Dertiende hoofdstuk.

Dertiende hoofdstuk.Halifax is werkelijk eene allerbekoorlijkste, gastvrije plaats: de naam was verbonden aan zoovele aangename herinneringen, dat hij altijd aanleiding gaf tot nog een glas uit de reeds gekurkte flesch, vóórdat zij voor goed werd weggesloten. Het woord »Halifax!” had dezelfde wonderdadigekracht als het »Sesame open u” uit de Arabische Nachtvertellingen.In het vorige hoofdstuk vertelde ik onze ontmoeting met een Iersch emigrantenschip, waarvan mijn Hoog-Welgeboren commandant de lading tot zijn eigen voordeel en tevens tot dat van zijn land had weten te benutten. Een ander dergelijk vaartuig had een onzer kruisers ontmoet, Z. M. korvet Kolibri, en de commandant daarvan had dertig of veertig goed gebouwde Hiberniers uitgezocht om er zijne eigene onvoltallige bemanning mede te completeeren en de overigen aan het admiraalsschip af te geven. Kortzichtige stervelingen die wij allen zijn, zelfs gij commandanten van oorlogsschepen behoort daartoe! Hoeveel van hetgeen reeds zeer na aan de lippen was, komt dikwijls niet uit den beker in den mond! Aan boord van bedoelden koopvaarder bevonden zich twee alleraardigste Iersche jonge meisjes uit den fatsoenlijken stand, die op reis waren naar hunne familiebetrekkingen in Philadelphia; de eene heette Judy, de andere Maria. Toen aan de arme Ieren hunne veranderde bestemming was medegedeeld, ging daar aan boord een vreeselijk gejammer op, luid genoeg om de geschubde monsters uit de diepte naar hunne donkere holen te doen vluchten. De beide teederhartige meisjes werden er door tot in haar hart geroerd, en toen de zware stemmen in dit huilconcert begeleid werden door de sopranen en trillers van de vrouwen en kinderen, was het verschrikkelijk om aan te hooren.»O, miss Judy! O, miss Maria! zoudt gij kunnen aanzien, dat wij arme schepsels naar een oorlogsschip gesleept werden, zonder dat gij een goed woordje voor ons spraakt? O, een verzoek uit uw lieve mondjes aan den commandant, zou ons wellicht kunnen doen vrij blijven!”De jonge dames, hoewel zich niet zoo zeker gevoelende van de macht harer bekoorlijkheden, besloten toch het te beproeven; zij verzochten den officier van de korvet haar passage naar boord te verleenen, ten einde met zijnen commandant te kunnen spreken, verschikten en verstrikten eenige kleinigheden aan hare kleeding, sprongen als een paar dartele klipgeitjes in de sloep, zonder vrees voor de spatters van het zeewater, die, hoewel niet erg bevorderlijk voor den krul in hare lokken, den blos op hare wangen verhoogden, en daardoor wellicht aan het welslagen harer onderneming veel bij brachten.Het gezicht eener vrouwenrok op zee heeft altijd op een welgeaarden man een grooten invloed. Het brengt dadelijk een ieder in eene vroolijkestemming. Bij hare aankomst aan boord werden zij door den commandant in eigen persoon ontvangen en in de kajuit geleid, waar dadelijk eenige morgendrank werd gereedgemaakt en elke beleefdheid haar werd bewezen, waarop hare sekse en schoonheid aanspraak konden maken. De commandant was een van de vroolijkste snaken, die er bestaan hebben, en had een paar kleine, fonkelende zwarte oogen in het hoofd die dadelijk voor hem innamen.»En vertelt mij nu eens, jonge dames,” zeide hij, »waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb.”»Het was om een groote gunst van Uw Edelheid te verzoeken,” antwoordde Judy.»En die Zijne Edelheid zeker wel toe zal staan,” vulde Maria aan; »dat kan ik op zijn gezicht wel lezen.”Gevleid door die kleine aanhalerij van Maria, zeide de commandant dat niets ter wereld hem zoo aangenaam was dan de dames te kunnen verplichten; en dat, indien de gevraagde gunst slechts eenigszins met zijn plicht kon overeengebracht worden, hij die zoude toestaan.»Nu dan,” zeide Maria, »ik verzoek Uwe Edelheid mij Pat Flannagan, die pas door u geprest is geworden, af te staan.”De commandant schudde weigerend met het hoofd.»Hij is geen zeeman, Uwe Edelheid; slechts een arme turftrapper, van wien gij nooit eenigen dienst zult hebben.”Nogmaals schudde de commandant het hoofd.»Vraag mij liever iets anders,” zeide hij, »en ik zal het u geven.”»Nu dan,” zeide Maria, »geef ons Phelim O’Shaugnessy.”De commandant bleef onverbiddelijk.»Kom, kom, Uwe Edelheid,” zeide Judy, »wij zien niet op eene kleinigheid vandaag. Geef mij Flannagan, en ik zal u een kus geven.”»En ik een ander,” riep Maria, »voor Phelim.”De commandant zat tusschen de twee verleidsters in; zijn hoofd draaide als een windvaan in een storm; hij wist niet met welke te beginnen; eene onbeschrijfelijke joligheid scheen uit zijn oogen, en de dames zagen dadelijk in, dat zij het pleit gewonnen hadden. Zoo machtig is de schoonheid, dat weer deze beheerscher van den oceaan voor haar moest bukken. Judy kuste hem op de linker-, Maria op de rechterwang; de kapitein gevoelde zich den gelukkigsten aller stervelingen.»Nu dan,” zeide hij, »gij hebt uwen wensch; neem in ’s hemelsnaam uw twee man mede, want ik heb haast om verder te zeilen.”»Wilt gij verder zeilen en is het uwe bedoeling al die andere goede zielen, verreweg, met u mede te nemen? Neen waarlijk niet! Hier hebt gij een anderen kus voor een anderen man.”Ik kan onmogelijk vertellen met hoeveel kusjes die lieve meisjes deze benijdenswaardigen commandant begunstigden. Genoeg zij het te melden, dat zij al hare landslieden vrij kregen en opgetogen naar het schip terugkeerden. De geschiedenis werd in Halifax bekend, waar de goed gestemde admiraal alleen opmerkte, dat het hem speet geen commandant te zijn, en de geheele gemeente maakte er zich vroolijk over. De commandant, die even dapper als goed was, werd spoedig daarop bevorderd, maar niet voor deze daad, waarbij men bescheiden en vriendschappelijk zal moeten erkennen, dat hij eene nederlaag leed. De lord-kanselier placht te zeggen, dat hij in zijn langdurige rechterlijke loopbaan nog nooit een commandant van een oorlogsschip had gezien, die zich door twee Iersche meisjes veertig man uit zijne handen had laten kussen.Wij kregen last om naar de Bermudas te zeilen en stuurden dadelijk, nadat wij de haven uit waren, met eene frissche noordwester koelte zuidwaarts. De wind liep langzaam naar het zuidoosten en wakkerde tot een hevigen storm aan; na een poos echter ging hij weer liggen tot volkomen stilte, een hooge zee achterlatende, waarin het schip geweldig slingerde. Tegen elf uren begon de lucht te betrekken en was vóór den middag onheilspellend zwart geworden; de zeemeeuwen vlogen wild en schreeuwend om ons heen, alsof zij ons wilden waarschuwen gereed te zijn voor den naderenden orkaan, in welks verschijnselen men zich onmogelijk kon vergissen. De waarschuwing werd niet in den wind geslagen, wij maakten klein zeil en hadden, naar wij meenden, alle maatregelen genomen om met gerustheid het slechtste weer te kunnen afwachten. Tegen den middag viel het in met eene hevigheid, die de oudste en meest bevaren zeelieden aan boord deed verbaasd staan; het geweld van den stormwind was verschrikkelijk, en de verwoesting, die hij aanrichtte, onbegrijpelijk.De wind was weer naar het noordwesten teruggeloopen; het water, dat aan boord en over ons heen woei, was lauw als melk; de donkerheid en drukkende benauwdheid van de lucht waren in korten tijd over, doch de kracht van den windstoot was zoo hevig, dat bij het invallenhet schip over zij helde met zijne lijbatterij te water. Al wat niet vastgesjord was, vloog met vaart naar den lijkant; de kogels rolden uit hun roosters en omlaag heerschte de grootst denkbare verwarring en ontsteltenis, terwijl het bovendeks er nog vrij wat ernstiger uitzag; de bezaansmast en de voor- en groote steng gingen overboord, doch de wind maakte zooveel leven, dat wij er niets van hoorden; evenmin had ik, die dicht bij den bezaansmast gestaan had, iets van het breken bemerkt, tot ik omkeek en den stomp zag, afgescheurd als ware het een wortel. Nog steeds vermeerderde het geraas van den wind; het geleek op een roffel van donderslagen; de huizenhooge golven werden in hunne opheffing geregeld onthoofd en glad afgeblazen, terwijl de koppen als kokend schuim de dalen vulden; de stormstagzeilen woeien uit de lijken; de commandant, de officieren en de gansche bemanning stonden versuft in afwachting van de vreeselijke dingen, die komen konden.Het schip lag zoo zwaar over zijne bakboordszijde, dat de geschutpoorten eene sterke persing te doorstaan hadden en het er veel van had, alsof wij ingedrukt werden; groote watermassa’s werden door den wind opgenomen en de lucht ingeslingerd, andere stroomden de luiken in, die wij geen tijd gehad hadden behoorlijk te schalmen, want vóór wij hiermede gereed waren gekomen, was er veel water in het schip en dreven omlaag alle kisten en kooien, tafels en banken in groote verwarring dooreen. De schapen, de koe, de varkens en het pluimvee spoelden overboord of verdronken in het schip; geen stem van commando kon verstaan worden, bevelen werden dus niet meer mondeling gegeven; de tucht was tijdelijk geschorst; commandant en lichtmatroos hielden zich aan hetzelfde touw vast voor behoud van hun leven.De baas timmerman was voor het kappen der masten, maar daartoe gaf de commandant nog geene toestemming. Een van de schiemansgasten kwam, zich overal vasthoudende, op het halfdek en schreeuwde den commandant in het oor, dat een van de ankers losgeslagen was en nu aan het kabeltouw voor den boeg heen en weer sloeg. Dit niet te verhelpen, zou voor het schip zeer gevaarlijk kunnen worden; op grond hiervan kreeg ik last om naar voren te gaan en te zorgen, dat het weggekapt werd; maar in korten tijd waren nog èn wind èn zee zoo toegenomen, dat de weg om naar voren te komen, afgesloten was; te loefwaart was de drang zoo sterk, dat geen sterveling er tegen op kon. Ik werd daar tegen de op dek gesjorde sloepen aangedrukt enmoest weer naar achteren terugkruipen; de weg langs de lijloopplank bleef dus slechts over; daar deze onder water was, zwom ik over, onder beschutting van de sloepen, en deelde het bevel mede, dat onder eindelooze inspanning ten uitvoer werd gebracht.Op den bak vond ik de oudste en bevarendste matrozen zich aan het loefboord vasthoudende, met angst op het gelaat uitgedrukt; dit verbaasde mij, en ik was trotsch boven zulk eene zwakheid verheven te zijn. Terwijl bij mijne meerderen in jaren en ondervinding het hart van schrik verstijfd was, bleef ik volkomen bewust van het gevaar, dat ons dreigde, en zag ik duidelijk in, dat als het fregat niet binnen zeer korten tijd rees, wij allen naar de kelder gingen; want in weerwil van onze inspanning en voorzorgen vermeerderde het water in het schip. Ik bereikte weder zwemmende het halfdek, waar de commandant, met de grootste zeemanskalmte, met drie van de beste matrozen, bij het stuurrad stond; doch het roer ontving van de hooge zee zulke hevige schokken, dat zij de uiterste moeite hadden om te voorkomen van overboord geslagen te worden. De lij-halfdeks-batterij was geheel onder water; het was wenschelijk deze overboord te werken, en daar het hier eene zaak van leven of dood gold, slaagde men daarin. Toch bleef het schip als een blok liggen en wilde zich niet oprichten, doch ging voort op verontrustende wijze te zakken. De orkaan bleef met dezelfde hevigheid voortwoeden, en de algemeene stemming scheen te zijn: »Laat ons bidden, want wij zijn verloren!”De fokke- en groote mast waren nog heel en hadden het gewicht te dragen van de daaraan hangende gebroken stengen met hun tuig, die, als een hefboom, het gedrukte schip nog het meeste neerhielden. Die groote toplast kwijt te raken was noodig, doch zoo goed als onuitvoerbaar. Doch het was een wanhopend geval, waarvoor eene wanhopige poging moest in het werk gesteld worden, wilden wij niet zeer spoedig naar het rijk der haaien verhuizen. Het gevaar om iemand naar boven te zenden was zoo groot, dat de commandant daartoe geen bevel durfde geven; maar hij wist aan het langzamerhand op het halfdek gekomen volk, door gebaren te kennen te geven, dat, tenzij wij gauw van dat bovenwicht verlost waren, het schip zoude moeten zinken.Op dit oogenblik scheen het, alsof elke nieuwe aanschietende zee het schip dieper en dieper indompelde. Met vaart daalde het in de holte der golven, om slechts met moeite, alsof het niet meer kon van vermoeienis,en slechts gedeeltelijk, door een volgenden roller opwaarts geheven te worden. Het schip scheen den strijd tegen de elementen moede en op het punt om zich over te geven, gelijk eene edele, zwaargehavendeversterking bukt voor de onweerstaanbare overmacht van den vijand. Onze bemanning had geheel en al de bezinning verloren; hadden zij drank kunnen bemachtigen, dan zouden zij zich uit wanhoop bedronken hebben, om zoo den dood te gemoet te gaan. Bij elke ruk, dien het schip kreeg, scheen het alsof de groote mast zich voornam om te gaan; het loefwant stond snaarstijf, alsof de hoofdtouwen ijzeren stangen waren, terwijl het lijwant in een groote bocht los naar beneden hing of met de blokken van de andere zijde tegen den mast aanslingerde, welke met al de ontvangen rukken, zijne laatste oogenblikken naderde. Wij verwachten niet anders dan hem te zien afbreken en daarbij een stuk van de verschansing te zien medegaan. Er werd niemand genegen bevonden op het verzoek van den commandant naar boven te gaan om de aan den top hangende vleet van stengen, raas en tuig weg te kappen. Doodelijk stil waren wij allen, doch de orkaan nam, zoo mogelijk, nog in hevigheid toe.Ik erken, dat ik mij op dit oogenblik voelde herleven tegenover een gevaar, dat niemand scheen te durven trotseeren. Ik wachtte nog een oogenblik, of zich allicht een vrijwilliger zou voordoen, en was er zeker van, dat zoodanig een mijn bitterste vijand zou worden, omdat hij mij in den weg kwam voor de voldoening aan mijn grootsten hartstocht—grenzenloozen trots—doch niemand trad voor. Dikwijls genoeg had ik mij in een groot, gemeenschappelijk gevaar bevonden, en was dan meesttijds geheel vooraan gesprongen; maar om te ondernemen wat eene dappere, goed geoefende fregatsbemanning niet durfde bestaan,—was voor mij het toppunt van moed, dat ik nooit gedroomd had te zullen bereiken. Een scherp kapmes in mijnen gordel stekende, wenkte ik den commandant toe, dat ik het zou gaan beproeven, en dat wie lust had, mij volgen kon, en ik liep het sterk hellende loefwant in, met vijf kloeke mannen achter mij aan komende. Zóó werkt het voorbeeld van een officier op de houding der mindere schepelingen!De zware rukken, die het tuig kreeg, maakten het zeer moeielijk om ons vast te houden of niet in de vleet bekneld te raken. Met de armen en beenen moesten wij de hoofdtouwen omvatten; en angstig, in ademlooze spanning zag men van het dek naar ons op en werd daarna elke hakvan het mes met gejuich begroet. Het grootste gevaar voor ons scheen voorbij, toen wij de zwichtings bereikt hadden, waar onze voeten steun vonden. Wij verdeelden ons werk; sommigen namen de talreepen van het stengewant, ik den borg van de groote ra voor mijne rekening. De stevige kappen, die wij gaven, werden door gekraak beantwoord; nog een hak, nog een en.... daar ging de heele afgebroken rommel over het lijboord te water. Het was alsof het schip dadelijk verademing kreeg; het richtte zich weder, en wij kwamen omlaag onder de vreugdekreten, toejuichingen en gelukwenschen, en ik mag er zelfs bijvoegen, de tranen van dankbaarheid van de meesten onzer scheepsmakkers. Er bleef nu nog eenig licht werk overig; gestadig nam thans ook de storm in hevigheid af, de vleet werd langzamerhand van het schip vrij geklaard, en de angst werd vergeten.Dit was voor mij het genotvolste oogenblik van mijn leven, voor geen aardsch goed had ik dat fiere gevoel willen missen, dat ik had bij het weder betreden van het halfdek. De goedkeurende glans in het oog van den commandant, de hartelijke handdrukken, de lof der officieren, de gretige blikken van de bemanning, die mij vol verbazing aanstaarden en opgewekt gehoorzaamden, deden mij op zichzelf beschouwd aangenaam aan, maar verzonken in het niet, vergeleken bij het innerlijke gevoel van bevredigde eerzucht,—een hartstocht zoo nauw met mijn bestaan saamgeweven, dat mijn persoon en mijn roem zonder deze niet meer leven konden. Ik gevoelde, dat mijn trots gerechtvaardigd was.Gewoonlijk hebben orkanen geen langen duur; deze werd gevolgd door stormweer, dat zwaar genoeg, echter in vergelijking van hetgeen wij doorleefd hadden, niets beteekende. Wij togen aan het werk, zetten een noodmast op en kwamen zoo na enkele dagen te Halifax terug, hetgeen voor ons eene heerlijkheid, en voor de bewoners, die de volle kracht van den orkaan gevoeld hadden en zeer over ons in angst waren geweest, eene geruststelling was. Mijne armen en beenen vorderden eenigen tijd om te herstellen van de kneuzingen, die ik bij mijn laatste gevaarvolle werk had opgedaan, en daarvoor moest ik zoolang aan boord blijven. Toen ik beter was, ging ik naar den wal en werd vriendelijk en minzaam door mijne talrijke kennissen ontvangen.Nog niet lang waren wij in Halifax, toen ik eene plotselinge verandering bespeurde in de houding van den commandant tegenover mij. De werkelijke reden daartoe heb ik nooit kunnen ontdekken, ofschoon ikmij ter zake in gissingen verdiepte. Ik moet tot mijn spijt bekennen dat ik, in weerwil zijner steeds tegenover mij betoonde vriendelijkheid, in weerwil van mijn oprechten eerbied voor hem, zoowel in zijne hoedanigheid van officier als van fatsoenlijk man, hem eens belachelijk gemaakt heb. Maar hij was veel te goedaardig om zich eene onschadelijke jeugdige grap zoo zwaar aan te trekken; gewoonlijk was in vijf minuten tijds de boosheid van dezen beminnelijken man over iets dergelijks, als ik nu hier vertellen ga, geheel geweken.Wat er gebeurd was, was dit: mijn waarlijke edele commandant droeg een bijzonder wijd soort van blauwe pantalon. Of hij nu zelf vond, dat dit zeemansachtig stond, dan wel of zijn kleermaker bij het uitknippen zich vergist had of toen ter tijd met veel katoenen stof bezet had gezeten die hij opruimen wilde, weet ik niet; maar hoe breed ook de achterboeg van zijn lordschap was, nog breeder en wijder waren naar evenredigheid de plooien van dit onmisbaar deel van zijn omhulsel.Dat »een steekje op zijn tijd er wel negen later uithaalt” is een spreekwoord, dat bij de naaisters veel opgang maakt, doch aan boord, met zoovele andere wijsheden, al te dikwijls over het hoofd wordt gezien. Dit was ook met lord Edward het geval geweest. In de achternaad van zijn boven omschreven kleedingstuk bevond zich een verwaarloosde torn, nog aanwezig toen de orkaan inviel. De verbolgen wind had voor niets ontzag, joeg, scheurde, brak alles voor zich uit wat hem tegenstand bood, nestelde zich waar hij een opening kon vinden, vulde alle ruimten, die hij in zijn weg ontmoette. De onschuldige broek van lord Edward had een argeloos kiertje openstaan, dit was als eene bres voor het woedende element, waardoor het zich een intocht baande. De krachtige Boreas blies het kleedingstuk op, als een trompetter zijne wangen. Tegen zulk eene spanning bleek het niet bestand te zijn, het scheurde aan flarden en reepen, die het lichaamsdeel tuchtigden, dat zij behoorden te beschermen, en eindelijk geheel en al in den steek lieten.Het was een lastig geval; doch daar het schip in nood was en wij niet anders dachten dan daarmede binnen het halfuur te zinken, was het de moeite niet waard om van dek te gaan om het vernielde kleedingstuk te vervangen door een ander, dat hem in de diepte der zee toch niets gegeven zou hebben. Maar toen het gevaar geweken was, werd de grap opgehaald en was ik te Halifax eens bezig met hetverhaal een heel gezelschap te amuseeren, toen juist zijn lordschap binnenkwam. Het verhaal veroorzaakte een niet te bedwingen luid gelach. Spoedig bespeurde hij hiervan het onderwerp te zijn; hij zag mij voor de aanleiding aan en was een paar minuten onaangenaam gestemd; doch het woei spoedig voorbij, en ik kan nog niet gelooven, dat dit de reden was van de verandering zijner gevoelens ten mijnen opzichte; want hoewel het als hoogverraad wordt beschouwd den hond van den commandant scheef aan te zien, laat staan hemzelf uit te lachen, wist ik toch, dat mijn chef een veel te royale kerel was, om door zulk eene kleinigheid lang gegriefd te zijn. Meer verdenk ik den eersten officier en de overige luitenants, dat zij mij wel wilden kwijt zijn; en in zekeren zin hadden zij geen ongelijk: voor een zoo jong officier was ik, boven al de anderen uit, te populair bij de mindere schepelingen, en noodwendig was dit ten nadeele van de krijgstucht. Ik ontving van lord Edward een zeer vriendschappelijken wenk, dat een ander commandant van een grooter fregat om mij gevraagd had. Ik begreep zijne bedoeling; wij scheidden als goede vrienden, en altijd zal ik met eerbied en erkentelijkheid aan hem denken.Mijn nieuwe commandant was een geheel ander soort van mensch, ook beschaafd van manieren en een gentleman, maar een boekgeleerde. Minzaam met zijne officieren omgaande, stelde hij zijne bibliotheek steeds ter hunner beschikking; de kerk, waar de boekenkasten stonden, was voor ons allen open. Dit lokaal was de schoolkamer voor de jongere, het studeervertrek voor de oudere cadets. Hij was een uitmuntend teekenaar, en ik leerde veel door zijne aanwijzingen.Wij werden naar Quebec gezonden, zeilden door de prachtige Straat Canso, de breede en vorstelijke St. Laurensrivier op, in ’t zicht van het eiland Anticosta. Veel bijzonders gebeurde er op den overtocht niet, behalve dat een Schotsche dokters-assistent in de voorlongroom, die allerlei aristocratische neigingen aan den dag legde, eene democratische les noodig had, die ik hem toediende. Hij beweerde, dat hij door geboorte en opvoeding (te Edinburgh) het recht had om het hoofd van onze tafel te zijn. Hier had ik een en ander tegen en leerde spoedig den heerschzuchtigen zoon van Esculapius, dat de wetenschap der zelfverdediging even hoog behoort aangeschreven te staan als de kunst van heelen, en dat, mocht hij in de laatste bedreven zijn, ik hem gelegenheid zou geven op eigen persoon daarvan de proef te nemen: hieropgaf ik op zijn sinciput, op zijn occiput, os frontis, os nasi en alle andere kwetsbare deelen van zijn corpus, zekere veerkrachtige, harde drukkingen, die de bedoeling hadden de gevoelszenuwen te verstompen en te verdooven en onder elk oog eene onderhuidsche bloeduitstorting teweeg te brengen; terwijl tegelijkertijd uit iedere neusopening eene rijke carmijnkleurige stroom te voorschijn kwam. Het was echter nooit mijne gewoonte om te bluffen of op eene overwinning door te gaan; ziende dat hij zijne wapenen liet zakken, deed ik hem de gebruikelijke vraag of de partij ter andere zijde voldaan was, en hierop een bevestigend antwoord hebbende ontvangen, borg ik mijne kneusbotten op, tot hun dienst eens weer gevorderd mocht worden, hetzij om eene berisping uit te deelen, of eene correctie af te weren.Wij ankerden bij kaap Diamant, die de St. Laurens van de kleine rivier St. Charles scheidt. De binnenlandsche voortzetting van deze kaap vormen de Abrahams-hoogten, alwaar de onsterfelijke generaal Wolfe Montcalm versloeg, in het jaar 1759, toen beide generaals een roemrijken dood op het slagveld vonden. De stad is gelegen aan het uiteinde van de kaap en heeft een schilderachtig voorkomen. De huizen en kerken zijn meerendeels met zink gedekt ter vermindering van brandgevaar, waaraan deze plaats dikwijls blootstond, toen de huizen gedekt waren met riet en latten. Wanneer de ondergaande zon zijne stralen over de stad uitwerpt, zoude men zeggen, dat zij in ’t zilver gezet was.Het hoofddoel onzer reis naar Quebec was om volk te zoeken, waaraan op het eskader groot gebrek was. Onze matrozen en mariniers werden heimelijk in presgangen afgedeeld. Het bevel van eene daarvan werd mij toevertrouwd. De officieren en mariniers gingen vermomd aan wal, nadat zij onderling seinen en plaatsen van bijeenkomst hadden afgesproken; terwijl matrozen, op welken wij konden rekenen, als lok-eenden moesten dienen en den schijn zouden aannemen van op koopvaarders te dienen, waarvan hun officier de schipper was, en hen overhalen zouden voor de thuisreis dienst te nemen, voor eene premie van 10 kan rum en driehonderd dollars. Menigeen liep er op deze wijze in, en zij werden niet uit den droom geholpen vóór zij langs zijde van het fregat kwamen, waar hunne vloeken en verwenschingen beter te begrijpen dan te herhalen zijn.Hierbij dient aangeteekend te worden, dat vaartuigen, die voor den houthandel varen, aankomen in de maand Juni, als de riviermond vrijvan ijs is, en dat, als zij niet weg zijn tegen of vóór het eind van October, de kans groot is om in het ijs vast te raken, waardoor zij in de St. Laurens moeten overwinteren, eene verloren reis gemaakt hebben en zeven à acht maanden werkeloos moeten blijven. Hiermede bekend deserteeren de matrozen zeer dikwijls bij hunne aankomst, en worden dan verborgen en gevoed door zielverkoopers, die er hun voordeel in vinden hen in den loop van het jaar aan de kapiteins te verschacheren. Zij weten dan voor de matrozen een zeer groote som voor het maken der thuisreis te bedingen en verdienen voor zichzelf een goed handgeld voor hunne moeite èn van den kapitein èn van den matroos.Men had ons opgedragen geen volk van de koopvaardijschepen aan te nemen, doch hen in de huizen der ronselaars te gaan zoeken. Voor ons was dit eene bron van veel genoegen en van merkwaardige lotgevallen; want het vernuft om het volk weg te stoppen werd overtroffen door de kunstmiddelen en slimheid van onzen kant in het werk gesteld om hunne schuilhoeken te vinden. Kelders en vlieringen lagen al te zeer voor de hand, daar behoefden wij niet te zoeken; meer kans op een goede jacht hadden wij bij het doorsnuffelen van hooibergen, kerktorens, geheime bergplaatsen onder den haard, waarin het vuur brandde, enz. In een woord, men kon zoo vreemd geen hoekje uitdenken, waarin niet wel eens een of meer mannen waren verstopt geweest. Somtijds vonden wij matrozen, als heeren gekleed, aan het drinken van wijn en in vertrouwelijk gesprek met menschen uit hoogere standen, die hen op deze wijze zochten te verbergen. Door eigen onderzoek kwamen wij achter dergelijke verschoonbare bedriegerijen.Ik trok ongeveer vijftien mijlen van Quebec landwaarts in naar eene schuur, waarvan het mij bekend was geworden dat zij aan een der ronselaars toebehoorde. Na lang vruchteloos gezocht te hebben, ontdekten wij eenige flinke matrozen in de hanebalken van een buitenloods, die alleen diende om spek te rooken. Daar het vuur brandde en er eene flinke rook naar boven steeg, was het moeielijk om te denken dat een menschelijk wezen het daar zou kunnen uithouden; wanneer ook niet iemand uit den troep aan het hoesten geraakt was, zouden wij ze nooit ontdekt hebben. De arme hoester werd natuurlijk door zijne kameraden niet vroolijk aangekeken, toen wij hen een voor een inpalmden. Om hen zeker over te brengen, sneden wij hen van achter de broeksbanden door (een zeer aan te bevelen middel van voorzorg) waardoor zij in het wegloopenbelemmerd waren, en namen gezamenlijk plaats op den grooten wagen van den boer, die gedwongen werd ook naar Quebec terug te rijden. Eens onder weg zijnde schertsten onze nieuwelingen braaf mede over de omstandigheden hunner ontdekking. Het was overigens verwonderlijk, hoe gemakkelijk die lieden zich verzoenden met het denkbeeld van naar een oorlogsschip te gaan; misschien was het om den aanstaanden oorlog met de Yankees. Ik begon veel genoegen in de menschenjacht te krijgen, ofschoon kalme overdenking mij later overtuigd heeft van de wreedheid en onrechtvaardigheid van het pressen. Het middel is bovendien ondoelmatig, daar het meer dan eenige maatregel, die het gouvernement zou kunnen nemen, strekt om goede zeelieden het land uit te jagen. Doch het is hier niet de plaats om eene verhandeling te schrijven tegen den presgang. Ik voor mij gaf niets om de persoonlijke vrijheid van een ander, zoolang het mij te doen was om de equipage voltallig te hebben tegen den naderenden oorlog; en daar ik tevens mijne liefhebberij voor avonturen bevredigde, had ik volstrekt geene gedachten over voor de gevolgen van mijne handelwijze.Een koopman te Quebec had mij beleedigd door het niet aannemen van een wissel, dien ik op mijn vader had getrokken. Ik had geen ander middel om eenige bij hem gedane aankoopen te voldoen, en was zeer verstoord door zijne weigering, die hij vergezeld deed gaan van een zeer onbehoorlijken schimp op mijzelf en de uniform die ik droeg. Het papier, dat hij in handen hield, van alle zijden bekijkende, zeide hij verachtelijk: »Een wissel van een adelborst heeft voor mij geene waarde; ik dank u voor het bedoelde koopje!”Overtuigd dat de wissel goed was, nam ik voor mij te wreken. Mijne pres-volmacht stelde mij in staat om overal te komen, waar men mij bericht had, dat volk zou verstopt zijn, en een dergelijke aanklacht tegen hem wist ik gemakkelijk door een mijner kameraads op te doen. (Men ziet de arme man was in handen van eene heilige broederschap gevallen). Mijn vriend gaf zijne besliste overtuiging te kennen, dat daar in huis matrozen verborgen waren; ik verzocht nadere orders van den commandant, en deze beval mij aan strikt mijnen plicht te doen. Onze koopman nu was een man van aanzien in Quebec, die uitgebreiden handel dreef. Ongeveer te één uur in den morgen bonsden wij met het noodige geweld op zijne huisdeur, gelastende dat men zou openen in naam des Konings. Toen men weigerde, braken wij de deur open enverspreidden ons als een nest van kakkerlakken door zijn huis. Wij lieten geen kelder, geen zolder, geen kamer ondoorzocht,braken in ons onderzoek enkele der onmisbaarste kamerbehoeften, smeten in de keuken potten en pannen dooreen; en toen wij twee zoons van den eigenaar vonden, gaven wij te kennen, dat zij de gezochte zeelieden waren en zich maar dadelijk hadden aan te kleeden om ons te volgen.Toen de oude koopman mij te zien kreeg, begon hij lont te ruiken en dreigde hij mij met ernstige gevolgen voor mijne handeling. Ik toonde hem mijne volmacht en vroeg hem of dit papier soms »waarde” voor hem had. Toen ik elk deel van het huis behoorlijk had doen doorzoeken, trok ik af, de twee jonge welpen half dood van den schrik achterlatende. Den volgenden dag werd er aan het gouvernementshuis geklaagd, doch aangezien hier eenoorlogsschipin betrokken was, liep dit op niets uit. Intusschen kwamen er tijdingen uit Albany te Quebec aan, inhoudende dat de President der Vereenigde Staten Engeland den oorlog had verklaard; naar aanleiding hiervan nam onze commandant van den Gouverneur afscheid; wij zakten met allen spoed de rivier af, en nooit hoorde ik iets meer van mijnen vriend den koopman.Met eene volle bemanning te Halifax teruggekomen, kregen wij dadelijk bevel om zee te kiezen en den vijand alle mogelijke afbreuk te doen. Wij stuurden op Bostonbaai aan, toen wij in den morgen, waarop wij land haalden een tien of twaalftal koopvaarders zagen. De eerste, dien wij benaderden, was eene brik; een onzer sloepen werd gestreken en bemand, ik werd medegezonden en kwam op den Yankee, terwijl het fregat voortging de overige te jagen. De kapitein van het schip zat op een kippenhok en verwaardigde zich niet om op te staan of mij te begroeten, toen ik langs hem ging. Hij was een kort, dik, vierkant mannetje.»Ik gis dat gij een Engelschman zijt?” vroeg hij.»Ik gis, dat dit waar is,” zeide ik, evenals hij door den neus pratende.»Ik dacht wel, dat wij niet lang in onze wateren zouden zijn voor wij er eenigen van jelui’s gebroed uit het oude land zouden ontmoeten. Ge zoekt er toch geen kwaad in wat ik zeide?” vervolgde de schipper.»Och neen,” zeide ik, »in ’t minst niet; op den langen duur maakt het niet uit. Maar waar komt gij vandaan en wat is uwe bestemming?”»Kom van Smyrna, bestemd naar Boston, waar ik als God belieft, en met een goed geweten, morgenochtend hoop binnen te loopen.”Uit dit antwoord bemerkte ik, dat hij nog niets van den oorlog af wist, en daarom besloot ik er nog wat pret van te maken, voor ik hem het noodlottige nieuws mededeelde. »En vertel eens,” zeide ik, »wat gij inhebt? Gij schijnt lichte lading te hebben.”»Niet zoo licht, zou ik denken,” zeide de man; »wij hebben olijfolie, rozijnen en nog zoo’n rommel.”»Wat bedoelt gij met rommel?” vroeg ik. »Verklaar u wat duidelijker.”»Wel, zie je, rommel is, wat wij noemen van alles wat. De een heeft het met het eene op, een ander verlangt weer wat anders; sommigen houden van amandelen, sommigen houden van zijde, sommigen hebben graag opium, en sommigen (voegde hij er knipoogend bij) mogen graag dollars.”»En is dit nu de rommel, dien gij in hebt?” vroeg ik.»Ik gis, dat dit zoo is,” antwoordde Jonathan.»En welke lading hebt gij uitgebracht?” zeide ik.»Gezouten visch, meel en tabak,” was het antwoord.»En is dit al wat gij mede terugbrengt?” vroeg ik. »Ik dacht, dat de Smyrna-handel nog al wat te beduiden had.”»Dat is ook zoo,” zeide de argelooze Yankee. »Dertig duizend dollars in de kajuit, behalve de olie en het andere goed, heeft ook nog al wat te beduiden.”»Ik ben blijde, dat ik van die dollars hoor,” zeide ik.»Wat zal u dat uitmaken,” zeide de kapitein; »een mager klein aandeeltje zult gij krijgen, als wij aan het deelen gaan.”»Dat denkt gij; maar,” zeide ik, »hebt gij onder weg het nieuws gehoord?”Op het woord »nieuws” kreeg de arme kerel een kleur, alsof hem de geelzucht overviel. »Wat nieuws?” vroeg hij in een staat van onrust, die hem bijna het spreken niet toeliet.»Wel, anders niet, dan dat uw president Madison goedgevonden heeft Engeland den oorlog te verklaren.”»Kom, gijschertst!” zeide de kapitein.»Ik geef u mijn woord van eer, dat het waar is,” zeide ik; »en uw vaartuig wordt bij deze goeden prijs verklaard door Zijner Britsche Majesteits schip de ——.”De arme man loosde een zucht, die als uit zijne broekspijpen scheen op te komen. »Dan ben ik geruïneerd,” zeide hij. »Het spijt mij, dat ikvan dien oorlog niet wat vroeger heb afgeweten; ik heb hier op den bak zoo’n paar aardige, kleine kanonnetjes staan; gij zoudt mij niet zoo gemakkelijk gekregen hebben.”Ik glimlachte op dit denkbeeld van wederstand tegen een goed bezeild fregat van vijftig stukken; maar stoorde hem niet in het genot zijner zelfbewuste kracht, en over iets anders beginnende, vroeg ik, of hij wat voor ons te drinken had; het weder was zoo warm.»Neen, ik heb niets,” antwoordde hij nijdig, »en als ik had....”»Kom, kom, mijn waarde,” zeide ik, »gij vergeet, dat gij prijs gemaakt zijt; beleefdheid is goedkoop en brengt hare rente wel op.”»Dat is waar,” zeide Jonathan, getroffen op het gevoelige punt, »dat is waar, gij doet slechts uw plicht. Hier jongen, breng die groote kruik madera,—ik denk dat deze den jongen officier wel zal aanstaan; en te gelijk eenige glazen en een van die flesschen rooden wijn, uit het achterste kastje aan stuurboord.”De jongen gehoorzaamde, het gevraagde kwam spoedig boven. Terwijl wij aan het praten waren, was het fregat blijven doorjagen, deed de noodige losse schoten, liet de verschillende schepen, die het voorbijkwam, bijdraaien, stuurde eene sloep op het eene af, vervolgde het andere. Onze brik zeilde achter hem aan, met alle lappen er op.»Zeg eens,” zeide de kapitein, »mag ik u soms wat te eten aanbieden? Ik gis, dat gij nog niet gedineerd hebt, daar de zon nog vóór den meridiaan staat.”Onder dankbetuiging nam ik zijn aanbod aan; hij liet zich dadelijk naar de kajuit zakken, zoo het heette om wat klaar te zetten; maar ik geloof eer, dat het hem te doen was, om een en ander uit het gezicht te bergen, en dit kwam later ook uit: hij verduisterde een zak dollars uit de lading. Spoedig werd ik verzocht beneden te komen. Een stuk ham en een gebraden kip lieten zich den hongerigen jonker goed smaken; en toen er eenige glazen madera bij verwerkt werden, rees de barometer van mijne stemming even hard, als de zijne daalde.»Kom, kapitein,” zeide ik, een vol glas omhooghoudende, »op een langen en bloedigen oorlog!”»Schande op hem, die daar geen amen toe zegt,” zeide de schipper. »Maar waar zijt gij voornemens mij heen te brengen? Ik gis naar Halifax. Mijne kleeren en ander particulier eigendom mag ik toch houden?”»Al uw particulier eigendom,” zeide ik, »is heilig; maar schip en lading zijn ons.”»Wel zoo,” zeide de man, »dat weet ik; maar als ge mij goed behandelt, zult ge zien, dat ik geen ondankbare ben. Laat mij mijne zaakjes maar houden, en dan zal ik u een nieuwtje vertellenwaarge wat aan hebben zult.”Hij vertelde mij toen, op mijne belofte van zijn goed te zullen eerbiedigen, dat wij geen oogenblik te verzuimen hadden, om een vaartuig te pakken, dat met eene rijke lading uit Smyrna kwam, en dat hij mij nu aanwees als nog slechts een stipje aan de kim; de kapitein daarvan was een stadgenoot van hem, en hun beider bestemming was dezelfde. Ik wendde mij minachtend van hem af en heesch te gelijk een sein op om het fregat te praaien. Daar aan boord teruggekeerd, vertelde ik den commandant, wat ik van den kapitein van den prijs gehoord had, en wat ik dezen had toegezegd. Hij keurde dit laatste goed, zond het noodige volk naar de brik in ruil voor de gevangen bemanning, terwijl het fregat zeil maakte voor het aangewezen vaartuig, dat ’s avonds te negen uren in onze handen viel.Ik wil niet aannemen, dat zulke verraderlijke handelingen bij de Amerikanen eene gewone zaak zijn. Afscheid nemende van den schipper van mijne brik, had ik nog het volgende stekelige gesprek.»Ik gis, dat ik een kaperschip ga uitrusten en daarmede eenige van jelui koopvaarders zal pakken.”»Pas maar op, dat gijzelf niet gepakt wordt en verder uw tijd moet zoek maken aan boord van een onzer gevangenisschepen. Maar bedenk altijd, wat er ook gebeuren moge, dat alles uw eigen schuld is; gij hebt ruzie met ons gezocht om Boney1te behagen, en hij zal u alleen in ’t gezicht spuwen, wanneer gij uw best voor hem hebt gedaan. Uw wijze president heeft den oorlog verklaard aan het moederland.”»Wat kan ons het moederland schelen!” mompelde de Yankee; »ik gis, dat gij meent het stiefmoederland. Voor mijn part moge het te gronde gaan!!!”Wij gingen met het vervolgen van schepen door, en tegen den nacht had het fregat acht prijzen genomen; op een daarvan, een brik dieslechts ballast inhad, werden alle gevangenen overgebracht, mijn Yankee vriend niet uitgezonderd, en het vaartuig daarop losgelaten, vrij om den weg naar huis te volgen. Wij droegen zorg, dat allen hun kleederen en hun bijzonder eigendom medekregen. Ik had hoop met mijn prijs naar Halifax te worden opgezonden, maar daarvan kwam niets in, zeker omdat mijn commandant in de peiling had, dat ik er niet veel goeds zou uitvoeren; ik bleef bij hem aan boord. Wij kruisten nog twee maanden en namen verscheidene kapers, sommige groote en sommige kleine; eenige werden door ons verbrand, andere in den grond geboord.Eens lag dergelijk vaartuig bij ons op zijde; alles wat de moeite waard was er uitgenomen hebbende, staken wij, hoogst onvoorzichtig, den brand er in vóór hij geheel vrij van ons was, en daar hij windwaarts van ons lag, duurde dit eenige minuten vóór wij hem kwijt waren. Intusschen begonnen de vlammen onrustbarend uit te breken en wel heel dicht bij onze bezaansrust, terwijl er veel gevaar bestond, dat het over zoude slaan, daar de twee drijvende massa’s naar elkander toe bleven zuigen; wij legden het roer op, en kregen de schuit met een krachtigen zet van ons af, en toen wij eens vóór den wind lagen, dreef hij achter langs, weldra geheel een vuurzee gelijk. Wij hadden den brand aangestoken, om tijd uit te sparen, daar van top een nieuw schip gepraaid was, dat wij nog vervolgen moesten, en het strijken eener sloep om hem daarmede te vernielen ons te veel zou opgehouden hebben.Vóór het einde van den kruistocht jaagden wij nog eens een schoener, die zich op den wal liet loopen en daar uit elkander stootte; wij namen toch het vaartuig in bezit, omdat het eene rijke lading inhad. De schoener kwam van Bordeaux en moest naar Philadelphia. Na vele kostbare zaken er uitgenomen te hebben, zag ik in het ruim, dat reeds vol water stond, eenige kisten drijven. Toen wij hiernaar gedoken hadden in het ijskoude water, bleek het fijne Bordeauxwijn te zijn, waaraan wij ons duchtig te goed deden. Zoolang wij in de koude waren,bemerkten wijhiervan niet de gevolgen, doch spoedig na onze komst aan boord, begonnen wij te ontdooien, even als die jagershoorn van den beroemdenMünchhausen, waardoor het geheim uitkwam, dat wij allen dronken waren. De commandant deed den volgenden dag onderzoek naar den reden hiervan, en ik vertelde hem openhartig de geheele geschiedenis. Hij was verstandig genoeg er om te lachen; bij andere commandantenzou het volk er de noodige slaag voor gekregen hebben en de officier, die er bij was, zijn weggejaagd geworden.In de haven teruggekomen, verzocht ik vergunning om naar Engeland terug te keeren, ten einde mijn examen voor luitenant te doen, daar ik mijne jaren voor adelborst had uitgediend. Men gaf mij in overweging om buitenslands te blijven en mijne kans op bevordering op het vlaggeschip af te wachten; maar om meer redenen, dan ik verkoos op te geven, bleef ik het examen in eene Engelsche zeehaven verkiezen, kreeg diensvolgens mijn ontslag en kwam te huis.Ik had brieven van mijn vader ontvangen, waarin ook deze mij te huis riep, omdat hij mij met verschillende hooggeplaatste personen in kennis wilde brengen en mij daardoor de hoogere rangen in den zeedienst toegankelijk wilde maken. Die raad was goed, en aangezien hij met mijn verlangen overeenstemde, volgde ik hem op. Ik scheidde van mijn commandant op den besten voet en nam een hartelijk afscheid van mijne kameraden en van de officieren.Na een overtocht van zes weken kwam ik te Plymouth binnen, juist toen mijne zes jaren dienst, die gevorderd werden, vol waren.1Zoo noemden de Amerikanen Bonaparte.Veertiende hoofdstuk.Spoedig na mijne aankomst in Plymouth, werd bij circulaire van het vlaggeschip kenbaar gemaakt, dat den zooveelsten aan boord van de Salvador del Mundo gelegenheid gegeven zou worden tot het afleggen van het examen voor den rang van Luitenant ter zee. Ten spoedigste maakte ik mijn vader hiermede bekend, hem mededeelende, dat ik er mij gereed toe gevoelde en voornemens was de aanvraag daartoe in te dienen. Ik kwam dienovereenkomstig op den aangewezen dag, met nog veertien of vijftien andere hoopvolle adspiranten, op het vlaggeschip bijeen. Wij waren allen gekleed in onze groot-tenue-rok, zoo onberispelijk mogelijk, met een bundel journalen en aanteekeningboeken onderden arm. Als zoovele schapen, die ter slachtbank worden geleid, werden wij voorloopig afgezonderd in eene van zeildoek opgeslagen hut.Tegen elf uren kwamen de hoofdofficieren, die ons onder handen zouden nemen, aan boord aan. Toen wij een glimp van hun aanschijn te zien kregen, kwamen wij overeen, dat de »snit van hunne kluivers” niet erg in onzen smaak viel. Te twaalf uren werd de eerste naam afgeroepen. Het »slachtoffer” verzamelde al zijn moed, ruimde zijn keel, trok zijn boordje recht, verstrikte zijn das, en zijn steek en boeken grijpende, volgde hij met stouten pas den bode naar de kajuit, alwaar drie ernstig voor zich uit ziende heeren, in klein uniform gekleed, hem wachtten. Zij waren aan eene ronde tafel gezeten; half achter den president zat een schrijver; Moore’s »zeevaartkunde” lag voor hem, met een zeemansalmanak, lei, griffel, papier en inkt. De bevende jonker kwam nader, en toen hij zeer eerbiedig zijne boeken en getuigschriften van matigheid en goed gedrag aangeboden had, werd hij verzocht te gaan zitten. De eerste vragen hadden alleen op de theorie betrekking; en ofschoon hij die in de longroom en in elk ander gezelschap met het meeste gemak zou hebben weten te beantwoorden, was hij zoo bedwelmd en verlegen, dat hij zijn kop kwijtraakte, bij de eerste vraag zenuwachtig trilde, bij de tweede bedenkelijk naar boven keek en bij de derde nog minder wist te zeggen wat iets op een antwoord geleek. Hij werd teruggezonden met aanbeveling om »nog eerst een zes maanden te gaan varen.”Hij kwam bij ons in eene zeer ontroerde stemming; nooit zag ik iemand meer verdriet hebben. Niet wetende, hoe spoedig ik in hetzelfde geval zou kunnen verkeeren, had ik des te meer met hem te doen. Een ander werd opgeroepen en kwam weldra niet gelukkiger terug; en de beschrijving, die hij gaf van het bulderend uitvaren van den jongsten kolonel, drukte ons in de hoogste mate terneder en was voldoende om ons allen moed te benemen. Het was mij echter zeer nuttig dit te weten. Bij onderzoek bleek mij, dat zij steeds over de theorie waren gestruikeld, en ik was vol zelfvertrouwen wat dit onderdeel van mijn vak aangaat, en vast besloten mij door dat bulderen van dien kolonel niet van streek te laten brengen. Toen dit besluit bij mij rijpte, kwam een derde candidaat onverrichter zake bij ons terug; en dit was nog wel een jongmensch, op wiens bekwaamheid ik vol vertrouwen had gehad; onwillekeurig deed mij dit in mijn zelfschatting nadeel. Toen de vierde met een vroolijk gezicht kwam aanzetten en ons vertelde, dat hij er doorwas, schepte ik weder adem; maar ook deze gerustheid was van korten duur, daar hij er bij vertelde, dat een van de heeren examinatoren een vriend van zijn vader was. Hierdoor werd het raadsel opgelost; want gedurende den korten tijd, dien ik hem gekend had, had ik dezen laatste voor allesbehalve een feniks aangezien.Toen mijn eigen naam werd afgeroepen, kreeg ik een koud gevoel om het hart, zooals ik nooit te voren ondervonden had, noch bij eenig gevecht, noch gedurende den orkaan, noch toen ik ter reede van Spithead klaar was om te water te gaan en naar den wal te zwemmen. »O macht der onbeschaamdheid, o geest van de algebra,” zeide ik, »sta mij bij, of ik ben verloren.” Nog al te spoedig naar mijn zin vloog de kajuitsdeur voor mij open, werd door den schildwacht achter mij gesloten, en bevond ik mij in tegenwoordigheid van het gevreesde driemanschap. Ik had het gevoel van Daniël, toen hij den leeuwenkuil intrad. Ik werd uitgenoodigd om te gaan zitten, en daarop staken mijne rechters de hoofden bijeen tot eene korte beraadslaging, die ik niet verstaan kon of wilde; terwijl ik in den tusschentijd gelegenheid vond mijne tegenpartij van top tot teen op te nemen. Ik sprak mij zelf moed in door te denken, dat ik één wel zou kunnen staan en, als ik dien nu onzijdig wist te houden, de twee overigen ook wel klein zou krijgen.Een van deze heeren had een gelaat als eenbeschilderdemeloen, en zijne hand die op de tafel lag deed aan de vin van een schildpad denken; de nagels daarvan waren zoo kort afgebeten, dat het scheen alsof de overblijfselen zich in het vleesch teruggetrokken hadden uit vrees van verdere mishandeling, die de andere hand op dit oogenblik had te lijden. »Nu,” dacht ik in mijzelven, »als ik ooit ergensongemeubileerde bovenkamerste huur heb zien staan, dan is het in die kokosnoot of pompoen van UEd.”De hoofdofficier, die naast hem zat, was een klein, mager, donker, uitgedroogd gerimpeld mannetje met levendige oogjes en een vooruitspringenden neus. Bij de adelborsten had hij den bijnaam van »oude Chili-azijn” of »oude zuurspons”. Hij was wat men een »ijzeren Hein” noemt. Hij kon een matroos twee maanden lang op de zwarte lijst houden en gaf hem het bodemstuk van een kanon om te poetsen en blank te houden, zonder hem tijd te gunnen tot het heel houden zijner kleeren of het schoonhouden van zichzelf, terwijl hij nu schoon enschitterend moest houden, wat voor zijn eigenlijke bestemming beter zwart en dof was. Zelden liet hij een man slaan; maar hij kon hem »negeren”, zoodat hij zichzelf niet meer was, door wat hij noemde »den duivel uit te drijven.” Spoedig bemerkte ik, dat deze kleine krates, die er als een droog palingvel uitzag, het meeste had in te brengen. De derde kolonel was een lang, knap, deftig man (de jongste van het drietal), met een bevelende en strakke uitdrukking op het gelaat. Om de grootste aardigheid zou geen spier daarvan tot lachen vertrokken zijn geworden.Juist was ik met mijne opname gereed en had mij een oppervlakkig oordeel gevormd over de eigenaardigheden mijner examinatoren, toen mijn verhoor een aanvang nam en de president mij aldus aansprak:»Ik houd het er voor, dat gij volmaakt op de hoogte zijt van de theorie der stuurmanskunst; anders zoudt gij zeker niet hier gekomen zijn.”Ik antwoordde, dat ik hoopte dat dit blijken zou, als de heeren mij geliefden te ondervragen.»Hij is met zijn antwoord vlug genoeg,” zeide de lange kolonel; »ik denk, dat dit heerschap het meeste praats in de voorlongroom heeft. Onder wien hebt gij gediend, jonker?”Ik noemde de verschillende commandanten op, die ik gehad had, en vooral lord Edward.»O, zoo, dat is voldoende; als gij onder lord Edward gediend hebt, danmoetgij wel op de hoogte zijn.”Ik begreep de afgunstige en schimpende wijze, waarop dit gezegd werd, en bereidde mij daarom voor op een zwaren strijd, overtuigd, dat deze man, die volstrekt geen zeeman was, het hoogst aangenaam zou vinden, een van lord Edward’s adelborsten te kunnen afwijzen. Verscheidene vraagstukken werden mij voorgelegd, die ik goed wist te beantwoorden. De heeren keken zeer nauwkeurig mijne medegebrachte werkboeken en ook mijne getuigschriften na, en deden mij toen eene vraag uit de hoogere wiskunde. Ook deze loste ik op; maar toen bespeurde ik, dat het niet juist knapheid was, waar zij naar zochten. De kleine gerimpelde kolonel scheen eigenlijk teleurgesteld, dat hij mij nergens op vatten kon. Een moeielijk vraagstuk uit de bolvormige driehoeksmeting lag voor hen, zorgvuldig uitgewerkt en met de uitkomst duidelijk onderaan geschreven; maar deze mocht ik natuurlijk niet zien. Zoodra ik die vraag opgelost had, werd mijn werk met het hunne vergeleken;en daar het niet volkomen overeenstemde, werd mij gezegd, dat ik het fout had. Ik werd daardoor niet van mijn stuk gebracht, doch na mijn werk nog eens overgezien te hebben, zeide ik, dat ik nergens eene vergissing kon ontdekken en de uitkomst, uit de figuur, kon bewijzen.»Ik geloof, dat gij uzelf al voor heel knap houdt,” zeide de kleine, dikke kolonel.»Een tweede Euclides!” vulde de lange kolonel aan. »Vertel eens, jonker de beteekenis vanPons asinorum?”»Ezelsbrug, sir,” zeide ik, hem vierkant in het gezicht ziende.Nu bleek het mij klaar en duidelijk, dat de kleine, dikke kolonel nooit van eene »brug voor ezels” had gehoord en daarom veronderstelde, dat ik spotte met den langen kolonel, die zijn heele leven »binnenslands gevaren” hebbende, wel van denPons asinorumafwist, doch niet zeggen kon welk probleem van Euclides het was, noch hoe het bij de stuurmanskunst toepassing vond. De dikke kolonel proestte het daarom van het lachen uit, zeggende: »Nu, hij heeft u goed beet; laat hem stil loopen: straks zal hij het u nog benauwd maken.”Geraakt over deze opmerking, werd de lange kolonel driftig en herinnerde, dat de laatst gestelde vraag niet naar behooren was opgelost, en hij zwoer bij hoog en laag, dat hij mijn certificaat niet teekenen zou, vóór de oplossing goed was ingediend. Ik bleef volhouden, dat mijn werk goed was; beide oplossingen werden naast elkaar gelegd en vergeleken: men dreigde mij weg te zenden, toen tot groote ontsteltenis van de partij de fout in hun eigen werk werd ontdekt. De dikke kolonel, die een goedaardig man was, lachte recht hartelijk; de beide anderen keken ontstemd en boos.»Dit deel zullen wij dan hierbij laten,” zeide de ijzeren Hein: »sta nu eens op en laat zien, wat gij met een schip weet te doen.” De veronderstellingwas,dat het schip op de helling stond; het liep te water; ik werd er als eerste officier op geplaatst en moest het verder zeeklaar maken. Ik haalde het in het droge dok en liet het koperen; verhaalde het onder den mastbok en zette de masten in; bracht het over naar de ballastkade, nam over en stuwde den ballast en de waterkisten; verhaalde naar de overzijde bij den tuigzolder, tuigde het schip vanatotzop, sneed de zeilen, nam de batterij over, en de benoodigdheden en de victualie; rapporteerde gereed te zijn; deed sein voor een loods; ging er mede uit de haven; kreeg order er elders mede binnen te loopen,en de ondiepten en klippen op te noemen op den weg naar Portsmouth, Plymouth, Falmouth, Duins, Yarmouth, ja tot de Shetlands-eilanden toe.Maar de kleine »ijzeren” en de lange kolonel konden maar niet vergeven, dat ik in het trigonometrische vraagstuk gelijk had gehad, en de ondervragingen gingen voort. Zij brachten mijn schip in alle mogelijke omstandigheden, die bij de vele gevallen, welke op zee kunnen voorkomen, in zulke eindelooze verscheidenheid bestaan. Ik moest elk zeil bijzetten en bergen van een bovenbramzeil af tot een gaffeltopzeil toe. Mijne masten werden weggeschoten, en ik zette noodmasten op: ik had de zeilen daarbij pas gemaakt en zou juist eene haven inloopen, toen »oude zuurspons” wreedaardig mijn schip over zij wierp, op bot lagerwal, met donkeren nacht, onder een orkaan, en mij toen opdroeg, mij daar eens uit te redden. Ik antwoordde, dat als er ankergrond was, ik al mijne ankers zou laten vallen en afwachten wat er gebeurde; maar dat, als er geene ankergrond was, noch hijzelf, noch iemand anders het schip zou kunnen afbrengen, zonder verandering van den wind of eene bijzondere tusschenkomst van de Voorzienigheid. Hiermede was »ijzeren Hein” niet tevreden. Ik zag nu den toeleg om mij te laten »zakken”, en dat de uitkomst mijne hoop zou beschamen: dit maakte mij onverschillig; dat eindelooze vragen begon mij tegen te staan, en ik maakte toen, gelukkig voor mijzelf, eene vergissing, althans in de oogen van den langen kolonel. De mij gedane vraag was juist eene, die aan boord der schepen tot velerlei uiteenloopende opvattingen aanleiding gaf: n.l. of wanneer de wind zeer achterlijk inkwam, het roer midscheeps kon varen, dan wel een paar spaken òp moest leggen? Ik meende het eerste; maar de lange kolonel beweerde het laatste en gaf daarvoor zijne gronden aan. Op twijfelachtig terrein staande, gaf ik toe en dankte hem voor den raad, dien ik verklaarde stellig te zullen opvolgen, als ik in het geval kwam; toch was ik er zoo zeker niet van, dat hij gelijk had, en sedert dien tijd heb ik dat ook ondervonden; maar mijne meegaandheid vleide zijne eigenliefde, en van dat oogenblik af stond hij mij vóór. Op zijn gelaat vertoonde zich een barsche glimlach, hij wendde zich tot zijne collega’s, en vroeg hun of zij voldaan waren.Deze vraag maakt, evenals de hamer bij eene publieke verkooping, een eind aan alle quaestie; want bij dergelijke gelegenheden zullen de hoofdofficieren elkander niet tegenspreken; ik ontving de kennisgeving, dat ik zeer voldoende geslaagd was. Ik maakte eene sierlijke buiging enging heen, op weg naar de schaapskooi overdenkende, dat ik bijna mijne bevordering verspeeld had, door hunne ijdelheid te kwetsen, doch dat alles nog goed terecht was gekomen, door die te streelen. Zoo gaat het in de wereld; van mijn vroegste jeugd af werden steeds al mijne ondeugden vergroot door het slechte voorbeeld, dat mijne meerderen mij gaven.Buitenslands zou mijn examen veel gemakkelijker zijn afgeloopen. Ik herinner mij eens in de West-Indiën, terwijl wij op zee waren, dat er eene sloep gestreken werd en daarmede een adelborst (die niet eens den vollen diensttijd had, en wiens leeftijd en voorkomen aan alles behalve zeevaartkundige kennis deden denken) naar een ander met ons zeilend schip werd gezonden; na een kwartier was hij al terug met een certificaat van goed afgelegd examen. Wij waren ten zeerste verwonderd en vroegen, wat men hem toch wel in dien tijd gevraagd had. Hij antwoordde: »Alleen naar de gezondheid van papa en mama; en of ik port of witten wijn met water wilde drinken. Bij mijn heengaan,” vervolgde de knaap, »zeide een der officieren, dat als ik naar huis schreef, ik zijne eerbiedige groeten moest overbrengen aan lord en lady G..... Hij had een kalkoen voor mij in de sloep laten brengen en wenschte mij veel geluk.”Dit jongmensch werd spoedig bevorderd; doch overleed, gelukkig misschien voor den dienst, op zijnen overtocht naar Engeland.Zeker was er een zeer groot verschil tusschen dit examen en het mijne; doch toen het eenmaal over was, verheugde ik mij juist over de gestrengheid, die ik ondervonden had. Mijne eerzucht was gestreeld door de zege mijner bekwaamheden; en toen ik mij het zweet van het voorhoofd had afgewischt, verhaalde ik mijne moeielijkheden, mijne beproevingen en den gunstigen uitslag op een toon van zelfbehagen, die mij van een ander als onuitstaanbare ijdelheid zou geklonken hebben. Het grootste voordeel van mijn lang examen, dat anderhalf uur geduurd had, trokken de overige adelborsten, die daardoor slechts weinig vragen kregen. De commissie was van haar werk vermoeid; en dus waren het alleen de arme ongeluksvogels, die de eerste kracht van haren vroegtijdigen morgenijver gevoeld hadden, die de lijdende partij waren, en onder de »gezakten” waren meer bekende knappe jongens dan onder degenen, die er met vlag en wimpel doorgerold waren.Eene bijzonderheid verschafte mij veel genoegen. Toen de kolonels opdek kwamen, riep »Zuursponsje” mij bij zich en vroeg, of ik ook familie was van Mr.—— Ik vertelde, dat dit mijn oom was.»Wel, mijnheer! dat is mijn beste vriend. Waarom hebt ge niet gezegd, dat gij zijn neef waart?”Ik antwoordde met nagebootste nederigheid, die zeer na geparenteerd was aan onbeschaamdheid, dat ik niet aan zijn gezicht had kunnen zien, dat hij mijn oom kende, maar dat, als ik het geweten had, ik te kiesch zou zijn geweest er bij deze gelegenheid melding van te maken; daar het òf gebrek aan vertrouwen in mijne eigene kennis zou verraden hebben, òf den schijn zou gegeven hebben, dat hij door die mededeeling verzocht werd, mij eenigszins genadig te behandelen, wat veel van eene beleediging zou gehad hebben.»Dat is allemaal mooi, en allemaal waar,” zeide de oude heer, »maar als gij eerst eens wat ouder zijt en wat meer van den dienst hebt gezien, dan zult gij minstens evenveel op uwe vrienden, als op uwe verdiensten rekenen; en maak daar staat op, dat gij er te beter bij varen zoudt, als ge bewijzen kondt een broers kind van den ouden kater aan de Admiraliteit te zijn. Maar enfin, alles is nu voorbij en afgeloopen; maar breng mijne groeten aan uwen oom over en zeg hem, dat gij uw examen op eene alleszins bevredigende wijze hebt afgelegd.”Dit zeggende, groette hij de wacht, die in het geweer stond, en ging den valreep af naar de giek, die hem wachtte. Toen hij de trap afsteeg, mompelde ik in mijzelven: »De duivel hale uw apengezicht, koffiekleurige, kleine krates! Het is uwe schuld niet, dat ik er door ben. Ik houd het er voor, dat uw vader broeken-lapper was van den bottelier van den eersten lord (van de Admiraliteit), of misschien waart gij zoogbroeder van een anderen toekomstigen lord, en daaraan hebt gij het commandement te danken van de ——.”Verrukt over den gunstigen uitslag van dezen dag, sprong ik dien avond in den postwagen en bereikte spoedig daarop mijns vaders huis. De ontvangst aldaar was zeer hartelijk; doch de dood had gedurende mijn afzijn groote offers van mijne familie geëischt. Mijn oudste broeder en twee mijner zusters waren achtereenvolgens gestorven, en mijn vader bezat nu nog slechts eene jongere zuster en mijzelven. Ik moet bekennen dat mijn vader mij zeer getroffen ontving; zijne bittere droefheid over het verlies zijner kinderen, de gevaren die ik had doorstaan, de stellige bewijzen van mijn goed gedrag, die hem onder de oogen waren gekomen,dat alles bracht er toe bij hem al mijne dwalingen te doen vergeten; en hij scheen, en was in werkelijkheid, meer dan vroeger met mij ingenomen en trotsch op mij.Ik wil geene pogingen doen mijne eigene gevoelens bij deze gelegenheid te verbergen. Zeker was ik bedroefd over den dood mijner naaste verwanten, maar het bericht daarvan had ik ontvangen te midden van de afleiding van eenen zeer drukken dienst. De dood was voor mij niets buitengewoons; en destijds maakte mijn verlies op mij een zoo geringen indruk, dat ik niet eens den draad van mijn verhaal heb afgebroken om er toen melding van te maken. In werkelijken zin was ik verhard geraakt door mijne omgeving en mijne levenswijze. Het fijne gevoel was bij mij verstompt door de ruwe school der ondervinding, die ik doorloopen had. In het verlies van mijn ouderen broeder troostte ik mij gemakkelijk. Mijne ouders hadden hem steeds voorgetrokken en mij aanleiding gegeven hem vaak te benijden. Thomas was altijd een geschikte, brave jongen geweest, ik daarentegen een rumoerige wildzang. Groote sympathie had er tusschen ons nooit bestaan.Mijn beide zusters had ik eigenlijk slechts zeer weinig gekend. Nooit had ik mij veel aan haar laten gelegen liggen. Nu ik ze verloren had, gevoelde ik eerst wat eene bron voor broederlijke genegenheid weder voor mij verstopt was geraakt. Onwillekeurig bracht ik thans alle liefde op mijne overgebleven zuster over. Ons beider verlies had ons nader tot elkaar gebracht.Daar mijn vader nog al eenigen invloed had en ik thans op goede getuigschriften kon wijzen, ontving ik mijne benoeming tot luitenant bij Zr. Ms. zeedienst ongeveer veertien dagen na mijne aankomst in Londen; maar aangezien ik nog geene plaatsing had gekregen, besloot ik een korten tijd eenige vergoeding te nemen voor de harde dagen op de Amerikaansche kust doorgebracht. Het streelde mij thans werkelijk iets te zijn en, zoo noodig, onafhankelijk van mijnen vader te kunnen leven; deze bevordering verschafte mij meer genoegen dan de twee, die hier op gevolgd zijn.Nauwelijks was de vreugde over mijne benoeming uit, of ik dacht aan Emilia; en toen ik twee dagen in het bezit van dien rang was, gaf ik mijn vader mijn voornemen te kennen om een bezoek op ... Hall te brengen.Mijn vader was op dat oogenblik in zeer opgeruimde stemming; wijzaten, na een goed middagmaal, samen onder genot van een flesch wijn te praten. Ik was de woordvoerder en deed hem schudden van het lachen over mijne grappen te Quebec en Prins Edwards Eiland en aan boord. Toen ik van miss Sommerville sprak, zeide mijn vader niet te twijfelen, of zij zou zeer verheugd zijn mij weer te zien, en dat zij thans het mooiste en liefste meisje uit den ganschen omtrek was.Den lof van Emilia hoorde ik met schijnbare kalmte en onverschilligheid aan, en alsof zij mij volstrekt niet na aan het hart lag, beweerde ik dat zij altijd aanleg gehad had een mooi meisje te worden, »maar,” zeide ik, »aan mooie meisjes is tegenwoordig geen gebrek.”Dit gezegde maakte op mijnen vader een zeer verkoelenden indruk en gaf hem aanleiding aan den heer Sommerville, nog vóór ik naar ... Hall vertrok, mede te deelen, dat een plan dat zij zamen voor de toekomst hunner kinderen op het oog hadden gehad, wel geen groote kans op vervulling meer had. Dit bericht had men voor Emilia niet geheel kunnen verbergen.Wat mij nu eigenlijk bewogen had met mijnen vader, die mij zoo vriendelijk te gemoet was gekomen, zoo onoprecht om te gaan, weet ik niet te verklaren; het was weer die oude lust tot bedriegen, die in mij opkwam. Sedert er zooveel betere berichten van mij waren thuis gekomen en mijne vooruitzichten waren verbeterd, hadden de beide oude heeren eens de mogelijkheid besproken en elkaar den wederkeerigen wensch verraden, dat Emilia, die niet had kunnen verzwijgen, dat zij mij genegen was, enik een paar zouden worden, zoodra ik den kapiteinsrang in den zeedienst zou hebben verkregen. Vandaar dat mijn vader zich gehaast had mijne veranderde zienswijze aan zijnen vriend mede te deelen.Emilia was over mijne gebleken onverschilligheid natuurlijk zeer ontstemd; langzamerhand won bij haar de overtuiging veld, dat zij hare genegenheid aan eenen onwaardige had geschonken. Toen verkreeg hare jonkvrouwelijke fierheid weder de overhand en schonk haar althans de noodige kalmte en troost om zich bij ons spoedig daarop gevolgd wederzien met gepaste terughoudendheid te gedragen.Ik werd te ... Hall dus beleefd, maar overigens vrij koel ontvangen. Ik zag dadelijk in, dat het mij groote moeite zoude kosten den hoogst ongunstigen indruk weg te nemen, die mijne onverschilligheid, te huis aan den dag gelegd en door den brief van mijnen vader bekendgeworden, had teweeggebracht. In den grond mijns harten was ik echter Emilia blijven liefhebben; ik had slechts den schijn aangenomen, dat zulks niet langer het geval was, en Emilia zelve werd door mijne vernieuwde betuigingen hiervan langzamerhand ook overtuigd. Toen ons bijeen zijn dan ook nog slechts kort geduurd had, werden wij volkomen verzoend.Het gebeurde kon wederom niet anders dan een diepen indruk op mijn gemoed teweegbrengen. Opnieuw kwamen de beste voornemens, om eens eindelijk een meer eerlijk, braaf, oprecht en degelijk mensch te worden, bij mij boven.In het bijzijn van Emilia vlood weder de tijd met snelheid voort, en te vroeg naar ons beider verlangen was weder de ure der scheiding aangebroken.

Dertiende hoofdstuk.Halifax is werkelijk eene allerbekoorlijkste, gastvrije plaats: de naam was verbonden aan zoovele aangename herinneringen, dat hij altijd aanleiding gaf tot nog een glas uit de reeds gekurkte flesch, vóórdat zij voor goed werd weggesloten. Het woord »Halifax!” had dezelfde wonderdadigekracht als het »Sesame open u” uit de Arabische Nachtvertellingen.In het vorige hoofdstuk vertelde ik onze ontmoeting met een Iersch emigrantenschip, waarvan mijn Hoog-Welgeboren commandant de lading tot zijn eigen voordeel en tevens tot dat van zijn land had weten te benutten. Een ander dergelijk vaartuig had een onzer kruisers ontmoet, Z. M. korvet Kolibri, en de commandant daarvan had dertig of veertig goed gebouwde Hiberniers uitgezocht om er zijne eigene onvoltallige bemanning mede te completeeren en de overigen aan het admiraalsschip af te geven. Kortzichtige stervelingen die wij allen zijn, zelfs gij commandanten van oorlogsschepen behoort daartoe! Hoeveel van hetgeen reeds zeer na aan de lippen was, komt dikwijls niet uit den beker in den mond! Aan boord van bedoelden koopvaarder bevonden zich twee alleraardigste Iersche jonge meisjes uit den fatsoenlijken stand, die op reis waren naar hunne familiebetrekkingen in Philadelphia; de eene heette Judy, de andere Maria. Toen aan de arme Ieren hunne veranderde bestemming was medegedeeld, ging daar aan boord een vreeselijk gejammer op, luid genoeg om de geschubde monsters uit de diepte naar hunne donkere holen te doen vluchten. De beide teederhartige meisjes werden er door tot in haar hart geroerd, en toen de zware stemmen in dit huilconcert begeleid werden door de sopranen en trillers van de vrouwen en kinderen, was het verschrikkelijk om aan te hooren.»O, miss Judy! O, miss Maria! zoudt gij kunnen aanzien, dat wij arme schepsels naar een oorlogsschip gesleept werden, zonder dat gij een goed woordje voor ons spraakt? O, een verzoek uit uw lieve mondjes aan den commandant, zou ons wellicht kunnen doen vrij blijven!”De jonge dames, hoewel zich niet zoo zeker gevoelende van de macht harer bekoorlijkheden, besloten toch het te beproeven; zij verzochten den officier van de korvet haar passage naar boord te verleenen, ten einde met zijnen commandant te kunnen spreken, verschikten en verstrikten eenige kleinigheden aan hare kleeding, sprongen als een paar dartele klipgeitjes in de sloep, zonder vrees voor de spatters van het zeewater, die, hoewel niet erg bevorderlijk voor den krul in hare lokken, den blos op hare wangen verhoogden, en daardoor wellicht aan het welslagen harer onderneming veel bij brachten.Het gezicht eener vrouwenrok op zee heeft altijd op een welgeaarden man een grooten invloed. Het brengt dadelijk een ieder in eene vroolijkestemming. Bij hare aankomst aan boord werden zij door den commandant in eigen persoon ontvangen en in de kajuit geleid, waar dadelijk eenige morgendrank werd gereedgemaakt en elke beleefdheid haar werd bewezen, waarop hare sekse en schoonheid aanspraak konden maken. De commandant was een van de vroolijkste snaken, die er bestaan hebben, en had een paar kleine, fonkelende zwarte oogen in het hoofd die dadelijk voor hem innamen.»En vertelt mij nu eens, jonge dames,” zeide hij, »waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb.”»Het was om een groote gunst van Uw Edelheid te verzoeken,” antwoordde Judy.»En die Zijne Edelheid zeker wel toe zal staan,” vulde Maria aan; »dat kan ik op zijn gezicht wel lezen.”Gevleid door die kleine aanhalerij van Maria, zeide de commandant dat niets ter wereld hem zoo aangenaam was dan de dames te kunnen verplichten; en dat, indien de gevraagde gunst slechts eenigszins met zijn plicht kon overeengebracht worden, hij die zoude toestaan.»Nu dan,” zeide Maria, »ik verzoek Uwe Edelheid mij Pat Flannagan, die pas door u geprest is geworden, af te staan.”De commandant schudde weigerend met het hoofd.»Hij is geen zeeman, Uwe Edelheid; slechts een arme turftrapper, van wien gij nooit eenigen dienst zult hebben.”Nogmaals schudde de commandant het hoofd.»Vraag mij liever iets anders,” zeide hij, »en ik zal het u geven.”»Nu dan,” zeide Maria, »geef ons Phelim O’Shaugnessy.”De commandant bleef onverbiddelijk.»Kom, kom, Uwe Edelheid,” zeide Judy, »wij zien niet op eene kleinigheid vandaag. Geef mij Flannagan, en ik zal u een kus geven.”»En ik een ander,” riep Maria, »voor Phelim.”De commandant zat tusschen de twee verleidsters in; zijn hoofd draaide als een windvaan in een storm; hij wist niet met welke te beginnen; eene onbeschrijfelijke joligheid scheen uit zijn oogen, en de dames zagen dadelijk in, dat zij het pleit gewonnen hadden. Zoo machtig is de schoonheid, dat weer deze beheerscher van den oceaan voor haar moest bukken. Judy kuste hem op de linker-, Maria op de rechterwang; de kapitein gevoelde zich den gelukkigsten aller stervelingen.»Nu dan,” zeide hij, »gij hebt uwen wensch; neem in ’s hemelsnaam uw twee man mede, want ik heb haast om verder te zeilen.”»Wilt gij verder zeilen en is het uwe bedoeling al die andere goede zielen, verreweg, met u mede te nemen? Neen waarlijk niet! Hier hebt gij een anderen kus voor een anderen man.”Ik kan onmogelijk vertellen met hoeveel kusjes die lieve meisjes deze benijdenswaardigen commandant begunstigden. Genoeg zij het te melden, dat zij al hare landslieden vrij kregen en opgetogen naar het schip terugkeerden. De geschiedenis werd in Halifax bekend, waar de goed gestemde admiraal alleen opmerkte, dat het hem speet geen commandant te zijn, en de geheele gemeente maakte er zich vroolijk over. De commandant, die even dapper als goed was, werd spoedig daarop bevorderd, maar niet voor deze daad, waarbij men bescheiden en vriendschappelijk zal moeten erkennen, dat hij eene nederlaag leed. De lord-kanselier placht te zeggen, dat hij in zijn langdurige rechterlijke loopbaan nog nooit een commandant van een oorlogsschip had gezien, die zich door twee Iersche meisjes veertig man uit zijne handen had laten kussen.Wij kregen last om naar de Bermudas te zeilen en stuurden dadelijk, nadat wij de haven uit waren, met eene frissche noordwester koelte zuidwaarts. De wind liep langzaam naar het zuidoosten en wakkerde tot een hevigen storm aan; na een poos echter ging hij weer liggen tot volkomen stilte, een hooge zee achterlatende, waarin het schip geweldig slingerde. Tegen elf uren begon de lucht te betrekken en was vóór den middag onheilspellend zwart geworden; de zeemeeuwen vlogen wild en schreeuwend om ons heen, alsof zij ons wilden waarschuwen gereed te zijn voor den naderenden orkaan, in welks verschijnselen men zich onmogelijk kon vergissen. De waarschuwing werd niet in den wind geslagen, wij maakten klein zeil en hadden, naar wij meenden, alle maatregelen genomen om met gerustheid het slechtste weer te kunnen afwachten. Tegen den middag viel het in met eene hevigheid, die de oudste en meest bevaren zeelieden aan boord deed verbaasd staan; het geweld van den stormwind was verschrikkelijk, en de verwoesting, die hij aanrichtte, onbegrijpelijk.De wind was weer naar het noordwesten teruggeloopen; het water, dat aan boord en over ons heen woei, was lauw als melk; de donkerheid en drukkende benauwdheid van de lucht waren in korten tijd over, doch de kracht van den windstoot was zoo hevig, dat bij het invallenhet schip over zij helde met zijne lijbatterij te water. Al wat niet vastgesjord was, vloog met vaart naar den lijkant; de kogels rolden uit hun roosters en omlaag heerschte de grootst denkbare verwarring en ontsteltenis, terwijl het bovendeks er nog vrij wat ernstiger uitzag; de bezaansmast en de voor- en groote steng gingen overboord, doch de wind maakte zooveel leven, dat wij er niets van hoorden; evenmin had ik, die dicht bij den bezaansmast gestaan had, iets van het breken bemerkt, tot ik omkeek en den stomp zag, afgescheurd als ware het een wortel. Nog steeds vermeerderde het geraas van den wind; het geleek op een roffel van donderslagen; de huizenhooge golven werden in hunne opheffing geregeld onthoofd en glad afgeblazen, terwijl de koppen als kokend schuim de dalen vulden; de stormstagzeilen woeien uit de lijken; de commandant, de officieren en de gansche bemanning stonden versuft in afwachting van de vreeselijke dingen, die komen konden.Het schip lag zoo zwaar over zijne bakboordszijde, dat de geschutpoorten eene sterke persing te doorstaan hadden en het er veel van had, alsof wij ingedrukt werden; groote watermassa’s werden door den wind opgenomen en de lucht ingeslingerd, andere stroomden de luiken in, die wij geen tijd gehad hadden behoorlijk te schalmen, want vóór wij hiermede gereed waren gekomen, was er veel water in het schip en dreven omlaag alle kisten en kooien, tafels en banken in groote verwarring dooreen. De schapen, de koe, de varkens en het pluimvee spoelden overboord of verdronken in het schip; geen stem van commando kon verstaan worden, bevelen werden dus niet meer mondeling gegeven; de tucht was tijdelijk geschorst; commandant en lichtmatroos hielden zich aan hetzelfde touw vast voor behoud van hun leven.De baas timmerman was voor het kappen der masten, maar daartoe gaf de commandant nog geene toestemming. Een van de schiemansgasten kwam, zich overal vasthoudende, op het halfdek en schreeuwde den commandant in het oor, dat een van de ankers losgeslagen was en nu aan het kabeltouw voor den boeg heen en weer sloeg. Dit niet te verhelpen, zou voor het schip zeer gevaarlijk kunnen worden; op grond hiervan kreeg ik last om naar voren te gaan en te zorgen, dat het weggekapt werd; maar in korten tijd waren nog èn wind èn zee zoo toegenomen, dat de weg om naar voren te komen, afgesloten was; te loefwaart was de drang zoo sterk, dat geen sterveling er tegen op kon. Ik werd daar tegen de op dek gesjorde sloepen aangedrukt enmoest weer naar achteren terugkruipen; de weg langs de lijloopplank bleef dus slechts over; daar deze onder water was, zwom ik over, onder beschutting van de sloepen, en deelde het bevel mede, dat onder eindelooze inspanning ten uitvoer werd gebracht.Op den bak vond ik de oudste en bevarendste matrozen zich aan het loefboord vasthoudende, met angst op het gelaat uitgedrukt; dit verbaasde mij, en ik was trotsch boven zulk eene zwakheid verheven te zijn. Terwijl bij mijne meerderen in jaren en ondervinding het hart van schrik verstijfd was, bleef ik volkomen bewust van het gevaar, dat ons dreigde, en zag ik duidelijk in, dat als het fregat niet binnen zeer korten tijd rees, wij allen naar de kelder gingen; want in weerwil van onze inspanning en voorzorgen vermeerderde het water in het schip. Ik bereikte weder zwemmende het halfdek, waar de commandant, met de grootste zeemanskalmte, met drie van de beste matrozen, bij het stuurrad stond; doch het roer ontving van de hooge zee zulke hevige schokken, dat zij de uiterste moeite hadden om te voorkomen van overboord geslagen te worden. De lij-halfdeks-batterij was geheel onder water; het was wenschelijk deze overboord te werken, en daar het hier eene zaak van leven of dood gold, slaagde men daarin. Toch bleef het schip als een blok liggen en wilde zich niet oprichten, doch ging voort op verontrustende wijze te zakken. De orkaan bleef met dezelfde hevigheid voortwoeden, en de algemeene stemming scheen te zijn: »Laat ons bidden, want wij zijn verloren!”De fokke- en groote mast waren nog heel en hadden het gewicht te dragen van de daaraan hangende gebroken stengen met hun tuig, die, als een hefboom, het gedrukte schip nog het meeste neerhielden. Die groote toplast kwijt te raken was noodig, doch zoo goed als onuitvoerbaar. Doch het was een wanhopend geval, waarvoor eene wanhopige poging moest in het werk gesteld worden, wilden wij niet zeer spoedig naar het rijk der haaien verhuizen. Het gevaar om iemand naar boven te zenden was zoo groot, dat de commandant daartoe geen bevel durfde geven; maar hij wist aan het langzamerhand op het halfdek gekomen volk, door gebaren te kennen te geven, dat, tenzij wij gauw van dat bovenwicht verlost waren, het schip zoude moeten zinken.Op dit oogenblik scheen het, alsof elke nieuwe aanschietende zee het schip dieper en dieper indompelde. Met vaart daalde het in de holte der golven, om slechts met moeite, alsof het niet meer kon van vermoeienis,en slechts gedeeltelijk, door een volgenden roller opwaarts geheven te worden. Het schip scheen den strijd tegen de elementen moede en op het punt om zich over te geven, gelijk eene edele, zwaargehavendeversterking bukt voor de onweerstaanbare overmacht van den vijand. Onze bemanning had geheel en al de bezinning verloren; hadden zij drank kunnen bemachtigen, dan zouden zij zich uit wanhoop bedronken hebben, om zoo den dood te gemoet te gaan. Bij elke ruk, dien het schip kreeg, scheen het alsof de groote mast zich voornam om te gaan; het loefwant stond snaarstijf, alsof de hoofdtouwen ijzeren stangen waren, terwijl het lijwant in een groote bocht los naar beneden hing of met de blokken van de andere zijde tegen den mast aanslingerde, welke met al de ontvangen rukken, zijne laatste oogenblikken naderde. Wij verwachten niet anders dan hem te zien afbreken en daarbij een stuk van de verschansing te zien medegaan. Er werd niemand genegen bevonden op het verzoek van den commandant naar boven te gaan om de aan den top hangende vleet van stengen, raas en tuig weg te kappen. Doodelijk stil waren wij allen, doch de orkaan nam, zoo mogelijk, nog in hevigheid toe.Ik erken, dat ik mij op dit oogenblik voelde herleven tegenover een gevaar, dat niemand scheen te durven trotseeren. Ik wachtte nog een oogenblik, of zich allicht een vrijwilliger zou voordoen, en was er zeker van, dat zoodanig een mijn bitterste vijand zou worden, omdat hij mij in den weg kwam voor de voldoening aan mijn grootsten hartstocht—grenzenloozen trots—doch niemand trad voor. Dikwijls genoeg had ik mij in een groot, gemeenschappelijk gevaar bevonden, en was dan meesttijds geheel vooraan gesprongen; maar om te ondernemen wat eene dappere, goed geoefende fregatsbemanning niet durfde bestaan,—was voor mij het toppunt van moed, dat ik nooit gedroomd had te zullen bereiken. Een scherp kapmes in mijnen gordel stekende, wenkte ik den commandant toe, dat ik het zou gaan beproeven, en dat wie lust had, mij volgen kon, en ik liep het sterk hellende loefwant in, met vijf kloeke mannen achter mij aan komende. Zóó werkt het voorbeeld van een officier op de houding der mindere schepelingen!De zware rukken, die het tuig kreeg, maakten het zeer moeielijk om ons vast te houden of niet in de vleet bekneld te raken. Met de armen en beenen moesten wij de hoofdtouwen omvatten; en angstig, in ademlooze spanning zag men van het dek naar ons op en werd daarna elke hakvan het mes met gejuich begroet. Het grootste gevaar voor ons scheen voorbij, toen wij de zwichtings bereikt hadden, waar onze voeten steun vonden. Wij verdeelden ons werk; sommigen namen de talreepen van het stengewant, ik den borg van de groote ra voor mijne rekening. De stevige kappen, die wij gaven, werden door gekraak beantwoord; nog een hak, nog een en.... daar ging de heele afgebroken rommel over het lijboord te water. Het was alsof het schip dadelijk verademing kreeg; het richtte zich weder, en wij kwamen omlaag onder de vreugdekreten, toejuichingen en gelukwenschen, en ik mag er zelfs bijvoegen, de tranen van dankbaarheid van de meesten onzer scheepsmakkers. Er bleef nu nog eenig licht werk overig; gestadig nam thans ook de storm in hevigheid af, de vleet werd langzamerhand van het schip vrij geklaard, en de angst werd vergeten.Dit was voor mij het genotvolste oogenblik van mijn leven, voor geen aardsch goed had ik dat fiere gevoel willen missen, dat ik had bij het weder betreden van het halfdek. De goedkeurende glans in het oog van den commandant, de hartelijke handdrukken, de lof der officieren, de gretige blikken van de bemanning, die mij vol verbazing aanstaarden en opgewekt gehoorzaamden, deden mij op zichzelf beschouwd aangenaam aan, maar verzonken in het niet, vergeleken bij het innerlijke gevoel van bevredigde eerzucht,—een hartstocht zoo nauw met mijn bestaan saamgeweven, dat mijn persoon en mijn roem zonder deze niet meer leven konden. Ik gevoelde, dat mijn trots gerechtvaardigd was.Gewoonlijk hebben orkanen geen langen duur; deze werd gevolgd door stormweer, dat zwaar genoeg, echter in vergelijking van hetgeen wij doorleefd hadden, niets beteekende. Wij togen aan het werk, zetten een noodmast op en kwamen zoo na enkele dagen te Halifax terug, hetgeen voor ons eene heerlijkheid, en voor de bewoners, die de volle kracht van den orkaan gevoeld hadden en zeer over ons in angst waren geweest, eene geruststelling was. Mijne armen en beenen vorderden eenigen tijd om te herstellen van de kneuzingen, die ik bij mijn laatste gevaarvolle werk had opgedaan, en daarvoor moest ik zoolang aan boord blijven. Toen ik beter was, ging ik naar den wal en werd vriendelijk en minzaam door mijne talrijke kennissen ontvangen.Nog niet lang waren wij in Halifax, toen ik eene plotselinge verandering bespeurde in de houding van den commandant tegenover mij. De werkelijke reden daartoe heb ik nooit kunnen ontdekken, ofschoon ikmij ter zake in gissingen verdiepte. Ik moet tot mijn spijt bekennen dat ik, in weerwil zijner steeds tegenover mij betoonde vriendelijkheid, in weerwil van mijn oprechten eerbied voor hem, zoowel in zijne hoedanigheid van officier als van fatsoenlijk man, hem eens belachelijk gemaakt heb. Maar hij was veel te goedaardig om zich eene onschadelijke jeugdige grap zoo zwaar aan te trekken; gewoonlijk was in vijf minuten tijds de boosheid van dezen beminnelijken man over iets dergelijks, als ik nu hier vertellen ga, geheel geweken.Wat er gebeurd was, was dit: mijn waarlijke edele commandant droeg een bijzonder wijd soort van blauwe pantalon. Of hij nu zelf vond, dat dit zeemansachtig stond, dan wel of zijn kleermaker bij het uitknippen zich vergist had of toen ter tijd met veel katoenen stof bezet had gezeten die hij opruimen wilde, weet ik niet; maar hoe breed ook de achterboeg van zijn lordschap was, nog breeder en wijder waren naar evenredigheid de plooien van dit onmisbaar deel van zijn omhulsel.Dat »een steekje op zijn tijd er wel negen later uithaalt” is een spreekwoord, dat bij de naaisters veel opgang maakt, doch aan boord, met zoovele andere wijsheden, al te dikwijls over het hoofd wordt gezien. Dit was ook met lord Edward het geval geweest. In de achternaad van zijn boven omschreven kleedingstuk bevond zich een verwaarloosde torn, nog aanwezig toen de orkaan inviel. De verbolgen wind had voor niets ontzag, joeg, scheurde, brak alles voor zich uit wat hem tegenstand bood, nestelde zich waar hij een opening kon vinden, vulde alle ruimten, die hij in zijn weg ontmoette. De onschuldige broek van lord Edward had een argeloos kiertje openstaan, dit was als eene bres voor het woedende element, waardoor het zich een intocht baande. De krachtige Boreas blies het kleedingstuk op, als een trompetter zijne wangen. Tegen zulk eene spanning bleek het niet bestand te zijn, het scheurde aan flarden en reepen, die het lichaamsdeel tuchtigden, dat zij behoorden te beschermen, en eindelijk geheel en al in den steek lieten.Het was een lastig geval; doch daar het schip in nood was en wij niet anders dachten dan daarmede binnen het halfuur te zinken, was het de moeite niet waard om van dek te gaan om het vernielde kleedingstuk te vervangen door een ander, dat hem in de diepte der zee toch niets gegeven zou hebben. Maar toen het gevaar geweken was, werd de grap opgehaald en was ik te Halifax eens bezig met hetverhaal een heel gezelschap te amuseeren, toen juist zijn lordschap binnenkwam. Het verhaal veroorzaakte een niet te bedwingen luid gelach. Spoedig bespeurde hij hiervan het onderwerp te zijn; hij zag mij voor de aanleiding aan en was een paar minuten onaangenaam gestemd; doch het woei spoedig voorbij, en ik kan nog niet gelooven, dat dit de reden was van de verandering zijner gevoelens ten mijnen opzichte; want hoewel het als hoogverraad wordt beschouwd den hond van den commandant scheef aan te zien, laat staan hemzelf uit te lachen, wist ik toch, dat mijn chef een veel te royale kerel was, om door zulk eene kleinigheid lang gegriefd te zijn. Meer verdenk ik den eersten officier en de overige luitenants, dat zij mij wel wilden kwijt zijn; en in zekeren zin hadden zij geen ongelijk: voor een zoo jong officier was ik, boven al de anderen uit, te populair bij de mindere schepelingen, en noodwendig was dit ten nadeele van de krijgstucht. Ik ontving van lord Edward een zeer vriendschappelijken wenk, dat een ander commandant van een grooter fregat om mij gevraagd had. Ik begreep zijne bedoeling; wij scheidden als goede vrienden, en altijd zal ik met eerbied en erkentelijkheid aan hem denken.Mijn nieuwe commandant was een geheel ander soort van mensch, ook beschaafd van manieren en een gentleman, maar een boekgeleerde. Minzaam met zijne officieren omgaande, stelde hij zijne bibliotheek steeds ter hunner beschikking; de kerk, waar de boekenkasten stonden, was voor ons allen open. Dit lokaal was de schoolkamer voor de jongere, het studeervertrek voor de oudere cadets. Hij was een uitmuntend teekenaar, en ik leerde veel door zijne aanwijzingen.Wij werden naar Quebec gezonden, zeilden door de prachtige Straat Canso, de breede en vorstelijke St. Laurensrivier op, in ’t zicht van het eiland Anticosta. Veel bijzonders gebeurde er op den overtocht niet, behalve dat een Schotsche dokters-assistent in de voorlongroom, die allerlei aristocratische neigingen aan den dag legde, eene democratische les noodig had, die ik hem toediende. Hij beweerde, dat hij door geboorte en opvoeding (te Edinburgh) het recht had om het hoofd van onze tafel te zijn. Hier had ik een en ander tegen en leerde spoedig den heerschzuchtigen zoon van Esculapius, dat de wetenschap der zelfverdediging even hoog behoort aangeschreven te staan als de kunst van heelen, en dat, mocht hij in de laatste bedreven zijn, ik hem gelegenheid zou geven op eigen persoon daarvan de proef te nemen: hieropgaf ik op zijn sinciput, op zijn occiput, os frontis, os nasi en alle andere kwetsbare deelen van zijn corpus, zekere veerkrachtige, harde drukkingen, die de bedoeling hadden de gevoelszenuwen te verstompen en te verdooven en onder elk oog eene onderhuidsche bloeduitstorting teweeg te brengen; terwijl tegelijkertijd uit iedere neusopening eene rijke carmijnkleurige stroom te voorschijn kwam. Het was echter nooit mijne gewoonte om te bluffen of op eene overwinning door te gaan; ziende dat hij zijne wapenen liet zakken, deed ik hem de gebruikelijke vraag of de partij ter andere zijde voldaan was, en hierop een bevestigend antwoord hebbende ontvangen, borg ik mijne kneusbotten op, tot hun dienst eens weer gevorderd mocht worden, hetzij om eene berisping uit te deelen, of eene correctie af te weren.Wij ankerden bij kaap Diamant, die de St. Laurens van de kleine rivier St. Charles scheidt. De binnenlandsche voortzetting van deze kaap vormen de Abrahams-hoogten, alwaar de onsterfelijke generaal Wolfe Montcalm versloeg, in het jaar 1759, toen beide generaals een roemrijken dood op het slagveld vonden. De stad is gelegen aan het uiteinde van de kaap en heeft een schilderachtig voorkomen. De huizen en kerken zijn meerendeels met zink gedekt ter vermindering van brandgevaar, waaraan deze plaats dikwijls blootstond, toen de huizen gedekt waren met riet en latten. Wanneer de ondergaande zon zijne stralen over de stad uitwerpt, zoude men zeggen, dat zij in ’t zilver gezet was.Het hoofddoel onzer reis naar Quebec was om volk te zoeken, waaraan op het eskader groot gebrek was. Onze matrozen en mariniers werden heimelijk in presgangen afgedeeld. Het bevel van eene daarvan werd mij toevertrouwd. De officieren en mariniers gingen vermomd aan wal, nadat zij onderling seinen en plaatsen van bijeenkomst hadden afgesproken; terwijl matrozen, op welken wij konden rekenen, als lok-eenden moesten dienen en den schijn zouden aannemen van op koopvaarders te dienen, waarvan hun officier de schipper was, en hen overhalen zouden voor de thuisreis dienst te nemen, voor eene premie van 10 kan rum en driehonderd dollars. Menigeen liep er op deze wijze in, en zij werden niet uit den droom geholpen vóór zij langs zijde van het fregat kwamen, waar hunne vloeken en verwenschingen beter te begrijpen dan te herhalen zijn.Hierbij dient aangeteekend te worden, dat vaartuigen, die voor den houthandel varen, aankomen in de maand Juni, als de riviermond vrijvan ijs is, en dat, als zij niet weg zijn tegen of vóór het eind van October, de kans groot is om in het ijs vast te raken, waardoor zij in de St. Laurens moeten overwinteren, eene verloren reis gemaakt hebben en zeven à acht maanden werkeloos moeten blijven. Hiermede bekend deserteeren de matrozen zeer dikwijls bij hunne aankomst, en worden dan verborgen en gevoed door zielverkoopers, die er hun voordeel in vinden hen in den loop van het jaar aan de kapiteins te verschacheren. Zij weten dan voor de matrozen een zeer groote som voor het maken der thuisreis te bedingen en verdienen voor zichzelf een goed handgeld voor hunne moeite èn van den kapitein èn van den matroos.Men had ons opgedragen geen volk van de koopvaardijschepen aan te nemen, doch hen in de huizen der ronselaars te gaan zoeken. Voor ons was dit eene bron van veel genoegen en van merkwaardige lotgevallen; want het vernuft om het volk weg te stoppen werd overtroffen door de kunstmiddelen en slimheid van onzen kant in het werk gesteld om hunne schuilhoeken te vinden. Kelders en vlieringen lagen al te zeer voor de hand, daar behoefden wij niet te zoeken; meer kans op een goede jacht hadden wij bij het doorsnuffelen van hooibergen, kerktorens, geheime bergplaatsen onder den haard, waarin het vuur brandde, enz. In een woord, men kon zoo vreemd geen hoekje uitdenken, waarin niet wel eens een of meer mannen waren verstopt geweest. Somtijds vonden wij matrozen, als heeren gekleed, aan het drinken van wijn en in vertrouwelijk gesprek met menschen uit hoogere standen, die hen op deze wijze zochten te verbergen. Door eigen onderzoek kwamen wij achter dergelijke verschoonbare bedriegerijen.Ik trok ongeveer vijftien mijlen van Quebec landwaarts in naar eene schuur, waarvan het mij bekend was geworden dat zij aan een der ronselaars toebehoorde. Na lang vruchteloos gezocht te hebben, ontdekten wij eenige flinke matrozen in de hanebalken van een buitenloods, die alleen diende om spek te rooken. Daar het vuur brandde en er eene flinke rook naar boven steeg, was het moeielijk om te denken dat een menschelijk wezen het daar zou kunnen uithouden; wanneer ook niet iemand uit den troep aan het hoesten geraakt was, zouden wij ze nooit ontdekt hebben. De arme hoester werd natuurlijk door zijne kameraden niet vroolijk aangekeken, toen wij hen een voor een inpalmden. Om hen zeker over te brengen, sneden wij hen van achter de broeksbanden door (een zeer aan te bevelen middel van voorzorg) waardoor zij in het wegloopenbelemmerd waren, en namen gezamenlijk plaats op den grooten wagen van den boer, die gedwongen werd ook naar Quebec terug te rijden. Eens onder weg zijnde schertsten onze nieuwelingen braaf mede over de omstandigheden hunner ontdekking. Het was overigens verwonderlijk, hoe gemakkelijk die lieden zich verzoenden met het denkbeeld van naar een oorlogsschip te gaan; misschien was het om den aanstaanden oorlog met de Yankees. Ik begon veel genoegen in de menschenjacht te krijgen, ofschoon kalme overdenking mij later overtuigd heeft van de wreedheid en onrechtvaardigheid van het pressen. Het middel is bovendien ondoelmatig, daar het meer dan eenige maatregel, die het gouvernement zou kunnen nemen, strekt om goede zeelieden het land uit te jagen. Doch het is hier niet de plaats om eene verhandeling te schrijven tegen den presgang. Ik voor mij gaf niets om de persoonlijke vrijheid van een ander, zoolang het mij te doen was om de equipage voltallig te hebben tegen den naderenden oorlog; en daar ik tevens mijne liefhebberij voor avonturen bevredigde, had ik volstrekt geene gedachten over voor de gevolgen van mijne handelwijze.Een koopman te Quebec had mij beleedigd door het niet aannemen van een wissel, dien ik op mijn vader had getrokken. Ik had geen ander middel om eenige bij hem gedane aankoopen te voldoen, en was zeer verstoord door zijne weigering, die hij vergezeld deed gaan van een zeer onbehoorlijken schimp op mijzelf en de uniform die ik droeg. Het papier, dat hij in handen hield, van alle zijden bekijkende, zeide hij verachtelijk: »Een wissel van een adelborst heeft voor mij geene waarde; ik dank u voor het bedoelde koopje!”Overtuigd dat de wissel goed was, nam ik voor mij te wreken. Mijne pres-volmacht stelde mij in staat om overal te komen, waar men mij bericht had, dat volk zou verstopt zijn, en een dergelijke aanklacht tegen hem wist ik gemakkelijk door een mijner kameraads op te doen. (Men ziet de arme man was in handen van eene heilige broederschap gevallen). Mijn vriend gaf zijne besliste overtuiging te kennen, dat daar in huis matrozen verborgen waren; ik verzocht nadere orders van den commandant, en deze beval mij aan strikt mijnen plicht te doen. Onze koopman nu was een man van aanzien in Quebec, die uitgebreiden handel dreef. Ongeveer te één uur in den morgen bonsden wij met het noodige geweld op zijne huisdeur, gelastende dat men zou openen in naam des Konings. Toen men weigerde, braken wij de deur open enverspreidden ons als een nest van kakkerlakken door zijn huis. Wij lieten geen kelder, geen zolder, geen kamer ondoorzocht,braken in ons onderzoek enkele der onmisbaarste kamerbehoeften, smeten in de keuken potten en pannen dooreen; en toen wij twee zoons van den eigenaar vonden, gaven wij te kennen, dat zij de gezochte zeelieden waren en zich maar dadelijk hadden aan te kleeden om ons te volgen.Toen de oude koopman mij te zien kreeg, begon hij lont te ruiken en dreigde hij mij met ernstige gevolgen voor mijne handeling. Ik toonde hem mijne volmacht en vroeg hem of dit papier soms »waarde” voor hem had. Toen ik elk deel van het huis behoorlijk had doen doorzoeken, trok ik af, de twee jonge welpen half dood van den schrik achterlatende. Den volgenden dag werd er aan het gouvernementshuis geklaagd, doch aangezien hier eenoorlogsschipin betrokken was, liep dit op niets uit. Intusschen kwamen er tijdingen uit Albany te Quebec aan, inhoudende dat de President der Vereenigde Staten Engeland den oorlog had verklaard; naar aanleiding hiervan nam onze commandant van den Gouverneur afscheid; wij zakten met allen spoed de rivier af, en nooit hoorde ik iets meer van mijnen vriend den koopman.Met eene volle bemanning te Halifax teruggekomen, kregen wij dadelijk bevel om zee te kiezen en den vijand alle mogelijke afbreuk te doen. Wij stuurden op Bostonbaai aan, toen wij in den morgen, waarop wij land haalden een tien of twaalftal koopvaarders zagen. De eerste, dien wij benaderden, was eene brik; een onzer sloepen werd gestreken en bemand, ik werd medegezonden en kwam op den Yankee, terwijl het fregat voortging de overige te jagen. De kapitein van het schip zat op een kippenhok en verwaardigde zich niet om op te staan of mij te begroeten, toen ik langs hem ging. Hij was een kort, dik, vierkant mannetje.»Ik gis dat gij een Engelschman zijt?” vroeg hij.»Ik gis, dat dit waar is,” zeide ik, evenals hij door den neus pratende.»Ik dacht wel, dat wij niet lang in onze wateren zouden zijn voor wij er eenigen van jelui’s gebroed uit het oude land zouden ontmoeten. Ge zoekt er toch geen kwaad in wat ik zeide?” vervolgde de schipper.»Och neen,” zeide ik, »in ’t minst niet; op den langen duur maakt het niet uit. Maar waar komt gij vandaan en wat is uwe bestemming?”»Kom van Smyrna, bestemd naar Boston, waar ik als God belieft, en met een goed geweten, morgenochtend hoop binnen te loopen.”Uit dit antwoord bemerkte ik, dat hij nog niets van den oorlog af wist, en daarom besloot ik er nog wat pret van te maken, voor ik hem het noodlottige nieuws mededeelde. »En vertel eens,” zeide ik, »wat gij inhebt? Gij schijnt lichte lading te hebben.”»Niet zoo licht, zou ik denken,” zeide de man; »wij hebben olijfolie, rozijnen en nog zoo’n rommel.”»Wat bedoelt gij met rommel?” vroeg ik. »Verklaar u wat duidelijker.”»Wel, zie je, rommel is, wat wij noemen van alles wat. De een heeft het met het eene op, een ander verlangt weer wat anders; sommigen houden van amandelen, sommigen houden van zijde, sommigen hebben graag opium, en sommigen (voegde hij er knipoogend bij) mogen graag dollars.”»En is dit nu de rommel, dien gij in hebt?” vroeg ik.»Ik gis, dat dit zoo is,” antwoordde Jonathan.»En welke lading hebt gij uitgebracht?” zeide ik.»Gezouten visch, meel en tabak,” was het antwoord.»En is dit al wat gij mede terugbrengt?” vroeg ik. »Ik dacht, dat de Smyrna-handel nog al wat te beduiden had.”»Dat is ook zoo,” zeide de argelooze Yankee. »Dertig duizend dollars in de kajuit, behalve de olie en het andere goed, heeft ook nog al wat te beduiden.”»Ik ben blijde, dat ik van die dollars hoor,” zeide ik.»Wat zal u dat uitmaken,” zeide de kapitein; »een mager klein aandeeltje zult gij krijgen, als wij aan het deelen gaan.”»Dat denkt gij; maar,” zeide ik, »hebt gij onder weg het nieuws gehoord?”Op het woord »nieuws” kreeg de arme kerel een kleur, alsof hem de geelzucht overviel. »Wat nieuws?” vroeg hij in een staat van onrust, die hem bijna het spreken niet toeliet.»Wel, anders niet, dan dat uw president Madison goedgevonden heeft Engeland den oorlog te verklaren.”»Kom, gijschertst!” zeide de kapitein.»Ik geef u mijn woord van eer, dat het waar is,” zeide ik; »en uw vaartuig wordt bij deze goeden prijs verklaard door Zijner Britsche Majesteits schip de ——.”De arme man loosde een zucht, die als uit zijne broekspijpen scheen op te komen. »Dan ben ik geruïneerd,” zeide hij. »Het spijt mij, dat ikvan dien oorlog niet wat vroeger heb afgeweten; ik heb hier op den bak zoo’n paar aardige, kleine kanonnetjes staan; gij zoudt mij niet zoo gemakkelijk gekregen hebben.”Ik glimlachte op dit denkbeeld van wederstand tegen een goed bezeild fregat van vijftig stukken; maar stoorde hem niet in het genot zijner zelfbewuste kracht, en over iets anders beginnende, vroeg ik, of hij wat voor ons te drinken had; het weder was zoo warm.»Neen, ik heb niets,” antwoordde hij nijdig, »en als ik had....”»Kom, kom, mijn waarde,” zeide ik, »gij vergeet, dat gij prijs gemaakt zijt; beleefdheid is goedkoop en brengt hare rente wel op.”»Dat is waar,” zeide Jonathan, getroffen op het gevoelige punt, »dat is waar, gij doet slechts uw plicht. Hier jongen, breng die groote kruik madera,—ik denk dat deze den jongen officier wel zal aanstaan; en te gelijk eenige glazen en een van die flesschen rooden wijn, uit het achterste kastje aan stuurboord.”De jongen gehoorzaamde, het gevraagde kwam spoedig boven. Terwijl wij aan het praten waren, was het fregat blijven doorjagen, deed de noodige losse schoten, liet de verschillende schepen, die het voorbijkwam, bijdraaien, stuurde eene sloep op het eene af, vervolgde het andere. Onze brik zeilde achter hem aan, met alle lappen er op.»Zeg eens,” zeide de kapitein, »mag ik u soms wat te eten aanbieden? Ik gis, dat gij nog niet gedineerd hebt, daar de zon nog vóór den meridiaan staat.”Onder dankbetuiging nam ik zijn aanbod aan; hij liet zich dadelijk naar de kajuit zakken, zoo het heette om wat klaar te zetten; maar ik geloof eer, dat het hem te doen was, om een en ander uit het gezicht te bergen, en dit kwam later ook uit: hij verduisterde een zak dollars uit de lading. Spoedig werd ik verzocht beneden te komen. Een stuk ham en een gebraden kip lieten zich den hongerigen jonker goed smaken; en toen er eenige glazen madera bij verwerkt werden, rees de barometer van mijne stemming even hard, als de zijne daalde.»Kom, kapitein,” zeide ik, een vol glas omhooghoudende, »op een langen en bloedigen oorlog!”»Schande op hem, die daar geen amen toe zegt,” zeide de schipper. »Maar waar zijt gij voornemens mij heen te brengen? Ik gis naar Halifax. Mijne kleeren en ander particulier eigendom mag ik toch houden?”»Al uw particulier eigendom,” zeide ik, »is heilig; maar schip en lading zijn ons.”»Wel zoo,” zeide de man, »dat weet ik; maar als ge mij goed behandelt, zult ge zien, dat ik geen ondankbare ben. Laat mij mijne zaakjes maar houden, en dan zal ik u een nieuwtje vertellenwaarge wat aan hebben zult.”Hij vertelde mij toen, op mijne belofte van zijn goed te zullen eerbiedigen, dat wij geen oogenblik te verzuimen hadden, om een vaartuig te pakken, dat met eene rijke lading uit Smyrna kwam, en dat hij mij nu aanwees als nog slechts een stipje aan de kim; de kapitein daarvan was een stadgenoot van hem, en hun beider bestemming was dezelfde. Ik wendde mij minachtend van hem af en heesch te gelijk een sein op om het fregat te praaien. Daar aan boord teruggekeerd, vertelde ik den commandant, wat ik van den kapitein van den prijs gehoord had, en wat ik dezen had toegezegd. Hij keurde dit laatste goed, zond het noodige volk naar de brik in ruil voor de gevangen bemanning, terwijl het fregat zeil maakte voor het aangewezen vaartuig, dat ’s avonds te negen uren in onze handen viel.Ik wil niet aannemen, dat zulke verraderlijke handelingen bij de Amerikanen eene gewone zaak zijn. Afscheid nemende van den schipper van mijne brik, had ik nog het volgende stekelige gesprek.»Ik gis, dat ik een kaperschip ga uitrusten en daarmede eenige van jelui koopvaarders zal pakken.”»Pas maar op, dat gijzelf niet gepakt wordt en verder uw tijd moet zoek maken aan boord van een onzer gevangenisschepen. Maar bedenk altijd, wat er ook gebeuren moge, dat alles uw eigen schuld is; gij hebt ruzie met ons gezocht om Boney1te behagen, en hij zal u alleen in ’t gezicht spuwen, wanneer gij uw best voor hem hebt gedaan. Uw wijze president heeft den oorlog verklaard aan het moederland.”»Wat kan ons het moederland schelen!” mompelde de Yankee; »ik gis, dat gij meent het stiefmoederland. Voor mijn part moge het te gronde gaan!!!”Wij gingen met het vervolgen van schepen door, en tegen den nacht had het fregat acht prijzen genomen; op een daarvan, een brik dieslechts ballast inhad, werden alle gevangenen overgebracht, mijn Yankee vriend niet uitgezonderd, en het vaartuig daarop losgelaten, vrij om den weg naar huis te volgen. Wij droegen zorg, dat allen hun kleederen en hun bijzonder eigendom medekregen. Ik had hoop met mijn prijs naar Halifax te worden opgezonden, maar daarvan kwam niets in, zeker omdat mijn commandant in de peiling had, dat ik er niet veel goeds zou uitvoeren; ik bleef bij hem aan boord. Wij kruisten nog twee maanden en namen verscheidene kapers, sommige groote en sommige kleine; eenige werden door ons verbrand, andere in den grond geboord.Eens lag dergelijk vaartuig bij ons op zijde; alles wat de moeite waard was er uitgenomen hebbende, staken wij, hoogst onvoorzichtig, den brand er in vóór hij geheel vrij van ons was, en daar hij windwaarts van ons lag, duurde dit eenige minuten vóór wij hem kwijt waren. Intusschen begonnen de vlammen onrustbarend uit te breken en wel heel dicht bij onze bezaansrust, terwijl er veel gevaar bestond, dat het over zoude slaan, daar de twee drijvende massa’s naar elkander toe bleven zuigen; wij legden het roer op, en kregen de schuit met een krachtigen zet van ons af, en toen wij eens vóór den wind lagen, dreef hij achter langs, weldra geheel een vuurzee gelijk. Wij hadden den brand aangestoken, om tijd uit te sparen, daar van top een nieuw schip gepraaid was, dat wij nog vervolgen moesten, en het strijken eener sloep om hem daarmede te vernielen ons te veel zou opgehouden hebben.Vóór het einde van den kruistocht jaagden wij nog eens een schoener, die zich op den wal liet loopen en daar uit elkander stootte; wij namen toch het vaartuig in bezit, omdat het eene rijke lading inhad. De schoener kwam van Bordeaux en moest naar Philadelphia. Na vele kostbare zaken er uitgenomen te hebben, zag ik in het ruim, dat reeds vol water stond, eenige kisten drijven. Toen wij hiernaar gedoken hadden in het ijskoude water, bleek het fijne Bordeauxwijn te zijn, waaraan wij ons duchtig te goed deden. Zoolang wij in de koude waren,bemerkten wijhiervan niet de gevolgen, doch spoedig na onze komst aan boord, begonnen wij te ontdooien, even als die jagershoorn van den beroemdenMünchhausen, waardoor het geheim uitkwam, dat wij allen dronken waren. De commandant deed den volgenden dag onderzoek naar den reden hiervan, en ik vertelde hem openhartig de geheele geschiedenis. Hij was verstandig genoeg er om te lachen; bij andere commandantenzou het volk er de noodige slaag voor gekregen hebben en de officier, die er bij was, zijn weggejaagd geworden.In de haven teruggekomen, verzocht ik vergunning om naar Engeland terug te keeren, ten einde mijn examen voor luitenant te doen, daar ik mijne jaren voor adelborst had uitgediend. Men gaf mij in overweging om buitenslands te blijven en mijne kans op bevordering op het vlaggeschip af te wachten; maar om meer redenen, dan ik verkoos op te geven, bleef ik het examen in eene Engelsche zeehaven verkiezen, kreeg diensvolgens mijn ontslag en kwam te huis.Ik had brieven van mijn vader ontvangen, waarin ook deze mij te huis riep, omdat hij mij met verschillende hooggeplaatste personen in kennis wilde brengen en mij daardoor de hoogere rangen in den zeedienst toegankelijk wilde maken. Die raad was goed, en aangezien hij met mijn verlangen overeenstemde, volgde ik hem op. Ik scheidde van mijn commandant op den besten voet en nam een hartelijk afscheid van mijne kameraden en van de officieren.Na een overtocht van zes weken kwam ik te Plymouth binnen, juist toen mijne zes jaren dienst, die gevorderd werden, vol waren.1Zoo noemden de Amerikanen Bonaparte.

Halifax is werkelijk eene allerbekoorlijkste, gastvrije plaats: de naam was verbonden aan zoovele aangename herinneringen, dat hij altijd aanleiding gaf tot nog een glas uit de reeds gekurkte flesch, vóórdat zij voor goed werd weggesloten. Het woord »Halifax!” had dezelfde wonderdadigekracht als het »Sesame open u” uit de Arabische Nachtvertellingen.

In het vorige hoofdstuk vertelde ik onze ontmoeting met een Iersch emigrantenschip, waarvan mijn Hoog-Welgeboren commandant de lading tot zijn eigen voordeel en tevens tot dat van zijn land had weten te benutten. Een ander dergelijk vaartuig had een onzer kruisers ontmoet, Z. M. korvet Kolibri, en de commandant daarvan had dertig of veertig goed gebouwde Hiberniers uitgezocht om er zijne eigene onvoltallige bemanning mede te completeeren en de overigen aan het admiraalsschip af te geven. Kortzichtige stervelingen die wij allen zijn, zelfs gij commandanten van oorlogsschepen behoort daartoe! Hoeveel van hetgeen reeds zeer na aan de lippen was, komt dikwijls niet uit den beker in den mond! Aan boord van bedoelden koopvaarder bevonden zich twee alleraardigste Iersche jonge meisjes uit den fatsoenlijken stand, die op reis waren naar hunne familiebetrekkingen in Philadelphia; de eene heette Judy, de andere Maria. Toen aan de arme Ieren hunne veranderde bestemming was medegedeeld, ging daar aan boord een vreeselijk gejammer op, luid genoeg om de geschubde monsters uit de diepte naar hunne donkere holen te doen vluchten. De beide teederhartige meisjes werden er door tot in haar hart geroerd, en toen de zware stemmen in dit huilconcert begeleid werden door de sopranen en trillers van de vrouwen en kinderen, was het verschrikkelijk om aan te hooren.

»O, miss Judy! O, miss Maria! zoudt gij kunnen aanzien, dat wij arme schepsels naar een oorlogsschip gesleept werden, zonder dat gij een goed woordje voor ons spraakt? O, een verzoek uit uw lieve mondjes aan den commandant, zou ons wellicht kunnen doen vrij blijven!”

De jonge dames, hoewel zich niet zoo zeker gevoelende van de macht harer bekoorlijkheden, besloten toch het te beproeven; zij verzochten den officier van de korvet haar passage naar boord te verleenen, ten einde met zijnen commandant te kunnen spreken, verschikten en verstrikten eenige kleinigheden aan hare kleeding, sprongen als een paar dartele klipgeitjes in de sloep, zonder vrees voor de spatters van het zeewater, die, hoewel niet erg bevorderlijk voor den krul in hare lokken, den blos op hare wangen verhoogden, en daardoor wellicht aan het welslagen harer onderneming veel bij brachten.

Het gezicht eener vrouwenrok op zee heeft altijd op een welgeaarden man een grooten invloed. Het brengt dadelijk een ieder in eene vroolijkestemming. Bij hare aankomst aan boord werden zij door den commandant in eigen persoon ontvangen en in de kajuit geleid, waar dadelijk eenige morgendrank werd gereedgemaakt en elke beleefdheid haar werd bewezen, waarop hare sekse en schoonheid aanspraak konden maken. De commandant was een van de vroolijkste snaken, die er bestaan hebben, en had een paar kleine, fonkelende zwarte oogen in het hoofd die dadelijk voor hem innamen.

»En vertelt mij nu eens, jonge dames,” zeide hij, »waaraan ik de eer van uw bezoek te danken heb.”

»Het was om een groote gunst van Uw Edelheid te verzoeken,” antwoordde Judy.

»En die Zijne Edelheid zeker wel toe zal staan,” vulde Maria aan; »dat kan ik op zijn gezicht wel lezen.”

Gevleid door die kleine aanhalerij van Maria, zeide de commandant dat niets ter wereld hem zoo aangenaam was dan de dames te kunnen verplichten; en dat, indien de gevraagde gunst slechts eenigszins met zijn plicht kon overeengebracht worden, hij die zoude toestaan.

»Nu dan,” zeide Maria, »ik verzoek Uwe Edelheid mij Pat Flannagan, die pas door u geprest is geworden, af te staan.”

De commandant schudde weigerend met het hoofd.

»Hij is geen zeeman, Uwe Edelheid; slechts een arme turftrapper, van wien gij nooit eenigen dienst zult hebben.”

Nogmaals schudde de commandant het hoofd.

»Vraag mij liever iets anders,” zeide hij, »en ik zal het u geven.”

»Nu dan,” zeide Maria, »geef ons Phelim O’Shaugnessy.”

De commandant bleef onverbiddelijk.

»Kom, kom, Uwe Edelheid,” zeide Judy, »wij zien niet op eene kleinigheid vandaag. Geef mij Flannagan, en ik zal u een kus geven.”

»En ik een ander,” riep Maria, »voor Phelim.”

De commandant zat tusschen de twee verleidsters in; zijn hoofd draaide als een windvaan in een storm; hij wist niet met welke te beginnen; eene onbeschrijfelijke joligheid scheen uit zijn oogen, en de dames zagen dadelijk in, dat zij het pleit gewonnen hadden. Zoo machtig is de schoonheid, dat weer deze beheerscher van den oceaan voor haar moest bukken. Judy kuste hem op de linker-, Maria op de rechterwang; de kapitein gevoelde zich den gelukkigsten aller stervelingen.

»Nu dan,” zeide hij, »gij hebt uwen wensch; neem in ’s hemelsnaam uw twee man mede, want ik heb haast om verder te zeilen.”

»Wilt gij verder zeilen en is het uwe bedoeling al die andere goede zielen, verreweg, met u mede te nemen? Neen waarlijk niet! Hier hebt gij een anderen kus voor een anderen man.”

Ik kan onmogelijk vertellen met hoeveel kusjes die lieve meisjes deze benijdenswaardigen commandant begunstigden. Genoeg zij het te melden, dat zij al hare landslieden vrij kregen en opgetogen naar het schip terugkeerden. De geschiedenis werd in Halifax bekend, waar de goed gestemde admiraal alleen opmerkte, dat het hem speet geen commandant te zijn, en de geheele gemeente maakte er zich vroolijk over. De commandant, die even dapper als goed was, werd spoedig daarop bevorderd, maar niet voor deze daad, waarbij men bescheiden en vriendschappelijk zal moeten erkennen, dat hij eene nederlaag leed. De lord-kanselier placht te zeggen, dat hij in zijn langdurige rechterlijke loopbaan nog nooit een commandant van een oorlogsschip had gezien, die zich door twee Iersche meisjes veertig man uit zijne handen had laten kussen.

Wij kregen last om naar de Bermudas te zeilen en stuurden dadelijk, nadat wij de haven uit waren, met eene frissche noordwester koelte zuidwaarts. De wind liep langzaam naar het zuidoosten en wakkerde tot een hevigen storm aan; na een poos echter ging hij weer liggen tot volkomen stilte, een hooge zee achterlatende, waarin het schip geweldig slingerde. Tegen elf uren begon de lucht te betrekken en was vóór den middag onheilspellend zwart geworden; de zeemeeuwen vlogen wild en schreeuwend om ons heen, alsof zij ons wilden waarschuwen gereed te zijn voor den naderenden orkaan, in welks verschijnselen men zich onmogelijk kon vergissen. De waarschuwing werd niet in den wind geslagen, wij maakten klein zeil en hadden, naar wij meenden, alle maatregelen genomen om met gerustheid het slechtste weer te kunnen afwachten. Tegen den middag viel het in met eene hevigheid, die de oudste en meest bevaren zeelieden aan boord deed verbaasd staan; het geweld van den stormwind was verschrikkelijk, en de verwoesting, die hij aanrichtte, onbegrijpelijk.

De wind was weer naar het noordwesten teruggeloopen; het water, dat aan boord en over ons heen woei, was lauw als melk; de donkerheid en drukkende benauwdheid van de lucht waren in korten tijd over, doch de kracht van den windstoot was zoo hevig, dat bij het invallenhet schip over zij helde met zijne lijbatterij te water. Al wat niet vastgesjord was, vloog met vaart naar den lijkant; de kogels rolden uit hun roosters en omlaag heerschte de grootst denkbare verwarring en ontsteltenis, terwijl het bovendeks er nog vrij wat ernstiger uitzag; de bezaansmast en de voor- en groote steng gingen overboord, doch de wind maakte zooveel leven, dat wij er niets van hoorden; evenmin had ik, die dicht bij den bezaansmast gestaan had, iets van het breken bemerkt, tot ik omkeek en den stomp zag, afgescheurd als ware het een wortel. Nog steeds vermeerderde het geraas van den wind; het geleek op een roffel van donderslagen; de huizenhooge golven werden in hunne opheffing geregeld onthoofd en glad afgeblazen, terwijl de koppen als kokend schuim de dalen vulden; de stormstagzeilen woeien uit de lijken; de commandant, de officieren en de gansche bemanning stonden versuft in afwachting van de vreeselijke dingen, die komen konden.

Het schip lag zoo zwaar over zijne bakboordszijde, dat de geschutpoorten eene sterke persing te doorstaan hadden en het er veel van had, alsof wij ingedrukt werden; groote watermassa’s werden door den wind opgenomen en de lucht ingeslingerd, andere stroomden de luiken in, die wij geen tijd gehad hadden behoorlijk te schalmen, want vóór wij hiermede gereed waren gekomen, was er veel water in het schip en dreven omlaag alle kisten en kooien, tafels en banken in groote verwarring dooreen. De schapen, de koe, de varkens en het pluimvee spoelden overboord of verdronken in het schip; geen stem van commando kon verstaan worden, bevelen werden dus niet meer mondeling gegeven; de tucht was tijdelijk geschorst; commandant en lichtmatroos hielden zich aan hetzelfde touw vast voor behoud van hun leven.

De baas timmerman was voor het kappen der masten, maar daartoe gaf de commandant nog geene toestemming. Een van de schiemansgasten kwam, zich overal vasthoudende, op het halfdek en schreeuwde den commandant in het oor, dat een van de ankers losgeslagen was en nu aan het kabeltouw voor den boeg heen en weer sloeg. Dit niet te verhelpen, zou voor het schip zeer gevaarlijk kunnen worden; op grond hiervan kreeg ik last om naar voren te gaan en te zorgen, dat het weggekapt werd; maar in korten tijd waren nog èn wind èn zee zoo toegenomen, dat de weg om naar voren te komen, afgesloten was; te loefwaart was de drang zoo sterk, dat geen sterveling er tegen op kon. Ik werd daar tegen de op dek gesjorde sloepen aangedrukt enmoest weer naar achteren terugkruipen; de weg langs de lijloopplank bleef dus slechts over; daar deze onder water was, zwom ik over, onder beschutting van de sloepen, en deelde het bevel mede, dat onder eindelooze inspanning ten uitvoer werd gebracht.

Op den bak vond ik de oudste en bevarendste matrozen zich aan het loefboord vasthoudende, met angst op het gelaat uitgedrukt; dit verbaasde mij, en ik was trotsch boven zulk eene zwakheid verheven te zijn. Terwijl bij mijne meerderen in jaren en ondervinding het hart van schrik verstijfd was, bleef ik volkomen bewust van het gevaar, dat ons dreigde, en zag ik duidelijk in, dat als het fregat niet binnen zeer korten tijd rees, wij allen naar de kelder gingen; want in weerwil van onze inspanning en voorzorgen vermeerderde het water in het schip. Ik bereikte weder zwemmende het halfdek, waar de commandant, met de grootste zeemanskalmte, met drie van de beste matrozen, bij het stuurrad stond; doch het roer ontving van de hooge zee zulke hevige schokken, dat zij de uiterste moeite hadden om te voorkomen van overboord geslagen te worden. De lij-halfdeks-batterij was geheel onder water; het was wenschelijk deze overboord te werken, en daar het hier eene zaak van leven of dood gold, slaagde men daarin. Toch bleef het schip als een blok liggen en wilde zich niet oprichten, doch ging voort op verontrustende wijze te zakken. De orkaan bleef met dezelfde hevigheid voortwoeden, en de algemeene stemming scheen te zijn: »Laat ons bidden, want wij zijn verloren!”

De fokke- en groote mast waren nog heel en hadden het gewicht te dragen van de daaraan hangende gebroken stengen met hun tuig, die, als een hefboom, het gedrukte schip nog het meeste neerhielden. Die groote toplast kwijt te raken was noodig, doch zoo goed als onuitvoerbaar. Doch het was een wanhopend geval, waarvoor eene wanhopige poging moest in het werk gesteld worden, wilden wij niet zeer spoedig naar het rijk der haaien verhuizen. Het gevaar om iemand naar boven te zenden was zoo groot, dat de commandant daartoe geen bevel durfde geven; maar hij wist aan het langzamerhand op het halfdek gekomen volk, door gebaren te kennen te geven, dat, tenzij wij gauw van dat bovenwicht verlost waren, het schip zoude moeten zinken.

Op dit oogenblik scheen het, alsof elke nieuwe aanschietende zee het schip dieper en dieper indompelde. Met vaart daalde het in de holte der golven, om slechts met moeite, alsof het niet meer kon van vermoeienis,en slechts gedeeltelijk, door een volgenden roller opwaarts geheven te worden. Het schip scheen den strijd tegen de elementen moede en op het punt om zich over te geven, gelijk eene edele, zwaargehavendeversterking bukt voor de onweerstaanbare overmacht van den vijand. Onze bemanning had geheel en al de bezinning verloren; hadden zij drank kunnen bemachtigen, dan zouden zij zich uit wanhoop bedronken hebben, om zoo den dood te gemoet te gaan. Bij elke ruk, dien het schip kreeg, scheen het alsof de groote mast zich voornam om te gaan; het loefwant stond snaarstijf, alsof de hoofdtouwen ijzeren stangen waren, terwijl het lijwant in een groote bocht los naar beneden hing of met de blokken van de andere zijde tegen den mast aanslingerde, welke met al de ontvangen rukken, zijne laatste oogenblikken naderde. Wij verwachten niet anders dan hem te zien afbreken en daarbij een stuk van de verschansing te zien medegaan. Er werd niemand genegen bevonden op het verzoek van den commandant naar boven te gaan om de aan den top hangende vleet van stengen, raas en tuig weg te kappen. Doodelijk stil waren wij allen, doch de orkaan nam, zoo mogelijk, nog in hevigheid toe.

Ik erken, dat ik mij op dit oogenblik voelde herleven tegenover een gevaar, dat niemand scheen te durven trotseeren. Ik wachtte nog een oogenblik, of zich allicht een vrijwilliger zou voordoen, en was er zeker van, dat zoodanig een mijn bitterste vijand zou worden, omdat hij mij in den weg kwam voor de voldoening aan mijn grootsten hartstocht—grenzenloozen trots—doch niemand trad voor. Dikwijls genoeg had ik mij in een groot, gemeenschappelijk gevaar bevonden, en was dan meesttijds geheel vooraan gesprongen; maar om te ondernemen wat eene dappere, goed geoefende fregatsbemanning niet durfde bestaan,—was voor mij het toppunt van moed, dat ik nooit gedroomd had te zullen bereiken. Een scherp kapmes in mijnen gordel stekende, wenkte ik den commandant toe, dat ik het zou gaan beproeven, en dat wie lust had, mij volgen kon, en ik liep het sterk hellende loefwant in, met vijf kloeke mannen achter mij aan komende. Zóó werkt het voorbeeld van een officier op de houding der mindere schepelingen!

De zware rukken, die het tuig kreeg, maakten het zeer moeielijk om ons vast te houden of niet in de vleet bekneld te raken. Met de armen en beenen moesten wij de hoofdtouwen omvatten; en angstig, in ademlooze spanning zag men van het dek naar ons op en werd daarna elke hakvan het mes met gejuich begroet. Het grootste gevaar voor ons scheen voorbij, toen wij de zwichtings bereikt hadden, waar onze voeten steun vonden. Wij verdeelden ons werk; sommigen namen de talreepen van het stengewant, ik den borg van de groote ra voor mijne rekening. De stevige kappen, die wij gaven, werden door gekraak beantwoord; nog een hak, nog een en.... daar ging de heele afgebroken rommel over het lijboord te water. Het was alsof het schip dadelijk verademing kreeg; het richtte zich weder, en wij kwamen omlaag onder de vreugdekreten, toejuichingen en gelukwenschen, en ik mag er zelfs bijvoegen, de tranen van dankbaarheid van de meesten onzer scheepsmakkers. Er bleef nu nog eenig licht werk overig; gestadig nam thans ook de storm in hevigheid af, de vleet werd langzamerhand van het schip vrij geklaard, en de angst werd vergeten.

Dit was voor mij het genotvolste oogenblik van mijn leven, voor geen aardsch goed had ik dat fiere gevoel willen missen, dat ik had bij het weder betreden van het halfdek. De goedkeurende glans in het oog van den commandant, de hartelijke handdrukken, de lof der officieren, de gretige blikken van de bemanning, die mij vol verbazing aanstaarden en opgewekt gehoorzaamden, deden mij op zichzelf beschouwd aangenaam aan, maar verzonken in het niet, vergeleken bij het innerlijke gevoel van bevredigde eerzucht,—een hartstocht zoo nauw met mijn bestaan saamgeweven, dat mijn persoon en mijn roem zonder deze niet meer leven konden. Ik gevoelde, dat mijn trots gerechtvaardigd was.

Gewoonlijk hebben orkanen geen langen duur; deze werd gevolgd door stormweer, dat zwaar genoeg, echter in vergelijking van hetgeen wij doorleefd hadden, niets beteekende. Wij togen aan het werk, zetten een noodmast op en kwamen zoo na enkele dagen te Halifax terug, hetgeen voor ons eene heerlijkheid, en voor de bewoners, die de volle kracht van den orkaan gevoeld hadden en zeer over ons in angst waren geweest, eene geruststelling was. Mijne armen en beenen vorderden eenigen tijd om te herstellen van de kneuzingen, die ik bij mijn laatste gevaarvolle werk had opgedaan, en daarvoor moest ik zoolang aan boord blijven. Toen ik beter was, ging ik naar den wal en werd vriendelijk en minzaam door mijne talrijke kennissen ontvangen.

Nog niet lang waren wij in Halifax, toen ik eene plotselinge verandering bespeurde in de houding van den commandant tegenover mij. De werkelijke reden daartoe heb ik nooit kunnen ontdekken, ofschoon ikmij ter zake in gissingen verdiepte. Ik moet tot mijn spijt bekennen dat ik, in weerwil zijner steeds tegenover mij betoonde vriendelijkheid, in weerwil van mijn oprechten eerbied voor hem, zoowel in zijne hoedanigheid van officier als van fatsoenlijk man, hem eens belachelijk gemaakt heb. Maar hij was veel te goedaardig om zich eene onschadelijke jeugdige grap zoo zwaar aan te trekken; gewoonlijk was in vijf minuten tijds de boosheid van dezen beminnelijken man over iets dergelijks, als ik nu hier vertellen ga, geheel geweken.

Wat er gebeurd was, was dit: mijn waarlijke edele commandant droeg een bijzonder wijd soort van blauwe pantalon. Of hij nu zelf vond, dat dit zeemansachtig stond, dan wel of zijn kleermaker bij het uitknippen zich vergist had of toen ter tijd met veel katoenen stof bezet had gezeten die hij opruimen wilde, weet ik niet; maar hoe breed ook de achterboeg van zijn lordschap was, nog breeder en wijder waren naar evenredigheid de plooien van dit onmisbaar deel van zijn omhulsel.

Dat »een steekje op zijn tijd er wel negen later uithaalt” is een spreekwoord, dat bij de naaisters veel opgang maakt, doch aan boord, met zoovele andere wijsheden, al te dikwijls over het hoofd wordt gezien. Dit was ook met lord Edward het geval geweest. In de achternaad van zijn boven omschreven kleedingstuk bevond zich een verwaarloosde torn, nog aanwezig toen de orkaan inviel. De verbolgen wind had voor niets ontzag, joeg, scheurde, brak alles voor zich uit wat hem tegenstand bood, nestelde zich waar hij een opening kon vinden, vulde alle ruimten, die hij in zijn weg ontmoette. De onschuldige broek van lord Edward had een argeloos kiertje openstaan, dit was als eene bres voor het woedende element, waardoor het zich een intocht baande. De krachtige Boreas blies het kleedingstuk op, als een trompetter zijne wangen. Tegen zulk eene spanning bleek het niet bestand te zijn, het scheurde aan flarden en reepen, die het lichaamsdeel tuchtigden, dat zij behoorden te beschermen, en eindelijk geheel en al in den steek lieten.

Het was een lastig geval; doch daar het schip in nood was en wij niet anders dachten dan daarmede binnen het halfuur te zinken, was het de moeite niet waard om van dek te gaan om het vernielde kleedingstuk te vervangen door een ander, dat hem in de diepte der zee toch niets gegeven zou hebben. Maar toen het gevaar geweken was, werd de grap opgehaald en was ik te Halifax eens bezig met hetverhaal een heel gezelschap te amuseeren, toen juist zijn lordschap binnenkwam. Het verhaal veroorzaakte een niet te bedwingen luid gelach. Spoedig bespeurde hij hiervan het onderwerp te zijn; hij zag mij voor de aanleiding aan en was een paar minuten onaangenaam gestemd; doch het woei spoedig voorbij, en ik kan nog niet gelooven, dat dit de reden was van de verandering zijner gevoelens ten mijnen opzichte; want hoewel het als hoogverraad wordt beschouwd den hond van den commandant scheef aan te zien, laat staan hemzelf uit te lachen, wist ik toch, dat mijn chef een veel te royale kerel was, om door zulk eene kleinigheid lang gegriefd te zijn. Meer verdenk ik den eersten officier en de overige luitenants, dat zij mij wel wilden kwijt zijn; en in zekeren zin hadden zij geen ongelijk: voor een zoo jong officier was ik, boven al de anderen uit, te populair bij de mindere schepelingen, en noodwendig was dit ten nadeele van de krijgstucht. Ik ontving van lord Edward een zeer vriendschappelijken wenk, dat een ander commandant van een grooter fregat om mij gevraagd had. Ik begreep zijne bedoeling; wij scheidden als goede vrienden, en altijd zal ik met eerbied en erkentelijkheid aan hem denken.

Mijn nieuwe commandant was een geheel ander soort van mensch, ook beschaafd van manieren en een gentleman, maar een boekgeleerde. Minzaam met zijne officieren omgaande, stelde hij zijne bibliotheek steeds ter hunner beschikking; de kerk, waar de boekenkasten stonden, was voor ons allen open. Dit lokaal was de schoolkamer voor de jongere, het studeervertrek voor de oudere cadets. Hij was een uitmuntend teekenaar, en ik leerde veel door zijne aanwijzingen.

Wij werden naar Quebec gezonden, zeilden door de prachtige Straat Canso, de breede en vorstelijke St. Laurensrivier op, in ’t zicht van het eiland Anticosta. Veel bijzonders gebeurde er op den overtocht niet, behalve dat een Schotsche dokters-assistent in de voorlongroom, die allerlei aristocratische neigingen aan den dag legde, eene democratische les noodig had, die ik hem toediende. Hij beweerde, dat hij door geboorte en opvoeding (te Edinburgh) het recht had om het hoofd van onze tafel te zijn. Hier had ik een en ander tegen en leerde spoedig den heerschzuchtigen zoon van Esculapius, dat de wetenschap der zelfverdediging even hoog behoort aangeschreven te staan als de kunst van heelen, en dat, mocht hij in de laatste bedreven zijn, ik hem gelegenheid zou geven op eigen persoon daarvan de proef te nemen: hieropgaf ik op zijn sinciput, op zijn occiput, os frontis, os nasi en alle andere kwetsbare deelen van zijn corpus, zekere veerkrachtige, harde drukkingen, die de bedoeling hadden de gevoelszenuwen te verstompen en te verdooven en onder elk oog eene onderhuidsche bloeduitstorting teweeg te brengen; terwijl tegelijkertijd uit iedere neusopening eene rijke carmijnkleurige stroom te voorschijn kwam. Het was echter nooit mijne gewoonte om te bluffen of op eene overwinning door te gaan; ziende dat hij zijne wapenen liet zakken, deed ik hem de gebruikelijke vraag of de partij ter andere zijde voldaan was, en hierop een bevestigend antwoord hebbende ontvangen, borg ik mijne kneusbotten op, tot hun dienst eens weer gevorderd mocht worden, hetzij om eene berisping uit te deelen, of eene correctie af te weren.

Wij ankerden bij kaap Diamant, die de St. Laurens van de kleine rivier St. Charles scheidt. De binnenlandsche voortzetting van deze kaap vormen de Abrahams-hoogten, alwaar de onsterfelijke generaal Wolfe Montcalm versloeg, in het jaar 1759, toen beide generaals een roemrijken dood op het slagveld vonden. De stad is gelegen aan het uiteinde van de kaap en heeft een schilderachtig voorkomen. De huizen en kerken zijn meerendeels met zink gedekt ter vermindering van brandgevaar, waaraan deze plaats dikwijls blootstond, toen de huizen gedekt waren met riet en latten. Wanneer de ondergaande zon zijne stralen over de stad uitwerpt, zoude men zeggen, dat zij in ’t zilver gezet was.

Het hoofddoel onzer reis naar Quebec was om volk te zoeken, waaraan op het eskader groot gebrek was. Onze matrozen en mariniers werden heimelijk in presgangen afgedeeld. Het bevel van eene daarvan werd mij toevertrouwd. De officieren en mariniers gingen vermomd aan wal, nadat zij onderling seinen en plaatsen van bijeenkomst hadden afgesproken; terwijl matrozen, op welken wij konden rekenen, als lok-eenden moesten dienen en den schijn zouden aannemen van op koopvaarders te dienen, waarvan hun officier de schipper was, en hen overhalen zouden voor de thuisreis dienst te nemen, voor eene premie van 10 kan rum en driehonderd dollars. Menigeen liep er op deze wijze in, en zij werden niet uit den droom geholpen vóór zij langs zijde van het fregat kwamen, waar hunne vloeken en verwenschingen beter te begrijpen dan te herhalen zijn.

Hierbij dient aangeteekend te worden, dat vaartuigen, die voor den houthandel varen, aankomen in de maand Juni, als de riviermond vrijvan ijs is, en dat, als zij niet weg zijn tegen of vóór het eind van October, de kans groot is om in het ijs vast te raken, waardoor zij in de St. Laurens moeten overwinteren, eene verloren reis gemaakt hebben en zeven à acht maanden werkeloos moeten blijven. Hiermede bekend deserteeren de matrozen zeer dikwijls bij hunne aankomst, en worden dan verborgen en gevoed door zielverkoopers, die er hun voordeel in vinden hen in den loop van het jaar aan de kapiteins te verschacheren. Zij weten dan voor de matrozen een zeer groote som voor het maken der thuisreis te bedingen en verdienen voor zichzelf een goed handgeld voor hunne moeite èn van den kapitein èn van den matroos.

Men had ons opgedragen geen volk van de koopvaardijschepen aan te nemen, doch hen in de huizen der ronselaars te gaan zoeken. Voor ons was dit eene bron van veel genoegen en van merkwaardige lotgevallen; want het vernuft om het volk weg te stoppen werd overtroffen door de kunstmiddelen en slimheid van onzen kant in het werk gesteld om hunne schuilhoeken te vinden. Kelders en vlieringen lagen al te zeer voor de hand, daar behoefden wij niet te zoeken; meer kans op een goede jacht hadden wij bij het doorsnuffelen van hooibergen, kerktorens, geheime bergplaatsen onder den haard, waarin het vuur brandde, enz. In een woord, men kon zoo vreemd geen hoekje uitdenken, waarin niet wel eens een of meer mannen waren verstopt geweest. Somtijds vonden wij matrozen, als heeren gekleed, aan het drinken van wijn en in vertrouwelijk gesprek met menschen uit hoogere standen, die hen op deze wijze zochten te verbergen. Door eigen onderzoek kwamen wij achter dergelijke verschoonbare bedriegerijen.

Ik trok ongeveer vijftien mijlen van Quebec landwaarts in naar eene schuur, waarvan het mij bekend was geworden dat zij aan een der ronselaars toebehoorde. Na lang vruchteloos gezocht te hebben, ontdekten wij eenige flinke matrozen in de hanebalken van een buitenloods, die alleen diende om spek te rooken. Daar het vuur brandde en er eene flinke rook naar boven steeg, was het moeielijk om te denken dat een menschelijk wezen het daar zou kunnen uithouden; wanneer ook niet iemand uit den troep aan het hoesten geraakt was, zouden wij ze nooit ontdekt hebben. De arme hoester werd natuurlijk door zijne kameraden niet vroolijk aangekeken, toen wij hen een voor een inpalmden. Om hen zeker over te brengen, sneden wij hen van achter de broeksbanden door (een zeer aan te bevelen middel van voorzorg) waardoor zij in het wegloopenbelemmerd waren, en namen gezamenlijk plaats op den grooten wagen van den boer, die gedwongen werd ook naar Quebec terug te rijden. Eens onder weg zijnde schertsten onze nieuwelingen braaf mede over de omstandigheden hunner ontdekking. Het was overigens verwonderlijk, hoe gemakkelijk die lieden zich verzoenden met het denkbeeld van naar een oorlogsschip te gaan; misschien was het om den aanstaanden oorlog met de Yankees. Ik begon veel genoegen in de menschenjacht te krijgen, ofschoon kalme overdenking mij later overtuigd heeft van de wreedheid en onrechtvaardigheid van het pressen. Het middel is bovendien ondoelmatig, daar het meer dan eenige maatregel, die het gouvernement zou kunnen nemen, strekt om goede zeelieden het land uit te jagen. Doch het is hier niet de plaats om eene verhandeling te schrijven tegen den presgang. Ik voor mij gaf niets om de persoonlijke vrijheid van een ander, zoolang het mij te doen was om de equipage voltallig te hebben tegen den naderenden oorlog; en daar ik tevens mijne liefhebberij voor avonturen bevredigde, had ik volstrekt geene gedachten over voor de gevolgen van mijne handelwijze.

Een koopman te Quebec had mij beleedigd door het niet aannemen van een wissel, dien ik op mijn vader had getrokken. Ik had geen ander middel om eenige bij hem gedane aankoopen te voldoen, en was zeer verstoord door zijne weigering, die hij vergezeld deed gaan van een zeer onbehoorlijken schimp op mijzelf en de uniform die ik droeg. Het papier, dat hij in handen hield, van alle zijden bekijkende, zeide hij verachtelijk: »Een wissel van een adelborst heeft voor mij geene waarde; ik dank u voor het bedoelde koopje!”

Overtuigd dat de wissel goed was, nam ik voor mij te wreken. Mijne pres-volmacht stelde mij in staat om overal te komen, waar men mij bericht had, dat volk zou verstopt zijn, en een dergelijke aanklacht tegen hem wist ik gemakkelijk door een mijner kameraads op te doen. (Men ziet de arme man was in handen van eene heilige broederschap gevallen). Mijn vriend gaf zijne besliste overtuiging te kennen, dat daar in huis matrozen verborgen waren; ik verzocht nadere orders van den commandant, en deze beval mij aan strikt mijnen plicht te doen. Onze koopman nu was een man van aanzien in Quebec, die uitgebreiden handel dreef. Ongeveer te één uur in den morgen bonsden wij met het noodige geweld op zijne huisdeur, gelastende dat men zou openen in naam des Konings. Toen men weigerde, braken wij de deur open enverspreidden ons als een nest van kakkerlakken door zijn huis. Wij lieten geen kelder, geen zolder, geen kamer ondoorzocht,braken in ons onderzoek enkele der onmisbaarste kamerbehoeften, smeten in de keuken potten en pannen dooreen; en toen wij twee zoons van den eigenaar vonden, gaven wij te kennen, dat zij de gezochte zeelieden waren en zich maar dadelijk hadden aan te kleeden om ons te volgen.

Toen de oude koopman mij te zien kreeg, begon hij lont te ruiken en dreigde hij mij met ernstige gevolgen voor mijne handeling. Ik toonde hem mijne volmacht en vroeg hem of dit papier soms »waarde” voor hem had. Toen ik elk deel van het huis behoorlijk had doen doorzoeken, trok ik af, de twee jonge welpen half dood van den schrik achterlatende. Den volgenden dag werd er aan het gouvernementshuis geklaagd, doch aangezien hier eenoorlogsschipin betrokken was, liep dit op niets uit. Intusschen kwamen er tijdingen uit Albany te Quebec aan, inhoudende dat de President der Vereenigde Staten Engeland den oorlog had verklaard; naar aanleiding hiervan nam onze commandant van den Gouverneur afscheid; wij zakten met allen spoed de rivier af, en nooit hoorde ik iets meer van mijnen vriend den koopman.

Met eene volle bemanning te Halifax teruggekomen, kregen wij dadelijk bevel om zee te kiezen en den vijand alle mogelijke afbreuk te doen. Wij stuurden op Bostonbaai aan, toen wij in den morgen, waarop wij land haalden een tien of twaalftal koopvaarders zagen. De eerste, dien wij benaderden, was eene brik; een onzer sloepen werd gestreken en bemand, ik werd medegezonden en kwam op den Yankee, terwijl het fregat voortging de overige te jagen. De kapitein van het schip zat op een kippenhok en verwaardigde zich niet om op te staan of mij te begroeten, toen ik langs hem ging. Hij was een kort, dik, vierkant mannetje.

»Ik gis dat gij een Engelschman zijt?” vroeg hij.

»Ik gis, dat dit waar is,” zeide ik, evenals hij door den neus pratende.

»Ik dacht wel, dat wij niet lang in onze wateren zouden zijn voor wij er eenigen van jelui’s gebroed uit het oude land zouden ontmoeten. Ge zoekt er toch geen kwaad in wat ik zeide?” vervolgde de schipper.

»Och neen,” zeide ik, »in ’t minst niet; op den langen duur maakt het niet uit. Maar waar komt gij vandaan en wat is uwe bestemming?”

»Kom van Smyrna, bestemd naar Boston, waar ik als God belieft, en met een goed geweten, morgenochtend hoop binnen te loopen.”

Uit dit antwoord bemerkte ik, dat hij nog niets van den oorlog af wist, en daarom besloot ik er nog wat pret van te maken, voor ik hem het noodlottige nieuws mededeelde. »En vertel eens,” zeide ik, »wat gij inhebt? Gij schijnt lichte lading te hebben.”

»Niet zoo licht, zou ik denken,” zeide de man; »wij hebben olijfolie, rozijnen en nog zoo’n rommel.”

»Wat bedoelt gij met rommel?” vroeg ik. »Verklaar u wat duidelijker.”

»Wel, zie je, rommel is, wat wij noemen van alles wat. De een heeft het met het eene op, een ander verlangt weer wat anders; sommigen houden van amandelen, sommigen houden van zijde, sommigen hebben graag opium, en sommigen (voegde hij er knipoogend bij) mogen graag dollars.”

»En is dit nu de rommel, dien gij in hebt?” vroeg ik.

»Ik gis, dat dit zoo is,” antwoordde Jonathan.

»En welke lading hebt gij uitgebracht?” zeide ik.

»Gezouten visch, meel en tabak,” was het antwoord.

»En is dit al wat gij mede terugbrengt?” vroeg ik. »Ik dacht, dat de Smyrna-handel nog al wat te beduiden had.”

»Dat is ook zoo,” zeide de argelooze Yankee. »Dertig duizend dollars in de kajuit, behalve de olie en het andere goed, heeft ook nog al wat te beduiden.”

»Ik ben blijde, dat ik van die dollars hoor,” zeide ik.

»Wat zal u dat uitmaken,” zeide de kapitein; »een mager klein aandeeltje zult gij krijgen, als wij aan het deelen gaan.”

»Dat denkt gij; maar,” zeide ik, »hebt gij onder weg het nieuws gehoord?”

Op het woord »nieuws” kreeg de arme kerel een kleur, alsof hem de geelzucht overviel. »Wat nieuws?” vroeg hij in een staat van onrust, die hem bijna het spreken niet toeliet.

»Wel, anders niet, dan dat uw president Madison goedgevonden heeft Engeland den oorlog te verklaren.”

»Kom, gijschertst!” zeide de kapitein.

»Ik geef u mijn woord van eer, dat het waar is,” zeide ik; »en uw vaartuig wordt bij deze goeden prijs verklaard door Zijner Britsche Majesteits schip de ——.”

De arme man loosde een zucht, die als uit zijne broekspijpen scheen op te komen. »Dan ben ik geruïneerd,” zeide hij. »Het spijt mij, dat ikvan dien oorlog niet wat vroeger heb afgeweten; ik heb hier op den bak zoo’n paar aardige, kleine kanonnetjes staan; gij zoudt mij niet zoo gemakkelijk gekregen hebben.”

Ik glimlachte op dit denkbeeld van wederstand tegen een goed bezeild fregat van vijftig stukken; maar stoorde hem niet in het genot zijner zelfbewuste kracht, en over iets anders beginnende, vroeg ik, of hij wat voor ons te drinken had; het weder was zoo warm.

»Neen, ik heb niets,” antwoordde hij nijdig, »en als ik had....”

»Kom, kom, mijn waarde,” zeide ik, »gij vergeet, dat gij prijs gemaakt zijt; beleefdheid is goedkoop en brengt hare rente wel op.”

»Dat is waar,” zeide Jonathan, getroffen op het gevoelige punt, »dat is waar, gij doet slechts uw plicht. Hier jongen, breng die groote kruik madera,—ik denk dat deze den jongen officier wel zal aanstaan; en te gelijk eenige glazen en een van die flesschen rooden wijn, uit het achterste kastje aan stuurboord.”

De jongen gehoorzaamde, het gevraagde kwam spoedig boven. Terwijl wij aan het praten waren, was het fregat blijven doorjagen, deed de noodige losse schoten, liet de verschillende schepen, die het voorbijkwam, bijdraaien, stuurde eene sloep op het eene af, vervolgde het andere. Onze brik zeilde achter hem aan, met alle lappen er op.

»Zeg eens,” zeide de kapitein, »mag ik u soms wat te eten aanbieden? Ik gis, dat gij nog niet gedineerd hebt, daar de zon nog vóór den meridiaan staat.”

Onder dankbetuiging nam ik zijn aanbod aan; hij liet zich dadelijk naar de kajuit zakken, zoo het heette om wat klaar te zetten; maar ik geloof eer, dat het hem te doen was, om een en ander uit het gezicht te bergen, en dit kwam later ook uit: hij verduisterde een zak dollars uit de lading. Spoedig werd ik verzocht beneden te komen. Een stuk ham en een gebraden kip lieten zich den hongerigen jonker goed smaken; en toen er eenige glazen madera bij verwerkt werden, rees de barometer van mijne stemming even hard, als de zijne daalde.

»Kom, kapitein,” zeide ik, een vol glas omhooghoudende, »op een langen en bloedigen oorlog!”

»Schande op hem, die daar geen amen toe zegt,” zeide de schipper. »Maar waar zijt gij voornemens mij heen te brengen? Ik gis naar Halifax. Mijne kleeren en ander particulier eigendom mag ik toch houden?”

»Al uw particulier eigendom,” zeide ik, »is heilig; maar schip en lading zijn ons.”

»Wel zoo,” zeide de man, »dat weet ik; maar als ge mij goed behandelt, zult ge zien, dat ik geen ondankbare ben. Laat mij mijne zaakjes maar houden, en dan zal ik u een nieuwtje vertellenwaarge wat aan hebben zult.”

Hij vertelde mij toen, op mijne belofte van zijn goed te zullen eerbiedigen, dat wij geen oogenblik te verzuimen hadden, om een vaartuig te pakken, dat met eene rijke lading uit Smyrna kwam, en dat hij mij nu aanwees als nog slechts een stipje aan de kim; de kapitein daarvan was een stadgenoot van hem, en hun beider bestemming was dezelfde. Ik wendde mij minachtend van hem af en heesch te gelijk een sein op om het fregat te praaien. Daar aan boord teruggekeerd, vertelde ik den commandant, wat ik van den kapitein van den prijs gehoord had, en wat ik dezen had toegezegd. Hij keurde dit laatste goed, zond het noodige volk naar de brik in ruil voor de gevangen bemanning, terwijl het fregat zeil maakte voor het aangewezen vaartuig, dat ’s avonds te negen uren in onze handen viel.

Ik wil niet aannemen, dat zulke verraderlijke handelingen bij de Amerikanen eene gewone zaak zijn. Afscheid nemende van den schipper van mijne brik, had ik nog het volgende stekelige gesprek.

»Ik gis, dat ik een kaperschip ga uitrusten en daarmede eenige van jelui koopvaarders zal pakken.”

»Pas maar op, dat gijzelf niet gepakt wordt en verder uw tijd moet zoek maken aan boord van een onzer gevangenisschepen. Maar bedenk altijd, wat er ook gebeuren moge, dat alles uw eigen schuld is; gij hebt ruzie met ons gezocht om Boney1te behagen, en hij zal u alleen in ’t gezicht spuwen, wanneer gij uw best voor hem hebt gedaan. Uw wijze president heeft den oorlog verklaard aan het moederland.”

»Wat kan ons het moederland schelen!” mompelde de Yankee; »ik gis, dat gij meent het stiefmoederland. Voor mijn part moge het te gronde gaan!!!”

Wij gingen met het vervolgen van schepen door, en tegen den nacht had het fregat acht prijzen genomen; op een daarvan, een brik dieslechts ballast inhad, werden alle gevangenen overgebracht, mijn Yankee vriend niet uitgezonderd, en het vaartuig daarop losgelaten, vrij om den weg naar huis te volgen. Wij droegen zorg, dat allen hun kleederen en hun bijzonder eigendom medekregen. Ik had hoop met mijn prijs naar Halifax te worden opgezonden, maar daarvan kwam niets in, zeker omdat mijn commandant in de peiling had, dat ik er niet veel goeds zou uitvoeren; ik bleef bij hem aan boord. Wij kruisten nog twee maanden en namen verscheidene kapers, sommige groote en sommige kleine; eenige werden door ons verbrand, andere in den grond geboord.

Eens lag dergelijk vaartuig bij ons op zijde; alles wat de moeite waard was er uitgenomen hebbende, staken wij, hoogst onvoorzichtig, den brand er in vóór hij geheel vrij van ons was, en daar hij windwaarts van ons lag, duurde dit eenige minuten vóór wij hem kwijt waren. Intusschen begonnen de vlammen onrustbarend uit te breken en wel heel dicht bij onze bezaansrust, terwijl er veel gevaar bestond, dat het over zoude slaan, daar de twee drijvende massa’s naar elkander toe bleven zuigen; wij legden het roer op, en kregen de schuit met een krachtigen zet van ons af, en toen wij eens vóór den wind lagen, dreef hij achter langs, weldra geheel een vuurzee gelijk. Wij hadden den brand aangestoken, om tijd uit te sparen, daar van top een nieuw schip gepraaid was, dat wij nog vervolgen moesten, en het strijken eener sloep om hem daarmede te vernielen ons te veel zou opgehouden hebben.

Vóór het einde van den kruistocht jaagden wij nog eens een schoener, die zich op den wal liet loopen en daar uit elkander stootte; wij namen toch het vaartuig in bezit, omdat het eene rijke lading inhad. De schoener kwam van Bordeaux en moest naar Philadelphia. Na vele kostbare zaken er uitgenomen te hebben, zag ik in het ruim, dat reeds vol water stond, eenige kisten drijven. Toen wij hiernaar gedoken hadden in het ijskoude water, bleek het fijne Bordeauxwijn te zijn, waaraan wij ons duchtig te goed deden. Zoolang wij in de koude waren,bemerkten wijhiervan niet de gevolgen, doch spoedig na onze komst aan boord, begonnen wij te ontdooien, even als die jagershoorn van den beroemdenMünchhausen, waardoor het geheim uitkwam, dat wij allen dronken waren. De commandant deed den volgenden dag onderzoek naar den reden hiervan, en ik vertelde hem openhartig de geheele geschiedenis. Hij was verstandig genoeg er om te lachen; bij andere commandantenzou het volk er de noodige slaag voor gekregen hebben en de officier, die er bij was, zijn weggejaagd geworden.

In de haven teruggekomen, verzocht ik vergunning om naar Engeland terug te keeren, ten einde mijn examen voor luitenant te doen, daar ik mijne jaren voor adelborst had uitgediend. Men gaf mij in overweging om buitenslands te blijven en mijne kans op bevordering op het vlaggeschip af te wachten; maar om meer redenen, dan ik verkoos op te geven, bleef ik het examen in eene Engelsche zeehaven verkiezen, kreeg diensvolgens mijn ontslag en kwam te huis.

Ik had brieven van mijn vader ontvangen, waarin ook deze mij te huis riep, omdat hij mij met verschillende hooggeplaatste personen in kennis wilde brengen en mij daardoor de hoogere rangen in den zeedienst toegankelijk wilde maken. Die raad was goed, en aangezien hij met mijn verlangen overeenstemde, volgde ik hem op. Ik scheidde van mijn commandant op den besten voet en nam een hartelijk afscheid van mijne kameraden en van de officieren.

Na een overtocht van zes weken kwam ik te Plymouth binnen, juist toen mijne zes jaren dienst, die gevorderd werden, vol waren.

1Zoo noemden de Amerikanen Bonaparte.

1Zoo noemden de Amerikanen Bonaparte.

Veertiende hoofdstuk.Spoedig na mijne aankomst in Plymouth, werd bij circulaire van het vlaggeschip kenbaar gemaakt, dat den zooveelsten aan boord van de Salvador del Mundo gelegenheid gegeven zou worden tot het afleggen van het examen voor den rang van Luitenant ter zee. Ten spoedigste maakte ik mijn vader hiermede bekend, hem mededeelende, dat ik er mij gereed toe gevoelde en voornemens was de aanvraag daartoe in te dienen. Ik kwam dienovereenkomstig op den aangewezen dag, met nog veertien of vijftien andere hoopvolle adspiranten, op het vlaggeschip bijeen. Wij waren allen gekleed in onze groot-tenue-rok, zoo onberispelijk mogelijk, met een bundel journalen en aanteekeningboeken onderden arm. Als zoovele schapen, die ter slachtbank worden geleid, werden wij voorloopig afgezonderd in eene van zeildoek opgeslagen hut.Tegen elf uren kwamen de hoofdofficieren, die ons onder handen zouden nemen, aan boord aan. Toen wij een glimp van hun aanschijn te zien kregen, kwamen wij overeen, dat de »snit van hunne kluivers” niet erg in onzen smaak viel. Te twaalf uren werd de eerste naam afgeroepen. Het »slachtoffer” verzamelde al zijn moed, ruimde zijn keel, trok zijn boordje recht, verstrikte zijn das, en zijn steek en boeken grijpende, volgde hij met stouten pas den bode naar de kajuit, alwaar drie ernstig voor zich uit ziende heeren, in klein uniform gekleed, hem wachtten. Zij waren aan eene ronde tafel gezeten; half achter den president zat een schrijver; Moore’s »zeevaartkunde” lag voor hem, met een zeemansalmanak, lei, griffel, papier en inkt. De bevende jonker kwam nader, en toen hij zeer eerbiedig zijne boeken en getuigschriften van matigheid en goed gedrag aangeboden had, werd hij verzocht te gaan zitten. De eerste vragen hadden alleen op de theorie betrekking; en ofschoon hij die in de longroom en in elk ander gezelschap met het meeste gemak zou hebben weten te beantwoorden, was hij zoo bedwelmd en verlegen, dat hij zijn kop kwijtraakte, bij de eerste vraag zenuwachtig trilde, bij de tweede bedenkelijk naar boven keek en bij de derde nog minder wist te zeggen wat iets op een antwoord geleek. Hij werd teruggezonden met aanbeveling om »nog eerst een zes maanden te gaan varen.”Hij kwam bij ons in eene zeer ontroerde stemming; nooit zag ik iemand meer verdriet hebben. Niet wetende, hoe spoedig ik in hetzelfde geval zou kunnen verkeeren, had ik des te meer met hem te doen. Een ander werd opgeroepen en kwam weldra niet gelukkiger terug; en de beschrijving, die hij gaf van het bulderend uitvaren van den jongsten kolonel, drukte ons in de hoogste mate terneder en was voldoende om ons allen moed te benemen. Het was mij echter zeer nuttig dit te weten. Bij onderzoek bleek mij, dat zij steeds over de theorie waren gestruikeld, en ik was vol zelfvertrouwen wat dit onderdeel van mijn vak aangaat, en vast besloten mij door dat bulderen van dien kolonel niet van streek te laten brengen. Toen dit besluit bij mij rijpte, kwam een derde candidaat onverrichter zake bij ons terug; en dit was nog wel een jongmensch, op wiens bekwaamheid ik vol vertrouwen had gehad; onwillekeurig deed mij dit in mijn zelfschatting nadeel. Toen de vierde met een vroolijk gezicht kwam aanzetten en ons vertelde, dat hij er doorwas, schepte ik weder adem; maar ook deze gerustheid was van korten duur, daar hij er bij vertelde, dat een van de heeren examinatoren een vriend van zijn vader was. Hierdoor werd het raadsel opgelost; want gedurende den korten tijd, dien ik hem gekend had, had ik dezen laatste voor allesbehalve een feniks aangezien.Toen mijn eigen naam werd afgeroepen, kreeg ik een koud gevoel om het hart, zooals ik nooit te voren ondervonden had, noch bij eenig gevecht, noch gedurende den orkaan, noch toen ik ter reede van Spithead klaar was om te water te gaan en naar den wal te zwemmen. »O macht der onbeschaamdheid, o geest van de algebra,” zeide ik, »sta mij bij, of ik ben verloren.” Nog al te spoedig naar mijn zin vloog de kajuitsdeur voor mij open, werd door den schildwacht achter mij gesloten, en bevond ik mij in tegenwoordigheid van het gevreesde driemanschap. Ik had het gevoel van Daniël, toen hij den leeuwenkuil intrad. Ik werd uitgenoodigd om te gaan zitten, en daarop staken mijne rechters de hoofden bijeen tot eene korte beraadslaging, die ik niet verstaan kon of wilde; terwijl ik in den tusschentijd gelegenheid vond mijne tegenpartij van top tot teen op te nemen. Ik sprak mij zelf moed in door te denken, dat ik één wel zou kunnen staan en, als ik dien nu onzijdig wist te houden, de twee overigen ook wel klein zou krijgen.Een van deze heeren had een gelaat als eenbeschilderdemeloen, en zijne hand die op de tafel lag deed aan de vin van een schildpad denken; de nagels daarvan waren zoo kort afgebeten, dat het scheen alsof de overblijfselen zich in het vleesch teruggetrokken hadden uit vrees van verdere mishandeling, die de andere hand op dit oogenblik had te lijden. »Nu,” dacht ik in mijzelven, »als ik ooit ergensongemeubileerde bovenkamerste huur heb zien staan, dan is het in die kokosnoot of pompoen van UEd.”De hoofdofficier, die naast hem zat, was een klein, mager, donker, uitgedroogd gerimpeld mannetje met levendige oogjes en een vooruitspringenden neus. Bij de adelborsten had hij den bijnaam van »oude Chili-azijn” of »oude zuurspons”. Hij was wat men een »ijzeren Hein” noemt. Hij kon een matroos twee maanden lang op de zwarte lijst houden en gaf hem het bodemstuk van een kanon om te poetsen en blank te houden, zonder hem tijd te gunnen tot het heel houden zijner kleeren of het schoonhouden van zichzelf, terwijl hij nu schoon enschitterend moest houden, wat voor zijn eigenlijke bestemming beter zwart en dof was. Zelden liet hij een man slaan; maar hij kon hem »negeren”, zoodat hij zichzelf niet meer was, door wat hij noemde »den duivel uit te drijven.” Spoedig bemerkte ik, dat deze kleine krates, die er als een droog palingvel uitzag, het meeste had in te brengen. De derde kolonel was een lang, knap, deftig man (de jongste van het drietal), met een bevelende en strakke uitdrukking op het gelaat. Om de grootste aardigheid zou geen spier daarvan tot lachen vertrokken zijn geworden.Juist was ik met mijne opname gereed en had mij een oppervlakkig oordeel gevormd over de eigenaardigheden mijner examinatoren, toen mijn verhoor een aanvang nam en de president mij aldus aansprak:»Ik houd het er voor, dat gij volmaakt op de hoogte zijt van de theorie der stuurmanskunst; anders zoudt gij zeker niet hier gekomen zijn.”Ik antwoordde, dat ik hoopte dat dit blijken zou, als de heeren mij geliefden te ondervragen.»Hij is met zijn antwoord vlug genoeg,” zeide de lange kolonel; »ik denk, dat dit heerschap het meeste praats in de voorlongroom heeft. Onder wien hebt gij gediend, jonker?”Ik noemde de verschillende commandanten op, die ik gehad had, en vooral lord Edward.»O, zoo, dat is voldoende; als gij onder lord Edward gediend hebt, danmoetgij wel op de hoogte zijn.”Ik begreep de afgunstige en schimpende wijze, waarop dit gezegd werd, en bereidde mij daarom voor op een zwaren strijd, overtuigd, dat deze man, die volstrekt geen zeeman was, het hoogst aangenaam zou vinden, een van lord Edward’s adelborsten te kunnen afwijzen. Verscheidene vraagstukken werden mij voorgelegd, die ik goed wist te beantwoorden. De heeren keken zeer nauwkeurig mijne medegebrachte werkboeken en ook mijne getuigschriften na, en deden mij toen eene vraag uit de hoogere wiskunde. Ook deze loste ik op; maar toen bespeurde ik, dat het niet juist knapheid was, waar zij naar zochten. De kleine gerimpelde kolonel scheen eigenlijk teleurgesteld, dat hij mij nergens op vatten kon. Een moeielijk vraagstuk uit de bolvormige driehoeksmeting lag voor hen, zorgvuldig uitgewerkt en met de uitkomst duidelijk onderaan geschreven; maar deze mocht ik natuurlijk niet zien. Zoodra ik die vraag opgelost had, werd mijn werk met het hunne vergeleken;en daar het niet volkomen overeenstemde, werd mij gezegd, dat ik het fout had. Ik werd daardoor niet van mijn stuk gebracht, doch na mijn werk nog eens overgezien te hebben, zeide ik, dat ik nergens eene vergissing kon ontdekken en de uitkomst, uit de figuur, kon bewijzen.»Ik geloof, dat gij uzelf al voor heel knap houdt,” zeide de kleine, dikke kolonel.»Een tweede Euclides!” vulde de lange kolonel aan. »Vertel eens, jonker de beteekenis vanPons asinorum?”»Ezelsbrug, sir,” zeide ik, hem vierkant in het gezicht ziende.Nu bleek het mij klaar en duidelijk, dat de kleine, dikke kolonel nooit van eene »brug voor ezels” had gehoord en daarom veronderstelde, dat ik spotte met den langen kolonel, die zijn heele leven »binnenslands gevaren” hebbende, wel van denPons asinorumafwist, doch niet zeggen kon welk probleem van Euclides het was, noch hoe het bij de stuurmanskunst toepassing vond. De dikke kolonel proestte het daarom van het lachen uit, zeggende: »Nu, hij heeft u goed beet; laat hem stil loopen: straks zal hij het u nog benauwd maken.”Geraakt over deze opmerking, werd de lange kolonel driftig en herinnerde, dat de laatst gestelde vraag niet naar behooren was opgelost, en hij zwoer bij hoog en laag, dat hij mijn certificaat niet teekenen zou, vóór de oplossing goed was ingediend. Ik bleef volhouden, dat mijn werk goed was; beide oplossingen werden naast elkaar gelegd en vergeleken: men dreigde mij weg te zenden, toen tot groote ontsteltenis van de partij de fout in hun eigen werk werd ontdekt. De dikke kolonel, die een goedaardig man was, lachte recht hartelijk; de beide anderen keken ontstemd en boos.»Dit deel zullen wij dan hierbij laten,” zeide de ijzeren Hein: »sta nu eens op en laat zien, wat gij met een schip weet te doen.” De veronderstellingwas,dat het schip op de helling stond; het liep te water; ik werd er als eerste officier op geplaatst en moest het verder zeeklaar maken. Ik haalde het in het droge dok en liet het koperen; verhaalde het onder den mastbok en zette de masten in; bracht het over naar de ballastkade, nam over en stuwde den ballast en de waterkisten; verhaalde naar de overzijde bij den tuigzolder, tuigde het schip vanatotzop, sneed de zeilen, nam de batterij over, en de benoodigdheden en de victualie; rapporteerde gereed te zijn; deed sein voor een loods; ging er mede uit de haven; kreeg order er elders mede binnen te loopen,en de ondiepten en klippen op te noemen op den weg naar Portsmouth, Plymouth, Falmouth, Duins, Yarmouth, ja tot de Shetlands-eilanden toe.Maar de kleine »ijzeren” en de lange kolonel konden maar niet vergeven, dat ik in het trigonometrische vraagstuk gelijk had gehad, en de ondervragingen gingen voort. Zij brachten mijn schip in alle mogelijke omstandigheden, die bij de vele gevallen, welke op zee kunnen voorkomen, in zulke eindelooze verscheidenheid bestaan. Ik moest elk zeil bijzetten en bergen van een bovenbramzeil af tot een gaffeltopzeil toe. Mijne masten werden weggeschoten, en ik zette noodmasten op: ik had de zeilen daarbij pas gemaakt en zou juist eene haven inloopen, toen »oude zuurspons” wreedaardig mijn schip over zij wierp, op bot lagerwal, met donkeren nacht, onder een orkaan, en mij toen opdroeg, mij daar eens uit te redden. Ik antwoordde, dat als er ankergrond was, ik al mijne ankers zou laten vallen en afwachten wat er gebeurde; maar dat, als er geene ankergrond was, noch hijzelf, noch iemand anders het schip zou kunnen afbrengen, zonder verandering van den wind of eene bijzondere tusschenkomst van de Voorzienigheid. Hiermede was »ijzeren Hein” niet tevreden. Ik zag nu den toeleg om mij te laten »zakken”, en dat de uitkomst mijne hoop zou beschamen: dit maakte mij onverschillig; dat eindelooze vragen begon mij tegen te staan, en ik maakte toen, gelukkig voor mijzelf, eene vergissing, althans in de oogen van den langen kolonel. De mij gedane vraag was juist eene, die aan boord der schepen tot velerlei uiteenloopende opvattingen aanleiding gaf: n.l. of wanneer de wind zeer achterlijk inkwam, het roer midscheeps kon varen, dan wel een paar spaken òp moest leggen? Ik meende het eerste; maar de lange kolonel beweerde het laatste en gaf daarvoor zijne gronden aan. Op twijfelachtig terrein staande, gaf ik toe en dankte hem voor den raad, dien ik verklaarde stellig te zullen opvolgen, als ik in het geval kwam; toch was ik er zoo zeker niet van, dat hij gelijk had, en sedert dien tijd heb ik dat ook ondervonden; maar mijne meegaandheid vleide zijne eigenliefde, en van dat oogenblik af stond hij mij vóór. Op zijn gelaat vertoonde zich een barsche glimlach, hij wendde zich tot zijne collega’s, en vroeg hun of zij voldaan waren.Deze vraag maakt, evenals de hamer bij eene publieke verkooping, een eind aan alle quaestie; want bij dergelijke gelegenheden zullen de hoofdofficieren elkander niet tegenspreken; ik ontving de kennisgeving, dat ik zeer voldoende geslaagd was. Ik maakte eene sierlijke buiging enging heen, op weg naar de schaapskooi overdenkende, dat ik bijna mijne bevordering verspeeld had, door hunne ijdelheid te kwetsen, doch dat alles nog goed terecht was gekomen, door die te streelen. Zoo gaat het in de wereld; van mijn vroegste jeugd af werden steeds al mijne ondeugden vergroot door het slechte voorbeeld, dat mijne meerderen mij gaven.Buitenslands zou mijn examen veel gemakkelijker zijn afgeloopen. Ik herinner mij eens in de West-Indiën, terwijl wij op zee waren, dat er eene sloep gestreken werd en daarmede een adelborst (die niet eens den vollen diensttijd had, en wiens leeftijd en voorkomen aan alles behalve zeevaartkundige kennis deden denken) naar een ander met ons zeilend schip werd gezonden; na een kwartier was hij al terug met een certificaat van goed afgelegd examen. Wij waren ten zeerste verwonderd en vroegen, wat men hem toch wel in dien tijd gevraagd had. Hij antwoordde: »Alleen naar de gezondheid van papa en mama; en of ik port of witten wijn met water wilde drinken. Bij mijn heengaan,” vervolgde de knaap, »zeide een der officieren, dat als ik naar huis schreef, ik zijne eerbiedige groeten moest overbrengen aan lord en lady G..... Hij had een kalkoen voor mij in de sloep laten brengen en wenschte mij veel geluk.”Dit jongmensch werd spoedig bevorderd; doch overleed, gelukkig misschien voor den dienst, op zijnen overtocht naar Engeland.Zeker was er een zeer groot verschil tusschen dit examen en het mijne; doch toen het eenmaal over was, verheugde ik mij juist over de gestrengheid, die ik ondervonden had. Mijne eerzucht was gestreeld door de zege mijner bekwaamheden; en toen ik mij het zweet van het voorhoofd had afgewischt, verhaalde ik mijne moeielijkheden, mijne beproevingen en den gunstigen uitslag op een toon van zelfbehagen, die mij van een ander als onuitstaanbare ijdelheid zou geklonken hebben. Het grootste voordeel van mijn lang examen, dat anderhalf uur geduurd had, trokken de overige adelborsten, die daardoor slechts weinig vragen kregen. De commissie was van haar werk vermoeid; en dus waren het alleen de arme ongeluksvogels, die de eerste kracht van haren vroegtijdigen morgenijver gevoeld hadden, die de lijdende partij waren, en onder de »gezakten” waren meer bekende knappe jongens dan onder degenen, die er met vlag en wimpel doorgerold waren.Eene bijzonderheid verschafte mij veel genoegen. Toen de kolonels opdek kwamen, riep »Zuursponsje” mij bij zich en vroeg, of ik ook familie was van Mr.—— Ik vertelde, dat dit mijn oom was.»Wel, mijnheer! dat is mijn beste vriend. Waarom hebt ge niet gezegd, dat gij zijn neef waart?”Ik antwoordde met nagebootste nederigheid, die zeer na geparenteerd was aan onbeschaamdheid, dat ik niet aan zijn gezicht had kunnen zien, dat hij mijn oom kende, maar dat, als ik het geweten had, ik te kiesch zou zijn geweest er bij deze gelegenheid melding van te maken; daar het òf gebrek aan vertrouwen in mijne eigene kennis zou verraden hebben, òf den schijn zou gegeven hebben, dat hij door die mededeeling verzocht werd, mij eenigszins genadig te behandelen, wat veel van eene beleediging zou gehad hebben.»Dat is allemaal mooi, en allemaal waar,” zeide de oude heer, »maar als gij eerst eens wat ouder zijt en wat meer van den dienst hebt gezien, dan zult gij minstens evenveel op uwe vrienden, als op uwe verdiensten rekenen; en maak daar staat op, dat gij er te beter bij varen zoudt, als ge bewijzen kondt een broers kind van den ouden kater aan de Admiraliteit te zijn. Maar enfin, alles is nu voorbij en afgeloopen; maar breng mijne groeten aan uwen oom over en zeg hem, dat gij uw examen op eene alleszins bevredigende wijze hebt afgelegd.”Dit zeggende, groette hij de wacht, die in het geweer stond, en ging den valreep af naar de giek, die hem wachtte. Toen hij de trap afsteeg, mompelde ik in mijzelven: »De duivel hale uw apengezicht, koffiekleurige, kleine krates! Het is uwe schuld niet, dat ik er door ben. Ik houd het er voor, dat uw vader broeken-lapper was van den bottelier van den eersten lord (van de Admiraliteit), of misschien waart gij zoogbroeder van een anderen toekomstigen lord, en daaraan hebt gij het commandement te danken van de ——.”Verrukt over den gunstigen uitslag van dezen dag, sprong ik dien avond in den postwagen en bereikte spoedig daarop mijns vaders huis. De ontvangst aldaar was zeer hartelijk; doch de dood had gedurende mijn afzijn groote offers van mijne familie geëischt. Mijn oudste broeder en twee mijner zusters waren achtereenvolgens gestorven, en mijn vader bezat nu nog slechts eene jongere zuster en mijzelven. Ik moet bekennen dat mijn vader mij zeer getroffen ontving; zijne bittere droefheid over het verlies zijner kinderen, de gevaren die ik had doorstaan, de stellige bewijzen van mijn goed gedrag, die hem onder de oogen waren gekomen,dat alles bracht er toe bij hem al mijne dwalingen te doen vergeten; en hij scheen, en was in werkelijkheid, meer dan vroeger met mij ingenomen en trotsch op mij.Ik wil geene pogingen doen mijne eigene gevoelens bij deze gelegenheid te verbergen. Zeker was ik bedroefd over den dood mijner naaste verwanten, maar het bericht daarvan had ik ontvangen te midden van de afleiding van eenen zeer drukken dienst. De dood was voor mij niets buitengewoons; en destijds maakte mijn verlies op mij een zoo geringen indruk, dat ik niet eens den draad van mijn verhaal heb afgebroken om er toen melding van te maken. In werkelijken zin was ik verhard geraakt door mijne omgeving en mijne levenswijze. Het fijne gevoel was bij mij verstompt door de ruwe school der ondervinding, die ik doorloopen had. In het verlies van mijn ouderen broeder troostte ik mij gemakkelijk. Mijne ouders hadden hem steeds voorgetrokken en mij aanleiding gegeven hem vaak te benijden. Thomas was altijd een geschikte, brave jongen geweest, ik daarentegen een rumoerige wildzang. Groote sympathie had er tusschen ons nooit bestaan.Mijn beide zusters had ik eigenlijk slechts zeer weinig gekend. Nooit had ik mij veel aan haar laten gelegen liggen. Nu ik ze verloren had, gevoelde ik eerst wat eene bron voor broederlijke genegenheid weder voor mij verstopt was geraakt. Onwillekeurig bracht ik thans alle liefde op mijne overgebleven zuster over. Ons beider verlies had ons nader tot elkaar gebracht.Daar mijn vader nog al eenigen invloed had en ik thans op goede getuigschriften kon wijzen, ontving ik mijne benoeming tot luitenant bij Zr. Ms. zeedienst ongeveer veertien dagen na mijne aankomst in Londen; maar aangezien ik nog geene plaatsing had gekregen, besloot ik een korten tijd eenige vergoeding te nemen voor de harde dagen op de Amerikaansche kust doorgebracht. Het streelde mij thans werkelijk iets te zijn en, zoo noodig, onafhankelijk van mijnen vader te kunnen leven; deze bevordering verschafte mij meer genoegen dan de twee, die hier op gevolgd zijn.Nauwelijks was de vreugde over mijne benoeming uit, of ik dacht aan Emilia; en toen ik twee dagen in het bezit van dien rang was, gaf ik mijn vader mijn voornemen te kennen om een bezoek op ... Hall te brengen.Mijn vader was op dat oogenblik in zeer opgeruimde stemming; wijzaten, na een goed middagmaal, samen onder genot van een flesch wijn te praten. Ik was de woordvoerder en deed hem schudden van het lachen over mijne grappen te Quebec en Prins Edwards Eiland en aan boord. Toen ik van miss Sommerville sprak, zeide mijn vader niet te twijfelen, of zij zou zeer verheugd zijn mij weer te zien, en dat zij thans het mooiste en liefste meisje uit den ganschen omtrek was.Den lof van Emilia hoorde ik met schijnbare kalmte en onverschilligheid aan, en alsof zij mij volstrekt niet na aan het hart lag, beweerde ik dat zij altijd aanleg gehad had een mooi meisje te worden, »maar,” zeide ik, »aan mooie meisjes is tegenwoordig geen gebrek.”Dit gezegde maakte op mijnen vader een zeer verkoelenden indruk en gaf hem aanleiding aan den heer Sommerville, nog vóór ik naar ... Hall vertrok, mede te deelen, dat een plan dat zij zamen voor de toekomst hunner kinderen op het oog hadden gehad, wel geen groote kans op vervulling meer had. Dit bericht had men voor Emilia niet geheel kunnen verbergen.Wat mij nu eigenlijk bewogen had met mijnen vader, die mij zoo vriendelijk te gemoet was gekomen, zoo onoprecht om te gaan, weet ik niet te verklaren; het was weer die oude lust tot bedriegen, die in mij opkwam. Sedert er zooveel betere berichten van mij waren thuis gekomen en mijne vooruitzichten waren verbeterd, hadden de beide oude heeren eens de mogelijkheid besproken en elkaar den wederkeerigen wensch verraden, dat Emilia, die niet had kunnen verzwijgen, dat zij mij genegen was, enik een paar zouden worden, zoodra ik den kapiteinsrang in den zeedienst zou hebben verkregen. Vandaar dat mijn vader zich gehaast had mijne veranderde zienswijze aan zijnen vriend mede te deelen.Emilia was over mijne gebleken onverschilligheid natuurlijk zeer ontstemd; langzamerhand won bij haar de overtuiging veld, dat zij hare genegenheid aan eenen onwaardige had geschonken. Toen verkreeg hare jonkvrouwelijke fierheid weder de overhand en schonk haar althans de noodige kalmte en troost om zich bij ons spoedig daarop gevolgd wederzien met gepaste terughoudendheid te gedragen.Ik werd te ... Hall dus beleefd, maar overigens vrij koel ontvangen. Ik zag dadelijk in, dat het mij groote moeite zoude kosten den hoogst ongunstigen indruk weg te nemen, die mijne onverschilligheid, te huis aan den dag gelegd en door den brief van mijnen vader bekendgeworden, had teweeggebracht. In den grond mijns harten was ik echter Emilia blijven liefhebben; ik had slechts den schijn aangenomen, dat zulks niet langer het geval was, en Emilia zelve werd door mijne vernieuwde betuigingen hiervan langzamerhand ook overtuigd. Toen ons bijeen zijn dan ook nog slechts kort geduurd had, werden wij volkomen verzoend.Het gebeurde kon wederom niet anders dan een diepen indruk op mijn gemoed teweegbrengen. Opnieuw kwamen de beste voornemens, om eens eindelijk een meer eerlijk, braaf, oprecht en degelijk mensch te worden, bij mij boven.In het bijzijn van Emilia vlood weder de tijd met snelheid voort, en te vroeg naar ons beider verlangen was weder de ure der scheiding aangebroken.

Spoedig na mijne aankomst in Plymouth, werd bij circulaire van het vlaggeschip kenbaar gemaakt, dat den zooveelsten aan boord van de Salvador del Mundo gelegenheid gegeven zou worden tot het afleggen van het examen voor den rang van Luitenant ter zee. Ten spoedigste maakte ik mijn vader hiermede bekend, hem mededeelende, dat ik er mij gereed toe gevoelde en voornemens was de aanvraag daartoe in te dienen. Ik kwam dienovereenkomstig op den aangewezen dag, met nog veertien of vijftien andere hoopvolle adspiranten, op het vlaggeschip bijeen. Wij waren allen gekleed in onze groot-tenue-rok, zoo onberispelijk mogelijk, met een bundel journalen en aanteekeningboeken onderden arm. Als zoovele schapen, die ter slachtbank worden geleid, werden wij voorloopig afgezonderd in eene van zeildoek opgeslagen hut.

Tegen elf uren kwamen de hoofdofficieren, die ons onder handen zouden nemen, aan boord aan. Toen wij een glimp van hun aanschijn te zien kregen, kwamen wij overeen, dat de »snit van hunne kluivers” niet erg in onzen smaak viel. Te twaalf uren werd de eerste naam afgeroepen. Het »slachtoffer” verzamelde al zijn moed, ruimde zijn keel, trok zijn boordje recht, verstrikte zijn das, en zijn steek en boeken grijpende, volgde hij met stouten pas den bode naar de kajuit, alwaar drie ernstig voor zich uit ziende heeren, in klein uniform gekleed, hem wachtten. Zij waren aan eene ronde tafel gezeten; half achter den president zat een schrijver; Moore’s »zeevaartkunde” lag voor hem, met een zeemansalmanak, lei, griffel, papier en inkt. De bevende jonker kwam nader, en toen hij zeer eerbiedig zijne boeken en getuigschriften van matigheid en goed gedrag aangeboden had, werd hij verzocht te gaan zitten. De eerste vragen hadden alleen op de theorie betrekking; en ofschoon hij die in de longroom en in elk ander gezelschap met het meeste gemak zou hebben weten te beantwoorden, was hij zoo bedwelmd en verlegen, dat hij zijn kop kwijtraakte, bij de eerste vraag zenuwachtig trilde, bij de tweede bedenkelijk naar boven keek en bij de derde nog minder wist te zeggen wat iets op een antwoord geleek. Hij werd teruggezonden met aanbeveling om »nog eerst een zes maanden te gaan varen.”

Hij kwam bij ons in eene zeer ontroerde stemming; nooit zag ik iemand meer verdriet hebben. Niet wetende, hoe spoedig ik in hetzelfde geval zou kunnen verkeeren, had ik des te meer met hem te doen. Een ander werd opgeroepen en kwam weldra niet gelukkiger terug; en de beschrijving, die hij gaf van het bulderend uitvaren van den jongsten kolonel, drukte ons in de hoogste mate terneder en was voldoende om ons allen moed te benemen. Het was mij echter zeer nuttig dit te weten. Bij onderzoek bleek mij, dat zij steeds over de theorie waren gestruikeld, en ik was vol zelfvertrouwen wat dit onderdeel van mijn vak aangaat, en vast besloten mij door dat bulderen van dien kolonel niet van streek te laten brengen. Toen dit besluit bij mij rijpte, kwam een derde candidaat onverrichter zake bij ons terug; en dit was nog wel een jongmensch, op wiens bekwaamheid ik vol vertrouwen had gehad; onwillekeurig deed mij dit in mijn zelfschatting nadeel. Toen de vierde met een vroolijk gezicht kwam aanzetten en ons vertelde, dat hij er doorwas, schepte ik weder adem; maar ook deze gerustheid was van korten duur, daar hij er bij vertelde, dat een van de heeren examinatoren een vriend van zijn vader was. Hierdoor werd het raadsel opgelost; want gedurende den korten tijd, dien ik hem gekend had, had ik dezen laatste voor allesbehalve een feniks aangezien.

Toen mijn eigen naam werd afgeroepen, kreeg ik een koud gevoel om het hart, zooals ik nooit te voren ondervonden had, noch bij eenig gevecht, noch gedurende den orkaan, noch toen ik ter reede van Spithead klaar was om te water te gaan en naar den wal te zwemmen. »O macht der onbeschaamdheid, o geest van de algebra,” zeide ik, »sta mij bij, of ik ben verloren.” Nog al te spoedig naar mijn zin vloog de kajuitsdeur voor mij open, werd door den schildwacht achter mij gesloten, en bevond ik mij in tegenwoordigheid van het gevreesde driemanschap. Ik had het gevoel van Daniël, toen hij den leeuwenkuil intrad. Ik werd uitgenoodigd om te gaan zitten, en daarop staken mijne rechters de hoofden bijeen tot eene korte beraadslaging, die ik niet verstaan kon of wilde; terwijl ik in den tusschentijd gelegenheid vond mijne tegenpartij van top tot teen op te nemen. Ik sprak mij zelf moed in door te denken, dat ik één wel zou kunnen staan en, als ik dien nu onzijdig wist te houden, de twee overigen ook wel klein zou krijgen.

Een van deze heeren had een gelaat als eenbeschilderdemeloen, en zijne hand die op de tafel lag deed aan de vin van een schildpad denken; de nagels daarvan waren zoo kort afgebeten, dat het scheen alsof de overblijfselen zich in het vleesch teruggetrokken hadden uit vrees van verdere mishandeling, die de andere hand op dit oogenblik had te lijden. »Nu,” dacht ik in mijzelven, »als ik ooit ergensongemeubileerde bovenkamerste huur heb zien staan, dan is het in die kokosnoot of pompoen van UEd.”

De hoofdofficier, die naast hem zat, was een klein, mager, donker, uitgedroogd gerimpeld mannetje met levendige oogjes en een vooruitspringenden neus. Bij de adelborsten had hij den bijnaam van »oude Chili-azijn” of »oude zuurspons”. Hij was wat men een »ijzeren Hein” noemt. Hij kon een matroos twee maanden lang op de zwarte lijst houden en gaf hem het bodemstuk van een kanon om te poetsen en blank te houden, zonder hem tijd te gunnen tot het heel houden zijner kleeren of het schoonhouden van zichzelf, terwijl hij nu schoon enschitterend moest houden, wat voor zijn eigenlijke bestemming beter zwart en dof was. Zelden liet hij een man slaan; maar hij kon hem »negeren”, zoodat hij zichzelf niet meer was, door wat hij noemde »den duivel uit te drijven.” Spoedig bemerkte ik, dat deze kleine krates, die er als een droog palingvel uitzag, het meeste had in te brengen. De derde kolonel was een lang, knap, deftig man (de jongste van het drietal), met een bevelende en strakke uitdrukking op het gelaat. Om de grootste aardigheid zou geen spier daarvan tot lachen vertrokken zijn geworden.

Juist was ik met mijne opname gereed en had mij een oppervlakkig oordeel gevormd over de eigenaardigheden mijner examinatoren, toen mijn verhoor een aanvang nam en de president mij aldus aansprak:

»Ik houd het er voor, dat gij volmaakt op de hoogte zijt van de theorie der stuurmanskunst; anders zoudt gij zeker niet hier gekomen zijn.”

Ik antwoordde, dat ik hoopte dat dit blijken zou, als de heeren mij geliefden te ondervragen.

»Hij is met zijn antwoord vlug genoeg,” zeide de lange kolonel; »ik denk, dat dit heerschap het meeste praats in de voorlongroom heeft. Onder wien hebt gij gediend, jonker?”

Ik noemde de verschillende commandanten op, die ik gehad had, en vooral lord Edward.

»O, zoo, dat is voldoende; als gij onder lord Edward gediend hebt, danmoetgij wel op de hoogte zijn.”

Ik begreep de afgunstige en schimpende wijze, waarop dit gezegd werd, en bereidde mij daarom voor op een zwaren strijd, overtuigd, dat deze man, die volstrekt geen zeeman was, het hoogst aangenaam zou vinden, een van lord Edward’s adelborsten te kunnen afwijzen. Verscheidene vraagstukken werden mij voorgelegd, die ik goed wist te beantwoorden. De heeren keken zeer nauwkeurig mijne medegebrachte werkboeken en ook mijne getuigschriften na, en deden mij toen eene vraag uit de hoogere wiskunde. Ook deze loste ik op; maar toen bespeurde ik, dat het niet juist knapheid was, waar zij naar zochten. De kleine gerimpelde kolonel scheen eigenlijk teleurgesteld, dat hij mij nergens op vatten kon. Een moeielijk vraagstuk uit de bolvormige driehoeksmeting lag voor hen, zorgvuldig uitgewerkt en met de uitkomst duidelijk onderaan geschreven; maar deze mocht ik natuurlijk niet zien. Zoodra ik die vraag opgelost had, werd mijn werk met het hunne vergeleken;en daar het niet volkomen overeenstemde, werd mij gezegd, dat ik het fout had. Ik werd daardoor niet van mijn stuk gebracht, doch na mijn werk nog eens overgezien te hebben, zeide ik, dat ik nergens eene vergissing kon ontdekken en de uitkomst, uit de figuur, kon bewijzen.

»Ik geloof, dat gij uzelf al voor heel knap houdt,” zeide de kleine, dikke kolonel.

»Een tweede Euclides!” vulde de lange kolonel aan. »Vertel eens, jonker de beteekenis vanPons asinorum?”

»Ezelsbrug, sir,” zeide ik, hem vierkant in het gezicht ziende.

Nu bleek het mij klaar en duidelijk, dat de kleine, dikke kolonel nooit van eene »brug voor ezels” had gehoord en daarom veronderstelde, dat ik spotte met den langen kolonel, die zijn heele leven »binnenslands gevaren” hebbende, wel van denPons asinorumafwist, doch niet zeggen kon welk probleem van Euclides het was, noch hoe het bij de stuurmanskunst toepassing vond. De dikke kolonel proestte het daarom van het lachen uit, zeggende: »Nu, hij heeft u goed beet; laat hem stil loopen: straks zal hij het u nog benauwd maken.”

Geraakt over deze opmerking, werd de lange kolonel driftig en herinnerde, dat de laatst gestelde vraag niet naar behooren was opgelost, en hij zwoer bij hoog en laag, dat hij mijn certificaat niet teekenen zou, vóór de oplossing goed was ingediend. Ik bleef volhouden, dat mijn werk goed was; beide oplossingen werden naast elkaar gelegd en vergeleken: men dreigde mij weg te zenden, toen tot groote ontsteltenis van de partij de fout in hun eigen werk werd ontdekt. De dikke kolonel, die een goedaardig man was, lachte recht hartelijk; de beide anderen keken ontstemd en boos.

»Dit deel zullen wij dan hierbij laten,” zeide de ijzeren Hein: »sta nu eens op en laat zien, wat gij met een schip weet te doen.” De veronderstellingwas,dat het schip op de helling stond; het liep te water; ik werd er als eerste officier op geplaatst en moest het verder zeeklaar maken. Ik haalde het in het droge dok en liet het koperen; verhaalde het onder den mastbok en zette de masten in; bracht het over naar de ballastkade, nam over en stuwde den ballast en de waterkisten; verhaalde naar de overzijde bij den tuigzolder, tuigde het schip vanatotzop, sneed de zeilen, nam de batterij over, en de benoodigdheden en de victualie; rapporteerde gereed te zijn; deed sein voor een loods; ging er mede uit de haven; kreeg order er elders mede binnen te loopen,en de ondiepten en klippen op te noemen op den weg naar Portsmouth, Plymouth, Falmouth, Duins, Yarmouth, ja tot de Shetlands-eilanden toe.

Maar de kleine »ijzeren” en de lange kolonel konden maar niet vergeven, dat ik in het trigonometrische vraagstuk gelijk had gehad, en de ondervragingen gingen voort. Zij brachten mijn schip in alle mogelijke omstandigheden, die bij de vele gevallen, welke op zee kunnen voorkomen, in zulke eindelooze verscheidenheid bestaan. Ik moest elk zeil bijzetten en bergen van een bovenbramzeil af tot een gaffeltopzeil toe. Mijne masten werden weggeschoten, en ik zette noodmasten op: ik had de zeilen daarbij pas gemaakt en zou juist eene haven inloopen, toen »oude zuurspons” wreedaardig mijn schip over zij wierp, op bot lagerwal, met donkeren nacht, onder een orkaan, en mij toen opdroeg, mij daar eens uit te redden. Ik antwoordde, dat als er ankergrond was, ik al mijne ankers zou laten vallen en afwachten wat er gebeurde; maar dat, als er geene ankergrond was, noch hijzelf, noch iemand anders het schip zou kunnen afbrengen, zonder verandering van den wind of eene bijzondere tusschenkomst van de Voorzienigheid. Hiermede was »ijzeren Hein” niet tevreden. Ik zag nu den toeleg om mij te laten »zakken”, en dat de uitkomst mijne hoop zou beschamen: dit maakte mij onverschillig; dat eindelooze vragen begon mij tegen te staan, en ik maakte toen, gelukkig voor mijzelf, eene vergissing, althans in de oogen van den langen kolonel. De mij gedane vraag was juist eene, die aan boord der schepen tot velerlei uiteenloopende opvattingen aanleiding gaf: n.l. of wanneer de wind zeer achterlijk inkwam, het roer midscheeps kon varen, dan wel een paar spaken òp moest leggen? Ik meende het eerste; maar de lange kolonel beweerde het laatste en gaf daarvoor zijne gronden aan. Op twijfelachtig terrein staande, gaf ik toe en dankte hem voor den raad, dien ik verklaarde stellig te zullen opvolgen, als ik in het geval kwam; toch was ik er zoo zeker niet van, dat hij gelijk had, en sedert dien tijd heb ik dat ook ondervonden; maar mijne meegaandheid vleide zijne eigenliefde, en van dat oogenblik af stond hij mij vóór. Op zijn gelaat vertoonde zich een barsche glimlach, hij wendde zich tot zijne collega’s, en vroeg hun of zij voldaan waren.

Deze vraag maakt, evenals de hamer bij eene publieke verkooping, een eind aan alle quaestie; want bij dergelijke gelegenheden zullen de hoofdofficieren elkander niet tegenspreken; ik ontving de kennisgeving, dat ik zeer voldoende geslaagd was. Ik maakte eene sierlijke buiging enging heen, op weg naar de schaapskooi overdenkende, dat ik bijna mijne bevordering verspeeld had, door hunne ijdelheid te kwetsen, doch dat alles nog goed terecht was gekomen, door die te streelen. Zoo gaat het in de wereld; van mijn vroegste jeugd af werden steeds al mijne ondeugden vergroot door het slechte voorbeeld, dat mijne meerderen mij gaven.

Buitenslands zou mijn examen veel gemakkelijker zijn afgeloopen. Ik herinner mij eens in de West-Indiën, terwijl wij op zee waren, dat er eene sloep gestreken werd en daarmede een adelborst (die niet eens den vollen diensttijd had, en wiens leeftijd en voorkomen aan alles behalve zeevaartkundige kennis deden denken) naar een ander met ons zeilend schip werd gezonden; na een kwartier was hij al terug met een certificaat van goed afgelegd examen. Wij waren ten zeerste verwonderd en vroegen, wat men hem toch wel in dien tijd gevraagd had. Hij antwoordde: »Alleen naar de gezondheid van papa en mama; en of ik port of witten wijn met water wilde drinken. Bij mijn heengaan,” vervolgde de knaap, »zeide een der officieren, dat als ik naar huis schreef, ik zijne eerbiedige groeten moest overbrengen aan lord en lady G..... Hij had een kalkoen voor mij in de sloep laten brengen en wenschte mij veel geluk.”

Dit jongmensch werd spoedig bevorderd; doch overleed, gelukkig misschien voor den dienst, op zijnen overtocht naar Engeland.

Zeker was er een zeer groot verschil tusschen dit examen en het mijne; doch toen het eenmaal over was, verheugde ik mij juist over de gestrengheid, die ik ondervonden had. Mijne eerzucht was gestreeld door de zege mijner bekwaamheden; en toen ik mij het zweet van het voorhoofd had afgewischt, verhaalde ik mijne moeielijkheden, mijne beproevingen en den gunstigen uitslag op een toon van zelfbehagen, die mij van een ander als onuitstaanbare ijdelheid zou geklonken hebben. Het grootste voordeel van mijn lang examen, dat anderhalf uur geduurd had, trokken de overige adelborsten, die daardoor slechts weinig vragen kregen. De commissie was van haar werk vermoeid; en dus waren het alleen de arme ongeluksvogels, die de eerste kracht van haren vroegtijdigen morgenijver gevoeld hadden, die de lijdende partij waren, en onder de »gezakten” waren meer bekende knappe jongens dan onder degenen, die er met vlag en wimpel doorgerold waren.

Eene bijzonderheid verschafte mij veel genoegen. Toen de kolonels opdek kwamen, riep »Zuursponsje” mij bij zich en vroeg, of ik ook familie was van Mr.—— Ik vertelde, dat dit mijn oom was.

»Wel, mijnheer! dat is mijn beste vriend. Waarom hebt ge niet gezegd, dat gij zijn neef waart?”

Ik antwoordde met nagebootste nederigheid, die zeer na geparenteerd was aan onbeschaamdheid, dat ik niet aan zijn gezicht had kunnen zien, dat hij mijn oom kende, maar dat, als ik het geweten had, ik te kiesch zou zijn geweest er bij deze gelegenheid melding van te maken; daar het òf gebrek aan vertrouwen in mijne eigene kennis zou verraden hebben, òf den schijn zou gegeven hebben, dat hij door die mededeeling verzocht werd, mij eenigszins genadig te behandelen, wat veel van eene beleediging zou gehad hebben.

»Dat is allemaal mooi, en allemaal waar,” zeide de oude heer, »maar als gij eerst eens wat ouder zijt en wat meer van den dienst hebt gezien, dan zult gij minstens evenveel op uwe vrienden, als op uwe verdiensten rekenen; en maak daar staat op, dat gij er te beter bij varen zoudt, als ge bewijzen kondt een broers kind van den ouden kater aan de Admiraliteit te zijn. Maar enfin, alles is nu voorbij en afgeloopen; maar breng mijne groeten aan uwen oom over en zeg hem, dat gij uw examen op eene alleszins bevredigende wijze hebt afgelegd.”

Dit zeggende, groette hij de wacht, die in het geweer stond, en ging den valreep af naar de giek, die hem wachtte. Toen hij de trap afsteeg, mompelde ik in mijzelven: »De duivel hale uw apengezicht, koffiekleurige, kleine krates! Het is uwe schuld niet, dat ik er door ben. Ik houd het er voor, dat uw vader broeken-lapper was van den bottelier van den eersten lord (van de Admiraliteit), of misschien waart gij zoogbroeder van een anderen toekomstigen lord, en daaraan hebt gij het commandement te danken van de ——.”

Verrukt over den gunstigen uitslag van dezen dag, sprong ik dien avond in den postwagen en bereikte spoedig daarop mijns vaders huis. De ontvangst aldaar was zeer hartelijk; doch de dood had gedurende mijn afzijn groote offers van mijne familie geëischt. Mijn oudste broeder en twee mijner zusters waren achtereenvolgens gestorven, en mijn vader bezat nu nog slechts eene jongere zuster en mijzelven. Ik moet bekennen dat mijn vader mij zeer getroffen ontving; zijne bittere droefheid over het verlies zijner kinderen, de gevaren die ik had doorstaan, de stellige bewijzen van mijn goed gedrag, die hem onder de oogen waren gekomen,dat alles bracht er toe bij hem al mijne dwalingen te doen vergeten; en hij scheen, en was in werkelijkheid, meer dan vroeger met mij ingenomen en trotsch op mij.

Ik wil geene pogingen doen mijne eigene gevoelens bij deze gelegenheid te verbergen. Zeker was ik bedroefd over den dood mijner naaste verwanten, maar het bericht daarvan had ik ontvangen te midden van de afleiding van eenen zeer drukken dienst. De dood was voor mij niets buitengewoons; en destijds maakte mijn verlies op mij een zoo geringen indruk, dat ik niet eens den draad van mijn verhaal heb afgebroken om er toen melding van te maken. In werkelijken zin was ik verhard geraakt door mijne omgeving en mijne levenswijze. Het fijne gevoel was bij mij verstompt door de ruwe school der ondervinding, die ik doorloopen had. In het verlies van mijn ouderen broeder troostte ik mij gemakkelijk. Mijne ouders hadden hem steeds voorgetrokken en mij aanleiding gegeven hem vaak te benijden. Thomas was altijd een geschikte, brave jongen geweest, ik daarentegen een rumoerige wildzang. Groote sympathie had er tusschen ons nooit bestaan.

Mijn beide zusters had ik eigenlijk slechts zeer weinig gekend. Nooit had ik mij veel aan haar laten gelegen liggen. Nu ik ze verloren had, gevoelde ik eerst wat eene bron voor broederlijke genegenheid weder voor mij verstopt was geraakt. Onwillekeurig bracht ik thans alle liefde op mijne overgebleven zuster over. Ons beider verlies had ons nader tot elkaar gebracht.

Daar mijn vader nog al eenigen invloed had en ik thans op goede getuigschriften kon wijzen, ontving ik mijne benoeming tot luitenant bij Zr. Ms. zeedienst ongeveer veertien dagen na mijne aankomst in Londen; maar aangezien ik nog geene plaatsing had gekregen, besloot ik een korten tijd eenige vergoeding te nemen voor de harde dagen op de Amerikaansche kust doorgebracht. Het streelde mij thans werkelijk iets te zijn en, zoo noodig, onafhankelijk van mijnen vader te kunnen leven; deze bevordering verschafte mij meer genoegen dan de twee, die hier op gevolgd zijn.

Nauwelijks was de vreugde over mijne benoeming uit, of ik dacht aan Emilia; en toen ik twee dagen in het bezit van dien rang was, gaf ik mijn vader mijn voornemen te kennen om een bezoek op ... Hall te brengen.

Mijn vader was op dat oogenblik in zeer opgeruimde stemming; wijzaten, na een goed middagmaal, samen onder genot van een flesch wijn te praten. Ik was de woordvoerder en deed hem schudden van het lachen over mijne grappen te Quebec en Prins Edwards Eiland en aan boord. Toen ik van miss Sommerville sprak, zeide mijn vader niet te twijfelen, of zij zou zeer verheugd zijn mij weer te zien, en dat zij thans het mooiste en liefste meisje uit den ganschen omtrek was.

Den lof van Emilia hoorde ik met schijnbare kalmte en onverschilligheid aan, en alsof zij mij volstrekt niet na aan het hart lag, beweerde ik dat zij altijd aanleg gehad had een mooi meisje te worden, »maar,” zeide ik, »aan mooie meisjes is tegenwoordig geen gebrek.”

Dit gezegde maakte op mijnen vader een zeer verkoelenden indruk en gaf hem aanleiding aan den heer Sommerville, nog vóór ik naar ... Hall vertrok, mede te deelen, dat een plan dat zij zamen voor de toekomst hunner kinderen op het oog hadden gehad, wel geen groote kans op vervulling meer had. Dit bericht had men voor Emilia niet geheel kunnen verbergen.

Wat mij nu eigenlijk bewogen had met mijnen vader, die mij zoo vriendelijk te gemoet was gekomen, zoo onoprecht om te gaan, weet ik niet te verklaren; het was weer die oude lust tot bedriegen, die in mij opkwam. Sedert er zooveel betere berichten van mij waren thuis gekomen en mijne vooruitzichten waren verbeterd, hadden de beide oude heeren eens de mogelijkheid besproken en elkaar den wederkeerigen wensch verraden, dat Emilia, die niet had kunnen verzwijgen, dat zij mij genegen was, enik een paar zouden worden, zoodra ik den kapiteinsrang in den zeedienst zou hebben verkregen. Vandaar dat mijn vader zich gehaast had mijne veranderde zienswijze aan zijnen vriend mede te deelen.

Emilia was over mijne gebleken onverschilligheid natuurlijk zeer ontstemd; langzamerhand won bij haar de overtuiging veld, dat zij hare genegenheid aan eenen onwaardige had geschonken. Toen verkreeg hare jonkvrouwelijke fierheid weder de overhand en schonk haar althans de noodige kalmte en troost om zich bij ons spoedig daarop gevolgd wederzien met gepaste terughoudendheid te gedragen.

Ik werd te ... Hall dus beleefd, maar overigens vrij koel ontvangen. Ik zag dadelijk in, dat het mij groote moeite zoude kosten den hoogst ongunstigen indruk weg te nemen, die mijne onverschilligheid, te huis aan den dag gelegd en door den brief van mijnen vader bekendgeworden, had teweeggebracht. In den grond mijns harten was ik echter Emilia blijven liefhebben; ik had slechts den schijn aangenomen, dat zulks niet langer het geval was, en Emilia zelve werd door mijne vernieuwde betuigingen hiervan langzamerhand ook overtuigd. Toen ons bijeen zijn dan ook nog slechts kort geduurd had, werden wij volkomen verzoend.

Het gebeurde kon wederom niet anders dan een diepen indruk op mijn gemoed teweegbrengen. Opnieuw kwamen de beste voornemens, om eens eindelijk een meer eerlijk, braaf, oprecht en degelijk mensch te worden, bij mij boven.

In het bijzijn van Emilia vlood weder de tijd met snelheid voort, en te vroeg naar ons beider verlangen was weder de ure der scheiding aangebroken.


Back to IndexNext