Vijftiende hoofdstuk.Door de zorg van mijnen vader ontving ik thans spoedig eene plaatsing als luitenant aan boord van de brik van achttien stukken, de D—— te Portsmouth liggende, onder bepaling dat ik zoodra mogelijk mijne betrekking zou aanvaarden. Na een aandoenlijk afscheid van de familie Sommerville te hebben genomen, ging ik derwaarts op reis.Ik nam mijn intrek in een der best aangeschreven hotels, dat toevallig juist tegenover de woning van den admiraal gelegen was, en daar dit in den regel gebruikt werd door de fatsoenlijke zeeofficieren, deed ik dadelijk onderzoek naar mijnen nieuwen kapitein. Vóór ik achter zijn adres was gekomen, had ik verscheidene logementen van den tweeden rang moeten afloopen en was eindelijk beland in de Star and Garter, het gewone verblijf voor minder uitgezocht publiek en ook veel door adelborsten, zelfs door onderofficieren bezocht. Slechts nu en dan was mijn waardige bevelhebber hier aan te treffen, daar hij gewoonlijkaan boord logeerde. Dit vond ik zeer vreemd; ik houd niet van commandanten, die in de haven op hun schip blijven; geen schip kan dan aangenaam wezen, niemand kan doen wat hem behaagt, wat juist het uitsluitend voorrecht behoort te zijn van eenbinnenslandsliggend oorlogsschip.Ik vond toevallig mijn bevelhebber thuis, zond mijn kaartje en werd toegelaten. Hij zat in een klein vertrek met een glas cognacgrog vóór zich; zijne voeten rustten op het haardijzer, en de tafel lag bedekt met officiëele papieren, die hij pas ontvangen en doorgelezen had. Bij mijn binnentreden stond hij op, zich voordoende als een kort, vierkant gebouwd man, met aanleg tot corpulentie en op een paar stevige beenen. Zijn gelaat was niet onknap, hij had regelmatige trekken, een aangenamen glimlach om de lippen en een kuiltje in de kin. Het vreemdste was echter zijn oog; klein maar scherp en bewegelijk, alsof hiermede hetperpetuum mobileopgelost was, daar het onmogelijk scheen dat het één oogenblik op hetzelfde punt gevestigd bleef. Bovendien was er eene arglistige uitdrukking in, die ik met al mijne gelaatskennis niet goed wist te huis te brengen.»Mr. Mildmay,” zeide mijn kapitein, »het is mij bijzonder aangenaam u te zien, en nog meer dat gij aan boord van mijn schip geplaatst zijt. Ga zitten!”Toen ik hieraan gevolg had gegeven, wendde hij zich om, en zijne handen over elkaar strijkende, alsof hij zoo pas de zeep had neergelegd, vervolgdehij: »Hetis bij mij een regel om, als ik een nieuw officier aan boord krijg bij mijne collega’s informatiën in te winnen; het is een voorzichtigheidsmaatregel, omdat naar mijn oordeel het spreekwoord van:één schurftig schaapenz. bijzonder op onzen dienst toepasselijk is. Ik heb gaarne goede officieren en beschaafde menschen om mij heen; ongetwijfeldbestaaner tal van officieren, die goed hunnen dienst doen en op welke ik niets zou weten aan te merken; maar er is eene wijze, waarop men die doen kan, waartoe alleen een gentleman in staat is; ruwe manieren, vloeken en onbeschoftheden verbitteren het volk, onteeren den dienst en zijn daarom zeer wijselijk bij no. 2 van de krijgsartikelen verboden. Onder zulke officieren werkt het volk met tegenzin. Ik ben zoo vrij geweest naar u eenig onderzoek te doen, en ik moet u zeggen, dat ik niets ten uwen nadeele heb vernomen. Ik twijfel niet, of wij zullen het wel samen kunnen vinden;wees verzekerd, dat het mijn streven zal zijn het u zooveel mogelijk naar den zin te maken.”Op deze verstandige en beleefde toespraak gaf ik een passend antwoord. Hij verhaalde daarop, dat wij binnen weinige dagen naar zee zouden gaan; dat de officier, in wiens plaats ik was gekomen, weinig met hem overeengestemd had, hoewel hij aannemen moest, dat het een zeer waardig jong mensch was, die noodzakelijk zoodra mogelijk naar zijn nieuwe schip moest, doch eerst door mij diende vervangen te zijn. »Daarvoor,” zeide hij, »komt het ’t beste uit, dat gij morgenochtend te negen uren aan boord komt: dan zal ik u voorstellen; daarna kunt gij u eenige dagen als meester van uwen tijd beschouwen, omdat ik begrijp, dat gij een en ander voor onzen kruistocht in orde te maken zult hebben. Ik weet,” vervolgde hij met een minzamen glimlach, »dat er zoo allerlei kleinigheden zijn, waarvoor de heeren graag zorgen; zooals het opsieren van de hut, de aankoopen voor de tafel, en allerlei zaken niet bij name te noemen, die dienen voor tijdpasseering en voor het verdrijven van de eentonigheid aan boord. Veertig jaren aan een stuk heb ik aan boord van onze vloot gediend, als knaap en als man, en zooals gij kunt nagaan uit den rang, dien ik bekleed en de levenswijze, die ik leid, zonder bijzonder geluk; want hier zit ik onder een nederig glas grog, in plaats van in het gezelschap mijner mede-commandanten in het HotelDe Kroononder genot van een flesch wijn; maar ik heb twee zusters te onderhouden, en het is voor mij een grooter zelfvoldoening om mijn broederplicht te vervullen, dan aan mijne lusten toe te geven; hoewel ik bekennen moet niets tegen een glas rooden wijn te hebben, als ik er gemakkelijk bij kan komen,—dat is, als ik er niet voor behoef te betalen, wat niet best lijden kan. Maar laat ik u niet langer ophouden. Gij hebt hier zeker verscheidene kennissen, die gij wel graag ontmoeten wilt, en wat ik te zeggen heb, dat is later goed om er op zee de wacht mede klein te krijgen, als er geen aangenamer bezigheid is.” Zoo sprekende stak hij mij de hand toe en schudde de mijne zeer hartelijk. »Dus morgen om negen uren,” herhaalde hij; en ik verliet hem, zeer ingenomen met ons onderhoud.Ik ging terug naar mijn hotel, overdenkende hoe gelukkig ik het getroffen had, op het eerste schip, waar ik als officier zou dienen, zoo’n eerlijken, rechtschapen, flinken commandant aan te treffen. Ik bestelde mijn middagmaal en ging er toen weer op uit, om allerlei aankoopente doen. Verscheidene oude scheepsmakkers ontmoette ik, die mij met mijne bevordering gelukwenschten en niet ophielden vóór ik hun een diner beloofde, om daarmede mijn promotie in te zegenen, waartoe ik mij liet overhalen. De dag werd overeengekomen en het eten besteld.Na ditmaal zonder gezelschap gemiddagmaald te hebben, verdreef ik den tijd met een langen brief aan mijne dierbare Emilia te schrijven; met behulp van een flesch wijn, gelukte het mij een tamelijk vurig en opgewonden stuk op te stellen, dat ik verzegelde en op de post deed; daarna ging ik luchtkasteelen bouwen, en geen was daaronder, waarvan niet mijne schoone de meesteres was. Ik begaf mij te bed en sliep weldra vast in; den volgenden morgen kleedde ik mij in mijn nieuwe uniform, natuurlijk met een groote epaulet op den rechterschouder. Na het ontbijt zeilde ik de deur uit, in eigen oogen een verbazend knappe jongen zijnde. Met een lichten, veerkrachtigen pas zweefde ik de Hoogstraat af.»Een bootje, mijnheer?” riepen een dozijn stemmen mij toe, toen ik de havenpoort bereikt had. Maar ik vond, dat Point-straat evenveel recht als de Hoogstraat had, om mij te zien te krijgen; ik bewaarde dus op die aanbiedingen een diep en geheimzinnig stilzwijgen en liet mij door de bootroeiers naar de Point volgen, als zoovele zuigvisschen, die een haai nazwemmen.»Een boot naar Spithead, mijnheer?” vroeg een grijze, oude varensgast.»Ja, dat is goed,” zeide ik, sprong in zijn vaartuig, en wij staken af.»Naar welk schip moeten wij gaan?” zeide de man.»Naar de brik de D——.”»Zoo, moet u daar naar toe? Behoort u daar aan boord, als ik vragen mag?”»Ja,” antwoordde ik.De roeier liet een zucht en sprak geen woord meer, tot wij op zijde van het schip kwamen. Het speet mij niets, dat hij zoo weinig spraakzaam was, want ik hield mij liever met mijn eigen gedachten bezig, dan met de redeneeringen van onbeschaafd volk.De brik was een prachtig vaartuig. Zij voerde achttien kanonnen en lag als een meeuw op het water. Ik zag, dat de vlag, ten teeken van afstraffing, geheschen was, en vond dit een ongewoon verschijnsel voor de reede van Spithead en maakte daaruit op, dat er een buitengewoonmisdrijf, oproer—of minstens diefstal,—moest hebben plaats gevonden. Toen men zag, dat ik officier was, werd mijne boot bij den valreep toegelaten; ik betaalde mijn roeier en zond hem weg. De valreep opgeklommen zijnde, zag ik een armen kerel met de armen uitgespreid, volgens scheepsgebruik, aan den rooster gebonden, terwijl de commandant, de officieren en de geheele bemanning er omheen stonden, als getuigen van de krachtige behendigheid van den bootsmansmaat, die, te oordeelen naar de even diepe en evenwijdige striemen, die op rug en schouders van den gestrafte zichtbaar waren, een meester in zijn vak scheen. Dit alles verwonderde mij niets,—ik was daaraan lang gewend; maar na de toespraak, die ik den vorigen dag van den commandant gehad had, bevreemdde het mij zeer eene taal te hooren, die lijnrecht indruischte tegen het tweede der krijgsartikelen.Vloeken en verwenschingen stroomden uit zijn mond met een gemak, dat hem het brutaalste vischwijf benijd zou hebben.»Bootsmansmaat!” bulderde de commandant, »doe uw plicht, of bij hier en ginder! laat ikuvoorbinden en zelf vier dozijn toedienen. Men zou voor den dit en dat denken dat gij bezig waart van eene slapende Venus de vliegen af te jagen, in plaats van een schurk te raken, met een huid zoo dik als die van een buffel. Doe uw plicht, sir, of de d.... zal u halen.”Gedurende deze nette alleenspraak had de ongelukkige kerel vier dozijn zware geeselslagen ontvangen, die de provoost, dicht bij den commandant staande, hardop nageteld had.»Een andere bootsmansmaat,” riep deze. De ongelukkige wendde met smeekenden blik het hoofd om, maar vergeefs. Ik sloeg aandachtig het gelaat van den commandant gade, en de eigenaardige uitdrukking, die ik bij onze kennismaking niet had weten thuis te brengen, begreep ik nu volkomen: het was helsche wreedheid en genot in het kwellen van zijnen medemensch; hij scheen een duivelsch genoegen te vinden in het schouwspel, dat wij gedwongen waren bij te wonen. De tweede bootsmansmaat begon met een versch martelwerktuig en gaf daarmede een slag over den rug van den gevangene, diemijdeed opspringen.»Een,” riep de provoost, die weer begon te tellen.»Één!” schreeuwde de commandant »Noem je dat één? Het is nog geen kwart van één. Die vent is alleen geschikt voor vliegenslager in een spekwinkel! Ik zal je degradeeren, gij bl.... weekeling; is dat eenemanier, om met de cat om te springen? Gij klopt hem alleen het stof van den rug. Waar is de bootsman?”»Hier,” riep een ruwe, reusachtige, linksche kerel, vooruittredende, met een hooge, blauwe uniformjas, en een anker op de mouw geborduurd, zijn hoed in de linkerhand houdende en met de rechter het haar uit de oogen strijkende. Ik nam dien man eens goed op, toen hij zich half omdraaide, en maakte de gevolgtrekking, dat hij zeker zijn kleermaker gedreigd had hem een staaltje van zijne handigheid te toonen, indien hij hem met het laken te kort deed; want de panden van zijn jas waren zeer wijd, eindigende in een gebogen vlak, met hoeken, die van voren veel lager hingen dan het middengedeelte van achteren; de knoopen op de heup stonden wel een pistoolschotsafstand uit elkaar.»Geef dien man een dozijn, sir,” zeide commandant G——; »en als gij genade betoont, zend ik u in arrest en houd uw oorlam in.”Het laatste deel der bedreiging maakte op Mr. Pipes meer indruk dan het eerste. Hij begon zich »te pellen”, zooals de boksers dat noemen; eerst ging zijn ruime jas uit; toen werd een rood vest—voor de taille van een paaschos—er bij gedeponeerd; toen maakte hij een zwartzijden halsdoek los en liet een keel zien, als een geit met lang bruin haar begroeid, zoo dik als pakgaren. Daarna stroopte hij de hemdsmouwen op tot boven den elleboog en toonde een arm als de Hercules van Farnese.Deze hoopvolle uitvoerder der krijgswetten greep zijne cat. Het handvat daarvan was twee voet lang, een en drie kwart duim dik en met rood laken bekleed. De staarten van dit vreeselijk wapen, negen in getal, waren drie voet lang, en elk hunner van de dikte van een vinger. Mr. Pipes, wiens bekwaamheid in deze kunst ongetwijfeld aanleiding gegeven had voor zijne bevordering tot bootsman, in welke qualiteit hij nu als de wreker van ’s lands wetten optrad, hanteerde zijne cat alsof hij er de uitvinder van was, bekeek het ding van alle zijden, klaarde de staarten, door er zijne fijne vingertjes tusschenin te brengen, strekte zijn linkerbeen uit,—want hij was aan de beenen evenzeer links als aan de handen,—en met den nauwkeurigen oogopslag van een ingenieur zijn afstand metende, hief hij met zijne linkerhand de cat hoog in de lucht, met de andere de punten der staarten nog vasthoudende, alsof hij hun ongeduld om neer te komen wilde bedwingen; toen met arm en bovenlijf een vollen zwaai makende, waarbijdriekwart van den cirkel beschreven werd, liet hij een ontzettenden slag op den rug van den ongelukkigen lijder nedervallen. Dit soort van slagen scheen onzen kapitein te bevallen, ten minste hij beantwoordde den vragenden blik van den bootsman met den goedkeurenden knik van een liefhebber. De arme patiënt was buiten adem van de kracht van den slag, en de staarten van de cat, uit de tegenovergestelde richting van de eerste vier dozijn nederkomende, kruisten de oude striemen, dathet bloedtelkens te voorschijn sprong.Ik wil mijne lezers niet langer pijnigen met eene beschrijving van den toestand van den armen kerel. Zelfs nog nadat er zooveel jaren overheen gegaan zijn, huiver ik er van en betreur ik bitter de droevige noodzakelijkheid, waarin ik dikwijls gebracht ben eene dergelijke bestraffing toe te passen; maar ik hoop en vertrouw er nooit zonder goede, ernstige reden toe overgegaan te zijn, of er eene baldadige vertooning van willekeur en macht van gemaakt te hebben.Toen het laatste dozijn compleet was, meldde de provoost het eindcijfer »vijf dozijn.”»Vijf dozijn!” herhaalde kapitein G——, »dat kan; bindt hem los. En nu, man,” zeide hij tegen den flauwvallenden ongelukkige, »ik hoop, dat dit u eene waarschuwing zal zijn, om de eerste maal dat gij weer pruimt, niet op mijn halfdek te spuwen.”»Genadige hemel!” dacht ik, »is dit alles alleen geweest voor het spuwen op het halfdek? En dat van dien zedemeester van gisteren, die vloeken noch verwenschingen kon dulden, en die in de laatste tien minuten meer godslasteringen heeft uitgebraakt, dan ik de laatste tien weken gehoord heb!”De commandant had mij nog niet opgemerkt: hij had het te druk met zijn vermaak gehad. Zoodra de gevangene ontslagen was, gaf hij last om »af” te fluiten, of in andere woorden, het volk weer aan hun gewone werk te zetten, toen ik op hem toetrad en de hand aan den hoed bracht.»O ja, dat is waar ook. Zijt gij gekomen? Vast fluiten, laat alle hens op het halfdek voor den boeg komen!”Mijne benoeming werd toen voorgelezen, met alle hoeden af tot eerbewijs aan den Vorst, in wiens naam het geschiedde. Toen ik hiermede volkomen geïnstalleerd werd, was ik de tweede luitenant van het vaartuig, en de commandant, die zich niet verwaardigde mij een woordtoe te spreken of met een blik te vereeren, beval zijne giek klaar te maken, om naar den wal te gaan. Ik was door hem aan niemand der officieren voorgesteld, wat hij beleefdheidshalve had dienen te doen. Dit verzuim werd echter door den eersten officier goedgemaakt, die mij verzocht met hem naar de longroom te gaan, om kennis te maken met mijne nieuwe kameraden. Wij lieten den tijger, het dek op en neer stappende, achter.De eerste officier was van gemiddelde lengte, juist goed voor eene brik, mager en ongeveer veertig jaren oud; hij had slechts één oog, maar dat was even vreemd als die van den commandant. Er sprak echter, in tegenstelling met die van laatstgenoemden, zeer veel geest uit, en wanneer hij er mede knipte, wat hij telkens deed, dan sprak het als ’t ware mede. Nooit zag ik drie zulke oogen in twee zulke hoofden. Een eigenaardige glimlach deed het gelaat van den eersten officier betrekken, toen ik hem vertelde, dat de commandant verlangd had, dat ik aan boord zou komen om geïnstalleerd te worden en dat ik daarna een paar dagen voor mijzelf kon krijgen, om mij voor de zeereis voor te bereiden.»Nu,” zeide hij, »het is het beste, dat ge nu nog naar hem toegaat en het hem vraagt; maar ik denk, dat gij een vreemd antwoord zult krijgen.”Ik ging dus naar hem toe: »Hebt u er iets tegen, dat ik naar den wal ga, mijnheer?”»Naar den wal, mijnheer!” schreeuwde hij. »En wie duivel zal voor den dienst opkomen, als gij naar den wal gaat? Naar den wal? Ik wenschte wel, dat er geen wal bestond en de duivel elk haalde, die niet zwemmen kon! Neen, mijnheer, gij zijt genoeg aan den wal geweest. De dienst gaat naar de maan, mijnheer! Een paar knapen met den rang van luitenant, vóór zij nog uit de kinderkamer behoorden te komen! Neen mijnheer, blijf aan boord, of verd.... ik zal u klein krijgen als eene eierschil, vóór de glans van die mooie nieuwe epaulet af is! Neen, neen, G... d... geen katten hier, of zij moeten muizen vangen. Gij blijft aan boord en doet uwen dienst; iedereen doet hier zijn dienst: en laat mij voor den dit en dat eens zien, wie daarin kort komt!”Gedeeltelijk was ik op deze verhevene aanspraak voorbereid; doch mijn brein was ruim genoeg om tevens eene groote hoeveelheid verwonderingte kunnen bevatten over deze plotselinge weersverandering. Ik antwoordde, dat hij mij gisteren verlof beloofd had, en dat ik op grond van die belofte het grootste gedeelte van mijn goed aan den wal had laten staan en daardoor zóó niet naar zee zou kunnen.»Zoo beloofde ik u verlof? Dat is wel mogelijk; maar dat was alleen om u aan boord te krijgen. Ik ken die streken van jelui jongelieden: eens aan den wal, zijt ge er niet meer vandaan te krijgen. Neen, neen, dat is maar malligheid. Als ik je losliet, zou ik je in geen drie dagen weerzien! Nu ik je heb, houd ik je, voor den d....!”Ik herhaalde mijn verzoek om naar den wal te gaan; maar, zonder zich te vermoeien met mij verdere bezwaren daartegen op te geven, antwoordde hij:»Gij kunt naar de w....l... loopen, sir! En onthoud voorts, dat ik nooit tegenspraak kan dulden. Met het meeste genoegen van de wereld verplicht ik mijne officieren in al wat redelijk is, maar ik verwacht nooit een antwoord.”Ik dacht bij mijzelven: »Ongetwijfeld zou Domitianus u admiraal en uwen bootsman kapitein op zijne vloot hebben gemaakt!”Met deze overdenking liep ik een paar malen het dek op en neer, overwegende wat ik nu doen zou, wetende dat ik hier voor de hoogste macht stond, toen de officier, dien ik vervangen had, de achtertrap opkwam en, eerbiedig den commandant groetende, hem vergunning vroeg om van boord te gaan.»Gij kunt naar de hel gaan, mijnheer!” zeide de commandant (die niet met ruwe taal ophad); »gij zijt het zout niet waard, dat gij eet; en hoe eerder gij weg zijt, des te schooner zal het schip er om wezen! Sta mij niet zoo aan te gapen, als een os over het slaghek! Ga omlaag, pak uw boeltje in, of ik zal er een handje bij helpen!” Te gelijk lichtte hij den voet op, alsof hij daarmede een schop wilde geven.De jonge officier, een zacht, fatsoenlijk mensch deed wat hem bevolen was. Ik stond werkelijk verstomd: tot nog toe had ik steeds met beschaafde menschen gevaren. Ik had dikwijls genoeg van allerlei soort van commandanten gehoord, van strenge, van kleingeestige, van ruwe; maar deze overtrof al mijn begrip en verreweg wat ik dacht, dat ooit door een flink officier zou geduld worden. Zeer verontwaardigd en vast besloten mij niet op die wijze te laten behandelen, ging ik nogmaals naar hem toe en verzocht vergunning om naar wal te gaan.»Ik heb u daarop reeds antwoord gegeven, mijnheer.”»Ja, dat hebt gij ook, commandant,” zeide ik, »en dat wel in eene taal, zooals ik nog nooit op het halfdek van een van Zr. Ms. schepen heb hooren spreken. Ik kwam hier aan boord als officier en als gentleman, en verlang als zoodanig behandeld te worden.”»Muiterij!” brulde de commandant. »Al zooveel praats in uwen nieuwen rang, nog vóórdat de inkt droog is!”’»Zooals gij wilt, sir,” antwoordde ik; »maar ik zal een brief aan den haven-admiraal schrijven en daarin, onder mededeeling der omstandigheden, verlof aanvragen; dat schrijven zal ik u geven, met verzoek tot doorzending.”»Ik zal verd.... zijn, als ik dat doe!” zeide hij.»Dan, mijnheer,” zeide ik hierop, »wanneer door u in tegenwoordigheid der overige officieren de doorzending geweigerd wordt, zal de brief buiten u omgaan.”Mijn laatste gezegde maakte den noodigen indruk; hij wist niet veel te antwoorden, en ging in zichzelf mompelende de kajuitstrap af.Nu kwam de eerste officier op mij toe en wenschte mij geluk met de behaalde overwinning. »Gij hebt den beer volkomen gemuilband,” zeide hij; »lang heb ik naar zoo’n helper uitgezien, als gij zijt; Wilson, die nu weggaat, is een dood-goede, beste jongen, dapper als een leeuw tegenover den vijand,—maar voor dezen vleeschelijken duivel zit hij er in.”Ons gesprek werd gestoord door eene boodschap van den commandant, dat hij mij in de kajuit wenschte te spreken. Ik ging omlaag en werd daar ontvangen met den vriendelijken glimlach onzer eerste ontmoeting.»Mijnheer Mildmay,” zeide hij, »ik ben altijd een weinig barsch tegen mijne officieren, wanneer zij pas aan boord komen” (en ook als zij van boord weggaan, dacht ik),»niet alleen om hen te toonen, dat ik kapitein ben op mijn eigen schip, maar ook als voorbeeld voor het volk, dat als het ziet, dat de officieren ondergeschikt zijn, eerder met zijn lot tevreden is en beter gehoorzaamt; maar, zooals ik u reeds te voren gezegd heb, het comfort mijner officieren is mijne eerste zorg: gij kunt naar den wal gaan en hebt vierentwintig uren verlof om uwe zaken te regelen.”Ik vond het onnoodig hierop nog te antwoorden en verliet met eenebuiging de kajuit. Voor dien man gevoelde ik zulk eene diepe minachting, dat ik bang was te spreken en daarbij mijzelf te vergeten.Kort daarop ging de commandant van boord en deelde den eersten officier mede, dat ik vergunning had om naar den wal te gaan. Ik had nu nadere gelegenheid om met mijn makkers in het ongeluk kennis te maken; niets toch brengt de menschen spoediger tot elkaar dan gemeenschap van lijden. Mijn verzet tegen de onbeschoftheid van onzen gezamenlijken kwelgeest droeg de algemeene goedkeuring weg; tallooze staaltjes van zijne tirannie werden mij verteld, hoe hij een schande voor den dienst was, hoe betreurenswaardig het was, dat aan hem het bevel over zoo’n mooi vaartuig was toevertrouwd. Wij kwamen overeen dat, zoo hij ergens had moeten commandeeren, het dan op een boevenschip moest wezen. De verhalen, die ik hoorde, waren bijna niet te gelooven, en het was alleen te danken geweest aan de al te zeer gegronde vrees, dat een officier zijnen commandant voor den krijgsraad dagende, daarvan voor zijne verdere carrière zeer schadelijke gevolgen ondervindt, dat hij tot nu toe daarvan zoo vrij had kunnen loopen; geen officier had het ooit langer dan drie weken in het schip kunnen uithouden, en zij maakten er allen werk van om er af te komen.In mijn verslag van hetgeen op dit vaartuig voorviel gedurende den tijd, dat ik er op diende, moet ik, ter rechtvaardiging van alle in de marine dienende commandeerende officieren, er bijvoegen, dat het hier een op zichzelf staand geval gold; zulk eene persoonlijkheid als de overste G—— werd reeds toen ter tijd hoogst zeldzaam in den zeedienst aangetroffen en zal later nog minder voorkomen. De eerste officier vond, dat ik zeer verstandig gedaan had, mij zoo dadelijk al te verzetten tegen dergelijke onbehoorlijke machtsuitoefening en vertelde, dat hij zoowel een tiran en een schreeuwer als een lafaard was en in ’t vervolg wel omzichtig zou zijn in de wijze om mij aan te pakken. »Maar wees op uwe hoede,” zeide hij; »vergeven doet hij het u nooit, en juist dan, als hij zich het aangenaamste voordoet, heeft hij het meeste kwaad in den zin. Hij zal u in slaap sussen, en het minste dat hij vat op u heeft, maakt hij er eene krijgsraadzaak van. Ik zou nu maar aan wal gaan en daar uwe zaken afdoen, om zoo mogelijk nog vóór het verstrijken van uw verlof terug te wezen. Die vergunning hebt gij alleen te danken aan uwe bedreiging met den haven-admiraal. Gij zijt erhemvolstrekt geen dank voor schuldig; als hij gedurfd had, zou hij u aanboord hebben gehouden. Zoolang ik hier geplaatst ben, heb ik geen voet van het schip gezet, en er is geen enkele dag gepasseerd zonder ten minste eene scène als gij van morgen hebt bijgewoond. En toch,” vervolgde hij, »als het niet was om zijne wreedheid tegenover het volk, dan zou hij de aardigste leugenaar zijn, dien ik ooit gehoord heb. Dikwijls ben ik meer geneigd om te lachen, dan om boos op hem te zijn. In zekeren zin is hij altijd luimig. Zelfs zijn kwaadaardigheid is koddig, en mochten wij soms niet van hem af kunnen komen, dan zullen wij er ons maar op moeten toeleggen hem zoo goed mogelijk te verdragen.”Ik ging naar den wal, pakte mijne kleederen en andere zaken die ik noodig had, bijeen en was den volgenden morgen vóór acht uren weer aan boord terug.Zestiende hoofdstuk.Toen de commandant te voorschijn kwam, was hij in de meest beminnelijke stemming. Nauwelijks zag hij mij, of hij zeide: »Zóó mag ik het zien; kom nooit over uw tijd, zelfs geen vijf minuten. Nu ik zien kan, dat gij vertrouwen verdient, kunt gij, zoodra gij wilt, weer van boord gaan.”Dit gezegde zou goed en wel geweest zijn voor iemand van vóór den mast; maar tot een officier gericht, vond ik het aanmatigend en onfatsoenlijk.De hofmeester had in de longroom het ontbijt klaargezet, bestaande in biefstuk en gebraden zwezeriken met gebakken uien; en de geur daarvan steeg door den koekoek naar boven en streelde het reukorgaan van onzen commandant. Aan vriendschappelijke praatjes geen gebrek; hij leunde op de kap en zeide, naar beneden ziende:»Het ziet er daar lang niet slecht uit, omlaag!” De wenk werd begrepen en de eerste officier noodigde hem uit om mede te doen.»Och zou ik het doen; ik heb niet veel trek.”Zoo zeggende was hij in een oogwenk de trap af, daar hij vreesde, dat de lekkerste beetjes weg zouden zijn, vóór hij aan den slag kwam. Wij volgden hem, en zoodra hij gezeten was, zeide hij:»Ik vertrouw, mijne heeren, dat dit niet de laatste keer is, dat ik in de longroom zal zitten en dat ook gij van uwen kant mijne kajuit als uwe eigene zult willen beschouwen. Ik maak het mijne officieren gaarne naar den zin; niets is aangenamer dan een schip, waar eene goede geest heerscht, en waar ieder matroos en jongen gereed is om voor zijne officieren de hel in te gaan. Dat noem ik goede kameraadschap,—geven en nemen. Ziet elkaars gebreken door de vingers, en het zal iedereen leed doen, als de tijd van scheiden daar is. Ik vrees echter, dat ik niet lang bij u zal zijn; want ofschoon ik bijzonder op de brik gesteld ben, hebben de hertog van N—— en lord George —— den eersten lord een afgedrieduiveld standje gemaakt, dat ik niet eerder bevorderd ben; en, onder ons gezegd en gebleven,—mijne bevordering wacht mij te Barbados.De eerste officier knipoogde; maar dit ging niet zoo spoedig in zijn werk, of de commandant had er een glimp van opgevangen, vóór het weer middenin, op de biefstuk en uien gericht was. Maar het ging zonder opmerking voorbij.»Een prachtig stukje vleesch, dit! Mag ik u even lastig vallen om de saus en wat mosterd. Wij zullen eens een pretje hebben, als wij in zee zijn; maar wij moeten eerst het blauwe water hebben; dan is het rustiger met de bezigheden. Van biefstuk bakken gesproken,—toen ik in Egypte was, plachten wij onzen biefstuk op de rotsen te bakken: geen kwestie van vuur, de thermometer op 200°, heet als de hel! Ik heb eens vier duizend man te gelijk voor het heele leger, zooveel als twintig à dertig duizend pond vleesch zien braden, alles siste en knapperde te gelijk: juist op het middaguur, dat spreekt vanzelf, en geen vonkje vuur! Enkele van de soldaten, die voor glasblazer te Leith waren grootgebracht, zwoeren dat zij nog nooit zoo’n hitte hadden bijgewoond. Ik ging gewoonlijk eens onder de lij staan, om mijn neus te goed te doen en aan Oud-Engeland te denken! O, dat is toch maar je landje, waar iedereen mag zeggen en denken wat hij wil!—Maar dit soort werk kon niet lang duren, dat begrijpt ge; zij braadden zich allemaal, binnen drie of vier weken, de oogen uit het hoofd! Ik had ziek te bed gelegen, want ik behoorde tot het 72ste regiment, zeventien honderdman sterk (ik had een partij matrozen bijmij); maarde oogziekte maakte zulke verwoestingen, dat het heele regiment, de kolonel niet uitgezonderd, stekeblind werd, op één korporaal na! Gij moogt vreemd opkijken, heeren, maar het is echt waar. Nu, die korporaal was goed af; het was zijn dienst het gansche regiment naar het drinkwater te geleiden: hij ging voorop, en twee of drie hielden aan weerskanten de slippen van zijn mouwvest vast; dezen werden weer door even zooveel anderen vastgehouden, en zoo marcheerden zij achter elkaar aan, om aan de bron hunnen dorst te gaan lesschen. Zoo liet deze korporaal zijn regiment drinken, als een staljongen zijne paarden, in eene marschorde uitgespreid als de staart van een pauw.”»Waarvan de korporaal het lichaam was,” viel de dokter hem in de rede.De commandant keek een beetje strak.»Vondt u het warm in dat land?” vroeg de dokter.»Warm!” riep de commandant uit. »Ik zal u wat zeggen, dokter: als gij gaat, waar gij zoo menigen patiënt hebt heengezonden, en om die reden zeker zelf belanden zult, dan hoop ik voor u en voor uw beroep in het algemeen, dat gij het er niet zoo heet hebben zult, als wij het in Egypte vonden. Hoe vindt gij het, dat negentien van mijn manschappen gedood zijn, doordien een bundel lichtstralen op de pannen van de blinkende geweren der schildwachten viel en het kruit deed ontvlammen? Ik commandeerde bij Acre eene mortier-batterij en ik poederde de Franschen, altijd als zij achter hun middagmaal zaten, met een regen van granaten; maar wat denkt ge dat de beestener op ’t laatst op uitgevonden hadden? Zij dresseerden een hoop poedelhonden om op de granaten te passen, die neervielen, dan er op toe te vliegen en met hunne tanden de brandende lont er uit te trekken. Hebt gij ooit van zoo iets gehoord? Hierdoor redden zij honderden manschappen en verloren slechts een half dozijn honden,—het is een feit, waarachtig; vraag het maar aan sir Sidney Smith; die zal het u net precies zóó vertellen, en een bl.......... boel er bij.”De stroom zijner welbespraaktheid werd alleen geëvenaard door zijne vlugheid van vinding en zijn kauwvermogen; want zoolang dit onderhoudende monodrama duurde, deden zijne tanden druk dienst als de zuigerstang op eene stoomboot; en daar hij zoowel onze commandant als onze gast was, genoot hij het leeuwenaandeel van ons maal.»Maar, iets anders, Soudings,” zeide hij zich gemeenzaam wendende tot den master, die nog pas kort aan boord was, »laat eens zien wat gij in het voorruim hebt gestuwd. Gij weet, ik ben een waterdrinker; geef mij maar van dien zuiveren kost, en ik ben door een kind te leiden. Zelden zal ik sterken drank nemen, als het water goed is.” Zoo zeggende, schonk hij zich een glas vol en hield het onder den neus. »Het stinkt! Zeg master, zijt gij er zeker van, dat de sponsen op de vaten zitten? De katten zijn er bij geweest. Hierin moet voorzien worden.” En de helft van het water weggegooid hebbende, vulde hij het glas met rum aan. Toen proefde hij weer, zeggende: »Kom, juffrouw poes, dat zal u in allen gevalle onschadelijk maken.”—Het water was inderdaad onberispelijk.Hij wachtte een oogenblik, terwijl hij het glas voor de oogen hield, en toen ging het naar binnen, geene andere uitwerking hebbende dan een diepen zucht. »Komaan, dat is goed bedacht: wij willen geen katten meer in het schip hebben (behalve natuurlijk die (de cat), welke de verdorven menschelijke aard voor den bootsman onmisbaar maakt). Mr. Skysail wees zoo goed en zorg daar eens voor. Zij moeten allen overboord.”Zijn hoed opvattende, stond hij van tafel op, en op weg naar boven, zeide hij: »Bij nader inzien is het toch maar beter om de katten niet overboord te gooien; de zeilen hebben een dwaas bijgeloof ten opzichte van die beesten,—het is verd.... ongelukkig. Neen, laat ze maar levend in een broodzak doen en met de ververschingssloep naar den wal brengen.”Mij herinnerende, dat het afgesproken diner met mijne vrienden vandaag moest plaats hebben, en indachtig aan de toezegging van den commandant, dat ik aan den wal kon gaan, wanneer ik wilde, meende ik dat het voldoende was om te zeggen, dat ik ging,—om daardoor de noodige beleefdheid tegen mijnen meerdere in acht te nemen. Met eene bescheiden zekerheid ging ik daarom naar hem toe en gaf hem kennis van mijne afspraak en mijn voornemen.»Op mijne eer, sir,” riep hij hard uit, de armen in de zijde zettende en mij vierkant in ’t gezicht ziende, »gij houdt er geen klein beetje assurantie op na; nauwelijks aan boord of gij vraagt om weer naar den wal te gaan en te gelijk hebt gij de onbeschaamdheid mij, terwijl gij weet, dat ik die ondeugd zoo verfoei, mede te deelen, dat gij voornemens zijt met eene partij uwe promotie te vieren, dus beestachtigdronken te worden en anderen even slecht te maken als gijzelf zijt. Neen, mijnheer; ik wil hebben, dat gij eens vooral weet dat ik, als kapitein van mijn schip en zoolang ik de eer zal hebben dat te commandeeren, demagister morumben.”»Ik was juist op weg om daarop te komen, commandant,” zeide ik, »toen u mij in de rede vielt. Wetende hoe moeielijk het is om jongelui bedaard te houden, zonder de tegenwoordigheid van iemand, voor wien zij respect gevoelen en tegen wien zij als een voorbeeld opzien, was het mijn plan u te vragen om ons met uw gezelschap te vereeren. Niets, zou volgens mijn inzien, zoo zeker elke neiging tot onbehoorlijke uitspatting tegengaan!”»Wel, daar spreekt gij als een kind dat ikzelf groot gebracht heb,” antwoordde overste G——; »ik had niet gedacht, dat gij zoo verstandig waart. Het is verre van mij af om iets tegen gepaste vroolijkheid te hebben. Een mensch is altijd een mensch; geef hem alleen het strikt noodzakelijke voor zijn bestaan, en hij staat gelijk met een hond. Een beetje pret bij zoo’n gelegenheid is niet alleen billijk, maar zelfs aan te bevelen. De gezondheid van een goeden koning als de onze,—God zegene hem!—behoort altijd met een glas goeden wijn gedronken te worden, en daar gij zegt, dat het een uitgezocht gezelschap is, en de aanleiding: het vieren van uwe benoeming, zoo zal ik geen bezwaar hebben te komen en mede te doen; maar denk er om, niet zwaar drinken—alles in den vorm—en ik zal niet alleen mijn best doen, om de jonge heethoofden bedaard te houden, maar tevens naar mijn beste vermogen tot de vroolijkheid van den avond bij te dragen.”Ik dankte hem voor zijne welwillendheid. Hij gaf toen eenige orders aan Skysail, den eersten officier, en verzoekende om voor hem de giek te doen gereedmaken, bood hij mij aan, met hem naar den wal te gaan.Dit was inderdaad een gunstbetoon, dat nog nooit aan boord aan een der officieren was bewezen, en iedereen kwam dan ook boven, om het te zien. De eerste officier knipoogde, alsof hij daarmede zeggen wilde: »Dat loopt te hard van stal,—dat kan nooit duren.” Hoe het zij, wij roeiden met de giek weg, naar den wal toe. Daar de stroom de haven uitliep, passeerden wij rakelings de ton van de Boyne.»O, hoe goed herinner ik mij dat oude schip! Ik was er adelborstop, toen het in de lucht vloog. Ik was met de seinen belast en juist bezig om het noodsein aan te slaan, toen ik opvloog. Hemel en hel! ik dacht, dat ik nooit weer beneden zou komen.”»Zoo, commandant!” zeide ik, »ik heb altijd gedacht, dat er op dat oogenblik niemand aan boord was.”»Niemand aan boord!” herhaalde de overste, mij met opgetrokken bovenlip aanziende. »Hoe komt gij daaraan?”»Ik heb het gehoord van een commandant, onder wien ik in Amerika gediend heb.”»Zeg dan aan dien ouden commandant van je, met mijne groeten, dat hij er niets van weet. Niemand aan boord! Wel, verd.... mijnheer, de bak stond vol menschen, als schapen op een hoop gedrongen, en allen tegen mij om hulp schreeuwende. Ik riep ze toe, dat zij naar de hel konden gaan,—en juist op dat moment gingen wij zoo stellig als iets. Ik werd bewusteloos opgepikt, zooals ik later vernam, ergens in Stokesbaai, en naar het Haslar-hospitaal vervoerd, waar ik drie maanden voor zoo goed als dood gehouden werd—en er geen woord bij mij uitkwam. Eindelijk werd ik beter; en het eerste, wat ik deed, was eene sloep te nemen, naar de plaats van de ramp te varen, het voorruim van mijn oude schip in te duiken en achter naar de broodkamer te zwemmen.”»En wat zaagt gij daar, commandant?”»O, niets dan hoopen menschelijke geraamten en overvloed van wijtings, die hen tusschen de ribben door zwommen. Ik bracht mijn oud quadrant mede uit de stuurboordsdekhut, waar ik bezig was het schoon te maken, toen het alarmsein gegeven werd. Ik vond het op tafel liggen op dezelfde plaats, waar ik het achterliet. Ik zal nooit vergeten wat een d.....schen bons wij tegen de oude Queen Charlotte gaven met onze bakboordsbatterij; zij kreeg elk schot binnen en de stukken waren met dubbel schroot geladen. Wat bl..... ik geloof, dat wij minstens honderd man buiten gevecht stelden.”»Wel, overste,” zeide ik, »ik heb altijd gemeend, dat zij bij die gelegenheid maar twee man verloor.”»Wie heeft u dat nu weer wijsgemaakt?” zeide overste G..... »Zeker uw oude commandant?”»Ja, overste,” zeide ik; »hij was er adelborst aan boord.”»Hij kan opd....” zeide de commandant; »ik weet zeker, dat er driebarkasladingen met lijken uitgehaald zijn en naar het hospitaal gebracht, om begraven te worden.”Daar de giek intusschen de landingsplaats bereikte, kreeg deze volleerde leugenaar tijd om adem te scheppen; werkelijk begon ik ongerust te worden, dat hij zijn voorraad leugens vóór het diner zou uitgeput hebben, zoodat er aan het dessert niets meer zou zijn. Toen wij uitstapten, ging hij naar zijn oude kwartier in de Star and Garter, en ik naar de George. Bij het scheiden herinnerde ik hem, dat zes uren het klokje was.»Maak u niet bezorgd,” zeide hij.Ik had mijn gezelschap bijeen, vóór hij er bij was, deelde mijnevriendenmede, dat het mijn plan was hem dronken te maken, en verzocht hun mij daarin te helpen, wat zij beloofden. Als ik hem eens zoover zou gekregen hebben, was ik er zeker van, dat er een eind zou zijn aan alle toekomstige redeneeringen ten gunste der matigheid. Mijne kameraden, volkomen begrijpende met welk soort van man zij te doen hadden, betoonden hem bij zijn binnentreden de meest vleiende bewijzen van eerbied. Ik stelde hen allen op de meest plechtige wijze aan hem voor, ze een voor een bij hem brengende, zooals eene presentatie aan het hof plaats vindt. Zijne vroolijkheid had het hoogste punt bereikt; door ieder afzonderlijk en op den onderdanigsten toon werd hem de eer verzocht, een glas wijn met hem te mogen drinken; met de meeste vriendelijkheid verwaardigde hij zich dit de geheele tafel te vergunnen.»Dat is prachtige zalm, deze,” zeide de commandant.»Waar haalt Billet die vandaan? O ja, wat dat betreft, hebt gij wel eens gehoord van de gezouten zalm in Schotland?”Wij antwoordden allen toestemmend.»Och, gij begrijpt mij niet. Verd.... ik meen niet de doode gezouten zalm; ik meen levende gezouten zalm, in vijvers zwemmende, zoo vroolijk als alen, zoo hongerig als ratten.”Hierop gaven wij allen onze verwondering te kennen en verzekerden nooit van zoo iets gehoord te hebben.»Dat dacht ik wel,” zeide hij, »want het is pas kort geleden in dit land ingevoerd, door een bijzonderen vriend van mij, Dr. Mac .....; ik kan mij op dit oogenblik zijn verd.... moeielijken Schotschen naam niet te binnen brengen; hij was een groot chemicus en geoloog, en al dat soort van goed,—een kante kerel, dat verzeker ik u, al lacht gij erom. Wel die kerel, mijnheer, keerde, om zoo te zeggen, de natuur onderstboven. Ik geloof zeker, dat hij zich aan den duivel verkocht had. Wel wat doet hij? Zalm vangen en in de vijvers brengen, en elken dag doet hij er zout, meer zout in, tot de pekel zoo dik als pap was en de visschen hun staart niet meer konden roeren. Toen wierp hij er heele peperkorrels in, een half dozijn ponden te gelijk, zoolang tot er genoeg in was. Toen begon hij aan te lengen met azijn, net zoolang tot de pekel klaar was. De visch had er in ’t begin maar half zin in; maar de gewoonte is eene tweede natuur, en toen hij mij bij zijn vijver bracht, zwommen zij zoo dartel rond als eene school witvisschen. Hij voedde hen met fijngehakte venkel en zwarte peperkorrels. »Kom dokter,” zei ik, »ik geloof niemand op zijn praatjes, ik moet er eerst van proeven.” (Wij zagen elkander eens aan.) »Dat zult gij in een minuut tijds,” zeide hij; hij vischte met een schepnetje een zalm op, en toen ik er met mijn mes in stak, stroomde hem de pekel uit het lijf, als de wijn uit een flesch, en ik had al wel twee pond van het beest op, terwijl hij mij met den staart in het gezicht sloeg. Nooit van mijn leven proefde ik zulke visch. Het is de moeite waard om naar Schotland te gaan, alleen om er levende gezouten zalm te eten. Ik zal, wie uwer lust heeft, een brief voor mijn vriend medegeven. Hij zal d.....sch blijde zijn u te zien, en dan kunt gij u overtuigen. Geloof mij op mijn woord, als gij eens van die soort zalm geproefd hebt, lust gij geen andere meer.”Wij vonden allen, dat dit wel waar zou zijn.De champagnekurken vlogen zoo dicht en zoo luid als zijne granaten bij Acre; maar wij hielden ons bijzonder in, ons vooral vermakende met zijn doorslaan; en opmerkende, dat het gesprek meer geanimeerd begon te worden, bracht ik opzettelijk Egypte op het tapijt, door aan een mijner vrienden te verzoeken eene piramide van gelei, die vóór hem stond, klein te maken en aan den commandant te passeeren.Dit was voldoende; hij begon over Egypte, en naarmate wij hem harder toejuichten, vermeerderden het aantal en de grootte zijner leugens. Jammer, dat er geen snelschrijver bij tegenwoordig was, want deze nieuwerwetsche Münchhausen stond voor niets. »Van het water van den Nijl gesproken,” zeide hij, »herinner ik mij, toen ik eerste officier op de Bellerophon was, dat wij Minorca binnenliepen met een restant van slechts zes ton water, en in minder dan vier uren tijds hadden wij driehonderd en vijftig ton binnen, alles weggestuwd. Ik zette allehens aan het werk. De admiraal zelf stond tot aan zijn hals in het water met al de anderen. »Verd..... admiraal,” zeide ik, »niet wegkruipen.” Wel, den volgenden dag zeilden wij, en zoo’n beest van een wind heb ik nog nooit bijgewoond,—al ons tuig overboord, en wij bijna in de zeeën gesmoord. Een onzer sloepen woei uit de davits en was uit ’t zicht vóór hij het water raakte. Gij kunt er om lachen, maar het was nog niets bij hetgeen de brik de Zwaluw ondervond. Wij zeilden samen; zij wilde er voor gaan lenzen, maar werd, bij Jupiter, twee mijl het land ingewaaid: kanonnen, volk, de heele rommel; den volgenden morgen vonden zij haar, met haar jaaghout, door een kerkraam, in een schilderij vastgestoken.”Het is moeielijk uit te maken, hoe lang hij nog met al dien onzin zou doorgegaan zijn, maar het begon ons te vervelen; daarom lieten wij de flesch wat drukker rondgaan en hij begon toen in de gemoedelijkheid te vervallen.»Zeg eens Frank (een hik),” zeide hij, »ge zijt een duivelsche goede kerel; maar dat één-oogige ongeluk zal ik den eersten keer, dat ik hem dronken vind, voor een krijgsraad brengen; ik zal hem aan de ra opknoopen, dan wordt gij mijn eerste officier encustos rottorumverd..... Vertel gij het mij maar de eerste maal, dat hij te veel sterken drank opheeft, en ik zal hem waarnemen, verd.... scheel mispunt van een vent.”Hier begon zijn denkvermogen aan het dwalen te raken; hij begon in zichzelf te praten en mij met den eersten officier dooreen te haspelen.»Ik zal hem wel afleeren om aan den haven-admiraal over verlof te schrijven,—die zoon van een zeekok.”Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen. Bij den derden regel zakte zijn hoofd op de borst; hij gleed van zijn stoel af en rolde verder onder de tafel, waar hij als »lijk” bleef liggen.Ik had vooraf besloten hem in dien toestand niet over straat te brengen, en daarom had ik gezorgd, dat er in het logement een bed voor hem gereed was, en aan de bel trekkende, gelastte ik een paar bedienden, hem derwaarts te brengen. Ziende, dat hij in veiligheid was, maakte ik zijn halsdoek los, trok hem de laarzen uit, legde zijn hoofd wat hooger op, en zoo lieten wij hem verder uitslapen, keerden weer naar tafel terug en maakten het ons dien avond verder zeer vroolijk, zonder dat er dronkenschap bij te pas kwam.Den volgenden morgen wachtte ik hem op. Hij had erg het land, toen hij mij vóór zich zag, denkende dat het mijne bedoeling was hem op eene of andere wijze zijne dronkenschap onder het oog te brengen; doch dit lag niet in mijne plannen. Ik vroeg hem, hoe hij zich gevoelde, en betuigde mijn leedwezen, dat onze vroolijkheid zoo verstoord was geworden.Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen.Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen.Pag. 198.»Wat bedoelt gij, mijnheer? Wilt gij daarmede soms zeggen, dat ik niet nuchter was?”»Geenszins, sir,” zeide ik; »maar weet u wel, dat u in het midden van een aangenaam en onderhoudend gesprek een toeval gekregen hebt en van uw stoel zijt gevallen?—Zijt gij meer aan zulke toevallen onderhevig?”»Ja, mijn waarde, dat is zoo; maar de laatste maal, dat dit mij overviel, was zoo lang geleden, dat ik zeker dacht, dat ik er van genezen was. Ik ben er viermaal voor verpleegd moeten worden, en ongelukkig juist altijd dan, wanneer ik in de termen van zekere bevordering viel.”Daarop gaf hij mij vergunning om dien dag, als ik wilde, aan den wal te blijven. Ik bewonderde zijne slimheid om dadelijk dien wenk van het toeval te begrijpen en zich ten nutte te maken; zoodra ik hem verlaten had, stond hij op, ging aan boord en liet twee matrozen voor den rooster afstraffen, omdat zij den vorigen avond dronken waren geweest.Ik verzuimde niet al wat er voorgevallen was aan mijne kameraden mede te deelen, en weinige dagen later zeilden wij naar Barbados. Den eersten Zondag in zee at de commandant in de longroom bij de officieren. Spoedig verviel hij weer in zijn gewone doen van liegen en bluffen, tot groote ergernis van onzen dokter, die een lichtgeraakte, jonge Welschman was. Bij dergelijke gelegenheden verzuimde deze nooit den commandant bespottelijk te maken, door op het eind van elk dwaas verhaal een paar woordjes van toepassing te zeggen; maar hij had den slag om dit zoo deftig en bescheiden te doen, dat iemand, die hem niet kende, gedacht zou hebben, dat hij in ernst sprak. De overste herhaalde zijne vertelling van het korps poedelhonden, die gedresseerd waren om de granaten onschadelijk te maken. »Ik hoopte toen,” zeide hij, »dat men bij ons ook zoo’n korps zou opgericht hebben; en als ik er dan de chef over geweest was, zou ik gauw een kruisje op de borst hebben gekregen.”»Dat zou dan zeker het hondenkruis geheeten hebben,” zeide de dokter zeer vroolijk.»Verplicht, dokter,” zeide de commandant, »niet kwaad bedacht; die zal ik u betaald zetten.”Wij lachten, de dokter trok een effen gelaat, en de overste keek wat boos, maar hij ging door met liegen en, als het zoo te pas kwam, dan sleepte hij er Sir Sydney Smith bij, om er meer schijn van waarheid aan te geven. »Als gij twijfelt, vraag het dan maar aan Sir Sydney Smith: die zal u zesendertig uren lang in één adem van Acre vertellen; zijn bootsman had er op ’t laatst zoo genoeg van, dat hij hem den bijnaam bezorgde van Lang-Acre.”De dokter kwam er ditmaal niet zonder kleerscheuren af. Werkelijk zette de commandant hem zijne hatelijkheid betaald, maar op eene andere hatelijke wijze. Den volgenden morgen namelijk het geklop van een hamer in eene der officiershutten hoorende, vroeg hij naar de reden en vernam, dat de dokter van den baas timmerman spijkers en eene reep zeildoek gekregen had, om een naad van het bovendek, die juist boven zijne kooi lekte, te verzekeren.Uit plaaglust verbood hij, dat dit voortgang zou hebben, bewerende dat zoo iets nog nooit vertoond was, een dokter die het schip repareerde. »Repareer maar wat beter en vlugger uwe zieken,” riep hij hem toe; »daarvan schijnt gij zoo weinig verstand te hebben, dat ik er dien bij te komen.” Werkelijk liet hij al de zieken naar boven komen en aan elk eenige slagen toedienen, om zooals hij zeide, den bloedsomloop te bevorderen en er wat leven in te brengen.Menige arme, werkelijk zieke, heb ik op die wijze onbarmhartig zien slaan. Het verwondert mij, dat de bemanning zich nooit aan den wreedaard vergreep en hem overboord smeet; ik geloof werkelijk, dat zij het gelaten hebben uit eerbied en genegenheid voor de overige officieren alleen. Nauwelijks waren wij in het blauwe water, zooals hij het noemde—waar de diepte niet meer te looden was—of zijne streken begonnen eerst recht, en zij hielden niet op vóór wij in Carlisle-baai kwamen. Officieren en matrozen werden op denzelfden voet behandeld, en er was geen verhaal op, omdat niemand hem durfde aanklagen. In zijn mond lag bestorven: »Houd zeelui aan het werk, en gij weert den duivel uit hun hoofd; alle hens dag en nacht wacht doen.”»Niemand,” zeide Jacky (zoo noemden wij hem), »zal bij mij aanboord het brood der luiheid eten; werk houdt de spieren lenig van die luie schurken.”Nooit werd in de eerste drie weken aan iemand van de officieren en van het volk over dag vergund een wacht omlaag door te brengen. Zij waren doodvermoeid, uitgeput, en in het schip begon een zeer ontevreden, oproerige geest te heerschen. Een van de beste matrozen zeide hardop, zoodat de commandant het hooren kon: »Zoolang het schip in zee is, ben ik nog geen drie wachten beneden deks geweest.”»En als ik dat geweten had,” zeide de commandant, »dan zou ik er een stokje voor gestoken hebben;” waarop hij alle hens voor den boeg liet komen en den ontevredene vier dozijn liet geven.Wanneer hij zijne matrozen liet ranselen, wat gewoon dagwerk was, verzuimde hij nooit hun hunne ondankbaarheid te verwijten en zijne eigene toegevendheid hemelhoog te verheffen.»Er is geen enkeloorlogsschipin dienst, waar jelui beestentuig zoo goed behandeld wordt. Al wat er hier te werken is, bestaat in: het schip schoon en de raas vierkant te houden, victualie in te nemen en die op te eten, grog over te hijschen en die op te drinken, en de ledige vaten weer overboord te zetten; maar de hemel zou niet in staat zijn het zoo’n bende onbekwame, verd.... ontevreden schurken naar den zin te maken.”Zijn taal tegen de officieren was verre beneden alles wat men zou kunnen verwachten uit den mond van een menschelijk wezen te hooren. Eens had de master zijn ongenoegen opgewekt; toen vertelde hij rondweg aan den armen man, dat hij naar de hel kon loopen.»Ik hoop, commandant,” zeide de master, »dat ik evengoed kans heb als u om in den hemel terecht te komen.”»Gij in den hemel!” zeide de overste, »gij in den hemel! Laat ik u daar snappen, en ik kom er u schoppen.”Dit was inderdaad toch al te ver. Maar wij werden weerhouden onze gevoeligheid over die lastertaal te toonen, doordien wij ons intijds herinnerden, dat hij aan niets geloofde, en dat zijn denkbeeld van den hemel verwezenlijkt werd door die kleine kamer in de Star and Garter, met een goed vuurtje, grog zooveel hij slechts verlangde en de noodige pijpen en tabak.Een eigenlijke tafel hield hij niet, wijn dronk hij alleen, als hij met ons at; maar trouw iederen avond bedronk hij zich, in meerdere ofmindere mate, aan den scheeps sterken drank in zijne eigene kajuit. Daardoor was hij ’s avonds altijd erg ongemakkelijk. Onze eenige wraak bestond in het Zondags, als hij bij ons dineerde, lachen om zijn monster-leugens. Eens op een nacht kwam zijn hofmeester aan den adelborst van de wacht vertellen, dat hij in zijn kajuit, stom dronken op den grond lag. Dit werd daarop aan mij overgebracht, en ik besloot daarvan gebruik te maken. Ik liet mij naar de kajuit zakken, gevolgd door den adelborst der wacht, den kwartiermeester en twee van de geschiktste matrozen; nadat wij den waterdrinker op zijn bed neergelegd hadden, maakte ik van den datum en de namen der getuigen eene verklaring naar waarheid op, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij met het schip bij den admiraal zouden komen.Den volgenden dag meende ik op te merken, dat hij eenig vermoeden had van hetgeen er gebeurd was en van mijne behandeling, en bijna liep dit tot mijn ongeluk uit. Er woei een frissche passaatwind en het schip slingerde zwaar, toen hij last gaf de waarlooze rondhouten, die op de barring lagen, te ontsjorren en opnieuw vast te maken. Dit was hoogst gevaarlijk en onzinnigen-werk; doch in weerwil van de hem gemaakte opmerkingen, bleef hij volhouden, dat het gebeuren moest. De ernstige gevolgen bleven niet uit. Nauwelijks was de sjorring los, of eene waarlooze steng slingerde naar beneden en doodde een der matrozen. Dit zou reeds erg genoeg geweest zijn, maar de duivel wilde, dat er dezen dag nog meer zou voorvallen. De rondhouten kwamen weer vast, en toen werd er bevel gegeven om het stengewant aan te zetten, dat, aangezien het schip steeds hevig slingerde, nog wel zoo gevaarlijk en nutteloos was als het voorgaande werk. Weder was hij er tegen gewaarschuwd, doch vruchteloos; de gasten waren er nog geen tien minuten voor boven, toen een hunner overboord viel. Hoe ik er toe kwam mijn leven opnieuw te wagen, na hetgeen er op de vorige reis gebeurd was, weet ik niet te zeggen. Misschien was het mijne ijdelheid over hetgeen ik te water kon doen. In de hoop van dit ongelukkige slachtoffer van de dwaasheid en wreedheid van den commandant te zullen redden, sprong ik hem in zee na, bijna overtuigd, dat ik een soort van zelfmoord beging. Ik pakte den drenkeling en hield hem een tijdlang boven water; en had men aan boord slechts de meest gewone oplettendheid en zeemanschap aan den dag gelegd, dan zou ik hem ook zeker gered hebben. Maar mijn brave overste, bemerkende dat ik ookoverboord was, scheen de gelegenheid die zich voordeed aan te grijpen om op een fatsoenlijke (?) wijze van mij af te komen: hij deed zijn uiterste best om te verhinderen, dat er vlug eene sloep op ons werd afgezonden. De arme matroos was uitgeput: ik hield mij, rondom hem blijvende zwemmen, zooveel mogelijk vrij in mijne bewegingen, alleen helpende, als hij dreigde te zinken; doch op het laatst, ziende dat hij reddeloos verloren was en wij samen reeds vrij diep onder de oppervlakte waren geraakt, kon ik niet anders dan hem aan zijn lot overlaten; ik zette mijne voeten op zijne schouders tot steun om zelf weer boven te kunnen komen en werd, doodelijk vermoeid en flauw van de inspanning, een halve minuut later, nog even bijtijds door eene sloep opgevischt.Het dralen, om het schip in den wind op te laten loopen, schreef ik toe aan mijne tegenwoordigheid bij de scène van den vorigen avond; dit vermoeden werd in mij versterkt door de getuigenis der andere officieren. Twee man verloren hebbende door zijne roekeloosheid, zou hij er den moedwilligen moord van een derde bij op zich genomen hebben, om zich zoo te vrijwaren voor den straf, die hij begreep dat hem wachtte. Hij ging voort met zich tiranniek aan te stellen, en ik voor mij was vast besloten, om zoodra wij den admiraal zouden ontmoeten, dezen man voor een krijgsraad aan te klagen, er mocht dan van komen wat er wilde; sterk was mijn overtuiging, dat ik, zoowel mijn land als de marine eenen dienst bewees, door zulk een monster voor het vervolg onschadelijk te maken.Aan verscheiden officieren werd arrest opgelegd, en in weerwil der onuitstaanbare warmte hunner hutten in een klimaat als dit, moesten zij daarin blijven met een schildwacht voor de deur. Ten gevolge dezer wreede behandeling werd een van hen dan ook krankzinnig. Wij liepen Barbados in het zicht, en rond kaap Needham in de Carlisle-baai komende, zagen wij tot onze teleurstelling noch hetadmiraalsschip, noch eenig anderoorlogsschipaldaar ten anker, en werd dus onze commandant de oudst aanwezende zeeofficier in de haven. Hierdoor werd hij in eens weder opvallend beminnelijk, hopende dat men ten gevolge van het hierdoor teweeggebrachte uitstel, de tegen hem bestaande grieven wel zou vergeten. Mij vooral behandelde hij met in het oog vallende voorkomendheid; hij hoopte, dat wij aan den wal eenige pret zouden maken; daar de admiraal niet binnen was, zoudenwij diens komst afwachten; hij was voorloopig moede van het zwerven op zee; hij zou al zijn goed mede van boord nemen en zijn anker aan den wal laten vallen, en niet terugkomen, vóór hij het saluut aan de admiraalsvlag hoorde.Noch de eerste officier, noch ik geloofden een enkel woord van hetgeen hij zeide; integendeel wij handelden altijd juist in den geest van het omgekeerde; en in dit geval was dit ook goed gezien geweest. Toen wij ten anker gekomen waren, ging hij naar den wal, doch kwam reeds binnen een uur terug met het bericht, dat de admiraal niet voor de volgende maand verwacht werd, dat hij daarom weer wegging en zijn kwartier opsloeg bij Jemmy Cavan en men hem niet weer aan boord zou zien, vóór de admiraal er was. Daarop verliet hij ons, zijn koffer en al zijn vuil linnengoed medenemende.Enkelen van de officieren geloofden waarlijk nog, dat wij met het schip zouden blijven liggen, en volgden het voorbeeld van den commandant, door hun linnengoed aan wal te zenden om te laten wasschen. Skysail en ik hielden ons goed; de eerste officier knipoogde en zeide: »Kameraad, reken er op, dat er wat in aantocht is. Ik heb maar één hemd aan den wal gestuurd om te laten wasschen; en als dat terugkomt, zal ik een tweede sturen; als ik dan wat achter zeil, is het niet de moeite waard.”Des avonds om tien uren kwam overste Jacky aan boord, zijn koffer en zijn vuile linnengoed weer medebrengende, liet »overal” maken, het anker lichten en wij zeilden Carlisle-baai uit en zee in, terwijl de meeste officieren het grootste deel van hun goed aan den wal hadden. Dit was een van zijne streken. Reeds ’s morgens, toen hij van boord was geweest, had hij de voor hem gereedliggende orders ontvangen; zijn terugkomen toen had alleen de bedoeling ons in de war te brengen en een koopje te geven, en naar ik denk ons, door het gemis van ons goed, te noodzaken even onzindelijk voor den dag te komen, als hijzelf gewoonlijk was; »maar hij hield er zooveel van om het zijne officieren naar den zin te maken.”Zonder dat er iets bijzonders voorviel, kwamen wij te Nassau in New Providence, terwijl de dienst even onaangenaam als altijd doorging. Ik kreeg echter in den regel nog al vergunning om naar den wal te gaan; en, geene kans ziende om den commandant wat redelijker te maken, besloot ik mijn best te doen van het schip af te komen. Hettoeval was mij hierin behulpzaam; had dit mij niet geholpen, dan zou het mij niet licht gelukt zijn. Eens bij het aan wal stappen maakte ik een misstap en raakte tusschen de kade en de sloep in de klem; door den schok brak mij een bloedvat in de borst; de wond had niet veel te beduiden, doch moest toch in dit klimaat met zorg behandeld worden, en ik hield mij, alsof het veel erger was. Men wilde mij naar boord transporteeren, doch ik verzocht om naar een hotel gebracht te worden. Dáár werd ik door den garnizoensdokter behandeld, en dezen had ik verzocht om mijn ziektegeval ernstig voor te stellen. De commandant kwam mij eens opzoeken—ik was er naar aan toe—met een medelijden, dat denken deed aan dat van den Groot-Inquisiteur, die zijn slachtoffer genezen wil om hem voor verdere pijnigingen beschikbaar te hebben. Toen het tijd voor ons schip was, om naar zee te gaan, werd van mij gerapporteerd, dat ik te ziek was om vervoerd te kunnen worden. Vast besloten, dat ik mede zou gaan, stelde hij het vertrek uit. Ik ging vooruit, het verslag van den dokter was gunstiger; toch had ik niets geen zin om naar boord te gaan. De commandant zond mij een allervriendelijkste boodschap: als ik niet dadelijk kwam, zou hij eene wacht mariniers zenden om mij te halen. Daarop kwam hijzelf en dreigde mij. Maar op dat oogenblik had ik hem zonder getuigen en vertelde hem vierkant weg, dat als hij er op stond om mij aan boord te hebben, het tot zijn eigen groot nadeel zou zijn, want dat ik vast besloten was, hem voor een krijgsraad te dagen wegens dronkenschap en handelingen beneden de waardigheid van een officier, zoodra wij bij den admiraal zouden zijn aangekomen. Ik wees hem op den toestand, waarin ik hem aan boord had aangetroffen. Ik haalde zijne godslasteringen eens weer op en het schandelijke gedrag, waardoor hij twee man verloren had. Vreemd zag hij mij aan en beproefde uitleggingen te geven; ik bleef op mijn stuk staan, en hij »haalde bakzeil,” ziende dat hij in mijn macht was.»Welnu dan, mijn waarde,” zeide Jacky, »nu gij toch zoo erg ziek zijt,—het spijt mij dat ik u missen moet,—dien ik er wel in toe te stemmen, dat gij achterblijft; het zal mij moeielijk vallen u te vervangen, maar daar het welzijn en geluk mijner officieren steeds mijne hoofdzorg is, wil ik dan maar liever zelf dit bezwaar ondervinden.” Zoo sprekende, stak hij mij zijn hand toe, die ik zonder leedwezen drukte, oprechtelijk hopende hem nimmer weer te zien noch hier, noch hier namaals.Een tijd later kwam hij toch voor een krijgsraad, wegens herhaalde dronkenschap en wreedheid, en werd voor goed uit den dienst ontslagen.Ik moet, na dit vrij uitvoerig verslag van de eigenaardigheden van den overste G——, wel bepaald de verzekering geven, dat reeds in dien tijd zulke karakters in den zeedienst hoogst zeldzaam voorkwamen. Hierboven deed ik hem reeds als een zonderling uitkomen.Het pressen en het groot gebrek, dat er bestond aan officieren bij het uitbreken van den oorlog, hadden hem in de gelegenheid gesteld om luitenant ter zee te worden; door den admiraal in zijn zwak aan te tasten, maakte hij bevordering, door de admiraliteit plat te loopen en op zijne lange dienstjaren te wijzen, gelukte het hem het bevel over een brik te krijgen. De dienst werd zeer benadeeld door mannen, die vóór de mast waren opgeleid, onder den état-major op te nemen; daardoor verkreeg men tweeërlei soort van officieren in de marine,—namelijk die van goede afkomst en familie, die daardoor eene goede opvoeding hadden genoten, en die, welke om zoo te zeggen door de kluisgaten aan boord waren gestapt. De eersten waren in hunne jeugd door gunstbetoon zoover gekomen en leerden nooit behoorlijk hunne plichten kennen, de laatsten bewezen, op weinige uitzonderingen na, naarmate zij in rang verhoogd werden, hunne ongeschiktheid voor hunnen stand door gebrek aan opvoeding. Beide deze verkeerdheden zijn thans weggenomen; en daar alle jongelieden, om in dienst te komen, een geregelde opleiding moeten hebben en dus van een fatsoenlijke afkomst zijn, is er eene scheidsmuur gevormd, die tot eenen zekeren graad gunstbetoon buitensluit, maar zeker de toelating verhindert van menschen van het gehalte van overste G——.
Vijftiende hoofdstuk.Door de zorg van mijnen vader ontving ik thans spoedig eene plaatsing als luitenant aan boord van de brik van achttien stukken, de D—— te Portsmouth liggende, onder bepaling dat ik zoodra mogelijk mijne betrekking zou aanvaarden. Na een aandoenlijk afscheid van de familie Sommerville te hebben genomen, ging ik derwaarts op reis.Ik nam mijn intrek in een der best aangeschreven hotels, dat toevallig juist tegenover de woning van den admiraal gelegen was, en daar dit in den regel gebruikt werd door de fatsoenlijke zeeofficieren, deed ik dadelijk onderzoek naar mijnen nieuwen kapitein. Vóór ik achter zijn adres was gekomen, had ik verscheidene logementen van den tweeden rang moeten afloopen en was eindelijk beland in de Star and Garter, het gewone verblijf voor minder uitgezocht publiek en ook veel door adelborsten, zelfs door onderofficieren bezocht. Slechts nu en dan was mijn waardige bevelhebber hier aan te treffen, daar hij gewoonlijkaan boord logeerde. Dit vond ik zeer vreemd; ik houd niet van commandanten, die in de haven op hun schip blijven; geen schip kan dan aangenaam wezen, niemand kan doen wat hem behaagt, wat juist het uitsluitend voorrecht behoort te zijn van eenbinnenslandsliggend oorlogsschip.Ik vond toevallig mijn bevelhebber thuis, zond mijn kaartje en werd toegelaten. Hij zat in een klein vertrek met een glas cognacgrog vóór zich; zijne voeten rustten op het haardijzer, en de tafel lag bedekt met officiëele papieren, die hij pas ontvangen en doorgelezen had. Bij mijn binnentreden stond hij op, zich voordoende als een kort, vierkant gebouwd man, met aanleg tot corpulentie en op een paar stevige beenen. Zijn gelaat was niet onknap, hij had regelmatige trekken, een aangenamen glimlach om de lippen en een kuiltje in de kin. Het vreemdste was echter zijn oog; klein maar scherp en bewegelijk, alsof hiermede hetperpetuum mobileopgelost was, daar het onmogelijk scheen dat het één oogenblik op hetzelfde punt gevestigd bleef. Bovendien was er eene arglistige uitdrukking in, die ik met al mijne gelaatskennis niet goed wist te huis te brengen.»Mr. Mildmay,” zeide mijn kapitein, »het is mij bijzonder aangenaam u te zien, en nog meer dat gij aan boord van mijn schip geplaatst zijt. Ga zitten!”Toen ik hieraan gevolg had gegeven, wendde hij zich om, en zijne handen over elkaar strijkende, alsof hij zoo pas de zeep had neergelegd, vervolgdehij: »Hetis bij mij een regel om, als ik een nieuw officier aan boord krijg bij mijne collega’s informatiën in te winnen; het is een voorzichtigheidsmaatregel, omdat naar mijn oordeel het spreekwoord van:één schurftig schaapenz. bijzonder op onzen dienst toepasselijk is. Ik heb gaarne goede officieren en beschaafde menschen om mij heen; ongetwijfeldbestaaner tal van officieren, die goed hunnen dienst doen en op welke ik niets zou weten aan te merken; maar er is eene wijze, waarop men die doen kan, waartoe alleen een gentleman in staat is; ruwe manieren, vloeken en onbeschoftheden verbitteren het volk, onteeren den dienst en zijn daarom zeer wijselijk bij no. 2 van de krijgsartikelen verboden. Onder zulke officieren werkt het volk met tegenzin. Ik ben zoo vrij geweest naar u eenig onderzoek te doen, en ik moet u zeggen, dat ik niets ten uwen nadeele heb vernomen. Ik twijfel niet, of wij zullen het wel samen kunnen vinden;wees verzekerd, dat het mijn streven zal zijn het u zooveel mogelijk naar den zin te maken.”Op deze verstandige en beleefde toespraak gaf ik een passend antwoord. Hij verhaalde daarop, dat wij binnen weinige dagen naar zee zouden gaan; dat de officier, in wiens plaats ik was gekomen, weinig met hem overeengestemd had, hoewel hij aannemen moest, dat het een zeer waardig jong mensch was, die noodzakelijk zoodra mogelijk naar zijn nieuwe schip moest, doch eerst door mij diende vervangen te zijn. »Daarvoor,” zeide hij, »komt het ’t beste uit, dat gij morgenochtend te negen uren aan boord komt: dan zal ik u voorstellen; daarna kunt gij u eenige dagen als meester van uwen tijd beschouwen, omdat ik begrijp, dat gij een en ander voor onzen kruistocht in orde te maken zult hebben. Ik weet,” vervolgde hij met een minzamen glimlach, »dat er zoo allerlei kleinigheden zijn, waarvoor de heeren graag zorgen; zooals het opsieren van de hut, de aankoopen voor de tafel, en allerlei zaken niet bij name te noemen, die dienen voor tijdpasseering en voor het verdrijven van de eentonigheid aan boord. Veertig jaren aan een stuk heb ik aan boord van onze vloot gediend, als knaap en als man, en zooals gij kunt nagaan uit den rang, dien ik bekleed en de levenswijze, die ik leid, zonder bijzonder geluk; want hier zit ik onder een nederig glas grog, in plaats van in het gezelschap mijner mede-commandanten in het HotelDe Kroononder genot van een flesch wijn; maar ik heb twee zusters te onderhouden, en het is voor mij een grooter zelfvoldoening om mijn broederplicht te vervullen, dan aan mijne lusten toe te geven; hoewel ik bekennen moet niets tegen een glas rooden wijn te hebben, als ik er gemakkelijk bij kan komen,—dat is, als ik er niet voor behoef te betalen, wat niet best lijden kan. Maar laat ik u niet langer ophouden. Gij hebt hier zeker verscheidene kennissen, die gij wel graag ontmoeten wilt, en wat ik te zeggen heb, dat is later goed om er op zee de wacht mede klein te krijgen, als er geen aangenamer bezigheid is.” Zoo sprekende stak hij mij de hand toe en schudde de mijne zeer hartelijk. »Dus morgen om negen uren,” herhaalde hij; en ik verliet hem, zeer ingenomen met ons onderhoud.Ik ging terug naar mijn hotel, overdenkende hoe gelukkig ik het getroffen had, op het eerste schip, waar ik als officier zou dienen, zoo’n eerlijken, rechtschapen, flinken commandant aan te treffen. Ik bestelde mijn middagmaal en ging er toen weer op uit, om allerlei aankoopente doen. Verscheidene oude scheepsmakkers ontmoette ik, die mij met mijne bevordering gelukwenschten en niet ophielden vóór ik hun een diner beloofde, om daarmede mijn promotie in te zegenen, waartoe ik mij liet overhalen. De dag werd overeengekomen en het eten besteld.Na ditmaal zonder gezelschap gemiddagmaald te hebben, verdreef ik den tijd met een langen brief aan mijne dierbare Emilia te schrijven; met behulp van een flesch wijn, gelukte het mij een tamelijk vurig en opgewonden stuk op te stellen, dat ik verzegelde en op de post deed; daarna ging ik luchtkasteelen bouwen, en geen was daaronder, waarvan niet mijne schoone de meesteres was. Ik begaf mij te bed en sliep weldra vast in; den volgenden morgen kleedde ik mij in mijn nieuwe uniform, natuurlijk met een groote epaulet op den rechterschouder. Na het ontbijt zeilde ik de deur uit, in eigen oogen een verbazend knappe jongen zijnde. Met een lichten, veerkrachtigen pas zweefde ik de Hoogstraat af.»Een bootje, mijnheer?” riepen een dozijn stemmen mij toe, toen ik de havenpoort bereikt had. Maar ik vond, dat Point-straat evenveel recht als de Hoogstraat had, om mij te zien te krijgen; ik bewaarde dus op die aanbiedingen een diep en geheimzinnig stilzwijgen en liet mij door de bootroeiers naar de Point volgen, als zoovele zuigvisschen, die een haai nazwemmen.»Een boot naar Spithead, mijnheer?” vroeg een grijze, oude varensgast.»Ja, dat is goed,” zeide ik, sprong in zijn vaartuig, en wij staken af.»Naar welk schip moeten wij gaan?” zeide de man.»Naar de brik de D——.”»Zoo, moet u daar naar toe? Behoort u daar aan boord, als ik vragen mag?”»Ja,” antwoordde ik.De roeier liet een zucht en sprak geen woord meer, tot wij op zijde van het schip kwamen. Het speet mij niets, dat hij zoo weinig spraakzaam was, want ik hield mij liever met mijn eigen gedachten bezig, dan met de redeneeringen van onbeschaafd volk.De brik was een prachtig vaartuig. Zij voerde achttien kanonnen en lag als een meeuw op het water. Ik zag, dat de vlag, ten teeken van afstraffing, geheschen was, en vond dit een ongewoon verschijnsel voor de reede van Spithead en maakte daaruit op, dat er een buitengewoonmisdrijf, oproer—of minstens diefstal,—moest hebben plaats gevonden. Toen men zag, dat ik officier was, werd mijne boot bij den valreep toegelaten; ik betaalde mijn roeier en zond hem weg. De valreep opgeklommen zijnde, zag ik een armen kerel met de armen uitgespreid, volgens scheepsgebruik, aan den rooster gebonden, terwijl de commandant, de officieren en de geheele bemanning er omheen stonden, als getuigen van de krachtige behendigheid van den bootsmansmaat, die, te oordeelen naar de even diepe en evenwijdige striemen, die op rug en schouders van den gestrafte zichtbaar waren, een meester in zijn vak scheen. Dit alles verwonderde mij niets,—ik was daaraan lang gewend; maar na de toespraak, die ik den vorigen dag van den commandant gehad had, bevreemdde het mij zeer eene taal te hooren, die lijnrecht indruischte tegen het tweede der krijgsartikelen.Vloeken en verwenschingen stroomden uit zijn mond met een gemak, dat hem het brutaalste vischwijf benijd zou hebben.»Bootsmansmaat!” bulderde de commandant, »doe uw plicht, of bij hier en ginder! laat ikuvoorbinden en zelf vier dozijn toedienen. Men zou voor den dit en dat denken dat gij bezig waart van eene slapende Venus de vliegen af te jagen, in plaats van een schurk te raken, met een huid zoo dik als die van een buffel. Doe uw plicht, sir, of de d.... zal u halen.”Gedurende deze nette alleenspraak had de ongelukkige kerel vier dozijn zware geeselslagen ontvangen, die de provoost, dicht bij den commandant staande, hardop nageteld had.»Een andere bootsmansmaat,” riep deze. De ongelukkige wendde met smeekenden blik het hoofd om, maar vergeefs. Ik sloeg aandachtig het gelaat van den commandant gade, en de eigenaardige uitdrukking, die ik bij onze kennismaking niet had weten thuis te brengen, begreep ik nu volkomen: het was helsche wreedheid en genot in het kwellen van zijnen medemensch; hij scheen een duivelsch genoegen te vinden in het schouwspel, dat wij gedwongen waren bij te wonen. De tweede bootsmansmaat begon met een versch martelwerktuig en gaf daarmede een slag over den rug van den gevangene, diemijdeed opspringen.»Een,” riep de provoost, die weer begon te tellen.»Één!” schreeuwde de commandant »Noem je dat één? Het is nog geen kwart van één. Die vent is alleen geschikt voor vliegenslager in een spekwinkel! Ik zal je degradeeren, gij bl.... weekeling; is dat eenemanier, om met de cat om te springen? Gij klopt hem alleen het stof van den rug. Waar is de bootsman?”»Hier,” riep een ruwe, reusachtige, linksche kerel, vooruittredende, met een hooge, blauwe uniformjas, en een anker op de mouw geborduurd, zijn hoed in de linkerhand houdende en met de rechter het haar uit de oogen strijkende. Ik nam dien man eens goed op, toen hij zich half omdraaide, en maakte de gevolgtrekking, dat hij zeker zijn kleermaker gedreigd had hem een staaltje van zijne handigheid te toonen, indien hij hem met het laken te kort deed; want de panden van zijn jas waren zeer wijd, eindigende in een gebogen vlak, met hoeken, die van voren veel lager hingen dan het middengedeelte van achteren; de knoopen op de heup stonden wel een pistoolschotsafstand uit elkaar.»Geef dien man een dozijn, sir,” zeide commandant G——; »en als gij genade betoont, zend ik u in arrest en houd uw oorlam in.”Het laatste deel der bedreiging maakte op Mr. Pipes meer indruk dan het eerste. Hij begon zich »te pellen”, zooals de boksers dat noemen; eerst ging zijn ruime jas uit; toen werd een rood vest—voor de taille van een paaschos—er bij gedeponeerd; toen maakte hij een zwartzijden halsdoek los en liet een keel zien, als een geit met lang bruin haar begroeid, zoo dik als pakgaren. Daarna stroopte hij de hemdsmouwen op tot boven den elleboog en toonde een arm als de Hercules van Farnese.Deze hoopvolle uitvoerder der krijgswetten greep zijne cat. Het handvat daarvan was twee voet lang, een en drie kwart duim dik en met rood laken bekleed. De staarten van dit vreeselijk wapen, negen in getal, waren drie voet lang, en elk hunner van de dikte van een vinger. Mr. Pipes, wiens bekwaamheid in deze kunst ongetwijfeld aanleiding gegeven had voor zijne bevordering tot bootsman, in welke qualiteit hij nu als de wreker van ’s lands wetten optrad, hanteerde zijne cat alsof hij er de uitvinder van was, bekeek het ding van alle zijden, klaarde de staarten, door er zijne fijne vingertjes tusschenin te brengen, strekte zijn linkerbeen uit,—want hij was aan de beenen evenzeer links als aan de handen,—en met den nauwkeurigen oogopslag van een ingenieur zijn afstand metende, hief hij met zijne linkerhand de cat hoog in de lucht, met de andere de punten der staarten nog vasthoudende, alsof hij hun ongeduld om neer te komen wilde bedwingen; toen met arm en bovenlijf een vollen zwaai makende, waarbijdriekwart van den cirkel beschreven werd, liet hij een ontzettenden slag op den rug van den ongelukkigen lijder nedervallen. Dit soort van slagen scheen onzen kapitein te bevallen, ten minste hij beantwoordde den vragenden blik van den bootsman met den goedkeurenden knik van een liefhebber. De arme patiënt was buiten adem van de kracht van den slag, en de staarten van de cat, uit de tegenovergestelde richting van de eerste vier dozijn nederkomende, kruisten de oude striemen, dathet bloedtelkens te voorschijn sprong.Ik wil mijne lezers niet langer pijnigen met eene beschrijving van den toestand van den armen kerel. Zelfs nog nadat er zooveel jaren overheen gegaan zijn, huiver ik er van en betreur ik bitter de droevige noodzakelijkheid, waarin ik dikwijls gebracht ben eene dergelijke bestraffing toe te passen; maar ik hoop en vertrouw er nooit zonder goede, ernstige reden toe overgegaan te zijn, of er eene baldadige vertooning van willekeur en macht van gemaakt te hebben.Toen het laatste dozijn compleet was, meldde de provoost het eindcijfer »vijf dozijn.”»Vijf dozijn!” herhaalde kapitein G——, »dat kan; bindt hem los. En nu, man,” zeide hij tegen den flauwvallenden ongelukkige, »ik hoop, dat dit u eene waarschuwing zal zijn, om de eerste maal dat gij weer pruimt, niet op mijn halfdek te spuwen.”»Genadige hemel!” dacht ik, »is dit alles alleen geweest voor het spuwen op het halfdek? En dat van dien zedemeester van gisteren, die vloeken noch verwenschingen kon dulden, en die in de laatste tien minuten meer godslasteringen heeft uitgebraakt, dan ik de laatste tien weken gehoord heb!”De commandant had mij nog niet opgemerkt: hij had het te druk met zijn vermaak gehad. Zoodra de gevangene ontslagen was, gaf hij last om »af” te fluiten, of in andere woorden, het volk weer aan hun gewone werk te zetten, toen ik op hem toetrad en de hand aan den hoed bracht.»O ja, dat is waar ook. Zijt gij gekomen? Vast fluiten, laat alle hens op het halfdek voor den boeg komen!”Mijne benoeming werd toen voorgelezen, met alle hoeden af tot eerbewijs aan den Vorst, in wiens naam het geschiedde. Toen ik hiermede volkomen geïnstalleerd werd, was ik de tweede luitenant van het vaartuig, en de commandant, die zich niet verwaardigde mij een woordtoe te spreken of met een blik te vereeren, beval zijne giek klaar te maken, om naar den wal te gaan. Ik was door hem aan niemand der officieren voorgesteld, wat hij beleefdheidshalve had dienen te doen. Dit verzuim werd echter door den eersten officier goedgemaakt, die mij verzocht met hem naar de longroom te gaan, om kennis te maken met mijne nieuwe kameraden. Wij lieten den tijger, het dek op en neer stappende, achter.De eerste officier was van gemiddelde lengte, juist goed voor eene brik, mager en ongeveer veertig jaren oud; hij had slechts één oog, maar dat was even vreemd als die van den commandant. Er sprak echter, in tegenstelling met die van laatstgenoemden, zeer veel geest uit, en wanneer hij er mede knipte, wat hij telkens deed, dan sprak het als ’t ware mede. Nooit zag ik drie zulke oogen in twee zulke hoofden. Een eigenaardige glimlach deed het gelaat van den eersten officier betrekken, toen ik hem vertelde, dat de commandant verlangd had, dat ik aan boord zou komen om geïnstalleerd te worden en dat ik daarna een paar dagen voor mijzelf kon krijgen, om mij voor de zeereis voor te bereiden.»Nu,” zeide hij, »het is het beste, dat ge nu nog naar hem toegaat en het hem vraagt; maar ik denk, dat gij een vreemd antwoord zult krijgen.”Ik ging dus naar hem toe: »Hebt u er iets tegen, dat ik naar den wal ga, mijnheer?”»Naar den wal, mijnheer!” schreeuwde hij. »En wie duivel zal voor den dienst opkomen, als gij naar den wal gaat? Naar den wal? Ik wenschte wel, dat er geen wal bestond en de duivel elk haalde, die niet zwemmen kon! Neen, mijnheer, gij zijt genoeg aan den wal geweest. De dienst gaat naar de maan, mijnheer! Een paar knapen met den rang van luitenant, vóór zij nog uit de kinderkamer behoorden te komen! Neen mijnheer, blijf aan boord, of verd.... ik zal u klein krijgen als eene eierschil, vóór de glans van die mooie nieuwe epaulet af is! Neen, neen, G... d... geen katten hier, of zij moeten muizen vangen. Gij blijft aan boord en doet uwen dienst; iedereen doet hier zijn dienst: en laat mij voor den dit en dat eens zien, wie daarin kort komt!”Gedeeltelijk was ik op deze verhevene aanspraak voorbereid; doch mijn brein was ruim genoeg om tevens eene groote hoeveelheid verwonderingte kunnen bevatten over deze plotselinge weersverandering. Ik antwoordde, dat hij mij gisteren verlof beloofd had, en dat ik op grond van die belofte het grootste gedeelte van mijn goed aan den wal had laten staan en daardoor zóó niet naar zee zou kunnen.»Zoo beloofde ik u verlof? Dat is wel mogelijk; maar dat was alleen om u aan boord te krijgen. Ik ken die streken van jelui jongelieden: eens aan den wal, zijt ge er niet meer vandaan te krijgen. Neen, neen, dat is maar malligheid. Als ik je losliet, zou ik je in geen drie dagen weerzien! Nu ik je heb, houd ik je, voor den d....!”Ik herhaalde mijn verzoek om naar den wal te gaan; maar, zonder zich te vermoeien met mij verdere bezwaren daartegen op te geven, antwoordde hij:»Gij kunt naar de w....l... loopen, sir! En onthoud voorts, dat ik nooit tegenspraak kan dulden. Met het meeste genoegen van de wereld verplicht ik mijne officieren in al wat redelijk is, maar ik verwacht nooit een antwoord.”Ik dacht bij mijzelven: »Ongetwijfeld zou Domitianus u admiraal en uwen bootsman kapitein op zijne vloot hebben gemaakt!”Met deze overdenking liep ik een paar malen het dek op en neer, overwegende wat ik nu doen zou, wetende dat ik hier voor de hoogste macht stond, toen de officier, dien ik vervangen had, de achtertrap opkwam en, eerbiedig den commandant groetende, hem vergunning vroeg om van boord te gaan.»Gij kunt naar de hel gaan, mijnheer!” zeide de commandant (die niet met ruwe taal ophad); »gij zijt het zout niet waard, dat gij eet; en hoe eerder gij weg zijt, des te schooner zal het schip er om wezen! Sta mij niet zoo aan te gapen, als een os over het slaghek! Ga omlaag, pak uw boeltje in, of ik zal er een handje bij helpen!” Te gelijk lichtte hij den voet op, alsof hij daarmede een schop wilde geven.De jonge officier, een zacht, fatsoenlijk mensch deed wat hem bevolen was. Ik stond werkelijk verstomd: tot nog toe had ik steeds met beschaafde menschen gevaren. Ik had dikwijls genoeg van allerlei soort van commandanten gehoord, van strenge, van kleingeestige, van ruwe; maar deze overtrof al mijn begrip en verreweg wat ik dacht, dat ooit door een flink officier zou geduld worden. Zeer verontwaardigd en vast besloten mij niet op die wijze te laten behandelen, ging ik nogmaals naar hem toe en verzocht vergunning om naar wal te gaan.»Ik heb u daarop reeds antwoord gegeven, mijnheer.”»Ja, dat hebt gij ook, commandant,” zeide ik, »en dat wel in eene taal, zooals ik nog nooit op het halfdek van een van Zr. Ms. schepen heb hooren spreken. Ik kwam hier aan boord als officier en als gentleman, en verlang als zoodanig behandeld te worden.”»Muiterij!” brulde de commandant. »Al zooveel praats in uwen nieuwen rang, nog vóórdat de inkt droog is!”’»Zooals gij wilt, sir,” antwoordde ik; »maar ik zal een brief aan den haven-admiraal schrijven en daarin, onder mededeeling der omstandigheden, verlof aanvragen; dat schrijven zal ik u geven, met verzoek tot doorzending.”»Ik zal verd.... zijn, als ik dat doe!” zeide hij.»Dan, mijnheer,” zeide ik hierop, »wanneer door u in tegenwoordigheid der overige officieren de doorzending geweigerd wordt, zal de brief buiten u omgaan.”Mijn laatste gezegde maakte den noodigen indruk; hij wist niet veel te antwoorden, en ging in zichzelf mompelende de kajuitstrap af.Nu kwam de eerste officier op mij toe en wenschte mij geluk met de behaalde overwinning. »Gij hebt den beer volkomen gemuilband,” zeide hij; »lang heb ik naar zoo’n helper uitgezien, als gij zijt; Wilson, die nu weggaat, is een dood-goede, beste jongen, dapper als een leeuw tegenover den vijand,—maar voor dezen vleeschelijken duivel zit hij er in.”Ons gesprek werd gestoord door eene boodschap van den commandant, dat hij mij in de kajuit wenschte te spreken. Ik ging omlaag en werd daar ontvangen met den vriendelijken glimlach onzer eerste ontmoeting.»Mijnheer Mildmay,” zeide hij, »ik ben altijd een weinig barsch tegen mijne officieren, wanneer zij pas aan boord komen” (en ook als zij van boord weggaan, dacht ik),»niet alleen om hen te toonen, dat ik kapitein ben op mijn eigen schip, maar ook als voorbeeld voor het volk, dat als het ziet, dat de officieren ondergeschikt zijn, eerder met zijn lot tevreden is en beter gehoorzaamt; maar, zooals ik u reeds te voren gezegd heb, het comfort mijner officieren is mijne eerste zorg: gij kunt naar den wal gaan en hebt vierentwintig uren verlof om uwe zaken te regelen.”Ik vond het onnoodig hierop nog te antwoorden en verliet met eenebuiging de kajuit. Voor dien man gevoelde ik zulk eene diepe minachting, dat ik bang was te spreken en daarbij mijzelf te vergeten.Kort daarop ging de commandant van boord en deelde den eersten officier mede, dat ik vergunning had om naar den wal te gaan. Ik had nu nadere gelegenheid om met mijn makkers in het ongeluk kennis te maken; niets toch brengt de menschen spoediger tot elkaar dan gemeenschap van lijden. Mijn verzet tegen de onbeschoftheid van onzen gezamenlijken kwelgeest droeg de algemeene goedkeuring weg; tallooze staaltjes van zijne tirannie werden mij verteld, hoe hij een schande voor den dienst was, hoe betreurenswaardig het was, dat aan hem het bevel over zoo’n mooi vaartuig was toevertrouwd. Wij kwamen overeen dat, zoo hij ergens had moeten commandeeren, het dan op een boevenschip moest wezen. De verhalen, die ik hoorde, waren bijna niet te gelooven, en het was alleen te danken geweest aan de al te zeer gegronde vrees, dat een officier zijnen commandant voor den krijgsraad dagende, daarvan voor zijne verdere carrière zeer schadelijke gevolgen ondervindt, dat hij tot nu toe daarvan zoo vrij had kunnen loopen; geen officier had het ooit langer dan drie weken in het schip kunnen uithouden, en zij maakten er allen werk van om er af te komen.In mijn verslag van hetgeen op dit vaartuig voorviel gedurende den tijd, dat ik er op diende, moet ik, ter rechtvaardiging van alle in de marine dienende commandeerende officieren, er bijvoegen, dat het hier een op zichzelf staand geval gold; zulk eene persoonlijkheid als de overste G—— werd reeds toen ter tijd hoogst zeldzaam in den zeedienst aangetroffen en zal later nog minder voorkomen. De eerste officier vond, dat ik zeer verstandig gedaan had, mij zoo dadelijk al te verzetten tegen dergelijke onbehoorlijke machtsuitoefening en vertelde, dat hij zoowel een tiran en een schreeuwer als een lafaard was en in ’t vervolg wel omzichtig zou zijn in de wijze om mij aan te pakken. »Maar wees op uwe hoede,” zeide hij; »vergeven doet hij het u nooit, en juist dan, als hij zich het aangenaamste voordoet, heeft hij het meeste kwaad in den zin. Hij zal u in slaap sussen, en het minste dat hij vat op u heeft, maakt hij er eene krijgsraadzaak van. Ik zou nu maar aan wal gaan en daar uwe zaken afdoen, om zoo mogelijk nog vóór het verstrijken van uw verlof terug te wezen. Die vergunning hebt gij alleen te danken aan uwe bedreiging met den haven-admiraal. Gij zijt erhemvolstrekt geen dank voor schuldig; als hij gedurfd had, zou hij u aanboord hebben gehouden. Zoolang ik hier geplaatst ben, heb ik geen voet van het schip gezet, en er is geen enkele dag gepasseerd zonder ten minste eene scène als gij van morgen hebt bijgewoond. En toch,” vervolgde hij, »als het niet was om zijne wreedheid tegenover het volk, dan zou hij de aardigste leugenaar zijn, dien ik ooit gehoord heb. Dikwijls ben ik meer geneigd om te lachen, dan om boos op hem te zijn. In zekeren zin is hij altijd luimig. Zelfs zijn kwaadaardigheid is koddig, en mochten wij soms niet van hem af kunnen komen, dan zullen wij er ons maar op moeten toeleggen hem zoo goed mogelijk te verdragen.”Ik ging naar den wal, pakte mijne kleederen en andere zaken die ik noodig had, bijeen en was den volgenden morgen vóór acht uren weer aan boord terug.
Door de zorg van mijnen vader ontving ik thans spoedig eene plaatsing als luitenant aan boord van de brik van achttien stukken, de D—— te Portsmouth liggende, onder bepaling dat ik zoodra mogelijk mijne betrekking zou aanvaarden. Na een aandoenlijk afscheid van de familie Sommerville te hebben genomen, ging ik derwaarts op reis.
Ik nam mijn intrek in een der best aangeschreven hotels, dat toevallig juist tegenover de woning van den admiraal gelegen was, en daar dit in den regel gebruikt werd door de fatsoenlijke zeeofficieren, deed ik dadelijk onderzoek naar mijnen nieuwen kapitein. Vóór ik achter zijn adres was gekomen, had ik verscheidene logementen van den tweeden rang moeten afloopen en was eindelijk beland in de Star and Garter, het gewone verblijf voor minder uitgezocht publiek en ook veel door adelborsten, zelfs door onderofficieren bezocht. Slechts nu en dan was mijn waardige bevelhebber hier aan te treffen, daar hij gewoonlijkaan boord logeerde. Dit vond ik zeer vreemd; ik houd niet van commandanten, die in de haven op hun schip blijven; geen schip kan dan aangenaam wezen, niemand kan doen wat hem behaagt, wat juist het uitsluitend voorrecht behoort te zijn van eenbinnenslandsliggend oorlogsschip.
Ik vond toevallig mijn bevelhebber thuis, zond mijn kaartje en werd toegelaten. Hij zat in een klein vertrek met een glas cognacgrog vóór zich; zijne voeten rustten op het haardijzer, en de tafel lag bedekt met officiëele papieren, die hij pas ontvangen en doorgelezen had. Bij mijn binnentreden stond hij op, zich voordoende als een kort, vierkant gebouwd man, met aanleg tot corpulentie en op een paar stevige beenen. Zijn gelaat was niet onknap, hij had regelmatige trekken, een aangenamen glimlach om de lippen en een kuiltje in de kin. Het vreemdste was echter zijn oog; klein maar scherp en bewegelijk, alsof hiermede hetperpetuum mobileopgelost was, daar het onmogelijk scheen dat het één oogenblik op hetzelfde punt gevestigd bleef. Bovendien was er eene arglistige uitdrukking in, die ik met al mijne gelaatskennis niet goed wist te huis te brengen.
»Mr. Mildmay,” zeide mijn kapitein, »het is mij bijzonder aangenaam u te zien, en nog meer dat gij aan boord van mijn schip geplaatst zijt. Ga zitten!”
Toen ik hieraan gevolg had gegeven, wendde hij zich om, en zijne handen over elkaar strijkende, alsof hij zoo pas de zeep had neergelegd, vervolgdehij: »Hetis bij mij een regel om, als ik een nieuw officier aan boord krijg bij mijne collega’s informatiën in te winnen; het is een voorzichtigheidsmaatregel, omdat naar mijn oordeel het spreekwoord van:één schurftig schaapenz. bijzonder op onzen dienst toepasselijk is. Ik heb gaarne goede officieren en beschaafde menschen om mij heen; ongetwijfeldbestaaner tal van officieren, die goed hunnen dienst doen en op welke ik niets zou weten aan te merken; maar er is eene wijze, waarop men die doen kan, waartoe alleen een gentleman in staat is; ruwe manieren, vloeken en onbeschoftheden verbitteren het volk, onteeren den dienst en zijn daarom zeer wijselijk bij no. 2 van de krijgsartikelen verboden. Onder zulke officieren werkt het volk met tegenzin. Ik ben zoo vrij geweest naar u eenig onderzoek te doen, en ik moet u zeggen, dat ik niets ten uwen nadeele heb vernomen. Ik twijfel niet, of wij zullen het wel samen kunnen vinden;wees verzekerd, dat het mijn streven zal zijn het u zooveel mogelijk naar den zin te maken.”
Op deze verstandige en beleefde toespraak gaf ik een passend antwoord. Hij verhaalde daarop, dat wij binnen weinige dagen naar zee zouden gaan; dat de officier, in wiens plaats ik was gekomen, weinig met hem overeengestemd had, hoewel hij aannemen moest, dat het een zeer waardig jong mensch was, die noodzakelijk zoodra mogelijk naar zijn nieuwe schip moest, doch eerst door mij diende vervangen te zijn. »Daarvoor,” zeide hij, »komt het ’t beste uit, dat gij morgenochtend te negen uren aan boord komt: dan zal ik u voorstellen; daarna kunt gij u eenige dagen als meester van uwen tijd beschouwen, omdat ik begrijp, dat gij een en ander voor onzen kruistocht in orde te maken zult hebben. Ik weet,” vervolgde hij met een minzamen glimlach, »dat er zoo allerlei kleinigheden zijn, waarvoor de heeren graag zorgen; zooals het opsieren van de hut, de aankoopen voor de tafel, en allerlei zaken niet bij name te noemen, die dienen voor tijdpasseering en voor het verdrijven van de eentonigheid aan boord. Veertig jaren aan een stuk heb ik aan boord van onze vloot gediend, als knaap en als man, en zooals gij kunt nagaan uit den rang, dien ik bekleed en de levenswijze, die ik leid, zonder bijzonder geluk; want hier zit ik onder een nederig glas grog, in plaats van in het gezelschap mijner mede-commandanten in het HotelDe Kroononder genot van een flesch wijn; maar ik heb twee zusters te onderhouden, en het is voor mij een grooter zelfvoldoening om mijn broederplicht te vervullen, dan aan mijne lusten toe te geven; hoewel ik bekennen moet niets tegen een glas rooden wijn te hebben, als ik er gemakkelijk bij kan komen,—dat is, als ik er niet voor behoef te betalen, wat niet best lijden kan. Maar laat ik u niet langer ophouden. Gij hebt hier zeker verscheidene kennissen, die gij wel graag ontmoeten wilt, en wat ik te zeggen heb, dat is later goed om er op zee de wacht mede klein te krijgen, als er geen aangenamer bezigheid is.” Zoo sprekende stak hij mij de hand toe en schudde de mijne zeer hartelijk. »Dus morgen om negen uren,” herhaalde hij; en ik verliet hem, zeer ingenomen met ons onderhoud.
Ik ging terug naar mijn hotel, overdenkende hoe gelukkig ik het getroffen had, op het eerste schip, waar ik als officier zou dienen, zoo’n eerlijken, rechtschapen, flinken commandant aan te treffen. Ik bestelde mijn middagmaal en ging er toen weer op uit, om allerlei aankoopente doen. Verscheidene oude scheepsmakkers ontmoette ik, die mij met mijne bevordering gelukwenschten en niet ophielden vóór ik hun een diner beloofde, om daarmede mijn promotie in te zegenen, waartoe ik mij liet overhalen. De dag werd overeengekomen en het eten besteld.
Na ditmaal zonder gezelschap gemiddagmaald te hebben, verdreef ik den tijd met een langen brief aan mijne dierbare Emilia te schrijven; met behulp van een flesch wijn, gelukte het mij een tamelijk vurig en opgewonden stuk op te stellen, dat ik verzegelde en op de post deed; daarna ging ik luchtkasteelen bouwen, en geen was daaronder, waarvan niet mijne schoone de meesteres was. Ik begaf mij te bed en sliep weldra vast in; den volgenden morgen kleedde ik mij in mijn nieuwe uniform, natuurlijk met een groote epaulet op den rechterschouder. Na het ontbijt zeilde ik de deur uit, in eigen oogen een verbazend knappe jongen zijnde. Met een lichten, veerkrachtigen pas zweefde ik de Hoogstraat af.
»Een bootje, mijnheer?” riepen een dozijn stemmen mij toe, toen ik de havenpoort bereikt had. Maar ik vond, dat Point-straat evenveel recht als de Hoogstraat had, om mij te zien te krijgen; ik bewaarde dus op die aanbiedingen een diep en geheimzinnig stilzwijgen en liet mij door de bootroeiers naar de Point volgen, als zoovele zuigvisschen, die een haai nazwemmen.
»Een boot naar Spithead, mijnheer?” vroeg een grijze, oude varensgast.
»Ja, dat is goed,” zeide ik, sprong in zijn vaartuig, en wij staken af.
»Naar welk schip moeten wij gaan?” zeide de man.
»Naar de brik de D——.”
»Zoo, moet u daar naar toe? Behoort u daar aan boord, als ik vragen mag?”
»Ja,” antwoordde ik.
De roeier liet een zucht en sprak geen woord meer, tot wij op zijde van het schip kwamen. Het speet mij niets, dat hij zoo weinig spraakzaam was, want ik hield mij liever met mijn eigen gedachten bezig, dan met de redeneeringen van onbeschaafd volk.
De brik was een prachtig vaartuig. Zij voerde achttien kanonnen en lag als een meeuw op het water. Ik zag, dat de vlag, ten teeken van afstraffing, geheschen was, en vond dit een ongewoon verschijnsel voor de reede van Spithead en maakte daaruit op, dat er een buitengewoonmisdrijf, oproer—of minstens diefstal,—moest hebben plaats gevonden. Toen men zag, dat ik officier was, werd mijne boot bij den valreep toegelaten; ik betaalde mijn roeier en zond hem weg. De valreep opgeklommen zijnde, zag ik een armen kerel met de armen uitgespreid, volgens scheepsgebruik, aan den rooster gebonden, terwijl de commandant, de officieren en de geheele bemanning er omheen stonden, als getuigen van de krachtige behendigheid van den bootsmansmaat, die, te oordeelen naar de even diepe en evenwijdige striemen, die op rug en schouders van den gestrafte zichtbaar waren, een meester in zijn vak scheen. Dit alles verwonderde mij niets,—ik was daaraan lang gewend; maar na de toespraak, die ik den vorigen dag van den commandant gehad had, bevreemdde het mij zeer eene taal te hooren, die lijnrecht indruischte tegen het tweede der krijgsartikelen.
Vloeken en verwenschingen stroomden uit zijn mond met een gemak, dat hem het brutaalste vischwijf benijd zou hebben.
»Bootsmansmaat!” bulderde de commandant, »doe uw plicht, of bij hier en ginder! laat ikuvoorbinden en zelf vier dozijn toedienen. Men zou voor den dit en dat denken dat gij bezig waart van eene slapende Venus de vliegen af te jagen, in plaats van een schurk te raken, met een huid zoo dik als die van een buffel. Doe uw plicht, sir, of de d.... zal u halen.”
Gedurende deze nette alleenspraak had de ongelukkige kerel vier dozijn zware geeselslagen ontvangen, die de provoost, dicht bij den commandant staande, hardop nageteld had.
»Een andere bootsmansmaat,” riep deze. De ongelukkige wendde met smeekenden blik het hoofd om, maar vergeefs. Ik sloeg aandachtig het gelaat van den commandant gade, en de eigenaardige uitdrukking, die ik bij onze kennismaking niet had weten thuis te brengen, begreep ik nu volkomen: het was helsche wreedheid en genot in het kwellen van zijnen medemensch; hij scheen een duivelsch genoegen te vinden in het schouwspel, dat wij gedwongen waren bij te wonen. De tweede bootsmansmaat begon met een versch martelwerktuig en gaf daarmede een slag over den rug van den gevangene, diemijdeed opspringen.
»Een,” riep de provoost, die weer begon te tellen.
»Één!” schreeuwde de commandant »Noem je dat één? Het is nog geen kwart van één. Die vent is alleen geschikt voor vliegenslager in een spekwinkel! Ik zal je degradeeren, gij bl.... weekeling; is dat eenemanier, om met de cat om te springen? Gij klopt hem alleen het stof van den rug. Waar is de bootsman?”
»Hier,” riep een ruwe, reusachtige, linksche kerel, vooruittredende, met een hooge, blauwe uniformjas, en een anker op de mouw geborduurd, zijn hoed in de linkerhand houdende en met de rechter het haar uit de oogen strijkende. Ik nam dien man eens goed op, toen hij zich half omdraaide, en maakte de gevolgtrekking, dat hij zeker zijn kleermaker gedreigd had hem een staaltje van zijne handigheid te toonen, indien hij hem met het laken te kort deed; want de panden van zijn jas waren zeer wijd, eindigende in een gebogen vlak, met hoeken, die van voren veel lager hingen dan het middengedeelte van achteren; de knoopen op de heup stonden wel een pistoolschotsafstand uit elkaar.
»Geef dien man een dozijn, sir,” zeide commandant G——; »en als gij genade betoont, zend ik u in arrest en houd uw oorlam in.”
Het laatste deel der bedreiging maakte op Mr. Pipes meer indruk dan het eerste. Hij begon zich »te pellen”, zooals de boksers dat noemen; eerst ging zijn ruime jas uit; toen werd een rood vest—voor de taille van een paaschos—er bij gedeponeerd; toen maakte hij een zwartzijden halsdoek los en liet een keel zien, als een geit met lang bruin haar begroeid, zoo dik als pakgaren. Daarna stroopte hij de hemdsmouwen op tot boven den elleboog en toonde een arm als de Hercules van Farnese.
Deze hoopvolle uitvoerder der krijgswetten greep zijne cat. Het handvat daarvan was twee voet lang, een en drie kwart duim dik en met rood laken bekleed. De staarten van dit vreeselijk wapen, negen in getal, waren drie voet lang, en elk hunner van de dikte van een vinger. Mr. Pipes, wiens bekwaamheid in deze kunst ongetwijfeld aanleiding gegeven had voor zijne bevordering tot bootsman, in welke qualiteit hij nu als de wreker van ’s lands wetten optrad, hanteerde zijne cat alsof hij er de uitvinder van was, bekeek het ding van alle zijden, klaarde de staarten, door er zijne fijne vingertjes tusschenin te brengen, strekte zijn linkerbeen uit,—want hij was aan de beenen evenzeer links als aan de handen,—en met den nauwkeurigen oogopslag van een ingenieur zijn afstand metende, hief hij met zijne linkerhand de cat hoog in de lucht, met de andere de punten der staarten nog vasthoudende, alsof hij hun ongeduld om neer te komen wilde bedwingen; toen met arm en bovenlijf een vollen zwaai makende, waarbijdriekwart van den cirkel beschreven werd, liet hij een ontzettenden slag op den rug van den ongelukkigen lijder nedervallen. Dit soort van slagen scheen onzen kapitein te bevallen, ten minste hij beantwoordde den vragenden blik van den bootsman met den goedkeurenden knik van een liefhebber. De arme patiënt was buiten adem van de kracht van den slag, en de staarten van de cat, uit de tegenovergestelde richting van de eerste vier dozijn nederkomende, kruisten de oude striemen, dathet bloedtelkens te voorschijn sprong.
Ik wil mijne lezers niet langer pijnigen met eene beschrijving van den toestand van den armen kerel. Zelfs nog nadat er zooveel jaren overheen gegaan zijn, huiver ik er van en betreur ik bitter de droevige noodzakelijkheid, waarin ik dikwijls gebracht ben eene dergelijke bestraffing toe te passen; maar ik hoop en vertrouw er nooit zonder goede, ernstige reden toe overgegaan te zijn, of er eene baldadige vertooning van willekeur en macht van gemaakt te hebben.
Toen het laatste dozijn compleet was, meldde de provoost het eindcijfer »vijf dozijn.”
»Vijf dozijn!” herhaalde kapitein G——, »dat kan; bindt hem los. En nu, man,” zeide hij tegen den flauwvallenden ongelukkige, »ik hoop, dat dit u eene waarschuwing zal zijn, om de eerste maal dat gij weer pruimt, niet op mijn halfdek te spuwen.”
»Genadige hemel!” dacht ik, »is dit alles alleen geweest voor het spuwen op het halfdek? En dat van dien zedemeester van gisteren, die vloeken noch verwenschingen kon dulden, en die in de laatste tien minuten meer godslasteringen heeft uitgebraakt, dan ik de laatste tien weken gehoord heb!”
De commandant had mij nog niet opgemerkt: hij had het te druk met zijn vermaak gehad. Zoodra de gevangene ontslagen was, gaf hij last om »af” te fluiten, of in andere woorden, het volk weer aan hun gewone werk te zetten, toen ik op hem toetrad en de hand aan den hoed bracht.
»O ja, dat is waar ook. Zijt gij gekomen? Vast fluiten, laat alle hens op het halfdek voor den boeg komen!”
Mijne benoeming werd toen voorgelezen, met alle hoeden af tot eerbewijs aan den Vorst, in wiens naam het geschiedde. Toen ik hiermede volkomen geïnstalleerd werd, was ik de tweede luitenant van het vaartuig, en de commandant, die zich niet verwaardigde mij een woordtoe te spreken of met een blik te vereeren, beval zijne giek klaar te maken, om naar den wal te gaan. Ik was door hem aan niemand der officieren voorgesteld, wat hij beleefdheidshalve had dienen te doen. Dit verzuim werd echter door den eersten officier goedgemaakt, die mij verzocht met hem naar de longroom te gaan, om kennis te maken met mijne nieuwe kameraden. Wij lieten den tijger, het dek op en neer stappende, achter.
De eerste officier was van gemiddelde lengte, juist goed voor eene brik, mager en ongeveer veertig jaren oud; hij had slechts één oog, maar dat was even vreemd als die van den commandant. Er sprak echter, in tegenstelling met die van laatstgenoemden, zeer veel geest uit, en wanneer hij er mede knipte, wat hij telkens deed, dan sprak het als ’t ware mede. Nooit zag ik drie zulke oogen in twee zulke hoofden. Een eigenaardige glimlach deed het gelaat van den eersten officier betrekken, toen ik hem vertelde, dat de commandant verlangd had, dat ik aan boord zou komen om geïnstalleerd te worden en dat ik daarna een paar dagen voor mijzelf kon krijgen, om mij voor de zeereis voor te bereiden.
»Nu,” zeide hij, »het is het beste, dat ge nu nog naar hem toegaat en het hem vraagt; maar ik denk, dat gij een vreemd antwoord zult krijgen.”
Ik ging dus naar hem toe: »Hebt u er iets tegen, dat ik naar den wal ga, mijnheer?”
»Naar den wal, mijnheer!” schreeuwde hij. »En wie duivel zal voor den dienst opkomen, als gij naar den wal gaat? Naar den wal? Ik wenschte wel, dat er geen wal bestond en de duivel elk haalde, die niet zwemmen kon! Neen, mijnheer, gij zijt genoeg aan den wal geweest. De dienst gaat naar de maan, mijnheer! Een paar knapen met den rang van luitenant, vóór zij nog uit de kinderkamer behoorden te komen! Neen mijnheer, blijf aan boord, of verd.... ik zal u klein krijgen als eene eierschil, vóór de glans van die mooie nieuwe epaulet af is! Neen, neen, G... d... geen katten hier, of zij moeten muizen vangen. Gij blijft aan boord en doet uwen dienst; iedereen doet hier zijn dienst: en laat mij voor den dit en dat eens zien, wie daarin kort komt!”
Gedeeltelijk was ik op deze verhevene aanspraak voorbereid; doch mijn brein was ruim genoeg om tevens eene groote hoeveelheid verwonderingte kunnen bevatten over deze plotselinge weersverandering. Ik antwoordde, dat hij mij gisteren verlof beloofd had, en dat ik op grond van die belofte het grootste gedeelte van mijn goed aan den wal had laten staan en daardoor zóó niet naar zee zou kunnen.
»Zoo beloofde ik u verlof? Dat is wel mogelijk; maar dat was alleen om u aan boord te krijgen. Ik ken die streken van jelui jongelieden: eens aan den wal, zijt ge er niet meer vandaan te krijgen. Neen, neen, dat is maar malligheid. Als ik je losliet, zou ik je in geen drie dagen weerzien! Nu ik je heb, houd ik je, voor den d....!”
Ik herhaalde mijn verzoek om naar den wal te gaan; maar, zonder zich te vermoeien met mij verdere bezwaren daartegen op te geven, antwoordde hij:
»Gij kunt naar de w....l... loopen, sir! En onthoud voorts, dat ik nooit tegenspraak kan dulden. Met het meeste genoegen van de wereld verplicht ik mijne officieren in al wat redelijk is, maar ik verwacht nooit een antwoord.”
Ik dacht bij mijzelven: »Ongetwijfeld zou Domitianus u admiraal en uwen bootsman kapitein op zijne vloot hebben gemaakt!”
Met deze overdenking liep ik een paar malen het dek op en neer, overwegende wat ik nu doen zou, wetende dat ik hier voor de hoogste macht stond, toen de officier, dien ik vervangen had, de achtertrap opkwam en, eerbiedig den commandant groetende, hem vergunning vroeg om van boord te gaan.
»Gij kunt naar de hel gaan, mijnheer!” zeide de commandant (die niet met ruwe taal ophad); »gij zijt het zout niet waard, dat gij eet; en hoe eerder gij weg zijt, des te schooner zal het schip er om wezen! Sta mij niet zoo aan te gapen, als een os over het slaghek! Ga omlaag, pak uw boeltje in, of ik zal er een handje bij helpen!” Te gelijk lichtte hij den voet op, alsof hij daarmede een schop wilde geven.
De jonge officier, een zacht, fatsoenlijk mensch deed wat hem bevolen was. Ik stond werkelijk verstomd: tot nog toe had ik steeds met beschaafde menschen gevaren. Ik had dikwijls genoeg van allerlei soort van commandanten gehoord, van strenge, van kleingeestige, van ruwe; maar deze overtrof al mijn begrip en verreweg wat ik dacht, dat ooit door een flink officier zou geduld worden. Zeer verontwaardigd en vast besloten mij niet op die wijze te laten behandelen, ging ik nogmaals naar hem toe en verzocht vergunning om naar wal te gaan.
»Ik heb u daarop reeds antwoord gegeven, mijnheer.”
»Ja, dat hebt gij ook, commandant,” zeide ik, »en dat wel in eene taal, zooals ik nog nooit op het halfdek van een van Zr. Ms. schepen heb hooren spreken. Ik kwam hier aan boord als officier en als gentleman, en verlang als zoodanig behandeld te worden.”
»Muiterij!” brulde de commandant. »Al zooveel praats in uwen nieuwen rang, nog vóórdat de inkt droog is!”’
»Zooals gij wilt, sir,” antwoordde ik; »maar ik zal een brief aan den haven-admiraal schrijven en daarin, onder mededeeling der omstandigheden, verlof aanvragen; dat schrijven zal ik u geven, met verzoek tot doorzending.”
»Ik zal verd.... zijn, als ik dat doe!” zeide hij.
»Dan, mijnheer,” zeide ik hierop, »wanneer door u in tegenwoordigheid der overige officieren de doorzending geweigerd wordt, zal de brief buiten u omgaan.”
Mijn laatste gezegde maakte den noodigen indruk; hij wist niet veel te antwoorden, en ging in zichzelf mompelende de kajuitstrap af.
Nu kwam de eerste officier op mij toe en wenschte mij geluk met de behaalde overwinning. »Gij hebt den beer volkomen gemuilband,” zeide hij; »lang heb ik naar zoo’n helper uitgezien, als gij zijt; Wilson, die nu weggaat, is een dood-goede, beste jongen, dapper als een leeuw tegenover den vijand,—maar voor dezen vleeschelijken duivel zit hij er in.”
Ons gesprek werd gestoord door eene boodschap van den commandant, dat hij mij in de kajuit wenschte te spreken. Ik ging omlaag en werd daar ontvangen met den vriendelijken glimlach onzer eerste ontmoeting.
»Mijnheer Mildmay,” zeide hij, »ik ben altijd een weinig barsch tegen mijne officieren, wanneer zij pas aan boord komen” (en ook als zij van boord weggaan, dacht ik),»niet alleen om hen te toonen, dat ik kapitein ben op mijn eigen schip, maar ook als voorbeeld voor het volk, dat als het ziet, dat de officieren ondergeschikt zijn, eerder met zijn lot tevreden is en beter gehoorzaamt; maar, zooals ik u reeds te voren gezegd heb, het comfort mijner officieren is mijne eerste zorg: gij kunt naar den wal gaan en hebt vierentwintig uren verlof om uwe zaken te regelen.”
Ik vond het onnoodig hierop nog te antwoorden en verliet met eenebuiging de kajuit. Voor dien man gevoelde ik zulk eene diepe minachting, dat ik bang was te spreken en daarbij mijzelf te vergeten.
Kort daarop ging de commandant van boord en deelde den eersten officier mede, dat ik vergunning had om naar den wal te gaan. Ik had nu nadere gelegenheid om met mijn makkers in het ongeluk kennis te maken; niets toch brengt de menschen spoediger tot elkaar dan gemeenschap van lijden. Mijn verzet tegen de onbeschoftheid van onzen gezamenlijken kwelgeest droeg de algemeene goedkeuring weg; tallooze staaltjes van zijne tirannie werden mij verteld, hoe hij een schande voor den dienst was, hoe betreurenswaardig het was, dat aan hem het bevel over zoo’n mooi vaartuig was toevertrouwd. Wij kwamen overeen dat, zoo hij ergens had moeten commandeeren, het dan op een boevenschip moest wezen. De verhalen, die ik hoorde, waren bijna niet te gelooven, en het was alleen te danken geweest aan de al te zeer gegronde vrees, dat een officier zijnen commandant voor den krijgsraad dagende, daarvan voor zijne verdere carrière zeer schadelijke gevolgen ondervindt, dat hij tot nu toe daarvan zoo vrij had kunnen loopen; geen officier had het ooit langer dan drie weken in het schip kunnen uithouden, en zij maakten er allen werk van om er af te komen.
In mijn verslag van hetgeen op dit vaartuig voorviel gedurende den tijd, dat ik er op diende, moet ik, ter rechtvaardiging van alle in de marine dienende commandeerende officieren, er bijvoegen, dat het hier een op zichzelf staand geval gold; zulk eene persoonlijkheid als de overste G—— werd reeds toen ter tijd hoogst zeldzaam in den zeedienst aangetroffen en zal later nog minder voorkomen. De eerste officier vond, dat ik zeer verstandig gedaan had, mij zoo dadelijk al te verzetten tegen dergelijke onbehoorlijke machtsuitoefening en vertelde, dat hij zoowel een tiran en een schreeuwer als een lafaard was en in ’t vervolg wel omzichtig zou zijn in de wijze om mij aan te pakken. »Maar wees op uwe hoede,” zeide hij; »vergeven doet hij het u nooit, en juist dan, als hij zich het aangenaamste voordoet, heeft hij het meeste kwaad in den zin. Hij zal u in slaap sussen, en het minste dat hij vat op u heeft, maakt hij er eene krijgsraadzaak van. Ik zou nu maar aan wal gaan en daar uwe zaken afdoen, om zoo mogelijk nog vóór het verstrijken van uw verlof terug te wezen. Die vergunning hebt gij alleen te danken aan uwe bedreiging met den haven-admiraal. Gij zijt erhemvolstrekt geen dank voor schuldig; als hij gedurfd had, zou hij u aanboord hebben gehouden. Zoolang ik hier geplaatst ben, heb ik geen voet van het schip gezet, en er is geen enkele dag gepasseerd zonder ten minste eene scène als gij van morgen hebt bijgewoond. En toch,” vervolgde hij, »als het niet was om zijne wreedheid tegenover het volk, dan zou hij de aardigste leugenaar zijn, dien ik ooit gehoord heb. Dikwijls ben ik meer geneigd om te lachen, dan om boos op hem te zijn. In zekeren zin is hij altijd luimig. Zelfs zijn kwaadaardigheid is koddig, en mochten wij soms niet van hem af kunnen komen, dan zullen wij er ons maar op moeten toeleggen hem zoo goed mogelijk te verdragen.”
Ik ging naar den wal, pakte mijne kleederen en andere zaken die ik noodig had, bijeen en was den volgenden morgen vóór acht uren weer aan boord terug.
Zestiende hoofdstuk.Toen de commandant te voorschijn kwam, was hij in de meest beminnelijke stemming. Nauwelijks zag hij mij, of hij zeide: »Zóó mag ik het zien; kom nooit over uw tijd, zelfs geen vijf minuten. Nu ik zien kan, dat gij vertrouwen verdient, kunt gij, zoodra gij wilt, weer van boord gaan.”Dit gezegde zou goed en wel geweest zijn voor iemand van vóór den mast; maar tot een officier gericht, vond ik het aanmatigend en onfatsoenlijk.De hofmeester had in de longroom het ontbijt klaargezet, bestaande in biefstuk en gebraden zwezeriken met gebakken uien; en de geur daarvan steeg door den koekoek naar boven en streelde het reukorgaan van onzen commandant. Aan vriendschappelijke praatjes geen gebrek; hij leunde op de kap en zeide, naar beneden ziende:»Het ziet er daar lang niet slecht uit, omlaag!” De wenk werd begrepen en de eerste officier noodigde hem uit om mede te doen.»Och zou ik het doen; ik heb niet veel trek.”Zoo zeggende was hij in een oogwenk de trap af, daar hij vreesde, dat de lekkerste beetjes weg zouden zijn, vóór hij aan den slag kwam. Wij volgden hem, en zoodra hij gezeten was, zeide hij:»Ik vertrouw, mijne heeren, dat dit niet de laatste keer is, dat ik in de longroom zal zitten en dat ook gij van uwen kant mijne kajuit als uwe eigene zult willen beschouwen. Ik maak het mijne officieren gaarne naar den zin; niets is aangenamer dan een schip, waar eene goede geest heerscht, en waar ieder matroos en jongen gereed is om voor zijne officieren de hel in te gaan. Dat noem ik goede kameraadschap,—geven en nemen. Ziet elkaars gebreken door de vingers, en het zal iedereen leed doen, als de tijd van scheiden daar is. Ik vrees echter, dat ik niet lang bij u zal zijn; want ofschoon ik bijzonder op de brik gesteld ben, hebben de hertog van N—— en lord George —— den eersten lord een afgedrieduiveld standje gemaakt, dat ik niet eerder bevorderd ben; en, onder ons gezegd en gebleven,—mijne bevordering wacht mij te Barbados.De eerste officier knipoogde; maar dit ging niet zoo spoedig in zijn werk, of de commandant had er een glimp van opgevangen, vóór het weer middenin, op de biefstuk en uien gericht was. Maar het ging zonder opmerking voorbij.»Een prachtig stukje vleesch, dit! Mag ik u even lastig vallen om de saus en wat mosterd. Wij zullen eens een pretje hebben, als wij in zee zijn; maar wij moeten eerst het blauwe water hebben; dan is het rustiger met de bezigheden. Van biefstuk bakken gesproken,—toen ik in Egypte was, plachten wij onzen biefstuk op de rotsen te bakken: geen kwestie van vuur, de thermometer op 200°, heet als de hel! Ik heb eens vier duizend man te gelijk voor het heele leger, zooveel als twintig à dertig duizend pond vleesch zien braden, alles siste en knapperde te gelijk: juist op het middaguur, dat spreekt vanzelf, en geen vonkje vuur! Enkele van de soldaten, die voor glasblazer te Leith waren grootgebracht, zwoeren dat zij nog nooit zoo’n hitte hadden bijgewoond. Ik ging gewoonlijk eens onder de lij staan, om mijn neus te goed te doen en aan Oud-Engeland te denken! O, dat is toch maar je landje, waar iedereen mag zeggen en denken wat hij wil!—Maar dit soort werk kon niet lang duren, dat begrijpt ge; zij braadden zich allemaal, binnen drie of vier weken, de oogen uit het hoofd! Ik had ziek te bed gelegen, want ik behoorde tot het 72ste regiment, zeventien honderdman sterk (ik had een partij matrozen bijmij); maarde oogziekte maakte zulke verwoestingen, dat het heele regiment, de kolonel niet uitgezonderd, stekeblind werd, op één korporaal na! Gij moogt vreemd opkijken, heeren, maar het is echt waar. Nu, die korporaal was goed af; het was zijn dienst het gansche regiment naar het drinkwater te geleiden: hij ging voorop, en twee of drie hielden aan weerskanten de slippen van zijn mouwvest vast; dezen werden weer door even zooveel anderen vastgehouden, en zoo marcheerden zij achter elkaar aan, om aan de bron hunnen dorst te gaan lesschen. Zoo liet deze korporaal zijn regiment drinken, als een staljongen zijne paarden, in eene marschorde uitgespreid als de staart van een pauw.”»Waarvan de korporaal het lichaam was,” viel de dokter hem in de rede.De commandant keek een beetje strak.»Vondt u het warm in dat land?” vroeg de dokter.»Warm!” riep de commandant uit. »Ik zal u wat zeggen, dokter: als gij gaat, waar gij zoo menigen patiënt hebt heengezonden, en om die reden zeker zelf belanden zult, dan hoop ik voor u en voor uw beroep in het algemeen, dat gij het er niet zoo heet hebben zult, als wij het in Egypte vonden. Hoe vindt gij het, dat negentien van mijn manschappen gedood zijn, doordien een bundel lichtstralen op de pannen van de blinkende geweren der schildwachten viel en het kruit deed ontvlammen? Ik commandeerde bij Acre eene mortier-batterij en ik poederde de Franschen, altijd als zij achter hun middagmaal zaten, met een regen van granaten; maar wat denkt ge dat de beestener op ’t laatst op uitgevonden hadden? Zij dresseerden een hoop poedelhonden om op de granaten te passen, die neervielen, dan er op toe te vliegen en met hunne tanden de brandende lont er uit te trekken. Hebt gij ooit van zoo iets gehoord? Hierdoor redden zij honderden manschappen en verloren slechts een half dozijn honden,—het is een feit, waarachtig; vraag het maar aan sir Sidney Smith; die zal het u net precies zóó vertellen, en een bl.......... boel er bij.”De stroom zijner welbespraaktheid werd alleen geëvenaard door zijne vlugheid van vinding en zijn kauwvermogen; want zoolang dit onderhoudende monodrama duurde, deden zijne tanden druk dienst als de zuigerstang op eene stoomboot; en daar hij zoowel onze commandant als onze gast was, genoot hij het leeuwenaandeel van ons maal.»Maar, iets anders, Soudings,” zeide hij zich gemeenzaam wendende tot den master, die nog pas kort aan boord was, »laat eens zien wat gij in het voorruim hebt gestuwd. Gij weet, ik ben een waterdrinker; geef mij maar van dien zuiveren kost, en ik ben door een kind te leiden. Zelden zal ik sterken drank nemen, als het water goed is.” Zoo zeggende, schonk hij zich een glas vol en hield het onder den neus. »Het stinkt! Zeg master, zijt gij er zeker van, dat de sponsen op de vaten zitten? De katten zijn er bij geweest. Hierin moet voorzien worden.” En de helft van het water weggegooid hebbende, vulde hij het glas met rum aan. Toen proefde hij weer, zeggende: »Kom, juffrouw poes, dat zal u in allen gevalle onschadelijk maken.”—Het water was inderdaad onberispelijk.Hij wachtte een oogenblik, terwijl hij het glas voor de oogen hield, en toen ging het naar binnen, geene andere uitwerking hebbende dan een diepen zucht. »Komaan, dat is goed bedacht: wij willen geen katten meer in het schip hebben (behalve natuurlijk die (de cat), welke de verdorven menschelijke aard voor den bootsman onmisbaar maakt). Mr. Skysail wees zoo goed en zorg daar eens voor. Zij moeten allen overboord.”Zijn hoed opvattende, stond hij van tafel op, en op weg naar boven, zeide hij: »Bij nader inzien is het toch maar beter om de katten niet overboord te gooien; de zeilen hebben een dwaas bijgeloof ten opzichte van die beesten,—het is verd.... ongelukkig. Neen, laat ze maar levend in een broodzak doen en met de ververschingssloep naar den wal brengen.”Mij herinnerende, dat het afgesproken diner met mijne vrienden vandaag moest plaats hebben, en indachtig aan de toezegging van den commandant, dat ik aan den wal kon gaan, wanneer ik wilde, meende ik dat het voldoende was om te zeggen, dat ik ging,—om daardoor de noodige beleefdheid tegen mijnen meerdere in acht te nemen. Met eene bescheiden zekerheid ging ik daarom naar hem toe en gaf hem kennis van mijne afspraak en mijn voornemen.»Op mijne eer, sir,” riep hij hard uit, de armen in de zijde zettende en mij vierkant in ’t gezicht ziende, »gij houdt er geen klein beetje assurantie op na; nauwelijks aan boord of gij vraagt om weer naar den wal te gaan en te gelijk hebt gij de onbeschaamdheid mij, terwijl gij weet, dat ik die ondeugd zoo verfoei, mede te deelen, dat gij voornemens zijt met eene partij uwe promotie te vieren, dus beestachtigdronken te worden en anderen even slecht te maken als gijzelf zijt. Neen, mijnheer; ik wil hebben, dat gij eens vooral weet dat ik, als kapitein van mijn schip en zoolang ik de eer zal hebben dat te commandeeren, demagister morumben.”»Ik was juist op weg om daarop te komen, commandant,” zeide ik, »toen u mij in de rede vielt. Wetende hoe moeielijk het is om jongelui bedaard te houden, zonder de tegenwoordigheid van iemand, voor wien zij respect gevoelen en tegen wien zij als een voorbeeld opzien, was het mijn plan u te vragen om ons met uw gezelschap te vereeren. Niets, zou volgens mijn inzien, zoo zeker elke neiging tot onbehoorlijke uitspatting tegengaan!”»Wel, daar spreekt gij als een kind dat ikzelf groot gebracht heb,” antwoordde overste G——; »ik had niet gedacht, dat gij zoo verstandig waart. Het is verre van mij af om iets tegen gepaste vroolijkheid te hebben. Een mensch is altijd een mensch; geef hem alleen het strikt noodzakelijke voor zijn bestaan, en hij staat gelijk met een hond. Een beetje pret bij zoo’n gelegenheid is niet alleen billijk, maar zelfs aan te bevelen. De gezondheid van een goeden koning als de onze,—God zegene hem!—behoort altijd met een glas goeden wijn gedronken te worden, en daar gij zegt, dat het een uitgezocht gezelschap is, en de aanleiding: het vieren van uwe benoeming, zoo zal ik geen bezwaar hebben te komen en mede te doen; maar denk er om, niet zwaar drinken—alles in den vorm—en ik zal niet alleen mijn best doen, om de jonge heethoofden bedaard te houden, maar tevens naar mijn beste vermogen tot de vroolijkheid van den avond bij te dragen.”Ik dankte hem voor zijne welwillendheid. Hij gaf toen eenige orders aan Skysail, den eersten officier, en verzoekende om voor hem de giek te doen gereedmaken, bood hij mij aan, met hem naar den wal te gaan.Dit was inderdaad een gunstbetoon, dat nog nooit aan boord aan een der officieren was bewezen, en iedereen kwam dan ook boven, om het te zien. De eerste officier knipoogde, alsof hij daarmede zeggen wilde: »Dat loopt te hard van stal,—dat kan nooit duren.” Hoe het zij, wij roeiden met de giek weg, naar den wal toe. Daar de stroom de haven uitliep, passeerden wij rakelings de ton van de Boyne.»O, hoe goed herinner ik mij dat oude schip! Ik was er adelborstop, toen het in de lucht vloog. Ik was met de seinen belast en juist bezig om het noodsein aan te slaan, toen ik opvloog. Hemel en hel! ik dacht, dat ik nooit weer beneden zou komen.”»Zoo, commandant!” zeide ik, »ik heb altijd gedacht, dat er op dat oogenblik niemand aan boord was.”»Niemand aan boord!” herhaalde de overste, mij met opgetrokken bovenlip aanziende. »Hoe komt gij daaraan?”»Ik heb het gehoord van een commandant, onder wien ik in Amerika gediend heb.”»Zeg dan aan dien ouden commandant van je, met mijne groeten, dat hij er niets van weet. Niemand aan boord! Wel, verd.... mijnheer, de bak stond vol menschen, als schapen op een hoop gedrongen, en allen tegen mij om hulp schreeuwende. Ik riep ze toe, dat zij naar de hel konden gaan,—en juist op dat moment gingen wij zoo stellig als iets. Ik werd bewusteloos opgepikt, zooals ik later vernam, ergens in Stokesbaai, en naar het Haslar-hospitaal vervoerd, waar ik drie maanden voor zoo goed als dood gehouden werd—en er geen woord bij mij uitkwam. Eindelijk werd ik beter; en het eerste, wat ik deed, was eene sloep te nemen, naar de plaats van de ramp te varen, het voorruim van mijn oude schip in te duiken en achter naar de broodkamer te zwemmen.”»En wat zaagt gij daar, commandant?”»O, niets dan hoopen menschelijke geraamten en overvloed van wijtings, die hen tusschen de ribben door zwommen. Ik bracht mijn oud quadrant mede uit de stuurboordsdekhut, waar ik bezig was het schoon te maken, toen het alarmsein gegeven werd. Ik vond het op tafel liggen op dezelfde plaats, waar ik het achterliet. Ik zal nooit vergeten wat een d.....schen bons wij tegen de oude Queen Charlotte gaven met onze bakboordsbatterij; zij kreeg elk schot binnen en de stukken waren met dubbel schroot geladen. Wat bl..... ik geloof, dat wij minstens honderd man buiten gevecht stelden.”»Wel, overste,” zeide ik, »ik heb altijd gemeend, dat zij bij die gelegenheid maar twee man verloor.”»Wie heeft u dat nu weer wijsgemaakt?” zeide overste G..... »Zeker uw oude commandant?”»Ja, overste,” zeide ik; »hij was er adelborst aan boord.”»Hij kan opd....” zeide de commandant; »ik weet zeker, dat er driebarkasladingen met lijken uitgehaald zijn en naar het hospitaal gebracht, om begraven te worden.”Daar de giek intusschen de landingsplaats bereikte, kreeg deze volleerde leugenaar tijd om adem te scheppen; werkelijk begon ik ongerust te worden, dat hij zijn voorraad leugens vóór het diner zou uitgeput hebben, zoodat er aan het dessert niets meer zou zijn. Toen wij uitstapten, ging hij naar zijn oude kwartier in de Star and Garter, en ik naar de George. Bij het scheiden herinnerde ik hem, dat zes uren het klokje was.»Maak u niet bezorgd,” zeide hij.Ik had mijn gezelschap bijeen, vóór hij er bij was, deelde mijnevriendenmede, dat het mijn plan was hem dronken te maken, en verzocht hun mij daarin te helpen, wat zij beloofden. Als ik hem eens zoover zou gekregen hebben, was ik er zeker van, dat er een eind zou zijn aan alle toekomstige redeneeringen ten gunste der matigheid. Mijne kameraden, volkomen begrijpende met welk soort van man zij te doen hadden, betoonden hem bij zijn binnentreden de meest vleiende bewijzen van eerbied. Ik stelde hen allen op de meest plechtige wijze aan hem voor, ze een voor een bij hem brengende, zooals eene presentatie aan het hof plaats vindt. Zijne vroolijkheid had het hoogste punt bereikt; door ieder afzonderlijk en op den onderdanigsten toon werd hem de eer verzocht, een glas wijn met hem te mogen drinken; met de meeste vriendelijkheid verwaardigde hij zich dit de geheele tafel te vergunnen.»Dat is prachtige zalm, deze,” zeide de commandant.»Waar haalt Billet die vandaan? O ja, wat dat betreft, hebt gij wel eens gehoord van de gezouten zalm in Schotland?”Wij antwoordden allen toestemmend.»Och, gij begrijpt mij niet. Verd.... ik meen niet de doode gezouten zalm; ik meen levende gezouten zalm, in vijvers zwemmende, zoo vroolijk als alen, zoo hongerig als ratten.”Hierop gaven wij allen onze verwondering te kennen en verzekerden nooit van zoo iets gehoord te hebben.»Dat dacht ik wel,” zeide hij, »want het is pas kort geleden in dit land ingevoerd, door een bijzonderen vriend van mij, Dr. Mac .....; ik kan mij op dit oogenblik zijn verd.... moeielijken Schotschen naam niet te binnen brengen; hij was een groot chemicus en geoloog, en al dat soort van goed,—een kante kerel, dat verzeker ik u, al lacht gij erom. Wel die kerel, mijnheer, keerde, om zoo te zeggen, de natuur onderstboven. Ik geloof zeker, dat hij zich aan den duivel verkocht had. Wel wat doet hij? Zalm vangen en in de vijvers brengen, en elken dag doet hij er zout, meer zout in, tot de pekel zoo dik als pap was en de visschen hun staart niet meer konden roeren. Toen wierp hij er heele peperkorrels in, een half dozijn ponden te gelijk, zoolang tot er genoeg in was. Toen begon hij aan te lengen met azijn, net zoolang tot de pekel klaar was. De visch had er in ’t begin maar half zin in; maar de gewoonte is eene tweede natuur, en toen hij mij bij zijn vijver bracht, zwommen zij zoo dartel rond als eene school witvisschen. Hij voedde hen met fijngehakte venkel en zwarte peperkorrels. »Kom dokter,” zei ik, »ik geloof niemand op zijn praatjes, ik moet er eerst van proeven.” (Wij zagen elkander eens aan.) »Dat zult gij in een minuut tijds,” zeide hij; hij vischte met een schepnetje een zalm op, en toen ik er met mijn mes in stak, stroomde hem de pekel uit het lijf, als de wijn uit een flesch, en ik had al wel twee pond van het beest op, terwijl hij mij met den staart in het gezicht sloeg. Nooit van mijn leven proefde ik zulke visch. Het is de moeite waard om naar Schotland te gaan, alleen om er levende gezouten zalm te eten. Ik zal, wie uwer lust heeft, een brief voor mijn vriend medegeven. Hij zal d.....sch blijde zijn u te zien, en dan kunt gij u overtuigen. Geloof mij op mijn woord, als gij eens van die soort zalm geproefd hebt, lust gij geen andere meer.”Wij vonden allen, dat dit wel waar zou zijn.De champagnekurken vlogen zoo dicht en zoo luid als zijne granaten bij Acre; maar wij hielden ons bijzonder in, ons vooral vermakende met zijn doorslaan; en opmerkende, dat het gesprek meer geanimeerd begon te worden, bracht ik opzettelijk Egypte op het tapijt, door aan een mijner vrienden te verzoeken eene piramide van gelei, die vóór hem stond, klein te maken en aan den commandant te passeeren.Dit was voldoende; hij begon over Egypte, en naarmate wij hem harder toejuichten, vermeerderden het aantal en de grootte zijner leugens. Jammer, dat er geen snelschrijver bij tegenwoordig was, want deze nieuwerwetsche Münchhausen stond voor niets. »Van het water van den Nijl gesproken,” zeide hij, »herinner ik mij, toen ik eerste officier op de Bellerophon was, dat wij Minorca binnenliepen met een restant van slechts zes ton water, en in minder dan vier uren tijds hadden wij driehonderd en vijftig ton binnen, alles weggestuwd. Ik zette allehens aan het werk. De admiraal zelf stond tot aan zijn hals in het water met al de anderen. »Verd..... admiraal,” zeide ik, »niet wegkruipen.” Wel, den volgenden dag zeilden wij, en zoo’n beest van een wind heb ik nog nooit bijgewoond,—al ons tuig overboord, en wij bijna in de zeeën gesmoord. Een onzer sloepen woei uit de davits en was uit ’t zicht vóór hij het water raakte. Gij kunt er om lachen, maar het was nog niets bij hetgeen de brik de Zwaluw ondervond. Wij zeilden samen; zij wilde er voor gaan lenzen, maar werd, bij Jupiter, twee mijl het land ingewaaid: kanonnen, volk, de heele rommel; den volgenden morgen vonden zij haar, met haar jaaghout, door een kerkraam, in een schilderij vastgestoken.”Het is moeielijk uit te maken, hoe lang hij nog met al dien onzin zou doorgegaan zijn, maar het begon ons te vervelen; daarom lieten wij de flesch wat drukker rondgaan en hij begon toen in de gemoedelijkheid te vervallen.»Zeg eens Frank (een hik),” zeide hij, »ge zijt een duivelsche goede kerel; maar dat één-oogige ongeluk zal ik den eersten keer, dat ik hem dronken vind, voor een krijgsraad brengen; ik zal hem aan de ra opknoopen, dan wordt gij mijn eerste officier encustos rottorumverd..... Vertel gij het mij maar de eerste maal, dat hij te veel sterken drank opheeft, en ik zal hem waarnemen, verd.... scheel mispunt van een vent.”Hier begon zijn denkvermogen aan het dwalen te raken; hij begon in zichzelf te praten en mij met den eersten officier dooreen te haspelen.»Ik zal hem wel afleeren om aan den haven-admiraal over verlof te schrijven,—die zoon van een zeekok.”Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen. Bij den derden regel zakte zijn hoofd op de borst; hij gleed van zijn stoel af en rolde verder onder de tafel, waar hij als »lijk” bleef liggen.Ik had vooraf besloten hem in dien toestand niet over straat te brengen, en daarom had ik gezorgd, dat er in het logement een bed voor hem gereed was, en aan de bel trekkende, gelastte ik een paar bedienden, hem derwaarts te brengen. Ziende, dat hij in veiligheid was, maakte ik zijn halsdoek los, trok hem de laarzen uit, legde zijn hoofd wat hooger op, en zoo lieten wij hem verder uitslapen, keerden weer naar tafel terug en maakten het ons dien avond verder zeer vroolijk, zonder dat er dronkenschap bij te pas kwam.Den volgenden morgen wachtte ik hem op. Hij had erg het land, toen hij mij vóór zich zag, denkende dat het mijne bedoeling was hem op eene of andere wijze zijne dronkenschap onder het oog te brengen; doch dit lag niet in mijne plannen. Ik vroeg hem, hoe hij zich gevoelde, en betuigde mijn leedwezen, dat onze vroolijkheid zoo verstoord was geworden.Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen.Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen.Pag. 198.»Wat bedoelt gij, mijnheer? Wilt gij daarmede soms zeggen, dat ik niet nuchter was?”»Geenszins, sir,” zeide ik; »maar weet u wel, dat u in het midden van een aangenaam en onderhoudend gesprek een toeval gekregen hebt en van uw stoel zijt gevallen?—Zijt gij meer aan zulke toevallen onderhevig?”»Ja, mijn waarde, dat is zoo; maar de laatste maal, dat dit mij overviel, was zoo lang geleden, dat ik zeker dacht, dat ik er van genezen was. Ik ben er viermaal voor verpleegd moeten worden, en ongelukkig juist altijd dan, wanneer ik in de termen van zekere bevordering viel.”Daarop gaf hij mij vergunning om dien dag, als ik wilde, aan den wal te blijven. Ik bewonderde zijne slimheid om dadelijk dien wenk van het toeval te begrijpen en zich ten nutte te maken; zoodra ik hem verlaten had, stond hij op, ging aan boord en liet twee matrozen voor den rooster afstraffen, omdat zij den vorigen avond dronken waren geweest.Ik verzuimde niet al wat er voorgevallen was aan mijne kameraden mede te deelen, en weinige dagen later zeilden wij naar Barbados. Den eersten Zondag in zee at de commandant in de longroom bij de officieren. Spoedig verviel hij weer in zijn gewone doen van liegen en bluffen, tot groote ergernis van onzen dokter, die een lichtgeraakte, jonge Welschman was. Bij dergelijke gelegenheden verzuimde deze nooit den commandant bespottelijk te maken, door op het eind van elk dwaas verhaal een paar woordjes van toepassing te zeggen; maar hij had den slag om dit zoo deftig en bescheiden te doen, dat iemand, die hem niet kende, gedacht zou hebben, dat hij in ernst sprak. De overste herhaalde zijne vertelling van het korps poedelhonden, die gedresseerd waren om de granaten onschadelijk te maken. »Ik hoopte toen,” zeide hij, »dat men bij ons ook zoo’n korps zou opgericht hebben; en als ik er dan de chef over geweest was, zou ik gauw een kruisje op de borst hebben gekregen.”»Dat zou dan zeker het hondenkruis geheeten hebben,” zeide de dokter zeer vroolijk.»Verplicht, dokter,” zeide de commandant, »niet kwaad bedacht; die zal ik u betaald zetten.”Wij lachten, de dokter trok een effen gelaat, en de overste keek wat boos, maar hij ging door met liegen en, als het zoo te pas kwam, dan sleepte hij er Sir Sydney Smith bij, om er meer schijn van waarheid aan te geven. »Als gij twijfelt, vraag het dan maar aan Sir Sydney Smith: die zal u zesendertig uren lang in één adem van Acre vertellen; zijn bootsman had er op ’t laatst zoo genoeg van, dat hij hem den bijnaam bezorgde van Lang-Acre.”De dokter kwam er ditmaal niet zonder kleerscheuren af. Werkelijk zette de commandant hem zijne hatelijkheid betaald, maar op eene andere hatelijke wijze. Den volgenden morgen namelijk het geklop van een hamer in eene der officiershutten hoorende, vroeg hij naar de reden en vernam, dat de dokter van den baas timmerman spijkers en eene reep zeildoek gekregen had, om een naad van het bovendek, die juist boven zijne kooi lekte, te verzekeren.Uit plaaglust verbood hij, dat dit voortgang zou hebben, bewerende dat zoo iets nog nooit vertoond was, een dokter die het schip repareerde. »Repareer maar wat beter en vlugger uwe zieken,” riep hij hem toe; »daarvan schijnt gij zoo weinig verstand te hebben, dat ik er dien bij te komen.” Werkelijk liet hij al de zieken naar boven komen en aan elk eenige slagen toedienen, om zooals hij zeide, den bloedsomloop te bevorderen en er wat leven in te brengen.Menige arme, werkelijk zieke, heb ik op die wijze onbarmhartig zien slaan. Het verwondert mij, dat de bemanning zich nooit aan den wreedaard vergreep en hem overboord smeet; ik geloof werkelijk, dat zij het gelaten hebben uit eerbied en genegenheid voor de overige officieren alleen. Nauwelijks waren wij in het blauwe water, zooals hij het noemde—waar de diepte niet meer te looden was—of zijne streken begonnen eerst recht, en zij hielden niet op vóór wij in Carlisle-baai kwamen. Officieren en matrozen werden op denzelfden voet behandeld, en er was geen verhaal op, omdat niemand hem durfde aanklagen. In zijn mond lag bestorven: »Houd zeelui aan het werk, en gij weert den duivel uit hun hoofd; alle hens dag en nacht wacht doen.”»Niemand,” zeide Jacky (zoo noemden wij hem), »zal bij mij aanboord het brood der luiheid eten; werk houdt de spieren lenig van die luie schurken.”Nooit werd in de eerste drie weken aan iemand van de officieren en van het volk over dag vergund een wacht omlaag door te brengen. Zij waren doodvermoeid, uitgeput, en in het schip begon een zeer ontevreden, oproerige geest te heerschen. Een van de beste matrozen zeide hardop, zoodat de commandant het hooren kon: »Zoolang het schip in zee is, ben ik nog geen drie wachten beneden deks geweest.”»En als ik dat geweten had,” zeide de commandant, »dan zou ik er een stokje voor gestoken hebben;” waarop hij alle hens voor den boeg liet komen en den ontevredene vier dozijn liet geven.Wanneer hij zijne matrozen liet ranselen, wat gewoon dagwerk was, verzuimde hij nooit hun hunne ondankbaarheid te verwijten en zijne eigene toegevendheid hemelhoog te verheffen.»Er is geen enkeloorlogsschipin dienst, waar jelui beestentuig zoo goed behandeld wordt. Al wat er hier te werken is, bestaat in: het schip schoon en de raas vierkant te houden, victualie in te nemen en die op te eten, grog over te hijschen en die op te drinken, en de ledige vaten weer overboord te zetten; maar de hemel zou niet in staat zijn het zoo’n bende onbekwame, verd.... ontevreden schurken naar den zin te maken.”Zijn taal tegen de officieren was verre beneden alles wat men zou kunnen verwachten uit den mond van een menschelijk wezen te hooren. Eens had de master zijn ongenoegen opgewekt; toen vertelde hij rondweg aan den armen man, dat hij naar de hel kon loopen.»Ik hoop, commandant,” zeide de master, »dat ik evengoed kans heb als u om in den hemel terecht te komen.”»Gij in den hemel!” zeide de overste, »gij in den hemel! Laat ik u daar snappen, en ik kom er u schoppen.”Dit was inderdaad toch al te ver. Maar wij werden weerhouden onze gevoeligheid over die lastertaal te toonen, doordien wij ons intijds herinnerden, dat hij aan niets geloofde, en dat zijn denkbeeld van den hemel verwezenlijkt werd door die kleine kamer in de Star and Garter, met een goed vuurtje, grog zooveel hij slechts verlangde en de noodige pijpen en tabak.Een eigenlijke tafel hield hij niet, wijn dronk hij alleen, als hij met ons at; maar trouw iederen avond bedronk hij zich, in meerdere ofmindere mate, aan den scheeps sterken drank in zijne eigene kajuit. Daardoor was hij ’s avonds altijd erg ongemakkelijk. Onze eenige wraak bestond in het Zondags, als hij bij ons dineerde, lachen om zijn monster-leugens. Eens op een nacht kwam zijn hofmeester aan den adelborst van de wacht vertellen, dat hij in zijn kajuit, stom dronken op den grond lag. Dit werd daarop aan mij overgebracht, en ik besloot daarvan gebruik te maken. Ik liet mij naar de kajuit zakken, gevolgd door den adelborst der wacht, den kwartiermeester en twee van de geschiktste matrozen; nadat wij den waterdrinker op zijn bed neergelegd hadden, maakte ik van den datum en de namen der getuigen eene verklaring naar waarheid op, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij met het schip bij den admiraal zouden komen.Den volgenden dag meende ik op te merken, dat hij eenig vermoeden had van hetgeen er gebeurd was en van mijne behandeling, en bijna liep dit tot mijn ongeluk uit. Er woei een frissche passaatwind en het schip slingerde zwaar, toen hij last gaf de waarlooze rondhouten, die op de barring lagen, te ontsjorren en opnieuw vast te maken. Dit was hoogst gevaarlijk en onzinnigen-werk; doch in weerwil van de hem gemaakte opmerkingen, bleef hij volhouden, dat het gebeuren moest. De ernstige gevolgen bleven niet uit. Nauwelijks was de sjorring los, of eene waarlooze steng slingerde naar beneden en doodde een der matrozen. Dit zou reeds erg genoeg geweest zijn, maar de duivel wilde, dat er dezen dag nog meer zou voorvallen. De rondhouten kwamen weer vast, en toen werd er bevel gegeven om het stengewant aan te zetten, dat, aangezien het schip steeds hevig slingerde, nog wel zoo gevaarlijk en nutteloos was als het voorgaande werk. Weder was hij er tegen gewaarschuwd, doch vruchteloos; de gasten waren er nog geen tien minuten voor boven, toen een hunner overboord viel. Hoe ik er toe kwam mijn leven opnieuw te wagen, na hetgeen er op de vorige reis gebeurd was, weet ik niet te zeggen. Misschien was het mijne ijdelheid over hetgeen ik te water kon doen. In de hoop van dit ongelukkige slachtoffer van de dwaasheid en wreedheid van den commandant te zullen redden, sprong ik hem in zee na, bijna overtuigd, dat ik een soort van zelfmoord beging. Ik pakte den drenkeling en hield hem een tijdlang boven water; en had men aan boord slechts de meest gewone oplettendheid en zeemanschap aan den dag gelegd, dan zou ik hem ook zeker gered hebben. Maar mijn brave overste, bemerkende dat ik ookoverboord was, scheen de gelegenheid die zich voordeed aan te grijpen om op een fatsoenlijke (?) wijze van mij af te komen: hij deed zijn uiterste best om te verhinderen, dat er vlug eene sloep op ons werd afgezonden. De arme matroos was uitgeput: ik hield mij, rondom hem blijvende zwemmen, zooveel mogelijk vrij in mijne bewegingen, alleen helpende, als hij dreigde te zinken; doch op het laatst, ziende dat hij reddeloos verloren was en wij samen reeds vrij diep onder de oppervlakte waren geraakt, kon ik niet anders dan hem aan zijn lot overlaten; ik zette mijne voeten op zijne schouders tot steun om zelf weer boven te kunnen komen en werd, doodelijk vermoeid en flauw van de inspanning, een halve minuut later, nog even bijtijds door eene sloep opgevischt.Het dralen, om het schip in den wind op te laten loopen, schreef ik toe aan mijne tegenwoordigheid bij de scène van den vorigen avond; dit vermoeden werd in mij versterkt door de getuigenis der andere officieren. Twee man verloren hebbende door zijne roekeloosheid, zou hij er den moedwilligen moord van een derde bij op zich genomen hebben, om zich zoo te vrijwaren voor den straf, die hij begreep dat hem wachtte. Hij ging voort met zich tiranniek aan te stellen, en ik voor mij was vast besloten, om zoodra wij den admiraal zouden ontmoeten, dezen man voor een krijgsraad aan te klagen, er mocht dan van komen wat er wilde; sterk was mijn overtuiging, dat ik, zoowel mijn land als de marine eenen dienst bewees, door zulk een monster voor het vervolg onschadelijk te maken.Aan verscheiden officieren werd arrest opgelegd, en in weerwil der onuitstaanbare warmte hunner hutten in een klimaat als dit, moesten zij daarin blijven met een schildwacht voor de deur. Ten gevolge dezer wreede behandeling werd een van hen dan ook krankzinnig. Wij liepen Barbados in het zicht, en rond kaap Needham in de Carlisle-baai komende, zagen wij tot onze teleurstelling noch hetadmiraalsschip, noch eenig anderoorlogsschipaldaar ten anker, en werd dus onze commandant de oudst aanwezende zeeofficier in de haven. Hierdoor werd hij in eens weder opvallend beminnelijk, hopende dat men ten gevolge van het hierdoor teweeggebrachte uitstel, de tegen hem bestaande grieven wel zou vergeten. Mij vooral behandelde hij met in het oog vallende voorkomendheid; hij hoopte, dat wij aan den wal eenige pret zouden maken; daar de admiraal niet binnen was, zoudenwij diens komst afwachten; hij was voorloopig moede van het zwerven op zee; hij zou al zijn goed mede van boord nemen en zijn anker aan den wal laten vallen, en niet terugkomen, vóór hij het saluut aan de admiraalsvlag hoorde.Noch de eerste officier, noch ik geloofden een enkel woord van hetgeen hij zeide; integendeel wij handelden altijd juist in den geest van het omgekeerde; en in dit geval was dit ook goed gezien geweest. Toen wij ten anker gekomen waren, ging hij naar den wal, doch kwam reeds binnen een uur terug met het bericht, dat de admiraal niet voor de volgende maand verwacht werd, dat hij daarom weer wegging en zijn kwartier opsloeg bij Jemmy Cavan en men hem niet weer aan boord zou zien, vóór de admiraal er was. Daarop verliet hij ons, zijn koffer en al zijn vuil linnengoed medenemende.Enkelen van de officieren geloofden waarlijk nog, dat wij met het schip zouden blijven liggen, en volgden het voorbeeld van den commandant, door hun linnengoed aan wal te zenden om te laten wasschen. Skysail en ik hielden ons goed; de eerste officier knipoogde en zeide: »Kameraad, reken er op, dat er wat in aantocht is. Ik heb maar één hemd aan den wal gestuurd om te laten wasschen; en als dat terugkomt, zal ik een tweede sturen; als ik dan wat achter zeil, is het niet de moeite waard.”Des avonds om tien uren kwam overste Jacky aan boord, zijn koffer en zijn vuile linnengoed weer medebrengende, liet »overal” maken, het anker lichten en wij zeilden Carlisle-baai uit en zee in, terwijl de meeste officieren het grootste deel van hun goed aan den wal hadden. Dit was een van zijne streken. Reeds ’s morgens, toen hij van boord was geweest, had hij de voor hem gereedliggende orders ontvangen; zijn terugkomen toen had alleen de bedoeling ons in de war te brengen en een koopje te geven, en naar ik denk ons, door het gemis van ons goed, te noodzaken even onzindelijk voor den dag te komen, als hijzelf gewoonlijk was; »maar hij hield er zooveel van om het zijne officieren naar den zin te maken.”Zonder dat er iets bijzonders voorviel, kwamen wij te Nassau in New Providence, terwijl de dienst even onaangenaam als altijd doorging. Ik kreeg echter in den regel nog al vergunning om naar den wal te gaan; en, geene kans ziende om den commandant wat redelijker te maken, besloot ik mijn best te doen van het schip af te komen. Hettoeval was mij hierin behulpzaam; had dit mij niet geholpen, dan zou het mij niet licht gelukt zijn. Eens bij het aan wal stappen maakte ik een misstap en raakte tusschen de kade en de sloep in de klem; door den schok brak mij een bloedvat in de borst; de wond had niet veel te beduiden, doch moest toch in dit klimaat met zorg behandeld worden, en ik hield mij, alsof het veel erger was. Men wilde mij naar boord transporteeren, doch ik verzocht om naar een hotel gebracht te worden. Dáár werd ik door den garnizoensdokter behandeld, en dezen had ik verzocht om mijn ziektegeval ernstig voor te stellen. De commandant kwam mij eens opzoeken—ik was er naar aan toe—met een medelijden, dat denken deed aan dat van den Groot-Inquisiteur, die zijn slachtoffer genezen wil om hem voor verdere pijnigingen beschikbaar te hebben. Toen het tijd voor ons schip was, om naar zee te gaan, werd van mij gerapporteerd, dat ik te ziek was om vervoerd te kunnen worden. Vast besloten, dat ik mede zou gaan, stelde hij het vertrek uit. Ik ging vooruit, het verslag van den dokter was gunstiger; toch had ik niets geen zin om naar boord te gaan. De commandant zond mij een allervriendelijkste boodschap: als ik niet dadelijk kwam, zou hij eene wacht mariniers zenden om mij te halen. Daarop kwam hijzelf en dreigde mij. Maar op dat oogenblik had ik hem zonder getuigen en vertelde hem vierkant weg, dat als hij er op stond om mij aan boord te hebben, het tot zijn eigen groot nadeel zou zijn, want dat ik vast besloten was, hem voor een krijgsraad te dagen wegens dronkenschap en handelingen beneden de waardigheid van een officier, zoodra wij bij den admiraal zouden zijn aangekomen. Ik wees hem op den toestand, waarin ik hem aan boord had aangetroffen. Ik haalde zijne godslasteringen eens weer op en het schandelijke gedrag, waardoor hij twee man verloren had. Vreemd zag hij mij aan en beproefde uitleggingen te geven; ik bleef op mijn stuk staan, en hij »haalde bakzeil,” ziende dat hij in mijn macht was.»Welnu dan, mijn waarde,” zeide Jacky, »nu gij toch zoo erg ziek zijt,—het spijt mij dat ik u missen moet,—dien ik er wel in toe te stemmen, dat gij achterblijft; het zal mij moeielijk vallen u te vervangen, maar daar het welzijn en geluk mijner officieren steeds mijne hoofdzorg is, wil ik dan maar liever zelf dit bezwaar ondervinden.” Zoo sprekende, stak hij mij zijn hand toe, die ik zonder leedwezen drukte, oprechtelijk hopende hem nimmer weer te zien noch hier, noch hier namaals.Een tijd later kwam hij toch voor een krijgsraad, wegens herhaalde dronkenschap en wreedheid, en werd voor goed uit den dienst ontslagen.Ik moet, na dit vrij uitvoerig verslag van de eigenaardigheden van den overste G——, wel bepaald de verzekering geven, dat reeds in dien tijd zulke karakters in den zeedienst hoogst zeldzaam voorkwamen. Hierboven deed ik hem reeds als een zonderling uitkomen.Het pressen en het groot gebrek, dat er bestond aan officieren bij het uitbreken van den oorlog, hadden hem in de gelegenheid gesteld om luitenant ter zee te worden; door den admiraal in zijn zwak aan te tasten, maakte hij bevordering, door de admiraliteit plat te loopen en op zijne lange dienstjaren te wijzen, gelukte het hem het bevel over een brik te krijgen. De dienst werd zeer benadeeld door mannen, die vóór de mast waren opgeleid, onder den état-major op te nemen; daardoor verkreeg men tweeërlei soort van officieren in de marine,—namelijk die van goede afkomst en familie, die daardoor eene goede opvoeding hadden genoten, en die, welke om zoo te zeggen door de kluisgaten aan boord waren gestapt. De eersten waren in hunne jeugd door gunstbetoon zoover gekomen en leerden nooit behoorlijk hunne plichten kennen, de laatsten bewezen, op weinige uitzonderingen na, naarmate zij in rang verhoogd werden, hunne ongeschiktheid voor hunnen stand door gebrek aan opvoeding. Beide deze verkeerdheden zijn thans weggenomen; en daar alle jongelieden, om in dienst te komen, een geregelde opleiding moeten hebben en dus van een fatsoenlijke afkomst zijn, is er eene scheidsmuur gevormd, die tot eenen zekeren graad gunstbetoon buitensluit, maar zeker de toelating verhindert van menschen van het gehalte van overste G——.
Toen de commandant te voorschijn kwam, was hij in de meest beminnelijke stemming. Nauwelijks zag hij mij, of hij zeide: »Zóó mag ik het zien; kom nooit over uw tijd, zelfs geen vijf minuten. Nu ik zien kan, dat gij vertrouwen verdient, kunt gij, zoodra gij wilt, weer van boord gaan.”
Dit gezegde zou goed en wel geweest zijn voor iemand van vóór den mast; maar tot een officier gericht, vond ik het aanmatigend en onfatsoenlijk.
De hofmeester had in de longroom het ontbijt klaargezet, bestaande in biefstuk en gebraden zwezeriken met gebakken uien; en de geur daarvan steeg door den koekoek naar boven en streelde het reukorgaan van onzen commandant. Aan vriendschappelijke praatjes geen gebrek; hij leunde op de kap en zeide, naar beneden ziende:
»Het ziet er daar lang niet slecht uit, omlaag!” De wenk werd begrepen en de eerste officier noodigde hem uit om mede te doen.
»Och zou ik het doen; ik heb niet veel trek.”
Zoo zeggende was hij in een oogwenk de trap af, daar hij vreesde, dat de lekkerste beetjes weg zouden zijn, vóór hij aan den slag kwam. Wij volgden hem, en zoodra hij gezeten was, zeide hij:
»Ik vertrouw, mijne heeren, dat dit niet de laatste keer is, dat ik in de longroom zal zitten en dat ook gij van uwen kant mijne kajuit als uwe eigene zult willen beschouwen. Ik maak het mijne officieren gaarne naar den zin; niets is aangenamer dan een schip, waar eene goede geest heerscht, en waar ieder matroos en jongen gereed is om voor zijne officieren de hel in te gaan. Dat noem ik goede kameraadschap,—geven en nemen. Ziet elkaars gebreken door de vingers, en het zal iedereen leed doen, als de tijd van scheiden daar is. Ik vrees echter, dat ik niet lang bij u zal zijn; want ofschoon ik bijzonder op de brik gesteld ben, hebben de hertog van N—— en lord George —— den eersten lord een afgedrieduiveld standje gemaakt, dat ik niet eerder bevorderd ben; en, onder ons gezegd en gebleven,—mijne bevordering wacht mij te Barbados.
De eerste officier knipoogde; maar dit ging niet zoo spoedig in zijn werk, of de commandant had er een glimp van opgevangen, vóór het weer middenin, op de biefstuk en uien gericht was. Maar het ging zonder opmerking voorbij.
»Een prachtig stukje vleesch, dit! Mag ik u even lastig vallen om de saus en wat mosterd. Wij zullen eens een pretje hebben, als wij in zee zijn; maar wij moeten eerst het blauwe water hebben; dan is het rustiger met de bezigheden. Van biefstuk bakken gesproken,—toen ik in Egypte was, plachten wij onzen biefstuk op de rotsen te bakken: geen kwestie van vuur, de thermometer op 200°, heet als de hel! Ik heb eens vier duizend man te gelijk voor het heele leger, zooveel als twintig à dertig duizend pond vleesch zien braden, alles siste en knapperde te gelijk: juist op het middaguur, dat spreekt vanzelf, en geen vonkje vuur! Enkele van de soldaten, die voor glasblazer te Leith waren grootgebracht, zwoeren dat zij nog nooit zoo’n hitte hadden bijgewoond. Ik ging gewoonlijk eens onder de lij staan, om mijn neus te goed te doen en aan Oud-Engeland te denken! O, dat is toch maar je landje, waar iedereen mag zeggen en denken wat hij wil!—Maar dit soort werk kon niet lang duren, dat begrijpt ge; zij braadden zich allemaal, binnen drie of vier weken, de oogen uit het hoofd! Ik had ziek te bed gelegen, want ik behoorde tot het 72ste regiment, zeventien honderdman sterk (ik had een partij matrozen bijmij); maarde oogziekte maakte zulke verwoestingen, dat het heele regiment, de kolonel niet uitgezonderd, stekeblind werd, op één korporaal na! Gij moogt vreemd opkijken, heeren, maar het is echt waar. Nu, die korporaal was goed af; het was zijn dienst het gansche regiment naar het drinkwater te geleiden: hij ging voorop, en twee of drie hielden aan weerskanten de slippen van zijn mouwvest vast; dezen werden weer door even zooveel anderen vastgehouden, en zoo marcheerden zij achter elkaar aan, om aan de bron hunnen dorst te gaan lesschen. Zoo liet deze korporaal zijn regiment drinken, als een staljongen zijne paarden, in eene marschorde uitgespreid als de staart van een pauw.”
»Waarvan de korporaal het lichaam was,” viel de dokter hem in de rede.
De commandant keek een beetje strak.
»Vondt u het warm in dat land?” vroeg de dokter.
»Warm!” riep de commandant uit. »Ik zal u wat zeggen, dokter: als gij gaat, waar gij zoo menigen patiënt hebt heengezonden, en om die reden zeker zelf belanden zult, dan hoop ik voor u en voor uw beroep in het algemeen, dat gij het er niet zoo heet hebben zult, als wij het in Egypte vonden. Hoe vindt gij het, dat negentien van mijn manschappen gedood zijn, doordien een bundel lichtstralen op de pannen van de blinkende geweren der schildwachten viel en het kruit deed ontvlammen? Ik commandeerde bij Acre eene mortier-batterij en ik poederde de Franschen, altijd als zij achter hun middagmaal zaten, met een regen van granaten; maar wat denkt ge dat de beestener op ’t laatst op uitgevonden hadden? Zij dresseerden een hoop poedelhonden om op de granaten te passen, die neervielen, dan er op toe te vliegen en met hunne tanden de brandende lont er uit te trekken. Hebt gij ooit van zoo iets gehoord? Hierdoor redden zij honderden manschappen en verloren slechts een half dozijn honden,—het is een feit, waarachtig; vraag het maar aan sir Sidney Smith; die zal het u net precies zóó vertellen, en een bl.......... boel er bij.”
De stroom zijner welbespraaktheid werd alleen geëvenaard door zijne vlugheid van vinding en zijn kauwvermogen; want zoolang dit onderhoudende monodrama duurde, deden zijne tanden druk dienst als de zuigerstang op eene stoomboot; en daar hij zoowel onze commandant als onze gast was, genoot hij het leeuwenaandeel van ons maal.
»Maar, iets anders, Soudings,” zeide hij zich gemeenzaam wendende tot den master, die nog pas kort aan boord was, »laat eens zien wat gij in het voorruim hebt gestuwd. Gij weet, ik ben een waterdrinker; geef mij maar van dien zuiveren kost, en ik ben door een kind te leiden. Zelden zal ik sterken drank nemen, als het water goed is.” Zoo zeggende, schonk hij zich een glas vol en hield het onder den neus. »Het stinkt! Zeg master, zijt gij er zeker van, dat de sponsen op de vaten zitten? De katten zijn er bij geweest. Hierin moet voorzien worden.” En de helft van het water weggegooid hebbende, vulde hij het glas met rum aan. Toen proefde hij weer, zeggende: »Kom, juffrouw poes, dat zal u in allen gevalle onschadelijk maken.”—Het water was inderdaad onberispelijk.
Hij wachtte een oogenblik, terwijl hij het glas voor de oogen hield, en toen ging het naar binnen, geene andere uitwerking hebbende dan een diepen zucht. »Komaan, dat is goed bedacht: wij willen geen katten meer in het schip hebben (behalve natuurlijk die (de cat), welke de verdorven menschelijke aard voor den bootsman onmisbaar maakt). Mr. Skysail wees zoo goed en zorg daar eens voor. Zij moeten allen overboord.”
Zijn hoed opvattende, stond hij van tafel op, en op weg naar boven, zeide hij: »Bij nader inzien is het toch maar beter om de katten niet overboord te gooien; de zeilen hebben een dwaas bijgeloof ten opzichte van die beesten,—het is verd.... ongelukkig. Neen, laat ze maar levend in een broodzak doen en met de ververschingssloep naar den wal brengen.”
Mij herinnerende, dat het afgesproken diner met mijne vrienden vandaag moest plaats hebben, en indachtig aan de toezegging van den commandant, dat ik aan den wal kon gaan, wanneer ik wilde, meende ik dat het voldoende was om te zeggen, dat ik ging,—om daardoor de noodige beleefdheid tegen mijnen meerdere in acht te nemen. Met eene bescheiden zekerheid ging ik daarom naar hem toe en gaf hem kennis van mijne afspraak en mijn voornemen.
»Op mijne eer, sir,” riep hij hard uit, de armen in de zijde zettende en mij vierkant in ’t gezicht ziende, »gij houdt er geen klein beetje assurantie op na; nauwelijks aan boord of gij vraagt om weer naar den wal te gaan en te gelijk hebt gij de onbeschaamdheid mij, terwijl gij weet, dat ik die ondeugd zoo verfoei, mede te deelen, dat gij voornemens zijt met eene partij uwe promotie te vieren, dus beestachtigdronken te worden en anderen even slecht te maken als gijzelf zijt. Neen, mijnheer; ik wil hebben, dat gij eens vooral weet dat ik, als kapitein van mijn schip en zoolang ik de eer zal hebben dat te commandeeren, demagister morumben.”
»Ik was juist op weg om daarop te komen, commandant,” zeide ik, »toen u mij in de rede vielt. Wetende hoe moeielijk het is om jongelui bedaard te houden, zonder de tegenwoordigheid van iemand, voor wien zij respect gevoelen en tegen wien zij als een voorbeeld opzien, was het mijn plan u te vragen om ons met uw gezelschap te vereeren. Niets, zou volgens mijn inzien, zoo zeker elke neiging tot onbehoorlijke uitspatting tegengaan!”
»Wel, daar spreekt gij als een kind dat ikzelf groot gebracht heb,” antwoordde overste G——; »ik had niet gedacht, dat gij zoo verstandig waart. Het is verre van mij af om iets tegen gepaste vroolijkheid te hebben. Een mensch is altijd een mensch; geef hem alleen het strikt noodzakelijke voor zijn bestaan, en hij staat gelijk met een hond. Een beetje pret bij zoo’n gelegenheid is niet alleen billijk, maar zelfs aan te bevelen. De gezondheid van een goeden koning als de onze,—God zegene hem!—behoort altijd met een glas goeden wijn gedronken te worden, en daar gij zegt, dat het een uitgezocht gezelschap is, en de aanleiding: het vieren van uwe benoeming, zoo zal ik geen bezwaar hebben te komen en mede te doen; maar denk er om, niet zwaar drinken—alles in den vorm—en ik zal niet alleen mijn best doen, om de jonge heethoofden bedaard te houden, maar tevens naar mijn beste vermogen tot de vroolijkheid van den avond bij te dragen.”
Ik dankte hem voor zijne welwillendheid. Hij gaf toen eenige orders aan Skysail, den eersten officier, en verzoekende om voor hem de giek te doen gereedmaken, bood hij mij aan, met hem naar den wal te gaan.
Dit was inderdaad een gunstbetoon, dat nog nooit aan boord aan een der officieren was bewezen, en iedereen kwam dan ook boven, om het te zien. De eerste officier knipoogde, alsof hij daarmede zeggen wilde: »Dat loopt te hard van stal,—dat kan nooit duren.” Hoe het zij, wij roeiden met de giek weg, naar den wal toe. Daar de stroom de haven uitliep, passeerden wij rakelings de ton van de Boyne.
»O, hoe goed herinner ik mij dat oude schip! Ik was er adelborstop, toen het in de lucht vloog. Ik was met de seinen belast en juist bezig om het noodsein aan te slaan, toen ik opvloog. Hemel en hel! ik dacht, dat ik nooit weer beneden zou komen.”
»Zoo, commandant!” zeide ik, »ik heb altijd gedacht, dat er op dat oogenblik niemand aan boord was.”
»Niemand aan boord!” herhaalde de overste, mij met opgetrokken bovenlip aanziende. »Hoe komt gij daaraan?”
»Ik heb het gehoord van een commandant, onder wien ik in Amerika gediend heb.”
»Zeg dan aan dien ouden commandant van je, met mijne groeten, dat hij er niets van weet. Niemand aan boord! Wel, verd.... mijnheer, de bak stond vol menschen, als schapen op een hoop gedrongen, en allen tegen mij om hulp schreeuwende. Ik riep ze toe, dat zij naar de hel konden gaan,—en juist op dat moment gingen wij zoo stellig als iets. Ik werd bewusteloos opgepikt, zooals ik later vernam, ergens in Stokesbaai, en naar het Haslar-hospitaal vervoerd, waar ik drie maanden voor zoo goed als dood gehouden werd—en er geen woord bij mij uitkwam. Eindelijk werd ik beter; en het eerste, wat ik deed, was eene sloep te nemen, naar de plaats van de ramp te varen, het voorruim van mijn oude schip in te duiken en achter naar de broodkamer te zwemmen.”
»En wat zaagt gij daar, commandant?”
»O, niets dan hoopen menschelijke geraamten en overvloed van wijtings, die hen tusschen de ribben door zwommen. Ik bracht mijn oud quadrant mede uit de stuurboordsdekhut, waar ik bezig was het schoon te maken, toen het alarmsein gegeven werd. Ik vond het op tafel liggen op dezelfde plaats, waar ik het achterliet. Ik zal nooit vergeten wat een d.....schen bons wij tegen de oude Queen Charlotte gaven met onze bakboordsbatterij; zij kreeg elk schot binnen en de stukken waren met dubbel schroot geladen. Wat bl..... ik geloof, dat wij minstens honderd man buiten gevecht stelden.”
»Wel, overste,” zeide ik, »ik heb altijd gemeend, dat zij bij die gelegenheid maar twee man verloor.”
»Wie heeft u dat nu weer wijsgemaakt?” zeide overste G..... »Zeker uw oude commandant?”
»Ja, overste,” zeide ik; »hij was er adelborst aan boord.”
»Hij kan opd....” zeide de commandant; »ik weet zeker, dat er driebarkasladingen met lijken uitgehaald zijn en naar het hospitaal gebracht, om begraven te worden.”
Daar de giek intusschen de landingsplaats bereikte, kreeg deze volleerde leugenaar tijd om adem te scheppen; werkelijk begon ik ongerust te worden, dat hij zijn voorraad leugens vóór het diner zou uitgeput hebben, zoodat er aan het dessert niets meer zou zijn. Toen wij uitstapten, ging hij naar zijn oude kwartier in de Star and Garter, en ik naar de George. Bij het scheiden herinnerde ik hem, dat zes uren het klokje was.
»Maak u niet bezorgd,” zeide hij.
Ik had mijn gezelschap bijeen, vóór hij er bij was, deelde mijnevriendenmede, dat het mijn plan was hem dronken te maken, en verzocht hun mij daarin te helpen, wat zij beloofden. Als ik hem eens zoover zou gekregen hebben, was ik er zeker van, dat er een eind zou zijn aan alle toekomstige redeneeringen ten gunste der matigheid. Mijne kameraden, volkomen begrijpende met welk soort van man zij te doen hadden, betoonden hem bij zijn binnentreden de meest vleiende bewijzen van eerbied. Ik stelde hen allen op de meest plechtige wijze aan hem voor, ze een voor een bij hem brengende, zooals eene presentatie aan het hof plaats vindt. Zijne vroolijkheid had het hoogste punt bereikt; door ieder afzonderlijk en op den onderdanigsten toon werd hem de eer verzocht, een glas wijn met hem te mogen drinken; met de meeste vriendelijkheid verwaardigde hij zich dit de geheele tafel te vergunnen.
»Dat is prachtige zalm, deze,” zeide de commandant.»Waar haalt Billet die vandaan? O ja, wat dat betreft, hebt gij wel eens gehoord van de gezouten zalm in Schotland?”
Wij antwoordden allen toestemmend.
»Och, gij begrijpt mij niet. Verd.... ik meen niet de doode gezouten zalm; ik meen levende gezouten zalm, in vijvers zwemmende, zoo vroolijk als alen, zoo hongerig als ratten.”
Hierop gaven wij allen onze verwondering te kennen en verzekerden nooit van zoo iets gehoord te hebben.
»Dat dacht ik wel,” zeide hij, »want het is pas kort geleden in dit land ingevoerd, door een bijzonderen vriend van mij, Dr. Mac .....; ik kan mij op dit oogenblik zijn verd.... moeielijken Schotschen naam niet te binnen brengen; hij was een groot chemicus en geoloog, en al dat soort van goed,—een kante kerel, dat verzeker ik u, al lacht gij erom. Wel die kerel, mijnheer, keerde, om zoo te zeggen, de natuur onderstboven. Ik geloof zeker, dat hij zich aan den duivel verkocht had. Wel wat doet hij? Zalm vangen en in de vijvers brengen, en elken dag doet hij er zout, meer zout in, tot de pekel zoo dik als pap was en de visschen hun staart niet meer konden roeren. Toen wierp hij er heele peperkorrels in, een half dozijn ponden te gelijk, zoolang tot er genoeg in was. Toen begon hij aan te lengen met azijn, net zoolang tot de pekel klaar was. De visch had er in ’t begin maar half zin in; maar de gewoonte is eene tweede natuur, en toen hij mij bij zijn vijver bracht, zwommen zij zoo dartel rond als eene school witvisschen. Hij voedde hen met fijngehakte venkel en zwarte peperkorrels. »Kom dokter,” zei ik, »ik geloof niemand op zijn praatjes, ik moet er eerst van proeven.” (Wij zagen elkander eens aan.) »Dat zult gij in een minuut tijds,” zeide hij; hij vischte met een schepnetje een zalm op, en toen ik er met mijn mes in stak, stroomde hem de pekel uit het lijf, als de wijn uit een flesch, en ik had al wel twee pond van het beest op, terwijl hij mij met den staart in het gezicht sloeg. Nooit van mijn leven proefde ik zulke visch. Het is de moeite waard om naar Schotland te gaan, alleen om er levende gezouten zalm te eten. Ik zal, wie uwer lust heeft, een brief voor mijn vriend medegeven. Hij zal d.....sch blijde zijn u te zien, en dan kunt gij u overtuigen. Geloof mij op mijn woord, als gij eens van die soort zalm geproefd hebt, lust gij geen andere meer.”
Wij vonden allen, dat dit wel waar zou zijn.
De champagnekurken vlogen zoo dicht en zoo luid als zijne granaten bij Acre; maar wij hielden ons bijzonder in, ons vooral vermakende met zijn doorslaan; en opmerkende, dat het gesprek meer geanimeerd begon te worden, bracht ik opzettelijk Egypte op het tapijt, door aan een mijner vrienden te verzoeken eene piramide van gelei, die vóór hem stond, klein te maken en aan den commandant te passeeren.
Dit was voldoende; hij begon over Egypte, en naarmate wij hem harder toejuichten, vermeerderden het aantal en de grootte zijner leugens. Jammer, dat er geen snelschrijver bij tegenwoordig was, want deze nieuwerwetsche Münchhausen stond voor niets. »Van het water van den Nijl gesproken,” zeide hij, »herinner ik mij, toen ik eerste officier op de Bellerophon was, dat wij Minorca binnenliepen met een restant van slechts zes ton water, en in minder dan vier uren tijds hadden wij driehonderd en vijftig ton binnen, alles weggestuwd. Ik zette allehens aan het werk. De admiraal zelf stond tot aan zijn hals in het water met al de anderen. »Verd..... admiraal,” zeide ik, »niet wegkruipen.” Wel, den volgenden dag zeilden wij, en zoo’n beest van een wind heb ik nog nooit bijgewoond,—al ons tuig overboord, en wij bijna in de zeeën gesmoord. Een onzer sloepen woei uit de davits en was uit ’t zicht vóór hij het water raakte. Gij kunt er om lachen, maar het was nog niets bij hetgeen de brik de Zwaluw ondervond. Wij zeilden samen; zij wilde er voor gaan lenzen, maar werd, bij Jupiter, twee mijl het land ingewaaid: kanonnen, volk, de heele rommel; den volgenden morgen vonden zij haar, met haar jaaghout, door een kerkraam, in een schilderij vastgestoken.”
Het is moeielijk uit te maken, hoe lang hij nog met al dien onzin zou doorgegaan zijn, maar het begon ons te vervelen; daarom lieten wij de flesch wat drukker rondgaan en hij begon toen in de gemoedelijkheid te vervallen.
»Zeg eens Frank (een hik),” zeide hij, »ge zijt een duivelsche goede kerel; maar dat één-oogige ongeluk zal ik den eersten keer, dat ik hem dronken vind, voor een krijgsraad brengen; ik zal hem aan de ra opknoopen, dan wordt gij mijn eerste officier encustos rottorumverd..... Vertel gij het mij maar de eerste maal, dat hij te veel sterken drank opheeft, en ik zal hem waarnemen, verd.... scheel mispunt van een vent.”
Hier begon zijn denkvermogen aan het dwalen te raken; hij begon in zichzelf te praten en mij met den eersten officier dooreen te haspelen.
»Ik zal hem wel afleeren om aan den haven-admiraal over verlof te schrijven,—die zoon van een zeekok.”
Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen. Bij den derden regel zakte zijn hoofd op de borst; hij gleed van zijn stoel af en rolde verder onder de tafel, waar hij als »lijk” bleef liggen.
Ik had vooraf besloten hem in dien toestand niet over straat te brengen, en daarom had ik gezorgd, dat er in het logement een bed voor hem gereed was, en aan de bel trekkende, gelastte ik een paar bedienden, hem derwaarts te brengen. Ziende, dat hij in veiligheid was, maakte ik zijn halsdoek los, trok hem de laarzen uit, legde zijn hoofd wat hooger op, en zoo lieten wij hem verder uitslapen, keerden weer naar tafel terug en maakten het ons dien avond verder zeer vroolijk, zonder dat er dronkenschap bij te pas kwam.
Den volgenden morgen wachtte ik hem op. Hij had erg het land, toen hij mij vóór zich zag, denkende dat het mijne bedoeling was hem op eene of andere wijze zijne dronkenschap onder het oog te brengen; doch dit lag niet in mijne plannen. Ik vroeg hem, hoe hij zich gevoelde, en betuigde mijn leedwezen, dat onze vroolijkheid zoo verstoord was geworden.
Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen.Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen.Pag. 198.
Hij begon nu langzamerhand best te worden en een matrozenliedje te zingen.
Pag. 198.
»Wat bedoelt gij, mijnheer? Wilt gij daarmede soms zeggen, dat ik niet nuchter was?”
»Geenszins, sir,” zeide ik; »maar weet u wel, dat u in het midden van een aangenaam en onderhoudend gesprek een toeval gekregen hebt en van uw stoel zijt gevallen?—Zijt gij meer aan zulke toevallen onderhevig?”
»Ja, mijn waarde, dat is zoo; maar de laatste maal, dat dit mij overviel, was zoo lang geleden, dat ik zeker dacht, dat ik er van genezen was. Ik ben er viermaal voor verpleegd moeten worden, en ongelukkig juist altijd dan, wanneer ik in de termen van zekere bevordering viel.”
Daarop gaf hij mij vergunning om dien dag, als ik wilde, aan den wal te blijven. Ik bewonderde zijne slimheid om dadelijk dien wenk van het toeval te begrijpen en zich ten nutte te maken; zoodra ik hem verlaten had, stond hij op, ging aan boord en liet twee matrozen voor den rooster afstraffen, omdat zij den vorigen avond dronken waren geweest.
Ik verzuimde niet al wat er voorgevallen was aan mijne kameraden mede te deelen, en weinige dagen later zeilden wij naar Barbados. Den eersten Zondag in zee at de commandant in de longroom bij de officieren. Spoedig verviel hij weer in zijn gewone doen van liegen en bluffen, tot groote ergernis van onzen dokter, die een lichtgeraakte, jonge Welschman was. Bij dergelijke gelegenheden verzuimde deze nooit den commandant bespottelijk te maken, door op het eind van elk dwaas verhaal een paar woordjes van toepassing te zeggen; maar hij had den slag om dit zoo deftig en bescheiden te doen, dat iemand, die hem niet kende, gedacht zou hebben, dat hij in ernst sprak. De overste herhaalde zijne vertelling van het korps poedelhonden, die gedresseerd waren om de granaten onschadelijk te maken. »Ik hoopte toen,” zeide hij, »dat men bij ons ook zoo’n korps zou opgericht hebben; en als ik er dan de chef over geweest was, zou ik gauw een kruisje op de borst hebben gekregen.”
»Dat zou dan zeker het hondenkruis geheeten hebben,” zeide de dokter zeer vroolijk.
»Verplicht, dokter,” zeide de commandant, »niet kwaad bedacht; die zal ik u betaald zetten.”
Wij lachten, de dokter trok een effen gelaat, en de overste keek wat boos, maar hij ging door met liegen en, als het zoo te pas kwam, dan sleepte hij er Sir Sydney Smith bij, om er meer schijn van waarheid aan te geven. »Als gij twijfelt, vraag het dan maar aan Sir Sydney Smith: die zal u zesendertig uren lang in één adem van Acre vertellen; zijn bootsman had er op ’t laatst zoo genoeg van, dat hij hem den bijnaam bezorgde van Lang-Acre.”
De dokter kwam er ditmaal niet zonder kleerscheuren af. Werkelijk zette de commandant hem zijne hatelijkheid betaald, maar op eene andere hatelijke wijze. Den volgenden morgen namelijk het geklop van een hamer in eene der officiershutten hoorende, vroeg hij naar de reden en vernam, dat de dokter van den baas timmerman spijkers en eene reep zeildoek gekregen had, om een naad van het bovendek, die juist boven zijne kooi lekte, te verzekeren.
Uit plaaglust verbood hij, dat dit voortgang zou hebben, bewerende dat zoo iets nog nooit vertoond was, een dokter die het schip repareerde. »Repareer maar wat beter en vlugger uwe zieken,” riep hij hem toe; »daarvan schijnt gij zoo weinig verstand te hebben, dat ik er dien bij te komen.” Werkelijk liet hij al de zieken naar boven komen en aan elk eenige slagen toedienen, om zooals hij zeide, den bloedsomloop te bevorderen en er wat leven in te brengen.
Menige arme, werkelijk zieke, heb ik op die wijze onbarmhartig zien slaan. Het verwondert mij, dat de bemanning zich nooit aan den wreedaard vergreep en hem overboord smeet; ik geloof werkelijk, dat zij het gelaten hebben uit eerbied en genegenheid voor de overige officieren alleen. Nauwelijks waren wij in het blauwe water, zooals hij het noemde—waar de diepte niet meer te looden was—of zijne streken begonnen eerst recht, en zij hielden niet op vóór wij in Carlisle-baai kwamen. Officieren en matrozen werden op denzelfden voet behandeld, en er was geen verhaal op, omdat niemand hem durfde aanklagen. In zijn mond lag bestorven: »Houd zeelui aan het werk, en gij weert den duivel uit hun hoofd; alle hens dag en nacht wacht doen.”
»Niemand,” zeide Jacky (zoo noemden wij hem), »zal bij mij aanboord het brood der luiheid eten; werk houdt de spieren lenig van die luie schurken.”
Nooit werd in de eerste drie weken aan iemand van de officieren en van het volk over dag vergund een wacht omlaag door te brengen. Zij waren doodvermoeid, uitgeput, en in het schip begon een zeer ontevreden, oproerige geest te heerschen. Een van de beste matrozen zeide hardop, zoodat de commandant het hooren kon: »Zoolang het schip in zee is, ben ik nog geen drie wachten beneden deks geweest.”
»En als ik dat geweten had,” zeide de commandant, »dan zou ik er een stokje voor gestoken hebben;” waarop hij alle hens voor den boeg liet komen en den ontevredene vier dozijn liet geven.
Wanneer hij zijne matrozen liet ranselen, wat gewoon dagwerk was, verzuimde hij nooit hun hunne ondankbaarheid te verwijten en zijne eigene toegevendheid hemelhoog te verheffen.
»Er is geen enkeloorlogsschipin dienst, waar jelui beestentuig zoo goed behandeld wordt. Al wat er hier te werken is, bestaat in: het schip schoon en de raas vierkant te houden, victualie in te nemen en die op te eten, grog over te hijschen en die op te drinken, en de ledige vaten weer overboord te zetten; maar de hemel zou niet in staat zijn het zoo’n bende onbekwame, verd.... ontevreden schurken naar den zin te maken.”
Zijn taal tegen de officieren was verre beneden alles wat men zou kunnen verwachten uit den mond van een menschelijk wezen te hooren. Eens had de master zijn ongenoegen opgewekt; toen vertelde hij rondweg aan den armen man, dat hij naar de hel kon loopen.
»Ik hoop, commandant,” zeide de master, »dat ik evengoed kans heb als u om in den hemel terecht te komen.”
»Gij in den hemel!” zeide de overste, »gij in den hemel! Laat ik u daar snappen, en ik kom er u schoppen.”
Dit was inderdaad toch al te ver. Maar wij werden weerhouden onze gevoeligheid over die lastertaal te toonen, doordien wij ons intijds herinnerden, dat hij aan niets geloofde, en dat zijn denkbeeld van den hemel verwezenlijkt werd door die kleine kamer in de Star and Garter, met een goed vuurtje, grog zooveel hij slechts verlangde en de noodige pijpen en tabak.
Een eigenlijke tafel hield hij niet, wijn dronk hij alleen, als hij met ons at; maar trouw iederen avond bedronk hij zich, in meerdere ofmindere mate, aan den scheeps sterken drank in zijne eigene kajuit. Daardoor was hij ’s avonds altijd erg ongemakkelijk. Onze eenige wraak bestond in het Zondags, als hij bij ons dineerde, lachen om zijn monster-leugens. Eens op een nacht kwam zijn hofmeester aan den adelborst van de wacht vertellen, dat hij in zijn kajuit, stom dronken op den grond lag. Dit werd daarop aan mij overgebracht, en ik besloot daarvan gebruik te maken. Ik liet mij naar de kajuit zakken, gevolgd door den adelborst der wacht, den kwartiermeester en twee van de geschiktste matrozen; nadat wij den waterdrinker op zijn bed neergelegd hadden, maakte ik van den datum en de namen der getuigen eene verklaring naar waarheid op, ten einde daarvan gebruik te maken, zoodra wij met het schip bij den admiraal zouden komen.
Den volgenden dag meende ik op te merken, dat hij eenig vermoeden had van hetgeen er gebeurd was en van mijne behandeling, en bijna liep dit tot mijn ongeluk uit. Er woei een frissche passaatwind en het schip slingerde zwaar, toen hij last gaf de waarlooze rondhouten, die op de barring lagen, te ontsjorren en opnieuw vast te maken. Dit was hoogst gevaarlijk en onzinnigen-werk; doch in weerwil van de hem gemaakte opmerkingen, bleef hij volhouden, dat het gebeuren moest. De ernstige gevolgen bleven niet uit. Nauwelijks was de sjorring los, of eene waarlooze steng slingerde naar beneden en doodde een der matrozen. Dit zou reeds erg genoeg geweest zijn, maar de duivel wilde, dat er dezen dag nog meer zou voorvallen. De rondhouten kwamen weer vast, en toen werd er bevel gegeven om het stengewant aan te zetten, dat, aangezien het schip steeds hevig slingerde, nog wel zoo gevaarlijk en nutteloos was als het voorgaande werk. Weder was hij er tegen gewaarschuwd, doch vruchteloos; de gasten waren er nog geen tien minuten voor boven, toen een hunner overboord viel. Hoe ik er toe kwam mijn leven opnieuw te wagen, na hetgeen er op de vorige reis gebeurd was, weet ik niet te zeggen. Misschien was het mijne ijdelheid over hetgeen ik te water kon doen. In de hoop van dit ongelukkige slachtoffer van de dwaasheid en wreedheid van den commandant te zullen redden, sprong ik hem in zee na, bijna overtuigd, dat ik een soort van zelfmoord beging. Ik pakte den drenkeling en hield hem een tijdlang boven water; en had men aan boord slechts de meest gewone oplettendheid en zeemanschap aan den dag gelegd, dan zou ik hem ook zeker gered hebben. Maar mijn brave overste, bemerkende dat ik ookoverboord was, scheen de gelegenheid die zich voordeed aan te grijpen om op een fatsoenlijke (?) wijze van mij af te komen: hij deed zijn uiterste best om te verhinderen, dat er vlug eene sloep op ons werd afgezonden. De arme matroos was uitgeput: ik hield mij, rondom hem blijvende zwemmen, zooveel mogelijk vrij in mijne bewegingen, alleen helpende, als hij dreigde te zinken; doch op het laatst, ziende dat hij reddeloos verloren was en wij samen reeds vrij diep onder de oppervlakte waren geraakt, kon ik niet anders dan hem aan zijn lot overlaten; ik zette mijne voeten op zijne schouders tot steun om zelf weer boven te kunnen komen en werd, doodelijk vermoeid en flauw van de inspanning, een halve minuut later, nog even bijtijds door eene sloep opgevischt.
Het dralen, om het schip in den wind op te laten loopen, schreef ik toe aan mijne tegenwoordigheid bij de scène van den vorigen avond; dit vermoeden werd in mij versterkt door de getuigenis der andere officieren. Twee man verloren hebbende door zijne roekeloosheid, zou hij er den moedwilligen moord van een derde bij op zich genomen hebben, om zich zoo te vrijwaren voor den straf, die hij begreep dat hem wachtte. Hij ging voort met zich tiranniek aan te stellen, en ik voor mij was vast besloten, om zoodra wij den admiraal zouden ontmoeten, dezen man voor een krijgsraad aan te klagen, er mocht dan van komen wat er wilde; sterk was mijn overtuiging, dat ik, zoowel mijn land als de marine eenen dienst bewees, door zulk een monster voor het vervolg onschadelijk te maken.
Aan verscheiden officieren werd arrest opgelegd, en in weerwil der onuitstaanbare warmte hunner hutten in een klimaat als dit, moesten zij daarin blijven met een schildwacht voor de deur. Ten gevolge dezer wreede behandeling werd een van hen dan ook krankzinnig. Wij liepen Barbados in het zicht, en rond kaap Needham in de Carlisle-baai komende, zagen wij tot onze teleurstelling noch hetadmiraalsschip, noch eenig anderoorlogsschipaldaar ten anker, en werd dus onze commandant de oudst aanwezende zeeofficier in de haven. Hierdoor werd hij in eens weder opvallend beminnelijk, hopende dat men ten gevolge van het hierdoor teweeggebrachte uitstel, de tegen hem bestaande grieven wel zou vergeten. Mij vooral behandelde hij met in het oog vallende voorkomendheid; hij hoopte, dat wij aan den wal eenige pret zouden maken; daar de admiraal niet binnen was, zoudenwij diens komst afwachten; hij was voorloopig moede van het zwerven op zee; hij zou al zijn goed mede van boord nemen en zijn anker aan den wal laten vallen, en niet terugkomen, vóór hij het saluut aan de admiraalsvlag hoorde.
Noch de eerste officier, noch ik geloofden een enkel woord van hetgeen hij zeide; integendeel wij handelden altijd juist in den geest van het omgekeerde; en in dit geval was dit ook goed gezien geweest. Toen wij ten anker gekomen waren, ging hij naar den wal, doch kwam reeds binnen een uur terug met het bericht, dat de admiraal niet voor de volgende maand verwacht werd, dat hij daarom weer wegging en zijn kwartier opsloeg bij Jemmy Cavan en men hem niet weer aan boord zou zien, vóór de admiraal er was. Daarop verliet hij ons, zijn koffer en al zijn vuil linnengoed medenemende.
Enkelen van de officieren geloofden waarlijk nog, dat wij met het schip zouden blijven liggen, en volgden het voorbeeld van den commandant, door hun linnengoed aan wal te zenden om te laten wasschen. Skysail en ik hielden ons goed; de eerste officier knipoogde en zeide: »Kameraad, reken er op, dat er wat in aantocht is. Ik heb maar één hemd aan den wal gestuurd om te laten wasschen; en als dat terugkomt, zal ik een tweede sturen; als ik dan wat achter zeil, is het niet de moeite waard.”
Des avonds om tien uren kwam overste Jacky aan boord, zijn koffer en zijn vuile linnengoed weer medebrengende, liet »overal” maken, het anker lichten en wij zeilden Carlisle-baai uit en zee in, terwijl de meeste officieren het grootste deel van hun goed aan den wal hadden. Dit was een van zijne streken. Reeds ’s morgens, toen hij van boord was geweest, had hij de voor hem gereedliggende orders ontvangen; zijn terugkomen toen had alleen de bedoeling ons in de war te brengen en een koopje te geven, en naar ik denk ons, door het gemis van ons goed, te noodzaken even onzindelijk voor den dag te komen, als hijzelf gewoonlijk was; »maar hij hield er zooveel van om het zijne officieren naar den zin te maken.”
Zonder dat er iets bijzonders voorviel, kwamen wij te Nassau in New Providence, terwijl de dienst even onaangenaam als altijd doorging. Ik kreeg echter in den regel nog al vergunning om naar den wal te gaan; en, geene kans ziende om den commandant wat redelijker te maken, besloot ik mijn best te doen van het schip af te komen. Hettoeval was mij hierin behulpzaam; had dit mij niet geholpen, dan zou het mij niet licht gelukt zijn. Eens bij het aan wal stappen maakte ik een misstap en raakte tusschen de kade en de sloep in de klem; door den schok brak mij een bloedvat in de borst; de wond had niet veel te beduiden, doch moest toch in dit klimaat met zorg behandeld worden, en ik hield mij, alsof het veel erger was. Men wilde mij naar boord transporteeren, doch ik verzocht om naar een hotel gebracht te worden. Dáár werd ik door den garnizoensdokter behandeld, en dezen had ik verzocht om mijn ziektegeval ernstig voor te stellen. De commandant kwam mij eens opzoeken—ik was er naar aan toe—met een medelijden, dat denken deed aan dat van den Groot-Inquisiteur, die zijn slachtoffer genezen wil om hem voor verdere pijnigingen beschikbaar te hebben. Toen het tijd voor ons schip was, om naar zee te gaan, werd van mij gerapporteerd, dat ik te ziek was om vervoerd te kunnen worden. Vast besloten, dat ik mede zou gaan, stelde hij het vertrek uit. Ik ging vooruit, het verslag van den dokter was gunstiger; toch had ik niets geen zin om naar boord te gaan. De commandant zond mij een allervriendelijkste boodschap: als ik niet dadelijk kwam, zou hij eene wacht mariniers zenden om mij te halen. Daarop kwam hijzelf en dreigde mij. Maar op dat oogenblik had ik hem zonder getuigen en vertelde hem vierkant weg, dat als hij er op stond om mij aan boord te hebben, het tot zijn eigen groot nadeel zou zijn, want dat ik vast besloten was, hem voor een krijgsraad te dagen wegens dronkenschap en handelingen beneden de waardigheid van een officier, zoodra wij bij den admiraal zouden zijn aangekomen. Ik wees hem op den toestand, waarin ik hem aan boord had aangetroffen. Ik haalde zijne godslasteringen eens weer op en het schandelijke gedrag, waardoor hij twee man verloren had. Vreemd zag hij mij aan en beproefde uitleggingen te geven; ik bleef op mijn stuk staan, en hij »haalde bakzeil,” ziende dat hij in mijn macht was.
»Welnu dan, mijn waarde,” zeide Jacky, »nu gij toch zoo erg ziek zijt,—het spijt mij dat ik u missen moet,—dien ik er wel in toe te stemmen, dat gij achterblijft; het zal mij moeielijk vallen u te vervangen, maar daar het welzijn en geluk mijner officieren steeds mijne hoofdzorg is, wil ik dan maar liever zelf dit bezwaar ondervinden.” Zoo sprekende, stak hij mij zijn hand toe, die ik zonder leedwezen drukte, oprechtelijk hopende hem nimmer weer te zien noch hier, noch hier namaals.
Een tijd later kwam hij toch voor een krijgsraad, wegens herhaalde dronkenschap en wreedheid, en werd voor goed uit den dienst ontslagen.
Ik moet, na dit vrij uitvoerig verslag van de eigenaardigheden van den overste G——, wel bepaald de verzekering geven, dat reeds in dien tijd zulke karakters in den zeedienst hoogst zeldzaam voorkwamen. Hierboven deed ik hem reeds als een zonderling uitkomen.
Het pressen en het groot gebrek, dat er bestond aan officieren bij het uitbreken van den oorlog, hadden hem in de gelegenheid gesteld om luitenant ter zee te worden; door den admiraal in zijn zwak aan te tasten, maakte hij bevordering, door de admiraliteit plat te loopen en op zijne lange dienstjaren te wijzen, gelukte het hem het bevel over een brik te krijgen. De dienst werd zeer benadeeld door mannen, die vóór de mast waren opgeleid, onder den état-major op te nemen; daardoor verkreeg men tweeërlei soort van officieren in de marine,—namelijk die van goede afkomst en familie, die daardoor eene goede opvoeding hadden genoten, en die, welke om zoo te zeggen door de kluisgaten aan boord waren gestapt. De eersten waren in hunne jeugd door gunstbetoon zoover gekomen en leerden nooit behoorlijk hunne plichten kennen, de laatsten bewezen, op weinige uitzonderingen na, naarmate zij in rang verhoogd werden, hunne ongeschiktheid voor hunnen stand door gebrek aan opvoeding. Beide deze verkeerdheden zijn thans weggenomen; en daar alle jongelieden, om in dienst te komen, een geregelde opleiding moeten hebben en dus van een fatsoenlijke afkomst zijn, is er eene scheidsmuur gevormd, die tot eenen zekeren graad gunstbetoon buitensluit, maar zeker de toelating verhindert van menschen van het gehalte van overste G——.