot de laster opeens opvlamt om een nieuwen naam die bedorven is, verteerd, versleten, gekauwd en weer uitgespuwd.Maar in de zaak van Lövdahl kwam van dezen dag af nog meer leven en omzet. Marcussen was er de man voor om zijn crediet te gebruiken, ende professor, die juist in dat jaar veel geld op koren verdiende, werkte met lust en vlijt en vond in Marcussen een medewerker, die hem kon volgen èn zijn plannen uitvoeren, en die—dit was ’t voornaamste—nooit verlegen was om middelen of met vervelende bezwaren aankwam.De lange blonde knevel van Marcussen glansde en naarmate zijn positie als de eerste man op ’t eerste kantoor van de stad den kring van zijn kennissen uitbreidde, strekte hij zijn werk onder de dienstmeisjes uit tot hoogere kringen en was spoedig de ridder onder de dames. Dat verbeterde zijn naam niet, die even slecht bleef, maar wel zijn manieren; en zijn onbeschrijfelijke brutaliteit tegenover vrouwen maakte hem eenvoudig onweerstaanbaar. Onder mannen was hij vroolijk en ruw, vol van de ergste histories; een heerlijke kameraad—tot alles bereid—tot drinken en betalen; dat laatste deed hij uit een dikke portefeuille, waar de muntjes en de bonte bladen uit het boek der liefde door elkaar lagen.Tegenover Abraham was hij altijd eerbiedig en nam nauwkeurig den afstand tusschen hen in acht. Maar juist daarom was Abraham, die daar niet van hield, dubbel vriendelijk en kameraadschappelijk. En daar het steeds meer bleek, dat Abraham het best op de fabriek thuis was, nam Marcussen langzamerhand de plaats op het kantoor in, die oorspronkelijk aan den zoon van den chef was toegedacht.Maar Abraham had de handen vol,—allereerst in zijn dubbele positie als de officiëele leider en de geheime dokter van de fabriek; bovendien had hij heel wat werk van allerlei aard als vicepresident van de arbeidersvereeniging.’t Was intusschen zijn lust en zijn leven bezig te zijn voor zulke dingen als het spaargeld vande arbeiders, hun ziekenfonds en dergelijke zaken; ’t was dan ook door zijn positie aan de vereeniging, dat hij in staat werd gesteld de zaak van Steffensen in orde te brengen.Toen hij namentlijk een paar dagen er over had loopen denken wat hij doen moest naar aanleiding van Steffensens onrechtvaardig ontslag, werd de heele zaak hem ten slotte uiterst onaangenaam om over te denken. En hij zou er zich misschien geheel van hebben teruggetrokken, als niet altijd het beeld van Greta weer teruggekomen was,—zooals ze daar zat met haar riet en wilgentakjes en op hem wachtte met dat sterke vertrouwen, dat hij niet meer kon ontberen.’t Hinderde hem zóó, dat hij bijna niet tot zijn dagelijkschen gang naar de fabriek kon komen, omdat hij haar deur voorbij moest en wist, dat de oude in de kamer zat en haar telkens vertelde, dat hij haar deur voorbij ging.Eindelijk nam hij zijn vriend Kruse in vertrouwen en vertelde hem de heele geschiedenis.Kruse begreep alles. Hij zat zooals gewoonlijk, wat in elkaar gedoken en sloot de oogen half in een wolk van tabaksrook. In alle stilte zag hij dien sterken, knappen man aan, die geen raad wist met die kleine moeilijkheid en met een vlugge beweging sloeg hij de asch van zijn sigaar.„Ik vind niet, dat je hier herrie over moet maken.”„Neen, niet waar? Wat voor den drommel geeft dat ook—om iets wat eigenlijk zoo onbeduidend is; ging ’t om iets, dat de moeite waard was, dan zouden de hooge heeren ’t wel voelen...”„Maar ik raad je aan om de zaak heen te gaan,” ging Kruse droog voort. „We maken Steffensen tot chef in den winkel.”„In de verbruiksvereeniging?”„Ja, dat is toch ook een baantje, en nog niet zoo’n verkeerd baantje, als de handel blijft toenemen zooals tot nu toe.”„Maar denk je, dat ze hem willen hebben? Je weet, hij is niet gezien onder de arbeiders.”„We moeten onzen invloed gebruiken, zooals Christensen zou zeggen. Ik kan Steffensen niet uitstaan—dat weet je; maar ik geloof, dat hij geschikt is om den winkel te besturen; en ik denk ook, dat jij dien uitweg wel goed zult vinden.”„Natuurlijk! Ik zou heel blij zijn...”—„en nu nog iets,” viel Kruse hem in de rede en zag den ander met een fijn glimlachje aan: „’t Is voor die brave heeren van de directie heel goed te zien, dat de arbeiders zich zelf helpen; den man, dien zij zonder reden hebben uitgestooten, helpen de arbeiders zelf aan brood.”„Ja, ja, ja! Daar heb je ook gelijk aan. ’t Is een prachtig idee! Dank je wel, Kruse! Ik dank je hartelijk.”En Abraham sloeg het kleine mannetje krachtig op den schouder. Hij was verrukt, vol lust en ijver om aan den gang te gaan—direct!Maar toen hij weg was stond Peter Kruse lang met dat bittere glimlachje op de lippen in gedachten verzonken en eindelijk zei hij in zich zelf: „Ja zie eens, zóó worden ze—zij, die de besten en moedigsten van ons allen zouden kunnen zijn!”Abraham liep langzamer, naarmate hij dichter bij ’t huis van Steffensen kwam; hij bereidde het tooneel voor, maakte het plan en wist, toen hij de hand aan de deurknop bracht, precies hoe hij het zeggen zou en wat indruk het op die twee menschen maken zou.„Goedenavond Steffensen, goedenavond Grete! ’t is een heel poosje geleden, dat we elkaar zagen,” zoo begon hij met een zachte stem, alsof hij wat moe was.„Ja, ik kan me wel voorstellen, dat u het druk gehad hebt,” bromde Steffensen.Greta zeide niets, maar luisterde met hoopvolle verwachting.„Ja, ik heb ’t druk gehad, met mijn eigen zaken en met die van anderen.”Steffensen, die in ’t begin dwars en stug was blijven zitten, werd nu onrustig. Die dagen van wachten hadden hem gedrukt. ’t Was ook geen gekheid: een oud man met een blinde dochter en dan zonder werk! Wel was ’t waar wat men zei, dat hij wat geld op de spaarbank had, maar dat had hij altijd gehoopt Greta te kunnen nalaten. Als hij nu dat geld moest gebruiken dan was er voor haar geen ander vooruitzicht dan de armenzorg, als hij er niet meer was. Hij probeerde nog zich goed te houden, maar in werkelijkheid zat hij bevend zijn vonnis af te wachten.„Nu,” zei hij zoo barsch als hij maar kon, „zal ik nu stoker blijven of niet?”„Neen, je zult geen stoker blijven,” antwoordde Abraham kalm.Hij voelde, hoe Greta, die naast hem zat, ineen kromp, maar Steffensen sprong op en begon te vloeken en te razen, zooals hij gewoonlijk deed. Abraham bleef heel kalm en had er pleizier in hoe het heele tooneel zich precies afspeelde zooals hij ’t zich had voorgesteld. Nu vond hij het oogenblik gekomen het beslissende woord te spreken.„Herinner je je wel, dat ik beloofde de zaak in orde te maken?”„Jawel! En de oude Steffensen was dom genoeg het te gelooven.”„Och, dat was nog zoo dom niet,” antwoordde Abraham lachend—„en toen ik eenmaal op me genomen had te helpen, meende ik, dat het ’t beste was ’t afdoende te doen. ’t Is een vrij hard werk met die machines, en in den winter voor de gezondheid gevaarlijk, zóó van de warmte in de open schuren—niet waar?”„’t Is een ellendig werk, maar je hebt er toch je brood door.”„Ja, je brood!—Er zijn verschillende manieren om je brood te verdienen, maar als je oud wordt dan komt ’t er op aan een manier te vinden, die voor je krachten past en je niet vóór je tijd om hals helpt.”Steffensen voelde zich weer onzeker. Hij deed een paar stappen vooruit en keek Abraham met zijn strakke oogen vlak in ’t gezicht.„Ik wilde je daarom de betrekking aanbieden van chef in den winkel van de arbeidersvereeniging.”Steffensen was verbaasd. ’t Eerste wat in hem opkwam was de lust om op de knieën te danken voor die redding uit armoede en ellende.Maar dat duurde maar een oogwenk; zijn lange haat tegen ’t kapitaal, zijn ingewortelde gewoonte om onverzoenlijk en misnoegd te zijn zat hem te diep in ’t bloed. Hij bromde maar wat van „dat je maar nemen moest wat zich voordeed als je eerst uit je werk getrapt was.”Maar in werkelijkheid was hij zóó bewogen, dat hij naar de keuken ging, waar hij gedachteloos kopjes en emmers ging verzetten. ’t Was algemeen bekend, dat de vrouw, die tot nu toe den verkoop in den winkel bestuurd had, geld had overgelegden nu trouwen ging, ofschoon ze een weduwe over de vijftig jaar was.Eerst toen de oude was heengegaan, keerde Abraham zich naar Greta om van zijn triomf te genieten, maar hij werd teleurgesteld door de uitdrukking op haar gezicht.„Nu Grete?—ben je niet over me tevreden?”„Jawel! Ik dank je wel! Vader is zoo bang geweest, maar ik wist wel, dat je zou helpen en voor hem opkomen. Dat heb je toch gedaan?”„Ja, natuurlijk, dat kun je toch wel begrijpen,” antwoordde Abraham wat verlegen.Greta werd dadelijk belangstellend, zoodat hij er haastig bijvoegde:„Je kunt er van op aan, dat ik hen voelen liet...”„Wat zei je? Toe vertel dat! wat zei je tegen hen? Was je vader er bij?”Dat interesseerde haar klaarblijkelijk ’t meeste. Ze had haars vader bloed! En niets kwam haar zoo groot en heerlijk voor, als dat iemand zich tegen de machtigen verzette en hun de waarheid in het gezicht zei.Nadat het ontwaakt bewustzijn van den geheelen omvang van haar ongeluk haar liefde zoo teer, zoo pijnlijk gemaakt had, was ze tegenover Abraham niet zoo gelijkmatig als vroeger; en terwijl ze nu haar gezicht naar hem toekeerde—zoo gespannen, zoo vol liefde, zoo begeerig hem nog meer te mogen bewonderen—ja toen had Abraham de kracht niet dit eenige menschenhart los te laten, dat hem heel zijn geloof—heel zijn vertrouwen gaf. En hij begon te liegen.—Opgewonden en door haar vragen geleid werd hij vindingrijk; hij had zoo vaak met haar de reis gemaakt door fantastische sprookjes. Deze keer waren ’t nu rondweg leugens; maar ’t leek er toch wat op.En hij gaf een referaat van zijn heele toespraak die hijhad willenhouden, en die zoo begon: „Ik kom om mijn recht te eischen.”—Ja, toen hij eenmaal aan den gang was gaf hij nergens meer om en beschreef hoe de heele directie gesmeekt had om Steffensen als stoker te mogen behouden; maar hij had het afgeslagen; hij—Abraham Lövdahl—zou de hooge heeren toonen, dat de arbeiders zich zelf kunnen helpen.Maar te gelijkertijd voelde hij, dat hij vuurrood werd, toen hij haar liet beloven niets van dit alles aan iemand te zeggen, zelfs niet aan Steffensen.Greta straalde en merkte niets en Abraham trachtte zijn slecht geweten gerust te stellen en nam haar bewondering aan. Nu was ’t maar goed, dat ze hem niet zien kon. ’t Zou hem onmogelijk geweest zijn zoo te doen tegenover een paar oogen, een paar niet te ontwijken oogen!„Wat scheelt je? Abraham! Waarom loop je van me weg? Waar ben je? Kom weer hier en ga zitten.”„Neen Grete! ik moet weg. ’t Is al laat. Goeie nacht!—ik kom gauw terug.”Abraham keerde van zijn triomftocht terug met gebogen rug, schuw en zoo wonderlijk slap in de beenen. Niets van alles wat hij probeerde, hielp. ’t Was waarlijk geen kleinigheid wat er gebeurd was; want ’t waren leugens, echte, zonneklare leugens! Hij had wel vroeger al gelogen zoo in ’t klein; maar nooit zóó laf, zóó met opzet.En een paar groote, diepe oogen hadden als ’t ware plaats genomen in dat blinde gezicht en een oogenblik voor hem gestaan. En hij kon ze niet ontwijken, wat hij ook deed en hoe hij zich wendde en keerde; hij moest aan zijn moeder denken, met pijn en tegenzin, maar hijmoest!Naarmate de tijd voorbij ging en hij in ’t werk in kwam kreeg ook de kapelaan Maarten Kruse veel te doen. Zijn priesterlijk ambt nam hij waar door Zondags te preeken op zijn beurt en een of ander bijbellezing te houden, zoodat de leekenpredikanten geen voorwendsel tot aanmerkingen zouden hebben. Maar overigens werd zijn tijd eigenlijk gezegd—door zeer wereldsche zaken in beslag genomen, en hij werd een trouw bezoeker van Lövdahls kantoor—altijd door de achterdeur.’t Nieuwe principe van Marcussen, dat het crediet gebruikt moest worden, maakte het wenschelijk voor de zaak van den professor meer en solide endossanten te hebben. Tot nu toe had men bijna geen andere namen noodig gehad dan Consul With, maar nu zou ’t goed zijn er meer te hebben; en Marcussen stelde de oude Jörgen Kruse voor.De professor legde toen den kapelaan uit hoe ’t eenvoudig dwaas was in tijden als deze geld te laten liggen voor nauwelijks vier procent en ’t gevolg werd spoedig, dat er voorzichtig handelsbetrekkingen werden aangeknoopt tusschen Jörgen Kruse en Carsten Lövdahl.De oude Jörgen moest de geschiktheid voor zaken doen van zijn zoon bewonderen, al was hij ’t niet altijd eens met de jongelui als ze geld opnamen. Maar hij kon toch over ’t geheel niet tegen Maarten op, want zoodra er oneenigheid kwam werd de zoon opeens predikant en dan wist de oude Jörgen niet hoe hij zich houden moest. Zoo kwam heel wat van Kruses goed bewaard geld voor den dag—„om in de zaak van Lövdahl gestoken te worden,”—zooals Maarten ’t noemde en de rente was een aardig sommetje bij de eerste half jaarlijksche afrekening, dat moest de oude Jörgen zelf toegeven.En langzamerhand werd het gewoonte onder de menschen om hun spaarpenningen naar Carsten Lövdahl te brengen; de hoogere rente, die hij gaf maakte, dat de sierlijke „rekening-couranten” van Marcussen verre boven ’t spaarbankboekje te verkiezen waren.En toen de oude Jörgen eerst den smaak beet kreeg van deze inkomsten, verkregen zonder moeite en bijna zonder risico, gaf hij zijn dwaze kleingeestige voorzichtigheid op en werd bijna nog begeeriger dan zijn zoon om met die schitterende zaak van Lövdahl aan den gang te gaan, waar zooveel goud uit vloeide.Toen Maarten Kruse zijn vrouw voor ’t eerst de renten van ’t geld bracht, dat langzamerhand bij Carsten Lövdahl geplaatst was, legde Mevrouw Frederika haar magere armen om den hals van haar man en fluisterde:„Dat is zeker bijna zeven procent, Maarten.”„Dat weet ik niet; ik heb ’t niet nagerekend,” antwoordde Maarten met waardigheid; „maar ’t schijnt wel alsof een rijke zegen dien man begeleidt.”„Maar dit geld—zullen we dat niet in de bank zetten? Dat is toch zekerder.”„Zooals je wilt, Frederika.”En toen werd dit geld in de bank gezet.Maar acht dagen later zei Mevrouw Kruse:„Weet je Maarten, hoeveel we in deze week verloren hebben?”„Hebben we wat verloren?”„Door die rente—je weet wel—in de bank te zetten in plaats van bij Lövdahl hebben we meer dan drie gulden in één week verloren.—Ik heb het uitgerekend.”„Zoo!” antwoordde haar man teleurgesteld, en er ontstond een pauze.De predikant zat in zijn vaders couranten te lezen—zij werden ’t eerst bij de jongelui gebracht;—en Mevrouw Frederika was bezig een hoed te maken van een zwarte das, die Maarten niet langer gebruiken kon, omdat hij altijd met een witte das liep.„Zeg eens,” zei eindelijk Mevrouw Frederika, „vindje niet, dat er iets verkeerds in is om zoo ’t geld te verspillen. Denk eens aan deze drie gulden. Wat hadden we daar niet voor kunnen koopen!”„Of ze weggeven, Frederika.”„Ja zeker, denk eens aan hoeveel armen hadden we niet met dat geld kunnen voeden, die nu niemand ten goede komen?—Ik geloof wezenlijk dat je naar den professor moet gaan—ja, want je ben toch wel zeker van hem?” en alsof die vraag alleen haar al ontzette, richtte zij haar scherpe vogel-oogen op haar man.Maarten antwoordde door van uit de hoogte de schouders even op te halen.„Wil je, dat ik dat geld ook naar Lövdahl breng?” vroeg hij.„Ja, je moet maar doen wat je wilt; maar ik vind wel,... ja, je weet dat ik van zulke dingen geen verstand heb; maar ’t komt me voor, dat het eenvoudig verkeerd—zonde—is iets verloren te laten gaan.”Toen Marcussen den volgenden dag in het kantoor van den chef geroepen werd door de electrische bel, riep de professor hem opgeruimd toe:„Je hadt gelijk, Marcussen! De dominé is hier geweest met het geld.”

Daar rolt een stroom van goud van ’t eene land naar ’t andere. Waar de wereldhandel de groote sommen verplaatst vloeit die stroom in een breede, geweldige bedding, en naar alle kanten in tallooze vertakkingen gaan de kleine gulden stroompjes tot naar de verste achterhoeken van de wereld.

Maar boven op dien stroom kronkelt het blauw-witte schuim van de wissels rond.

Dat ziedt en ritselt en verspreidt zich in strepen over de heele aarde en loopt heen en terug in een onophoudelijke haast.

Maar als de groote goudstroom daar buiten daalt—dan snellen de kleine gulden wateraartjes terug van uit de uithoekjes van de wereld. Alsof de aarde zelf haar goud weer tot zich gezogen had—zoo verdwijnt het: eerst in de verste kleine kanalen, dan dichter en dichter bij, tot ook de groote vertakkingen inkrimpen en als tot ijs verstijven.

Maar juist als zulk een ijstijd nadert wordt het gewemel van de wissels steeds woester. Het schuimt en neemt toe, stijgt en stijgt als een opkomende vloed, drukt een smal, langwerpig streepje purper onder de deur door,—nog een, en nog een tot de deur meêgeeft en de losgebroken wateren heenspoelen over huizen en tuinen, velden en eigendommen,’t groote en ’t kleine verwoesten, uit elkaar scheuren, doen splijten en voor alle winden heen jagen wat menschen met vlijt en liefde bijeen brachten. En daarna blijft niets over dan berouw en schande, vernedering en zelfverwijt, vervloekingen en tranen.

Niet eens de bankdirecteur Christensen had er een vermoeden van, dat een wereldcrisis naderde; maar zijn nooit falende neus begon te merken, dat de echte, onvervalschte goudlucht al zwakker en zwakker werd op sommige punten.

Daarom had hij een harden strijd te voeren, niet alleen met zijn vrouw, maar ook met zijn collega’s in de directie van de bank. De bank van Christensen—zooals die in de volkstaal heette—was opgericht door de eerste kooplieden in de stad en werd nauwgezet alleen tot hulp van den kring zelf gebruikt; maar Christensen, de eigenlijke stichter en oprichter behield altijd den grootsten invloed in ’t bestuur. Dat verdiende hij ook, omdat hij in de eerste moeilijke dagen zijn kracht en tijd ten offer had gebracht om de bank op te werken.

Daardoor kwam het ook, dat men hem de directeur van de bank bleef noemen, zelfs lang, nadat een gehonoreerd ambtenaar was aangesteld om de dagelijksche zaken te regelen. Maar men zei van Christensen, dat hij niet zou kunnen leven zonder een paar keer daags in zijn dierbare bank rond te snuffelen.

De strijd, dien hij nu voerde met zijn medebestuurders, liep over de zoogenaamde Fortunawissels. Christensen had zich in ’t hoofd gezet, dat hij ze uit de bank wilde hebben; zij moesten opgekocht worden, naarmate ze vervielen en niet weer vernieuwd.

Dat zei hij intusschen niet in het openbaar; hij was een te nauwgezet koopman om ’t crediet van een onderneming te willen verzwakken—allerminst zoolang hij zelf aandeelen had. Maar hij werkte heel voorzichtig met toespelingen en schijnbaar onschuldige voorstellen, zoodat de anderen ongeveer de bedoeling wel konden vermoeden, zonder dat ze die behoefden te begrijpen of er in toe te stemmen; en de vergadering eindigde als gewoonlijk daarmeê, dat men met vage, onbepaalde woorden den president de handen vrij liet.

Groote kooplieden in een kleine omgeving haten elkaar altijd, omdat de een zich niet bewegen kan zonder den ander te hinderen; maar de bankdirecteur Christensen had een zeer bizonderen hekel aan Carsten Lövdahl. En dat niet alleen, omdat Lövdahl hem over het hoofd groeide; maar Christensen, die van kind af aan zich op den handel had toegelegd en zich zelf had opgewerkt,—rijk was hij pas door zijn huwelijk geworden,—hij kon ’t eenvoudig niet uitstaan, dat die trotsche man van wetenschap zich in de koopmanswereld indrong en daar den baas wilde spelen. Door allerlei intrigues en door middel van zijn invloed was het hem gelukt den professor buiten het bestuur van zijn bank te houden, waartoe Lövdahl anders natuurlijk zou zijn uitgenoodigd; en toen hij nu zoo half en half de toestemming van de andere bestuursleden had om de Fortunawissels te weren, wendde hij zich dadelijk tot den administreerenden directeur, die hem gehoorzaamde als een hond en gaf hem de noodige orders.

Marcussen kwam dus op een dag half lachend en half verbluft bij den professor binnen met een paar wissels in de hand.

„Nu zal ik u eens wat moois vertellen, Professor!Rasmus komt terug van de bank van Christensen met de boodschap, dat de Fortunawissels tegen contanten moeten worden ingewisseld.”

„Welnu Marcussen, dan wisselen wij ze in. Christensen is werkelijk belachelijk met zijn angst.”

„Pardon Professor! maar er kan toch geen sprake van zijn, dat we alle Fortunawissels zullen inwisselen.”

„Bedoelde hijalle!”

„Ja, dat heeft Rasmus begrepen, dat er bedoeld werd voor ’t vervolg.”

„Hoeveel kan de fabriek zoowat in Christensens bank aan wissels hebben staan?”

„Ik weet ’t niet precies; zoowat honderdvijftig à tweehonderd duizend gulden.”

„Maar Groote hemel!—Marcussen!—en dat moeten we tegen contanten inwisselen, nu dadelijk? een dezer dagen?”

Het bloed steeg den professor naar het hoofd; hij was zoo in ’t geheel niet gewend aan zulk soort verrassingen, dat hij dadelijk radeloos werd. De sombere voorgevoelens, waaraan hij al eens door Christensen’s schuld geleden had, kwamen hem nu weer bestormen. Wilde die man hem in ’t verderf storten? Was het mogelijk Carsten Lövdahl te ruïneeren. ’t Was ongehoord! absoluut ongehoord! papieren te weigeren, waaropzijnnaam stond—en de schrik uitte zich in een stroom booze woorden over den bankdirecteur.

Marcussen luisterde verwonderd naar deze uitbarsting, maar hij was ’t er trouwens volkomen meê eens; hij ook voelde zich beleedigd in zijn zaak; en toen de professor zweeg, stelde hij voor, dat ze heel kalm Rasmus weer naar de bank terug zouden zenden, met de boodschap, dat het nu nietschikte deze papieren in te wisselen. Dan kon de professor Christensen onder handen nemen, als zij elkaar eens ontmoetten.

Maar daar wilde de professor niet van hooren. Toen de toorn was uitgebarsten bleef alleen de schrik over; en hij begon Marcussen levendig uit te vragen of Fortuna niet iets te goed had in de boeken of contant in de kas.

Marcussen streek zijn mooie knevel op en vertrok den mond tot een schuinschen glimlach—ongeveer als wanneer de meisjes geld wilden hebben:—

„Als de professor werkelijk Christensens onbeschaamdheid verdragen wil, dan is er immers niets tegen die papieren in te wisselen.”

„Zoo—je hebt dus geld?”

„We hebben ’t niet liggen; maar we kunnen ons crediet gebruiken.”

„Crediet—Marcussen! Als de bank de wissels van de fabriek weigert is dat immers juist omdat ons crediet verzwakt is.”

„Pardon, Professor! maar in deze zaak gebruiken we ons crediet heelemaal niet.”

„’t Is een solide zaak, Marcussen.”

„Al te solide—ten minste in ons geval. Met den naam Carsten Lövdahl op ’t papier kan ik in acht dagen een millioen krijgen.”

De professor leunde achterover in zijn stoel, hij wist, dat het waar was. De naam was uitstekend; het groote vermogen, dat op eens losgemaakt was, had zijn zaak den naam gegeven van een van de meest solide en contante van de geheele kust, en Lövdahl hoorde dat graag.

„De fabriek heeft nog al veel schuld,” zeide hij.

„’t Beste zou zijn de fabriek naar den drommel te laten loopen,” zeide Marcussen openhartig.

„Maar Marcussen, hoe kun je...!”

„Pardon Professor!—ik meende alleen, dat we wel veel doen voor die fabriek.”

„’t Zal gaan met Fortuna; je zult ’t zien,—jij en al die wijze heeren;—laat ons daar niet meer over praten.—Wat meende je met „ons crediet gebruiken?””

Marcussen zag zijn chef aarzelend aan; hij had zijn handelsopvoeding gekregen in zaken, die hun crediet zeer goed tot het uiterste wisten te gebruiken.

„Wij gaan naar de Noorsche bank en halen zooveel geld als we willen,” zei hij glimlachend.

„Maar waar dekken we dat meê?”...

Nu vond Marcussen dat ’t mooi genoeg was—al die onschuld. En hij verklaarde daarom vlug en vloeiend:

„We trekken voor de som, die we vandaag noodig hebben—b.v. op O. T. Falch-Olsen te Christiania met 6 dagen zicht, disconteeren de wissels in de Noorsche bank en zenden van avond per post ons drie maandsaccept tot dekking.”

„Hm, ja, dat zouden we kunnen doen,” antwoordde de professor; maar de zaak was eigenlijk dat hij, die er zoo laat aan begonnen was, niet zooals Marcussen met wissels om kon gaan; hij was daarvan altijd een weinig onder den indruk en liet graag zulke dingen aan zijn vertrouwden vertegenwoordiger over.

Marcussen voerde zijn plan in een ommezien uit en ging zelf naar de bank van Christensen om het genoegen te hebben daar eenige vriendelijkheden te zeggen.

De administreerende directeur kromp dan ook ineen als een worm onder Marcussens scherpe tong,—’t was dan ook werkelijk al te dwaas een papierte weigeren, waarop Carsten Lövdahls naam stond.

Maar de bankdirecteur Christensen, die aan ’t ander eind van ’t kantoor stond en deed alsof hij een paar papieren doorzag, nam de zaak heel kalm op. En toen Marcussen weg was en de directeur een bescheiden opmerking wilde wagen over zijn al te groote strengheid, nam zijn chef alleen maar het geld, dat Marcussen gebracht had op, en hield ze den directeur onder den neus.

„Kijk eens naar deze bankbiljetten. Splinternieuwe banknoten uit de Noorsche bank!”

„Ja, wat meent u daarmeê?”

„Nu, dat beteekent geld opnemen op zijn eigen accept,” fluisterde Christensen, en ging heen, om verdere vragen te voorkomen. Maar de arme directeur was dien heelen morgen in de war. Zijn vertrouwen op den neus van den bankdirecteur was juist even vast als zijn overtuiging, dat Carsten Lövdahl solide was, en dat evenwicht hield hem in de pijnlijkste onrust.

Hij sprak ook met niemand over de verdenking, die Christensen in zijn ziel gezaaid had. En hoewel de naam van Carsten Lövdahl straalde in den glans van steeds toenemende macht, waren er toch op dit oogenblik eenige van die fijne, onzichtbare miasmen geboren geworden, die in de lucht zweven en zich verdichten tot een stil, zacht gesuis in ’t riet, een fluisteren in de hoeken, een zweem van een gerucht, geheimzinnige toespelingen, een vragen, dat ’t gerucht versterkt, algemeene spanning, tot de laster opeens opvlamt om een nieuwen naam die bedorven is, verteerd, versleten, gekauwd en weer uitgespuwd.

Maar in de zaak van Lövdahl kwam van dezen dag af nog meer leven en omzet. Marcussen was er de man voor om zijn crediet te gebruiken, ende professor, die juist in dat jaar veel geld op koren verdiende, werkte met lust en vlijt en vond in Marcussen een medewerker, die hem kon volgen èn zijn plannen uitvoeren, en die—dit was ’t voornaamste—nooit verlegen was om middelen of met vervelende bezwaren aankwam.

De lange blonde knevel van Marcussen glansde en naarmate zijn positie als de eerste man op ’t eerste kantoor van de stad den kring van zijn kennissen uitbreidde, strekte hij zijn werk onder de dienstmeisjes uit tot hoogere kringen en was spoedig de ridder onder de dames. Dat verbeterde zijn naam niet, die even slecht bleef, maar wel zijn manieren; en zijn onbeschrijfelijke brutaliteit tegenover vrouwen maakte hem eenvoudig onweerstaanbaar. Onder mannen was hij vroolijk en ruw, vol van de ergste histories; een heerlijke kameraad—tot alles bereid—tot drinken en betalen; dat laatste deed hij uit een dikke portefeuille, waar de muntjes en de bonte bladen uit het boek der liefde door elkaar lagen.

Tegenover Abraham was hij altijd eerbiedig en nam nauwkeurig den afstand tusschen hen in acht. Maar juist daarom was Abraham, die daar niet van hield, dubbel vriendelijk en kameraadschappelijk. En daar het steeds meer bleek, dat Abraham het best op de fabriek thuis was, nam Marcussen langzamerhand de plaats op het kantoor in, die oorspronkelijk aan den zoon van den chef was toegedacht.

Maar Abraham had de handen vol,—allereerst in zijn dubbele positie als de officiëele leider en de geheime dokter van de fabriek; bovendien had hij heel wat werk van allerlei aard als vicepresident van de arbeidersvereeniging.

’t Was intusschen zijn lust en zijn leven bezig te zijn voor zulke dingen als het spaargeld vande arbeiders, hun ziekenfonds en dergelijke zaken; ’t was dan ook door zijn positie aan de vereeniging, dat hij in staat werd gesteld de zaak van Steffensen in orde te brengen.

Toen hij namentlijk een paar dagen er over had loopen denken wat hij doen moest naar aanleiding van Steffensens onrechtvaardig ontslag, werd de heele zaak hem ten slotte uiterst onaangenaam om over te denken. En hij zou er zich misschien geheel van hebben teruggetrokken, als niet altijd het beeld van Greta weer teruggekomen was,—zooals ze daar zat met haar riet en wilgentakjes en op hem wachtte met dat sterke vertrouwen, dat hij niet meer kon ontberen.

’t Hinderde hem zóó, dat hij bijna niet tot zijn dagelijkschen gang naar de fabriek kon komen, omdat hij haar deur voorbij moest en wist, dat de oude in de kamer zat en haar telkens vertelde, dat hij haar deur voorbij ging.

Eindelijk nam hij zijn vriend Kruse in vertrouwen en vertelde hem de heele geschiedenis.

Kruse begreep alles. Hij zat zooals gewoonlijk, wat in elkaar gedoken en sloot de oogen half in een wolk van tabaksrook. In alle stilte zag hij dien sterken, knappen man aan, die geen raad wist met die kleine moeilijkheid en met een vlugge beweging sloeg hij de asch van zijn sigaar.

„Ik vind niet, dat je hier herrie over moet maken.”

„Neen, niet waar? Wat voor den drommel geeft dat ook—om iets wat eigenlijk zoo onbeduidend is; ging ’t om iets, dat de moeite waard was, dan zouden de hooge heeren ’t wel voelen...”

„Maar ik raad je aan om de zaak heen te gaan,” ging Kruse droog voort. „We maken Steffensen tot chef in den winkel.”

„In de verbruiksvereeniging?”

„Ja, dat is toch ook een baantje, en nog niet zoo’n verkeerd baantje, als de handel blijft toenemen zooals tot nu toe.”

„Maar denk je, dat ze hem willen hebben? Je weet, hij is niet gezien onder de arbeiders.”

„We moeten onzen invloed gebruiken, zooals Christensen zou zeggen. Ik kan Steffensen niet uitstaan—dat weet je; maar ik geloof, dat hij geschikt is om den winkel te besturen; en ik denk ook, dat jij dien uitweg wel goed zult vinden.”

„Natuurlijk! Ik zou heel blij zijn...”

—„en nu nog iets,” viel Kruse hem in de rede en zag den ander met een fijn glimlachje aan: „’t Is voor die brave heeren van de directie heel goed te zien, dat de arbeiders zich zelf helpen; den man, dien zij zonder reden hebben uitgestooten, helpen de arbeiders zelf aan brood.”

„Ja, ja, ja! Daar heb je ook gelijk aan. ’t Is een prachtig idee! Dank je wel, Kruse! Ik dank je hartelijk.”

En Abraham sloeg het kleine mannetje krachtig op den schouder. Hij was verrukt, vol lust en ijver om aan den gang te gaan—direct!

Maar toen hij weg was stond Peter Kruse lang met dat bittere glimlachje op de lippen in gedachten verzonken en eindelijk zei hij in zich zelf: „Ja zie eens, zóó worden ze—zij, die de besten en moedigsten van ons allen zouden kunnen zijn!”

Abraham liep langzamer, naarmate hij dichter bij ’t huis van Steffensen kwam; hij bereidde het tooneel voor, maakte het plan en wist, toen hij de hand aan de deurknop bracht, precies hoe hij het zeggen zou en wat indruk het op die twee menschen maken zou.

„Goedenavond Steffensen, goedenavond Grete! ’t is een heel poosje geleden, dat we elkaar zagen,” zoo begon hij met een zachte stem, alsof hij wat moe was.

„Ja, ik kan me wel voorstellen, dat u het druk gehad hebt,” bromde Steffensen.

Greta zeide niets, maar luisterde met hoopvolle verwachting.

„Ja, ik heb ’t druk gehad, met mijn eigen zaken en met die van anderen.”

Steffensen, die in ’t begin dwars en stug was blijven zitten, werd nu onrustig. Die dagen van wachten hadden hem gedrukt. ’t Was ook geen gekheid: een oud man met een blinde dochter en dan zonder werk! Wel was ’t waar wat men zei, dat hij wat geld op de spaarbank had, maar dat had hij altijd gehoopt Greta te kunnen nalaten. Als hij nu dat geld moest gebruiken dan was er voor haar geen ander vooruitzicht dan de armenzorg, als hij er niet meer was. Hij probeerde nog zich goed te houden, maar in werkelijkheid zat hij bevend zijn vonnis af te wachten.

„Nu,” zei hij zoo barsch als hij maar kon, „zal ik nu stoker blijven of niet?”

„Neen, je zult geen stoker blijven,” antwoordde Abraham kalm.

Hij voelde, hoe Greta, die naast hem zat, ineen kromp, maar Steffensen sprong op en begon te vloeken en te razen, zooals hij gewoonlijk deed. Abraham bleef heel kalm en had er pleizier in hoe het heele tooneel zich precies afspeelde zooals hij ’t zich had voorgesteld. Nu vond hij het oogenblik gekomen het beslissende woord te spreken.

„Herinner je je wel, dat ik beloofde de zaak in orde te maken?”

„Jawel! En de oude Steffensen was dom genoeg het te gelooven.”

„Och, dat was nog zoo dom niet,” antwoordde Abraham lachend—„en toen ik eenmaal op me genomen had te helpen, meende ik, dat het ’t beste was ’t afdoende te doen. ’t Is een vrij hard werk met die machines, en in den winter voor de gezondheid gevaarlijk, zóó van de warmte in de open schuren—niet waar?”

„’t Is een ellendig werk, maar je hebt er toch je brood door.”

„Ja, je brood!—Er zijn verschillende manieren om je brood te verdienen, maar als je oud wordt dan komt ’t er op aan een manier te vinden, die voor je krachten past en je niet vóór je tijd om hals helpt.”

Steffensen voelde zich weer onzeker. Hij deed een paar stappen vooruit en keek Abraham met zijn strakke oogen vlak in ’t gezicht.

„Ik wilde je daarom de betrekking aanbieden van chef in den winkel van de arbeidersvereeniging.”

Steffensen was verbaasd. ’t Eerste wat in hem opkwam was de lust om op de knieën te danken voor die redding uit armoede en ellende.

Maar dat duurde maar een oogwenk; zijn lange haat tegen ’t kapitaal, zijn ingewortelde gewoonte om onverzoenlijk en misnoegd te zijn zat hem te diep in ’t bloed. Hij bromde maar wat van „dat je maar nemen moest wat zich voordeed als je eerst uit je werk getrapt was.”

Maar in werkelijkheid was hij zóó bewogen, dat hij naar de keuken ging, waar hij gedachteloos kopjes en emmers ging verzetten. ’t Was algemeen bekend, dat de vrouw, die tot nu toe den verkoop in den winkel bestuurd had, geld had overgelegden nu trouwen ging, ofschoon ze een weduwe over de vijftig jaar was.

Eerst toen de oude was heengegaan, keerde Abraham zich naar Greta om van zijn triomf te genieten, maar hij werd teleurgesteld door de uitdrukking op haar gezicht.

„Nu Grete?—ben je niet over me tevreden?”

„Jawel! Ik dank je wel! Vader is zoo bang geweest, maar ik wist wel, dat je zou helpen en voor hem opkomen. Dat heb je toch gedaan?”

„Ja, natuurlijk, dat kun je toch wel begrijpen,” antwoordde Abraham wat verlegen.

Greta werd dadelijk belangstellend, zoodat hij er haastig bijvoegde:

„Je kunt er van op aan, dat ik hen voelen liet...”

„Wat zei je? Toe vertel dat! wat zei je tegen hen? Was je vader er bij?”

Dat interesseerde haar klaarblijkelijk ’t meeste. Ze had haars vader bloed! En niets kwam haar zoo groot en heerlijk voor, als dat iemand zich tegen de machtigen verzette en hun de waarheid in het gezicht zei.

Nadat het ontwaakt bewustzijn van den geheelen omvang van haar ongeluk haar liefde zoo teer, zoo pijnlijk gemaakt had, was ze tegenover Abraham niet zoo gelijkmatig als vroeger; en terwijl ze nu haar gezicht naar hem toekeerde—zoo gespannen, zoo vol liefde, zoo begeerig hem nog meer te mogen bewonderen—ja toen had Abraham de kracht niet dit eenige menschenhart los te laten, dat hem heel zijn geloof—heel zijn vertrouwen gaf. En hij begon te liegen.—Opgewonden en door haar vragen geleid werd hij vindingrijk; hij had zoo vaak met haar de reis gemaakt door fantastische sprookjes. Deze keer waren ’t nu rondweg leugens; maar ’t leek er toch wat op.

En hij gaf een referaat van zijn heele toespraak die hijhad willenhouden, en die zoo begon: „Ik kom om mijn recht te eischen.”—Ja, toen hij eenmaal aan den gang was gaf hij nergens meer om en beschreef hoe de heele directie gesmeekt had om Steffensen als stoker te mogen behouden; maar hij had het afgeslagen; hij—Abraham Lövdahl—zou de hooge heeren toonen, dat de arbeiders zich zelf kunnen helpen.

Maar te gelijkertijd voelde hij, dat hij vuurrood werd, toen hij haar liet beloven niets van dit alles aan iemand te zeggen, zelfs niet aan Steffensen.

Greta straalde en merkte niets en Abraham trachtte zijn slecht geweten gerust te stellen en nam haar bewondering aan. Nu was ’t maar goed, dat ze hem niet zien kon. ’t Zou hem onmogelijk geweest zijn zoo te doen tegenover een paar oogen, een paar niet te ontwijken oogen!

„Wat scheelt je? Abraham! Waarom loop je van me weg? Waar ben je? Kom weer hier en ga zitten.”

„Neen Grete! ik moet weg. ’t Is al laat. Goeie nacht!—ik kom gauw terug.”

Abraham keerde van zijn triomftocht terug met gebogen rug, schuw en zoo wonderlijk slap in de beenen. Niets van alles wat hij probeerde, hielp. ’t Was waarlijk geen kleinigheid wat er gebeurd was; want ’t waren leugens, echte, zonneklare leugens! Hij had wel vroeger al gelogen zoo in ’t klein; maar nooit zóó laf, zóó met opzet.

En een paar groote, diepe oogen hadden als ’t ware plaats genomen in dat blinde gezicht en een oogenblik voor hem gestaan. En hij kon ze niet ontwijken, wat hij ook deed en hoe hij zich wendde en keerde; hij moest aan zijn moeder denken, met pijn en tegenzin, maar hijmoest!

Naarmate de tijd voorbij ging en hij in ’t werk in kwam kreeg ook de kapelaan Maarten Kruse veel te doen. Zijn priesterlijk ambt nam hij waar door Zondags te preeken op zijn beurt en een of ander bijbellezing te houden, zoodat de leekenpredikanten geen voorwendsel tot aanmerkingen zouden hebben. Maar overigens werd zijn tijd eigenlijk gezegd—door zeer wereldsche zaken in beslag genomen, en hij werd een trouw bezoeker van Lövdahls kantoor—altijd door de achterdeur.

’t Nieuwe principe van Marcussen, dat het crediet gebruikt moest worden, maakte het wenschelijk voor de zaak van den professor meer en solide endossanten te hebben. Tot nu toe had men bijna geen andere namen noodig gehad dan Consul With, maar nu zou ’t goed zijn er meer te hebben; en Marcussen stelde de oude Jörgen Kruse voor.

De professor legde toen den kapelaan uit hoe ’t eenvoudig dwaas was in tijden als deze geld te laten liggen voor nauwelijks vier procent en ’t gevolg werd spoedig, dat er voorzichtig handelsbetrekkingen werden aangeknoopt tusschen Jörgen Kruse en Carsten Lövdahl.

De oude Jörgen moest de geschiktheid voor zaken doen van zijn zoon bewonderen, al was hij ’t niet altijd eens met de jongelui als ze geld opnamen. Maar hij kon toch over ’t geheel niet tegen Maarten op, want zoodra er oneenigheid kwam werd de zoon opeens predikant en dan wist de oude Jörgen niet hoe hij zich houden moest. Zoo kwam heel wat van Kruses goed bewaard geld voor den dag—„om in de zaak van Lövdahl gestoken te worden,”—zooals Maarten ’t noemde en de rente was een aardig sommetje bij de eerste half jaarlijksche afrekening, dat moest de oude Jörgen zelf toegeven.En langzamerhand werd het gewoonte onder de menschen om hun spaarpenningen naar Carsten Lövdahl te brengen; de hoogere rente, die hij gaf maakte, dat de sierlijke „rekening-couranten” van Marcussen verre boven ’t spaarbankboekje te verkiezen waren.

En toen de oude Jörgen eerst den smaak beet kreeg van deze inkomsten, verkregen zonder moeite en bijna zonder risico, gaf hij zijn dwaze kleingeestige voorzichtigheid op en werd bijna nog begeeriger dan zijn zoon om met die schitterende zaak van Lövdahl aan den gang te gaan, waar zooveel goud uit vloeide.

Toen Maarten Kruse zijn vrouw voor ’t eerst de renten van ’t geld bracht, dat langzamerhand bij Carsten Lövdahl geplaatst was, legde Mevrouw Frederika haar magere armen om den hals van haar man en fluisterde:

„Dat is zeker bijna zeven procent, Maarten.”

„Dat weet ik niet; ik heb ’t niet nagerekend,” antwoordde Maarten met waardigheid; „maar ’t schijnt wel alsof een rijke zegen dien man begeleidt.”

„Maar dit geld—zullen we dat niet in de bank zetten? Dat is toch zekerder.”

„Zooals je wilt, Frederika.”

En toen werd dit geld in de bank gezet.

Maar acht dagen later zei Mevrouw Kruse:

„Weet je Maarten, hoeveel we in deze week verloren hebben?”

„Hebben we wat verloren?”

„Door die rente—je weet wel—in de bank te zetten in plaats van bij Lövdahl hebben we meer dan drie gulden in één week verloren.—Ik heb het uitgerekend.”

„Zoo!” antwoordde haar man teleurgesteld, en er ontstond een pauze.

De predikant zat in zijn vaders couranten te lezen—zij werden ’t eerst bij de jongelui gebracht;—en Mevrouw Frederika was bezig een hoed te maken van een zwarte das, die Maarten niet langer gebruiken kon, omdat hij altijd met een witte das liep.

„Zeg eens,” zei eindelijk Mevrouw Frederika, „vindje niet, dat er iets verkeerds in is om zoo ’t geld te verspillen. Denk eens aan deze drie gulden. Wat hadden we daar niet voor kunnen koopen!”

„Of ze weggeven, Frederika.”

„Ja zeker, denk eens aan hoeveel armen hadden we niet met dat geld kunnen voeden, die nu niemand ten goede komen?—Ik geloof wezenlijk dat je naar den professor moet gaan—ja, want je ben toch wel zeker van hem?” en alsof die vraag alleen haar al ontzette, richtte zij haar scherpe vogel-oogen op haar man.

Maarten antwoordde door van uit de hoogte de schouders even op te halen.

„Wil je, dat ik dat geld ook naar Lövdahl breng?” vroeg hij.

„Ja, je moet maar doen wat je wilt; maar ik vind wel,... ja, je weet dat ik van zulke dingen geen verstand heb; maar ’t komt me voor, dat het eenvoudig verkeerd—zonde—is iets verloren te laten gaan.”

Toen Marcussen den volgenden dag in het kantoor van den chef geroepen werd door de electrische bel, riep de professor hem opgeruimd toe:

„Je hadt gelijk, Marcussen! De dominé is hier geweest met het geld.”


Back to IndexNext