Zeventiende hoofdstuk.

Zeventiende hoofdstuk.Zoodra de brik de haven van Nassau uitzeilde, zeilde ik mijn bed uit, en zoodra hij vrij van de havenhoofden was en zijne bramzeilen heesch, zette ik mijn hoed op en wandelde de deur uit. De officieren van het regiment, dat ter plaatse in garnizoen lag, waren zoo beleefd mij uit te noodigen aan hunne tafel deel te nemen, en de kolonel was nog bovendien zoo voorkomend, om mij goede vertrekken in het kampement aan te bieden. Zoodra het mij mogelijk was, verhuisde ik daarheen. Zeer spoedig kwam ik weer op krachten en was ik in staat aan de tafel te zitten met de vijfendertig meestal jonge officieren, die een vrolijk leven leidden, zonder zorgen voor den dag van morgen, en zich voor het overige de wereldsche zaken weinig aantrokken.Ofschoon ik lang niet onverschillig was voor de genoegens, die eene goede tafel aanbiedt, ging ik niet in alle opzichten mede in de zeer losbandige levenswijze mijner dischgenooten. Ik had eene betere opvoeding genoten dan het meerendeel der officieren en sloot mij, op grond van onze geestverwantschap, uitsluitend aan bij een zekeren Charles, een jeugdig luitenant van het garnizoen. Onze vriendschap nam door de nadere kennismaking toe en werd inniger, naarmate wij reden vonden om ons te ergeren aan de dwaasheden en verregaande onwetendheid der anderen. Gewoonlijk brachten wij onze morgens te zamen door met het lezen der classieken, het declameeren van Latijnsche verzen, afgewisseld met schermen of biljartspelen. Wanneer de hitte van den dag voorbij was, wandelden wij, legden bezoeken af bij de inwoners of doorzochten het eiland; ons streven daarbij was, zoover mogelijk de barakken te mijden en het aldaar wonende personeel, wier wijze van zich te vermaken zoo weinig in onzen smaak viel. Gewoonlijk toch begon voor de officieren de dag eerst tegen het middaguur, met een ontbijt; na hieraan gezamenlijk te hebben deelgenomen, zocht elk zijn kwartier weer op om de laatste romans te lezen, die in massa uit Engeland en Frankrijk werden uitgezonden en doorgaans van eene slechte strekking waren. Met deze lectuur zoo lui mogelijk achterover liggende, of daarbij indommelende, wisten zij het warmste deel van den dag doorte brengen; het overige gedeelte, totdat de bel voor het middagmaal luidde, werd klein gekregen met bij elkaar in te loopen en onbeduidende buurpraatjes te maken, of een ritje te paard om den noodigen eetlust op te doen. Tot vier uren in den morgen was het aanhoudend rooken en drinken; nooit werd het bed opgezocht, vóór men heel of half beschonken was; de parade, te negen uren des morgens, verplichtte hen op te staan met een brandend hoofd en eene dikke tong; zóó sprongen zij in zee, om door het verfrisschende bad wakker te worden, dat hen althans zoover bracht, dat zij zich voor het front van den troep konden overeind houden; na afloop van dit stuk gedwongen dienst zochten zij het bed weer op, om uit te slapen tot aan het ontbijt toe, op het middaguur.Zóó gingen onder hen de dagen voorbij. Is het nog te verwonderen, dat deze eilanden voor een Europeesch gestel noodlottig zijn, waar het klimaat elke buitensporigheid, die begaan wordt, steeds bestraft? De mindere manschappen volgden al te spoedig het voorbeeld, hun door de officieren gegeven, en ook onder hen heerschte eene evenredig groote sterfte; tot den geregelden morgendienst behoorde het delven van graven voor de slachtoffers, welke dien nacht waren opgeëischt. De zorgelooze onverschilligheid bij de officieren was zoo groot, dat de nadering, ja zelfs de zekerheid van den dood, hen niet eens tot ernstig nadenken opwekte.Steeds was ik des morgens vroeg op, eene gewoonte waaraan ik stellig mijne goede gezondheid te danken had. Een tropische ochtend, wanneer de lucht nog zoo aangenaam koel is, lokte mij altijd naar de marktplaats, waar de groote verscheidenheid van koopers en verkoopers al even belangwekkend was als de keur van prachtige vruchten en groenten die er sierlijk was uitgestald.De Babylonische spraakverwarring zou in het niet zijn verzonken bij het drukke gepraat en getwist op eene West-Indische markt. Men zag er zwarte vrouwen luid en zonder ophouden kakelen (want die dames zijn daarin volstrekt niet achterlijk bij hunne blanke zusters); hun stemgeluid vermengde zich met het geschreeuw van kinderen, parkieten en apen; overal krioelde het van zwarte jongens en meisjes, met vroolijke, levendige gezichten, ivoor witte tanden, sterk sprekende oogen en roode lippen. De koopsters daarentegen trof men er van alle nuances van kleur aan, van bruin, door geel tot bleek wit toe, allen de duidelijkebewijsstukken der vermenging van het Kaukasische met het Ethiopische ras, ten gevolge waarvan zich misschien de slechtste karaktertrekken, doch zeker ook de lichamelijke bekoorlijkheden der beide, zoo uiteenloopende rassen in deze vrouwen vereenigden.Het buitengewoon genotvolle baden is in deze streken volstrekt niet zonder gevaar. Op de zandbanken heeft men den steek te duchten van een soort van rog, die op het midden van den staart een scherpen haak heeft, en eene zoo ernstige wonde geeft, dat ik het heb bijgewoond dat iemand daarvan bijna twee dagen lang hevig ijlende was. In dieper water zijn de haaien niet alleen zeer talrijk, doch ook zeer vraatzuchtig; soms ging ik met een klein bootje op de jacht dezer monsters, gewapend met een harpoen en tot lokaas een groot stuk vleesch, aan eene lijn achteraan slepende. Eens echter had ik eene meer ernstige ontmoeting met een dezer ondieren.Op eenen schoonen achtermiddag zwierf ik in gezelschap van Charles over de rotsen en klippen aan den buitenkant van het eiland, en kwamen wij aan eene plek waar het stille en helder doorschijnende water ons tot baden verlokte. De diepte was onbeduidend. Als wij op de vooruitstekende punt stonden, konden wij overal den bodem zien. Onder den kleinen uithoek, die de overzijde van den inham vormde, was eene grot, die, daar de rots zeer steil opliep, alleen zwemmende kon bereikt worden, en deze werd nu ons doel. Spoedig kwamen wij aan den ingang, waar wij verrukt werden door de woeste schoonheid van dit natuurtafereel. De grot liep met verschillende inhammen diep het land in; elke dieper liggende kleine baai was eene badgelegenheid, weder koeler dan de vorige. Dit lokte ons dieper en dieper. Het bleek, dat het tij geregeld in en uitliep en het water elke twaalf uren ververschte. Zeer onvoorzichtig waagden wij ons zoo ver mogelijk, vonden eene rustplaats en haalden, aldaar neergevlijd, op van de op deze omgeving toepasselijke vertellingen van Acis en Galathea en van Diana en hare nimfen.Eindelijk waarschuwde de ter kimme nijgende zon ons, dat het tijd werd aan den terugtocht te denken, toen wij op betrekkelijk korten afstand de rugvin boven water zagen van een monsterachtig grooten haai, wiens lichaam in het heldere vocht zich duidelijk liet waarnemen. Beurtelings zagen wij met ontsteltenis elkander en het beest aan en hoopten, dat hij spoedig ruim baan voor ons maken zou en liever eenandere prooi mocht gaan zoeken; maar de onverlaat zwom voor de grot op en neer als een fregat, dat eene vijandelijke haven blokkeert, en wij kregen een zoo eng gevoel over ons, zooals ik veronderstel dat in den laatsten oorlog door de Franschen en Hollanders ondervonden werd in Brest en in Tessel.De schildwacht bleef trouw op zijn post en scheen op een onzer, misschien op ons beiden, te wachten om ons met hetzelfde gemak te verslinden, waarmede wij dit een garnaal of oester zouden doen. Het was echter ons voornemen niet, ons op zijne genade of ongenade te verlaten. Tevergeefs zagen wij voor eenige hulp om ons heen; de rots boven ons was onbeklimbaar, het water rees en de zon raakte bijna aan den gezichteinder.Als aanvoerder beweerde ik de natuurlijke historie van den visch eenigszins te kennen en deelde mijnen kameraad mede, dat de haaien een zeer scherp gehoor hadden en het daarom zaak was, ons zoo stil mogelijk te houden; en daarbij hoe eerder wij ons wegmaakten, hoe beter het zou zijn, want spoedig zou het water voldoende gerezen wezen, dat het onder in de grot kon komen, waarvan de localiteit hem stellig niet vreemd was. Daar er slechts een weg voor onzen aftocht bestond, waren onze kansen om te ontkomen, al zeer min. Nog ging er naar onze gedachten een geruime tijd voorbij, vóór wij de gelegenheid om te ontsnappen eenigszins schoon zagen: onze onverbiddelijke bewaker was niet van zijn post af te krijgen. De tijd viel ons lang, zwaar drukte ons de angst; wij waren als ter dood veroordeelden, die, tenzij er spoedige verlossing kwam, gevaar liepen hunne eigene executie, binnenskamers, bij te wonen. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat wij de rugvin niet meer zagen; toen gaf ik Charles het teeken dat wijcoute que couteuitzwemmen moesten. Wij drukten elkaar stilzwijgend de hand en lieten ons weer in het water glijden; toen ons in de gunst der Voorzienigheid aanbevelende, sloegen wij haastig voorwaarts. Ik moet bekennen, dat ik nog nooit zoo het gevaar inzag als ditmaal, zelfs niet toen ik zwom in het bloedbad van dien armen matroos, dien ik had willen redden; toen hadden de haaien ten minste iets wat hun bezighield, nu had het beest volstrekt geene afleiding en hadden wij het voorrecht van zijne onverdeelde aandacht.Mijn gevoel is onmogelijk weer te geven. Ik mag nu al luchthartig vertellen of schrijven van hetgeen toen voorviel, maar toch, als ik ernogmaals aan terugdenk, overvalt mij eene huivering over ons toenmalig vooruitzicht. Mijn kameraad was niet zoo’n volleerd zwemmer als ik, zoodat hij eenige voeten achter mij aankwam, toen ik hem een zwakken kreet hoorden slaken. Vreezende, dat de haai hem gepakt had, keerde ik om, doch zag gelukkig, dat dit het geval niet was; hij was alleen bang geworden, doordien hij zoo achter geraakte en daarom wilde hij mij toeroepen. Ik bleef nu dichter bij, hield hem op en bemoedigde hem. Zonder deze hulp ware hij stellig gezonken; nu herkreeg hij zijne krachten, en veilig bereikten wij het strand, ten spijt van onzen vijand, dien wij op eene wonderbaarlijke wijze hadden verschalkt. Het scheen dat hij door ons stilzwijgen in de grot bijtijds afgetrokken was.Toen wij eens op het droge waren, bleven wij eenige minuten ademloos liggen. Hoe mijn metgezel er over dacht, vertelde hij niet: maarikgevoelde een innige dankbaarheidenhernieuwde mijne geloften tot beterschap: ik heb alle reden om aan te nemen dat Charles, die zeker niet zooveel op zijn geweten had als ik, wel met gelijksoortige gedachten vervuld was. Nooit herhaalden wij later een zoo gevaarlijk amusement, ofschoon wij dikwijls nog over onze uitredding spraken en over onzen angst lachten; doch een dergelijk gesprek stemde ons altijd ernstig; en in ’t geheel genomen was het avontuur ons heilzaam.Na een verblijf van zes maanden op deze eilanden, was mijn gezondheid weer volkomen hersteld, en begon ik naar bezigheid te verlangen. Het schitterend geluk van onzen schout-bij-nacht te Washington, deed mij verlangen naar een aandeel in de eer en roem, die mijne wapenbroeders op de kust van Noord-Amerika verwierven; doch het noodlot had anders voor mij beslist.Een der fregattenbezocht het eiland om schildpadden in te nemen; en toen ik mijne omstandigheden aan den commandant had verteld, bood hij mij logies aan boord aan, mij te gelijk mededeelende, dat hij zuidwaarts ging om eenen anderen kruiser te vervangen, die dan naar Engeland zou terugkeeren, van welke gelegenheid om mede te gaan, ik ongetwijfeld zou kunnen gebruik maken. Ik maakte mij dus tot een spoedig vertrek gereed, nam afscheid van mijne goedhartige vrienden in het kampement en van de vele familiën op het eiland, waar aan huis ik de meeste gastvrijheid had ondervonden.Wij vertrokken; met matige koelte en schoon weder namen wijbinnen eenige dagen een groot Amerikaansch schip, dat, in de hoop onze kruisers mis te loopen, langs een grooten omweg van de Fransche kust kwam; het was vierhonderd ton groot, diep en kostbaar geladen en bestemd naar Laguayra. De commandant ontbood mij bij zich, en vroeg of ik, als prijsmeester, het schip naar Engeland wilde overbrengen. Dit voorstel bekoorde mij, en ik stemde toe, onder voorwaarde dat ik een bootsmansmaat, Thomson genaamd, mede zoude krijgen; dit was een oud scheepsgezel van mij, samen hadden wij bij de geschiedenis van Rochefort in de giek gezeten; hij was een flinke, stevige, kalme, gespierde Schot, van Aberdeen afkomstig, en een man, op wien ik in tijd van nood volkomen staat zou kunnen maken. Hij werd aangewezen, om met mij mede te gaan, en de noodige voorraad eetwaren en drank werd nog overgescheept. Ik ontving mijne zeilorders en nam afscheid van mijnen nieuwen commandant, dien ik in dien korten tijd als een goed zeeman en bekwaam officier had leeren hoogschatten.Toen ik op den prijs aan boord stapte, vond ik de gansche bemanning druk in de weer met het inpakken van hun goed en viel het mij op, dat zij zoo’n bijzonderen voortgang maakten met het inladen daarvan in de sloep, die hen als gevangenen naar het fregat zou overbrengen. Zoodra hun vergund was daarin te stappen, deden zij dit met een overhaasting, die mij later eerstverklaarbaarwerd. Mijne lastgeving hield in den kapitein en een der matrozen aan boord te houden, ten behoeve der prijsverklaring voor het admiraliteitshof.In de drukte, die mij het spoedig voortzetten der reis gaf, had ik dit gedeelte van mijne orders over het hoofd gezien en verzuimde ik de sloep weg te zenden, tot de jonge adelborst, die er inzat, mij vroeg of hij met de gevangenen kon afsteken. Ik kwam daarop aan dek, en ze allen met hunne kisten en kooien in de sloep ziende zitten, viel het mij te binnen, dat de kapitein blijven moest, en liet ik dus hem en een van zijn volk met hunne kleederen terugkomen. Met blijkbaren tegenzin werd aan dien last, door den adelborst nog eens herhaald, voldaan; het goed werd hun nagemand op dek, en toen het sein van het fregat, daar het reeds donker was bestaande in eene van den gaffel geheschen lantaarn, herhaald werd, stak men haastig af en zag ik weldra niets meer van hen.»Houd de sloep aan!—In ’s hemels naam, houd de sloep aan!” riep de kapitein.»Waarvoor zou ik de sloep aanhouden?” vroeg ik. »Mijne bevelen zijn duidelijk; gij moet bij mij blijven.”Daarop ging ik een paar minuten naar omlaag en werd door den kapitein gevolgd.»Als gij uw leven lief hebt, mijnheer,” zeide hij, »laat dan de sloep terugkomen.”»Waarom toch?” vroeg ik dringend.»Omdat, sir,” zeide hij, »het schip door het volk lek is gemaakt, en binnen weinige uren zal zinken: gij kunt het niet voorkomen, want het kan onmogelijk gestopt worden.”Thans zag ik duidelijk in, hoe noodig het was om eene sloep bij ons te hebben; maar nu was het te laat, de onze was buiten bereik. De lantaren, die gediend had tot sein om haar terug te roepen, was neer, ten bewijze dat zij aan boord was aangekomen. Ik heesch twee lichten aan den bezaanstop en gaf bevel een geweer af te schieten; maar ongelukkig waren er met de sloep, die mij overgevoerd had, geene patronen medegegaan, of wel men had die bij vergissing weer teruggevoerd. Een van de lichten woei uit en het andere werd door het fregat niet opgemerkt. Wij heschen een ander licht, doch ook dit trok de aandacht niet: blijkbaar was het fregat reeds verre. Wij zeilden zoo snel mogelijk er achter aan, in de hoop nog gedurende den nacht gezien te worden, of althans, indien wij den volgenden morgen nog drijvende waren, opgevischt te zullen worden.Maar mijn schip, dat reeds diep geladen was, begon hoe langer hoe meer water te maken en liep daardoor niet meer dan eene vier-mijls vaart. Alle hoop, het fregat in te halen, vervloog dus. Toen trachtte ik van den kapitein te weten te komen, waar zich de lekken bevonden, opdat wij die nog zouden kunnen stoppen; maar hij had zich zoozeer aan den drank te buiten gegaan, dat er niets dan onsamenhangende woorden uit hem te krijgen waren. Toen werd de arme zwarte, die te zamen met den kapitein aangehouden was, in verhoor genomen. Wij vernamen daarop alleen, dat, toen het schip te Bordeaux lag, de kapitein zoo laag mogelijk in den bodem, gaten had laten boren, zoodat hij op een gegeven oogenblik de stoppen er uit kon trekken, daarbij een duren eed doende, dat het nooit een Engelsche haven zou binnenloopen. Hij wist de juiste plaats van de lekken niet, schoon het voor mij nu duidelijk was, dat zij zoowel in het achter- als in het voorschip waren, zeerlaag en nu reeds diep onder water, zoo van binnen als van buiten. De zwarte voegde er bij, dat de kapitein zelf het water had ingelaten, maar meer wist hij niet.Nogmaals beproefde ik den kapitein tot de eene of andere handeling in ons belang aan te sporen, maar hij was veel te ver weg, om hem iets aan ’t verstand te kunnen brengen; hij had zich in het vooruitzicht van den dood bedronken, omdat hij vreesde nuchter de eeuwigheid in te gaan, iets waar zeer veel zeelieden wat tegen schijnen te hebben.»Och loop rondom; verd....! wie zit er in de knoei om dood te gaan? Ik niet. Ik heb gezworen, dat hij nooit eene Britsche haven zou binnenloopen, en dat zal hij nu wel niet doen.”Toen begon hij te vloeken en te razen en viel op het laatst stomdronken op dek neer.Daarop riep ik al mijne manschappen bijeen, en nadat ik hun het hachelijke van onzen toestand had blootgelegd, oordeelden wij dat het noodig was met den meesten spoed de groote boot, die nog op het dek stond, uit te zetten en voor eene reis van eenigen duur van alles te voorzien. Onze kleeren, hard brood, gezouten vleesch en drinkwater werden er in gestuwd, en ik verzuimde niet mijn sextant en kijker er in te doen leggen. Den sterken drank, die in de kajuit was, vertrouwde ik toe aan de zorg van den adelborst, die met mij medegekomen was; geheel gereed en voorzien van haar emmerzeil, maakten wij de boot aan twee zware sleepers vast en lieten haar achteraan zakken, met vier man er in, terwijl wij nog steeds in het vermoedelijk vaarwater van het fregat, tot het aanbreken van den dag, bleven doorzeilen.Die lang gewenschte tijd brak aan, maar er was, zelfs van top, geen fregat meer te zien. Ons schip zakte dieper en dieper, en wij maakten ons gereed om in de boot te gaan. Ik berekende, dat de naaste kust van Zuid-Amerika zevenhonderd Engelsche mijlen van ons af was, en dat wij nog ééns zoover van Rio Janeiro waren verwijderd. Ik liet daarom geenszins den moed zakken, want betrekkelijk waren wij voor alle omstandigheden, die zich konden voordoen, vrij wel gewapend; en mijn moed wist ik aan mijne manschappen zoo volkomen mede te deelen, dat zij vol vertrouwen in mij stelden en mij in alles met de grootste gewilligheid en voortvarendheid gehoorzaamden, behalve op een enkel punt.Naar alle waarschijnlijkheid zou het schip het niet langer dan hoogstensnog twee uren drijvende kunnen houden; ik besloot daarom tot het verlaten over te gaan en liet de boot langs zijde ophalen. De bemanning ging er in, zette den mast op, haakte de ra van het emmerzeil in, op mijn bevel wachtende om dit op te hijschen; en zonder dat ik daaromtrent orders had gegeven, hadden zij mijn mantel op de hoekplaats achterin gemakkelijk voor mij uitgespreid. Ook de kapitein wilde zich in de sloep laten afzakken, maar de matrozen weerden hem terug met slagen en stompen en uitjouwingen, heftig zwerende, dat hij overboord zou geworpen worden, indien hij het waagde om er in te komen. Ofschoon ik, in zeker opzicht, hunne verbittering deelen moest, kon ik het toch niet over mij verkrijgen een medeschepsel op zoodanige wijze aan zijn vreeselijk noodlot over te laten, zelfs al werd dit zóó het graf dat hij voor anderen gedolven had.»Hij verdient te sterven; het is alles zijn werk,” riepen zij. »Mijnheer! komt uzelf in de boot, of wij zouden zonder u moeten afsteken.”De arme kapitein,—die in de vier uren slaap, die hij genomen had, weer tot bezinning was gekomen en thans al het afgrijselijke van zijnen toestand besefte,—weende, jammerde, trok zich de haren uit het hoofd en klemde zich aan mij vast, zoodat hij met geweld moest losgescheurd worden. Hij hechtte aan het leven met eene kracht, die ik nooit bij een ter dood veroordeelden misdadiger zoo aangetroffen heb; hij knielde voor mij neder en beriep zich bij allen te zamen, en dan weer bij ieder afzonderlijk, op hunne betere gevoelens; hij bad ons te denken om zijne te Baltimore wonende vrouw en ongelukkige kinderen, zooals wij wel om de onzen zouden denken.Ik was tot tranen toe bewogen; maar mijne manschappen hoorden hem met onverstoorbare onverschilligheid aan. Twee hunner duwden hem naar het andere boord toe; en vóór hij van den smak, dien hij maakte, bekomen was, drongen zij mij in de boot en staken daarmede af. De ongelukkige was intusschen weer aan onze zijde van het schip gekropen, en op zijne knieën in den valreep liggende, weeklaagde hij: »O, hulp, medelijden, genade!—Om Gods wil, hebt medelijden met mij, zooals gij dit zelf verwacht!—O God! mijne vrouw en kindertjes!”Het spijt mij te moeten verklaren, dat zijne smeekingen geen indruk maakten op de verbitterde matrozen. Toen verviel hij in vloeken en verwenschingen, klaarblijkelijk van zijne zinnen beroofd; en in dien toestand bleef hij eenigen tijd, terwijl de boot nog op zijde lag, alleendoor den voorsten man met den haak vastgehouden. Heimelijk had ik mij voorgenomen hem niet aan zijn lot over te laten, ofschoon ik voorzag, dat dit in de boot een oproer zou teweegbrengen. Ten laatste gaf ik bevel om af te zetten. De rampzalige kapitein, die tot op dat oogenblik nog eenige zwakke hoop kon overgehouden hebben, op grond van het stille medelijden, dat hij begreep dat ik voor hem gevoelde, gaf zich nu aan de vreeselijkste wanhoop over. Hij ging in den valreep zitten en staarde ons met doffe oogen na. Nooit zag ik treffender schouwspel van menschelijke ellende.Terwijl ik naar hem keek, sprong de zwarte, die tot het schip behoord had, Mungo geheeten, uit de boot te water en zwom naar het zinkende vaartuig terug. Een eind touw grijpende, dat buiten boord te water hing, klom hij daarmede op en ging naar zijnen ouden meester toe. Wij riepen hem toe terug te keeren, daar hij anders ook achtergelaten zou worden.»Neen, massa,” riep het trouwe schepsel terug, »ik wil niet weg: niet nemen master Green, niet nemen mij! Mungo veel jaren samen met massa kaptein; Mungo sterven met massa, en terug naar Guinea!”Ik voor mij vond, dat thans de les, die de kapitein te leeren had gekregen voor zijne verraderlijke en moorddadige bedoelingen, genoeg was. Ware ik in ernst van plan geweest den Amerikaan achter te laten, dan zou het gedrag van den armen Mungo mijn besef van plicht weer hebben doen ontwaken. Ik beval Thompson, die de sloep stuurde, het roer aan stuurboord en de boot weer langs zijde van het schip te leggen. Niet zoodra was dit bevel gegeven, of drie of vier van de matrozen sprongen met dreigende gebaren op en zwoeren, dat zij voor dien man niet terug wilden keeren, dat hij de oorzaak was van hunne ellende, en dat, als ik zijn lot verkoos te deelen, dit hun goed was, maar in de boot wilden zij hem niet hebben. Een hunner, woester dan de anderen, beproefde Thompson den helmstok te ontnemen; maar deze trouwe zeeman greep hem in den kraag en slingerde hem met een ruk overboord. De overigen kwamen naar achteren, om deze behandeling van hunnen aanvoerder te wreken; doch ik trok mijn degen, en dezen den naast-bij-zijnden muiteling op de borst zettende, gelastte ik hem, op straffe van onmiddellijk doorstoken te worden, naar zijne doft terug te keeren. Hij had al een en ander van mij gehoord en wist, dat ik in staat was het te doen.Door bedaarde fermeteit is men een oproermaker spoedig meester. Hij gehoorzaamde, doch met blijkbaren tegenzin, en ik hoorde verscheidene oproerige uitdrukkingen onder het volk. Een hunner zeide, dat ik hun officier niet was en dat ik niet eens op het fregat behoorde.Ik trok mijn degen en zette deze den muiteling op de borst.Ik trok mijn degen en zette deze den muiteling op de borst.Pag. 216.»Dat,” antwoordde ik, »is eene zaak, waarover ik u niet vergun een oordeel te vellen. Ik bezit eene aanstelling van ’s konings eersten lord van de Admiraliteit, of althans in zijnen naam onderteekend. Uw commandant, en de mijne tevens, is op dezelfde wijze aangesteld. Op dit gezag berusten mijne handelingen. Kome op, wie dit durft betwisten,—en ik laat hem nog opknoopen aan de ra van het zinkende schip;” en naar den man ziende, die door Thompson overboord was geworpen en zich aan den rand van de boot vasthield, zonder er in te durven komen, vroeg ik hem, of hij voornemens was te gehoorzamen, ja of neen? Hij antwoordde van ja, en hoopte dat ik hem vergiffenis zou schenken. Ik zeide hierop, dat mijne vergiffenis geheel afhankelijk was van het gedrag van hemzelf en de overigen; dat hij niet moest vergeten, dat wanneer wij door ons eigen of eenig ander oorlogsschip werden opgenomen, hij en nog drie of vier der overigen reeds genoeg op hun geweten hadden, om voor muiterij opgehangen te worden; en dat niets dan hunne volkomene gehoorzaamheid voor het vervolge hen bij het bereiken eener haven voor die straf zou kunnen vrijwaren.Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De schuldigen verzochten allen vergeving en gaven mij de beste verzekeringen voor hunne toekomstige onderdanigheid.Dit alles gebeurde op korten afstand van het wrak en kon aldaar gehoord worden; en terwijl het gaande was, nam de wind, die frisch gewaaid had toen wij afstaken, langzaam af en kwam uit het zuidwesten zeer flauw naar het zinkende schip toe. Van deze omstandigheid maakte ik gebruik om eene zedepreek te houden. Toen ik hen onderworpen had en een weinig op hun gevoel had weten te werken, zeide ik, dat ik wreedheid nog nooit eenig goeds had zien teweegbrengen; dat, wanneer ergens een schip of eene boot een man had achtergelaten, die gered had kunnen worden, die wreede handeling steeds door allerlei ongelukken en totalen ondergang gevolgd was; dat ik heilig overtuigd was, dat wij het gevaar, waarin wij ons nu bevonden, nooit zouden doorkomen, als wij geen medelijden toonden met onze natuurgenooten. »God,” zeide ik, »is ons genadig geweest door ons, in dezen dreigendennood, een uitmuntende boot te geven voor onze redding en het is alsof Hij nu tot ons zegt: »Ga terug naar het wrak en neem uwen kameraad in het ongeluk op.” De wind wijst ons juist daarheen, en is juist tegen de koerslijn in, die wij hadden willen sturen; haasten wij ons dus,” vervolgde ik, »aan den Goddelijken wil te gehoorzamen; doet uw plicht en vertrouwt voor het overige op God. Dan zal ik mij trotsch gevoelen om over u het bevel te voeren, dan twijfel ik niet u veilig binnen te brengen.”Dit gaf den doorslag; vlug grepen zij naar de riemen en roeiden met krachtige slagen naar het wrak terug. De arme kapitein, die van alles getuige was geweest, wachtte de uitkomst van mijn pleit voor hem in angstige spanning af. Nauwelijks raakte de boot met zijn steven het schip aan, of hij sprong er in, viel op zijne knieën, en dankte overluid God voor zijne uitredding. Toen viel hij mij om den hals, omhelsde en kuste mij en weende als een kind. Onderwijl sprongen de matrozen, die nooit haatdragend zijn, uit eigen beweging aan boord terug en haalden zijn goed af; en toen Mungo zijnen meester gevolgd was, schudden allen hem de hand en zwoeren, dat hij in Guinea terugkomende, een zwarte prins zou worden. Verder maakten wij van de gelegenheid gebruik om nog een en ander van het schip in de boot over te nemen, wat ons mogelijk nuttig kon zijn en bij het vorige, haastige vertrek over het hoofd was gezien.Nu staken wij voor goed af; en wij waren nog geen tweehonderd el van het schip, toen dit geweldig ging overhellen, weder recht kwam, om daarop over de andere zijde te hellen; toen, alsof het leefde en gevoel bezat, gaf het een laatsten stamp en ging, met den neus het eerst, in de peillooze diepte naar omlaag. Nauwelijks hadden wij den tijd gehad om dit treffende schouwspel aan te zien, toen de wind weer aanwakkerde uit zijn ouden hoek, het Oosten.»Ziedaar,” zeide ik, »de hemel heeft zich reeds vóór ons verklaard. Daar hebben wij onzen goeden wind terug.”En ons zeil weer geheschen hebbende, zetten wij koers op Kaap St. Thomas en in opgeruimde en dankbare stemming deelden wij ons eenvoudig middagmaal uit.Achttiende hoofdstuk.Het weder was schoon, de zee tamelijk kalm, en daar wij over een voldoenden voorraad levensmiddelen en water konden beschikken, was ons lijden niet groot, daar onze zorg alleen bestond, in vrees voor verandering van den wind en de kennis van onzen onzekeren toestand. Den vijfden dag na ons verlaten van het wrak ontdekten wij op grooten afstand land. Ik wist, dat dit het eiland Trinidad en de rotsen van Martin Vas zijn moesten. Dit eiland, gelegen op 20° Zuiderbreedte en 30° Westerlengte, behoort men niet te verwarren met dat van gelijke benaming op de kust van Terra Firma in de West-Indiën, dat nu eene Engelsche bezitting is.Bij het raadplegen van Horsburgh,1dien ik bij mij in de boot had, bevond ik, dat het eiland vóór ons vroeger door Portugeezen bewoond geweest, maar sedert lang verlaten was. Den geheelen nacht door bleef ik er op aan sturen, tot wij duidelijk de branding tegen de rotsen konden hooren, toen stak ik bij den wind op aan de loefzijde van het land, op deze wijze het aanbreken van den dag afwachtende.Het daglicht bescheen een steile, ruwgevormde, grauwe kust, met hooge en scherp gepunte rotsen, die uittartend nederzagen op de onbevredigbare en woeste golven, welke aanhoudend aan hunne voeten braken en daarna weer terugrolden om dergelijke slagen tot in het oneindige te herhalen. Eeuw in eeuw uit waren zij dus aan het werk geweest, eeuw in eeuw uit zouden zij alzoo voortgaan, zonder eenige, voor het menschelijk oog waarneembare, schade te veroorzaken. Op dat deel der kust, dat wij nu voor ons zagen, was landen eene onmogelijkheid, en daarom zeilden wij den wal langs in de hoop ergens een inham te vinden, waar wij met onze boot binnen konden komen, om haar daar vast te leggen. Het eiland scheen ongeveer negen mijlen lang, was blijkbaar van vulkanischen oorsprong en eene verzameling van rotsige hoogten, die zeven honderd voeten boven de oppervlakte derzee uitstaken. Hetwas kaal, behalve op de toppen der heuvels, waar enkele boomen eene kroon vormden, die prachtig en frisch scheen, maar het oog tergde, daar zij onbereikbaar was. Zelfs in geval ik eene landingsplaats gevonden had, betwijfel ik of ik er wel gebruik van zou gemaakt hebben, daar het eiland niets scheen voort te brengen, wat voor ons eenige waarde had, terwijl elk oponthoud noodeloos onzen levensvoorraad zou doen verminderen. Er was nergens een levend wezen te bespeuren, en om zóó nabij te komen, dat wij eene landingsplaats zouden kunnen onderscheiden, was hoogst gevaarlijk.Dit zeer eenvoudige vooruitzicht gaf mij aanleiding tot de overweging om onze reis tot Rio Janeiro te vervolgen. Doch mijn volk was van eene andere meening. Zij vonden, dat zij lang genoeg achtereen, stijf op elkaar, op het water hadden doorgebracht, en gaven de voorkeur aan een verblijf op het eiland boven het langer wagen van hun leven in zoo’n zwakke boot op den wijden Oceaan. Nog waren wij aan het beraadslagen, toen wij langs een smalle zandstrook kwamen, waarop wij twee wilde varkens zagen loopen, die klaarblijkelijk bezig waren om zich met schaaldieren te voeden; dit besliste de zaak geheel en al, en ik stemde toe om onder de lij van het eiland langs te loopen en aan dien kant naar eene landingsplaats uit te zien. Volgens aanwijzing van Horsburgh liepen wij de Westpunt om, zoekende naar de bocht bij de Kegel-rots. Toen deze zich voor ons opende, was het een onbeschrijfelijk schoon gezicht, dat misschien nergens ter wereld zijne weergade vindt. Een enorme rots verhief zich bijna loodrecht uit de zee, tot een hoogte van negen honderd of duizend voet. Zij had aan debasisnagenoeg dezelfde afmetingen als aan den top en kwam in vorm volkomen overeen met eenen kegel; vandaar haren naam. De zijden waren glad, tot boven toe, de top was met groen bedekt en was zoo ver ons verwijderd, dat de zeevogels, die er bij duizenden omheen vlogen, reeds op twee derden van den afstand nauwelijks zichtbaar waren. Hevig werd de voet der rots door de zee gebeukt—sedert eeuwen waren de vogels in eindelooze verscheidenheid de ongestoorde bewoners van dit natuurlijke gedenkteeken geweest: elke eenigszins ruwe of uitstekende punt was met guano bedekt, en het scheen mij eene wonderbaarlijke speling der natuur toe, welke deze massa geplaatst had in den stand, dien zij behield, in weerwil van de uiterste krachtinspanning van den wind en de golven van den grooten Oceaan.Een ander vreemd verschijnsel deed zich voor aan den anderen kant van de baai. Hier was de lava naar zee gestroomd en had aldaar eene laag gevormd; een tweede stroom van gesmolten rots was over de eerste heengegaan, doch zoo snel afgekoeld, dat geene vereeniging meer kon plaats vinden en de tusschengelegen ruimte met water volliep. Met geweld stoof telkens de zee tusschen de twee lagen door en spatte prachtig, door allerlei openingen, die zich in de bovenste bevonden, tot eene hoogte van soms wel zestig voet op, als waren het de waterstralen van eene school walvisschen, maar met een geluid en eene kracht, die oneindig grooter waren. Het geraas was in werkelijkheid vreeselijk, hol en ontzagwekkend. Ik kon niet nalaten om zwijgend dit tooneel te bewonderen, en mijn hart gevoelde zich klein bij het bedenken van mijne eigene onbeduidendheid, dwaasheid en verdorvenheid.Terwijl wij nu voortgingen de kust te houden, op den uitkijk naar onze landingsplaats, klaar om het zeil te strijken, scheen de Amerikaansche kapitein, die naast den man aan het roer zat, aandachtig op een punt te staren aan bakboordszijde buiten de boot. Eensklaps riep hij: »Bakboord het roer, kerel, bakboord, aan boord!” Deze woorden deed hij samengaan met een duw aan den helmstok, welke den ander bijna overboord deed slaan. Te gelijk lichtte eene hooge zee de boot op, en eenige ellen rechts voorbij eene puntige rots, die gelijk met de waterlijn kwam en onze aandacht ontgaan was, en waarvan het bestaan slechts door den Amerikaanschen kapitein vermoed was (omdat op sommige dergelijke steenen de zee slechts zeer zeldzaam breekt). Hierop zouden wij stellig en zeker verbrijzeld zijn, als het gevaar niet gezien en vermeden was geworden door de vlugge en handige overlegging van het roer; een oogenblik later, en een voet dichter bij, en reddeloos zouden wij weg geweest zijn.»Genadige Hemel!” riep ik uit, »wat heeft het lot toch met mij voor? Hoe kan ik dankbaar genoeg zijn voor zooveel goedheid!” Ik dankte den Amerikaan voor zijn opletten en vertelde mijnen manschappen, hoeveel zij hem verschuldigd waren en hoe hij thans ruim terugbetaald had, wat hij ons verplicht was voor zijne redding van het wrak.»Ach, luitenant!” zeide de arme man, »het is maar een kleine wederdienst, dien ik bewees voor de goedheid, mij door u betoond.”Het water was nu weer zeer diep, daar de rotsen steil opliepen; daarom streken wij het zeil, legden de riemen toe en roeiden nader, om een goed plekje te vinden. Diep de baai in ontdekten wij het wrak van een schip, dat op het droge zat. Het was middendoor gebroken en scheen gekoperd te zijn. Dit vermeerderde het verlangen mijner matrozen om aan land te komen; wij kwamen met de boot nader-bij, doch bevonden, dat deze stukgeslagen zou worden, als wij er den wal mede oploopen wilden. Onze jonker stelde voor, dat een onzer naar het strand zou zwemmen en dan van eene of andere hoogte af een plaatsje zou uitzoeken en aanwijzen, waar de boot in kon komen. Dit keurde ik goed, en de kwartiermeester ontkleedde zich voor zoover noodig. Ik bond hem eene loodlijn onder de armen vast, zoodat wij hem daaraan zouden kunnen terughalen, in geval hij uitgeput mocht raken. Met het grootste gemak ging hij door het eerste gedeelte van de branding, doch in de brekers gekomen, kon hij niet verder; wanneer hij voor een oogenblik den grond met zijne voeten raakte, werd hij door de terugloopende zee, of wat de matrozen noemden den onderstroom, met groote vaart achterwaarts geworpen, tot hij weer in den laatsten roller terechtkwam.Driemaal werd het door den onversaagden man beproefd, steeds met denzelfden uitslag. Ten laatste zagen wij hem zinken en hadden veel moeite hem aan de lijn nog levend in de boot terug te trekken. Thans stelde de adelborst voor om het zelf te beproeven, zonder de lijn, omdat deze den eersten zwemmer zeer in zijne bewegingen belemmerd had; dit was werkelijk het geval geweest, doch ik wilde hem niet aan dit gevaar blootstellen, en wij bleven nu langs den wal doorroeien, tot wij aan een rots kwamen, waarop de branding bijzonder hoog stond, en die wij bij gevolg niet te na kwamen. Wij ontdekten, dat deze rots vroeger aan het eiland moest vastgezeten hebben en op eene of andere wijze daarvan losgeraakt was; daarachter zagen wij, tot onze groote vreugde, kalm water; wij roeiden binnen, en het kostte ons thans weinig moeite om te landen. Na de boot voor dreg gelegd en twee man voor de bewaking er in gelaten te hebben, ging ik met de overigen op het onderzoeken van den omtrek uit. Natuurlijk werd het eerst onze aandacht bepaald bij het wrak, waar wij langs waren gekomen, en na een kwartier lang geklauterd te hebben over allerlei vormelooze, hoekige, losse steenen of rotsblokken, die van de naastehoogte afgebroken waren en over het strand verspreid lagen, bereikten wij die plaats.Het wrak was dat van een mooien, gekoperden schoener, van omtrent honderdentachtig tonnen inhoud. Met geweldige kracht was hij op den wal gesmeten, en zat daar eenige ellen boven hoogwaterpeil. De masten en rondhouten, zoomede een groot deel der lading lagen in alle richtingen over het naaste strand verspreid. Deze laatste bestond uit snuisterijen, aardewerk en muziekinstrumenten, violen, klarinetten, fluiten enz. Enkele overblijfsels van boeken, die ik vond en opraapte, bleken Fransche romans te zijn. Dicht bij het wrak, op eene kleine verhevenheid, vonden wij een viertal hutten, zeer ruw samengesteld uit aangespoelde planken van het scheepje; iets verder, zagen wij eenige graven naast elkander, ieder door een kruis aangewezen. Ik onderzocht de hutten, die ruwe overblijfsels van menschelijke bewoning bevatten: een paar banken en tafels, hoogst eenvoudig bekapt en in elkaar geslagen, beenderen van geiten en wilde varkens met de sporen van uitgebrand vuur. Niets echter konden wij te weten komen van den naam van schip of eigenaar, noch waren er namen op de begraafplaats vermeld, of eenig teeken of nummer op den spiegel van het scheepje geverfd of ingesneden, waaruit wij iets hadden kunnen opmaken.Dit met opzet verbergen van alles wat inlichting zou geven, gaf ons bij nadenken nu juist volkomen aan wat wij verlangden te weten: de haven van vertrek, de bestemming en den aard der lading. Daar de schoener op de zuidwestzijde van het eiland zat, met den kop om de noord-oost, was hij buiten twijfel op weg van Rio Janeiro naar de kust van Afrika, gedurende den nacht, verongelukt. Dat hij voornemens was eene lading slaven te halen, was even zeker, niet alleen om de prullen, die hij nu aan boord had, maar ook om de inwendige verdeeling van het vaartuig en het groot aantal hand- en voetboeien, die wij overal zagen liggen, en die wij wisten, dat alleen gebezigd worden voor het vatten en in bedwang houden van de ongelukkige slachtoffers van dezen handel.Wij bleven in de hutten overnachten en verdeelden ons met het aanbreken van den morgen in drie partijen, ten einde in verschillende richtingen het eiland te gaan doorzoeken. Reeds eerder heb ik medegedeeld, dat wij wel in het bezit van geweren waren, doch geen kruit hadden; de kans om eenige geiten of varkens, waarvan het eiland wemelde,te schieten, was dus zeer gering. Eene partij zocht een weg om naar het hoogste punt van het eiland te komen; eene andere trok westwaarts de kust langs, terwijl ikzelf met twee anderen oostwaarts ging. Met veel moeite kwamen wij over verscheidene ravijnen heen, tot wij eene lange vlakte bereikten, die het eiland scheen middendoor te deelen.Hier werd onze aandacht getrokken door een wonderlijk en bedroevend verschijnsel. In het dal stonden duizenden boomen, van gemiddeld dertig voet hoogte; maar zij waren alle dood, en elke stam strekte zijne bladerlooze takken naar eene andere uit—het was een woud der verlatenheid, alsof de natuur op een gegeven oogenblik daaraan de groeikracht had onthouden! Noch lage struiken, noch gras vond men er. Op de laagste, doode takken hadden tal van zeevogels hunne nesten gebouwd. Zij waren bijzonder mak en schenen den mensch zoo weinig gewend te zijn, dat de wijfjes, die op de eieren zaten te broeden, alleen dreigend hunne bekken omhoog staken, toen wij voorbijgingen.Zich rekenschap te geven van de gelijktijdige verwoesting in dit uitgestrekte bosch was niet gemakkelijk, daar er volstrekt geene vette aardlaag ontbrak, om de wortels te voeden. Het kwam mij het meest waarschijnlijk voor, dat er in eens een aanhoudende stroom van zwaveldampen uit een krater was neergedaald; of anders dat met een ongewoon hevige storm het zeewater in groote massa den wal opgejaagd had en er veel zout bij de wortels was achtergebleven. Aan welke dezer beide oorzaken de schuld moest gegeven worden, laat ik ter beslissing aan den natuurkundige.Voor ons was het althans een troost te ervaren, dat wij geen gebrek aan voedsel zouden krijgen, daar de vogelnesten ons ruim van eieren en jongen van verschillenden leeftijd konden voorzien; met een goeden voorraad daarvan keerden wij naar ons punt van uitgang terug.De troep, die westwaarts getrokken was, meldde, dat zij vele varkens gezien hadden, doch geene kans zagen er een van te vangen; en zij die beproefd hadden, het hoogste punt te beklimmen, kwamen zeer vermoeid terug, terwijl een hunner vermist werd. Zij verklaarden den top van den berg bereikt te hebben; aldaar hadden zij eene groote vlakte ontdekt, omzoomd met varens van twaalf tot achttien voet hoogte. Ook hadden zij op die vlakte eene kudde geiten gezien, en daaronder een bok van bijzondere grootte, die de leider wel scheen; hij was wel zoo groot als een hit. Ook hier waren alle pogingenmislukt om er een te vatten. De matroos, die nu vermist werd, had de geiten verder vervolgd dan de overigen. Een tijdlang hadden zij op zijn terugkeer gewacht, doch hem niet weer ziende opdagen, meenden zij, dat hij wel een anderen weg naar de baai gevonden zou hebben. Dit verhaal stond mij niets aan; vreezende, dat den armen man een of ander ernstig ongeluk overkomen was, hielden wij gedurende den nacht, dien wij even als den vorigen in de hutten doorbrachten, de wacht en een goed vuur brandende. Van de wrakstukken hadden wij ruimen voorraad brandhout, en langs ons kleine dorp stroomde een beekje van helder water.Den volgenden morgen werd een troep uitgezonden om den vermiste te gaan zoeken, en eenige anderen gingen er op uit om jonge vogels voor ons middagmaal te vangen. De laatsten brachten daarvan een voorraad mede, voldoende voor twee of drie dagen; maar van de drie man, die hun verloren makker zouden zoeken, keerden er slechts twee bij ons weder. Zij verklaarden niets gevonden te hebben, maar dat hun derde man zeker het onderzoek nog voortgezet had, want zij waren hem kwijtgeraakt.Dit nieuws maakte ons weder zeer angstig en gaf aanleiding tot allerlei nieuwe onderstellingen, waarvan er eene de meeste aanhangers vond, namelijk dat er verscheurend gedierte op het eiland zou zijn, waarvan onze arme vrienden de prooi waren geworden. Ik besloot nu den volgenden morgen, zelf er op uit te gaan en een paar vertrouwde matrozen met mij te nemen. Ik heb verzuimd mede te deelen, dat wij bij het verlaten van het zinkende schip ook een aan boord zijnden poedel hadden medegenomen, ten eerste omdat ik niet over mij kon verkrijgen het arme beest te laten verdrinken, en ten tweede omdat wij in geval van nood, het dier nog voor ons zouden kunnen slachten. Hiertoe hadden wij het recht, en wel overeenkomstig het spreekwoord: »Dat het hemd nader is dan de rok.”Deze trouwe hond had zich bijzonder gehecht aan mij, die hem zijn dagelijksch voedsel gaf. Nooit liet hij mij alleen en volgde niemand anders; en ook op dezen tocht was hij mijn compagnon.Wij bereikten den top van den eersten berg, van waar wij de geiten zagen grazen op de vlakte, werwaarts wij ons nu ook wilden begeven, tot opsporing onzer vermiste makkers. Ik was mijne manschappen eenige passen vooruit, en kort vóór mij liep de hond langs een afgescheurdrotsblok, naast een afgrond. Het vak, dat ik oversteken moest, was ongeveer zes of zeven voet wijd, en tien of twaalf lang, met eene zoo flauwe glooiing naar het ravijn toe, dat ik mij volkomen veilig achtte. Een kleine waterstroom druppelde van de rots, die daar boven was, en viel, zich in het mos en de kruipplanten verliezende, over den afgrond naar beneden in een ontzettende diepte.Deze weg scheen volstrekt niet gevaarlijk, vergeleken bij andere gedeelten, die wij reeds voorbij waren, en juist zou ik er den voet op zetten, toen mijn hond vóór mij op de noodlottige plek sprong: ik zag de pooten uitglippen,—hij viel en verdween in de diepte! Ik vloog terug, hoorde een zwaren plof en een kort gehuil; daarop volgde nog een zachte kreet, en toen bleef alles stil. Met de grootste behoedzaamheid en op den buik voortkruipende, naderde ik nu den rand van het ravijn, alwaar ik opmerkte, dat het waterstroompje oorzaak was dat er eene dunne laag mos groeide, zóó dicht in een en zacht als fluweel, maar zóó glibberig dat de lichtste voetstap er onmogelijk op kon staande blijven; dit verklaarde het plotseling verdwijnen, en zooals ik nu wel denken moest, de onvermijdelijke dood van mijn hond.Mijne eerste gedachte was dankbaarheid voor mijn wonderdadig behoud; mijne tweede was een treurig voorgevoel van het lot mijner arme manschappen, die maar al te waarschijnlijk verminkt aan den voet van dezen berg lagen. Ik deelde mijn vermoeden mede aan de twee matrozen, die bij mij waren en mij intusschen hadden ingehaald. Hoe meer wij er over nadachten, des te meer verdween elke twijfel in onzen geest. Langs een glooiend slingerpad daalden wij af; en na een hoogst vermoeiende en gevaarlijke wandeling, die een uur vorderde, bereikten wij de plaats, waar ons aller vrees helaas! volkomen bevestigd werd. Hier lagen de twee lichamen mijner mannen en dat van mijn hond, onkenbaar verminkt: het scheen, dat beiden beproefd hadden over het mos te loopen, even zorgeloos als ik op het punt was geweest dit te doen, ware niet de hond mij vóór geweest. Peinzende keerde ik naar mijne manschappen aan de baai terug en deelde hun onze droevige ontdekking mede. Allen waren bewogen over het lot dat hunne kameraden getroffen had, en niet het minst de Amerikaansche kapitein, die Green heette.Inderdaad, zoolang wij dezen armen man bij ons in de boot gehad hadden, had hij zich geheel anders doen kennen, dan ik aanvankelijkvan hem gedacht had; steeds bedankte hij voor zijn rantsoen sterken drank, dien hij aan de matrozen weggaf; hij zweeg meestal en zat in gedachten verzonken; dikwijls zag ik dat hij in stilte bad, en bij die gelegenheden stoorde ik hem nooit. Andere keeren legde hij zich er op toe om zoo nuttig mogelijk te zijn. Hij naaide en lapte de kleeren en schoenen van het volk, of leerde hun daarin zich zelf te helpen. Viel er zwaar werk te verrichten, dan was hij steeds de eerste om te beginnen, de laatste om te eindigen; en zoover ging hij in zijne beleefde hulpvaardigheid, dat wij hem allen begonnen lief te hebben en met eerbied te behandelen. Wanneer wij op zee waren, nam hij met de meeste trouw en waakzaamheid een wacht waar.Geenszins was dit uit vrees of bezorgdheid voor slechte behandeling onder zoovele Engelschen, die door zijne houding in het ongeluk waren gebracht. Spoedig had hij eene gelegenheid om te toonen, dat de verandering in zijn gedrag het uitvloeisel was van hartzeer en berouw.Den volgenden morgen zond ik een troep langs het zeestrand rond, met last om den berg heen te gaan en de lijken onzer ongelukkige kameraden aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. De twee matrozen, die mij vergezeld hadden, waren mede voor dien dienst aangewezen; toen zij daarvan teruggekeerd waren, bracht ik hun onder het oog, hoe noodlottig ons verblijf op dit rampzalige eiland was geweest, en hoeveel beter het toch geweest zou zijn, als wij naar RiodeJaneiro waren doorgegaan, dat, slechts een tweehonderdvijftig mijlen verder, op dit oogenblik al reeds door ons bereikt kon zijn; dat wij nu het voornaamste deel onzer provisiën—sterken drank en tabak—opteerden; terwijl onze boot, onze laatste hoop, ons uiterste redmiddel, niet eens veilig lag, daar een storm haar kon vernielen. Op grond hiervan stelde ik voor om dadelijk toebereidselen voor ons vertrek te maken, wat met algemeene stemmen werd goedgekeurd.Het werk, datnogte verrichten viel, verdeelden wij onder elkander: sommigen gingen eene zeeprovisie jonge vogels vangen, die gedood en schoongemaakt werden; anderen vulden onze watervaten. Kapitein Green nam het toezicht over het tuig, de zeilen en riemen van de boot en zorgde, dat hieraan niets ontbrak. De overgebleven spiritualiën waren niet veel, en kapitein Green, de adelborst en ikzelf namen ons voor het ons daarvan toekomende aandeel voor buitengewone gevallen te bewaren. Drie dagen na den aanvang onzer toebereidselen, en eeneweek na onze aankomst, scheepten wij ons weder in, en na in de branding bijna omgeslagen en volgeloopen te zijn, heschen wij andermaal ons zeil op de wijde wateren van den Atlantischen Oceaan.Het was echter niet voorbeschikt, dat wij ditmaal veel gevaren zouden doorstaan of de kust van Zuid-Amerika zouden bereiken; want slechts weinige uren waren wij in het ruime sop, toen wij een schip in het zicht kregen; dit bleek, nader-bij komende, een brik, een Amerikaansche kaper te zijn, varende veertien stukken en honderdentachtig koppen, bestemd om te kruisen in den omtrek van de Kaap de Goede Hoop. Zoodra men ons gewaar werd, hield men op ons af, en een half uur later bevonden wij ons veilig aldaar aan boord; toen ook onze kleine voorraad goed op het dek was overgebracht, liet men de boot aan zijn lot over.Mijne manschappen werden zeer ruw behandeld, zoolang zij er niet in toestemden op den kaper dienst te nemen, waartoe zij allen na overreding en bedreigingen overgingen, niettegenstaande ik daartegen mij zoo krachtig mogelijk verzette en alles aanwendde om hen van zulk een noodlottigen stap terug te houden. AlleenThompson bleefdit weigeren.Ook bij den kaperkapitein protesteerde ik tegen deze schending der gastvrijheid. »Gij vondt mij,” zeide ik, »in volle zee, in eene zwakke boot, welke aanhoudend in gevaar verkeerde door eene hooge zee overstelpt of door een dartelen walvisch omgeslagen te worden. Gij hebt mij en mijn volk opgenomen met alle medelijden en vriendschap, die wij slechts verwachten konden; maar dit alles doet gij weer te niet door mijne manschappen over te halen tot ontrouw aan hun wettigen vorst, door hen te dwingen om rebellen te worden en hen dus bloot te stellen aan de hoogst mogelijke straf, die hen wacht, als wij (waar zeer veel kans voor bestaat) weer in handen van onze landgenooten vallen mochten.De kapitein, die een ruwe, doch verstandige en helderziende Yankee was, antwoordde: dat het hem leed deed dat ik de zaak op deze wijzeopnam; dat hij volstrekt geene beleediging bedoelde; dat hij niets met mijne manschappen te doen wilde hebben, vóór zij zich uit eigen beweging kwamen aanbieden om onder hem te dienen; dat hij echter niet had kunnen voorkomen, dat eenigen van zijn eigen volk mijne matrozen tot dezen stap hadden overgehaald. »En nu, mijnheer de luitenant,”zeide hij, »laat ik u eene vraag stellen. Neem aan, dat gij een Engelsch schip commandeerdet, en ik had het ongeluk gehad door u genomen te worden, en tien of twaalf van mijne matrozen boden zich aan bij u dienst te nemen, opgevende te Newcastle thuis te behooren, zoudt gij ze dan weigeren? Buitendien, vóórdat de oorlog begon, zaagt gij er geen bezwaar in om van onze koopvaarders volk over te nemen,—zelfs onze oorlogsschepen waren daarvoor niet veilig, wanneer gij er kans toe zaagt. Zeg nu eens open en eerlijk, wat het onderscheid is tusschen uwe handeling en de onze?”Hierop antwoordde ik: dat het niet gemakkelijk was hieromtrent iets te zeggen, doch dat zelfs al ware zulks het geval, het dan voor ons weinig nut zoude opleveren om eene dergelijke quaestie te behandelen, die wijzer menschen, dan wij waren, zoowel in zijn land als het mijne, in de laatste twintig jaren reeds veel hoofdbrekens had gekost; dat het hier een op zichzelf staand geval betrof, dat afzonderlijk behoorde uitgemaakt te worden; dat de oorlogskansen mij in zijne macht hadden gebracht, en hij een slecht gebruik had gemaakt van het tijdelijke voordeel, dat hij genoot, door toe te staan, dat mijne menschen, die toch slechts arme, bekrompen schepsels waren, tot plichtverzaking werden verleid en overgehaald hun vlag te verlaten en hoogverraad te plegen, waardoor zij hun leven verbeurden en hunne gezinnen in het ongeluk stortten; dat, wat ook zijne regeering of de mijne vroeger gedaan mochten hebben, welke gedragslijn ook gevolgd werd door dezen of genen commandant, geen vorige zaak recht kon maken wat onrecht was; en verder liet ik het aan hemzelf over (ziende, dat mij niets anders overbleef) om te zeggen of hij nu deed, wat hij wenschen zoude, dat hem geschiedde.»O, wat dat betreft,” zeide de kapitein, »daarom bekommeren wij kapers ons niet zoo bijzonder; wij denken vooral om nummer één; en als uwe matrozen nu verkiezen te vertellen, dat zij van Boston vandaan zijn en op mijn schip willen dienen, dan moet ik hen aannemen. Wel,” vervolgde hij, »daar is de beste van uw volk, Thompson; ik verwed er een vaatje oude Jamaica-rum onder, dat hij een geboren Yankee is, die, als hij volgens zijn hart te werk ging liever onder Amerikaansche, dan onder Engelsche vlag zou willen vechten.”»Zij kunnen voor mijn part opd......, die zoo iets van Jack Thompson zeggen,” gaf de Schot, die dit gehoord had, ten antwoord; »ik bennog nooit van m’n leven overgeloopen, en dat zal me ook niet gauw gebeuren. Ik heb u en uwe stuurlieden maar één stuk raad te geven, kaptein. Ik ben een bedaard man en zal nooit iemand kwaad doen, als het niet in een eerlijk vechten is; maar als òf gij, òf iemand van uw volk probeeren om mij om te koopen, of op eenigerlei wijze mij ontrouw willen maken aan mijn koning of aan mijn land, dan zal ik hem, als ik er kans toe zie, plat in elkaar trappen als eene schol; en al kan ik het niet, dan zal ik het toch beproeven.”»Dat is goed gezegd,” sprak de kapitein, »en ik prijs u daarvoor. Gij kunt er op rekenen, dat ik u niet verzoeken zal, en als een van mijn volk het doet, dan moet hij maar ondervinden wat er op staat.”Kapitein Green hoorde dit gesprek aan; hij nam er geen deel in, maar liep op de hem eigene, peinzende wijze, op het dek op en neer. Toen de kapitein van den kaper naar omlaag was gegaan, kwam die ongelukkige man naar mij toe en merkte op:»Wat een flink stuk van een Engelschen matroos hebt gij daar bij u.”»Ja,” antwoordde ik, »hij is er nog een van het rechte soort; hij komt uit het land, waar de opvoeding der minvermogenden bijdraagt tot de veiligheid der rijken, waar men iemand er niet minder om acht, als hij zijn bijbel leest, en waar het meerendeel van de lagere standen grootgebracht is in alle eenvoudigheid van het vroegere Christendom.”»Ik houd het er voor,” zeide Green, »dat gij er in uwe marine niet veel zóó hebt.”»Meer dan gij denken zoudt,” hernam ik; »en wat u het vreemdst zal toeschijnen is, dat zij nooit deserteeren zullen, zelfs al zijn zij geprest geworden; en toch houdt men hen op veel lager gage, dan zij te voren hadden of dan zij krijgen konden, maar zij hebben een hoog begrip van zedelijkheid en godsdienstig gevoel, en dit houdt hen tot hunnen plicht.”»Maar in weerwil hiervan, moeten zij toch niet erg tevreden zijn,” zeide Green.»Dat behoeft daaruit juist niet te volgen,” zeide ik: »zij hebben in den zeedienst verschillende voordeelen, die zij elders missen. Voor langdurigen dienst en voor bekomen wonden verkrijgen zij pensioen, op hun ouden dag genieten zij veel geldelijke hulp, hunne weduwen en weezen ontvangen bescherming, zoowel van gouvernementswege als vanliefdadigheidsinrichtingenof rijke particulieren. Maar wij zullen dit gespreklater voortzetten,” vervolgde ik, »want ik zie daar het eten naar de kajuitopgedragen worden.”De kapitein van den kaper bewees mij alle eerbied en voorkomendheid, zooveel hij slechts kon. Veel hiervan had ik te danken aan Green en aan den zwarte, Mungo, die beiden mijn gedrag verheerlijkt hadden bij de redding van het leven van hem, die dat van ons allen in de waagschaal had gesteld. Greens dankbaarheid kende geene grenzen,—hij waakte over mij dag en nacht, zooals eene moeder over haren lieveling zoude waken; hij voorkwam elke behoefte, elken wensch, dien ik kon hebben en was nooit gelukkiger, dan wanneer hij dien kon bevredigen. De matrozen van de brik waren allen even vriendelijk en attent voor mij, zoo hoog waardeerden zij mijne handeling om het leven van hunnen landgenoot te redden, en mijn eigen leven te wagen in het onderdrukken van een oproer.Wij kruisten zuidwaarts en namen een paar prijzen, die echter geene groote waarde hadden. Een daarvan, een handelsvaartuig van Mozambique, werd vernield; met den ander, een slavenhaler van Madagaskar, wist de kapitein niet goed wat hij uitvoeren zou. Daarom scheepte hij slechts een tiental van de stevigste negers over, om in den dienst aan boord van den kaper te assisteeren, en liet verder dien prijs maar aan zijn lot over.1Een zeemansgids.

Zeventiende hoofdstuk.Zoodra de brik de haven van Nassau uitzeilde, zeilde ik mijn bed uit, en zoodra hij vrij van de havenhoofden was en zijne bramzeilen heesch, zette ik mijn hoed op en wandelde de deur uit. De officieren van het regiment, dat ter plaatse in garnizoen lag, waren zoo beleefd mij uit te noodigen aan hunne tafel deel te nemen, en de kolonel was nog bovendien zoo voorkomend, om mij goede vertrekken in het kampement aan te bieden. Zoodra het mij mogelijk was, verhuisde ik daarheen. Zeer spoedig kwam ik weer op krachten en was ik in staat aan de tafel te zitten met de vijfendertig meestal jonge officieren, die een vrolijk leven leidden, zonder zorgen voor den dag van morgen, en zich voor het overige de wereldsche zaken weinig aantrokken.Ofschoon ik lang niet onverschillig was voor de genoegens, die eene goede tafel aanbiedt, ging ik niet in alle opzichten mede in de zeer losbandige levenswijze mijner dischgenooten. Ik had eene betere opvoeding genoten dan het meerendeel der officieren en sloot mij, op grond van onze geestverwantschap, uitsluitend aan bij een zekeren Charles, een jeugdig luitenant van het garnizoen. Onze vriendschap nam door de nadere kennismaking toe en werd inniger, naarmate wij reden vonden om ons te ergeren aan de dwaasheden en verregaande onwetendheid der anderen. Gewoonlijk brachten wij onze morgens te zamen door met het lezen der classieken, het declameeren van Latijnsche verzen, afgewisseld met schermen of biljartspelen. Wanneer de hitte van den dag voorbij was, wandelden wij, legden bezoeken af bij de inwoners of doorzochten het eiland; ons streven daarbij was, zoover mogelijk de barakken te mijden en het aldaar wonende personeel, wier wijze van zich te vermaken zoo weinig in onzen smaak viel. Gewoonlijk toch begon voor de officieren de dag eerst tegen het middaguur, met een ontbijt; na hieraan gezamenlijk te hebben deelgenomen, zocht elk zijn kwartier weer op om de laatste romans te lezen, die in massa uit Engeland en Frankrijk werden uitgezonden en doorgaans van eene slechte strekking waren. Met deze lectuur zoo lui mogelijk achterover liggende, of daarbij indommelende, wisten zij het warmste deel van den dag doorte brengen; het overige gedeelte, totdat de bel voor het middagmaal luidde, werd klein gekregen met bij elkaar in te loopen en onbeduidende buurpraatjes te maken, of een ritje te paard om den noodigen eetlust op te doen. Tot vier uren in den morgen was het aanhoudend rooken en drinken; nooit werd het bed opgezocht, vóór men heel of half beschonken was; de parade, te negen uren des morgens, verplichtte hen op te staan met een brandend hoofd en eene dikke tong; zóó sprongen zij in zee, om door het verfrisschende bad wakker te worden, dat hen althans zoover bracht, dat zij zich voor het front van den troep konden overeind houden; na afloop van dit stuk gedwongen dienst zochten zij het bed weer op, om uit te slapen tot aan het ontbijt toe, op het middaguur.Zóó gingen onder hen de dagen voorbij. Is het nog te verwonderen, dat deze eilanden voor een Europeesch gestel noodlottig zijn, waar het klimaat elke buitensporigheid, die begaan wordt, steeds bestraft? De mindere manschappen volgden al te spoedig het voorbeeld, hun door de officieren gegeven, en ook onder hen heerschte eene evenredig groote sterfte; tot den geregelden morgendienst behoorde het delven van graven voor de slachtoffers, welke dien nacht waren opgeëischt. De zorgelooze onverschilligheid bij de officieren was zoo groot, dat de nadering, ja zelfs de zekerheid van den dood, hen niet eens tot ernstig nadenken opwekte.Steeds was ik des morgens vroeg op, eene gewoonte waaraan ik stellig mijne goede gezondheid te danken had. Een tropische ochtend, wanneer de lucht nog zoo aangenaam koel is, lokte mij altijd naar de marktplaats, waar de groote verscheidenheid van koopers en verkoopers al even belangwekkend was als de keur van prachtige vruchten en groenten die er sierlijk was uitgestald.De Babylonische spraakverwarring zou in het niet zijn verzonken bij het drukke gepraat en getwist op eene West-Indische markt. Men zag er zwarte vrouwen luid en zonder ophouden kakelen (want die dames zijn daarin volstrekt niet achterlijk bij hunne blanke zusters); hun stemgeluid vermengde zich met het geschreeuw van kinderen, parkieten en apen; overal krioelde het van zwarte jongens en meisjes, met vroolijke, levendige gezichten, ivoor witte tanden, sterk sprekende oogen en roode lippen. De koopsters daarentegen trof men er van alle nuances van kleur aan, van bruin, door geel tot bleek wit toe, allen de duidelijkebewijsstukken der vermenging van het Kaukasische met het Ethiopische ras, ten gevolge waarvan zich misschien de slechtste karaktertrekken, doch zeker ook de lichamelijke bekoorlijkheden der beide, zoo uiteenloopende rassen in deze vrouwen vereenigden.Het buitengewoon genotvolle baden is in deze streken volstrekt niet zonder gevaar. Op de zandbanken heeft men den steek te duchten van een soort van rog, die op het midden van den staart een scherpen haak heeft, en eene zoo ernstige wonde geeft, dat ik het heb bijgewoond dat iemand daarvan bijna twee dagen lang hevig ijlende was. In dieper water zijn de haaien niet alleen zeer talrijk, doch ook zeer vraatzuchtig; soms ging ik met een klein bootje op de jacht dezer monsters, gewapend met een harpoen en tot lokaas een groot stuk vleesch, aan eene lijn achteraan slepende. Eens echter had ik eene meer ernstige ontmoeting met een dezer ondieren.Op eenen schoonen achtermiddag zwierf ik in gezelschap van Charles over de rotsen en klippen aan den buitenkant van het eiland, en kwamen wij aan eene plek waar het stille en helder doorschijnende water ons tot baden verlokte. De diepte was onbeduidend. Als wij op de vooruitstekende punt stonden, konden wij overal den bodem zien. Onder den kleinen uithoek, die de overzijde van den inham vormde, was eene grot, die, daar de rots zeer steil opliep, alleen zwemmende kon bereikt worden, en deze werd nu ons doel. Spoedig kwamen wij aan den ingang, waar wij verrukt werden door de woeste schoonheid van dit natuurtafereel. De grot liep met verschillende inhammen diep het land in; elke dieper liggende kleine baai was eene badgelegenheid, weder koeler dan de vorige. Dit lokte ons dieper en dieper. Het bleek, dat het tij geregeld in en uitliep en het water elke twaalf uren ververschte. Zeer onvoorzichtig waagden wij ons zoo ver mogelijk, vonden eene rustplaats en haalden, aldaar neergevlijd, op van de op deze omgeving toepasselijke vertellingen van Acis en Galathea en van Diana en hare nimfen.Eindelijk waarschuwde de ter kimme nijgende zon ons, dat het tijd werd aan den terugtocht te denken, toen wij op betrekkelijk korten afstand de rugvin boven water zagen van een monsterachtig grooten haai, wiens lichaam in het heldere vocht zich duidelijk liet waarnemen. Beurtelings zagen wij met ontsteltenis elkander en het beest aan en hoopten, dat hij spoedig ruim baan voor ons maken zou en liever eenandere prooi mocht gaan zoeken; maar de onverlaat zwom voor de grot op en neer als een fregat, dat eene vijandelijke haven blokkeert, en wij kregen een zoo eng gevoel over ons, zooals ik veronderstel dat in den laatsten oorlog door de Franschen en Hollanders ondervonden werd in Brest en in Tessel.De schildwacht bleef trouw op zijn post en scheen op een onzer, misschien op ons beiden, te wachten om ons met hetzelfde gemak te verslinden, waarmede wij dit een garnaal of oester zouden doen. Het was echter ons voornemen niet, ons op zijne genade of ongenade te verlaten. Tevergeefs zagen wij voor eenige hulp om ons heen; de rots boven ons was onbeklimbaar, het water rees en de zon raakte bijna aan den gezichteinder.Als aanvoerder beweerde ik de natuurlijke historie van den visch eenigszins te kennen en deelde mijnen kameraad mede, dat de haaien een zeer scherp gehoor hadden en het daarom zaak was, ons zoo stil mogelijk te houden; en daarbij hoe eerder wij ons wegmaakten, hoe beter het zou zijn, want spoedig zou het water voldoende gerezen wezen, dat het onder in de grot kon komen, waarvan de localiteit hem stellig niet vreemd was. Daar er slechts een weg voor onzen aftocht bestond, waren onze kansen om te ontkomen, al zeer min. Nog ging er naar onze gedachten een geruime tijd voorbij, vóór wij de gelegenheid om te ontsnappen eenigszins schoon zagen: onze onverbiddelijke bewaker was niet van zijn post af te krijgen. De tijd viel ons lang, zwaar drukte ons de angst; wij waren als ter dood veroordeelden, die, tenzij er spoedige verlossing kwam, gevaar liepen hunne eigene executie, binnenskamers, bij te wonen. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat wij de rugvin niet meer zagen; toen gaf ik Charles het teeken dat wijcoute que couteuitzwemmen moesten. Wij drukten elkaar stilzwijgend de hand en lieten ons weer in het water glijden; toen ons in de gunst der Voorzienigheid aanbevelende, sloegen wij haastig voorwaarts. Ik moet bekennen, dat ik nog nooit zoo het gevaar inzag als ditmaal, zelfs niet toen ik zwom in het bloedbad van dien armen matroos, dien ik had willen redden; toen hadden de haaien ten minste iets wat hun bezighield, nu had het beest volstrekt geene afleiding en hadden wij het voorrecht van zijne onverdeelde aandacht.Mijn gevoel is onmogelijk weer te geven. Ik mag nu al luchthartig vertellen of schrijven van hetgeen toen voorviel, maar toch, als ik ernogmaals aan terugdenk, overvalt mij eene huivering over ons toenmalig vooruitzicht. Mijn kameraad was niet zoo’n volleerd zwemmer als ik, zoodat hij eenige voeten achter mij aankwam, toen ik hem een zwakken kreet hoorden slaken. Vreezende, dat de haai hem gepakt had, keerde ik om, doch zag gelukkig, dat dit het geval niet was; hij was alleen bang geworden, doordien hij zoo achter geraakte en daarom wilde hij mij toeroepen. Ik bleef nu dichter bij, hield hem op en bemoedigde hem. Zonder deze hulp ware hij stellig gezonken; nu herkreeg hij zijne krachten, en veilig bereikten wij het strand, ten spijt van onzen vijand, dien wij op eene wonderbaarlijke wijze hadden verschalkt. Het scheen dat hij door ons stilzwijgen in de grot bijtijds afgetrokken was.Toen wij eens op het droge waren, bleven wij eenige minuten ademloos liggen. Hoe mijn metgezel er over dacht, vertelde hij niet: maarikgevoelde een innige dankbaarheidenhernieuwde mijne geloften tot beterschap: ik heb alle reden om aan te nemen dat Charles, die zeker niet zooveel op zijn geweten had als ik, wel met gelijksoortige gedachten vervuld was. Nooit herhaalden wij later een zoo gevaarlijk amusement, ofschoon wij dikwijls nog over onze uitredding spraken en over onzen angst lachten; doch een dergelijk gesprek stemde ons altijd ernstig; en in ’t geheel genomen was het avontuur ons heilzaam.Na een verblijf van zes maanden op deze eilanden, was mijn gezondheid weer volkomen hersteld, en begon ik naar bezigheid te verlangen. Het schitterend geluk van onzen schout-bij-nacht te Washington, deed mij verlangen naar een aandeel in de eer en roem, die mijne wapenbroeders op de kust van Noord-Amerika verwierven; doch het noodlot had anders voor mij beslist.Een der fregattenbezocht het eiland om schildpadden in te nemen; en toen ik mijne omstandigheden aan den commandant had verteld, bood hij mij logies aan boord aan, mij te gelijk mededeelende, dat hij zuidwaarts ging om eenen anderen kruiser te vervangen, die dan naar Engeland zou terugkeeren, van welke gelegenheid om mede te gaan, ik ongetwijfeld zou kunnen gebruik maken. Ik maakte mij dus tot een spoedig vertrek gereed, nam afscheid van mijne goedhartige vrienden in het kampement en van de vele familiën op het eiland, waar aan huis ik de meeste gastvrijheid had ondervonden.Wij vertrokken; met matige koelte en schoon weder namen wijbinnen eenige dagen een groot Amerikaansch schip, dat, in de hoop onze kruisers mis te loopen, langs een grooten omweg van de Fransche kust kwam; het was vierhonderd ton groot, diep en kostbaar geladen en bestemd naar Laguayra. De commandant ontbood mij bij zich, en vroeg of ik, als prijsmeester, het schip naar Engeland wilde overbrengen. Dit voorstel bekoorde mij, en ik stemde toe, onder voorwaarde dat ik een bootsmansmaat, Thomson genaamd, mede zoude krijgen; dit was een oud scheepsgezel van mij, samen hadden wij bij de geschiedenis van Rochefort in de giek gezeten; hij was een flinke, stevige, kalme, gespierde Schot, van Aberdeen afkomstig, en een man, op wien ik in tijd van nood volkomen staat zou kunnen maken. Hij werd aangewezen, om met mij mede te gaan, en de noodige voorraad eetwaren en drank werd nog overgescheept. Ik ontving mijne zeilorders en nam afscheid van mijnen nieuwen commandant, dien ik in dien korten tijd als een goed zeeman en bekwaam officier had leeren hoogschatten.Toen ik op den prijs aan boord stapte, vond ik de gansche bemanning druk in de weer met het inpakken van hun goed en viel het mij op, dat zij zoo’n bijzonderen voortgang maakten met het inladen daarvan in de sloep, die hen als gevangenen naar het fregat zou overbrengen. Zoodra hun vergund was daarin te stappen, deden zij dit met een overhaasting, die mij later eerstverklaarbaarwerd. Mijne lastgeving hield in den kapitein en een der matrozen aan boord te houden, ten behoeve der prijsverklaring voor het admiraliteitshof.In de drukte, die mij het spoedig voortzetten der reis gaf, had ik dit gedeelte van mijne orders over het hoofd gezien en verzuimde ik de sloep weg te zenden, tot de jonge adelborst, die er inzat, mij vroeg of hij met de gevangenen kon afsteken. Ik kwam daarop aan dek, en ze allen met hunne kisten en kooien in de sloep ziende zitten, viel het mij te binnen, dat de kapitein blijven moest, en liet ik dus hem en een van zijn volk met hunne kleederen terugkomen. Met blijkbaren tegenzin werd aan dien last, door den adelborst nog eens herhaald, voldaan; het goed werd hun nagemand op dek, en toen het sein van het fregat, daar het reeds donker was bestaande in eene van den gaffel geheschen lantaarn, herhaald werd, stak men haastig af en zag ik weldra niets meer van hen.»Houd de sloep aan!—In ’s hemels naam, houd de sloep aan!” riep de kapitein.»Waarvoor zou ik de sloep aanhouden?” vroeg ik. »Mijne bevelen zijn duidelijk; gij moet bij mij blijven.”Daarop ging ik een paar minuten naar omlaag en werd door den kapitein gevolgd.»Als gij uw leven lief hebt, mijnheer,” zeide hij, »laat dan de sloep terugkomen.”»Waarom toch?” vroeg ik dringend.»Omdat, sir,” zeide hij, »het schip door het volk lek is gemaakt, en binnen weinige uren zal zinken: gij kunt het niet voorkomen, want het kan onmogelijk gestopt worden.”Thans zag ik duidelijk in, hoe noodig het was om eene sloep bij ons te hebben; maar nu was het te laat, de onze was buiten bereik. De lantaren, die gediend had tot sein om haar terug te roepen, was neer, ten bewijze dat zij aan boord was aangekomen. Ik heesch twee lichten aan den bezaanstop en gaf bevel een geweer af te schieten; maar ongelukkig waren er met de sloep, die mij overgevoerd had, geene patronen medegegaan, of wel men had die bij vergissing weer teruggevoerd. Een van de lichten woei uit en het andere werd door het fregat niet opgemerkt. Wij heschen een ander licht, doch ook dit trok de aandacht niet: blijkbaar was het fregat reeds verre. Wij zeilden zoo snel mogelijk er achter aan, in de hoop nog gedurende den nacht gezien te worden, of althans, indien wij den volgenden morgen nog drijvende waren, opgevischt te zullen worden.Maar mijn schip, dat reeds diep geladen was, begon hoe langer hoe meer water te maken en liep daardoor niet meer dan eene vier-mijls vaart. Alle hoop, het fregat in te halen, vervloog dus. Toen trachtte ik van den kapitein te weten te komen, waar zich de lekken bevonden, opdat wij die nog zouden kunnen stoppen; maar hij had zich zoozeer aan den drank te buiten gegaan, dat er niets dan onsamenhangende woorden uit hem te krijgen waren. Toen werd de arme zwarte, die te zamen met den kapitein aangehouden was, in verhoor genomen. Wij vernamen daarop alleen, dat, toen het schip te Bordeaux lag, de kapitein zoo laag mogelijk in den bodem, gaten had laten boren, zoodat hij op een gegeven oogenblik de stoppen er uit kon trekken, daarbij een duren eed doende, dat het nooit een Engelsche haven zou binnenloopen. Hij wist de juiste plaats van de lekken niet, schoon het voor mij nu duidelijk was, dat zij zoowel in het achter- als in het voorschip waren, zeerlaag en nu reeds diep onder water, zoo van binnen als van buiten. De zwarte voegde er bij, dat de kapitein zelf het water had ingelaten, maar meer wist hij niet.Nogmaals beproefde ik den kapitein tot de eene of andere handeling in ons belang aan te sporen, maar hij was veel te ver weg, om hem iets aan ’t verstand te kunnen brengen; hij had zich in het vooruitzicht van den dood bedronken, omdat hij vreesde nuchter de eeuwigheid in te gaan, iets waar zeer veel zeelieden wat tegen schijnen te hebben.»Och loop rondom; verd....! wie zit er in de knoei om dood te gaan? Ik niet. Ik heb gezworen, dat hij nooit eene Britsche haven zou binnenloopen, en dat zal hij nu wel niet doen.”Toen begon hij te vloeken en te razen en viel op het laatst stomdronken op dek neer.Daarop riep ik al mijne manschappen bijeen, en nadat ik hun het hachelijke van onzen toestand had blootgelegd, oordeelden wij dat het noodig was met den meesten spoed de groote boot, die nog op het dek stond, uit te zetten en voor eene reis van eenigen duur van alles te voorzien. Onze kleeren, hard brood, gezouten vleesch en drinkwater werden er in gestuwd, en ik verzuimde niet mijn sextant en kijker er in te doen leggen. Den sterken drank, die in de kajuit was, vertrouwde ik toe aan de zorg van den adelborst, die met mij medegekomen was; geheel gereed en voorzien van haar emmerzeil, maakten wij de boot aan twee zware sleepers vast en lieten haar achteraan zakken, met vier man er in, terwijl wij nog steeds in het vermoedelijk vaarwater van het fregat, tot het aanbreken van den dag, bleven doorzeilen.Die lang gewenschte tijd brak aan, maar er was, zelfs van top, geen fregat meer te zien. Ons schip zakte dieper en dieper, en wij maakten ons gereed om in de boot te gaan. Ik berekende, dat de naaste kust van Zuid-Amerika zevenhonderd Engelsche mijlen van ons af was, en dat wij nog ééns zoover van Rio Janeiro waren verwijderd. Ik liet daarom geenszins den moed zakken, want betrekkelijk waren wij voor alle omstandigheden, die zich konden voordoen, vrij wel gewapend; en mijn moed wist ik aan mijne manschappen zoo volkomen mede te deelen, dat zij vol vertrouwen in mij stelden en mij in alles met de grootste gewilligheid en voortvarendheid gehoorzaamden, behalve op een enkel punt.Naar alle waarschijnlijkheid zou het schip het niet langer dan hoogstensnog twee uren drijvende kunnen houden; ik besloot daarom tot het verlaten over te gaan en liet de boot langs zijde ophalen. De bemanning ging er in, zette den mast op, haakte de ra van het emmerzeil in, op mijn bevel wachtende om dit op te hijschen; en zonder dat ik daaromtrent orders had gegeven, hadden zij mijn mantel op de hoekplaats achterin gemakkelijk voor mij uitgespreid. Ook de kapitein wilde zich in de sloep laten afzakken, maar de matrozen weerden hem terug met slagen en stompen en uitjouwingen, heftig zwerende, dat hij overboord zou geworpen worden, indien hij het waagde om er in te komen. Ofschoon ik, in zeker opzicht, hunne verbittering deelen moest, kon ik het toch niet over mij verkrijgen een medeschepsel op zoodanige wijze aan zijn vreeselijk noodlot over te laten, zelfs al werd dit zóó het graf dat hij voor anderen gedolven had.»Hij verdient te sterven; het is alles zijn werk,” riepen zij. »Mijnheer! komt uzelf in de boot, of wij zouden zonder u moeten afsteken.”De arme kapitein,—die in de vier uren slaap, die hij genomen had, weer tot bezinning was gekomen en thans al het afgrijselijke van zijnen toestand besefte,—weende, jammerde, trok zich de haren uit het hoofd en klemde zich aan mij vast, zoodat hij met geweld moest losgescheurd worden. Hij hechtte aan het leven met eene kracht, die ik nooit bij een ter dood veroordeelden misdadiger zoo aangetroffen heb; hij knielde voor mij neder en beriep zich bij allen te zamen, en dan weer bij ieder afzonderlijk, op hunne betere gevoelens; hij bad ons te denken om zijne te Baltimore wonende vrouw en ongelukkige kinderen, zooals wij wel om de onzen zouden denken.Ik was tot tranen toe bewogen; maar mijne manschappen hoorden hem met onverstoorbare onverschilligheid aan. Twee hunner duwden hem naar het andere boord toe; en vóór hij van den smak, dien hij maakte, bekomen was, drongen zij mij in de boot en staken daarmede af. De ongelukkige was intusschen weer aan onze zijde van het schip gekropen, en op zijne knieën in den valreep liggende, weeklaagde hij: »O, hulp, medelijden, genade!—Om Gods wil, hebt medelijden met mij, zooals gij dit zelf verwacht!—O God! mijne vrouw en kindertjes!”Het spijt mij te moeten verklaren, dat zijne smeekingen geen indruk maakten op de verbitterde matrozen. Toen verviel hij in vloeken en verwenschingen, klaarblijkelijk van zijne zinnen beroofd; en in dien toestand bleef hij eenigen tijd, terwijl de boot nog op zijde lag, alleendoor den voorsten man met den haak vastgehouden. Heimelijk had ik mij voorgenomen hem niet aan zijn lot over te laten, ofschoon ik voorzag, dat dit in de boot een oproer zou teweegbrengen. Ten laatste gaf ik bevel om af te zetten. De rampzalige kapitein, die tot op dat oogenblik nog eenige zwakke hoop kon overgehouden hebben, op grond van het stille medelijden, dat hij begreep dat ik voor hem gevoelde, gaf zich nu aan de vreeselijkste wanhoop over. Hij ging in den valreep zitten en staarde ons met doffe oogen na. Nooit zag ik treffender schouwspel van menschelijke ellende.Terwijl ik naar hem keek, sprong de zwarte, die tot het schip behoord had, Mungo geheeten, uit de boot te water en zwom naar het zinkende vaartuig terug. Een eind touw grijpende, dat buiten boord te water hing, klom hij daarmede op en ging naar zijnen ouden meester toe. Wij riepen hem toe terug te keeren, daar hij anders ook achtergelaten zou worden.»Neen, massa,” riep het trouwe schepsel terug, »ik wil niet weg: niet nemen master Green, niet nemen mij! Mungo veel jaren samen met massa kaptein; Mungo sterven met massa, en terug naar Guinea!”Ik voor mij vond, dat thans de les, die de kapitein te leeren had gekregen voor zijne verraderlijke en moorddadige bedoelingen, genoeg was. Ware ik in ernst van plan geweest den Amerikaan achter te laten, dan zou het gedrag van den armen Mungo mijn besef van plicht weer hebben doen ontwaken. Ik beval Thompson, die de sloep stuurde, het roer aan stuurboord en de boot weer langs zijde van het schip te leggen. Niet zoodra was dit bevel gegeven, of drie of vier van de matrozen sprongen met dreigende gebaren op en zwoeren, dat zij voor dien man niet terug wilden keeren, dat hij de oorzaak was van hunne ellende, en dat, als ik zijn lot verkoos te deelen, dit hun goed was, maar in de boot wilden zij hem niet hebben. Een hunner, woester dan de anderen, beproefde Thompson den helmstok te ontnemen; maar deze trouwe zeeman greep hem in den kraag en slingerde hem met een ruk overboord. De overigen kwamen naar achteren, om deze behandeling van hunnen aanvoerder te wreken; doch ik trok mijn degen, en dezen den naast-bij-zijnden muiteling op de borst zettende, gelastte ik hem, op straffe van onmiddellijk doorstoken te worden, naar zijne doft terug te keeren. Hij had al een en ander van mij gehoord en wist, dat ik in staat was het te doen.Door bedaarde fermeteit is men een oproermaker spoedig meester. Hij gehoorzaamde, doch met blijkbaren tegenzin, en ik hoorde verscheidene oproerige uitdrukkingen onder het volk. Een hunner zeide, dat ik hun officier niet was en dat ik niet eens op het fregat behoorde.Ik trok mijn degen en zette deze den muiteling op de borst.Ik trok mijn degen en zette deze den muiteling op de borst.Pag. 216.»Dat,” antwoordde ik, »is eene zaak, waarover ik u niet vergun een oordeel te vellen. Ik bezit eene aanstelling van ’s konings eersten lord van de Admiraliteit, of althans in zijnen naam onderteekend. Uw commandant, en de mijne tevens, is op dezelfde wijze aangesteld. Op dit gezag berusten mijne handelingen. Kome op, wie dit durft betwisten,—en ik laat hem nog opknoopen aan de ra van het zinkende schip;” en naar den man ziende, die door Thompson overboord was geworpen en zich aan den rand van de boot vasthield, zonder er in te durven komen, vroeg ik hem, of hij voornemens was te gehoorzamen, ja of neen? Hij antwoordde van ja, en hoopte dat ik hem vergiffenis zou schenken. Ik zeide hierop, dat mijne vergiffenis geheel afhankelijk was van het gedrag van hemzelf en de overigen; dat hij niet moest vergeten, dat wanneer wij door ons eigen of eenig ander oorlogsschip werden opgenomen, hij en nog drie of vier der overigen reeds genoeg op hun geweten hadden, om voor muiterij opgehangen te worden; en dat niets dan hunne volkomene gehoorzaamheid voor het vervolge hen bij het bereiken eener haven voor die straf zou kunnen vrijwaren.Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De schuldigen verzochten allen vergeving en gaven mij de beste verzekeringen voor hunne toekomstige onderdanigheid.Dit alles gebeurde op korten afstand van het wrak en kon aldaar gehoord worden; en terwijl het gaande was, nam de wind, die frisch gewaaid had toen wij afstaken, langzaam af en kwam uit het zuidwesten zeer flauw naar het zinkende schip toe. Van deze omstandigheid maakte ik gebruik om eene zedepreek te houden. Toen ik hen onderworpen had en een weinig op hun gevoel had weten te werken, zeide ik, dat ik wreedheid nog nooit eenig goeds had zien teweegbrengen; dat, wanneer ergens een schip of eene boot een man had achtergelaten, die gered had kunnen worden, die wreede handeling steeds door allerlei ongelukken en totalen ondergang gevolgd was; dat ik heilig overtuigd was, dat wij het gevaar, waarin wij ons nu bevonden, nooit zouden doorkomen, als wij geen medelijden toonden met onze natuurgenooten. »God,” zeide ik, »is ons genadig geweest door ons, in dezen dreigendennood, een uitmuntende boot te geven voor onze redding en het is alsof Hij nu tot ons zegt: »Ga terug naar het wrak en neem uwen kameraad in het ongeluk op.” De wind wijst ons juist daarheen, en is juist tegen de koerslijn in, die wij hadden willen sturen; haasten wij ons dus,” vervolgde ik, »aan den Goddelijken wil te gehoorzamen; doet uw plicht en vertrouwt voor het overige op God. Dan zal ik mij trotsch gevoelen om over u het bevel te voeren, dan twijfel ik niet u veilig binnen te brengen.”Dit gaf den doorslag; vlug grepen zij naar de riemen en roeiden met krachtige slagen naar het wrak terug. De arme kapitein, die van alles getuige was geweest, wachtte de uitkomst van mijn pleit voor hem in angstige spanning af. Nauwelijks raakte de boot met zijn steven het schip aan, of hij sprong er in, viel op zijne knieën, en dankte overluid God voor zijne uitredding. Toen viel hij mij om den hals, omhelsde en kuste mij en weende als een kind. Onderwijl sprongen de matrozen, die nooit haatdragend zijn, uit eigen beweging aan boord terug en haalden zijn goed af; en toen Mungo zijnen meester gevolgd was, schudden allen hem de hand en zwoeren, dat hij in Guinea terugkomende, een zwarte prins zou worden. Verder maakten wij van de gelegenheid gebruik om nog een en ander van het schip in de boot over te nemen, wat ons mogelijk nuttig kon zijn en bij het vorige, haastige vertrek over het hoofd was gezien.Nu staken wij voor goed af; en wij waren nog geen tweehonderd el van het schip, toen dit geweldig ging overhellen, weder recht kwam, om daarop over de andere zijde te hellen; toen, alsof het leefde en gevoel bezat, gaf het een laatsten stamp en ging, met den neus het eerst, in de peillooze diepte naar omlaag. Nauwelijks hadden wij den tijd gehad om dit treffende schouwspel aan te zien, toen de wind weer aanwakkerde uit zijn ouden hoek, het Oosten.»Ziedaar,” zeide ik, »de hemel heeft zich reeds vóór ons verklaard. Daar hebben wij onzen goeden wind terug.”En ons zeil weer geheschen hebbende, zetten wij koers op Kaap St. Thomas en in opgeruimde en dankbare stemming deelden wij ons eenvoudig middagmaal uit.

Zoodra de brik de haven van Nassau uitzeilde, zeilde ik mijn bed uit, en zoodra hij vrij van de havenhoofden was en zijne bramzeilen heesch, zette ik mijn hoed op en wandelde de deur uit. De officieren van het regiment, dat ter plaatse in garnizoen lag, waren zoo beleefd mij uit te noodigen aan hunne tafel deel te nemen, en de kolonel was nog bovendien zoo voorkomend, om mij goede vertrekken in het kampement aan te bieden. Zoodra het mij mogelijk was, verhuisde ik daarheen. Zeer spoedig kwam ik weer op krachten en was ik in staat aan de tafel te zitten met de vijfendertig meestal jonge officieren, die een vrolijk leven leidden, zonder zorgen voor den dag van morgen, en zich voor het overige de wereldsche zaken weinig aantrokken.

Ofschoon ik lang niet onverschillig was voor de genoegens, die eene goede tafel aanbiedt, ging ik niet in alle opzichten mede in de zeer losbandige levenswijze mijner dischgenooten. Ik had eene betere opvoeding genoten dan het meerendeel der officieren en sloot mij, op grond van onze geestverwantschap, uitsluitend aan bij een zekeren Charles, een jeugdig luitenant van het garnizoen. Onze vriendschap nam door de nadere kennismaking toe en werd inniger, naarmate wij reden vonden om ons te ergeren aan de dwaasheden en verregaande onwetendheid der anderen. Gewoonlijk brachten wij onze morgens te zamen door met het lezen der classieken, het declameeren van Latijnsche verzen, afgewisseld met schermen of biljartspelen. Wanneer de hitte van den dag voorbij was, wandelden wij, legden bezoeken af bij de inwoners of doorzochten het eiland; ons streven daarbij was, zoover mogelijk de barakken te mijden en het aldaar wonende personeel, wier wijze van zich te vermaken zoo weinig in onzen smaak viel. Gewoonlijk toch begon voor de officieren de dag eerst tegen het middaguur, met een ontbijt; na hieraan gezamenlijk te hebben deelgenomen, zocht elk zijn kwartier weer op om de laatste romans te lezen, die in massa uit Engeland en Frankrijk werden uitgezonden en doorgaans van eene slechte strekking waren. Met deze lectuur zoo lui mogelijk achterover liggende, of daarbij indommelende, wisten zij het warmste deel van den dag doorte brengen; het overige gedeelte, totdat de bel voor het middagmaal luidde, werd klein gekregen met bij elkaar in te loopen en onbeduidende buurpraatjes te maken, of een ritje te paard om den noodigen eetlust op te doen. Tot vier uren in den morgen was het aanhoudend rooken en drinken; nooit werd het bed opgezocht, vóór men heel of half beschonken was; de parade, te negen uren des morgens, verplichtte hen op te staan met een brandend hoofd en eene dikke tong; zóó sprongen zij in zee, om door het verfrisschende bad wakker te worden, dat hen althans zoover bracht, dat zij zich voor het front van den troep konden overeind houden; na afloop van dit stuk gedwongen dienst zochten zij het bed weer op, om uit te slapen tot aan het ontbijt toe, op het middaguur.

Zóó gingen onder hen de dagen voorbij. Is het nog te verwonderen, dat deze eilanden voor een Europeesch gestel noodlottig zijn, waar het klimaat elke buitensporigheid, die begaan wordt, steeds bestraft? De mindere manschappen volgden al te spoedig het voorbeeld, hun door de officieren gegeven, en ook onder hen heerschte eene evenredig groote sterfte; tot den geregelden morgendienst behoorde het delven van graven voor de slachtoffers, welke dien nacht waren opgeëischt. De zorgelooze onverschilligheid bij de officieren was zoo groot, dat de nadering, ja zelfs de zekerheid van den dood, hen niet eens tot ernstig nadenken opwekte.

Steeds was ik des morgens vroeg op, eene gewoonte waaraan ik stellig mijne goede gezondheid te danken had. Een tropische ochtend, wanneer de lucht nog zoo aangenaam koel is, lokte mij altijd naar de marktplaats, waar de groote verscheidenheid van koopers en verkoopers al even belangwekkend was als de keur van prachtige vruchten en groenten die er sierlijk was uitgestald.

De Babylonische spraakverwarring zou in het niet zijn verzonken bij het drukke gepraat en getwist op eene West-Indische markt. Men zag er zwarte vrouwen luid en zonder ophouden kakelen (want die dames zijn daarin volstrekt niet achterlijk bij hunne blanke zusters); hun stemgeluid vermengde zich met het geschreeuw van kinderen, parkieten en apen; overal krioelde het van zwarte jongens en meisjes, met vroolijke, levendige gezichten, ivoor witte tanden, sterk sprekende oogen en roode lippen. De koopsters daarentegen trof men er van alle nuances van kleur aan, van bruin, door geel tot bleek wit toe, allen de duidelijkebewijsstukken der vermenging van het Kaukasische met het Ethiopische ras, ten gevolge waarvan zich misschien de slechtste karaktertrekken, doch zeker ook de lichamelijke bekoorlijkheden der beide, zoo uiteenloopende rassen in deze vrouwen vereenigden.

Het buitengewoon genotvolle baden is in deze streken volstrekt niet zonder gevaar. Op de zandbanken heeft men den steek te duchten van een soort van rog, die op het midden van den staart een scherpen haak heeft, en eene zoo ernstige wonde geeft, dat ik het heb bijgewoond dat iemand daarvan bijna twee dagen lang hevig ijlende was. In dieper water zijn de haaien niet alleen zeer talrijk, doch ook zeer vraatzuchtig; soms ging ik met een klein bootje op de jacht dezer monsters, gewapend met een harpoen en tot lokaas een groot stuk vleesch, aan eene lijn achteraan slepende. Eens echter had ik eene meer ernstige ontmoeting met een dezer ondieren.

Op eenen schoonen achtermiddag zwierf ik in gezelschap van Charles over de rotsen en klippen aan den buitenkant van het eiland, en kwamen wij aan eene plek waar het stille en helder doorschijnende water ons tot baden verlokte. De diepte was onbeduidend. Als wij op de vooruitstekende punt stonden, konden wij overal den bodem zien. Onder den kleinen uithoek, die de overzijde van den inham vormde, was eene grot, die, daar de rots zeer steil opliep, alleen zwemmende kon bereikt worden, en deze werd nu ons doel. Spoedig kwamen wij aan den ingang, waar wij verrukt werden door de woeste schoonheid van dit natuurtafereel. De grot liep met verschillende inhammen diep het land in; elke dieper liggende kleine baai was eene badgelegenheid, weder koeler dan de vorige. Dit lokte ons dieper en dieper. Het bleek, dat het tij geregeld in en uitliep en het water elke twaalf uren ververschte. Zeer onvoorzichtig waagden wij ons zoo ver mogelijk, vonden eene rustplaats en haalden, aldaar neergevlijd, op van de op deze omgeving toepasselijke vertellingen van Acis en Galathea en van Diana en hare nimfen.

Eindelijk waarschuwde de ter kimme nijgende zon ons, dat het tijd werd aan den terugtocht te denken, toen wij op betrekkelijk korten afstand de rugvin boven water zagen van een monsterachtig grooten haai, wiens lichaam in het heldere vocht zich duidelijk liet waarnemen. Beurtelings zagen wij met ontsteltenis elkander en het beest aan en hoopten, dat hij spoedig ruim baan voor ons maken zou en liever eenandere prooi mocht gaan zoeken; maar de onverlaat zwom voor de grot op en neer als een fregat, dat eene vijandelijke haven blokkeert, en wij kregen een zoo eng gevoel over ons, zooals ik veronderstel dat in den laatsten oorlog door de Franschen en Hollanders ondervonden werd in Brest en in Tessel.

De schildwacht bleef trouw op zijn post en scheen op een onzer, misschien op ons beiden, te wachten om ons met hetzelfde gemak te verslinden, waarmede wij dit een garnaal of oester zouden doen. Het was echter ons voornemen niet, ons op zijne genade of ongenade te verlaten. Tevergeefs zagen wij voor eenige hulp om ons heen; de rots boven ons was onbeklimbaar, het water rees en de zon raakte bijna aan den gezichteinder.

Als aanvoerder beweerde ik de natuurlijke historie van den visch eenigszins te kennen en deelde mijnen kameraad mede, dat de haaien een zeer scherp gehoor hadden en het daarom zaak was, ons zoo stil mogelijk te houden; en daarbij hoe eerder wij ons wegmaakten, hoe beter het zou zijn, want spoedig zou het water voldoende gerezen wezen, dat het onder in de grot kon komen, waarvan de localiteit hem stellig niet vreemd was. Daar er slechts een weg voor onzen aftocht bestond, waren onze kansen om te ontkomen, al zeer min. Nog ging er naar onze gedachten een geruime tijd voorbij, vóór wij de gelegenheid om te ontsnappen eenigszins schoon zagen: onze onverbiddelijke bewaker was niet van zijn post af te krijgen. De tijd viel ons lang, zwaar drukte ons de angst; wij waren als ter dood veroordeelden, die, tenzij er spoedige verlossing kwam, gevaar liepen hunne eigene executie, binnenskamers, bij te wonen. Eindelijk kwam er een oogenblik, dat wij de rugvin niet meer zagen; toen gaf ik Charles het teeken dat wijcoute que couteuitzwemmen moesten. Wij drukten elkaar stilzwijgend de hand en lieten ons weer in het water glijden; toen ons in de gunst der Voorzienigheid aanbevelende, sloegen wij haastig voorwaarts. Ik moet bekennen, dat ik nog nooit zoo het gevaar inzag als ditmaal, zelfs niet toen ik zwom in het bloedbad van dien armen matroos, dien ik had willen redden; toen hadden de haaien ten minste iets wat hun bezighield, nu had het beest volstrekt geene afleiding en hadden wij het voorrecht van zijne onverdeelde aandacht.

Mijn gevoel is onmogelijk weer te geven. Ik mag nu al luchthartig vertellen of schrijven van hetgeen toen voorviel, maar toch, als ik ernogmaals aan terugdenk, overvalt mij eene huivering over ons toenmalig vooruitzicht. Mijn kameraad was niet zoo’n volleerd zwemmer als ik, zoodat hij eenige voeten achter mij aankwam, toen ik hem een zwakken kreet hoorden slaken. Vreezende, dat de haai hem gepakt had, keerde ik om, doch zag gelukkig, dat dit het geval niet was; hij was alleen bang geworden, doordien hij zoo achter geraakte en daarom wilde hij mij toeroepen. Ik bleef nu dichter bij, hield hem op en bemoedigde hem. Zonder deze hulp ware hij stellig gezonken; nu herkreeg hij zijne krachten, en veilig bereikten wij het strand, ten spijt van onzen vijand, dien wij op eene wonderbaarlijke wijze hadden verschalkt. Het scheen dat hij door ons stilzwijgen in de grot bijtijds afgetrokken was.

Toen wij eens op het droge waren, bleven wij eenige minuten ademloos liggen. Hoe mijn metgezel er over dacht, vertelde hij niet: maarikgevoelde een innige dankbaarheidenhernieuwde mijne geloften tot beterschap: ik heb alle reden om aan te nemen dat Charles, die zeker niet zooveel op zijn geweten had als ik, wel met gelijksoortige gedachten vervuld was. Nooit herhaalden wij later een zoo gevaarlijk amusement, ofschoon wij dikwijls nog over onze uitredding spraken en over onzen angst lachten; doch een dergelijk gesprek stemde ons altijd ernstig; en in ’t geheel genomen was het avontuur ons heilzaam.

Na een verblijf van zes maanden op deze eilanden, was mijn gezondheid weer volkomen hersteld, en begon ik naar bezigheid te verlangen. Het schitterend geluk van onzen schout-bij-nacht te Washington, deed mij verlangen naar een aandeel in de eer en roem, die mijne wapenbroeders op de kust van Noord-Amerika verwierven; doch het noodlot had anders voor mij beslist.

Een der fregattenbezocht het eiland om schildpadden in te nemen; en toen ik mijne omstandigheden aan den commandant had verteld, bood hij mij logies aan boord aan, mij te gelijk mededeelende, dat hij zuidwaarts ging om eenen anderen kruiser te vervangen, die dan naar Engeland zou terugkeeren, van welke gelegenheid om mede te gaan, ik ongetwijfeld zou kunnen gebruik maken. Ik maakte mij dus tot een spoedig vertrek gereed, nam afscheid van mijne goedhartige vrienden in het kampement en van de vele familiën op het eiland, waar aan huis ik de meeste gastvrijheid had ondervonden.

Wij vertrokken; met matige koelte en schoon weder namen wijbinnen eenige dagen een groot Amerikaansch schip, dat, in de hoop onze kruisers mis te loopen, langs een grooten omweg van de Fransche kust kwam; het was vierhonderd ton groot, diep en kostbaar geladen en bestemd naar Laguayra. De commandant ontbood mij bij zich, en vroeg of ik, als prijsmeester, het schip naar Engeland wilde overbrengen. Dit voorstel bekoorde mij, en ik stemde toe, onder voorwaarde dat ik een bootsmansmaat, Thomson genaamd, mede zoude krijgen; dit was een oud scheepsgezel van mij, samen hadden wij bij de geschiedenis van Rochefort in de giek gezeten; hij was een flinke, stevige, kalme, gespierde Schot, van Aberdeen afkomstig, en een man, op wien ik in tijd van nood volkomen staat zou kunnen maken. Hij werd aangewezen, om met mij mede te gaan, en de noodige voorraad eetwaren en drank werd nog overgescheept. Ik ontving mijne zeilorders en nam afscheid van mijnen nieuwen commandant, dien ik in dien korten tijd als een goed zeeman en bekwaam officier had leeren hoogschatten.

Toen ik op den prijs aan boord stapte, vond ik de gansche bemanning druk in de weer met het inpakken van hun goed en viel het mij op, dat zij zoo’n bijzonderen voortgang maakten met het inladen daarvan in de sloep, die hen als gevangenen naar het fregat zou overbrengen. Zoodra hun vergund was daarin te stappen, deden zij dit met een overhaasting, die mij later eerstverklaarbaarwerd. Mijne lastgeving hield in den kapitein en een der matrozen aan boord te houden, ten behoeve der prijsverklaring voor het admiraliteitshof.

In de drukte, die mij het spoedig voortzetten der reis gaf, had ik dit gedeelte van mijne orders over het hoofd gezien en verzuimde ik de sloep weg te zenden, tot de jonge adelborst, die er inzat, mij vroeg of hij met de gevangenen kon afsteken. Ik kwam daarop aan dek, en ze allen met hunne kisten en kooien in de sloep ziende zitten, viel het mij te binnen, dat de kapitein blijven moest, en liet ik dus hem en een van zijn volk met hunne kleederen terugkomen. Met blijkbaren tegenzin werd aan dien last, door den adelborst nog eens herhaald, voldaan; het goed werd hun nagemand op dek, en toen het sein van het fregat, daar het reeds donker was bestaande in eene van den gaffel geheschen lantaarn, herhaald werd, stak men haastig af en zag ik weldra niets meer van hen.

»Houd de sloep aan!—In ’s hemels naam, houd de sloep aan!” riep de kapitein.

»Waarvoor zou ik de sloep aanhouden?” vroeg ik. »Mijne bevelen zijn duidelijk; gij moet bij mij blijven.”

Daarop ging ik een paar minuten naar omlaag en werd door den kapitein gevolgd.

»Als gij uw leven lief hebt, mijnheer,” zeide hij, »laat dan de sloep terugkomen.”

»Waarom toch?” vroeg ik dringend.

»Omdat, sir,” zeide hij, »het schip door het volk lek is gemaakt, en binnen weinige uren zal zinken: gij kunt het niet voorkomen, want het kan onmogelijk gestopt worden.”

Thans zag ik duidelijk in, hoe noodig het was om eene sloep bij ons te hebben; maar nu was het te laat, de onze was buiten bereik. De lantaren, die gediend had tot sein om haar terug te roepen, was neer, ten bewijze dat zij aan boord was aangekomen. Ik heesch twee lichten aan den bezaanstop en gaf bevel een geweer af te schieten; maar ongelukkig waren er met de sloep, die mij overgevoerd had, geene patronen medegegaan, of wel men had die bij vergissing weer teruggevoerd. Een van de lichten woei uit en het andere werd door het fregat niet opgemerkt. Wij heschen een ander licht, doch ook dit trok de aandacht niet: blijkbaar was het fregat reeds verre. Wij zeilden zoo snel mogelijk er achter aan, in de hoop nog gedurende den nacht gezien te worden, of althans, indien wij den volgenden morgen nog drijvende waren, opgevischt te zullen worden.

Maar mijn schip, dat reeds diep geladen was, begon hoe langer hoe meer water te maken en liep daardoor niet meer dan eene vier-mijls vaart. Alle hoop, het fregat in te halen, vervloog dus. Toen trachtte ik van den kapitein te weten te komen, waar zich de lekken bevonden, opdat wij die nog zouden kunnen stoppen; maar hij had zich zoozeer aan den drank te buiten gegaan, dat er niets dan onsamenhangende woorden uit hem te krijgen waren. Toen werd de arme zwarte, die te zamen met den kapitein aangehouden was, in verhoor genomen. Wij vernamen daarop alleen, dat, toen het schip te Bordeaux lag, de kapitein zoo laag mogelijk in den bodem, gaten had laten boren, zoodat hij op een gegeven oogenblik de stoppen er uit kon trekken, daarbij een duren eed doende, dat het nooit een Engelsche haven zou binnenloopen. Hij wist de juiste plaats van de lekken niet, schoon het voor mij nu duidelijk was, dat zij zoowel in het achter- als in het voorschip waren, zeerlaag en nu reeds diep onder water, zoo van binnen als van buiten. De zwarte voegde er bij, dat de kapitein zelf het water had ingelaten, maar meer wist hij niet.

Nogmaals beproefde ik den kapitein tot de eene of andere handeling in ons belang aan te sporen, maar hij was veel te ver weg, om hem iets aan ’t verstand te kunnen brengen; hij had zich in het vooruitzicht van den dood bedronken, omdat hij vreesde nuchter de eeuwigheid in te gaan, iets waar zeer veel zeelieden wat tegen schijnen te hebben.

»Och loop rondom; verd....! wie zit er in de knoei om dood te gaan? Ik niet. Ik heb gezworen, dat hij nooit eene Britsche haven zou binnenloopen, en dat zal hij nu wel niet doen.”

Toen begon hij te vloeken en te razen en viel op het laatst stomdronken op dek neer.

Daarop riep ik al mijne manschappen bijeen, en nadat ik hun het hachelijke van onzen toestand had blootgelegd, oordeelden wij dat het noodig was met den meesten spoed de groote boot, die nog op het dek stond, uit te zetten en voor eene reis van eenigen duur van alles te voorzien. Onze kleeren, hard brood, gezouten vleesch en drinkwater werden er in gestuwd, en ik verzuimde niet mijn sextant en kijker er in te doen leggen. Den sterken drank, die in de kajuit was, vertrouwde ik toe aan de zorg van den adelborst, die met mij medegekomen was; geheel gereed en voorzien van haar emmerzeil, maakten wij de boot aan twee zware sleepers vast en lieten haar achteraan zakken, met vier man er in, terwijl wij nog steeds in het vermoedelijk vaarwater van het fregat, tot het aanbreken van den dag, bleven doorzeilen.

Die lang gewenschte tijd brak aan, maar er was, zelfs van top, geen fregat meer te zien. Ons schip zakte dieper en dieper, en wij maakten ons gereed om in de boot te gaan. Ik berekende, dat de naaste kust van Zuid-Amerika zevenhonderd Engelsche mijlen van ons af was, en dat wij nog ééns zoover van Rio Janeiro waren verwijderd. Ik liet daarom geenszins den moed zakken, want betrekkelijk waren wij voor alle omstandigheden, die zich konden voordoen, vrij wel gewapend; en mijn moed wist ik aan mijne manschappen zoo volkomen mede te deelen, dat zij vol vertrouwen in mij stelden en mij in alles met de grootste gewilligheid en voortvarendheid gehoorzaamden, behalve op een enkel punt.

Naar alle waarschijnlijkheid zou het schip het niet langer dan hoogstensnog twee uren drijvende kunnen houden; ik besloot daarom tot het verlaten over te gaan en liet de boot langs zijde ophalen. De bemanning ging er in, zette den mast op, haakte de ra van het emmerzeil in, op mijn bevel wachtende om dit op te hijschen; en zonder dat ik daaromtrent orders had gegeven, hadden zij mijn mantel op de hoekplaats achterin gemakkelijk voor mij uitgespreid. Ook de kapitein wilde zich in de sloep laten afzakken, maar de matrozen weerden hem terug met slagen en stompen en uitjouwingen, heftig zwerende, dat hij overboord zou geworpen worden, indien hij het waagde om er in te komen. Ofschoon ik, in zeker opzicht, hunne verbittering deelen moest, kon ik het toch niet over mij verkrijgen een medeschepsel op zoodanige wijze aan zijn vreeselijk noodlot over te laten, zelfs al werd dit zóó het graf dat hij voor anderen gedolven had.

»Hij verdient te sterven; het is alles zijn werk,” riepen zij. »Mijnheer! komt uzelf in de boot, of wij zouden zonder u moeten afsteken.”

De arme kapitein,—die in de vier uren slaap, die hij genomen had, weer tot bezinning was gekomen en thans al het afgrijselijke van zijnen toestand besefte,—weende, jammerde, trok zich de haren uit het hoofd en klemde zich aan mij vast, zoodat hij met geweld moest losgescheurd worden. Hij hechtte aan het leven met eene kracht, die ik nooit bij een ter dood veroordeelden misdadiger zoo aangetroffen heb; hij knielde voor mij neder en beriep zich bij allen te zamen, en dan weer bij ieder afzonderlijk, op hunne betere gevoelens; hij bad ons te denken om zijne te Baltimore wonende vrouw en ongelukkige kinderen, zooals wij wel om de onzen zouden denken.

Ik was tot tranen toe bewogen; maar mijne manschappen hoorden hem met onverstoorbare onverschilligheid aan. Twee hunner duwden hem naar het andere boord toe; en vóór hij van den smak, dien hij maakte, bekomen was, drongen zij mij in de boot en staken daarmede af. De ongelukkige was intusschen weer aan onze zijde van het schip gekropen, en op zijne knieën in den valreep liggende, weeklaagde hij: »O, hulp, medelijden, genade!—Om Gods wil, hebt medelijden met mij, zooals gij dit zelf verwacht!—O God! mijne vrouw en kindertjes!”

Het spijt mij te moeten verklaren, dat zijne smeekingen geen indruk maakten op de verbitterde matrozen. Toen verviel hij in vloeken en verwenschingen, klaarblijkelijk van zijne zinnen beroofd; en in dien toestand bleef hij eenigen tijd, terwijl de boot nog op zijde lag, alleendoor den voorsten man met den haak vastgehouden. Heimelijk had ik mij voorgenomen hem niet aan zijn lot over te laten, ofschoon ik voorzag, dat dit in de boot een oproer zou teweegbrengen. Ten laatste gaf ik bevel om af te zetten. De rampzalige kapitein, die tot op dat oogenblik nog eenige zwakke hoop kon overgehouden hebben, op grond van het stille medelijden, dat hij begreep dat ik voor hem gevoelde, gaf zich nu aan de vreeselijkste wanhoop over. Hij ging in den valreep zitten en staarde ons met doffe oogen na. Nooit zag ik treffender schouwspel van menschelijke ellende.

Terwijl ik naar hem keek, sprong de zwarte, die tot het schip behoord had, Mungo geheeten, uit de boot te water en zwom naar het zinkende vaartuig terug. Een eind touw grijpende, dat buiten boord te water hing, klom hij daarmede op en ging naar zijnen ouden meester toe. Wij riepen hem toe terug te keeren, daar hij anders ook achtergelaten zou worden.

»Neen, massa,” riep het trouwe schepsel terug, »ik wil niet weg: niet nemen master Green, niet nemen mij! Mungo veel jaren samen met massa kaptein; Mungo sterven met massa, en terug naar Guinea!”

Ik voor mij vond, dat thans de les, die de kapitein te leeren had gekregen voor zijne verraderlijke en moorddadige bedoelingen, genoeg was. Ware ik in ernst van plan geweest den Amerikaan achter te laten, dan zou het gedrag van den armen Mungo mijn besef van plicht weer hebben doen ontwaken. Ik beval Thompson, die de sloep stuurde, het roer aan stuurboord en de boot weer langs zijde van het schip te leggen. Niet zoodra was dit bevel gegeven, of drie of vier van de matrozen sprongen met dreigende gebaren op en zwoeren, dat zij voor dien man niet terug wilden keeren, dat hij de oorzaak was van hunne ellende, en dat, als ik zijn lot verkoos te deelen, dit hun goed was, maar in de boot wilden zij hem niet hebben. Een hunner, woester dan de anderen, beproefde Thompson den helmstok te ontnemen; maar deze trouwe zeeman greep hem in den kraag en slingerde hem met een ruk overboord. De overigen kwamen naar achteren, om deze behandeling van hunnen aanvoerder te wreken; doch ik trok mijn degen, en dezen den naast-bij-zijnden muiteling op de borst zettende, gelastte ik hem, op straffe van onmiddellijk doorstoken te worden, naar zijne doft terug te keeren. Hij had al een en ander van mij gehoord en wist, dat ik in staat was het te doen.

Door bedaarde fermeteit is men een oproermaker spoedig meester. Hij gehoorzaamde, doch met blijkbaren tegenzin, en ik hoorde verscheidene oproerige uitdrukkingen onder het volk. Een hunner zeide, dat ik hun officier niet was en dat ik niet eens op het fregat behoorde.

Ik trok mijn degen en zette deze den muiteling op de borst.Ik trok mijn degen en zette deze den muiteling op de borst.Pag. 216.

Ik trok mijn degen en zette deze den muiteling op de borst.

Pag. 216.

»Dat,” antwoordde ik, »is eene zaak, waarover ik u niet vergun een oordeel te vellen. Ik bezit eene aanstelling van ’s konings eersten lord van de Admiraliteit, of althans in zijnen naam onderteekend. Uw commandant, en de mijne tevens, is op dezelfde wijze aangesteld. Op dit gezag berusten mijne handelingen. Kome op, wie dit durft betwisten,—en ik laat hem nog opknoopen aan de ra van het zinkende schip;” en naar den man ziende, die door Thompson overboord was geworpen en zich aan den rand van de boot vasthield, zonder er in te durven komen, vroeg ik hem, of hij voornemens was te gehoorzamen, ja of neen? Hij antwoordde van ja, en hoopte dat ik hem vergiffenis zou schenken. Ik zeide hierop, dat mijne vergiffenis geheel afhankelijk was van het gedrag van hemzelf en de overigen; dat hij niet moest vergeten, dat wanneer wij door ons eigen of eenig ander oorlogsschip werden opgenomen, hij en nog drie of vier der overigen reeds genoeg op hun geweten hadden, om voor muiterij opgehangen te worden; en dat niets dan hunne volkomene gehoorzaamheid voor het vervolge hen bij het bereiken eener haven voor die straf zou kunnen vrijwaren.

Deze toespraak had eene bedarende uitwerking. De schuldigen verzochten allen vergeving en gaven mij de beste verzekeringen voor hunne toekomstige onderdanigheid.

Dit alles gebeurde op korten afstand van het wrak en kon aldaar gehoord worden; en terwijl het gaande was, nam de wind, die frisch gewaaid had toen wij afstaken, langzaam af en kwam uit het zuidwesten zeer flauw naar het zinkende schip toe. Van deze omstandigheid maakte ik gebruik om eene zedepreek te houden. Toen ik hen onderworpen had en een weinig op hun gevoel had weten te werken, zeide ik, dat ik wreedheid nog nooit eenig goeds had zien teweegbrengen; dat, wanneer ergens een schip of eene boot een man had achtergelaten, die gered had kunnen worden, die wreede handeling steeds door allerlei ongelukken en totalen ondergang gevolgd was; dat ik heilig overtuigd was, dat wij het gevaar, waarin wij ons nu bevonden, nooit zouden doorkomen, als wij geen medelijden toonden met onze natuurgenooten. »God,” zeide ik, »is ons genadig geweest door ons, in dezen dreigendennood, een uitmuntende boot te geven voor onze redding en het is alsof Hij nu tot ons zegt: »Ga terug naar het wrak en neem uwen kameraad in het ongeluk op.” De wind wijst ons juist daarheen, en is juist tegen de koerslijn in, die wij hadden willen sturen; haasten wij ons dus,” vervolgde ik, »aan den Goddelijken wil te gehoorzamen; doet uw plicht en vertrouwt voor het overige op God. Dan zal ik mij trotsch gevoelen om over u het bevel te voeren, dan twijfel ik niet u veilig binnen te brengen.”

Dit gaf den doorslag; vlug grepen zij naar de riemen en roeiden met krachtige slagen naar het wrak terug. De arme kapitein, die van alles getuige was geweest, wachtte de uitkomst van mijn pleit voor hem in angstige spanning af. Nauwelijks raakte de boot met zijn steven het schip aan, of hij sprong er in, viel op zijne knieën, en dankte overluid God voor zijne uitredding. Toen viel hij mij om den hals, omhelsde en kuste mij en weende als een kind. Onderwijl sprongen de matrozen, die nooit haatdragend zijn, uit eigen beweging aan boord terug en haalden zijn goed af; en toen Mungo zijnen meester gevolgd was, schudden allen hem de hand en zwoeren, dat hij in Guinea terugkomende, een zwarte prins zou worden. Verder maakten wij van de gelegenheid gebruik om nog een en ander van het schip in de boot over te nemen, wat ons mogelijk nuttig kon zijn en bij het vorige, haastige vertrek over het hoofd was gezien.

Nu staken wij voor goed af; en wij waren nog geen tweehonderd el van het schip, toen dit geweldig ging overhellen, weder recht kwam, om daarop over de andere zijde te hellen; toen, alsof het leefde en gevoel bezat, gaf het een laatsten stamp en ging, met den neus het eerst, in de peillooze diepte naar omlaag. Nauwelijks hadden wij den tijd gehad om dit treffende schouwspel aan te zien, toen de wind weer aanwakkerde uit zijn ouden hoek, het Oosten.

»Ziedaar,” zeide ik, »de hemel heeft zich reeds vóór ons verklaard. Daar hebben wij onzen goeden wind terug.”

En ons zeil weer geheschen hebbende, zetten wij koers op Kaap St. Thomas en in opgeruimde en dankbare stemming deelden wij ons eenvoudig middagmaal uit.

Achttiende hoofdstuk.Het weder was schoon, de zee tamelijk kalm, en daar wij over een voldoenden voorraad levensmiddelen en water konden beschikken, was ons lijden niet groot, daar onze zorg alleen bestond, in vrees voor verandering van den wind en de kennis van onzen onzekeren toestand. Den vijfden dag na ons verlaten van het wrak ontdekten wij op grooten afstand land. Ik wist, dat dit het eiland Trinidad en de rotsen van Martin Vas zijn moesten. Dit eiland, gelegen op 20° Zuiderbreedte en 30° Westerlengte, behoort men niet te verwarren met dat van gelijke benaming op de kust van Terra Firma in de West-Indiën, dat nu eene Engelsche bezitting is.Bij het raadplegen van Horsburgh,1dien ik bij mij in de boot had, bevond ik, dat het eiland vóór ons vroeger door Portugeezen bewoond geweest, maar sedert lang verlaten was. Den geheelen nacht door bleef ik er op aan sturen, tot wij duidelijk de branding tegen de rotsen konden hooren, toen stak ik bij den wind op aan de loefzijde van het land, op deze wijze het aanbreken van den dag afwachtende.Het daglicht bescheen een steile, ruwgevormde, grauwe kust, met hooge en scherp gepunte rotsen, die uittartend nederzagen op de onbevredigbare en woeste golven, welke aanhoudend aan hunne voeten braken en daarna weer terugrolden om dergelijke slagen tot in het oneindige te herhalen. Eeuw in eeuw uit waren zij dus aan het werk geweest, eeuw in eeuw uit zouden zij alzoo voortgaan, zonder eenige, voor het menschelijk oog waarneembare, schade te veroorzaken. Op dat deel der kust, dat wij nu voor ons zagen, was landen eene onmogelijkheid, en daarom zeilden wij den wal langs in de hoop ergens een inham te vinden, waar wij met onze boot binnen konden komen, om haar daar vast te leggen. Het eiland scheen ongeveer negen mijlen lang, was blijkbaar van vulkanischen oorsprong en eene verzameling van rotsige hoogten, die zeven honderd voeten boven de oppervlakte derzee uitstaken. Hetwas kaal, behalve op de toppen der heuvels, waar enkele boomen eene kroon vormden, die prachtig en frisch scheen, maar het oog tergde, daar zij onbereikbaar was. Zelfs in geval ik eene landingsplaats gevonden had, betwijfel ik of ik er wel gebruik van zou gemaakt hebben, daar het eiland niets scheen voort te brengen, wat voor ons eenige waarde had, terwijl elk oponthoud noodeloos onzen levensvoorraad zou doen verminderen. Er was nergens een levend wezen te bespeuren, en om zóó nabij te komen, dat wij eene landingsplaats zouden kunnen onderscheiden, was hoogst gevaarlijk.Dit zeer eenvoudige vooruitzicht gaf mij aanleiding tot de overweging om onze reis tot Rio Janeiro te vervolgen. Doch mijn volk was van eene andere meening. Zij vonden, dat zij lang genoeg achtereen, stijf op elkaar, op het water hadden doorgebracht, en gaven de voorkeur aan een verblijf op het eiland boven het langer wagen van hun leven in zoo’n zwakke boot op den wijden Oceaan. Nog waren wij aan het beraadslagen, toen wij langs een smalle zandstrook kwamen, waarop wij twee wilde varkens zagen loopen, die klaarblijkelijk bezig waren om zich met schaaldieren te voeden; dit besliste de zaak geheel en al, en ik stemde toe om onder de lij van het eiland langs te loopen en aan dien kant naar eene landingsplaats uit te zien. Volgens aanwijzing van Horsburgh liepen wij de Westpunt om, zoekende naar de bocht bij de Kegel-rots. Toen deze zich voor ons opende, was het een onbeschrijfelijk schoon gezicht, dat misschien nergens ter wereld zijne weergade vindt. Een enorme rots verhief zich bijna loodrecht uit de zee, tot een hoogte van negen honderd of duizend voet. Zij had aan debasisnagenoeg dezelfde afmetingen als aan den top en kwam in vorm volkomen overeen met eenen kegel; vandaar haren naam. De zijden waren glad, tot boven toe, de top was met groen bedekt en was zoo ver ons verwijderd, dat de zeevogels, die er bij duizenden omheen vlogen, reeds op twee derden van den afstand nauwelijks zichtbaar waren. Hevig werd de voet der rots door de zee gebeukt—sedert eeuwen waren de vogels in eindelooze verscheidenheid de ongestoorde bewoners van dit natuurlijke gedenkteeken geweest: elke eenigszins ruwe of uitstekende punt was met guano bedekt, en het scheen mij eene wonderbaarlijke speling der natuur toe, welke deze massa geplaatst had in den stand, dien zij behield, in weerwil van de uiterste krachtinspanning van den wind en de golven van den grooten Oceaan.Een ander vreemd verschijnsel deed zich voor aan den anderen kant van de baai. Hier was de lava naar zee gestroomd en had aldaar eene laag gevormd; een tweede stroom van gesmolten rots was over de eerste heengegaan, doch zoo snel afgekoeld, dat geene vereeniging meer kon plaats vinden en de tusschengelegen ruimte met water volliep. Met geweld stoof telkens de zee tusschen de twee lagen door en spatte prachtig, door allerlei openingen, die zich in de bovenste bevonden, tot eene hoogte van soms wel zestig voet op, als waren het de waterstralen van eene school walvisschen, maar met een geluid en eene kracht, die oneindig grooter waren. Het geraas was in werkelijkheid vreeselijk, hol en ontzagwekkend. Ik kon niet nalaten om zwijgend dit tooneel te bewonderen, en mijn hart gevoelde zich klein bij het bedenken van mijne eigene onbeduidendheid, dwaasheid en verdorvenheid.Terwijl wij nu voortgingen de kust te houden, op den uitkijk naar onze landingsplaats, klaar om het zeil te strijken, scheen de Amerikaansche kapitein, die naast den man aan het roer zat, aandachtig op een punt te staren aan bakboordszijde buiten de boot. Eensklaps riep hij: »Bakboord het roer, kerel, bakboord, aan boord!” Deze woorden deed hij samengaan met een duw aan den helmstok, welke den ander bijna overboord deed slaan. Te gelijk lichtte eene hooge zee de boot op, en eenige ellen rechts voorbij eene puntige rots, die gelijk met de waterlijn kwam en onze aandacht ontgaan was, en waarvan het bestaan slechts door den Amerikaanschen kapitein vermoed was (omdat op sommige dergelijke steenen de zee slechts zeer zeldzaam breekt). Hierop zouden wij stellig en zeker verbrijzeld zijn, als het gevaar niet gezien en vermeden was geworden door de vlugge en handige overlegging van het roer; een oogenblik later, en een voet dichter bij, en reddeloos zouden wij weg geweest zijn.»Genadige Hemel!” riep ik uit, »wat heeft het lot toch met mij voor? Hoe kan ik dankbaar genoeg zijn voor zooveel goedheid!” Ik dankte den Amerikaan voor zijn opletten en vertelde mijnen manschappen, hoeveel zij hem verschuldigd waren en hoe hij thans ruim terugbetaald had, wat hij ons verplicht was voor zijne redding van het wrak.»Ach, luitenant!” zeide de arme man, »het is maar een kleine wederdienst, dien ik bewees voor de goedheid, mij door u betoond.”Het water was nu weer zeer diep, daar de rotsen steil opliepen; daarom streken wij het zeil, legden de riemen toe en roeiden nader, om een goed plekje te vinden. Diep de baai in ontdekten wij het wrak van een schip, dat op het droge zat. Het was middendoor gebroken en scheen gekoperd te zijn. Dit vermeerderde het verlangen mijner matrozen om aan land te komen; wij kwamen met de boot nader-bij, doch bevonden, dat deze stukgeslagen zou worden, als wij er den wal mede oploopen wilden. Onze jonker stelde voor, dat een onzer naar het strand zou zwemmen en dan van eene of andere hoogte af een plaatsje zou uitzoeken en aanwijzen, waar de boot in kon komen. Dit keurde ik goed, en de kwartiermeester ontkleedde zich voor zoover noodig. Ik bond hem eene loodlijn onder de armen vast, zoodat wij hem daaraan zouden kunnen terughalen, in geval hij uitgeput mocht raken. Met het grootste gemak ging hij door het eerste gedeelte van de branding, doch in de brekers gekomen, kon hij niet verder; wanneer hij voor een oogenblik den grond met zijne voeten raakte, werd hij door de terugloopende zee, of wat de matrozen noemden den onderstroom, met groote vaart achterwaarts geworpen, tot hij weer in den laatsten roller terechtkwam.Driemaal werd het door den onversaagden man beproefd, steeds met denzelfden uitslag. Ten laatste zagen wij hem zinken en hadden veel moeite hem aan de lijn nog levend in de boot terug te trekken. Thans stelde de adelborst voor om het zelf te beproeven, zonder de lijn, omdat deze den eersten zwemmer zeer in zijne bewegingen belemmerd had; dit was werkelijk het geval geweest, doch ik wilde hem niet aan dit gevaar blootstellen, en wij bleven nu langs den wal doorroeien, tot wij aan een rots kwamen, waarop de branding bijzonder hoog stond, en die wij bij gevolg niet te na kwamen. Wij ontdekten, dat deze rots vroeger aan het eiland moest vastgezeten hebben en op eene of andere wijze daarvan losgeraakt was; daarachter zagen wij, tot onze groote vreugde, kalm water; wij roeiden binnen, en het kostte ons thans weinig moeite om te landen. Na de boot voor dreg gelegd en twee man voor de bewaking er in gelaten te hebben, ging ik met de overigen op het onderzoeken van den omtrek uit. Natuurlijk werd het eerst onze aandacht bepaald bij het wrak, waar wij langs waren gekomen, en na een kwartier lang geklauterd te hebben over allerlei vormelooze, hoekige, losse steenen of rotsblokken, die van de naastehoogte afgebroken waren en over het strand verspreid lagen, bereikten wij die plaats.Het wrak was dat van een mooien, gekoperden schoener, van omtrent honderdentachtig tonnen inhoud. Met geweldige kracht was hij op den wal gesmeten, en zat daar eenige ellen boven hoogwaterpeil. De masten en rondhouten, zoomede een groot deel der lading lagen in alle richtingen over het naaste strand verspreid. Deze laatste bestond uit snuisterijen, aardewerk en muziekinstrumenten, violen, klarinetten, fluiten enz. Enkele overblijfsels van boeken, die ik vond en opraapte, bleken Fransche romans te zijn. Dicht bij het wrak, op eene kleine verhevenheid, vonden wij een viertal hutten, zeer ruw samengesteld uit aangespoelde planken van het scheepje; iets verder, zagen wij eenige graven naast elkander, ieder door een kruis aangewezen. Ik onderzocht de hutten, die ruwe overblijfsels van menschelijke bewoning bevatten: een paar banken en tafels, hoogst eenvoudig bekapt en in elkaar geslagen, beenderen van geiten en wilde varkens met de sporen van uitgebrand vuur. Niets echter konden wij te weten komen van den naam van schip of eigenaar, noch waren er namen op de begraafplaats vermeld, of eenig teeken of nummer op den spiegel van het scheepje geverfd of ingesneden, waaruit wij iets hadden kunnen opmaken.Dit met opzet verbergen van alles wat inlichting zou geven, gaf ons bij nadenken nu juist volkomen aan wat wij verlangden te weten: de haven van vertrek, de bestemming en den aard der lading. Daar de schoener op de zuidwestzijde van het eiland zat, met den kop om de noord-oost, was hij buiten twijfel op weg van Rio Janeiro naar de kust van Afrika, gedurende den nacht, verongelukt. Dat hij voornemens was eene lading slaven te halen, was even zeker, niet alleen om de prullen, die hij nu aan boord had, maar ook om de inwendige verdeeling van het vaartuig en het groot aantal hand- en voetboeien, die wij overal zagen liggen, en die wij wisten, dat alleen gebezigd worden voor het vatten en in bedwang houden van de ongelukkige slachtoffers van dezen handel.Wij bleven in de hutten overnachten en verdeelden ons met het aanbreken van den morgen in drie partijen, ten einde in verschillende richtingen het eiland te gaan doorzoeken. Reeds eerder heb ik medegedeeld, dat wij wel in het bezit van geweren waren, doch geen kruit hadden; de kans om eenige geiten of varkens, waarvan het eiland wemelde,te schieten, was dus zeer gering. Eene partij zocht een weg om naar het hoogste punt van het eiland te komen; eene andere trok westwaarts de kust langs, terwijl ikzelf met twee anderen oostwaarts ging. Met veel moeite kwamen wij over verscheidene ravijnen heen, tot wij eene lange vlakte bereikten, die het eiland scheen middendoor te deelen.Hier werd onze aandacht getrokken door een wonderlijk en bedroevend verschijnsel. In het dal stonden duizenden boomen, van gemiddeld dertig voet hoogte; maar zij waren alle dood, en elke stam strekte zijne bladerlooze takken naar eene andere uit—het was een woud der verlatenheid, alsof de natuur op een gegeven oogenblik daaraan de groeikracht had onthouden! Noch lage struiken, noch gras vond men er. Op de laagste, doode takken hadden tal van zeevogels hunne nesten gebouwd. Zij waren bijzonder mak en schenen den mensch zoo weinig gewend te zijn, dat de wijfjes, die op de eieren zaten te broeden, alleen dreigend hunne bekken omhoog staken, toen wij voorbijgingen.Zich rekenschap te geven van de gelijktijdige verwoesting in dit uitgestrekte bosch was niet gemakkelijk, daar er volstrekt geene vette aardlaag ontbrak, om de wortels te voeden. Het kwam mij het meest waarschijnlijk voor, dat er in eens een aanhoudende stroom van zwaveldampen uit een krater was neergedaald; of anders dat met een ongewoon hevige storm het zeewater in groote massa den wal opgejaagd had en er veel zout bij de wortels was achtergebleven. Aan welke dezer beide oorzaken de schuld moest gegeven worden, laat ik ter beslissing aan den natuurkundige.Voor ons was het althans een troost te ervaren, dat wij geen gebrek aan voedsel zouden krijgen, daar de vogelnesten ons ruim van eieren en jongen van verschillenden leeftijd konden voorzien; met een goeden voorraad daarvan keerden wij naar ons punt van uitgang terug.De troep, die westwaarts getrokken was, meldde, dat zij vele varkens gezien hadden, doch geene kans zagen er een van te vangen; en zij die beproefd hadden, het hoogste punt te beklimmen, kwamen zeer vermoeid terug, terwijl een hunner vermist werd. Zij verklaarden den top van den berg bereikt te hebben; aldaar hadden zij eene groote vlakte ontdekt, omzoomd met varens van twaalf tot achttien voet hoogte. Ook hadden zij op die vlakte eene kudde geiten gezien, en daaronder een bok van bijzondere grootte, die de leider wel scheen; hij was wel zoo groot als een hit. Ook hier waren alle pogingenmislukt om er een te vatten. De matroos, die nu vermist werd, had de geiten verder vervolgd dan de overigen. Een tijdlang hadden zij op zijn terugkeer gewacht, doch hem niet weer ziende opdagen, meenden zij, dat hij wel een anderen weg naar de baai gevonden zou hebben. Dit verhaal stond mij niets aan; vreezende, dat den armen man een of ander ernstig ongeluk overkomen was, hielden wij gedurende den nacht, dien wij even als den vorigen in de hutten doorbrachten, de wacht en een goed vuur brandende. Van de wrakstukken hadden wij ruimen voorraad brandhout, en langs ons kleine dorp stroomde een beekje van helder water.Den volgenden morgen werd een troep uitgezonden om den vermiste te gaan zoeken, en eenige anderen gingen er op uit om jonge vogels voor ons middagmaal te vangen. De laatsten brachten daarvan een voorraad mede, voldoende voor twee of drie dagen; maar van de drie man, die hun verloren makker zouden zoeken, keerden er slechts twee bij ons weder. Zij verklaarden niets gevonden te hebben, maar dat hun derde man zeker het onderzoek nog voortgezet had, want zij waren hem kwijtgeraakt.Dit nieuws maakte ons weder zeer angstig en gaf aanleiding tot allerlei nieuwe onderstellingen, waarvan er eene de meeste aanhangers vond, namelijk dat er verscheurend gedierte op het eiland zou zijn, waarvan onze arme vrienden de prooi waren geworden. Ik besloot nu den volgenden morgen, zelf er op uit te gaan en een paar vertrouwde matrozen met mij te nemen. Ik heb verzuimd mede te deelen, dat wij bij het verlaten van het zinkende schip ook een aan boord zijnden poedel hadden medegenomen, ten eerste omdat ik niet over mij kon verkrijgen het arme beest te laten verdrinken, en ten tweede omdat wij in geval van nood, het dier nog voor ons zouden kunnen slachten. Hiertoe hadden wij het recht, en wel overeenkomstig het spreekwoord: »Dat het hemd nader is dan de rok.”Deze trouwe hond had zich bijzonder gehecht aan mij, die hem zijn dagelijksch voedsel gaf. Nooit liet hij mij alleen en volgde niemand anders; en ook op dezen tocht was hij mijn compagnon.Wij bereikten den top van den eersten berg, van waar wij de geiten zagen grazen op de vlakte, werwaarts wij ons nu ook wilden begeven, tot opsporing onzer vermiste makkers. Ik was mijne manschappen eenige passen vooruit, en kort vóór mij liep de hond langs een afgescheurdrotsblok, naast een afgrond. Het vak, dat ik oversteken moest, was ongeveer zes of zeven voet wijd, en tien of twaalf lang, met eene zoo flauwe glooiing naar het ravijn toe, dat ik mij volkomen veilig achtte. Een kleine waterstroom druppelde van de rots, die daar boven was, en viel, zich in het mos en de kruipplanten verliezende, over den afgrond naar beneden in een ontzettende diepte.Deze weg scheen volstrekt niet gevaarlijk, vergeleken bij andere gedeelten, die wij reeds voorbij waren, en juist zou ik er den voet op zetten, toen mijn hond vóór mij op de noodlottige plek sprong: ik zag de pooten uitglippen,—hij viel en verdween in de diepte! Ik vloog terug, hoorde een zwaren plof en een kort gehuil; daarop volgde nog een zachte kreet, en toen bleef alles stil. Met de grootste behoedzaamheid en op den buik voortkruipende, naderde ik nu den rand van het ravijn, alwaar ik opmerkte, dat het waterstroompje oorzaak was dat er eene dunne laag mos groeide, zóó dicht in een en zacht als fluweel, maar zóó glibberig dat de lichtste voetstap er onmogelijk op kon staande blijven; dit verklaarde het plotseling verdwijnen, en zooals ik nu wel denken moest, de onvermijdelijke dood van mijn hond.Mijne eerste gedachte was dankbaarheid voor mijn wonderdadig behoud; mijne tweede was een treurig voorgevoel van het lot mijner arme manschappen, die maar al te waarschijnlijk verminkt aan den voet van dezen berg lagen. Ik deelde mijn vermoeden mede aan de twee matrozen, die bij mij waren en mij intusschen hadden ingehaald. Hoe meer wij er over nadachten, des te meer verdween elke twijfel in onzen geest. Langs een glooiend slingerpad daalden wij af; en na een hoogst vermoeiende en gevaarlijke wandeling, die een uur vorderde, bereikten wij de plaats, waar ons aller vrees helaas! volkomen bevestigd werd. Hier lagen de twee lichamen mijner mannen en dat van mijn hond, onkenbaar verminkt: het scheen, dat beiden beproefd hadden over het mos te loopen, even zorgeloos als ik op het punt was geweest dit te doen, ware niet de hond mij vóór geweest. Peinzende keerde ik naar mijne manschappen aan de baai terug en deelde hun onze droevige ontdekking mede. Allen waren bewogen over het lot dat hunne kameraden getroffen had, en niet het minst de Amerikaansche kapitein, die Green heette.Inderdaad, zoolang wij dezen armen man bij ons in de boot gehad hadden, had hij zich geheel anders doen kennen, dan ik aanvankelijkvan hem gedacht had; steeds bedankte hij voor zijn rantsoen sterken drank, dien hij aan de matrozen weggaf; hij zweeg meestal en zat in gedachten verzonken; dikwijls zag ik dat hij in stilte bad, en bij die gelegenheden stoorde ik hem nooit. Andere keeren legde hij zich er op toe om zoo nuttig mogelijk te zijn. Hij naaide en lapte de kleeren en schoenen van het volk, of leerde hun daarin zich zelf te helpen. Viel er zwaar werk te verrichten, dan was hij steeds de eerste om te beginnen, de laatste om te eindigen; en zoover ging hij in zijne beleefde hulpvaardigheid, dat wij hem allen begonnen lief te hebben en met eerbied te behandelen. Wanneer wij op zee waren, nam hij met de meeste trouw en waakzaamheid een wacht waar.Geenszins was dit uit vrees of bezorgdheid voor slechte behandeling onder zoovele Engelschen, die door zijne houding in het ongeluk waren gebracht. Spoedig had hij eene gelegenheid om te toonen, dat de verandering in zijn gedrag het uitvloeisel was van hartzeer en berouw.Den volgenden morgen zond ik een troep langs het zeestrand rond, met last om den berg heen te gaan en de lijken onzer ongelukkige kameraden aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. De twee matrozen, die mij vergezeld hadden, waren mede voor dien dienst aangewezen; toen zij daarvan teruggekeerd waren, bracht ik hun onder het oog, hoe noodlottig ons verblijf op dit rampzalige eiland was geweest, en hoeveel beter het toch geweest zou zijn, als wij naar RiodeJaneiro waren doorgegaan, dat, slechts een tweehonderdvijftig mijlen verder, op dit oogenblik al reeds door ons bereikt kon zijn; dat wij nu het voornaamste deel onzer provisiën—sterken drank en tabak—opteerden; terwijl onze boot, onze laatste hoop, ons uiterste redmiddel, niet eens veilig lag, daar een storm haar kon vernielen. Op grond hiervan stelde ik voor om dadelijk toebereidselen voor ons vertrek te maken, wat met algemeene stemmen werd goedgekeurd.Het werk, datnogte verrichten viel, verdeelden wij onder elkander: sommigen gingen eene zeeprovisie jonge vogels vangen, die gedood en schoongemaakt werden; anderen vulden onze watervaten. Kapitein Green nam het toezicht over het tuig, de zeilen en riemen van de boot en zorgde, dat hieraan niets ontbrak. De overgebleven spiritualiën waren niet veel, en kapitein Green, de adelborst en ikzelf namen ons voor het ons daarvan toekomende aandeel voor buitengewone gevallen te bewaren. Drie dagen na den aanvang onzer toebereidselen, en eeneweek na onze aankomst, scheepten wij ons weder in, en na in de branding bijna omgeslagen en volgeloopen te zijn, heschen wij andermaal ons zeil op de wijde wateren van den Atlantischen Oceaan.Het was echter niet voorbeschikt, dat wij ditmaal veel gevaren zouden doorstaan of de kust van Zuid-Amerika zouden bereiken; want slechts weinige uren waren wij in het ruime sop, toen wij een schip in het zicht kregen; dit bleek, nader-bij komende, een brik, een Amerikaansche kaper te zijn, varende veertien stukken en honderdentachtig koppen, bestemd om te kruisen in den omtrek van de Kaap de Goede Hoop. Zoodra men ons gewaar werd, hield men op ons af, en een half uur later bevonden wij ons veilig aldaar aan boord; toen ook onze kleine voorraad goed op het dek was overgebracht, liet men de boot aan zijn lot over.Mijne manschappen werden zeer ruw behandeld, zoolang zij er niet in toestemden op den kaper dienst te nemen, waartoe zij allen na overreding en bedreigingen overgingen, niettegenstaande ik daartegen mij zoo krachtig mogelijk verzette en alles aanwendde om hen van zulk een noodlottigen stap terug te houden. AlleenThompson bleefdit weigeren.Ook bij den kaperkapitein protesteerde ik tegen deze schending der gastvrijheid. »Gij vondt mij,” zeide ik, »in volle zee, in eene zwakke boot, welke aanhoudend in gevaar verkeerde door eene hooge zee overstelpt of door een dartelen walvisch omgeslagen te worden. Gij hebt mij en mijn volk opgenomen met alle medelijden en vriendschap, die wij slechts verwachten konden; maar dit alles doet gij weer te niet door mijne manschappen over te halen tot ontrouw aan hun wettigen vorst, door hen te dwingen om rebellen te worden en hen dus bloot te stellen aan de hoogst mogelijke straf, die hen wacht, als wij (waar zeer veel kans voor bestaat) weer in handen van onze landgenooten vallen mochten.De kapitein, die een ruwe, doch verstandige en helderziende Yankee was, antwoordde: dat het hem leed deed dat ik de zaak op deze wijzeopnam; dat hij volstrekt geene beleediging bedoelde; dat hij niets met mijne manschappen te doen wilde hebben, vóór zij zich uit eigen beweging kwamen aanbieden om onder hem te dienen; dat hij echter niet had kunnen voorkomen, dat eenigen van zijn eigen volk mijne matrozen tot dezen stap hadden overgehaald. »En nu, mijnheer de luitenant,”zeide hij, »laat ik u eene vraag stellen. Neem aan, dat gij een Engelsch schip commandeerdet, en ik had het ongeluk gehad door u genomen te worden, en tien of twaalf van mijne matrozen boden zich aan bij u dienst te nemen, opgevende te Newcastle thuis te behooren, zoudt gij ze dan weigeren? Buitendien, vóórdat de oorlog begon, zaagt gij er geen bezwaar in om van onze koopvaarders volk over te nemen,—zelfs onze oorlogsschepen waren daarvoor niet veilig, wanneer gij er kans toe zaagt. Zeg nu eens open en eerlijk, wat het onderscheid is tusschen uwe handeling en de onze?”Hierop antwoordde ik: dat het niet gemakkelijk was hieromtrent iets te zeggen, doch dat zelfs al ware zulks het geval, het dan voor ons weinig nut zoude opleveren om eene dergelijke quaestie te behandelen, die wijzer menschen, dan wij waren, zoowel in zijn land als het mijne, in de laatste twintig jaren reeds veel hoofdbrekens had gekost; dat het hier een op zichzelf staand geval betrof, dat afzonderlijk behoorde uitgemaakt te worden; dat de oorlogskansen mij in zijne macht hadden gebracht, en hij een slecht gebruik had gemaakt van het tijdelijke voordeel, dat hij genoot, door toe te staan, dat mijne menschen, die toch slechts arme, bekrompen schepsels waren, tot plichtverzaking werden verleid en overgehaald hun vlag te verlaten en hoogverraad te plegen, waardoor zij hun leven verbeurden en hunne gezinnen in het ongeluk stortten; dat, wat ook zijne regeering of de mijne vroeger gedaan mochten hebben, welke gedragslijn ook gevolgd werd door dezen of genen commandant, geen vorige zaak recht kon maken wat onrecht was; en verder liet ik het aan hemzelf over (ziende, dat mij niets anders overbleef) om te zeggen of hij nu deed, wat hij wenschen zoude, dat hem geschiedde.»O, wat dat betreft,” zeide de kapitein, »daarom bekommeren wij kapers ons niet zoo bijzonder; wij denken vooral om nummer één; en als uwe matrozen nu verkiezen te vertellen, dat zij van Boston vandaan zijn en op mijn schip willen dienen, dan moet ik hen aannemen. Wel,” vervolgde hij, »daar is de beste van uw volk, Thompson; ik verwed er een vaatje oude Jamaica-rum onder, dat hij een geboren Yankee is, die, als hij volgens zijn hart te werk ging liever onder Amerikaansche, dan onder Engelsche vlag zou willen vechten.”»Zij kunnen voor mijn part opd......, die zoo iets van Jack Thompson zeggen,” gaf de Schot, die dit gehoord had, ten antwoord; »ik bennog nooit van m’n leven overgeloopen, en dat zal me ook niet gauw gebeuren. Ik heb u en uwe stuurlieden maar één stuk raad te geven, kaptein. Ik ben een bedaard man en zal nooit iemand kwaad doen, als het niet in een eerlijk vechten is; maar als òf gij, òf iemand van uw volk probeeren om mij om te koopen, of op eenigerlei wijze mij ontrouw willen maken aan mijn koning of aan mijn land, dan zal ik hem, als ik er kans toe zie, plat in elkaar trappen als eene schol; en al kan ik het niet, dan zal ik het toch beproeven.”»Dat is goed gezegd,” sprak de kapitein, »en ik prijs u daarvoor. Gij kunt er op rekenen, dat ik u niet verzoeken zal, en als een van mijn volk het doet, dan moet hij maar ondervinden wat er op staat.”Kapitein Green hoorde dit gesprek aan; hij nam er geen deel in, maar liep op de hem eigene, peinzende wijze, op het dek op en neer. Toen de kapitein van den kaper naar omlaag was gegaan, kwam die ongelukkige man naar mij toe en merkte op:»Wat een flink stuk van een Engelschen matroos hebt gij daar bij u.”»Ja,” antwoordde ik, »hij is er nog een van het rechte soort; hij komt uit het land, waar de opvoeding der minvermogenden bijdraagt tot de veiligheid der rijken, waar men iemand er niet minder om acht, als hij zijn bijbel leest, en waar het meerendeel van de lagere standen grootgebracht is in alle eenvoudigheid van het vroegere Christendom.”»Ik houd het er voor,” zeide Green, »dat gij er in uwe marine niet veel zóó hebt.”»Meer dan gij denken zoudt,” hernam ik; »en wat u het vreemdst zal toeschijnen is, dat zij nooit deserteeren zullen, zelfs al zijn zij geprest geworden; en toch houdt men hen op veel lager gage, dan zij te voren hadden of dan zij krijgen konden, maar zij hebben een hoog begrip van zedelijkheid en godsdienstig gevoel, en dit houdt hen tot hunnen plicht.”»Maar in weerwil hiervan, moeten zij toch niet erg tevreden zijn,” zeide Green.»Dat behoeft daaruit juist niet te volgen,” zeide ik: »zij hebben in den zeedienst verschillende voordeelen, die zij elders missen. Voor langdurigen dienst en voor bekomen wonden verkrijgen zij pensioen, op hun ouden dag genieten zij veel geldelijke hulp, hunne weduwen en weezen ontvangen bescherming, zoowel van gouvernementswege als vanliefdadigheidsinrichtingenof rijke particulieren. Maar wij zullen dit gespreklater voortzetten,” vervolgde ik, »want ik zie daar het eten naar de kajuitopgedragen worden.”De kapitein van den kaper bewees mij alle eerbied en voorkomendheid, zooveel hij slechts kon. Veel hiervan had ik te danken aan Green en aan den zwarte, Mungo, die beiden mijn gedrag verheerlijkt hadden bij de redding van het leven van hem, die dat van ons allen in de waagschaal had gesteld. Greens dankbaarheid kende geene grenzen,—hij waakte over mij dag en nacht, zooals eene moeder over haren lieveling zoude waken; hij voorkwam elke behoefte, elken wensch, dien ik kon hebben en was nooit gelukkiger, dan wanneer hij dien kon bevredigen. De matrozen van de brik waren allen even vriendelijk en attent voor mij, zoo hoog waardeerden zij mijne handeling om het leven van hunnen landgenoot te redden, en mijn eigen leven te wagen in het onderdrukken van een oproer.Wij kruisten zuidwaarts en namen een paar prijzen, die echter geene groote waarde hadden. Een daarvan, een handelsvaartuig van Mozambique, werd vernield; met den ander, een slavenhaler van Madagaskar, wist de kapitein niet goed wat hij uitvoeren zou. Daarom scheepte hij slechts een tiental van de stevigste negers over, om in den dienst aan boord van den kaper te assisteeren, en liet verder dien prijs maar aan zijn lot over.1Een zeemansgids.

Het weder was schoon, de zee tamelijk kalm, en daar wij over een voldoenden voorraad levensmiddelen en water konden beschikken, was ons lijden niet groot, daar onze zorg alleen bestond, in vrees voor verandering van den wind en de kennis van onzen onzekeren toestand. Den vijfden dag na ons verlaten van het wrak ontdekten wij op grooten afstand land. Ik wist, dat dit het eiland Trinidad en de rotsen van Martin Vas zijn moesten. Dit eiland, gelegen op 20° Zuiderbreedte en 30° Westerlengte, behoort men niet te verwarren met dat van gelijke benaming op de kust van Terra Firma in de West-Indiën, dat nu eene Engelsche bezitting is.

Bij het raadplegen van Horsburgh,1dien ik bij mij in de boot had, bevond ik, dat het eiland vóór ons vroeger door Portugeezen bewoond geweest, maar sedert lang verlaten was. Den geheelen nacht door bleef ik er op aan sturen, tot wij duidelijk de branding tegen de rotsen konden hooren, toen stak ik bij den wind op aan de loefzijde van het land, op deze wijze het aanbreken van den dag afwachtende.

Het daglicht bescheen een steile, ruwgevormde, grauwe kust, met hooge en scherp gepunte rotsen, die uittartend nederzagen op de onbevredigbare en woeste golven, welke aanhoudend aan hunne voeten braken en daarna weer terugrolden om dergelijke slagen tot in het oneindige te herhalen. Eeuw in eeuw uit waren zij dus aan het werk geweest, eeuw in eeuw uit zouden zij alzoo voortgaan, zonder eenige, voor het menschelijk oog waarneembare, schade te veroorzaken. Op dat deel der kust, dat wij nu voor ons zagen, was landen eene onmogelijkheid, en daarom zeilden wij den wal langs in de hoop ergens een inham te vinden, waar wij met onze boot binnen konden komen, om haar daar vast te leggen. Het eiland scheen ongeveer negen mijlen lang, was blijkbaar van vulkanischen oorsprong en eene verzameling van rotsige hoogten, die zeven honderd voeten boven de oppervlakte derzee uitstaken. Hetwas kaal, behalve op de toppen der heuvels, waar enkele boomen eene kroon vormden, die prachtig en frisch scheen, maar het oog tergde, daar zij onbereikbaar was. Zelfs in geval ik eene landingsplaats gevonden had, betwijfel ik of ik er wel gebruik van zou gemaakt hebben, daar het eiland niets scheen voort te brengen, wat voor ons eenige waarde had, terwijl elk oponthoud noodeloos onzen levensvoorraad zou doen verminderen. Er was nergens een levend wezen te bespeuren, en om zóó nabij te komen, dat wij eene landingsplaats zouden kunnen onderscheiden, was hoogst gevaarlijk.

Dit zeer eenvoudige vooruitzicht gaf mij aanleiding tot de overweging om onze reis tot Rio Janeiro te vervolgen. Doch mijn volk was van eene andere meening. Zij vonden, dat zij lang genoeg achtereen, stijf op elkaar, op het water hadden doorgebracht, en gaven de voorkeur aan een verblijf op het eiland boven het langer wagen van hun leven in zoo’n zwakke boot op den wijden Oceaan. Nog waren wij aan het beraadslagen, toen wij langs een smalle zandstrook kwamen, waarop wij twee wilde varkens zagen loopen, die klaarblijkelijk bezig waren om zich met schaaldieren te voeden; dit besliste de zaak geheel en al, en ik stemde toe om onder de lij van het eiland langs te loopen en aan dien kant naar eene landingsplaats uit te zien. Volgens aanwijzing van Horsburgh liepen wij de Westpunt om, zoekende naar de bocht bij de Kegel-rots. Toen deze zich voor ons opende, was het een onbeschrijfelijk schoon gezicht, dat misschien nergens ter wereld zijne weergade vindt. Een enorme rots verhief zich bijna loodrecht uit de zee, tot een hoogte van negen honderd of duizend voet. Zij had aan debasisnagenoeg dezelfde afmetingen als aan den top en kwam in vorm volkomen overeen met eenen kegel; vandaar haren naam. De zijden waren glad, tot boven toe, de top was met groen bedekt en was zoo ver ons verwijderd, dat de zeevogels, die er bij duizenden omheen vlogen, reeds op twee derden van den afstand nauwelijks zichtbaar waren. Hevig werd de voet der rots door de zee gebeukt—sedert eeuwen waren de vogels in eindelooze verscheidenheid de ongestoorde bewoners van dit natuurlijke gedenkteeken geweest: elke eenigszins ruwe of uitstekende punt was met guano bedekt, en het scheen mij eene wonderbaarlijke speling der natuur toe, welke deze massa geplaatst had in den stand, dien zij behield, in weerwil van de uiterste krachtinspanning van den wind en de golven van den grooten Oceaan.

Een ander vreemd verschijnsel deed zich voor aan den anderen kant van de baai. Hier was de lava naar zee gestroomd en had aldaar eene laag gevormd; een tweede stroom van gesmolten rots was over de eerste heengegaan, doch zoo snel afgekoeld, dat geene vereeniging meer kon plaats vinden en de tusschengelegen ruimte met water volliep. Met geweld stoof telkens de zee tusschen de twee lagen door en spatte prachtig, door allerlei openingen, die zich in de bovenste bevonden, tot eene hoogte van soms wel zestig voet op, als waren het de waterstralen van eene school walvisschen, maar met een geluid en eene kracht, die oneindig grooter waren. Het geraas was in werkelijkheid vreeselijk, hol en ontzagwekkend. Ik kon niet nalaten om zwijgend dit tooneel te bewonderen, en mijn hart gevoelde zich klein bij het bedenken van mijne eigene onbeduidendheid, dwaasheid en verdorvenheid.

Terwijl wij nu voortgingen de kust te houden, op den uitkijk naar onze landingsplaats, klaar om het zeil te strijken, scheen de Amerikaansche kapitein, die naast den man aan het roer zat, aandachtig op een punt te staren aan bakboordszijde buiten de boot. Eensklaps riep hij: »Bakboord het roer, kerel, bakboord, aan boord!” Deze woorden deed hij samengaan met een duw aan den helmstok, welke den ander bijna overboord deed slaan. Te gelijk lichtte eene hooge zee de boot op, en eenige ellen rechts voorbij eene puntige rots, die gelijk met de waterlijn kwam en onze aandacht ontgaan was, en waarvan het bestaan slechts door den Amerikaanschen kapitein vermoed was (omdat op sommige dergelijke steenen de zee slechts zeer zeldzaam breekt). Hierop zouden wij stellig en zeker verbrijzeld zijn, als het gevaar niet gezien en vermeden was geworden door de vlugge en handige overlegging van het roer; een oogenblik later, en een voet dichter bij, en reddeloos zouden wij weg geweest zijn.

»Genadige Hemel!” riep ik uit, »wat heeft het lot toch met mij voor? Hoe kan ik dankbaar genoeg zijn voor zooveel goedheid!” Ik dankte den Amerikaan voor zijn opletten en vertelde mijnen manschappen, hoeveel zij hem verschuldigd waren en hoe hij thans ruim terugbetaald had, wat hij ons verplicht was voor zijne redding van het wrak.

»Ach, luitenant!” zeide de arme man, »het is maar een kleine wederdienst, dien ik bewees voor de goedheid, mij door u betoond.”

Het water was nu weer zeer diep, daar de rotsen steil opliepen; daarom streken wij het zeil, legden de riemen toe en roeiden nader, om een goed plekje te vinden. Diep de baai in ontdekten wij het wrak van een schip, dat op het droge zat. Het was middendoor gebroken en scheen gekoperd te zijn. Dit vermeerderde het verlangen mijner matrozen om aan land te komen; wij kwamen met de boot nader-bij, doch bevonden, dat deze stukgeslagen zou worden, als wij er den wal mede oploopen wilden. Onze jonker stelde voor, dat een onzer naar het strand zou zwemmen en dan van eene of andere hoogte af een plaatsje zou uitzoeken en aanwijzen, waar de boot in kon komen. Dit keurde ik goed, en de kwartiermeester ontkleedde zich voor zoover noodig. Ik bond hem eene loodlijn onder de armen vast, zoodat wij hem daaraan zouden kunnen terughalen, in geval hij uitgeput mocht raken. Met het grootste gemak ging hij door het eerste gedeelte van de branding, doch in de brekers gekomen, kon hij niet verder; wanneer hij voor een oogenblik den grond met zijne voeten raakte, werd hij door de terugloopende zee, of wat de matrozen noemden den onderstroom, met groote vaart achterwaarts geworpen, tot hij weer in den laatsten roller terechtkwam.

Driemaal werd het door den onversaagden man beproefd, steeds met denzelfden uitslag. Ten laatste zagen wij hem zinken en hadden veel moeite hem aan de lijn nog levend in de boot terug te trekken. Thans stelde de adelborst voor om het zelf te beproeven, zonder de lijn, omdat deze den eersten zwemmer zeer in zijne bewegingen belemmerd had; dit was werkelijk het geval geweest, doch ik wilde hem niet aan dit gevaar blootstellen, en wij bleven nu langs den wal doorroeien, tot wij aan een rots kwamen, waarop de branding bijzonder hoog stond, en die wij bij gevolg niet te na kwamen. Wij ontdekten, dat deze rots vroeger aan het eiland moest vastgezeten hebben en op eene of andere wijze daarvan losgeraakt was; daarachter zagen wij, tot onze groote vreugde, kalm water; wij roeiden binnen, en het kostte ons thans weinig moeite om te landen. Na de boot voor dreg gelegd en twee man voor de bewaking er in gelaten te hebben, ging ik met de overigen op het onderzoeken van den omtrek uit. Natuurlijk werd het eerst onze aandacht bepaald bij het wrak, waar wij langs waren gekomen, en na een kwartier lang geklauterd te hebben over allerlei vormelooze, hoekige, losse steenen of rotsblokken, die van de naastehoogte afgebroken waren en over het strand verspreid lagen, bereikten wij die plaats.

Het wrak was dat van een mooien, gekoperden schoener, van omtrent honderdentachtig tonnen inhoud. Met geweldige kracht was hij op den wal gesmeten, en zat daar eenige ellen boven hoogwaterpeil. De masten en rondhouten, zoomede een groot deel der lading lagen in alle richtingen over het naaste strand verspreid. Deze laatste bestond uit snuisterijen, aardewerk en muziekinstrumenten, violen, klarinetten, fluiten enz. Enkele overblijfsels van boeken, die ik vond en opraapte, bleken Fransche romans te zijn. Dicht bij het wrak, op eene kleine verhevenheid, vonden wij een viertal hutten, zeer ruw samengesteld uit aangespoelde planken van het scheepje; iets verder, zagen wij eenige graven naast elkander, ieder door een kruis aangewezen. Ik onderzocht de hutten, die ruwe overblijfsels van menschelijke bewoning bevatten: een paar banken en tafels, hoogst eenvoudig bekapt en in elkaar geslagen, beenderen van geiten en wilde varkens met de sporen van uitgebrand vuur. Niets echter konden wij te weten komen van den naam van schip of eigenaar, noch waren er namen op de begraafplaats vermeld, of eenig teeken of nummer op den spiegel van het scheepje geverfd of ingesneden, waaruit wij iets hadden kunnen opmaken.

Dit met opzet verbergen van alles wat inlichting zou geven, gaf ons bij nadenken nu juist volkomen aan wat wij verlangden te weten: de haven van vertrek, de bestemming en den aard der lading. Daar de schoener op de zuidwestzijde van het eiland zat, met den kop om de noord-oost, was hij buiten twijfel op weg van Rio Janeiro naar de kust van Afrika, gedurende den nacht, verongelukt. Dat hij voornemens was eene lading slaven te halen, was even zeker, niet alleen om de prullen, die hij nu aan boord had, maar ook om de inwendige verdeeling van het vaartuig en het groot aantal hand- en voetboeien, die wij overal zagen liggen, en die wij wisten, dat alleen gebezigd worden voor het vatten en in bedwang houden van de ongelukkige slachtoffers van dezen handel.

Wij bleven in de hutten overnachten en verdeelden ons met het aanbreken van den morgen in drie partijen, ten einde in verschillende richtingen het eiland te gaan doorzoeken. Reeds eerder heb ik medegedeeld, dat wij wel in het bezit van geweren waren, doch geen kruit hadden; de kans om eenige geiten of varkens, waarvan het eiland wemelde,te schieten, was dus zeer gering. Eene partij zocht een weg om naar het hoogste punt van het eiland te komen; eene andere trok westwaarts de kust langs, terwijl ikzelf met twee anderen oostwaarts ging. Met veel moeite kwamen wij over verscheidene ravijnen heen, tot wij eene lange vlakte bereikten, die het eiland scheen middendoor te deelen.

Hier werd onze aandacht getrokken door een wonderlijk en bedroevend verschijnsel. In het dal stonden duizenden boomen, van gemiddeld dertig voet hoogte; maar zij waren alle dood, en elke stam strekte zijne bladerlooze takken naar eene andere uit—het was een woud der verlatenheid, alsof de natuur op een gegeven oogenblik daaraan de groeikracht had onthouden! Noch lage struiken, noch gras vond men er. Op de laagste, doode takken hadden tal van zeevogels hunne nesten gebouwd. Zij waren bijzonder mak en schenen den mensch zoo weinig gewend te zijn, dat de wijfjes, die op de eieren zaten te broeden, alleen dreigend hunne bekken omhoog staken, toen wij voorbijgingen.

Zich rekenschap te geven van de gelijktijdige verwoesting in dit uitgestrekte bosch was niet gemakkelijk, daar er volstrekt geene vette aardlaag ontbrak, om de wortels te voeden. Het kwam mij het meest waarschijnlijk voor, dat er in eens een aanhoudende stroom van zwaveldampen uit een krater was neergedaald; of anders dat met een ongewoon hevige storm het zeewater in groote massa den wal opgejaagd had en er veel zout bij de wortels was achtergebleven. Aan welke dezer beide oorzaken de schuld moest gegeven worden, laat ik ter beslissing aan den natuurkundige.

Voor ons was het althans een troost te ervaren, dat wij geen gebrek aan voedsel zouden krijgen, daar de vogelnesten ons ruim van eieren en jongen van verschillenden leeftijd konden voorzien; met een goeden voorraad daarvan keerden wij naar ons punt van uitgang terug.

De troep, die westwaarts getrokken was, meldde, dat zij vele varkens gezien hadden, doch geene kans zagen er een van te vangen; en zij die beproefd hadden, het hoogste punt te beklimmen, kwamen zeer vermoeid terug, terwijl een hunner vermist werd. Zij verklaarden den top van den berg bereikt te hebben; aldaar hadden zij eene groote vlakte ontdekt, omzoomd met varens van twaalf tot achttien voet hoogte. Ook hadden zij op die vlakte eene kudde geiten gezien, en daaronder een bok van bijzondere grootte, die de leider wel scheen; hij was wel zoo groot als een hit. Ook hier waren alle pogingenmislukt om er een te vatten. De matroos, die nu vermist werd, had de geiten verder vervolgd dan de overigen. Een tijdlang hadden zij op zijn terugkeer gewacht, doch hem niet weer ziende opdagen, meenden zij, dat hij wel een anderen weg naar de baai gevonden zou hebben. Dit verhaal stond mij niets aan; vreezende, dat den armen man een of ander ernstig ongeluk overkomen was, hielden wij gedurende den nacht, dien wij even als den vorigen in de hutten doorbrachten, de wacht en een goed vuur brandende. Van de wrakstukken hadden wij ruimen voorraad brandhout, en langs ons kleine dorp stroomde een beekje van helder water.

Den volgenden morgen werd een troep uitgezonden om den vermiste te gaan zoeken, en eenige anderen gingen er op uit om jonge vogels voor ons middagmaal te vangen. De laatsten brachten daarvan een voorraad mede, voldoende voor twee of drie dagen; maar van de drie man, die hun verloren makker zouden zoeken, keerden er slechts twee bij ons weder. Zij verklaarden niets gevonden te hebben, maar dat hun derde man zeker het onderzoek nog voortgezet had, want zij waren hem kwijtgeraakt.

Dit nieuws maakte ons weder zeer angstig en gaf aanleiding tot allerlei nieuwe onderstellingen, waarvan er eene de meeste aanhangers vond, namelijk dat er verscheurend gedierte op het eiland zou zijn, waarvan onze arme vrienden de prooi waren geworden. Ik besloot nu den volgenden morgen, zelf er op uit te gaan en een paar vertrouwde matrozen met mij te nemen. Ik heb verzuimd mede te deelen, dat wij bij het verlaten van het zinkende schip ook een aan boord zijnden poedel hadden medegenomen, ten eerste omdat ik niet over mij kon verkrijgen het arme beest te laten verdrinken, en ten tweede omdat wij in geval van nood, het dier nog voor ons zouden kunnen slachten. Hiertoe hadden wij het recht, en wel overeenkomstig het spreekwoord: »Dat het hemd nader is dan de rok.”

Deze trouwe hond had zich bijzonder gehecht aan mij, die hem zijn dagelijksch voedsel gaf. Nooit liet hij mij alleen en volgde niemand anders; en ook op dezen tocht was hij mijn compagnon.

Wij bereikten den top van den eersten berg, van waar wij de geiten zagen grazen op de vlakte, werwaarts wij ons nu ook wilden begeven, tot opsporing onzer vermiste makkers. Ik was mijne manschappen eenige passen vooruit, en kort vóór mij liep de hond langs een afgescheurdrotsblok, naast een afgrond. Het vak, dat ik oversteken moest, was ongeveer zes of zeven voet wijd, en tien of twaalf lang, met eene zoo flauwe glooiing naar het ravijn toe, dat ik mij volkomen veilig achtte. Een kleine waterstroom druppelde van de rots, die daar boven was, en viel, zich in het mos en de kruipplanten verliezende, over den afgrond naar beneden in een ontzettende diepte.

Deze weg scheen volstrekt niet gevaarlijk, vergeleken bij andere gedeelten, die wij reeds voorbij waren, en juist zou ik er den voet op zetten, toen mijn hond vóór mij op de noodlottige plek sprong: ik zag de pooten uitglippen,—hij viel en verdween in de diepte! Ik vloog terug, hoorde een zwaren plof en een kort gehuil; daarop volgde nog een zachte kreet, en toen bleef alles stil. Met de grootste behoedzaamheid en op den buik voortkruipende, naderde ik nu den rand van het ravijn, alwaar ik opmerkte, dat het waterstroompje oorzaak was dat er eene dunne laag mos groeide, zóó dicht in een en zacht als fluweel, maar zóó glibberig dat de lichtste voetstap er onmogelijk op kon staande blijven; dit verklaarde het plotseling verdwijnen, en zooals ik nu wel denken moest, de onvermijdelijke dood van mijn hond.

Mijne eerste gedachte was dankbaarheid voor mijn wonderdadig behoud; mijne tweede was een treurig voorgevoel van het lot mijner arme manschappen, die maar al te waarschijnlijk verminkt aan den voet van dezen berg lagen. Ik deelde mijn vermoeden mede aan de twee matrozen, die bij mij waren en mij intusschen hadden ingehaald. Hoe meer wij er over nadachten, des te meer verdween elke twijfel in onzen geest. Langs een glooiend slingerpad daalden wij af; en na een hoogst vermoeiende en gevaarlijke wandeling, die een uur vorderde, bereikten wij de plaats, waar ons aller vrees helaas! volkomen bevestigd werd. Hier lagen de twee lichamen mijner mannen en dat van mijn hond, onkenbaar verminkt: het scheen, dat beiden beproefd hadden over het mos te loopen, even zorgeloos als ik op het punt was geweest dit te doen, ware niet de hond mij vóór geweest. Peinzende keerde ik naar mijne manschappen aan de baai terug en deelde hun onze droevige ontdekking mede. Allen waren bewogen over het lot dat hunne kameraden getroffen had, en niet het minst de Amerikaansche kapitein, die Green heette.

Inderdaad, zoolang wij dezen armen man bij ons in de boot gehad hadden, had hij zich geheel anders doen kennen, dan ik aanvankelijkvan hem gedacht had; steeds bedankte hij voor zijn rantsoen sterken drank, dien hij aan de matrozen weggaf; hij zweeg meestal en zat in gedachten verzonken; dikwijls zag ik dat hij in stilte bad, en bij die gelegenheden stoorde ik hem nooit. Andere keeren legde hij zich er op toe om zoo nuttig mogelijk te zijn. Hij naaide en lapte de kleeren en schoenen van het volk, of leerde hun daarin zich zelf te helpen. Viel er zwaar werk te verrichten, dan was hij steeds de eerste om te beginnen, de laatste om te eindigen; en zoover ging hij in zijne beleefde hulpvaardigheid, dat wij hem allen begonnen lief te hebben en met eerbied te behandelen. Wanneer wij op zee waren, nam hij met de meeste trouw en waakzaamheid een wacht waar.

Geenszins was dit uit vrees of bezorgdheid voor slechte behandeling onder zoovele Engelschen, die door zijne houding in het ongeluk waren gebracht. Spoedig had hij eene gelegenheid om te toonen, dat de verandering in zijn gedrag het uitvloeisel was van hartzeer en berouw.

Den volgenden morgen zond ik een troep langs het zeestrand rond, met last om den berg heen te gaan en de lijken onzer ongelukkige kameraden aan den schoot der aarde toe te vertrouwen. De twee matrozen, die mij vergezeld hadden, waren mede voor dien dienst aangewezen; toen zij daarvan teruggekeerd waren, bracht ik hun onder het oog, hoe noodlottig ons verblijf op dit rampzalige eiland was geweest, en hoeveel beter het toch geweest zou zijn, als wij naar RiodeJaneiro waren doorgegaan, dat, slechts een tweehonderdvijftig mijlen verder, op dit oogenblik al reeds door ons bereikt kon zijn; dat wij nu het voornaamste deel onzer provisiën—sterken drank en tabak—opteerden; terwijl onze boot, onze laatste hoop, ons uiterste redmiddel, niet eens veilig lag, daar een storm haar kon vernielen. Op grond hiervan stelde ik voor om dadelijk toebereidselen voor ons vertrek te maken, wat met algemeene stemmen werd goedgekeurd.

Het werk, datnogte verrichten viel, verdeelden wij onder elkander: sommigen gingen eene zeeprovisie jonge vogels vangen, die gedood en schoongemaakt werden; anderen vulden onze watervaten. Kapitein Green nam het toezicht over het tuig, de zeilen en riemen van de boot en zorgde, dat hieraan niets ontbrak. De overgebleven spiritualiën waren niet veel, en kapitein Green, de adelborst en ikzelf namen ons voor het ons daarvan toekomende aandeel voor buitengewone gevallen te bewaren. Drie dagen na den aanvang onzer toebereidselen, en eeneweek na onze aankomst, scheepten wij ons weder in, en na in de branding bijna omgeslagen en volgeloopen te zijn, heschen wij andermaal ons zeil op de wijde wateren van den Atlantischen Oceaan.

Het was echter niet voorbeschikt, dat wij ditmaal veel gevaren zouden doorstaan of de kust van Zuid-Amerika zouden bereiken; want slechts weinige uren waren wij in het ruime sop, toen wij een schip in het zicht kregen; dit bleek, nader-bij komende, een brik, een Amerikaansche kaper te zijn, varende veertien stukken en honderdentachtig koppen, bestemd om te kruisen in den omtrek van de Kaap de Goede Hoop. Zoodra men ons gewaar werd, hield men op ons af, en een half uur later bevonden wij ons veilig aldaar aan boord; toen ook onze kleine voorraad goed op het dek was overgebracht, liet men de boot aan zijn lot over.

Mijne manschappen werden zeer ruw behandeld, zoolang zij er niet in toestemden op den kaper dienst te nemen, waartoe zij allen na overreding en bedreigingen overgingen, niettegenstaande ik daartegen mij zoo krachtig mogelijk verzette en alles aanwendde om hen van zulk een noodlottigen stap terug te houden. AlleenThompson bleefdit weigeren.

Ook bij den kaperkapitein protesteerde ik tegen deze schending der gastvrijheid. »Gij vondt mij,” zeide ik, »in volle zee, in eene zwakke boot, welke aanhoudend in gevaar verkeerde door eene hooge zee overstelpt of door een dartelen walvisch omgeslagen te worden. Gij hebt mij en mijn volk opgenomen met alle medelijden en vriendschap, die wij slechts verwachten konden; maar dit alles doet gij weer te niet door mijne manschappen over te halen tot ontrouw aan hun wettigen vorst, door hen te dwingen om rebellen te worden en hen dus bloot te stellen aan de hoogst mogelijke straf, die hen wacht, als wij (waar zeer veel kans voor bestaat) weer in handen van onze landgenooten vallen mochten.

De kapitein, die een ruwe, doch verstandige en helderziende Yankee was, antwoordde: dat het hem leed deed dat ik de zaak op deze wijzeopnam; dat hij volstrekt geene beleediging bedoelde; dat hij niets met mijne manschappen te doen wilde hebben, vóór zij zich uit eigen beweging kwamen aanbieden om onder hem te dienen; dat hij echter niet had kunnen voorkomen, dat eenigen van zijn eigen volk mijne matrozen tot dezen stap hadden overgehaald. »En nu, mijnheer de luitenant,”zeide hij, »laat ik u eene vraag stellen. Neem aan, dat gij een Engelsch schip commandeerdet, en ik had het ongeluk gehad door u genomen te worden, en tien of twaalf van mijne matrozen boden zich aan bij u dienst te nemen, opgevende te Newcastle thuis te behooren, zoudt gij ze dan weigeren? Buitendien, vóórdat de oorlog begon, zaagt gij er geen bezwaar in om van onze koopvaarders volk over te nemen,—zelfs onze oorlogsschepen waren daarvoor niet veilig, wanneer gij er kans toe zaagt. Zeg nu eens open en eerlijk, wat het onderscheid is tusschen uwe handeling en de onze?”

Hierop antwoordde ik: dat het niet gemakkelijk was hieromtrent iets te zeggen, doch dat zelfs al ware zulks het geval, het dan voor ons weinig nut zoude opleveren om eene dergelijke quaestie te behandelen, die wijzer menschen, dan wij waren, zoowel in zijn land als het mijne, in de laatste twintig jaren reeds veel hoofdbrekens had gekost; dat het hier een op zichzelf staand geval betrof, dat afzonderlijk behoorde uitgemaakt te worden; dat de oorlogskansen mij in zijne macht hadden gebracht, en hij een slecht gebruik had gemaakt van het tijdelijke voordeel, dat hij genoot, door toe te staan, dat mijne menschen, die toch slechts arme, bekrompen schepsels waren, tot plichtverzaking werden verleid en overgehaald hun vlag te verlaten en hoogverraad te plegen, waardoor zij hun leven verbeurden en hunne gezinnen in het ongeluk stortten; dat, wat ook zijne regeering of de mijne vroeger gedaan mochten hebben, welke gedragslijn ook gevolgd werd door dezen of genen commandant, geen vorige zaak recht kon maken wat onrecht was; en verder liet ik het aan hemzelf over (ziende, dat mij niets anders overbleef) om te zeggen of hij nu deed, wat hij wenschen zoude, dat hem geschiedde.

»O, wat dat betreft,” zeide de kapitein, »daarom bekommeren wij kapers ons niet zoo bijzonder; wij denken vooral om nummer één; en als uwe matrozen nu verkiezen te vertellen, dat zij van Boston vandaan zijn en op mijn schip willen dienen, dan moet ik hen aannemen. Wel,” vervolgde hij, »daar is de beste van uw volk, Thompson; ik verwed er een vaatje oude Jamaica-rum onder, dat hij een geboren Yankee is, die, als hij volgens zijn hart te werk ging liever onder Amerikaansche, dan onder Engelsche vlag zou willen vechten.”

»Zij kunnen voor mijn part opd......, die zoo iets van Jack Thompson zeggen,” gaf de Schot, die dit gehoord had, ten antwoord; »ik bennog nooit van m’n leven overgeloopen, en dat zal me ook niet gauw gebeuren. Ik heb u en uwe stuurlieden maar één stuk raad te geven, kaptein. Ik ben een bedaard man en zal nooit iemand kwaad doen, als het niet in een eerlijk vechten is; maar als òf gij, òf iemand van uw volk probeeren om mij om te koopen, of op eenigerlei wijze mij ontrouw willen maken aan mijn koning of aan mijn land, dan zal ik hem, als ik er kans toe zie, plat in elkaar trappen als eene schol; en al kan ik het niet, dan zal ik het toch beproeven.”

»Dat is goed gezegd,” sprak de kapitein, »en ik prijs u daarvoor. Gij kunt er op rekenen, dat ik u niet verzoeken zal, en als een van mijn volk het doet, dan moet hij maar ondervinden wat er op staat.”

Kapitein Green hoorde dit gesprek aan; hij nam er geen deel in, maar liep op de hem eigene, peinzende wijze, op het dek op en neer. Toen de kapitein van den kaper naar omlaag was gegaan, kwam die ongelukkige man naar mij toe en merkte op:

»Wat een flink stuk van een Engelschen matroos hebt gij daar bij u.”

»Ja,” antwoordde ik, »hij is er nog een van het rechte soort; hij komt uit het land, waar de opvoeding der minvermogenden bijdraagt tot de veiligheid der rijken, waar men iemand er niet minder om acht, als hij zijn bijbel leest, en waar het meerendeel van de lagere standen grootgebracht is in alle eenvoudigheid van het vroegere Christendom.”

»Ik houd het er voor,” zeide Green, »dat gij er in uwe marine niet veel zóó hebt.”

»Meer dan gij denken zoudt,” hernam ik; »en wat u het vreemdst zal toeschijnen is, dat zij nooit deserteeren zullen, zelfs al zijn zij geprest geworden; en toch houdt men hen op veel lager gage, dan zij te voren hadden of dan zij krijgen konden, maar zij hebben een hoog begrip van zedelijkheid en godsdienstig gevoel, en dit houdt hen tot hunnen plicht.”

»Maar in weerwil hiervan, moeten zij toch niet erg tevreden zijn,” zeide Green.

»Dat behoeft daaruit juist niet te volgen,” zeide ik: »zij hebben in den zeedienst verschillende voordeelen, die zij elders missen. Voor langdurigen dienst en voor bekomen wonden verkrijgen zij pensioen, op hun ouden dag genieten zij veel geldelijke hulp, hunne weduwen en weezen ontvangen bescherming, zoowel van gouvernementswege als vanliefdadigheidsinrichtingenof rijke particulieren. Maar wij zullen dit gespreklater voortzetten,” vervolgde ik, »want ik zie daar het eten naar de kajuitopgedragen worden.”

De kapitein van den kaper bewees mij alle eerbied en voorkomendheid, zooveel hij slechts kon. Veel hiervan had ik te danken aan Green en aan den zwarte, Mungo, die beiden mijn gedrag verheerlijkt hadden bij de redding van het leven van hem, die dat van ons allen in de waagschaal had gesteld. Greens dankbaarheid kende geene grenzen,—hij waakte over mij dag en nacht, zooals eene moeder over haren lieveling zoude waken; hij voorkwam elke behoefte, elken wensch, dien ik kon hebben en was nooit gelukkiger, dan wanneer hij dien kon bevredigen. De matrozen van de brik waren allen even vriendelijk en attent voor mij, zoo hoog waardeerden zij mijne handeling om het leven van hunnen landgenoot te redden, en mijn eigen leven te wagen in het onderdrukken van een oproer.

Wij kruisten zuidwaarts en namen een paar prijzen, die echter geene groote waarde hadden. Een daarvan, een handelsvaartuig van Mozambique, werd vernield; met den ander, een slavenhaler van Madagaskar, wist de kapitein niet goed wat hij uitvoeren zou. Daarom scheepte hij slechts een tiental van de stevigste negers over, om in den dienst aan boord van den kaper te assisteeren, en liet verder dien prijs maar aan zijn lot over.

1Een zeemansgids.

1Een zeemansgids.


Back to IndexNext