Elfde hoofdstuk.

Elfde hoofdstuk.Voor dezen nieuwen tocht was inPortsmouthen in Spithead alles druk in de weer. Het krioelde aan den wal van soldaten en in de havens van transportvaartuigen. Ons fregat zou vooruitzeilen; doch onze dappere en beminde commandant werd tot ons leedwezen door een ander vervangen. In het laatst van Juli zeilden wij uit, met twee kanonneerbooten op sleeptouw, die wijzelf moesten bemannen. Van eene daarvan vroeg en verkreeg ik het commando, ten volle zeker dat ik op die wijze meer te doen en een vroolijker leven zou hebben, dan indien ik aan boord van het fregat bleef. Wij konvooieerden een veertig of vijftig transportbooten, die de cavalerie aan boord hadden en brachten deze veilig ter hoogte van Cadzand ten anker.Het weer was prachtig en de zee kalm; geen oogenblik liet men verloren gaan voor het ontschepen van troepen en paarden; het was een aardig gezicht. Eerst werden de ruiters den wal opgebracht met hunne zadels en tuigen; toen gingen de paarden overboord, geheschen in matten, die men dadelijk kon laten slippen, als zij te water waren; als zij zich vrij gevoelden, zwommen zij naar het strand, waar zij luid hinnekende aankwamen. Over den afstand van eene kwart mijl hadden wij te gelijk drie à vier honderd paarden, naar den wal zwemmmende, alwaar hunne ruiters hen ongeduldig stonden op te wachten. Nooit zag ik iets zoo schilderachtigs.De dienst op de kanonneerboot viel mij niet erg mede. Wij moesten, onder voortdurend alarm, bij Bath station houden. Toen later Vlissingen zich overgaf, kregen wij de handen wat ruimer en besteedden toen onzentijd aan de zorg voor onze tafel, welke reeds lang aan verschillende voorname zaken gebrek had gehad. Ons meeste geld hadden wij belegd in champagne en rooden wijn, waarmede wij niet zuinig omsprongen; wij konden bij gevolg maar weinige guldens missen voor den aankoop van hoenders en rundvleesch. Bovendien waren deze artikelen voor geld niet eens te krijgen; wij konden er alleen aan komen langs denzelfden weg, waardoor het geheele eiland Walcheren in ons bezit was geraakt, n.l. door kruit en lood. Het boerenvolk was zeer ruw en vrekkig en niet eens tot ruilhandel genegen; daar wij trouwens ook niets in ruil te geven hadden, bespaarden wij ons de moeite van te onderhandelen. Door eene ongelukkige kortzichtigheid, die ons overviel, zagen wij dikwijls kalkoenen voor fazanten, kippen en hanen voor patrijzen, eenden en ganzen voor hunne wilde stamverwanten aan. Ons geweten had ons verzoend met de vergunning, die wij namen om op dat wild te jagen; onze weitasschen waren ruim als ons geweten,—de nauwkeurigheid van ons schot geëvenredigd aan onzen eetlust.De boeren gingen er spoedig toe over hun pluimgedierte in de hokken te houden en ons in verschillende talen te verwenschen. Het werd nu zeer moeielijk en soms gevaarlijk om uit fourageeren te gaan. Eens met een troepje aan den wal zijnde, had ik bij ongeluk een kogel op mijn jachtroer geladen en schoot evenzeer bij ongeluk een kalf van vier maanden, dat ik voor een hert had aangezien. Dit was eene vergissing, die den beste had kunnen overkomen. Het beest was te zwaar om het zoo mede naar boord te nemen; ergo hakten wij het door midden, niet in de lengte van voren naar achteren, zooals onze stomme slagers doen, maar dwars over de ribben, wat wel zoo gemakkelijk is en het dragen vereenvoudigt. De voorste helft, met kop en al, stopten wij onder den grond voor den volgenden avond, de achterhelft namen wij mede.Onze handeling werd gezien en zoo goed mogelijk nagegaan op eene andere kanonneerboot, waarvan de bemanning alle reden had om even hongerig te zijn als wij; zij wisten een mijner matrozen te pakken te krijgen, die dwaas genoeg was, om ter wille van een pint grog de kat uit den zak te laten. De kerel vertelde waar wij de andere helft gestopt hadden, en dieoneerlijke schavuitengingen er op uit met bedoeling om deze voor zichzelf in te rekenen; maar zij waren niet slim genoeg en liepen er, zeer verdiend voor hunne inhaligheid, leelijk in. De boer, aan wien het kalf toebehoorde, was gewaarschuwd geworden. Hij begreep,dat wij het begraven halve beest zouden komen weghalen en had op die hoogte eenige soldaten in hinderlaag gelegd; dientengevolge werd het volk van de andere boot, die na donker er op uitgingen om den buit te halen, bij het opgraven overvallen, in arrest genomen en met achterlating van het kalfsvleesch, naar het Engelsche hoofdkwartier overgebracht.Terwijl de gevangengenomenen onder beschuldiging van rooverij, waarvan later de waarheid bewezen werd, naar boord van het vlaggeschip werden gezonden, namen wij ons halve kalf zonder stoornis in bezit. Toen bij het onderzoek aan het licht kwam, dat wij eigenlijk de hoofdschuldigen waren, baatte hun dit slechts weinig. Alleen werd toen ook onze boot geïnspecteerd, wat wij voorzien hadden. Tijdig hadden wij het vleesch in een zeildoekschen zak met een lijn er aan overboord in drie vademen water laten zinken; daar bleef het liggen tot het nazoeken was afgeloopen, werd toen opgevischt en maakte, smakelijk toebereid, den hoofdschotel van een flink middagmaal uit, waarbij wij op den voorspoed van ’s konings wapenen te land en ter zee menig glas ledigden.Niet lang daarna werd ik door de Zeeuwsche koortsen aangetast en met een der linieschepen naar huis teruggezonden. Misschien was die ontknooping maar de gelukkigste voor mij, want daar ik mijne oude streken niet zoo gemakkelijk kon afwennen, zou ik mogelijk tot groot verdriet van mijne vrienden en tot teleurstelling van den lezer dezer gedenkschriften, nog vóórdat het tweede meer boeiende gedeelte daarvan beginnen kon, een plotseling einde aan mijn schitterende loopbaan hebben zien maken, door een krijgsraadsvonnis, dat mij naar de galg verwees voor het stroopen op het erf van een Walcherschen boer. Bovendien bleken die Hollanders de vrijheid niet waardig te zijn,—daar zij ons zelfs eenige kippen en een stuk kalfsvleesch misgunden! aan ons, die speciaal waren overgekomen om hen van het juk van den overweldiger vrij te maken! Van Zeeland nam ik niet vele schoone indrukken met mij mede: laag moerassig land, onmogelijk drinkwater, zware mist en nattigheid, alles misschien zeer geschikt voor het volk, dat er woont, maar minder bruikbaar voor een Engelsch gentleman, als er geene Franschen dood te schieten waren, of de vrije jacht gesloten was, wat spoedig plaats vond na de overgave van Vlissingen.Ik keerde thans weer naar mijns vaders huis terug, ten einde door mijne zuster opgepast te worden en de buren verbaasd te doen staan bij het verhaal onzer verwonderlijke heldendaden.Mijn verblijf aldaar duurde echter niet langer dan noodig was om weer op krachten te komen van den ernstigen koortsaanval, waarmede ik aangekomen was. Hoewel mijn vader mij vriendelijk ontving, bleek het mij toch, dat hij het vroeger gebeurde niet geheel en al had kunnen vergeten. Er bleef altijd een soort van wantrouwen bij hem bestaan, dat de innigheid, die onzen omgang had behooren te kenmerken, voortdurend verstoorde.Toen dan ook de dag naderde, waarop ik weer geplaatst was aan boord van een fregat, dat in de Noord-Amerikaansche wateren gestationneerd zou worden, waren beide partijen tevreden.Mijn nieuwe schip werd gecommandeerd door een edelman; en daar te dier tijde de hoogere standen in den zeedienst slecht vertegenwoordigd waren, werd mijne benoeming als een buitenkansje beschouwd. Naar mijne nieuwe bestemming verkreeg ik, met nog een dertigtal andere adelborsten, passage aan boord van een naar de Bermudas bestemd linieschip. Aan ons, die in de bovenrol geplaatst waren, werd de konstabelskamer tot verblijf aangewezen, terwijl de adelborsten van het schip hun eigene voorlongroom met twee aangrenzende hutten behielden.Onder zooveel jongelieden, uiteenloopend van afkomst en bestemming en op verschillende tijdstippen aan boord gekomen, bleek het hoogst moeielijk een goed geordende tafel samen te houden. Spoedig na mijn aankomst vertrokken wij, en zoolang de reis duurde, moesten wij meerendeels van het scheepsrantsoen leven. Het heeft mij altijd verwonderd, hoe aan een bak van tien, twaalf matrozen of mariniers het rantsoen voldoende werd bevonden voor den tijd, dien het duren moest. Met adelborsten, in gelijken getale, kwam dit nooit behoorlijk uit, en hoe talrijker hun tafel was, des te meer was er te kort. Nooit hadden zij genoeg, nooit waren zij tevreden, en had de administrateur er niet een stopper opgezet, dan zouden zij bij den bottelier altijd voor meel, vleesch, spek en drank in het krijt gestaan hebben. Zoo iets is alleen aan groote zorgeloosheid en wanbeheer van de tafel toe te schrijven en bij ons bestond dit in zeer hooge mate. Onze huiselijke regeering was zeer democratisch; doch somtijds had de gamelle-chef weer de grootste macht, die hij òf misbruikte, òf vermoed werd te misbruiken,waarna hij afgezet werd, of wel met tegenzin zijne betrekking zelf nederlegde, als hij die pas een paar dagen had bekleed.De meeste mijner kameraden waren jongelieden, ouder dan ik in dienst, die hun examen reeds achter den rug hadden en naar Amerika medegingen om, aldaar aangekomen, promotie te maken. Hoe het komt, weet ik niet,—misschien omdat de meesten er tengerder dan ik uitzagen, of dat het bleek, dat ik een beter dienstdoener was,—maar de eerste officier maakte mij, met voorbijgang van anderen, den tweeden persoon op eene wacht, waardoor zij onder mijne bevelen kwamen.In de konstabelskamer werd dikwijls de vrede verstoord, en dit voornamelijk omdat er eten tekort kwam. Soms werden hierover hevige gevechten gehouden, waarin ik mij nooit mengde, doch die mij de overtuiging schonken dat, als het op boksen moest uitdraaien, ik voor geen hunner zou behoeven onder te doen.Het baantje van gamelle-chef was onbezoldigd en volstrekt toch geen eerepost, het werd vrijwillig aanvaard en met onverschilligheid weder neergelegd bij de minste kleinigheid. Met het scheepsrantsoen toe te komen, dat zou de beste niet hebben kunnen ten uitvoer brengen. De verdeeling van het vleesch en spek naar het aantal monden liep altijd vast uit op aanmerkingen, standjes en slagen. Ik, die daar geene ruzie voor overhad, nam altijd genoegen met mijn aandeel; maar ik begon nu ook te bemerken datmen misbruik ging maken van mijne inschikkelijkheid en mijne portie dagelijks kleiner werd. Toen nu reeds de dertiende chef zijne betrekking had neergelegd, bood ik mij daartoe aan en werd met blijdschap aangenomen.De gevaren en moeielijkheden van het baantje kennende, was ik er op voorbereid. Op den eersten dag, dat ik de provisiën verdeelde, droeg ik uitstekende zorg voor no. 1, en werd, zooals te verwachten was, door twee of drie anderen aangevallen over het leeuwenaandeel, dat ik van den buit had genomen. Hierop hield ik eene korte aanspraak, bewerende dat, als zij meenden, dat ik de moeite van het gamelle-chefschap voor niets op mij genomen had, zij het geheel mis hadden; dat het kleine verschil, dat er bestond tusschen mijn aandeel en dat van elk hunner, over den geheelen troep verdeeld, niet eens voldoende zou zijn om er eene holle kies mede te vullen; en dat ik, nadat het mijne er afgenomen was, al de rest zoude verdeelen met de striktste onpartijdigheid en billijkheid.Deze zeer redelijke toespraak was niet voldoende. Ik werd uitgedaagd om het geschil door een bokspartij te doen uitmaken; twee liefhebbers deden zich op. Ik stelde voor om er om op te gooien, wie de eerste zou zijn; spoedig den winner verslagen hebbende, gaf ik hem in overweging naar zijne plaats terug te keeren. De tweede stapte nu vooruit, er op rekenende, dat hij, nu ik reeds een gevecht achter den rug had, gemakkelijk met mij klaar zou komen; maar dat was mis; hij kreeg nog beter pak dan zijn voorganger. Den volgenden dag nam ik zitting, geheel klaar voor den strijd met jas, vest en halsdoek af. Ik merkte op, dat ik van plan was om evenzoo te doen als vroeger; maar er werd niet meer geklaagd, en ik bleef gamelle-chef tot op den dag dat ik van boord ging, en wel op tweederlei grond: ten eerste bij keuze, en ten tweede volgens het recht van den sterkste.Nog niet lang waren wij in zee, toen wij ontdekten, dat onze eerste officier een vreeselijke tiran, een ruwe kerel, een dronkaard en veelvraat was met een langen rooden neus en een ontzagwekkenden buik; hij zag er niets in om de groote adelborsten bij het half dozijn te gelijk naar de bramzaling te zenden. Ik nam mij voor dien man uit het schip te werken, deelde dit plan mijne kameraden mede en verzekerde hen van den goeden uitslag, indien zij trouw met mij medewerkten. Zij lachten mij uit; doch ik hield vol en beloofde het hem te zullen leveren, als zij maar zorgden elken dag eene lichte bestraffing of vermaning van »Neusje” op te loopen. Dit beloofden zij, en zoo ging er dan ook geen dag voorbij, of zij werden trouw het tuig ingezonden of op strafwacht gezet.Zij brachten verslag hiervan uit en vroegen mij, wat nu verder te doen viel. »Beklaag u bij den commandant,” zeide ik. Dit deden zij, doch kregen ten antwoord, dat de eerste officier overeenkomstig zijn plicht had gehandeld. Dezelfde aanleiding gaf dagelijks dezelfde gevolgen; wanneer de adelborsten hun beklag indienden, werden zij in het ongelijk gesteld. Ten laatste merkten zij op mijne aanwijzing bij den commandant op: »Het helpt ons toch niet, als wij klagen, kolonel; u trekt toch altijd partij voor Mr. Clewline.” Inderdaad gaf de commandant, uit een gevoel van behoorlijkheid, steeds, wanneer zulks mogelijkwas,de superieuren gelijk, wetende dat negen van de tien keeren de jonkers de schuld hadden.De zaak marcheerde naar wensch; de adelborsten gingen voort zich te misdragen,—beklaagden zich en verklaarden, dat de eerste officieronwaarheid vertelde. Een tijdlang geraakten eenigen hunner uit de gunst van den commandant; maar ik moedigde hen aan dit te verdragen, evenzeer als de toenemende gramschap van »Neusje.” Eens begonnen twee adelborsten, volgens afspraak, op de lijloopplank te vechten. In die dagen was dit al haast een misdrijf om voor gehangen te worden; zij werden drie uren lang met zitten op de bramzaling gestraft. Omlaaggekomen, vroegen zij mij weder wat nu te doen. »Ga u weer beklagen,” zeide ik. »Als de eerste officier er bij komt om te zeggen, dat ge aan ’t vechten waart, zeg dan aan den commandant, dat gij alleen toonen wildet, hoe de eerste officier gisteren bij het ophijschen der marszeilen, het volk liet mishandelen, en hoe hij dien marinier bij het afloopen van de kuiltrap op zijn hoofd sloeg.” Woordelijk werd dit opgevolgd. De adelborsten kregen eene nieuwe vermaning; maar de commandant begon toch te denken, dat er van die herhaalde en met den dag sterker wordende klachten wel een en ander waar kon zijn.Eindelijk waren wij in de gelegenheid hem dencoup de gracete geven. Een ongeluk van een jongen aan boord, die voor zijne vuilheid al dikwijls slaag, over een kanon vastgebonden, had gekregen, was zoo verhard, dat hij niets meer gaf om de slagen, die de eerste officier hem met het eind touw door den bootsman liet toedienen. »Ik zal het je bij dit en dat laten voelen!” riep de eerste officier in zijn woede; daarop liet hij eene puts met zeewater brengen en, na elken slag, den jongen op de geraakte plek daarmede besprenkelen. Deze verfijnde wreedheid, het karakter van een officier en gentleman zoo onwaardig, hinderde ons allen, en gezamelijk naar de konstabelkamer gaande, gaven wij in koor drie luide jammerkreten. Dit klonk hoogst zonderling; het werd in de longroom gehoord, en de eerste officier zond eene boodschap om te verzoeken, dat wij stil zouden zijn. Tot antwoord gaven wij drie nieuwe schreeuwen, zoodat hij in groote woede naar het halfdek vloog, waar wij allen verschijnen moesten en de reden van het leven, dat wij maakten, moesten opgeven. Tot op dat oogenblik had ik mij steeds op den achtergrond gehouden, zeer tevreden de poppen zoo goed aan het dansen gebracht te hebben. Ik had altijd juist bijzonder goed mijn dienst gedaan en geene aanleiding tot klachten gegeven; toen ik dus bij deze gelegenheid vooruittrad, maakte dit een schoon tooneeleffect en was van groote beteekenis.Ik vertelde den eersten officier, dat wij jammerden over den armen jongen, die bepekeld en mishandeld was geworden. Dit vermeerderde niet weinig zijne woede en hij gelastte mij om naar de bramzaling te gaan. Ik weigerde hieraan te voldoen, vóór ik den commandant gesproken had, die juist op dat oogenblik aan dek verscheen. Onmiddellijk liep ik op dezen toe, vertelde de geheele geschiedenis, niet verzuimende daarbij de herhaalde tirannieke handelingen van den eersten officier tegen ons in het helderst daglicht te stellen. Ik zag dadelijk, dat wij ons doel bereikt hadden. De commandant had de strengste bevelen gegeven, dat er, zonder zijn uitdrukkelijken last, geene lijfstraffen mochten uitgedeeld worden. Dit bevel had de eerste officier niet opgevolgd; hierom en doordien hij algemeen gehaat werd, was zijn lot beslist. De commandant ging de kajuit weder in en vertelde des anderen daags aan den eersten officier, dat hij bij aankomst in de eerste haven te kiezen had tusschen van boord gaan of voor een krijgsraad getrokken worden, wel wetende, dat hij zich aan het laatste niet zou durven wagen.Ik heb verzuimd mijnen lezers mede te deelen, dat onze instructie luidde: het Oost-Indische konvooi tot op tien graden Noorderbreedte te geleiden en eerst dán naar de Bermudas te stevenen. Dit was op zichzelf een aangename kruistocht en leverde kans op met den vijand samen te treffen of den een of anderen prijs te hernemen. Schepen, die niet voornemens zijn de linie te passeeren, geven gewoonlijk een feest aan de bemanning bij het voorbijgaan van den Noorderkeerkring; het is de bedoeling, daarmede den goeden geest levendig te houden en eenige afwisseling te geven in de eentonigheid van kruistocht of reis, waar anders de dagen elkander zoo volkomen gelijk opvolgen, dat men den tijd uit het oog zou verliezen. Onze commandant, nog jong en vroolijk van aard, die graag zijn volk genoegen gunde, voor zooverre dit met de tucht en de veiligheid van het schip bestaanbaar was, stond toe, dat het Neptunusfeest gevierd zou worden, omdat wij veilig in het hartje van den passaatwind voeren en er geen kans op weersverandering of buien bestond.Reeds dikwijls is de plechtigheid van het passeeren van de linie beschreven; maar er is verschil in de wijze, waarop het gevierd en verteld wordt; ons feest had zijne eigenaardigheden en eindigde, het spijt mij het te moeten zeggen, in een treurspel, dat ik nimmer kan vergeten.Des avonds vóór het feest hoorde men door eene vreemde stem, die als van buiten het schip scheen te komen, praaien: »Schip O hoy!” De officier van de wacht liet den commandant met deftigen ernst van die omstandigheid kennis geven. Deze kwam met den scheepsroeper gewapend naar boven en antwoordde, als gold het een vreemd vaartuig: »Ai Ai.”—»Wat schip is dat?” klonk het weder van uit de fokkerust, en nu had van voren naar achteren een samenspraak plaats, waarvan het gevolg was, dat Neptunus, die het schip had aangeroepen, vergunning kreeg des anderen daags aan boord te komen, ten einde de »baren” op zijn gebied in te wijden. Neptunus nam voorloopig weer afscheid en verdween in de groote schelp, waarin hij bij het schip was gekomen, voorgesteld door een brandende teerton, die nog lang daarna in het kielwater zichtbaar bleef.De volgende morgen brak, zooals te verwachten was, met het schoonste weder aan. Het dagelijksch morgenwerk werd met spoed afgedaan en de bemanning kleedde zich in het wit en zoo luchtig mogelijk. Toen alles gereed was, terwijl een groot zeil, dwars over het dek gespannen, allerlei geheimzinnigheden bleef verbergen, werd de plechtigheid van het aanpraaien van het schip nog even herhaald, om Neptunus aan boord te doen komen. De onderzeilen werden daarvoor geborgen en het groottuig tegengebrast, om de vaart van het schip te verminderen.Zoodra wij bijgedraaid lagen, trad een in zwarten rok gekleed jongmensch (een der matrozen) met gepoederde pruik en driekanten hoed op het hoofd, het halfdek op en maakte een zeer beleefde buiging voor den commandant, mededeelende dat hij de opperste lijf-geheimsecretaris van Zijne Majesteit Neptunus was, zijnen meester vooruitging en voor dezen vergunning verzocht zich met zijnen staf te vertoonen.Het zeil opende zich en de volgende zonderlinge stoet kwam in optocht het halfdek op:De kar van den Zeegod, bestaande in eene groote badkuip op het onderstel van een rolpaard geplaatst, getrokken door zes zwartgemaakte mannen, zeepaarden voorstellende, ging voorop. Het waren de flinkst gespierden uit onze matrozen; hun haar en de helft van het gelaat was onder zeewier verborgen; hunne kleeding bestond uit een zeer onkostbare korte katoenen broek; overigens waren zij volkomen naakt; hun huid was met roode en witte verf bespikkeldenaan de armendroegen zij zeeschelpen, die tegen elkander een zonderling kleppend geluid maakten. Neptunus zelf was met de meeste hoofdpersonen uit zijn gevolg gemaskerd. Geen van de officieren wist eigenlijk, wie van het volk voor den zeegod speelde, doch in die rol was deze bij uitnemendheid op zijne plaats. Hij droeg eene zeekroon (door den baas smid van scheepsblik vervaardigd), in de rechterhand hield hij een drietand, waarop een dolfijn was gestoken, volgens zijne bewering dien morgen gevangen; zijn hoofd was getooid met een groote pruik van geplozen werk en een zwaren baard, die hem tot op het middel hing, van dezelfde stof; zijn naakt lichaam was bedekt met een laag verf en poeder.De god was omringd door een prachtige hofhouding: zijn staatssecretaris, met het hoofd volgestoken met de slagpennen van zeevogels; zijn lijfarts met lancet, pillendoos en ruikflesch; zijn barbier met een scheermes van wel drie voet lengte, uit een ijzeren hoepel van een spekvat gesneden; en de barbiersknecht, die eene kleine tobbe voor inzeepbak droeg. De soort van zeep kon ik niet zien, doch de geur, die er uit opsteeg, overtuigde mij, dat zij niet uit de fabriek van Rimmels voorgangers afkomstig was.Amphitrite volgde nu in een kar, aan die van haren echtgenoot gelijk, getrokken door zes witte mannen, overeenkomstig het vorige zesspan uitgedost. Deze godin werd vertegenwoordigd door een zwaren, vierkanten kerel, die door de pokken geschonden was, doch vóór dien tijd al leelijk moet geweest zijn; hij was als vrouw gekleed, met eene groote floddermuts op het hoofd en versierd met knoppen van zeegras. De godin droeg een harpoen met een haring er op en had op haren schoot den kleinsten der scheepsjongens als zuigeling gekleed, met lange kleeren en een kindermuts op; deze hield een marlpriem in de hand, aan een eind lijn om den hals vastgemaakt;—dit diende als een hulpmiddel om het doorkomen van de tanden te bespoedigen, zooals men aan wal de kinderen op een stuk ivoor laat bijten. Zijne baker volgde hem met een pot vol brij, waaruit zij hem met den grooten kokslepel voeding aanbood. Twee of drie zware kerels waren als zeenimfen verkleed, behoorende tot de hofhouding der godin: zij droegen een toiletspiegel, eenige boenders voor haar- en tandenborstels, en een pot menie voor blanketsel.Zoodra de optocht zich reeds van verre aankondigde, kwam decommandant, gevolgd door den hofmeester met een flesch madera en een blad met glazen, uit de kajuit en werden de karren der zeegoden op het halfdek uitgespannen. Neptunus boog zijn drietand voorover en bood zijn dolfijn den commandant ten geschenke aan, zooals Amphitrite haren haring deed, ten teeken van onderwerping en hulde aan den Vertegenwoordiger van den koning van Groot-Brittanje.Neptunusfeest.Neptunusfeest.Pag. 136.»Ik ben hier gekomen,” zeide de god, »om u welkom te heeten in mijn gebied en u mijne vrouw en mijn kind voor te stellen.” De commandant maakte eene buiging. »Vergun mij te vragen naar de gezondheid van mijnen broeder en wettigen souverein, den goeden, ouden Koning George.”»Hij is niet zoo wel,” zeide de commandant, »als ik en al zijne onderdanen wel zouden wenschen.”»Dat is erg jammer,” vervolgde Neptunus. »En hoe vaart de Prins van Wales?”»De Prins is gezond,” antwoordde de commandant, »en regeert op dit oogenblik als regent in naam van zijn koninklijken vader.”»En hoe maakt hij het met zijne vrouw?” vroeg de uitvorschende god.»Dat mocht wel beter,” zeide de commandant; »zij kunnen samen over weg, als een walvisch met een hooivork.”»Zoo! dat dacht ik wel half en half,” sprak de god van de zee. »Zijne koninklijke hoogheid moest eens een kijkje bij mij nemen; dáár is het nooit twijfelachtig wie de commandeerende officier is.”»En wat is wel Uwer Majesteits huismiddel om een lastige vrouw mak te krijgen?” vroeg de commandant.»Drie voet van de contra-bas elken morgen vóór het ontbijt, een kwartier lang, maar ’s zondags een half uur.”»Hé, waarom ’s zondags meer dan door de week?” zeide de commandant.»Waarom?” herhaalde Neptunus. »Wel, omdat zij dan zeker zaterdagavond gehouden heeft, en ook omdat zij met den zondag minder te doen heeft, en dus meer tijd om over hare zonden na te denken en die te boeten.”»Maar gij zoudt toch niet verlangen, dat een Prins een dame sloeg?”»Zou ik niet? Neen, niet als zij zich heel netjes gedroeg als een dame; maar als zij veel praats had en niet nuchter wilde blijven, dan zou ik haar dienen zooals ik Amphi doe.—Is ’t niet waar, Amphi,” vervolgdehij, de godin bij de kin vattende, »op den bodem der zee hebben wij geene boosaardige vrouwen?—En daarom, als gij ze ginds niet in orde weet te houden, zend ze dan maar hierheen.”»Maar Uwer Majesteits geneesmiddel is nog al kras; wij zouden in Engeland een opstand krijgen, als de koning zijn gemalin ging slaan.”»Laat de lords kamerheeren het dan doen,” zeide de onvermurwbare god; »en als die te lui zijn, wat ik wel geloof dat het geval is, stuur dan om een bootsmansmaat van de Royal Billy. Ik verzeker u, die zou haar bedienen, en die zou voor een halve kan rum er bij de gardes op den koop toe er horlepijp bij leeren dansen.”»Ik zal niet verzuimen zijne koninklijk hoogheid uw advies mede te deelen, mijnheer Neptunus, doch ik durf niet verzekeren, dat het opgevolgd wordt. Wat zegt gij er van om eens te drinken op de gezondheid van zijne vorstelijke hoogheid?”»Van ganscher harte, sir; ik ben altijd trouw aan mijn koning geweest, en steeds bereid op zijn welzijn te drinken, en voor hem te vechten.”De commandant bood daarop god en godin elk een glas madera aan.»Op de gezondheid en het lange leven van onzen genadigen koning en de geheele koninklijke familie. De wegen zijn buitengewoon stoffig, en wij hebben droge lippen, sedert wij van morgen St. Thomas, onder de linie, verlaten hebben. Maar wij hebben geen tijd te verliezen, commandant,” zei de zeegod; »ik zie hier een boel nieuwe gezichten, die alle gewasschen en geschoren moeten worden; en als wij ze wat laten bloeden en medecineeren, zullen zij er te beter om zijn.”De commandant knikte toestemmend; en Neptunus met zijn drietand op het dek stampende, beval attentie en sprak zijn gevolg aldus aan: »Luistert goed, mijne Tritons, gij zijt hier gekomen om te scheren, af te spoelen en te genezen, een ieder die zulks noodig heeft; maar ik verlang, dat gij daarbij zachtzinnig zult te werk gaan. Ik duld geene misbruiken; als wij een slechten naam krijgen, is het uit met de klandizie; en de eerste uwer, die aan mijne bevelen ongehoorzaam is, laat ik binden aan een 10-duims mortier en daarmede tienduizend vademen diep in den oceaan zakken, waar hij zich honderd jaren lang vetmesten mag met zeewater en zeegras. En nu aan het werk!” Twaalf politieagenten, met dikke stokken, posteerden zich onmiddellijk bij de luiken, joegen allen op, die nog niet gedoopt waren, en hielden strikt de wacht bij het één voor één aflezen der namen.Voor het groote bad had men een onderlijzeil, dubbel genomen, gespannen tusschen eenige spieren aan den voorkant van den grooten mast. Eenmaal nat, liet dit zeil slechts weinig water door, werd volgemaakt met putsen en volgehouden door de brandspuit, die tevens diende om elk die uit de handen van den barbier in het bad kwam, met een krachtigen waterstraal te geeselen. De meeste officieren kochten zich vrij van scheren en innemen, door een flesch rum te offeren; maar niemand liep vrij van het nat gooien met zeewater, waarmede men dien dag zeer overvloedig omsprong; zelfs de commandant kreeg zijn aandeel, maar bleef er welgemutst onder en had veel genoegen in de aardigheid. Bij deze gelegenheid viel duidelijk in het oog, wie bij de equipage in gunst stonden, namelijk door den graad van gestrengheid, waarmede zij behandeld werden.De nieuweling werd, los geblinddoekt, op eene spier van de doopvont geplaatst; de vraag werd hem gedaan, waar hij geboren was, en op het oogenblik, waarop hij den mond tot antwoorden opende, kreeg hij het zeepkwastje van den barbier, eene verfkwast der grootste soort, besmeerd met een onoogelijk mengsel van koolteer en uitschraapsel van de veehokken, in den mond, en langs wangen en kin; vrij onzacht werd dit met het bovenomschreven scheermes afgestreken. De dokter voelde daarop den pols en schreef eene pil voor, die in de wang werd gestopt; daarop werd de ruikflesch, waarvan de kurk met korte naaldenpunten was volgestoken, zoo stevig langs den neus gestreken, dat hij bloedige sporen achterliet. Als dit afgeloopen was, werd de baar, door een lichten duw van voren, achterover in het bad gegooid, waaruit hij maar trachten moest te ontsnappen door een kring van met stokken gewapende saters en de brandspuit, die hem waarnamen tot de komst van zijn opvolger.De konstabelsmaat, een paar van de korporaals der mariniers en de bottelier werden ongenadig behandeld. De adelborsten, die hun beurt gehad hadden, lagen op de loer voor den eersten officier, doch deze hield zich zoo na aangesloten onder de vleugels van den commandant, dat hij moeielijk te genaken was. Eindelijk was er eenig rumoer in het benedenschip, waar hij op af moest; dit was eene geschikte gelegenheid; wij omringden hem, voorzien van den noodigen watervoorraad, en doopten hem zoo duchtig, dat hij met vaart langs een achtertrap ontsnapte, op weg naar de longroom. Vóór hij in het benedenportaalbeland was, ontving hij nog eenige ledige brandemmers, die ons, bij ongeluk natuurlijk, uit de handen geglipt waren, op het hoofd.De administrateur had zich in zijn hut opgesloten en deze gebarrikadeerd; met zijn degen en pistolen dreigde hij de indringers; doch de adelborsten lieten zich door zulk een kleinigheid niet afschrikken; zij wisten hem er toch uit te krijgen en een buitengewoon stortbad te geven, onder opmerking: dat dit de straf was, omdat hij nooit eens wat drank boven ons rantsoen had willen doen verstrekken. Hij werd daarop met statie naar het bovendek gebracht, het zwaard boven zijn hoofd gehouden en zijne pistolen, hoogst onschadelijk, in een puts met water voor hem uit gedragen; daar werd hij nog eens geschoren, kreeg eene behoorlijke pil in en onderging den reglementairen doop in het zeil, waarna hij als een druipend schoothondje mocht aftrekken.De eerste luitenant van de mariniers stond te boek als een vervelend mensch; steeds hinderde hij ons door zijn fluitspelen. Zelf geen gehoor hebbende, had hij niet het minste medelijden met het onze; op zijn beurt werd hij naar het bad gebracht; boven alle andere uitspanningen van dien dag, had hij het voorrecht een halve kan zeewater te moeten uitdrinken, dat wij hem door zijn eigen fluit als een trechter ingaven.Tot zoover ging alles prettig en vroolijk toe; maar spoedig veranderde dit. Een van de voortopsgasten viel overboord; dadelijk werd het alarmsein gegeven en het schip bijgedraaid. Ik vloog naar de kampanje, en ziende, dat de man niet kon zwemmen, sprong ik te water om hem te redden. Door de groote hoogtevan mijnensprong, ging ik er zeer diep in en zag, bovenkomende, een zijner handen. Ik zwom er heen; maar groote God! wat ontstelde ik, toen ik mij midden in een bloedplas zag. In een oogwenk begreep ik, dat wij hier met haaien te doen hadden, en het lot, dat ook mij boven het hoofd hing. Ik was zoo verstijfd van schrik, dat het mij verwondert toen niet dadelijk gezonken te zijn van den angst. Het schip, dat voor het opsteken zes à zeven mijl geloopen had, was nog een heel eind doorgedwaald en zoover af, dat ik mij verloren waande. Ik had bijna het denkvermogen verloren door de nabijheid van den dood in zijne vreeselijkste gedaante. Toch kreeg ik nog een helder oogenblik, waarin mijne daden in de laatste vijf jaren in ééne minuut mijne herinnering doorliepen. Vurig bad ik en beloofde beterschap, als God mij het leven mocht sparen. Mijngebed werd verhoord. Ik was reeds eene mijl van het schip af, toen ik opgepikt werd; toen de sloep met mij op zijde van het schip kwam, zwommen er drie groote haaien onder den spiegel. Deze hadden den armen matroos verslonden en hadden, gelukkig voor mij, in de hoop van meer buit, het schip gevolgd en mij dus voorbij gezien.Toen ik den valreep opkwam, werd ik door den commandant en de officieren op de meest vleiende wijze verwelkomd; de eerste dankte mij ten aanhoore van de geheele bemanning voor mijn prijzenswaardig gedrag, en ik werd door allen aangestaard als een voorwerp van belangstelling en bewondering; maar terwijl anderen mij zoo beoordeelden, was ik inwendig niet zóó voldaan. Ik ging naar omlaag, in een niet te beschrijven stemming van zelfverwijt en eigen minachting, en gevoelde mij de genade, die mij bewezen was, onwaardig. Mijne vroegere schandelijke levenswijze stond, met de zwartste kleuren geteekend, in alle duidelijkheid voor mijnen geest. Ik had de overtuiging een verhard en onverbeterlijk zondaar te zijn.Van kleeding verwisseld hebbende, was ik blijde, toen de invallende nacht mij aan mijne overpeinzingen overliet. Deze werden er echter niet vroolijker om. Ik zag in, dat ik alleen deugdzaam was, zoolang de gelegenheid om te zondigen ontbrak. Nog jaren daarna stond mij het schrikbeeld van een grooten haai voor den geest, met wijdgeopenden bek, op het punt mij bij het been te vatten, en naar de diepte mee te sleuren.—Ware ik destijds onder die gunstige indrukken slechts in goede handen gevallen!Onze genoegens in de konstabelskamer waren van een zeer ruwe soort en bestonden grootendeels uit aardigheden onder elkander, waartoe veel krachtsinspanning noodig was. Menigeen kreeg onder zulk spel een schop of klap; doch in de vroolijkheid werd daarop minder gelet. Eens werd ik bij zulk eene gelegenheid hevig aangevallen door een der oudste adelborsten, die zich bij den konstabel-majoor bedronken had,daaropbij ons binnenkwam en niet wist wat er gaande was. Daarop van mij een fikschen stomp tusschen de oogen ontvangende, was hij achterovergeslagen, midden tusschen het tafelservies, dat op dek stond in afwachting van weggeborgen te worden. Woedend om het daarop gevolgd gelach en de pijnlijkheid van den ontvangen slag, pakte hij eene vleeschvork op, en voordat iemand wist, wat hij in den zin had, stak hij mij daarmede vier malen. Ik vloog op om hem te straffen, maarzoodra ik overeind was, gevoelde ik mij te stijf om mij te bewegen en viel in de armen mijner kameraden.De dokter onderzocht de wonden, die zeer ernstig waren; twee waren rakelings aan een slagader. Ik werd naar mijne kooi gebracht, die ik in geene drie weken kon verlaten. De dader had, toen hij nuchter was, diep leedwezen over het gebeurde en smeekte mij om vergeving. Uit mijn aard goedhartig, en ontwapend door zijne onderwerping, schonk ik hem vergiffenis. De dokter meldde mij ziek aan de koorts, wat op zichzelf waar was; had de commandant de ware toedracht van zaken gekend, dan zou onze jonker, wiens promotie al geteekend aan boord was, om bij onze aankomst op de Bermudas uitgereikt te worden, zeker niet benoemd zijn. Mijne goedheid wondde hem, geloof ik, meer dan mijne wraakzucht zou gedaan hebben; hij trok zich het gebeurde sterk aan, schafte den drank af en toonde zich later zeer aan mij gehecht. Ik beschouw dit als eene der goede daden van mijn leven en erken, dat ik er met groot genot aan terugdenk.Na het konvooi op 10oNoorderbreedte aan zijn lot te hebben overgelaten, kwamen wij spoedig op de Bermudas aan. De bovenrols-adelborsten werden allen naar hunne eigen schepen gezonden; en vóór wij van elkander scheidden, hadden wij het genoegen den eersten officier met een naar Engeland bestemd schip te zien vertrekken. Met den goeden uitslag van onze krijgslist wenschten wij elkander geluk.Twaalfde hoofdstuk.De Bermudas hebben iets zoo bijzonder schoons, dat men die eilandengroep voor eene verblijfplaats van nimfen zou aanzien. Zij bestaan uit rotsen, door een koraalrif omgeven, en heeten in aantal overeen te komen met de dagen des jaars. Zij zijn bedekt met laag groen en donkere ceders, waartusschen lage witte huizen, met een vroolijk en bevallig aanzien; de ankerplaatsen zijn talrijk, doch hebben weinigdiepte, en mogen er al veel vaarwaters tusschen de eilanden zijn, er is slechts een voor groote schepen dat naar de voornaamste haven leidt.Talrijke grotten, waarvan het gewelf schittert van prachtig druipsteen, in allerlei grillige vormen neerhangende, zijn op vele van de eilanden aanwezig. Weer elders treft men fonteinen en bronnen aan van het helderste en koelste water. De zeelieden hebben het bijgeloof, dat deze eilanden op de zee drijven en dat de onderkorst zoo broos is, dat men weinig inspanning noodig heeft om er door te breken. Een matroos, die wegens wangedrag en dronkenschap in de wacht was gezet, stampte op den grond en schreeuwde de soldaten bij elkaar. »Laat mij er uit, of voor den d..... ik stoot een gat in den bodem, laat je eiland zinken en stuur jelui allemaal de hel in.” Overal tusschen de eilanden vindt men klippen en riffen, doch het menigvuldigst komen zij voor aan de Noord- en Westzijde. Bij de inlandsche loodsen zijn ze alle bekend en doen dienst als een versperrend bolwerk tegen verrassing en nachtelijken overval.Groot is de verscheidenheid aan visch in deze wateren, schoon voor het oog en heerlijk van smaak; de roode klipvisch is van deze het beste. Wanneer men op een kalmen, zonnigen dag, in een bootje tusschen deze bekoorlijke eilanden drijft, is het alsof men vaart boven een onderzeeschen tuin, vol bloemen van velerlei kleur; boomstammen, varens, struiken, reusachtige bloemkolen schijnen daar in rechte verwarring tusschen zandpaden ingeplant te zijn. Het is inderdaad eene prachtvolle schilderij, waarnaar men uren lang kan blijven staren.Mijn voornaamste bezigheid was altijd op het water, en natuurlijk trok dit mij te meer aan, naarmate het gevaar er aan verbonden grooter was. Hierdoor zag ik dan ook met verlangen naar de walvischvangst uit, waarvoor de tijd thans naderde. De woestheid van dezen visch, op zulke zuidelijke breedte, schijnt vermeerderd te zijn door de warmte van het klimaat en de zorg voor de jongen; om deze redenen is zeker het gevaar bij de vangst grooter dan in de poolzeeën.Naar hetgeen ik heb kunnen te weten komen van de natuurlijke historie van den walvisch, brengt deze zijne jongen, zelden meer dan een te gelijk, in de noordelijke streken ter wereld. Daarna zoekt de moeder, met het jong naast zich, een zachter klimaat op, om het groot te brengen. Gewoonlijk bereiken zij de Bermudas tegen medio Maart; blijven daar enkele weken, bezoeken dan de West-Indischeeilanden om dan weder zuidwaarts te trekken en om Kaap Hoorn door de Beringstraat weer naar de Noordelijke IJszee, die zij den daaropvolgenden zomer bereiken, terug te keeren. De jonge walvisch, die in de warmte krachtig en groot is geworden, kan in het noorden zijne vijanden staan en paart daar weder. Uit eigen ervaring en onderzoek, ben ik vrij zeker, dat dit eene juiste omschrijving is van de zwerftochten van deze beesten en dat de wijfjes met hare jongen jaarlijks de reis maken rondom de beide grooten deelen van Amerika.De moederlijke zorg van de walvisch maakt haar eene gevaarlijke tegenpartij, en ernstige ongelukken komen bij de vangst veelvuldig voor. Eens had ik het voldoen aan mijne nieuwsgierigheid bijna met mijn leven moeten boeten.Ik maakte een tocht in een der walvischbooten mede. De boot werd geroeid door kleurlingen, inwoners van het eiland, die zeer ondernemend en bekwaam in de vangst zijn. Wij zagen een walvisch, die met haar jong rondom de koraalklippen speelde; het was werkelijk aandoenlijk om te zien, hoeveel oplettendheid zij haar jong schonk en hoe zij zorgde om het voor gevaren te waarschuwen. Zij geleidde het weg van de booten, zwom er omheen, deed soms als wilde zij het met de vinnen omvatten en rolde er mede rond in de golven. Wij slaagden er in eene gunstige standplaats in te nemen, door aan de zeezijde van haar te komen, en haar zoo tusschen de rotsen in ondiep water te drijven. Ten laatste kwamen wij zoo dicht bij het jong, dat de harpoenier zijn wapen reeds richtte, wetende dat als het kind eenmaal getroffen was, de moeder, die het nooit verlaten zou, in onze macht zou zijn. Het dreigende gevaar, waarin haar onervaren afstammeling verkeerde, bemerkende, zwom zij er snel rondom heen, in steeds kleiner kringen, daarbij den grootsten angst aan den dag leggende; doch de ouderlijke vermaningen waren vruchteloos, en het jonge dier ontging zijn noodlot niet.De boot wist den kleinen visch nabij te komen en de harpoenier wierp hem zijn vreeselijk wapen tusschen de ribben, diep in het vleesch. Zich gewond voelende, ontvluchtte ons het arme dier, een honderd vadem lijn achter zich medetrekkende; doch een jonge visch, die eens goed geraakt is, legt het spoedig af. Dit bleek ook hier; niet zoodra was de lijn strak gekomen, of hij kwam op de oppervlakte van het water, draaide zich op den rug en bleek dood te zijn. De bedroefdemoeder wilde het lijk niet verlaten, getrouw door een instinct dat sterker was dan de rede.Wij haalden de lijn in en kwamen daarop dicht bij onze prooi, juist toen van eene andere boot de harpoen den grooten visch had getroffen. De staart van het woedende dier kwam met zulk eene onweerstaanbare kracht op het midden van onze boot terecht, dat deze door midden brak en twee man doodgeslagen werden; wij overigen zwommen naar alle richtingen om ons leven te redden. De walvisch zwom nu op de derde boot aan; doch werd in hare vaart gestuit door de lijn van den harpoen; zij sleepte daaraan de tweede boot met eene 10 mijls vaart door het water; en had zij zich in de diepte bevonden, dan zoude zij deze mede naar beneden getrokken hebben, tenzij men er tijdig de lijn afsneed.Beide booten hadden het zoo druk met zichzelf, dat zij een tijdlang niet ter onzer hulp konden komen; wij waren dus langer, dan ik aangenaam vond, aan onze eigene krachten overgelaten. Ik was op het punt om naar den jongen walvisch te zwemmen, toen een der roeiers mij daartegen waarschuwde, zeggende dat er wel zooveel haaien in den omtrek zouden zwerven als men rechtsgeleerden om Westminster Hall telt, en dat ik er stellig bij zou zijn als ik ze te na kwam;tot mijne geruststelling voegde hij er bij: »Die duivels zullen zelden een mensch pakken, als zij iets anders kunnen krijgen”. Hoe waar dit ook zijn mocht, moet ik erkennen dat mijne blijdschap groot was, toen ik eene der booten tot onze redding zag opdagen, terwijl de moeder-walvisch, verward geraakt in de lijn, nog steeds den harpoen in het lijf gevoelende, uitgeput door bloedverlies, dat als eene zwarte fontein opspoot, haar jong naderde en aan zijne zijde stierf, nog tot het laatste oogenblik toe méer om haar kind dan om zichzelf denkende.Zoodra zij zich op haren rug wentelde, zag ik, dat ik reden had om dankbaar te zijn voor de ontvangen raadgeving; de beide doode visschen waren omringd van wel dertig of veertig haaien, die trouw volgden, toen wij hen naar binnen sleepten. Toen wij hen in ondiep water, dicht bij het strand, zoover mogelijk opgetrokken hadden, werd het spek afgesneden;daarna werd het vleesch aan de inboorlingen overgelaten, die in grooten getale toegestroomd, met hunne messen daarvan groote reepen afhaalden. Met dezelfde vrijgevigheid hielpen zich de haaien met hunne tanden; maar het was opmerkelijk hoe straffeloos de zwarten dikwijlstusschen hen en de walvisch konden komen; nooit werden zij aangevallen. Vreemd was het schouwspel die zwarten, met het schitterend wit hunner oogen en hunne witte tanden, juichende, lachende, schreeuwende, te midden van tallooze haaien,—de meest verslindende der zeemonsters,—als ’t ware levende in een soort van wapenstilstand, slechts noodzakelijk gedurende de tegenwoordigheid van een derde voorwerp.De staart van het woedende dier brak onze boot en doodde twee man.De staart van het woedende dier brak onze boot en doodde twee man.Pag. 145.Ziende dat er voor mij op den duur noch eer, noch voordeel te behalen was in dit soort van afwisseling, gaf ik de walvischvangst op en nam passage naar Halifax op een schoener. Dit soort van vaartuigen werd plaatselijk aangebouwd, naar het model van de Virginia loodsbooten; doch geleek, evenals de meeste onzer navolgingen, bijna evenveel op het oorspronkelijke vaartuig als een os op een haas gelijkt, ook dezelfde verhouding bewarende op het punt van snelzeilendheid. En alsof men nu opzettelijk de Engelsche vlag wilde onteeren, werd het bevel over dergelijke vaartuigenopgedragenaan officieren, die geen commandant meer konden krijgen om onder te dienen, door wangedrag overbekend geraakt, en die nu, zeer onverstandig, op kleine scheepjes werden gezet, waar zij hun eigen meester waren en zich veelvuldig en ongestraft aan den drank te buiten gingen. Ook mijn commandantbevondzich van ons vertrek af tot aan de komst te Halifax in voortdurenden staat van dronkenschap. Het voorbeeld van den luitenant werd gevolgd door zijn ranggenoot en door drie der adelborsten; de bemanning, uit vijf-en-twintig koppen bestaande, werd nuchter gehouden, door hen niet meer dan hun rantsoen te verstrekken; ik voor mij zag de toekomst vol vertrouwen(?) in.Gelukkig behoorde drinken niet tot mijne ondeugden. Ik kon »wel eens een waar aanhebben” zooals wij dit noemen, wanneer ik in goed gezelschap was en opgewekt door geest en vroolijkheid; maar nooit kwam het tot »dronkenschap”; en naarmate ik ouder werd, maakten trotschheid en eigenbelang mij in dat opzicht nog omzichtiger. Ik zag het groote voordeel in, dat matigheid over een dronkaard geeft, en verzuimde niet om daarvan gebruik te maken.Bijna al den tijd, dien onze overtocht duurde, ’s nachts zoowel als over dag, bleef ik aan dek een oog houden over den gestuurden koers en den stand der zeilen, zonder ooit den commandeerenden officier, die steeds »buiten westen” in de kajuit lag, daaromtrent te raadplegen.’s Avonds liepen wij het licht van Sambro’ (aan den ingang der haven van Halifax) in het zicht, en een der adelborsten, die slechts half dronken was, verklaarde dat hij goed met het vaarwater bekend was; zijn aanbod om het vaartuig binnen te loodsen, werd aangenomen. Aangezien ik hier nimmer te voren was geweest, kon ik niet van nut zijn; maar zeer sterk twijfelende aan de bekwaamheid van onzen loods, sloeg ik met achterdocht zijne handelingen gade.Reeds binnen het half uur zaten wij vast op de kust vanCornwallis-Eiland, zooals ik later vernam dat het heette, en braken de zeeën geducht over ons heen. Dit ontnuchterde den commandant en zijne officieren; en daar het water zakkende was, kwamen wij spoedig hoog en droog te zitten. Het schip viel over zij, en ik wandelde het strand op, vast besloten mij nooit weder toe te vertrouwen aan zulk eene ordelooze bende. Toen de dag aanbrak, kwamen de noodige sloepen van de werf ter assistentie en brachten mij en eenige anderen, die mijn voorbeeld gevolgd hadden, met pak en zak naar het vlaggeschip. Na twee dagen hard werken, kreeg men den schoener vlot en binnen. De admiraal werd op de hoogte gebracht van de wijze, waarop wij gestrand waren, en een der hoofdofficieren raadde hem aan den luitenant voor den krijgsraad te trekken, of allerminst zijn bevel te ontnemen en naar huis te zenden. Ongelukkigerwijze volgde hij dien raad niet op, maar zond hem weer in zee om brieven over te brengen. Het werd bekend, dat thans iedereen, ook het volk,dronken was bij het verlaten van de haven; even buiten, werd het vaartuig op de Gezusters, een stel klippen, aangestuurd, stootte zwaar lek en zonk in de nabijheid, waarbij niemand gered werd. Den volgenden morgen zag men niets dan de toppen der masten boven water.Spoedig na mijne aankomst te Halifax, kwam het fregat, waar ik aan boord hoorde, de haven in. Het speet mij wel, dat dit zoo spoedig gebeurde, want ik had het mij in de plaats zeer genoegelijk weten te maken. Ik had aanbevelingsbrieven voor de voornaamste familiën medegebracht. De stad is bekend om hare gastvrijheid; de jonge dames waren er allerliefst, en haar omgang werkte hoogst beschavend op mijne aan boord aangenomen ruwe en vrije manieren. Toen ik mij op mijn schip bij den commandant aanmeldde, die zooals ik hierboven reeds heb medegedeeld een edelman was, verwachtte ik een verwijfden jongen man te zullen aantreffen, veel te fijn van manieren om zijn vak te kennen;doch ik vond mij bedrogen. Lord Edward wasop-en-topzeeman, hij kende een schip door en door, begreep de geaardheid van de matrozen en wist hun vertrouwen in te boezemen. Bovendien was hij een goed werktuigkundige—timmerman, touwslager, zeilmaker en kuiper. Hij wist al het matrozenwerk te verrichten, reven, sturen, looden, splitsen en knoopen; alleen was hij geen redenaar,—hij las weinig en sprak nog minder. Hij was een man van weinig uiterlijke vertooning, maar goed gehumeurd, eerlijk en recht door zee, voorzien van een grooten voorraad gezond verstand. Met de officieren ging hij vrij en zeer aangenaam om; als men hem boos maakte, kon hij heftig zijn, doch bedaarde weer spoedig; nooit kon men bemerken, dat hij zich iets op zijn adeldom liet voorstaan. Met mijne practische zeemanschap scheen hij zeer ingenomen te zijn, en reeds vóór wij de haven verlieten, was ik zeer bij hem in gunst gekomen. Ik deed mijn best op dien voet met hem te blijven, daar ik hem genegen was, zoowel om zijn persoon, als om zijne goede eigenschappen, afgescheiden nog van het voordeel bij zijn commandant gezien te zijn.Niet lang was het ons vergund te vertoeven in dit zeemans eldorado; wij kregen last tot een spoedig vertrek naar Quebec.Nog niet lang waren wij in zee, toen wij een Iersch vaartuig van Belfast praaiden, landverhuizers ten getale van zeventien families voor de Vereenigde Staten aan boord hebbende. In dien tijd stonden landverhuizers met contrabande gelijk; wij mochten hen hunne bestemming niet laten bereiken. Onze commandant bezat echtertwintigduizend morgenland op St. John’s, of zooals het later heette, Prins Edward’s Eiland, eene gift, die een zijner voorouders gekregen had, nu op hem was overgegaan, maar die tot nog toe nog geene shilling aan rente had opgebracht, om de doodeenvoudige reden, dat er geene handen waren om het land te bebouwen. Het kwam onzen adellijken commandant voor, dat dit nu juist een kolfje naar zijne hand was en dat deze Ieren uitstekende bewerkers van zijne gronden zouden wezen en zijn landgoed productief zouden maken. Hij deed hun het voorstel, en daar zij nu toch geene kans zagen om de Vereenigde Staten te bereiken, het hen slechts te doen was om voor zich en hunne gezinnen het levensonderhoud te vinden en eigenlijk onverschillig waar zij zouden koloniseeren, werd het aangenomen. De commandant wist het met zijne zeilorders overeen te brengen hen naar het genoemde eiland over te voeren enaldaar onder dak en aan het werk te brengen. In zekeren zin kon niets voor beide partijen voordeeliger zijn: de schrale bevolking van onze eigene nederzetting werd er door aangevuld, in plaats dat het aantal onzer vijanden er door vermeerderde.Wij kwamen, na eene voorspoedige reis, in eene kleine haven van het eiland ten anker, niet ver van de bezitting, alwaar wij het landhuis bewoond vonden door een man met zijne familie, die zich den opzichter noemde. Voor zoover ik kon opmerken bij mijn verblijf van drie weken, kwam hij mij voor schurkachtig genoeg te zijn voor de waarneming van elke mogelijke opzichters- of rentmeestersbetrekking op eenig adellijk landgoed in Engeland zelf.De commandant trok naar den wal en nam mij, als zijn adjudant, mede. Voor zijn lordschap werd een bed in het huis van den opzichter gereedgemaakt, doch hij verkoos op het hooi in de schuur te slapen. Zooals ik reeds met een enkel woord gezegd heb, was de edele lord iemand, wiens gedachtengang slechts zelden zijn tong en lippen in beweging bracht; hij hoorde veel liever een ander spreken, dan dat hij het zelf deed; en wie ook bij hem was, deze moest altijd het gesprek gaande houden. Verder was de gewone manier van praten tegen hem niet voldoende om zich begrijpelijk te maken; men moest hetgeen men te zeggen had, op drie verschillende wijzen inkleeden, en voor elke daarvan had hij eene bijzonderen uitroep. Deze laatste waren: »Wat?” »he?” en »ah zoo.” De eerste gaf aan, dat hij oplette, de tweede dat hij gedeeltelijk begreep, de derde dat hij geheel op de hoogte was of goedkeurde, waarbij tot meerdere duidelijkheid de laatste lettergreep sterk en lang werd uitgehaald en van een soort glimlach vergezeld ging.Ik zal een voorbeeld geven van onze genoegelijke wijze van converseeren. Zijn lordschap ving het gesprek aan, toen wij onze nachtkwartieren op het zachte droge hooi betrokken hadden:»Zeg eens,”—er volgde eene pauze.»Mylord?”»Wat zouden zij in Engeland wel zeggen, als zij ons hier zagen liggen?”»Ik denk mylord, dat zij wat mij betreft er niets in vinden zouden, maar voor u zouden zij het eene al te eenvoudige slaapkamer voor een edelman vinden.”»Wat?”Dit wist ik, dat het sein was om het op eene andere wijze nog eensover te zeggen. »Ik merkte op, mylord, dat het onder uwe vrienden in Engeland veel bevreemding zoude wekken, dat iemand van zoo hooge afkomst als u, zijn leger in eene schuur, ging opslaan.»He?” zeide zijne lordschap.Dat gaat niet, dacht ik bij mijzelf: òf uwe lordschap, òf ikzelf, een van beiden zijn wij erg onbegrijpelijk. Ik zal het nog eens beproeven, zoo dood van den slaap als ik ben. »Ik zeg, mylord, dat als het volk in Engeland wist, dat gij in uw hart zoo’n zeeman zijt, zij bij geene uwer handelingen gek zouden opkijken; maar die u nu niet zoo goed kennen, zullen het zeer vreemd vinden, dat gij met zulk een kwartier tevreden zijt.”»Ah, zoo... o... o!” riep zijn lordschap, zegevierend uit.Welke verdere opmerkingen hij dien avond nog verkoos te maken, weet ik niet, want ik viel in een diepen slaap en ontwaakte niet vóór geheele hoenderbenden uit hare nesten opvlogen en een schrikbarend geweld om hun ontbijt begonnen te maken, toen zijn lordschap opstond, zichzelf eerst en toen mij, doch dit op eene heel andere wijze, wakker schudde; het beantwoordde evenwel aan de verwachting om mijn hoofd weer tot helderheid te brengen, dat door het kippengekakel alleen een weinig daartoe op weg was geraakt.»Kom! er uit, gij luie drommel,” riep mijn commandant. »Denkt gij den geheelen dag te blijven slapen? Wij hebben werk genoeg voor den boeg.”»Ja, ja, mylord,” zeide ik, vloog overeind en maakte in denzelfden korten tijd en op dezelfde manier als een Newfoundlandsche hond mijn toilet, n.l. door mij eens hartelijk te schudden.Eene groote partij van de equipage kwam onder geleide van den timmerman aan den wal, de noodige gereedschappen medebrengende voor het omhakken van boomen en bouwen van ruwe loodsen. Dit werk was noodig om onze arme landverhuizers onder dak te brengen. Het volk begon eene groote ruimte schoon te kappen, door tal van pijnboomen, waaruit hier het meerendeel der bosschen bestond, te vellen. Eene goede plek voor de woningen gevonden hebbende, plaatsten wij in langwerpig vierkant vier stammen in den grond, van boven van eene inkeping voorzien, waarop weer eene dwarspaal kwam te rusten. De ruimte hiertusschen werd weer door dunnere boomen, goed aaneengesloten, aangevuld, de deuren en vensters werden uitgespaard, dekleine openingen met klei en mos aangestampt, eindelijk het dak er op gebracht, bestaande uit de takken, de bladen en de bast van eene andere boomsoort. Door oefening werd ik langzamerhand een bekwaam bouwkundige, en zag kans met een dertig man, in eenen dag, een vrij goed huis samen te stellen.Door omhakken, branden en ontwortelen maakten wij nu verder zooveel land schoon, als noodig was om de kleine kolonie een jaar lang te onderhouden; en na een stuk met koren bezaaid en een ander met aardappelen bepoot te hebben, lieten wij nog allerlei artikelen van dagelijks voorkomende behoefte in de nieuwe vestiging achter, waarna wij onze planters aan hun verder lot overlieten. Tot mijn groote genoegen keerden wij daarop, overeenkomstig onze instructie, naar Halifax terug. Bij het binnenloopen aldaar was ik zoo verdiept in het uitkijken naar de verschillende balcons en ramen, waaruit bij ons vertrek, witte zakdoeken ons tot vaarwel hadden toegewuifd, dat ik verzuimde naar de dienstseinen te zien en daarvoor eene ernstige berisping van den commandant ontving.Het sein, dat ik niet had opgemerkt, woei van de Ceinturion, hetadmiraalsschip, en had een grooten invloed op onze naaste bestemming. De president van de Vereenigde Staten maakte aanstalten tot een oorlog tegen Engeland, wat eigenlijk door niemand verwacht was, en alle schepen in de haven van Halifax werden gereedgemaakt tot bevechten der Yankees. Het eskader zeilde in September uit, en na een kort wederzien nam ik nogmaals afscheid van mijne talrijke kennissen.

Elfde hoofdstuk.Voor dezen nieuwen tocht was inPortsmouthen in Spithead alles druk in de weer. Het krioelde aan den wal van soldaten en in de havens van transportvaartuigen. Ons fregat zou vooruitzeilen; doch onze dappere en beminde commandant werd tot ons leedwezen door een ander vervangen. In het laatst van Juli zeilden wij uit, met twee kanonneerbooten op sleeptouw, die wijzelf moesten bemannen. Van eene daarvan vroeg en verkreeg ik het commando, ten volle zeker dat ik op die wijze meer te doen en een vroolijker leven zou hebben, dan indien ik aan boord van het fregat bleef. Wij konvooieerden een veertig of vijftig transportbooten, die de cavalerie aan boord hadden en brachten deze veilig ter hoogte van Cadzand ten anker.Het weer was prachtig en de zee kalm; geen oogenblik liet men verloren gaan voor het ontschepen van troepen en paarden; het was een aardig gezicht. Eerst werden de ruiters den wal opgebracht met hunne zadels en tuigen; toen gingen de paarden overboord, geheschen in matten, die men dadelijk kon laten slippen, als zij te water waren; als zij zich vrij gevoelden, zwommen zij naar het strand, waar zij luid hinnekende aankwamen. Over den afstand van eene kwart mijl hadden wij te gelijk drie à vier honderd paarden, naar den wal zwemmmende, alwaar hunne ruiters hen ongeduldig stonden op te wachten. Nooit zag ik iets zoo schilderachtigs.De dienst op de kanonneerboot viel mij niet erg mede. Wij moesten, onder voortdurend alarm, bij Bath station houden. Toen later Vlissingen zich overgaf, kregen wij de handen wat ruimer en besteedden toen onzentijd aan de zorg voor onze tafel, welke reeds lang aan verschillende voorname zaken gebrek had gehad. Ons meeste geld hadden wij belegd in champagne en rooden wijn, waarmede wij niet zuinig omsprongen; wij konden bij gevolg maar weinige guldens missen voor den aankoop van hoenders en rundvleesch. Bovendien waren deze artikelen voor geld niet eens te krijgen; wij konden er alleen aan komen langs denzelfden weg, waardoor het geheele eiland Walcheren in ons bezit was geraakt, n.l. door kruit en lood. Het boerenvolk was zeer ruw en vrekkig en niet eens tot ruilhandel genegen; daar wij trouwens ook niets in ruil te geven hadden, bespaarden wij ons de moeite van te onderhandelen. Door eene ongelukkige kortzichtigheid, die ons overviel, zagen wij dikwijls kalkoenen voor fazanten, kippen en hanen voor patrijzen, eenden en ganzen voor hunne wilde stamverwanten aan. Ons geweten had ons verzoend met de vergunning, die wij namen om op dat wild te jagen; onze weitasschen waren ruim als ons geweten,—de nauwkeurigheid van ons schot geëvenredigd aan onzen eetlust.De boeren gingen er spoedig toe over hun pluimgedierte in de hokken te houden en ons in verschillende talen te verwenschen. Het werd nu zeer moeielijk en soms gevaarlijk om uit fourageeren te gaan. Eens met een troepje aan den wal zijnde, had ik bij ongeluk een kogel op mijn jachtroer geladen en schoot evenzeer bij ongeluk een kalf van vier maanden, dat ik voor een hert had aangezien. Dit was eene vergissing, die den beste had kunnen overkomen. Het beest was te zwaar om het zoo mede naar boord te nemen; ergo hakten wij het door midden, niet in de lengte van voren naar achteren, zooals onze stomme slagers doen, maar dwars over de ribben, wat wel zoo gemakkelijk is en het dragen vereenvoudigt. De voorste helft, met kop en al, stopten wij onder den grond voor den volgenden avond, de achterhelft namen wij mede.Onze handeling werd gezien en zoo goed mogelijk nagegaan op eene andere kanonneerboot, waarvan de bemanning alle reden had om even hongerig te zijn als wij; zij wisten een mijner matrozen te pakken te krijgen, die dwaas genoeg was, om ter wille van een pint grog de kat uit den zak te laten. De kerel vertelde waar wij de andere helft gestopt hadden, en dieoneerlijke schavuitengingen er op uit met bedoeling om deze voor zichzelf in te rekenen; maar zij waren niet slim genoeg en liepen er, zeer verdiend voor hunne inhaligheid, leelijk in. De boer, aan wien het kalf toebehoorde, was gewaarschuwd geworden. Hij begreep,dat wij het begraven halve beest zouden komen weghalen en had op die hoogte eenige soldaten in hinderlaag gelegd; dientengevolge werd het volk van de andere boot, die na donker er op uitgingen om den buit te halen, bij het opgraven overvallen, in arrest genomen en met achterlating van het kalfsvleesch, naar het Engelsche hoofdkwartier overgebracht.Terwijl de gevangengenomenen onder beschuldiging van rooverij, waarvan later de waarheid bewezen werd, naar boord van het vlaggeschip werden gezonden, namen wij ons halve kalf zonder stoornis in bezit. Toen bij het onderzoek aan het licht kwam, dat wij eigenlijk de hoofdschuldigen waren, baatte hun dit slechts weinig. Alleen werd toen ook onze boot geïnspecteerd, wat wij voorzien hadden. Tijdig hadden wij het vleesch in een zeildoekschen zak met een lijn er aan overboord in drie vademen water laten zinken; daar bleef het liggen tot het nazoeken was afgeloopen, werd toen opgevischt en maakte, smakelijk toebereid, den hoofdschotel van een flink middagmaal uit, waarbij wij op den voorspoed van ’s konings wapenen te land en ter zee menig glas ledigden.Niet lang daarna werd ik door de Zeeuwsche koortsen aangetast en met een der linieschepen naar huis teruggezonden. Misschien was die ontknooping maar de gelukkigste voor mij, want daar ik mijne oude streken niet zoo gemakkelijk kon afwennen, zou ik mogelijk tot groot verdriet van mijne vrienden en tot teleurstelling van den lezer dezer gedenkschriften, nog vóórdat het tweede meer boeiende gedeelte daarvan beginnen kon, een plotseling einde aan mijn schitterende loopbaan hebben zien maken, door een krijgsraadsvonnis, dat mij naar de galg verwees voor het stroopen op het erf van een Walcherschen boer. Bovendien bleken die Hollanders de vrijheid niet waardig te zijn,—daar zij ons zelfs eenige kippen en een stuk kalfsvleesch misgunden! aan ons, die speciaal waren overgekomen om hen van het juk van den overweldiger vrij te maken! Van Zeeland nam ik niet vele schoone indrukken met mij mede: laag moerassig land, onmogelijk drinkwater, zware mist en nattigheid, alles misschien zeer geschikt voor het volk, dat er woont, maar minder bruikbaar voor een Engelsch gentleman, als er geene Franschen dood te schieten waren, of de vrije jacht gesloten was, wat spoedig plaats vond na de overgave van Vlissingen.Ik keerde thans weer naar mijns vaders huis terug, ten einde door mijne zuster opgepast te worden en de buren verbaasd te doen staan bij het verhaal onzer verwonderlijke heldendaden.Mijn verblijf aldaar duurde echter niet langer dan noodig was om weer op krachten te komen van den ernstigen koortsaanval, waarmede ik aangekomen was. Hoewel mijn vader mij vriendelijk ontving, bleek het mij toch, dat hij het vroeger gebeurde niet geheel en al had kunnen vergeten. Er bleef altijd een soort van wantrouwen bij hem bestaan, dat de innigheid, die onzen omgang had behooren te kenmerken, voortdurend verstoorde.Toen dan ook de dag naderde, waarop ik weer geplaatst was aan boord van een fregat, dat in de Noord-Amerikaansche wateren gestationneerd zou worden, waren beide partijen tevreden.Mijn nieuwe schip werd gecommandeerd door een edelman; en daar te dier tijde de hoogere standen in den zeedienst slecht vertegenwoordigd waren, werd mijne benoeming als een buitenkansje beschouwd. Naar mijne nieuwe bestemming verkreeg ik, met nog een dertigtal andere adelborsten, passage aan boord van een naar de Bermudas bestemd linieschip. Aan ons, die in de bovenrol geplaatst waren, werd de konstabelskamer tot verblijf aangewezen, terwijl de adelborsten van het schip hun eigene voorlongroom met twee aangrenzende hutten behielden.Onder zooveel jongelieden, uiteenloopend van afkomst en bestemming en op verschillende tijdstippen aan boord gekomen, bleek het hoogst moeielijk een goed geordende tafel samen te houden. Spoedig na mijn aankomst vertrokken wij, en zoolang de reis duurde, moesten wij meerendeels van het scheepsrantsoen leven. Het heeft mij altijd verwonderd, hoe aan een bak van tien, twaalf matrozen of mariniers het rantsoen voldoende werd bevonden voor den tijd, dien het duren moest. Met adelborsten, in gelijken getale, kwam dit nooit behoorlijk uit, en hoe talrijker hun tafel was, des te meer was er te kort. Nooit hadden zij genoeg, nooit waren zij tevreden, en had de administrateur er niet een stopper opgezet, dan zouden zij bij den bottelier altijd voor meel, vleesch, spek en drank in het krijt gestaan hebben. Zoo iets is alleen aan groote zorgeloosheid en wanbeheer van de tafel toe te schrijven en bij ons bestond dit in zeer hooge mate. Onze huiselijke regeering was zeer democratisch; doch somtijds had de gamelle-chef weer de grootste macht, die hij òf misbruikte, òf vermoed werd te misbruiken,waarna hij afgezet werd, of wel met tegenzin zijne betrekking zelf nederlegde, als hij die pas een paar dagen had bekleed.De meeste mijner kameraden waren jongelieden, ouder dan ik in dienst, die hun examen reeds achter den rug hadden en naar Amerika medegingen om, aldaar aangekomen, promotie te maken. Hoe het komt, weet ik niet,—misschien omdat de meesten er tengerder dan ik uitzagen, of dat het bleek, dat ik een beter dienstdoener was,—maar de eerste officier maakte mij, met voorbijgang van anderen, den tweeden persoon op eene wacht, waardoor zij onder mijne bevelen kwamen.In de konstabelskamer werd dikwijls de vrede verstoord, en dit voornamelijk omdat er eten tekort kwam. Soms werden hierover hevige gevechten gehouden, waarin ik mij nooit mengde, doch die mij de overtuiging schonken dat, als het op boksen moest uitdraaien, ik voor geen hunner zou behoeven onder te doen.Het baantje van gamelle-chef was onbezoldigd en volstrekt toch geen eerepost, het werd vrijwillig aanvaard en met onverschilligheid weder neergelegd bij de minste kleinigheid. Met het scheepsrantsoen toe te komen, dat zou de beste niet hebben kunnen ten uitvoer brengen. De verdeeling van het vleesch en spek naar het aantal monden liep altijd vast uit op aanmerkingen, standjes en slagen. Ik, die daar geene ruzie voor overhad, nam altijd genoegen met mijn aandeel; maar ik begon nu ook te bemerken datmen misbruik ging maken van mijne inschikkelijkheid en mijne portie dagelijks kleiner werd. Toen nu reeds de dertiende chef zijne betrekking had neergelegd, bood ik mij daartoe aan en werd met blijdschap aangenomen.De gevaren en moeielijkheden van het baantje kennende, was ik er op voorbereid. Op den eersten dag, dat ik de provisiën verdeelde, droeg ik uitstekende zorg voor no. 1, en werd, zooals te verwachten was, door twee of drie anderen aangevallen over het leeuwenaandeel, dat ik van den buit had genomen. Hierop hield ik eene korte aanspraak, bewerende dat, als zij meenden, dat ik de moeite van het gamelle-chefschap voor niets op mij genomen had, zij het geheel mis hadden; dat het kleine verschil, dat er bestond tusschen mijn aandeel en dat van elk hunner, over den geheelen troep verdeeld, niet eens voldoende zou zijn om er eene holle kies mede te vullen; en dat ik, nadat het mijne er afgenomen was, al de rest zoude verdeelen met de striktste onpartijdigheid en billijkheid.Deze zeer redelijke toespraak was niet voldoende. Ik werd uitgedaagd om het geschil door een bokspartij te doen uitmaken; twee liefhebbers deden zich op. Ik stelde voor om er om op te gooien, wie de eerste zou zijn; spoedig den winner verslagen hebbende, gaf ik hem in overweging naar zijne plaats terug te keeren. De tweede stapte nu vooruit, er op rekenende, dat hij, nu ik reeds een gevecht achter den rug had, gemakkelijk met mij klaar zou komen; maar dat was mis; hij kreeg nog beter pak dan zijn voorganger. Den volgenden dag nam ik zitting, geheel klaar voor den strijd met jas, vest en halsdoek af. Ik merkte op, dat ik van plan was om evenzoo te doen als vroeger; maar er werd niet meer geklaagd, en ik bleef gamelle-chef tot op den dag dat ik van boord ging, en wel op tweederlei grond: ten eerste bij keuze, en ten tweede volgens het recht van den sterkste.Nog niet lang waren wij in zee, toen wij ontdekten, dat onze eerste officier een vreeselijke tiran, een ruwe kerel, een dronkaard en veelvraat was met een langen rooden neus en een ontzagwekkenden buik; hij zag er niets in om de groote adelborsten bij het half dozijn te gelijk naar de bramzaling te zenden. Ik nam mij voor dien man uit het schip te werken, deelde dit plan mijne kameraden mede en verzekerde hen van den goeden uitslag, indien zij trouw met mij medewerkten. Zij lachten mij uit; doch ik hield vol en beloofde het hem te zullen leveren, als zij maar zorgden elken dag eene lichte bestraffing of vermaning van »Neusje” op te loopen. Dit beloofden zij, en zoo ging er dan ook geen dag voorbij, of zij werden trouw het tuig ingezonden of op strafwacht gezet.Zij brachten verslag hiervan uit en vroegen mij, wat nu verder te doen viel. »Beklaag u bij den commandant,” zeide ik. Dit deden zij, doch kregen ten antwoord, dat de eerste officier overeenkomstig zijn plicht had gehandeld. Dezelfde aanleiding gaf dagelijks dezelfde gevolgen; wanneer de adelborsten hun beklag indienden, werden zij in het ongelijk gesteld. Ten laatste merkten zij op mijne aanwijzing bij den commandant op: »Het helpt ons toch niet, als wij klagen, kolonel; u trekt toch altijd partij voor Mr. Clewline.” Inderdaad gaf de commandant, uit een gevoel van behoorlijkheid, steeds, wanneer zulks mogelijkwas,de superieuren gelijk, wetende dat negen van de tien keeren de jonkers de schuld hadden.De zaak marcheerde naar wensch; de adelborsten gingen voort zich te misdragen,—beklaagden zich en verklaarden, dat de eerste officieronwaarheid vertelde. Een tijdlang geraakten eenigen hunner uit de gunst van den commandant; maar ik moedigde hen aan dit te verdragen, evenzeer als de toenemende gramschap van »Neusje.” Eens begonnen twee adelborsten, volgens afspraak, op de lijloopplank te vechten. In die dagen was dit al haast een misdrijf om voor gehangen te worden; zij werden drie uren lang met zitten op de bramzaling gestraft. Omlaaggekomen, vroegen zij mij weder wat nu te doen. »Ga u weer beklagen,” zeide ik. »Als de eerste officier er bij komt om te zeggen, dat ge aan ’t vechten waart, zeg dan aan den commandant, dat gij alleen toonen wildet, hoe de eerste officier gisteren bij het ophijschen der marszeilen, het volk liet mishandelen, en hoe hij dien marinier bij het afloopen van de kuiltrap op zijn hoofd sloeg.” Woordelijk werd dit opgevolgd. De adelborsten kregen eene nieuwe vermaning; maar de commandant begon toch te denken, dat er van die herhaalde en met den dag sterker wordende klachten wel een en ander waar kon zijn.Eindelijk waren wij in de gelegenheid hem dencoup de gracete geven. Een ongeluk van een jongen aan boord, die voor zijne vuilheid al dikwijls slaag, over een kanon vastgebonden, had gekregen, was zoo verhard, dat hij niets meer gaf om de slagen, die de eerste officier hem met het eind touw door den bootsman liet toedienen. »Ik zal het je bij dit en dat laten voelen!” riep de eerste officier in zijn woede; daarop liet hij eene puts met zeewater brengen en, na elken slag, den jongen op de geraakte plek daarmede besprenkelen. Deze verfijnde wreedheid, het karakter van een officier en gentleman zoo onwaardig, hinderde ons allen, en gezamelijk naar de konstabelkamer gaande, gaven wij in koor drie luide jammerkreten. Dit klonk hoogst zonderling; het werd in de longroom gehoord, en de eerste officier zond eene boodschap om te verzoeken, dat wij stil zouden zijn. Tot antwoord gaven wij drie nieuwe schreeuwen, zoodat hij in groote woede naar het halfdek vloog, waar wij allen verschijnen moesten en de reden van het leven, dat wij maakten, moesten opgeven. Tot op dat oogenblik had ik mij steeds op den achtergrond gehouden, zeer tevreden de poppen zoo goed aan het dansen gebracht te hebben. Ik had altijd juist bijzonder goed mijn dienst gedaan en geene aanleiding tot klachten gegeven; toen ik dus bij deze gelegenheid vooruittrad, maakte dit een schoon tooneeleffect en was van groote beteekenis.Ik vertelde den eersten officier, dat wij jammerden over den armen jongen, die bepekeld en mishandeld was geworden. Dit vermeerderde niet weinig zijne woede en hij gelastte mij om naar de bramzaling te gaan. Ik weigerde hieraan te voldoen, vóór ik den commandant gesproken had, die juist op dat oogenblik aan dek verscheen. Onmiddellijk liep ik op dezen toe, vertelde de geheele geschiedenis, niet verzuimende daarbij de herhaalde tirannieke handelingen van den eersten officier tegen ons in het helderst daglicht te stellen. Ik zag dadelijk, dat wij ons doel bereikt hadden. De commandant had de strengste bevelen gegeven, dat er, zonder zijn uitdrukkelijken last, geene lijfstraffen mochten uitgedeeld worden. Dit bevel had de eerste officier niet opgevolgd; hierom en doordien hij algemeen gehaat werd, was zijn lot beslist. De commandant ging de kajuit weder in en vertelde des anderen daags aan den eersten officier, dat hij bij aankomst in de eerste haven te kiezen had tusschen van boord gaan of voor een krijgsraad getrokken worden, wel wetende, dat hij zich aan het laatste niet zou durven wagen.Ik heb verzuimd mijnen lezers mede te deelen, dat onze instructie luidde: het Oost-Indische konvooi tot op tien graden Noorderbreedte te geleiden en eerst dán naar de Bermudas te stevenen. Dit was op zichzelf een aangename kruistocht en leverde kans op met den vijand samen te treffen of den een of anderen prijs te hernemen. Schepen, die niet voornemens zijn de linie te passeeren, geven gewoonlijk een feest aan de bemanning bij het voorbijgaan van den Noorderkeerkring; het is de bedoeling, daarmede den goeden geest levendig te houden en eenige afwisseling te geven in de eentonigheid van kruistocht of reis, waar anders de dagen elkander zoo volkomen gelijk opvolgen, dat men den tijd uit het oog zou verliezen. Onze commandant, nog jong en vroolijk van aard, die graag zijn volk genoegen gunde, voor zooverre dit met de tucht en de veiligheid van het schip bestaanbaar was, stond toe, dat het Neptunusfeest gevierd zou worden, omdat wij veilig in het hartje van den passaatwind voeren en er geen kans op weersverandering of buien bestond.Reeds dikwijls is de plechtigheid van het passeeren van de linie beschreven; maar er is verschil in de wijze, waarop het gevierd en verteld wordt; ons feest had zijne eigenaardigheden en eindigde, het spijt mij het te moeten zeggen, in een treurspel, dat ik nimmer kan vergeten.Des avonds vóór het feest hoorde men door eene vreemde stem, die als van buiten het schip scheen te komen, praaien: »Schip O hoy!” De officier van de wacht liet den commandant met deftigen ernst van die omstandigheid kennis geven. Deze kwam met den scheepsroeper gewapend naar boven en antwoordde, als gold het een vreemd vaartuig: »Ai Ai.”—»Wat schip is dat?” klonk het weder van uit de fokkerust, en nu had van voren naar achteren een samenspraak plaats, waarvan het gevolg was, dat Neptunus, die het schip had aangeroepen, vergunning kreeg des anderen daags aan boord te komen, ten einde de »baren” op zijn gebied in te wijden. Neptunus nam voorloopig weer afscheid en verdween in de groote schelp, waarin hij bij het schip was gekomen, voorgesteld door een brandende teerton, die nog lang daarna in het kielwater zichtbaar bleef.De volgende morgen brak, zooals te verwachten was, met het schoonste weder aan. Het dagelijksch morgenwerk werd met spoed afgedaan en de bemanning kleedde zich in het wit en zoo luchtig mogelijk. Toen alles gereed was, terwijl een groot zeil, dwars over het dek gespannen, allerlei geheimzinnigheden bleef verbergen, werd de plechtigheid van het aanpraaien van het schip nog even herhaald, om Neptunus aan boord te doen komen. De onderzeilen werden daarvoor geborgen en het groottuig tegengebrast, om de vaart van het schip te verminderen.Zoodra wij bijgedraaid lagen, trad een in zwarten rok gekleed jongmensch (een der matrozen) met gepoederde pruik en driekanten hoed op het hoofd, het halfdek op en maakte een zeer beleefde buiging voor den commandant, mededeelende dat hij de opperste lijf-geheimsecretaris van Zijne Majesteit Neptunus was, zijnen meester vooruitging en voor dezen vergunning verzocht zich met zijnen staf te vertoonen.Het zeil opende zich en de volgende zonderlinge stoet kwam in optocht het halfdek op:De kar van den Zeegod, bestaande in eene groote badkuip op het onderstel van een rolpaard geplaatst, getrokken door zes zwartgemaakte mannen, zeepaarden voorstellende, ging voorop. Het waren de flinkst gespierden uit onze matrozen; hun haar en de helft van het gelaat was onder zeewier verborgen; hunne kleeding bestond uit een zeer onkostbare korte katoenen broek; overigens waren zij volkomen naakt; hun huid was met roode en witte verf bespikkeldenaan de armendroegen zij zeeschelpen, die tegen elkander een zonderling kleppend geluid maakten. Neptunus zelf was met de meeste hoofdpersonen uit zijn gevolg gemaskerd. Geen van de officieren wist eigenlijk, wie van het volk voor den zeegod speelde, doch in die rol was deze bij uitnemendheid op zijne plaats. Hij droeg eene zeekroon (door den baas smid van scheepsblik vervaardigd), in de rechterhand hield hij een drietand, waarop een dolfijn was gestoken, volgens zijne bewering dien morgen gevangen; zijn hoofd was getooid met een groote pruik van geplozen werk en een zwaren baard, die hem tot op het middel hing, van dezelfde stof; zijn naakt lichaam was bedekt met een laag verf en poeder.De god was omringd door een prachtige hofhouding: zijn staatssecretaris, met het hoofd volgestoken met de slagpennen van zeevogels; zijn lijfarts met lancet, pillendoos en ruikflesch; zijn barbier met een scheermes van wel drie voet lengte, uit een ijzeren hoepel van een spekvat gesneden; en de barbiersknecht, die eene kleine tobbe voor inzeepbak droeg. De soort van zeep kon ik niet zien, doch de geur, die er uit opsteeg, overtuigde mij, dat zij niet uit de fabriek van Rimmels voorgangers afkomstig was.Amphitrite volgde nu in een kar, aan die van haren echtgenoot gelijk, getrokken door zes witte mannen, overeenkomstig het vorige zesspan uitgedost. Deze godin werd vertegenwoordigd door een zwaren, vierkanten kerel, die door de pokken geschonden was, doch vóór dien tijd al leelijk moet geweest zijn; hij was als vrouw gekleed, met eene groote floddermuts op het hoofd en versierd met knoppen van zeegras. De godin droeg een harpoen met een haring er op en had op haren schoot den kleinsten der scheepsjongens als zuigeling gekleed, met lange kleeren en een kindermuts op; deze hield een marlpriem in de hand, aan een eind lijn om den hals vastgemaakt;—dit diende als een hulpmiddel om het doorkomen van de tanden te bespoedigen, zooals men aan wal de kinderen op een stuk ivoor laat bijten. Zijne baker volgde hem met een pot vol brij, waaruit zij hem met den grooten kokslepel voeding aanbood. Twee of drie zware kerels waren als zeenimfen verkleed, behoorende tot de hofhouding der godin: zij droegen een toiletspiegel, eenige boenders voor haar- en tandenborstels, en een pot menie voor blanketsel.Zoodra de optocht zich reeds van verre aankondigde, kwam decommandant, gevolgd door den hofmeester met een flesch madera en een blad met glazen, uit de kajuit en werden de karren der zeegoden op het halfdek uitgespannen. Neptunus boog zijn drietand voorover en bood zijn dolfijn den commandant ten geschenke aan, zooals Amphitrite haren haring deed, ten teeken van onderwerping en hulde aan den Vertegenwoordiger van den koning van Groot-Brittanje.Neptunusfeest.Neptunusfeest.Pag. 136.»Ik ben hier gekomen,” zeide de god, »om u welkom te heeten in mijn gebied en u mijne vrouw en mijn kind voor te stellen.” De commandant maakte eene buiging. »Vergun mij te vragen naar de gezondheid van mijnen broeder en wettigen souverein, den goeden, ouden Koning George.”»Hij is niet zoo wel,” zeide de commandant, »als ik en al zijne onderdanen wel zouden wenschen.”»Dat is erg jammer,” vervolgde Neptunus. »En hoe vaart de Prins van Wales?”»De Prins is gezond,” antwoordde de commandant, »en regeert op dit oogenblik als regent in naam van zijn koninklijken vader.”»En hoe maakt hij het met zijne vrouw?” vroeg de uitvorschende god.»Dat mocht wel beter,” zeide de commandant; »zij kunnen samen over weg, als een walvisch met een hooivork.”»Zoo! dat dacht ik wel half en half,” sprak de god van de zee. »Zijne koninklijke hoogheid moest eens een kijkje bij mij nemen; dáár is het nooit twijfelachtig wie de commandeerende officier is.”»En wat is wel Uwer Majesteits huismiddel om een lastige vrouw mak te krijgen?” vroeg de commandant.»Drie voet van de contra-bas elken morgen vóór het ontbijt, een kwartier lang, maar ’s zondags een half uur.”»Hé, waarom ’s zondags meer dan door de week?” zeide de commandant.»Waarom?” herhaalde Neptunus. »Wel, omdat zij dan zeker zaterdagavond gehouden heeft, en ook omdat zij met den zondag minder te doen heeft, en dus meer tijd om over hare zonden na te denken en die te boeten.”»Maar gij zoudt toch niet verlangen, dat een Prins een dame sloeg?”»Zou ik niet? Neen, niet als zij zich heel netjes gedroeg als een dame; maar als zij veel praats had en niet nuchter wilde blijven, dan zou ik haar dienen zooals ik Amphi doe.—Is ’t niet waar, Amphi,” vervolgdehij, de godin bij de kin vattende, »op den bodem der zee hebben wij geene boosaardige vrouwen?—En daarom, als gij ze ginds niet in orde weet te houden, zend ze dan maar hierheen.”»Maar Uwer Majesteits geneesmiddel is nog al kras; wij zouden in Engeland een opstand krijgen, als de koning zijn gemalin ging slaan.”»Laat de lords kamerheeren het dan doen,” zeide de onvermurwbare god; »en als die te lui zijn, wat ik wel geloof dat het geval is, stuur dan om een bootsmansmaat van de Royal Billy. Ik verzeker u, die zou haar bedienen, en die zou voor een halve kan rum er bij de gardes op den koop toe er horlepijp bij leeren dansen.”»Ik zal niet verzuimen zijne koninklijk hoogheid uw advies mede te deelen, mijnheer Neptunus, doch ik durf niet verzekeren, dat het opgevolgd wordt. Wat zegt gij er van om eens te drinken op de gezondheid van zijne vorstelijke hoogheid?”»Van ganscher harte, sir; ik ben altijd trouw aan mijn koning geweest, en steeds bereid op zijn welzijn te drinken, en voor hem te vechten.”De commandant bood daarop god en godin elk een glas madera aan.»Op de gezondheid en het lange leven van onzen genadigen koning en de geheele koninklijke familie. De wegen zijn buitengewoon stoffig, en wij hebben droge lippen, sedert wij van morgen St. Thomas, onder de linie, verlaten hebben. Maar wij hebben geen tijd te verliezen, commandant,” zei de zeegod; »ik zie hier een boel nieuwe gezichten, die alle gewasschen en geschoren moeten worden; en als wij ze wat laten bloeden en medecineeren, zullen zij er te beter om zijn.”De commandant knikte toestemmend; en Neptunus met zijn drietand op het dek stampende, beval attentie en sprak zijn gevolg aldus aan: »Luistert goed, mijne Tritons, gij zijt hier gekomen om te scheren, af te spoelen en te genezen, een ieder die zulks noodig heeft; maar ik verlang, dat gij daarbij zachtzinnig zult te werk gaan. Ik duld geene misbruiken; als wij een slechten naam krijgen, is het uit met de klandizie; en de eerste uwer, die aan mijne bevelen ongehoorzaam is, laat ik binden aan een 10-duims mortier en daarmede tienduizend vademen diep in den oceaan zakken, waar hij zich honderd jaren lang vetmesten mag met zeewater en zeegras. En nu aan het werk!” Twaalf politieagenten, met dikke stokken, posteerden zich onmiddellijk bij de luiken, joegen allen op, die nog niet gedoopt waren, en hielden strikt de wacht bij het één voor één aflezen der namen.Voor het groote bad had men een onderlijzeil, dubbel genomen, gespannen tusschen eenige spieren aan den voorkant van den grooten mast. Eenmaal nat, liet dit zeil slechts weinig water door, werd volgemaakt met putsen en volgehouden door de brandspuit, die tevens diende om elk die uit de handen van den barbier in het bad kwam, met een krachtigen waterstraal te geeselen. De meeste officieren kochten zich vrij van scheren en innemen, door een flesch rum te offeren; maar niemand liep vrij van het nat gooien met zeewater, waarmede men dien dag zeer overvloedig omsprong; zelfs de commandant kreeg zijn aandeel, maar bleef er welgemutst onder en had veel genoegen in de aardigheid. Bij deze gelegenheid viel duidelijk in het oog, wie bij de equipage in gunst stonden, namelijk door den graad van gestrengheid, waarmede zij behandeld werden.De nieuweling werd, los geblinddoekt, op eene spier van de doopvont geplaatst; de vraag werd hem gedaan, waar hij geboren was, en op het oogenblik, waarop hij den mond tot antwoorden opende, kreeg hij het zeepkwastje van den barbier, eene verfkwast der grootste soort, besmeerd met een onoogelijk mengsel van koolteer en uitschraapsel van de veehokken, in den mond, en langs wangen en kin; vrij onzacht werd dit met het bovenomschreven scheermes afgestreken. De dokter voelde daarop den pols en schreef eene pil voor, die in de wang werd gestopt; daarop werd de ruikflesch, waarvan de kurk met korte naaldenpunten was volgestoken, zoo stevig langs den neus gestreken, dat hij bloedige sporen achterliet. Als dit afgeloopen was, werd de baar, door een lichten duw van voren, achterover in het bad gegooid, waaruit hij maar trachten moest te ontsnappen door een kring van met stokken gewapende saters en de brandspuit, die hem waarnamen tot de komst van zijn opvolger.De konstabelsmaat, een paar van de korporaals der mariniers en de bottelier werden ongenadig behandeld. De adelborsten, die hun beurt gehad hadden, lagen op de loer voor den eersten officier, doch deze hield zich zoo na aangesloten onder de vleugels van den commandant, dat hij moeielijk te genaken was. Eindelijk was er eenig rumoer in het benedenschip, waar hij op af moest; dit was eene geschikte gelegenheid; wij omringden hem, voorzien van den noodigen watervoorraad, en doopten hem zoo duchtig, dat hij met vaart langs een achtertrap ontsnapte, op weg naar de longroom. Vóór hij in het benedenportaalbeland was, ontving hij nog eenige ledige brandemmers, die ons, bij ongeluk natuurlijk, uit de handen geglipt waren, op het hoofd.De administrateur had zich in zijn hut opgesloten en deze gebarrikadeerd; met zijn degen en pistolen dreigde hij de indringers; doch de adelborsten lieten zich door zulk een kleinigheid niet afschrikken; zij wisten hem er toch uit te krijgen en een buitengewoon stortbad te geven, onder opmerking: dat dit de straf was, omdat hij nooit eens wat drank boven ons rantsoen had willen doen verstrekken. Hij werd daarop met statie naar het bovendek gebracht, het zwaard boven zijn hoofd gehouden en zijne pistolen, hoogst onschadelijk, in een puts met water voor hem uit gedragen; daar werd hij nog eens geschoren, kreeg eene behoorlijke pil in en onderging den reglementairen doop in het zeil, waarna hij als een druipend schoothondje mocht aftrekken.De eerste luitenant van de mariniers stond te boek als een vervelend mensch; steeds hinderde hij ons door zijn fluitspelen. Zelf geen gehoor hebbende, had hij niet het minste medelijden met het onze; op zijn beurt werd hij naar het bad gebracht; boven alle andere uitspanningen van dien dag, had hij het voorrecht een halve kan zeewater te moeten uitdrinken, dat wij hem door zijn eigen fluit als een trechter ingaven.Tot zoover ging alles prettig en vroolijk toe; maar spoedig veranderde dit. Een van de voortopsgasten viel overboord; dadelijk werd het alarmsein gegeven en het schip bijgedraaid. Ik vloog naar de kampanje, en ziende, dat de man niet kon zwemmen, sprong ik te water om hem te redden. Door de groote hoogtevan mijnensprong, ging ik er zeer diep in en zag, bovenkomende, een zijner handen. Ik zwom er heen; maar groote God! wat ontstelde ik, toen ik mij midden in een bloedplas zag. In een oogwenk begreep ik, dat wij hier met haaien te doen hadden, en het lot, dat ook mij boven het hoofd hing. Ik was zoo verstijfd van schrik, dat het mij verwondert toen niet dadelijk gezonken te zijn van den angst. Het schip, dat voor het opsteken zes à zeven mijl geloopen had, was nog een heel eind doorgedwaald en zoover af, dat ik mij verloren waande. Ik had bijna het denkvermogen verloren door de nabijheid van den dood in zijne vreeselijkste gedaante. Toch kreeg ik nog een helder oogenblik, waarin mijne daden in de laatste vijf jaren in ééne minuut mijne herinnering doorliepen. Vurig bad ik en beloofde beterschap, als God mij het leven mocht sparen. Mijngebed werd verhoord. Ik was reeds eene mijl van het schip af, toen ik opgepikt werd; toen de sloep met mij op zijde van het schip kwam, zwommen er drie groote haaien onder den spiegel. Deze hadden den armen matroos verslonden en hadden, gelukkig voor mij, in de hoop van meer buit, het schip gevolgd en mij dus voorbij gezien.Toen ik den valreep opkwam, werd ik door den commandant en de officieren op de meest vleiende wijze verwelkomd; de eerste dankte mij ten aanhoore van de geheele bemanning voor mijn prijzenswaardig gedrag, en ik werd door allen aangestaard als een voorwerp van belangstelling en bewondering; maar terwijl anderen mij zoo beoordeelden, was ik inwendig niet zóó voldaan. Ik ging naar omlaag, in een niet te beschrijven stemming van zelfverwijt en eigen minachting, en gevoelde mij de genade, die mij bewezen was, onwaardig. Mijne vroegere schandelijke levenswijze stond, met de zwartste kleuren geteekend, in alle duidelijkheid voor mijnen geest. Ik had de overtuiging een verhard en onverbeterlijk zondaar te zijn.Van kleeding verwisseld hebbende, was ik blijde, toen de invallende nacht mij aan mijne overpeinzingen overliet. Deze werden er echter niet vroolijker om. Ik zag in, dat ik alleen deugdzaam was, zoolang de gelegenheid om te zondigen ontbrak. Nog jaren daarna stond mij het schrikbeeld van een grooten haai voor den geest, met wijdgeopenden bek, op het punt mij bij het been te vatten, en naar de diepte mee te sleuren.—Ware ik destijds onder die gunstige indrukken slechts in goede handen gevallen!Onze genoegens in de konstabelskamer waren van een zeer ruwe soort en bestonden grootendeels uit aardigheden onder elkander, waartoe veel krachtsinspanning noodig was. Menigeen kreeg onder zulk spel een schop of klap; doch in de vroolijkheid werd daarop minder gelet. Eens werd ik bij zulk eene gelegenheid hevig aangevallen door een der oudste adelborsten, die zich bij den konstabel-majoor bedronken had,daaropbij ons binnenkwam en niet wist wat er gaande was. Daarop van mij een fikschen stomp tusschen de oogen ontvangende, was hij achterovergeslagen, midden tusschen het tafelservies, dat op dek stond in afwachting van weggeborgen te worden. Woedend om het daarop gevolgd gelach en de pijnlijkheid van den ontvangen slag, pakte hij eene vleeschvork op, en voordat iemand wist, wat hij in den zin had, stak hij mij daarmede vier malen. Ik vloog op om hem te straffen, maarzoodra ik overeind was, gevoelde ik mij te stijf om mij te bewegen en viel in de armen mijner kameraden.De dokter onderzocht de wonden, die zeer ernstig waren; twee waren rakelings aan een slagader. Ik werd naar mijne kooi gebracht, die ik in geene drie weken kon verlaten. De dader had, toen hij nuchter was, diep leedwezen over het gebeurde en smeekte mij om vergeving. Uit mijn aard goedhartig, en ontwapend door zijne onderwerping, schonk ik hem vergiffenis. De dokter meldde mij ziek aan de koorts, wat op zichzelf waar was; had de commandant de ware toedracht van zaken gekend, dan zou onze jonker, wiens promotie al geteekend aan boord was, om bij onze aankomst op de Bermudas uitgereikt te worden, zeker niet benoemd zijn. Mijne goedheid wondde hem, geloof ik, meer dan mijne wraakzucht zou gedaan hebben; hij trok zich het gebeurde sterk aan, schafte den drank af en toonde zich later zeer aan mij gehecht. Ik beschouw dit als eene der goede daden van mijn leven en erken, dat ik er met groot genot aan terugdenk.Na het konvooi op 10oNoorderbreedte aan zijn lot te hebben overgelaten, kwamen wij spoedig op de Bermudas aan. De bovenrols-adelborsten werden allen naar hunne eigen schepen gezonden; en vóór wij van elkander scheidden, hadden wij het genoegen den eersten officier met een naar Engeland bestemd schip te zien vertrekken. Met den goeden uitslag van onze krijgslist wenschten wij elkander geluk.

Voor dezen nieuwen tocht was inPortsmouthen in Spithead alles druk in de weer. Het krioelde aan den wal van soldaten en in de havens van transportvaartuigen. Ons fregat zou vooruitzeilen; doch onze dappere en beminde commandant werd tot ons leedwezen door een ander vervangen. In het laatst van Juli zeilden wij uit, met twee kanonneerbooten op sleeptouw, die wijzelf moesten bemannen. Van eene daarvan vroeg en verkreeg ik het commando, ten volle zeker dat ik op die wijze meer te doen en een vroolijker leven zou hebben, dan indien ik aan boord van het fregat bleef. Wij konvooieerden een veertig of vijftig transportbooten, die de cavalerie aan boord hadden en brachten deze veilig ter hoogte van Cadzand ten anker.

Het weer was prachtig en de zee kalm; geen oogenblik liet men verloren gaan voor het ontschepen van troepen en paarden; het was een aardig gezicht. Eerst werden de ruiters den wal opgebracht met hunne zadels en tuigen; toen gingen de paarden overboord, geheschen in matten, die men dadelijk kon laten slippen, als zij te water waren; als zij zich vrij gevoelden, zwommen zij naar het strand, waar zij luid hinnekende aankwamen. Over den afstand van eene kwart mijl hadden wij te gelijk drie à vier honderd paarden, naar den wal zwemmmende, alwaar hunne ruiters hen ongeduldig stonden op te wachten. Nooit zag ik iets zoo schilderachtigs.

De dienst op de kanonneerboot viel mij niet erg mede. Wij moesten, onder voortdurend alarm, bij Bath station houden. Toen later Vlissingen zich overgaf, kregen wij de handen wat ruimer en besteedden toen onzentijd aan de zorg voor onze tafel, welke reeds lang aan verschillende voorname zaken gebrek had gehad. Ons meeste geld hadden wij belegd in champagne en rooden wijn, waarmede wij niet zuinig omsprongen; wij konden bij gevolg maar weinige guldens missen voor den aankoop van hoenders en rundvleesch. Bovendien waren deze artikelen voor geld niet eens te krijgen; wij konden er alleen aan komen langs denzelfden weg, waardoor het geheele eiland Walcheren in ons bezit was geraakt, n.l. door kruit en lood. Het boerenvolk was zeer ruw en vrekkig en niet eens tot ruilhandel genegen; daar wij trouwens ook niets in ruil te geven hadden, bespaarden wij ons de moeite van te onderhandelen. Door eene ongelukkige kortzichtigheid, die ons overviel, zagen wij dikwijls kalkoenen voor fazanten, kippen en hanen voor patrijzen, eenden en ganzen voor hunne wilde stamverwanten aan. Ons geweten had ons verzoend met de vergunning, die wij namen om op dat wild te jagen; onze weitasschen waren ruim als ons geweten,—de nauwkeurigheid van ons schot geëvenredigd aan onzen eetlust.

De boeren gingen er spoedig toe over hun pluimgedierte in de hokken te houden en ons in verschillende talen te verwenschen. Het werd nu zeer moeielijk en soms gevaarlijk om uit fourageeren te gaan. Eens met een troepje aan den wal zijnde, had ik bij ongeluk een kogel op mijn jachtroer geladen en schoot evenzeer bij ongeluk een kalf van vier maanden, dat ik voor een hert had aangezien. Dit was eene vergissing, die den beste had kunnen overkomen. Het beest was te zwaar om het zoo mede naar boord te nemen; ergo hakten wij het door midden, niet in de lengte van voren naar achteren, zooals onze stomme slagers doen, maar dwars over de ribben, wat wel zoo gemakkelijk is en het dragen vereenvoudigt. De voorste helft, met kop en al, stopten wij onder den grond voor den volgenden avond, de achterhelft namen wij mede.

Onze handeling werd gezien en zoo goed mogelijk nagegaan op eene andere kanonneerboot, waarvan de bemanning alle reden had om even hongerig te zijn als wij; zij wisten een mijner matrozen te pakken te krijgen, die dwaas genoeg was, om ter wille van een pint grog de kat uit den zak te laten. De kerel vertelde waar wij de andere helft gestopt hadden, en dieoneerlijke schavuitengingen er op uit met bedoeling om deze voor zichzelf in te rekenen; maar zij waren niet slim genoeg en liepen er, zeer verdiend voor hunne inhaligheid, leelijk in. De boer, aan wien het kalf toebehoorde, was gewaarschuwd geworden. Hij begreep,dat wij het begraven halve beest zouden komen weghalen en had op die hoogte eenige soldaten in hinderlaag gelegd; dientengevolge werd het volk van de andere boot, die na donker er op uitgingen om den buit te halen, bij het opgraven overvallen, in arrest genomen en met achterlating van het kalfsvleesch, naar het Engelsche hoofdkwartier overgebracht.

Terwijl de gevangengenomenen onder beschuldiging van rooverij, waarvan later de waarheid bewezen werd, naar boord van het vlaggeschip werden gezonden, namen wij ons halve kalf zonder stoornis in bezit. Toen bij het onderzoek aan het licht kwam, dat wij eigenlijk de hoofdschuldigen waren, baatte hun dit slechts weinig. Alleen werd toen ook onze boot geïnspecteerd, wat wij voorzien hadden. Tijdig hadden wij het vleesch in een zeildoekschen zak met een lijn er aan overboord in drie vademen water laten zinken; daar bleef het liggen tot het nazoeken was afgeloopen, werd toen opgevischt en maakte, smakelijk toebereid, den hoofdschotel van een flink middagmaal uit, waarbij wij op den voorspoed van ’s konings wapenen te land en ter zee menig glas ledigden.

Niet lang daarna werd ik door de Zeeuwsche koortsen aangetast en met een der linieschepen naar huis teruggezonden. Misschien was die ontknooping maar de gelukkigste voor mij, want daar ik mijne oude streken niet zoo gemakkelijk kon afwennen, zou ik mogelijk tot groot verdriet van mijne vrienden en tot teleurstelling van den lezer dezer gedenkschriften, nog vóórdat het tweede meer boeiende gedeelte daarvan beginnen kon, een plotseling einde aan mijn schitterende loopbaan hebben zien maken, door een krijgsraadsvonnis, dat mij naar de galg verwees voor het stroopen op het erf van een Walcherschen boer. Bovendien bleken die Hollanders de vrijheid niet waardig te zijn,—daar zij ons zelfs eenige kippen en een stuk kalfsvleesch misgunden! aan ons, die speciaal waren overgekomen om hen van het juk van den overweldiger vrij te maken! Van Zeeland nam ik niet vele schoone indrukken met mij mede: laag moerassig land, onmogelijk drinkwater, zware mist en nattigheid, alles misschien zeer geschikt voor het volk, dat er woont, maar minder bruikbaar voor een Engelsch gentleman, als er geene Franschen dood te schieten waren, of de vrije jacht gesloten was, wat spoedig plaats vond na de overgave van Vlissingen.

Ik keerde thans weer naar mijns vaders huis terug, ten einde door mijne zuster opgepast te worden en de buren verbaasd te doen staan bij het verhaal onzer verwonderlijke heldendaden.

Mijn verblijf aldaar duurde echter niet langer dan noodig was om weer op krachten te komen van den ernstigen koortsaanval, waarmede ik aangekomen was. Hoewel mijn vader mij vriendelijk ontving, bleek het mij toch, dat hij het vroeger gebeurde niet geheel en al had kunnen vergeten. Er bleef altijd een soort van wantrouwen bij hem bestaan, dat de innigheid, die onzen omgang had behooren te kenmerken, voortdurend verstoorde.

Toen dan ook de dag naderde, waarop ik weer geplaatst was aan boord van een fregat, dat in de Noord-Amerikaansche wateren gestationneerd zou worden, waren beide partijen tevreden.

Mijn nieuwe schip werd gecommandeerd door een edelman; en daar te dier tijde de hoogere standen in den zeedienst slecht vertegenwoordigd waren, werd mijne benoeming als een buitenkansje beschouwd. Naar mijne nieuwe bestemming verkreeg ik, met nog een dertigtal andere adelborsten, passage aan boord van een naar de Bermudas bestemd linieschip. Aan ons, die in de bovenrol geplaatst waren, werd de konstabelskamer tot verblijf aangewezen, terwijl de adelborsten van het schip hun eigene voorlongroom met twee aangrenzende hutten behielden.

Onder zooveel jongelieden, uiteenloopend van afkomst en bestemming en op verschillende tijdstippen aan boord gekomen, bleek het hoogst moeielijk een goed geordende tafel samen te houden. Spoedig na mijn aankomst vertrokken wij, en zoolang de reis duurde, moesten wij meerendeels van het scheepsrantsoen leven. Het heeft mij altijd verwonderd, hoe aan een bak van tien, twaalf matrozen of mariniers het rantsoen voldoende werd bevonden voor den tijd, dien het duren moest. Met adelborsten, in gelijken getale, kwam dit nooit behoorlijk uit, en hoe talrijker hun tafel was, des te meer was er te kort. Nooit hadden zij genoeg, nooit waren zij tevreden, en had de administrateur er niet een stopper opgezet, dan zouden zij bij den bottelier altijd voor meel, vleesch, spek en drank in het krijt gestaan hebben. Zoo iets is alleen aan groote zorgeloosheid en wanbeheer van de tafel toe te schrijven en bij ons bestond dit in zeer hooge mate. Onze huiselijke regeering was zeer democratisch; doch somtijds had de gamelle-chef weer de grootste macht, die hij òf misbruikte, òf vermoed werd te misbruiken,waarna hij afgezet werd, of wel met tegenzin zijne betrekking zelf nederlegde, als hij die pas een paar dagen had bekleed.

De meeste mijner kameraden waren jongelieden, ouder dan ik in dienst, die hun examen reeds achter den rug hadden en naar Amerika medegingen om, aldaar aangekomen, promotie te maken. Hoe het komt, weet ik niet,—misschien omdat de meesten er tengerder dan ik uitzagen, of dat het bleek, dat ik een beter dienstdoener was,—maar de eerste officier maakte mij, met voorbijgang van anderen, den tweeden persoon op eene wacht, waardoor zij onder mijne bevelen kwamen.

In de konstabelskamer werd dikwijls de vrede verstoord, en dit voornamelijk omdat er eten tekort kwam. Soms werden hierover hevige gevechten gehouden, waarin ik mij nooit mengde, doch die mij de overtuiging schonken dat, als het op boksen moest uitdraaien, ik voor geen hunner zou behoeven onder te doen.

Het baantje van gamelle-chef was onbezoldigd en volstrekt toch geen eerepost, het werd vrijwillig aanvaard en met onverschilligheid weder neergelegd bij de minste kleinigheid. Met het scheepsrantsoen toe te komen, dat zou de beste niet hebben kunnen ten uitvoer brengen. De verdeeling van het vleesch en spek naar het aantal monden liep altijd vast uit op aanmerkingen, standjes en slagen. Ik, die daar geene ruzie voor overhad, nam altijd genoegen met mijn aandeel; maar ik begon nu ook te bemerken datmen misbruik ging maken van mijne inschikkelijkheid en mijne portie dagelijks kleiner werd. Toen nu reeds de dertiende chef zijne betrekking had neergelegd, bood ik mij daartoe aan en werd met blijdschap aangenomen.

De gevaren en moeielijkheden van het baantje kennende, was ik er op voorbereid. Op den eersten dag, dat ik de provisiën verdeelde, droeg ik uitstekende zorg voor no. 1, en werd, zooals te verwachten was, door twee of drie anderen aangevallen over het leeuwenaandeel, dat ik van den buit had genomen. Hierop hield ik eene korte aanspraak, bewerende dat, als zij meenden, dat ik de moeite van het gamelle-chefschap voor niets op mij genomen had, zij het geheel mis hadden; dat het kleine verschil, dat er bestond tusschen mijn aandeel en dat van elk hunner, over den geheelen troep verdeeld, niet eens voldoende zou zijn om er eene holle kies mede te vullen; en dat ik, nadat het mijne er afgenomen was, al de rest zoude verdeelen met de striktste onpartijdigheid en billijkheid.

Deze zeer redelijke toespraak was niet voldoende. Ik werd uitgedaagd om het geschil door een bokspartij te doen uitmaken; twee liefhebbers deden zich op. Ik stelde voor om er om op te gooien, wie de eerste zou zijn; spoedig den winner verslagen hebbende, gaf ik hem in overweging naar zijne plaats terug te keeren. De tweede stapte nu vooruit, er op rekenende, dat hij, nu ik reeds een gevecht achter den rug had, gemakkelijk met mij klaar zou komen; maar dat was mis; hij kreeg nog beter pak dan zijn voorganger. Den volgenden dag nam ik zitting, geheel klaar voor den strijd met jas, vest en halsdoek af. Ik merkte op, dat ik van plan was om evenzoo te doen als vroeger; maar er werd niet meer geklaagd, en ik bleef gamelle-chef tot op den dag dat ik van boord ging, en wel op tweederlei grond: ten eerste bij keuze, en ten tweede volgens het recht van den sterkste.

Nog niet lang waren wij in zee, toen wij ontdekten, dat onze eerste officier een vreeselijke tiran, een ruwe kerel, een dronkaard en veelvraat was met een langen rooden neus en een ontzagwekkenden buik; hij zag er niets in om de groote adelborsten bij het half dozijn te gelijk naar de bramzaling te zenden. Ik nam mij voor dien man uit het schip te werken, deelde dit plan mijne kameraden mede en verzekerde hen van den goeden uitslag, indien zij trouw met mij medewerkten. Zij lachten mij uit; doch ik hield vol en beloofde het hem te zullen leveren, als zij maar zorgden elken dag eene lichte bestraffing of vermaning van »Neusje” op te loopen. Dit beloofden zij, en zoo ging er dan ook geen dag voorbij, of zij werden trouw het tuig ingezonden of op strafwacht gezet.

Zij brachten verslag hiervan uit en vroegen mij, wat nu verder te doen viel. »Beklaag u bij den commandant,” zeide ik. Dit deden zij, doch kregen ten antwoord, dat de eerste officier overeenkomstig zijn plicht had gehandeld. Dezelfde aanleiding gaf dagelijks dezelfde gevolgen; wanneer de adelborsten hun beklag indienden, werden zij in het ongelijk gesteld. Ten laatste merkten zij op mijne aanwijzing bij den commandant op: »Het helpt ons toch niet, als wij klagen, kolonel; u trekt toch altijd partij voor Mr. Clewline.” Inderdaad gaf de commandant, uit een gevoel van behoorlijkheid, steeds, wanneer zulks mogelijkwas,de superieuren gelijk, wetende dat negen van de tien keeren de jonkers de schuld hadden.

De zaak marcheerde naar wensch; de adelborsten gingen voort zich te misdragen,—beklaagden zich en verklaarden, dat de eerste officieronwaarheid vertelde. Een tijdlang geraakten eenigen hunner uit de gunst van den commandant; maar ik moedigde hen aan dit te verdragen, evenzeer als de toenemende gramschap van »Neusje.” Eens begonnen twee adelborsten, volgens afspraak, op de lijloopplank te vechten. In die dagen was dit al haast een misdrijf om voor gehangen te worden; zij werden drie uren lang met zitten op de bramzaling gestraft. Omlaaggekomen, vroegen zij mij weder wat nu te doen. »Ga u weer beklagen,” zeide ik. »Als de eerste officier er bij komt om te zeggen, dat ge aan ’t vechten waart, zeg dan aan den commandant, dat gij alleen toonen wildet, hoe de eerste officier gisteren bij het ophijschen der marszeilen, het volk liet mishandelen, en hoe hij dien marinier bij het afloopen van de kuiltrap op zijn hoofd sloeg.” Woordelijk werd dit opgevolgd. De adelborsten kregen eene nieuwe vermaning; maar de commandant begon toch te denken, dat er van die herhaalde en met den dag sterker wordende klachten wel een en ander waar kon zijn.

Eindelijk waren wij in de gelegenheid hem dencoup de gracete geven. Een ongeluk van een jongen aan boord, die voor zijne vuilheid al dikwijls slaag, over een kanon vastgebonden, had gekregen, was zoo verhard, dat hij niets meer gaf om de slagen, die de eerste officier hem met het eind touw door den bootsman liet toedienen. »Ik zal het je bij dit en dat laten voelen!” riep de eerste officier in zijn woede; daarop liet hij eene puts met zeewater brengen en, na elken slag, den jongen op de geraakte plek daarmede besprenkelen. Deze verfijnde wreedheid, het karakter van een officier en gentleman zoo onwaardig, hinderde ons allen, en gezamelijk naar de konstabelkamer gaande, gaven wij in koor drie luide jammerkreten. Dit klonk hoogst zonderling; het werd in de longroom gehoord, en de eerste officier zond eene boodschap om te verzoeken, dat wij stil zouden zijn. Tot antwoord gaven wij drie nieuwe schreeuwen, zoodat hij in groote woede naar het halfdek vloog, waar wij allen verschijnen moesten en de reden van het leven, dat wij maakten, moesten opgeven. Tot op dat oogenblik had ik mij steeds op den achtergrond gehouden, zeer tevreden de poppen zoo goed aan het dansen gebracht te hebben. Ik had altijd juist bijzonder goed mijn dienst gedaan en geene aanleiding tot klachten gegeven; toen ik dus bij deze gelegenheid vooruittrad, maakte dit een schoon tooneeleffect en was van groote beteekenis.

Ik vertelde den eersten officier, dat wij jammerden over den armen jongen, die bepekeld en mishandeld was geworden. Dit vermeerderde niet weinig zijne woede en hij gelastte mij om naar de bramzaling te gaan. Ik weigerde hieraan te voldoen, vóór ik den commandant gesproken had, die juist op dat oogenblik aan dek verscheen. Onmiddellijk liep ik op dezen toe, vertelde de geheele geschiedenis, niet verzuimende daarbij de herhaalde tirannieke handelingen van den eersten officier tegen ons in het helderst daglicht te stellen. Ik zag dadelijk, dat wij ons doel bereikt hadden. De commandant had de strengste bevelen gegeven, dat er, zonder zijn uitdrukkelijken last, geene lijfstraffen mochten uitgedeeld worden. Dit bevel had de eerste officier niet opgevolgd; hierom en doordien hij algemeen gehaat werd, was zijn lot beslist. De commandant ging de kajuit weder in en vertelde des anderen daags aan den eersten officier, dat hij bij aankomst in de eerste haven te kiezen had tusschen van boord gaan of voor een krijgsraad getrokken worden, wel wetende, dat hij zich aan het laatste niet zou durven wagen.

Ik heb verzuimd mijnen lezers mede te deelen, dat onze instructie luidde: het Oost-Indische konvooi tot op tien graden Noorderbreedte te geleiden en eerst dán naar de Bermudas te stevenen. Dit was op zichzelf een aangename kruistocht en leverde kans op met den vijand samen te treffen of den een of anderen prijs te hernemen. Schepen, die niet voornemens zijn de linie te passeeren, geven gewoonlijk een feest aan de bemanning bij het voorbijgaan van den Noorderkeerkring; het is de bedoeling, daarmede den goeden geest levendig te houden en eenige afwisseling te geven in de eentonigheid van kruistocht of reis, waar anders de dagen elkander zoo volkomen gelijk opvolgen, dat men den tijd uit het oog zou verliezen. Onze commandant, nog jong en vroolijk van aard, die graag zijn volk genoegen gunde, voor zooverre dit met de tucht en de veiligheid van het schip bestaanbaar was, stond toe, dat het Neptunusfeest gevierd zou worden, omdat wij veilig in het hartje van den passaatwind voeren en er geen kans op weersverandering of buien bestond.

Reeds dikwijls is de plechtigheid van het passeeren van de linie beschreven; maar er is verschil in de wijze, waarop het gevierd en verteld wordt; ons feest had zijne eigenaardigheden en eindigde, het spijt mij het te moeten zeggen, in een treurspel, dat ik nimmer kan vergeten.

Des avonds vóór het feest hoorde men door eene vreemde stem, die als van buiten het schip scheen te komen, praaien: »Schip O hoy!” De officier van de wacht liet den commandant met deftigen ernst van die omstandigheid kennis geven. Deze kwam met den scheepsroeper gewapend naar boven en antwoordde, als gold het een vreemd vaartuig: »Ai Ai.”—»Wat schip is dat?” klonk het weder van uit de fokkerust, en nu had van voren naar achteren een samenspraak plaats, waarvan het gevolg was, dat Neptunus, die het schip had aangeroepen, vergunning kreeg des anderen daags aan boord te komen, ten einde de »baren” op zijn gebied in te wijden. Neptunus nam voorloopig weer afscheid en verdween in de groote schelp, waarin hij bij het schip was gekomen, voorgesteld door een brandende teerton, die nog lang daarna in het kielwater zichtbaar bleef.

De volgende morgen brak, zooals te verwachten was, met het schoonste weder aan. Het dagelijksch morgenwerk werd met spoed afgedaan en de bemanning kleedde zich in het wit en zoo luchtig mogelijk. Toen alles gereed was, terwijl een groot zeil, dwars over het dek gespannen, allerlei geheimzinnigheden bleef verbergen, werd de plechtigheid van het aanpraaien van het schip nog even herhaald, om Neptunus aan boord te doen komen. De onderzeilen werden daarvoor geborgen en het groottuig tegengebrast, om de vaart van het schip te verminderen.

Zoodra wij bijgedraaid lagen, trad een in zwarten rok gekleed jongmensch (een der matrozen) met gepoederde pruik en driekanten hoed op het hoofd, het halfdek op en maakte een zeer beleefde buiging voor den commandant, mededeelende dat hij de opperste lijf-geheimsecretaris van Zijne Majesteit Neptunus was, zijnen meester vooruitging en voor dezen vergunning verzocht zich met zijnen staf te vertoonen.

Het zeil opende zich en de volgende zonderlinge stoet kwam in optocht het halfdek op:

De kar van den Zeegod, bestaande in eene groote badkuip op het onderstel van een rolpaard geplaatst, getrokken door zes zwartgemaakte mannen, zeepaarden voorstellende, ging voorop. Het waren de flinkst gespierden uit onze matrozen; hun haar en de helft van het gelaat was onder zeewier verborgen; hunne kleeding bestond uit een zeer onkostbare korte katoenen broek; overigens waren zij volkomen naakt; hun huid was met roode en witte verf bespikkeldenaan de armendroegen zij zeeschelpen, die tegen elkander een zonderling kleppend geluid maakten. Neptunus zelf was met de meeste hoofdpersonen uit zijn gevolg gemaskerd. Geen van de officieren wist eigenlijk, wie van het volk voor den zeegod speelde, doch in die rol was deze bij uitnemendheid op zijne plaats. Hij droeg eene zeekroon (door den baas smid van scheepsblik vervaardigd), in de rechterhand hield hij een drietand, waarop een dolfijn was gestoken, volgens zijne bewering dien morgen gevangen; zijn hoofd was getooid met een groote pruik van geplozen werk en een zwaren baard, die hem tot op het middel hing, van dezelfde stof; zijn naakt lichaam was bedekt met een laag verf en poeder.

De god was omringd door een prachtige hofhouding: zijn staatssecretaris, met het hoofd volgestoken met de slagpennen van zeevogels; zijn lijfarts met lancet, pillendoos en ruikflesch; zijn barbier met een scheermes van wel drie voet lengte, uit een ijzeren hoepel van een spekvat gesneden; en de barbiersknecht, die eene kleine tobbe voor inzeepbak droeg. De soort van zeep kon ik niet zien, doch de geur, die er uit opsteeg, overtuigde mij, dat zij niet uit de fabriek van Rimmels voorgangers afkomstig was.

Amphitrite volgde nu in een kar, aan die van haren echtgenoot gelijk, getrokken door zes witte mannen, overeenkomstig het vorige zesspan uitgedost. Deze godin werd vertegenwoordigd door een zwaren, vierkanten kerel, die door de pokken geschonden was, doch vóór dien tijd al leelijk moet geweest zijn; hij was als vrouw gekleed, met eene groote floddermuts op het hoofd en versierd met knoppen van zeegras. De godin droeg een harpoen met een haring er op en had op haren schoot den kleinsten der scheepsjongens als zuigeling gekleed, met lange kleeren en een kindermuts op; deze hield een marlpriem in de hand, aan een eind lijn om den hals vastgemaakt;—dit diende als een hulpmiddel om het doorkomen van de tanden te bespoedigen, zooals men aan wal de kinderen op een stuk ivoor laat bijten. Zijne baker volgde hem met een pot vol brij, waaruit zij hem met den grooten kokslepel voeding aanbood. Twee of drie zware kerels waren als zeenimfen verkleed, behoorende tot de hofhouding der godin: zij droegen een toiletspiegel, eenige boenders voor haar- en tandenborstels, en een pot menie voor blanketsel.

Zoodra de optocht zich reeds van verre aankondigde, kwam decommandant, gevolgd door den hofmeester met een flesch madera en een blad met glazen, uit de kajuit en werden de karren der zeegoden op het halfdek uitgespannen. Neptunus boog zijn drietand voorover en bood zijn dolfijn den commandant ten geschenke aan, zooals Amphitrite haren haring deed, ten teeken van onderwerping en hulde aan den Vertegenwoordiger van den koning van Groot-Brittanje.

Neptunusfeest.Neptunusfeest.Pag. 136.

Neptunusfeest.

Pag. 136.

»Ik ben hier gekomen,” zeide de god, »om u welkom te heeten in mijn gebied en u mijne vrouw en mijn kind voor te stellen.” De commandant maakte eene buiging. »Vergun mij te vragen naar de gezondheid van mijnen broeder en wettigen souverein, den goeden, ouden Koning George.”

»Hij is niet zoo wel,” zeide de commandant, »als ik en al zijne onderdanen wel zouden wenschen.”

»Dat is erg jammer,” vervolgde Neptunus. »En hoe vaart de Prins van Wales?”

»De Prins is gezond,” antwoordde de commandant, »en regeert op dit oogenblik als regent in naam van zijn koninklijken vader.”

»En hoe maakt hij het met zijne vrouw?” vroeg de uitvorschende god.

»Dat mocht wel beter,” zeide de commandant; »zij kunnen samen over weg, als een walvisch met een hooivork.”

»Zoo! dat dacht ik wel half en half,” sprak de god van de zee. »Zijne koninklijke hoogheid moest eens een kijkje bij mij nemen; dáár is het nooit twijfelachtig wie de commandeerende officier is.”

»En wat is wel Uwer Majesteits huismiddel om een lastige vrouw mak te krijgen?” vroeg de commandant.

»Drie voet van de contra-bas elken morgen vóór het ontbijt, een kwartier lang, maar ’s zondags een half uur.”

»Hé, waarom ’s zondags meer dan door de week?” zeide de commandant.

»Waarom?” herhaalde Neptunus. »Wel, omdat zij dan zeker zaterdagavond gehouden heeft, en ook omdat zij met den zondag minder te doen heeft, en dus meer tijd om over hare zonden na te denken en die te boeten.”

»Maar gij zoudt toch niet verlangen, dat een Prins een dame sloeg?”

»Zou ik niet? Neen, niet als zij zich heel netjes gedroeg als een dame; maar als zij veel praats had en niet nuchter wilde blijven, dan zou ik haar dienen zooals ik Amphi doe.—Is ’t niet waar, Amphi,” vervolgdehij, de godin bij de kin vattende, »op den bodem der zee hebben wij geene boosaardige vrouwen?—En daarom, als gij ze ginds niet in orde weet te houden, zend ze dan maar hierheen.”

»Maar Uwer Majesteits geneesmiddel is nog al kras; wij zouden in Engeland een opstand krijgen, als de koning zijn gemalin ging slaan.”

»Laat de lords kamerheeren het dan doen,” zeide de onvermurwbare god; »en als die te lui zijn, wat ik wel geloof dat het geval is, stuur dan om een bootsmansmaat van de Royal Billy. Ik verzeker u, die zou haar bedienen, en die zou voor een halve kan rum er bij de gardes op den koop toe er horlepijp bij leeren dansen.”

»Ik zal niet verzuimen zijne koninklijk hoogheid uw advies mede te deelen, mijnheer Neptunus, doch ik durf niet verzekeren, dat het opgevolgd wordt. Wat zegt gij er van om eens te drinken op de gezondheid van zijne vorstelijke hoogheid?”

»Van ganscher harte, sir; ik ben altijd trouw aan mijn koning geweest, en steeds bereid op zijn welzijn te drinken, en voor hem te vechten.”

De commandant bood daarop god en godin elk een glas madera aan.

»Op de gezondheid en het lange leven van onzen genadigen koning en de geheele koninklijke familie. De wegen zijn buitengewoon stoffig, en wij hebben droge lippen, sedert wij van morgen St. Thomas, onder de linie, verlaten hebben. Maar wij hebben geen tijd te verliezen, commandant,” zei de zeegod; »ik zie hier een boel nieuwe gezichten, die alle gewasschen en geschoren moeten worden; en als wij ze wat laten bloeden en medecineeren, zullen zij er te beter om zijn.”

De commandant knikte toestemmend; en Neptunus met zijn drietand op het dek stampende, beval attentie en sprak zijn gevolg aldus aan: »Luistert goed, mijne Tritons, gij zijt hier gekomen om te scheren, af te spoelen en te genezen, een ieder die zulks noodig heeft; maar ik verlang, dat gij daarbij zachtzinnig zult te werk gaan. Ik duld geene misbruiken; als wij een slechten naam krijgen, is het uit met de klandizie; en de eerste uwer, die aan mijne bevelen ongehoorzaam is, laat ik binden aan een 10-duims mortier en daarmede tienduizend vademen diep in den oceaan zakken, waar hij zich honderd jaren lang vetmesten mag met zeewater en zeegras. En nu aan het werk!” Twaalf politieagenten, met dikke stokken, posteerden zich onmiddellijk bij de luiken, joegen allen op, die nog niet gedoopt waren, en hielden strikt de wacht bij het één voor één aflezen der namen.

Voor het groote bad had men een onderlijzeil, dubbel genomen, gespannen tusschen eenige spieren aan den voorkant van den grooten mast. Eenmaal nat, liet dit zeil slechts weinig water door, werd volgemaakt met putsen en volgehouden door de brandspuit, die tevens diende om elk die uit de handen van den barbier in het bad kwam, met een krachtigen waterstraal te geeselen. De meeste officieren kochten zich vrij van scheren en innemen, door een flesch rum te offeren; maar niemand liep vrij van het nat gooien met zeewater, waarmede men dien dag zeer overvloedig omsprong; zelfs de commandant kreeg zijn aandeel, maar bleef er welgemutst onder en had veel genoegen in de aardigheid. Bij deze gelegenheid viel duidelijk in het oog, wie bij de equipage in gunst stonden, namelijk door den graad van gestrengheid, waarmede zij behandeld werden.

De nieuweling werd, los geblinddoekt, op eene spier van de doopvont geplaatst; de vraag werd hem gedaan, waar hij geboren was, en op het oogenblik, waarop hij den mond tot antwoorden opende, kreeg hij het zeepkwastje van den barbier, eene verfkwast der grootste soort, besmeerd met een onoogelijk mengsel van koolteer en uitschraapsel van de veehokken, in den mond, en langs wangen en kin; vrij onzacht werd dit met het bovenomschreven scheermes afgestreken. De dokter voelde daarop den pols en schreef eene pil voor, die in de wang werd gestopt; daarop werd de ruikflesch, waarvan de kurk met korte naaldenpunten was volgestoken, zoo stevig langs den neus gestreken, dat hij bloedige sporen achterliet. Als dit afgeloopen was, werd de baar, door een lichten duw van voren, achterover in het bad gegooid, waaruit hij maar trachten moest te ontsnappen door een kring van met stokken gewapende saters en de brandspuit, die hem waarnamen tot de komst van zijn opvolger.

De konstabelsmaat, een paar van de korporaals der mariniers en de bottelier werden ongenadig behandeld. De adelborsten, die hun beurt gehad hadden, lagen op de loer voor den eersten officier, doch deze hield zich zoo na aangesloten onder de vleugels van den commandant, dat hij moeielijk te genaken was. Eindelijk was er eenig rumoer in het benedenschip, waar hij op af moest; dit was eene geschikte gelegenheid; wij omringden hem, voorzien van den noodigen watervoorraad, en doopten hem zoo duchtig, dat hij met vaart langs een achtertrap ontsnapte, op weg naar de longroom. Vóór hij in het benedenportaalbeland was, ontving hij nog eenige ledige brandemmers, die ons, bij ongeluk natuurlijk, uit de handen geglipt waren, op het hoofd.

De administrateur had zich in zijn hut opgesloten en deze gebarrikadeerd; met zijn degen en pistolen dreigde hij de indringers; doch de adelborsten lieten zich door zulk een kleinigheid niet afschrikken; zij wisten hem er toch uit te krijgen en een buitengewoon stortbad te geven, onder opmerking: dat dit de straf was, omdat hij nooit eens wat drank boven ons rantsoen had willen doen verstrekken. Hij werd daarop met statie naar het bovendek gebracht, het zwaard boven zijn hoofd gehouden en zijne pistolen, hoogst onschadelijk, in een puts met water voor hem uit gedragen; daar werd hij nog eens geschoren, kreeg eene behoorlijke pil in en onderging den reglementairen doop in het zeil, waarna hij als een druipend schoothondje mocht aftrekken.

De eerste luitenant van de mariniers stond te boek als een vervelend mensch; steeds hinderde hij ons door zijn fluitspelen. Zelf geen gehoor hebbende, had hij niet het minste medelijden met het onze; op zijn beurt werd hij naar het bad gebracht; boven alle andere uitspanningen van dien dag, had hij het voorrecht een halve kan zeewater te moeten uitdrinken, dat wij hem door zijn eigen fluit als een trechter ingaven.

Tot zoover ging alles prettig en vroolijk toe; maar spoedig veranderde dit. Een van de voortopsgasten viel overboord; dadelijk werd het alarmsein gegeven en het schip bijgedraaid. Ik vloog naar de kampanje, en ziende, dat de man niet kon zwemmen, sprong ik te water om hem te redden. Door de groote hoogtevan mijnensprong, ging ik er zeer diep in en zag, bovenkomende, een zijner handen. Ik zwom er heen; maar groote God! wat ontstelde ik, toen ik mij midden in een bloedplas zag. In een oogwenk begreep ik, dat wij hier met haaien te doen hadden, en het lot, dat ook mij boven het hoofd hing. Ik was zoo verstijfd van schrik, dat het mij verwondert toen niet dadelijk gezonken te zijn van den angst. Het schip, dat voor het opsteken zes à zeven mijl geloopen had, was nog een heel eind doorgedwaald en zoover af, dat ik mij verloren waande. Ik had bijna het denkvermogen verloren door de nabijheid van den dood in zijne vreeselijkste gedaante. Toch kreeg ik nog een helder oogenblik, waarin mijne daden in de laatste vijf jaren in ééne minuut mijne herinnering doorliepen. Vurig bad ik en beloofde beterschap, als God mij het leven mocht sparen. Mijngebed werd verhoord. Ik was reeds eene mijl van het schip af, toen ik opgepikt werd; toen de sloep met mij op zijde van het schip kwam, zwommen er drie groote haaien onder den spiegel. Deze hadden den armen matroos verslonden en hadden, gelukkig voor mij, in de hoop van meer buit, het schip gevolgd en mij dus voorbij gezien.

Toen ik den valreep opkwam, werd ik door den commandant en de officieren op de meest vleiende wijze verwelkomd; de eerste dankte mij ten aanhoore van de geheele bemanning voor mijn prijzenswaardig gedrag, en ik werd door allen aangestaard als een voorwerp van belangstelling en bewondering; maar terwijl anderen mij zoo beoordeelden, was ik inwendig niet zóó voldaan. Ik ging naar omlaag, in een niet te beschrijven stemming van zelfverwijt en eigen minachting, en gevoelde mij de genade, die mij bewezen was, onwaardig. Mijne vroegere schandelijke levenswijze stond, met de zwartste kleuren geteekend, in alle duidelijkheid voor mijnen geest. Ik had de overtuiging een verhard en onverbeterlijk zondaar te zijn.

Van kleeding verwisseld hebbende, was ik blijde, toen de invallende nacht mij aan mijne overpeinzingen overliet. Deze werden er echter niet vroolijker om. Ik zag in, dat ik alleen deugdzaam was, zoolang de gelegenheid om te zondigen ontbrak. Nog jaren daarna stond mij het schrikbeeld van een grooten haai voor den geest, met wijdgeopenden bek, op het punt mij bij het been te vatten, en naar de diepte mee te sleuren.—Ware ik destijds onder die gunstige indrukken slechts in goede handen gevallen!

Onze genoegens in de konstabelskamer waren van een zeer ruwe soort en bestonden grootendeels uit aardigheden onder elkander, waartoe veel krachtsinspanning noodig was. Menigeen kreeg onder zulk spel een schop of klap; doch in de vroolijkheid werd daarop minder gelet. Eens werd ik bij zulk eene gelegenheid hevig aangevallen door een der oudste adelborsten, die zich bij den konstabel-majoor bedronken had,daaropbij ons binnenkwam en niet wist wat er gaande was. Daarop van mij een fikschen stomp tusschen de oogen ontvangende, was hij achterovergeslagen, midden tusschen het tafelservies, dat op dek stond in afwachting van weggeborgen te worden. Woedend om het daarop gevolgd gelach en de pijnlijkheid van den ontvangen slag, pakte hij eene vleeschvork op, en voordat iemand wist, wat hij in den zin had, stak hij mij daarmede vier malen. Ik vloog op om hem te straffen, maarzoodra ik overeind was, gevoelde ik mij te stijf om mij te bewegen en viel in de armen mijner kameraden.

De dokter onderzocht de wonden, die zeer ernstig waren; twee waren rakelings aan een slagader. Ik werd naar mijne kooi gebracht, die ik in geene drie weken kon verlaten. De dader had, toen hij nuchter was, diep leedwezen over het gebeurde en smeekte mij om vergeving. Uit mijn aard goedhartig, en ontwapend door zijne onderwerping, schonk ik hem vergiffenis. De dokter meldde mij ziek aan de koorts, wat op zichzelf waar was; had de commandant de ware toedracht van zaken gekend, dan zou onze jonker, wiens promotie al geteekend aan boord was, om bij onze aankomst op de Bermudas uitgereikt te worden, zeker niet benoemd zijn. Mijne goedheid wondde hem, geloof ik, meer dan mijne wraakzucht zou gedaan hebben; hij trok zich het gebeurde sterk aan, schafte den drank af en toonde zich later zeer aan mij gehecht. Ik beschouw dit als eene der goede daden van mijn leven en erken, dat ik er met groot genot aan terugdenk.

Na het konvooi op 10oNoorderbreedte aan zijn lot te hebben overgelaten, kwamen wij spoedig op de Bermudas aan. De bovenrols-adelborsten werden allen naar hunne eigen schepen gezonden; en vóór wij van elkander scheidden, hadden wij het genoegen den eersten officier met een naar Engeland bestemd schip te zien vertrekken. Met den goeden uitslag van onze krijgslist wenschten wij elkander geluk.

Twaalfde hoofdstuk.De Bermudas hebben iets zoo bijzonder schoons, dat men die eilandengroep voor eene verblijfplaats van nimfen zou aanzien. Zij bestaan uit rotsen, door een koraalrif omgeven, en heeten in aantal overeen te komen met de dagen des jaars. Zij zijn bedekt met laag groen en donkere ceders, waartusschen lage witte huizen, met een vroolijk en bevallig aanzien; de ankerplaatsen zijn talrijk, doch hebben weinigdiepte, en mogen er al veel vaarwaters tusschen de eilanden zijn, er is slechts een voor groote schepen dat naar de voornaamste haven leidt.Talrijke grotten, waarvan het gewelf schittert van prachtig druipsteen, in allerlei grillige vormen neerhangende, zijn op vele van de eilanden aanwezig. Weer elders treft men fonteinen en bronnen aan van het helderste en koelste water. De zeelieden hebben het bijgeloof, dat deze eilanden op de zee drijven en dat de onderkorst zoo broos is, dat men weinig inspanning noodig heeft om er door te breken. Een matroos, die wegens wangedrag en dronkenschap in de wacht was gezet, stampte op den grond en schreeuwde de soldaten bij elkaar. »Laat mij er uit, of voor den d..... ik stoot een gat in den bodem, laat je eiland zinken en stuur jelui allemaal de hel in.” Overal tusschen de eilanden vindt men klippen en riffen, doch het menigvuldigst komen zij voor aan de Noord- en Westzijde. Bij de inlandsche loodsen zijn ze alle bekend en doen dienst als een versperrend bolwerk tegen verrassing en nachtelijken overval.Groot is de verscheidenheid aan visch in deze wateren, schoon voor het oog en heerlijk van smaak; de roode klipvisch is van deze het beste. Wanneer men op een kalmen, zonnigen dag, in een bootje tusschen deze bekoorlijke eilanden drijft, is het alsof men vaart boven een onderzeeschen tuin, vol bloemen van velerlei kleur; boomstammen, varens, struiken, reusachtige bloemkolen schijnen daar in rechte verwarring tusschen zandpaden ingeplant te zijn. Het is inderdaad eene prachtvolle schilderij, waarnaar men uren lang kan blijven staren.Mijn voornaamste bezigheid was altijd op het water, en natuurlijk trok dit mij te meer aan, naarmate het gevaar er aan verbonden grooter was. Hierdoor zag ik dan ook met verlangen naar de walvischvangst uit, waarvoor de tijd thans naderde. De woestheid van dezen visch, op zulke zuidelijke breedte, schijnt vermeerderd te zijn door de warmte van het klimaat en de zorg voor de jongen; om deze redenen is zeker het gevaar bij de vangst grooter dan in de poolzeeën.Naar hetgeen ik heb kunnen te weten komen van de natuurlijke historie van den walvisch, brengt deze zijne jongen, zelden meer dan een te gelijk, in de noordelijke streken ter wereld. Daarna zoekt de moeder, met het jong naast zich, een zachter klimaat op, om het groot te brengen. Gewoonlijk bereiken zij de Bermudas tegen medio Maart; blijven daar enkele weken, bezoeken dan de West-Indischeeilanden om dan weder zuidwaarts te trekken en om Kaap Hoorn door de Beringstraat weer naar de Noordelijke IJszee, die zij den daaropvolgenden zomer bereiken, terug te keeren. De jonge walvisch, die in de warmte krachtig en groot is geworden, kan in het noorden zijne vijanden staan en paart daar weder. Uit eigen ervaring en onderzoek, ben ik vrij zeker, dat dit eene juiste omschrijving is van de zwerftochten van deze beesten en dat de wijfjes met hare jongen jaarlijks de reis maken rondom de beide grooten deelen van Amerika.De moederlijke zorg van de walvisch maakt haar eene gevaarlijke tegenpartij, en ernstige ongelukken komen bij de vangst veelvuldig voor. Eens had ik het voldoen aan mijne nieuwsgierigheid bijna met mijn leven moeten boeten.Ik maakte een tocht in een der walvischbooten mede. De boot werd geroeid door kleurlingen, inwoners van het eiland, die zeer ondernemend en bekwaam in de vangst zijn. Wij zagen een walvisch, die met haar jong rondom de koraalklippen speelde; het was werkelijk aandoenlijk om te zien, hoeveel oplettendheid zij haar jong schonk en hoe zij zorgde om het voor gevaren te waarschuwen. Zij geleidde het weg van de booten, zwom er omheen, deed soms als wilde zij het met de vinnen omvatten en rolde er mede rond in de golven. Wij slaagden er in eene gunstige standplaats in te nemen, door aan de zeezijde van haar te komen, en haar zoo tusschen de rotsen in ondiep water te drijven. Ten laatste kwamen wij zoo dicht bij het jong, dat de harpoenier zijn wapen reeds richtte, wetende dat als het kind eenmaal getroffen was, de moeder, die het nooit verlaten zou, in onze macht zou zijn. Het dreigende gevaar, waarin haar onervaren afstammeling verkeerde, bemerkende, zwom zij er snel rondom heen, in steeds kleiner kringen, daarbij den grootsten angst aan den dag leggende; doch de ouderlijke vermaningen waren vruchteloos, en het jonge dier ontging zijn noodlot niet.De boot wist den kleinen visch nabij te komen en de harpoenier wierp hem zijn vreeselijk wapen tusschen de ribben, diep in het vleesch. Zich gewond voelende, ontvluchtte ons het arme dier, een honderd vadem lijn achter zich medetrekkende; doch een jonge visch, die eens goed geraakt is, legt het spoedig af. Dit bleek ook hier; niet zoodra was de lijn strak gekomen, of hij kwam op de oppervlakte van het water, draaide zich op den rug en bleek dood te zijn. De bedroefdemoeder wilde het lijk niet verlaten, getrouw door een instinct dat sterker was dan de rede.Wij haalden de lijn in en kwamen daarop dicht bij onze prooi, juist toen van eene andere boot de harpoen den grooten visch had getroffen. De staart van het woedende dier kwam met zulk eene onweerstaanbare kracht op het midden van onze boot terecht, dat deze door midden brak en twee man doodgeslagen werden; wij overigen zwommen naar alle richtingen om ons leven te redden. De walvisch zwom nu op de derde boot aan; doch werd in hare vaart gestuit door de lijn van den harpoen; zij sleepte daaraan de tweede boot met eene 10 mijls vaart door het water; en had zij zich in de diepte bevonden, dan zoude zij deze mede naar beneden getrokken hebben, tenzij men er tijdig de lijn afsneed.Beide booten hadden het zoo druk met zichzelf, dat zij een tijdlang niet ter onzer hulp konden komen; wij waren dus langer, dan ik aangenaam vond, aan onze eigene krachten overgelaten. Ik was op het punt om naar den jongen walvisch te zwemmen, toen een der roeiers mij daartegen waarschuwde, zeggende dat er wel zooveel haaien in den omtrek zouden zwerven als men rechtsgeleerden om Westminster Hall telt, en dat ik er stellig bij zou zijn als ik ze te na kwam;tot mijne geruststelling voegde hij er bij: »Die duivels zullen zelden een mensch pakken, als zij iets anders kunnen krijgen”. Hoe waar dit ook zijn mocht, moet ik erkennen dat mijne blijdschap groot was, toen ik eene der booten tot onze redding zag opdagen, terwijl de moeder-walvisch, verward geraakt in de lijn, nog steeds den harpoen in het lijf gevoelende, uitgeput door bloedverlies, dat als eene zwarte fontein opspoot, haar jong naderde en aan zijne zijde stierf, nog tot het laatste oogenblik toe méer om haar kind dan om zichzelf denkende.Zoodra zij zich op haren rug wentelde, zag ik, dat ik reden had om dankbaar te zijn voor de ontvangen raadgeving; de beide doode visschen waren omringd van wel dertig of veertig haaien, die trouw volgden, toen wij hen naar binnen sleepten. Toen wij hen in ondiep water, dicht bij het strand, zoover mogelijk opgetrokken hadden, werd het spek afgesneden;daarna werd het vleesch aan de inboorlingen overgelaten, die in grooten getale toegestroomd, met hunne messen daarvan groote reepen afhaalden. Met dezelfde vrijgevigheid hielpen zich de haaien met hunne tanden; maar het was opmerkelijk hoe straffeloos de zwarten dikwijlstusschen hen en de walvisch konden komen; nooit werden zij aangevallen. Vreemd was het schouwspel die zwarten, met het schitterend wit hunner oogen en hunne witte tanden, juichende, lachende, schreeuwende, te midden van tallooze haaien,—de meest verslindende der zeemonsters,—als ’t ware levende in een soort van wapenstilstand, slechts noodzakelijk gedurende de tegenwoordigheid van een derde voorwerp.De staart van het woedende dier brak onze boot en doodde twee man.De staart van het woedende dier brak onze boot en doodde twee man.Pag. 145.Ziende dat er voor mij op den duur noch eer, noch voordeel te behalen was in dit soort van afwisseling, gaf ik de walvischvangst op en nam passage naar Halifax op een schoener. Dit soort van vaartuigen werd plaatselijk aangebouwd, naar het model van de Virginia loodsbooten; doch geleek, evenals de meeste onzer navolgingen, bijna evenveel op het oorspronkelijke vaartuig als een os op een haas gelijkt, ook dezelfde verhouding bewarende op het punt van snelzeilendheid. En alsof men nu opzettelijk de Engelsche vlag wilde onteeren, werd het bevel over dergelijke vaartuigenopgedragenaan officieren, die geen commandant meer konden krijgen om onder te dienen, door wangedrag overbekend geraakt, en die nu, zeer onverstandig, op kleine scheepjes werden gezet, waar zij hun eigen meester waren en zich veelvuldig en ongestraft aan den drank te buiten gingen. Ook mijn commandantbevondzich van ons vertrek af tot aan de komst te Halifax in voortdurenden staat van dronkenschap. Het voorbeeld van den luitenant werd gevolgd door zijn ranggenoot en door drie der adelborsten; de bemanning, uit vijf-en-twintig koppen bestaande, werd nuchter gehouden, door hen niet meer dan hun rantsoen te verstrekken; ik voor mij zag de toekomst vol vertrouwen(?) in.Gelukkig behoorde drinken niet tot mijne ondeugden. Ik kon »wel eens een waar aanhebben” zooals wij dit noemen, wanneer ik in goed gezelschap was en opgewekt door geest en vroolijkheid; maar nooit kwam het tot »dronkenschap”; en naarmate ik ouder werd, maakten trotschheid en eigenbelang mij in dat opzicht nog omzichtiger. Ik zag het groote voordeel in, dat matigheid over een dronkaard geeft, en verzuimde niet om daarvan gebruik te maken.Bijna al den tijd, dien onze overtocht duurde, ’s nachts zoowel als over dag, bleef ik aan dek een oog houden over den gestuurden koers en den stand der zeilen, zonder ooit den commandeerenden officier, die steeds »buiten westen” in de kajuit lag, daaromtrent te raadplegen.’s Avonds liepen wij het licht van Sambro’ (aan den ingang der haven van Halifax) in het zicht, en een der adelborsten, die slechts half dronken was, verklaarde dat hij goed met het vaarwater bekend was; zijn aanbod om het vaartuig binnen te loodsen, werd aangenomen. Aangezien ik hier nimmer te voren was geweest, kon ik niet van nut zijn; maar zeer sterk twijfelende aan de bekwaamheid van onzen loods, sloeg ik met achterdocht zijne handelingen gade.Reeds binnen het half uur zaten wij vast op de kust vanCornwallis-Eiland, zooals ik later vernam dat het heette, en braken de zeeën geducht over ons heen. Dit ontnuchterde den commandant en zijne officieren; en daar het water zakkende was, kwamen wij spoedig hoog en droog te zitten. Het schip viel over zij, en ik wandelde het strand op, vast besloten mij nooit weder toe te vertrouwen aan zulk eene ordelooze bende. Toen de dag aanbrak, kwamen de noodige sloepen van de werf ter assistentie en brachten mij en eenige anderen, die mijn voorbeeld gevolgd hadden, met pak en zak naar het vlaggeschip. Na twee dagen hard werken, kreeg men den schoener vlot en binnen. De admiraal werd op de hoogte gebracht van de wijze, waarop wij gestrand waren, en een der hoofdofficieren raadde hem aan den luitenant voor den krijgsraad te trekken, of allerminst zijn bevel te ontnemen en naar huis te zenden. Ongelukkigerwijze volgde hij dien raad niet op, maar zond hem weer in zee om brieven over te brengen. Het werd bekend, dat thans iedereen, ook het volk,dronken was bij het verlaten van de haven; even buiten, werd het vaartuig op de Gezusters, een stel klippen, aangestuurd, stootte zwaar lek en zonk in de nabijheid, waarbij niemand gered werd. Den volgenden morgen zag men niets dan de toppen der masten boven water.Spoedig na mijne aankomst te Halifax, kwam het fregat, waar ik aan boord hoorde, de haven in. Het speet mij wel, dat dit zoo spoedig gebeurde, want ik had het mij in de plaats zeer genoegelijk weten te maken. Ik had aanbevelingsbrieven voor de voornaamste familiën medegebracht. De stad is bekend om hare gastvrijheid; de jonge dames waren er allerliefst, en haar omgang werkte hoogst beschavend op mijne aan boord aangenomen ruwe en vrije manieren. Toen ik mij op mijn schip bij den commandant aanmeldde, die zooals ik hierboven reeds heb medegedeeld een edelman was, verwachtte ik een verwijfden jongen man te zullen aantreffen, veel te fijn van manieren om zijn vak te kennen;doch ik vond mij bedrogen. Lord Edward wasop-en-topzeeman, hij kende een schip door en door, begreep de geaardheid van de matrozen en wist hun vertrouwen in te boezemen. Bovendien was hij een goed werktuigkundige—timmerman, touwslager, zeilmaker en kuiper. Hij wist al het matrozenwerk te verrichten, reven, sturen, looden, splitsen en knoopen; alleen was hij geen redenaar,—hij las weinig en sprak nog minder. Hij was een man van weinig uiterlijke vertooning, maar goed gehumeurd, eerlijk en recht door zee, voorzien van een grooten voorraad gezond verstand. Met de officieren ging hij vrij en zeer aangenaam om; als men hem boos maakte, kon hij heftig zijn, doch bedaarde weer spoedig; nooit kon men bemerken, dat hij zich iets op zijn adeldom liet voorstaan. Met mijne practische zeemanschap scheen hij zeer ingenomen te zijn, en reeds vóór wij de haven verlieten, was ik zeer bij hem in gunst gekomen. Ik deed mijn best op dien voet met hem te blijven, daar ik hem genegen was, zoowel om zijn persoon, als om zijne goede eigenschappen, afgescheiden nog van het voordeel bij zijn commandant gezien te zijn.Niet lang was het ons vergund te vertoeven in dit zeemans eldorado; wij kregen last tot een spoedig vertrek naar Quebec.Nog niet lang waren wij in zee, toen wij een Iersch vaartuig van Belfast praaiden, landverhuizers ten getale van zeventien families voor de Vereenigde Staten aan boord hebbende. In dien tijd stonden landverhuizers met contrabande gelijk; wij mochten hen hunne bestemming niet laten bereiken. Onze commandant bezat echtertwintigduizend morgenland op St. John’s, of zooals het later heette, Prins Edward’s Eiland, eene gift, die een zijner voorouders gekregen had, nu op hem was overgegaan, maar die tot nog toe nog geene shilling aan rente had opgebracht, om de doodeenvoudige reden, dat er geene handen waren om het land te bebouwen. Het kwam onzen adellijken commandant voor, dat dit nu juist een kolfje naar zijne hand was en dat deze Ieren uitstekende bewerkers van zijne gronden zouden wezen en zijn landgoed productief zouden maken. Hij deed hun het voorstel, en daar zij nu toch geene kans zagen om de Vereenigde Staten te bereiken, het hen slechts te doen was om voor zich en hunne gezinnen het levensonderhoud te vinden en eigenlijk onverschillig waar zij zouden koloniseeren, werd het aangenomen. De commandant wist het met zijne zeilorders overeen te brengen hen naar het genoemde eiland over te voeren enaldaar onder dak en aan het werk te brengen. In zekeren zin kon niets voor beide partijen voordeeliger zijn: de schrale bevolking van onze eigene nederzetting werd er door aangevuld, in plaats dat het aantal onzer vijanden er door vermeerderde.Wij kwamen, na eene voorspoedige reis, in eene kleine haven van het eiland ten anker, niet ver van de bezitting, alwaar wij het landhuis bewoond vonden door een man met zijne familie, die zich den opzichter noemde. Voor zoover ik kon opmerken bij mijn verblijf van drie weken, kwam hij mij voor schurkachtig genoeg te zijn voor de waarneming van elke mogelijke opzichters- of rentmeestersbetrekking op eenig adellijk landgoed in Engeland zelf.De commandant trok naar den wal en nam mij, als zijn adjudant, mede. Voor zijn lordschap werd een bed in het huis van den opzichter gereedgemaakt, doch hij verkoos op het hooi in de schuur te slapen. Zooals ik reeds met een enkel woord gezegd heb, was de edele lord iemand, wiens gedachtengang slechts zelden zijn tong en lippen in beweging bracht; hij hoorde veel liever een ander spreken, dan dat hij het zelf deed; en wie ook bij hem was, deze moest altijd het gesprek gaande houden. Verder was de gewone manier van praten tegen hem niet voldoende om zich begrijpelijk te maken; men moest hetgeen men te zeggen had, op drie verschillende wijzen inkleeden, en voor elke daarvan had hij eene bijzonderen uitroep. Deze laatste waren: »Wat?” »he?” en »ah zoo.” De eerste gaf aan, dat hij oplette, de tweede dat hij gedeeltelijk begreep, de derde dat hij geheel op de hoogte was of goedkeurde, waarbij tot meerdere duidelijkheid de laatste lettergreep sterk en lang werd uitgehaald en van een soort glimlach vergezeld ging.Ik zal een voorbeeld geven van onze genoegelijke wijze van converseeren. Zijn lordschap ving het gesprek aan, toen wij onze nachtkwartieren op het zachte droge hooi betrokken hadden:»Zeg eens,”—er volgde eene pauze.»Mylord?”»Wat zouden zij in Engeland wel zeggen, als zij ons hier zagen liggen?”»Ik denk mylord, dat zij wat mij betreft er niets in vinden zouden, maar voor u zouden zij het eene al te eenvoudige slaapkamer voor een edelman vinden.”»Wat?”Dit wist ik, dat het sein was om het op eene andere wijze nog eensover te zeggen. »Ik merkte op, mylord, dat het onder uwe vrienden in Engeland veel bevreemding zoude wekken, dat iemand van zoo hooge afkomst als u, zijn leger in eene schuur, ging opslaan.»He?” zeide zijne lordschap.Dat gaat niet, dacht ik bij mijzelf: òf uwe lordschap, òf ikzelf, een van beiden zijn wij erg onbegrijpelijk. Ik zal het nog eens beproeven, zoo dood van den slaap als ik ben. »Ik zeg, mylord, dat als het volk in Engeland wist, dat gij in uw hart zoo’n zeeman zijt, zij bij geene uwer handelingen gek zouden opkijken; maar die u nu niet zoo goed kennen, zullen het zeer vreemd vinden, dat gij met zulk een kwartier tevreden zijt.”»Ah, zoo... o... o!” riep zijn lordschap, zegevierend uit.Welke verdere opmerkingen hij dien avond nog verkoos te maken, weet ik niet, want ik viel in een diepen slaap en ontwaakte niet vóór geheele hoenderbenden uit hare nesten opvlogen en een schrikbarend geweld om hun ontbijt begonnen te maken, toen zijn lordschap opstond, zichzelf eerst en toen mij, doch dit op eene heel andere wijze, wakker schudde; het beantwoordde evenwel aan de verwachting om mijn hoofd weer tot helderheid te brengen, dat door het kippengekakel alleen een weinig daartoe op weg was geraakt.»Kom! er uit, gij luie drommel,” riep mijn commandant. »Denkt gij den geheelen dag te blijven slapen? Wij hebben werk genoeg voor den boeg.”»Ja, ja, mylord,” zeide ik, vloog overeind en maakte in denzelfden korten tijd en op dezelfde manier als een Newfoundlandsche hond mijn toilet, n.l. door mij eens hartelijk te schudden.Eene groote partij van de equipage kwam onder geleide van den timmerman aan den wal, de noodige gereedschappen medebrengende voor het omhakken van boomen en bouwen van ruwe loodsen. Dit werk was noodig om onze arme landverhuizers onder dak te brengen. Het volk begon eene groote ruimte schoon te kappen, door tal van pijnboomen, waaruit hier het meerendeel der bosschen bestond, te vellen. Eene goede plek voor de woningen gevonden hebbende, plaatsten wij in langwerpig vierkant vier stammen in den grond, van boven van eene inkeping voorzien, waarop weer eene dwarspaal kwam te rusten. De ruimte hiertusschen werd weer door dunnere boomen, goed aaneengesloten, aangevuld, de deuren en vensters werden uitgespaard, dekleine openingen met klei en mos aangestampt, eindelijk het dak er op gebracht, bestaande uit de takken, de bladen en de bast van eene andere boomsoort. Door oefening werd ik langzamerhand een bekwaam bouwkundige, en zag kans met een dertig man, in eenen dag, een vrij goed huis samen te stellen.Door omhakken, branden en ontwortelen maakten wij nu verder zooveel land schoon, als noodig was om de kleine kolonie een jaar lang te onderhouden; en na een stuk met koren bezaaid en een ander met aardappelen bepoot te hebben, lieten wij nog allerlei artikelen van dagelijks voorkomende behoefte in de nieuwe vestiging achter, waarna wij onze planters aan hun verder lot overlieten. Tot mijn groote genoegen keerden wij daarop, overeenkomstig onze instructie, naar Halifax terug. Bij het binnenloopen aldaar was ik zoo verdiept in het uitkijken naar de verschillende balcons en ramen, waaruit bij ons vertrek, witte zakdoeken ons tot vaarwel hadden toegewuifd, dat ik verzuimde naar de dienstseinen te zien en daarvoor eene ernstige berisping van den commandant ontving.Het sein, dat ik niet had opgemerkt, woei van de Ceinturion, hetadmiraalsschip, en had een grooten invloed op onze naaste bestemming. De president van de Vereenigde Staten maakte aanstalten tot een oorlog tegen Engeland, wat eigenlijk door niemand verwacht was, en alle schepen in de haven van Halifax werden gereedgemaakt tot bevechten der Yankees. Het eskader zeilde in September uit, en na een kort wederzien nam ik nogmaals afscheid van mijne talrijke kennissen.

De Bermudas hebben iets zoo bijzonder schoons, dat men die eilandengroep voor eene verblijfplaats van nimfen zou aanzien. Zij bestaan uit rotsen, door een koraalrif omgeven, en heeten in aantal overeen te komen met de dagen des jaars. Zij zijn bedekt met laag groen en donkere ceders, waartusschen lage witte huizen, met een vroolijk en bevallig aanzien; de ankerplaatsen zijn talrijk, doch hebben weinigdiepte, en mogen er al veel vaarwaters tusschen de eilanden zijn, er is slechts een voor groote schepen dat naar de voornaamste haven leidt.

Talrijke grotten, waarvan het gewelf schittert van prachtig druipsteen, in allerlei grillige vormen neerhangende, zijn op vele van de eilanden aanwezig. Weer elders treft men fonteinen en bronnen aan van het helderste en koelste water. De zeelieden hebben het bijgeloof, dat deze eilanden op de zee drijven en dat de onderkorst zoo broos is, dat men weinig inspanning noodig heeft om er door te breken. Een matroos, die wegens wangedrag en dronkenschap in de wacht was gezet, stampte op den grond en schreeuwde de soldaten bij elkaar. »Laat mij er uit, of voor den d..... ik stoot een gat in den bodem, laat je eiland zinken en stuur jelui allemaal de hel in.” Overal tusschen de eilanden vindt men klippen en riffen, doch het menigvuldigst komen zij voor aan de Noord- en Westzijde. Bij de inlandsche loodsen zijn ze alle bekend en doen dienst als een versperrend bolwerk tegen verrassing en nachtelijken overval.

Groot is de verscheidenheid aan visch in deze wateren, schoon voor het oog en heerlijk van smaak; de roode klipvisch is van deze het beste. Wanneer men op een kalmen, zonnigen dag, in een bootje tusschen deze bekoorlijke eilanden drijft, is het alsof men vaart boven een onderzeeschen tuin, vol bloemen van velerlei kleur; boomstammen, varens, struiken, reusachtige bloemkolen schijnen daar in rechte verwarring tusschen zandpaden ingeplant te zijn. Het is inderdaad eene prachtvolle schilderij, waarnaar men uren lang kan blijven staren.

Mijn voornaamste bezigheid was altijd op het water, en natuurlijk trok dit mij te meer aan, naarmate het gevaar er aan verbonden grooter was. Hierdoor zag ik dan ook met verlangen naar de walvischvangst uit, waarvoor de tijd thans naderde. De woestheid van dezen visch, op zulke zuidelijke breedte, schijnt vermeerderd te zijn door de warmte van het klimaat en de zorg voor de jongen; om deze redenen is zeker het gevaar bij de vangst grooter dan in de poolzeeën.

Naar hetgeen ik heb kunnen te weten komen van de natuurlijke historie van den walvisch, brengt deze zijne jongen, zelden meer dan een te gelijk, in de noordelijke streken ter wereld. Daarna zoekt de moeder, met het jong naast zich, een zachter klimaat op, om het groot te brengen. Gewoonlijk bereiken zij de Bermudas tegen medio Maart; blijven daar enkele weken, bezoeken dan de West-Indischeeilanden om dan weder zuidwaarts te trekken en om Kaap Hoorn door de Beringstraat weer naar de Noordelijke IJszee, die zij den daaropvolgenden zomer bereiken, terug te keeren. De jonge walvisch, die in de warmte krachtig en groot is geworden, kan in het noorden zijne vijanden staan en paart daar weder. Uit eigen ervaring en onderzoek, ben ik vrij zeker, dat dit eene juiste omschrijving is van de zwerftochten van deze beesten en dat de wijfjes met hare jongen jaarlijks de reis maken rondom de beide grooten deelen van Amerika.

De moederlijke zorg van de walvisch maakt haar eene gevaarlijke tegenpartij, en ernstige ongelukken komen bij de vangst veelvuldig voor. Eens had ik het voldoen aan mijne nieuwsgierigheid bijna met mijn leven moeten boeten.

Ik maakte een tocht in een der walvischbooten mede. De boot werd geroeid door kleurlingen, inwoners van het eiland, die zeer ondernemend en bekwaam in de vangst zijn. Wij zagen een walvisch, die met haar jong rondom de koraalklippen speelde; het was werkelijk aandoenlijk om te zien, hoeveel oplettendheid zij haar jong schonk en hoe zij zorgde om het voor gevaren te waarschuwen. Zij geleidde het weg van de booten, zwom er omheen, deed soms als wilde zij het met de vinnen omvatten en rolde er mede rond in de golven. Wij slaagden er in eene gunstige standplaats in te nemen, door aan de zeezijde van haar te komen, en haar zoo tusschen de rotsen in ondiep water te drijven. Ten laatste kwamen wij zoo dicht bij het jong, dat de harpoenier zijn wapen reeds richtte, wetende dat als het kind eenmaal getroffen was, de moeder, die het nooit verlaten zou, in onze macht zou zijn. Het dreigende gevaar, waarin haar onervaren afstammeling verkeerde, bemerkende, zwom zij er snel rondom heen, in steeds kleiner kringen, daarbij den grootsten angst aan den dag leggende; doch de ouderlijke vermaningen waren vruchteloos, en het jonge dier ontging zijn noodlot niet.

De boot wist den kleinen visch nabij te komen en de harpoenier wierp hem zijn vreeselijk wapen tusschen de ribben, diep in het vleesch. Zich gewond voelende, ontvluchtte ons het arme dier, een honderd vadem lijn achter zich medetrekkende; doch een jonge visch, die eens goed geraakt is, legt het spoedig af. Dit bleek ook hier; niet zoodra was de lijn strak gekomen, of hij kwam op de oppervlakte van het water, draaide zich op den rug en bleek dood te zijn. De bedroefdemoeder wilde het lijk niet verlaten, getrouw door een instinct dat sterker was dan de rede.

Wij haalden de lijn in en kwamen daarop dicht bij onze prooi, juist toen van eene andere boot de harpoen den grooten visch had getroffen. De staart van het woedende dier kwam met zulk eene onweerstaanbare kracht op het midden van onze boot terecht, dat deze door midden brak en twee man doodgeslagen werden; wij overigen zwommen naar alle richtingen om ons leven te redden. De walvisch zwom nu op de derde boot aan; doch werd in hare vaart gestuit door de lijn van den harpoen; zij sleepte daaraan de tweede boot met eene 10 mijls vaart door het water; en had zij zich in de diepte bevonden, dan zoude zij deze mede naar beneden getrokken hebben, tenzij men er tijdig de lijn afsneed.

Beide booten hadden het zoo druk met zichzelf, dat zij een tijdlang niet ter onzer hulp konden komen; wij waren dus langer, dan ik aangenaam vond, aan onze eigene krachten overgelaten. Ik was op het punt om naar den jongen walvisch te zwemmen, toen een der roeiers mij daartegen waarschuwde, zeggende dat er wel zooveel haaien in den omtrek zouden zwerven als men rechtsgeleerden om Westminster Hall telt, en dat ik er stellig bij zou zijn als ik ze te na kwam;tot mijne geruststelling voegde hij er bij: »Die duivels zullen zelden een mensch pakken, als zij iets anders kunnen krijgen”. Hoe waar dit ook zijn mocht, moet ik erkennen dat mijne blijdschap groot was, toen ik eene der booten tot onze redding zag opdagen, terwijl de moeder-walvisch, verward geraakt in de lijn, nog steeds den harpoen in het lijf gevoelende, uitgeput door bloedverlies, dat als eene zwarte fontein opspoot, haar jong naderde en aan zijne zijde stierf, nog tot het laatste oogenblik toe méer om haar kind dan om zichzelf denkende.

Zoodra zij zich op haren rug wentelde, zag ik, dat ik reden had om dankbaar te zijn voor de ontvangen raadgeving; de beide doode visschen waren omringd van wel dertig of veertig haaien, die trouw volgden, toen wij hen naar binnen sleepten. Toen wij hen in ondiep water, dicht bij het strand, zoover mogelijk opgetrokken hadden, werd het spek afgesneden;daarna werd het vleesch aan de inboorlingen overgelaten, die in grooten getale toegestroomd, met hunne messen daarvan groote reepen afhaalden. Met dezelfde vrijgevigheid hielpen zich de haaien met hunne tanden; maar het was opmerkelijk hoe straffeloos de zwarten dikwijlstusschen hen en de walvisch konden komen; nooit werden zij aangevallen. Vreemd was het schouwspel die zwarten, met het schitterend wit hunner oogen en hunne witte tanden, juichende, lachende, schreeuwende, te midden van tallooze haaien,—de meest verslindende der zeemonsters,—als ’t ware levende in een soort van wapenstilstand, slechts noodzakelijk gedurende de tegenwoordigheid van een derde voorwerp.

De staart van het woedende dier brak onze boot en doodde twee man.De staart van het woedende dier brak onze boot en doodde twee man.Pag. 145.

De staart van het woedende dier brak onze boot en doodde twee man.

Pag. 145.

Ziende dat er voor mij op den duur noch eer, noch voordeel te behalen was in dit soort van afwisseling, gaf ik de walvischvangst op en nam passage naar Halifax op een schoener. Dit soort van vaartuigen werd plaatselijk aangebouwd, naar het model van de Virginia loodsbooten; doch geleek, evenals de meeste onzer navolgingen, bijna evenveel op het oorspronkelijke vaartuig als een os op een haas gelijkt, ook dezelfde verhouding bewarende op het punt van snelzeilendheid. En alsof men nu opzettelijk de Engelsche vlag wilde onteeren, werd het bevel over dergelijke vaartuigenopgedragenaan officieren, die geen commandant meer konden krijgen om onder te dienen, door wangedrag overbekend geraakt, en die nu, zeer onverstandig, op kleine scheepjes werden gezet, waar zij hun eigen meester waren en zich veelvuldig en ongestraft aan den drank te buiten gingen. Ook mijn commandantbevondzich van ons vertrek af tot aan de komst te Halifax in voortdurenden staat van dronkenschap. Het voorbeeld van den luitenant werd gevolgd door zijn ranggenoot en door drie der adelborsten; de bemanning, uit vijf-en-twintig koppen bestaande, werd nuchter gehouden, door hen niet meer dan hun rantsoen te verstrekken; ik voor mij zag de toekomst vol vertrouwen(?) in.

Gelukkig behoorde drinken niet tot mijne ondeugden. Ik kon »wel eens een waar aanhebben” zooals wij dit noemen, wanneer ik in goed gezelschap was en opgewekt door geest en vroolijkheid; maar nooit kwam het tot »dronkenschap”; en naarmate ik ouder werd, maakten trotschheid en eigenbelang mij in dat opzicht nog omzichtiger. Ik zag het groote voordeel in, dat matigheid over een dronkaard geeft, en verzuimde niet om daarvan gebruik te maken.

Bijna al den tijd, dien onze overtocht duurde, ’s nachts zoowel als over dag, bleef ik aan dek een oog houden over den gestuurden koers en den stand der zeilen, zonder ooit den commandeerenden officier, die steeds »buiten westen” in de kajuit lag, daaromtrent te raadplegen.’s Avonds liepen wij het licht van Sambro’ (aan den ingang der haven van Halifax) in het zicht, en een der adelborsten, die slechts half dronken was, verklaarde dat hij goed met het vaarwater bekend was; zijn aanbod om het vaartuig binnen te loodsen, werd aangenomen. Aangezien ik hier nimmer te voren was geweest, kon ik niet van nut zijn; maar zeer sterk twijfelende aan de bekwaamheid van onzen loods, sloeg ik met achterdocht zijne handelingen gade.

Reeds binnen het half uur zaten wij vast op de kust vanCornwallis-Eiland, zooals ik later vernam dat het heette, en braken de zeeën geducht over ons heen. Dit ontnuchterde den commandant en zijne officieren; en daar het water zakkende was, kwamen wij spoedig hoog en droog te zitten. Het schip viel over zij, en ik wandelde het strand op, vast besloten mij nooit weder toe te vertrouwen aan zulk eene ordelooze bende. Toen de dag aanbrak, kwamen de noodige sloepen van de werf ter assistentie en brachten mij en eenige anderen, die mijn voorbeeld gevolgd hadden, met pak en zak naar het vlaggeschip. Na twee dagen hard werken, kreeg men den schoener vlot en binnen. De admiraal werd op de hoogte gebracht van de wijze, waarop wij gestrand waren, en een der hoofdofficieren raadde hem aan den luitenant voor den krijgsraad te trekken, of allerminst zijn bevel te ontnemen en naar huis te zenden. Ongelukkigerwijze volgde hij dien raad niet op, maar zond hem weer in zee om brieven over te brengen. Het werd bekend, dat thans iedereen, ook het volk,dronken was bij het verlaten van de haven; even buiten, werd het vaartuig op de Gezusters, een stel klippen, aangestuurd, stootte zwaar lek en zonk in de nabijheid, waarbij niemand gered werd. Den volgenden morgen zag men niets dan de toppen der masten boven water.

Spoedig na mijne aankomst te Halifax, kwam het fregat, waar ik aan boord hoorde, de haven in. Het speet mij wel, dat dit zoo spoedig gebeurde, want ik had het mij in de plaats zeer genoegelijk weten te maken. Ik had aanbevelingsbrieven voor de voornaamste familiën medegebracht. De stad is bekend om hare gastvrijheid; de jonge dames waren er allerliefst, en haar omgang werkte hoogst beschavend op mijne aan boord aangenomen ruwe en vrije manieren. Toen ik mij op mijn schip bij den commandant aanmeldde, die zooals ik hierboven reeds heb medegedeeld een edelman was, verwachtte ik een verwijfden jongen man te zullen aantreffen, veel te fijn van manieren om zijn vak te kennen;doch ik vond mij bedrogen. Lord Edward wasop-en-topzeeman, hij kende een schip door en door, begreep de geaardheid van de matrozen en wist hun vertrouwen in te boezemen. Bovendien was hij een goed werktuigkundige—timmerman, touwslager, zeilmaker en kuiper. Hij wist al het matrozenwerk te verrichten, reven, sturen, looden, splitsen en knoopen; alleen was hij geen redenaar,—hij las weinig en sprak nog minder. Hij was een man van weinig uiterlijke vertooning, maar goed gehumeurd, eerlijk en recht door zee, voorzien van een grooten voorraad gezond verstand. Met de officieren ging hij vrij en zeer aangenaam om; als men hem boos maakte, kon hij heftig zijn, doch bedaarde weer spoedig; nooit kon men bemerken, dat hij zich iets op zijn adeldom liet voorstaan. Met mijne practische zeemanschap scheen hij zeer ingenomen te zijn, en reeds vóór wij de haven verlieten, was ik zeer bij hem in gunst gekomen. Ik deed mijn best op dien voet met hem te blijven, daar ik hem genegen was, zoowel om zijn persoon, als om zijne goede eigenschappen, afgescheiden nog van het voordeel bij zijn commandant gezien te zijn.

Niet lang was het ons vergund te vertoeven in dit zeemans eldorado; wij kregen last tot een spoedig vertrek naar Quebec.

Nog niet lang waren wij in zee, toen wij een Iersch vaartuig van Belfast praaiden, landverhuizers ten getale van zeventien families voor de Vereenigde Staten aan boord hebbende. In dien tijd stonden landverhuizers met contrabande gelijk; wij mochten hen hunne bestemming niet laten bereiken. Onze commandant bezat echtertwintigduizend morgenland op St. John’s, of zooals het later heette, Prins Edward’s Eiland, eene gift, die een zijner voorouders gekregen had, nu op hem was overgegaan, maar die tot nog toe nog geene shilling aan rente had opgebracht, om de doodeenvoudige reden, dat er geene handen waren om het land te bebouwen. Het kwam onzen adellijken commandant voor, dat dit nu juist een kolfje naar zijne hand was en dat deze Ieren uitstekende bewerkers van zijne gronden zouden wezen en zijn landgoed productief zouden maken. Hij deed hun het voorstel, en daar zij nu toch geene kans zagen om de Vereenigde Staten te bereiken, het hen slechts te doen was om voor zich en hunne gezinnen het levensonderhoud te vinden en eigenlijk onverschillig waar zij zouden koloniseeren, werd het aangenomen. De commandant wist het met zijne zeilorders overeen te brengen hen naar het genoemde eiland over te voeren enaldaar onder dak en aan het werk te brengen. In zekeren zin kon niets voor beide partijen voordeeliger zijn: de schrale bevolking van onze eigene nederzetting werd er door aangevuld, in plaats dat het aantal onzer vijanden er door vermeerderde.

Wij kwamen, na eene voorspoedige reis, in eene kleine haven van het eiland ten anker, niet ver van de bezitting, alwaar wij het landhuis bewoond vonden door een man met zijne familie, die zich den opzichter noemde. Voor zoover ik kon opmerken bij mijn verblijf van drie weken, kwam hij mij voor schurkachtig genoeg te zijn voor de waarneming van elke mogelijke opzichters- of rentmeestersbetrekking op eenig adellijk landgoed in Engeland zelf.

De commandant trok naar den wal en nam mij, als zijn adjudant, mede. Voor zijn lordschap werd een bed in het huis van den opzichter gereedgemaakt, doch hij verkoos op het hooi in de schuur te slapen. Zooals ik reeds met een enkel woord gezegd heb, was de edele lord iemand, wiens gedachtengang slechts zelden zijn tong en lippen in beweging bracht; hij hoorde veel liever een ander spreken, dan dat hij het zelf deed; en wie ook bij hem was, deze moest altijd het gesprek gaande houden. Verder was de gewone manier van praten tegen hem niet voldoende om zich begrijpelijk te maken; men moest hetgeen men te zeggen had, op drie verschillende wijzen inkleeden, en voor elke daarvan had hij eene bijzonderen uitroep. Deze laatste waren: »Wat?” »he?” en »ah zoo.” De eerste gaf aan, dat hij oplette, de tweede dat hij gedeeltelijk begreep, de derde dat hij geheel op de hoogte was of goedkeurde, waarbij tot meerdere duidelijkheid de laatste lettergreep sterk en lang werd uitgehaald en van een soort glimlach vergezeld ging.

Ik zal een voorbeeld geven van onze genoegelijke wijze van converseeren. Zijn lordschap ving het gesprek aan, toen wij onze nachtkwartieren op het zachte droge hooi betrokken hadden:

»Zeg eens,”—er volgde eene pauze.

»Mylord?”

»Wat zouden zij in Engeland wel zeggen, als zij ons hier zagen liggen?”

»Ik denk mylord, dat zij wat mij betreft er niets in vinden zouden, maar voor u zouden zij het eene al te eenvoudige slaapkamer voor een edelman vinden.”

»Wat?”

Dit wist ik, dat het sein was om het op eene andere wijze nog eensover te zeggen. »Ik merkte op, mylord, dat het onder uwe vrienden in Engeland veel bevreemding zoude wekken, dat iemand van zoo hooge afkomst als u, zijn leger in eene schuur, ging opslaan.

»He?” zeide zijne lordschap.

Dat gaat niet, dacht ik bij mijzelf: òf uwe lordschap, òf ikzelf, een van beiden zijn wij erg onbegrijpelijk. Ik zal het nog eens beproeven, zoo dood van den slaap als ik ben. »Ik zeg, mylord, dat als het volk in Engeland wist, dat gij in uw hart zoo’n zeeman zijt, zij bij geene uwer handelingen gek zouden opkijken; maar die u nu niet zoo goed kennen, zullen het zeer vreemd vinden, dat gij met zulk een kwartier tevreden zijt.”

»Ah, zoo... o... o!” riep zijn lordschap, zegevierend uit.

Welke verdere opmerkingen hij dien avond nog verkoos te maken, weet ik niet, want ik viel in een diepen slaap en ontwaakte niet vóór geheele hoenderbenden uit hare nesten opvlogen en een schrikbarend geweld om hun ontbijt begonnen te maken, toen zijn lordschap opstond, zichzelf eerst en toen mij, doch dit op eene heel andere wijze, wakker schudde; het beantwoordde evenwel aan de verwachting om mijn hoofd weer tot helderheid te brengen, dat door het kippengekakel alleen een weinig daartoe op weg was geraakt.

»Kom! er uit, gij luie drommel,” riep mijn commandant. »Denkt gij den geheelen dag te blijven slapen? Wij hebben werk genoeg voor den boeg.”

»Ja, ja, mylord,” zeide ik, vloog overeind en maakte in denzelfden korten tijd en op dezelfde manier als een Newfoundlandsche hond mijn toilet, n.l. door mij eens hartelijk te schudden.

Eene groote partij van de equipage kwam onder geleide van den timmerman aan den wal, de noodige gereedschappen medebrengende voor het omhakken van boomen en bouwen van ruwe loodsen. Dit werk was noodig om onze arme landverhuizers onder dak te brengen. Het volk begon eene groote ruimte schoon te kappen, door tal van pijnboomen, waaruit hier het meerendeel der bosschen bestond, te vellen. Eene goede plek voor de woningen gevonden hebbende, plaatsten wij in langwerpig vierkant vier stammen in den grond, van boven van eene inkeping voorzien, waarop weer eene dwarspaal kwam te rusten. De ruimte hiertusschen werd weer door dunnere boomen, goed aaneengesloten, aangevuld, de deuren en vensters werden uitgespaard, dekleine openingen met klei en mos aangestampt, eindelijk het dak er op gebracht, bestaande uit de takken, de bladen en de bast van eene andere boomsoort. Door oefening werd ik langzamerhand een bekwaam bouwkundige, en zag kans met een dertig man, in eenen dag, een vrij goed huis samen te stellen.

Door omhakken, branden en ontwortelen maakten wij nu verder zooveel land schoon, als noodig was om de kleine kolonie een jaar lang te onderhouden; en na een stuk met koren bezaaid en een ander met aardappelen bepoot te hebben, lieten wij nog allerlei artikelen van dagelijks voorkomende behoefte in de nieuwe vestiging achter, waarna wij onze planters aan hun verder lot overlieten. Tot mijn groote genoegen keerden wij daarop, overeenkomstig onze instructie, naar Halifax terug. Bij het binnenloopen aldaar was ik zoo verdiept in het uitkijken naar de verschillende balcons en ramen, waaruit bij ons vertrek, witte zakdoeken ons tot vaarwel hadden toegewuifd, dat ik verzuimde naar de dienstseinen te zien en daarvoor eene ernstige berisping van den commandant ontving.

Het sein, dat ik niet had opgemerkt, woei van de Ceinturion, hetadmiraalsschip, en had een grooten invloed op onze naaste bestemming. De president van de Vereenigde Staten maakte aanstalten tot een oorlog tegen Engeland, wat eigenlijk door niemand verwacht was, en alle schepen in de haven van Halifax werden gereedgemaakt tot bevechten der Yankees. Het eskader zeilde in September uit, en na een kort wederzien nam ik nogmaals afscheid van mijne talrijke kennissen.


Back to IndexNext