Negende hoofdstuk.Genoegen en verdriet zijn in de jeugd meesttijds slechts vluchtige indrukken, hetzij ze hun bestaan ontleenen aan het bezit of aan het verlies van wereldsche genietingen, dan wel aan het gevoel van in ons leven goed of slecht gehandeld te hebben. De opwekking is, hoe sterk ook, zelden van langen duur: zoo ging het mij. Ik was nog geen vier dagen aan boord van het linieschip, waarmede ik naar Engeland terugging, of mijne neerslachtigheid was geheel geweken. De uren van ernstig nadenken werden eerst bekort en toen geheel afgeschaft. De algemeene vroolijkheid bij mijne nieuwe makkers bij de gedachte aan het spoedig weerzien van hun dierbaar vaderland, het vooruitzicht van de meer of minder passende vermaken, die hen aan wal wachtten, en dat het gewone onderwerp van gesprek onder de adelborsten was,—dit alles bracht er toe bij om de godsdienstigegemoedsstemming, waarin ik van mijn eersten commandant afscheid had genomen, genoegzaam geheel te verflauwen en het bewustzijn te doen ontwaken van de dwaasheid, die ik begaan had van een schip te verlaten, waar ik mij zoo op mijn plaats gevoelde en groote kans op spoedige bevordering had. Ik begon te meenen, dat ik heel onverstandig had gehandeld, en was in eene stemming om, in weerwil van de goede voornemens, die ik gehad had, opnieuw het pad van lichtzinnigheid en velerlei verkeerdheden in te slaan.Wij kwamen na een overtocht van gemiddelden duur in Engeland aan. Ik stemde er in toe twee dagen in Portsmouth over te blijven, om met mijne nieuwe kameraden onze oude uitspanningsplaatsen terug te zien en ons aan allerlei buitensporigheden over te geven, die slechts hartzeeren verdriet in het gemoed achterlaten, wanneer het scheidingsuur geslagen is. Ik behield echter wilskracht genoeg over om tijdig mijn koffer te pakken, en na een overdadig souper geraakte ik dronken te bed en pakte mij, des anderen morgens met een van hoofdpijn barstend hoofd, in de koets naar Londen.Eene groote gedruktheid volgde op de buitensporige vroolijkheid der laatste dagen. De eerste uren bracht ik slapende in een hoek van den wagen door; bij de eerste uitspanning verfrischte ik mij en nam mijne plaats weder in. Toen wij verder reden, had ik meer tijd en was ook mijne gemoedsstemming gunstiger om na te denken over al het gebeurde, sedert ik mijn schip te Gibraltar verlaten had. Zooals gewoonlijk, leverde mijn zelfonderzoek geen voldoenden uitslag op. Ik moest erkennen, dat het voorbeeld van slecht gezelschap alle sporen had uitgewischt van de goede voornemens, die ik had opgevat na het bericht van den dood mijner moeder. Ik zag met schaamte, dat ik op mijzelf niet kon rekenen; ik had al mijn goede plannen en de ernstige geloften van beterschap, die ik mijzelf had opgelegd, vergeten en was bezweken voor de allereerste verleiding, die mij in den weg was gekomen.Toen dacht ik aan de treurigheid, waarmede mijn weder te huis komen gepaard ging—aan de smartelijke leegte aldaar door den dood mijner moeder achtergelaten—aan het verdriet van mijn vader—aan den diepen rouw van mijn broeder en mijne zusters; opnieuw stond mijn eerste vertrek in al zijne bijzonderheden mij voor den geest, toen zij doodsbedroefd in zwijm in mijns vaders armen viel, terwijl ik gevoelloos mijn hoofd afwendde om hare droefheid niet te zien. Opnieuw deed ik geloften van beterschap en vond daarin eenige troost.Toen ik aan mijn ouderlijk huis aangeklopt had, wenschte de bediende die mij inliet, mij luid en hartelijk welkom. Ik liep door naar het salon, waar mijn broeder en zusters een groote partij kinderen bij zich hadden. Zij dansten op de muziek eener piano, door mijne tante bespeeld, terwijl mijn vader blijkbaar in vroolijke stemming daarnaar, in eengemakkelijkenstoel gezeten, keek.Dit was een heel ander schouwspel, dan ik mij had voorgesteld. Ik was bereid op eene ernstig gestemde, hartelijke doch aandoenlijke ontmoeting en in eene daartoe geschikte gemoedsstemming verkeerde ik geheel en al. Oordeel dus over den plotselingen omkeer in mijn gevoel, toen ik dartele vroolijkheid aantrof, waar ik tranen en klaagliederen verwachthad. Ik had niet bedacht, dat de dood van mijne moeder, die mij nog pas korten tijd bekend was, inderdaad hier reeds zes maanden geleden was voorgevallen; en dat door den tijd ook de smart over dat verlies was verzacht. Ik stond verbaasd over hunne schijnbare gevoelloosheid; en zij zagen met evenveel verwondering naar mijn bedrukt gelaat en naar de teekens van rouw aan mijne kleederen.Met eenige verrassing heette mijn vader mij welkom, vroeg waar mijn schip was, en om welke reden het terug was gekomen. Ik had namelijk bij mijn plotseling opgekomen besluit om naar Engeland terug te keeren, verzuimd om daarvan kennis te geven; en zelfs al had ik dit gedaan, dan zou ik in persoon even spoedig aangekomen zijn als mijn brief, tenzij ik (wat eigenlijk mijn plicht was geweest) bij aankomst te Portsmouth had geschreven, in plaats van dáár mijn tijd te verbrassen en te verknoeien. Aangezien ik, in tegenwoordigheid van zooveel getuigen, het geheele geval niet zoo dadelijk kon vertellen, maakte ik daardoor op mijn vader reeds een slechten indruk. Natuurlijk dacht hij, dat eene of andere laakbare handeling, door mij gepleegd, aanleiding tot mijne onverwachte opzending had gegeven. Zijn voorhoofd rimpelde zich met saamgetrokken wenkbrauwen en hij scheen diep in gedachten verzonken.Deze houding van mijn vader, te gelijk met het ergerlijke rumoer, dat mijn broeder en zusters maakten, hinderden mij zeer. Ik gevoelde haast, dat ik mij het treurige nieuws van den dood mijner moeder te zwaar had aangetrokken, en besefte de opoffering van mijn verlaten van het schip. Toen ik later, met mijn vader alleen zijnde, hem de beweegredenen voor mijn gedrag verklaarde, was ik daarin ook niet gelukkig. Hij kon niet aannemen, dat de dood mijner moeder de eenige reden voor mijne terugkomst naar Engeland was. Ik moest een weinig zachtzinnig verhoor ondergaan omtrent het nut, dat zou kunnen voortvloeien uit mijn ontslag van het schip. Bij het lezen van het, door mij medegebrachte, schoone getuigschrift maakte hij zich nog meer boos. Tevergeefs voerde ik mijne groote droefheid aan. Hij antwoordde daarop met eene opmerking,—die ik erkennen moet als onwederlegbaar—dat ik mijn schip verlaten had, toen ik daar in blakende gunst was en op den weg tot fortuin. »En wat”, vroeg hij, »moet er van den zeedienst en van het vaderland terechtkomen, als ieder officier maar dadelijk naar huis komt, bij het eerste bericht, dat er een van zijne familiebetrekkingen dood is?”Naarmate mijns vaders bewijsgronden meer overtuigend werden, vernietigden zij tegelijkertijd den goeden indruk, dien de laatste aanbevelingen mijner moeders op mij hadden gemaakt. Was inderdaad haar dood zoo’n gewone zaak, dan waren ook hare laatste woorden van weinig gewicht; en van dat oogenblik af, dacht ik minder en minder aan haar. Mijn vader behandelde mij geheel anders dan gedurende moeders leven. Wat ik verzocht, werd mij gewoonlijk op een onaangenamen toon geweigerd, en ik werd eigenlijk behandeld als een kind en geenszins als een jongeling van achttien jaren, die reeds zooveel van de wereld gezien had. Koelheid van zijnen kant, bevorderde verzet van den mijnen. Daarbij kwam mijn oude trots weer boven. Eens kregen wij een ernstig verschil van meening, aan het eind waarvan ik hem te verstaan gaf, dat, als ik niet rustig onder zijn dak kon leven, ik naar elders zou gaan. Koeltjes gaf hij mij den raad dit maar te doen. Weinig vermoedende, dat ik daaraan gevolg zou geven, zag hij mij de kamer verlaten, waarvan ik hard de deur achter mij dichtsloeg. Ik pakte een kleinen voorraad linnengoed bijeen en vertrok onbemerkt met mijn pakje over den schouder en ongeveer zestien shillings in den zak.Dit was eene verkeerde handelwijze van mijn vader maar een nog veel verkeerder van mijnen kant. Hij verlangde mij weer te zien varen, en ik wilde niets liever dan dat; maar zijn ongeduld en mijne trotschheid bedierven alles. Wel kwam ik spoedig tot nadenken, maar toen was het reeds te laat. De duisternis viel in, ik had geen dak boven bet hoofd, en mijne financiën waren in een treurigen toestand. Ongeveer zes mijlen had ik te voet afgelegd en ik begon vermoeid te worden. Terwijl het geheel donker werd, had ik nog geen plan beraamd. Een rijtuig kwam mij voorbij, ik sprong er achterop en had ongeveer nog vier mijlen zóó afgelegd, toen, daar het langzaam eene hoogte opging, de personen die in het rijtuig zaten, mij ontdekten en den inmiddels afgestegen postiljon hiervan kennis gaven. Deze haalde een paar malen de zweep over mij heen, bewerende dat ik niet alleen nutteloos was, maar buitengewoon erg hinderlijk in den weg zat en best gemist kon worden.De lezers hebben reeds uit mijne vroegere levensgeschiedenis kunnen opmaken, dat ik nooit wraakneming verzuimde; ik wachtte nu geduldig af tot de drijver weer opgestegen was en de top van den heuvel bereikt had, waarop ik hem behendig een steen naar het hoofd slingerde, waardoor hij van zijn paard tuimelde en dit en de andere te gelijk aan hethollen sloegen, den heuvel af. De postiljon sukkelde weer overeind en paarden en wagen achterna, geen tijd kunnende missen om den dader te zoeken. Ik stapte haastig den anderen kant uit, maar gunde mij ook volstrekt geen tijd, om eens na te denken over het lot der reizigers, wiens zweepslagen ik nog gevoelde.»Dwazen en vlegels,” mompelde ik, toen ik hen achter den heuvel zag verdwijnen in een schrikwekkende vaart, »gij hebt uw verdiende loon. Ik had mij tegenover u een vrijheid veroorloofd, dat is waar, maar een beleefd verzoek van uwe zijde zou voldoende zijn geweest, om mij te doen afstijgen; maar mij te slaan....!” Het bloed kookte mij opnieuw bij de herinnering en haastig liep ik voort.In korten tijd bereikte ik het kleine stadje X, waarvan ik de lichten reeds bespeurd had, toen de paarden aan den hol gingen. De eerste de beste herberg binnentredende, vond ik het grootebenedenvertrekbezet door een troep rondreizende tooneelspelers, die juist binnengekomen waren van eene goedgeslaagde voorstelling van de »Romeo en Julia.” Uit hunne opgewonden stemming kon ik opmaken, dat zij vooraf ook wel op de toejuichingen hadden gerekend. Zij waren veertien in getal, en zetten zich om een tafel, waarop een keurig souper was aangericht; daar zij hunne tooneelkleeding nog niet verwisseld hadden en de wijnflesch rustig de ronde deed, had het geheel een zeer romantisch aanzien, bijzonder geschikt om op het gemoed te werken van een gedachteloozen adelborst.Door mijn tocht zeer hongering geworden, besloot ik mede te soupeeren, waartegen geen bezwaar bestond, omdat de tafel publiek was. Eene van de actrices, een aardig lief persoontje, met groote, gitzwarte oogen, werd, zonder dat zij dit op prijs scheen te stellen, door een aantal boersche jonge pachters uit de buurt het hof gemaakt. Zij trok vooral mijne aandacht, doordien zij eenigszins zwaarmoedig vóór zich uitkeek, hoogst zeldzaam glimlachte, doch dan een bekoorlijk mondje met hagelwitte tanden liet zien. Het kwam mij voor, dat zij tot een beteren stand behoorde, en ondanks haarzelve in dit gezelschap verkeerde. Degeen, die zich naast haar had neergezet, ging heen, toen hij zag, dat zijne oplettendheden niet in den smaak vielen. Ik nam dadelijk die plaats in en begon op zeer eerbiedigen toon een gesprek met de jonge dame.Het scheen, dat zij zich daardoor gevleid en meer op haar gemak gevoelde. Misschien wel omdat zij in mijn praten meer behagen schepte,dan in de wijze, waarop men gewoonlijk met haar omging, begon zij hoe langer hoe vertrouwelijker in hare antwoorden te worden en toonde zeer beschaafd te zijn. Ons gesprek had reeds een tijdlang geduurd, toen het verstoord werd door een voor de deur stilhoudenden wagen en het geroep van »help! help!” Ik vloog onmiddellijk naar buiten.Het was een heer, die eene jonge dame, die bewusteloos scheen, in zijne armen uit een rijtuig droeg. Met mijne hulp werd zij binnen en naar eene slaapkamer gebracht. Er werd om een chirurgijn gezonden, doch de eenige, die in de stad gepatenteerd was, scheen ongelukkig naar buiten geroepen te zijn en werd niet zoo gauw terugverwacht. Maar er was geen tijd te verliezen; ik begreep, dat er dadelijk eene aderlating noodig was. De paarden waren namelijk op hol geraakt en het rijtuig was bij een draai van den weg omgeslagen; toen was de jonge dame van den schrik bezwijmd. In den dienst, door aan boord veeltijds de operatiën van den dokter bij te wonen en dikwijls een kijkje in den ziekenboeg te nemen, was ik aan het zien van bloed gewoon geraakt en had ik wel eenige heelkundige kennis opgedaan. Ik gaf dus aan wat ik meende dat noodig was, en bood mijne hulp aan; dankbaar werd deze door den vader van het meisje (zooals hij bleek te zijn) aangenomen. Met een scherp pennemes opende ik een ader in den schoonen blanken arm en had de voldoening spoedig bloed te zien, kort daarop een krachtiger polsslag te voelen en eindelijk de patiënte hare groote blauwe oogen te zien openen, die mij de grootste bewondering afdwongen.Toen de zieke weer tot volledig bewustzijn was teruggekeerd, raadde ik nog eenige koppen thee aan en verder een spoedige rust in een warm bed. Eenigen tijd later kwam de werkelijke geneesheer, die dadelijk naar de ongesteldheid onderzoek deed en uit de ziekenkamer terugkeerende, zijne bijzondere goedkeuring over de behandeling gaf, er bij opmerkende, dat deze hoogstwaarschijnlijk het leven van de lijderes had gered. »Maar veroorloof mij te vragen,” zeide de dokter zich tot den vader wendende, »hoe het geval zich heeft toegedragen?” De toedracht van het gebeurde werd nu naar waarheid medegedeeld. Voor mij was er geen nieuws bij, omdat ik de aanleiding tot het op hol gaan van de paarden was geweest, in welke hoedanigheid ik mij wijselijk niet kenbaar maakte. Ik moest dus, zonder dat ik er iets tegen in kon brengen, vernemen, dat ik een grooten »schurkenstreek” had uitgehaald, entoen ik er over nadacht, moest ik de waarheid van die beschuldiging erkennen. Ik schaamde mij nu halfdood over mijne handeling, waardoor bijna zoo’n kostbaar menschenleven was verloren gegaan. Doch daar alles nog goed terecht was gekomen en niemand de minste achterdocht op mij had gekregen, troostte ik mij spoedig en nam de loftuitingen, die mij zoowel door den vader als door den geneeskundige toegezwaaid waren, met gepasten ernst in ontvangst.Toen ik mij ’s avonds ter rust begaf, begon mijn geweten opnieuw zijne stem te doen hooren: »dit dan mijnheer, is de weg van berouw en beterschap die gij zijt ingeslagen. Gij beleedigt uw vader; verlaat zijn huis; springt als een landlooper achter op een rijtuig; wordt er afgeranseld, breekt een armen man, die eerlijk voor vrouw en kinderen de kost verdient, de ribben, veroorzaakte het omslaan van den wagen en daardoor bijna den dood van een beminnelijk meisje! En al dit kwaad weet gij binnen den tijd van zes uren ten uitvoer te brengen! Waar moet dit heen?”Het antwoord, dat ik zelf op die gewetensvraag moest geven, was weinig bevredigend, te meer daar mij op dat oogenblik mijn ledige geldbeurs in het oog viel: »de galg, want tenzij er een wonder met mij gebeurt, zal ik nog een straatroover moeten worden ook.” Onder dergelijke overdenkingen, raakte ik in slaap. Reeds vroeg in den morgen ontwaakte ik door het vroolijke vogelgetjilp bij mijn venster, en was mijne eerste gedachte dadelijk aan een nieuw bezwaar, dat zich op deed. Wat moest ik wel van mijzelf zeggen, wanneer, wat hoogst waarschijnlijk gebeuren zou, de vader van de jonge dame nader kennis met mij verlangde te maken. Zou ik de waarheid spreken of er om liegen? Uit kracht der gewoonte, helde ik tot het laatste over; doch nam geene beslissing hierin, vertrouwende dat de loop van het gesprek mij wel raad zou geven. Mijne overdenkingen werden gestoord door de kamermeid die klopte en namens »den heer van die jonge dame van gisteren,” kwam zeggen, dat hij mij aan het ontbijt zoude wachten, als ik hem die eer wilde aandoen.Toen ik aan die uitnoodiging voldeed, maakte reeds spoedig na mijn binnentreden, mijn gastheer zich kenbaar als: Sommerville van——Ik herinnerde mij flauw dien naam meer te hebben gehoord, en wel door mijn vader, en deed moeite mij te binnen te brengen bij welke gelegenheid dit was geweest, toen de heer Sommerville mij zeide, dathij thans ook hoopte de eer te zullen hebben den naam te vernemen van den redder zijner dochter. Daar ik thans geene gelegenheid had zoo spoedig een andere te verzinnen, antwoordde ik: Mildmay te heeten.»Toch niet Mildmay van ——?” vroeg hij, »en een zoon van mijn ouden vriend? Dat kan haast niet, want die had twee zoons, een die studeerde en een ander, die bij de marine diende en een aardige jongen moet zijn, die nu bij het eskader in de Middellandsche zee is; doch gij behoort zeker tot zijne familie?”Vóór ik deze rechtstreeksche vraag kon beantwoorden, werd de deur van een aangrenzend vertrek geopend en trad missSommerville binnen. Geheel van den schrik van gisteren hersteld, had zij thans den blos van gezondheid op hare wangen, was, in zijn geheel genomen, eene allerliefelijkste verschijning, vooral door den vriendelijke glimlach die uit hare oogen straalde, toen zij mij minzaam de hand toestak en ook haren dank betuigde voor het aandeel dat ik in hare zoo spoedige beterschap had gehad.Ik verloor bij die aanspraak het hoofd, wist van verlegenheid niets te zeggen, stamelde een paar woorden, die ik mij niet meer weet te binnen te brengen of zij in het Engelsch of in het Fransch waren, en gaf daardoor—zeer ten onrecht—den indruk van een zeer zedig jong mensch te zijn.Daar het mij in mijne schooljaren zoo dikwijls overkomen was om gestraft te worden voor misdaden, die ik niet had gepleegd, had ik mij toen reeds aangewend om, toevallig in mijne richting gedwaalde, loftuitingen, belooningen of goedkeuringen, zelfs wanneer zij het allerminst verdiend waren, als eerlijk mij toekomende, in ontvangst te nemen. Zoo deed ik ook thans met de gunstige beoordeeling die mij ten deel viel, zette mij tusschen vader en dochter neder, en deed alle eer aan het zeer gezellige ontbijt. Miss Sommerville zou een paar uren later met haren vader de reisvoortzetten.Toen de tafel afgeloopen was, verwijderde zich de heer Sommerville om daartoe de noodige toebereidselen te maken, en bleef ik eenige oogenblikken met de jonge dame alleen. In dien tusschentijd vernam ik, dat zij de eenige dochter en hare moeder overleden was; zij sprak ook weer over mijne familienaam, en ik hoorde, dat, vóór mevrouw Sommerville’s dood, mijn vader zeer intiem met hare ouders was geweest. Ik was op de vraag van den heer Sommerville het antwoord schuldig gebleven.Zij vroeg mij hetzelfde en nam mij zoo scherp in het verhoor, dat ik niet in staat was een leugen te vertellen. Het zou eene schandelijke vergrooting van mijn misdrijf zijn geweest, en daarom bekende ik eerlijk de zoon te zijn van haars vaders vriend, den heer Mildmay.»Wel, goede hemel!” zeide zij, »waarom hebt gij dit niet aan mijn vader verteld?”»Omdat ik er dan eene heele verklaring bij had moeten geven,” vervolgde ik, haar in mijn vertrouwen nemende; »ik ben de adelborst, die mijnheer Sommerville meent, dat in de Middellandsche Zee is, en ik ben gisterenavond uit mijns vaders huis weggeloopen.”Hoewel ik zoo kort mogelijk in mijn verhaal was, had ik nog niet geheel uitgesproken, toen mijnheer Sommerville weer in de kamer kwam.»O, papa!” riep zijne dochter uit, »mijnheer is toch Frank Mildmay.”Ik wierp haar een zacht verwijtenden blik toe, omdat zij mij verraden had; haar vader keek verbaasd op. Er bleef mij nu niets over dan eene gulle, volledige bekentenis; ik zorgde daarbij echter van het werpen van den steen niet te reppen. Mr. Sommerville laakte mijn gedrag ten zeerste, wat ik eene wel wat groote vrijpostigheid vond, doch verzachtte dit weer door er bij te voegen: »Als gij wist, hoe na de belangen uwer familie mij ter harte gaan, zoudt gij niet verwonderd zijn, mij als een eigen bloedverwant van u te hooren spreken.” Ik zag Emilia aan en slikte het standje.»En Frank,” ging hij voort, »wanneer ik u vertel, dat ik steeds met het meeste genoegen uwe carrière ter zee gevolgd heb, dan zult gij wel een goeden raad van mij willen aannemen en naar huis terugkeeren. Bespaar mij het leed te moeten ondervinden, dat iemand, aan wien ik zulke verplichtingen heb, te trotsch zou zijn om schuld te bekennen. Ik eerbiedig fiere zelfstandigheid in eene goede zaak; maar tegenover zijne ouders behoort men die niet zoo spoedig te toonen. Misschien ziet gij er tegen op, maar ik wil het u gemakkelijker maken door aan uwen vader te schrijven; blijf gij dan hier, tot ge eerst van mij gehoord hebt. Gaarne zou ik u eenigen tijd te ..... Hall te logeeren willen hebben, maar eerst moet gij naar uw vader terug. Nu, denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb. En laat ik u dit geven” (hierbij overhandigde hij mij een bankje van 10 £) »want ik vrees, dat gij schraal bij kas zult zijn.” Dit had hij zeer goed geraden; zijne gift werd dus met meer dankbaarheid aangenomen dan zijn goede raad.Hij verliet de kamer, onder voorwendsel van de rekening te gaan betalen, maar, ik geloof, eigenlijk om mij eenige oogenblikken met zijne dochter alleen te laten en te beproeven, wat deze op mijne hardnekkigheid kon uitwerken. Die korte tijd methaarhad meer effect, dan wanneer ik met ons beider vaders was opgesloten geweest. Het denkbeeld, dat ik haar niet kon terugzien, vóór ik weer in mijn eigen huis was geweest, was voldoende om de belofte af te leggen, dat ik mij onderwerpen zou aan billijke, mij van mijns vaders kant op te geven voorwaarden.Toen dit overeengekomen was, bracht de heer S. bericht, dat het rijtuig vóór was; na een hartelijken handdruk voerde hij zijne bekoorlijke dochter weg, wier laatste, vriendelijk mij toegeworpen blik mij bevestigde in mijne goede voornemens.Lezer! wat uw gevoelen ook moge zijn over de verschillende kleine voorvallen van den laatsten dag, gij zult opmerken dat zij voor mijn verder leven van zeer grooten invloed waren. Trots verleidde mij tot verlaten van mijns vaders huis; wraakzucht bracht mij voor het eerst in kennis met de heldin van dit verhaal. Maar van achteren gezien, hoe onverstandig was het van den heer Sommerville, mij mijn eigen meester te laten in de herberg, in het bezit van tien pond, in plaats van mij naar zijn eigen huis mede te nemen, tot er bericht van mijn vader zou gekomen zijn! De wijste menschen dwalen dikwijls in kleinigheden, die daardoor soms ver reikende gevolgen hebben.Aan mijzelven overgelaten, dacht ik eenigen tijd over al het gebeurde na; toen verduisterde langzamerhand het beeld van de schoone Emilia Sommerville in mijnen geest en werden mijne herinneringen aan het vroolijke tooneelgezelschap meer en meer levendig. Wat bleef mij over, dan juist bij hen mijn troost en eenige tijdpasseering te gaan zoeken?Na drie dagen ontving ik een brief van den heer Sommerville, met een van mijnen vader ingesloten. Deze verzocht mij eenvoudig om naar huis terug te keeren en hem te ontmoeten, alsof er niets onaangenaams was voorgevallen. Hier had ik wel ooren na, doch het behaagde mij in mijne nieuwe omgeving te goed om er reeds dadelijk gevolg aan te geven.Tiende hoofdstuk.In die drie dagen had ik van het meerendeel der acteurs en actrices de levensgeschiedenis gehoord, en nog honderden bijzondere voorvallen uit hunne omzwervingen door geheel Engeland, die mij in de hoogste mate geboeid hadden en allerlei overdreven denkbeelden van het genot van hun aan afwisseling rijk leven bij mij hadden opgewekt. Op eerbiedigen toon beantwoordde ik mijns vaders brief. Hij deelde mij daarop mede, dat hij er weder ingeslaagd was mijn naam in de rol van het wachtschip ter reede van Spithead te doen inschrijven, waarop ik hem, alleen om tijd te winnen, dien ik bij mijne nieuwe vrienden zoukunnendoorbrengen, vergunning vroeg om rechtstreeks naar boord te mogen gaan, te meer, schreef ik, omdat het voor mij ook veel aangenamer was om eerst later, als het gebeurde geheel vergeten zou zijn, weer onder zijne oogen te komen. In zijn antwoord keurde hij dit goed en sloot eene goede som geld er bij in. Dezelfde post bracht mij eene dringende uitnoodiging van Mr. Sommerville om thans naar ..... Hall te komen.Daar het tooneelgezelschap nu na twee dagen de plaats verlaten zou, met bestemming naar eene plaats dicht bij Portsmouth, en zij de reis derwaarts niet binnen de veertien dagen zouden volbrengen om onder weg eenige voorstellingen te kunnen geven, besloot ik van de ontvangene uitnoodiging gebruik te maken.Ik bracht bij de familie Sommerville, waar ik door vader en dochter met de meeste hartelijkheid ontvangen werd, eenige zeer aangename dagen door. In dien tijd werd ik het met Emilia eens, dat wij elkaar wederkeerig liefhadden. Bij mijn vertrek schonk zij mij een lok haar, die ik met heiligen eerbied bewaarde.Toch was ik verre van oprecht tegenover dat meisje geweest. Toen ik haar geschenk aannam, na zoovele plechtige betuigingen van mijnen kant, was eigenlijk mijn hart verdeeld tusschen haar en de bekoorlijke actrice, waarmede ik den eersten avond van mijn verblijf in de herberg had kennis gemaakt. Deze laatste toch was de groote aanleiding, dat ik mij bij dat gezelschap zoo te huis had gevoeld en daarvan noode was gescheiden, met het stellige voornemen de kennismaking te Portsmouthte hernieuwen. Doch van hoeveel valschheid eene dergelijke handeling ook getuigenis aflegt, tot mijne verontschuldiging kan ik aanvoeren, dat in alle daden van mijn volgend leven de gedachte aan Emilia steeds, als aan eene heilige, mij voor den geest zweefde, en mocht haar beeld al niet van voldoenden invloed geweest zijn om mij steeds tijdig van het kwade terug te houden, althans was het de herinnering aan haar, die mij voor geheelen ondergang beschut heeft.Ik reisde naar Portsmouth, meldde mijpro formaaan boord en verzocht dadelijk aan den eersten officier een verlof, dat hij mij gereedelijk toestond, doordien hij een oude kennis van mij was, mij voor den dienst niet direct noodig had en mijn vertrek als eene opruiming beschouwde.Van de verkregen vergunning gebruik makende, haastte ik mij om mijn tooneelgezelschap weer op te zoeken, waarin ik zeer spoedig slaagde.De lezer vergunne mij hier om een kort tijdperk uit mijn leven, waarover ik mij thans, na zooveel jaren tijdsverloop, nog schamen en bedroeven moet, slechts met een paar woorden te vermelden, om daardoor aan den samenhang van mijn verhaal niet te schaden. Mijne levenswijze in gezelschap met de tooneelspelers was in de hoogste mate losbandig en strekte slechts tot bederf van mijn karakter, met den nasleep van berouw over mijne in dien tijd bedreven handelingen. Het viel zoozeer in mijnen smaak, dat ik mij reeds voorgenomen had den zeedienst te verlaten en acteur te worden, waartoe een groote aanleg bij mij bestond. Nu en dan vervulde ik reeds rollen in de verschillende opvoeringen, waarbij ik zeer veel toejuichingen inoogstte. Zooals ik tot nu toe steeds in mijne ondernemingen gelukkig geslaagd was, ging het mij ook op de planken. Op een avond zou ik als Apollo optreden en was er op de affiches bijzondere melding van mij, onder een anderen naam, gemaakt, toen de voorstelling door een hoogst bijzonder toeval door mijn vader werd bijgewoond. Deze, die niet anders dacht, dan dat ik aan boord was, bracht een bezoek bij een ouden vriend in de omstreken, en laatstbedoelde had hem naar den schouwburg medegenomen.Juist op het oogenblik, dat ik een air zou gaan zingen, ontmoetten mijne oogen die van mijnen gevreesden bloedverwant. Ik was verstomd, vergat mijn rol, liep van het tooneel en liet aan den orchestmeester de zorg over om de zaak terecht te brengen. Mijn vader, die eerst zijne oogen niet gelooven kon, geraakte uit de onzekerheid, toen hij mijneverwarring zag. Ik was de kleedkamer ingeloopen, en voor ik nog tijd had gehad de kroon en tunica van Apollo af te leggen, werd ik door hem, in een staat van niet geringe gramschap, aangesproken.Mijn vader vroeg mij kort af: hoe lang ik reeds in deze eervolle betrekking was. Dit was eene vraag, die ik had kunnen vooruitzien en daarom zeer gereedelijk beantwoordde. »Pas twee of drie dagen,” zeide ik en voegde er bij, dat ik Portsmouth verlaten had voor wat wij noemden een »slipper” en dat ik het zeer jolig vond.»Ja stellig zeer jolig,” zeide mijn vader. »En zeg eens, als ik vragen mag zonder kans te loopen om een leugen tot antwoord te krijgen, hoe lang zal die »slipper”, zooals gij dat noemt, nog duren?”»O, morgen,” zeide ik, »is mijn verlof om, en dan moet ik weer naar boord terug.”»Dan zal ik de eer hebben, u derwaarts gezelschap te houden,” zeide mijn vader, »en zal ik tevens den commandant verzoeken eenige grenzen te stellen aan den duur en den afstand uwer uitstapjes.”Hierop zijne stem verheffende, vervolgde hij: »Ik schaam mij over u, mijnheer; de zoon van een gentleman heeft geen groote kans om veel nuttigs te leeren bij zoo’n gezelschap van rondreizende vagebonden. Ik had reden om volgens uw laatste brieven uit Portsmouth te verwachten, dat gij heel anders bezig zoudt zijn.”Op deze vaderlijke vermaning antwoordde ik door een hoogst onnoozel gezicht te zetten (want reeds spoedig had ik mijne tegenwoordigheid van geest teruggekregen) en te verklaren, dat ik niet wist dat er in mijne handeling eenig kwaad stak, daar de meeste zeeofficieren wel eens zoo deden, en dat het alleen diende om wat practijk op te doen, omdat wij aan boord zoo dikwijls comedie moesten spelen.»Oefen u dan met uws gelijken,” zeide mijn vader, »en niet in gezelschap van vagebonden en straatslijpers.”Daar de oude heer toch niet uit zijn kwade humeur te praten was en ik wist geheel in het ongelijk te zijn, liet ik hem maar doorvuren, zonder een schot terug te doen. Hij eindigde met mij last te geven, den volgenden morgen bij hem te verschijnen, en liet mij daarna tijd om van kleederen te verwisselen. Ik behoef hier niet bij te voegen, dat ik dien avond niet naar het tooneel terugkeerde en aan de directie de zorg overliet om het publiek met de plaats gevonden verstoring te verzoenen.Mijn vader was verstandig genoeg den volgenden dag niet veel overhet gebeurde meer te spreken. Toen ik daarover nog mijn leedwezen had te kennen gegeven, verbond hij zich, op mijn verzoek, om die laatste dwaasheid voor den heer Sommerville en zijne dochter te verzwijgen.Hoe lang zijt ge reeds in deze eervolle betrekking?Hoe lang zijt ge reeds in deze eervolle betrekking?Pag. 117.Te zamen gingen wij naar Portsmouth, waar mijn vader mij in een hotel liet, terwijl hij zijnen ouden kennis, den haven-admiraal, ging bezoeken. Met dezen onderhield hij zich een geruimen tijd, waarvan het gevolg was, dat hem voor mij eene spoedige plaatsing werd toegezegd op een naar zee bestemd schip, onder een strengen kapitein.Er lag juist een schip gereed om naar de Golf van Biscaye te zeilen; en door toedoen van den admiraal, werd ik aldaar in de bovenrol geplaatst. Mijn vader, die mij nu zoo’n beetje had leeren kennen, bracht mij zelf aan boord; en zich toen vleiende mij in goede bewaking achter te laten, nam hij afscheid en keerde naar den wal terug. Spoedig bemerkte ik in een soort van arrest gehouden te worden, althans er was geene quaestie van, dat ik vergunning kon krijgen om naar den wal te gaan. In zekeren zin was ik daarop voorbereid, maar reeds zóó dikwijls had ik bezwaren te overwinnen gehad, dat deze kleinigheid mij al zeer weinig hinderlijk was.Hoewel mijn vader een gewelddadig einde aan mijne tooneelcarrière had gemaakt, waren mijne betrekkingen met den troep van te innigen aard geweest, dan dat onze scheiding reeds voor goed kon zijn. Zoodra ik mij dus aan boord ingericht had, schreef ik een brief aan mijne vriendin, haar verzoekende in Portsmouth te komen en in een hotel, aan den waterkant, haar intrek te nemen, mij voorstellende haar zoo spoedig mogelijk te bezoeken.De moeielijkheid was nu, hoe van boord te komen. Ik begreep, dat de grootste welsprekendheid bij den eersten officier, die als een Cerberus de wacht over mij hield, vruchteloos zou zijn. Ik nam echter de proef en smeekte dringend om vergunning om aan den waltegaan, ten einde eenige zaken aan te koopen, die ik voor de aanstaande zeereis hoog noodig had.»Neen, neen,” zeide mr. Talbot,»ik ben een veel te oude rot om in die val te loopen. Ik heb strenge orders en zou mijn eigen vader aan boord houden, als de commandant mij dit gelast had; en ik zeg u met de meeste gemoedelijkheid, dat gij geen voet buiten dit schip zult zetten, tenzij gij het zwemmende mocht willen beproeven, wat ik niet lichtgelooven zal dat gij durft doen. Hier,” vervolgde hij, »is het briefje door den commandant geschreven; gij kunt daar uit zien, dat het niet voor mijne eigene liefhebberij is, dat ik u niet laat gaan.”De nota was kort, liefelijk en wat mij betrof complimenteus. Zij hield slechts in:»Houd dien d.....schen schavuit van een Mildmay aan boord!”»Vergun mij dan,” vroeg ik onder het teruggeven van het briefje, »onder de hoede van den sergeant van de mariniers naar den wal te gaan.”»Daardoor,” zeide hij, »zou ik evenzeer buiten mijn boekje gaan, als door u alleen vergunning te geven. Gij gaat niet naar den wal, mijnheer!”Deze laatste woorden sprak hij zeer kortaf, en het dek verlatende, liet hij mij aan mijne eigene overdenkingen over.Ik had afgesproken om ’s avonds te negen uren aan den wal te komen. Het was nu zonsondergang; de sloepen waren alle geheschen; geen enkel bootje was er in den omtrek van het schip. Het eenige middel om den overtocht te maken wasà la nage, een middel door mr. Talbot zelf aangegeven, doch alleen om er tevens bij op te merken, dat het onuitvoerbaar was; maar hij kende mij op dat oogenblik nog niet zooals hij dit later leerde.Het schip lag twee mijlen van de strandlijn, de wind kwam van het Zuidwesten en het tij liep Oostwaarts; daar beide in mijn voordeel waren, rekende ik Southsea Castle te kunnen bereiken. Toen het donker was, verborg ik mij in de fokkerust. Het was den twintigsten Maart en zeer koud weder.Ik ontkleedde mij, bond mijn goed in een pakje boven het hoofd en liet mij zachtkens te water om als een tweede Leander naar wal te zwemmen.Nog geen twintig el was ik van het schip af, toen ik door den schildwacht werd opgemerkt, die mij voor een der gepreste matrozen aanziende, die deserteeren wilde, toeriep terug te keeren. Daar hieraan geen gevolg werd gegeven, kreeg hij van den officier der wacht last om te vuren. De kogel stoof mij over het hoofd en ging tusschen mijne handen door. Hij werd door een dozijn andere gevolgd, die alle vrij goed gemikt waren; maar ik zwom voort, en de vriendelijke nachtschaduw, geholpen door den toenemenden afstand van het schip, brachten mij spoedig buiten gevaar. Een vletroeier, die het vuur gezien en de schotengehoord had, begreep dat daar wel wat te verdienen kon zijn. Hij roeide op mij af, en toen ik hem aanriep, stak hij mij de handen toe. Ik was op dat oogenblik nog geen achtste mijl ver gekomen.»Het is zeer te bezien, of gij in die richting ooit den wal zoudt gehaald hebben, jong mensch,” zeide de oude man. »Gij zijt twee uren te vroeg van boord gestoken; vóór de haven zoudt gij eene zware eb tegen gekregen hebben; en, aangenomen dat gij uw hoofd boven water hadt weten te houden, zoudt gij het eerst op de Owers zijn aangeland.”Terwijl de oude man onder het roeien zat door te praten, kleedde ik mij al rillende aan, zonder te antwoorden; maar verzocht hem mij af te zetten op het eerste punt, dat hij van Southsea Baai kon bereiken. Hieraan voldeed hij, en ik schonk hem een guinje, waarna ik zoo snel mogelijk het afgesprokenrendez-vousopzocht. Bij een goed vuur kwam ik daar weer spoedig op mijn verhaal. Noodzakelijk was dit koude uitstapje geenszins geweest, doch ik werd tot het ondernemen van den tocht geprikkeld juist door de strenge maatregelen, die men genomen had om mij aan boord te houden. Het gevaar, dat ik daardoor geloopen had, werd dan ook geenszins opgewogen door de genoegens van den wal. Alleen smaakte ik het genot mij een korten tijd vrij te gevoelen.Den volgenden morgen liet ik mij weer met een bootje aan boord zetten. Toen ik den valreep opkwam, liep de eerste officier aan dek.»Ik geloof, dat wij van nacht op u geschoten hebben?” vroeg hij glimlachende.»Ja, mijnheer, dat is zoo,” zeide ik; »het was allerdringendst noodzakelijk voor mij om aan wal te zijn, en daarom ging ik op deze minder gebruikelijke wijze.”»O, wat dat betreft,” zeide de eerste officier, »als ik geweten had, dat gij het waart, zou ik u stil hebben laten gaan; ik dacht, dat het een gewone deserteur was en daarom liet ik er door de mariniers op schieten.”»De deserteurs zullen u wel zeer verplicht zijn,” dacht ik.»Vondt gij het niet verduiveld koud?” vervolgde hij op vroolijken toon, door mijn antwoord daartoe aangemoedigd.»O, zeker,” antwoordde ik.»En de soldaatjes schoten redelijk goed, is het niet?”»Ja, dat deden zij, sir; jammer, dat zij geen voornamer schijf hadden.”»Ik vat uwe bedoeling,” zeide de eerste officier, »maar daar gij uwedienstjaren nog niet hebt, zoude de vacature u niets gegeven hebben. Ik moet den commandant er over rapporteeren, doch dit zal wel losloopen, want die is zelf zoo ondernemend, dat hij dit ook gaarne van anderen ziet. Wij hopen echter u spoedig ernstiger aan het werk te zullen kunnen zetten.”Kort daarop kwam de commandant van den wal terug en berustte geheel in mijn zonder verlof van boord gaan; hij maakte echter eene opmerking, terwijl hij van ter zijde een blik op mij sloeg, en deze was, zooals ik later bemerkt heb, nog al vleiend voor mij. Binnen enkele dagen gingen wij onder zeil en bereikten spoedig de Baai bij Rochefort. De Fransche schepen lagen in linie, dwars van Isle d’Aix; de Engelsche vloot was daar buiten geankerd. Het schip, waartoe ik behoorde, nam een werkzaam aandeel in hetgeen er plaats greep, en de meesten onzer zagen meer, dan wij durven vertellen; maar wijl er bij deze gelegenheid veel kwaad bloed werd gezet, en twee hoogst onaangename krijgsraden het gevolg er van waren, zal ik trachten mij tot het verhalen mijner eigene lotgevallen te bepalen en vermijden, wat aan anderen aanstoot zou kunnen geven. Eenigen tijd werd er gevorderd om de branders in gereedheid te brengen; en toen des nachts van den 11enApril 1809 alles klaar was voor de poging om het vijandelijk eskader te vernielen, begon de aanval. Een stouter stuk werd nooit ondernomen; en, zoo de onderneming al voor een deel mislukte, was dit geenszins op rekening te stellen van de aanvoerders; zij deden al wat menschelijkerwijze mogelijk was.De nacht was zeer donker en er woei een stijve bries recht op ’s vijands vloot, vóór Isle d’ Aix aan. Twee onzer fregatten waren vooraf zóó geplaatst, dat zij als bakens konden dienen in de koerslijn der branders. Elk had eene heldere lantaarn op; de branders moesten tusschen hen doorvaren; verder was tot aan de versperring, die de ankerplaats afsloot, de koers vrij en kon er geene vergissing zijn.Ik vroeg en verkreeg vergunning om mede te gaan met een der ontploffingsvaartuigen, die vóór de branders uit moesten gaan. Zij waren volgestuwd met lagen van granaten en kruitzakken, op elkaar gestapeld; elk vaartuig had daarvan eene groote hoeveelheid in. Een van de officieren, nog drie matrozen en ik waren er alleen aan boord. Ten einde daarmede tijdig te kunnen ontsnappen; hadden wij ter onzer beschikking eene vier-riems giek, een lang, smal ding, door de matrozen gewoonlijk »doodkist” bijgenaamd.Geheel en al gereed, staken wij af. Het was een ernstig oogenblik; de wind nam toe en floot door ons tuig en de nacht was zoo donker, dat wij onzen eigen boegspriet niet konden zien. Wij hadden alleen een vóórzeil bij; maar met een zwaren vloed en den wind van achteren, schoten wij als eene pijl uit den boog tusschen de buitenste fregatten door. Het was in mijne gedachte alsof de ruimte daartusschen de poort van de hel was, die wij binnengingen. Toen wij met snelheid voortvlogen, en onze schepen achter ons in de dikke duisternis uit ’t zicht verloren, dacht ik aan Dante’s beschrijving van het voorportaal:—»Die hier binnentreedt, late alle hoop varen!”Onze lastgeving hield in, het vaartuig aan te brengen tegen de versperring, die de Franschen buiten de ankers hunner linieschepen hadden aangelegd. Weinige minuten, nadat wij de fregatten voorbij waren, kwamen wij er dicht bij; onze giek sleepten wij achteraan, met drie man er in—een bij de vanglijn, klaar om die los te gooien, een om te sturen, en de derde om het water uit te hoozen, dat er door de snelle vaart al te willig instroomde. De officier hield op het vaartuig den helmstok, en ik was belast met de lont. Met een zwaar gekraak kwamen wij tegen de versperring aan; ons roer werd aan boord gelegd, zoodat wij dwars kwamen. De kracht van het getij op den romp, en van den wind op het vóórzeil, gaven het zulk eene sterke helling, dat ik mij haast niet op de been kon houden; op dit oogenblik was de giek in groot gevaar van vol te loopen.Zij hadden haar weer achteraan weten te krijgen, en dáár was zij bijna door het tij over de versperring heen geslagen; met groote moeite werd zij geklaard en lag »op de riemen,” in een kokenden, korten golfslag, waarin zij het nauwelijks houden kon. Onze aanvoerder stapte er nu vast in en droeg mij op de lont aan te steken en hem dan ijlings te volgen.Als ik ooit in angst gezeten heb, dan was dit na het aansteken van de lont, die uitgebrand zijnde, den kruitloop vuur moest doen vatten. Totdat ik goed en wel in de giek zat en buiten bereik van de ontploffing was, die niet kon uitblijven en plotseling had kunnen zijn, was het een vreeselijk gevoel. Ik stond letterlijk boven op eene mijn; een kleine fout in de lont, die wel eens voorkomt, enkele korrels buskruit, die op het dek konden gestort zijn, zouden de ontploffing hebben kunnen verhaasten; had mijne hand bij het aansteken gebeefd, wat ik met trotschheidzeggen kan dat niet het geval was, dan had hetzelfde kunnen gebeuren. De lont kon niet langer dan anderhalve minuut doorbranden; ik had derhalve geen oogenblik te verliezen. Zoodra zij aan was, legde ik haar doodbedaard neder en sprong de giek in met eene vlugheid, die bij de gelegenheid paste. Dadelijk staken wij daarmede af; ik roeide mede, en nooit van mijn leven met een ijver als toen. Nog geen twee honderd el waren wij ver, toen de ontploffing plaats vond.Een schooner en vreeselijker schouwspel is niet te bedenken; wij konden het echter niet genoegzaam op ons gemak genieten. De granaten vlogen wonderlijk hoog de lucht in, sommige uiteenspringende onder het opstijgen, andere bij het neervallen; de stukken vlogen om ons heen, zonder iemand te raken. Met stroom en wind tegen gingen wij nu slechts langzaam door het water en hadden het genoegen tusschen al de branders door te moeten, die ontstoken waren en van achter tot voren in brand op ons kwamen aanzetten. Hun want hing vol Congrevische vuurpijlen, die bij het vlam vatten in alle richtingen losbarstten en onder een oorverdoovend leven aan vurige slangen deden denken.Wij kwamen behouden aan boord en meldden ons bij den commandant, die boven op de verschansing de branders nakeek. Een daarvan was te spoedig aangestoken, het roer was niet behoorlijk vastgezet, en daardoor was hij uit zijn koers geraakt en dicht in onze nabijheid gekomen. Ik had, wat mij betrof, dien avond al avontuur genoeg gehad, maar toch was ik er nog niet af.»Jonker Mildmay,” zeide de commandant, »gij schijnt nog al van een buitenkansje te houden; spring nog eens even in de giek, neem vier versche matrozen mede (ik dacht, een versche jonker zou er ook geen kwaad bij doen!) en roei naar boord van dien brander, om hem weer in zijn koers te brengen.”Om de waarheid te bekennen, had ik er niet erg veel liefhebberij in: het vaartuig was van het kluifhout tot den gaffel één vuur al vuur, en liever was ik thans op mijn lauweren gaan rusten, dan weer op nieuwe, en vooral zulke onzekere, uit te gaan; doch niet gewoon om zwarigheden te maken, wilde ik dit ook dezen keer niet doen. Ik bracht de hand aan mijn hoed, riep vier vrijwilligers op en had dadelijk voor het kiezen uit een vijftigtal, dat zich aanbood. Met de vier besten stak ik in de giek van boord.Bij den brander gekomen, bespeurde ik nergens een plekje, dat nogvrij van het vuur was, waarvan de hitte op twintig à dertig voet afstands, zelfs in dien kouden nacht, hoogst onaangenaam was. Aan den loefkant was het nog het beste om te naderen, hoewel ook dáár de vlammen met kracht de kajuitsramen uitsloegen. Met veel inspanning gelukte het mij op het dek te komen en werd ik door een der matrozen gevolgd. De groote mast brandde en de lappen verschroeid zeildoek van het brikzeil vlogen om ons heen, alsof het een sneeuwstorm moest voorstellen; het einde van den helmstok was reeds verkoold, doch nog juist kon ik om het middengedeelte een eind touw heen krijgen, en daarmede draaide ik door mijn man geholpen het roer om, zoodat het vaartuig weer vóór den wind kwam te liggen.Onder deze werkzaamheid waren wij bijna van den vuurgloed en den rook gestikt. Haastig klommen wij weer overboord, en voort dreef de brander met den wind verder. »Ik maak de reis ditmaal niet met u mede,” zeide ik. »J’y ai été” zooals de Franschman antwoordde bij eene uitnoodiging om nog eens een vossenjacht mede te maken.Zwart als een neger en met een brandenden dorst, kwam ik aan boord terug. »Goed afgebracht, Mildmay,” zeide de commandant. »Hebt ge het warm gehad?” Ik wees naar mijn mond, want die was zoo droog, dat ik geen woord kon uitbrengen, en liep naar den waterstander, dien ik half leegdronk. Mijne eerste woorden, toen ik weer spreken kon, waren: »Die verduivelde brander, en de stommeling, die hem aangestoken heeft!”Den volgenden morgen zagen wij het Fransche eskader in een wanhopigen toestand; de schepen hadden hunne ankerkabels laten slippen en waren in allerlei richting het strand opgeloopen, met uitzondering van de vlaggeschepen van den admiraal en van den schout-bij-nacht, die te grooten diepgang hadden en tot hoog water ten anker moesten blijven liggen; het was toen pas ’t begin van den vloed en zij hadden nog vijf uren den tijd. Voor het overige verwijs ik mijn lezers, die de geschiedenis naar waarheid verlangen te weten, naar het verslag van den krijgsraad, die later is gehouden geworden; het gebeurde is door verschillende schrijvers uit dien tijd van alle kanten beschreven. Alleen wil ik opmerken dat, als men de commandanten onzer schepen naar eigen goeddunken had laten handelen, nog veel meer uitgevoerd zou zijn geworden,—met welken uitslag moet ik echter in het midden laten.Mijn commandant ging, zoodra het hem licht genoeg was, onder zeil naar binnen en kwam in een vuurgevecht met de batterijen aan den wal, terwijl hij tevens ook zijne stukken liet richten op ’s vijands schepen, die omgeslagen op het strand zaten. Isle d’Aix gaf ons eene warme ontvangst. Ik stond op den bak, terwijl van een der ankergasten het hoofd door een kanonskogel glad afgeschoten werd; de commandant, die juist daar op aan kwam, zeide alleen: »Arme drommel! Zet hem maar overboord, wij hebben nu geen tijd om naar de oorzaak van zijn dood een onderzoek in te stellen.” Geruimen tijd hadden wij het alleen vrij zwaar te verantwoorden met de batterijen en dicht daarbij zijnde schepen, vóór er van onzen kant eenige hulp kwam opdagen.Enkele van de schepen, die ons in zulk een vuurgevecht gewikkeld zagen, kwamen zich bij ons voegen. Een onzer linieschepen mengde zich in den strijd zoo netjes in orde, dat het prachtig was om aan te zien. Het was een zeer mooi schip, in keurigen staat; het scheen een levend voorwerp, zichzelf bewust van zijn overmacht over zijne tegenstanders, waarvan het de schoten, die dicht in de rondte vielen, bleek te verachten, terwijl het langzaam een bewonderenswaardige stelling voor het gevecht innam. Nadat het de zeilen vastgemaakt en de raas vierkant gebrast had, alsof het juist ter reede van Spithead ankerde, kwam het volk uit het tuig af, begaf zich naar de stukken en opende zulk een hevig vuur op ’s vijands schepen en versterkingen, dat de groote Nelson zelf, als hij er bij tegenwoordig had mogen wezen, in verrukking gebracht zou zijn. De gevolgen van deze expeditie zijn wel bekend en vorderen geene herhaling; het was een der gedenkwaardigste feiten uit den ganschen oorlog. De Franschen, traag in het erkennen hunner minderheid ter zee, onderwierpen zich thans stilzwijgend. Onze zeemacht had zijne taak volbracht; en van dit oogenblik af had voornamelijk het landleger alleen den oorlog voort te zetten.Opmerkelijk was de bijzonderheid, die den dood van den commandant van een der vernielde Fransche schepen vergezelde. Deze hoofdofficier was van boord afgehaald door een der sloepen van ons fregat, doch zich herinnerende, dat hij op zijn schip zee-instrumenten van groote waarde had achtergelaten, verzocht hij onzen bevelhebber met hem in de giek te gaan, om ze weg te halen vóór het vaartuig geheel uitbrandde. Dit gebeurde; daar de giek in gewone omstandigheden,slechts voor één persoon plaats aanbood, zaten de beide officieren, dicht tegen elkaar aan op een plankje van twee voet lang, dat over het achterboord voor hen was neergelegd. Toen zij een van de in brand staande Fransche schepen voorbijvoeren, gingen daar aan boord, achtereenvolgens naarmate zij door het vuur bereikt werden, de kanonnen af; door een groot toeval nam een dier kogels de plank onder de beide kapiteins weg; de Engelsche kreeg geen letsel, doch de Franschman werd door de splinters, die hem in ’t lijf drongen, gedood. Later op den avond werden de op het strand zittende Fransche linieschepen mede in brand gestoken en gaven een schitterende, doch zeer kostbare verlichting. Wij lagen er dicht genoeg bij, om de splinters, die er van af vlogen, op ons dek te krijgen.Onder onze gesneuvelden was een Hollander, bootsmansmaat van beroep, wien vergund was zijne vrouw bij zich aan boord te hebben; met die wederhelft had hij nog al dikwijls overhoop gelegen, zoodat zij een eigenaardig soort van eerbied had gekregen voor den stok, dien haar man in zijne kwaliteit verplicht was altijd te dragen; met allen eerbied voor de schoone sekse, moet ik verklaren, dat de meeste kastijdingen, die zij op die wijze ontving, wel verdiend waren. Toen een kanonskogel haren wettigen beschermer het leven had benomen, zat zij diep bedroefd naast zijne verminkte overblijfselen en deed zeer vele totaal vruchtelooze pogingen om te weenen; een traan uit het eene oog biggelde langs hare wang en verloor zich weder in den mond, een traan uit het andere oog nam tegelijkertijd eene evenwijdige route, doch was niet lijvig genoeg om het zoover te brengen, stopte halverwege, vermengde zich met den rook en kruitdamp, die ons omringde, vormde een klein zwart eiland op haar gelaat en schonk daardoor haar heldhaftige smart een echten rouwtraan. Van dit bewijs harer echtelijke genegenheid wilde zij zich eerst den volgenden dag ontdoen, toen de laatste treurige eer aan haar getrouwen Achilles was bewezen geworden; toen waschte zij zich het gelaat en vond hare oude glimlachjes weder.Wij kregen in last met brieven naar Spithead te zeilen, en lang vóór wij aldaar aankwamen, had zij reeds den sergeant der mariniers tot den gelukkigsten aller stervelingen gemaakt door de belofte met hem te zullen trouwen vóór wij op onzen volgenden kruistocht naar zee zouden gaan, een belofte die eerlijk vervuld werd.Er was aan boord eene plaats voor adelborst opengekomen, die de commandant mij aanbood. Vol blijdschap nam ik die aan, te meer daar ik vernomen had, dat ons fregat deel zoude uitmaken van de op handen zijnde Schelde-expeditie.
Negende hoofdstuk.Genoegen en verdriet zijn in de jeugd meesttijds slechts vluchtige indrukken, hetzij ze hun bestaan ontleenen aan het bezit of aan het verlies van wereldsche genietingen, dan wel aan het gevoel van in ons leven goed of slecht gehandeld te hebben. De opwekking is, hoe sterk ook, zelden van langen duur: zoo ging het mij. Ik was nog geen vier dagen aan boord van het linieschip, waarmede ik naar Engeland terugging, of mijne neerslachtigheid was geheel geweken. De uren van ernstig nadenken werden eerst bekort en toen geheel afgeschaft. De algemeene vroolijkheid bij mijne nieuwe makkers bij de gedachte aan het spoedig weerzien van hun dierbaar vaderland, het vooruitzicht van de meer of minder passende vermaken, die hen aan wal wachtten, en dat het gewone onderwerp van gesprek onder de adelborsten was,—dit alles bracht er toe bij om de godsdienstigegemoedsstemming, waarin ik van mijn eersten commandant afscheid had genomen, genoegzaam geheel te verflauwen en het bewustzijn te doen ontwaken van de dwaasheid, die ik begaan had van een schip te verlaten, waar ik mij zoo op mijn plaats gevoelde en groote kans op spoedige bevordering had. Ik begon te meenen, dat ik heel onverstandig had gehandeld, en was in eene stemming om, in weerwil van de goede voornemens, die ik gehad had, opnieuw het pad van lichtzinnigheid en velerlei verkeerdheden in te slaan.Wij kwamen na een overtocht van gemiddelden duur in Engeland aan. Ik stemde er in toe twee dagen in Portsmouth over te blijven, om met mijne nieuwe kameraden onze oude uitspanningsplaatsen terug te zien en ons aan allerlei buitensporigheden over te geven, die slechts hartzeeren verdriet in het gemoed achterlaten, wanneer het scheidingsuur geslagen is. Ik behield echter wilskracht genoeg over om tijdig mijn koffer te pakken, en na een overdadig souper geraakte ik dronken te bed en pakte mij, des anderen morgens met een van hoofdpijn barstend hoofd, in de koets naar Londen.Eene groote gedruktheid volgde op de buitensporige vroolijkheid der laatste dagen. De eerste uren bracht ik slapende in een hoek van den wagen door; bij de eerste uitspanning verfrischte ik mij en nam mijne plaats weder in. Toen wij verder reden, had ik meer tijd en was ook mijne gemoedsstemming gunstiger om na te denken over al het gebeurde, sedert ik mijn schip te Gibraltar verlaten had. Zooals gewoonlijk, leverde mijn zelfonderzoek geen voldoenden uitslag op. Ik moest erkennen, dat het voorbeeld van slecht gezelschap alle sporen had uitgewischt van de goede voornemens, die ik had opgevat na het bericht van den dood mijner moeder. Ik zag met schaamte, dat ik op mijzelf niet kon rekenen; ik had al mijn goede plannen en de ernstige geloften van beterschap, die ik mijzelf had opgelegd, vergeten en was bezweken voor de allereerste verleiding, die mij in den weg was gekomen.Toen dacht ik aan de treurigheid, waarmede mijn weder te huis komen gepaard ging—aan de smartelijke leegte aldaar door den dood mijner moeder achtergelaten—aan het verdriet van mijn vader—aan den diepen rouw van mijn broeder en mijne zusters; opnieuw stond mijn eerste vertrek in al zijne bijzonderheden mij voor den geest, toen zij doodsbedroefd in zwijm in mijns vaders armen viel, terwijl ik gevoelloos mijn hoofd afwendde om hare droefheid niet te zien. Opnieuw deed ik geloften van beterschap en vond daarin eenige troost.Toen ik aan mijn ouderlijk huis aangeklopt had, wenschte de bediende die mij inliet, mij luid en hartelijk welkom. Ik liep door naar het salon, waar mijn broeder en zusters een groote partij kinderen bij zich hadden. Zij dansten op de muziek eener piano, door mijne tante bespeeld, terwijl mijn vader blijkbaar in vroolijke stemming daarnaar, in eengemakkelijkenstoel gezeten, keek.Dit was een heel ander schouwspel, dan ik mij had voorgesteld. Ik was bereid op eene ernstig gestemde, hartelijke doch aandoenlijke ontmoeting en in eene daartoe geschikte gemoedsstemming verkeerde ik geheel en al. Oordeel dus over den plotselingen omkeer in mijn gevoel, toen ik dartele vroolijkheid aantrof, waar ik tranen en klaagliederen verwachthad. Ik had niet bedacht, dat de dood van mijne moeder, die mij nog pas korten tijd bekend was, inderdaad hier reeds zes maanden geleden was voorgevallen; en dat door den tijd ook de smart over dat verlies was verzacht. Ik stond verbaasd over hunne schijnbare gevoelloosheid; en zij zagen met evenveel verwondering naar mijn bedrukt gelaat en naar de teekens van rouw aan mijne kleederen.Met eenige verrassing heette mijn vader mij welkom, vroeg waar mijn schip was, en om welke reden het terug was gekomen. Ik had namelijk bij mijn plotseling opgekomen besluit om naar Engeland terug te keeren, verzuimd om daarvan kennis te geven; en zelfs al had ik dit gedaan, dan zou ik in persoon even spoedig aangekomen zijn als mijn brief, tenzij ik (wat eigenlijk mijn plicht was geweest) bij aankomst te Portsmouth had geschreven, in plaats van dáár mijn tijd te verbrassen en te verknoeien. Aangezien ik, in tegenwoordigheid van zooveel getuigen, het geheele geval niet zoo dadelijk kon vertellen, maakte ik daardoor op mijn vader reeds een slechten indruk. Natuurlijk dacht hij, dat eene of andere laakbare handeling, door mij gepleegd, aanleiding tot mijne onverwachte opzending had gegeven. Zijn voorhoofd rimpelde zich met saamgetrokken wenkbrauwen en hij scheen diep in gedachten verzonken.Deze houding van mijn vader, te gelijk met het ergerlijke rumoer, dat mijn broeder en zusters maakten, hinderden mij zeer. Ik gevoelde haast, dat ik mij het treurige nieuws van den dood mijner moeder te zwaar had aangetrokken, en besefte de opoffering van mijn verlaten van het schip. Toen ik later, met mijn vader alleen zijnde, hem de beweegredenen voor mijn gedrag verklaarde, was ik daarin ook niet gelukkig. Hij kon niet aannemen, dat de dood mijner moeder de eenige reden voor mijne terugkomst naar Engeland was. Ik moest een weinig zachtzinnig verhoor ondergaan omtrent het nut, dat zou kunnen voortvloeien uit mijn ontslag van het schip. Bij het lezen van het, door mij medegebrachte, schoone getuigschrift maakte hij zich nog meer boos. Tevergeefs voerde ik mijne groote droefheid aan. Hij antwoordde daarop met eene opmerking,—die ik erkennen moet als onwederlegbaar—dat ik mijn schip verlaten had, toen ik daar in blakende gunst was en op den weg tot fortuin. »En wat”, vroeg hij, »moet er van den zeedienst en van het vaderland terechtkomen, als ieder officier maar dadelijk naar huis komt, bij het eerste bericht, dat er een van zijne familiebetrekkingen dood is?”Naarmate mijns vaders bewijsgronden meer overtuigend werden, vernietigden zij tegelijkertijd den goeden indruk, dien de laatste aanbevelingen mijner moeders op mij hadden gemaakt. Was inderdaad haar dood zoo’n gewone zaak, dan waren ook hare laatste woorden van weinig gewicht; en van dat oogenblik af, dacht ik minder en minder aan haar. Mijn vader behandelde mij geheel anders dan gedurende moeders leven. Wat ik verzocht, werd mij gewoonlijk op een onaangenamen toon geweigerd, en ik werd eigenlijk behandeld als een kind en geenszins als een jongeling van achttien jaren, die reeds zooveel van de wereld gezien had. Koelheid van zijnen kant, bevorderde verzet van den mijnen. Daarbij kwam mijn oude trots weer boven. Eens kregen wij een ernstig verschil van meening, aan het eind waarvan ik hem te verstaan gaf, dat, als ik niet rustig onder zijn dak kon leven, ik naar elders zou gaan. Koeltjes gaf hij mij den raad dit maar te doen. Weinig vermoedende, dat ik daaraan gevolg zou geven, zag hij mij de kamer verlaten, waarvan ik hard de deur achter mij dichtsloeg. Ik pakte een kleinen voorraad linnengoed bijeen en vertrok onbemerkt met mijn pakje over den schouder en ongeveer zestien shillings in den zak.Dit was eene verkeerde handelwijze van mijn vader maar een nog veel verkeerder van mijnen kant. Hij verlangde mij weer te zien varen, en ik wilde niets liever dan dat; maar zijn ongeduld en mijne trotschheid bedierven alles. Wel kwam ik spoedig tot nadenken, maar toen was het reeds te laat. De duisternis viel in, ik had geen dak boven bet hoofd, en mijne financiën waren in een treurigen toestand. Ongeveer zes mijlen had ik te voet afgelegd en ik begon vermoeid te worden. Terwijl het geheel donker werd, had ik nog geen plan beraamd. Een rijtuig kwam mij voorbij, ik sprong er achterop en had ongeveer nog vier mijlen zóó afgelegd, toen, daar het langzaam eene hoogte opging, de personen die in het rijtuig zaten, mij ontdekten en den inmiddels afgestegen postiljon hiervan kennis gaven. Deze haalde een paar malen de zweep over mij heen, bewerende dat ik niet alleen nutteloos was, maar buitengewoon erg hinderlijk in den weg zat en best gemist kon worden.De lezers hebben reeds uit mijne vroegere levensgeschiedenis kunnen opmaken, dat ik nooit wraakneming verzuimde; ik wachtte nu geduldig af tot de drijver weer opgestegen was en de top van den heuvel bereikt had, waarop ik hem behendig een steen naar het hoofd slingerde, waardoor hij van zijn paard tuimelde en dit en de andere te gelijk aan hethollen sloegen, den heuvel af. De postiljon sukkelde weer overeind en paarden en wagen achterna, geen tijd kunnende missen om den dader te zoeken. Ik stapte haastig den anderen kant uit, maar gunde mij ook volstrekt geen tijd, om eens na te denken over het lot der reizigers, wiens zweepslagen ik nog gevoelde.»Dwazen en vlegels,” mompelde ik, toen ik hen achter den heuvel zag verdwijnen in een schrikwekkende vaart, »gij hebt uw verdiende loon. Ik had mij tegenover u een vrijheid veroorloofd, dat is waar, maar een beleefd verzoek van uwe zijde zou voldoende zijn geweest, om mij te doen afstijgen; maar mij te slaan....!” Het bloed kookte mij opnieuw bij de herinnering en haastig liep ik voort.In korten tijd bereikte ik het kleine stadje X, waarvan ik de lichten reeds bespeurd had, toen de paarden aan den hol gingen. De eerste de beste herberg binnentredende, vond ik het grootebenedenvertrekbezet door een troep rondreizende tooneelspelers, die juist binnengekomen waren van eene goedgeslaagde voorstelling van de »Romeo en Julia.” Uit hunne opgewonden stemming kon ik opmaken, dat zij vooraf ook wel op de toejuichingen hadden gerekend. Zij waren veertien in getal, en zetten zich om een tafel, waarop een keurig souper was aangericht; daar zij hunne tooneelkleeding nog niet verwisseld hadden en de wijnflesch rustig de ronde deed, had het geheel een zeer romantisch aanzien, bijzonder geschikt om op het gemoed te werken van een gedachteloozen adelborst.Door mijn tocht zeer hongering geworden, besloot ik mede te soupeeren, waartegen geen bezwaar bestond, omdat de tafel publiek was. Eene van de actrices, een aardig lief persoontje, met groote, gitzwarte oogen, werd, zonder dat zij dit op prijs scheen te stellen, door een aantal boersche jonge pachters uit de buurt het hof gemaakt. Zij trok vooral mijne aandacht, doordien zij eenigszins zwaarmoedig vóór zich uitkeek, hoogst zeldzaam glimlachte, doch dan een bekoorlijk mondje met hagelwitte tanden liet zien. Het kwam mij voor, dat zij tot een beteren stand behoorde, en ondanks haarzelve in dit gezelschap verkeerde. Degeen, die zich naast haar had neergezet, ging heen, toen hij zag, dat zijne oplettendheden niet in den smaak vielen. Ik nam dadelijk die plaats in en begon op zeer eerbiedigen toon een gesprek met de jonge dame.Het scheen, dat zij zich daardoor gevleid en meer op haar gemak gevoelde. Misschien wel omdat zij in mijn praten meer behagen schepte,dan in de wijze, waarop men gewoonlijk met haar omging, begon zij hoe langer hoe vertrouwelijker in hare antwoorden te worden en toonde zeer beschaafd te zijn. Ons gesprek had reeds een tijdlang geduurd, toen het verstoord werd door een voor de deur stilhoudenden wagen en het geroep van »help! help!” Ik vloog onmiddellijk naar buiten.Het was een heer, die eene jonge dame, die bewusteloos scheen, in zijne armen uit een rijtuig droeg. Met mijne hulp werd zij binnen en naar eene slaapkamer gebracht. Er werd om een chirurgijn gezonden, doch de eenige, die in de stad gepatenteerd was, scheen ongelukkig naar buiten geroepen te zijn en werd niet zoo gauw terugverwacht. Maar er was geen tijd te verliezen; ik begreep, dat er dadelijk eene aderlating noodig was. De paarden waren namelijk op hol geraakt en het rijtuig was bij een draai van den weg omgeslagen; toen was de jonge dame van den schrik bezwijmd. In den dienst, door aan boord veeltijds de operatiën van den dokter bij te wonen en dikwijls een kijkje in den ziekenboeg te nemen, was ik aan het zien van bloed gewoon geraakt en had ik wel eenige heelkundige kennis opgedaan. Ik gaf dus aan wat ik meende dat noodig was, en bood mijne hulp aan; dankbaar werd deze door den vader van het meisje (zooals hij bleek te zijn) aangenomen. Met een scherp pennemes opende ik een ader in den schoonen blanken arm en had de voldoening spoedig bloed te zien, kort daarop een krachtiger polsslag te voelen en eindelijk de patiënte hare groote blauwe oogen te zien openen, die mij de grootste bewondering afdwongen.Toen de zieke weer tot volledig bewustzijn was teruggekeerd, raadde ik nog eenige koppen thee aan en verder een spoedige rust in een warm bed. Eenigen tijd later kwam de werkelijke geneesheer, die dadelijk naar de ongesteldheid onderzoek deed en uit de ziekenkamer terugkeerende, zijne bijzondere goedkeuring over de behandeling gaf, er bij opmerkende, dat deze hoogstwaarschijnlijk het leven van de lijderes had gered. »Maar veroorloof mij te vragen,” zeide de dokter zich tot den vader wendende, »hoe het geval zich heeft toegedragen?” De toedracht van het gebeurde werd nu naar waarheid medegedeeld. Voor mij was er geen nieuws bij, omdat ik de aanleiding tot het op hol gaan van de paarden was geweest, in welke hoedanigheid ik mij wijselijk niet kenbaar maakte. Ik moest dus, zonder dat ik er iets tegen in kon brengen, vernemen, dat ik een grooten »schurkenstreek” had uitgehaald, entoen ik er over nadacht, moest ik de waarheid van die beschuldiging erkennen. Ik schaamde mij nu halfdood over mijne handeling, waardoor bijna zoo’n kostbaar menschenleven was verloren gegaan. Doch daar alles nog goed terecht was gekomen en niemand de minste achterdocht op mij had gekregen, troostte ik mij spoedig en nam de loftuitingen, die mij zoowel door den vader als door den geneeskundige toegezwaaid waren, met gepasten ernst in ontvangst.Toen ik mij ’s avonds ter rust begaf, begon mijn geweten opnieuw zijne stem te doen hooren: »dit dan mijnheer, is de weg van berouw en beterschap die gij zijt ingeslagen. Gij beleedigt uw vader; verlaat zijn huis; springt als een landlooper achter op een rijtuig; wordt er afgeranseld, breekt een armen man, die eerlijk voor vrouw en kinderen de kost verdient, de ribben, veroorzaakte het omslaan van den wagen en daardoor bijna den dood van een beminnelijk meisje! En al dit kwaad weet gij binnen den tijd van zes uren ten uitvoer te brengen! Waar moet dit heen?”Het antwoord, dat ik zelf op die gewetensvraag moest geven, was weinig bevredigend, te meer daar mij op dat oogenblik mijn ledige geldbeurs in het oog viel: »de galg, want tenzij er een wonder met mij gebeurt, zal ik nog een straatroover moeten worden ook.” Onder dergelijke overdenkingen, raakte ik in slaap. Reeds vroeg in den morgen ontwaakte ik door het vroolijke vogelgetjilp bij mijn venster, en was mijne eerste gedachte dadelijk aan een nieuw bezwaar, dat zich op deed. Wat moest ik wel van mijzelf zeggen, wanneer, wat hoogst waarschijnlijk gebeuren zou, de vader van de jonge dame nader kennis met mij verlangde te maken. Zou ik de waarheid spreken of er om liegen? Uit kracht der gewoonte, helde ik tot het laatste over; doch nam geene beslissing hierin, vertrouwende dat de loop van het gesprek mij wel raad zou geven. Mijne overdenkingen werden gestoord door de kamermeid die klopte en namens »den heer van die jonge dame van gisteren,” kwam zeggen, dat hij mij aan het ontbijt zoude wachten, als ik hem die eer wilde aandoen.Toen ik aan die uitnoodiging voldeed, maakte reeds spoedig na mijn binnentreden, mijn gastheer zich kenbaar als: Sommerville van——Ik herinnerde mij flauw dien naam meer te hebben gehoord, en wel door mijn vader, en deed moeite mij te binnen te brengen bij welke gelegenheid dit was geweest, toen de heer Sommerville mij zeide, dathij thans ook hoopte de eer te zullen hebben den naam te vernemen van den redder zijner dochter. Daar ik thans geene gelegenheid had zoo spoedig een andere te verzinnen, antwoordde ik: Mildmay te heeten.»Toch niet Mildmay van ——?” vroeg hij, »en een zoon van mijn ouden vriend? Dat kan haast niet, want die had twee zoons, een die studeerde en een ander, die bij de marine diende en een aardige jongen moet zijn, die nu bij het eskader in de Middellandsche zee is; doch gij behoort zeker tot zijne familie?”Vóór ik deze rechtstreeksche vraag kon beantwoorden, werd de deur van een aangrenzend vertrek geopend en trad missSommerville binnen. Geheel van den schrik van gisteren hersteld, had zij thans den blos van gezondheid op hare wangen, was, in zijn geheel genomen, eene allerliefelijkste verschijning, vooral door den vriendelijke glimlach die uit hare oogen straalde, toen zij mij minzaam de hand toestak en ook haren dank betuigde voor het aandeel dat ik in hare zoo spoedige beterschap had gehad.Ik verloor bij die aanspraak het hoofd, wist van verlegenheid niets te zeggen, stamelde een paar woorden, die ik mij niet meer weet te binnen te brengen of zij in het Engelsch of in het Fransch waren, en gaf daardoor—zeer ten onrecht—den indruk van een zeer zedig jong mensch te zijn.Daar het mij in mijne schooljaren zoo dikwijls overkomen was om gestraft te worden voor misdaden, die ik niet had gepleegd, had ik mij toen reeds aangewend om, toevallig in mijne richting gedwaalde, loftuitingen, belooningen of goedkeuringen, zelfs wanneer zij het allerminst verdiend waren, als eerlijk mij toekomende, in ontvangst te nemen. Zoo deed ik ook thans met de gunstige beoordeeling die mij ten deel viel, zette mij tusschen vader en dochter neder, en deed alle eer aan het zeer gezellige ontbijt. Miss Sommerville zou een paar uren later met haren vader de reisvoortzetten.Toen de tafel afgeloopen was, verwijderde zich de heer Sommerville om daartoe de noodige toebereidselen te maken, en bleef ik eenige oogenblikken met de jonge dame alleen. In dien tusschentijd vernam ik, dat zij de eenige dochter en hare moeder overleden was; zij sprak ook weer over mijne familienaam, en ik hoorde, dat, vóór mevrouw Sommerville’s dood, mijn vader zeer intiem met hare ouders was geweest. Ik was op de vraag van den heer Sommerville het antwoord schuldig gebleven.Zij vroeg mij hetzelfde en nam mij zoo scherp in het verhoor, dat ik niet in staat was een leugen te vertellen. Het zou eene schandelijke vergrooting van mijn misdrijf zijn geweest, en daarom bekende ik eerlijk de zoon te zijn van haars vaders vriend, den heer Mildmay.»Wel, goede hemel!” zeide zij, »waarom hebt gij dit niet aan mijn vader verteld?”»Omdat ik er dan eene heele verklaring bij had moeten geven,” vervolgde ik, haar in mijn vertrouwen nemende; »ik ben de adelborst, die mijnheer Sommerville meent, dat in de Middellandsche Zee is, en ik ben gisterenavond uit mijns vaders huis weggeloopen.”Hoewel ik zoo kort mogelijk in mijn verhaal was, had ik nog niet geheel uitgesproken, toen mijnheer Sommerville weer in de kamer kwam.»O, papa!” riep zijne dochter uit, »mijnheer is toch Frank Mildmay.”Ik wierp haar een zacht verwijtenden blik toe, omdat zij mij verraden had; haar vader keek verbaasd op. Er bleef mij nu niets over dan eene gulle, volledige bekentenis; ik zorgde daarbij echter van het werpen van den steen niet te reppen. Mr. Sommerville laakte mijn gedrag ten zeerste, wat ik eene wel wat groote vrijpostigheid vond, doch verzachtte dit weer door er bij te voegen: »Als gij wist, hoe na de belangen uwer familie mij ter harte gaan, zoudt gij niet verwonderd zijn, mij als een eigen bloedverwant van u te hooren spreken.” Ik zag Emilia aan en slikte het standje.»En Frank,” ging hij voort, »wanneer ik u vertel, dat ik steeds met het meeste genoegen uwe carrière ter zee gevolgd heb, dan zult gij wel een goeden raad van mij willen aannemen en naar huis terugkeeren. Bespaar mij het leed te moeten ondervinden, dat iemand, aan wien ik zulke verplichtingen heb, te trotsch zou zijn om schuld te bekennen. Ik eerbiedig fiere zelfstandigheid in eene goede zaak; maar tegenover zijne ouders behoort men die niet zoo spoedig te toonen. Misschien ziet gij er tegen op, maar ik wil het u gemakkelijker maken door aan uwen vader te schrijven; blijf gij dan hier, tot ge eerst van mij gehoord hebt. Gaarne zou ik u eenigen tijd te ..... Hall te logeeren willen hebben, maar eerst moet gij naar uw vader terug. Nu, denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb. En laat ik u dit geven” (hierbij overhandigde hij mij een bankje van 10 £) »want ik vrees, dat gij schraal bij kas zult zijn.” Dit had hij zeer goed geraden; zijne gift werd dus met meer dankbaarheid aangenomen dan zijn goede raad.Hij verliet de kamer, onder voorwendsel van de rekening te gaan betalen, maar, ik geloof, eigenlijk om mij eenige oogenblikken met zijne dochter alleen te laten en te beproeven, wat deze op mijne hardnekkigheid kon uitwerken. Die korte tijd methaarhad meer effect, dan wanneer ik met ons beider vaders was opgesloten geweest. Het denkbeeld, dat ik haar niet kon terugzien, vóór ik weer in mijn eigen huis was geweest, was voldoende om de belofte af te leggen, dat ik mij onderwerpen zou aan billijke, mij van mijns vaders kant op te geven voorwaarden.Toen dit overeengekomen was, bracht de heer S. bericht, dat het rijtuig vóór was; na een hartelijken handdruk voerde hij zijne bekoorlijke dochter weg, wier laatste, vriendelijk mij toegeworpen blik mij bevestigde in mijne goede voornemens.Lezer! wat uw gevoelen ook moge zijn over de verschillende kleine voorvallen van den laatsten dag, gij zult opmerken dat zij voor mijn verder leven van zeer grooten invloed waren. Trots verleidde mij tot verlaten van mijns vaders huis; wraakzucht bracht mij voor het eerst in kennis met de heldin van dit verhaal. Maar van achteren gezien, hoe onverstandig was het van den heer Sommerville, mij mijn eigen meester te laten in de herberg, in het bezit van tien pond, in plaats van mij naar zijn eigen huis mede te nemen, tot er bericht van mijn vader zou gekomen zijn! De wijste menschen dwalen dikwijls in kleinigheden, die daardoor soms ver reikende gevolgen hebben.Aan mijzelven overgelaten, dacht ik eenigen tijd over al het gebeurde na; toen verduisterde langzamerhand het beeld van de schoone Emilia Sommerville in mijnen geest en werden mijne herinneringen aan het vroolijke tooneelgezelschap meer en meer levendig. Wat bleef mij over, dan juist bij hen mijn troost en eenige tijdpasseering te gaan zoeken?Na drie dagen ontving ik een brief van den heer Sommerville, met een van mijnen vader ingesloten. Deze verzocht mij eenvoudig om naar huis terug te keeren en hem te ontmoeten, alsof er niets onaangenaams was voorgevallen. Hier had ik wel ooren na, doch het behaagde mij in mijne nieuwe omgeving te goed om er reeds dadelijk gevolg aan te geven.
Genoegen en verdriet zijn in de jeugd meesttijds slechts vluchtige indrukken, hetzij ze hun bestaan ontleenen aan het bezit of aan het verlies van wereldsche genietingen, dan wel aan het gevoel van in ons leven goed of slecht gehandeld te hebben. De opwekking is, hoe sterk ook, zelden van langen duur: zoo ging het mij. Ik was nog geen vier dagen aan boord van het linieschip, waarmede ik naar Engeland terugging, of mijne neerslachtigheid was geheel geweken. De uren van ernstig nadenken werden eerst bekort en toen geheel afgeschaft. De algemeene vroolijkheid bij mijne nieuwe makkers bij de gedachte aan het spoedig weerzien van hun dierbaar vaderland, het vooruitzicht van de meer of minder passende vermaken, die hen aan wal wachtten, en dat het gewone onderwerp van gesprek onder de adelborsten was,—dit alles bracht er toe bij om de godsdienstigegemoedsstemming, waarin ik van mijn eersten commandant afscheid had genomen, genoegzaam geheel te verflauwen en het bewustzijn te doen ontwaken van de dwaasheid, die ik begaan had van een schip te verlaten, waar ik mij zoo op mijn plaats gevoelde en groote kans op spoedige bevordering had. Ik begon te meenen, dat ik heel onverstandig had gehandeld, en was in eene stemming om, in weerwil van de goede voornemens, die ik gehad had, opnieuw het pad van lichtzinnigheid en velerlei verkeerdheden in te slaan.
Wij kwamen na een overtocht van gemiddelden duur in Engeland aan. Ik stemde er in toe twee dagen in Portsmouth over te blijven, om met mijne nieuwe kameraden onze oude uitspanningsplaatsen terug te zien en ons aan allerlei buitensporigheden over te geven, die slechts hartzeeren verdriet in het gemoed achterlaten, wanneer het scheidingsuur geslagen is. Ik behield echter wilskracht genoeg over om tijdig mijn koffer te pakken, en na een overdadig souper geraakte ik dronken te bed en pakte mij, des anderen morgens met een van hoofdpijn barstend hoofd, in de koets naar Londen.
Eene groote gedruktheid volgde op de buitensporige vroolijkheid der laatste dagen. De eerste uren bracht ik slapende in een hoek van den wagen door; bij de eerste uitspanning verfrischte ik mij en nam mijne plaats weder in. Toen wij verder reden, had ik meer tijd en was ook mijne gemoedsstemming gunstiger om na te denken over al het gebeurde, sedert ik mijn schip te Gibraltar verlaten had. Zooals gewoonlijk, leverde mijn zelfonderzoek geen voldoenden uitslag op. Ik moest erkennen, dat het voorbeeld van slecht gezelschap alle sporen had uitgewischt van de goede voornemens, die ik had opgevat na het bericht van den dood mijner moeder. Ik zag met schaamte, dat ik op mijzelf niet kon rekenen; ik had al mijn goede plannen en de ernstige geloften van beterschap, die ik mijzelf had opgelegd, vergeten en was bezweken voor de allereerste verleiding, die mij in den weg was gekomen.
Toen dacht ik aan de treurigheid, waarmede mijn weder te huis komen gepaard ging—aan de smartelijke leegte aldaar door den dood mijner moeder achtergelaten—aan het verdriet van mijn vader—aan den diepen rouw van mijn broeder en mijne zusters; opnieuw stond mijn eerste vertrek in al zijne bijzonderheden mij voor den geest, toen zij doodsbedroefd in zwijm in mijns vaders armen viel, terwijl ik gevoelloos mijn hoofd afwendde om hare droefheid niet te zien. Opnieuw deed ik geloften van beterschap en vond daarin eenige troost.
Toen ik aan mijn ouderlijk huis aangeklopt had, wenschte de bediende die mij inliet, mij luid en hartelijk welkom. Ik liep door naar het salon, waar mijn broeder en zusters een groote partij kinderen bij zich hadden. Zij dansten op de muziek eener piano, door mijne tante bespeeld, terwijl mijn vader blijkbaar in vroolijke stemming daarnaar, in eengemakkelijkenstoel gezeten, keek.
Dit was een heel ander schouwspel, dan ik mij had voorgesteld. Ik was bereid op eene ernstig gestemde, hartelijke doch aandoenlijke ontmoeting en in eene daartoe geschikte gemoedsstemming verkeerde ik geheel en al. Oordeel dus over den plotselingen omkeer in mijn gevoel, toen ik dartele vroolijkheid aantrof, waar ik tranen en klaagliederen verwachthad. Ik had niet bedacht, dat de dood van mijne moeder, die mij nog pas korten tijd bekend was, inderdaad hier reeds zes maanden geleden was voorgevallen; en dat door den tijd ook de smart over dat verlies was verzacht. Ik stond verbaasd over hunne schijnbare gevoelloosheid; en zij zagen met evenveel verwondering naar mijn bedrukt gelaat en naar de teekens van rouw aan mijne kleederen.
Met eenige verrassing heette mijn vader mij welkom, vroeg waar mijn schip was, en om welke reden het terug was gekomen. Ik had namelijk bij mijn plotseling opgekomen besluit om naar Engeland terug te keeren, verzuimd om daarvan kennis te geven; en zelfs al had ik dit gedaan, dan zou ik in persoon even spoedig aangekomen zijn als mijn brief, tenzij ik (wat eigenlijk mijn plicht was geweest) bij aankomst te Portsmouth had geschreven, in plaats van dáár mijn tijd te verbrassen en te verknoeien. Aangezien ik, in tegenwoordigheid van zooveel getuigen, het geheele geval niet zoo dadelijk kon vertellen, maakte ik daardoor op mijn vader reeds een slechten indruk. Natuurlijk dacht hij, dat eene of andere laakbare handeling, door mij gepleegd, aanleiding tot mijne onverwachte opzending had gegeven. Zijn voorhoofd rimpelde zich met saamgetrokken wenkbrauwen en hij scheen diep in gedachten verzonken.
Deze houding van mijn vader, te gelijk met het ergerlijke rumoer, dat mijn broeder en zusters maakten, hinderden mij zeer. Ik gevoelde haast, dat ik mij het treurige nieuws van den dood mijner moeder te zwaar had aangetrokken, en besefte de opoffering van mijn verlaten van het schip. Toen ik later, met mijn vader alleen zijnde, hem de beweegredenen voor mijn gedrag verklaarde, was ik daarin ook niet gelukkig. Hij kon niet aannemen, dat de dood mijner moeder de eenige reden voor mijne terugkomst naar Engeland was. Ik moest een weinig zachtzinnig verhoor ondergaan omtrent het nut, dat zou kunnen voortvloeien uit mijn ontslag van het schip. Bij het lezen van het, door mij medegebrachte, schoone getuigschrift maakte hij zich nog meer boos. Tevergeefs voerde ik mijne groote droefheid aan. Hij antwoordde daarop met eene opmerking,—die ik erkennen moet als onwederlegbaar—dat ik mijn schip verlaten had, toen ik daar in blakende gunst was en op den weg tot fortuin. »En wat”, vroeg hij, »moet er van den zeedienst en van het vaderland terechtkomen, als ieder officier maar dadelijk naar huis komt, bij het eerste bericht, dat er een van zijne familiebetrekkingen dood is?”
Naarmate mijns vaders bewijsgronden meer overtuigend werden, vernietigden zij tegelijkertijd den goeden indruk, dien de laatste aanbevelingen mijner moeders op mij hadden gemaakt. Was inderdaad haar dood zoo’n gewone zaak, dan waren ook hare laatste woorden van weinig gewicht; en van dat oogenblik af, dacht ik minder en minder aan haar. Mijn vader behandelde mij geheel anders dan gedurende moeders leven. Wat ik verzocht, werd mij gewoonlijk op een onaangenamen toon geweigerd, en ik werd eigenlijk behandeld als een kind en geenszins als een jongeling van achttien jaren, die reeds zooveel van de wereld gezien had. Koelheid van zijnen kant, bevorderde verzet van den mijnen. Daarbij kwam mijn oude trots weer boven. Eens kregen wij een ernstig verschil van meening, aan het eind waarvan ik hem te verstaan gaf, dat, als ik niet rustig onder zijn dak kon leven, ik naar elders zou gaan. Koeltjes gaf hij mij den raad dit maar te doen. Weinig vermoedende, dat ik daaraan gevolg zou geven, zag hij mij de kamer verlaten, waarvan ik hard de deur achter mij dichtsloeg. Ik pakte een kleinen voorraad linnengoed bijeen en vertrok onbemerkt met mijn pakje over den schouder en ongeveer zestien shillings in den zak.
Dit was eene verkeerde handelwijze van mijn vader maar een nog veel verkeerder van mijnen kant. Hij verlangde mij weer te zien varen, en ik wilde niets liever dan dat; maar zijn ongeduld en mijne trotschheid bedierven alles. Wel kwam ik spoedig tot nadenken, maar toen was het reeds te laat. De duisternis viel in, ik had geen dak boven bet hoofd, en mijne financiën waren in een treurigen toestand. Ongeveer zes mijlen had ik te voet afgelegd en ik begon vermoeid te worden. Terwijl het geheel donker werd, had ik nog geen plan beraamd. Een rijtuig kwam mij voorbij, ik sprong er achterop en had ongeveer nog vier mijlen zóó afgelegd, toen, daar het langzaam eene hoogte opging, de personen die in het rijtuig zaten, mij ontdekten en den inmiddels afgestegen postiljon hiervan kennis gaven. Deze haalde een paar malen de zweep over mij heen, bewerende dat ik niet alleen nutteloos was, maar buitengewoon erg hinderlijk in den weg zat en best gemist kon worden.
De lezers hebben reeds uit mijne vroegere levensgeschiedenis kunnen opmaken, dat ik nooit wraakneming verzuimde; ik wachtte nu geduldig af tot de drijver weer opgestegen was en de top van den heuvel bereikt had, waarop ik hem behendig een steen naar het hoofd slingerde, waardoor hij van zijn paard tuimelde en dit en de andere te gelijk aan hethollen sloegen, den heuvel af. De postiljon sukkelde weer overeind en paarden en wagen achterna, geen tijd kunnende missen om den dader te zoeken. Ik stapte haastig den anderen kant uit, maar gunde mij ook volstrekt geen tijd, om eens na te denken over het lot der reizigers, wiens zweepslagen ik nog gevoelde.
»Dwazen en vlegels,” mompelde ik, toen ik hen achter den heuvel zag verdwijnen in een schrikwekkende vaart, »gij hebt uw verdiende loon. Ik had mij tegenover u een vrijheid veroorloofd, dat is waar, maar een beleefd verzoek van uwe zijde zou voldoende zijn geweest, om mij te doen afstijgen; maar mij te slaan....!” Het bloed kookte mij opnieuw bij de herinnering en haastig liep ik voort.
In korten tijd bereikte ik het kleine stadje X, waarvan ik de lichten reeds bespeurd had, toen de paarden aan den hol gingen. De eerste de beste herberg binnentredende, vond ik het grootebenedenvertrekbezet door een troep rondreizende tooneelspelers, die juist binnengekomen waren van eene goedgeslaagde voorstelling van de »Romeo en Julia.” Uit hunne opgewonden stemming kon ik opmaken, dat zij vooraf ook wel op de toejuichingen hadden gerekend. Zij waren veertien in getal, en zetten zich om een tafel, waarop een keurig souper was aangericht; daar zij hunne tooneelkleeding nog niet verwisseld hadden en de wijnflesch rustig de ronde deed, had het geheel een zeer romantisch aanzien, bijzonder geschikt om op het gemoed te werken van een gedachteloozen adelborst.
Door mijn tocht zeer hongering geworden, besloot ik mede te soupeeren, waartegen geen bezwaar bestond, omdat de tafel publiek was. Eene van de actrices, een aardig lief persoontje, met groote, gitzwarte oogen, werd, zonder dat zij dit op prijs scheen te stellen, door een aantal boersche jonge pachters uit de buurt het hof gemaakt. Zij trok vooral mijne aandacht, doordien zij eenigszins zwaarmoedig vóór zich uitkeek, hoogst zeldzaam glimlachte, doch dan een bekoorlijk mondje met hagelwitte tanden liet zien. Het kwam mij voor, dat zij tot een beteren stand behoorde, en ondanks haarzelve in dit gezelschap verkeerde. Degeen, die zich naast haar had neergezet, ging heen, toen hij zag, dat zijne oplettendheden niet in den smaak vielen. Ik nam dadelijk die plaats in en begon op zeer eerbiedigen toon een gesprek met de jonge dame.
Het scheen, dat zij zich daardoor gevleid en meer op haar gemak gevoelde. Misschien wel omdat zij in mijn praten meer behagen schepte,dan in de wijze, waarop men gewoonlijk met haar omging, begon zij hoe langer hoe vertrouwelijker in hare antwoorden te worden en toonde zeer beschaafd te zijn. Ons gesprek had reeds een tijdlang geduurd, toen het verstoord werd door een voor de deur stilhoudenden wagen en het geroep van »help! help!” Ik vloog onmiddellijk naar buiten.
Het was een heer, die eene jonge dame, die bewusteloos scheen, in zijne armen uit een rijtuig droeg. Met mijne hulp werd zij binnen en naar eene slaapkamer gebracht. Er werd om een chirurgijn gezonden, doch de eenige, die in de stad gepatenteerd was, scheen ongelukkig naar buiten geroepen te zijn en werd niet zoo gauw terugverwacht. Maar er was geen tijd te verliezen; ik begreep, dat er dadelijk eene aderlating noodig was. De paarden waren namelijk op hol geraakt en het rijtuig was bij een draai van den weg omgeslagen; toen was de jonge dame van den schrik bezwijmd. In den dienst, door aan boord veeltijds de operatiën van den dokter bij te wonen en dikwijls een kijkje in den ziekenboeg te nemen, was ik aan het zien van bloed gewoon geraakt en had ik wel eenige heelkundige kennis opgedaan. Ik gaf dus aan wat ik meende dat noodig was, en bood mijne hulp aan; dankbaar werd deze door den vader van het meisje (zooals hij bleek te zijn) aangenomen. Met een scherp pennemes opende ik een ader in den schoonen blanken arm en had de voldoening spoedig bloed te zien, kort daarop een krachtiger polsslag te voelen en eindelijk de patiënte hare groote blauwe oogen te zien openen, die mij de grootste bewondering afdwongen.
Toen de zieke weer tot volledig bewustzijn was teruggekeerd, raadde ik nog eenige koppen thee aan en verder een spoedige rust in een warm bed. Eenigen tijd later kwam de werkelijke geneesheer, die dadelijk naar de ongesteldheid onderzoek deed en uit de ziekenkamer terugkeerende, zijne bijzondere goedkeuring over de behandeling gaf, er bij opmerkende, dat deze hoogstwaarschijnlijk het leven van de lijderes had gered. »Maar veroorloof mij te vragen,” zeide de dokter zich tot den vader wendende, »hoe het geval zich heeft toegedragen?” De toedracht van het gebeurde werd nu naar waarheid medegedeeld. Voor mij was er geen nieuws bij, omdat ik de aanleiding tot het op hol gaan van de paarden was geweest, in welke hoedanigheid ik mij wijselijk niet kenbaar maakte. Ik moest dus, zonder dat ik er iets tegen in kon brengen, vernemen, dat ik een grooten »schurkenstreek” had uitgehaald, entoen ik er over nadacht, moest ik de waarheid van die beschuldiging erkennen. Ik schaamde mij nu halfdood over mijne handeling, waardoor bijna zoo’n kostbaar menschenleven was verloren gegaan. Doch daar alles nog goed terecht was gekomen en niemand de minste achterdocht op mij had gekregen, troostte ik mij spoedig en nam de loftuitingen, die mij zoowel door den vader als door den geneeskundige toegezwaaid waren, met gepasten ernst in ontvangst.
Toen ik mij ’s avonds ter rust begaf, begon mijn geweten opnieuw zijne stem te doen hooren: »dit dan mijnheer, is de weg van berouw en beterschap die gij zijt ingeslagen. Gij beleedigt uw vader; verlaat zijn huis; springt als een landlooper achter op een rijtuig; wordt er afgeranseld, breekt een armen man, die eerlijk voor vrouw en kinderen de kost verdient, de ribben, veroorzaakte het omslaan van den wagen en daardoor bijna den dood van een beminnelijk meisje! En al dit kwaad weet gij binnen den tijd van zes uren ten uitvoer te brengen! Waar moet dit heen?”
Het antwoord, dat ik zelf op die gewetensvraag moest geven, was weinig bevredigend, te meer daar mij op dat oogenblik mijn ledige geldbeurs in het oog viel: »de galg, want tenzij er een wonder met mij gebeurt, zal ik nog een straatroover moeten worden ook.” Onder dergelijke overdenkingen, raakte ik in slaap. Reeds vroeg in den morgen ontwaakte ik door het vroolijke vogelgetjilp bij mijn venster, en was mijne eerste gedachte dadelijk aan een nieuw bezwaar, dat zich op deed. Wat moest ik wel van mijzelf zeggen, wanneer, wat hoogst waarschijnlijk gebeuren zou, de vader van de jonge dame nader kennis met mij verlangde te maken. Zou ik de waarheid spreken of er om liegen? Uit kracht der gewoonte, helde ik tot het laatste over; doch nam geene beslissing hierin, vertrouwende dat de loop van het gesprek mij wel raad zou geven. Mijne overdenkingen werden gestoord door de kamermeid die klopte en namens »den heer van die jonge dame van gisteren,” kwam zeggen, dat hij mij aan het ontbijt zoude wachten, als ik hem die eer wilde aandoen.
Toen ik aan die uitnoodiging voldeed, maakte reeds spoedig na mijn binnentreden, mijn gastheer zich kenbaar als: Sommerville van——
Ik herinnerde mij flauw dien naam meer te hebben gehoord, en wel door mijn vader, en deed moeite mij te binnen te brengen bij welke gelegenheid dit was geweest, toen de heer Sommerville mij zeide, dathij thans ook hoopte de eer te zullen hebben den naam te vernemen van den redder zijner dochter. Daar ik thans geene gelegenheid had zoo spoedig een andere te verzinnen, antwoordde ik: Mildmay te heeten.
»Toch niet Mildmay van ——?” vroeg hij, »en een zoon van mijn ouden vriend? Dat kan haast niet, want die had twee zoons, een die studeerde en een ander, die bij de marine diende en een aardige jongen moet zijn, die nu bij het eskader in de Middellandsche zee is; doch gij behoort zeker tot zijne familie?”
Vóór ik deze rechtstreeksche vraag kon beantwoorden, werd de deur van een aangrenzend vertrek geopend en trad missSommerville binnen. Geheel van den schrik van gisteren hersteld, had zij thans den blos van gezondheid op hare wangen, was, in zijn geheel genomen, eene allerliefelijkste verschijning, vooral door den vriendelijke glimlach die uit hare oogen straalde, toen zij mij minzaam de hand toestak en ook haren dank betuigde voor het aandeel dat ik in hare zoo spoedige beterschap had gehad.
Ik verloor bij die aanspraak het hoofd, wist van verlegenheid niets te zeggen, stamelde een paar woorden, die ik mij niet meer weet te binnen te brengen of zij in het Engelsch of in het Fransch waren, en gaf daardoor—zeer ten onrecht—den indruk van een zeer zedig jong mensch te zijn.
Daar het mij in mijne schooljaren zoo dikwijls overkomen was om gestraft te worden voor misdaden, die ik niet had gepleegd, had ik mij toen reeds aangewend om, toevallig in mijne richting gedwaalde, loftuitingen, belooningen of goedkeuringen, zelfs wanneer zij het allerminst verdiend waren, als eerlijk mij toekomende, in ontvangst te nemen. Zoo deed ik ook thans met de gunstige beoordeeling die mij ten deel viel, zette mij tusschen vader en dochter neder, en deed alle eer aan het zeer gezellige ontbijt. Miss Sommerville zou een paar uren later met haren vader de reisvoortzetten.
Toen de tafel afgeloopen was, verwijderde zich de heer Sommerville om daartoe de noodige toebereidselen te maken, en bleef ik eenige oogenblikken met de jonge dame alleen. In dien tusschentijd vernam ik, dat zij de eenige dochter en hare moeder overleden was; zij sprak ook weer over mijne familienaam, en ik hoorde, dat, vóór mevrouw Sommerville’s dood, mijn vader zeer intiem met hare ouders was geweest. Ik was op de vraag van den heer Sommerville het antwoord schuldig gebleven.Zij vroeg mij hetzelfde en nam mij zoo scherp in het verhoor, dat ik niet in staat was een leugen te vertellen. Het zou eene schandelijke vergrooting van mijn misdrijf zijn geweest, en daarom bekende ik eerlijk de zoon te zijn van haars vaders vriend, den heer Mildmay.
»Wel, goede hemel!” zeide zij, »waarom hebt gij dit niet aan mijn vader verteld?”
»Omdat ik er dan eene heele verklaring bij had moeten geven,” vervolgde ik, haar in mijn vertrouwen nemende; »ik ben de adelborst, die mijnheer Sommerville meent, dat in de Middellandsche Zee is, en ik ben gisterenavond uit mijns vaders huis weggeloopen.”
Hoewel ik zoo kort mogelijk in mijn verhaal was, had ik nog niet geheel uitgesproken, toen mijnheer Sommerville weer in de kamer kwam.
»O, papa!” riep zijne dochter uit, »mijnheer is toch Frank Mildmay.”
Ik wierp haar een zacht verwijtenden blik toe, omdat zij mij verraden had; haar vader keek verbaasd op. Er bleef mij nu niets over dan eene gulle, volledige bekentenis; ik zorgde daarbij echter van het werpen van den steen niet te reppen. Mr. Sommerville laakte mijn gedrag ten zeerste, wat ik eene wel wat groote vrijpostigheid vond, doch verzachtte dit weer door er bij te voegen: »Als gij wist, hoe na de belangen uwer familie mij ter harte gaan, zoudt gij niet verwonderd zijn, mij als een eigen bloedverwant van u te hooren spreken.” Ik zag Emilia aan en slikte het standje.
»En Frank,” ging hij voort, »wanneer ik u vertel, dat ik steeds met het meeste genoegen uwe carrière ter zee gevolgd heb, dan zult gij wel een goeden raad van mij willen aannemen en naar huis terugkeeren. Bespaar mij het leed te moeten ondervinden, dat iemand, aan wien ik zulke verplichtingen heb, te trotsch zou zijn om schuld te bekennen. Ik eerbiedig fiere zelfstandigheid in eene goede zaak; maar tegenover zijne ouders behoort men die niet zoo spoedig te toonen. Misschien ziet gij er tegen op, maar ik wil het u gemakkelijker maken door aan uwen vader te schrijven; blijf gij dan hier, tot ge eerst van mij gehoord hebt. Gaarne zou ik u eenigen tijd te ..... Hall te logeeren willen hebben, maar eerst moet gij naar uw vader terug. Nu, denk eens na over hetgeen ik u gezegd heb. En laat ik u dit geven” (hierbij overhandigde hij mij een bankje van 10 £) »want ik vrees, dat gij schraal bij kas zult zijn.” Dit had hij zeer goed geraden; zijne gift werd dus met meer dankbaarheid aangenomen dan zijn goede raad.
Hij verliet de kamer, onder voorwendsel van de rekening te gaan betalen, maar, ik geloof, eigenlijk om mij eenige oogenblikken met zijne dochter alleen te laten en te beproeven, wat deze op mijne hardnekkigheid kon uitwerken. Die korte tijd methaarhad meer effect, dan wanneer ik met ons beider vaders was opgesloten geweest. Het denkbeeld, dat ik haar niet kon terugzien, vóór ik weer in mijn eigen huis was geweest, was voldoende om de belofte af te leggen, dat ik mij onderwerpen zou aan billijke, mij van mijns vaders kant op te geven voorwaarden.
Toen dit overeengekomen was, bracht de heer S. bericht, dat het rijtuig vóór was; na een hartelijken handdruk voerde hij zijne bekoorlijke dochter weg, wier laatste, vriendelijk mij toegeworpen blik mij bevestigde in mijne goede voornemens.
Lezer! wat uw gevoelen ook moge zijn over de verschillende kleine voorvallen van den laatsten dag, gij zult opmerken dat zij voor mijn verder leven van zeer grooten invloed waren. Trots verleidde mij tot verlaten van mijns vaders huis; wraakzucht bracht mij voor het eerst in kennis met de heldin van dit verhaal. Maar van achteren gezien, hoe onverstandig was het van den heer Sommerville, mij mijn eigen meester te laten in de herberg, in het bezit van tien pond, in plaats van mij naar zijn eigen huis mede te nemen, tot er bericht van mijn vader zou gekomen zijn! De wijste menschen dwalen dikwijls in kleinigheden, die daardoor soms ver reikende gevolgen hebben.
Aan mijzelven overgelaten, dacht ik eenigen tijd over al het gebeurde na; toen verduisterde langzamerhand het beeld van de schoone Emilia Sommerville in mijnen geest en werden mijne herinneringen aan het vroolijke tooneelgezelschap meer en meer levendig. Wat bleef mij over, dan juist bij hen mijn troost en eenige tijdpasseering te gaan zoeken?
Na drie dagen ontving ik een brief van den heer Sommerville, met een van mijnen vader ingesloten. Deze verzocht mij eenvoudig om naar huis terug te keeren en hem te ontmoeten, alsof er niets onaangenaams was voorgevallen. Hier had ik wel ooren na, doch het behaagde mij in mijne nieuwe omgeving te goed om er reeds dadelijk gevolg aan te geven.
Tiende hoofdstuk.In die drie dagen had ik van het meerendeel der acteurs en actrices de levensgeschiedenis gehoord, en nog honderden bijzondere voorvallen uit hunne omzwervingen door geheel Engeland, die mij in de hoogste mate geboeid hadden en allerlei overdreven denkbeelden van het genot van hun aan afwisseling rijk leven bij mij hadden opgewekt. Op eerbiedigen toon beantwoordde ik mijns vaders brief. Hij deelde mij daarop mede, dat hij er weder ingeslaagd was mijn naam in de rol van het wachtschip ter reede van Spithead te doen inschrijven, waarop ik hem, alleen om tijd te winnen, dien ik bij mijne nieuwe vrienden zoukunnendoorbrengen, vergunning vroeg om rechtstreeks naar boord te mogen gaan, te meer, schreef ik, omdat het voor mij ook veel aangenamer was om eerst later, als het gebeurde geheel vergeten zou zijn, weer onder zijne oogen te komen. In zijn antwoord keurde hij dit goed en sloot eene goede som geld er bij in. Dezelfde post bracht mij eene dringende uitnoodiging van Mr. Sommerville om thans naar ..... Hall te komen.Daar het tooneelgezelschap nu na twee dagen de plaats verlaten zou, met bestemming naar eene plaats dicht bij Portsmouth, en zij de reis derwaarts niet binnen de veertien dagen zouden volbrengen om onder weg eenige voorstellingen te kunnen geven, besloot ik van de ontvangene uitnoodiging gebruik te maken.Ik bracht bij de familie Sommerville, waar ik door vader en dochter met de meeste hartelijkheid ontvangen werd, eenige zeer aangename dagen door. In dien tijd werd ik het met Emilia eens, dat wij elkaar wederkeerig liefhadden. Bij mijn vertrek schonk zij mij een lok haar, die ik met heiligen eerbied bewaarde.Toch was ik verre van oprecht tegenover dat meisje geweest. Toen ik haar geschenk aannam, na zoovele plechtige betuigingen van mijnen kant, was eigenlijk mijn hart verdeeld tusschen haar en de bekoorlijke actrice, waarmede ik den eersten avond van mijn verblijf in de herberg had kennis gemaakt. Deze laatste toch was de groote aanleiding, dat ik mij bij dat gezelschap zoo te huis had gevoeld en daarvan noode was gescheiden, met het stellige voornemen de kennismaking te Portsmouthte hernieuwen. Doch van hoeveel valschheid eene dergelijke handeling ook getuigenis aflegt, tot mijne verontschuldiging kan ik aanvoeren, dat in alle daden van mijn volgend leven de gedachte aan Emilia steeds, als aan eene heilige, mij voor den geest zweefde, en mocht haar beeld al niet van voldoenden invloed geweest zijn om mij steeds tijdig van het kwade terug te houden, althans was het de herinnering aan haar, die mij voor geheelen ondergang beschut heeft.Ik reisde naar Portsmouth, meldde mijpro formaaan boord en verzocht dadelijk aan den eersten officier een verlof, dat hij mij gereedelijk toestond, doordien hij een oude kennis van mij was, mij voor den dienst niet direct noodig had en mijn vertrek als eene opruiming beschouwde.Van de verkregen vergunning gebruik makende, haastte ik mij om mijn tooneelgezelschap weer op te zoeken, waarin ik zeer spoedig slaagde.De lezer vergunne mij hier om een kort tijdperk uit mijn leven, waarover ik mij thans, na zooveel jaren tijdsverloop, nog schamen en bedroeven moet, slechts met een paar woorden te vermelden, om daardoor aan den samenhang van mijn verhaal niet te schaden. Mijne levenswijze in gezelschap met de tooneelspelers was in de hoogste mate losbandig en strekte slechts tot bederf van mijn karakter, met den nasleep van berouw over mijne in dien tijd bedreven handelingen. Het viel zoozeer in mijnen smaak, dat ik mij reeds voorgenomen had den zeedienst te verlaten en acteur te worden, waartoe een groote aanleg bij mij bestond. Nu en dan vervulde ik reeds rollen in de verschillende opvoeringen, waarbij ik zeer veel toejuichingen inoogstte. Zooals ik tot nu toe steeds in mijne ondernemingen gelukkig geslaagd was, ging het mij ook op de planken. Op een avond zou ik als Apollo optreden en was er op de affiches bijzondere melding van mij, onder een anderen naam, gemaakt, toen de voorstelling door een hoogst bijzonder toeval door mijn vader werd bijgewoond. Deze, die niet anders dacht, dan dat ik aan boord was, bracht een bezoek bij een ouden vriend in de omstreken, en laatstbedoelde had hem naar den schouwburg medegenomen.Juist op het oogenblik, dat ik een air zou gaan zingen, ontmoetten mijne oogen die van mijnen gevreesden bloedverwant. Ik was verstomd, vergat mijn rol, liep van het tooneel en liet aan den orchestmeester de zorg over om de zaak terecht te brengen. Mijn vader, die eerst zijne oogen niet gelooven kon, geraakte uit de onzekerheid, toen hij mijneverwarring zag. Ik was de kleedkamer ingeloopen, en voor ik nog tijd had gehad de kroon en tunica van Apollo af te leggen, werd ik door hem, in een staat van niet geringe gramschap, aangesproken.Mijn vader vroeg mij kort af: hoe lang ik reeds in deze eervolle betrekking was. Dit was eene vraag, die ik had kunnen vooruitzien en daarom zeer gereedelijk beantwoordde. »Pas twee of drie dagen,” zeide ik en voegde er bij, dat ik Portsmouth verlaten had voor wat wij noemden een »slipper” en dat ik het zeer jolig vond.»Ja stellig zeer jolig,” zeide mijn vader. »En zeg eens, als ik vragen mag zonder kans te loopen om een leugen tot antwoord te krijgen, hoe lang zal die »slipper”, zooals gij dat noemt, nog duren?”»O, morgen,” zeide ik, »is mijn verlof om, en dan moet ik weer naar boord terug.”»Dan zal ik de eer hebben, u derwaarts gezelschap te houden,” zeide mijn vader, »en zal ik tevens den commandant verzoeken eenige grenzen te stellen aan den duur en den afstand uwer uitstapjes.”Hierop zijne stem verheffende, vervolgde hij: »Ik schaam mij over u, mijnheer; de zoon van een gentleman heeft geen groote kans om veel nuttigs te leeren bij zoo’n gezelschap van rondreizende vagebonden. Ik had reden om volgens uw laatste brieven uit Portsmouth te verwachten, dat gij heel anders bezig zoudt zijn.”Op deze vaderlijke vermaning antwoordde ik door een hoogst onnoozel gezicht te zetten (want reeds spoedig had ik mijne tegenwoordigheid van geest teruggekregen) en te verklaren, dat ik niet wist dat er in mijne handeling eenig kwaad stak, daar de meeste zeeofficieren wel eens zoo deden, en dat het alleen diende om wat practijk op te doen, omdat wij aan boord zoo dikwijls comedie moesten spelen.»Oefen u dan met uws gelijken,” zeide mijn vader, »en niet in gezelschap van vagebonden en straatslijpers.”Daar de oude heer toch niet uit zijn kwade humeur te praten was en ik wist geheel in het ongelijk te zijn, liet ik hem maar doorvuren, zonder een schot terug te doen. Hij eindigde met mij last te geven, den volgenden morgen bij hem te verschijnen, en liet mij daarna tijd om van kleederen te verwisselen. Ik behoef hier niet bij te voegen, dat ik dien avond niet naar het tooneel terugkeerde en aan de directie de zorg overliet om het publiek met de plaats gevonden verstoring te verzoenen.Mijn vader was verstandig genoeg den volgenden dag niet veel overhet gebeurde meer te spreken. Toen ik daarover nog mijn leedwezen had te kennen gegeven, verbond hij zich, op mijn verzoek, om die laatste dwaasheid voor den heer Sommerville en zijne dochter te verzwijgen.Hoe lang zijt ge reeds in deze eervolle betrekking?Hoe lang zijt ge reeds in deze eervolle betrekking?Pag. 117.Te zamen gingen wij naar Portsmouth, waar mijn vader mij in een hotel liet, terwijl hij zijnen ouden kennis, den haven-admiraal, ging bezoeken. Met dezen onderhield hij zich een geruimen tijd, waarvan het gevolg was, dat hem voor mij eene spoedige plaatsing werd toegezegd op een naar zee bestemd schip, onder een strengen kapitein.Er lag juist een schip gereed om naar de Golf van Biscaye te zeilen; en door toedoen van den admiraal, werd ik aldaar in de bovenrol geplaatst. Mijn vader, die mij nu zoo’n beetje had leeren kennen, bracht mij zelf aan boord; en zich toen vleiende mij in goede bewaking achter te laten, nam hij afscheid en keerde naar den wal terug. Spoedig bemerkte ik in een soort van arrest gehouden te worden, althans er was geene quaestie van, dat ik vergunning kon krijgen om naar den wal te gaan. In zekeren zin was ik daarop voorbereid, maar reeds zóó dikwijls had ik bezwaren te overwinnen gehad, dat deze kleinigheid mij al zeer weinig hinderlijk was.Hoewel mijn vader een gewelddadig einde aan mijne tooneelcarrière had gemaakt, waren mijne betrekkingen met den troep van te innigen aard geweest, dan dat onze scheiding reeds voor goed kon zijn. Zoodra ik mij dus aan boord ingericht had, schreef ik een brief aan mijne vriendin, haar verzoekende in Portsmouth te komen en in een hotel, aan den waterkant, haar intrek te nemen, mij voorstellende haar zoo spoedig mogelijk te bezoeken.De moeielijkheid was nu, hoe van boord te komen. Ik begreep, dat de grootste welsprekendheid bij den eersten officier, die als een Cerberus de wacht over mij hield, vruchteloos zou zijn. Ik nam echter de proef en smeekte dringend om vergunning om aan den waltegaan, ten einde eenige zaken aan te koopen, die ik voor de aanstaande zeereis hoog noodig had.»Neen, neen,” zeide mr. Talbot,»ik ben een veel te oude rot om in die val te loopen. Ik heb strenge orders en zou mijn eigen vader aan boord houden, als de commandant mij dit gelast had; en ik zeg u met de meeste gemoedelijkheid, dat gij geen voet buiten dit schip zult zetten, tenzij gij het zwemmende mocht willen beproeven, wat ik niet lichtgelooven zal dat gij durft doen. Hier,” vervolgde hij, »is het briefje door den commandant geschreven; gij kunt daar uit zien, dat het niet voor mijne eigene liefhebberij is, dat ik u niet laat gaan.”De nota was kort, liefelijk en wat mij betrof complimenteus. Zij hield slechts in:»Houd dien d.....schen schavuit van een Mildmay aan boord!”»Vergun mij dan,” vroeg ik onder het teruggeven van het briefje, »onder de hoede van den sergeant van de mariniers naar den wal te gaan.”»Daardoor,” zeide hij, »zou ik evenzeer buiten mijn boekje gaan, als door u alleen vergunning te geven. Gij gaat niet naar den wal, mijnheer!”Deze laatste woorden sprak hij zeer kortaf, en het dek verlatende, liet hij mij aan mijne eigene overdenkingen over.Ik had afgesproken om ’s avonds te negen uren aan den wal te komen. Het was nu zonsondergang; de sloepen waren alle geheschen; geen enkel bootje was er in den omtrek van het schip. Het eenige middel om den overtocht te maken wasà la nage, een middel door mr. Talbot zelf aangegeven, doch alleen om er tevens bij op te merken, dat het onuitvoerbaar was; maar hij kende mij op dat oogenblik nog niet zooals hij dit later leerde.Het schip lag twee mijlen van de strandlijn, de wind kwam van het Zuidwesten en het tij liep Oostwaarts; daar beide in mijn voordeel waren, rekende ik Southsea Castle te kunnen bereiken. Toen het donker was, verborg ik mij in de fokkerust. Het was den twintigsten Maart en zeer koud weder.Ik ontkleedde mij, bond mijn goed in een pakje boven het hoofd en liet mij zachtkens te water om als een tweede Leander naar wal te zwemmen.Nog geen twintig el was ik van het schip af, toen ik door den schildwacht werd opgemerkt, die mij voor een der gepreste matrozen aanziende, die deserteeren wilde, toeriep terug te keeren. Daar hieraan geen gevolg werd gegeven, kreeg hij van den officier der wacht last om te vuren. De kogel stoof mij over het hoofd en ging tusschen mijne handen door. Hij werd door een dozijn andere gevolgd, die alle vrij goed gemikt waren; maar ik zwom voort, en de vriendelijke nachtschaduw, geholpen door den toenemenden afstand van het schip, brachten mij spoedig buiten gevaar. Een vletroeier, die het vuur gezien en de schotengehoord had, begreep dat daar wel wat te verdienen kon zijn. Hij roeide op mij af, en toen ik hem aanriep, stak hij mij de handen toe. Ik was op dat oogenblik nog geen achtste mijl ver gekomen.»Het is zeer te bezien, of gij in die richting ooit den wal zoudt gehaald hebben, jong mensch,” zeide de oude man. »Gij zijt twee uren te vroeg van boord gestoken; vóór de haven zoudt gij eene zware eb tegen gekregen hebben; en, aangenomen dat gij uw hoofd boven water hadt weten te houden, zoudt gij het eerst op de Owers zijn aangeland.”Terwijl de oude man onder het roeien zat door te praten, kleedde ik mij al rillende aan, zonder te antwoorden; maar verzocht hem mij af te zetten op het eerste punt, dat hij van Southsea Baai kon bereiken. Hieraan voldeed hij, en ik schonk hem een guinje, waarna ik zoo snel mogelijk het afgesprokenrendez-vousopzocht. Bij een goed vuur kwam ik daar weer spoedig op mijn verhaal. Noodzakelijk was dit koude uitstapje geenszins geweest, doch ik werd tot het ondernemen van den tocht geprikkeld juist door de strenge maatregelen, die men genomen had om mij aan boord te houden. Het gevaar, dat ik daardoor geloopen had, werd dan ook geenszins opgewogen door de genoegens van den wal. Alleen smaakte ik het genot mij een korten tijd vrij te gevoelen.Den volgenden morgen liet ik mij weer met een bootje aan boord zetten. Toen ik den valreep opkwam, liep de eerste officier aan dek.»Ik geloof, dat wij van nacht op u geschoten hebben?” vroeg hij glimlachende.»Ja, mijnheer, dat is zoo,” zeide ik; »het was allerdringendst noodzakelijk voor mij om aan wal te zijn, en daarom ging ik op deze minder gebruikelijke wijze.”»O, wat dat betreft,” zeide de eerste officier, »als ik geweten had, dat gij het waart, zou ik u stil hebben laten gaan; ik dacht, dat het een gewone deserteur was en daarom liet ik er door de mariniers op schieten.”»De deserteurs zullen u wel zeer verplicht zijn,” dacht ik.»Vondt gij het niet verduiveld koud?” vervolgde hij op vroolijken toon, door mijn antwoord daartoe aangemoedigd.»O, zeker,” antwoordde ik.»En de soldaatjes schoten redelijk goed, is het niet?”»Ja, dat deden zij, sir; jammer, dat zij geen voornamer schijf hadden.”»Ik vat uwe bedoeling,” zeide de eerste officier, »maar daar gij uwedienstjaren nog niet hebt, zoude de vacature u niets gegeven hebben. Ik moet den commandant er over rapporteeren, doch dit zal wel losloopen, want die is zelf zoo ondernemend, dat hij dit ook gaarne van anderen ziet. Wij hopen echter u spoedig ernstiger aan het werk te zullen kunnen zetten.”Kort daarop kwam de commandant van den wal terug en berustte geheel in mijn zonder verlof van boord gaan; hij maakte echter eene opmerking, terwijl hij van ter zijde een blik op mij sloeg, en deze was, zooals ik later bemerkt heb, nog al vleiend voor mij. Binnen enkele dagen gingen wij onder zeil en bereikten spoedig de Baai bij Rochefort. De Fransche schepen lagen in linie, dwars van Isle d’Aix; de Engelsche vloot was daar buiten geankerd. Het schip, waartoe ik behoorde, nam een werkzaam aandeel in hetgeen er plaats greep, en de meesten onzer zagen meer, dan wij durven vertellen; maar wijl er bij deze gelegenheid veel kwaad bloed werd gezet, en twee hoogst onaangename krijgsraden het gevolg er van waren, zal ik trachten mij tot het verhalen mijner eigene lotgevallen te bepalen en vermijden, wat aan anderen aanstoot zou kunnen geven. Eenigen tijd werd er gevorderd om de branders in gereedheid te brengen; en toen des nachts van den 11enApril 1809 alles klaar was voor de poging om het vijandelijk eskader te vernielen, begon de aanval. Een stouter stuk werd nooit ondernomen; en, zoo de onderneming al voor een deel mislukte, was dit geenszins op rekening te stellen van de aanvoerders; zij deden al wat menschelijkerwijze mogelijk was.De nacht was zeer donker en er woei een stijve bries recht op ’s vijands vloot, vóór Isle d’ Aix aan. Twee onzer fregatten waren vooraf zóó geplaatst, dat zij als bakens konden dienen in de koerslijn der branders. Elk had eene heldere lantaarn op; de branders moesten tusschen hen doorvaren; verder was tot aan de versperring, die de ankerplaats afsloot, de koers vrij en kon er geene vergissing zijn.Ik vroeg en verkreeg vergunning om mede te gaan met een der ontploffingsvaartuigen, die vóór de branders uit moesten gaan. Zij waren volgestuwd met lagen van granaten en kruitzakken, op elkaar gestapeld; elk vaartuig had daarvan eene groote hoeveelheid in. Een van de officieren, nog drie matrozen en ik waren er alleen aan boord. Ten einde daarmede tijdig te kunnen ontsnappen; hadden wij ter onzer beschikking eene vier-riems giek, een lang, smal ding, door de matrozen gewoonlijk »doodkist” bijgenaamd.Geheel en al gereed, staken wij af. Het was een ernstig oogenblik; de wind nam toe en floot door ons tuig en de nacht was zoo donker, dat wij onzen eigen boegspriet niet konden zien. Wij hadden alleen een vóórzeil bij; maar met een zwaren vloed en den wind van achteren, schoten wij als eene pijl uit den boog tusschen de buitenste fregatten door. Het was in mijne gedachte alsof de ruimte daartusschen de poort van de hel was, die wij binnengingen. Toen wij met snelheid voortvlogen, en onze schepen achter ons in de dikke duisternis uit ’t zicht verloren, dacht ik aan Dante’s beschrijving van het voorportaal:—»Die hier binnentreedt, late alle hoop varen!”Onze lastgeving hield in, het vaartuig aan te brengen tegen de versperring, die de Franschen buiten de ankers hunner linieschepen hadden aangelegd. Weinige minuten, nadat wij de fregatten voorbij waren, kwamen wij er dicht bij; onze giek sleepten wij achteraan, met drie man er in—een bij de vanglijn, klaar om die los te gooien, een om te sturen, en de derde om het water uit te hoozen, dat er door de snelle vaart al te willig instroomde. De officier hield op het vaartuig den helmstok, en ik was belast met de lont. Met een zwaar gekraak kwamen wij tegen de versperring aan; ons roer werd aan boord gelegd, zoodat wij dwars kwamen. De kracht van het getij op den romp, en van den wind op het vóórzeil, gaven het zulk eene sterke helling, dat ik mij haast niet op de been kon houden; op dit oogenblik was de giek in groot gevaar van vol te loopen.Zij hadden haar weer achteraan weten te krijgen, en dáár was zij bijna door het tij over de versperring heen geslagen; met groote moeite werd zij geklaard en lag »op de riemen,” in een kokenden, korten golfslag, waarin zij het nauwelijks houden kon. Onze aanvoerder stapte er nu vast in en droeg mij op de lont aan te steken en hem dan ijlings te volgen.Als ik ooit in angst gezeten heb, dan was dit na het aansteken van de lont, die uitgebrand zijnde, den kruitloop vuur moest doen vatten. Totdat ik goed en wel in de giek zat en buiten bereik van de ontploffing was, die niet kon uitblijven en plotseling had kunnen zijn, was het een vreeselijk gevoel. Ik stond letterlijk boven op eene mijn; een kleine fout in de lont, die wel eens voorkomt, enkele korrels buskruit, die op het dek konden gestort zijn, zouden de ontploffing hebben kunnen verhaasten; had mijne hand bij het aansteken gebeefd, wat ik met trotschheidzeggen kan dat niet het geval was, dan had hetzelfde kunnen gebeuren. De lont kon niet langer dan anderhalve minuut doorbranden; ik had derhalve geen oogenblik te verliezen. Zoodra zij aan was, legde ik haar doodbedaard neder en sprong de giek in met eene vlugheid, die bij de gelegenheid paste. Dadelijk staken wij daarmede af; ik roeide mede, en nooit van mijn leven met een ijver als toen. Nog geen twee honderd el waren wij ver, toen de ontploffing plaats vond.Een schooner en vreeselijker schouwspel is niet te bedenken; wij konden het echter niet genoegzaam op ons gemak genieten. De granaten vlogen wonderlijk hoog de lucht in, sommige uiteenspringende onder het opstijgen, andere bij het neervallen; de stukken vlogen om ons heen, zonder iemand te raken. Met stroom en wind tegen gingen wij nu slechts langzaam door het water en hadden het genoegen tusschen al de branders door te moeten, die ontstoken waren en van achter tot voren in brand op ons kwamen aanzetten. Hun want hing vol Congrevische vuurpijlen, die bij het vlam vatten in alle richtingen losbarstten en onder een oorverdoovend leven aan vurige slangen deden denken.Wij kwamen behouden aan boord en meldden ons bij den commandant, die boven op de verschansing de branders nakeek. Een daarvan was te spoedig aangestoken, het roer was niet behoorlijk vastgezet, en daardoor was hij uit zijn koers geraakt en dicht in onze nabijheid gekomen. Ik had, wat mij betrof, dien avond al avontuur genoeg gehad, maar toch was ik er nog niet af.»Jonker Mildmay,” zeide de commandant, »gij schijnt nog al van een buitenkansje te houden; spring nog eens even in de giek, neem vier versche matrozen mede (ik dacht, een versche jonker zou er ook geen kwaad bij doen!) en roei naar boord van dien brander, om hem weer in zijn koers te brengen.”Om de waarheid te bekennen, had ik er niet erg veel liefhebberij in: het vaartuig was van het kluifhout tot den gaffel één vuur al vuur, en liever was ik thans op mijn lauweren gaan rusten, dan weer op nieuwe, en vooral zulke onzekere, uit te gaan; doch niet gewoon om zwarigheden te maken, wilde ik dit ook dezen keer niet doen. Ik bracht de hand aan mijn hoed, riep vier vrijwilligers op en had dadelijk voor het kiezen uit een vijftigtal, dat zich aanbood. Met de vier besten stak ik in de giek van boord.Bij den brander gekomen, bespeurde ik nergens een plekje, dat nogvrij van het vuur was, waarvan de hitte op twintig à dertig voet afstands, zelfs in dien kouden nacht, hoogst onaangenaam was. Aan den loefkant was het nog het beste om te naderen, hoewel ook dáár de vlammen met kracht de kajuitsramen uitsloegen. Met veel inspanning gelukte het mij op het dek te komen en werd ik door een der matrozen gevolgd. De groote mast brandde en de lappen verschroeid zeildoek van het brikzeil vlogen om ons heen, alsof het een sneeuwstorm moest voorstellen; het einde van den helmstok was reeds verkoold, doch nog juist kon ik om het middengedeelte een eind touw heen krijgen, en daarmede draaide ik door mijn man geholpen het roer om, zoodat het vaartuig weer vóór den wind kwam te liggen.Onder deze werkzaamheid waren wij bijna van den vuurgloed en den rook gestikt. Haastig klommen wij weer overboord, en voort dreef de brander met den wind verder. »Ik maak de reis ditmaal niet met u mede,” zeide ik. »J’y ai été” zooals de Franschman antwoordde bij eene uitnoodiging om nog eens een vossenjacht mede te maken.Zwart als een neger en met een brandenden dorst, kwam ik aan boord terug. »Goed afgebracht, Mildmay,” zeide de commandant. »Hebt ge het warm gehad?” Ik wees naar mijn mond, want die was zoo droog, dat ik geen woord kon uitbrengen, en liep naar den waterstander, dien ik half leegdronk. Mijne eerste woorden, toen ik weer spreken kon, waren: »Die verduivelde brander, en de stommeling, die hem aangestoken heeft!”Den volgenden morgen zagen wij het Fransche eskader in een wanhopigen toestand; de schepen hadden hunne ankerkabels laten slippen en waren in allerlei richting het strand opgeloopen, met uitzondering van de vlaggeschepen van den admiraal en van den schout-bij-nacht, die te grooten diepgang hadden en tot hoog water ten anker moesten blijven liggen; het was toen pas ’t begin van den vloed en zij hadden nog vijf uren den tijd. Voor het overige verwijs ik mijn lezers, die de geschiedenis naar waarheid verlangen te weten, naar het verslag van den krijgsraad, die later is gehouden geworden; het gebeurde is door verschillende schrijvers uit dien tijd van alle kanten beschreven. Alleen wil ik opmerken dat, als men de commandanten onzer schepen naar eigen goeddunken had laten handelen, nog veel meer uitgevoerd zou zijn geworden,—met welken uitslag moet ik echter in het midden laten.Mijn commandant ging, zoodra het hem licht genoeg was, onder zeil naar binnen en kwam in een vuurgevecht met de batterijen aan den wal, terwijl hij tevens ook zijne stukken liet richten op ’s vijands schepen, die omgeslagen op het strand zaten. Isle d’Aix gaf ons eene warme ontvangst. Ik stond op den bak, terwijl van een der ankergasten het hoofd door een kanonskogel glad afgeschoten werd; de commandant, die juist daar op aan kwam, zeide alleen: »Arme drommel! Zet hem maar overboord, wij hebben nu geen tijd om naar de oorzaak van zijn dood een onderzoek in te stellen.” Geruimen tijd hadden wij het alleen vrij zwaar te verantwoorden met de batterijen en dicht daarbij zijnde schepen, vóór er van onzen kant eenige hulp kwam opdagen.Enkele van de schepen, die ons in zulk een vuurgevecht gewikkeld zagen, kwamen zich bij ons voegen. Een onzer linieschepen mengde zich in den strijd zoo netjes in orde, dat het prachtig was om aan te zien. Het was een zeer mooi schip, in keurigen staat; het scheen een levend voorwerp, zichzelf bewust van zijn overmacht over zijne tegenstanders, waarvan het de schoten, die dicht in de rondte vielen, bleek te verachten, terwijl het langzaam een bewonderenswaardige stelling voor het gevecht innam. Nadat het de zeilen vastgemaakt en de raas vierkant gebrast had, alsof het juist ter reede van Spithead ankerde, kwam het volk uit het tuig af, begaf zich naar de stukken en opende zulk een hevig vuur op ’s vijands schepen en versterkingen, dat de groote Nelson zelf, als hij er bij tegenwoordig had mogen wezen, in verrukking gebracht zou zijn. De gevolgen van deze expeditie zijn wel bekend en vorderen geene herhaling; het was een der gedenkwaardigste feiten uit den ganschen oorlog. De Franschen, traag in het erkennen hunner minderheid ter zee, onderwierpen zich thans stilzwijgend. Onze zeemacht had zijne taak volbracht; en van dit oogenblik af had voornamelijk het landleger alleen den oorlog voort te zetten.Opmerkelijk was de bijzonderheid, die den dood van den commandant van een der vernielde Fransche schepen vergezelde. Deze hoofdofficier was van boord afgehaald door een der sloepen van ons fregat, doch zich herinnerende, dat hij op zijn schip zee-instrumenten van groote waarde had achtergelaten, verzocht hij onzen bevelhebber met hem in de giek te gaan, om ze weg te halen vóór het vaartuig geheel uitbrandde. Dit gebeurde; daar de giek in gewone omstandigheden,slechts voor één persoon plaats aanbood, zaten de beide officieren, dicht tegen elkaar aan op een plankje van twee voet lang, dat over het achterboord voor hen was neergelegd. Toen zij een van de in brand staande Fransche schepen voorbijvoeren, gingen daar aan boord, achtereenvolgens naarmate zij door het vuur bereikt werden, de kanonnen af; door een groot toeval nam een dier kogels de plank onder de beide kapiteins weg; de Engelsche kreeg geen letsel, doch de Franschman werd door de splinters, die hem in ’t lijf drongen, gedood. Later op den avond werden de op het strand zittende Fransche linieschepen mede in brand gestoken en gaven een schitterende, doch zeer kostbare verlichting. Wij lagen er dicht genoeg bij, om de splinters, die er van af vlogen, op ons dek te krijgen.Onder onze gesneuvelden was een Hollander, bootsmansmaat van beroep, wien vergund was zijne vrouw bij zich aan boord te hebben; met die wederhelft had hij nog al dikwijls overhoop gelegen, zoodat zij een eigenaardig soort van eerbied had gekregen voor den stok, dien haar man in zijne kwaliteit verplicht was altijd te dragen; met allen eerbied voor de schoone sekse, moet ik verklaren, dat de meeste kastijdingen, die zij op die wijze ontving, wel verdiend waren. Toen een kanonskogel haren wettigen beschermer het leven had benomen, zat zij diep bedroefd naast zijne verminkte overblijfselen en deed zeer vele totaal vruchtelooze pogingen om te weenen; een traan uit het eene oog biggelde langs hare wang en verloor zich weder in den mond, een traan uit het andere oog nam tegelijkertijd eene evenwijdige route, doch was niet lijvig genoeg om het zoover te brengen, stopte halverwege, vermengde zich met den rook en kruitdamp, die ons omringde, vormde een klein zwart eiland op haar gelaat en schonk daardoor haar heldhaftige smart een echten rouwtraan. Van dit bewijs harer echtelijke genegenheid wilde zij zich eerst den volgenden dag ontdoen, toen de laatste treurige eer aan haar getrouwen Achilles was bewezen geworden; toen waschte zij zich het gelaat en vond hare oude glimlachjes weder.Wij kregen in last met brieven naar Spithead te zeilen, en lang vóór wij aldaar aankwamen, had zij reeds den sergeant der mariniers tot den gelukkigsten aller stervelingen gemaakt door de belofte met hem te zullen trouwen vóór wij op onzen volgenden kruistocht naar zee zouden gaan, een belofte die eerlijk vervuld werd.Er was aan boord eene plaats voor adelborst opengekomen, die de commandant mij aanbood. Vol blijdschap nam ik die aan, te meer daar ik vernomen had, dat ons fregat deel zoude uitmaken van de op handen zijnde Schelde-expeditie.
In die drie dagen had ik van het meerendeel der acteurs en actrices de levensgeschiedenis gehoord, en nog honderden bijzondere voorvallen uit hunne omzwervingen door geheel Engeland, die mij in de hoogste mate geboeid hadden en allerlei overdreven denkbeelden van het genot van hun aan afwisseling rijk leven bij mij hadden opgewekt. Op eerbiedigen toon beantwoordde ik mijns vaders brief. Hij deelde mij daarop mede, dat hij er weder ingeslaagd was mijn naam in de rol van het wachtschip ter reede van Spithead te doen inschrijven, waarop ik hem, alleen om tijd te winnen, dien ik bij mijne nieuwe vrienden zoukunnendoorbrengen, vergunning vroeg om rechtstreeks naar boord te mogen gaan, te meer, schreef ik, omdat het voor mij ook veel aangenamer was om eerst later, als het gebeurde geheel vergeten zou zijn, weer onder zijne oogen te komen. In zijn antwoord keurde hij dit goed en sloot eene goede som geld er bij in. Dezelfde post bracht mij eene dringende uitnoodiging van Mr. Sommerville om thans naar ..... Hall te komen.
Daar het tooneelgezelschap nu na twee dagen de plaats verlaten zou, met bestemming naar eene plaats dicht bij Portsmouth, en zij de reis derwaarts niet binnen de veertien dagen zouden volbrengen om onder weg eenige voorstellingen te kunnen geven, besloot ik van de ontvangene uitnoodiging gebruik te maken.
Ik bracht bij de familie Sommerville, waar ik door vader en dochter met de meeste hartelijkheid ontvangen werd, eenige zeer aangename dagen door. In dien tijd werd ik het met Emilia eens, dat wij elkaar wederkeerig liefhadden. Bij mijn vertrek schonk zij mij een lok haar, die ik met heiligen eerbied bewaarde.
Toch was ik verre van oprecht tegenover dat meisje geweest. Toen ik haar geschenk aannam, na zoovele plechtige betuigingen van mijnen kant, was eigenlijk mijn hart verdeeld tusschen haar en de bekoorlijke actrice, waarmede ik den eersten avond van mijn verblijf in de herberg had kennis gemaakt. Deze laatste toch was de groote aanleiding, dat ik mij bij dat gezelschap zoo te huis had gevoeld en daarvan noode was gescheiden, met het stellige voornemen de kennismaking te Portsmouthte hernieuwen. Doch van hoeveel valschheid eene dergelijke handeling ook getuigenis aflegt, tot mijne verontschuldiging kan ik aanvoeren, dat in alle daden van mijn volgend leven de gedachte aan Emilia steeds, als aan eene heilige, mij voor den geest zweefde, en mocht haar beeld al niet van voldoenden invloed geweest zijn om mij steeds tijdig van het kwade terug te houden, althans was het de herinnering aan haar, die mij voor geheelen ondergang beschut heeft.
Ik reisde naar Portsmouth, meldde mijpro formaaan boord en verzocht dadelijk aan den eersten officier een verlof, dat hij mij gereedelijk toestond, doordien hij een oude kennis van mij was, mij voor den dienst niet direct noodig had en mijn vertrek als eene opruiming beschouwde.
Van de verkregen vergunning gebruik makende, haastte ik mij om mijn tooneelgezelschap weer op te zoeken, waarin ik zeer spoedig slaagde.
De lezer vergunne mij hier om een kort tijdperk uit mijn leven, waarover ik mij thans, na zooveel jaren tijdsverloop, nog schamen en bedroeven moet, slechts met een paar woorden te vermelden, om daardoor aan den samenhang van mijn verhaal niet te schaden. Mijne levenswijze in gezelschap met de tooneelspelers was in de hoogste mate losbandig en strekte slechts tot bederf van mijn karakter, met den nasleep van berouw over mijne in dien tijd bedreven handelingen. Het viel zoozeer in mijnen smaak, dat ik mij reeds voorgenomen had den zeedienst te verlaten en acteur te worden, waartoe een groote aanleg bij mij bestond. Nu en dan vervulde ik reeds rollen in de verschillende opvoeringen, waarbij ik zeer veel toejuichingen inoogstte. Zooals ik tot nu toe steeds in mijne ondernemingen gelukkig geslaagd was, ging het mij ook op de planken. Op een avond zou ik als Apollo optreden en was er op de affiches bijzondere melding van mij, onder een anderen naam, gemaakt, toen de voorstelling door een hoogst bijzonder toeval door mijn vader werd bijgewoond. Deze, die niet anders dacht, dan dat ik aan boord was, bracht een bezoek bij een ouden vriend in de omstreken, en laatstbedoelde had hem naar den schouwburg medegenomen.
Juist op het oogenblik, dat ik een air zou gaan zingen, ontmoetten mijne oogen die van mijnen gevreesden bloedverwant. Ik was verstomd, vergat mijn rol, liep van het tooneel en liet aan den orchestmeester de zorg over om de zaak terecht te brengen. Mijn vader, die eerst zijne oogen niet gelooven kon, geraakte uit de onzekerheid, toen hij mijneverwarring zag. Ik was de kleedkamer ingeloopen, en voor ik nog tijd had gehad de kroon en tunica van Apollo af te leggen, werd ik door hem, in een staat van niet geringe gramschap, aangesproken.
Mijn vader vroeg mij kort af: hoe lang ik reeds in deze eervolle betrekking was. Dit was eene vraag, die ik had kunnen vooruitzien en daarom zeer gereedelijk beantwoordde. »Pas twee of drie dagen,” zeide ik en voegde er bij, dat ik Portsmouth verlaten had voor wat wij noemden een »slipper” en dat ik het zeer jolig vond.
»Ja stellig zeer jolig,” zeide mijn vader. »En zeg eens, als ik vragen mag zonder kans te loopen om een leugen tot antwoord te krijgen, hoe lang zal die »slipper”, zooals gij dat noemt, nog duren?”
»O, morgen,” zeide ik, »is mijn verlof om, en dan moet ik weer naar boord terug.”
»Dan zal ik de eer hebben, u derwaarts gezelschap te houden,” zeide mijn vader, »en zal ik tevens den commandant verzoeken eenige grenzen te stellen aan den duur en den afstand uwer uitstapjes.”
Hierop zijne stem verheffende, vervolgde hij: »Ik schaam mij over u, mijnheer; de zoon van een gentleman heeft geen groote kans om veel nuttigs te leeren bij zoo’n gezelschap van rondreizende vagebonden. Ik had reden om volgens uw laatste brieven uit Portsmouth te verwachten, dat gij heel anders bezig zoudt zijn.”
Op deze vaderlijke vermaning antwoordde ik door een hoogst onnoozel gezicht te zetten (want reeds spoedig had ik mijne tegenwoordigheid van geest teruggekregen) en te verklaren, dat ik niet wist dat er in mijne handeling eenig kwaad stak, daar de meeste zeeofficieren wel eens zoo deden, en dat het alleen diende om wat practijk op te doen, omdat wij aan boord zoo dikwijls comedie moesten spelen.
»Oefen u dan met uws gelijken,” zeide mijn vader, »en niet in gezelschap van vagebonden en straatslijpers.”
Daar de oude heer toch niet uit zijn kwade humeur te praten was en ik wist geheel in het ongelijk te zijn, liet ik hem maar doorvuren, zonder een schot terug te doen. Hij eindigde met mij last te geven, den volgenden morgen bij hem te verschijnen, en liet mij daarna tijd om van kleederen te verwisselen. Ik behoef hier niet bij te voegen, dat ik dien avond niet naar het tooneel terugkeerde en aan de directie de zorg overliet om het publiek met de plaats gevonden verstoring te verzoenen.
Mijn vader was verstandig genoeg den volgenden dag niet veel overhet gebeurde meer te spreken. Toen ik daarover nog mijn leedwezen had te kennen gegeven, verbond hij zich, op mijn verzoek, om die laatste dwaasheid voor den heer Sommerville en zijne dochter te verzwijgen.
Hoe lang zijt ge reeds in deze eervolle betrekking?Hoe lang zijt ge reeds in deze eervolle betrekking?Pag. 117.
Hoe lang zijt ge reeds in deze eervolle betrekking?
Pag. 117.
Te zamen gingen wij naar Portsmouth, waar mijn vader mij in een hotel liet, terwijl hij zijnen ouden kennis, den haven-admiraal, ging bezoeken. Met dezen onderhield hij zich een geruimen tijd, waarvan het gevolg was, dat hem voor mij eene spoedige plaatsing werd toegezegd op een naar zee bestemd schip, onder een strengen kapitein.
Er lag juist een schip gereed om naar de Golf van Biscaye te zeilen; en door toedoen van den admiraal, werd ik aldaar in de bovenrol geplaatst. Mijn vader, die mij nu zoo’n beetje had leeren kennen, bracht mij zelf aan boord; en zich toen vleiende mij in goede bewaking achter te laten, nam hij afscheid en keerde naar den wal terug. Spoedig bemerkte ik in een soort van arrest gehouden te worden, althans er was geene quaestie van, dat ik vergunning kon krijgen om naar den wal te gaan. In zekeren zin was ik daarop voorbereid, maar reeds zóó dikwijls had ik bezwaren te overwinnen gehad, dat deze kleinigheid mij al zeer weinig hinderlijk was.
Hoewel mijn vader een gewelddadig einde aan mijne tooneelcarrière had gemaakt, waren mijne betrekkingen met den troep van te innigen aard geweest, dan dat onze scheiding reeds voor goed kon zijn. Zoodra ik mij dus aan boord ingericht had, schreef ik een brief aan mijne vriendin, haar verzoekende in Portsmouth te komen en in een hotel, aan den waterkant, haar intrek te nemen, mij voorstellende haar zoo spoedig mogelijk te bezoeken.
De moeielijkheid was nu, hoe van boord te komen. Ik begreep, dat de grootste welsprekendheid bij den eersten officier, die als een Cerberus de wacht over mij hield, vruchteloos zou zijn. Ik nam echter de proef en smeekte dringend om vergunning om aan den waltegaan, ten einde eenige zaken aan te koopen, die ik voor de aanstaande zeereis hoog noodig had.
»Neen, neen,” zeide mr. Talbot,»ik ben een veel te oude rot om in die val te loopen. Ik heb strenge orders en zou mijn eigen vader aan boord houden, als de commandant mij dit gelast had; en ik zeg u met de meeste gemoedelijkheid, dat gij geen voet buiten dit schip zult zetten, tenzij gij het zwemmende mocht willen beproeven, wat ik niet lichtgelooven zal dat gij durft doen. Hier,” vervolgde hij, »is het briefje door den commandant geschreven; gij kunt daar uit zien, dat het niet voor mijne eigene liefhebberij is, dat ik u niet laat gaan.”
De nota was kort, liefelijk en wat mij betrof complimenteus. Zij hield slechts in:
»Houd dien d.....schen schavuit van een Mildmay aan boord!”
»Vergun mij dan,” vroeg ik onder het teruggeven van het briefje, »onder de hoede van den sergeant van de mariniers naar den wal te gaan.”
»Daardoor,” zeide hij, »zou ik evenzeer buiten mijn boekje gaan, als door u alleen vergunning te geven. Gij gaat niet naar den wal, mijnheer!”
Deze laatste woorden sprak hij zeer kortaf, en het dek verlatende, liet hij mij aan mijne eigene overdenkingen over.
Ik had afgesproken om ’s avonds te negen uren aan den wal te komen. Het was nu zonsondergang; de sloepen waren alle geheschen; geen enkel bootje was er in den omtrek van het schip. Het eenige middel om den overtocht te maken wasà la nage, een middel door mr. Talbot zelf aangegeven, doch alleen om er tevens bij op te merken, dat het onuitvoerbaar was; maar hij kende mij op dat oogenblik nog niet zooals hij dit later leerde.
Het schip lag twee mijlen van de strandlijn, de wind kwam van het Zuidwesten en het tij liep Oostwaarts; daar beide in mijn voordeel waren, rekende ik Southsea Castle te kunnen bereiken. Toen het donker was, verborg ik mij in de fokkerust. Het was den twintigsten Maart en zeer koud weder.
Ik ontkleedde mij, bond mijn goed in een pakje boven het hoofd en liet mij zachtkens te water om als een tweede Leander naar wal te zwemmen.
Nog geen twintig el was ik van het schip af, toen ik door den schildwacht werd opgemerkt, die mij voor een der gepreste matrozen aanziende, die deserteeren wilde, toeriep terug te keeren. Daar hieraan geen gevolg werd gegeven, kreeg hij van den officier der wacht last om te vuren. De kogel stoof mij over het hoofd en ging tusschen mijne handen door. Hij werd door een dozijn andere gevolgd, die alle vrij goed gemikt waren; maar ik zwom voort, en de vriendelijke nachtschaduw, geholpen door den toenemenden afstand van het schip, brachten mij spoedig buiten gevaar. Een vletroeier, die het vuur gezien en de schotengehoord had, begreep dat daar wel wat te verdienen kon zijn. Hij roeide op mij af, en toen ik hem aanriep, stak hij mij de handen toe. Ik was op dat oogenblik nog geen achtste mijl ver gekomen.
»Het is zeer te bezien, of gij in die richting ooit den wal zoudt gehaald hebben, jong mensch,” zeide de oude man. »Gij zijt twee uren te vroeg van boord gestoken; vóór de haven zoudt gij eene zware eb tegen gekregen hebben; en, aangenomen dat gij uw hoofd boven water hadt weten te houden, zoudt gij het eerst op de Owers zijn aangeland.”
Terwijl de oude man onder het roeien zat door te praten, kleedde ik mij al rillende aan, zonder te antwoorden; maar verzocht hem mij af te zetten op het eerste punt, dat hij van Southsea Baai kon bereiken. Hieraan voldeed hij, en ik schonk hem een guinje, waarna ik zoo snel mogelijk het afgesprokenrendez-vousopzocht. Bij een goed vuur kwam ik daar weer spoedig op mijn verhaal. Noodzakelijk was dit koude uitstapje geenszins geweest, doch ik werd tot het ondernemen van den tocht geprikkeld juist door de strenge maatregelen, die men genomen had om mij aan boord te houden. Het gevaar, dat ik daardoor geloopen had, werd dan ook geenszins opgewogen door de genoegens van den wal. Alleen smaakte ik het genot mij een korten tijd vrij te gevoelen.
Den volgenden morgen liet ik mij weer met een bootje aan boord zetten. Toen ik den valreep opkwam, liep de eerste officier aan dek.
»Ik geloof, dat wij van nacht op u geschoten hebben?” vroeg hij glimlachende.
»Ja, mijnheer, dat is zoo,” zeide ik; »het was allerdringendst noodzakelijk voor mij om aan wal te zijn, en daarom ging ik op deze minder gebruikelijke wijze.”
»O, wat dat betreft,” zeide de eerste officier, »als ik geweten had, dat gij het waart, zou ik u stil hebben laten gaan; ik dacht, dat het een gewone deserteur was en daarom liet ik er door de mariniers op schieten.”
»De deserteurs zullen u wel zeer verplicht zijn,” dacht ik.
»Vondt gij het niet verduiveld koud?” vervolgde hij op vroolijken toon, door mijn antwoord daartoe aangemoedigd.
»O, zeker,” antwoordde ik.
»En de soldaatjes schoten redelijk goed, is het niet?”
»Ja, dat deden zij, sir; jammer, dat zij geen voornamer schijf hadden.”
»Ik vat uwe bedoeling,” zeide de eerste officier, »maar daar gij uwedienstjaren nog niet hebt, zoude de vacature u niets gegeven hebben. Ik moet den commandant er over rapporteeren, doch dit zal wel losloopen, want die is zelf zoo ondernemend, dat hij dit ook gaarne van anderen ziet. Wij hopen echter u spoedig ernstiger aan het werk te zullen kunnen zetten.”
Kort daarop kwam de commandant van den wal terug en berustte geheel in mijn zonder verlof van boord gaan; hij maakte echter eene opmerking, terwijl hij van ter zijde een blik op mij sloeg, en deze was, zooals ik later bemerkt heb, nog al vleiend voor mij. Binnen enkele dagen gingen wij onder zeil en bereikten spoedig de Baai bij Rochefort. De Fransche schepen lagen in linie, dwars van Isle d’Aix; de Engelsche vloot was daar buiten geankerd. Het schip, waartoe ik behoorde, nam een werkzaam aandeel in hetgeen er plaats greep, en de meesten onzer zagen meer, dan wij durven vertellen; maar wijl er bij deze gelegenheid veel kwaad bloed werd gezet, en twee hoogst onaangename krijgsraden het gevolg er van waren, zal ik trachten mij tot het verhalen mijner eigene lotgevallen te bepalen en vermijden, wat aan anderen aanstoot zou kunnen geven. Eenigen tijd werd er gevorderd om de branders in gereedheid te brengen; en toen des nachts van den 11enApril 1809 alles klaar was voor de poging om het vijandelijk eskader te vernielen, begon de aanval. Een stouter stuk werd nooit ondernomen; en, zoo de onderneming al voor een deel mislukte, was dit geenszins op rekening te stellen van de aanvoerders; zij deden al wat menschelijkerwijze mogelijk was.
De nacht was zeer donker en er woei een stijve bries recht op ’s vijands vloot, vóór Isle d’ Aix aan. Twee onzer fregatten waren vooraf zóó geplaatst, dat zij als bakens konden dienen in de koerslijn der branders. Elk had eene heldere lantaarn op; de branders moesten tusschen hen doorvaren; verder was tot aan de versperring, die de ankerplaats afsloot, de koers vrij en kon er geene vergissing zijn.
Ik vroeg en verkreeg vergunning om mede te gaan met een der ontploffingsvaartuigen, die vóór de branders uit moesten gaan. Zij waren volgestuwd met lagen van granaten en kruitzakken, op elkaar gestapeld; elk vaartuig had daarvan eene groote hoeveelheid in. Een van de officieren, nog drie matrozen en ik waren er alleen aan boord. Ten einde daarmede tijdig te kunnen ontsnappen; hadden wij ter onzer beschikking eene vier-riems giek, een lang, smal ding, door de matrozen gewoonlijk »doodkist” bijgenaamd.
Geheel en al gereed, staken wij af. Het was een ernstig oogenblik; de wind nam toe en floot door ons tuig en de nacht was zoo donker, dat wij onzen eigen boegspriet niet konden zien. Wij hadden alleen een vóórzeil bij; maar met een zwaren vloed en den wind van achteren, schoten wij als eene pijl uit den boog tusschen de buitenste fregatten door. Het was in mijne gedachte alsof de ruimte daartusschen de poort van de hel was, die wij binnengingen. Toen wij met snelheid voortvlogen, en onze schepen achter ons in de dikke duisternis uit ’t zicht verloren, dacht ik aan Dante’s beschrijving van het voorportaal:—»Die hier binnentreedt, late alle hoop varen!”
Onze lastgeving hield in, het vaartuig aan te brengen tegen de versperring, die de Franschen buiten de ankers hunner linieschepen hadden aangelegd. Weinige minuten, nadat wij de fregatten voorbij waren, kwamen wij er dicht bij; onze giek sleepten wij achteraan, met drie man er in—een bij de vanglijn, klaar om die los te gooien, een om te sturen, en de derde om het water uit te hoozen, dat er door de snelle vaart al te willig instroomde. De officier hield op het vaartuig den helmstok, en ik was belast met de lont. Met een zwaar gekraak kwamen wij tegen de versperring aan; ons roer werd aan boord gelegd, zoodat wij dwars kwamen. De kracht van het getij op den romp, en van den wind op het vóórzeil, gaven het zulk eene sterke helling, dat ik mij haast niet op de been kon houden; op dit oogenblik was de giek in groot gevaar van vol te loopen.
Zij hadden haar weer achteraan weten te krijgen, en dáár was zij bijna door het tij over de versperring heen geslagen; met groote moeite werd zij geklaard en lag »op de riemen,” in een kokenden, korten golfslag, waarin zij het nauwelijks houden kon. Onze aanvoerder stapte er nu vast in en droeg mij op de lont aan te steken en hem dan ijlings te volgen.
Als ik ooit in angst gezeten heb, dan was dit na het aansteken van de lont, die uitgebrand zijnde, den kruitloop vuur moest doen vatten. Totdat ik goed en wel in de giek zat en buiten bereik van de ontploffing was, die niet kon uitblijven en plotseling had kunnen zijn, was het een vreeselijk gevoel. Ik stond letterlijk boven op eene mijn; een kleine fout in de lont, die wel eens voorkomt, enkele korrels buskruit, die op het dek konden gestort zijn, zouden de ontploffing hebben kunnen verhaasten; had mijne hand bij het aansteken gebeefd, wat ik met trotschheidzeggen kan dat niet het geval was, dan had hetzelfde kunnen gebeuren. De lont kon niet langer dan anderhalve minuut doorbranden; ik had derhalve geen oogenblik te verliezen. Zoodra zij aan was, legde ik haar doodbedaard neder en sprong de giek in met eene vlugheid, die bij de gelegenheid paste. Dadelijk staken wij daarmede af; ik roeide mede, en nooit van mijn leven met een ijver als toen. Nog geen twee honderd el waren wij ver, toen de ontploffing plaats vond.
Een schooner en vreeselijker schouwspel is niet te bedenken; wij konden het echter niet genoegzaam op ons gemak genieten. De granaten vlogen wonderlijk hoog de lucht in, sommige uiteenspringende onder het opstijgen, andere bij het neervallen; de stukken vlogen om ons heen, zonder iemand te raken. Met stroom en wind tegen gingen wij nu slechts langzaam door het water en hadden het genoegen tusschen al de branders door te moeten, die ontstoken waren en van achter tot voren in brand op ons kwamen aanzetten. Hun want hing vol Congrevische vuurpijlen, die bij het vlam vatten in alle richtingen losbarstten en onder een oorverdoovend leven aan vurige slangen deden denken.
Wij kwamen behouden aan boord en meldden ons bij den commandant, die boven op de verschansing de branders nakeek. Een daarvan was te spoedig aangestoken, het roer was niet behoorlijk vastgezet, en daardoor was hij uit zijn koers geraakt en dicht in onze nabijheid gekomen. Ik had, wat mij betrof, dien avond al avontuur genoeg gehad, maar toch was ik er nog niet af.
»Jonker Mildmay,” zeide de commandant, »gij schijnt nog al van een buitenkansje te houden; spring nog eens even in de giek, neem vier versche matrozen mede (ik dacht, een versche jonker zou er ook geen kwaad bij doen!) en roei naar boord van dien brander, om hem weer in zijn koers te brengen.”
Om de waarheid te bekennen, had ik er niet erg veel liefhebberij in: het vaartuig was van het kluifhout tot den gaffel één vuur al vuur, en liever was ik thans op mijn lauweren gaan rusten, dan weer op nieuwe, en vooral zulke onzekere, uit te gaan; doch niet gewoon om zwarigheden te maken, wilde ik dit ook dezen keer niet doen. Ik bracht de hand aan mijn hoed, riep vier vrijwilligers op en had dadelijk voor het kiezen uit een vijftigtal, dat zich aanbood. Met de vier besten stak ik in de giek van boord.
Bij den brander gekomen, bespeurde ik nergens een plekje, dat nogvrij van het vuur was, waarvan de hitte op twintig à dertig voet afstands, zelfs in dien kouden nacht, hoogst onaangenaam was. Aan den loefkant was het nog het beste om te naderen, hoewel ook dáár de vlammen met kracht de kajuitsramen uitsloegen. Met veel inspanning gelukte het mij op het dek te komen en werd ik door een der matrozen gevolgd. De groote mast brandde en de lappen verschroeid zeildoek van het brikzeil vlogen om ons heen, alsof het een sneeuwstorm moest voorstellen; het einde van den helmstok was reeds verkoold, doch nog juist kon ik om het middengedeelte een eind touw heen krijgen, en daarmede draaide ik door mijn man geholpen het roer om, zoodat het vaartuig weer vóór den wind kwam te liggen.
Onder deze werkzaamheid waren wij bijna van den vuurgloed en den rook gestikt. Haastig klommen wij weer overboord, en voort dreef de brander met den wind verder. »Ik maak de reis ditmaal niet met u mede,” zeide ik. »J’y ai été” zooals de Franschman antwoordde bij eene uitnoodiging om nog eens een vossenjacht mede te maken.
Zwart als een neger en met een brandenden dorst, kwam ik aan boord terug. »Goed afgebracht, Mildmay,” zeide de commandant. »Hebt ge het warm gehad?” Ik wees naar mijn mond, want die was zoo droog, dat ik geen woord kon uitbrengen, en liep naar den waterstander, dien ik half leegdronk. Mijne eerste woorden, toen ik weer spreken kon, waren: »Die verduivelde brander, en de stommeling, die hem aangestoken heeft!”
Den volgenden morgen zagen wij het Fransche eskader in een wanhopigen toestand; de schepen hadden hunne ankerkabels laten slippen en waren in allerlei richting het strand opgeloopen, met uitzondering van de vlaggeschepen van den admiraal en van den schout-bij-nacht, die te grooten diepgang hadden en tot hoog water ten anker moesten blijven liggen; het was toen pas ’t begin van den vloed en zij hadden nog vijf uren den tijd. Voor het overige verwijs ik mijn lezers, die de geschiedenis naar waarheid verlangen te weten, naar het verslag van den krijgsraad, die later is gehouden geworden; het gebeurde is door verschillende schrijvers uit dien tijd van alle kanten beschreven. Alleen wil ik opmerken dat, als men de commandanten onzer schepen naar eigen goeddunken had laten handelen, nog veel meer uitgevoerd zou zijn geworden,—met welken uitslag moet ik echter in het midden laten.
Mijn commandant ging, zoodra het hem licht genoeg was, onder zeil naar binnen en kwam in een vuurgevecht met de batterijen aan den wal, terwijl hij tevens ook zijne stukken liet richten op ’s vijands schepen, die omgeslagen op het strand zaten. Isle d’Aix gaf ons eene warme ontvangst. Ik stond op den bak, terwijl van een der ankergasten het hoofd door een kanonskogel glad afgeschoten werd; de commandant, die juist daar op aan kwam, zeide alleen: »Arme drommel! Zet hem maar overboord, wij hebben nu geen tijd om naar de oorzaak van zijn dood een onderzoek in te stellen.” Geruimen tijd hadden wij het alleen vrij zwaar te verantwoorden met de batterijen en dicht daarbij zijnde schepen, vóór er van onzen kant eenige hulp kwam opdagen.
Enkele van de schepen, die ons in zulk een vuurgevecht gewikkeld zagen, kwamen zich bij ons voegen. Een onzer linieschepen mengde zich in den strijd zoo netjes in orde, dat het prachtig was om aan te zien. Het was een zeer mooi schip, in keurigen staat; het scheen een levend voorwerp, zichzelf bewust van zijn overmacht over zijne tegenstanders, waarvan het de schoten, die dicht in de rondte vielen, bleek te verachten, terwijl het langzaam een bewonderenswaardige stelling voor het gevecht innam. Nadat het de zeilen vastgemaakt en de raas vierkant gebrast had, alsof het juist ter reede van Spithead ankerde, kwam het volk uit het tuig af, begaf zich naar de stukken en opende zulk een hevig vuur op ’s vijands schepen en versterkingen, dat de groote Nelson zelf, als hij er bij tegenwoordig had mogen wezen, in verrukking gebracht zou zijn. De gevolgen van deze expeditie zijn wel bekend en vorderen geene herhaling; het was een der gedenkwaardigste feiten uit den ganschen oorlog. De Franschen, traag in het erkennen hunner minderheid ter zee, onderwierpen zich thans stilzwijgend. Onze zeemacht had zijne taak volbracht; en van dit oogenblik af had voornamelijk het landleger alleen den oorlog voort te zetten.
Opmerkelijk was de bijzonderheid, die den dood van den commandant van een der vernielde Fransche schepen vergezelde. Deze hoofdofficier was van boord afgehaald door een der sloepen van ons fregat, doch zich herinnerende, dat hij op zijn schip zee-instrumenten van groote waarde had achtergelaten, verzocht hij onzen bevelhebber met hem in de giek te gaan, om ze weg te halen vóór het vaartuig geheel uitbrandde. Dit gebeurde; daar de giek in gewone omstandigheden,slechts voor één persoon plaats aanbood, zaten de beide officieren, dicht tegen elkaar aan op een plankje van twee voet lang, dat over het achterboord voor hen was neergelegd. Toen zij een van de in brand staande Fransche schepen voorbijvoeren, gingen daar aan boord, achtereenvolgens naarmate zij door het vuur bereikt werden, de kanonnen af; door een groot toeval nam een dier kogels de plank onder de beide kapiteins weg; de Engelsche kreeg geen letsel, doch de Franschman werd door de splinters, die hem in ’t lijf drongen, gedood. Later op den avond werden de op het strand zittende Fransche linieschepen mede in brand gestoken en gaven een schitterende, doch zeer kostbare verlichting. Wij lagen er dicht genoeg bij, om de splinters, die er van af vlogen, op ons dek te krijgen.
Onder onze gesneuvelden was een Hollander, bootsmansmaat van beroep, wien vergund was zijne vrouw bij zich aan boord te hebben; met die wederhelft had hij nog al dikwijls overhoop gelegen, zoodat zij een eigenaardig soort van eerbied had gekregen voor den stok, dien haar man in zijne kwaliteit verplicht was altijd te dragen; met allen eerbied voor de schoone sekse, moet ik verklaren, dat de meeste kastijdingen, die zij op die wijze ontving, wel verdiend waren. Toen een kanonskogel haren wettigen beschermer het leven had benomen, zat zij diep bedroefd naast zijne verminkte overblijfselen en deed zeer vele totaal vruchtelooze pogingen om te weenen; een traan uit het eene oog biggelde langs hare wang en verloor zich weder in den mond, een traan uit het andere oog nam tegelijkertijd eene evenwijdige route, doch was niet lijvig genoeg om het zoover te brengen, stopte halverwege, vermengde zich met den rook en kruitdamp, die ons omringde, vormde een klein zwart eiland op haar gelaat en schonk daardoor haar heldhaftige smart een echten rouwtraan. Van dit bewijs harer echtelijke genegenheid wilde zij zich eerst den volgenden dag ontdoen, toen de laatste treurige eer aan haar getrouwen Achilles was bewezen geworden; toen waschte zij zich het gelaat en vond hare oude glimlachjes weder.
Wij kregen in last met brieven naar Spithead te zeilen, en lang vóór wij aldaar aankwamen, had zij reeds den sergeant der mariniers tot den gelukkigsten aller stervelingen gemaakt door de belofte met hem te zullen trouwen vóór wij op onzen volgenden kruistocht naar zee zouden gaan, een belofte die eerlijk vervuld werd.
Er was aan boord eene plaats voor adelborst opengekomen, die de commandant mij aanbood. Vol blijdschap nam ik die aan, te meer daar ik vernomen had, dat ons fregat deel zoude uitmaken van de op handen zijnde Schelde-expeditie.