XI.De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het heele geluk te voelen van een kind te hebben;—dat zou wel komen.Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen, die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden toeëigenen.Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand van hadden hoe ’t kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets, dan was ’t altijd doordat de verpleegster of ’t dienstmeisje—of iemand anders—iets doms of verkeerds gedaan had.Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen volkomenheid; daarom moest het zijn—en opgroeien als—een manlijk evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en aan de familie en vrienden, aan de versmaaddebalcavaliers, ja voor de heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk van Clara Meinhardt.„’t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom beschouwt,” zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij het kind te komen.„Ja, dat doe ik;—dat spreekt!”„Maar ik dan!” riep Abraham lachend, „je behandelt me heelemaal als oud kruit.”„Wat is dat nu voor onzin?”„Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen.”„Ja, dat kan hij ook,” antwoordde Clara zonder een spoor van een glimlach.Maar Abraham lachte; hijwildedit niet in ernst opnemen; hijwildegelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den jongen wel naderen, later! ’t Was zoo natuurlijk, dat de moeder den eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien moest hoe lief hij was—kleine Carsten in ’t bad.En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten, terwijl ’t kind—oprecht gesproken—’t meest op een zieken aap geleek.De professor was zóó vol van dat kind, dat hij ’t stof van een paar geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging „repeteeren.”’t Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen, dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in zijn groot kantoor van verre ’t geluid van ’t schreien van een kind hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen hem glimlachte.Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar kind, want zij had er geen en ’t scheen ook niet, dat ze kinderen krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in ’t eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en—Liebig niet te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken, die zij moesten eten.Op andere oogenblikken,—b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard—vooral met een verfijnde manier van uitpingelen; op ’t oogenblik, dat ze de kookvrouw vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.Voor Mevrouw Frederika was een bezoek envooral een partij in dat huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op ’t allerzuinigste uit te zuinigen.Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; ’t moest vreeselijk zijn aan ’t hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de armoede,—ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op een of de andere manier tot haar konden komen—ook werkelijk kwamen; dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en werd zeer bewonderd.Neen—als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou ’t haar man zijn;—hij was met zoo weinig tevreden,—dàt moest ze bewonderen.Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;—hem kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en dergelijke zaken.Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,—en behalve dat had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke betrekking. En in ’t huis van den kapelaan was ’t daardoor langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw,die trouwens bijna geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.—Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in ’t oude huis—ja in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op ’t ijs, champagne en raketten.’t Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en ’t gejubel van alle kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs, de Garmans—maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien—behalve dat van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat het door, slag op slag met feesten en partijen.Zij, die geld over hebben, halen ’t voor den dag en zij, die ’t niet hebben kunnen ’t met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.Maar die champagne wordt nooit betaald en alseen vreemde klant vele jaren later verbaasd wordt door ’t vinden van een prachtige zijden stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman: „Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd,” en hij schudt weemoedig zijn gefailleerd hoofd.Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor, die dat juist „la haute finance” vond: bals, concerten en maskeraden ’s avonds en groote omzet, massa’s brieven en expedities ’s morgens op het kantoor.Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw—„de strijkplank” genaamd—hem scherp in ’t oog hield. En dat was noodig; want de naam van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in een voortdurende verwarring te houden. In ’t eerst lette hij niet op haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken.Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de stad onweerstaanbaar was. Nu zou ’t haar amuseeren dien mooien lompen visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van uit de hoogte.En hij beet dadelijk—maar ze trok te vroeg aan het snoer.Want hoe weinig fijn Marcussen ook was—een vrouw bedroog hem niet gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine wenken tot toenadering te willen begrijpen.Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder—wou hij niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot Clara waagde te zeggen:„Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen.”„Wat meen je?”„Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan...”„dan je vaders kantoorbediende?—dat was ’t zeker wat je zeggen wou; ja, jij meent ’t nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid en gelijkheid. Als ’t er op aan komt, ben je een belachelijke aristocraat.”„Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen...”„Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien.”Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat hij zou verklaren wat hij met zijninsinuaties meende; waarom hij haar allerlei verwijten deed en...„Nu, nu Clara! antwoord me nu eens:vindje werkelijk, dat Marcussen fatsoenlijk is.”„Hij is mooi, veel mooier dan jij.”„Ieder zijn smaak!” antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, „maar vindt je dat hij beschaafd is.”„Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren.”„Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden staan?”„Je zoudt ’t altijd kunnen probeeren. Maar nuwilik weten, wat je mij tegenover Marcussen te verwijten hebt.”„Zijn naam...”„Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wiljijmisschien den eersten steen werpen?”„Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar ’t verwondert me, dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,—dat jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles heen schijnt.”„Je ben jaloersch,—ja, dat ben je.”„Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch.”„Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten, dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen...”„Nu, wat zou dat?”„Wat dat zou?—ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!” riep Mevrouw Clara, „je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen; terwijl jij van je vrouw verlangt...”„Wat meen je, Clara? Ik?—”Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden koud als glas.„Greta Steffensen,” zei ze halfluid.Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk gebruik van.„Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt.”„Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! ’t is immers een arm blind kind.”—„Ja blind moest ze ook wel wezen—”„om door mij bekoord te worden?” ging Abraham voort en moest er toch om lachen.„Dat wou ik heelemaal niet zeggen,” antwoordde Clara en wendde zich af.—Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze zelf voelde, dat het al te dwaas was.Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij ging zei ze—met de stem van haar moeder:„Hoe dat alles nu zijn mag—ik verzoek van je jaloezie verschoond te blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen zorgen. Goeie nacht!”Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij had immers al spoedig ingezien, dathet onmogelijk was de dwepende liefde te bewaren, die hij in ’t begin voor haar had gevoeld en wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends vermoeden kon.Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen beantwoording vond, keerde zich naar Greta,—natuurlijk en zonder dat hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk en rechtschapen wilde zijn.En voor hem, die telkens in de kleine dingen van ’t leven uitweek, waar hij recht door zee had moeten gaan;—zweeg, waar hij had moeten spreken—werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof ’t zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,—dat juist hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen, die hij in ’t begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot groote lastige dingen met lange schaduwen.Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor te liegen!Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad was echt en waar, maar ’t waren juist de versierselen, waar Greta ’t meeste prijs op stelde.Hij vertelde—en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval—ze werden hem liever dan al ’t andere. Niet alleen, dat hij ’t geluk genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het leege, slappe van zijn leven.Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd nooit moede te vragen en te bewonderen.—Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon—waar hij rondweg ’t huis voor ontweek—was een eigenaardig soort vroomheid, die Clara bezig was in te voeren.Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstigebijeenkomsten met een kopje thee en een predikant.De professor schertste in ’t begin met zijn mooie schoondochter over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was ’t alsof hij ’t anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich gaarne ontheven zag.Dit:—dat zijn vader meêdeed—kon Abraham ’t allerminst verdragen; want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar ’t avondmaal met Clara.Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging hem daarom maar uit den weg.Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in ’t kantoor.Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.Abraham nam lachend de pen.„Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!”„’t Is ook alleen maar voor den vorm,” zei de professor snel, en nam het papier aan. „Mijn naam is ’t voornaamste.”„Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en wordt er geen greintje vetter door.”„Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!”„Ach Vader! Ik word toch nooit zoo’n koopman als u.”„We zullen zien, mijn jongen,” antwoordde de professor; maar lang nadat Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,—in onrustige gedachten.XII.„Mijnheer de bankdirecteur!—nu begin ik in ernst te gelooven, dat u me tegenwerkt.”„Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar verlangen u te helpen dan ik.”„Te helpen?—Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig.”„Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze slechte tijden—”„Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u weet, ik geloof er niet aan.”’t Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren tamelijk opgewonden—ieder op zijn manier. Vooral was ’t gezicht van den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal.Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk en keek rond in het kantoor.„Welnu, Professor Lövdahl—crisis of geen crisis—één ding is zeker. En dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren.”Dat kwam zóó plotseling,—dat de professor een oogenblik als verstomd bleef zitten met wijd opengesperde oogen.„Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?”„In ’t geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u ’t volkomen met mij eens zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen.”„Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in ’t geheel geen sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af, dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u de Fortunawissels uit uw bank verdreven.”„Persoonlijke redenen? Professor!”„Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;—want dit alles komt, doordat uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann heenging; nu weet u het!”De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer; Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand:„Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor Lövdahl!—’t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten te dragen. Die fabriek is—een mislukte onderneming—laat ons maar beginnen met dat te erkennen.”„Volstrekt niet—dat wil ik in ’t geheel niet erkennen. De fabriek is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden is buitengewoon ongelukkig geweest.”„Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,—dat mijn bezoek bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens ben op de eerstvolgende algemeene vergadering eenvoorstel in te dienen tot liquidatie van de fabriek.”„Ga uw gang”—antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar het middenste venster in de kamer.Hij was zoo heftig bewogen, dat hij ’t een poos lang niet begreep; maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest.De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht—niemand wist dat beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. ’t Was niet onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie, en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief, zoo onontbeerlijk geworden was—’t zou alles weg zijn.Maar iets veel—veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op: als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten; dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen.Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval:„Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is ’t beter, dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op ’t oogenblik?”„Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug zult nemen, Professor.”„Wees u maar niet bekommerd over mij,” zei de professor en lachte wat uit de hoogte, „de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht, heb ik een half uur later met winst verkocht.”„Waarlijk?”—antwoordde Christensen beleefd. „Zoudt u ook deze aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?”„Tegen pari—zooals laatst—natuurlijk,” antwoordde de professor, „en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te liquideeren minstens ontijdig wezen zou.”„Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de eerstvolgende algemeene vergadering.”Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht, dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn voorgenomen voorstel.De professor maakte daarom een afwijzende beweging.„Neen, neen, Mijnheer Christensen!—niet op die manier! U hebt mij niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel—dat weet u heel goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient, maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij,als president; en dat u over ’t geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt, dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt.”„Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik niet langer zelf aandeelhouder ben.”„Dan houdt u een paar aandeelen,” zei de professor, maar omdat hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijtwildewezen, verbeet hij zijn ergernis en ging voort: „of laat mij ze liever alle tien nemen—zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm, ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet, voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de bloei u zoo zeer aan ’t hart gaat.”„Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat.”„Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen,” zei de professor half schertsend; „u is immers angstig van nature.”„Zullen we niet liever zeggen: „voorzichtig” Professor?”„Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch ’t woord. Maar als u nu ziet, dat ik,—die naar uw eigen zeggen, ’t best den toestand moet kennen—dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent.”„Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw wetenschappelijke vormingde man is, die deze zaak ’t best beoordeelen kan en ’t zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan.”De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden met een vriendschappelijken handdruk.In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig:„Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik ken uw handelsprincipes.”„De helft contant en de rest tegen drie maands accept,” antwoordde de professor.„Drie maands accept...” herhaalde de bankdirecteur wat langzaam; maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;—en hij veranderde behendig van toon:„Ja, dat is immers ’t zelfde als contant; een stuk, waar „Carsten Lövdahl” op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden morgen Professor.”En zij bogen glimlachend voor elkaar.„Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?”De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en ’t was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was ’t al vrij laat op den dag.Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend geworden, dat Marcussen, die devrede liefhad, placht te doen alsof alles van een leien dakje ging.Hij zei daarom alleen:„Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!”Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen er voortreffelijk in. ’t Was juist iets voor hem van dag tot dag uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken; en hoe schaarscher ’t geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid zich ontwikkelde.Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan: jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders, bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners—de moeilijkheden op ’t kantoor waren maar kinderspel voor hem.Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk maakte van een sterken omzet—dat was juist een werkje voor Marcussen.En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een had gehad.Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker, dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle meisjes mooi waren.Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen, dat hij niet angstig wezenwilde, hij wilde ’t niet merken, dat ’t heele handelsleven als ’t ware begon te verflauwen, ineen te krimpen; hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag.Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde—alles wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout—en verkocht het weer, bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht—als ’t maar gauw ging, als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan.En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode, als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar Carsten Lövdahl aan den gang was.Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op een of ander stuk stond.Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden, was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden.Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf.Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten uit het buitenland; heteene artikel na het andere daalde 50% in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar voor alles en allen was.Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven, dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren.Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot „den kring,” die de stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van de „grootelui” kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven, geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen, de vele monden—enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van ’t laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen „Fortuna” een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen.’t Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest.Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven, had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de fabriek dit jaar geen winst gemaakt had.Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd zeer gedrukt; een enkeleontevreden stem probeerde voorzichtig een paar onaangenaamheden tot de directie te richten.De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam aanrukken; ’t was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;—men werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen worden.Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak, zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen, dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd, waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon.Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou.Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken, die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden hem om hulp zouden smeeken.—Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord uit stoomen.Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop, uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoorde stroom op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een allerbedroevendste leegte na te laten.In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht.De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten.Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit voorstel in ’t geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor voortkwam. ’t Was alleen om intijds de familie in ’t bezit van de vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even schitterend te gaan in de handen van Abraham.Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen, dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten, terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen mocht hebben.Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was—vooral hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen zou van ’t bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet het bestuurdaarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was door allen geacht en bemind.Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging, dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over grooter kracht scheen te beschikken.Op een dag, dat Abraham in ’t kantoor was, riep zijn vader hem toe:„Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas.”„Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds en voor...”„Ja—geef maar wat je hebt; we geven ’t morgen of over een paar dagen terug.”Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor.„Ziehier, Vader! Is ’t niet prachtig? ’t Bouwfonds heeft al bijna twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet.”„Goed—goed!” antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken.„Wilt u alles hebben?” vroeg Abraham lachend.„Neen—we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben.”„En dan moet u de menschen de rente vergoeden—liefst wat royaal—als u ’t geld morgen teruggeeft.”„Ja zeker,—natuurlijk,” antwoordde de professor, die al weer bij zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte.—Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl.Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen Marcussen, van den eenen dag tot den anderen.Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder inkoopsprijs, als ’t maar contant geld inbracht. De stukken van den ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen—tot alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond.En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl.XIII.’t Was een koude regenachtige morgen tegen ’t eind van den herfst. De familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den professor en Abraham was op reis voor zaken, naar ’t noorden, in dienst van de fabriek.Verscheidene dagen lang was ’t zoo wonderlijk stil in de stad geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan ’t werk te gaan en ’t was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan; en ’t gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen was, werd steeds sterker.De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar, dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten het geloofden. ’t Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in aantocht was.De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan te zien. De laatste dagen warener verontrustende informaties van verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor verschillende namen.’t Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren.Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en Zondag was een rustdag.Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens lessenaar opgehoopt—„een vlucht vervloekte roofvogels,” dacht hij, terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met zijn groote vuist op.Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen.Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand, ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich en trok de portière dicht.Carsten Lövdahl had voor ’t venster in den tuin staan kijken; hij wendde zich heftig om en zei:„Wat is er? Marcussen!”’t Gezicht van den professor was bijna aschgrauwen de oogen lagen hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,—zijn woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten ’t hoofd opstak—dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden misdadiger gemaakt.„Wat is er? Marcussen!”Zelfs zijn stem was veranderd,—ruw, alsof die niets gemeen had met menschenspraak, maar van een dier kwam.Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel.„Telegrammen! allemaal telegrammen?—van Donner? uit Christiania? Wat moet dat beduiden Marcussen!—waarom breng je mij dat alles door elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar niet als een stok! Wat beteekent dat?”„Professor Lövdahl!”—antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem in de oogen, „dat beteekent, dat we ’t niet langer kunnen uithouden.”„Wat zeg je?” schreeuwde de professor en stond op, „kunnen we ’t niet langer uithouden? Zeg je dat?—bedoel je—man!—bedoel je, dat ik—dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?”—Bliksemsnel gingen zijn strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken—dat woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren; dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die hem op straat groette.„Stil, stil!—je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We moeten ’t hoofd niet verliezen,—we moeten een uitweg vinden—alles kan nog niet verloren zijn,—onmogelijk!—laat me eens zien,—laat me de telegrammen zien—allemaal!”En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het hoofd in de handen en luid steunde.Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest beleven.Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder.De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op:„Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen.”—Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar een van de banken moest met een of ander stuk—dat kon hij maar niet begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest.Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleefhij staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht, toen hij vroeg:„’t Is—hm—natuurlijk een verzuim?”„Wat?” vroeg Marcussen droog.De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen weer:„Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?”„Neen.”„Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt; maar dit...”„Ik scherts niet,—voor den duivel!”De oude Taraldsen richtte zich op; ’t heele personeel zat over ’t werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen.Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel, vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij bijna plechtig vroeg:„Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?”„Ja,” antwoordde Marcussen, zonder op te zien.De oude Taraldsen draafde ’t kantoor uit, maar op de trap kwam hij den bode van de „Bank op aandeelen” tegen:„Is ’t waar?—Taraldsen!”„Nu gaat de heele stad!” antwoordde de oude met een wanhopige handbeweging.„Is ’t waar?—is ’t waar?” Die woorden gingensnel door de heele stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil—alle werk, alle gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen, tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes elkaar vroegen: „Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?”Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was, alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der banken verhinderd werd op de beurs te komen.Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op.Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar aan te zien; zij hadden allen ’t gevoel, dat ze er plotseling zoo armoedig uitzagen.De banken in de millioenenhoek—zooals men ’t noemde—stonden leeg, en de leden van den „kring,” die tegenwoordig waren, wilden vandaag liever in een groep meer vooraan in de zaal staan.Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal; niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze allen stuk zou slaan of ze allen omgooien.Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven ’t dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen, en drie minuten later was de zaal leeg.Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden op—en schudden de hoofden.En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten ’t eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten ’t niet beter; en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden, begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was.Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië deed. En ’t was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting voelde, toen ’t bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis was en uit Hamburg was vertrokken.Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers, die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten Lövdahl—met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With, Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse.Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten; ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging—de oude Jörgen Kruse.Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd—wat hij ook was; maar zoo’n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde—dathijnu bleek verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met een wisselschuld,die alles verslond, wat hij bezat en misschien nog meer,—ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en akkers verdreven worden in deze slechte tijden.Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in ’t rond voortwoekerde, als brand in ’t veen, ratelde de onmetelijke machine van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en leedvermaak.De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was, als hij zijn tong niet roerde.En de stof—hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was—bleek spoedig nogonvoldoendete zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en ’t was alsof men geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had.Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging.Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel moesten voelen—die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren en nu—letterlijk tot den bedelstaf gebracht—geruïneerd waren—op straat stonden.Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?—dat zouden ze wel eens willen weten.Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het bier hem vandaag bizonder goed smaakte.Onder allen daar beneden—de arbeiders en zij, die van dag tot dag leefden van het werk van hun handen voor anderen,—onder hen heerschte een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag op straat te laten staan zonder werk of verdienste.Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe ’t kapitaal in dagen van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook, dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en de speculatie van de grooten.Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met honger,—kleine leeningen hier en daar,’t laatste crediet bij den koopman, later naar de bank van leening en ’t allerlaatst, in den uitersten nood, op den rand van de wanhoop—de wachtkamer van den armvoogd.Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden, opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke kapitaal—nu vreeselijker dan ooit, nu ’t als een aardstorting kwam aanrollen en de kleinen verpletterde.Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,—ze zouden er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten en verslappen in honger en met slecht voedsel; ’s morgens uitgaan om wat te vinden, en ’s avonds thuiskomen om aan de deur die groote kinderoogen te zien, die vroegen—of Vader een brood meêbracht?De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen; maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen, toen hij de directie uitschold en ’t bestuur en ’t heele zoodje. Daarna verdween hij.Neen—neen—Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op; zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider.Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe ’t ook gaat. Men hoort wel, dat ze alles verloren hebben en ookvoor anderen alles bedorven en toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze ’t toch niet zoo bizonder slecht hadden.En dat was voor hen ’t alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar dat boezemde hun juist daarom ’t meeste ontzag in; ’t moest dus Gods wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar voor anderen zouden werken en sloven,—en dat dit zoo blijven moest.Maar ook daarvoor was er vergelding. „In den poel der hel zouden ze pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen—gepijnigd zouden ze worden—al die grooten en machtigen—, men kon ze één voor één met name noemen; in ’t helsche vuur met hen! en daar zouden ze eeuwig branden! Stel je voor:—eeuwig!”Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er, die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat ’t beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan ’t jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja—zou ’t eigenlijk wel zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er immers naar.—Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen, hier was ergens iets niet in orde, waar ’t dan ook zijn mocht.Ja—zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid—al die vervloekte gedachten, die je in ’t hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes; ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,—hopen,—en vooral geen brandewijn drinken.Zoo gingen zij den winter tegemoet.—Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in ’t rond golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot, prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van ’t geluk; maar voor ’t middenste venster.—Zoo had Carsten Lövdahl uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen, zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield.Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;—en voor ’t laatst overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over, dat die oogen gesloten waren.Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen, Clara—en ’t heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden gestrooid had; hoe—o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het toch mogelijk zooiets uit te houden?—Er was iets, dat zijn gedachten als ’t ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;—dàt wilde hij niet.En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden vol schande en vernedering.’t Begon heel in de verte als een klein balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde en hem heelemaal plat drukte—of zou het niet mogelijk zijn toch ’t hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk geleden hier onder die kooplui—welnu!—hij was niet rijk meer; maar hij was nog iets meer dan een geldman.Ach neen! dat ging toch niet—dat hij ’t hoofd hoog hield. Hij moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten, als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; ’t kostte hem veel, maar hijmoesthet hoofd buigen.Zich laten trappen!—voor de voeten van Christensen liggen zonder een spoor van macht!—niets anders kunnen na dit alles—zijn heele leven lang—dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken, die hem sloeg!—En er lag toch een wapen vlak bij de hand—een wapen, waarmeê hij zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend.Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige comedie: dat allenChristensen zijn—uiteen spat, doordat één den moed krijgt te zeggen: „Ik speel niet meer meê,”—hij wist, dat de huichelarij de levensmacht in die maatschappij is.Hij wist, dat niets zoo sterk is alsdiehuichelarij, die nooit de oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, alsdiehuichelarij, die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk bedekken—hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken.En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd, den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in dien modderigen afgrond.Maar wat hielp dat?—Die gedachten kwamen telkens terug. ’t Zou niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten deelgenomen;—waarom eigenlijk?—als ’t niet juist was, omdat hij een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit groote ongeluk voor hem begon door te schemeren.Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde: „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!” Ja—met Abraham was het ’t ergste;maar de anderen kon hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek met het koude zweet parelend op zijn gezicht:„Mijn geld,—mijn geld!” riep hij heesch.De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast; zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op ’t vertrokken gezicht van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken.„Vader is geruïneerd—dat weet ik!—maar mijn geld?—Frederika’s geld!—dat is behouden, niet waar?—natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is weg,—verloren—verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je zult gestraft worden—neen—Je zult me alleen mijn geld terug geven.”De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde:„Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets anders voor u doen,—iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig voor u zijn kan.”„Wat is dat? Zeg het gauw!—Weet u een uitweg?—O! God zij geloofd!”Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop; die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist misschien nog hulp—hulp voor hem alleen!De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei:„Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!”De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in ’t gezicht geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed ’t eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit.Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste overwinning.’t Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en vielen schuins de kamer in over den man aan ’t venster, over het zware tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna, die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel.—Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd.De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op de verkooping van Lövdahl koopen zou.’t Leek wel een tableau!—
XI.De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het heele geluk te voelen van een kind te hebben;—dat zou wel komen.Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen, die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden toeëigenen.Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand van hadden hoe ’t kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets, dan was ’t altijd doordat de verpleegster of ’t dienstmeisje—of iemand anders—iets doms of verkeerds gedaan had.Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen volkomenheid; daarom moest het zijn—en opgroeien als—een manlijk evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en aan de familie en vrienden, aan de versmaaddebalcavaliers, ja voor de heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk van Clara Meinhardt.„’t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom beschouwt,” zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij het kind te komen.„Ja, dat doe ik;—dat spreekt!”„Maar ik dan!” riep Abraham lachend, „je behandelt me heelemaal als oud kruit.”„Wat is dat nu voor onzin?”„Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen.”„Ja, dat kan hij ook,” antwoordde Clara zonder een spoor van een glimlach.Maar Abraham lachte; hijwildedit niet in ernst opnemen; hijwildegelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den jongen wel naderen, later! ’t Was zoo natuurlijk, dat de moeder den eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien moest hoe lief hij was—kleine Carsten in ’t bad.En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten, terwijl ’t kind—oprecht gesproken—’t meest op een zieken aap geleek.De professor was zóó vol van dat kind, dat hij ’t stof van een paar geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging „repeteeren.”’t Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen, dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in zijn groot kantoor van verre ’t geluid van ’t schreien van een kind hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen hem glimlachte.Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar kind, want zij had er geen en ’t scheen ook niet, dat ze kinderen krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in ’t eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en—Liebig niet te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken, die zij moesten eten.Op andere oogenblikken,—b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard—vooral met een verfijnde manier van uitpingelen; op ’t oogenblik, dat ze de kookvrouw vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.Voor Mevrouw Frederika was een bezoek envooral een partij in dat huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op ’t allerzuinigste uit te zuinigen.Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; ’t moest vreeselijk zijn aan ’t hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de armoede,—ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op een of de andere manier tot haar konden komen—ook werkelijk kwamen; dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en werd zeer bewonderd.Neen—als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou ’t haar man zijn;—hij was met zoo weinig tevreden,—dàt moest ze bewonderen.Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;—hem kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en dergelijke zaken.Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,—en behalve dat had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke betrekking. En in ’t huis van den kapelaan was ’t daardoor langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw,die trouwens bijna geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.—Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in ’t oude huis—ja in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op ’t ijs, champagne en raketten.’t Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en ’t gejubel van alle kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs, de Garmans—maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien—behalve dat van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat het door, slag op slag met feesten en partijen.Zij, die geld over hebben, halen ’t voor den dag en zij, die ’t niet hebben kunnen ’t met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.Maar die champagne wordt nooit betaald en alseen vreemde klant vele jaren later verbaasd wordt door ’t vinden van een prachtige zijden stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman: „Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd,” en hij schudt weemoedig zijn gefailleerd hoofd.Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor, die dat juist „la haute finance” vond: bals, concerten en maskeraden ’s avonds en groote omzet, massa’s brieven en expedities ’s morgens op het kantoor.Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw—„de strijkplank” genaamd—hem scherp in ’t oog hield. En dat was noodig; want de naam van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in een voortdurende verwarring te houden. In ’t eerst lette hij niet op haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken.Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de stad onweerstaanbaar was. Nu zou ’t haar amuseeren dien mooien lompen visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van uit de hoogte.En hij beet dadelijk—maar ze trok te vroeg aan het snoer.Want hoe weinig fijn Marcussen ook was—een vrouw bedroog hem niet gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine wenken tot toenadering te willen begrijpen.Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder—wou hij niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot Clara waagde te zeggen:„Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen.”„Wat meen je?”„Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan...”„dan je vaders kantoorbediende?—dat was ’t zeker wat je zeggen wou; ja, jij meent ’t nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid en gelijkheid. Als ’t er op aan komt, ben je een belachelijke aristocraat.”„Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen...”„Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien.”Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat hij zou verklaren wat hij met zijninsinuaties meende; waarom hij haar allerlei verwijten deed en...„Nu, nu Clara! antwoord me nu eens:vindje werkelijk, dat Marcussen fatsoenlijk is.”„Hij is mooi, veel mooier dan jij.”„Ieder zijn smaak!” antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, „maar vindt je dat hij beschaafd is.”„Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren.”„Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden staan?”„Je zoudt ’t altijd kunnen probeeren. Maar nuwilik weten, wat je mij tegenover Marcussen te verwijten hebt.”„Zijn naam...”„Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wiljijmisschien den eersten steen werpen?”„Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar ’t verwondert me, dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,—dat jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles heen schijnt.”„Je ben jaloersch,—ja, dat ben je.”„Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch.”„Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten, dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen...”„Nu, wat zou dat?”„Wat dat zou?—ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!” riep Mevrouw Clara, „je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen; terwijl jij van je vrouw verlangt...”„Wat meen je, Clara? Ik?—”Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden koud als glas.„Greta Steffensen,” zei ze halfluid.Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk gebruik van.„Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt.”„Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! ’t is immers een arm blind kind.”—„Ja blind moest ze ook wel wezen—”„om door mij bekoord te worden?” ging Abraham voort en moest er toch om lachen.„Dat wou ik heelemaal niet zeggen,” antwoordde Clara en wendde zich af.—Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze zelf voelde, dat het al te dwaas was.Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij ging zei ze—met de stem van haar moeder:„Hoe dat alles nu zijn mag—ik verzoek van je jaloezie verschoond te blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen zorgen. Goeie nacht!”Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij had immers al spoedig ingezien, dathet onmogelijk was de dwepende liefde te bewaren, die hij in ’t begin voor haar had gevoeld en wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends vermoeden kon.Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen beantwoording vond, keerde zich naar Greta,—natuurlijk en zonder dat hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk en rechtschapen wilde zijn.En voor hem, die telkens in de kleine dingen van ’t leven uitweek, waar hij recht door zee had moeten gaan;—zweeg, waar hij had moeten spreken—werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof ’t zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,—dat juist hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen, die hij in ’t begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot groote lastige dingen met lange schaduwen.Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor te liegen!Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad was echt en waar, maar ’t waren juist de versierselen, waar Greta ’t meeste prijs op stelde.Hij vertelde—en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval—ze werden hem liever dan al ’t andere. Niet alleen, dat hij ’t geluk genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het leege, slappe van zijn leven.Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd nooit moede te vragen en te bewonderen.—Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon—waar hij rondweg ’t huis voor ontweek—was een eigenaardig soort vroomheid, die Clara bezig was in te voeren.Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstigebijeenkomsten met een kopje thee en een predikant.De professor schertste in ’t begin met zijn mooie schoondochter over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was ’t alsof hij ’t anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich gaarne ontheven zag.Dit:—dat zijn vader meêdeed—kon Abraham ’t allerminst verdragen; want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar ’t avondmaal met Clara.Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging hem daarom maar uit den weg.Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in ’t kantoor.Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.Abraham nam lachend de pen.„Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!”„’t Is ook alleen maar voor den vorm,” zei de professor snel, en nam het papier aan. „Mijn naam is ’t voornaamste.”„Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en wordt er geen greintje vetter door.”„Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!”„Ach Vader! Ik word toch nooit zoo’n koopman als u.”„We zullen zien, mijn jongen,” antwoordde de professor; maar lang nadat Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,—in onrustige gedachten.
De baker had gelijk, toen ze de eerste dagen na de geboorte van kleine Carsten steeds herhaalde, dat Mevrouw te jong was om dadelijk het heele geluk te voelen van een kind te hebben;—dat zou wel komen.
Want toen Clara er zich van overtuigd had, dat haar schoonheid niets geleden had, omringde ze den kleine met een liefde zoo begeerig en jaloersch, dat ze zich bijna op voet van oorlog voelde met allen, die haar omgaven en zich een beetje eigendomsrecht op het kind wilden toeëigenen.
Ze knorde op verpleegsters en kindermeisjes, omdat ze er geen verstand van hadden hoe ’t kind behandeld moest worden. Zoolang de kleine gezond was kwam het door dat Clara hem behandelde volgens een boek of volgens lange brieven van haar moeder. Maar kwam er wat maagpijn of zooiets, dan was ’t altijd doordat de verpleegster of ’t dienstmeisje—of iemand anders—iets doms of verkeerds gedaan had.
Dat kind was een stuk van haar eigen schoonheid, van haar eigen volkomenheid; daarom moest het zijn—en opgroeien als—een manlijk evenbeeld van haar; het moest zich eenmaal vertoonen in de stad en aan de familie en vrienden, aan de versmaaddebalcavaliers, ja voor de heele hoofdstad tot op het Koninklijk Paleis toe, als het meesterstuk van Clara Meinhardt.
„’t Schijnt, dat je kleine Carsten als jouw uitsluitend eigendom beschouwt,” zei Abraham goedig, als ze hem niet wilde toestaan bij het kind te komen.
„Ja, dat doe ik;—dat spreekt!”
„Maar ik dan!” riep Abraham lachend, „je behandelt me heelemaal als oud kruit.”
„Wat is dat nu voor onzin?”
„Der Mohr hat seine schuldigkeit getan, der Mohr kann gehen.”
„Ja, dat kan hij ook,” antwoordde Clara zonder een spoor van een glimlach.
Maar Abraham lachte; hijwildedit niet in ernst opnemen; hijwildegelukkig zijn. Hij had een zoon, die van hem was; en hij zou den jongen wel naderen, later! ’t Was zoo natuurlijk, dat de moeder den eersten tijd heelemaal voor hem zorgde.
Alleen met één kon en wilde Clara het kind deelen. De professor had ten allen tijde toegang; en hij werd ontelbare malen de wenteltrap opgeroepen voor een consult of soms ook alleen, omdat Grootvader zien moest hoe lief hij was—kleine Carsten in ’t bad.
En Moeder en Grootvader konden uren bij de wieg zitten te lachen en iederen trek te bewonderen in dat kleine gezicht, waarin ze allerlei glimlachen, familiegelijkenissen en sporen van intelligentie ontdekten, terwijl ’t kind—oprecht gesproken—’t meest op een zieken aap geleek.
De professor was zóó vol van dat kind, dat hij ’t stof van een paar geneeskundige geschriften afborstelde en de kinderziekten weer ging „repeteeren.”’t Was zijn lust en zijn vreugd, dat kleine wezen, dat zijn naam dragen zou. En als hij in de diepe stilte midden in zijn groot kantoor van verre ’t geluid van ’t schreien van een kind hoorde, dan leunde hij achterover in zijn stoel en glimlachte tegen de geluksgodin, die half zwevend hem haar krans reikte en ook tegen hem glimlachte.
Ook aan haar vriendin, Mevrouw Frederika, vertoonde Clara soms haar kind, want zij had er geen en ’t scheen ook niet, dat ze kinderen krijgen zou; en Clara was er trotsch op dit boven haar voor te hebben.
Want wat zuinig huishouden betreft moest zij erkennen, dat Mevrouw Frederika verre haar meerdere was. Wel behoefde Clara niet zuinig te zijn, en dat was ze ook eigenlijk niet; maar ze had toch van haar moeder de liefhebberij geërfd om zuinig met de boter te zijn en de suiker voor de dienstmeisjes weg te sluiten.
Mevrouw Frederika leerde haar een menigte kunstjes met het vet in ’t eten, met aanmaken met meel, stroop en chicorei en—Liebig niet te vergeten; en Mevrouw Clara maakte er zich een gewetenszaak van haar man en haar dienstboden te onthalen op sommige mystieke zaken, die zij moesten eten.
Op andere oogenblikken,—b.v. bij partijen, deinsde ze niet voor uitgaven terug. Royaal te zijn en veel geld uit te geven, als de menschen het zagen, lag eigenlijk in haar aard—vooral met een verfijnde manier van uitpingelen; op ’t oogenblik, dat ze de kookvrouw vrij liet rondtasten in truffels en oesters, verzuimde ze nooit de pruimen te tellen voor de zoete soep van de dienstboden.
Voor Mevrouw Frederika was een bezoek envooral een partij in dat huis, waar zooveel omging, werkelijk aangrijpend. Haar valken-oogen rustten op alles wat er verbruikt werd en taxeerden alles wat er werd verspild. En daarna voelde ze zich alsof ze had meêgedaan aan een waanzinnige overdaad, die ze zelf moest herstellen door nog zuiniger op ’t allerzuinigste uit te zuinigen.
Ze benijdde waarlijk haar vriendin niet; ’t moest vreeselijk zijn aan ’t hoofd van zulk een huis te staan. Want Mevrouw Frederika begeerde eigenlijk niet rijk te zijn; veel te bezitten; evenmin had ze een bepaalde vrees voor de ontberingen en de bekrompenheid van de armoede,—ze had in werkelijkheid zoo weinig noodig.
Haar hartstocht was de bewustheid, dat alle penningen, die maar op een of de andere manier tot haar konden komen—ook werkelijk kwamen; dat geen enkele cent van haar wegkwam, die op een of andere manier uitgespaard had kunnen worden. Ze was een goudmijn voor haar man en werd zeer bewonderd.
Neen—als ze Clara Lövdahl iets benijdde, dan zou ’t haar man zijn;—hij was met zoo weinig tevreden,—dàt moest ze bewonderen.
Als ze hoorde met wat voor middageten de rijke, verwende Abraham Lövdahl genoegen nam moest ze wel eens aan haar man denken;—hem kon ze waarlijk niet makkelijk foppen met opgewarmde restjes en dergelijke zaken.
Maar dat kwam ook doordat Maarten niet sterk was,—en behalve dat had hij aan goed, krachtig voedsel behoefte in zijn moeilijke betrekking. En in ’t huis van den kapelaan was ’t daardoor langzamerhand gewoonte geworden, dat de huisvader uit een afzonderlijken schotel at; terwijl de huisvrouw,die trouwens bijna geen voedsel noodig had, iets anders kreeg, dat men eigenlijk niet den naam van een of ander bepaalde spijze geven kon.
—Zoodra Clara Lövdahl zich weer geheel hersteld voelde, wilde zij vergoeding hebben voor den langen, vervelenden en pijnlijken tijd, dien ze had doorgemaakt; ze bracht leven en beweging in ’t oude huis—ja in de geheele stad. Ze gaf den stoot aan een druk converseeren en een feeststemming, die naar alle kanten uitsloeg en ieder meêsleepte en den geheelen winter opvroolijkte door schitterende bals, fakkeloptochten op ’t ijs, champagne en raketten.
’t Was wel Clara Lövdahl niet alleen, die de bedaarde stad op stelten bracht; maar zij sloeg op het rechte oogenblik den rechten toon aan; en ze vond weerklank in de blijdschap en ’t gejubel van alle kanten. Niet alleen bij de grooten, zooals de Lövdahls, de Withs, de Garmans—maar ook onder de kleine burgerij was men uitgelaten in dezen winter. Er was niet één bekommerd gezicht te zien—behalve dat van den bankdirecteur Christensen; en dat verhoogde de vroolijkheid.
Er gaat soms zulk een geest van uitgelatenheid door kleine afgelegen groepen menschen, als ze lang geslapen hebben. Een prins of een landbouwtentoonstelling brengt de machine aan den gang en dan gaat het door, slag op slag met feesten en partijen.
Zij, die geld over hebben, halen ’t voor den dag en zij, die ’t niet hebben kunnen ’t met alle genoegen te leen krijgen; en er ontstaat een royaliteit en een overdaad, zóó dat de verraste kooplieden champagne en zware zijden stoffen uit Hamburg laten komen.
Maar die champagne wordt nooit betaald en alseen vreemde klant vele jaren later verbaasd wordt door ’t vinden van een prachtige zijden stof in een stoffigen, halfleegen winkel, dan antwoordde de koopman: „Ja, ziet u, dat goed is nog uit den prinsentijd,” en hij schudt weemoedig zijn gefailleerd hoofd.
Deze keer was het dus Mevrouw Clara, die de vroolijkheid aan den gang bracht; maar ze had ook goede hulp. Allereerst in den professor, die dat juist „la haute finance” vond: bals, concerten en maskeraden ’s avonds en groote omzet, massa’s brieven en expedities ’s morgens op het kantoor.
Hij deed meê met alle vermaken en was het zelf, die Clara aanmoedigde en haar hielp met iets nieuws, pikants te bedenken.
Consul With was ook een zeer te waardeeren medewerker; zijn specialiteit was maskeraden. Hij had een garderobe, groot genoeg voor een heel tooneel en was onvermoeid bezig en altijd bereid om er van uit te leenen, als hij maar een maskerade in orde kon brengen of ook maar een eenvoudig pretje, waar verkleeden bij te pas kwam.
Booze tongen beweerden, dat die liefhebberij van den consul hieruit ontstond, dat hij alleen onder zijn meesterlijke verkleedingen zich des avonds wat kon vermaken; daar zijn vrouw—„de strijkplank” genaamd—hem scherp in ’t oog hield. En dat was noodig; want de naam van Consul With was bijna nog erger dan die van Marcussen.
Ook Marcussen bracht Clara aan den gang; het amuseerde haar hem in een voortdurende verwarring te houden. In ’t eerst lette hij niet op haar, anders dan in eerbiedige bewondering voor de mooie vrouw van zijn patroon; maar Clara gaf hem spoedig wat anders om over te denken.
Ze kende zijn leven goed en wist, dat hij onder de burgermeisjes in de stad onweerstaanbaar was. Nu zou ’t haar amuseeren dien mooien lompen visch te vangen, om hem te zien spartelen onder haar behandeling van uit de hoogte.
En hij beet dadelijk—maar ze trok te vroeg aan het snoer.
Want hoe weinig fijn Marcussen ook was—een vrouw bedroog hem niet gemakkelijk. En daar hij onmiddellijk merkte waar hij voor gebruikt zou worden, bleef hij haar eerbiedige ridder, zonder ooit de kleine wenken tot toenadering te willen begrijpen.
Clara verbaasde en ergerde zich; die kleinsteedsche ridder—wou hij niet toegeven? Ze zou hem dwingen! Maar daardoor werd haar manier van doen zoo wonderlijk gemaakt, dat Abraham eens, na een partij tot Clara waagde te zeggen:
„Zeg eens, je verwent ons dien Marcussen.”
„Wat meen je?”
„Je neemt te veel notitie van hem. Hij is immers niet anders dan...”
„dan je vaders kantoorbediende?—dat was ’t zeker wat je zeggen wou; ja, jij meent ’t nog al eerlijk met je praatjes over vrijheid en gelijkheid. Als ’t er op aan komt, ben je een belachelijke aristocraat.”
„Ik wou niets van zijn positie zeggen, ik wou zeggen...”
„Ja, dat wou je wèl zeggen, dat kon ik aan je gezicht zien.”
Abraham Lövdahl was nu bijna twee jaar getrouwd; over zulke dingen disputeerde hij niet meer en hij wilde zwijgend zijn courant nemen.
Maar nu wilde Clara juist weten wat hij bedoelde. Zij eischte, dat hij zou verklaren wat hij met zijninsinuaties meende; waarom hij haar allerlei verwijten deed en...
„Nu, nu Clara! antwoord me nu eens:vindje werkelijk, dat Marcussen fatsoenlijk is.”
„Hij is mooi, veel mooier dan jij.”
„Ieder zijn smaak!” antwoordde Abraham vroolijk; hij wist best, dat hij knap was en dat ze dit alleen zei om hem te ergeren, „maar vindt je dat hij beschaafd is.”
„Nu, weet je wat? ik ken veel getrouwde mannen, die van den heer Marcussen hoffelijkheid tegenover dames konden leeren.”
„Denk je, dat die sierlijke kunsten een getrouwd man goed zouden staan?”
„Je zoudt ’t altijd kunnen probeeren. Maar nuwilik weten, wat je mij tegenover Marcussen te verwijten hebt.”
„Zijn naam...”
„Dien ken ik; de meeste mannen hebben geen al te besten naam; wiljijmisschien den eersten steen werpen?”
„Ik wil heelemaal niet over me zelf spreken; maar ’t verwondert me, dat jij, Clara! die werkelijk zoo scherp ziet, als je dat wilt,—dat jij de innerlijke ruwheid niet ziet, die bij Marcussen door alles heen schijnt.”
„Je ben jaloersch,—ja, dat ben je.”
„Och neen, ik ben waarachtig niet jaloersch.”
„Meen je dat ik, die zoo scherp zie, zooals je zegt, de jaloezie niet uit je oogen zie kijken? Dat is wel een mooie trek van je! Herinner je je den tijd wel toen je den lof zong van de gelijke rechten, dezelfde eischen voor man en vrouw, het weerkeerig vertrouwen...”
„Nu, wat zou dat?”
„Wat dat zou?—ja, jij ben een mooie Eman... Emancipist!” riep Mevrouw Clara, „je ben geen haar beter dan al die andere ellendige mannen; terwijl jij van je vrouw verlangt...”
„Wat meen je, Clara? Ik?—”
Toen keerde ze zich naar hem toe en haar mooie blauwe oogen werden koud als glas.
„Greta Steffensen,” zei ze halfluid.
Abraham sprong op bij dien naam en Clara maakte daar dadelijk gebruik van.
„Ja, je ziet, ik weet er alles van; je meent misschien, dat het je mooi staat hier met je afschuwelijke en onredelijke jaloezie aan te komen, terwijl je zelf zooiets op je geweten hebt.”
„Maar ben je nu heelemaal gek, Clara! ’t is immers een arm blind kind.”
—„Ja blind moest ze ook wel wezen—”
„om door mij bekoord te worden?” ging Abraham voort en moest er toch om lachen.
„Dat wou ik heelemaal niet zeggen,” antwoordde Clara en wendde zich af.—Want dat had ze juist willen zeggen, maar ze hield op, omdat ze zelf voelde, dat het al te dwaas was.
Intusschen herwon ze spoedig haar kalmte en terwijl ze hem voorbij ging zei ze—met de stem van haar moeder:
„Hoe dat alles nu zijn mag—ik verzoek van je jaloezie verschoond te blijven; pas jij maar op je eigen zaken, ik zal wel voor de mijnen zorgen. Goeie nacht!”
Na dat gesprek werd Abraham bang, dat praatjes en booze tongen zijn verhouding met Greta konden bederven; en ze was hem onmisbaar geworden. Langzamerhand was zijn liefde van Clara weggegleden; hij had immers al spoedig ingezien, dathet onmogelijk was de dwepende liefde te bewaren, die hij in ’t begin voor haar had gevoeld en wanneer het nog niet ten volle tot hem was doorgedrongen, hoe ver zij in werkelijkheid van elkaar stonden dan was dat meer omdat Abraham in zijn karakter een bepaalden tegenzin had om diep in een toestand door te dringen, waar hij op den bodem iets droevigs of verontrustends vermoeden kon.
Maar de behoefte aan toewijdende liefde, die bij Clara geen beantwoording vond, keerde zich naar Greta,—natuurlijk en zonder dat hij aan iets verkeerds dacht. Nu wist Abraham heel goed, dat hij Greta liefhad en dat hij gelukkig was met haar onschuldig vertrouwen; alle wenschen, die verder gingen dan dit hield hij van zich af; hij had zich zelf beloofd, dat hij in deze zaak ten minste volkomen eerlijk en rechtschapen wilde zijn.
En voor hem, die telkens in de kleine dingen van ’t leven uitweek, waar hij recht door zee had moeten gaan;—zweeg, waar hij had moeten spreken—werd deze verhouding met Greta een toevluchtsoord voor een behoefte in zijn karakter, die van zijn jeugd af onderdrukt geworden was: hij voelde zich als haar ridder; zij was volkomen in zijn macht; maar hij zou die nooit misbruiken. En toch was ook hier een schaduw. Als Abraham over zijn leven dacht, kwam het hem voor alsof ’t zijn onverbiddelijk noodlot was, dat juist hij, die in werkelijkheid zoo graag alles helder en zuiver om zich heen zou hebben,—dat juist hij telkens in kleine onwaarheden moest raken, lastige kleine dingen, die hij in ’t begin de moeite niet nam om ze weg te ruimen, maar er over heen stapte, en die dan later achter zijn rug opgroeiden tot groote lastige dingen met lange schaduwen.
Waarom moest het nu weer zoo gaan, dat hij er toe kwam Greta voor te liegen!
Want het bleef niet bij dien éénen keer. Toen hij zag hoe gelukkig het haar maakte, werkte hij zijn heele leven om naar wat grooter maatstaf en vertelde van zijn kindsheid en jeugd, van dag tot dag. De draad was echt en waar, maar ’t waren juist de versierselen, waar Greta ’t meeste prijs op stelde.
Hij vertelde—en schaamde zich, en vertelde weer, tot de schaamte uitsleet; en die lange uren als hij zoo voor haar zat uit te werken wat hij gedaan had en vooral, wat hij zou doen in dit of dat geval—ze werden hem liever dan al ’t andere. Niet alleen, dat hij ’t geluk genoot bij haar te zijn; maar de fantastische verhalen zelf begonnen iets ontspannends voor hem te krijgen. Zij kwamen te gemoet aan het leege, slappe van zijn leven.
Zoo werd hij een meester in dat soort van verdichting en zij werd nooit moede te vragen en te bewonderen.
—Maar in zijn huis moest Abraham zich inspannen om zich niet als een vreemde te voelen. Door de vriendschappelijke verhouding tusschen Clara en den professor werd hij wat overcompleet. Naar verschillende vermaken ging hij meestal meê, maar wat hij niet verdragen kon—waar hij rondweg ’t huis voor ontweek—was een eigenaardig soort vroomheid, die Clara bezig was in te voeren.
Mevrouw Lövdahl had om de conversatie in dit saisoen een buitengewone vaart te geven zich ook met veel weldadige dames vereenigd en een schitterende bazar met dans en tooneelspel op touw gezet.
En na dien tijd kreeg ze smaak voor half godsdienstigebijeenkomsten met een kopje thee en een predikant.
De professor schertste in ’t begin met zijn mooie schoondochter over die plotselinge vroomheid. Maar al spoedig was ’t alsof hij ’t anders ging inzien. Hij stemde zelfs toe den post op zich te nemen van president van de vereeniging voor gevallen vrouwen in de gemeente van Sint Peter, van welken post de consul With om zekere redenen zich gaarne ontheven zag.
Dit:—dat zijn vader meêdeed—kon Abraham ’t allerminst verdragen; want hij wist toch wel zooveel van de opvatting van den godsdienst door den professor, dat hij onmogelijk gelooven kon, dat de oude man van wetenschap nu met een oprecht hart psalmen zat te zingen met de dames en meê ging naar de kerk, ja zelfs naar ’t avondmaal met Clara.
Maar daar kon hij immers met zijn vader niet over spreken. Hij ging hem daarom maar uit den weg.
Overigens was er over den professor een levendigheid, een rustelooze werkzaamheid gekomen, die Abraham soms bijna angstig kon maken. Aan alle partijen nam de oude man deel en vroeg en laat was hij in ’t kantoor.
Op een dag liet hij Abraham een wissel onderteekenen.
Abraham nam lachend de pen.
„Ja, kan ik u een pleizier doen met mijn naam dan met alle genoegen. Iedereen weet wel, dat ik geen cent bezit!”
„’t Is ook alleen maar voor den vorm,” zei de professor snel, en nam het papier aan. „Mijn naam is ’t voornaamste.”
„Ja, uw naam is als de koeien van Farao; die verslindt den mijnen en wordt er geen greintje vetter door.”
„Maar jouw naam Abraham, zal eens even goed worden als de mijne!”
„Ach Vader! Ik word toch nooit zoo’n koopman als u.”
„We zullen zien, mijn jongen,” antwoordde de professor; maar lang nadat Abraham het kantoor had verlaten, zat hij in gedachten verdiept,—in onrustige gedachten.
XII.„Mijnheer de bankdirecteur!—nu begin ik in ernst te gelooven, dat u me tegenwerkt.”„Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar verlangen u te helpen dan ik.”„Te helpen?—Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig.”„Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze slechte tijden—”„Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u weet, ik geloof er niet aan.”’t Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren tamelijk opgewonden—ieder op zijn manier. Vooral was ’t gezicht van den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal.Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk en keek rond in het kantoor.„Welnu, Professor Lövdahl—crisis of geen crisis—één ding is zeker. En dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren.”Dat kwam zóó plotseling,—dat de professor een oogenblik als verstomd bleef zitten met wijd opengesperde oogen.„Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?”„In ’t geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u ’t volkomen met mij eens zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen.”„Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in ’t geheel geen sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af, dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u de Fortunawissels uit uw bank verdreven.”„Persoonlijke redenen? Professor!”„Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;—want dit alles komt, doordat uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann heenging; nu weet u het!”De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer; Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand:„Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor Lövdahl!—’t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten te dragen. Die fabriek is—een mislukte onderneming—laat ons maar beginnen met dat te erkennen.”„Volstrekt niet—dat wil ik in ’t geheel niet erkennen. De fabriek is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden is buitengewoon ongelukkig geweest.”„Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,—dat mijn bezoek bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens ben op de eerstvolgende algemeene vergadering eenvoorstel in te dienen tot liquidatie van de fabriek.”„Ga uw gang”—antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar het middenste venster in de kamer.Hij was zoo heftig bewogen, dat hij ’t een poos lang niet begreep; maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest.De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht—niemand wist dat beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. ’t Was niet onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie, en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief, zoo onontbeerlijk geworden was—’t zou alles weg zijn.Maar iets veel—veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op: als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten; dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen.Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval:„Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is ’t beter, dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op ’t oogenblik?”„Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug zult nemen, Professor.”„Wees u maar niet bekommerd over mij,” zei de professor en lachte wat uit de hoogte, „de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht, heb ik een half uur later met winst verkocht.”„Waarlijk?”—antwoordde Christensen beleefd. „Zoudt u ook deze aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?”„Tegen pari—zooals laatst—natuurlijk,” antwoordde de professor, „en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te liquideeren minstens ontijdig wezen zou.”„Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de eerstvolgende algemeene vergadering.”Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht, dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn voorgenomen voorstel.De professor maakte daarom een afwijzende beweging.„Neen, neen, Mijnheer Christensen!—niet op die manier! U hebt mij niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel—dat weet u heel goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient, maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij,als president; en dat u over ’t geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt, dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt.”„Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik niet langer zelf aandeelhouder ben.”„Dan houdt u een paar aandeelen,” zei de professor, maar omdat hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijtwildewezen, verbeet hij zijn ergernis en ging voort: „of laat mij ze liever alle tien nemen—zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm, ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet, voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de bloei u zoo zeer aan ’t hart gaat.”„Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat.”„Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen,” zei de professor half schertsend; „u is immers angstig van nature.”„Zullen we niet liever zeggen: „voorzichtig” Professor?”„Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch ’t woord. Maar als u nu ziet, dat ik,—die naar uw eigen zeggen, ’t best den toestand moet kennen—dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent.”„Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw wetenschappelijke vormingde man is, die deze zaak ’t best beoordeelen kan en ’t zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan.”De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden met een vriendschappelijken handdruk.In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig:„Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik ken uw handelsprincipes.”„De helft contant en de rest tegen drie maands accept,” antwoordde de professor.„Drie maands accept...” herhaalde de bankdirecteur wat langzaam; maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;—en hij veranderde behendig van toon:„Ja, dat is immers ’t zelfde als contant; een stuk, waar „Carsten Lövdahl” op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden morgen Professor.”En zij bogen glimlachend voor elkaar.„Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?”De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en ’t was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was ’t al vrij laat op den dag.Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend geworden, dat Marcussen, die devrede liefhad, placht te doen alsof alles van een leien dakje ging.Hij zei daarom alleen:„Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!”Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen er voortreffelijk in. ’t Was juist iets voor hem van dag tot dag uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken; en hoe schaarscher ’t geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid zich ontwikkelde.Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan: jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders, bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners—de moeilijkheden op ’t kantoor waren maar kinderspel voor hem.Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk maakte van een sterken omzet—dat was juist een werkje voor Marcussen.En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een had gehad.Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker, dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle meisjes mooi waren.Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen, dat hij niet angstig wezenwilde, hij wilde ’t niet merken, dat ’t heele handelsleven als ’t ware begon te verflauwen, ineen te krimpen; hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag.Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde—alles wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout—en verkocht het weer, bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht—als ’t maar gauw ging, als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan.En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode, als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar Carsten Lövdahl aan den gang was.Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op een of ander stuk stond.Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden, was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden.Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf.Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten uit het buitenland; heteene artikel na het andere daalde 50% in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar voor alles en allen was.Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven, dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren.Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot „den kring,” die de stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van de „grootelui” kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven, geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen, de vele monden—enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van ’t laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen „Fortuna” een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen.’t Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest.Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven, had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de fabriek dit jaar geen winst gemaakt had.Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd zeer gedrukt; een enkeleontevreden stem probeerde voorzichtig een paar onaangenaamheden tot de directie te richten.De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam aanrukken; ’t was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;—men werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen worden.Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak, zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen, dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd, waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon.Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou.Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken, die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden hem om hulp zouden smeeken.—Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord uit stoomen.Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop, uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoorde stroom op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een allerbedroevendste leegte na te laten.In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht.De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten.Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit voorstel in ’t geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor voortkwam. ’t Was alleen om intijds de familie in ’t bezit van de vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even schitterend te gaan in de handen van Abraham.Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen, dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten, terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen mocht hebben.Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was—vooral hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen zou van ’t bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet het bestuurdaarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was door allen geacht en bemind.Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging, dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over grooter kracht scheen te beschikken.Op een dag, dat Abraham in ’t kantoor was, riep zijn vader hem toe:„Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas.”„Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds en voor...”„Ja—geef maar wat je hebt; we geven ’t morgen of over een paar dagen terug.”Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor.„Ziehier, Vader! Is ’t niet prachtig? ’t Bouwfonds heeft al bijna twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet.”„Goed—goed!” antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken.„Wilt u alles hebben?” vroeg Abraham lachend.„Neen—we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben.”„En dan moet u de menschen de rente vergoeden—liefst wat royaal—als u ’t geld morgen teruggeeft.”„Ja zeker,—natuurlijk,” antwoordde de professor, die al weer bij zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte.—Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl.Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen Marcussen, van den eenen dag tot den anderen.Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder inkoopsprijs, als ’t maar contant geld inbracht. De stukken van den ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen—tot alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond.En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl.
„Mijnheer de bankdirecteur!—nu begin ik in ernst te gelooven, dat u me tegenwerkt.”
„Volstrekt niet, Professor! integendeel! Niemand kan er meer naar verlangen u te helpen dan ik.”
„Te helpen?—Dank u! maar ik heb waarlijk geen hulp noodig.”
„Neen, neen. U begrijpt me verkeerd, ik meende alleen, dat in deze slechte tijden—”
„Och, die crisis is een idee fixe van u, Mijnheer Christensen, en u weet, ik geloof er niet aan.”
’t Gesprek had een heele poos geduurd en de beide heeren waren tamelijk opgewonden—ieder op zijn manier. Vooral was ’t gezicht van den professor als gevlamd, en hij speelde zenuwachtig met zijn lineaal.
Christensen was kalmer; hij snuffelde alleen wat meer dan gewoonlijk en keek rond in het kantoor.
„Welnu, Professor Lövdahl—crisis of geen crisis—één ding is zeker. En dat is, dat Fortuna hoe eer hoe liever moet liquideeren.”
Dat kwam zóó plotseling,—dat de professor een oogenblik als verstomd bleef zitten met wijd opengesperde oogen.
„Moet dat een grap verbeelden, mijnheer Christensen?”
„In ’t geheel niet, helaas! Ik dacht, dat u ’t volkomen met mij eens zoudt zijn: u moet den heelen toestand immers nog beter kennen.”
„Ja, dat doe ik ook; en ik kan u verzekeren, dat er in ’t geheel geen sprake kan zijn van de mogelijkheid waar u van spreekt. Maar nu zal ik u eens wat zeggen, Mijnheer Christensen! U hebt, van den dag af, dat ik administreerend directeur van Fortuna werd, gedaan wat u kon om mij te doen vallen en toen u dat niet lukte, hebt u geprobeerd de fabriek zelf te schaden; daarom komt u met al uw bezorgdheid op de algemeene vergaderingen, en om dezelfde persoonlijke redenen hebt u de Fortunawissels uit uw bank verdreven.”
„Persoonlijke redenen? Professor!”
„Ja, ik noem dat persoonlijke redenen;—want dit alles komt, doordat uw ijdelheid niet verdragen kon, dat ik president werd toen Mordtmann heenging; nu weet u het!”
De professor was geheel buiten zich zelf en liep de kamer op en neer; Christensen voelde aan zijn neus en glimlachte zoowat achter zijn hand:
„Laat ons beiden niet over persoonlijke ijdelheid spreken, Professor Lövdahl!—’t Zou beter zijn als we gezamenlijk het ongeluk trachtten te dragen. Die fabriek is—een mislukte onderneming—laat ons maar beginnen met dat te erkennen.”
„Volstrekt niet—dat wil ik in ’t geheel niet erkennen. De fabriek is goed en wordt goed bestuurd; maar de samenloop van omstandigheden is buitengewoon ongelukkig geweest.”
„Ja, dan ben ik genoodzaakt u te zeggen, Professor,—dat mijn bezoek bij u vandaag ten doel had er u op voor te bereiden, dat ik voornemens ben op de eerstvolgende algemeene vergadering eenvoorstel in te dienen tot liquidatie van de fabriek.”
„Ga uw gang”—antwoordde de professor, keerde zich om en ging naar het middenste venster in de kamer.
Hij was zoo heftig bewogen, dat hij ’t een poos lang niet begreep; maar terwijl hij daar in den tuin staarde, waar de crocussen zich langs den kant van de paden begonnen te vertoonen kwam de geheele toestand met al zijn gevaar hem helder voor den geest.
De positie van Fortuna was helaas uiterst slecht—niemand wist dat beter dan hij zelf, die met groote persoonlijke offers de fabriek in leven en in oogenschijnlijken bloei gehouden had. ’t Was niet onmogelijk, dat de aandeelhouders, als ze volkomen over den staat van zaken werden ingelicht, de voorkeur zouden geven aan een liquidatie, en dan zou hij zelf staan als iemand, die zijn medeburgers verlies berokkend had; zijn heele positie, al de aanbidding, die hem zoo lief, zoo onontbeerlijk geworden was—’t zou alles weg zijn.
Maar iets veel—veel ergers rees in vage omtrekken voor hem op: als de fabriek failliet ging zou zijn naam half bedorven zijn, zijn crediet zou een stoot krijgen, de allergrootste moeilijkheden konden daaruit voortvloeien. Carsten Lövdahl voelde dat zijn knieën knikten; dàt mocht nu niet gebeuren; de tijden waren werkelijk dreigend. Alles kon nog terecht komen; als hij maar tijd had! Een oogenblik zonk zijn moed zóó zeer, dat hij er aan dacht zich te verootmoedigen en Christensen te vragen zijn voorstel niet in te dienen.
Maar terwijl hij zich weer tot den bankdirecteur wendde, die langzaam zijn handschoenen aantrok, kreeg hij een goeden inval:
„Als u zoo angstig voor uw aandeelen in Fortuna is, dan is ’t beter, dat ik ze overneem. Hoeveel hebt u op ’t oogenblik?”
„Ik heb er tien, maar ik kan niet verwachten, dat u ze weer terug zult nemen, Professor.”
„Wees u maar niet bekommerd over mij,” zei de professor en lachte wat uit de hoogte, „de vorige vijf aandeelen, die ik van u kocht, heb ik een half uur later met winst verkocht.”
„Waarlijk?”—antwoordde Christensen beleefd. „Zoudt u ook deze aandeelen voor den vollen prijs willen overnemen?”
„Tegen pari—zooals laatst—natuurlijk,” antwoordde de professor, „en dan hoop ik, dat u zult inzien, dat uw voorstel de fabriek te liquideeren minstens ontijdig wezen zou.”
„Nu kan er van dat voorstel immers geen sprake meer zijn; nu ik niet langer aandeelhouder ben, treed ik natuurlijk uit de directie op de eerstvolgende algemeene vergadering.”
Die wending had de professor niet voorzien. Als Christensen uit de directie van Fortuna ging na al zijn aandeelen te hebben verkocht, dan was dat een even doodelijke slag voor de fabriek als zijn voorgenomen voorstel.
De professor maakte daarom een afwijzende beweging.
„Neen, neen, Mijnheer Christensen!—niet op die manier! U hebt mij niet goed begrepen. Als ik nu uw aandeelen overneem, dan gebeurt dat niet om een of ander oogenblikkelijk voordeel—dat weet u heel goed; maar ik doe dat uit belangstelling voor de fabriek. Ik verlang daarentegen van u, dat u niet alleen dat voorstel niet indient, maar dat u ook de directie steunt, speciaal mij,als president; en dat u over ’t geheel op de algemeene vergadering zoo optreedt, dat het vertrouwen in de fabriek, niettegenstaande het ongelukkige bedrijfsjaar, bij de aandeelhouders niet geschokt wordt.”
„Ja, maar ik kan toch niet goed op eenige manier optreden, als ik niet langer zelf aandeelhouder ben.”
„Dan houdt u een paar aandeelen,” zei de professor, maar omdat hij dadelijk den ander aan kon zien, dat hij ze kwijtwildewezen, verbeet hij zijn ergernis en ging voort: „of laat mij ze liever alle tien nemen—zooals ik eerst voorstelde, dan kunnen immers een paar aandeelbewijzen onovergeschreven blijven liggen, bij u, voor den vorm, ten minste tot na de algemeene vergadering. Dat is immers een volkomen particuliere transactie tusschen ons en raakt uw belangstelling niet, voor de fabriek die u immers zelf hebt helpen stichten en waarvan de bloei u zoo zeer aan ’t hart gaat.”
„Dat is wel waar. Ik wou alleen maar, dat u geen grooter assistentie van me verlangde dan mijn overtuiging toelaat.”
„Ja, ziet u! mijn waarde Mijnheer Christensen,” zei de professor half schertsend; „u is immers angstig van nature.”
„Zullen we niet liever zeggen: „voorzichtig” Professor?”
„Neen, laat ons zeggen: angstig, dat is toch ’t woord. Maar als u nu ziet, dat ik,—die naar uw eigen zeggen, ’t best den toestand moet kennen—dat ik me niet bedenk, als er sprake is van nog tien aandeelen te nemen, dan moet u dat toch wel de overtuiging geven, dat de onderneming heel wat beter is en er beter voor staat, dan u meent.”
„Ja, u hebt toch wel gelijk, Professor! Ik moet bekennen, dat u met uw wetenschappelijke vormingde man is, die deze zaak ’t best beoordeelen kan en ’t zou mij zeer spijten als u niet beloond werd voor al uw werk en uw opofferingen met een uitslag, die aan uw verwachtingen beantwoordt. Ik zal doen wat ik kan.”
De beide heeren waren opeens heel hartelijk geworden en scheidden met een vriendschappelijken handdruk.
In de deur zei de bankdirecteur zachtmoedig:
„Ik mag dus hopen, dat onze zaken vandaag contant worden afgerekend? Ik ken uw handelsprincipes.”
„De helft contant en de rest tegen drie maands accept,” antwoordde de professor.
„Drie maands accept...” herhaalde de bankdirecteur wat langzaam; maar een blik op het gezicht van den ander overtuigde hem, dat de grens nu bereikt was: hier was niet meer te halen;—en hij veranderde behendig van toon:
„Ja, dat is immers ’t zelfde als contant; een stuk, waar „Carsten Lövdahl” op staat is even goed als de bank van Noorwegen. Goeden morgen Professor.”
En zij bogen glimlachend voor elkaar.
„Marcussen, we moeten vanmiddag 5000 gulden contant aan den bankdirecteur Christensen betalen. Wil je die som klaar leggen?”
De onvervaarde Marcussen, die nooit zijn gezicht vertrok, werd deze keer wel wat beduusd. Iedere dag had genoeg aan zijn eigen kwaad en ’t was geen gekheid vijf duizend gulden te voorschijn te tooveren naast al het andere wat gedekt en afbetaald moest worden. Ook was ’t al vrij laat op den dag.
Maar de professor was den laatsten tijd zoo heftig en opvliegend geworden, dat Marcussen, die devrede liefhad, placht te doen alsof alles van een leien dakje ging.
Hij zei daarom alleen:
„Hm! vijf duizend gulden? in orde, Professor!”
Zooals de zaak van Professor Lövdahl nu gedreven werd, paste Marcussen er voortreffelijk in. ’t Was juist iets voor hem van dag tot dag uitwegen te vinden, zonder met bekommering over de gevolgen te denken; en hoe schaarscher ’t geld werd, hoe sterker Marcussens vindingrijkheid zich ontwikkelde.
Hij was gewoon zich door heel wat erger moeilijkheden heen te slaan: jaloersche vrouwen, bedrogen meisjes, onvrijwillige schoonmoeders, bijdragen voor opvoeding van kinderen, predikanten en vermaners—de moeilijkheden op ’t kantoor waren maar kinderspel voor hem.
Vervallen papieren met nieuwe af te doen, die er uitzagen als deugdelijke stukken, naar links en rechts te trekken, de steeds toenemende schuld in voortdurenden omloop te houden, wat den indruk maakte van een sterken omzet—dat was juist een werkje voor Marcussen.
En als hij rondtastte in geld en papieren was hij niet slordig en onverschillig, omdat het geld van een ander was; hij zou zeer zeker zijn eigen zaak op dezelfde manier gedreven hebben, als hij er een had gehad.
Hij hield zelfs veel van den professor en van het huis en zou zoo innig graag willen, dat het zoo goed, zoo schitterend mogelijk mocht gaan. Goedig en hulpvaardig als hij was wenschte Marcussen zeker, dat alle menschen rijk waren, even oprecht als hij wenschte, dat alle meisjes mooi waren.
Ook de professor werkte van zijn kant. Hij was nu zoo ver gekomen, dat hij niet angstig wezenwilde, hij wilde ’t niet merken, dat ’t heele handelsleven als ’t ware begon te verflauwen, ineen te krimpen; hij wilde niet verder zien dan van dag tot dag.
Maar daarentegen spande hij al zijn krachten in om den stroom te stuiten, die wegvloeide. Hij kocht groote partijen van waarde—alles wat men hem aanbood: koren, koffie, visch, zout—en verkocht het weer, bijna zonder dat hij aan winst of verlies dacht—als ’t maar gauw ging, als hij maar altijd geld door zijn handen voelde gaan.
En de koortsachtige kracht, door dien eenen man ontwikkeld, werkte aanstekelijk in wijden kring; en een lust tot speculeeren, een periode, als van het meest woeste spelen op de beurs, wierp een korten tijd zijn valschen glans over dien stillen uithoek van de wereld, waar Carsten Lövdahl aan den gang was.
Hoe verder hij het veld van zijn operaties uitstrekte, hoe meer namen hij binnen den kring van zijn endossanten trok; en daar de geheele omzet op wissels ging, was er spoedig geen huis van eenige beteekenis in de stad of in de naburige steden, dat niet met Lövdahl samen op een of ander stuk stond.
Maar zoolang de banken en het buitenland zonder morren disconteerden, was die manier om geld te krijgen zoo gemakkelijk, dat maar zeer weinigen de kracht hadden bijtijds op te houden.
Zelfs niet toen het disconto begon te stijgen zoodat dit geld waarmeê zoo gemakkelijk en zoo vlug gespeculeerd werd, in werkelijkheid zoo duur was, dat het weinig kans op verdienste gaf.
Ook scheen niemand zich in ernst ongerust te maken over de berichten uit het buitenland; heteene artikel na het andere daalde 50% in een week: de petroleum begon, toen verdwenen er millioenen in spoorwegaandeelen, toen ging de koffie naar den kelder en de suiker er achter aan, maar niemand scheen te begrijpen, dat dit een gevaar voor alles en allen was.
Er waren niet veel neuzen als die van den bankdirecteur en het vertrouwen op Carsten Lövdahl was zoo boven allen twijfel verheven, dat geen mensch er aan dacht zijn naam te weigeren.
Trouwens, daar zou ook meer moed toe behooren dan de koopmansstand gewoonlijk bezit. Want Lövdahl behoorde tot „den kring,” die de stad en de bank bestuurde. Een onvoorzichtig woord tegen een van de „grootelui” kon genoeg zijn om er zachtjes aan uit geschoven, geïsoleerd, vergeten te worden; en wie niet sterk genoeg was om alleen te staan, hij moest verdorren en afsterven, omdat alle bronnen voor hem werden afgesloten. Daarom klonken er louter lofredenen op die grootsche en voor de stad zoo gezegende werkzaamheid, de bezige handen, de vele monden—enz.; en met die lofspraken bedwelmde men zich zelf en doofde zijn twijfel. In alle andere omstandigheden zou de balans van ’t laatste bedrijfjaar van de maatschappij op aandeelen „Fortuna” een gebeurtenis geweest zijn, dat wel tot nadenken kon stemmen.
’t Was een allerwonderlijkste algemeene vergadering geweest.
Na een vlug en kort financiëel overzicht, door Marcussen geschreven, had Prof. Lövdahl zijn spijt betuigd te moeten meêdeelen, dat de fabriek dit jaar geen winst gemaakt had.
Dat was een onaangename verrassing voor allen; en de stemming werd zeer gedrukt; een enkeleontevreden stem probeerde voorzichtig een paar onaangenaamheden tot de directie te richten.
De directeur van de bank bleef zwijgend zitten en de vergadering kreeg den indruk, dat de ontevredenheid onder zijn bescherming kwam aanrukken; ’t was immers genoeg bekend, dat hij Lövdahl haatte;—men werd dus moediger; het scheen een stormachtige vergadering te zullen worden.
Christensen liet het ver komen, vóór hij opstond. Maar toen viel hij de verblufte ontevredenen in den rug aan, met een toespraak, zóó vol besef van zijn meerderheid, zoo open, zóó vol vertrouwen, dat de sterk bewogen algemeene vergadering tot een lachend meer werd, waarin het herkozen bestuur zich veilig spiegelen kon.
Daarop ging de bankdirecteur weer zijn jaarlijksche badreis maken en nam zijn neus meê; hij wist nu wel hoe het gaan zou.
Maar hij had niet de opvatting van zijn roeping, dat hij waarschuwen en voorkomen moest. Toen hij zijn eigen zaken geregeld had en naar zijn beste vermogens zijn dierbare bank beschut tegen de ongelukken, die hij voorzag, liet hij met een gerust hart zijn lieve medeburgers zich zelf ruïneeren, en hij wachtte kalm op het oogenblik, dat hij alleen zou blijven staan, terwijl rondom de gevallenen of wankelenden hem om hulp zouden smeeken.
—Carsten Lövdahl herademde na die algemeene vergadering en hij zag met vreugde de Hamburger boot met Christensen aan boord het fjord uit stoomen.
Toen de zomer kwam werden de zaken matter. De menschen gingen op reis of kregen bezoek en intusschen liepen de wissels hun gewonen loop, uit en in de banken, die op sluizen geleken, waardoorde stroom op den middag bruisend heen ging om op den namiddag in de kas een allerbedroevendste leegte na te laten.
In het ruime huis van den professor was de heele familie Meinhardt op bezoek; en de grootere huishouding werd gedreven uit een overdadig ruime beurs, wat Mevrouw Meinhardt in verrukking bracht.
De oude uitgedroogde Assessor daarentegen werd onrustig; hij begon te snuffelen en te onderzoeken, maakte enkele berekeningen en eindigde met op een zekeren dag aan den professor voor te stellen enkele van de onroerende goederen op naam van zijn kleinzoon te zetten.
Abraham had nooit groote eischen gesteld als man van zaken, en daarom viel het den assessor minder moeilijk de zaak zóó te wenden, dat dit voorstel in ’t geheel niet uit eenig wantrouwen tegen den professor voortkwam. ’t Was alleen om intijds de familie in ’t bezit van de vaste eigendommen te stellen, als de zaak later bleek niet even schitterend te gaan in de handen van Abraham.
Op die manier kon de professor ook gemakkelijker het voorstel aannemen, dat hem trouwens toelachte; en de twee grootvaders schreven een aantal juridische meesterstukken in den vorm van giftbrieven en stukken van overdracht, die den kleinen Carsten tot een gezeten man maakten, terwijl hij boven liep te schreeuwen, omdat hij niet meer kersen mocht hebben.
Hiervan kwam Abraham niets te weten; hij had het zoo druk met de belangen van de arbeiders. Dat was iets, waar hij vol van was—vooral hun bouwfonds, dat zoo flink aangroeide, dat er al gauw sprake wezen zou van ’t bouwen van een vereenigingslokaal. De advokaat Kruse liet het bestuurdaarvan aan zijn jongen vriend over, want Abraham was door allen geacht en bemind.
Abraham was niet langer ongerust over de verandering, die hij in zijn vader had meenen op te merken. Hij meende, nu dat alles zoo goed ging, dat die rusteloosheid groote werklust was; en hij kon niet anders dan den grooten man bewonderen, die met het klimmen der jaren steeds over grooter kracht scheen te beschikken.
Op een dag, dat Abraham in ’t kantoor was, riep zijn vader hem toe:
„Heb je wat contant geld om ons te leenen? Marcussen is niet bij kas.”
„Ik heb niet anders, weet u, dan de spaarbankboekjes voor het bouwfonds en voor...”
„Ja—geef maar wat je hebt; we geven ’t morgen of over een paar dagen terug.”
Abraham haalde snel zijn kistje uit de brandkast van het kantoor.
„Ziehier, Vader! Is ’t niet prachtig? ’t Bouwfonds heeft al bijna twaalfduizend kronen en de ziekenkas is ook nog zoo verkeerd niet.”
„Goed—goed!” antwoordde de professor haastig en greep naar de boeken.
„Wilt u alles hebben?” vroeg Abraham lachend.
„Neen—we nemen alleen maar wat we vandaag noodig hebben.”
„En dan moet u de menschen de rente vergoeden—liefst wat royaal—als u ’t geld morgen teruggeeft.”
„Ja zeker,—natuurlijk,” antwoordde de professor, die al weer bij zijn lessenaar stond, waar Marcussen wachtte.
—Nu was de laatste, woeste strijd begonnen voor Carsten Lövdahl.
Hij nam geld op naar alle kanten. Zelfs heel verre, kleine bevriende handelshuizen gebruikte hij voor onbeduidende sommetjes; hij spaarde niets, berekende niets meer, sloeg er zich maar door met den trouwen Marcussen, van den eenen dag tot den anderen.
Hij spande zijn crediet tot het uiterste, kocht van alles tegen driemaandswissels en verkocht tegen alle mogelijke prijzen, ver onder inkoopsprijs, als ’t maar contant geld inbracht. De stukken van den ouden Abraham Knorr gingen in alle stilte naar Hamburg om verkocht te worden, en alles wat ze bijeen konden schrapen aan stukken van werkelijke waarde, wierpen ze in den eenen put na den anderen—tot alles stilstond voor een, bodemloozen afgrond.
En toen was het gedaan met Carsten Lövdahl.
XIII.’t Was een koude regenachtige morgen tegen ’t eind van den herfst. De familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den professor en Abraham was op reis voor zaken, naar ’t noorden, in dienst van de fabriek.Verscheidene dagen lang was ’t zoo wonderlijk stil in de stad geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan ’t werk te gaan en ’t was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan; en ’t gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen was, werd steeds sterker.De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar, dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten het geloofden. ’t Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in aantocht was.De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan te zien. De laatste dagen warener verontrustende informaties van verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor verschillende namen.’t Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren.Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en Zondag was een rustdag.Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens lessenaar opgehoopt—„een vlucht vervloekte roofvogels,” dacht hij, terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met zijn groote vuist op.Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen.Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand, ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich en trok de portière dicht.Carsten Lövdahl had voor ’t venster in den tuin staan kijken; hij wendde zich heftig om en zei:„Wat is er? Marcussen!”’t Gezicht van den professor was bijna aschgrauwen de oogen lagen hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,—zijn woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten ’t hoofd opstak—dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden misdadiger gemaakt.„Wat is er? Marcussen!”Zelfs zijn stem was veranderd,—ruw, alsof die niets gemeen had met menschenspraak, maar van een dier kwam.Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel.„Telegrammen! allemaal telegrammen?—van Donner? uit Christiania? Wat moet dat beduiden Marcussen!—waarom breng je mij dat alles door elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar niet als een stok! Wat beteekent dat?”„Professor Lövdahl!”—antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem in de oogen, „dat beteekent, dat we ’t niet langer kunnen uithouden.”„Wat zeg je?” schreeuwde de professor en stond op, „kunnen we ’t niet langer uithouden? Zeg je dat?—bedoel je—man!—bedoel je, dat ik—dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?”—Bliksemsnel gingen zijn strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken—dat woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren; dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die hem op straat groette.„Stil, stil!—je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We moeten ’t hoofd niet verliezen,—we moeten een uitweg vinden—alles kan nog niet verloren zijn,—onmogelijk!—laat me eens zien,—laat me de telegrammen zien—allemaal!”En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het hoofd in de handen en luid steunde.Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest beleven.Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder.De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op:„Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen.”—Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar een van de banken moest met een of ander stuk—dat kon hij maar niet begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest.Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleefhij staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht, toen hij vroeg:„’t Is—hm—natuurlijk een verzuim?”„Wat?” vroeg Marcussen droog.De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen weer:„Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?”„Neen.”„Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt; maar dit...”„Ik scherts niet,—voor den duivel!”De oude Taraldsen richtte zich op; ’t heele personeel zat over ’t werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen.Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel, vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij bijna plechtig vroeg:„Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?”„Ja,” antwoordde Marcussen, zonder op te zien.De oude Taraldsen draafde ’t kantoor uit, maar op de trap kwam hij den bode van de „Bank op aandeelen” tegen:„Is ’t waar?—Taraldsen!”„Nu gaat de heele stad!” antwoordde de oude met een wanhopige handbeweging.„Is ’t waar?—is ’t waar?” Die woorden gingensnel door de heele stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil—alle werk, alle gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen, tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes elkaar vroegen: „Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?”Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was, alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der banken verhinderd werd op de beurs te komen.Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op.Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar aan te zien; zij hadden allen ’t gevoel, dat ze er plotseling zoo armoedig uitzagen.De banken in de millioenenhoek—zooals men ’t noemde—stonden leeg, en de leden van den „kring,” die tegenwoordig waren, wilden vandaag liever in een groep meer vooraan in de zaal staan.Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal; niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze allen stuk zou slaan of ze allen omgooien.Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven ’t dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen, en drie minuten later was de zaal leeg.Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden op—en schudden de hoofden.En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten ’t eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten ’t niet beter; en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden, begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was.Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië deed. En ’t was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting voelde, toen ’t bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis was en uit Hamburg was vertrokken.Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers, die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten Lövdahl—met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With, Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse.Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten; ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging—de oude Jörgen Kruse.Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd—wat hij ook was; maar zoo’n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde—dathijnu bleek verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met een wisselschuld,die alles verslond, wat hij bezat en misschien nog meer,—ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en akkers verdreven worden in deze slechte tijden.Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in ’t rond voortwoekerde, als brand in ’t veen, ratelde de onmetelijke machine van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en leedvermaak.De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was, als hij zijn tong niet roerde.En de stof—hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was—bleek spoedig nogonvoldoendete zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en ’t was alsof men geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had.Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging.Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel moesten voelen—die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren en nu—letterlijk tot den bedelstaf gebracht—geruïneerd waren—op straat stonden.Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?—dat zouden ze wel eens willen weten.Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het bier hem vandaag bizonder goed smaakte.Onder allen daar beneden—de arbeiders en zij, die van dag tot dag leefden van het werk van hun handen voor anderen,—onder hen heerschte een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag op straat te laten staan zonder werk of verdienste.Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe ’t kapitaal in dagen van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook, dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en de speculatie van de grooten.Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met honger,—kleine leeningen hier en daar,’t laatste crediet bij den koopman, later naar de bank van leening en ’t allerlaatst, in den uitersten nood, op den rand van de wanhoop—de wachtkamer van den armvoogd.Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden, opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke kapitaal—nu vreeselijker dan ooit, nu ’t als een aardstorting kwam aanrollen en de kleinen verpletterde.Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,—ze zouden er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten en verslappen in honger en met slecht voedsel; ’s morgens uitgaan om wat te vinden, en ’s avonds thuiskomen om aan de deur die groote kinderoogen te zien, die vroegen—of Vader een brood meêbracht?De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen; maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen, toen hij de directie uitschold en ’t bestuur en ’t heele zoodje. Daarna verdween hij.Neen—neen—Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op; zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider.Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe ’t ook gaat. Men hoort wel, dat ze alles verloren hebben en ookvoor anderen alles bedorven en toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze ’t toch niet zoo bizonder slecht hadden.En dat was voor hen ’t alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar dat boezemde hun juist daarom ’t meeste ontzag in; ’t moest dus Gods wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar voor anderen zouden werken en sloven,—en dat dit zoo blijven moest.Maar ook daarvoor was er vergelding. „In den poel der hel zouden ze pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen—gepijnigd zouden ze worden—al die grooten en machtigen—, men kon ze één voor één met name noemen; in ’t helsche vuur met hen! en daar zouden ze eeuwig branden! Stel je voor:—eeuwig!”Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er, die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat ’t beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan ’t jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja—zou ’t eigenlijk wel zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er immers naar.—Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen, hier was ergens iets niet in orde, waar ’t dan ook zijn mocht.Ja—zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid—al die vervloekte gedachten, die je in ’t hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes; ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,—hopen,—en vooral geen brandewijn drinken.Zoo gingen zij den winter tegemoet.—Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in ’t rond golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot, prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van ’t geluk; maar voor ’t middenste venster.—Zoo had Carsten Lövdahl uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen, zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield.Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;—en voor ’t laatst overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over, dat die oogen gesloten waren.Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen, Clara—en ’t heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden gestrooid had; hoe—o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het toch mogelijk zooiets uit te houden?—Er was iets, dat zijn gedachten als ’t ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;—dàt wilde hij niet.En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden vol schande en vernedering.’t Begon heel in de verte als een klein balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde en hem heelemaal plat drukte—of zou het niet mogelijk zijn toch ’t hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk geleden hier onder die kooplui—welnu!—hij was niet rijk meer; maar hij was nog iets meer dan een geldman.Ach neen! dat ging toch niet—dat hij ’t hoofd hoog hield. Hij moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten, als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; ’t kostte hem veel, maar hijmoesthet hoofd buigen.Zich laten trappen!—voor de voeten van Christensen liggen zonder een spoor van macht!—niets anders kunnen na dit alles—zijn heele leven lang—dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken, die hem sloeg!—En er lag toch een wapen vlak bij de hand—een wapen, waarmeê hij zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend.Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige comedie: dat allenChristensen zijn—uiteen spat, doordat één den moed krijgt te zeggen: „Ik speel niet meer meê,”—hij wist, dat de huichelarij de levensmacht in die maatschappij is.Hij wist, dat niets zoo sterk is alsdiehuichelarij, die nooit de oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, alsdiehuichelarij, die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk bedekken—hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken.En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd, den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in dien modderigen afgrond.Maar wat hielp dat?—Die gedachten kwamen telkens terug. ’t Zou niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten deelgenomen;—waarom eigenlijk?—als ’t niet juist was, omdat hij een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit groote ongeluk voor hem begon door te schemeren.Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde: „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!” Ja—met Abraham was het ’t ergste;maar de anderen kon hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek met het koude zweet parelend op zijn gezicht:„Mijn geld,—mijn geld!” riep hij heesch.De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast; zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op ’t vertrokken gezicht van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken.„Vader is geruïneerd—dat weet ik!—maar mijn geld?—Frederika’s geld!—dat is behouden, niet waar?—natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is weg,—verloren—verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je zult gestraft worden—neen—Je zult me alleen mijn geld terug geven.”De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde:„Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets anders voor u doen,—iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig voor u zijn kan.”„Wat is dat? Zeg het gauw!—Weet u een uitweg?—O! God zij geloofd!”Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop; die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist misschien nog hulp—hulp voor hem alleen!De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei:„Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!”De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in ’t gezicht geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed ’t eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit.Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste overwinning.’t Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en vielen schuins de kamer in over den man aan ’t venster, over het zware tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna, die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel.—Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd.De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op de verkooping van Lövdahl koopen zou.’t Leek wel een tableau!—
’t Was een koude regenachtige morgen tegen ’t eind van den herfst. De familie Meinhardt was reeds lang vertrokken uit het huis van den professor en Abraham was op reis voor zaken, naar ’t noorden, in dienst van de fabriek.
Verscheidene dagen lang was ’t zoo wonderlijk stil in de stad geweest; een ademloos wachten, waarin de onzinnigste geruchten onzeker rondfladderden. Alle tongen waren klaar om aan ’t werk te gaan en ’t was eenvoudig uit gebrek aan feiten, dat men elkaar de meest dwaze dingen vertelde, die niemand geloofde. Want nu was de lucht geheel vervuld met die kleine, fijne dampen, waaruit de geruchten ontstaan; en ’t gevoel, dat er iets ongehoords, iets verschrikkelijks op handen was, werd steeds sterker.
De arbeiders op Fortuna stonden bekommerd bijeen en vertelden elkaar, dat de fabriek gesloten zou worden. Niemand wist van waar dat bericht kwam; maar hoe meer enkelen dat ontkenden en den draak staken met hen, die naar zulke praatjes luisterden, hoe meer de meesten het geloofden. ’t Zat in de lucht, dat er een of ander onheil in aantocht was.
De directeuren van de verschillende banken durfden elkaar niet aan te zien. De laatste dagen warener verontrustende informaties van verschillende kanten gekomen, beleefde verzoeken om afbetaling op enkele posten; eindelijk werden het telegrammen om vaster zekerheidsstelling, of ronduit weigeringen om crediet te geven voor verschillende namen.
’t Was een Maandagmorgen na een veelbewogen week, waarin Carsten Lövdahl op zoo goed als al zijn handelsvrienden wissels had getrokken voor groote sommen en gedeeltelijk op geheel nieuwe papieren.
Reeds Zaterdagmiddags had Marcussen een paar onrustbarende telegrammen gekregen; maar hij had ze op zij gelegd, volgens de gewoonte van het huis. Zaterdagavond speelde de professor zijn partijtje kaart en Zondag was een rustdag.
Maar Maandagmorgen had zich een stapel telegrammen op Marcussens lessenaar opgehoopt—„een vlucht vervloekte roofvogels,” dacht hij, terwijl hij zijn natte jas uittrok. Hij begon met ze op zijn lessenaar te sorteeren in kleine hoopjes, nadat hij ze doorgeloopen had. Maar eindelijk gooide hij alle telegrammen op een hoop en sloeg er met zijn groote vuist op.
Rasmussen kwam met de zwarte leeren tasch om de orders te ontvangen voor de werkzaamheden aan de banken voor dien dag; maar Marcussen verzocht hem met zijn tasch naar den duivel te loopen.
Daarop nam hij na een oogenblik nadenken alle telegrammen in één hand, ging het kantoor van den professor binnen, sloot de deur achter zich en trok de portière dicht.
Carsten Lövdahl had voor ’t venster in den tuin staan kijken; hij wendde zich heftig om en zei:
„Wat is er? Marcussen!”
’t Gezicht van den professor was bijna aschgrauwen de oogen lagen hem diep in het hoofd. Hij had verscheiden nachten niet geslapen en de inspanning van de laatste dagen om zich er boven op te houden,—zijn woeste plannen, de wanhopige zekerheid, die van alle kanten ’t hoofd opstak—dat alles had van den grooten statigen man een gejaagden misdadiger gemaakt.
„Wat is er? Marcussen!”
Zelfs zijn stem was veranderd,—ruw, alsof die niets gemeen had met menschenspraak, maar van een dier kwam.
Marcussen beefde van ontroering; hij legde de telegrammen voor zijn chef neer. Lövdahl zette zich met moeite in zijn leunstoel.
„Telegrammen! allemaal telegrammen?—van Donner? uit Christiania? Wat moet dat beduiden Marcussen!—waarom breng je mij dat alles door elkaar? Heb ik je niet gezegd, dat het jouw werk is en niet het mijne om dagelijks de papieren te regelen? Antwoord dan toch, man! Sta daar niet als een stok! Wat beteekent dat?”
„Professor Lövdahl!”—antwoordde Marcussen, en de tranen kwamen hem in de oogen, „dat beteekent, dat we ’t niet langer kunnen uithouden.”
„Wat zeg je?” schreeuwde de professor en stond op, „kunnen we ’t niet langer uithouden? Zeg je dat?—bedoel je—man!—bedoel je, dat ik—dat Carsten Lövdahl failliet zou zijn ?”—Bliksemsnel gingen zijn strakke oogen door de kamer, toen dat woord was uitgesproken—dat woord, waarmeê hij dag en nacht gestreden had in de laatste jaren; dat woord, dat nooit wegging, dat hem op de lippen kwam, als hij alleen in zijn kantoor was, dat hij in de oogen van ieder las, die hem op straat groette.
„Stil, stil!—je sloot de deur toch wel? sluit hem af, Marcussen! We moeten ’t hoofd niet verliezen,—we moeten een uitweg vinden—alles kan nog niet verloren zijn,—onmogelijk!—laat me eens zien,—laat me de telegrammen zien—allemaal!”
En de oude man nam de telegrammen, die in zijn bevende handen ritselden; hij keek nu de een, dan de ander in, legde ze uit over den lessenaar en nam ze weer bij elkaar, tot hij ineen zonk met het hoofd in de handen en luid steunde.
Marcussen zei later, dat hij nog liever de aankondiging van de geboorte van een paar tweelingen had gehoord, dan dat hij dit oogenblik moest beleven.
Eindelijk ging hij naar zijn chef en legde de hand op zijn schouder.
De professor zag hem aan en stond met moeite van zijn stoel op:
„Ga heen, Marcussen en laat niemand bij mij binnen.”—
Dien voormiddag ging de zaak schijnbaar als gewoonlijk. Makelaars en agenten kwamen binnen en spraken met Marcussen; er werden orders naar de fabriek gezonden en de kassier zat achter zijn hekje, de menschen kwamen en gingen met geld. Maar de kleine Rasmussen kroop ineen in een hoek en staarde onafgebroken naar Marcussen. Dat hij niet naar een van de banken moest met een of ander stuk—dat kon hij maar niet begrijpen; en hij peinsde er over, wat dat beteekenen moest.
Maar toen het tegen één uur liep, kwam Taraldsen aandraven, de oude bode uit de Noorsche bank; hij liep altijd op een sukkeldrafje en zwaaide met de armen. Voor den lessenaar van Marcussen bleefhij staan en groette; een onzeker glimlachje speelde op zijn oud gezicht, toen hij vroeg:
„’t Is—hm—natuurlijk een verzuim?”
„Wat?” vroeg Marcussen droog.
De glimlach verdween geheel en ademloos van schrik vroeg Taraldsen weer:
„Moeten uw wissels vandaag niet voldaan worden?”
„Neen.”
„Mijnheer Marcussen! De menschen zeggen, dat u van schertsen houdt; maar dit...”
„Ik scherts niet,—voor den duivel!”
De oude Taraldsen richtte zich op; ’t heele personeel zat over ’t werk gebogen; alleen de oogen van kleine Rasmussen ontmoetten de zijnen. De jongen zag bleek van schrik; hij begon het te begrijpen.
Ook voor den ouden Taraldsen begon alles duidelijk te worden; maar onmiddellijk daarna kwam hij weer in de war; want hij begreep den vollen omvang van wat hij hier hoorde; de wisselrelaties van de geheele stad had hij in zijn hoofd; en hoewel hij veel dergelijks in zijn lang leven had gezien, toch was dit alles maar kinderspel, vergeleken bij wat er nu gebeuren zou. Zijn stem beefde, toen hij bijna plechtig vroeg:
„Moeten de papieren van Carsten Lövdahl geprotesteerd worden?”
„Ja,” antwoordde Marcussen, zonder op te zien.
De oude Taraldsen draafde ’t kantoor uit, maar op de trap kwam hij den bode van de „Bank op aandeelen” tegen:
„Is ’t waar?—Taraldsen!”
„Nu gaat de heele stad!” antwoordde de oude met een wanhopige handbeweging.
„Is ’t waar?—is ’t waar?” Die woorden gingensnel door de heele stad. En toen de zekerheid kwam, stond alles stil—alle werk, alle gesprekken, alle gedachten; en dat nieuwe vervulde alle menschen, tot de kinderen toe, die met groote oogen en ontzette gezichtjes elkaar vroegen: „Heb je gehoord, dat Lövdahl failliet is ?”
Om één uur ging de beurs open. Zoo plotseling was dit gekomen, dat consul With, die door Lövdahls failliet volslagen geruïneerd was, alleen door een toevallige ontmoeting met een directeur van een der banken verhinderd werd op de beurs te komen.
Hij keerde terug naar huis en sloot zich in zijn kantoor op.
Op de beurs was het stil; de menschen liepen zacht rond, zonder elkaar aan te zien; zij hadden allen ’t gevoel, dat ze er plotseling zoo armoedig uitzagen.
De banken in de millioenenhoek—zooals men ’t noemde—stonden leeg, en de leden van den „kring,” die tegenwoordig waren, wilden vandaag liever in een groep meer vooraan in de zaal staan.
Niet eens Garman en Worse zat op zijn oude plaats en die leege banken slopen als een stomme verschrikking langs de wanden door de heele zaal; niemand durfde er gaan zitten, alsof ze vreesden, dat ze niet zouden houden, dat alle banken vermolmd waren, dat een algemeen bankroet ze allen stuk zou slaan of ze allen omgooien.
Een paar jongere kooplieden probeerden royaal te doen; maar zij gaven ’t dadelijk op; en toen hun stemmen weer even gedempt klonken als het gemompel van de anderen, werd de stilte dubbel akelig. Een enkele kon het niet langer uithouden, maar keek op zijn horloge en ging heen, en drie minuten later was de zaal leeg.
Maar dien middag zaten bezorgde mannen rondom in de stad in hun particuliere kantoren en zagen de boeken na, noteerden en telden op—en schudden de hoofden.
En in alle banken vergaderden de besturen, de boden brachten ’t eene bericht na het andere, de telegraafboden maakten ’t niet beter; en de arme directeuren, die aan hun eigen zorgen al genoeg hadden, begonnen te vreezen voor hun bank nu de eene kring na den ander werd meêgesleept in de draaikolk, waarin Lövdahl eerst verzonken was.
Door de bank van Christensen werd er getelegrafeerd door heel Europa naar den directeur, die dit jaar een zeer lange nakuur in Italië deed. En ’t was bijna, alsof de heele stad een beetje verlichting voelde, toen ’t bericht kwam, dat de directeur al op de terugreis was en uit Hamburg was vertrokken.
Reeds vóór vijf uur had men behalve de ontelbare kleine burgers, die geplukt waren, van groote faillieten de volgende bijeen: Carsten Lövdahl—met Abraham K. Lövdahl, de vennootschap Fortuna, C. R. With, Randulphs zonen en Co., en Jörgen Kruse.
Dat de zonen van Randulph met With meêgingen, kon men verwachten; ze waren zwagers en hadden veel gemeenschappelijke relaties. Maar onbeschrijfelijk was de schrik, toen hij ging—de oude Jörgen Kruse.
Niet alleen, omdat hij voor schatrijk gehouden werd—wat hij ook was; maar zoo’n klein voorzichtig kruideniertje, van wie niemand dacht, dat hij ooit tien gulden ergens aan waagde—dathijnu bleek verward te zitten in al de meest wanhopige zaken van Lövdahl; met een wisselschuld,die alles verslond, wat hij bezat en misschien nog meer,—ja, toen dat bekend werd, was het toppunt bereikt en men was geheel verslagen van schrik. En met Kruse kwam de ellende buiten de stad; want hij was de koopman van de boeren; en als nu al zijn voorschotten en vorderingen met de haast van advokaten in een failliet moesten worden geïnd, dan zouden velen van hun hoeve en akkers verdreven worden in deze slechte tijden.
Terwijl het groote ongeluk zoo in alle stilte ver in ’t rond voortwoekerde, als brand in ’t veen, ratelde de onmetelijke machine van den laster en weefde haar bont weefsel van boosaardigheid en leedvermaak.
De lang onvoldane behoefte aan stof wierp zich nu op dezen rijken voorraad met een razenden honger; en ieder, die niet zoo persoonlijk bij de zaken betrokken was, dat hij stom van wanhoop neêrzat, begon te praten, te praten en te praten, alsof zijn leven er meê gemoeid was, als hij zijn tong niet roerde.
En de stof—hoe overvloedig groot de hoeveelheid ook was—bleek spoedig nogonvoldoendete zijn. Men had er niet genoeg aan de gebeurtenissen te volgen, die nu slag op slag elkaar opvolgden; maar men snelde ze ver vooruit met voorspellingen en toespelingen; en ’t was alsof men geen rust kon vinden voor de diepste wanhoop allen bereikt had.
Sommigen namen de zaak zóó op, dat ze alle zijden japonnen van Clara Lövdahl nagingen en zich over ieder afzonderlijk ergerden, om daarna zich te verkwikken met de gedachte, dat ze geen draad aan haar lijf meer bezitten zou, als alles naar recht en billijkheid ging.
Anderen waren goedaardiger en verdiepten er zich in hoe zij zich wel moesten voelen—die menschen, die zoo onmetelijk rijk geweest waren en nu—letterlijk tot den bedelstaf gebracht—geruïneerd waren—op straat stonden.
Weer anderen konden maar geen vrede hebben met die millioenen, die verloren waren; wie zou ze gekregen hebben? ergens moesten ze toch wezen; maar waar voor den drommel was die massa geld gebleven?—dat zouden ze wel eens willen weten.
Er was ook medelijden; maar van zeer gemengden aard; en menig kleine burger, die vrij gekomen was van den val der grooten, vond dat het bier hem vandaag bizonder goed smaakte.
Onder allen daar beneden—de arbeiders en zij, die van dag tot dag leefden van het werk van hun handen voor anderen,—onder hen heerschte een doffe stilte. Slechts enkelen barstten uit in vervloekingen en de ergste scheldwoorden tegen die rijken, die een lekker leventje leidden en den arbeider zwoegen lieten, om hem dan op een mooien dag op straat te laten staan zonder werk of verdienste.
Maar de meesten zwegen stil en vermaanden vrouw en kinderen om zich kalm te houden. Wisten ze bij ondervinding hoe ’t kapitaal in dagen van bloei den arbeider uitperst tot het uiterste toe; ze wisten ook, dat ze nooit in hooger mate slaven van datzelfde kapitaal waren dan juist in de slechte tijden, als de straf kwam voor de zwendelarij en de speculatie van de grooten.
Want ze wisten wel, wie vooral die straf zouden moeten dragen. Nu stonden ze voor dat bestaan van werkeloosheid, van ongeregeld werk hebben, halve werkdagen, en lange leege uren zonder werk met honger,—kleine leeningen hier en daar,’t laatste crediet bij den koopman, later naar de bank van leening en ’t allerlaatst, in den uitersten nood, op den rand van de wanhoop—de wachtkamer van den armvoogd.
Daarom zaten zij stil neer en vermaanden de hunnen zich kalm te houden, opdat hun klachten niet gehoord zouden worden door dat vreeselijke kapitaal—nu vreeselijker dan ooit, nu ’t als een aardstorting kwam aanrollen en de kleinen verpletterde.
Ze begeerden niet anders dan te mogen werken, hun spieren waren bereid zich zoo sterk te spannen als iemand maar verlangen kon,—ze zouden er nog dankbaar voor zijn. Als ze maar niet stil hoefden te zitten en verslappen in honger en met slecht voedsel; ’s morgens uitgaan om wat te vinden, en ’s avonds thuiskomen om aan de deur die groote kinderoogen te zien, die vroegen—of Vader een brood meêbracht?
De oude Steffensen probeerde natuurlijk in troebel water te visschen; maar een troep arbeiders van Fortuna had hem bijna kreupel geslagen, toen hij de directie uitschold en ’t bestuur en ’t heele zoodje. Daarna verdween hij.
Neen—neen—Prof. Lövdahl was een eerlijk man; de jonge ook; niemand moest iets van hen zeggen; misschien kwamen zij er wel weer boven op; zooiets was meer gebeurd. Ja, enkelen hadden zelfs medelijden met die rijke menschen, die nu niet rijker waren dan een eenvoudig arbeider.
Maar er waren niet velen, die zoo ver gingen. Want dat wisten ze immers allen, hoe wonderlijk het is, met menschen, die in mooie kleeren geboren zijn. Die blijven ze dragen hoe ’t ook gaat. Men hoort wel, dat ze alles verloren hebben en ookvoor anderen alles bedorven en toch was het nog nooit gebeurd, dat zulke menschen heelemaal zonken tot het peil van arbeiders en onder hen kwamen wonen en zwoegen. Zij bleven met een overjas loopen, kregen warm eten en rookten, zoodat ze ’t toch niet zoo bizonder slecht hadden.
En dat was voor hen ’t alleronbegrijpelijkst van het kapitaal; maar dat boezemde hun juist daarom ’t meeste ontzag in; ’t moest dus Gods wil zijn, dat dit groote verschil er zijn zou, dat sommigen alleen maar voor anderen zouden werken en sloven,—en dat dit zoo blijven moest.
Maar ook daarvoor was er vergelding. „In den poel der hel zouden ze pijn lijden en branden, omdat ze hier een korten tijd in rijkdom en wellust geleefd hadden. Denk maar aan den rijken man, die den bedelaar om een droppel water smeekte; maar hij kreeg hem niet; neen—gepijnigd zouden ze worden—al die grooten en machtigen—, men kon ze één voor één met name noemen; in ’t helsche vuur met hen! en daar zouden ze eeuwig branden! Stel je voor:—eeuwig!”
Maar hoe veel de predikanten hier ook over preekten, toch waren er, die niet de rechte troost in deze gedachten vonden. Menigeen dacht, dat ’t beter zou zijn, als er in een volgend leven niet zoo heet gestookt werd onder de rijken, en de armen maar wat minder kou behoefden te lijden in dit leven. En dan waren er ook enkele rijken waarvan ’t jammer zou zijn als ze verbrand werden. Ja—zou ’t eigenlijk wel zulk een doodzonde wezen: rijk te zijn? De heele wereld streefde er immers naar.—Dat klopte niet, als je er goed over nadacht. Neen, hier was ergens iets niet in orde, waar ’t dan ook zijn mocht.
Ja—zie, dat was ook een gevolg van de werkeloosheid—al die vervloekte gedachten, die je in ’t hoofd kreeg, als je zoo stil naar den wand zat te staren. Maar al dat denken deugde niet voor de kleine luidjes; ze moesten verdragen en zwijgen; hopen,—hopen,—en vooral geen brandewijn drinken.
Zoo gingen zij den winter tegemoet.
—Maar terwijl al die gemoedsbewegingen als een zee ver in ’t rond golfden, zat hij, de oorzaak van dit alles, alleen in zijn groot, prachtig kantoor. Hij zat niet in den leunstoel voor de godin van ’t geluk; maar voor ’t middenste venster.—Zoo had Carsten Lövdahl uren lang gezeten en naar beneden in den omheinden tuin gestaard. Soms waren zijn gejaagde gedachten zoo mat, dat hij bijna sliep; dan weer stond de ellende, de schande, de vernedering vlak voor zijn oogen, zóó dichtbij, zoo vlammend, dat hij de handen afwerend voor zich hield.
Hij had met zijn vrouw gestreden, de onverbiddelijke oogen waren er geweest, en hadden zich diep in zijn ziel geboord;—en voor ’t laatst overwonnen, gaf hij den strijd op en verheugde er zich lafhartig over, dat die oogen gesloten waren.
Maar er waren anderen, die hij ontmoeten moest: Abraham, Christensen, Clara—en ’t heele heirleger van hen, wier geld hij voor alle winden gestrooid had; hoe—o hoe zou hij dat kunnen verdragen, hoe was het toch mogelijk zooiets uit te houden?—Er was iets, dat zijn gedachten als ’t ware naar een uitweg trok; maar die sloot hij dadelijk af;—dàt wilde hij niet.
En weer begonnen ze op hem aan te stormen: alle kleine bizonderheden vol schande en vernedering.’t Begon heel in de verte als een klein balletje, dat op hem toe kwam rollen en grooter en grooter werd, tot alles samenliep in één geweldig groote rol, die over hem heen rolde en hem heelemaal plat drukte—of zou het niet mogelijk zijn toch ’t hoofd hoog te houden? Hij was toch altijd Professor Lövdahl, de man van wetenschap, de leeraar aan de universiteit; hij had schipbreuk geleden hier onder die kooplui—welnu!—hij was niet rijk meer; maar hij was nog iets meer dan een geldman.
Ach neen! dat ging toch niet—dat hij ’t hoofd hoog hield. Hij moest het liever zoo diep mogelijk buigen om te trachten er door te komen. Er was al te veel in zijn laatste transacties waar èn de crediteuren èn de overheid de oogen heel dicht voor moesten sluiten, als dat er door zou kunnen. Zijn positie was niet van dien aard, dat het hem goed zou staan, als hij zich oprichtte; ’t kostte hem veel, maar hijmoesthet hoofd buigen.
Zich laten trappen!—voor de voeten van Christensen liggen zonder een spoor van macht!—niets anders kunnen na dit alles—zijn heele leven lang—dan als een hond de slagen verdragen en daarna de hand likken, die hem sloeg!—
En er lag toch een wapen vlak bij de hand—een wapen, waarmeê hij zelfs tot zekere hoogte zich den laatsten tijd had geoefend.
Professor Lövdahl kende zijn tijd en de maatschappij, waarin hij leefde. Hij wist, dat in dezen tijd en in deze maatschappij, waarin het Christendom niet bestaat, maar waar alles er op aan komt, dat men dat niet uitspreekt; waar alle krachten gebruikt worden om de openhartigheid te onderdrukken, zoodat niet heel die reusachtige comedie: dat allenChristensen zijn—uiteen spat, doordat één den moed krijgt te zeggen: „Ik speel niet meer meê,”—hij wist, dat de huichelarij de levensmacht in die maatschappij is.
Hij wist, dat niets zoo sterk is alsdiehuichelarij, die nooit de oogen neerslaat; dat geen rechtschapenheid, geen deugd in die mate de boosheid ontwapent of tegen verdenking beschut, alsdiehuichelarij, die zich nooit schaamt, hij wist, dat hij, die zich een harnas kan maken van die stof, waarmeê de meeste menschen zich gedeeltelijk bedekken—hij zou door het vagevuur, dat hem wachtte, kunnen heengaan en weer vasten voet verkrijgen; ja misschien zijn schande tot een aureool maken, die niemand hem zou durven afrukken.
En toch aarzelde hij. De laatste overblijfselen van reinheid in hem verzetten zich tegen zulk een gemeenheid; hij dacht aan zijn jeugd, den korten, helderen dag van zijn wetenschap, hij dacht aan Wenche Knorr, en hij kon er niet toe komen zich neer te laten glijden in dien modderigen afgrond.
Maar wat hielp dat?—Die gedachten kwamen telkens terug. ’t Zou niet verdacht schijnen; de beproeving heeft zoo menig mensch tot den godsdienst gebracht; en behalve dat was hij al lang met Clara naar de kerk gegaan en had aan haar godsdienstige bijeenkomsten deelgenomen;—waarom eigenlijk?—als ’t niet juist was, omdat hij een vage behoefte aan een uitweg had, toen de mogelijkheid van dit groote ongeluk voor hem begon door te schemeren.
Als hij, een oud, onder leed gebogen man, nu de handen vouwde: „De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd!” Ja—met Abraham was het ’t ergste;maar de anderen kon hij wel aan, dat voelde hij. En toch liep deze overdenking er niet op uit, dat hij met volle bewustheid de huichelarij koos; maar de kleine achterdeur in de lambriseering werd opengerukt en de kapelaan stormde naar binnen. Hij liep recht op den professor aan, doodsbleek met het koude zweet parelend op zijn gezicht:
„Mijn geld,—mijn geld!” riep hij heesch.
De professor was opgestaan en hield zich aan de vensterbank vast; zijn lippen trilden en zijn oogen waren strak op ’t vertrokken gezicht van den predikant gevestigd; maar hij kon niet spreken.
„Vader is geruïneerd—dat weet ik!—maar mijn geld?—Frederika’s geld!—dat is behouden, niet waar?—natuurlijk! geef het me dadelijk! Wat? U hebt het niet! Het is weg,—verloren—verdwenen! o! vreeselijke man! Je hebt ons bedrogen! Je zult gestraft worden—neen—Je zult me alleen mijn geld terug geven.”
De professor was een paar seconden als lam geslagen geweest. Nu hief hij zijn blanke hand op, glimlachte weemoedig en antwoordde:
„Mijn waarde dominé Kruse! U weet zelf wel, dat ik op dit oogenblik helaas niet in staat ben u dit geld te bezorgen. Maar ik zal iets anders voor u doen,—iets wat misschien nog wel zoo goed en nuttig voor u zijn kan.”
„Wat is dat? Zeg het gauw!—Weet u een uitweg?—O! God zij geloofd!”
Maarten Kruse beefde over zijn geheele lichaam. Er was nog hoop; die merkwaardige man, op wien hij zoo blind vertrouwd had; hij wist misschien nog hulp—hulp voor hem alleen!
De professor legde vaderlijk de hand op zijn schouder en zei:
„Ik zal Jezus bidden, dat Hij u helpe!”
De predikant stoof achteruit, alsof men hem met dien naam in ’t gezicht geslagen had; de beide mannen stonden onbeweeglijk stil en zagen elkaar vast in de oogen; hun gemeenschappelijk geheim hield hen gebonden. Wie had recht den ander iets te zeggen? De blik van den predikant gleed ’t eerste weg. Hij greep zijn hoed en stoof de kamer uit.
Carsten Lövdahl zonk terug in zijn stoel. Dit was zijn eerste overwinning.
’t Groote kantoor lag daar in de namiddagschaduwen; maar enkele gulden zonnestralen vonden hun weg door de verwaaide lindenbladen, en vielen schuins de kamer in over den man aan ’t venster, over het zware tapijt; en daar ginds op de tafel trof een straal de bronzen Fortuna, die half zwevend haar krans toereikte aan den ledigen leunstoel.
—Maar in één huis in de stad heerschte onvermengde vreugd.
De vrouw van den bankdirecteur Christensen hing om den hals van haar man, die juist was thuisgekomen en smeekte hem luid schreiend om vergiffenis, omdat ze hem zoo schandelijk miskend had; en half verward van aandoening lag ze te fantaiseeren over alles wat ze op de verkooping van Lövdahl koopen zou.
’t Leek wel een tableau!—