Negentiende hoofdstuk.

Negentiende hoofdstuk.De kaper heette de Echte Yankee. Zijne eerste bestemming was het eiland Tristan d’Acunha. Hier dacht hij een ander, aan dezelfde reeders toebehoorend, vaartuig te ontmoeten, dat hem vooruitgezeild was, toen het plan opkwam om tusschen de Kaap en Madagaskar te gaan kruisen, ten einde een paar der rijkgeladen thuis varende Oost-Indische schepen, die alleen reeds alle moeite en kosten van uitrusting zouden vergoed hebben, prijs te maken.Zonder dat er iets belangrijks voorviel, bereikten wij genoemd eiland. Ik had met leedwezen opgemerkt, dat de tweede stuurman, Peleg Oswald geheeten, een norsch, woest en twistziek man was, en dat, hoewel de kapitein Peters en de eerste stuurman Methusalem Salomon mij steeds met onderscheiding behandelden,hijniet de minste welwillendheid voor mij aan den dag legde.Zooals ik hierboven reeds heb aangeteekend, was kapitein Green, sedert hij bij ons was, in alle opzichten veranderd als het blad van een boom: den drank had hij geheel afgezworen, hij was door en door vroom geworden, en telkens wanneer er op den kaper onaangenaamheden voorkwamen of getwist en gevochten werd, was hij de scheidsrechter en vredemaker. Hij nam hierdoor den kapitein en opperstuurman eene zee van moeielijkheden uit de handen, en door zijn toedoen werd de toon, die aan boord heerschte, veel beter en er behoefde minder en ook niet zoo streng meer gestraft te worden. Het volk was opgeruimd en deed met lust zijn werk; en ware Peleg Oswald slechts niet aan boord geweest, dan zou er eene algemeen goede verstandhouding bestaan hebben.Wij liepen op 15 December het eiland in ’t zicht, met het schoonste zomerweer, dat zich denken laat. Wij staken bij aan de noord- of bovenswinds-zijde van het eiland, nog ongeveer twee Eng. mijlen van de kust zijnde; dichter durfden wij niet naderen uit vrees voor de »rollers,” een verschijnsel dat angstwekkend grootsch is, op deze weinig bezochte plek. Omtrent dit zeer bijzondere natuurverschijnsel zijn verschillende gissingen gemaakt, maar eene voor mij voldoende uitlegging heb ik nooit kunnen krijgen, om de doodeenvoudige reden, dat dezelfde oorzaak dan ook dezelfde uitwerking zou moeten hebben op St. Helena, Ascension of elk ander eiland of landpunt aan eene bijzonder groote watervlakte liggende. Ik zal trachten eene beschrijving te geven van het gezicht, dat eene opeenvolging van rollers zou geven, wanneer, hetgeen wel eens voorkomt, een vaartuig daarin geraakt enop de kust wordt geworpen.Het water is volkomen glad, zou men op het oog zeggen,—door geen zuchtje van den wind gerimpeld,—wanneer er plotseling uit het noorden een hooge golf komt aanrollen, doorschijnend, donkerblauw als ware het glas, eerst brekende zoodra hij op den wal stuit, als wanneer hij schuimend ineenstort met een donderend geluid en een onweerstaanbarehevigheid, die door kunst noch menschelijk vernuft kan weerstaan worden. Die golf wordt door andere gevolgd. Als daarin ankergrond te vinden was, zoude toch geen anker kunnen houden; maar er staat een negentig à honderd vadem water, en daarom zou een schip, dat er inkwam, zijn anker liet vallen en het noodige kabeltouw uit liet loopen, slechts één korten ruk gevoelen en daarna weer los zijn, of hield het bij zeldzaam toeval, dan zou de zee, tegenstand gevoelende, op den romp breken en het schip overstelpen. Dit was het ongelukkige lot, dat eene Engelsche oorlogskorvet overkwam, die nadat de commandant met zes man van boord was gegaan, in de rollers geraakte, op het strand sloeg en met man en muis verging. Alleen de commandant en de roeiers bleven behouden. Dit ongelukkige vaartuig ging verloren, niet uit onbekwaamheid of gebrek aan zeemanschap bij bevelhebber of equipage, want beiden waren uitstekend, maar door hunne onbekendheid met deze locale bijzonderheid, welke nergens anders, in die mate althans, wordt aangetroffen. Dicht naar den wal gedreven, vóór het lood grond raakte, liet men op het laatst nog drie zware ankers vallen; doch niets vermocht de kracht der »rollers” te weerstaan, die haar op het strand wierpen, waar zij bij de eerste aanraking middendoor brak, terwijl allen verdronken in het zicht van den hevig ontroerden commandant en zijne sloepsbemanning, die de lijken hunner ongelukkige scheepsmakkers, naar gelang zij door de zee aangespoeld werden, ter aarde bestelden.Er bestaat nog eene andere vreemde bijzonderheid bij dit eiland: tot een heel eind de zee in, is de strandlijn omgroeid met een plant, waarvan, onder den naam vanFucus maximus, door kapitein Cook reeds melding is gemaakt. Zij groeit op eene diepte van zestig vademen en bereikt in één langen stengel de wateroppervlakte, van waar zij nog drie à vier honderd voet verder komt, met korte takken, die omtrent een voet uit elkander zijn. Zoo groeit dus in den stormachtigen oceaan eene plant, die langer is dan eenig dergelijkvoortbrengselop het vaste land en niet halen kunnen de getah-pertsja, noch waringinboom, waarvan enkele takken benedenwaarts groeien, een eigen wortel verkrijgen en geacht kunnen worden een afzonderlijke stam te zijn. De hierbedoelde zeeplanten bieden weerstand aan de vereenigde krachten van de machtigste elementen; tevergeefs worden zij gebeukt door wind en golven; hunne bladeren mengende op den waterspiegel,tarten zij den orkaan en diens geweldige kracht. De bladen groeien afwisselend verschillende kanten uit; en wanneer de wind de zee in beroering brengt, slaan zij naar elkander toe met een soort van klagend geluid, dat ons dubbel droefgeestig stemde in onzen gedrukten gemoedstoestand en bij de verlatenheid van het eiland. De bladen of spruiten dezer plant zijn zoo sterk en hebben zooveel drijfvermogen, dat geene boot er door kan komen, als zij wat dicht bij elkander gegroeid staan; eens beproefde ik met mijnen voet, wat zij wel dragen konden, en kreeg ik de overtuiging, dat iemand, van sneeuwschoenen gebruik makende, er overheen zou kunnen loopen.Kapitein Peters noodigde mij vriendelijk uit hem naar den wal te vergezellen. Niet zonder moeite landden wij en wandelden naar de hut van een man, die hier op eigen verlangen achtergelaten was; hij had zijn gezin bij zich en noemde zich, evenals een zeker ander hoog personage op een eiland, dat noordwaarts van hier lag, de »Keizer.” Van de Kaap de Goede Hoop had men eene afdeeling Engelsche soldaten gezonden, om deze plaats in bezit te nemen, doch na een kort verblijf had men den post weer ingetrokken.Zijne tegenwoordige keizerlijke majesteit had tijdens mijn bezoek eene donkerkleurige gemalin en verscheidene lichter bruine prinsen en prinsessen. In alle andere opzichten was hij een echte Robinson Crusoë; hij bezat eenige koeien en varkens; deze laatste zijn sterk op het eiland vermenigvuldigd. Huisgevogelte was er overvloedig, en een groot stuk grond had hij met aardappelen beplant, toenmaals de eenige plaats bezuiden de linie, waar deze vrucht behoorlijk groeide. Het land zelf is rijk en voor groote verbeteringen vatbaar; tal van stroomende beekjes bevorderen er de vruchtbaarheid.Doch ook op deze afgelegen plek had onrust en oproer zich vertoond; de keizer had slechts één onderdaan, en deze Caliban had zich verstout, in rechtstreeksche schending van een keizerlijk voorschrift.... voor zijn middagmaal een vogel te dooden.»Opstand,” zeide de vertoornde keizer, »is de telg des duivels, en ik ben vast besloten den misdadiger ten voorbeeld te stellen.”Ik werd de bemiddelaar tusschen de twee van meening verschillende partijen en merkte zijne keizerlijke majesteit op, dat wat het stellen van een voorbeeld betrof, eene dergelijke gestrengheid niet veel nuttige uitwerking zou hebben, omdat zijne kinderen nog te jong waren omreeds verdorven te zijn; en te meer nog, daar zijne majesteit zijn bijbel zoo goed kende, zou hij wel weten, dat het hier plicht was om te vergeven. »Bovendien,” zeide ik, »komt het mij voor, dat hare majesteit de keizerin nog al gespierde armen heeft en op zijn tijd wel een handje mede zou kunnen helpen om eenige toekomstige handeling van verzet of ongehoorzaamheid te beletten of te bestraffen.” Ik vermoed echter, dat het zedelijke wetboek van zijne majesteit van dezelfde uitgaaf als het mijne was en dat de daarin voorkomende bepalingen overeenkomstig de eischen des tijds gewijzigd werden. Het moet bijzonder lastig voor hem geweest zijn dat hij niet onderhandelen kon met zijn eersten minister en zijn’ aarts-kanselier, dien hij op straffe des doods naar de andere zijde van het eiland had gebannen. Het vonnis was oorspronkelijk voor den tijd van zes maanden gewezen; maar dank zij mijne tusschenkomst werd de overtreder vergeven en weder in gunst aangenomen. Ik was er niet weinig trotsch op, wanneer ik terugblikte op dit staaltje van mijne macht als bemiddelaar, waardoor ik er waarschijnlijk in geslaagd was een burgeroorlog in zijne geboorte te smoren.De keizer vertelde mij, dat er aan de oostzijde van het eiland een Amerikaansche walvischvaarder lag, bezig om walrustraan te laden; dat hij aldaar reeds zes weken ten anker lag en nu bijna vol was. Ikverzochthem mij de plaats aan te wijzen, waar het oorlogsschip vergaan was; hij bracht mij naar de plek, waar nog van de overblijfselen te vinden waren. Op de klippen lagen nog eenige wrakstukken, en niet ver van daar zag men een aardhoop, waarop een geschilderde plank als grafsteen geplaatst was. In ruwe letters en beknopte woorden stond daarop het lot van het schip en het aantal der slachtoffers vermeld; den inhoud van het grafschrift kan ik mij niet meer juist te binnen brengen, doch het hield in hoofdzaak in, dat aldaar het stoffelijk overschot rustte van een honderdtal zeelieden, zooals de Engelsche marine geen betere kon opleveren, en dat zij tot het laatste oogenblik hunnen plicht hadden betracht. Het was een treurig schouwspel, vooral voor een zeevarende, wien mogelijk reeds spoedig een dergelijk lot boven het hoofd kon hangen.Wij vulden dien dag verscheidene watervaten en kwamen den volgenden dag daarmede geheel gereed. Daarop verzeilden wij naar de oostkust van het eiland, om dicht bij den walvischvaarder te ankeren,waarvan de kapitein ons in zijne boot een bezoek was komen brengen: ik trad met hem in gesprek en werd getroffen door eene opmerking, die hij maakte.»Gij Engelschen kunt dan toch somtijds al heel raar handelen,” zeide hij; »gij zendt eene bende soldaten om te gaan leven op een eiland, waar men alleen aan matrozen wat hebben zou. Gij luistert naar al de praatjes, welke die rood-rokken u believen wijs te maken; (zij kunnen immers nergens aarden, waar zij verder dan een geweerschot afstands van eene kroeg zijn?); en omdat het hun niet bevalt, verlaat gij het eiland weer. Zoo’n soldaat is bijzonder op zijn eigen gemak gesteld, al toont hij weinig eerbied voor dat van anderen; en het was toch wel vooruit te zien, dat hij slecht rapporteeren zou over een eiland, waar geene vrouwen en geen rum te krijgen zijn, en hij dus zoowat met een gevangene gelijkstond. Nu, dat zou anders gegaan zijn, als broeder Jonathan dit eiland bezeten had; hij zou het zijne kosten hebben laten opbrengen; hij zou er de bemanningen van twee of drie walvischvaarders hebben neergezet, met hun vrouwen en heele familie en met al hun geriefelijkheden bij zich, met nog een partij boerenarbeiders om den grond te ontginnen en dan den heelen boel onder bevel van een officier gebracht hebben. Het eiland kan best op zichzelf staan, zooals gij wel zien kunt, en alles zou er goed gaan. Het is even gemakkelijk, zoo niet gemakkelijker om het eiland af te visschen van den wal uit, als van een schip. Breng uw traanketels en vaten maar het strand op en laat een paar dozijn goede walvischbooten hier achter, en het eiland zal een rente opleveren, na aftrek van al het geld, dat er aan ten koste is gelegd, want de walrussen hebben geene andere plaats om naar toe te gaan, hetzij om van huid te verwisselen in den herfst, hetzij om hunne jongen voort te brengen in het voorjaar. Het visschen en de andere diensten zouden zeer in den smaak der matrozen vallen, die, als zij verkozen, naar huis konden gaan in de schepen, welke de volle vaten traan kwamen weghalen en weer ledige kwamen aanbrengen.”De kapitein keerde naar zijn schip terug, maar vergat, geloof ik, onzen kapitein de vereischte zeilaanwijzingen naar zijne ankerplaats op te geven. Wij liepen naar den oosthoek van het eiland en wilden juist ankeren, toen Peters, naar zijne meening wat te dicht op den walvischvaarder komende, nog iets verder wilde doorzeilen. Ik heb verzuimdop te merken, dat, toen wij den noord-oosthoek van het land rondden, de koelte aanwakkerde en in valwinden door de ravijnen kwam. Daarvoor hadden wij zeil geminderd, en toen wij nu dicht langs denwalvischvaarderkwamen, praaide men ons van daar toe; maar de harde wind belette ons te hooren, wat er geroepen werd; toen wij nu op den noodigen afstand waren, lieten wij het anker vallen.Negentig vadem van den kabel liepen aan één stuk uit, vóór het schip optornde en op den wind zwaaide; en tot onze teleurstelling bemerkten wij over de bank, waar de ander zijn anker had laten vallen, heengeschoten te zijn, terwijl het onze nu in eene groote diepte lag; wij loodden althans negentien vaâm onder de kluis en slechts zeven vaâm onder den spiegel. Juist brak de maan door de wolken en hadden wij het genoegen te kunnen opmerken, dat wij minder dan vijftig ellen achter ons een rif hadden van steenen, waarvan de zwarte koppen boven water uitstaken.Zeer bevreemde het ons, dat wij onder de stilten tusschen de windhorrels in, niettegenstaande de diepte, voor eene bocht van het zwaartouw lagen; doch omstreeks twee uren in den morgen brak onze kabel, door de scherpe klipsteenen doorgesneden. Dadelijk werd zeil gezet, maar wij zaten zoo dicht op de rotsen achter ons, dat zij met een steen te bewerpen waren; en wij dachten werkelijk, dat wij het einde van den kruistocht van de Echte Yankee bereikt hadden; doch dit werd niet bewaarheid, want het schip bleef behouden door dezelfde oorzaak, die onzen kabel in eene bocht had laten hangen. Wij bevonden, dat het de Fucus maximus was, die onzen ondergang verhinderde; ons anker was gevallen in dit onderzeesche bosch en was blijven hangen op de toppen der boomen; en zoo dik waren op deze hoogte takken en bladeren, dat zij ons weerhielden van te drijven en, toen de kabel gebroken was, ons op den wal geraken tegengingen. Wij verhaalden langzaam tusschen de planten uit en waren verheugd weer van die ellendige plaats vrij te zijn. Nu wensch ik dit kleine keizerrijk allen mogelijken voorspoed, maar hoop toch, dat mijn kwaad gesternte mij nimmer meer derwaarts moge voeren.De arme Thompson was, welke moeite ik ook in zijn belang aanwendde, op grond van zijn vaste en onwankelbare trouw, steeds aan allerlei onaangename bejegeningen aan boord blootgesteld. Aan mij zou hij zelden hierover klagen; liever was hij zijn eigen rechter, door dengeen,die hem kwelde, dit op zachtzinnige wijze onder het oog te brengen (dergelijke wenken deelde hij nl. met zijne forsche vuisten tusschen de oogen of op den neus van zijn kwelgeest uit). Gewoonlijk bleef de zaak daarbij, want zijn karakter was zoo eenvoudig en goed, dat alle geschikte matrozen aan boord hem genegen waren. Op een nacht viel er een man overboord,—het weder was kalm en de brik liep weinig vaart; terwijl men bezig was de jol, die aan de hekdavits hing, te strijken, brak een van de haken daarvan en sloegen de vier man, die er in bezig waren, te water. Twee hunner konden niet zwemmen, en allen schreeuwden luidkeels om hulp, zoodra zij weer boven kwamen. Thompson, dit ziende, sprong als een Newfoundlandsche hond van boven neer, zwom eerst naar den zwaksten, dien hij naar de zorgkettingen van het roer bracht om zich daaraan op te houden, en vervolgens greep hij den tweeden, dien hij achter het schip bracht en een van daar afgevierd touw onder de armen bond. Op deze wijze voortgaande, gelukte het hem allen te redden. Twee van de vijf zouden zonder zijne tijdige tusschenkomst stellig gezonken zijn, want het vorderde eenigen tijd vóór er eene andere boot kon gestreken worden; terwijl de drie anderen erkenden, dat zij zonder hulp het schip wel niet zouden hebben kunnen bereiken.Het gedrag van Thompson werd door iedereen aan boord zeer toegejuicht, en sommigen vroegen hem, hoe hij toch zijn leven wilde wagen voor menschen, die hem zoo slecht behandelden; hij zeide, dat zijne moeder en zijn bijbel hem geleerd hadden om zooveel mogelijk het goede te doen: en daar God hem een sterken arm had geschonken, hoopte hij dien altijd te zullen gebruiken ten behoeve van zijnen broeder in den nood.Men zou nu denken, dat een daad als deze de herhaling van verdere beleedigingen zou voorkomen hebben; doch hoe meer Thompsons waarde door de Amerikanen werd opgemerkt, des te verlangender werden zij hem een der hunnen te zien worden. De tweede stuurman, dien ik reeds beschreven heb als een ruwen, brutalen kerel, klampte hem weer eens met de oude aanbieding aan, zeggende dat hij ongetwijfeld zijn fortuin zou maken met het nemen van twee, misschien wel drie buitengewone Oost-Indievaarders, wier ontmoeting zoo goed als zeker was.Thompson keek den man open in het gelaat en zeide met zijn sterk Schotschen tongval: »Hebt gij niet gehoord, wat ik dien anderen dag aan uwen kapitein heb geantwoord?”»Ja,” antwoordde Oswald, »maar dat noemen ze bij ons te lande maar kletspraatjes.”»Maar zoo noemen zij dat in mijn land niet,” zeide de Schot, terwijl hij hem te gelijk zijn vuist zoo net en stevig in het linkeroog duwde, dat hij als een os neersloeg, een groot deel van het dek met zijn zware lichaam bedekkende.De man stond op, bevond dat zijn gelaat hevig bloedde en zijn oog dicht was; doch in plaats van zelf wraak te nemen, liep hij naar den kapitein, om zich te beklagen. Verscheidenen van de Amerikanen, door haat of jaloezie gedreven, gingen met hem mede en vroegen met veel misbaar, dat de Engelschman gestraft zou worden voor het mishandelen van een der scheepsofficieren. Toen echter de zaak nauwkeurig onderzocht was geworden, moest de kapitein verklaren, dat de stuurman de eerste aanleiding had gegeven, in zooverre hij Thompson had willen verlokken, en dat hij van vroeger had kunnen weten, waaraan hij zich hierdoor blootstelde; dat hij (de kapitein) aan Thompson, toen hij die verklaring aflegde, toegegeven had gelijk te hebben en daardoor thans verplicht was hem naar alle wetten van gastvrijheid te beschermen, en zulks alleen reeds niet zou mogen verzuimen wegens de dankbaarheid, die hij hem schuldig was voor het redden van het leven zijner landgenooten.Het volk nam hiermede geen genoegen; luide bleven zij straf eischen, en erontstondeen geregeld oproer door den tweeden stuurman aangestookt. Er was echter aan boord ook eene andere partij, die zeer sterk was en niet in eene stemming om een Engelschman op zulke onwaardige wijze te zien behandelen. Wat voor landslieden dat waren, is gemakkelijk te begrijpen. De twist liep hoog, en ik begon daarvan ernstige gevolgen te vreezen, toen ik toevallig over bakboordsverschansing kijkende, een zeil zag en hiervan den kapitein kennis gaf. Dadelijk praaide hij den uitkijk in top toe; doch de uitkijk in top had zooveel belang gesteld in hetgeen er aan dek voorviel, dat hij zich in de mars had laten zakken, om beter toe te luisteren.»Ziet gij dat schip niet aan bakboord?” vroeg de kapitein.»Ja wel, sir,” zeide de man.»En waarom geeft ge er dan geen bericht van?”De man wist, om een goede reden, daarop geen antwoord te geven.»Kom af!” beval de kapitein; »Salomon laat hem aflossen; wij zullen je eens een beetje Yankee-discipline laten zien.”Voordat wij echter het onderzoek in dit misdrijf en de daarop gevolgde bestraffing behandelen, moeten wij den blik wenden naar het zeil, dat elke vijf minuten zichtbaar hooger en hooger boven de kim kwam. De kaper zeilde op dit oogenblik om de noordoost, onder mars- en bramzeilen, fok en kluiver, met eene gladde koelte en kalm water.»Mijnheer de luitenant,” zeide de kapitein, »waar ziet gij hem voor aan?”»Ik denk,” antwoordde ik, »dat het een van die extra Oost-Indievaarders is; en als gij hem meent te praaien, zou ik er onder klein zeil op aan sturen; waardoor gij tegen zonsondergang zoo nabij kunt zijn, dat gij, als hij u mocht willen ontloopen, met uwe betere bezeildheid, hem den ganschen nacht in ’t zicht kunt houden.”»Ik geloof, dat gij daarin niet ver mis zijt,” zeide de kapitein.»Ik geloof, dat er geen woord van waar is,” zeide de eerste stuurman, die juist uit den grooten top kwam, waar hij het laatste kwartier had doorgebracht met een scherpen uitkijk en het bestudeeren van den snit der zeilen van het vreemde vaartuig. »Als ik ooit van m’n leven een schip van hout en zeilen gezien heb, dan is dat een van John Bull’s vervloekte levenmakers, en nog wel minstens een vier-en-veertiger.”»Wat antwoordt gij daarop, mijnheer de luitenant?” vroeg de kapitein.»O, wat dat aanbelangt,” viel de stuurman in, »is het niet te verwachten, dat hij ons het ware zal zeggen.”»Zeker omdat gij het in mijne plaats niet doen zoudt,” antwoordde ik.»Juist,” hernam de stuurman.En werkelijk moet ik bekennen, dat ik geen bijzonder verlangen had om nog eenige maanden met dit schip te blijven kruisen en nog eens, tot aanvulling van den watervoorraad, naar Tristan d’Acunha terug te moeten. Toen ik mijne meening kenbaar maakte, had ik mijn best niet gedaan om bijzonder scherp uit te kijken; maar toen ik het schip hard zag opzetten, ofschoon wij in bijna gelijke richting stuurden, overtuigde ik mij weldra, dat ik spoedig vrij en op mijne terugreis naar Engeland zijn zou, waar zich al mijn geluk en al mijne hoop bevond.De eerste stuurman keek nog eens nauwkeurig,—de kapitein volgde zijn voorbeeld; toen zagen zij elkander aan en kwamen overeen, dat het hier het begin van het einde was.»Het is mis, sir,” zeide de stuurman, »en alles de schuld van dienvervloekten overlooper, die door u op de rol is geplaatst. Maar, zal ik hem niet eens achteruit laten komen, om hem op een geregelde wijze zijn ontslag te geven?”»Allereerst,” zeide de kapitein, »is het zaak om te beproeven, hoe hard wij op den loop kunnen gaan. Wij plachten nog al uit den weg te kunnen komen, en nog nooit heb ik de gekoperde slang gezien, die ons wist te bereiken. Breng de bovenbramzeils op, voer de spieren uit, laat de lijzeilen aanslaan—en afhouden tot de wind een paar streken achterlijker dan dwars is: zóó loopt hij het beste; en ik houd het er voor, dat wij gedurende den nacht dien duivel uit het oude moederland nog wel kunnen ontgaan.”Ik zweeg, maar keek oplettend naar de werkzaamheden. Het schip was zeer goed bemand en het zeil zetten ging zeer vlug.»Laat loggen!” beval de kapitein.Dit geschiedde, en het schip bleek negen mijlen te loopen.»Hoeveel denkt gij dat gindsch fregat beloopt?” vroeg mij de kapitein.»Ik houd er voor, dat hij wel elf mijlen zal halen; en daar hij nu zes mijlen achteruit is, zal het geen vier uren duren vóór hij binnen kanonschotsafstand is.”»Nu, een deel van dien tijd zullen wij besteden aan het betalen van onze schuld van dankbaarheid voor het voorrecht. Mr. Salomon, laat dien schurk zonder vaderland aan het groot want binden en roep een paar van je hongerigste katten (cats) op. Waar is Dirk Twist, die bootsmansmaat geweest is op de Statira; en die roodharige kerel, och je weet wel, die in de Rappa-banock van de Maidstone weggezwommen is?”»Gij meent zeker rooden Sam?—Roep Sam Gall hier!”De twee handlangers kwamen spoedig opdagen, elk van zijn folterwerktuig voorzien; en ik moet zeggen, dat deze er niet zachtzinniger uitzagen, dan al wat ik voor gelijke doeleinden aan boord bij overste G—— had zien gebruiken. De schuldige werd nu vóórgebracht en bleek, tot mijne verbazing, dezelfde te zijn, die door Thompson, toen wij pas in de boot waren overgestapt, wegens muiterij overboord gesmeten was. Ik kan niet zeggen, dat ik eenig leed gevoelde noch over de aanleiding, noch over het resultaat van de woordenwisseling van heden.»Bind hem vast,” beval de kapitein; »gij zijt op uw geregelde dienstbeurtvoor uitkijk naar top gestuurd; in het waarnemen van dien plicht zijt gij te kort geschoten; vóórdat nu mijn gezag ophoudt, zal ik u een Yankee-stukje vertoonen.”»Ik ben een Engelschman,” zeide de man, »en ik beroep mij op mijnen officier voor bescherming.”De kapitein zag mij aan.»Als ik die officier ben, dien gij bedoelt,” zeide ik, »dan erken ik u niet. Gij hebt uwe trouw afgezworen, toen het in uw kraam te pas kwam, en nu wilt gij uw vorige verbintenis weder aanvoeren, om een straf te ontloopen, die gij ruimschoots verdiend hebt.Ikzal zeker niet ten uwen behoeve tusschenbeide komen.”»Ik ben in de Earlstreet geboren,” riep de Londenaar,—»mijne moeder houdt daar een penswinkel,—ik ben een echte Brit, en gij hebt geen recht mij te slaan.”»Gisteren nog waart gij een Yankee-matroos van Nieuw Londen en vandaag zijt gij een pensverkooper van Oud Londen; ik geloof niet ver mis te zijn met u een schurk zonder vaderland te noemen. Maar over het recht zullen wij later wel spreken,” zeide de kapitein; »en nu Dick, begin maar.”Twist gehoorzaamde aan de opdracht met de noodige handigheid; toen hij den gevangene drie dozijn toegediend had, van een gehalte waarvoor mijn vriend de Hercules van Farnese op de brik zich niet had behoeven te schamen, werd Sam Gall verzocht om daarmede voort te gaan. Sam kweet zichà merveillevan een gelijk aantal; en de gevangene, die het noodige misbaar gemaakt had, werd nu losgelaten. Onwillekeurig maakte ik de opmerking, hoe rechtvaardig het was, dat deze kapitein zijn schip verspeelde, door eerst toe te laten, dat men een man verleidde om zijn woord ontrouw te worden, en daarna in dienzelfden man vertrouwen te stellen.»Laat ons nu een oog op de jacht houden,” zeide de kapitein. »Wel verbazend, hij komt hard opzetten. Ik zie met het stampen den boegspriet al boven water; voor een half uur zag ik nog pas de fokkera. Hak de jol van achteren weg, Salomon.”De eerste stuurman nam een korte bijl en met één houw bij het einde van elken davit, hakte hij het vaste deel van de takels door; en de jol viel te water.»Nu deze twee achterste stukken de poorten uit,” beval de kapitein;»wij hebben te veel diepgang achter, en voor de verdediging zullen wij ze best kunnen missen, want het is een heele baas, dien wij hier achter ons hebben.”Binnen weinige minuten waren de kanonnen uit de voeten; en in het daarop volgende half uur, won de vijand slechts weinig. Het was nu ’s namiddags half vier; de Yankees gevoelden hunnen moed herleven; en de tweede stuurman herinnerde den kapitein, dat zijn blauw oog nog niet bij het groot want was verrekend geworden.»Dat zal ook niet gebeuren,” zeide de kapitein, »zoolang ik het bevel voer over de Echte Yankee; zooals het is, is het billijk; niemand zal worden gestraft omdat hij zich behoorlijk verdedigd heeft na waarschuwing. Thompson, kom hier en blijf achteruit.”De man was juist bezig die order te gehoorzamen, toen hij werd aangegrepen door zes of acht van de ruwste klanten, die begonnen met hem zijn baaitje van het lijf te trekken.»Laat los, jongens!” riepen Twist en Gall in één adem. »Het kan ons niet schelen om zoo’n vent als dien penskerel een pak te geven; maar Thompson zal hier in het schip geen haar gekrenkt worden. Hij is een der onzen;op-en-topeen zeeman, en vóór gij hem aanraakt, hebt gij met ons en nog vijftig anderen te doen; want ik ben verd... als wij niet met den tweeden stuurman gaan loggen en dan bijdraaien, tot het fregat ons op zijde komt.”De oproermakers stonden een oogenblik verlegen; maar de tweede stuurman sprong op een stuk en riep luid: »Wie is er op onze hand? Zijn jelui voornemens je door die Engelschen op den kop te laten zitten?”»Ja zeker,” riep ik er tusschen in, »als gij het doen van gerechtigheid »op den kop zitten” noemt. Gij loopt veel gevaar, en ik waarschuw u. Ik zie juist hoe sterk degenen zijn, die zich Amerikanen noemen; en ofschoon ik de laatste ter wereld ben om mijn zegel te hechten aan een daad van verraad, door het schip bij te draaien, waarschuw ik u toch voorzichtig te zijn met het tergen van den bulhond, die alleen van zijns meesters ketting losgebroken is »voor een uitstapje,” doch nu gereed om naar hem terug te keeren. Ik ben uw gast en daarom uw trouwe vriend; span uwe uiterste krachten in, om aan uwen vijand te ontkomen. Ik weet wat die is, want ik ken hem; en als ik mij niet vergis, dan zult ge, met alle moeite, die ge u nog geeft,nauwelijks tijd hebben, om uw boeltje bij elkaar te pakken; want houd u verzekerd, dat gij geen twaalf uren meer onder uw eigen vlag zult varen.”Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De kapitein, kapitein Green en Salomon liepen achteruit en zagen tot hunne ontsteltenis reeds duidelijk de waterlijn van het vervolgende fregat.»Wat kunnen wij nu doen?” zeide de kapitein. »Op deze wijze heeft hij weer op ons gewonnen, terwijl al het volk achteruit was geloopen voor die helsche twist. Zet nog twee van de achterste kanonnen overboord.”Ook deze order werd met dezelfde vlugheid ten uitvoer gebracht, doch niet met hetzelfde succes bekroond. De kapitein begon nu te bemerken,—wat ik al lang had ingezien,—dat hij door de jol van den achtersteven los te hakken, die dus met zijn gewicht aan het uiterste eind van het schip hing, (evenals het lood aan een unster werkende), goed had gedaan; verder had hij het schip nog meer verlicht door die twee achterste kanonnen op te offeren. Maar hierbij had het moeten blijven; de uitwerking van het overboord werpen der twee volgende stukken was bepaald nadeelig. Het schip stak nu den neus te diep; het achterschip was te hoog uit het water; het stuurde nu wild en verminderde opvallend van vaart.»Kap de boegankers weg,” beval de kapitein. De sjorrings werden doorgehakt en de ankers vielen weg; dadelijk hief de brik zijn kop wat hooger en bereikte zijn vroegere vaart; toch had de vijand intusschen belangrijk op ons gewonnen. De kapitein en zijn volk stelden alleen hun hoop op de duisternis; en naarmate deze inviel, werd ik ontmoedigd, want ik begon mij ongerust te maken, dat wij nog zouden ontkomen. Reeds was de zon eenigen tijd beneden de kim; de wolk van zeildoek, die achter ons aankwam, werd minder duidelijk en verdween ten laatste in een donkere bui: in de eerste twee uren zagen wij er niets meer van.Ik wandelde met Green en den kapitein het dek op en neer. De laatste scheen volstrekt niet op zijn gemak: hij had gehoopt deze reis zijn fortuin te maken en dan de vermoeienissen en zorgen van het zeeleven vaarwel te zeggen en zich terug te trekken in een of anderen gezelligen hoek van de westelijke nederzettingen, waar hij eene kleine hoeve kon ontginnen, en verder een eerlijk leven leiden: »want dit leven”, zoosprak hij, »is, ik durf het gerust te zeggen, eigenlijk niet veel anders dan rooverij.”Of deze proeve van zedelijkheid bij den kapitein, nu het gevolg was van het oogenblikkelijke gevaar, waarin hij verkeerde, mag ik niet uitmaken. Ik weet alleen, dat de lezer, als hij zich de moeite getroosten wil enkele bladzijden uit mijne levensgeschiedenis terug te slaan, mij bij verschillende gelegenheden daarin ook dikwijls in soortgelijke stemming zal aantreffen.De twee kapiteins en de eerste stuurman zonderden zich nu af en lieten mij over aan mijne overpeinzingen, vlak vóór het groot want, over bakboordsverschansing geleund. De beraadslaging scheen nog al gewichtig te zijn en liep, zooals ik later vernam, over den koers die gestuurd moest worden, nu er zoo groote kans bestond, dat wij door den vervolger uit het zicht waren verloren. Al mijne hoop op verlossing vervloog, wanneer ik hunnen kant uitzag, en in mijn geest was ik er reeds op voorbereid om mede naar New-York te gaan.Op dit oogenblik kwam een matroos achter mij staan, kwansuis om den bramschoot vóór te halen; en terwijl hij met een soort van »yeo-ho” aan het touw ging hangen, fluisterde hij mij in het oor: »Als gij wilt, kunt gij kapitein van de brik worden. Wij zijn met z’n vijftigen Engelschen, wij zullen bijdraaien en een lantaarn hijschen, als gij er een woord toe zegt en ons pardon bezorgt.”Ik deed eerst alsof ik het niet hoorde, doch mij omkeerende, zag ik Mr. Twist.»Zwijg, schurk!” antwoordde ik, »meent ge eene daad van verraad weer door eene andere goed te maken? En durft gij het wagen een smet te werpen op de eer van een zeeofficier, door zoo’n schandelijk voorstel? Ga dadelijk, waar gij behoort te zijn, en waardeer het, dat ik hiervan tegen den kapitein zwijg, die volkomen gerechtigd zou zijn, u overboord te werpen,—een lot dat gij, door uwe aaneenschakeling van misdrijven, volkomen zoudt verdienen.”De man droop af, en ik begaf mij naar den kapitein, wien ik, zonder naam te noemen, vertelde wat mij overkomen was, hem aanmanende om tegen verraad op zijne hoede te zijn.»Uw gedrag, mijnheer,” zeide de kapitein, »is, zooals ik van een Engelsch zee-officier verwacht zou hebben; en daar gij zoo eervol gehandeld hebt, wil ik u wel vertellen, dat het mijn plan is om zeil teminderen tot de marszeils en den fok en scherp bij den wind op te steken in de richting van die donkere bui dáár in het zuiden.”»Zooals gij wilt,” zeide ik; »gij zult mij wel verschoonen van het geven van advies, en eveneens zoudt gij mij niet gelooven willen, als ik u een goeden uitslag toewenschte; doch maak er staat op, dat ik met alle macht elke oneerlijke poging om u het bevel te ontnemen, zal tegengaan.”»Ik dank u, mijnheer,” zeide de kapitein op treurigen toon; en zonder verder met woorden nog tijd te verspillen, commandeerde hij op zachten, doch fermen toon. »Strijk en gei op de bovenbramzeils en bramzeils, vier op de lij-zeilvallen en buitenschooten!”Met een spoed, die zelfs mij, gewend aan de manoeuvres op goed geoefende oorlogsschepen, ten hoogste verbaasde, werden al die lichte zeilen weg- en ingenomen. Er gebeurde echter een misslag bij: het onderlijzeil werd wel afgevierd en opgegeid, doch niet binnen boord gehaald en bleef een tijdlang onder de fokkerust naast het schip medegesleept, vóór men er een der stuurlieden kennis van gaf.»Haal door de bakboordsbrassen, scherp bij den wind brassen, bakboord het roer, laat hem oploeven, kwartiermeester.”»Bakboord ligt hij, sir,” zeide de man aan het roer, en het schip loefde aan den wind, doch zeer langzaam, hoewel er een groot zeil en brikzeil bij stond en de kluiverschoot afgevierd was.»Ik geloof, dat wij hen nu beethebben op het laatst,” zeide de kapitein. »Wat denkt gij er van, heer luitenant?” mij daarbij een hartelijken, welgemeenden tik op den rug gevende. »Kom wat zegt gij, willen wij eens een lekkere flesch drinken, na de vermoeienissen van den dag?”»Wacht een oogenblik,” zeide ik, »wacht nog een oogenblik.”»Waar kijkt gij zoo heen, daar te loefwaart?” vroeg de kapitein, die opmerkte, dat ik steeds op eenzelfde punt bleef staren.Vóór ik tijd had om antwoord te geven, kwam Thompson naar mij toe, en terwijl hij wees naar hetzelfde punt, waarop ik mijn oog gericht had, zeide hij: »Daar is het schip mijnheer.” De kapitein hoorde dit; en daar vrees scherpzinnig maakt, zag ook hij dadelijk wat onze aandacht had getrokken.»Op verder ontloopen is nu niet veel kans,” zeide hij; »wij hebben het vàn den wind beproefd, dat voor ons altijd de beste gelegenheidwas: toen heeft hij ons geklopt; en bij den wind was het voor ons nooit bijzonder gunstig, maar toch is het verwonderlijk zoo slecht als wij nu loopen; met dit gladde water en dit mooie briesje, moest het veel beter zijn. Salomon, zie eens rond, er moet iets zijn, dat verkeerd is en ons in de vaart hindert.”Salomon ging aan stuurboordszijde naar voren, maar zag niets. Toen hij echter, den bak rondloopende, aan lij over den boeg en later over de verschansing naar buiten boord keek, zag hij zeildoek uit de fokkerust afhangen. »Wat is dat?” vroeg hij. Niemand gaf antwoord. Hij sprong op de verschansing, om beter te zien, en vond het heele onderlijzeil te water hangende en medegesleept.»Geen wonder, dat hij niet loopt,” zeide de stuurman, »dat houdt me nog al geen klein beetje tegen. Wie heeft het onderlijzeil moeten bergen?—Maar enfin, dat zullen wij later wel uitmaken. Komt hier, jelui gasten.”Enkelen van de Amerikanen kwamen nu op zijn geroep, doch niet bijzonder gewillig. Het was niet gemakkelijk om met de vaart, die het schip had, het nu doornatte zeil binnen boord te palmen; en terwijl zij daarop hunne krachten verspilden, zag men te loefwaart het licht van een kanonschot flikkeren; en vóór de dreun in onze ooren kwam, floot ons een kogel boven de hoofden en schoot als een bliksemstraal door het brikzeil heen.»Hoera voor Oud-Engeland!” zeide Thompson. »De knaap, die dat schot gedaan heeft, krijgt morgen mijn oorlam.”»Houd je b.k, verd..... Engelsche schurk,” viel de tweede stuurman in, »of ik zal je voor goed den drank verleeren.”»Ik denk niet, dat gij dit doen zult,” zeide de Schot, »en als gij nog voor vriendschappelijken raad vatbaar zijt, zou ik het maar niet beproeven.” Thompson stond op dit oogenblik op een achterluik; de boosaardige stuurman sprong op hem toe en greep hem in den kraag. Thompson scheurde zich in een ommezien los en gaf met de rechtervuist den ander een stomp in de maagholte, waarmede hij naar de lij vloog. Hij viel,—kwam bij den boomschoot te land,—wilde dien grijpen, pakte mis—en stortte in zee, waaruit hij nimmer weer verrees.Nu was er groote verwarring. »Man overboord!”—Weder een schot van het fregat,—weer een, nog een, elkander snel opvolgend. Om het lot van den drenkeling bekommerde zich niemand in de algemeenepaniek. Een kogel schoot het achterste hoofdtouw door; een andere ging dwars door de op dek staande boot. Het fregat zat ons klaarblijkelijk dicht op de hielen. Het volk liep naar omlaag, om hun kisten en kooien te halen; de kapitein stak mij de hand toe en zeide: »Mijnheer, ik geef mij aan u over, handel nu zooals gij meent te moeten doen.”»Thompson,” riep ik, »gooi den grooten schoot en den grooten bras aan lij los.” Zelf naar voren gaande, maakte ik de groote hals, en de achterboelijns los; de groote ra draaide daarop vierkant en het achtertuig tegen. Thompson greep daarop een brandende lantaarn en hield deze boven stuurboords-verschansing uit.Het fregat zeilde ons rakelings achterom, daarbij eene fraaie batterij vertoonende; ons toepraaiende, vroeg men wat schip wij waren.Ik antwoordde, dat het de Echte Yankee van Boston was, dat wij bijgedraaid lagen en ons overgaven.Twintigste hoofdstuk.Het fregat stak dadelijk, onder onze lij, bij den wind op, en binnen een paar minuten kwam er eene sloep bij ons op zijde. De officier, die daarin medegekomen was, om ons schip in bezit te nemen, sprong vlug naar boven en was dadelijk op het dek. Daar ontving ik hem, legde met een paar woorden uit, wat voor soort van schip het was, en stelde hem den kapitein en Green voor, welke beiden ik hem bijzonder aanbeval voor de vriendelijkheid, die zij mij betoond hadden. Daarop noodigde ik hem uit mij omlaag naar de kajuit te willen vergezellen, terwijl de adelborst, die met hem mede was gekomen, op dek bleef en den last ontving het grootzeil te laten dichtgeien en alles zooveel mogelijk te doen opruimen. De bemanning kreeg order om hun goed bijeen te pakken en zich gereed te houden binnen een uur het schip te verlaten.Toen er in de kajuit licht werd ontstoken, herkenden de luitenant en ik elkander onmiddellijk.»Wel, goede hemel, Frank,” zeide hij, »hoe komt gij hier?”»Om u dit uit te leggen,” zeide ik, »zouden wij morgenochtend nog niet gereed zijn; maar vertel mij eens welk schip is het, dat den Yankee genomen heeft? Is het niet de R——; en wat is mijn vriend Talbot daar aan boord?”»Het fregat,” antwoordde hij, »is de R——, zooals gij geraden hebt. Wij behooren tot het station aan de Kaap. Ik ben eerste officier en hier met bevordering heengezonden voor de Rochefort-geschiedenis.”»Dat is toch hard,” zeide ik, »dat gij zoo lang hebt moeten wachten op iets wat gij zoo eerlijk verdiend hadt; maar kom, wij hebben druk werk. Laat ons naar het volk gaan zien, en als gij nu naar boord terug wilt gaan, met u medenemende den kapitein, den stuurman en een deel der manschappen, waarvoor ik de woeligsten en onverschilligsten zal uitzoeken, zal ik wel hier blijven en den prijs in gereedheid brengen om met het aanbreken van den dag door te zeilen, en dan,—als kolonel F—— het goedvindt,—zal ik mijne opwachting bij hem komen maken.”Dit kwamen wij overeen. De matrozen, die ik aanwees, gingen de sloep in, terwijl vier van de roeiers aan boord van de brik overkwamen om mij te helpen. Spoedig brachten wij alles op orde, om gereed te zijn voor al wat men van ons mocht verlangen. Intusschen kwam er eene andere sloep met eene versche bemanning en die weer een twintigtal gevangenen zou afhalen; en de adelborst, die mede kwam, bracht de beleefde boodschap van den commandant over, die weten liet, dat het hem verheugde, dat de prijs in zulke goede handen was, en dat hij zich aanbevolen hield voor mijn gezelschap aan het ontbijt te acht uren; verder verzocht hij, dat, als ik klaar was om door te zeilen, ik zulks zoude seinen met twee lantaarns naast elkander in het groot want, en dat wij van dat oogenblik af zouden opsteken tot noord, met volle zeilen.Tegen vier uren waren wij zoover, gaven het afgesproken sein en hielden ons te loefwaart van het fregat. Ik ging een paar uren liggen, liet mij te zes uren wekken, kleedde mij aan en was tegen half acht uren gereed mij naar boord te begeven. Ik hoorde daar aan boord weder de trom en het gefluit,—na de liefelijke stem van Emilia het heerlijkste geluid, dat mijne ooren kon streelen. De tranen kwamen mij in de oogen, van blijdschap omdat ik mij weder onder de bescherming van onze geliefde vlag bevond. Het fregat loefde op, aan den wind; spoedigdaarop werd de giek gestreken en gezonden om mij af te halen; een schoon wit dekkleed was achterin gespreid; de roeiers waren gekleed in een net wit kostuum, met stroohoeden op en zeildoeksche schoenen aan. Zonder uitstel nam ik in de giek plaats en mijn hart klopte van verrukking, toen ik aan boord van het fregat stapte en de bootsmansmaat ter mijner eere valreepsgasten floot.Ik werd door den commandant en de officieren met alle bij dergelijke gelegenheid passende vriendelijkheid en belangstelling ontvangen. De eerste deed mij honderden vragen, en de officieren en adelborsten kwamen allen om mij heen staan om, mijne antwoorden te vernemen. Ook de equipage was zeer benieuwd om onze geschiedenis te hooren, en ik verzocht den commandant de giek nog een keer over te zenden, om Thompson af te halen, die mij dan zou kunnen helpen in het voldoen aan de algemeene nieuwsgierigheid. Dit gebeurde, en de flinke, trouwe kerel kwam aan boord. De eerste vraag, die hij deed was: »Wie deed het eerste schot op den prijs?”»Dat was Mr. Spears, de eerste luitenant van de mariniers,” antwoordde een van het volk.»Dan krijgt Mr. Spears mijn oorlam voor vandaag,” zeide Thompson; »want dat heb ik van nacht gezegd en ik houd altijd woord.”»Daar durf ik op zweren,” zeide kapitein Peters van den kaper: »ik heb menschen gekend met goede beginselen, en gij zijt een daarvan; en ik heb lieden gekend van slechte beginselen, en daarvan was hij er een, dien gij gisterenavond om zijne afrekening gezonden hebt; en dat was een gelukkige inval van u, want zoo zeker als gij daar staat, zou die man het op uwen dood hebben toegelegd, hetzij met behulp van een mes, hetzij door middel van water of door vergif. Ik heb nooit iemand gekend of van iemand gehoord, die straffeloos Peleg Oswald geslagen of beleedigd had. Hij was van Kentucky of van Ohio afkomstig,—een gewezen squatter,—doch had eens twee man met zijn geweer doodgeschoten, omdat zij geweigerd hadden een stuk grond met hem te ruilen. Van een derden had hij eens een oog uitgeslagen om een zeer onbeduidend verschil van meening. Om deze handelingen had hij het land moeten verlaten; want niet alleen werd hij gerechtelijk vervolgd, maar de man, die zijn eene oog kwijt was geraakt, keek met het andere des te scherper naar hem uit, en Peleg zou geëindigd zijn met een geweerkogel in zijn oor te krijgen, als hij niet oostwaarts gevluchtwas en teruggekeerd naar de zee, waarvoor hij eerst opgeleid was. Ik hoorde zijne geschiedenis eerst lang, nadat wij samen op een schip waren. Hij zou zeker ter dood zijn veroordeeld; maar daar hij eenig buitgeld bij elkaar had, wist hij zijne vervolgers af te koopen. Het was mijn stellig voornemen hem bij een volgende kruistocht achter te laten, indien het God behaagd had mij behouden t’huis te brengen.”Terwijl Peters deze korte levensgeschiedenis van zijn verdwenen stuurman vertelde, werd bericht, dat het ontbijt voor den commandant gereed stond, en ontvingen de beide Amerikaansche kapiteins de uitnoodiging om daarvan gebruik te komen maken. Toen wij de achterste halfdekstrap afgingen, konden Peters en Green niet nalaten een blik van bewondering te werpen op het schoone en helderwitte dek, de keurig onderhouden batterij en de volmaakte vereeniging van het nuttige met het sierlijke, zoo onnavolgbaar als men dit dikwijls aan boord onzer oorlogsschepen vermengd vindt. Niets overtrof de zindelijkheid, overvloed, gulheid en vroolijkheid aan den disch van den commandant.Het gesprek liep over den aard, de eigenschappen en het aantal manschappen op den kaper. »Het zijn allen zeelieden,” zeide Peters, »met uitzondering van de tien zwarten.”»Eenigen hunner zijn toch Engelschen, zou ik denken”, zeide ik.»Ik mag niet uit de school klappen,” zeide de geslepen Amerikaan; »het is moeielijk om altijd te weten of een man, die dikwijls in de beide landen geweest is, geboortig is van Boston in Lincolnshire, of van Boston in Massachusetts; en misschien weten zij het zelven niet eens altijd. Wij doen nooit veel navraag, wanneer een matroos bij ons zijne diensten aanbiedt.”»Gij hebt een groot aantal van onze zeelui in dienst, zoowel bij de marine als bij de koopvaardij,” zeide onze commandant.»Ja,” zeide Green, »en er is geen gevaar, dat wij er te kort zullen komen, daar gij voor ons prest.”»Wijvoor u pressen?” vroeg kolonel F——; »hoe meent gij dat?”»Uwe presgangen,” zeide de Amerikaan, »bezorgen ons het volk. Uwe zeelieden willen dat niet verdragen; en, maak daar staat op, voor elke twee man, die gij met geweld neemt, krijgen wij er één vrijwillig.”Peters sprak deze opvatting met heftigheid tegen en scheen zeer boos op Green om het afleggen van die verklaring.»Er is geen twijfel aan,” hernam Green; »ik weet precies, hoe onzeoorlogs- en koopvaardijschepen bemand zijn. Ik durf er op zweren, dat meer dan twee derden van de Engelsche marine gedeserteerd zijn, omdat zij daar geprest waren. Och, gij hebt het mij immers zelf verklaard, Peters;—zie maar eens naar uwe eigene bemanning.”Peters kon nu niet langer tegenspreken; hij voer woedend tegen Green uit en zeide, dat hij losgelaten had, wat nooit aan een Engelsch officier had moeten erkend worden; dat het waar was; dat Amerika op ons stelsel van pressen als het plechtanker van zijne zeevaart nederzag; maar dat het hem leed deed, dat dit gewichtige geheim door een Amerikaan bekend was gemaakt.»Wat mij betreft,” hervatte Green, »ik heb zooveel verplichting aan dezen wakkeren, jongen Engelschman voor de mij bewezen goedheid, dat ik ten eeuwigen dage de vriend van hem en zijn land ben geworden en gezworen heb nooit tegen Groot-Brittanje de wapens op te vatten, tenzij tot wering van een inval in mijn eigen land.”Het ontbijt was afgeloopen, en wij gingen allen naar het dek; het schip en zijn prijs lagen bijgedraaid; alle hens werd opgefloten, de sloepen werden gestreken, de rest van de gevangenen werd met hun goed van de brik afgehaald, en toen zij aan boord waren, werd de geheele bemanning, van den kaper afkomstig, op het halfdek geroepen, ondervraagd en voor een deel herkend als Engelschen.Toen zij berispt werden en het schandelijke van hun gedrag hun voor oogen werd gehouden, verklaarden zij, dat door hun toedoen de kaper genomen was, want dat zij met opzet het lijzeil te water hadden laten slepen, waardoor het schip in zijn vaart was tegengehouden.Kapitein Peters zag verbaasd op van deze bekentenis; en de commandant van het fregat betoogde toen, dat zoodanig gedrag juist te verwachten was van een verrader van zijn land. Zich toen naar de gevangenen keerende, sprak hij: »De schandelijkheid van uw eerste misdrijf kon moeielijk vergroot worden; doch uw verraad aan het nieuwe gouvernement, waaronder gij dienst hebt genomen, maakt u onwaardig den naam van mannen te dragen. Ook hebt gij niet het minste recht u te beroepen op uw ellendig aandeel in het overgeven van den prijs, daar wij geen oogenblik van den aanvang der jacht af daarvan zicht verloren hebben, terwijl wij, zoodra hij ging opsteken, zeker wisten, dat hij in onze macht was.”De mannen lieten hun hoofd hangen, en toen zij vergunning haddengekregen om naar omlaag te gaan, was er niemand van de fregats-equipage die hen aan zijn bak wilde ontvangen; maar de werkelijke Amerikanen werden zeer vriendelijk behandeld.Wij richtten nu koers naar de Simons-baai, waar wij juist eene week na de prijsmaking aankwamen.De admiraal van het station weigerde de zaak der gevangenen voor een zeekrijgsraad te laten behandelen; hij oordeelde, dat het hier eene politieke aangelegenheid gold, en was voornemens hen naar Engeland op te zenden, waar de lords der admiraliteit wel over hen zouden beschikken.De echte Yankee werd aan het vice-admiraliteitshof aan de Kaapstad aangegeven, veroordeeld als wettige buit en voor den dienst aangekocht. Aangezien hij in zijne soort een prachtig vaartuig was, behaagde het den admiraal te zeggen, dat, daar ik het zoo bijzonder ongelukkig getroffen had, hij mij als luitenant er het bevel van zou opdragen en voornemens was mij met brieven, die reeds op eene gelegenheid wachtten, naar Engeland te zenden.Dit was eene schikking, die veel voordeeliger was, dan ik had durven hopen, maar het aangenaamste van alles daarbij was, dat mijn vriend Talbot, die mij het eerst de hand gedrukt had aan boord van den prijs, verzocht de reis mede te maken, omdat, daar hij met den laatsten post zijne benoeming tot commander (kapitein-luitenant) had gekregen. Op mijn verzoek, stond de admiraal ook toe, dat de kapiteins Peters en Green met mij de thuisreis maakten. Mungo, de zwarte en Thompson de kwartiermeester, benevens de adelborst, die met mij in de boot was geweest, waren ook van de partij. Verder was, zooals men verwachten kan, mijne equipage niet van de beste; maar het stond niet aan mij om moeielijkheden te maken, en ik vulde het tekort slechts aan met zes van de negers, afkomstig van den slavenhaler, dien de kaper het laatst buitgemaakt had, en zoo meende ik wel in staat te zullen zijn om Spithead te halen.Aan de Kaap namen wij een goeden voorraad provisiën in. De Amerikanen drongen er op aan, daarin hun aandeel te betalen; doch ik wees dit beslist af, verklarende dat het genoegen om hen als gasten te hebben voor mij zeer groot was. Ik kocht van kapitein Peters zijn geheelen voorraad wijn en eetwaren tegen de volle waarde. Mungo werd tot hofmeester benoemd, daar ik bijzonder met hem ingenomen was. Toenmijn vriend Talbot al zijn goed aan boord had laten brengen en de admiraal mij zijne laatste orders had doen toekomen, ging ik met mijn schip van Simonsbaai naar Engeland onder zeil.Op eene thuisreis van dezen aard valt gewoonlijk weinig merkwaardigs voor. Ik behoefde St. Helena niet aan te doen en verlangde ook volstrekt niet naar oponthoud onder weg. Ik zette zeil, zooveel het schip maar wilde voeren. Talbot en ik werden boezemvrienden, en aan onze kajuitstafel heerschte de meest volkomen overeenstemming. Zooveel mogelijk vermeden wij om het gesprek op de nationale eigenaardigheden te brengen en onthielden wij ons van het behandelen der politiek. In vertrouwen deelde ik aan Talbot mijne genegenheid voor Emilia mede.Eens kwamen wij aan tafel over zwemmen te spreken. »Ik houd het er voor,” zeide Talbot, »dat mijn vriend Frank hier ons allen daarin een lesje kan geven. Herinnert gij u nog dien keer, dat gij op de reede van Spithead van het fregat naar den wal zijt gezwommen om er een bezoek te af leggen?”»Ja zeker,” antwoordde ik, »en evenmin ben ik vergeten, dat gij bij diezelfde gelegenheid zooveel geweerkogels om mij heen liet regenen.”»Uw ontkomen van te verdrinken of doodgeschoten te worden, toen en vroeger,” zeide de nieuwe overste, »doet mij iets veel ernstigers voor u in de toekomst verwachten.”»Dat is mogelijk,” zeide ik; »maar toch betwist ik de wettigheid van uwe daad, om te beproeven mij te dooden, vóór gij wist wie ik was en wat ik in den zin had. Hoe wist gij, dat ik niet krankzinnig was? Ik had ook op een ander schip thuis kunnen behooren; maar hoe het zij, als ik getroffen was geworden en men had mijn lijk gevonden, zou de lijkschouwing niet in uw voordeel, en de uitspraak eener jury sterk in uw nadeel zijn uitgevallen.”»Ik zou ze hartelijk uitgelachen hebben,” antwoordde Talbot.»Misschien zou men u geleerd hebben, dat het volstrekt niet was om te lachen,” zeide ik.»Kom aan!” hervatte Talbot, »waar staan schildwachten met geladen geweren voor?”»Om het schip te verdedigen,” antwoordde ik; »om sein te geven van eenig naderend gevaar; om te verhinderen, dat iemand zonder vergunning het schip zou verlaten; doch nooit om iemand het leven tebenemen, tenzij tot eigen verdediging, of wanneer de veiligheid van ’s konings schip het vordert.”»Ik ben het met uwe gevolgtrekkingen niet eens,” zeide Talbot; »de krijgsartikelen zeggenduidelijk, datop desertie de doodstraf staat.”»Dat is waar,” zeide ik, »maar die staat ook op andere overtredingen; maar al die misdrijven dienen eerst voor een krijgsraad bewezen te worden. Gij kondt b. v. toen niet bewijzen, dat ik deserteerde, en zelfs als gij dit hadt kunnen doen, ontbrak de omstandigheid, dat ik naar den vijand overging. Ik erken, dat ik ongehoorzaam was aan uwe bevelen, maar daarop zou toch ook maar eene lichte straf gestaan hebben, terwijl uwe willekeurige handeling den koning van een (al zeg ik het zelf) eerlijk en trouw onderdaan beroofd zou hebben. Als mijn lijk niet gevonden ware, zoude de gestrengheid van het door u gestelde voorbeeld voor den dienst niets goeds hebben opgeleverd. Integendeel, men zou gedacht hebben, dat ik ontkomen was, en menigeen zou mijn voorbeeld gevolgd hebben.”»Van achteren gezien,” zeide Talbot, »spijt het mij, niet eene sloep te hebben gestreken, om u na te zetten; maar het heeft mij toch altijd genoegen gedaan, dat de mariniers hebben misgeschoten.”Hiermede was dit onderwerp afgehandeld; wij wandelden nog eene poos op het dek, zetten voor den nacht koers op Fayal, waarvan wij niet ver verwijderd waren, en zochten toen onze kooi op.Ik viel in een diepen slaap, en het was geen wonder, dat het gesprek van ’s avonds mijnen geest bezighield, en mijne droomen tot het aanbreken van den dag bestonden uit een vreemd mengelmoes van gedachten zonder verband, verstandig of onzinnig, toen Thompson op mijne kajuitsdeur tikte, mij vertelde dat het helder dag was en het eiland Fayal, op ongeveer zeven mijl noord-oost van ons, in het zicht.Ik kleedde mij en ging naar het dek, zag het land en een vreemd zeil, dat westwaarts stuurde. Toen ook de Amerikanen bovengekomen waren en dat vaartuig hadden gezien, vroegen zij mij, of ik het niet zoude praaien. Ik had geen bezwaar. Daar wij alles bij hadden en de ander geene moeite deed om ons te ontloopen, maar zijn koers bleef doorsturen, haalden wij hem spoedig in. Het bleek een schip te zijn naar New-York bestemd, met uitgewisselde Amerikaansche krijgsgevangenen.In geval wij eenig naar de Vereenigde Staten bestemd schip mochtenontmoeten, had de admiraal mij vergund, mijne gevangenen rechtstreeks naar huis te zenden en hen niet naar Engeland mede te nemen. Ik had, uit vrees van mogelijke teleurstelling, hiervan Peters en Green onkundig gelaten; maar toen ik zag, dat hier zulk eene gemakkelijke gelegenheid voorkwam, deelde ik hun mijne plannen mede. Hunne vreugde en dankbaarheid gingen alle beschrijving te boven; zij bedankten mij duizendmaal, zooals zij ook aan Talbot deden, voor de hun bewezen vriendelijkheid.»Heer luitenant,” zeide Peters, »ik ben niet gewoon om met Engelschen om te gaan; en als ik ulieden altijd gehouden heb voor een hoop dwingelanden en bullebakken, is dit mijne schuld niet. Ik nam aan wat men mij verteld had, maar nu heb ik uit eigen oogen gezien en bevonden, dat de duivel nooit zoo zwart is, als men hem afschildert.” Ik maakte eene buiging voor dit Yankee-compliment. »Hoe het echter zij,” vervolgde hij, »zoude ik op eene goede manier nog wel eens eenige kogels met u willen wisselen.Brengtgij deze brik nog eens weer in onze wateren; ik hoop een andere van hetzelfde soort te krijgen, en daar ik weet, dat gij een d.....sch brave kerel zijt en evenveel van een kloppartij als van een goed diner houdt, zoude ik dan wel eens willen beproeven, of ik het bevel van de Echte Yankee niet terug kon krijgen.”»Als gij uwe volgende brik eveneens bemandet als uwe laatste, grootendeels met een goed soortEngelschen,” zeide ik,»dan vrees ik, dat het niet gemakkelijk voor mij zal wezen mijzelf te verdedigen.”»Dat laat ik voor hetgeen het is,” zeide de kapitein. »Niemand vecht beter dan hij, die den strop om zijnen hals gevoelt; en onthoud wat buurman Green u gezegd heeft—want hij heeft de kat uit den zak gelaten—: wij zouden geene Engelschen in onzen dienst hebben, wanneer zij niet in den uwen geprest waren geworden.”Ik wist dit saluut niet te beantwoorden, omdat ik, evenals de kanonnier van Landguard-fort, geen kruit had; inderdaad gevoelde ik de waarheid van de hatelijkheid.Green stond bij ons, doch deed geen mond open, vóór de kapitein uitgesproken had; toen stak hij mij de hand toe, met tranen in de oogen en sprak met trillende stem: »Vaarwel, mijn uitnemende vriend; ik zal u nooit vergeten; toen gij mij vondt, was ik een ellendeling, maar gij hebt mij tot een eerlijk man gemaakt. Nimmer zal de daguit mijn geheugen gaan, toen gij, met gevaar voor uw eigen leven, mij, die uwe bescherming zoo onwaardig was, zijt komen redden. Maar God zegene u! Mocht ooit de oorlogskans u als gevangene naar mijn vaderland voeren, dan is hier mijn adres. Al wat ik bezit zal het uwe zijn, dat zult gij ondervinden.”De man, die in de boot in opstand was gekomen en naderhand op den kaper dienst had genomen en met mij was opgezonden om gevonnist te worden, stak aan kapitein Green, toen hij langs hem ging, de hand toe om hem vaarwel te wenschen, doch deze wendde zich af, zeggende: »Ik vergeef u het kwaad, dat gij mij persoonlijk hebt willen aandoen, te meer wijl ik gevoel, dat ik mij dit zelf op den hals had gehaald; maar ik wil mijzelf niet onteeren door een verrader van zijn land, de hand van vriendschap toe te reiken.”Zoo zeggende, volgde hij kapitein Peters in de sloep, die hen overvoeren zou. Ik vergezelde hen naar het schip en verliet hen, na mij overtuigd te hebben, dat zij dáár alle gemakken hadden. Green was zoo aangedaan, dat hij niet kon spreken, en de arme Mungo kon alleen uitbrengen: »Dag, massa letenant—mij denke u goed man is.”Naar mijn eigen schip teruggekeerd, maakte ik zeil naar Engeland. Wederom begroetten wij de krijtbergen van het iederen echten Engelschman zoo dierbare Albion. Slechts hij die van dat geliefde strand een tijdlang gebannen is geweest, kan zich het innige gevoel van vreugde op zoo’n oogenblik voorstellen. Wij liepen door de Needles, en ik ankerde te Spithead, na eene afwezigheid van veertien maanden. Ik meldde mij bij den admiraal, toonde hem mijne lastgeving en gaf de gevangenen op, die men mij verzocht op het vlaggeschip te doen overgaan. »En nu,” zeide hij, »na uwe merkwaardige ontkoming, geef ik u verlof om naar de stad te gaan en uwe familie te bezoeken, voor wie gij zeker een voorwerp van groote belangstelling zult zijn.”Alvorens ik met mijn verhaal verder ga, is hier eene korte uitweiding noodzakelijk.

Negentiende hoofdstuk.De kaper heette de Echte Yankee. Zijne eerste bestemming was het eiland Tristan d’Acunha. Hier dacht hij een ander, aan dezelfde reeders toebehoorend, vaartuig te ontmoeten, dat hem vooruitgezeild was, toen het plan opkwam om tusschen de Kaap en Madagaskar te gaan kruisen, ten einde een paar der rijkgeladen thuis varende Oost-Indische schepen, die alleen reeds alle moeite en kosten van uitrusting zouden vergoed hebben, prijs te maken.Zonder dat er iets belangrijks voorviel, bereikten wij genoemd eiland. Ik had met leedwezen opgemerkt, dat de tweede stuurman, Peleg Oswald geheeten, een norsch, woest en twistziek man was, en dat, hoewel de kapitein Peters en de eerste stuurman Methusalem Salomon mij steeds met onderscheiding behandelden,hijniet de minste welwillendheid voor mij aan den dag legde.Zooals ik hierboven reeds heb aangeteekend, was kapitein Green, sedert hij bij ons was, in alle opzichten veranderd als het blad van een boom: den drank had hij geheel afgezworen, hij was door en door vroom geworden, en telkens wanneer er op den kaper onaangenaamheden voorkwamen of getwist en gevochten werd, was hij de scheidsrechter en vredemaker. Hij nam hierdoor den kapitein en opperstuurman eene zee van moeielijkheden uit de handen, en door zijn toedoen werd de toon, die aan boord heerschte, veel beter en er behoefde minder en ook niet zoo streng meer gestraft te worden. Het volk was opgeruimd en deed met lust zijn werk; en ware Peleg Oswald slechts niet aan boord geweest, dan zou er eene algemeen goede verstandhouding bestaan hebben.Wij liepen op 15 December het eiland in ’t zicht, met het schoonste zomerweer, dat zich denken laat. Wij staken bij aan de noord- of bovenswinds-zijde van het eiland, nog ongeveer twee Eng. mijlen van de kust zijnde; dichter durfden wij niet naderen uit vrees voor de »rollers,” een verschijnsel dat angstwekkend grootsch is, op deze weinig bezochte plek. Omtrent dit zeer bijzondere natuurverschijnsel zijn verschillende gissingen gemaakt, maar eene voor mij voldoende uitlegging heb ik nooit kunnen krijgen, om de doodeenvoudige reden, dat dezelfde oorzaak dan ook dezelfde uitwerking zou moeten hebben op St. Helena, Ascension of elk ander eiland of landpunt aan eene bijzonder groote watervlakte liggende. Ik zal trachten eene beschrijving te geven van het gezicht, dat eene opeenvolging van rollers zou geven, wanneer, hetgeen wel eens voorkomt, een vaartuig daarin geraakt enop de kust wordt geworpen.Het water is volkomen glad, zou men op het oog zeggen,—door geen zuchtje van den wind gerimpeld,—wanneer er plotseling uit het noorden een hooge golf komt aanrollen, doorschijnend, donkerblauw als ware het glas, eerst brekende zoodra hij op den wal stuit, als wanneer hij schuimend ineenstort met een donderend geluid en een onweerstaanbarehevigheid, die door kunst noch menschelijk vernuft kan weerstaan worden. Die golf wordt door andere gevolgd. Als daarin ankergrond te vinden was, zoude toch geen anker kunnen houden; maar er staat een negentig à honderd vadem water, en daarom zou een schip, dat er inkwam, zijn anker liet vallen en het noodige kabeltouw uit liet loopen, slechts één korten ruk gevoelen en daarna weer los zijn, of hield het bij zeldzaam toeval, dan zou de zee, tegenstand gevoelende, op den romp breken en het schip overstelpen. Dit was het ongelukkige lot, dat eene Engelsche oorlogskorvet overkwam, die nadat de commandant met zes man van boord was gegaan, in de rollers geraakte, op het strand sloeg en met man en muis verging. Alleen de commandant en de roeiers bleven behouden. Dit ongelukkige vaartuig ging verloren, niet uit onbekwaamheid of gebrek aan zeemanschap bij bevelhebber of equipage, want beiden waren uitstekend, maar door hunne onbekendheid met deze locale bijzonderheid, welke nergens anders, in die mate althans, wordt aangetroffen. Dicht naar den wal gedreven, vóór het lood grond raakte, liet men op het laatst nog drie zware ankers vallen; doch niets vermocht de kracht der »rollers” te weerstaan, die haar op het strand wierpen, waar zij bij de eerste aanraking middendoor brak, terwijl allen verdronken in het zicht van den hevig ontroerden commandant en zijne sloepsbemanning, die de lijken hunner ongelukkige scheepsmakkers, naar gelang zij door de zee aangespoeld werden, ter aarde bestelden.Er bestaat nog eene andere vreemde bijzonderheid bij dit eiland: tot een heel eind de zee in, is de strandlijn omgroeid met een plant, waarvan, onder den naam vanFucus maximus, door kapitein Cook reeds melding is gemaakt. Zij groeit op eene diepte van zestig vademen en bereikt in één langen stengel de wateroppervlakte, van waar zij nog drie à vier honderd voet verder komt, met korte takken, die omtrent een voet uit elkander zijn. Zoo groeit dus in den stormachtigen oceaan eene plant, die langer is dan eenig dergelijkvoortbrengselop het vaste land en niet halen kunnen de getah-pertsja, noch waringinboom, waarvan enkele takken benedenwaarts groeien, een eigen wortel verkrijgen en geacht kunnen worden een afzonderlijke stam te zijn. De hierbedoelde zeeplanten bieden weerstand aan de vereenigde krachten van de machtigste elementen; tevergeefs worden zij gebeukt door wind en golven; hunne bladeren mengende op den waterspiegel,tarten zij den orkaan en diens geweldige kracht. De bladen groeien afwisselend verschillende kanten uit; en wanneer de wind de zee in beroering brengt, slaan zij naar elkander toe met een soort van klagend geluid, dat ons dubbel droefgeestig stemde in onzen gedrukten gemoedstoestand en bij de verlatenheid van het eiland. De bladen of spruiten dezer plant zijn zoo sterk en hebben zooveel drijfvermogen, dat geene boot er door kan komen, als zij wat dicht bij elkander gegroeid staan; eens beproefde ik met mijnen voet, wat zij wel dragen konden, en kreeg ik de overtuiging, dat iemand, van sneeuwschoenen gebruik makende, er overheen zou kunnen loopen.Kapitein Peters noodigde mij vriendelijk uit hem naar den wal te vergezellen. Niet zonder moeite landden wij en wandelden naar de hut van een man, die hier op eigen verlangen achtergelaten was; hij had zijn gezin bij zich en noemde zich, evenals een zeker ander hoog personage op een eiland, dat noordwaarts van hier lag, de »Keizer.” Van de Kaap de Goede Hoop had men eene afdeeling Engelsche soldaten gezonden, om deze plaats in bezit te nemen, doch na een kort verblijf had men den post weer ingetrokken.Zijne tegenwoordige keizerlijke majesteit had tijdens mijn bezoek eene donkerkleurige gemalin en verscheidene lichter bruine prinsen en prinsessen. In alle andere opzichten was hij een echte Robinson Crusoë; hij bezat eenige koeien en varkens; deze laatste zijn sterk op het eiland vermenigvuldigd. Huisgevogelte was er overvloedig, en een groot stuk grond had hij met aardappelen beplant, toenmaals de eenige plaats bezuiden de linie, waar deze vrucht behoorlijk groeide. Het land zelf is rijk en voor groote verbeteringen vatbaar; tal van stroomende beekjes bevorderen er de vruchtbaarheid.Doch ook op deze afgelegen plek had onrust en oproer zich vertoond; de keizer had slechts één onderdaan, en deze Caliban had zich verstout, in rechtstreeksche schending van een keizerlijk voorschrift.... voor zijn middagmaal een vogel te dooden.»Opstand,” zeide de vertoornde keizer, »is de telg des duivels, en ik ben vast besloten den misdadiger ten voorbeeld te stellen.”Ik werd de bemiddelaar tusschen de twee van meening verschillende partijen en merkte zijne keizerlijke majesteit op, dat wat het stellen van een voorbeeld betrof, eene dergelijke gestrengheid niet veel nuttige uitwerking zou hebben, omdat zijne kinderen nog te jong waren omreeds verdorven te zijn; en te meer nog, daar zijne majesteit zijn bijbel zoo goed kende, zou hij wel weten, dat het hier plicht was om te vergeven. »Bovendien,” zeide ik, »komt het mij voor, dat hare majesteit de keizerin nog al gespierde armen heeft en op zijn tijd wel een handje mede zou kunnen helpen om eenige toekomstige handeling van verzet of ongehoorzaamheid te beletten of te bestraffen.” Ik vermoed echter, dat het zedelijke wetboek van zijne majesteit van dezelfde uitgaaf als het mijne was en dat de daarin voorkomende bepalingen overeenkomstig de eischen des tijds gewijzigd werden. Het moet bijzonder lastig voor hem geweest zijn dat hij niet onderhandelen kon met zijn eersten minister en zijn’ aarts-kanselier, dien hij op straffe des doods naar de andere zijde van het eiland had gebannen. Het vonnis was oorspronkelijk voor den tijd van zes maanden gewezen; maar dank zij mijne tusschenkomst werd de overtreder vergeven en weder in gunst aangenomen. Ik was er niet weinig trotsch op, wanneer ik terugblikte op dit staaltje van mijne macht als bemiddelaar, waardoor ik er waarschijnlijk in geslaagd was een burgeroorlog in zijne geboorte te smoren.De keizer vertelde mij, dat er aan de oostzijde van het eiland een Amerikaansche walvischvaarder lag, bezig om walrustraan te laden; dat hij aldaar reeds zes weken ten anker lag en nu bijna vol was. Ikverzochthem mij de plaats aan te wijzen, waar het oorlogsschip vergaan was; hij bracht mij naar de plek, waar nog van de overblijfselen te vinden waren. Op de klippen lagen nog eenige wrakstukken, en niet ver van daar zag men een aardhoop, waarop een geschilderde plank als grafsteen geplaatst was. In ruwe letters en beknopte woorden stond daarop het lot van het schip en het aantal der slachtoffers vermeld; den inhoud van het grafschrift kan ik mij niet meer juist te binnen brengen, doch het hield in hoofdzaak in, dat aldaar het stoffelijk overschot rustte van een honderdtal zeelieden, zooals de Engelsche marine geen betere kon opleveren, en dat zij tot het laatste oogenblik hunnen plicht hadden betracht. Het was een treurig schouwspel, vooral voor een zeevarende, wien mogelijk reeds spoedig een dergelijk lot boven het hoofd kon hangen.Wij vulden dien dag verscheidene watervaten en kwamen den volgenden dag daarmede geheel gereed. Daarop verzeilden wij naar de oostkust van het eiland, om dicht bij den walvischvaarder te ankeren,waarvan de kapitein ons in zijne boot een bezoek was komen brengen: ik trad met hem in gesprek en werd getroffen door eene opmerking, die hij maakte.»Gij Engelschen kunt dan toch somtijds al heel raar handelen,” zeide hij; »gij zendt eene bende soldaten om te gaan leven op een eiland, waar men alleen aan matrozen wat hebben zou. Gij luistert naar al de praatjes, welke die rood-rokken u believen wijs te maken; (zij kunnen immers nergens aarden, waar zij verder dan een geweerschot afstands van eene kroeg zijn?); en omdat het hun niet bevalt, verlaat gij het eiland weer. Zoo’n soldaat is bijzonder op zijn eigen gemak gesteld, al toont hij weinig eerbied voor dat van anderen; en het was toch wel vooruit te zien, dat hij slecht rapporteeren zou over een eiland, waar geene vrouwen en geen rum te krijgen zijn, en hij dus zoowat met een gevangene gelijkstond. Nu, dat zou anders gegaan zijn, als broeder Jonathan dit eiland bezeten had; hij zou het zijne kosten hebben laten opbrengen; hij zou er de bemanningen van twee of drie walvischvaarders hebben neergezet, met hun vrouwen en heele familie en met al hun geriefelijkheden bij zich, met nog een partij boerenarbeiders om den grond te ontginnen en dan den heelen boel onder bevel van een officier gebracht hebben. Het eiland kan best op zichzelf staan, zooals gij wel zien kunt, en alles zou er goed gaan. Het is even gemakkelijk, zoo niet gemakkelijker om het eiland af te visschen van den wal uit, als van een schip. Breng uw traanketels en vaten maar het strand op en laat een paar dozijn goede walvischbooten hier achter, en het eiland zal een rente opleveren, na aftrek van al het geld, dat er aan ten koste is gelegd, want de walrussen hebben geene andere plaats om naar toe te gaan, hetzij om van huid te verwisselen in den herfst, hetzij om hunne jongen voort te brengen in het voorjaar. Het visschen en de andere diensten zouden zeer in den smaak der matrozen vallen, die, als zij verkozen, naar huis konden gaan in de schepen, welke de volle vaten traan kwamen weghalen en weer ledige kwamen aanbrengen.”De kapitein keerde naar zijn schip terug, maar vergat, geloof ik, onzen kapitein de vereischte zeilaanwijzingen naar zijne ankerplaats op te geven. Wij liepen naar den oosthoek van het eiland en wilden juist ankeren, toen Peters, naar zijne meening wat te dicht op den walvischvaarder komende, nog iets verder wilde doorzeilen. Ik heb verzuimdop te merken, dat, toen wij den noord-oosthoek van het land rondden, de koelte aanwakkerde en in valwinden door de ravijnen kwam. Daarvoor hadden wij zeil geminderd, en toen wij nu dicht langs denwalvischvaarderkwamen, praaide men ons van daar toe; maar de harde wind belette ons te hooren, wat er geroepen werd; toen wij nu op den noodigen afstand waren, lieten wij het anker vallen.Negentig vadem van den kabel liepen aan één stuk uit, vóór het schip optornde en op den wind zwaaide; en tot onze teleurstelling bemerkten wij over de bank, waar de ander zijn anker had laten vallen, heengeschoten te zijn, terwijl het onze nu in eene groote diepte lag; wij loodden althans negentien vaâm onder de kluis en slechts zeven vaâm onder den spiegel. Juist brak de maan door de wolken en hadden wij het genoegen te kunnen opmerken, dat wij minder dan vijftig ellen achter ons een rif hadden van steenen, waarvan de zwarte koppen boven water uitstaken.Zeer bevreemde het ons, dat wij onder de stilten tusschen de windhorrels in, niettegenstaande de diepte, voor eene bocht van het zwaartouw lagen; doch omstreeks twee uren in den morgen brak onze kabel, door de scherpe klipsteenen doorgesneden. Dadelijk werd zeil gezet, maar wij zaten zoo dicht op de rotsen achter ons, dat zij met een steen te bewerpen waren; en wij dachten werkelijk, dat wij het einde van den kruistocht van de Echte Yankee bereikt hadden; doch dit werd niet bewaarheid, want het schip bleef behouden door dezelfde oorzaak, die onzen kabel in eene bocht had laten hangen. Wij bevonden, dat het de Fucus maximus was, die onzen ondergang verhinderde; ons anker was gevallen in dit onderzeesche bosch en was blijven hangen op de toppen der boomen; en zoo dik waren op deze hoogte takken en bladeren, dat zij ons weerhielden van te drijven en, toen de kabel gebroken was, ons op den wal geraken tegengingen. Wij verhaalden langzaam tusschen de planten uit en waren verheugd weer van die ellendige plaats vrij te zijn. Nu wensch ik dit kleine keizerrijk allen mogelijken voorspoed, maar hoop toch, dat mijn kwaad gesternte mij nimmer meer derwaarts moge voeren.De arme Thompson was, welke moeite ik ook in zijn belang aanwendde, op grond van zijn vaste en onwankelbare trouw, steeds aan allerlei onaangename bejegeningen aan boord blootgesteld. Aan mij zou hij zelden hierover klagen; liever was hij zijn eigen rechter, door dengeen,die hem kwelde, dit op zachtzinnige wijze onder het oog te brengen (dergelijke wenken deelde hij nl. met zijne forsche vuisten tusschen de oogen of op den neus van zijn kwelgeest uit). Gewoonlijk bleef de zaak daarbij, want zijn karakter was zoo eenvoudig en goed, dat alle geschikte matrozen aan boord hem genegen waren. Op een nacht viel er een man overboord,—het weder was kalm en de brik liep weinig vaart; terwijl men bezig was de jol, die aan de hekdavits hing, te strijken, brak een van de haken daarvan en sloegen de vier man, die er in bezig waren, te water. Twee hunner konden niet zwemmen, en allen schreeuwden luidkeels om hulp, zoodra zij weer boven kwamen. Thompson, dit ziende, sprong als een Newfoundlandsche hond van boven neer, zwom eerst naar den zwaksten, dien hij naar de zorgkettingen van het roer bracht om zich daaraan op te houden, en vervolgens greep hij den tweeden, dien hij achter het schip bracht en een van daar afgevierd touw onder de armen bond. Op deze wijze voortgaande, gelukte het hem allen te redden. Twee van de vijf zouden zonder zijne tijdige tusschenkomst stellig gezonken zijn, want het vorderde eenigen tijd vóór er eene andere boot kon gestreken worden; terwijl de drie anderen erkenden, dat zij zonder hulp het schip wel niet zouden hebben kunnen bereiken.Het gedrag van Thompson werd door iedereen aan boord zeer toegejuicht, en sommigen vroegen hem, hoe hij toch zijn leven wilde wagen voor menschen, die hem zoo slecht behandelden; hij zeide, dat zijne moeder en zijn bijbel hem geleerd hadden om zooveel mogelijk het goede te doen: en daar God hem een sterken arm had geschonken, hoopte hij dien altijd te zullen gebruiken ten behoeve van zijnen broeder in den nood.Men zou nu denken, dat een daad als deze de herhaling van verdere beleedigingen zou voorkomen hebben; doch hoe meer Thompsons waarde door de Amerikanen werd opgemerkt, des te verlangender werden zij hem een der hunnen te zien worden. De tweede stuurman, dien ik reeds beschreven heb als een ruwen, brutalen kerel, klampte hem weer eens met de oude aanbieding aan, zeggende dat hij ongetwijfeld zijn fortuin zou maken met het nemen van twee, misschien wel drie buitengewone Oost-Indievaarders, wier ontmoeting zoo goed als zeker was.Thompson keek den man open in het gelaat en zeide met zijn sterk Schotschen tongval: »Hebt gij niet gehoord, wat ik dien anderen dag aan uwen kapitein heb geantwoord?”»Ja,” antwoordde Oswald, »maar dat noemen ze bij ons te lande maar kletspraatjes.”»Maar zoo noemen zij dat in mijn land niet,” zeide de Schot, terwijl hij hem te gelijk zijn vuist zoo net en stevig in het linkeroog duwde, dat hij als een os neersloeg, een groot deel van het dek met zijn zware lichaam bedekkende.De man stond op, bevond dat zijn gelaat hevig bloedde en zijn oog dicht was; doch in plaats van zelf wraak te nemen, liep hij naar den kapitein, om zich te beklagen. Verscheidenen van de Amerikanen, door haat of jaloezie gedreven, gingen met hem mede en vroegen met veel misbaar, dat de Engelschman gestraft zou worden voor het mishandelen van een der scheepsofficieren. Toen echter de zaak nauwkeurig onderzocht was geworden, moest de kapitein verklaren, dat de stuurman de eerste aanleiding had gegeven, in zooverre hij Thompson had willen verlokken, en dat hij van vroeger had kunnen weten, waaraan hij zich hierdoor blootstelde; dat hij (de kapitein) aan Thompson, toen hij die verklaring aflegde, toegegeven had gelijk te hebben en daardoor thans verplicht was hem naar alle wetten van gastvrijheid te beschermen, en zulks alleen reeds niet zou mogen verzuimen wegens de dankbaarheid, die hij hem schuldig was voor het redden van het leven zijner landgenooten.Het volk nam hiermede geen genoegen; luide bleven zij straf eischen, en erontstondeen geregeld oproer door den tweeden stuurman aangestookt. Er was echter aan boord ook eene andere partij, die zeer sterk was en niet in eene stemming om een Engelschman op zulke onwaardige wijze te zien behandelen. Wat voor landslieden dat waren, is gemakkelijk te begrijpen. De twist liep hoog, en ik begon daarvan ernstige gevolgen te vreezen, toen ik toevallig over bakboordsverschansing kijkende, een zeil zag en hiervan den kapitein kennis gaf. Dadelijk praaide hij den uitkijk in top toe; doch de uitkijk in top had zooveel belang gesteld in hetgeen er aan dek voorviel, dat hij zich in de mars had laten zakken, om beter toe te luisteren.»Ziet gij dat schip niet aan bakboord?” vroeg de kapitein.»Ja wel, sir,” zeide de man.»En waarom geeft ge er dan geen bericht van?”De man wist, om een goede reden, daarop geen antwoord te geven.»Kom af!” beval de kapitein; »Salomon laat hem aflossen; wij zullen je eens een beetje Yankee-discipline laten zien.”Voordat wij echter het onderzoek in dit misdrijf en de daarop gevolgde bestraffing behandelen, moeten wij den blik wenden naar het zeil, dat elke vijf minuten zichtbaar hooger en hooger boven de kim kwam. De kaper zeilde op dit oogenblik om de noordoost, onder mars- en bramzeilen, fok en kluiver, met eene gladde koelte en kalm water.»Mijnheer de luitenant,” zeide de kapitein, »waar ziet gij hem voor aan?”»Ik denk,” antwoordde ik, »dat het een van die extra Oost-Indievaarders is; en als gij hem meent te praaien, zou ik er onder klein zeil op aan sturen; waardoor gij tegen zonsondergang zoo nabij kunt zijn, dat gij, als hij u mocht willen ontloopen, met uwe betere bezeildheid, hem den ganschen nacht in ’t zicht kunt houden.”»Ik geloof, dat gij daarin niet ver mis zijt,” zeide de kapitein.»Ik geloof, dat er geen woord van waar is,” zeide de eerste stuurman, die juist uit den grooten top kwam, waar hij het laatste kwartier had doorgebracht met een scherpen uitkijk en het bestudeeren van den snit der zeilen van het vreemde vaartuig. »Als ik ooit van m’n leven een schip van hout en zeilen gezien heb, dan is dat een van John Bull’s vervloekte levenmakers, en nog wel minstens een vier-en-veertiger.”»Wat antwoordt gij daarop, mijnheer de luitenant?” vroeg de kapitein.»O, wat dat aanbelangt,” viel de stuurman in, »is het niet te verwachten, dat hij ons het ware zal zeggen.”»Zeker omdat gij het in mijne plaats niet doen zoudt,” antwoordde ik.»Juist,” hernam de stuurman.En werkelijk moet ik bekennen, dat ik geen bijzonder verlangen had om nog eenige maanden met dit schip te blijven kruisen en nog eens, tot aanvulling van den watervoorraad, naar Tristan d’Acunha terug te moeten. Toen ik mijne meening kenbaar maakte, had ik mijn best niet gedaan om bijzonder scherp uit te kijken; maar toen ik het schip hard zag opzetten, ofschoon wij in bijna gelijke richting stuurden, overtuigde ik mij weldra, dat ik spoedig vrij en op mijne terugreis naar Engeland zijn zou, waar zich al mijn geluk en al mijne hoop bevond.De eerste stuurman keek nog eens nauwkeurig,—de kapitein volgde zijn voorbeeld; toen zagen zij elkander aan en kwamen overeen, dat het hier het begin van het einde was.»Het is mis, sir,” zeide de stuurman, »en alles de schuld van dienvervloekten overlooper, die door u op de rol is geplaatst. Maar, zal ik hem niet eens achteruit laten komen, om hem op een geregelde wijze zijn ontslag te geven?”»Allereerst,” zeide de kapitein, »is het zaak om te beproeven, hoe hard wij op den loop kunnen gaan. Wij plachten nog al uit den weg te kunnen komen, en nog nooit heb ik de gekoperde slang gezien, die ons wist te bereiken. Breng de bovenbramzeils op, voer de spieren uit, laat de lijzeilen aanslaan—en afhouden tot de wind een paar streken achterlijker dan dwars is: zóó loopt hij het beste; en ik houd het er voor, dat wij gedurende den nacht dien duivel uit het oude moederland nog wel kunnen ontgaan.”Ik zweeg, maar keek oplettend naar de werkzaamheden. Het schip was zeer goed bemand en het zeil zetten ging zeer vlug.»Laat loggen!” beval de kapitein.Dit geschiedde, en het schip bleek negen mijlen te loopen.»Hoeveel denkt gij dat gindsch fregat beloopt?” vroeg mij de kapitein.»Ik houd er voor, dat hij wel elf mijlen zal halen; en daar hij nu zes mijlen achteruit is, zal het geen vier uren duren vóór hij binnen kanonschotsafstand is.”»Nu, een deel van dien tijd zullen wij besteden aan het betalen van onze schuld van dankbaarheid voor het voorrecht. Mr. Salomon, laat dien schurk zonder vaderland aan het groot want binden en roep een paar van je hongerigste katten (cats) op. Waar is Dirk Twist, die bootsmansmaat geweest is op de Statira; en die roodharige kerel, och je weet wel, die in de Rappa-banock van de Maidstone weggezwommen is?”»Gij meent zeker rooden Sam?—Roep Sam Gall hier!”De twee handlangers kwamen spoedig opdagen, elk van zijn folterwerktuig voorzien; en ik moet zeggen, dat deze er niet zachtzinniger uitzagen, dan al wat ik voor gelijke doeleinden aan boord bij overste G—— had zien gebruiken. De schuldige werd nu vóórgebracht en bleek, tot mijne verbazing, dezelfde te zijn, die door Thompson, toen wij pas in de boot waren overgestapt, wegens muiterij overboord gesmeten was. Ik kan niet zeggen, dat ik eenig leed gevoelde noch over de aanleiding, noch over het resultaat van de woordenwisseling van heden.»Bind hem vast,” beval de kapitein; »gij zijt op uw geregelde dienstbeurtvoor uitkijk naar top gestuurd; in het waarnemen van dien plicht zijt gij te kort geschoten; vóórdat nu mijn gezag ophoudt, zal ik u een Yankee-stukje vertoonen.”»Ik ben een Engelschman,” zeide de man, »en ik beroep mij op mijnen officier voor bescherming.”De kapitein zag mij aan.»Als ik die officier ben, dien gij bedoelt,” zeide ik, »dan erken ik u niet. Gij hebt uwe trouw afgezworen, toen het in uw kraam te pas kwam, en nu wilt gij uw vorige verbintenis weder aanvoeren, om een straf te ontloopen, die gij ruimschoots verdiend hebt.Ikzal zeker niet ten uwen behoeve tusschenbeide komen.”»Ik ben in de Earlstreet geboren,” riep de Londenaar,—»mijne moeder houdt daar een penswinkel,—ik ben een echte Brit, en gij hebt geen recht mij te slaan.”»Gisteren nog waart gij een Yankee-matroos van Nieuw Londen en vandaag zijt gij een pensverkooper van Oud Londen; ik geloof niet ver mis te zijn met u een schurk zonder vaderland te noemen. Maar over het recht zullen wij later wel spreken,” zeide de kapitein; »en nu Dick, begin maar.”Twist gehoorzaamde aan de opdracht met de noodige handigheid; toen hij den gevangene drie dozijn toegediend had, van een gehalte waarvoor mijn vriend de Hercules van Farnese op de brik zich niet had behoeven te schamen, werd Sam Gall verzocht om daarmede voort te gaan. Sam kweet zichà merveillevan een gelijk aantal; en de gevangene, die het noodige misbaar gemaakt had, werd nu losgelaten. Onwillekeurig maakte ik de opmerking, hoe rechtvaardig het was, dat deze kapitein zijn schip verspeelde, door eerst toe te laten, dat men een man verleidde om zijn woord ontrouw te worden, en daarna in dienzelfden man vertrouwen te stellen.»Laat ons nu een oog op de jacht houden,” zeide de kapitein. »Wel verbazend, hij komt hard opzetten. Ik zie met het stampen den boegspriet al boven water; voor een half uur zag ik nog pas de fokkera. Hak de jol van achteren weg, Salomon.”De eerste stuurman nam een korte bijl en met één houw bij het einde van elken davit, hakte hij het vaste deel van de takels door; en de jol viel te water.»Nu deze twee achterste stukken de poorten uit,” beval de kapitein;»wij hebben te veel diepgang achter, en voor de verdediging zullen wij ze best kunnen missen, want het is een heele baas, dien wij hier achter ons hebben.”Binnen weinige minuten waren de kanonnen uit de voeten; en in het daarop volgende half uur, won de vijand slechts weinig. Het was nu ’s namiddags half vier; de Yankees gevoelden hunnen moed herleven; en de tweede stuurman herinnerde den kapitein, dat zijn blauw oog nog niet bij het groot want was verrekend geworden.»Dat zal ook niet gebeuren,” zeide de kapitein, »zoolang ik het bevel voer over de Echte Yankee; zooals het is, is het billijk; niemand zal worden gestraft omdat hij zich behoorlijk verdedigd heeft na waarschuwing. Thompson, kom hier en blijf achteruit.”De man was juist bezig die order te gehoorzamen, toen hij werd aangegrepen door zes of acht van de ruwste klanten, die begonnen met hem zijn baaitje van het lijf te trekken.»Laat los, jongens!” riepen Twist en Gall in één adem. »Het kan ons niet schelen om zoo’n vent als dien penskerel een pak te geven; maar Thompson zal hier in het schip geen haar gekrenkt worden. Hij is een der onzen;op-en-topeen zeeman, en vóór gij hem aanraakt, hebt gij met ons en nog vijftig anderen te doen; want ik ben verd... als wij niet met den tweeden stuurman gaan loggen en dan bijdraaien, tot het fregat ons op zijde komt.”De oproermakers stonden een oogenblik verlegen; maar de tweede stuurman sprong op een stuk en riep luid: »Wie is er op onze hand? Zijn jelui voornemens je door die Engelschen op den kop te laten zitten?”»Ja zeker,” riep ik er tusschen in, »als gij het doen van gerechtigheid »op den kop zitten” noemt. Gij loopt veel gevaar, en ik waarschuw u. Ik zie juist hoe sterk degenen zijn, die zich Amerikanen noemen; en ofschoon ik de laatste ter wereld ben om mijn zegel te hechten aan een daad van verraad, door het schip bij te draaien, waarschuw ik u toch voorzichtig te zijn met het tergen van den bulhond, die alleen van zijns meesters ketting losgebroken is »voor een uitstapje,” doch nu gereed om naar hem terug te keeren. Ik ben uw gast en daarom uw trouwe vriend; span uwe uiterste krachten in, om aan uwen vijand te ontkomen. Ik weet wat die is, want ik ken hem; en als ik mij niet vergis, dan zult ge, met alle moeite, die ge u nog geeft,nauwelijks tijd hebben, om uw boeltje bij elkaar te pakken; want houd u verzekerd, dat gij geen twaalf uren meer onder uw eigen vlag zult varen.”Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De kapitein, kapitein Green en Salomon liepen achteruit en zagen tot hunne ontsteltenis reeds duidelijk de waterlijn van het vervolgende fregat.»Wat kunnen wij nu doen?” zeide de kapitein. »Op deze wijze heeft hij weer op ons gewonnen, terwijl al het volk achteruit was geloopen voor die helsche twist. Zet nog twee van de achterste kanonnen overboord.”Ook deze order werd met dezelfde vlugheid ten uitvoer gebracht, doch niet met hetzelfde succes bekroond. De kapitein begon nu te bemerken,—wat ik al lang had ingezien,—dat hij door de jol van den achtersteven los te hakken, die dus met zijn gewicht aan het uiterste eind van het schip hing, (evenals het lood aan een unster werkende), goed had gedaan; verder had hij het schip nog meer verlicht door die twee achterste kanonnen op te offeren. Maar hierbij had het moeten blijven; de uitwerking van het overboord werpen der twee volgende stukken was bepaald nadeelig. Het schip stak nu den neus te diep; het achterschip was te hoog uit het water; het stuurde nu wild en verminderde opvallend van vaart.»Kap de boegankers weg,” beval de kapitein. De sjorrings werden doorgehakt en de ankers vielen weg; dadelijk hief de brik zijn kop wat hooger en bereikte zijn vroegere vaart; toch had de vijand intusschen belangrijk op ons gewonnen. De kapitein en zijn volk stelden alleen hun hoop op de duisternis; en naarmate deze inviel, werd ik ontmoedigd, want ik begon mij ongerust te maken, dat wij nog zouden ontkomen. Reeds was de zon eenigen tijd beneden de kim; de wolk van zeildoek, die achter ons aankwam, werd minder duidelijk en verdween ten laatste in een donkere bui: in de eerste twee uren zagen wij er niets meer van.Ik wandelde met Green en den kapitein het dek op en neer. De laatste scheen volstrekt niet op zijn gemak: hij had gehoopt deze reis zijn fortuin te maken en dan de vermoeienissen en zorgen van het zeeleven vaarwel te zeggen en zich terug te trekken in een of anderen gezelligen hoek van de westelijke nederzettingen, waar hij eene kleine hoeve kon ontginnen, en verder een eerlijk leven leiden: »want dit leven”, zoosprak hij, »is, ik durf het gerust te zeggen, eigenlijk niet veel anders dan rooverij.”Of deze proeve van zedelijkheid bij den kapitein, nu het gevolg was van het oogenblikkelijke gevaar, waarin hij verkeerde, mag ik niet uitmaken. Ik weet alleen, dat de lezer, als hij zich de moeite getroosten wil enkele bladzijden uit mijne levensgeschiedenis terug te slaan, mij bij verschillende gelegenheden daarin ook dikwijls in soortgelijke stemming zal aantreffen.De twee kapiteins en de eerste stuurman zonderden zich nu af en lieten mij over aan mijne overpeinzingen, vlak vóór het groot want, over bakboordsverschansing geleund. De beraadslaging scheen nog al gewichtig te zijn en liep, zooals ik later vernam, over den koers die gestuurd moest worden, nu er zoo groote kans bestond, dat wij door den vervolger uit het zicht waren verloren. Al mijne hoop op verlossing vervloog, wanneer ik hunnen kant uitzag, en in mijn geest was ik er reeds op voorbereid om mede naar New-York te gaan.Op dit oogenblik kwam een matroos achter mij staan, kwansuis om den bramschoot vóór te halen; en terwijl hij met een soort van »yeo-ho” aan het touw ging hangen, fluisterde hij mij in het oor: »Als gij wilt, kunt gij kapitein van de brik worden. Wij zijn met z’n vijftigen Engelschen, wij zullen bijdraaien en een lantaarn hijschen, als gij er een woord toe zegt en ons pardon bezorgt.”Ik deed eerst alsof ik het niet hoorde, doch mij omkeerende, zag ik Mr. Twist.»Zwijg, schurk!” antwoordde ik, »meent ge eene daad van verraad weer door eene andere goed te maken? En durft gij het wagen een smet te werpen op de eer van een zeeofficier, door zoo’n schandelijk voorstel? Ga dadelijk, waar gij behoort te zijn, en waardeer het, dat ik hiervan tegen den kapitein zwijg, die volkomen gerechtigd zou zijn, u overboord te werpen,—een lot dat gij, door uwe aaneenschakeling van misdrijven, volkomen zoudt verdienen.”De man droop af, en ik begaf mij naar den kapitein, wien ik, zonder naam te noemen, vertelde wat mij overkomen was, hem aanmanende om tegen verraad op zijne hoede te zijn.»Uw gedrag, mijnheer,” zeide de kapitein, »is, zooals ik van een Engelsch zee-officier verwacht zou hebben; en daar gij zoo eervol gehandeld hebt, wil ik u wel vertellen, dat het mijn plan is om zeil teminderen tot de marszeils en den fok en scherp bij den wind op te steken in de richting van die donkere bui dáár in het zuiden.”»Zooals gij wilt,” zeide ik; »gij zult mij wel verschoonen van het geven van advies, en eveneens zoudt gij mij niet gelooven willen, als ik u een goeden uitslag toewenschte; doch maak er staat op, dat ik met alle macht elke oneerlijke poging om u het bevel te ontnemen, zal tegengaan.”»Ik dank u, mijnheer,” zeide de kapitein op treurigen toon; en zonder verder met woorden nog tijd te verspillen, commandeerde hij op zachten, doch fermen toon. »Strijk en gei op de bovenbramzeils en bramzeils, vier op de lij-zeilvallen en buitenschooten!”Met een spoed, die zelfs mij, gewend aan de manoeuvres op goed geoefende oorlogsschepen, ten hoogste verbaasde, werden al die lichte zeilen weg- en ingenomen. Er gebeurde echter een misslag bij: het onderlijzeil werd wel afgevierd en opgegeid, doch niet binnen boord gehaald en bleef een tijdlang onder de fokkerust naast het schip medegesleept, vóór men er een der stuurlieden kennis van gaf.»Haal door de bakboordsbrassen, scherp bij den wind brassen, bakboord het roer, laat hem oploeven, kwartiermeester.”»Bakboord ligt hij, sir,” zeide de man aan het roer, en het schip loefde aan den wind, doch zeer langzaam, hoewel er een groot zeil en brikzeil bij stond en de kluiverschoot afgevierd was.»Ik geloof, dat wij hen nu beethebben op het laatst,” zeide de kapitein. »Wat denkt gij er van, heer luitenant?” mij daarbij een hartelijken, welgemeenden tik op den rug gevende. »Kom wat zegt gij, willen wij eens een lekkere flesch drinken, na de vermoeienissen van den dag?”»Wacht een oogenblik,” zeide ik, »wacht nog een oogenblik.”»Waar kijkt gij zoo heen, daar te loefwaart?” vroeg de kapitein, die opmerkte, dat ik steeds op eenzelfde punt bleef staren.Vóór ik tijd had om antwoord te geven, kwam Thompson naar mij toe, en terwijl hij wees naar hetzelfde punt, waarop ik mijn oog gericht had, zeide hij: »Daar is het schip mijnheer.” De kapitein hoorde dit; en daar vrees scherpzinnig maakt, zag ook hij dadelijk wat onze aandacht had getrokken.»Op verder ontloopen is nu niet veel kans,” zeide hij; »wij hebben het vàn den wind beproefd, dat voor ons altijd de beste gelegenheidwas: toen heeft hij ons geklopt; en bij den wind was het voor ons nooit bijzonder gunstig, maar toch is het verwonderlijk zoo slecht als wij nu loopen; met dit gladde water en dit mooie briesje, moest het veel beter zijn. Salomon, zie eens rond, er moet iets zijn, dat verkeerd is en ons in de vaart hindert.”Salomon ging aan stuurboordszijde naar voren, maar zag niets. Toen hij echter, den bak rondloopende, aan lij over den boeg en later over de verschansing naar buiten boord keek, zag hij zeildoek uit de fokkerust afhangen. »Wat is dat?” vroeg hij. Niemand gaf antwoord. Hij sprong op de verschansing, om beter te zien, en vond het heele onderlijzeil te water hangende en medegesleept.»Geen wonder, dat hij niet loopt,” zeide de stuurman, »dat houdt me nog al geen klein beetje tegen. Wie heeft het onderlijzeil moeten bergen?—Maar enfin, dat zullen wij later wel uitmaken. Komt hier, jelui gasten.”Enkelen van de Amerikanen kwamen nu op zijn geroep, doch niet bijzonder gewillig. Het was niet gemakkelijk om met de vaart, die het schip had, het nu doornatte zeil binnen boord te palmen; en terwijl zij daarop hunne krachten verspilden, zag men te loefwaart het licht van een kanonschot flikkeren; en vóór de dreun in onze ooren kwam, floot ons een kogel boven de hoofden en schoot als een bliksemstraal door het brikzeil heen.»Hoera voor Oud-Engeland!” zeide Thompson. »De knaap, die dat schot gedaan heeft, krijgt morgen mijn oorlam.”»Houd je b.k, verd..... Engelsche schurk,” viel de tweede stuurman in, »of ik zal je voor goed den drank verleeren.”»Ik denk niet, dat gij dit doen zult,” zeide de Schot, »en als gij nog voor vriendschappelijken raad vatbaar zijt, zou ik het maar niet beproeven.” Thompson stond op dit oogenblik op een achterluik; de boosaardige stuurman sprong op hem toe en greep hem in den kraag. Thompson scheurde zich in een ommezien los en gaf met de rechtervuist den ander een stomp in de maagholte, waarmede hij naar de lij vloog. Hij viel,—kwam bij den boomschoot te land,—wilde dien grijpen, pakte mis—en stortte in zee, waaruit hij nimmer weer verrees.Nu was er groote verwarring. »Man overboord!”—Weder een schot van het fregat,—weer een, nog een, elkander snel opvolgend. Om het lot van den drenkeling bekommerde zich niemand in de algemeenepaniek. Een kogel schoot het achterste hoofdtouw door; een andere ging dwars door de op dek staande boot. Het fregat zat ons klaarblijkelijk dicht op de hielen. Het volk liep naar omlaag, om hun kisten en kooien te halen; de kapitein stak mij de hand toe en zeide: »Mijnheer, ik geef mij aan u over, handel nu zooals gij meent te moeten doen.”»Thompson,” riep ik, »gooi den grooten schoot en den grooten bras aan lij los.” Zelf naar voren gaande, maakte ik de groote hals, en de achterboelijns los; de groote ra draaide daarop vierkant en het achtertuig tegen. Thompson greep daarop een brandende lantaarn en hield deze boven stuurboords-verschansing uit.Het fregat zeilde ons rakelings achterom, daarbij eene fraaie batterij vertoonende; ons toepraaiende, vroeg men wat schip wij waren.Ik antwoordde, dat het de Echte Yankee van Boston was, dat wij bijgedraaid lagen en ons overgaven.

De kaper heette de Echte Yankee. Zijne eerste bestemming was het eiland Tristan d’Acunha. Hier dacht hij een ander, aan dezelfde reeders toebehoorend, vaartuig te ontmoeten, dat hem vooruitgezeild was, toen het plan opkwam om tusschen de Kaap en Madagaskar te gaan kruisen, ten einde een paar der rijkgeladen thuis varende Oost-Indische schepen, die alleen reeds alle moeite en kosten van uitrusting zouden vergoed hebben, prijs te maken.

Zonder dat er iets belangrijks voorviel, bereikten wij genoemd eiland. Ik had met leedwezen opgemerkt, dat de tweede stuurman, Peleg Oswald geheeten, een norsch, woest en twistziek man was, en dat, hoewel de kapitein Peters en de eerste stuurman Methusalem Salomon mij steeds met onderscheiding behandelden,hijniet de minste welwillendheid voor mij aan den dag legde.

Zooals ik hierboven reeds heb aangeteekend, was kapitein Green, sedert hij bij ons was, in alle opzichten veranderd als het blad van een boom: den drank had hij geheel afgezworen, hij was door en door vroom geworden, en telkens wanneer er op den kaper onaangenaamheden voorkwamen of getwist en gevochten werd, was hij de scheidsrechter en vredemaker. Hij nam hierdoor den kapitein en opperstuurman eene zee van moeielijkheden uit de handen, en door zijn toedoen werd de toon, die aan boord heerschte, veel beter en er behoefde minder en ook niet zoo streng meer gestraft te worden. Het volk was opgeruimd en deed met lust zijn werk; en ware Peleg Oswald slechts niet aan boord geweest, dan zou er eene algemeen goede verstandhouding bestaan hebben.

Wij liepen op 15 December het eiland in ’t zicht, met het schoonste zomerweer, dat zich denken laat. Wij staken bij aan de noord- of bovenswinds-zijde van het eiland, nog ongeveer twee Eng. mijlen van de kust zijnde; dichter durfden wij niet naderen uit vrees voor de »rollers,” een verschijnsel dat angstwekkend grootsch is, op deze weinig bezochte plek. Omtrent dit zeer bijzondere natuurverschijnsel zijn verschillende gissingen gemaakt, maar eene voor mij voldoende uitlegging heb ik nooit kunnen krijgen, om de doodeenvoudige reden, dat dezelfde oorzaak dan ook dezelfde uitwerking zou moeten hebben op St. Helena, Ascension of elk ander eiland of landpunt aan eene bijzonder groote watervlakte liggende. Ik zal trachten eene beschrijving te geven van het gezicht, dat eene opeenvolging van rollers zou geven, wanneer, hetgeen wel eens voorkomt, een vaartuig daarin geraakt enop de kust wordt geworpen.

Het water is volkomen glad, zou men op het oog zeggen,—door geen zuchtje van den wind gerimpeld,—wanneer er plotseling uit het noorden een hooge golf komt aanrollen, doorschijnend, donkerblauw als ware het glas, eerst brekende zoodra hij op den wal stuit, als wanneer hij schuimend ineenstort met een donderend geluid en een onweerstaanbarehevigheid, die door kunst noch menschelijk vernuft kan weerstaan worden. Die golf wordt door andere gevolgd. Als daarin ankergrond te vinden was, zoude toch geen anker kunnen houden; maar er staat een negentig à honderd vadem water, en daarom zou een schip, dat er inkwam, zijn anker liet vallen en het noodige kabeltouw uit liet loopen, slechts één korten ruk gevoelen en daarna weer los zijn, of hield het bij zeldzaam toeval, dan zou de zee, tegenstand gevoelende, op den romp breken en het schip overstelpen. Dit was het ongelukkige lot, dat eene Engelsche oorlogskorvet overkwam, die nadat de commandant met zes man van boord was gegaan, in de rollers geraakte, op het strand sloeg en met man en muis verging. Alleen de commandant en de roeiers bleven behouden. Dit ongelukkige vaartuig ging verloren, niet uit onbekwaamheid of gebrek aan zeemanschap bij bevelhebber of equipage, want beiden waren uitstekend, maar door hunne onbekendheid met deze locale bijzonderheid, welke nergens anders, in die mate althans, wordt aangetroffen. Dicht naar den wal gedreven, vóór het lood grond raakte, liet men op het laatst nog drie zware ankers vallen; doch niets vermocht de kracht der »rollers” te weerstaan, die haar op het strand wierpen, waar zij bij de eerste aanraking middendoor brak, terwijl allen verdronken in het zicht van den hevig ontroerden commandant en zijne sloepsbemanning, die de lijken hunner ongelukkige scheepsmakkers, naar gelang zij door de zee aangespoeld werden, ter aarde bestelden.

Er bestaat nog eene andere vreemde bijzonderheid bij dit eiland: tot een heel eind de zee in, is de strandlijn omgroeid met een plant, waarvan, onder den naam vanFucus maximus, door kapitein Cook reeds melding is gemaakt. Zij groeit op eene diepte van zestig vademen en bereikt in één langen stengel de wateroppervlakte, van waar zij nog drie à vier honderd voet verder komt, met korte takken, die omtrent een voet uit elkander zijn. Zoo groeit dus in den stormachtigen oceaan eene plant, die langer is dan eenig dergelijkvoortbrengselop het vaste land en niet halen kunnen de getah-pertsja, noch waringinboom, waarvan enkele takken benedenwaarts groeien, een eigen wortel verkrijgen en geacht kunnen worden een afzonderlijke stam te zijn. De hierbedoelde zeeplanten bieden weerstand aan de vereenigde krachten van de machtigste elementen; tevergeefs worden zij gebeukt door wind en golven; hunne bladeren mengende op den waterspiegel,tarten zij den orkaan en diens geweldige kracht. De bladen groeien afwisselend verschillende kanten uit; en wanneer de wind de zee in beroering brengt, slaan zij naar elkander toe met een soort van klagend geluid, dat ons dubbel droefgeestig stemde in onzen gedrukten gemoedstoestand en bij de verlatenheid van het eiland. De bladen of spruiten dezer plant zijn zoo sterk en hebben zooveel drijfvermogen, dat geene boot er door kan komen, als zij wat dicht bij elkander gegroeid staan; eens beproefde ik met mijnen voet, wat zij wel dragen konden, en kreeg ik de overtuiging, dat iemand, van sneeuwschoenen gebruik makende, er overheen zou kunnen loopen.

Kapitein Peters noodigde mij vriendelijk uit hem naar den wal te vergezellen. Niet zonder moeite landden wij en wandelden naar de hut van een man, die hier op eigen verlangen achtergelaten was; hij had zijn gezin bij zich en noemde zich, evenals een zeker ander hoog personage op een eiland, dat noordwaarts van hier lag, de »Keizer.” Van de Kaap de Goede Hoop had men eene afdeeling Engelsche soldaten gezonden, om deze plaats in bezit te nemen, doch na een kort verblijf had men den post weer ingetrokken.

Zijne tegenwoordige keizerlijke majesteit had tijdens mijn bezoek eene donkerkleurige gemalin en verscheidene lichter bruine prinsen en prinsessen. In alle andere opzichten was hij een echte Robinson Crusoë; hij bezat eenige koeien en varkens; deze laatste zijn sterk op het eiland vermenigvuldigd. Huisgevogelte was er overvloedig, en een groot stuk grond had hij met aardappelen beplant, toenmaals de eenige plaats bezuiden de linie, waar deze vrucht behoorlijk groeide. Het land zelf is rijk en voor groote verbeteringen vatbaar; tal van stroomende beekjes bevorderen er de vruchtbaarheid.

Doch ook op deze afgelegen plek had onrust en oproer zich vertoond; de keizer had slechts één onderdaan, en deze Caliban had zich verstout, in rechtstreeksche schending van een keizerlijk voorschrift.... voor zijn middagmaal een vogel te dooden.

»Opstand,” zeide de vertoornde keizer, »is de telg des duivels, en ik ben vast besloten den misdadiger ten voorbeeld te stellen.”

Ik werd de bemiddelaar tusschen de twee van meening verschillende partijen en merkte zijne keizerlijke majesteit op, dat wat het stellen van een voorbeeld betrof, eene dergelijke gestrengheid niet veel nuttige uitwerking zou hebben, omdat zijne kinderen nog te jong waren omreeds verdorven te zijn; en te meer nog, daar zijne majesteit zijn bijbel zoo goed kende, zou hij wel weten, dat het hier plicht was om te vergeven. »Bovendien,” zeide ik, »komt het mij voor, dat hare majesteit de keizerin nog al gespierde armen heeft en op zijn tijd wel een handje mede zou kunnen helpen om eenige toekomstige handeling van verzet of ongehoorzaamheid te beletten of te bestraffen.” Ik vermoed echter, dat het zedelijke wetboek van zijne majesteit van dezelfde uitgaaf als het mijne was en dat de daarin voorkomende bepalingen overeenkomstig de eischen des tijds gewijzigd werden. Het moet bijzonder lastig voor hem geweest zijn dat hij niet onderhandelen kon met zijn eersten minister en zijn’ aarts-kanselier, dien hij op straffe des doods naar de andere zijde van het eiland had gebannen. Het vonnis was oorspronkelijk voor den tijd van zes maanden gewezen; maar dank zij mijne tusschenkomst werd de overtreder vergeven en weder in gunst aangenomen. Ik was er niet weinig trotsch op, wanneer ik terugblikte op dit staaltje van mijne macht als bemiddelaar, waardoor ik er waarschijnlijk in geslaagd was een burgeroorlog in zijne geboorte te smoren.

De keizer vertelde mij, dat er aan de oostzijde van het eiland een Amerikaansche walvischvaarder lag, bezig om walrustraan te laden; dat hij aldaar reeds zes weken ten anker lag en nu bijna vol was. Ikverzochthem mij de plaats aan te wijzen, waar het oorlogsschip vergaan was; hij bracht mij naar de plek, waar nog van de overblijfselen te vinden waren. Op de klippen lagen nog eenige wrakstukken, en niet ver van daar zag men een aardhoop, waarop een geschilderde plank als grafsteen geplaatst was. In ruwe letters en beknopte woorden stond daarop het lot van het schip en het aantal der slachtoffers vermeld; den inhoud van het grafschrift kan ik mij niet meer juist te binnen brengen, doch het hield in hoofdzaak in, dat aldaar het stoffelijk overschot rustte van een honderdtal zeelieden, zooals de Engelsche marine geen betere kon opleveren, en dat zij tot het laatste oogenblik hunnen plicht hadden betracht. Het was een treurig schouwspel, vooral voor een zeevarende, wien mogelijk reeds spoedig een dergelijk lot boven het hoofd kon hangen.

Wij vulden dien dag verscheidene watervaten en kwamen den volgenden dag daarmede geheel gereed. Daarop verzeilden wij naar de oostkust van het eiland, om dicht bij den walvischvaarder te ankeren,waarvan de kapitein ons in zijne boot een bezoek was komen brengen: ik trad met hem in gesprek en werd getroffen door eene opmerking, die hij maakte.

»Gij Engelschen kunt dan toch somtijds al heel raar handelen,” zeide hij; »gij zendt eene bende soldaten om te gaan leven op een eiland, waar men alleen aan matrozen wat hebben zou. Gij luistert naar al de praatjes, welke die rood-rokken u believen wijs te maken; (zij kunnen immers nergens aarden, waar zij verder dan een geweerschot afstands van eene kroeg zijn?); en omdat het hun niet bevalt, verlaat gij het eiland weer. Zoo’n soldaat is bijzonder op zijn eigen gemak gesteld, al toont hij weinig eerbied voor dat van anderen; en het was toch wel vooruit te zien, dat hij slecht rapporteeren zou over een eiland, waar geene vrouwen en geen rum te krijgen zijn, en hij dus zoowat met een gevangene gelijkstond. Nu, dat zou anders gegaan zijn, als broeder Jonathan dit eiland bezeten had; hij zou het zijne kosten hebben laten opbrengen; hij zou er de bemanningen van twee of drie walvischvaarders hebben neergezet, met hun vrouwen en heele familie en met al hun geriefelijkheden bij zich, met nog een partij boerenarbeiders om den grond te ontginnen en dan den heelen boel onder bevel van een officier gebracht hebben. Het eiland kan best op zichzelf staan, zooals gij wel zien kunt, en alles zou er goed gaan. Het is even gemakkelijk, zoo niet gemakkelijker om het eiland af te visschen van den wal uit, als van een schip. Breng uw traanketels en vaten maar het strand op en laat een paar dozijn goede walvischbooten hier achter, en het eiland zal een rente opleveren, na aftrek van al het geld, dat er aan ten koste is gelegd, want de walrussen hebben geene andere plaats om naar toe te gaan, hetzij om van huid te verwisselen in den herfst, hetzij om hunne jongen voort te brengen in het voorjaar. Het visschen en de andere diensten zouden zeer in den smaak der matrozen vallen, die, als zij verkozen, naar huis konden gaan in de schepen, welke de volle vaten traan kwamen weghalen en weer ledige kwamen aanbrengen.”

De kapitein keerde naar zijn schip terug, maar vergat, geloof ik, onzen kapitein de vereischte zeilaanwijzingen naar zijne ankerplaats op te geven. Wij liepen naar den oosthoek van het eiland en wilden juist ankeren, toen Peters, naar zijne meening wat te dicht op den walvischvaarder komende, nog iets verder wilde doorzeilen. Ik heb verzuimdop te merken, dat, toen wij den noord-oosthoek van het land rondden, de koelte aanwakkerde en in valwinden door de ravijnen kwam. Daarvoor hadden wij zeil geminderd, en toen wij nu dicht langs denwalvischvaarderkwamen, praaide men ons van daar toe; maar de harde wind belette ons te hooren, wat er geroepen werd; toen wij nu op den noodigen afstand waren, lieten wij het anker vallen.

Negentig vadem van den kabel liepen aan één stuk uit, vóór het schip optornde en op den wind zwaaide; en tot onze teleurstelling bemerkten wij over de bank, waar de ander zijn anker had laten vallen, heengeschoten te zijn, terwijl het onze nu in eene groote diepte lag; wij loodden althans negentien vaâm onder de kluis en slechts zeven vaâm onder den spiegel. Juist brak de maan door de wolken en hadden wij het genoegen te kunnen opmerken, dat wij minder dan vijftig ellen achter ons een rif hadden van steenen, waarvan de zwarte koppen boven water uitstaken.

Zeer bevreemde het ons, dat wij onder de stilten tusschen de windhorrels in, niettegenstaande de diepte, voor eene bocht van het zwaartouw lagen; doch omstreeks twee uren in den morgen brak onze kabel, door de scherpe klipsteenen doorgesneden. Dadelijk werd zeil gezet, maar wij zaten zoo dicht op de rotsen achter ons, dat zij met een steen te bewerpen waren; en wij dachten werkelijk, dat wij het einde van den kruistocht van de Echte Yankee bereikt hadden; doch dit werd niet bewaarheid, want het schip bleef behouden door dezelfde oorzaak, die onzen kabel in eene bocht had laten hangen. Wij bevonden, dat het de Fucus maximus was, die onzen ondergang verhinderde; ons anker was gevallen in dit onderzeesche bosch en was blijven hangen op de toppen der boomen; en zoo dik waren op deze hoogte takken en bladeren, dat zij ons weerhielden van te drijven en, toen de kabel gebroken was, ons op den wal geraken tegengingen. Wij verhaalden langzaam tusschen de planten uit en waren verheugd weer van die ellendige plaats vrij te zijn. Nu wensch ik dit kleine keizerrijk allen mogelijken voorspoed, maar hoop toch, dat mijn kwaad gesternte mij nimmer meer derwaarts moge voeren.

De arme Thompson was, welke moeite ik ook in zijn belang aanwendde, op grond van zijn vaste en onwankelbare trouw, steeds aan allerlei onaangename bejegeningen aan boord blootgesteld. Aan mij zou hij zelden hierover klagen; liever was hij zijn eigen rechter, door dengeen,die hem kwelde, dit op zachtzinnige wijze onder het oog te brengen (dergelijke wenken deelde hij nl. met zijne forsche vuisten tusschen de oogen of op den neus van zijn kwelgeest uit). Gewoonlijk bleef de zaak daarbij, want zijn karakter was zoo eenvoudig en goed, dat alle geschikte matrozen aan boord hem genegen waren. Op een nacht viel er een man overboord,—het weder was kalm en de brik liep weinig vaart; terwijl men bezig was de jol, die aan de hekdavits hing, te strijken, brak een van de haken daarvan en sloegen de vier man, die er in bezig waren, te water. Twee hunner konden niet zwemmen, en allen schreeuwden luidkeels om hulp, zoodra zij weer boven kwamen. Thompson, dit ziende, sprong als een Newfoundlandsche hond van boven neer, zwom eerst naar den zwaksten, dien hij naar de zorgkettingen van het roer bracht om zich daaraan op te houden, en vervolgens greep hij den tweeden, dien hij achter het schip bracht en een van daar afgevierd touw onder de armen bond. Op deze wijze voortgaande, gelukte het hem allen te redden. Twee van de vijf zouden zonder zijne tijdige tusschenkomst stellig gezonken zijn, want het vorderde eenigen tijd vóór er eene andere boot kon gestreken worden; terwijl de drie anderen erkenden, dat zij zonder hulp het schip wel niet zouden hebben kunnen bereiken.

Het gedrag van Thompson werd door iedereen aan boord zeer toegejuicht, en sommigen vroegen hem, hoe hij toch zijn leven wilde wagen voor menschen, die hem zoo slecht behandelden; hij zeide, dat zijne moeder en zijn bijbel hem geleerd hadden om zooveel mogelijk het goede te doen: en daar God hem een sterken arm had geschonken, hoopte hij dien altijd te zullen gebruiken ten behoeve van zijnen broeder in den nood.

Men zou nu denken, dat een daad als deze de herhaling van verdere beleedigingen zou voorkomen hebben; doch hoe meer Thompsons waarde door de Amerikanen werd opgemerkt, des te verlangender werden zij hem een der hunnen te zien worden. De tweede stuurman, dien ik reeds beschreven heb als een ruwen, brutalen kerel, klampte hem weer eens met de oude aanbieding aan, zeggende dat hij ongetwijfeld zijn fortuin zou maken met het nemen van twee, misschien wel drie buitengewone Oost-Indievaarders, wier ontmoeting zoo goed als zeker was.

Thompson keek den man open in het gelaat en zeide met zijn sterk Schotschen tongval: »Hebt gij niet gehoord, wat ik dien anderen dag aan uwen kapitein heb geantwoord?”

»Ja,” antwoordde Oswald, »maar dat noemen ze bij ons te lande maar kletspraatjes.”

»Maar zoo noemen zij dat in mijn land niet,” zeide de Schot, terwijl hij hem te gelijk zijn vuist zoo net en stevig in het linkeroog duwde, dat hij als een os neersloeg, een groot deel van het dek met zijn zware lichaam bedekkende.

De man stond op, bevond dat zijn gelaat hevig bloedde en zijn oog dicht was; doch in plaats van zelf wraak te nemen, liep hij naar den kapitein, om zich te beklagen. Verscheidenen van de Amerikanen, door haat of jaloezie gedreven, gingen met hem mede en vroegen met veel misbaar, dat de Engelschman gestraft zou worden voor het mishandelen van een der scheepsofficieren. Toen echter de zaak nauwkeurig onderzocht was geworden, moest de kapitein verklaren, dat de stuurman de eerste aanleiding had gegeven, in zooverre hij Thompson had willen verlokken, en dat hij van vroeger had kunnen weten, waaraan hij zich hierdoor blootstelde; dat hij (de kapitein) aan Thompson, toen hij die verklaring aflegde, toegegeven had gelijk te hebben en daardoor thans verplicht was hem naar alle wetten van gastvrijheid te beschermen, en zulks alleen reeds niet zou mogen verzuimen wegens de dankbaarheid, die hij hem schuldig was voor het redden van het leven zijner landgenooten.

Het volk nam hiermede geen genoegen; luide bleven zij straf eischen, en erontstondeen geregeld oproer door den tweeden stuurman aangestookt. Er was echter aan boord ook eene andere partij, die zeer sterk was en niet in eene stemming om een Engelschman op zulke onwaardige wijze te zien behandelen. Wat voor landslieden dat waren, is gemakkelijk te begrijpen. De twist liep hoog, en ik begon daarvan ernstige gevolgen te vreezen, toen ik toevallig over bakboordsverschansing kijkende, een zeil zag en hiervan den kapitein kennis gaf. Dadelijk praaide hij den uitkijk in top toe; doch de uitkijk in top had zooveel belang gesteld in hetgeen er aan dek voorviel, dat hij zich in de mars had laten zakken, om beter toe te luisteren.

»Ziet gij dat schip niet aan bakboord?” vroeg de kapitein.

»Ja wel, sir,” zeide de man.

»En waarom geeft ge er dan geen bericht van?”

De man wist, om een goede reden, daarop geen antwoord te geven.

»Kom af!” beval de kapitein; »Salomon laat hem aflossen; wij zullen je eens een beetje Yankee-discipline laten zien.”

Voordat wij echter het onderzoek in dit misdrijf en de daarop gevolgde bestraffing behandelen, moeten wij den blik wenden naar het zeil, dat elke vijf minuten zichtbaar hooger en hooger boven de kim kwam. De kaper zeilde op dit oogenblik om de noordoost, onder mars- en bramzeilen, fok en kluiver, met eene gladde koelte en kalm water.

»Mijnheer de luitenant,” zeide de kapitein, »waar ziet gij hem voor aan?”

»Ik denk,” antwoordde ik, »dat het een van die extra Oost-Indievaarders is; en als gij hem meent te praaien, zou ik er onder klein zeil op aan sturen; waardoor gij tegen zonsondergang zoo nabij kunt zijn, dat gij, als hij u mocht willen ontloopen, met uwe betere bezeildheid, hem den ganschen nacht in ’t zicht kunt houden.”

»Ik geloof, dat gij daarin niet ver mis zijt,” zeide de kapitein.

»Ik geloof, dat er geen woord van waar is,” zeide de eerste stuurman, die juist uit den grooten top kwam, waar hij het laatste kwartier had doorgebracht met een scherpen uitkijk en het bestudeeren van den snit der zeilen van het vreemde vaartuig. »Als ik ooit van m’n leven een schip van hout en zeilen gezien heb, dan is dat een van John Bull’s vervloekte levenmakers, en nog wel minstens een vier-en-veertiger.”

»Wat antwoordt gij daarop, mijnheer de luitenant?” vroeg de kapitein.

»O, wat dat aanbelangt,” viel de stuurman in, »is het niet te verwachten, dat hij ons het ware zal zeggen.”

»Zeker omdat gij het in mijne plaats niet doen zoudt,” antwoordde ik.

»Juist,” hernam de stuurman.

En werkelijk moet ik bekennen, dat ik geen bijzonder verlangen had om nog eenige maanden met dit schip te blijven kruisen en nog eens, tot aanvulling van den watervoorraad, naar Tristan d’Acunha terug te moeten. Toen ik mijne meening kenbaar maakte, had ik mijn best niet gedaan om bijzonder scherp uit te kijken; maar toen ik het schip hard zag opzetten, ofschoon wij in bijna gelijke richting stuurden, overtuigde ik mij weldra, dat ik spoedig vrij en op mijne terugreis naar Engeland zijn zou, waar zich al mijn geluk en al mijne hoop bevond.

De eerste stuurman keek nog eens nauwkeurig,—de kapitein volgde zijn voorbeeld; toen zagen zij elkander aan en kwamen overeen, dat het hier het begin van het einde was.

»Het is mis, sir,” zeide de stuurman, »en alles de schuld van dienvervloekten overlooper, die door u op de rol is geplaatst. Maar, zal ik hem niet eens achteruit laten komen, om hem op een geregelde wijze zijn ontslag te geven?”

»Allereerst,” zeide de kapitein, »is het zaak om te beproeven, hoe hard wij op den loop kunnen gaan. Wij plachten nog al uit den weg te kunnen komen, en nog nooit heb ik de gekoperde slang gezien, die ons wist te bereiken. Breng de bovenbramzeils op, voer de spieren uit, laat de lijzeilen aanslaan—en afhouden tot de wind een paar streken achterlijker dan dwars is: zóó loopt hij het beste; en ik houd het er voor, dat wij gedurende den nacht dien duivel uit het oude moederland nog wel kunnen ontgaan.”

Ik zweeg, maar keek oplettend naar de werkzaamheden. Het schip was zeer goed bemand en het zeil zetten ging zeer vlug.

»Laat loggen!” beval de kapitein.

Dit geschiedde, en het schip bleek negen mijlen te loopen.

»Hoeveel denkt gij dat gindsch fregat beloopt?” vroeg mij de kapitein.

»Ik houd er voor, dat hij wel elf mijlen zal halen; en daar hij nu zes mijlen achteruit is, zal het geen vier uren duren vóór hij binnen kanonschotsafstand is.”

»Nu, een deel van dien tijd zullen wij besteden aan het betalen van onze schuld van dankbaarheid voor het voorrecht. Mr. Salomon, laat dien schurk zonder vaderland aan het groot want binden en roep een paar van je hongerigste katten (cats) op. Waar is Dirk Twist, die bootsmansmaat geweest is op de Statira; en die roodharige kerel, och je weet wel, die in de Rappa-banock van de Maidstone weggezwommen is?”

»Gij meent zeker rooden Sam?—Roep Sam Gall hier!”

De twee handlangers kwamen spoedig opdagen, elk van zijn folterwerktuig voorzien; en ik moet zeggen, dat deze er niet zachtzinniger uitzagen, dan al wat ik voor gelijke doeleinden aan boord bij overste G—— had zien gebruiken. De schuldige werd nu vóórgebracht en bleek, tot mijne verbazing, dezelfde te zijn, die door Thompson, toen wij pas in de boot waren overgestapt, wegens muiterij overboord gesmeten was. Ik kan niet zeggen, dat ik eenig leed gevoelde noch over de aanleiding, noch over het resultaat van de woordenwisseling van heden.

»Bind hem vast,” beval de kapitein; »gij zijt op uw geregelde dienstbeurtvoor uitkijk naar top gestuurd; in het waarnemen van dien plicht zijt gij te kort geschoten; vóórdat nu mijn gezag ophoudt, zal ik u een Yankee-stukje vertoonen.”

»Ik ben een Engelschman,” zeide de man, »en ik beroep mij op mijnen officier voor bescherming.”

De kapitein zag mij aan.

»Als ik die officier ben, dien gij bedoelt,” zeide ik, »dan erken ik u niet. Gij hebt uwe trouw afgezworen, toen het in uw kraam te pas kwam, en nu wilt gij uw vorige verbintenis weder aanvoeren, om een straf te ontloopen, die gij ruimschoots verdiend hebt.Ikzal zeker niet ten uwen behoeve tusschenbeide komen.”

»Ik ben in de Earlstreet geboren,” riep de Londenaar,—»mijne moeder houdt daar een penswinkel,—ik ben een echte Brit, en gij hebt geen recht mij te slaan.”

»Gisteren nog waart gij een Yankee-matroos van Nieuw Londen en vandaag zijt gij een pensverkooper van Oud Londen; ik geloof niet ver mis te zijn met u een schurk zonder vaderland te noemen. Maar over het recht zullen wij later wel spreken,” zeide de kapitein; »en nu Dick, begin maar.”

Twist gehoorzaamde aan de opdracht met de noodige handigheid; toen hij den gevangene drie dozijn toegediend had, van een gehalte waarvoor mijn vriend de Hercules van Farnese op de brik zich niet had behoeven te schamen, werd Sam Gall verzocht om daarmede voort te gaan. Sam kweet zichà merveillevan een gelijk aantal; en de gevangene, die het noodige misbaar gemaakt had, werd nu losgelaten. Onwillekeurig maakte ik de opmerking, hoe rechtvaardig het was, dat deze kapitein zijn schip verspeelde, door eerst toe te laten, dat men een man verleidde om zijn woord ontrouw te worden, en daarna in dienzelfden man vertrouwen te stellen.

»Laat ons nu een oog op de jacht houden,” zeide de kapitein. »Wel verbazend, hij komt hard opzetten. Ik zie met het stampen den boegspriet al boven water; voor een half uur zag ik nog pas de fokkera. Hak de jol van achteren weg, Salomon.”

De eerste stuurman nam een korte bijl en met één houw bij het einde van elken davit, hakte hij het vaste deel van de takels door; en de jol viel te water.

»Nu deze twee achterste stukken de poorten uit,” beval de kapitein;»wij hebben te veel diepgang achter, en voor de verdediging zullen wij ze best kunnen missen, want het is een heele baas, dien wij hier achter ons hebben.”

Binnen weinige minuten waren de kanonnen uit de voeten; en in het daarop volgende half uur, won de vijand slechts weinig. Het was nu ’s namiddags half vier; de Yankees gevoelden hunnen moed herleven; en de tweede stuurman herinnerde den kapitein, dat zijn blauw oog nog niet bij het groot want was verrekend geworden.

»Dat zal ook niet gebeuren,” zeide de kapitein, »zoolang ik het bevel voer over de Echte Yankee; zooals het is, is het billijk; niemand zal worden gestraft omdat hij zich behoorlijk verdedigd heeft na waarschuwing. Thompson, kom hier en blijf achteruit.”

De man was juist bezig die order te gehoorzamen, toen hij werd aangegrepen door zes of acht van de ruwste klanten, die begonnen met hem zijn baaitje van het lijf te trekken.

»Laat los, jongens!” riepen Twist en Gall in één adem. »Het kan ons niet schelen om zoo’n vent als dien penskerel een pak te geven; maar Thompson zal hier in het schip geen haar gekrenkt worden. Hij is een der onzen;op-en-topeen zeeman, en vóór gij hem aanraakt, hebt gij met ons en nog vijftig anderen te doen; want ik ben verd... als wij niet met den tweeden stuurman gaan loggen en dan bijdraaien, tot het fregat ons op zijde komt.”

De oproermakers stonden een oogenblik verlegen; maar de tweede stuurman sprong op een stuk en riep luid: »Wie is er op onze hand? Zijn jelui voornemens je door die Engelschen op den kop te laten zitten?”

»Ja zeker,” riep ik er tusschen in, »als gij het doen van gerechtigheid »op den kop zitten” noemt. Gij loopt veel gevaar, en ik waarschuw u. Ik zie juist hoe sterk degenen zijn, die zich Amerikanen noemen; en ofschoon ik de laatste ter wereld ben om mijn zegel te hechten aan een daad van verraad, door het schip bij te draaien, waarschuw ik u toch voorzichtig te zijn met het tergen van den bulhond, die alleen van zijns meesters ketting losgebroken is »voor een uitstapje,” doch nu gereed om naar hem terug te keeren. Ik ben uw gast en daarom uw trouwe vriend; span uwe uiterste krachten in, om aan uwen vijand te ontkomen. Ik weet wat die is, want ik ken hem; en als ik mij niet vergis, dan zult ge, met alle moeite, die ge u nog geeft,nauwelijks tijd hebben, om uw boeltje bij elkaar te pakken; want houd u verzekerd, dat gij geen twaalf uren meer onder uw eigen vlag zult varen.”

Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De kapitein, kapitein Green en Salomon liepen achteruit en zagen tot hunne ontsteltenis reeds duidelijk de waterlijn van het vervolgende fregat.

»Wat kunnen wij nu doen?” zeide de kapitein. »Op deze wijze heeft hij weer op ons gewonnen, terwijl al het volk achteruit was geloopen voor die helsche twist. Zet nog twee van de achterste kanonnen overboord.”

Ook deze order werd met dezelfde vlugheid ten uitvoer gebracht, doch niet met hetzelfde succes bekroond. De kapitein begon nu te bemerken,—wat ik al lang had ingezien,—dat hij door de jol van den achtersteven los te hakken, die dus met zijn gewicht aan het uiterste eind van het schip hing, (evenals het lood aan een unster werkende), goed had gedaan; verder had hij het schip nog meer verlicht door die twee achterste kanonnen op te offeren. Maar hierbij had het moeten blijven; de uitwerking van het overboord werpen der twee volgende stukken was bepaald nadeelig. Het schip stak nu den neus te diep; het achterschip was te hoog uit het water; het stuurde nu wild en verminderde opvallend van vaart.

»Kap de boegankers weg,” beval de kapitein. De sjorrings werden doorgehakt en de ankers vielen weg; dadelijk hief de brik zijn kop wat hooger en bereikte zijn vroegere vaart; toch had de vijand intusschen belangrijk op ons gewonnen. De kapitein en zijn volk stelden alleen hun hoop op de duisternis; en naarmate deze inviel, werd ik ontmoedigd, want ik begon mij ongerust te maken, dat wij nog zouden ontkomen. Reeds was de zon eenigen tijd beneden de kim; de wolk van zeildoek, die achter ons aankwam, werd minder duidelijk en verdween ten laatste in een donkere bui: in de eerste twee uren zagen wij er niets meer van.

Ik wandelde met Green en den kapitein het dek op en neer. De laatste scheen volstrekt niet op zijn gemak: hij had gehoopt deze reis zijn fortuin te maken en dan de vermoeienissen en zorgen van het zeeleven vaarwel te zeggen en zich terug te trekken in een of anderen gezelligen hoek van de westelijke nederzettingen, waar hij eene kleine hoeve kon ontginnen, en verder een eerlijk leven leiden: »want dit leven”, zoosprak hij, »is, ik durf het gerust te zeggen, eigenlijk niet veel anders dan rooverij.”

Of deze proeve van zedelijkheid bij den kapitein, nu het gevolg was van het oogenblikkelijke gevaar, waarin hij verkeerde, mag ik niet uitmaken. Ik weet alleen, dat de lezer, als hij zich de moeite getroosten wil enkele bladzijden uit mijne levensgeschiedenis terug te slaan, mij bij verschillende gelegenheden daarin ook dikwijls in soortgelijke stemming zal aantreffen.

De twee kapiteins en de eerste stuurman zonderden zich nu af en lieten mij over aan mijne overpeinzingen, vlak vóór het groot want, over bakboordsverschansing geleund. De beraadslaging scheen nog al gewichtig te zijn en liep, zooals ik later vernam, over den koers die gestuurd moest worden, nu er zoo groote kans bestond, dat wij door den vervolger uit het zicht waren verloren. Al mijne hoop op verlossing vervloog, wanneer ik hunnen kant uitzag, en in mijn geest was ik er reeds op voorbereid om mede naar New-York te gaan.

Op dit oogenblik kwam een matroos achter mij staan, kwansuis om den bramschoot vóór te halen; en terwijl hij met een soort van »yeo-ho” aan het touw ging hangen, fluisterde hij mij in het oor: »Als gij wilt, kunt gij kapitein van de brik worden. Wij zijn met z’n vijftigen Engelschen, wij zullen bijdraaien en een lantaarn hijschen, als gij er een woord toe zegt en ons pardon bezorgt.”

Ik deed eerst alsof ik het niet hoorde, doch mij omkeerende, zag ik Mr. Twist.

»Zwijg, schurk!” antwoordde ik, »meent ge eene daad van verraad weer door eene andere goed te maken? En durft gij het wagen een smet te werpen op de eer van een zeeofficier, door zoo’n schandelijk voorstel? Ga dadelijk, waar gij behoort te zijn, en waardeer het, dat ik hiervan tegen den kapitein zwijg, die volkomen gerechtigd zou zijn, u overboord te werpen,—een lot dat gij, door uwe aaneenschakeling van misdrijven, volkomen zoudt verdienen.”

De man droop af, en ik begaf mij naar den kapitein, wien ik, zonder naam te noemen, vertelde wat mij overkomen was, hem aanmanende om tegen verraad op zijne hoede te zijn.

»Uw gedrag, mijnheer,” zeide de kapitein, »is, zooals ik van een Engelsch zee-officier verwacht zou hebben; en daar gij zoo eervol gehandeld hebt, wil ik u wel vertellen, dat het mijn plan is om zeil teminderen tot de marszeils en den fok en scherp bij den wind op te steken in de richting van die donkere bui dáár in het zuiden.”

»Zooals gij wilt,” zeide ik; »gij zult mij wel verschoonen van het geven van advies, en eveneens zoudt gij mij niet gelooven willen, als ik u een goeden uitslag toewenschte; doch maak er staat op, dat ik met alle macht elke oneerlijke poging om u het bevel te ontnemen, zal tegengaan.”

»Ik dank u, mijnheer,” zeide de kapitein op treurigen toon; en zonder verder met woorden nog tijd te verspillen, commandeerde hij op zachten, doch fermen toon. »Strijk en gei op de bovenbramzeils en bramzeils, vier op de lij-zeilvallen en buitenschooten!”

Met een spoed, die zelfs mij, gewend aan de manoeuvres op goed geoefende oorlogsschepen, ten hoogste verbaasde, werden al die lichte zeilen weg- en ingenomen. Er gebeurde echter een misslag bij: het onderlijzeil werd wel afgevierd en opgegeid, doch niet binnen boord gehaald en bleef een tijdlang onder de fokkerust naast het schip medegesleept, vóór men er een der stuurlieden kennis van gaf.

»Haal door de bakboordsbrassen, scherp bij den wind brassen, bakboord het roer, laat hem oploeven, kwartiermeester.”

»Bakboord ligt hij, sir,” zeide de man aan het roer, en het schip loefde aan den wind, doch zeer langzaam, hoewel er een groot zeil en brikzeil bij stond en de kluiverschoot afgevierd was.

»Ik geloof, dat wij hen nu beethebben op het laatst,” zeide de kapitein. »Wat denkt gij er van, heer luitenant?” mij daarbij een hartelijken, welgemeenden tik op den rug gevende. »Kom wat zegt gij, willen wij eens een lekkere flesch drinken, na de vermoeienissen van den dag?”

»Wacht een oogenblik,” zeide ik, »wacht nog een oogenblik.”

»Waar kijkt gij zoo heen, daar te loefwaart?” vroeg de kapitein, die opmerkte, dat ik steeds op eenzelfde punt bleef staren.

Vóór ik tijd had om antwoord te geven, kwam Thompson naar mij toe, en terwijl hij wees naar hetzelfde punt, waarop ik mijn oog gericht had, zeide hij: »Daar is het schip mijnheer.” De kapitein hoorde dit; en daar vrees scherpzinnig maakt, zag ook hij dadelijk wat onze aandacht had getrokken.

»Op verder ontloopen is nu niet veel kans,” zeide hij; »wij hebben het vàn den wind beproefd, dat voor ons altijd de beste gelegenheidwas: toen heeft hij ons geklopt; en bij den wind was het voor ons nooit bijzonder gunstig, maar toch is het verwonderlijk zoo slecht als wij nu loopen; met dit gladde water en dit mooie briesje, moest het veel beter zijn. Salomon, zie eens rond, er moet iets zijn, dat verkeerd is en ons in de vaart hindert.”

Salomon ging aan stuurboordszijde naar voren, maar zag niets. Toen hij echter, den bak rondloopende, aan lij over den boeg en later over de verschansing naar buiten boord keek, zag hij zeildoek uit de fokkerust afhangen. »Wat is dat?” vroeg hij. Niemand gaf antwoord. Hij sprong op de verschansing, om beter te zien, en vond het heele onderlijzeil te water hangende en medegesleept.

»Geen wonder, dat hij niet loopt,” zeide de stuurman, »dat houdt me nog al geen klein beetje tegen. Wie heeft het onderlijzeil moeten bergen?—Maar enfin, dat zullen wij later wel uitmaken. Komt hier, jelui gasten.”

Enkelen van de Amerikanen kwamen nu op zijn geroep, doch niet bijzonder gewillig. Het was niet gemakkelijk om met de vaart, die het schip had, het nu doornatte zeil binnen boord te palmen; en terwijl zij daarop hunne krachten verspilden, zag men te loefwaart het licht van een kanonschot flikkeren; en vóór de dreun in onze ooren kwam, floot ons een kogel boven de hoofden en schoot als een bliksemstraal door het brikzeil heen.

»Hoera voor Oud-Engeland!” zeide Thompson. »De knaap, die dat schot gedaan heeft, krijgt morgen mijn oorlam.”

»Houd je b.k, verd..... Engelsche schurk,” viel de tweede stuurman in, »of ik zal je voor goed den drank verleeren.”

»Ik denk niet, dat gij dit doen zult,” zeide de Schot, »en als gij nog voor vriendschappelijken raad vatbaar zijt, zou ik het maar niet beproeven.” Thompson stond op dit oogenblik op een achterluik; de boosaardige stuurman sprong op hem toe en greep hem in den kraag. Thompson scheurde zich in een ommezien los en gaf met de rechtervuist den ander een stomp in de maagholte, waarmede hij naar de lij vloog. Hij viel,—kwam bij den boomschoot te land,—wilde dien grijpen, pakte mis—en stortte in zee, waaruit hij nimmer weer verrees.

Nu was er groote verwarring. »Man overboord!”—Weder een schot van het fregat,—weer een, nog een, elkander snel opvolgend. Om het lot van den drenkeling bekommerde zich niemand in de algemeenepaniek. Een kogel schoot het achterste hoofdtouw door; een andere ging dwars door de op dek staande boot. Het fregat zat ons klaarblijkelijk dicht op de hielen. Het volk liep naar omlaag, om hun kisten en kooien te halen; de kapitein stak mij de hand toe en zeide: »Mijnheer, ik geef mij aan u over, handel nu zooals gij meent te moeten doen.”

»Thompson,” riep ik, »gooi den grooten schoot en den grooten bras aan lij los.” Zelf naar voren gaande, maakte ik de groote hals, en de achterboelijns los; de groote ra draaide daarop vierkant en het achtertuig tegen. Thompson greep daarop een brandende lantaarn en hield deze boven stuurboords-verschansing uit.

Het fregat zeilde ons rakelings achterom, daarbij eene fraaie batterij vertoonende; ons toepraaiende, vroeg men wat schip wij waren.

Ik antwoordde, dat het de Echte Yankee van Boston was, dat wij bijgedraaid lagen en ons overgaven.

Twintigste hoofdstuk.Het fregat stak dadelijk, onder onze lij, bij den wind op, en binnen een paar minuten kwam er eene sloep bij ons op zijde. De officier, die daarin medegekomen was, om ons schip in bezit te nemen, sprong vlug naar boven en was dadelijk op het dek. Daar ontving ik hem, legde met een paar woorden uit, wat voor soort van schip het was, en stelde hem den kapitein en Green voor, welke beiden ik hem bijzonder aanbeval voor de vriendelijkheid, die zij mij betoond hadden. Daarop noodigde ik hem uit mij omlaag naar de kajuit te willen vergezellen, terwijl de adelborst, die met hem mede was gekomen, op dek bleef en den last ontving het grootzeil te laten dichtgeien en alles zooveel mogelijk te doen opruimen. De bemanning kreeg order om hun goed bijeen te pakken en zich gereed te houden binnen een uur het schip te verlaten.Toen er in de kajuit licht werd ontstoken, herkenden de luitenant en ik elkander onmiddellijk.»Wel, goede hemel, Frank,” zeide hij, »hoe komt gij hier?”»Om u dit uit te leggen,” zeide ik, »zouden wij morgenochtend nog niet gereed zijn; maar vertel mij eens welk schip is het, dat den Yankee genomen heeft? Is het niet de R——; en wat is mijn vriend Talbot daar aan boord?”»Het fregat,” antwoordde hij, »is de R——, zooals gij geraden hebt. Wij behooren tot het station aan de Kaap. Ik ben eerste officier en hier met bevordering heengezonden voor de Rochefort-geschiedenis.”»Dat is toch hard,” zeide ik, »dat gij zoo lang hebt moeten wachten op iets wat gij zoo eerlijk verdiend hadt; maar kom, wij hebben druk werk. Laat ons naar het volk gaan zien, en als gij nu naar boord terug wilt gaan, met u medenemende den kapitein, den stuurman en een deel der manschappen, waarvoor ik de woeligsten en onverschilligsten zal uitzoeken, zal ik wel hier blijven en den prijs in gereedheid brengen om met het aanbreken van den dag door te zeilen, en dan,—als kolonel F—— het goedvindt,—zal ik mijne opwachting bij hem komen maken.”Dit kwamen wij overeen. De matrozen, die ik aanwees, gingen de sloep in, terwijl vier van de roeiers aan boord van de brik overkwamen om mij te helpen. Spoedig brachten wij alles op orde, om gereed te zijn voor al wat men van ons mocht verlangen. Intusschen kwam er eene andere sloep met eene versche bemanning en die weer een twintigtal gevangenen zou afhalen; en de adelborst, die mede kwam, bracht de beleefde boodschap van den commandant over, die weten liet, dat het hem verheugde, dat de prijs in zulke goede handen was, en dat hij zich aanbevolen hield voor mijn gezelschap aan het ontbijt te acht uren; verder verzocht hij, dat, als ik klaar was om door te zeilen, ik zulks zoude seinen met twee lantaarns naast elkander in het groot want, en dat wij van dat oogenblik af zouden opsteken tot noord, met volle zeilen.Tegen vier uren waren wij zoover, gaven het afgesproken sein en hielden ons te loefwaart van het fregat. Ik ging een paar uren liggen, liet mij te zes uren wekken, kleedde mij aan en was tegen half acht uren gereed mij naar boord te begeven. Ik hoorde daar aan boord weder de trom en het gefluit,—na de liefelijke stem van Emilia het heerlijkste geluid, dat mijne ooren kon streelen. De tranen kwamen mij in de oogen, van blijdschap omdat ik mij weder onder de bescherming van onze geliefde vlag bevond. Het fregat loefde op, aan den wind; spoedigdaarop werd de giek gestreken en gezonden om mij af te halen; een schoon wit dekkleed was achterin gespreid; de roeiers waren gekleed in een net wit kostuum, met stroohoeden op en zeildoeksche schoenen aan. Zonder uitstel nam ik in de giek plaats en mijn hart klopte van verrukking, toen ik aan boord van het fregat stapte en de bootsmansmaat ter mijner eere valreepsgasten floot.Ik werd door den commandant en de officieren met alle bij dergelijke gelegenheid passende vriendelijkheid en belangstelling ontvangen. De eerste deed mij honderden vragen, en de officieren en adelborsten kwamen allen om mij heen staan om, mijne antwoorden te vernemen. Ook de equipage was zeer benieuwd om onze geschiedenis te hooren, en ik verzocht den commandant de giek nog een keer over te zenden, om Thompson af te halen, die mij dan zou kunnen helpen in het voldoen aan de algemeene nieuwsgierigheid. Dit gebeurde, en de flinke, trouwe kerel kwam aan boord. De eerste vraag, die hij deed was: »Wie deed het eerste schot op den prijs?”»Dat was Mr. Spears, de eerste luitenant van de mariniers,” antwoordde een van het volk.»Dan krijgt Mr. Spears mijn oorlam voor vandaag,” zeide Thompson; »want dat heb ik van nacht gezegd en ik houd altijd woord.”»Daar durf ik op zweren,” zeide kapitein Peters van den kaper: »ik heb menschen gekend met goede beginselen, en gij zijt een daarvan; en ik heb lieden gekend van slechte beginselen, en daarvan was hij er een, dien gij gisterenavond om zijne afrekening gezonden hebt; en dat was een gelukkige inval van u, want zoo zeker als gij daar staat, zou die man het op uwen dood hebben toegelegd, hetzij met behulp van een mes, hetzij door middel van water of door vergif. Ik heb nooit iemand gekend of van iemand gehoord, die straffeloos Peleg Oswald geslagen of beleedigd had. Hij was van Kentucky of van Ohio afkomstig,—een gewezen squatter,—doch had eens twee man met zijn geweer doodgeschoten, omdat zij geweigerd hadden een stuk grond met hem te ruilen. Van een derden had hij eens een oog uitgeslagen om een zeer onbeduidend verschil van meening. Om deze handelingen had hij het land moeten verlaten; want niet alleen werd hij gerechtelijk vervolgd, maar de man, die zijn eene oog kwijt was geraakt, keek met het andere des te scherper naar hem uit, en Peleg zou geëindigd zijn met een geweerkogel in zijn oor te krijgen, als hij niet oostwaarts gevluchtwas en teruggekeerd naar de zee, waarvoor hij eerst opgeleid was. Ik hoorde zijne geschiedenis eerst lang, nadat wij samen op een schip waren. Hij zou zeker ter dood zijn veroordeeld; maar daar hij eenig buitgeld bij elkaar had, wist hij zijne vervolgers af te koopen. Het was mijn stellig voornemen hem bij een volgende kruistocht achter te laten, indien het God behaagd had mij behouden t’huis te brengen.”Terwijl Peters deze korte levensgeschiedenis van zijn verdwenen stuurman vertelde, werd bericht, dat het ontbijt voor den commandant gereed stond, en ontvingen de beide Amerikaansche kapiteins de uitnoodiging om daarvan gebruik te komen maken. Toen wij de achterste halfdekstrap afgingen, konden Peters en Green niet nalaten een blik van bewondering te werpen op het schoone en helderwitte dek, de keurig onderhouden batterij en de volmaakte vereeniging van het nuttige met het sierlijke, zoo onnavolgbaar als men dit dikwijls aan boord onzer oorlogsschepen vermengd vindt. Niets overtrof de zindelijkheid, overvloed, gulheid en vroolijkheid aan den disch van den commandant.Het gesprek liep over den aard, de eigenschappen en het aantal manschappen op den kaper. »Het zijn allen zeelieden,” zeide Peters, »met uitzondering van de tien zwarten.”»Eenigen hunner zijn toch Engelschen, zou ik denken”, zeide ik.»Ik mag niet uit de school klappen,” zeide de geslepen Amerikaan; »het is moeielijk om altijd te weten of een man, die dikwijls in de beide landen geweest is, geboortig is van Boston in Lincolnshire, of van Boston in Massachusetts; en misschien weten zij het zelven niet eens altijd. Wij doen nooit veel navraag, wanneer een matroos bij ons zijne diensten aanbiedt.”»Gij hebt een groot aantal van onze zeelui in dienst, zoowel bij de marine als bij de koopvaardij,” zeide onze commandant.»Ja,” zeide Green, »en er is geen gevaar, dat wij er te kort zullen komen, daar gij voor ons prest.”»Wijvoor u pressen?” vroeg kolonel F——; »hoe meent gij dat?”»Uwe presgangen,” zeide de Amerikaan, »bezorgen ons het volk. Uwe zeelieden willen dat niet verdragen; en, maak daar staat op, voor elke twee man, die gij met geweld neemt, krijgen wij er één vrijwillig.”Peters sprak deze opvatting met heftigheid tegen en scheen zeer boos op Green om het afleggen van die verklaring.»Er is geen twijfel aan,” hernam Green; »ik weet precies, hoe onzeoorlogs- en koopvaardijschepen bemand zijn. Ik durf er op zweren, dat meer dan twee derden van de Engelsche marine gedeserteerd zijn, omdat zij daar geprest waren. Och, gij hebt het mij immers zelf verklaard, Peters;—zie maar eens naar uwe eigene bemanning.”Peters kon nu niet langer tegenspreken; hij voer woedend tegen Green uit en zeide, dat hij losgelaten had, wat nooit aan een Engelsch officier had moeten erkend worden; dat het waar was; dat Amerika op ons stelsel van pressen als het plechtanker van zijne zeevaart nederzag; maar dat het hem leed deed, dat dit gewichtige geheim door een Amerikaan bekend was gemaakt.»Wat mij betreft,” hervatte Green, »ik heb zooveel verplichting aan dezen wakkeren, jongen Engelschman voor de mij bewezen goedheid, dat ik ten eeuwigen dage de vriend van hem en zijn land ben geworden en gezworen heb nooit tegen Groot-Brittanje de wapens op te vatten, tenzij tot wering van een inval in mijn eigen land.”Het ontbijt was afgeloopen, en wij gingen allen naar het dek; het schip en zijn prijs lagen bijgedraaid; alle hens werd opgefloten, de sloepen werden gestreken, de rest van de gevangenen werd met hun goed van de brik afgehaald, en toen zij aan boord waren, werd de geheele bemanning, van den kaper afkomstig, op het halfdek geroepen, ondervraagd en voor een deel herkend als Engelschen.Toen zij berispt werden en het schandelijke van hun gedrag hun voor oogen werd gehouden, verklaarden zij, dat door hun toedoen de kaper genomen was, want dat zij met opzet het lijzeil te water hadden laten slepen, waardoor het schip in zijn vaart was tegengehouden.Kapitein Peters zag verbaasd op van deze bekentenis; en de commandant van het fregat betoogde toen, dat zoodanig gedrag juist te verwachten was van een verrader van zijn land. Zich toen naar de gevangenen keerende, sprak hij: »De schandelijkheid van uw eerste misdrijf kon moeielijk vergroot worden; doch uw verraad aan het nieuwe gouvernement, waaronder gij dienst hebt genomen, maakt u onwaardig den naam van mannen te dragen. Ook hebt gij niet het minste recht u te beroepen op uw ellendig aandeel in het overgeven van den prijs, daar wij geen oogenblik van den aanvang der jacht af daarvan zicht verloren hebben, terwijl wij, zoodra hij ging opsteken, zeker wisten, dat hij in onze macht was.”De mannen lieten hun hoofd hangen, en toen zij vergunning haddengekregen om naar omlaag te gaan, was er niemand van de fregats-equipage die hen aan zijn bak wilde ontvangen; maar de werkelijke Amerikanen werden zeer vriendelijk behandeld.Wij richtten nu koers naar de Simons-baai, waar wij juist eene week na de prijsmaking aankwamen.De admiraal van het station weigerde de zaak der gevangenen voor een zeekrijgsraad te laten behandelen; hij oordeelde, dat het hier eene politieke aangelegenheid gold, en was voornemens hen naar Engeland op te zenden, waar de lords der admiraliteit wel over hen zouden beschikken.De echte Yankee werd aan het vice-admiraliteitshof aan de Kaapstad aangegeven, veroordeeld als wettige buit en voor den dienst aangekocht. Aangezien hij in zijne soort een prachtig vaartuig was, behaagde het den admiraal te zeggen, dat, daar ik het zoo bijzonder ongelukkig getroffen had, hij mij als luitenant er het bevel van zou opdragen en voornemens was mij met brieven, die reeds op eene gelegenheid wachtten, naar Engeland te zenden.Dit was eene schikking, die veel voordeeliger was, dan ik had durven hopen, maar het aangenaamste van alles daarbij was, dat mijn vriend Talbot, die mij het eerst de hand gedrukt had aan boord van den prijs, verzocht de reis mede te maken, omdat, daar hij met den laatsten post zijne benoeming tot commander (kapitein-luitenant) had gekregen. Op mijn verzoek, stond de admiraal ook toe, dat de kapiteins Peters en Green met mij de thuisreis maakten. Mungo, de zwarte en Thompson de kwartiermeester, benevens de adelborst, die met mij in de boot was geweest, waren ook van de partij. Verder was, zooals men verwachten kan, mijne equipage niet van de beste; maar het stond niet aan mij om moeielijkheden te maken, en ik vulde het tekort slechts aan met zes van de negers, afkomstig van den slavenhaler, dien de kaper het laatst buitgemaakt had, en zoo meende ik wel in staat te zullen zijn om Spithead te halen.Aan de Kaap namen wij een goeden voorraad provisiën in. De Amerikanen drongen er op aan, daarin hun aandeel te betalen; doch ik wees dit beslist af, verklarende dat het genoegen om hen als gasten te hebben voor mij zeer groot was. Ik kocht van kapitein Peters zijn geheelen voorraad wijn en eetwaren tegen de volle waarde. Mungo werd tot hofmeester benoemd, daar ik bijzonder met hem ingenomen was. Toenmijn vriend Talbot al zijn goed aan boord had laten brengen en de admiraal mij zijne laatste orders had doen toekomen, ging ik met mijn schip van Simonsbaai naar Engeland onder zeil.Op eene thuisreis van dezen aard valt gewoonlijk weinig merkwaardigs voor. Ik behoefde St. Helena niet aan te doen en verlangde ook volstrekt niet naar oponthoud onder weg. Ik zette zeil, zooveel het schip maar wilde voeren. Talbot en ik werden boezemvrienden, en aan onze kajuitstafel heerschte de meest volkomen overeenstemming. Zooveel mogelijk vermeden wij om het gesprek op de nationale eigenaardigheden te brengen en onthielden wij ons van het behandelen der politiek. In vertrouwen deelde ik aan Talbot mijne genegenheid voor Emilia mede.Eens kwamen wij aan tafel over zwemmen te spreken. »Ik houd het er voor,” zeide Talbot, »dat mijn vriend Frank hier ons allen daarin een lesje kan geven. Herinnert gij u nog dien keer, dat gij op de reede van Spithead van het fregat naar den wal zijt gezwommen om er een bezoek te af leggen?”»Ja zeker,” antwoordde ik, »en evenmin ben ik vergeten, dat gij bij diezelfde gelegenheid zooveel geweerkogels om mij heen liet regenen.”»Uw ontkomen van te verdrinken of doodgeschoten te worden, toen en vroeger,” zeide de nieuwe overste, »doet mij iets veel ernstigers voor u in de toekomst verwachten.”»Dat is mogelijk,” zeide ik; »maar toch betwist ik de wettigheid van uwe daad, om te beproeven mij te dooden, vóór gij wist wie ik was en wat ik in den zin had. Hoe wist gij, dat ik niet krankzinnig was? Ik had ook op een ander schip thuis kunnen behooren; maar hoe het zij, als ik getroffen was geworden en men had mijn lijk gevonden, zou de lijkschouwing niet in uw voordeel, en de uitspraak eener jury sterk in uw nadeel zijn uitgevallen.”»Ik zou ze hartelijk uitgelachen hebben,” antwoordde Talbot.»Misschien zou men u geleerd hebben, dat het volstrekt niet was om te lachen,” zeide ik.»Kom aan!” hervatte Talbot, »waar staan schildwachten met geladen geweren voor?”»Om het schip te verdedigen,” antwoordde ik; »om sein te geven van eenig naderend gevaar; om te verhinderen, dat iemand zonder vergunning het schip zou verlaten; doch nooit om iemand het leven tebenemen, tenzij tot eigen verdediging, of wanneer de veiligheid van ’s konings schip het vordert.”»Ik ben het met uwe gevolgtrekkingen niet eens,” zeide Talbot; »de krijgsartikelen zeggenduidelijk, datop desertie de doodstraf staat.”»Dat is waar,” zeide ik, »maar die staat ook op andere overtredingen; maar al die misdrijven dienen eerst voor een krijgsraad bewezen te worden. Gij kondt b. v. toen niet bewijzen, dat ik deserteerde, en zelfs als gij dit hadt kunnen doen, ontbrak de omstandigheid, dat ik naar den vijand overging. Ik erken, dat ik ongehoorzaam was aan uwe bevelen, maar daarop zou toch ook maar eene lichte straf gestaan hebben, terwijl uwe willekeurige handeling den koning van een (al zeg ik het zelf) eerlijk en trouw onderdaan beroofd zou hebben. Als mijn lijk niet gevonden ware, zoude de gestrengheid van het door u gestelde voorbeeld voor den dienst niets goeds hebben opgeleverd. Integendeel, men zou gedacht hebben, dat ik ontkomen was, en menigeen zou mijn voorbeeld gevolgd hebben.”»Van achteren gezien,” zeide Talbot, »spijt het mij, niet eene sloep te hebben gestreken, om u na te zetten; maar het heeft mij toch altijd genoegen gedaan, dat de mariniers hebben misgeschoten.”Hiermede was dit onderwerp afgehandeld; wij wandelden nog eene poos op het dek, zetten voor den nacht koers op Fayal, waarvan wij niet ver verwijderd waren, en zochten toen onze kooi op.Ik viel in een diepen slaap, en het was geen wonder, dat het gesprek van ’s avonds mijnen geest bezighield, en mijne droomen tot het aanbreken van den dag bestonden uit een vreemd mengelmoes van gedachten zonder verband, verstandig of onzinnig, toen Thompson op mijne kajuitsdeur tikte, mij vertelde dat het helder dag was en het eiland Fayal, op ongeveer zeven mijl noord-oost van ons, in het zicht.Ik kleedde mij en ging naar het dek, zag het land en een vreemd zeil, dat westwaarts stuurde. Toen ook de Amerikanen bovengekomen waren en dat vaartuig hadden gezien, vroegen zij mij, of ik het niet zoude praaien. Ik had geen bezwaar. Daar wij alles bij hadden en de ander geene moeite deed om ons te ontloopen, maar zijn koers bleef doorsturen, haalden wij hem spoedig in. Het bleek een schip te zijn naar New-York bestemd, met uitgewisselde Amerikaansche krijgsgevangenen.In geval wij eenig naar de Vereenigde Staten bestemd schip mochtenontmoeten, had de admiraal mij vergund, mijne gevangenen rechtstreeks naar huis te zenden en hen niet naar Engeland mede te nemen. Ik had, uit vrees van mogelijke teleurstelling, hiervan Peters en Green onkundig gelaten; maar toen ik zag, dat hier zulk eene gemakkelijke gelegenheid voorkwam, deelde ik hun mijne plannen mede. Hunne vreugde en dankbaarheid gingen alle beschrijving te boven; zij bedankten mij duizendmaal, zooals zij ook aan Talbot deden, voor de hun bewezen vriendelijkheid.»Heer luitenant,” zeide Peters, »ik ben niet gewoon om met Engelschen om te gaan; en als ik ulieden altijd gehouden heb voor een hoop dwingelanden en bullebakken, is dit mijne schuld niet. Ik nam aan wat men mij verteld had, maar nu heb ik uit eigen oogen gezien en bevonden, dat de duivel nooit zoo zwart is, als men hem afschildert.” Ik maakte eene buiging voor dit Yankee-compliment. »Hoe het echter zij,” vervolgde hij, »zoude ik op eene goede manier nog wel eens eenige kogels met u willen wisselen.Brengtgij deze brik nog eens weer in onze wateren; ik hoop een andere van hetzelfde soort te krijgen, en daar ik weet, dat gij een d.....sch brave kerel zijt en evenveel van een kloppartij als van een goed diner houdt, zoude ik dan wel eens willen beproeven, of ik het bevel van de Echte Yankee niet terug kon krijgen.”»Als gij uwe volgende brik eveneens bemandet als uwe laatste, grootendeels met een goed soortEngelschen,” zeide ik,»dan vrees ik, dat het niet gemakkelijk voor mij zal wezen mijzelf te verdedigen.”»Dat laat ik voor hetgeen het is,” zeide de kapitein. »Niemand vecht beter dan hij, die den strop om zijnen hals gevoelt; en onthoud wat buurman Green u gezegd heeft—want hij heeft de kat uit den zak gelaten—: wij zouden geene Engelschen in onzen dienst hebben, wanneer zij niet in den uwen geprest waren geworden.”Ik wist dit saluut niet te beantwoorden, omdat ik, evenals de kanonnier van Landguard-fort, geen kruit had; inderdaad gevoelde ik de waarheid van de hatelijkheid.Green stond bij ons, doch deed geen mond open, vóór de kapitein uitgesproken had; toen stak hij mij de hand toe, met tranen in de oogen en sprak met trillende stem: »Vaarwel, mijn uitnemende vriend; ik zal u nooit vergeten; toen gij mij vondt, was ik een ellendeling, maar gij hebt mij tot een eerlijk man gemaakt. Nimmer zal de daguit mijn geheugen gaan, toen gij, met gevaar voor uw eigen leven, mij, die uwe bescherming zoo onwaardig was, zijt komen redden. Maar God zegene u! Mocht ooit de oorlogskans u als gevangene naar mijn vaderland voeren, dan is hier mijn adres. Al wat ik bezit zal het uwe zijn, dat zult gij ondervinden.”De man, die in de boot in opstand was gekomen en naderhand op den kaper dienst had genomen en met mij was opgezonden om gevonnist te worden, stak aan kapitein Green, toen hij langs hem ging, de hand toe om hem vaarwel te wenschen, doch deze wendde zich af, zeggende: »Ik vergeef u het kwaad, dat gij mij persoonlijk hebt willen aandoen, te meer wijl ik gevoel, dat ik mij dit zelf op den hals had gehaald; maar ik wil mijzelf niet onteeren door een verrader van zijn land, de hand van vriendschap toe te reiken.”Zoo zeggende, volgde hij kapitein Peters in de sloep, die hen overvoeren zou. Ik vergezelde hen naar het schip en verliet hen, na mij overtuigd te hebben, dat zij dáár alle gemakken hadden. Green was zoo aangedaan, dat hij niet kon spreken, en de arme Mungo kon alleen uitbrengen: »Dag, massa letenant—mij denke u goed man is.”Naar mijn eigen schip teruggekeerd, maakte ik zeil naar Engeland. Wederom begroetten wij de krijtbergen van het iederen echten Engelschman zoo dierbare Albion. Slechts hij die van dat geliefde strand een tijdlang gebannen is geweest, kan zich het innige gevoel van vreugde op zoo’n oogenblik voorstellen. Wij liepen door de Needles, en ik ankerde te Spithead, na eene afwezigheid van veertien maanden. Ik meldde mij bij den admiraal, toonde hem mijne lastgeving en gaf de gevangenen op, die men mij verzocht op het vlaggeschip te doen overgaan. »En nu,” zeide hij, »na uwe merkwaardige ontkoming, geef ik u verlof om naar de stad te gaan en uwe familie te bezoeken, voor wie gij zeker een voorwerp van groote belangstelling zult zijn.”Alvorens ik met mijn verhaal verder ga, is hier eene korte uitweiding noodzakelijk.

Het fregat stak dadelijk, onder onze lij, bij den wind op, en binnen een paar minuten kwam er eene sloep bij ons op zijde. De officier, die daarin medegekomen was, om ons schip in bezit te nemen, sprong vlug naar boven en was dadelijk op het dek. Daar ontving ik hem, legde met een paar woorden uit, wat voor soort van schip het was, en stelde hem den kapitein en Green voor, welke beiden ik hem bijzonder aanbeval voor de vriendelijkheid, die zij mij betoond hadden. Daarop noodigde ik hem uit mij omlaag naar de kajuit te willen vergezellen, terwijl de adelborst, die met hem mede was gekomen, op dek bleef en den last ontving het grootzeil te laten dichtgeien en alles zooveel mogelijk te doen opruimen. De bemanning kreeg order om hun goed bijeen te pakken en zich gereed te houden binnen een uur het schip te verlaten.

Toen er in de kajuit licht werd ontstoken, herkenden de luitenant en ik elkander onmiddellijk.

»Wel, goede hemel, Frank,” zeide hij, »hoe komt gij hier?”

»Om u dit uit te leggen,” zeide ik, »zouden wij morgenochtend nog niet gereed zijn; maar vertel mij eens welk schip is het, dat den Yankee genomen heeft? Is het niet de R——; en wat is mijn vriend Talbot daar aan boord?”

»Het fregat,” antwoordde hij, »is de R——, zooals gij geraden hebt. Wij behooren tot het station aan de Kaap. Ik ben eerste officier en hier met bevordering heengezonden voor de Rochefort-geschiedenis.”

»Dat is toch hard,” zeide ik, »dat gij zoo lang hebt moeten wachten op iets wat gij zoo eerlijk verdiend hadt; maar kom, wij hebben druk werk. Laat ons naar het volk gaan zien, en als gij nu naar boord terug wilt gaan, met u medenemende den kapitein, den stuurman en een deel der manschappen, waarvoor ik de woeligsten en onverschilligsten zal uitzoeken, zal ik wel hier blijven en den prijs in gereedheid brengen om met het aanbreken van den dag door te zeilen, en dan,—als kolonel F—— het goedvindt,—zal ik mijne opwachting bij hem komen maken.”

Dit kwamen wij overeen. De matrozen, die ik aanwees, gingen de sloep in, terwijl vier van de roeiers aan boord van de brik overkwamen om mij te helpen. Spoedig brachten wij alles op orde, om gereed te zijn voor al wat men van ons mocht verlangen. Intusschen kwam er eene andere sloep met eene versche bemanning en die weer een twintigtal gevangenen zou afhalen; en de adelborst, die mede kwam, bracht de beleefde boodschap van den commandant over, die weten liet, dat het hem verheugde, dat de prijs in zulke goede handen was, en dat hij zich aanbevolen hield voor mijn gezelschap aan het ontbijt te acht uren; verder verzocht hij, dat, als ik klaar was om door te zeilen, ik zulks zoude seinen met twee lantaarns naast elkander in het groot want, en dat wij van dat oogenblik af zouden opsteken tot noord, met volle zeilen.

Tegen vier uren waren wij zoover, gaven het afgesproken sein en hielden ons te loefwaart van het fregat. Ik ging een paar uren liggen, liet mij te zes uren wekken, kleedde mij aan en was tegen half acht uren gereed mij naar boord te begeven. Ik hoorde daar aan boord weder de trom en het gefluit,—na de liefelijke stem van Emilia het heerlijkste geluid, dat mijne ooren kon streelen. De tranen kwamen mij in de oogen, van blijdschap omdat ik mij weder onder de bescherming van onze geliefde vlag bevond. Het fregat loefde op, aan den wind; spoedigdaarop werd de giek gestreken en gezonden om mij af te halen; een schoon wit dekkleed was achterin gespreid; de roeiers waren gekleed in een net wit kostuum, met stroohoeden op en zeildoeksche schoenen aan. Zonder uitstel nam ik in de giek plaats en mijn hart klopte van verrukking, toen ik aan boord van het fregat stapte en de bootsmansmaat ter mijner eere valreepsgasten floot.

Ik werd door den commandant en de officieren met alle bij dergelijke gelegenheid passende vriendelijkheid en belangstelling ontvangen. De eerste deed mij honderden vragen, en de officieren en adelborsten kwamen allen om mij heen staan om, mijne antwoorden te vernemen. Ook de equipage was zeer benieuwd om onze geschiedenis te hooren, en ik verzocht den commandant de giek nog een keer over te zenden, om Thompson af te halen, die mij dan zou kunnen helpen in het voldoen aan de algemeene nieuwsgierigheid. Dit gebeurde, en de flinke, trouwe kerel kwam aan boord. De eerste vraag, die hij deed was: »Wie deed het eerste schot op den prijs?”

»Dat was Mr. Spears, de eerste luitenant van de mariniers,” antwoordde een van het volk.

»Dan krijgt Mr. Spears mijn oorlam voor vandaag,” zeide Thompson; »want dat heb ik van nacht gezegd en ik houd altijd woord.”

»Daar durf ik op zweren,” zeide kapitein Peters van den kaper: »ik heb menschen gekend met goede beginselen, en gij zijt een daarvan; en ik heb lieden gekend van slechte beginselen, en daarvan was hij er een, dien gij gisterenavond om zijne afrekening gezonden hebt; en dat was een gelukkige inval van u, want zoo zeker als gij daar staat, zou die man het op uwen dood hebben toegelegd, hetzij met behulp van een mes, hetzij door middel van water of door vergif. Ik heb nooit iemand gekend of van iemand gehoord, die straffeloos Peleg Oswald geslagen of beleedigd had. Hij was van Kentucky of van Ohio afkomstig,—een gewezen squatter,—doch had eens twee man met zijn geweer doodgeschoten, omdat zij geweigerd hadden een stuk grond met hem te ruilen. Van een derden had hij eens een oog uitgeslagen om een zeer onbeduidend verschil van meening. Om deze handelingen had hij het land moeten verlaten; want niet alleen werd hij gerechtelijk vervolgd, maar de man, die zijn eene oog kwijt was geraakt, keek met het andere des te scherper naar hem uit, en Peleg zou geëindigd zijn met een geweerkogel in zijn oor te krijgen, als hij niet oostwaarts gevluchtwas en teruggekeerd naar de zee, waarvoor hij eerst opgeleid was. Ik hoorde zijne geschiedenis eerst lang, nadat wij samen op een schip waren. Hij zou zeker ter dood zijn veroordeeld; maar daar hij eenig buitgeld bij elkaar had, wist hij zijne vervolgers af te koopen. Het was mijn stellig voornemen hem bij een volgende kruistocht achter te laten, indien het God behaagd had mij behouden t’huis te brengen.”

Terwijl Peters deze korte levensgeschiedenis van zijn verdwenen stuurman vertelde, werd bericht, dat het ontbijt voor den commandant gereed stond, en ontvingen de beide Amerikaansche kapiteins de uitnoodiging om daarvan gebruik te komen maken. Toen wij de achterste halfdekstrap afgingen, konden Peters en Green niet nalaten een blik van bewondering te werpen op het schoone en helderwitte dek, de keurig onderhouden batterij en de volmaakte vereeniging van het nuttige met het sierlijke, zoo onnavolgbaar als men dit dikwijls aan boord onzer oorlogsschepen vermengd vindt. Niets overtrof de zindelijkheid, overvloed, gulheid en vroolijkheid aan den disch van den commandant.

Het gesprek liep over den aard, de eigenschappen en het aantal manschappen op den kaper. »Het zijn allen zeelieden,” zeide Peters, »met uitzondering van de tien zwarten.”

»Eenigen hunner zijn toch Engelschen, zou ik denken”, zeide ik.

»Ik mag niet uit de school klappen,” zeide de geslepen Amerikaan; »het is moeielijk om altijd te weten of een man, die dikwijls in de beide landen geweest is, geboortig is van Boston in Lincolnshire, of van Boston in Massachusetts; en misschien weten zij het zelven niet eens altijd. Wij doen nooit veel navraag, wanneer een matroos bij ons zijne diensten aanbiedt.”

»Gij hebt een groot aantal van onze zeelui in dienst, zoowel bij de marine als bij de koopvaardij,” zeide onze commandant.

»Ja,” zeide Green, »en er is geen gevaar, dat wij er te kort zullen komen, daar gij voor ons prest.”

»Wijvoor u pressen?” vroeg kolonel F——; »hoe meent gij dat?”

»Uwe presgangen,” zeide de Amerikaan, »bezorgen ons het volk. Uwe zeelieden willen dat niet verdragen; en, maak daar staat op, voor elke twee man, die gij met geweld neemt, krijgen wij er één vrijwillig.”

Peters sprak deze opvatting met heftigheid tegen en scheen zeer boos op Green om het afleggen van die verklaring.

»Er is geen twijfel aan,” hernam Green; »ik weet precies, hoe onzeoorlogs- en koopvaardijschepen bemand zijn. Ik durf er op zweren, dat meer dan twee derden van de Engelsche marine gedeserteerd zijn, omdat zij daar geprest waren. Och, gij hebt het mij immers zelf verklaard, Peters;—zie maar eens naar uwe eigene bemanning.”

Peters kon nu niet langer tegenspreken; hij voer woedend tegen Green uit en zeide, dat hij losgelaten had, wat nooit aan een Engelsch officier had moeten erkend worden; dat het waar was; dat Amerika op ons stelsel van pressen als het plechtanker van zijne zeevaart nederzag; maar dat het hem leed deed, dat dit gewichtige geheim door een Amerikaan bekend was gemaakt.

»Wat mij betreft,” hervatte Green, »ik heb zooveel verplichting aan dezen wakkeren, jongen Engelschman voor de mij bewezen goedheid, dat ik ten eeuwigen dage de vriend van hem en zijn land ben geworden en gezworen heb nooit tegen Groot-Brittanje de wapens op te vatten, tenzij tot wering van een inval in mijn eigen land.”

Het ontbijt was afgeloopen, en wij gingen allen naar het dek; het schip en zijn prijs lagen bijgedraaid; alle hens werd opgefloten, de sloepen werden gestreken, de rest van de gevangenen werd met hun goed van de brik afgehaald, en toen zij aan boord waren, werd de geheele bemanning, van den kaper afkomstig, op het halfdek geroepen, ondervraagd en voor een deel herkend als Engelschen.

Toen zij berispt werden en het schandelijke van hun gedrag hun voor oogen werd gehouden, verklaarden zij, dat door hun toedoen de kaper genomen was, want dat zij met opzet het lijzeil te water hadden laten slepen, waardoor het schip in zijn vaart was tegengehouden.

Kapitein Peters zag verbaasd op van deze bekentenis; en de commandant van het fregat betoogde toen, dat zoodanig gedrag juist te verwachten was van een verrader van zijn land. Zich toen naar de gevangenen keerende, sprak hij: »De schandelijkheid van uw eerste misdrijf kon moeielijk vergroot worden; doch uw verraad aan het nieuwe gouvernement, waaronder gij dienst hebt genomen, maakt u onwaardig den naam van mannen te dragen. Ook hebt gij niet het minste recht u te beroepen op uw ellendig aandeel in het overgeven van den prijs, daar wij geen oogenblik van den aanvang der jacht af daarvan zicht verloren hebben, terwijl wij, zoodra hij ging opsteken, zeker wisten, dat hij in onze macht was.”

De mannen lieten hun hoofd hangen, en toen zij vergunning haddengekregen om naar omlaag te gaan, was er niemand van de fregats-equipage die hen aan zijn bak wilde ontvangen; maar de werkelijke Amerikanen werden zeer vriendelijk behandeld.

Wij richtten nu koers naar de Simons-baai, waar wij juist eene week na de prijsmaking aankwamen.

De admiraal van het station weigerde de zaak der gevangenen voor een zeekrijgsraad te laten behandelen; hij oordeelde, dat het hier eene politieke aangelegenheid gold, en was voornemens hen naar Engeland op te zenden, waar de lords der admiraliteit wel over hen zouden beschikken.

De echte Yankee werd aan het vice-admiraliteitshof aan de Kaapstad aangegeven, veroordeeld als wettige buit en voor den dienst aangekocht. Aangezien hij in zijne soort een prachtig vaartuig was, behaagde het den admiraal te zeggen, dat, daar ik het zoo bijzonder ongelukkig getroffen had, hij mij als luitenant er het bevel van zou opdragen en voornemens was mij met brieven, die reeds op eene gelegenheid wachtten, naar Engeland te zenden.

Dit was eene schikking, die veel voordeeliger was, dan ik had durven hopen, maar het aangenaamste van alles daarbij was, dat mijn vriend Talbot, die mij het eerst de hand gedrukt had aan boord van den prijs, verzocht de reis mede te maken, omdat, daar hij met den laatsten post zijne benoeming tot commander (kapitein-luitenant) had gekregen. Op mijn verzoek, stond de admiraal ook toe, dat de kapiteins Peters en Green met mij de thuisreis maakten. Mungo, de zwarte en Thompson de kwartiermeester, benevens de adelborst, die met mij in de boot was geweest, waren ook van de partij. Verder was, zooals men verwachten kan, mijne equipage niet van de beste; maar het stond niet aan mij om moeielijkheden te maken, en ik vulde het tekort slechts aan met zes van de negers, afkomstig van den slavenhaler, dien de kaper het laatst buitgemaakt had, en zoo meende ik wel in staat te zullen zijn om Spithead te halen.

Aan de Kaap namen wij een goeden voorraad provisiën in. De Amerikanen drongen er op aan, daarin hun aandeel te betalen; doch ik wees dit beslist af, verklarende dat het genoegen om hen als gasten te hebben voor mij zeer groot was. Ik kocht van kapitein Peters zijn geheelen voorraad wijn en eetwaren tegen de volle waarde. Mungo werd tot hofmeester benoemd, daar ik bijzonder met hem ingenomen was. Toenmijn vriend Talbot al zijn goed aan boord had laten brengen en de admiraal mij zijne laatste orders had doen toekomen, ging ik met mijn schip van Simonsbaai naar Engeland onder zeil.

Op eene thuisreis van dezen aard valt gewoonlijk weinig merkwaardigs voor. Ik behoefde St. Helena niet aan te doen en verlangde ook volstrekt niet naar oponthoud onder weg. Ik zette zeil, zooveel het schip maar wilde voeren. Talbot en ik werden boezemvrienden, en aan onze kajuitstafel heerschte de meest volkomen overeenstemming. Zooveel mogelijk vermeden wij om het gesprek op de nationale eigenaardigheden te brengen en onthielden wij ons van het behandelen der politiek. In vertrouwen deelde ik aan Talbot mijne genegenheid voor Emilia mede.

Eens kwamen wij aan tafel over zwemmen te spreken. »Ik houd het er voor,” zeide Talbot, »dat mijn vriend Frank hier ons allen daarin een lesje kan geven. Herinnert gij u nog dien keer, dat gij op de reede van Spithead van het fregat naar den wal zijt gezwommen om er een bezoek te af leggen?”

»Ja zeker,” antwoordde ik, »en evenmin ben ik vergeten, dat gij bij diezelfde gelegenheid zooveel geweerkogels om mij heen liet regenen.”

»Uw ontkomen van te verdrinken of doodgeschoten te worden, toen en vroeger,” zeide de nieuwe overste, »doet mij iets veel ernstigers voor u in de toekomst verwachten.”

»Dat is mogelijk,” zeide ik; »maar toch betwist ik de wettigheid van uwe daad, om te beproeven mij te dooden, vóór gij wist wie ik was en wat ik in den zin had. Hoe wist gij, dat ik niet krankzinnig was? Ik had ook op een ander schip thuis kunnen behooren; maar hoe het zij, als ik getroffen was geworden en men had mijn lijk gevonden, zou de lijkschouwing niet in uw voordeel, en de uitspraak eener jury sterk in uw nadeel zijn uitgevallen.”

»Ik zou ze hartelijk uitgelachen hebben,” antwoordde Talbot.

»Misschien zou men u geleerd hebben, dat het volstrekt niet was om te lachen,” zeide ik.

»Kom aan!” hervatte Talbot, »waar staan schildwachten met geladen geweren voor?”

»Om het schip te verdedigen,” antwoordde ik; »om sein te geven van eenig naderend gevaar; om te verhinderen, dat iemand zonder vergunning het schip zou verlaten; doch nooit om iemand het leven tebenemen, tenzij tot eigen verdediging, of wanneer de veiligheid van ’s konings schip het vordert.”

»Ik ben het met uwe gevolgtrekkingen niet eens,” zeide Talbot; »de krijgsartikelen zeggenduidelijk, datop desertie de doodstraf staat.”

»Dat is waar,” zeide ik, »maar die staat ook op andere overtredingen; maar al die misdrijven dienen eerst voor een krijgsraad bewezen te worden. Gij kondt b. v. toen niet bewijzen, dat ik deserteerde, en zelfs als gij dit hadt kunnen doen, ontbrak de omstandigheid, dat ik naar den vijand overging. Ik erken, dat ik ongehoorzaam was aan uwe bevelen, maar daarop zou toch ook maar eene lichte straf gestaan hebben, terwijl uwe willekeurige handeling den koning van een (al zeg ik het zelf) eerlijk en trouw onderdaan beroofd zou hebben. Als mijn lijk niet gevonden ware, zoude de gestrengheid van het door u gestelde voorbeeld voor den dienst niets goeds hebben opgeleverd. Integendeel, men zou gedacht hebben, dat ik ontkomen was, en menigeen zou mijn voorbeeld gevolgd hebben.”

»Van achteren gezien,” zeide Talbot, »spijt het mij, niet eene sloep te hebben gestreken, om u na te zetten; maar het heeft mij toch altijd genoegen gedaan, dat de mariniers hebben misgeschoten.”

Hiermede was dit onderwerp afgehandeld; wij wandelden nog eene poos op het dek, zetten voor den nacht koers op Fayal, waarvan wij niet ver verwijderd waren, en zochten toen onze kooi op.

Ik viel in een diepen slaap, en het was geen wonder, dat het gesprek van ’s avonds mijnen geest bezighield, en mijne droomen tot het aanbreken van den dag bestonden uit een vreemd mengelmoes van gedachten zonder verband, verstandig of onzinnig, toen Thompson op mijne kajuitsdeur tikte, mij vertelde dat het helder dag was en het eiland Fayal, op ongeveer zeven mijl noord-oost van ons, in het zicht.

Ik kleedde mij en ging naar het dek, zag het land en een vreemd zeil, dat westwaarts stuurde. Toen ook de Amerikanen bovengekomen waren en dat vaartuig hadden gezien, vroegen zij mij, of ik het niet zoude praaien. Ik had geen bezwaar. Daar wij alles bij hadden en de ander geene moeite deed om ons te ontloopen, maar zijn koers bleef doorsturen, haalden wij hem spoedig in. Het bleek een schip te zijn naar New-York bestemd, met uitgewisselde Amerikaansche krijgsgevangenen.

In geval wij eenig naar de Vereenigde Staten bestemd schip mochtenontmoeten, had de admiraal mij vergund, mijne gevangenen rechtstreeks naar huis te zenden en hen niet naar Engeland mede te nemen. Ik had, uit vrees van mogelijke teleurstelling, hiervan Peters en Green onkundig gelaten; maar toen ik zag, dat hier zulk eene gemakkelijke gelegenheid voorkwam, deelde ik hun mijne plannen mede. Hunne vreugde en dankbaarheid gingen alle beschrijving te boven; zij bedankten mij duizendmaal, zooals zij ook aan Talbot deden, voor de hun bewezen vriendelijkheid.

»Heer luitenant,” zeide Peters, »ik ben niet gewoon om met Engelschen om te gaan; en als ik ulieden altijd gehouden heb voor een hoop dwingelanden en bullebakken, is dit mijne schuld niet. Ik nam aan wat men mij verteld had, maar nu heb ik uit eigen oogen gezien en bevonden, dat de duivel nooit zoo zwart is, als men hem afschildert.” Ik maakte eene buiging voor dit Yankee-compliment. »Hoe het echter zij,” vervolgde hij, »zoude ik op eene goede manier nog wel eens eenige kogels met u willen wisselen.Brengtgij deze brik nog eens weer in onze wateren; ik hoop een andere van hetzelfde soort te krijgen, en daar ik weet, dat gij een d.....sch brave kerel zijt en evenveel van een kloppartij als van een goed diner houdt, zoude ik dan wel eens willen beproeven, of ik het bevel van de Echte Yankee niet terug kon krijgen.”

»Als gij uwe volgende brik eveneens bemandet als uwe laatste, grootendeels met een goed soortEngelschen,” zeide ik,»dan vrees ik, dat het niet gemakkelijk voor mij zal wezen mijzelf te verdedigen.”

»Dat laat ik voor hetgeen het is,” zeide de kapitein. »Niemand vecht beter dan hij, die den strop om zijnen hals gevoelt; en onthoud wat buurman Green u gezegd heeft—want hij heeft de kat uit den zak gelaten—: wij zouden geene Engelschen in onzen dienst hebben, wanneer zij niet in den uwen geprest waren geworden.”

Ik wist dit saluut niet te beantwoorden, omdat ik, evenals de kanonnier van Landguard-fort, geen kruit had; inderdaad gevoelde ik de waarheid van de hatelijkheid.

Green stond bij ons, doch deed geen mond open, vóór de kapitein uitgesproken had; toen stak hij mij de hand toe, met tranen in de oogen en sprak met trillende stem: »Vaarwel, mijn uitnemende vriend; ik zal u nooit vergeten; toen gij mij vondt, was ik een ellendeling, maar gij hebt mij tot een eerlijk man gemaakt. Nimmer zal de daguit mijn geheugen gaan, toen gij, met gevaar voor uw eigen leven, mij, die uwe bescherming zoo onwaardig was, zijt komen redden. Maar God zegene u! Mocht ooit de oorlogskans u als gevangene naar mijn vaderland voeren, dan is hier mijn adres. Al wat ik bezit zal het uwe zijn, dat zult gij ondervinden.”

De man, die in de boot in opstand was gekomen en naderhand op den kaper dienst had genomen en met mij was opgezonden om gevonnist te worden, stak aan kapitein Green, toen hij langs hem ging, de hand toe om hem vaarwel te wenschen, doch deze wendde zich af, zeggende: »Ik vergeef u het kwaad, dat gij mij persoonlijk hebt willen aandoen, te meer wijl ik gevoel, dat ik mij dit zelf op den hals had gehaald; maar ik wil mijzelf niet onteeren door een verrader van zijn land, de hand van vriendschap toe te reiken.”

Zoo zeggende, volgde hij kapitein Peters in de sloep, die hen overvoeren zou. Ik vergezelde hen naar het schip en verliet hen, na mij overtuigd te hebben, dat zij dáár alle gemakken hadden. Green was zoo aangedaan, dat hij niet kon spreken, en de arme Mungo kon alleen uitbrengen: »Dag, massa letenant—mij denke u goed man is.”

Naar mijn eigen schip teruggekeerd, maakte ik zeil naar Engeland. Wederom begroetten wij de krijtbergen van het iederen echten Engelschman zoo dierbare Albion. Slechts hij die van dat geliefde strand een tijdlang gebannen is geweest, kan zich het innige gevoel van vreugde op zoo’n oogenblik voorstellen. Wij liepen door de Needles, en ik ankerde te Spithead, na eene afwezigheid van veertien maanden. Ik meldde mij bij den admiraal, toonde hem mijne lastgeving en gaf de gevangenen op, die men mij verzocht op het vlaggeschip te doen overgaan. »En nu,” zeide hij, »na uwe merkwaardige ontkoming, geef ik u verlof om naar de stad te gaan en uwe familie te bezoeken, voor wie gij zeker een voorwerp van groote belangstelling zult zijn.”

Alvorens ik met mijn verhaal verder ga, is hier eene korte uitweiding noodzakelijk.


Back to IndexNext