XIV.

XIV.Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in ’t kantoor gebeurd was.Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen.Mevrouw Clara was keurig gekleed in ’t bruin. Het bleeke, bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden.Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem glimlachend de hand.Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang was, de hare afwenden moest.„Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! ’t Is zoo lang geleden...”Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en Marcussen—als een goedejachthond, die op ’t spoor gebracht is,—ging dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch, waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?„Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor gebeurd is?—mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is.”Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa op en vergat heelemaal zijn deftige manieren.„Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in ’t kantoor... Hê?”„Neen, waarachtig niet, Mevrouw!” barstte Marcussen uit, „deze keer is ’t niet een van mijn eigen geschiedenissen,—was het dat maar! Neen Mevrouw, ’t is erger—o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven—’t is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor Mijnheer Abraham natuurlijk ook.”„Maar mijn God—Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan toch!”„Ja, ’t helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze betalingen gestaakt.”„Gestaakt?—wie?—wat?—ik begrijp er geen woord van.”„De zaak—ons huis—Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!”Mevrouw Clara gaf een gil—die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden.De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf.De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar Dr. Bentzen te zenden.’t Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden, niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd.Maar Abraham!—die stumper van een man!—hij was dus niet eens rijk. Zij was bedrogen, afgezet!En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet als iemand zijn betalingen staakte?—ja, dat wist ze wel;—maarde haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moestzijeenvoudig gaan leven? gaan uitsparen in allen ernst, om ’t hardst met Frederika—dat was toch niet mogelijk,—dat was onzin!Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;—maar zij wilde niet getroost worden;—allerminst door hem; ze wilde dien telegram niet lezen—heelemaal niet!—Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen; en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,—scheurde ze hem open.Hij was van haar vader en luidde: „Houd moed! met wijsheid en voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt.”Een straal van hoop!—alles was dus niet verloren! nooit had ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit oogenblik. Veel kon geredworden,—gered? Clara was opeens sterk, ondernemend, vast besloten geworden.Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest beetnemen.Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een lade onder haar eigen linnengoed.—En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo goed op.Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof—zij was daar niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.——Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht op een der aanlegstations.Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat het een ruwe grap was;—maar dat leek niet op Kruse.En nu—toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan ’t roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem op, dat zijn reisgenooten al den vorigendag zoo vreemd tegenover hem gedaan hadden.Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij ’t kleine ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen.Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,—dat alles verlaten; met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony, waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet betaald had.’t Was eigenlijk voor ’t eerst, dat ’t leven hem zóó aangreep, dat hij zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader.Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor zijn wil.Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn, zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel weg!—heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest was!—Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk.Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij ’t poortje moest openzetten om zich aan ’t zoute schuim te verfrisschen; hij voelde zich zoo sterk en zoo vol hoop!—Hij zag het al—hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes; de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. ’t Zou wel onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor ’t een of ander kunnen gebruiken.In die stemming kwam hij thuis tegen ’t donker, den vierden dag na het failliet.Abraham ging door de donkerste straten en bereikte ’t huis van zijn vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten; alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje.Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping; misschien was die al verkocht.Abraham bleef staan en leunde tegen de trap;’t was toch vreeselijk hard—dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde, onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,—ja—hij was er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de trap op.Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij ’t elkaar behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had, dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen, schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst—ieder op zijn manier.De professor was voor Abraham ’t meeste bang—en tot het laatste oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst, zijn naam, zijn eer—alles meê getrokken in den ondergang van zijn vader.Hij kon er niets op antwoorden—in ’t geheel niets; want dat was alles waar.Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen afhankelijkheid en bewondering;tot op ’t allerlaatste oogenblik had hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem werpen kon; en nu!—nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon.—Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze; ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Watzijvreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien en schoon schip maken.Ze wist het best, dat hij in ’t geheel niet meê zou willen helpen om te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,—dat had de assessor Meinhardt haar ook geschreven.Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat was ’t geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij feitelijk niets dan zijn meubels.De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in ’t minst niet op aan bij dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden.’t Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers nooit zelf op zulke zaken uit.Daarom werd ’t een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over ’t feit, dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs ’t beroemde japansche naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden, dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht zijn—reeds bij Abrahams thuiskomst was ’t zoo leeg en eenvoudig in de kamers, dat het iedereen opvallen moest.Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang, waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; ’t eenigste licht daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar tijd kon winnen en hem op ’t rechte spoor kon brengen, dan was de zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er verdwenen was konweer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor stuk,—met tusschenpoozen.Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van ’t oogenblik af, dat hij ’t ongeluk vernam had hij zijn best gedaan zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening heelemaal gebroken zijn, vol klachten—misschien vol verwijten.En nu snelde ze hem tegemoet—liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering, en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste stond.Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,—een gebogen grijsaard, wierp hij zich in zijn armen:„O Vader, arme Vader! wat hebt u ’t vreeselijk gehad!”„Kun je mij vergeven? Abraham!”„Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?”„Ja, met Gods hulp!” antwoordde de professor, met een diepe zucht; het ergste was voorbij.Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan met een glimlach, die bijna blij was; ’t was boven verwachting gegaan voor alle drie—die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop, maar om zeer verschillende redenen.’t Dienstmeisje stoorde hen met een boodschapvan den advokaat Kruse, of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen.De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde:„Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis, om van avond nog uit te gaan.—’t Is toch ook wel wat kras om je dadelijk te laten halen.”Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu begon hij rond te kijken.„Ja, je kijkt rond,” zei Clara; „ik heb alles wat verkocht moet worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar ’t voor de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je ’t liefst hebben zou, dat er niets werd achter gehouden.”„Natuurlijk, lieve Clara!—ik ben er zoo blij om, dat je zoo moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en—zal ik ’t maar bekennen?—meer dan ik van je verwacht had.”„Ja,” antwoordde zij met een berustenden glimlach, „ik weet helaas maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd, dat ik opga in pronk en...”„Neen, zeker niet!—dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in mijn gedachten onrecht deed—vergeef ’t me dan nu.”Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen—in zijn deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een gezellig hoekje bij de kachel.„Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter—en een stukje kaas ter eere van je thuiskomst.”„Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen,” en hij boog zich neer om haar hand te kussen.„Maar je ziet zoo vreemd rond?—wat is er?”„Is ook... Moeders naaitafel?—Was dat noodig?”„Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?” vroeg Clara scherp. „Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben.”„Ja, ik voor mij,” viel de professor hem in de rede, „ik vond werkelijk ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,—’t was een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen.”—„Neen Vader.—Clara heeft toch gelijk,” antwoordde Abraham met inspanning; „laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel drinken!—’t was flink van je, Clara.”Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een briefje voor Abraham.„Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?” vroeg Clara.„Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan.”„Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat ’t morgen tijds genoeg is.”„Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen, niet waar, Vader?”De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide handen. Clara liet haarman uit en vroeg hem met veel liefkoozingen om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in ’t geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen.„O Clara!—Wat is Vader oud geworden!” zei Abraham, toen ze hem zijn jas hielp aandoen. „Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop thee aannam! en hij, die zoo’n vaste hand heeft gehad.—Arme Vader!”Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van hem wilde.—Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse drukte hem hartelijk de hand.„Arme jongen!—dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar ik dacht, ’t was maar ’t best, dat je ’t door mij hoorde.”„Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht.”„Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat ik—eerlijk gezegd—in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar ’twasonvoorzichtig—”„Wat bedoel je?” vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets vreeselijks snoerde hem de keel dicht.„Wat ik bedoel?—ben je gek—Jongen? ’t Geld natuurlijk... dat heb je toch? ’t Geld van de arbeiders—’t bouwfonds en de ziekenkas?”Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als na een slag tegen ’t hart;zijn keel werd dik en met moeite bracht hij een geluid uit:„Vader...”„Ja zeker—je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?”Abraham knikte.—„en je vader gaf je ’t geld den volgenden dag terug?”Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan.„Groote God in den hemel!” schreeuwde de kleine advokaat. „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat heen en verstopt haar zilver en steelt—ja ik zeg ’t je ronduit—ze steelt! en je vader! jegrootevader—niet genoeg, dat hij mijn vader en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen, dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw Gottwald wat gespaard had...”„Neen,” antwoordde Abraham; maar hij werd op ’t zelfde oogenblik rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van een monument voor kleine Marius had gesproken.„Zie je wel?” riep Kruse bitter, „je herinnert ’t je wel. Luister nu: acht dagen vóór ’t failliet was je vader hier en praatte Mevrouw Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger rente te willen bezorgen!—Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat hij is—je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!”Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten bewusteloos. Kruse werd bangen had berouw over zijn woorden, en toen hij ’t eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer opsloeg, zei hij:„Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl—maar je kunt wel begrijpen, dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft.”Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar ’t was duidelijk, dat hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham:„Wat moet ik doen?”„Dat hangt er van af wat jekunt.”„Wat ik kan?”„Waar je kracht en moed voor hebt.”„Je denkt toch niet, datikme meê schuldig wil maken...”—hij kwam niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk; en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart.’t Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los te maken, om open en hardop te zeggen: „Zie! dit heeft mijn vader gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een nieuw leven beginnen.”Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht.Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen; hij ging regelrecht Greta zoeken.Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen lantarens meer waren. Langsden kant van den weg waren groote steenen gezet en in de diepte beneden hoorde hij ’t zware zuigen van de golven, die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste lantaarn om op zijn horloge te zien. ’t Was over tienen.Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was.Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde hij zijn naam roepen en een dame in ’t zwart kwam uit de schaduw van de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet.„Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in ’t donker!”„Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?”„Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar...”„Wanneer? Wie?”„Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet verdragen.”Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door ’t verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde:„Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!—wat was dat met Moeder?”„Niets. Vraag ’t me niet. Ik weet niets.”„Antwoord me! Umoetme antwoorden—ter wille van kleine Marius.” En hij hield haar vast. „Wat was dat met Moeder?”„Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ikweet; maar dan moet je niet meer vragen—arme Abraham!”Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was de beste vriend van haar jongen.„Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; ’t was nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar gezicht op in ’t gaslicht;—o dat gezicht!—Ik stond daar in de schaduw van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers—die ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik, dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was ’t niet vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht.”„Stierf ze? was dat de laatste nacht?—waar stierf zij?”„Je moeder stierf in haar bed,” antwoordde Mevrouw Gottwald vast; maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je familie in je groot ongeluk dacht—ja, ik dacht vooral aan jou, Abraham!—daar zie ik ineens je gezicht—dat zoo op ’t hare lijkt. Je haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in ’t gaslicht—; ja, kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen, in wanhoop rondliep?”„Maar Moeder!—gelooft u dan,—Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat Moeder...”„Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet men niet in ’t donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad terug.” Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort.„Was mijn moeder ongelukkig?”„Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we wel anders dan elkaarbedriegen? Sommigen met een booze, anderen met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed; maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom—”„—„daarom” zegt u?”„Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;—dat is gewoonlijk zoo.”Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield zijn belofte niet. ’t Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of zich voor ’t hoofd te schieten.En toch moest hij stilstaan en naar ’t geheimzinnige klotsen der golven luisteren—daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?—Wat moest hij denken?Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was; eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon: „Arme kleine Abby!”Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader, waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den aard van zijn ouders—in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij hadmoeten kiezen.—Dat—wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn leven moeten worden. En in plaats daarvan?—er kwam een vreeselijke leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse: „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!”Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden verborg, waar ’t zoo zwart en zoo stil was; dan was ’t voorbij—dan konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?—Hij begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijnkindschheidaf tot op dit oogenblik toe.Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine, slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden, die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem hebben voorgedaan—waarom? waarom was dat alles een rij van de meest smadelijke nederlagen geworden.Hij streek zich in wanhoop met beide handen door ’t haar en riep zich zelf luid toe:„Wat scheelt mij toch!—Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt, dat ik nooit—nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen, één carricatuur is mijn leven! ’t Is alsof elke vezel in mijn ziel vergiftigd is.” Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld meer voor hem!—En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit.Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag; hij tastte er langs in ’t halfdonker en merkte, dat zij de deur uit de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet.In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in ’t slaapkamertje, in de huiskamer; er was niets—niets ter wereld, behalve stroo en afval, dat hij onder zijn voeten voelde.Eindelijk stootte hij tegen de bank onder ’t venster, waarop hij gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd.Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen en toen was zij weggegaan. Zoo was ’t gegaan. En daarmee was ’t uit.De duisternis werd verdrongen door de schemering, ’t werd lichter en lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in ’t stroo op den grond.Daar ginds onder ’t venster, op ’t overschot van Grete’s wilgentakjes en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank afgegleden.—XV.Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste, haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men voorspeld had—alles kromp als ’t ware van dag tot dag, en ’t leven hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; ’t haar van dien armen man was sneeuwwit geworden in een paar weken.’t Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee beteekende; en ’t was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan ’t geld te kunnen komen.Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest—hij en Marcussen, allebei. ’t Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd man, was toch de ergste. En ’t meisje was nog al blind, en nu was zij de stad uit gestuurd,—zijmoestweg!—zeker met een flinke portie van ’t gestolen geld.Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen gezegd zou hebben, dat er Goddank—geen sprake was van vervolging van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht waren—nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald geloof en vertrouwen aangehoord.De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was nu ’t eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep, zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar de koperen slang in de woestijn.Hij was overal aan ’t werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien.De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijnscheepswerfmochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen—en men zei, dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde.Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen, maar ’t ging haar toch veel erger aan ’t hart, als ze er achter kwam, dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen.Maarten daarentegen had een knak voor zijn levengekregen: zijn berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat hij had,—en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam kregen van „dierbaar” te zijn.Maar in ’t huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles gesloten,—leeg, uitgestorven.Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit—met geen enkel woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte, dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding zou worden.Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw Gottwald.De oude Jörgen zelf was half verward in ’t hoofd geworden toen hij begreep wat er was gebeurd.—Ja, hij begreep het eigenlijk nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden, konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig, of Maarten nu in den winkel stond.Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd werkelijk vroolijk.Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan, dat alles in korten tijdverkocht en afgedaan werd. En toen het bleek, dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald, had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw had helpen bijeengaren. ’t Leven had haar nu werkelijk een afschrik van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat ook anderen ’t zouden worden.’t Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo aan—die historie met ’t geld van de arbeiders; en Peter had toch geen schuld; ’t was die Lövdahl, die ’t gedaan had.Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd had. ’t Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven.Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en vereenigd!—Nu was alles bedorven en verstrooid—erger dan vroeger; wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt.Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof zij ’t niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig:„Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten, niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen tegendat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg—en meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende.”„Dat ken ik, Mevrouw Gottwald.”„Ik ben geen Mevrouw,” antwoordde de andere en boog zich over haar werk.„Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad.”„Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen.”„Luister u nu eens—Mevrouw Gottwald!—die man, waar ik zoo graag zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo’n ongelukkig jongetje.”„Ik begrijp u niet,—of u begrijpt mij niet.”„Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er zijn tranen op zijn hoofdje gevallen—zulke tranen als u kent. Ja,—u ziet mij aan!—hier zit zij voor u—zijn moeder. Wij beiden—Mevrouw Gottwald—wij zijn gelijken.”„Groote God! dat heb ik nooit geweten!”„Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo groot kan zijn—voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al te veel geschaamd hebben—vooral u. Ja—u ziet me aan! maar ik meen het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook.”„Weet hij het dan?”„Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van, dat hij nooit in ’t verborgenste hoekje van zijn hartdaaromook maar een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven leven. Hoe heette hij?”„Hij heette Marius—kleine Marius.”„Nu,—Marius en mijn kleine Peter—zij zijn ongeveer broers. U hebt uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons beiden zijn—van ons allebei.”Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; ’t overviel haar zoo; maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging, dat „de jongelui” ’t nu wel samen eens zouden worden.Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou preeken over haar tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.” Frederika had het verteld. Maarten beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten immers in ’t geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid van hem.Zijzou ’t wel hooren of de rechte geest in hem was.’t Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang van herfst tot vollen winter. ’t Weer was guur en doordringend koud zonder ’t frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind.Er waren veel menschen; de groote rampen haddenmenschen naar de kerk gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere kleuren gekleed—als boetelingen—; geen bonte linten waren er te zien.De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of ’t ergste nu voorbij was; of was dit maar ’t begin van erger dingen?Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn „strijkplank” galant naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen—flink en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat achtergehouden, de oude raaf—dat ze er zoo onbekommerd uitzag.Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle oogen volgden hen.Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd—schoon en onderworpen als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was.Met den hoed in de hand, ’t witte hoofd wat op zij en een glimlach op de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl naast haar.Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar met de rechter steunde hij op den bedelstaf,—allen konden dien zien; hij was van bruin bamboes met ivoren knop.De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed, véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek, iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in ’t geheel niet.Maar de professor was lief! Stel je voor,—met bijna heelemaal wit haar! En zooals hij ’t opnam,—zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God, zoo stichtelijk voor de heele gemeente.De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent, dat—naar men zei—Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen; over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden ontdekt—naar men zei. ’t Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk wisten ’t waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen ’t er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der wet plaats had.Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó druk hadden de oogen ’t met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte, dat er nog iemand achteraan kwam.Dat was Abraham.—Er is smart in de wereld—vooral dat soort smart, die schande meêbrengt, die ’t een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het leven verder te verdragen. Des namiddags en ’s nachts voelt hij zich alsof hij stervenmoet, vóór ’t licht weer terugkomt.En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen en hij moet eten.’s Avonds zegt hij: „Hoe is ’t toch mogelijk, dat ik een heelen dag geleefd heb—en dit gedragen?”Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe een grap te zeggen en er zelf om te lachen.—Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden; maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren.Tot zekere hoogte had hij ’t nog nooit zoo goed gehad thuis; men behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna eerbiedig;—en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit bij haar gevonden had.Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en gered hadden.Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te wezen;—met hem was ’t gedaan.En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in ’t oor fluisterde: „Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar de kerk ging,” antwoordde hij heel kalm:„Ja, dat wil ik wel doen.”Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen macht meer over hem.En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouwliep, spuwde hij in gedachten zich zelf in ’t gezicht en riep zich zelf toe:„Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!”Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij—die de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.——Maar daar kwam Christensen—de bankdirecteur en zijn vrouw in een nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! ’t deed allen werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen!Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; ’t zilver stond nu op zijn plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen.De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: „Aanbid mij niet!”Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht; niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren.Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten; over de booze macht, die ’t geld onder ons menschen heeft; over den mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze woorden terug: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.”Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den kant van de vrouwen. ’t Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! ’t was Juffrouw Kruse.Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze was niet onpasselijk,want ze zag in ’t geheel niet bleek. Integendeel ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken.Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude vrouwen-stapjes, voort door ’t lange middenpad en de kerk uit.

XIV.Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in ’t kantoor gebeurd was.Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen.Mevrouw Clara was keurig gekleed in ’t bruin. Het bleeke, bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden.Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem glimlachend de hand.Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang was, de hare afwenden moest.„Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! ’t Is zoo lang geleden...”Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en Marcussen—als een goedejachthond, die op ’t spoor gebracht is,—ging dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch, waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?„Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor gebeurd is?—mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is.”Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa op en vergat heelemaal zijn deftige manieren.„Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in ’t kantoor... Hê?”„Neen, waarachtig niet, Mevrouw!” barstte Marcussen uit, „deze keer is ’t niet een van mijn eigen geschiedenissen,—was het dat maar! Neen Mevrouw, ’t is erger—o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven—’t is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor Mijnheer Abraham natuurlijk ook.”„Maar mijn God—Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan toch!”„Ja, ’t helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze betalingen gestaakt.”„Gestaakt?—wie?—wat?—ik begrijp er geen woord van.”„De zaak—ons huis—Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!”Mevrouw Clara gaf een gil—die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden.De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf.De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar Dr. Bentzen te zenden.’t Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden, niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd.Maar Abraham!—die stumper van een man!—hij was dus niet eens rijk. Zij was bedrogen, afgezet!En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet als iemand zijn betalingen staakte?—ja, dat wist ze wel;—maarde haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moestzijeenvoudig gaan leven? gaan uitsparen in allen ernst, om ’t hardst met Frederika—dat was toch niet mogelijk,—dat was onzin!Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;—maar zij wilde niet getroost worden;—allerminst door hem; ze wilde dien telegram niet lezen—heelemaal niet!—Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen; en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,—scheurde ze hem open.Hij was van haar vader en luidde: „Houd moed! met wijsheid en voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt.”Een straal van hoop!—alles was dus niet verloren! nooit had ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit oogenblik. Veel kon geredworden,—gered? Clara was opeens sterk, ondernemend, vast besloten geworden.Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest beetnemen.Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een lade onder haar eigen linnengoed.—En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo goed op.Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof—zij was daar niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.——Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht op een der aanlegstations.Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat het een ruwe grap was;—maar dat leek niet op Kruse.En nu—toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan ’t roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem op, dat zijn reisgenooten al den vorigendag zoo vreemd tegenover hem gedaan hadden.Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij ’t kleine ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen.Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,—dat alles verlaten; met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony, waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet betaald had.’t Was eigenlijk voor ’t eerst, dat ’t leven hem zóó aangreep, dat hij zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader.Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor zijn wil.Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn, zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel weg!—heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest was!—Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk.Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij ’t poortje moest openzetten om zich aan ’t zoute schuim te verfrisschen; hij voelde zich zoo sterk en zoo vol hoop!—Hij zag het al—hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes; de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. ’t Zou wel onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor ’t een of ander kunnen gebruiken.In die stemming kwam hij thuis tegen ’t donker, den vierden dag na het failliet.Abraham ging door de donkerste straten en bereikte ’t huis van zijn vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten; alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje.Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping; misschien was die al verkocht.Abraham bleef staan en leunde tegen de trap;’t was toch vreeselijk hard—dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde, onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,—ja—hij was er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de trap op.Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij ’t elkaar behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had, dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen, schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst—ieder op zijn manier.De professor was voor Abraham ’t meeste bang—en tot het laatste oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst, zijn naam, zijn eer—alles meê getrokken in den ondergang van zijn vader.Hij kon er niets op antwoorden—in ’t geheel niets; want dat was alles waar.Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen afhankelijkheid en bewondering;tot op ’t allerlaatste oogenblik had hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem werpen kon; en nu!—nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon.—Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze; ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Watzijvreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien en schoon schip maken.Ze wist het best, dat hij in ’t geheel niet meê zou willen helpen om te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,—dat had de assessor Meinhardt haar ook geschreven.Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat was ’t geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij feitelijk niets dan zijn meubels.De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in ’t minst niet op aan bij dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden.’t Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers nooit zelf op zulke zaken uit.Daarom werd ’t een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over ’t feit, dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs ’t beroemde japansche naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden, dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht zijn—reeds bij Abrahams thuiskomst was ’t zoo leeg en eenvoudig in de kamers, dat het iedereen opvallen moest.Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang, waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; ’t eenigste licht daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar tijd kon winnen en hem op ’t rechte spoor kon brengen, dan was de zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er verdwenen was konweer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor stuk,—met tusschenpoozen.Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van ’t oogenblik af, dat hij ’t ongeluk vernam had hij zijn best gedaan zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening heelemaal gebroken zijn, vol klachten—misschien vol verwijten.En nu snelde ze hem tegemoet—liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering, en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste stond.Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,—een gebogen grijsaard, wierp hij zich in zijn armen:„O Vader, arme Vader! wat hebt u ’t vreeselijk gehad!”„Kun je mij vergeven? Abraham!”„Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?”„Ja, met Gods hulp!” antwoordde de professor, met een diepe zucht; het ergste was voorbij.Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan met een glimlach, die bijna blij was; ’t was boven verwachting gegaan voor alle drie—die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop, maar om zeer verschillende redenen.’t Dienstmeisje stoorde hen met een boodschapvan den advokaat Kruse, of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen.De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde:„Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis, om van avond nog uit te gaan.—’t Is toch ook wel wat kras om je dadelijk te laten halen.”Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu begon hij rond te kijken.„Ja, je kijkt rond,” zei Clara; „ik heb alles wat verkocht moet worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar ’t voor de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je ’t liefst hebben zou, dat er niets werd achter gehouden.”„Natuurlijk, lieve Clara!—ik ben er zoo blij om, dat je zoo moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en—zal ik ’t maar bekennen?—meer dan ik van je verwacht had.”„Ja,” antwoordde zij met een berustenden glimlach, „ik weet helaas maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd, dat ik opga in pronk en...”„Neen, zeker niet!—dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in mijn gedachten onrecht deed—vergeef ’t me dan nu.”Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen—in zijn deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een gezellig hoekje bij de kachel.„Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter—en een stukje kaas ter eere van je thuiskomst.”„Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen,” en hij boog zich neer om haar hand te kussen.„Maar je ziet zoo vreemd rond?—wat is er?”„Is ook... Moeders naaitafel?—Was dat noodig?”„Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?” vroeg Clara scherp. „Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben.”„Ja, ik voor mij,” viel de professor hem in de rede, „ik vond werkelijk ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,—’t was een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen.”—„Neen Vader.—Clara heeft toch gelijk,” antwoordde Abraham met inspanning; „laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel drinken!—’t was flink van je, Clara.”Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een briefje voor Abraham.„Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?” vroeg Clara.„Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan.”„Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat ’t morgen tijds genoeg is.”„Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen, niet waar, Vader?”De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide handen. Clara liet haarman uit en vroeg hem met veel liefkoozingen om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in ’t geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen.„O Clara!—Wat is Vader oud geworden!” zei Abraham, toen ze hem zijn jas hielp aandoen. „Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop thee aannam! en hij, die zoo’n vaste hand heeft gehad.—Arme Vader!”Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van hem wilde.—Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse drukte hem hartelijk de hand.„Arme jongen!—dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar ik dacht, ’t was maar ’t best, dat je ’t door mij hoorde.”„Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht.”„Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat ik—eerlijk gezegd—in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar ’twasonvoorzichtig—”„Wat bedoel je?” vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets vreeselijks snoerde hem de keel dicht.„Wat ik bedoel?—ben je gek—Jongen? ’t Geld natuurlijk... dat heb je toch? ’t Geld van de arbeiders—’t bouwfonds en de ziekenkas?”Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als na een slag tegen ’t hart;zijn keel werd dik en met moeite bracht hij een geluid uit:„Vader...”„Ja zeker—je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?”Abraham knikte.—„en je vader gaf je ’t geld den volgenden dag terug?”Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan.„Groote God in den hemel!” schreeuwde de kleine advokaat. „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat heen en verstopt haar zilver en steelt—ja ik zeg ’t je ronduit—ze steelt! en je vader! jegrootevader—niet genoeg, dat hij mijn vader en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen, dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw Gottwald wat gespaard had...”„Neen,” antwoordde Abraham; maar hij werd op ’t zelfde oogenblik rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van een monument voor kleine Marius had gesproken.„Zie je wel?” riep Kruse bitter, „je herinnert ’t je wel. Luister nu: acht dagen vóór ’t failliet was je vader hier en praatte Mevrouw Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger rente te willen bezorgen!—Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat hij is—je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!”Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten bewusteloos. Kruse werd bangen had berouw over zijn woorden, en toen hij ’t eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer opsloeg, zei hij:„Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl—maar je kunt wel begrijpen, dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft.”Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar ’t was duidelijk, dat hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham:„Wat moet ik doen?”„Dat hangt er van af wat jekunt.”„Wat ik kan?”„Waar je kracht en moed voor hebt.”„Je denkt toch niet, datikme meê schuldig wil maken...”—hij kwam niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk; en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart.’t Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los te maken, om open en hardop te zeggen: „Zie! dit heeft mijn vader gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een nieuw leven beginnen.”Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht.Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen; hij ging regelrecht Greta zoeken.Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen lantarens meer waren. Langsden kant van den weg waren groote steenen gezet en in de diepte beneden hoorde hij ’t zware zuigen van de golven, die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste lantaarn om op zijn horloge te zien. ’t Was over tienen.Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was.Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde hij zijn naam roepen en een dame in ’t zwart kwam uit de schaduw van de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet.„Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in ’t donker!”„Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?”„Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar...”„Wanneer? Wie?”„Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet verdragen.”Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door ’t verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde:„Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!—wat was dat met Moeder?”„Niets. Vraag ’t me niet. Ik weet niets.”„Antwoord me! Umoetme antwoorden—ter wille van kleine Marius.” En hij hield haar vast. „Wat was dat met Moeder?”„Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ikweet; maar dan moet je niet meer vragen—arme Abraham!”Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was de beste vriend van haar jongen.„Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; ’t was nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar gezicht op in ’t gaslicht;—o dat gezicht!—Ik stond daar in de schaduw van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers—die ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik, dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was ’t niet vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht.”„Stierf ze? was dat de laatste nacht?—waar stierf zij?”„Je moeder stierf in haar bed,” antwoordde Mevrouw Gottwald vast; maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je familie in je groot ongeluk dacht—ja, ik dacht vooral aan jou, Abraham!—daar zie ik ineens je gezicht—dat zoo op ’t hare lijkt. Je haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in ’t gaslicht—; ja, kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen, in wanhoop rondliep?”„Maar Moeder!—gelooft u dan,—Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat Moeder...”„Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet men niet in ’t donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad terug.” Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort.„Was mijn moeder ongelukkig?”„Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we wel anders dan elkaarbedriegen? Sommigen met een booze, anderen met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed; maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom—”„—„daarom” zegt u?”„Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;—dat is gewoonlijk zoo.”Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield zijn belofte niet. ’t Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of zich voor ’t hoofd te schieten.En toch moest hij stilstaan en naar ’t geheimzinnige klotsen der golven luisteren—daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?—Wat moest hij denken?Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was; eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon: „Arme kleine Abby!”Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader, waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den aard van zijn ouders—in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij hadmoeten kiezen.—Dat—wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn leven moeten worden. En in plaats daarvan?—er kwam een vreeselijke leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse: „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!”Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden verborg, waar ’t zoo zwart en zoo stil was; dan was ’t voorbij—dan konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?—Hij begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijnkindschheidaf tot op dit oogenblik toe.Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine, slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden, die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem hebben voorgedaan—waarom? waarom was dat alles een rij van de meest smadelijke nederlagen geworden.Hij streek zich in wanhoop met beide handen door ’t haar en riep zich zelf luid toe:„Wat scheelt mij toch!—Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt, dat ik nooit—nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen, één carricatuur is mijn leven! ’t Is alsof elke vezel in mijn ziel vergiftigd is.” Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld meer voor hem!—En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit.Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag; hij tastte er langs in ’t halfdonker en merkte, dat zij de deur uit de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet.In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in ’t slaapkamertje, in de huiskamer; er was niets—niets ter wereld, behalve stroo en afval, dat hij onder zijn voeten voelde.Eindelijk stootte hij tegen de bank onder ’t venster, waarop hij gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd.Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen en toen was zij weggegaan. Zoo was ’t gegaan. En daarmee was ’t uit.De duisternis werd verdrongen door de schemering, ’t werd lichter en lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in ’t stroo op den grond.Daar ginds onder ’t venster, op ’t overschot van Grete’s wilgentakjes en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank afgegleden.—

Clara kwam het te weten doordat ze vond, dat de dienstmeisjes zoo wonderlijk deden; maar toen ze haar vroeg wat er was, kreeg ze geen ander antwoord dan dat er zeker iets beneden in ’t kantoor gebeurd was.

Ze werd nieuwsgierig, maar ze schaamde zich een beetje voor haar schoonvader en zond een boodschap naar Marcussen.

Mevrouw Clara was keurig gekleed in ’t bruin. Het bleeke, bloed-armoedige meisje van de bals, was in haar huwelijk een vastgebouwde, bekoorlijke figuur geworden.

Marcussen was een poos lang in ongenade geweest; nu zou hij weer wat zonneschijn genieten; Mevrouw Clara ging hem tegemoet en reikte hem glimlachend de hand.

Nooit was Marcussen minder goed gestemd geweest dan vandaag; maar zijn adem stokte toch bijna, zóó prachtig als ze was; en zijn oogen vlamden een oogenblik, zoodat zelfs Clara, die anders niet gauw bang was, de hare afwenden moest.

„Kom hier zitten, Mijnheer Marcussen! ’t Is zoo lang geleden...”

Zij gingen op haar kleine sofa zitten onder den onmisbaren palm; en Marcussen—als een goedejachthond, die op ’t spoor gebracht is,—ging dadelijk meê, vergat al de smart van dien dag, was in spanning en bereid: zou er toch nog wat van komen met dit prachtige vrouwmensch, waar hij al zoo lang omheen had gedraaid?

„Maar eerst moet u mij vertellen, wat er vandaag op het kantoor gebeurd is?—mijn dienstmeisjes beweren, dat er iets gaande is.”

Ja, was dat ook niet een duivelsch werk! Marcussen raakte hals over kop uit zijn pas opkomende droomen; hij vloekte en sprong van de sofa op en vergat heelemaal zijn deftige manieren.

„Wat is er toch? Mijnheer Marcussen! Waarom trekt u aan mijn bloemen? laat dat toch! Kom hier en vertel mij wat er voor onraad is. Waarschijnlijk een van uw eigen geschiedenissen midden in ’t kantoor... Hê?”

„Neen, waarachtig niet, Mevrouw!” barstte Marcussen uit, „deze keer is ’t niet een van mijn eigen geschiedenissen,—was het dat maar! Neen Mevrouw, ’t is erger—o! duizendmaal erger! En u moogt me gelooven—’t is zoo pijnlijk, zoo zwaar voor den professor en voor u, ja, voor Mijnheer Abraham natuurlijk ook.”

„Maar mijn God—Marcussen! schrei je? Wat is er dan? Antwoord dan toch!”

„Ja, ’t helpt immers niet het voor u te verbergen; we hebben onze betalingen gestaakt.”

„Gestaakt?—wie?—wat?—ik begrijp er geen woord van.”

„De zaak—ons huis—Carsten Lövdahl heeft zijn betalingen gestaakt!”

Mevrouw Clara gaf een gil—die Marcussen de deur uitjoeg. Dat was het eenigste, wat hij niet verdragen kon: vrouwen, die gilden.

De dienstmeisjes kwamen toeloopen; Mevrouw lag op de sofa in een toeval of wat het nu was, en was geheel buiten zich zelf.

De professor wilde niet boven komen; hij gaf bevel een boodschap naar Dr. Bentzen te zenden.

’t Eerste gevoel wat bij Clara opkwam, toen haar bewustzijn eenigszins terugkeerde, was woede tegen hen, die dit over haar gebracht hadden, niet zoo zeer de professor, hij imponeerde haar altijd.

Maar Abraham!—die stumper van een man!—hij was dus niet eens rijk. Zij was bedrogen, afgezet!

En haar japonnen, haar juweelen. Wat? Verkocht men zulke dingen niet als iemand zijn betalingen staakte?—ja, dat wist ze wel;—maarde haren. Goede hemel, ze zou nog gek worden; moestzijeenvoudig gaan leven? gaan uitsparen in allen ernst, om ’t hardst met Frederika—dat was toch niet mogelijk,—dat was onzin!

Een telegram werd binnen gebracht; ze gooide hem weg; die was natuurlijk van Abraham! dat moest zeker een troost verbeelden;—maar zij wilde niet getroost worden;—allerminst door hem; ze wilde dien telegram niet lezen—heelemaal niet!—

Maar een gesloten telegram kan men niet zoo gemakkelijk laten liggen; en toen Mevrouw Clara er een paar keer voorbij gekomen was, terwijl ze de kamer op en neer liep en de handen wrong,—scheurde ze hem open.

Hij was van haar vader en luidde: „Houd moed! met wijsheid en voorzichtigheid kan veel gered worden, brief volgt.”

Een straal van hoop!—alles was dus niet verloren! nooit had ze geweten, dat ze zooveel van haar vader hield, als op dit oogenblik. Veel kon geredworden,—gered? Clara was opeens sterk, ondernemend, vast besloten geworden.

Ze had een beetje begrip van politieagenten, verkooping en zulke dingen; maar heel helder was dat begrip niet; ze wist alleen, dat het iets vijandigs was en dat men de mannen van de wet kon en moest beetnemen.

Haastig ging haar oog de kamer rond; daar stonden twee massieve zilveren kandelaars op den schoorsteenmantel. Als een roofvogel vloog zij er op aan, liep er meê naar haar slaapkamer en verborg ze in een lade onder haar eigen linnengoed.

—En de eerste van de deelnemende vriendinnen, die bij haar geweest was, moest de anderen van hun kring een teleurstelling bereiden. Clara Lövdahl was heelemaal niet verslagen; integendeel. Ze nam het zoo goed op.

Ze had er over gesproken, dat ze nu natuurlijk allen moesten werken en in den grootsten eenvoud leven; maar wat haar betrof—zij was daar niet bang voor; ze had eigenlijk nooit veel om weelde gegeven; als maar ieder het zijne krijgen kon, zou ze blij toe zijn en niet klagen.—

—Abraham was op den terugreis uit het noorden, toen hij een telegram van Peter Kruse kreeg; die werd hem aan boord van de stoomboot gebracht op een der aanlegstations.

Eerst kon hij het niet begrijpen; een oogenblik zelfs dacht hij dat het een ruwe grap was;—maar dat leek niet op Kruse.

En nu—toen hij daar op het achterdek stond met de telegram in de hand, was hij opeens heelemaal alleen met den stuurman, die aan ’t roer stond; al de anderen waren verdwenen; en nu eerst viel het hem op, dat zijn reisgenooten al den vorigendag zoo vreemd tegenover hem gedaan hadden.

Toen begreep Abraham, dat dit bittere ernst was; en hij haastte zich naar beneden in zijn hut, en terwijl de zee schuimend voorbij ’t kleine ronde patrijspoortje ruischte, gaf hij zich over aan zijn pijnlijke gedachten en trachtte het groote ongeluk te overzien en te begrijpen.

Hij dacht het allereerst aan zijn vader; wat moest die al lang geleden hebben. Maar toen alle treurige gevolgen één voor één hem voor den geest kwamen verzonk hij diep in smart en moedeloosheid. Het lieve oude huis, de tuin, waar hij als kind in gespeeld had, al de duizend voorwerpen, elke hoek, zoo vol herinneringen,—dat alles verlaten; met leege handen heengaan en vreemden daar zien binnentrekken en er zich vestigen. En kleine Carsten zou niet als hij in dien omheinden tuin spelen en met steenen naar de katten gooien; en die kleine pony, waar Abraham over gefantaiseerd had als hij over de kinderjaren van zijn jongen dacht! van dat alles zou niets komen. Kleine Carsten zou de wereld ingaan als de zoon van een man, die zijn schulden niet betaald had.

’t Was eigenlijk voor ’t eerst, dat ’t leven hem zóó aangreep, dat hij zich op zich zelf alleen voelde aangewezen. Tot nu toe had hij altijd zijn geërfde plaats gehad onder hen, die veilig waren; op dit oogenblik voelde hij zich zonder steun, verantwoordelijk voor zijn zoon, die de wereld in moest en die niemand had om op te steunen dan zijn vader.

Maar van die gedachte ging een wonderlijke kracht uit. Nu was hij eindelijk gekomen, de groote tijd dat Abraham Lövdahl toonen zou wie hij was, als hij maar eerst voor een taak stond, groot genoeg voor zijn wil.

Ja, nu was eindelijk zijn tijd gekomen. Greta zou blij zijn, zelfs Clara zou hem leeren waardeeren. Maar eerst uit al dien handel weg!—heelemaal weg uit dat alles, dat voor hen allen een vloek geweest was!—Nu zag hij het in. Laat de schuldeischers nemen wat er is; en dan met leege handen beginnen aan een nieuw leven van eenvoudig werk.

Die gedachte maakte zijn hoofd zoo warm, dat hij ’t poortje moest openzetten om zich aan ’t zoute schuim te verfrisschen; hij voelde zich zoo sterk en zoo vol hoop!—

Hij zag het al—hun vreedzaam thuis in een van de kleine kustplaatsjes; de Steffensens moesten ook verhuizen. De beroemde Professor Lövdahl zou zijn praktijk weer opvatten en Abraham zou hem helpen. ’t Zou wel onmogelijk zijn nu nog zijn doctoraal in de medicijnen te doen; maar hij was immers Mr. in de rechten; dat radicaal zou hij toch wel voor ’t een of ander kunnen gebruiken.

In die stemming kwam hij thuis tegen ’t donker, den vierden dag na het failliet.

Abraham ging door de donkerste straten en bereikte ’t huis van zijn vader door een gangetje achter den tuin. Niemand had hem herkend. Op de eerste verdieping was alles donker; de gordijnen waren neergelaten; alleen boven op zijn kleine woning was één venster verlicht; zijn hart klopte warm; dat was de kamer van zijn zoontje.

Hij zag met verwondering hoe groot en leeg de gang was. Maar hij dacht dadelijk aan de groote kast, waar zijn moeder het tafelgoed bergde. Die was van Grootvader Knorr en was meer dan honderd jaar in de familie geweest; vermoedelijk moest die naar de verkooping; misschien was die al verkocht.

Abraham bleef staan en leunde tegen de trap;’t was toch vreeselijk hard—dat wat hij nu moest doormaken. Stuk voor stuk zijn liefste herinneringen uitrukken; alles wat hem dierbaar was naar vreemde, onverschillige menschen zien gaan. Maar hij verbeet zijn smart en verzamelde al zijn kracht; zoo moest het juist zijn,—ja—hij was er blij om, dat er al een begin gemaakt was, en hij ging langzaam de trap op.

Boven hadden ze hem beiden verwacht: Clara en de professor. Deze dagen had hen nader tot elkaar gebracht; en zonder, dat zij ’t elkaar behoefden te zeggen of iets af te spreken, werkten zij beiden, ieder op zijn manier, om het ongeluk te verzachten en te redden wat nog gered kon worden. De eerste opvlammende toorn van Mevrouw Clara was snel geweken, toen de diep neergebogen man haar een paar documenten bracht, die bewezen, dat kleine Carsten al lang meer bezeten had, dan de moeder vermoedde. En de professor had niet eens een kleinen, schuwen wenk behoeven te geven, dat het niet noodig was deze papieren dadelijk aan Abraham te laten zien; dat begreep ze volkomen. Beiden waren in spanning, angstig voor zijn thuiskomst—ieder op zijn manier.

De professor was voor Abraham ’t meeste bang—en tot het laatste oogenblik wist hij niet hoe hij zijn zoon zou durven aanzien. Moest hij niet verwachten, dat Abraham met zijn heftige natuur zou komen aanstormen met verwijten, omdat zijn leven bedorven was, zijn toekomst, zijn naam, zijn eer—alles meê getrokken in den ondergang van zijn vader.

Hij kon er niets op antwoorden—in ’t geheel niets; want dat was alles waar.

Hij had zelf van den beginne aan, dezen zoon opgevoed in volkomen afhankelijkheid en bewondering;tot op ’t allerlaatste oogenblik had hij alles verborgen, wat in Abrahams oogen de minste schaduw op hem werpen kon; en nu!—nu wist hij geen schaduw waarin hij wegkruipen kon.

—Mevrouw Clara was ook bang voor Abraham, maar op een andere wijze; ook zij kende zijn natuur; maar zij nam bij tijds haar maatregelen. Watzijvreesde, was, dat Abraham met zijn gewone neiging tot overdrijven alles zou opgeven; alles voor de voeten der schuldeischers neergooien en schoon schip maken.

Ze wist het best, dat hij in ’t geheel niet meê zou willen helpen om te redden wat gered kon worden, en daarom zag zij zijn thuiskomst met grooten angst tegemoet; hij was in staat al haar werk te bederven,—dat had de assessor Meinhardt haar ook geschreven.

Abraham Knorr Lövdahl was natuurlijk failliet gegaan, tegelijk met Carsten Lövdahl, maar de inboedel van den zoon was in werkelijkheid belachelijk klein; hij was meê verantwoordelijk voor bijna de geheele schuld van de firma, voor zoover als zijn naam gebruikt was; en dat was ’t geval op alle wissels van den laatsten tijd; en nu bezat hij feitelijk niets dan zijn meubels.

De door de wet voorgeschreven registratie boven bij de jongelui was bijna humoristisch. Of de schuldeischers een half of een kwart procent van dien inboedel kregen, kwam er werkelijk in ’t minst niet op aan bij dat ontzettend tekort. En de door den notaris gezonden gevolmachtigde liep rond en was doodverlegen tegenover Mevrouw Clara, die absoluut met hem meê wilde gaan in alle kamers om deuren en kasten voor hem open te doen en hem te laten zien wat opgeschreven moest worden.

’t Was maar een paar weken geleden, dat hij in deze zelfde kamers met haar had gedanst, als een eenvoudige, bescheiden gast, en nu moest hij haar theelepeltjes tellen! dat was toch te veel verlangd van een jong, welopgevoed candidaat in de rechten; en de notaris ging immers nooit zelf op zulke zaken uit.

Daarom werd ’t een vrij gebrekkige lijst; en toen die op de verkooping kwam, gaf hij aanleiding tot veel scherpe opmerkingen over ’t feit, dat dit overdadig weelderige huis zoo opvallend slecht van zilver en andere voorwerpen van waarde was voorzien. Maar anderen daarentegen legden er sterk den nadruk op, dat Mevrouw Clara alles had open gelegd en niets achtergehouden. Men kon ook wel zien, hoe zij zich zelf geplukt had, als men hoorde, dat zelfs ’t beroemde japansche naaitafeltje van de overleden Mevrouw Lövdahl zou verkocht worden, dat Mevrouw Clara toch best had kunnen behouden, want het was een huwelijkscadeau van den professor. Waar alles nu ook gebleven mocht zijn—reeds bij Abrahams thuiskomst was ’t zoo leeg en eenvoudig in de kamers, dat het iedereen opvallen moest.

Mevrouw Clara had het zoo geschikt, dat het donker was in de gang, waar vroeger een prachtige gascandelabre brandde; ’t eenigste licht daar kwam door een glazen ruit uit de keukendeur. De eetkamer was ook donker en koud; zij zouden in de huiskamer eten, om niet in twee kamers te moeten stoken. Zij was er zeker van, dat Abraham die kleinigheden zou opmerken; en ze hoopte, dat dit goed zou werken. Als men maar tijd kon winnen en hem op ’t rechte spoor kon brengen, dan was de zaak gewonnen. Later kon er weer licht en warmte komen en al wat er verdwenen was konweer van den zolder worden gehaald; maar stuk voor stuk,—met tusschenpoozen.

Toen ze hem in de gang hoorden, begon de professor zóó te beven, dat hij zijn courant moest neerleggen; maar Clara stond op en liep haar man in de eetkamer tegemoet. Zóó was Abraham nog nooit door zijn vrouw ontvangen; en hij had in stilte voor iets heel anders gevreesd. Van ’t oogenblik af, dat hij ’t ongeluk vernam had hij zijn best gedaan zoo min mogelijk aan Clara te denken; zij zou naar zijn berekening heelemaal gebroken zijn, vol klachten—misschien vol verwijten.

En nu snelde ze hem tegemoet—liefderijk, vrijmoedig, bijna blij! maar zoo wonderlijk vreemd in die zwarte, wollen japon zonder garneering, en toch zoo net en zoo mooi, alsof juist de eenvoud haar het allerbeste stond.

Hij werd heelemaal warm en door haar betooverd; en toen hij zijn vader ontmoette, die hem met trillende lippen wachtte,—een gebogen grijsaard, wierp hij zich in zijn armen:

„O Vader, arme Vader! wat hebt u ’t vreeselijk gehad!”

„Kun je mij vergeven? Abraham!”

„Spreek u zoo niet, Vader. Laat ons allen elkaar vergeven en een nieuwe rekening beginnen, die beter uitkomen zal, niet waar?”

„Ja, met Gods hulp!” antwoordde de professor, met een diepe zucht; het ergste was voorbij.

Ze stonden een oogenblik alle drie hand in hand en zagen elkaar aan met een glimlach, die bijna blij was; ’t was boven verwachting gegaan voor alle drie—die eerste ontmoeting: en ieder kreeg weer hoop, maar om zeer verschillende redenen.

’t Dienstmeisje stoorde hen met een boodschapvan den advokaat Kruse, of de jonge Mijnheer Lövdahl wel dadelijk even bij hem wilde komen.

De professor kromp ineen; maar Clara antwoordde:

„Zeg, dat Mijnheer pas is thuis gekomen en te moe is van de reis, om van avond nog uit te gaan.—’t Is toch ook wel wat kras om je dadelijk te laten halen.”

Abraham meende ook, dat het morgen wel tijds genoeg zou zijn; en nu begon hij rond te kijken.

„Ja, je kijkt rond,” zei Clara; „ik heb alles wat verkocht moet worden beneden in de kamers van Vader laten zetten, waar ’t voor de verkooping klaar staat; ik dacht, dat je ’t liefst hebben zou, dat er niets werd achter gehouden.”

„Natuurlijk, lieve Clara!—ik ben er zoo blij om, dat je zoo moedig, zoo onvervaard ben. Dat is juist goed en—zal ik ’t maar bekennen?—meer dan ik van je verwacht had.”

„Ja,” antwoordde zij met een berustenden glimlach, „ik weet helaas maar al te goed, dat je niet veel van me verwacht. Je denkt altijd, dat ik opga in pronk en...”

„Neen, zeker niet!—dàt heb ik nooit gedacht en als ik je ooit in mijn gedachten onrecht deed—vergeef ’t me dan nu.”

Toen kwam kleine Carsten binnen, om goeden nacht te zeggen—in zijn deken gerold, slaperig en lief en toen gingen ze aan tafel in een gezellig hoekje bij de kachel.

„Ja, zie je, Abraham! we hebben niet anders dan brood en boter—en een stukje kaas ter eere van je thuiskomst.”

„Dat is uitstekend, Clara! Ik kon niets beters verlangen,” en hij boog zich neer om haar hand te kussen.

„Maar je ziet zoo vreemd rond?—wat is er?”

„Is ook... Moeders naaitafel?—Was dat noodig?”

„Je zou toch niet willen, dat ik dat prachtstuk gehouden had?” vroeg Clara scherp. „Dat zou zeker aanleiding tot praatjes gegeven hebben.”

„Ja, ik voor mij,” viel de professor hem in de rede, „ik vond werkelijk ook, dat Clara dat met een gerust geweten had kunnen houden,—’t was een persoonlijk geschenk uit gelukkiger dagen.”

—„Neen Vader.—Clara heeft toch gelijk,” antwoordde Abraham met inspanning; „laat ons de bittere kelk tot op den laatsten droppel drinken!—’t was flink van je, Clara.”

Toen zij gegeten hadden en juist gezellig om de ronde tafel bij de sofa zouden gaan zitten, kwam het dienstmeisje weer binnen met een briefje voor Abraham.

„Wat is er nu weer? Is dat weer van dien afschuwelijken Kruse?” vroeg Clara.

„Ja; er moet iets heel gewichtigs wezen, want hij schrijft, dat ik van avond nog moet komen. Ik moet dus wel gaan.”

„Neen, dat moet je heelemaal niet. Ik ben er van overtuigd, dat ’t morgen tijds genoeg is.”

„Neen Clara! denk er aan, dat we niet meer onafhankelijk zijn; nu jij de last heelemaal op je schouders genomen hebt, wil ik de mijne niet afschuiven. We zullen ons niet vernederen, maar we moeten ons buigen, niet waar, Vader?”

De oude man mompelde wat en zag voortdurend zijn zoon aan; en toen Abraham hun goeden nacht had gewenscht en naar de deur ging, was het alsof de professor op wilde staan om iets te zeggen of hem terug te houden; maar hij zonk weer ineen en verborg het gezicht in beide handen. Clara liet haarman uit en vroeg hem met veel liefkoozingen om gauw terug te komen. Zij zou op hem wachten. Het stond haar in ’t geheel niet aan, dat hij dadelijk in de handen van dien Kruse vallen moest; hij had ook zulke dwaze overdreven opvattingen.

„O Clara!—Wat is Vader oud geworden!” zei Abraham, toen ze hem zijn jas hielp aandoen. „Stel je voor, ik zag hem beven, toen hij zijn kop thee aannam! en hij, die zoo’n vaste hand heeft gehad.—Arme Vader!”

Onderweg was hij hier nog zóó van onder den indruk, dat hij er niet toe kwam er over te denken, wat het toch wezen kon, wat Kruse van hem wilde.

—Ze waren beiden wat verlegen, toen zij elkaar ontmoetten; Kruse drukte hem hartelijk de hand.

„Arme jongen!—dat is zeker als een donderbui over je gekomen; maar ik dacht, ’t was maar ’t best, dat je ’t door mij hoorde.”

„Ja, ja! ik dank je voor je telegram. Dat was goed van je bedacht.”

„Ik stuurde om je van avond; neem me dat niet kwalijk, omdat ik—eerlijk gezegd—in de pijnlijkste ongerustheid heb rondgeloopen in deze dagen; en veel anderen met mij. Ik ben blij je zoo vrijmoedig te zien, want nu kan ik wel begrijpen dat alles in orde is; maar ’twasonvoorzichtig—”

„Wat bedoel je?” vroeg Abraham. En een duister voorgevoel van iets vreeselijks snoerde hem de keel dicht.

„Wat ik bedoel?—ben je gek—Jongen? ’t Geld natuurlijk... dat heb je toch? ’t Geld van de arbeiders—’t bouwfonds en de ziekenkas?”

Abraham drukte beide handen in de zij, waar hij een pijn voelde als na een slag tegen ’t hart;zijn keel werd dik en met moeite bracht hij een geluid uit:

„Vader...”

„Ja zeker—je vader heeft het geld uit de spaarbank gehaald, dat weten we! maar dat was natuurlijk maar voor een dag te leen?”

Abraham knikte.

—„en je vader gaf je ’t geld den volgenden dag terug?”

Abraham bleef met open mond en wijd opengesperde oogen staan.

„Groote God in den hemel!” schreeuwde de kleine advokaat. „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar! Je vrouw gaat heen en verstopt haar zilver en steelt—ja ik zeg ’t je ronduit—ze steelt! en je vader! jegrootevader—niet genoeg, dat hij mijn vader en nog veel anderen ruïneert; maar ik zal je maar één ding vertellen, dat toont wat hij voor een kerel is; jij hebt hem gezegd, dat Mevrouw Gottwald wat gespaard had...”

„Neen,” antwoordde Abraham; maar hij werd op ’t zelfde oogenblik rood, want zoo gemarteld als hij zich op dat oogenblik voelde, toch herinnerde hij zich, dat hij op een dag aan tafel over dat idee van een monument voor kleine Marius had gesproken.

„Zie je wel?” riep Kruse bitter, „je herinnert ’t je wel. Luister nu: acht dagen vóór ’t failliet was je vader hier en praatte Mevrouw Gottwald haar spaarbankboekje af, onder voorwendsel van haar hooger rente te willen bezorgen!—Wat zeg je daarvan? Zal ik je zeggen wat hij is—je groote vader? nu, hij is gewoon weg een gemeene schurk!”

Abraham viel achterover tegen een stoel en was verscheiden minuten bewusteloos. Kruse werd bangen had berouw over zijn woorden, en toen hij ’t eindelijk zoover gebracht had, dat de ander de oogen weer opsloeg, zei hij:

„Je moet niet boos op me wezen, Lövdahl—maar je kunt wel begrijpen, dat die geschiedenis met de arbeiders mijn halve leven bederft.”

Abraham greep half bewusteloos zijn hand, maar ’t was duidelijk, dat hij nog als verlamd was. Kruse liet hem met rust en liep intusschen de kamer op en neer. Na een lange stilte zei Abraham:

„Wat moet ik doen?”

„Dat hangt er van af wat jekunt.”

„Wat ik kan?”

„Waar je kracht en moed voor hebt.”

„Je denkt toch niet, datikme meê schuldig wil maken...”—hij kwam niet verder, want hij hield op door een blik van zijn vriend en een glimlach, dien hij kende: half moedeloos, half verachtelijk; en Abraham voelde dien glimlach branden in zijn hart.

’t Was waar! Hij had noch moed, noch kracht zich van de anderen los te maken, om open en hardop te zeggen: „Zie! dit heeft mijn vader gedaan, dit heeft mijn vrouw gedaan en dat heb ik zelf gedaan. Straf ons, als dat moet; maar laat ons na onze schuld geboet te hebben een nieuw leven beginnen.”

Dàt kon hij niet, dat wist hij zelf wel. Beschaamd en zonder op te zien sloop hij heen en Peter Kruse sloot de deur achter hem dicht.

Maar één gedachte was er in zijn hoofd, één naam op zijn lippen; hij ging regelrecht Greta zoeken.

Hij was door de stille, leege straten zóó ver gekomen, dat er geen lantarens meer waren. Langsden kant van den weg waren groote steenen gezet en in de diepte beneden hoorde hij ’t zware zuigen van de golven, die tegen de rotsen opstegen en weer neerzegen, zuigend en trekkend aan het taaie zeewier. Abraham stond stil, ging terug naar de laatste lantaarn om op zijn horloge te zien. ’t Was over tienen.

Greta zou wel naar bed zijn; maar dat deed er niet toe; hij wilde alleen maar naast haar bed zitten, haar hand in de zijne nemen en naar haar stem luisteren, waarin geen twijfel, geen ontrouw was.

Maar terwijl hij zich omkeerde om verder te gaan in het donker, hoorde hij zijn naam roepen en een dame in ’t zwart kwam uit de schaduw van de kerkhofpoort en snelde hem tegemoet.

„Ga niet verder, ik smeek je, Abraham. Ik smeek je er om, ter wille van kleine Marius! ga niet alleen zoo ver buiten de stad in ’t donker!”

„Maar lieve Mevrouw Gottwald, waarom mag ik dat niet?”

„Omdat ik vroeger gezien heb, dat... had ik toen maar...”

„Wanneer? Wie?”

„Je moeder stond ook hier! Ga niet verder, Abraham! Ik kan het niet verdragen.”

Eerst had hij gemeend, dat zij krankzinnig geworden was door ’t verlies van haar geld; maar toen ze zijn moeder noemde:

„Antwoord me, lieve Mevrouw Gottwald! antwoord me!—wat was dat met Moeder?”

„Niets. Vraag ’t me niet. Ik weet niets.”

„Antwoord me! Umoetme antwoorden—ter wille van kleine Marius.” En hij hield haar vast. „Wat was dat met Moeder?”

„Ik zal je antwoorden en alles zeggen wat ikweet; maar dan moet je niet meer vragen—arme Abraham!”

Nu was ze zooals in den ouden tijd de moeder van Marius en hij was de beste vriend van haar jongen.

„Ik heb je moeder juist hier zien staan, waar wij nu staan; ’t was nacht en donker als nu. En zij zag op haar horloge en hief toen haar gezicht op in ’t gaslicht;—o dat gezicht!—Ik stond daar in de schaduw van de kerkhofpoort en ik kwam niet te voorschijn; ik was immers—die ik ben. En zij was de vrouw van Professor Lövdahl. En toch zag ik, dat ze eenzaam was en in nood, en we waren beide moeders! Was ’t niet vreeselijk laf van me? En ze stierf dien zelfden nacht.”

„Stierf ze? was dat de laatste nacht?—waar stierf zij?”

„Je moeder stierf in haar bed,” antwoordde Mevrouw Gottwald vast; maar toen ik nu vanavond van Marius kwam en juist aan jou en je familie in je groot ongeluk dacht—ja, ik dacht vooral aan jou, Abraham!—daar zie ik ineens je gezicht—dat zoo op ’t hare lijkt. Je haalde je horloge uit, en keek daarna naar boven in ’t gaslicht—; ja, kun je je niet begrijpen, dat ik angstig werd, omdat je daar alleen, in wanhoop rondliep?”

„Maar Moeder!—gelooft u dan,—Mevrouw Gottwald! gelooft u, dat Moeder...”

„Ik weet noch geloof iets; maar menschen, die ongelukkig zijn, moet men niet in ’t donker laten loopen; kom, ga met mij naar de stad terug.” Ze nam zijn arm en zij liepen zwijgend voort.

„Was mijn moeder ongelukkig?”

„Hoe weet ik dat? Wat weet de eene mensch van den andere? Doen we wel anders dan elkaarbedriegen? Sommigen met een booze, anderen met een goede bedoeling. Ik kende haar trouwens ook niet zoo goed; maar zij was zeker een bizondere vrouw, en juist daarom—”

„—„daarom” zegt u?”

„Ja, lieve Abraham! daarom was ze zeker niet gelukkig;—dat is gewoonlijk zoo.”

Hij moest haar beloven niet buiten de stad te gaan; maar hij hield zijn belofte niet. ’t Was hem onmogelijk naar huis te gaan en er was voor hem geen gevaar. Hij dacht er niet aan in zee te springen of zich voor ’t hoofd te schieten.

En toch moest hij stilstaan en naar ’t geheimzinnige klotsen der golven luisteren—daar beneden in het donkere fjord, waar de lichten van de stad hem tegemoet kwamen springen in strepen van kleine glanzende puntjes. Had zijn moeder er over gedacht langs dezen donkeren weg het leven te verlaten? Was ze vrijwillig heengegaan?—Wat moest hij denken?

Hij doorleefde weer zijn herinneringen uit dien tijd. Nooit had hij er een flauw vermoeden van gehad, dat zijn moeder ongelukkig geweest was; eerst nu herinnerde hij zich hoe wonderlijk zwaarmoedig ze zeggen kon: „Arme kleine Abby!”

Maar als er een ongeluk in haar leven geweest was, dan moest het op een of andere manier met haar huwelijk in verband gestaan hebben en dat was het vreeselijke voor Abraham, dat alles vandaag zoo overweldigend samenliep om dien vader te verbrijzelen, dien vader, waar hij zijn leven lang tegen had opgezien, dien hij bijna aanbeden had met een soort godsdienstige vereering. De diepe kloof tusschen den aard van zijn ouders—in zijn kindschheid soms flauw vermoed, stond hem nu klaar voor den geest. En nu wist hij ook wat hij hadmoeten kiezen.—Dat—wat in zijn moeder geknakt was had de kracht van zijn leven moeten worden. En in plaats daarvan?—er kwam een vreeselijke leegte in hem en in zijn ooren klonk het met de scherpe stem van Kruse: „Jelui zijn daar toch een bende misdadigers met mekaar!”

Zou het toch niet het beste zijn als hij zijn schande daar beneden verborg, waar ’t zoo zwart en zoo stil was; dan was ’t voorbij—dan konden ze van hem zeggen wat ze wilden. Wat zouden ze zeggen?—Hij begon over alle gevolgen na te denken en kon niet verder komen dan zijn vaderlooze kleine Carsten. Maar opeens keerde hij zich af met een beweging alsof hij van zich zelf walgde; hij wist, dat hij nu niet en nooit zou durven; hij zag voor zijn oogen al de kleine treden van lafheid, waarlangs hij gedaald was, telkens lager van zijnkindschheidaf tot op dit oogenblik toe.

Alle groote woorden, alle schitterende fantaisieën, alle kleine, slappe aanloopjes; heel die behoefte om waar en moedig te zijn, die hem altijd lokkend en bedriegelijk vergezeld had; alle mogelijkheden, die hij in handen had gehad, alle gelegenheden, die zich aan hem hebben voorgedaan—waarom? waarom was dat alles een rij van de meest smadelijke nederlagen geworden.

Hij streek zich in wanhoop met beide handen door ’t haar en riep zich zelf luid toe:

„Wat scheelt mij toch!—Wat voor duivel huist toch in mij, die maakt, dat ik nooit—nooit doen kan wat ik zelf wil. Eén laffe leugen, één carricatuur is mijn leven! ’t Is alsof elke vezel in mijn ziel vergiftigd is.” Grete! Grete! Nu was er niets anders in de wereld meer voor hem!—En hij liep bijna zoo hard als hij kon de stad uit.

Toen hij het huis naderde vond hij, dat de deur er zoo vreemd uitzag; hij tastte er langs in ’t halfdonker en merkte, dat zij de deur uit de hengsels hadden gelicht en dien buitenshuis tegen den muur gezet.

In de kamers was niet de gewone lucht, ook was er niet... er was niets! hij liep langs de wanden in de keuken, in ’t slaapkamertje, in de huiskamer; er was niets—niets ter wereld, behalve stroo en afval, dat hij onder zijn voeten voelde.

Eindelijk stootte hij tegen de bank onder ’t venster, waarop hij gewoonlijk met Grete zat: die was vast aan den muur gebouwd.

Hier wierp hij zich neer. Steffensen was weg! Hij begreep alles: Grete had gehoord, dat hij de spaarpenningen van de arbeiders had weggenomen en toen was zij weggegaan. Zoo was ’t gegaan. En daarmee was ’t uit.

De duisternis werd verdrongen door de schemering, ’t werd lichter en lichter. De wind stak op tegen den morgen en ritselde in ’t stroo op den grond.

Daar ginds onder ’t venster, op ’t overschot van Grete’s wilgentakjes en riet lag Abraham Lövdahl te slapen. Hij was van de bank afgegleden.—

XV.Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste, haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men voorspeld had—alles kromp als ’t ware van dag tot dag, en ’t leven hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; ’t haar van dien armen man was sneeuwwit geworden in een paar weken.’t Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee beteekende; en ’t was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan ’t geld te kunnen komen.Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest—hij en Marcussen, allebei. ’t Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd man, was toch de ergste. En ’t meisje was nog al blind, en nu was zij de stad uit gestuurd,—zijmoestweg!—zeker met een flinke portie van ’t gestolen geld.Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen gezegd zou hebben, dat er Goddank—geen sprake was van vervolging van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht waren—nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald geloof en vertrouwen aangehoord.De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was nu ’t eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep, zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar de koperen slang in de woestijn.Hij was overal aan ’t werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien.De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijnscheepswerfmochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen—en men zei, dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde.Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen, maar ’t ging haar toch veel erger aan ’t hart, als ze er achter kwam, dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen.Maarten daarentegen had een knak voor zijn levengekregen: zijn berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat hij had,—en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam kregen van „dierbaar” te zijn.Maar in ’t huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles gesloten,—leeg, uitgestorven.Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit—met geen enkel woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte, dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding zou worden.Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw Gottwald.De oude Jörgen zelf was half verward in ’t hoofd geworden toen hij begreep wat er was gebeurd.—Ja, hij begreep het eigenlijk nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden, konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig, of Maarten nu in den winkel stond.Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd werkelijk vroolijk.Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan, dat alles in korten tijdverkocht en afgedaan werd. En toen het bleek, dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald, had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw had helpen bijeengaren. ’t Leven had haar nu werkelijk een afschrik van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat ook anderen ’t zouden worden.’t Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo aan—die historie met ’t geld van de arbeiders; en Peter had toch geen schuld; ’t was die Lövdahl, die ’t gedaan had.Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd had. ’t Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven.Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en vereenigd!—Nu was alles bedorven en verstrooid—erger dan vroeger; wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt.Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof zij ’t niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig:„Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten, niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen tegendat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg—en meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende.”„Dat ken ik, Mevrouw Gottwald.”„Ik ben geen Mevrouw,” antwoordde de andere en boog zich over haar werk.„Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad.”„Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen.”„Luister u nu eens—Mevrouw Gottwald!—die man, waar ik zoo graag zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo’n ongelukkig jongetje.”„Ik begrijp u niet,—of u begrijpt mij niet.”„Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er zijn tranen op zijn hoofdje gevallen—zulke tranen als u kent. Ja,—u ziet mij aan!—hier zit zij voor u—zijn moeder. Wij beiden—Mevrouw Gottwald—wij zijn gelijken.”„Groote God! dat heb ik nooit geweten!”„Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo groot kan zijn—voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al te veel geschaamd hebben—vooral u. Ja—u ziet me aan! maar ik meen het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook.”„Weet hij het dan?”„Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van, dat hij nooit in ’t verborgenste hoekje van zijn hartdaaromook maar een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven leven. Hoe heette hij?”„Hij heette Marius—kleine Marius.”„Nu,—Marius en mijn kleine Peter—zij zijn ongeveer broers. U hebt uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons beiden zijn—van ons allebei.”Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; ’t overviel haar zoo; maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging, dat „de jongelui” ’t nu wel samen eens zouden worden.Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou preeken over haar tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.” Frederika had het verteld. Maarten beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten immers in ’t geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid van hem.Zijzou ’t wel hooren of de rechte geest in hem was.’t Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang van herfst tot vollen winter. ’t Weer was guur en doordringend koud zonder ’t frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind.Er waren veel menschen; de groote rampen haddenmenschen naar de kerk gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere kleuren gekleed—als boetelingen—; geen bonte linten waren er te zien.De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of ’t ergste nu voorbij was; of was dit maar ’t begin van erger dingen?Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn „strijkplank” galant naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen—flink en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat achtergehouden, de oude raaf—dat ze er zoo onbekommerd uitzag.Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle oogen volgden hen.Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd—schoon en onderworpen als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was.Met den hoed in de hand, ’t witte hoofd wat op zij en een glimlach op de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl naast haar.Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar met de rechter steunde hij op den bedelstaf,—allen konden dien zien; hij was van bruin bamboes met ivoren knop.De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed, véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek, iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in ’t geheel niet.Maar de professor was lief! Stel je voor,—met bijna heelemaal wit haar! En zooals hij ’t opnam,—zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God, zoo stichtelijk voor de heele gemeente.De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent, dat—naar men zei—Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen; over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden ontdekt—naar men zei. ’t Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk wisten ’t waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen ’t er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der wet plaats had.Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó druk hadden de oogen ’t met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte, dat er nog iemand achteraan kwam.Dat was Abraham.—Er is smart in de wereld—vooral dat soort smart, die schande meêbrengt, die ’t een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het leven verder te verdragen. Des namiddags en ’s nachts voelt hij zich alsof hij stervenmoet, vóór ’t licht weer terugkomt.En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen en hij moet eten.’s Avonds zegt hij: „Hoe is ’t toch mogelijk, dat ik een heelen dag geleefd heb—en dit gedragen?”Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe een grap te zeggen en er zelf om te lachen.—Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden; maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren.Tot zekere hoogte had hij ’t nog nooit zoo goed gehad thuis; men behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna eerbiedig;—en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit bij haar gevonden had.Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en gered hadden.Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te wezen;—met hem was ’t gedaan.En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in ’t oor fluisterde: „Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar de kerk ging,” antwoordde hij heel kalm:„Ja, dat wil ik wel doen.”Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen macht meer over hem.En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouwliep, spuwde hij in gedachten zich zelf in ’t gezicht en riep zich zelf toe:„Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!”Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij—die de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.——Maar daar kwam Christensen—de bankdirecteur en zijn vrouw in een nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! ’t deed allen werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen!Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; ’t zilver stond nu op zijn plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen.De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: „Aanbid mij niet!”Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht; niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren.Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten; over de booze macht, die ’t geld onder ons menschen heeft; over den mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze woorden terug: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.”Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den kant van de vrouwen. ’t Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! ’t was Juffrouw Kruse.Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze was niet onpasselijk,want ze zag in ’t geheel niet bleek. Integendeel ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken.Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude vrouwen-stapjes, voort door ’t lange middenpad en de kerk uit.

Toen de faillissementen eindelijk allen bekend waren, zoodat men het ongeluk kon overzien, kwam er meer rust in de gemoederen; het eerste, haastig gevelde oordeel werd gewijzigd; de ontzettend groote omvang van de ellende, de groote omwentelingen en veranderingen, die men voorspeld had—alles kromp als ’t ware van dag tot dag, en ’t leven hernam bijna zijn ouden vorm, maar in wat grauwer kleuren. Haat en vergeving schaarden zich om zekere brandpunten. Van Professor Lövdahl was niet veel kwaads te zeggen; ’t haar van dien armen man was sneeuwwit geworden in een paar weken.

’t Was eerder de zoon, die al dit kwaad gesticht had; hij was een vrijdenker en hield zich met Kruse op, om de arme arbeiders af te zetten; zij hadden ook gevoeld wat de liefde van die twee beteekende; en ’t was bewezen, zei men, dat Abraham Lövdahl zich in de arbeidersvereeniging gedrongen had, alleen maar om aan ’t geld te kunnen komen.

Men vertelde ook al spoedig, dat hij naar de gevangenis moest—hij en Marcussen, allebei. ’t Was een goed paar; maar Lövdahl, een getrouwd man, was toch de ergste. En ’t meisje was nog al blind, en nu was zij de stad uit gestuurd,—zijmoestweg!—zeker met een flinke portie van ’t gestolen geld.

Intusschen werd spoedig verteld, dat de bankdirecteur Christensen gezegd zou hebben, dat er Goddank—geen sprake was van vervolging van een der gefailleerden; en als zijn woorden vroeger van gewicht waren—nu waren ze als orakels en werden door allen met onbepaald geloof en vertrouwen aangehoord.

De groote gestalte van den bankdirecteur met zijn onfeilbare neus was nu ’t eenige in de stad wat hoop gaf aan wie hem zagen; en wanneer hij als een olifant van zijn kantoor naar zijn dierbare bank liep, zagen de schuwe kleine burgers naar hem op als de Israëlieten naar de koperen slang in de woestijn.

Hij was overal aan ’t werk als aanvoerder, hij regelde en maakte orde en schikte en plooide, zoodat midden in de wanhopende ruïnen wat hoop begon te ontkiemen, nu voor dezen, dan voor dien.

De arbeiders dankten hem met tranen in de oogen, omdat ze op zijnscheepswerfmochten werken voor f 1.25 per dag; menschen, die verlegen waren om contant geld, kwamen bij hem om allerlei soort papieren en zaken van waarde te verkoopen; hij had hulp voor allen—en men zei, dat hij in dat jaar zijn vermogen bijna verdubbelde.

Op Mevrouw Frederika maakte het ongeluk den indruk, dat er nu met dubbele kracht gepingeld moest worden; het groote verlies kon ze niet recht vatten; wel kon ze de groote getallen herhalen en daarbij rillen, maar ’t ging haar toch veel erger aan ’t hart, als ze er achter kwam, dat de kruidenier haar voor vijftien cents had beetgenomen.

Maarten daarentegen had een knak voor zijn levengekregen: zijn berekeningen, zijn dierbare berekeningen hadden alles vernield wat hij had,—en alles wat hij berekend had te zullen erven van den ouden Jörgen. Hij ging door met rekenen en rekenen, tot hij zóó verbitterd was, dat zijn preeken, waar vroeger weinig op gelet werd, den naam kregen van „dierbaar” te zijn.

Maar in ’t huis van de oude Kruses veranderde alles; daar was alles gesloten,—leeg, uitgestorven.

Zoodra Juffrouw Kruse bekomen was van haar oprechte, onmetelijke verbazing, beval ze haar zoon Peter, dat hij nooit—met geen enkel woord, de schuld noemen zou, die Maarten hieraan had; zij hoopte, dat dit ongeluk voor haar jongsten zoon tot een zegen en een redding zou worden.

Maar daarbij pakte zij de zaak aan; en twee dagen na de beëindiging van het faillissement van Jörgen Kruse, verhuisden hij en zijn vrouw naar een van de drie kamers bij hun zoon den advokaat boven Mevrouw Gottwald.

De oude Jörgen zelf was half verward in ’t hoofd geworden toen hij begreep wat er was gebeurd.—Ja, hij begreep het eigenlijk nooit. Want zijn hersens, die altijd zwakke plekken gehad hadden, konden dien vreeselijken slag niet verdragen: de arbeid van een heel leven vergeefs! Als Amalia Catherine hem een oud kasboek gaf om op te tellen, was hij er den heelen dag meê bezig, tot men hem voor de maaltijden riep; alleen vroeg hij een enkele keer geheimzinnig, of Maarten nu in den winkel stond.

Juffrouw Kruse daarentegen hief haar klein hoofdje op en werd werkelijk vroolijk.

Peter en zij zetten den dikken advokaat Kahrs zoo zeer tot spoed aan, dat alles in korten tijdverkocht en afgedaan werd. En toen het bleek, dat de crediteuren bijna hun geheele vordering kregen uitbetaald, had Juffrouw Kruse geen zucht over voor al het geld, dat ze zoo trouw had helpen bijeengaren. ’t Leven had haar nu werkelijk een afschrik van geld gegeven. Nu zou ze juist gelukkig zijn; en ze hoopte, dat ook anderen ’t zouden worden.

’t Meest medelijden had ze met Peter; want hij trok het zich zoo aan—die historie met ’t geld van de arbeiders; en Peter had toch geen schuld; ’t was die Lövdahl, die ’t gedaan had.

Maar daar wilde Peter niet van hooren. Hij liep er voortdurend over te tobben, en verweet het zich, dat hij niet zelf de zaken behartigd had. ’t Hielp niet wat zijn moeder ook zei, niet eens hielp het, dat de arbeiders zelf hem verzekerden, dat ze hem niet het minst te verwijten hadden en hem dringend verzochten hun president te willen blijven.

Peter kon dat geld maar niet vergeten wat hij met zooveel vreugde had zien vermeerderen. Dat zou zijn liefsten droom tot werkelijkheid hebben gemaakt; de arbeiders vergaderd in hun eigen huis, sterk en vereenigd!—Nu was alles bedorven en verstrooid—erger dan vroeger; wantrouwen, lafheid en al de oude ellende; er moest weer van voren af aan worden begonnen. Hij moest wat opgevroolijkt worden, dacht Juffrouw Kruse en klampte dadelijk Mevrouw Gottwald aan; ze had natuurlijk al lang Peters geheim ontdekt.

Mevrouw Gottwald verweerde zich lang schertsend door te doen, alsof zij ’t niet begreep; maar eindelijk werd zij ernstig:

„Luister eens, Mevrouw Kruse! daar moeten we niet meer over praten, niet eens uit gekheid. Zelfs al waren er geen honderd andere dingen tegendat, waar u op zinspeelt, dan moest het al volkomen genoeg—en meer dan genoeg zijn, dat u mijn verleden kende.”

„Dat ken ik, Mevrouw Gottwald.”

„Ik ben geen Mevrouw,” antwoordde de andere en boog zich over haar werk.

„Dat weet ik ook; maar u hebt een kind gehad.”

„Ach ja! Een lieve, kleine ongelukkige jongen.”

„Luister u nu eens—Mevrouw Gottwald!—die man, waar ik zoo graag zou zien, dat u van hieldt, is ook zoo’n ongelukkig jongetje.”

„Ik begrijp u niet,—of u begrijpt mij niet.”

„Zijn moeder was ook niet getrouwd, toen hij ter wereld kwam; er zijn tranen op zijn hoofdje gevallen—zulke tranen als u kent. Ja,—u ziet mij aan!—hier zit zij voor u—zijn moeder. Wij beiden—Mevrouw Gottwald—wij zijn gelijken.”

„Groote God! dat heb ik nooit geweten!”

„Neen, ziet u! Van mij heeft men het vergeten; omdat het mij meêliep en ik getrouwd ben; maar op u bleef de schande drukken, heel uw leven door. En daarom heb ik nu gedacht, dat de schande eigenlijk niet zoo groot kan zijn—voor geen van ons beiden; ik geloof, dat we ons al te veel geschaamd hebben—vooral u. Ja—u ziet me aan! maar ik meen het in ernst en daarom heb ik mijn schaamte overwonnen en Peter ook.”

„Weet hij het dan?”

„Ja, daar ben ik van overtuigd. Maar nog meer overtuigd ben ik er van, dat hij nooit in ’t verborgenste hoekje van zijn hartdaaromook maar een ziertje zou hebben van iets, dat op minachting voor zijn moeder lijkt. En dat zou uw zoon ook niet gehad hebben als hij was blijven leven. Hoe heette hij?”

„Hij heette Marius—kleine Marius.”

„Nu,—Marius en mijn kleine Peter—zij zijn ongeveer broers. U hebt uw zoon verloren, neem u den mijnen in zijn plaats; hij zal van ons beiden zijn—van ons allebei.”

Mevrouw Gottwald lachte en schreide tegelijk; ’t overviel haar zoo; maar de oude haalde haar toch over om mee naar boven te gaan om thee te drinken. Op de trap bedacht Mevrouw Gottwald zich toch weer en wilde terugkeeren; maar gelukkig kwam er toen juist een heer de trap op en toen dit Peter bleek te zijn, nam Mevrouw Kruse dat aan als een zekere vingerwijzing en stelde zich zelf gerust in de overtuiging, dat „de jongelui” ’t nu wel samen eens zouden worden.

Haar zorgen voor haar tweeden zoon waren van heel anderen aard en voor hem had zij minder hoop. Morgen zou ze hem beproeven. Hij zou preeken over haar tekst: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.” Frederika had het verteld. Maarten beschouwde het als zijn plicht juist in dezen tijd krachtig ten strijde te trekken tegen de Mammonvergoding. Juffrouw Kruse zou niet zooveel om de woorden geven: zoo welsprekend als de Proost Sparre was Maarten immers in ’t geheel niet. Maar hij was haar zoon; ze kende elk geluid van hem.Zijzou ’t wel hooren of de rechte geest in hem was.

’t Was de tweeëntwintigste Zondag na Trinitatis, in den overgang van herfst tot vollen winter. ’t Weer was guur en doordringend koud zonder ’t frissche van de vorst; de menschen stroomden naar de kerk en haastten zich om onder dak te komen voor den gierenden zuidwestenwind.

Er waren veel menschen; de groote rampen haddenmenschen naar de kerk gedreven, die er anders nooit kwamen. De vrouwen waren in donkere kleuren gekleed—als boetelingen—; geen bonte linten waren er te zien.

De mannen zaten somber neer en worstelden met hun bekommeringen; of ’t ergste nu voorbij was; of was dit maar ’t begin van erger dingen?

Daar kwam consul With, die na zijn failliet in de directie van de bank was gekomen onder Christensen; hij bracht zijn „strijkplank” galant naar haar plaats en legde de plooien van haar mantel zorgvuldig om haar heen. Zooiets had men nog nooit gezien. Misschien had het ongeluk dit echtpaar tot elkaar gebracht. Daar kwam Juffrouw Kruse alleen—flink en beweeglijk, alsof er niets gebeurd was. Zij had zeker aardig wat achtergehouden, de oude raaf—dat ze er zoo onbekommerd uitzag.

Maar daar kwamen de Lövdahls! Alle hoofden keerden zich om; alle oogen volgden hen.

Mevrouw Clara liep bleek, met gebogen hoofd—schoon en onderworpen als een martelares. De japon, de eenvoudige hoed waren van een onwillekeurige gratie, die bijna aandoenlijk was.

Met den hoed in de hand, ’t witte hoofd wat op zij en een glimlach op de lippen, alsof hij allen om vergeving vroeg, liep Carsten Lövdahl naast haar.

Hij had zijn linkerhand in den arm van Mevrouw Clara gestoken; maar met de rechter steunde hij op den bedelstaf,—allen konden dien zien; hij was van bruin bamboes met ivoren knop.

De vrouwen taxeerden Clara. Ja zeker was zij eenvoudiger gekleed, véél eenvoudiger dan vroeger; toch was er, als men goed toekeek, iets irriteerends aan haar; echt geknakt was ze in ’t geheel niet.

Maar de professor was lief! Stel je voor,—met bijna heelemaal wit haar! En zooals hij ’t opnam,—zoo ootmoedig, zoo onderworpen aan God, zoo stichtelijk voor de heele gemeente.

De mannen hielden beschouwingen over het accoord van 50 procent, dat—naar men zei—Christensen voor Lövdahl zou zien te verkrijgen; over de vele schandelijke transacties, die de curators hadden ontdekt—naar men zei. ’t Was toch eigenlijk al te erg, dat zooiets er maar door kon. De overheid van den ambtman tot den minsten klerk wisten ’t waarachtig goed genoeg; maar welke particulier had den moed of de macht om die overheid te dwingen, om te zien wat zij volstrekt niet zien wou. De weinigen, die nog vast stonden, behoorden zelf tot den kring; en hoewel alle menschen onder vier oogen en in vertrouwen ’t er over eens waren, dat het volkomen onverantwoordelijk was zooals het ging, toch kon men met geen mogelijkheid aantoonen, dat niet alles met de meest nauwgezette inachtneming van de voorschriften der wet plaats had.

Zulke gedachten volgden Clara en den professor door de kerk; en zóó druk hadden de oogen ’t met hen, dat de gemeente eerst later opmerkte, dat er nog iemand achteraan kwam.

Dat was Abraham.

—Er is smart in de wereld—vooral dat soort smart, die schande meêbrengt, die ’t een mensch volkomen onmogelijk doen voorkomen het leven verder te verdragen. Des namiddags en ’s nachts voelt hij zich alsof hij stervenmoet, vóór ’t licht weer terugkomt.

En als de morgen komt, heeft hij een gevoel alsof er toch nog leven in hem is; hij moet de kleeren weer aantrekken, zijn haar borstelen en hij moet eten.

’s Avonds zegt hij: „Hoe is ’t toch mogelijk, dat ik een heelen dag geleefd heb—en dit gedragen?”

Den volgenden dag scheert hij zich; acht dagen later komt hij er toe een grap te zeggen en er zelf om te lachen.

—Zoo had Abraham een paar weken geleefd. Dagen en nachten hadden hem heen en weer geslingerd. Niets was zwaarder of lichter geworden; maar alles rondde zich af onder het zwoegen in die uren.

Tot zekere hoogte had hij ’t nog nooit zoo goed gehad thuis; men behandelde hem als een lieve zieke. Zijn vader was zoo zacht, bijna eerbiedig;—en Clara omringde hem met alle teerheid, waar hij ooit van gedroomd had vóór zij getrouwd waren en die hij vroeger nooit bij haar gevonden had.

Zij waren beiden bang voor hem. Eén woord, één uitbarsting van zijn overdreven principes kon alles omverwerpen, wat zij opgebouwd en gered hadden.

Maar in werkelijkheid behoefden ze voor hem niet langer bang te wezen;—met hem was ’t gedaan.

En toen Clara hem dien Zondagmorgen half angstig in ’t oor fluisterde: „Je weet niet wat een pleizier je Vader zou doen, als je met ons naar de kerk ging,” antwoordde hij heel kalm:

„Ja, dat wil ik wel doen.”

Toch kromp iets in hem ineen, toen hij onder den boog doorging en de groote oude kerk voor hem lag in sombere, grauwe herfstkleuren. Herinneringen drongen zich naar boven, oogen drongen op hem aan. Maar hij ontweek ze bijna zonder strijd; zij hadden geen macht meer over hem.

En terwijl hij achter zijn vader en zijn vrouwliep, spuwde hij in gedachten zich zelf in ’t gezicht en riep zich zelf toe:

„Kijk ootmoedig! Kijk vooral ootmoedig, hond, die je ben!”

Wat zag hij er akelig en griezelig uit! Niet een was er, die hem vertrouwde. Vrouwen en mannen zagen hem na met booze oogen. Hij—die de arme arbeiders bedrogen en bestolen had.—

—Maar daar kwam Christensen—de bankdirecteur en zijn vrouw in een nieuwen zwaren zijden mantel uit Hamburg! Goede hemel! ’t deed allen werkelijk goed menschen te zien, die nog zijde konden koopen!

Mevrouw Christensen glimlachte bewogen; ’t zilver stond nu op zijn plaats en het dwaze opschrift was er van weggenomen.

De houding van den bankdirecteur scheen te zeggen: „Aanbid mij niet!”

Maar hij kon het niet verhinderen. Hij was aller hoop en toevlucht; niet één had den moed aan zijn laatste zonderlinge manier van doen op de algemeene ledenvergadering van Fortuna te herinneren.

Toen begon Maarten Kruse zijn preek over de tienduizend talenten; over de booze macht, die ’t geld onder ons menschen heeft; over den mammon en de leliën des velds, en als grondtoon kwamen telkens deze woorden terug: „Geen goud, geen zilver, geen koper zult gij in uw gordelen verzamelen.”

Daar stond midden onder de preek een kleine gestalte op aan den kant van de vrouwen. ’t Was Juffrouw Kruse! Ja waarachtig! ’t was Juffrouw Kruse.

Ze hield den zakdoek niet voor haar mond; ze had geen neusbloeding, ze was niet onpasselijk,want ze zag in ’t geheel niet bleek. Integendeel ze zag er frisch en krachtig uit, zooals ze zich een weg baande tusschen de dames door, die van schrik vergaten plaats te maken.

Toen Juffrouw Kruse eindelijk het middenpad bereikt had, schikte ze kalm haar mantel terecht en ging toen met haar rustige oude vrouwen-stapjes, voort door ’t lange middenpad en de kerk uit.


Back to IndexNext