Zevende hoofdstuk.De commandant van het fregat, waarop ik nu kwam, stond bij de zeemacht zoo goed aangeschreven, dat lord Collingwood bij voorkeur aan hem de meest vertrouwelijke zendingen opdroeg; zoo kregenwij de order om de Spanjaarden te helpen in hunne verdediging der gewichtige vesting Rosas in Catalonië. Hierboven is al met een enkel woord aangestipt dat de Fransche generaal St. Cyr die provincie was binnengetrokken en, eenmaal in het bezit van Figueras en Gerona, begeerige blikken sloeg op het kasteel Trinity, zuidoostwaarts gelegen, waarvan het bezit de voorloper van den val van Rosas moest zijn.Mijn bevelhebber nam van die versterking de verdediging op zich, ofschoon eerst kort geleden die positie door een anderen zeeofficier, als onhoudbaar, was verlaten geworden. Hoewel ik slechts tijdelijk aan boord was, deed ik aanzoek om van de landingspartij te wezen en werd ik dienovereenkomstig medegezonden. Ter bestemden plaatse aangekomen, moest ik erkennen, dat de officier, die van de verdediging afgezien had, in mijne oogen nog zoo dom niet was. Het kasteel was niet veel meer dan een bouwval. Hoopen puin en houtwerk, gebroken affuiten en gesprongen kanonnen, schenen mij een zeer ongunstig slagveld toe. Het eenige voordeel, dat ik aan onze zijde kon opmerken, was: dat de bres, die onze aanvallers in een der muren geschoten hadden, te steil was voor beklimming en dat zij daarbij onder allerlei neerstortende steenen moesten bedolven worden, terwijl wij hen van alles naar het hoofdkondenwerpen. Daar hierop onze voornaamste kans gebouwd was, hadden wij slechts te beletten, dat de vijand de vóórwerken binnenkwam, die echter niet zeer veel te beteekenen hadden.Tegenover dit voordeel stond een zeer ernstig nadeel. Het kasteel was gebouwd dicht bij den top van een steilen heuvel, waarvan het hooger gelegen deel in de macht was van den vijand, die zich hierdoor in hetzelfde horizontale vlak bevond met ons dak. Op die hoogte waren nu driehonderd Zwitsersche scherpschutters geposteerd, die, van achter aarden wallen op vijftig ellen afstand, een geregeld geweervuur op ons onderhielden. Elk hoofd, dat zich boven den muur blootgaf, was het doelwit voor wel twintig kogels tegelijk, en dezelfde onafgebroken hoffelijkheid betoonden zij ook aan onze sloepen bij hunne landing.Op eenen anderen, meer Noordwaarts gelegen heuvel, dus meer landwaarts in, hadden de Franschen eene batterij van zesvierentwintigponders opgesteld. Die vroolijke buurman was slechts driehonderd el van ons verwijderd, en met uitzondering van den tijd, dien de stukken af en toe noodig hadden om te bekoelen, schoten zij door van zonsopgang tot zonsondergang. Ik had in mijne jonge jaren nooit kunnendenken, dat ik ooit zooveel kans zou loopen om tot eene zeef te worden geschoten, als zich hier in dit helsche kasteel aanbood. In werkelijkheid werden wij niet royaal behandeld, tegen zulk een macht waren wij niet bestand; maar onze bevelhebber was zeer onversaagd, en ik had gevraagd om mede te gaan, en dus nu geen recht van klagen. Het vuur, waaraan wij blootstonden, was zóó juist, dat wij na elk schot wel den steen konden aanwijzen, die bij het volgende getroffen zou worden, en herhaaldelijk werden er van onze manschappen gewond door splinters die van het graniet onzer muren afstoven, terwijl anderen, als patrijzen uit een vlucht, uitgepikt werden door de Zwitserschebataljonsop den nabijzijnden heuveltop.Onze bezetting in het kasteel bestond uit honderd en dertig Engelsche matrozen en mariniers, eene compagnie Spaansche en eene andere, bestaande uitZwitsersche troepen in Spaanschen dienst. Nooit was eenige krijgsmacht slechter betaald en gevoed en beter beschoten geworden. Wij hokten allen onder elkaar; vuil, van de vlooien levendig stroo, diende ons voor ligging; ons eten was naar evenredigheid even fijn; doch de bevelhebber had het niets beter dan de minste man. Vechten kan somtijds een aangename bezigheid zijn, maar overdaad is in alles schadelijk of onaangenaam; en hier hadden wij er meer dan genoeg van, zonder den trouwen compagnon, een behoorlijk maal eten op zijn tijd. Mij blijft het onbegrijpelijk, hoe een man zijn dienst behoorlijk kan blijven doen, zonder goede voeding; maar hier was ik met menig ander gedwongen dit te beproeven, en wanneer, wat dikwijls gebeurde, de sloepen niet aan wal konden komen, werd er pro forma toch voor ons eten geluid, omdat de commandant van een geregelden dienst hield, en in dit geval vulden wij onze magen slechts met koud water.Menigmaal had ik mijn ouden oom hooren zeggen, dat niemand weet wat hij kan, vóór hij het beproefd heeft. Nu, hier gaf de vijand ons overvloedig gelegenheid om proeven af te leggen in vernuft, werkzaamheid, waakzaamheid en onthouding. Toen de arme Penelope, zoo zegt de fabelleer, haar net weefde, ontrafelde zij des nachts het werk van den dag. Met ons gebeurde het omgekeerde: gedurende den dag werd al onze arbeid van ’s nachts weer vernietigd. Het nachtelijk duister werd gebruikt om de zandzakken te vullen voor het dichtmaken van eenige bres en voor het wegwerken van losse steenen, om opnieuw gereed te zijn ’s vijands vuur te weerstaan, dat van zons opkomst af stellig weerzou beginnen. Dergelijke bezigheden, afgewisseld door aanhoudend en waakzaam wacht doen tegen overrompeling, namen zooveel van onzen rusttijd af, dat er van slapen al heel weinig inkwam, en, zooals gezegd is, vorderden onze maaltijden ook niet veel.Een onzer verdedigingsmiddelen was zeer oorspronkelijk en zou zeker een ingenieur aan ’t lachen gebracht hebben. De commandant liet van lange, grenen planken, die hij van boord ontbood, een soort van brugbedekking timmeren, die hij schuin af uit de bres liet hangen; deze liet hij met allerlei koksafval vet smeeren; konden nu de vijanden in onze stelling komen, dan moesten zij daarop springen en verdwenen met vliegende vaart langs dit hellende vlak in de droge gracht beneden, waar zij, omdat het eene aanmerkelijke valhoogte was, vrij onaangenaam gestemd aankwamen en veelal zouden hebben moeten wachten tot zij door of vanwege den dokter opgezocht werden; en als zij erg netjes beneden gekomen waren, stond het geheel aan hen, om hetzelfde nog eens te beproeven. Het was een soort van vernuftig uitgedachte muizenval; destijds gaven wij juist zooveel om het leven van een Franschman, als om dat van zoo’n kleinen nachtrustverstoorder.Nog een ander kunstje was door ons verzonnen. Aan boord was eene groote voorraad vischhaken; deze werden overal geplant, waar verwacht kon worden, dat de vijand handen of voeten plaatsen zou. De bres zelf was ondermijnd, en de mijn geladen met bommen en handgranaten; geladen geweerloopen, tot aan de monding vol kogels, waren daarop gericht en op allerlei plaatsen vastgezet. Ziedaar onze verdedigingsmiddelen; in aanmerking nemende, dat wij in de drie weken, die wij nu op het kasteel waren, bij zulke kwade tegenkansen, slechts twintig man hadden verloren, zal men toestemmen, dat dit verwonderlijk was. Intusschen naderden wij eene oplossing.Op een morgen, heel vroeg, was het mijne beurt van uitkijk. De laag mist, die in dat land ’s nacht tusschen de heuvels hangt en in de dalen bijna tot op den bodem drukt, was aan het opstijgen en verdunnen en boven ons hoofd begon de glans der sterren te verbleeken, toen ik over den kasteelmuur in de richting van de bres keek. De commandant kwam juist te voorschijn en vroeg mij, waar ik zoo heen staarde. Ik antwoordde, dat ik dit zelf niet goed wist; maar dat zich een ongewoon verschijnsel voordeed in het dal over de bres. Hij luisterde een oogenblik, keek scherp door zijnen nachtkijker, en riep toen in eensop zijn flinken toon, doch gedempt uit: »Onder de wapens!—Daar komen zij!”Binnen drie minuten was iedereen op zijn post, en, ofschoon alles vlug in zijn werk was gegaan, was er geen tijd te verliezen, want toen reeds was de zwarte colonne van den vijand, zich als een slang door de vallei voortkronkelende, duidelijk zichtbaar. Met de dappere volharding, waarvoor Napoleons troepen zoo bekend waren, begonnen zij in stilte de bres te beklimmen. Het was een angstig en gewichtig oogenblik, maar de kalmte en beslistheid van het kleine garnizoen waren er tegen opgewassen.Het bevel ging rond om goed te mikken, en eene volle laag van de verdekt opgestelde kanonnen en geweren werd op het dichtste gedeelte van den vijand gelost. Zij kwamen tot staan,—en allerlei verwarde kreten stegen tot ons op. In verwarring werd eenige passen teruggetrokken, toen weer standgehouden en opnieuw tot den aanval voorwaarts gerukt; van toen af aan werd van weerszijden het vuur geregeld onderhouden. De groote vierentwintigponder-batterij, en de nog dichter bij gelegen Zwitsersche keursoldaten vuurden mede onverpoosd op ons en moedigden met luide juichtonen hunne kameraden tot de bestorming aan. Toen zij naderden en boven onze mijn kwamen, werd de mijnlont ontstoken, en met een donderenden slag vloog een groot aantal de lucht in om weer met het puin neer te komen en daaronder begraven te worden. Gekerm, gezucht, verwarde stemmen, Fransche angstkreten en Engelsche hoerrah’s werden alle dooreen gehoord! De vreugdetonen der overwinnaars weerkaatsten van heuvel tot heuvel! Ruim bedeelden wij de aanvallers met handgranaten, en kegelden wij daarmede nog heele gelederen van de been. Ik moet erkennen, dat de Franschen zich flink hielden, ofschoon zij bij hoopen waren gevallen. Ik gilde van woede en opgewondenheid, en allen vochten wij als bulhonden, wel overtuigd, dat er geen kwartier gegeven zou worden.Tien minuten had het vuren geduurd, menig dapper krijger had in ’t zand gebeten; het hoofd der aanvalscolonne was door de mijnontploffing gedood; toch was onder hen de orde weer hersteld, en toen de dag aanbrak, was de hoofdmacht weer halverwege de bres voorwaarts gerukt. Weder naderde ons, onder aanvoering van hunnen kolonel, een uitgezochte troep van duizend man over de lijken hunner gevallen kameraden.De dappere aanvoerder scheen even koel en berekenend, alsof hij eene danspartij leidde; met uitgetrokken degen wees hij op de bres, en duidelijk hoorden wij zijn: »suivez moi!” Ik was jaloersch op dien held—jaloersch, dat hij een Franschman was, en ik smeet hem een brandende handgranaat tusschen de voeten. Hij raapte deze op en wierp haar een grooten afstand van zich.»Kijk mij zoo’n bedaarden kerel eens!” zeide de commandant, die naast mij stond, »ik zal hem er nog een geven;” maar ook deze schopte de ander met evenveelsang froidals waardigheid van zich af. »Die man schijnt voor niets gevoelig te zijn, dan voor een ons lood in zijne ledige maag; het is jammer zoo’n kranigen vent te dooden, maar er zit niets anders op.”Zoo zeggende, nam hij mij een geweer uit de handen, dat ik juist geladen had, mikte en vuurde; de vijandelijke aanvoerder wankelde, bracht de hand aan zijne borst en viel achterover in de armen van een zijner manschappen, waarvan eene partij de wapens neerlegde, en hem op hunne schouders namen, als onbewust van of onverschillig voor de slachting, die in hunne onmiddellijke nabijheid plaats vond. De kleine troep werd nu het doelwit van onze schutters; allen werden daarvan neergeschoten. De kolonel, opnieuw aan zichzelf overgelaten, kroop nog enkele passen verder, tot hij een klein boschje bereikte, geen tien el verwijderd van de plek, waar hij doodelijk gewond was. Hier viel hij neer; de degen, dien hij nog in de rechtervuist klemde, bleef tegen eene struik overeind en wees opwaarts, als toonde bij den weg, dien de geest van zijn heldhaftigen eigenaar gegaan was.Met den dood van den kolonel ging de kans van dien dag voor de Franschen verloren. Wij zagen duidelijk, dat de overige officierenhun plicht deden, door woorden en voorbeeld hun manschappen vooruit zochten te drijven en voorgingen, maar alles was tevergeefs. Wij zagen hen eigenhandig hunne vluchtelingen doorsteken; doch ook dat bleef zonder uitwerking; voorloopig hadden zij van vechten genoeg. De eerste aandrang, het eerste vuur was bekoeld met den dood van hun aanvoerder, en langzamerhand werd het een algemeensauve qui peut, dat den aanval besloot en ons den tijd liet om adem te halen en onze dooden te tellen.Zoodra de Franschen uit hunne batterijen bespeurden, dat de aanval mislukt, en de aanvoerder der onderneming gesneuveld was, vuurdenzij van daar nog eens duchtig op ons los. Ik stak mijn hoed op de punt mijner bajonet, boven den wal uit, en kreeg er in eene minuut tijds twintig kogelgaten in; gelukkig stak mijn hoofd er op dat oogenblik niet in.Toen het vuren der batterijen ophield, wat nu en dan op gezette tijdstippen plaats vond, hadden wij gelegenheid om een onderzoek in te stellen naar het punt, waar wij aangevallen waren. Stormladders en lijken lagen in menigte daar ter plaatse. Al de gewonden waren medegedragen; in hunne grijze kapotjassen gekleed, lag daar tal van manschappen der Fransche keurbenden, als verbruikt kanonnenvleesch dooreen. Het was een treurig gezicht, die strijders van soms meer dan zes voet lang, die menigen grooten veldslag overleefd hadden, daar voor altijd onbewegelijk te zien!De nachten waren koud, en ik nam mij in stilte voor een dier kapotjassen te bemachtigen en mijnen commandant de sabel van den gesneuvelden kolonel ten geschenke aan te bieden. Zoodra dus de duisternis ingevallen was, wandelde ik de bres uit en wist mij eerst meester te maken van een stormladder, die ik het kasteel binnenbracht. Zooveel voor den koning gedaan hebbende, ging ik een tweede maal uit om voor mijzelven te zorgen.Het was toen juist pikdonker. Ik strompelde voort, tegen een hevigen stormwind in, die mij door groote stof- en kalkwolken bijna blind maakte; doch van den te volgen weg was ik volkomen zeker. Toch was het iets hyena-achtigs om in die duisternis mij te midden van zooveel dooden te bewegen, en er kwam een oogenblik, dat ik met afgrijzen aan mijnen toestand dacht. Tusschen de windvlagen in was het eene huiveringwekkende stilte, waarbij ik in de zwarte duisternis soms meende mijn angstig hart te hooren kloppen. Het is juist om zoodanige reden, dat ik weinig ingenomen ben met nachtelijke aanvallen; men kan zoo zelden ten volle op zijne manschappen staat maken; meestentijds mislukken zij, omdat zoo weinigen in het duister denzelfden moed bezitten als in het licht. Vrees en duisternis gaan altijd samen, de laatste verbergt de eerste en moedigt ze daarom aan.Van het eene lijk naar het andere tastende, kroop ik behoedzaam voorwaarts. Bij het eerste lichaam, dat ik met de hand aanraakte, stolde mij bijna het bloed in de aderen. Ik voelde den ontvleesden elleboog van een grenadier, die door een handgranaat geveld was geworden. »Vriend,”zeide ik, »naar den aard van uwe wond te oordeelen, is aan uwe overjas niet veel meer aan.” Het naastvolgende voorwerp, dat ik bevoelde, had een beteren dood gehad. Een geweerkogel door het hoofd had hem van alle aardsche zorgen ontheven. Daar zijne erfgenamen niet bij de hand waren, maakte ik er geene gewetenszaak van, zijne kapotjas van hem over te nemen, wat nu nog niet eens heel gemakkelijk ging, omdat het lichaam koud en stijf was geworden.Ik had nu evenwel mijn plan uitgevoerd, trok dadelijk mijn nieuw kleedingstuk aan en ging nu op ’s kolonels degen af; maar hier scheen mij een Franschman vóór te zijn geweest. De kolonel lag er nog, stijf en wel, doch zijn zwaard was niet te vinden. Juist was ik op het punt terug te keeren, toen ik weer een vijand ontmoette, ditmaal geen dood maar een levend exemplaar.»Qui vive?” vroeg een zachte stem.»Anglais, bête,” antwoordde ik zachtjes, en voegde er bij:»mais les corsaires ne se battent pas.”»C’est vrai,” zeide hij, en daaropbonsoirbrommende, was hij spoedig verdwenen. Ik scharrelde naar het kasteel terug, gaf het wachtwoord voor den schildwacht en pronkte, zeer voldaan, met mijn groote overjas, die mij door velen zoodanig benijd werd, dat zij er ook eens op uitgingen om iets dergelijks te bemachtigen.In enkele dagen tijds waren de lijken vóór de bres geheel geplunderd door allerlei nachtelijke bezoekers; dat van den kolonel bleef geëerbiedigd. De gebruiken van den oorlog, zoowel als die der menschelijkheid, brachten mede, dat het stoffelijk overblijfsel van dezen held eeneeervollebegrafenis toekwam; en onze bevelhebber, die de ridderlijkheid zelve was, droeg mij op om een witte vlag, als vredesein aan eene piek omhoog te steken en de lijken te gaan begraven, als de vijand dit toeliet.Ik ging dus, vergezeld van eenige manschappen, met eene spade en een breekijzer naar buiten; maar de tirailleurs op den heuvel begonnen zoodanig op ons te vuren, dat er een onzer gewond werd. Ik keek naar den commandant, als om te zeggen: »moet ik doorgaan?” Hij wenkte met de hand om door te zetten, en ik begon naast een der dooden een graf te graven, waarop de vijand, mijn bedoeling ziende, het vuren staakte. Verscheidenen had ik nu reeds begraven, toen de commandant ook naar buiten en bij mij kwam, met plan om van de gelegenheid gebruik te maken om ’s vijands positie te verkennen.Hij werd van uit het fort herkend en men raadde spoedig zijne bedoeling.Wij stonden nu bij het lijk van den kolonel, gereed om dit de laatste eer te bewijzen, toen de commandant een brillanten ring aan een der vingers ziende zitten, tot een der matrozen zeide: »Neem hem dat ding maar af; hij heeft er nu toch niets meer aan.” De man beproefde het, maar kon door de stijfheid van het lid, den ring niet op of neer krijgen. »Hij zal uw mes niet voelen”, zeide de commandant. »Arme kerel, een vinger meer of minder maakt weinig voor hem uit; snijd maar af.”De matroos begon met zijn mes het vingerlid af te zagen, toen een vierentwintigponder, midden door onzen troep heenging, ’s mans schoen van den voet medenam, en een ander de spade uit de hand sloeg. »Nu, stop hem er maar snel onder!” zeide de commandant.Zoo gezegd, zoo gedaan; daar kwam een tweede schot, niet zoo netjes gericht als zijn voorganger, maar de kogel beploegde den grond aan onze voeten en joeg ons het zand in de oogen. Men begon het ons warm te maken. Het volk werd nu gelast omnaarhet kasteel terug te trekken, waaraan dadelijk gevolg werd gegeven. De commandant zelf echter liet zich niet zenuwachtig maken: hij wandelde doodbedaard terug, onverschillig voor de hagelbui van geweerkogels, die ons thans door de Zwitsers werden toegezonden. Te meer was dit voor mij niet alles, omdat ik als adjudant denzelfden langzamen pas naast den bevelhebber moest houden, terwijl ik elk oogenblik een kogel achterin kon krijgen en het litteeken in dat geval nooit zou hebben durven vertoonen. Ik vond zoo’n begrafenispas, na den afloop der eigenlijke plechtigheid, allesbehalve noodzakelijk; maar mijn dappere commandant, die nog nooit voor de Franschen op de loop was gegaan, vond geene aanleiding om daar juist heden mede te beginnen.Onder dergelijke opmerkingen had ik achter hem geloopen, en, toen er meer en meer schoten vielen, stapte ik wat door, kwam eerst naast hem en wilde hem toen tusschen mij en het vuur in brengen. »Kolonel,” zeide ik, »daar ik nog maar adelborst ben, stel ik veel minder prijs op de eer, dan u doet; wanneer het u dus hetzelfde is, zoude ik wel graag onder uwe lij willen blijven.” Hij lachte en zeide: »o, ik wist niet, dat gij nog hier waart; ik dacht, dat gij met de anderen waart medegetrokken; maar nu gij toch uit uw gewonen doen zijt, mijnheer Mildmay, zal ik u maar liever voor mijne beschutting doen dienen. Mijn leven heeft hiernog eenige waarde, doch het uwe slechts weinig, en ik heb slechts eene boodschap te zenden om in uwe plaats van boord dadelijk een anderen adelborst te krijgen: dus wees zoo goed, laat u een beetje zakken en doe voor mij den dienst van kogelvanger!”»Zeker, sir”, zeide ik, »onmiddellijk”; en ik betrok den mij aangewezen post.»Nu”, zeide de commandant, »als zij je soms te pakken hebben, dan zal ik u op de schouders nemen!”Ik betuigde mijne erkentelijkheid voor zijne goede bedoeling en voor de eer, die mij wachtte; maar ik hoopte, toch dat ik hem dien last niet zou bezorgen. Of nu de vijand medelijden had met mijne jeugd en onschuld, of dat zij opzettelijk misschoten, weet ik niet; maar wel, dat ik zeer blijde was heelhuids in het kasteel aan te landen en genoegen zou hebben genomen met elken maatregel, die mij weer aan het meer comfortabele leven in de voorlongroom aan boord zou teruggegeven hebben. Alle menschelijke genoegens zijn toch maar betrekkelijk, en nooit werd ik hiervan beter overtuigd, dan door de gebeurtenissen bij dit gedenkwaardige beleg. Het geluk, en de welbekende lafhartigheid der Spanjaarden, verlosten mij spoedig uit dezen toestand; zij gaven de citadel over en daardoor werd het verder behoud van het kasteel nutteloos. Wij verlieten het dus zoodra mogelijk en trokken met de noodige haast op onze sloepen terug, waar wij, in weerwil van het tot ’t laatst volgehouden snelvuur der tirailleurs op den heuvel, behouden aankwamen en naar boord gingen.Er was een merkwaardig iets bij voorgevallen. De Zwitsersche huurtroepen in Franschen en in Spaanschen dienst, dus vijandig tegenover elkander staande, vochten altijd met de grootste dapperheid en deden steeds hun plicht met onnavolgbare getrouwheid; doch, op zoo korten afstand geposteerd, en zoo veelvuldig met elkaar in aanraking komende, sloten zij onderling dikwijls een wapenstilstand van een kwartier, in welken tijd zij naar wederzijdsche vrienden onderzoek deden; dikwijls herkenden zij dan over en weer vaders, zoons of nauwe betrekkingen, die aan beide zijden strijd voerden. Nadat zij te zamen gelachen en grappen gemaakt hadden, werd de wapenstilstand weer opgeheven, en kort daarop mikten en vuurden zij weer, alsof zij volkomen vreemd aan elkander waren; maar, zooals ik vroeger al eens opgemerkt heb, was voor hen het oorlogen een beroep.Van Rosas vertrokken wij nu weer, om ons met den admiraal bij Toulon te vereenigen; en, vernemende, dat eene batterij van zes metalen kanonnen, in de haven van Silva, kans had binnen weinige uren in handen der Franschen te vallen, liepen wij daar binnen en ankerden op pistoolschotsafstand daarvan. Zware gijnblokken werden nu op den top van elk der masten genaaid, daardoor stevige reepen geschoren en de einden daarvan den wal opgebracht, op de kanonnen gestoken en drie daarvan, één voor één met het spil naar boord opgedraaid. Het uiteinde was weer naar de batterij terug, om opnieuw opgestoken te worden, toen onze gasten aldaar door de Franschen overvallen werden en met verlies van één man, die gevangengenomen werd, naar den waterkant teruggejaagd werden.De partij aan wal, niet sterk genoeg om weerstand te bieden, scheepte zich in met achterlating van eene sloep onder een heftig vuur van de Franschen, die zich intusschen achter steenen en rotsblokken opgesteld hadden. Dat vuur werd van boord goed en van tijd tot tijd ook met een zwaar schot beantwoord; maar zij hadden het voordeel van hunne stelling en bezorgden ons daardoor verscheidene gekwetsten. Met zonsondergang eindigde dit; toen kwam er van den wal een bootje door een Spanjaard geroeid en bracht een brief over van den kapitein, die de Fransche afdeeling commandeerde, aan onzen bevelhebber gericht. Die brief behelsde de beleefde groeten van den Franschen chef aan den onzen, »het speet hem, dat hij genoodzaakt was geweest ons overbrengen van de kanonnen te verhinderen, klaagde over het koude weer, en dat hij in zoo groote haast had moeten afmarcheeren, dat hem de tijd had ontbroken de noodige provisiën mede te nemen, en aangezien er altijd welwillendheid bestondentre braves gens,—of wij niet voor hem en zijne manschappen een kan of wat rum te missen hadden.”Dit verzoek werd met een beleefd briefje en door den gevraagden sterken drank beantwoord. De Engelsche bevelhebber hoopte, dat de Fransche kapitein het zich zoo aangenaam mogelijk zou maken en eenbon repos mocht genieten. Doch onze commandant was van plan, den Franschman den drank te laten betalen, al was dit niet in klinkende munt; te één uur in den morgen zond hij de rekening in.Het was op dat oogenblik stil als de dood; de Fransche wacht had zich verkwikt en was in het volle genot van des commandants zegening, toen deze ons de opmerking maakte, dat het toch zonde en jammerzou zijn, die eene sloep, die nog aan wal was te verliezen en de drie andere metalen vuurmonden achter te moeten laten;—hij stelde daarom voor een en ander te gaan halen. Vijf of zes der onzen ontkleedden zich, gingen zachtjes te water en zwommen zonder het minste leven te maken naar den wal. Het water was koud en benam mij zelfs korten tijd de ademhaling. Wij landden bij de batterij, verzekerden eerst onze sloep en kropen toen zachtjes naar de plaats, waar het eind van onzen reep nog naast de stukken lag. Onder het opsteken daarvan telden wij verscheidene Franschen, die er dicht-bij lagen, de wacht hielden, maar in diepen slaap waren.Het zou ons gemakkelijk gevallen zijn hen allen te dooden, maar in aanmerking nemende, dat zij verkeerden onder den invloed van onze rum, verfoeiden wij een dergelijke inbreuk op de gastvrijheid. De meeste geweren echter, die zij naast zich neergelegd hadden, namen wij in bewaring, en, even stil als wij gekomen waren, klommen wij in de sloep, duwden af en roeiden naar boord terug met twee van de riemen. Het geplas daarvan deed enkelen der soldaten ontwaken, opspringen en met de hen overgebleven geweren op ons vuren. Hun aantal nam spoedig toe, want de schoten waren vele en juist, en daar het helder starlicht was en wij in onze naaktheid bijzonder in het oog vielen, hadden wij het hard te verantwoorden.»Wegduiken,” zeide ik, »is nog geen wegloopen,” en zoo sprongen wij op twee man na, die de sloep moesten overbrengen, te water. Ik hield mij als een schildpad onder en kwam niet boven, vóór ik mijn hoofd tegen de scheepskoperhuid aanstootte; toen zwom ik den boeg rond en werd aan de van den vijand afgekeerde zijde opgepikt. Mijn commandant zou het nemen van dergelijke maatregelen van voorzorg zeker wel weer versmaad hebben, maar, ofschoon ik, evengoed als hij, mijn trots had, dacht ik met Falstaff, »dat bescheidenheid het beste deel van de dapperheid is,” vooral bij een adelborst.De in de sloep achtergeblevenen brachten deze veilig aan boord. Dáár had men nauwelijks onze riemslagen gehoord, of lustig werden de spillen gedraaid en de kanonnetjes huppelden als kangoeroes de rotsen af. Spoedig waren zij te water nog vóórdat de Franschen een hak naar de reepen konden doen. Toen vuurden zij er op in de hoop hen stuk te schieten, maar ook dit mislukte. Wij bezorgden de kanonnen aan boord, gingen nog voor het aanbreken van den dag onder zeilen stuurden op de vloot aan, die wij kort daarna bereikten. Hier vernam ik, dat mijn eigen schip een prachtig gevecht met een vijandelijk fregat had gehad, dit had genomen, doch daarbij zooveel schade had bekomen, dat het tot herstelling naar huis was gezonden en reeds van Gibraltar naar Engeland onder weg was.Ik had aanbevelingsbrieven, aan den schout-bij-nacht gericht, bij mij. Deze vlagofficier was de tweede in het bevel, en ik ging die papieren bij Z. H. Ed.Gestr. afgeven. De vlaggekapitein bracht ze in persoon bij hem binnen en het niet overhoffelijke antwoord aan mij terug, dat ik daar aan boord kon komen, als ik daartoe genegen was, en blijven totdat mijn eigen schip in het station teruggekeerd was. Daar dit nu in mijne kraam te pas kwam, was ik genegen; doch de wijze, waarop mij deze gunst ten deel viel, ontsloeg mij van de dankbaarheid daarvoor. De ontvangst was niet zooals ik die verwacht had, en waren het niet brieven van hooggeplaatste personen en vrienden van den schout-bij-nacht geweest, dan zou ik liever gebleven zijn op dat laatste fregat, waarvan de commandant nog al met mij ingenomen was. Dit werd echter niet toegestaan.Gevolgelijk ging ik op het vlaggeschip over; wat ik daar aan boord eigenlijk doen moest, heb ik nooit kunnen vatten, tenzij het diende om er eene soort van menagerie compleet te maken; ik vond er althans tusschen de zestig en zeventig adelborsten. De meesten hunner waren nog slechts kort aan boord en hadden nog zeer weinig dienst gezien, althans vergeleken bij mij, die in den korten tijd, dat ik gevaren had, al reeds zooveel ondervinding had opgedaan. Zij luisterden dan ook met groote belangstelling naar de »stukjes”, die ik wist te vertellen, en waren allen brandende van verlangen om daartoe ook eens in de gelegenheid te komen. Talrijke aanvragen om overplaatsing, vooral aan boord van de fregatten, waren hiervan het gevolg, en daar de commandant begreep, dat ik hiervan de groote aanleiding was, werd ik er minder aangenaam om aangezien en kwam daardoor in geen goed blaadje te staan.De commandant was een groote, scheefgevormde, breedgeschouderde man, met één dof oog, een paar dikke lippen en een weinig innemend voorkomen; hij droeg een paar zeer groote epauletten, was bijzonder lastig van humeur en, wanneer zijn drift werd opgewekt, waartoe niet veel noodig was, altijd heftig en schreeuwerig. Zijne stem had veel vanden donder, en, als hij aan het uitvaren was tegen de arme jonkers, deden dezen mij altijd denken aan dien zenuwachtige vogel, die bedwelmd door het oog eener slang, zijn vermogen verliest en het monster in den bek vliegt. Was hij erg verontwaardigd, dan had hij de gewoonte zijne schouders op en neer te bewegen, en dan klapperden bij die gelegenheid zijne epauletten als de ooren van een dravenden olifant. Als hij in de verte een puntje van zijn neusgewaar werdof het geluid van zijne stem hoorde, vloog elke adelborst, die niet noodzakelijk blijven moest, weg als een der landkrabben op een West-Indisch zeestrand. Hij had het bijzonder op mij voorzien, vond altijd eene of andere aanmerking te maken en sprak schimpend over mij als: »die fregatsjonker.”Verbitterd door zijn onrechtvaardige handelingen, antwoordde ik eens op een brutale wijze op eene dergelijke aanduiding, en wanneer de schout-bij-nacht het niet verhinderd had, zou hij mij daarvoor op het halfdek lichamelijk afgestraft hebben; deze echter gaf te kennen, dat hij voor jonge officieren volstrekt geen voorstander van kastijding was. Dit redde mij voor het oogenblik; doch een aangenamer leven aan boord kreeg ik er niet door.Onder de gewone excercitiën op de vloot behoorde ook het op alle schepen te gelijk, op sein van den admiraal, met zonsondergang reven der marszeilen. Bij die gelegenheden was er altijd veel wedijver om daarmede het eerste gereed te komen. Soms ging het er ruw bij toe; herhaaldelijk kwamen er ongelukken voor, en veelvuldige straffen werden er om uitgedeeld. Bij ons liep dan altijd de commandant als een razende stier op het halfdek te brullen en te schuimbekken. Eens dat het sein weer gedaan, de marszeilen gestreken en het volk op de raas uitgeënterd was, viel een arme kerel van de grootmarsra af overboord, onder weg, door met een schouder de rust te raken, zijn arm brekende. Ik zag, dat hij niet in staat was om te zwemmen, en bemerkende, dat hij zonk, sprong ik hem na en hield hem boven, tot er eene sloep kwam om ons op te visschen. Aangezien de zee kalm en de wind flauw was en het schip niet meer dan twee mijl liep, was het gevaar voor mij niet groot.Toen ik aan dek kwam, vond ik den commandant dol van woede, omdat door dit ongeluk het weder in top hijschen der marszeilen eenigszins vertraagd was en wij daarmede bij de andere schepen achterkwamen. Hij dreigde den matroos met een pak slaag, omdat hij overboordgevallen was en joeg mij met scheldwoorden van het halfdek af. Dit was toch even onbillijk tegenover ons beiden. Ik heb, zoolang ik in dienst ben geweest, vooral in de hoogere rangen, nooit zoo’n onaangenaam mensch meer bijgewoond.Kort daarop moesten wij naar Minorca om te victualieren, en daar trof ik, tot mijne groote vreugde, mijn eigen schip weer aan. Met een licht hart ging ik naar mijn oude boord terug, het vlaggeschip met vreugde verlatende. Zoolang ik bij hem aan boord was geweest, had de admiraal nooit een mond tegen mij opengedaan. Zoo zoude ik ook zeker het schip verlaten hebben, zonder door hem »goedendag” te zijn gewenscht, ware het niet geweest ter zake van een medepassagier, een grooten, hem toebehoorenden, hond. Zijn afscheidswoord, of, beter gezegd, het laatste, wat hij mij toevoegde, herinnert aan het geval van dien man, die blufte, dat de koning hem eens aangesproken had, en toen men hem vroeg, wat sire dan wel gezegd had, antwoordde: »Hij gelastte mij om uit den weg te gaan.”Ongeveer even vriendelijk ging het met den admiraal. Pompeï en ik stonden op de kampanje. Voor tijdpasseering had ik het beest een stuk leer toegestoken om op te knabbelen. Toevallig kwam de admiraal boven en dit ziende, vroeg hij, van wien de hond dit gekregen had? De stuurmansleerling wees op mij, waarop hij mij met zijn langen kijker dreigde en toevoegde: »Mijnheer, als gij ooit Pompeï weer een stuk leder durft geven, zal ik u van de campanje schoppen!”Dit is al, wat ik van den admiraal te zeggen heb, en tevens alles, wat de admiraal ooit tegen mij zeide.Achtste hoofdstuk.Tijdens ik aan boord van het vlaggeschip diende, ondergingen er twee man voor muiterij de doodstraf. Dit schouwspel was voor mij meer treffend, dan ik er ooit een bijgewoond had. Wanneer wij aan walvan een doodvonnis hooren spreken, dan brengen wij dit onwillekeurig in verband met een gepleegde vreeselijke misdaad. Bij den dienst ter zee is dit echter geheel anders; wat de krijgswetten een ernstig misdrijf noemen, is vaak niet veel anders dan eene handeling in de eerste opwelling van drift en meestal zeer ondoordacht gepleegd, en hoogst onbeduidend; daden, in één woord, die dikwijls niet gepleegd zouden zijn bij tijdige fermiteit en menschkundig toezicht van de meerderen.De schepen hadden maanden en maanden op zee gekruist, en er bestond evenmin vooruitzicht tot behoorlijk werk, als tot terugkeer in eene haven. Inderdaad kan niets op den duur vervelender en eentoniger zijn, dan het al kruisende blokkeeren eener kust, dat is, wanneer alle schepen gebruikt worden tot het sluiten der havens en het bewaken van den vijand. Van de blokkeerende zeemacht zijn de fregatten nog het beste af: lichter, kleiner, handiger in hunne bewegingen, worden zij, ook om hun minderen diepgang, meer voor kleine schermutselingen en soms ook aanvallenderwijze gebezigd. Op die fregatten is het leven dan ook veel meer afwisselend dan aan boord van de linieschepen. Nadat het een tijdlang gesmeuld had, sloeg op het vlaggeschip, waarvan ik hierboven gesproken heb, eene ernstige misnoegdheid onder de mindere schepelingen tot oproer over. Natuurlijk was men dit spoedig meester; de belhamels werden voor den zeekrijgsraad gebracht, en twee hunner veroordeeld om aan de nokken eener ra van hun eigen schip opgehangen te worden, totdat de dood er op volgde. Twee dagen nadat het vonnis was uitgesproken, zoude het worden uitgevoerd.Bij ons werden die krijgsraden altijd met de grootste plechtigheid gehouden en werden alle vormen stiptelijk in acht genomen om van de hoogsten in rang tot de minsten toe, een diepen indruk te maken. Te acht uren des morgens valt van het schip, waar een krijgsraad vergadert, een kanonschot en is de krijgsraadvlag aan den bezaansmast geheschen. Bij gunstig weder is het schip dan in zeer netten staat gebracht; de dekken zijn sneeuwwit geschuurd en vertoonen geen vlekje; de kooien zijn met zorg in de verschansingen gestuwd; het tuig is vierkant gebrast en het touwwerk stijfgehaald, zoodat nergens een los eind of eene bocht daartusschenin zichtbaar is; de kanonnen staan volkomen gericht tegen boord, en aan dek staat eene wacht van mariniersonder bevel van een luitenant gereed, om elk lid van den krijgsraad bij zijn komen aan boord, met de noodige, aan zijn rang verbonden eerbewijzingen te ontvangen. Vóór negen uren is de vergadering voltallig vereenigd in de kerk of in eene der kajuiten, waar in het midden eene lange met een groen kleed bedekte tafel gereed is. Voor elk der leden ligt papier, pen en inkt en de reglementen en de wetboeken liggen onder hun bereik. Nadat nog een schot gevallen en daarvan den voorzitter kennis is gegeven, opent deze de zitting. Aannemende, dat nu alle onderzoek vooraf heeft plaats gevonden, leest de secretaris de verschillende verhooren voor, en wordt den leden één voor één afgevraagd, of naar hunne meening voldoende licht over de zaak is verspreid, dan of zij het wenschelijk achten nog meer getuigen in verhoor te nemen. Wanneer op de eerste vraag een algemeen bevestigend, op de tweede een ontkennend antwoord gevolgd is, worden de beschuldigden, tusschen mariniers, door den provoost binnengeleid en aan de linkerzijde van den fiskaal, die aan het einde van de tafel gezeten is, geplaatst. Het hof wordt daarop herinnerd aan den te voren afgelegden eed: om onpartijdig recht te spreken en geene der mogelijk bestaande verzachtende omstandigheden uit het oog te verliezen. Na deze toespraak nemen de leden weder plaats.Alle stukken en verklaringen worden dan opnieuw den beschuldigden voorgehouden en hun afgevraagd, of zij tegen het getuigde of tegen de getuigen ook bezwaren hebben. Zij verhalen van hunne zijde opnieuw het gebeurde. Brengen zij iets bij tot hunne eigene bezwaring, dan maakt het hof hen hierop opmerkzaam, onder de vriendelijke mededeeling: »wij verlangen van u geen getuigenis tegen uzelf, maar behandelen alleen wat anderen u ten laste kunnen leggen.” Den arrestant wordt alle mogelijke hulp aangeboden. Is zijne verdediging afgeloopen, dan wordt hij in arrest teruggebracht en maakt zijne verklaring opnieuw een punt van beraadslaging uit, in verband met de getuigenverhooren en de vertrouwbaarheid der gehoorde getuigen. Wanneer dit afgeloopen is, geeft de fiskaal de wetsartikelen op, waartegen in dit geval gezondigd is geworden, en wordt in omvraag gebracht, bij het jongste lid van den krijgsraad te beginnen, ten eerste: »Zijn deze artikelen op het gepleegde feit toepasselijk?” en ten tweede: »Is het bewezen of niet bewezen, dat de arrestant schuldig is?”Wanneer allen hunne stem hebben uitgebracht, is de meerderheid vanslechts ééne voldoende voor het »schuldig” of »niet schuldig”. De volgende vraag behelst: (nl. bij muiterij, desertie of andere kapitale misdaad) »Zal de straf zijn: laarzen, of de dood?” Weer vindt de stemming op dezelfde wijze plaats.Stemt de meerderheid voor de straffe des doods, dan wordt daartoe door den fiskaal het vonnis geslagen en dit stuk door alle leden geteekend. Thans worden alle deuren geopend, de beschuldigde opnieuw binnengeleid; eene akelige stilte heerscht door het geheele schip, de krijgsraadsleden dekken het hoofd en zitten neder. Luid en indrukwekkend klinkt de stem van den fiskaal, die het vonnis leest; de gevangene wordt aan den provoost-geweldiger overgegeven, en deze bewaakt hem verder tot aan de executie.Tegen drie uren in den namiddag ontving ik een verzoek van een der op dien morgen bij ons veroordeelden om bij hem te komen, daar hij mij wenschte te spreken. Ik volgde den korporaal naar het vertrek, waarin de beide mannen, met ijzeren boeistangen aan de voeten, waren opgesloten. Zij waren op ledige granaatkisten gezeten, en hun middagmaal stond nog onaangeroerd voor hen; een van beiden weende bitterlijk; de ander, Strange geheeten, was zichzelf meer meester, ofschoon zeker niet minder aangedaan. Deze man scheen in zijn jeugd eene zeer goede opvoeding genoten te hebben, doch, daar hij nog al onstuimig van aard was, had hij eene verkeerde richting ingeslagen, en was, om van eene ernstige bestraffing vrij te komen, zijnen vrienden ontloopen en later op een oorlogsschip verdwaald. In dezen toestand had hij aan boord nog veel tijd kunnen vinden om na te denken en boeken te lezen; dit had zijne stemming niet verbeterd, hij had zich van zijne makkers meer en meer teruggetrokken en zat, wanneer anderen vroolijk waren, alleen te mokken; niet onwaarschijnlijk had zijne ontevreden stemming hem medegesleept in het komplot van muiterij, waarvoor hij nu op het punt stond zijne straf te ondergaan.Hij verontschuldigde zich over de vrijheid, die hij genomen had om mij bij zich te roepen, maar hij zoude mij niet lang ophouden. »Gij ziet, sir,” zeide hij, »dat mijn arme vriend hier geheel ontdaan is door zijnen afgrijselijken toestand; dit kan u niet verwonderen. Hij staat toch lang niet gelijk met de verharde misdadigers, die aan den wal ter dood worden gebracht: wij zijn geen van beiden bevreesd om te sterven; maar een dood, zooals deze, Mr. Mildmay, om, ten voorbeeld van de vlootals honden opgehangen te worden en eene schande voor onze vrienden en betrekkingen te zijn,—dit verscheurt ons het hart! Het is op grond hiervan, en om het gevoel mijner arme moeder te sparen, dat ik om u heb gezonden. Ik zag u overboord springen om een armen kerel van verdrinken te redden: daarom rekende ik, dat uw goed hart ook voor een anderen ongelukkige in de bres zou willen springen. Ik heb mijn uitersten wil gemaakt, en u tot uitvoerder benoemd; en met deze volmacht zult gij al mijne achterstallige gage en mijne prijsgelden in ontvangst kunnen nemen. Gij zult, hoop ik, een en ander wel aan mijne dierbare moeder willen doen toekomen; het adres heb ik hier bij geschreven. Mijn hoofddrijfveer is, dat zij nooit de geschiedenis van mijnen dood moge vernemen. Gij kunt haar zeggen, dat ik in ’s lands belang ben gestorven, en dat is waar, want ik erken de rechtvaardigheid van mijn vonnis en de noodzakelijkheid dat er een streng voorbeeld wordt gesteld. Ik ben nu elf jaren uit Engeland; dien geheelen tijd heb ik eerlijk en trouw gediend; slechts in dit ééne geval heb ik mij misdragen. Ik geloof, dat onze goede koning, als hij mijne treurige geschiedenis kende, wel gratie zou verleenen; maar Gods wil geschiede! Maar één wensch zoude ik graag vervuld zien, en die is, dat nog heden nacht ’s vijands vloot naar buiten mocht komen en dat ik dan sterven mocht zooals ik geleefd heb, in de verdediging mijns vaderlands. Maar master Mildmay, nog eene gewichtige vraag ligt mij op de lippen:—gelooft gij, dat er een leven hier namaals bestaat?”»Zeer zeker,” zeide ik, »ofschoon velen leven alsof zoo iets niet bestond. Maar waarom twijfelt gij?”»Omdat,” antwoordde de arme kerel, »eens, toen ik nog officiersbediende was en achter tafel de wacht had, er gasten waren, onder welken de commandant van een korvet. Deze, ik weet niet hoe het te pas kwam, beweerde toen, dat dit alles nonsens was,—dat er geen leven na dit leven bestond en dat de Bijbel een samenraapsel van leugens was. Van dien tijd af heb ik mij nooit gelukkig gevoeld.” Ik zeide hem, dat het mij zeer speet te hooren, dat ooit eenig officier dergelijke uitdrukkingen, en dan vooralin zijn bijzijn, had gebezigd; dat ik mijzelf niet in staat gevoelde, hem zijne gemoedsrust weer te geven; maar beloofde hem den geestelijke van boord toe te zenden, die hem wel zou weten op te wekken en te vertroosten. Hij bedankte mij hiervoor, en verklaarde nog in zijne laatste oogenblikken, dat hij hierdoor veel troost had gevonden.»En nu mijnheer,” zeide hij, »laat ikunog een raad geven. Wanneer gij eens commandant zijt geworden, drijf dan niet, uit overdreven zorg voor een net en goed geoefend schip, uwe bemanning tot wanhoop,—tot muiterij. Zindelijkheid en goede orde worden door alle schepelingen op prijs gesteld; maar dat eeuwige schrobben, blank schrabben en poetsen van ijzeren nagels en ringbouten, staat op den duur een matroos meer tegen dan een dozijn slagen, hem op den bak toegediend. Als met het reven van de marszeilen uw schip eens eene enkele maal eene minuut achteraan komt, geef daar niet om, zoolang uwe zeilen goed gereefd zijn en een harden windstoot kunnen verdragen. Menig zeil scheurt, wanneer er slecht gereefd is, menig goed zeeman is het slachtoffer geworden van die laakbare overhaasting, die bij de marine zooveel kwaad heeft gedaan. Wat kan wreeder en onrechtvaardiger zijn dan dat de man, die het laatst van de ra inlegt, met slaag gestraft wordt? Hij toch is uit den aard der zaak de meest waakzame en kan gewoonlijk niet vlugger zijn, als hij zijn nek te lief heeft om die te breken; maar bovendien altijd tochmoeter een de laatste zijn. Wees verzekerd mijnheer, »dat, wat haastig verricht wordt, zelden goed wordt gedaan.” Maar ik heb u reeds te lang opgehouden. God zegene u, mijnheer, denk aan mijne arme moeder, en morgen ziet gij mij nog éénmaal vóór op den bak terug.”De noodlottige morgen brak aan. Het was acht uren. Het schot viel,—het sein van de strafoefening woei van top. De arme veroordeelden gaven een diepen zucht, en riepen uit: »De Heer zij ons genadig!—onze aardsche werkkring en zorgen zijn bijna ten eind!” De provoost kwam binnen, opende het slot van de boeistang, schoof de voetboeien af en gelastte aan de daarvoor gereedstaande mariniers de gevangenen op het halfdek te brengen.Hier was een tooneel, waarvan ik het haast niet waag de plechtigheid te beschrijven. Het weer was helder, de lucht zonder wolken; aan boord van alle schepen waren de bramraas gekruist; de vlaggen waren geheschen; overal was de bemanning in het Zondagsch tenue gekleed en stond, aan de naar ons schip toegekeerde zijde, opeengepakt in het want; eene wacht, van mariniers onder de wapens, stond overal aan weerszijden op de loopplank; bij ons aan boord echter waren zij op het halfdek aangetreden. Van elk schip lagen langs onze zijde twee sloepen op de riemen, met eene luitenants- en korporaalswacht met de bajonettenop. De schrille fluitjes van den bootsman en zijne maats deden zich boven elk luik hooren en riepen »alle hens op” tot het bijwonen der executie.Men hoorde het vlugge getrappel der voeten van het volk, dat zich naar boven spoedde, doch geen woord werd er gesproken. De veroordeelden stonden midden op het halfdek, terwijl de commandant het vonnis van den krijgsraad en het fiat tot de tenuitvoerlegging voorlas. Toen de toepasselijke gebeden en psalmen, met veel gevoel door den geestelijke waren voorgedragen, werd den armen gevangenen afgevraagd, of zij gereed waren; beiden antwoordden bevestigend, doch verzochten een glas wijn, dat hun onmiddellijk gebracht werd. Onder eene eerbiedige buiging voor den commandant en de officieren ledigden zij dit.De admiraal kwam niet te voorschijn, daar dit zoo bepaald is; de gevangenen verzochten echter hem hunne dankbare en eerbiedige groeten over te brengen; daarna verzochten zij den commandant en de officieren de hand te mogen drukken en toen om de equipage eenige woorden toe te spreken. Op last van den commandant kwam daartoe de bemanning »voor den boeg.” De grootste stilte heerschte en aller oogen waren vochtig.William Strange, de man, die om mij gezonden had, sprak toen met eene duidelijke stem:—»Kameraden, luistert naar de laatste woorden van iemand, die gaat sterven. Wij zijn hier gebracht door het aanstoken van eenigen, die nu hier veilig onder de menigte staan. Zij hebben ons bedrogen, en wij zullen de slachtoffers zijn van de gerechte wraak der wet. Indien gij geslaagd waart in het schandelijke, door u gesmede complot, wat zouden dan wel de gevolgen zijn geweest? Ondergang voor uzelf en voor uwe familiebetrekkingen; eene schande voor uw vaderland; en de verachting van diezelfde vreemdelingen, aan wie gij voornemens waart het schip over te leveren. Dankt God! het is u niet gelukt. Laat ons lot u ter waarschuwing zijn, en tracht door uwe verdere daden uw berouw te toonen voor uwe vroegere handelingen. En nu, sir,” voegde hij er, zich tot den commandant wendende, bij, »wij zijn gereed.”Deze schoone aanspraak, uit den mond van een gewoon matroos, zal ongetwijfeld den lezer evenzeer verwonderen, als hij dit destijds den commandant en de officieren van het schip deed. Maar Strange was,zooals ik hierboven reeds vermeldde, geen alledaagsche man; hij had alle voordeelen eener goede opvoeding genoten, en zooals verscheidenen der belhamels van de muiterij op de Nore, was hij gebracht tot de dwaling om gehoorzaamheid te weigeren, uit inbeelding van geboren te zijn tot bevelen.Toen alles gereed was, gaf de commandant, door met een witten doek te wuiven, een sein en binnen weinige oogenblikken hadden de ongelukkigen opgehouden te leven. Na een uur werden hunne lijken gekist en aan den wal ter aarde besteld.Bij mijne aankomst in Engeland, negen maanden later, vervulde ik mijne belofte en betaalde aan de moeder van William Strange meer dan vijftig pond aan gage en prijsgeld uit. Ik verhaalde aan de arme vrouw, dat haar zoon als een Christen gestorven was en voor het welzijn van zijn land het leven liet. Toen ik dit gezegd had, nam ik een haastig afscheid, bevreesd, dat zij mij uitvragen zou.Maar laat mij nu tot een vroolijke tafreel overgaan. Ter eere van de Engelschen, werd op Minorca een groote carnaval-maskerade gegeven. Ik had een zotskap opgezet en mij verder onkenbaar gemaakt en ontmoette daar verscheidenen mijner medeofficieren. Het was een zonderling gezicht al die dwaas uitgedoste groepen zoo dooreen te zien dwalen. De admiraal, de schout-bij-nacht, de meeste hoofd- en andere officieren van de vloot waren aanwezig. De plaats van samenkomst was ongeveer eene mijl buiten de stad gelegen.Daar ik eene zotskleeding gehuurd had, besteeg ik ook den daarbij passenden viervoeter—een ezel, en reed af onder het gejuich van wel duizend havelooze straatslijpers. Bij mijne aankomst maakte ik allerlei dwaze sprongen, die er zoo bij behooren en verzon allerlei grappen. De wijze, waarop ik mijne rol speelde, bezorgde mij spoedig eenige omstanders. Ik sprak nooit den admiraal of eenig hoofdofficier aan, dan wanneer hij het eerst iets tegen mij gezegd had, en dan verkocht ik eenige toepasselijke hatelijkheid, welke mij niet zeer moeielijk viel, omdat ik de meeste karakters kende en wist wat er alzoo op de verschillende schepen omging. Eén vroeg mij, of ik niet op zijn schip dienst wilde nemen. »Neen”, antwoordde ik, »gij zoudt mij al te gauw drie dozijn laten toedienen, omdat ik mijn kooi niet behoorlijk gesjord had.” »Ga maar met mij mede,” zeide een ander. »Dank je,” was mijn antwoord,»bij u is het schellekoord te kort;—gij kunt er niet bijkomen om nog een flesch wijn te bestellen, vóór al de officieren van tafel opgestaan zijn.” Weer een ander beloofde mij eene minzame behandeling en overvloed van wijn. »Ik moet er niets van hebben,” zeide ik. »Op uw schip zou ik zoo te veel zijn als de steenkolen bij Newcastle; bovendien is bij u de koffie te slap; uw hofmeester zet van één ons zes kopjes.”Al die zetten gaven veel vroolijkheid onder de omstanders, en zelfs de admiraal verwaardigde zich mij glimlachend toe te knikken. Ik boog eerbiedig voor zijne lordschap, die daarop zeide: »Wel zot, wat verlangt gij wel van mij?” »O niemendal, mylord,” antwoordde ik; »ja, ik heb toch een kleine gunst van U te vragen.” »Spreek op,” zeide de admiraal. »Alleen maar om mij kolonel, commandant van een schip, te maken, mylord.” »Neen, neen,” was het antwoord, »wij maken nooit gekken tot commandant.” »Niet!” zei ik weer, op eene onbeschaamde wijze mijne armen over de borst kruisende, »dat is dan zeker eene geheel nieuwe bepaling. Van wanneer dateert die?”De goedaardige oude chef lachte hartelijk om dit staaltje van brutaliteit; maar de commandant van mijn vorig schip gevoelde zich er door beleedigd. Hij wist mij uit te vinden en klaagde mij bij mijn eigen bevelhebber aan; maar deze lachte hem uit, zeide, dat hij het een aardige grap vond, en noodigde mij bij zich te dineeren.Ons schip kreeg last om naar Gibraltar te stevenen, dat wij spoedig bereikten; daar vonden wij een post van Engeland en ontving ik brieven van huis, waarvan een den dood mijner dierbare moeder behelsde. O, hoe kwam mij bij die tijding al het verdriet voor den geest, dat ik haar al zoo had aangedaan; welke gewetenswroegingen over al mijne slechte streken bestormden mij toen; hoe duidelijk stond mij het laatste oogenblik, dat ik haar gezien had, voor oogen! Nooit had ik kunnen denken, dat ik haar verlies zoo diep zou gevoelen. Mijn vader schreef, dat zij in hare laatste oogenblikken nog het grootste belang in mijn welvaren had gesteld. Zij had hare vrees te kennen gegeven, dat de betrekking mijner keus niet bevorderlijk kon wezen aan het heil mijner ziel, hoe veelbelovend die ook zijn mocht voor mijn tijdelijk voordeel. Hare laatste aanbeveling aan mij, op haar sterfbed geuit, was, nooit de zedelijke en godsdienstige beginselen, waarin zij mij opgevoed had, te vergeten; met hare laatste zegening smeekte zij mij trouw mijnBijbel te lezen en dien als mijn richtsnoer door het leven te beschouwen.Mijns vaders brief was ook een ernstig beroep op mij, waarin eene groote genegenheid doorstraalde; nooit in mijn verdere leven is zoo met gunstigen uitslag als toen op mijn gevoel gewerkt geworden. Ik zonderde mij af met een hoofd dat haast barstte, een hart dat bijkans gebroken was. Een terugblik op mijn voorbijgegaan leven gaf mij geene kalmte. De talrijke daden van slechtheid of trots, van wraakneming of misleiding, waaraan ik mij meermalen bezondigd had, ruischten door mijn gemoed, als de stormwind door het tuig, en wekten de droefgeestigste en ernstigste overdenkingen in mij op. Hoe menigmaal had ik reeds in het grootste levensgevaar verkeerd! Hoe zou het met mij gevaren zijn, als ik niet altijd goed daar doorheen was gekomen? Ik sidderde bij die gedachte, want sinds ik aan de moederlijke zorg onttrokken was, kon ik mij geen enkele deugdzame daad, uit een zuivere bron ontsproten, te binnen brengen.Te twaalf uren dien nacht, vóór het mij gelukt was een oog te luiken, werd ik voor de hondenwacht (van twaalf tot vier uren) gewekt. Daags te voren hadden wij een kwartiermeester, Quid bijgenaamd, begraven. Quid had zich doodgedronken, wat in den zeedienst nog al eens voorvalt. Iemand die sterft, ten gevolge van onmatigheid, heeft gewoonlijk reeds een verwoestlichaam; zijn lijk gaat, vooral in een warm klimaat, snel tot ontbinding over. Kort na den dood van Quid bleek de noodzakelijkheid tot eene spoedige begrafenis. Zijn lichaam werd in een hangmat genaaid; en daar het schip in diep water ten anker lag en er een flinke stroom de baai rondliep, terwijl bovendien de meeste sloepen van boord naar de werf waren, liet de eerste officier een paar kogels aan het voeteneinde vastmaken en, na het voorlezen van den lijkdienst, het lijk bij den valreep overboord zetten.Na het overnemen der wacht liep ik in een gedrukte gemoedsstemming het halfdek op en neer, ernstig nadenkende over allerlei teksten uit den Bijbel, dien ik zeker in geen twee jaren ingekeken had, toen mij in eens de dood van Quid te binnen schoot, en de schoonheid van den lijkdienst, dien ik over hem had hooren voorlezen—»ik ben de opstanding en het leven.” De maan, die eenigen tijd geschuild had, brak eensklaps door de wolken en te gelijk hoorde ik een angstkreet van den uitkijk op stuurboordsloopplank. Ik ging naar de reden daarvan onderzoek doen on vond den man in zulk een staat van zenuwachtigeontroering, dat hij niet anders kon uitbrengen dan: »Quid! Quid!” daarbij overboord wijzende.Ik keek in die richting en daar zag ik inderdaad het lichaam van Quid terug, in zijn kooi gepakt, rechtstandig, met hoofd en schouders er buiten, zachtkens in het water op en neer gaande, bewogen door een lichte uit zee opgekomen deining, die mede het hoofd scheen in beweging te brengen; het maanlicht bescheen zelfs het onder water stekende gedeelte van het lichaam. Eenige oogenblikken lang gevoelde ik mij onder den indruk van een onbeschrijfelijken afschuw en aanschouwde in angstig stilzwijgen het voorwerp; mijn bloed was ijskoud en ik verbeeldde mij, dat de schrik mijne haren overeind gejaagd had. Het verschijnsel had mij geheel verrast, en ik dacht een oogenblik, dat het lichaam weer opgestaan was als eene waarschuwing voor mij; spoedig kwam ik weer tot bezinning en werd mij de oorzaak van de wederverschijning van het lijk duidelijk. Ik liet de barkas op zijde komen en er in gaan, en ging onderwijl zelf omlaag om den eersten officier het gebeurde mede te deelen. Hij lachte en zeide: »Ik houd het er voor, dat de oude jongen het zoute water niet zoo smakelijk vindt als den grog. Maak nog wat meer ballast aan zijn voeten vast en laat hem naar zijn oude peilingen terugkeeren. Zeg hem, dat hij daar zijn anker maar laat vallen en niet meer tegen ons aanzwaait.” Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en viel weder in slaap.Dit schijnbaar vreemde geval is gemakkelijk te verklaren. Lichamen in ontbinding geven aanleiding tot de vorming van gassen, waardoor zij in omvang belangrijk toenemen en in gisting geraken. Het lijk van dezen man was overboord gezet, toen het ontbindingsproces reeds begonnen was; voor het oogenblik was de ballast, dien men aan de voeten had vastgemaakt, voldoende geweest om het te doen zinken, doch enkele uren later was die niet zwaar genoeg meer om het beneden te doen blijven. Hierdoor kwam het in de door mij beschreven houding, rechtstandig weer naar boven. Daar de stroom in de helft van den tijd, sedert de plechtigheid verloopen, gekenterd en nu zeer zwak was, dreef het nagenoeg juist op de plek, waar het te water was gelaten.De sloep stak van boord met nog een paar kogels, om voor meerderen ballast te dienen en op die wijze het lijk te laten zinken. Toen men beproefde er met den sloepshaak vat op te krijgen, week het af en draaide steeds rond, of dook onder water en kwam dan weer naar boven, alsofhet een dartel spelletje was. Maar het toeval bespaarde hier verdere moeite; de man bij den haak, die door zijne makkers geplaagd werd, dat hij Quid zelfs na zijn dood nog niet aandurfde, werd boos en stak met den haak met zooveel kracht naar het lijk, dat hij eene opening in den buik maakte, waardoor het samengeperste gas met veel geluid ontsnapte, en het lichaam verder als een baksteen zonk. Over dit voorval werden nog al grappen verkocht, doch ik was niet in eene stemming om daarin mede te doen; en vóór de wacht om was, had ik het stellige plan opgevat om naar huis terug te gaan en den dienst vaarwel te zeggen, daar ik geene kans zag aan de laatste wenschen van mijne moeder te voldoen indien ik bleef, waar ik was.Den volgenden morgen verzocht ik den commandant te mogen spreken en deelde hem mijn verlangen mede, niet om den dienst te verlaten, maar om voor dringende familiebelangen naar huis te gaan. Wat de noodzakelijkheid hiertoe betrof, had ik evengoed kunnen beweren, dat het dringend voor mij was om een pelgrimstocht naar Jeruzalem te maken. Het treurige nieuws, dat ik ontvangen had, was den commandant reeds ter oore gekomen, en na mij te hebben laten uitspreken, antwoordde hij, dat het hem voor mij het beste toescheen, om aan boord bij hem te blijven.»Gij zijt nu hier,” zoo sprak hij, »aan mij en aan den gang van zaken gewend geraakt; gij kent uwe plichten en gij zijt op de hoogte van uwen dienst; ik ben over u in alle opzichten tevreden en heb gunstig over u aan de admiraliteit gerapporteerd; maar—gij kent uwe eigene belangen het beste” (hier vergiste hij zich: hij had om de door mij aangevoerde redenen, mij niet moeten laten gaan),—»maar ik geef u in overweging om te blijven.”Ik bedankte hem voor zijne goedgunstigheid,—doch daar ik het er op gezet had om naar huis te gaan, stond hij mijn verzoek toe en gaf mij mijn ontslag onder toevoeging van een mooi getuigschrift van goed gedrag, geheel zelfs buiten den voorgeschreven vorm; hij deelde mij mede, dat, wanneer ik er nog tijdig toe overging om terug te komen, hij eene plaats voor mij zou openhouden. Van de officieren, van mijne kameraden en van de equipage nam ik met leedwezen afscheid. Ik was langer dan drie jaren aan boord geweest. Na de zoo stormachtige dagen in het begin, had ik mij eene behoorlijke plaats in de voorlongroom weten te verwerven; om enkele mijner eigenschappen was ik zelfs de algemeenegunsteling geworden en ik verliet het schip met de hartelijkste wenschen voor mijn welzijn van allen. Met de groote sloep werd ik aan boord van een linieschip gebracht, waarmede men voor mij passage naar Engeland aangevraagd had.
Zevende hoofdstuk.De commandant van het fregat, waarop ik nu kwam, stond bij de zeemacht zoo goed aangeschreven, dat lord Collingwood bij voorkeur aan hem de meest vertrouwelijke zendingen opdroeg; zoo kregenwij de order om de Spanjaarden te helpen in hunne verdediging der gewichtige vesting Rosas in Catalonië. Hierboven is al met een enkel woord aangestipt dat de Fransche generaal St. Cyr die provincie was binnengetrokken en, eenmaal in het bezit van Figueras en Gerona, begeerige blikken sloeg op het kasteel Trinity, zuidoostwaarts gelegen, waarvan het bezit de voorloper van den val van Rosas moest zijn.Mijn bevelhebber nam van die versterking de verdediging op zich, ofschoon eerst kort geleden die positie door een anderen zeeofficier, als onhoudbaar, was verlaten geworden. Hoewel ik slechts tijdelijk aan boord was, deed ik aanzoek om van de landingspartij te wezen en werd ik dienovereenkomstig medegezonden. Ter bestemden plaatse aangekomen, moest ik erkennen, dat de officier, die van de verdediging afgezien had, in mijne oogen nog zoo dom niet was. Het kasteel was niet veel meer dan een bouwval. Hoopen puin en houtwerk, gebroken affuiten en gesprongen kanonnen, schenen mij een zeer ongunstig slagveld toe. Het eenige voordeel, dat ik aan onze zijde kon opmerken, was: dat de bres, die onze aanvallers in een der muren geschoten hadden, te steil was voor beklimming en dat zij daarbij onder allerlei neerstortende steenen moesten bedolven worden, terwijl wij hen van alles naar het hoofdkondenwerpen. Daar hierop onze voornaamste kans gebouwd was, hadden wij slechts te beletten, dat de vijand de vóórwerken binnenkwam, die echter niet zeer veel te beteekenen hadden.Tegenover dit voordeel stond een zeer ernstig nadeel. Het kasteel was gebouwd dicht bij den top van een steilen heuvel, waarvan het hooger gelegen deel in de macht was van den vijand, die zich hierdoor in hetzelfde horizontale vlak bevond met ons dak. Op die hoogte waren nu driehonderd Zwitsersche scherpschutters geposteerd, die, van achter aarden wallen op vijftig ellen afstand, een geregeld geweervuur op ons onderhielden. Elk hoofd, dat zich boven den muur blootgaf, was het doelwit voor wel twintig kogels tegelijk, en dezelfde onafgebroken hoffelijkheid betoonden zij ook aan onze sloepen bij hunne landing.Op eenen anderen, meer Noordwaarts gelegen heuvel, dus meer landwaarts in, hadden de Franschen eene batterij van zesvierentwintigponders opgesteld. Die vroolijke buurman was slechts driehonderd el van ons verwijderd, en met uitzondering van den tijd, dien de stukken af en toe noodig hadden om te bekoelen, schoten zij door van zonsopgang tot zonsondergang. Ik had in mijne jonge jaren nooit kunnendenken, dat ik ooit zooveel kans zou loopen om tot eene zeef te worden geschoten, als zich hier in dit helsche kasteel aanbood. In werkelijkheid werden wij niet royaal behandeld, tegen zulk een macht waren wij niet bestand; maar onze bevelhebber was zeer onversaagd, en ik had gevraagd om mede te gaan, en dus nu geen recht van klagen. Het vuur, waaraan wij blootstonden, was zóó juist, dat wij na elk schot wel den steen konden aanwijzen, die bij het volgende getroffen zou worden, en herhaaldelijk werden er van onze manschappen gewond door splinters die van het graniet onzer muren afstoven, terwijl anderen, als patrijzen uit een vlucht, uitgepikt werden door de Zwitserschebataljonsop den nabijzijnden heuveltop.Onze bezetting in het kasteel bestond uit honderd en dertig Engelsche matrozen en mariniers, eene compagnie Spaansche en eene andere, bestaande uitZwitsersche troepen in Spaanschen dienst. Nooit was eenige krijgsmacht slechter betaald en gevoed en beter beschoten geworden. Wij hokten allen onder elkaar; vuil, van de vlooien levendig stroo, diende ons voor ligging; ons eten was naar evenredigheid even fijn; doch de bevelhebber had het niets beter dan de minste man. Vechten kan somtijds een aangename bezigheid zijn, maar overdaad is in alles schadelijk of onaangenaam; en hier hadden wij er meer dan genoeg van, zonder den trouwen compagnon, een behoorlijk maal eten op zijn tijd. Mij blijft het onbegrijpelijk, hoe een man zijn dienst behoorlijk kan blijven doen, zonder goede voeding; maar hier was ik met menig ander gedwongen dit te beproeven, en wanneer, wat dikwijls gebeurde, de sloepen niet aan wal konden komen, werd er pro forma toch voor ons eten geluid, omdat de commandant van een geregelden dienst hield, en in dit geval vulden wij onze magen slechts met koud water.Menigmaal had ik mijn ouden oom hooren zeggen, dat niemand weet wat hij kan, vóór hij het beproefd heeft. Nu, hier gaf de vijand ons overvloedig gelegenheid om proeven af te leggen in vernuft, werkzaamheid, waakzaamheid en onthouding. Toen de arme Penelope, zoo zegt de fabelleer, haar net weefde, ontrafelde zij des nachts het werk van den dag. Met ons gebeurde het omgekeerde: gedurende den dag werd al onze arbeid van ’s nachts weer vernietigd. Het nachtelijk duister werd gebruikt om de zandzakken te vullen voor het dichtmaken van eenige bres en voor het wegwerken van losse steenen, om opnieuw gereed te zijn ’s vijands vuur te weerstaan, dat van zons opkomst af stellig weerzou beginnen. Dergelijke bezigheden, afgewisseld door aanhoudend en waakzaam wacht doen tegen overrompeling, namen zooveel van onzen rusttijd af, dat er van slapen al heel weinig inkwam, en, zooals gezegd is, vorderden onze maaltijden ook niet veel.Een onzer verdedigingsmiddelen was zeer oorspronkelijk en zou zeker een ingenieur aan ’t lachen gebracht hebben. De commandant liet van lange, grenen planken, die hij van boord ontbood, een soort van brugbedekking timmeren, die hij schuin af uit de bres liet hangen; deze liet hij met allerlei koksafval vet smeeren; konden nu de vijanden in onze stelling komen, dan moesten zij daarop springen en verdwenen met vliegende vaart langs dit hellende vlak in de droge gracht beneden, waar zij, omdat het eene aanmerkelijke valhoogte was, vrij onaangenaam gestemd aankwamen en veelal zouden hebben moeten wachten tot zij door of vanwege den dokter opgezocht werden; en als zij erg netjes beneden gekomen waren, stond het geheel aan hen, om hetzelfde nog eens te beproeven. Het was een soort van vernuftig uitgedachte muizenval; destijds gaven wij juist zooveel om het leven van een Franschman, als om dat van zoo’n kleinen nachtrustverstoorder.Nog een ander kunstje was door ons verzonnen. Aan boord was eene groote voorraad vischhaken; deze werden overal geplant, waar verwacht kon worden, dat de vijand handen of voeten plaatsen zou. De bres zelf was ondermijnd, en de mijn geladen met bommen en handgranaten; geladen geweerloopen, tot aan de monding vol kogels, waren daarop gericht en op allerlei plaatsen vastgezet. Ziedaar onze verdedigingsmiddelen; in aanmerking nemende, dat wij in de drie weken, die wij nu op het kasteel waren, bij zulke kwade tegenkansen, slechts twintig man hadden verloren, zal men toestemmen, dat dit verwonderlijk was. Intusschen naderden wij eene oplossing.Op een morgen, heel vroeg, was het mijne beurt van uitkijk. De laag mist, die in dat land ’s nacht tusschen de heuvels hangt en in de dalen bijna tot op den bodem drukt, was aan het opstijgen en verdunnen en boven ons hoofd begon de glans der sterren te verbleeken, toen ik over den kasteelmuur in de richting van de bres keek. De commandant kwam juist te voorschijn en vroeg mij, waar ik zoo heen staarde. Ik antwoordde, dat ik dit zelf niet goed wist; maar dat zich een ongewoon verschijnsel voordeed in het dal over de bres. Hij luisterde een oogenblik, keek scherp door zijnen nachtkijker, en riep toen in eensop zijn flinken toon, doch gedempt uit: »Onder de wapens!—Daar komen zij!”Binnen drie minuten was iedereen op zijn post, en, ofschoon alles vlug in zijn werk was gegaan, was er geen tijd te verliezen, want toen reeds was de zwarte colonne van den vijand, zich als een slang door de vallei voortkronkelende, duidelijk zichtbaar. Met de dappere volharding, waarvoor Napoleons troepen zoo bekend waren, begonnen zij in stilte de bres te beklimmen. Het was een angstig en gewichtig oogenblik, maar de kalmte en beslistheid van het kleine garnizoen waren er tegen opgewassen.Het bevel ging rond om goed te mikken, en eene volle laag van de verdekt opgestelde kanonnen en geweren werd op het dichtste gedeelte van den vijand gelost. Zij kwamen tot staan,—en allerlei verwarde kreten stegen tot ons op. In verwarring werd eenige passen teruggetrokken, toen weer standgehouden en opnieuw tot den aanval voorwaarts gerukt; van toen af aan werd van weerszijden het vuur geregeld onderhouden. De groote vierentwintigponder-batterij, en de nog dichter bij gelegen Zwitsersche keursoldaten vuurden mede onverpoosd op ons en moedigden met luide juichtonen hunne kameraden tot de bestorming aan. Toen zij naderden en boven onze mijn kwamen, werd de mijnlont ontstoken, en met een donderenden slag vloog een groot aantal de lucht in om weer met het puin neer te komen en daaronder begraven te worden. Gekerm, gezucht, verwarde stemmen, Fransche angstkreten en Engelsche hoerrah’s werden alle dooreen gehoord! De vreugdetonen der overwinnaars weerkaatsten van heuvel tot heuvel! Ruim bedeelden wij de aanvallers met handgranaten, en kegelden wij daarmede nog heele gelederen van de been. Ik moet erkennen, dat de Franschen zich flink hielden, ofschoon zij bij hoopen waren gevallen. Ik gilde van woede en opgewondenheid, en allen vochten wij als bulhonden, wel overtuigd, dat er geen kwartier gegeven zou worden.Tien minuten had het vuren geduurd, menig dapper krijger had in ’t zand gebeten; het hoofd der aanvalscolonne was door de mijnontploffing gedood; toch was onder hen de orde weer hersteld, en toen de dag aanbrak, was de hoofdmacht weer halverwege de bres voorwaarts gerukt. Weder naderde ons, onder aanvoering van hunnen kolonel, een uitgezochte troep van duizend man over de lijken hunner gevallen kameraden.De dappere aanvoerder scheen even koel en berekenend, alsof hij eene danspartij leidde; met uitgetrokken degen wees hij op de bres, en duidelijk hoorden wij zijn: »suivez moi!” Ik was jaloersch op dien held—jaloersch, dat hij een Franschman was, en ik smeet hem een brandende handgranaat tusschen de voeten. Hij raapte deze op en wierp haar een grooten afstand van zich.»Kijk mij zoo’n bedaarden kerel eens!” zeide de commandant, die naast mij stond, »ik zal hem er nog een geven;” maar ook deze schopte de ander met evenveelsang froidals waardigheid van zich af. »Die man schijnt voor niets gevoelig te zijn, dan voor een ons lood in zijne ledige maag; het is jammer zoo’n kranigen vent te dooden, maar er zit niets anders op.”Zoo zeggende, nam hij mij een geweer uit de handen, dat ik juist geladen had, mikte en vuurde; de vijandelijke aanvoerder wankelde, bracht de hand aan zijne borst en viel achterover in de armen van een zijner manschappen, waarvan eene partij de wapens neerlegde, en hem op hunne schouders namen, als onbewust van of onverschillig voor de slachting, die in hunne onmiddellijke nabijheid plaats vond. De kleine troep werd nu het doelwit van onze schutters; allen werden daarvan neergeschoten. De kolonel, opnieuw aan zichzelf overgelaten, kroop nog enkele passen verder, tot hij een klein boschje bereikte, geen tien el verwijderd van de plek, waar hij doodelijk gewond was. Hier viel hij neer; de degen, dien hij nog in de rechtervuist klemde, bleef tegen eene struik overeind en wees opwaarts, als toonde bij den weg, dien de geest van zijn heldhaftigen eigenaar gegaan was.Met den dood van den kolonel ging de kans van dien dag voor de Franschen verloren. Wij zagen duidelijk, dat de overige officierenhun plicht deden, door woorden en voorbeeld hun manschappen vooruit zochten te drijven en voorgingen, maar alles was tevergeefs. Wij zagen hen eigenhandig hunne vluchtelingen doorsteken; doch ook dat bleef zonder uitwerking; voorloopig hadden zij van vechten genoeg. De eerste aandrang, het eerste vuur was bekoeld met den dood van hun aanvoerder, en langzamerhand werd het een algemeensauve qui peut, dat den aanval besloot en ons den tijd liet om adem te halen en onze dooden te tellen.Zoodra de Franschen uit hunne batterijen bespeurden, dat de aanval mislukt, en de aanvoerder der onderneming gesneuveld was, vuurdenzij van daar nog eens duchtig op ons los. Ik stak mijn hoed op de punt mijner bajonet, boven den wal uit, en kreeg er in eene minuut tijds twintig kogelgaten in; gelukkig stak mijn hoofd er op dat oogenblik niet in.Toen het vuren der batterijen ophield, wat nu en dan op gezette tijdstippen plaats vond, hadden wij gelegenheid om een onderzoek in te stellen naar het punt, waar wij aangevallen waren. Stormladders en lijken lagen in menigte daar ter plaatse. Al de gewonden waren medegedragen; in hunne grijze kapotjassen gekleed, lag daar tal van manschappen der Fransche keurbenden, als verbruikt kanonnenvleesch dooreen. Het was een treurig gezicht, die strijders van soms meer dan zes voet lang, die menigen grooten veldslag overleefd hadden, daar voor altijd onbewegelijk te zien!De nachten waren koud, en ik nam mij in stilte voor een dier kapotjassen te bemachtigen en mijnen commandant de sabel van den gesneuvelden kolonel ten geschenke aan te bieden. Zoodra dus de duisternis ingevallen was, wandelde ik de bres uit en wist mij eerst meester te maken van een stormladder, die ik het kasteel binnenbracht. Zooveel voor den koning gedaan hebbende, ging ik een tweede maal uit om voor mijzelven te zorgen.Het was toen juist pikdonker. Ik strompelde voort, tegen een hevigen stormwind in, die mij door groote stof- en kalkwolken bijna blind maakte; doch van den te volgen weg was ik volkomen zeker. Toch was het iets hyena-achtigs om in die duisternis mij te midden van zooveel dooden te bewegen, en er kwam een oogenblik, dat ik met afgrijzen aan mijnen toestand dacht. Tusschen de windvlagen in was het eene huiveringwekkende stilte, waarbij ik in de zwarte duisternis soms meende mijn angstig hart te hooren kloppen. Het is juist om zoodanige reden, dat ik weinig ingenomen ben met nachtelijke aanvallen; men kan zoo zelden ten volle op zijne manschappen staat maken; meestentijds mislukken zij, omdat zoo weinigen in het duister denzelfden moed bezitten als in het licht. Vrees en duisternis gaan altijd samen, de laatste verbergt de eerste en moedigt ze daarom aan.Van het eene lijk naar het andere tastende, kroop ik behoedzaam voorwaarts. Bij het eerste lichaam, dat ik met de hand aanraakte, stolde mij bijna het bloed in de aderen. Ik voelde den ontvleesden elleboog van een grenadier, die door een handgranaat geveld was geworden. »Vriend,”zeide ik, »naar den aard van uwe wond te oordeelen, is aan uwe overjas niet veel meer aan.” Het naastvolgende voorwerp, dat ik bevoelde, had een beteren dood gehad. Een geweerkogel door het hoofd had hem van alle aardsche zorgen ontheven. Daar zijne erfgenamen niet bij de hand waren, maakte ik er geene gewetenszaak van, zijne kapotjas van hem over te nemen, wat nu nog niet eens heel gemakkelijk ging, omdat het lichaam koud en stijf was geworden.Ik had nu evenwel mijn plan uitgevoerd, trok dadelijk mijn nieuw kleedingstuk aan en ging nu op ’s kolonels degen af; maar hier scheen mij een Franschman vóór te zijn geweest. De kolonel lag er nog, stijf en wel, doch zijn zwaard was niet te vinden. Juist was ik op het punt terug te keeren, toen ik weer een vijand ontmoette, ditmaal geen dood maar een levend exemplaar.»Qui vive?” vroeg een zachte stem.»Anglais, bête,” antwoordde ik zachtjes, en voegde er bij:»mais les corsaires ne se battent pas.”»C’est vrai,” zeide hij, en daaropbonsoirbrommende, was hij spoedig verdwenen. Ik scharrelde naar het kasteel terug, gaf het wachtwoord voor den schildwacht en pronkte, zeer voldaan, met mijn groote overjas, die mij door velen zoodanig benijd werd, dat zij er ook eens op uitgingen om iets dergelijks te bemachtigen.In enkele dagen tijds waren de lijken vóór de bres geheel geplunderd door allerlei nachtelijke bezoekers; dat van den kolonel bleef geëerbiedigd. De gebruiken van den oorlog, zoowel als die der menschelijkheid, brachten mede, dat het stoffelijk overblijfsel van dezen held eeneeervollebegrafenis toekwam; en onze bevelhebber, die de ridderlijkheid zelve was, droeg mij op om een witte vlag, als vredesein aan eene piek omhoog te steken en de lijken te gaan begraven, als de vijand dit toeliet.Ik ging dus, vergezeld van eenige manschappen, met eene spade en een breekijzer naar buiten; maar de tirailleurs op den heuvel begonnen zoodanig op ons te vuren, dat er een onzer gewond werd. Ik keek naar den commandant, als om te zeggen: »moet ik doorgaan?” Hij wenkte met de hand om door te zetten, en ik begon naast een der dooden een graf te graven, waarop de vijand, mijn bedoeling ziende, het vuren staakte. Verscheidenen had ik nu reeds begraven, toen de commandant ook naar buiten en bij mij kwam, met plan om van de gelegenheid gebruik te maken om ’s vijands positie te verkennen.Hij werd van uit het fort herkend en men raadde spoedig zijne bedoeling.Wij stonden nu bij het lijk van den kolonel, gereed om dit de laatste eer te bewijzen, toen de commandant een brillanten ring aan een der vingers ziende zitten, tot een der matrozen zeide: »Neem hem dat ding maar af; hij heeft er nu toch niets meer aan.” De man beproefde het, maar kon door de stijfheid van het lid, den ring niet op of neer krijgen. »Hij zal uw mes niet voelen”, zeide de commandant. »Arme kerel, een vinger meer of minder maakt weinig voor hem uit; snijd maar af.”De matroos begon met zijn mes het vingerlid af te zagen, toen een vierentwintigponder, midden door onzen troep heenging, ’s mans schoen van den voet medenam, en een ander de spade uit de hand sloeg. »Nu, stop hem er maar snel onder!” zeide de commandant.Zoo gezegd, zoo gedaan; daar kwam een tweede schot, niet zoo netjes gericht als zijn voorganger, maar de kogel beploegde den grond aan onze voeten en joeg ons het zand in de oogen. Men begon het ons warm te maken. Het volk werd nu gelast omnaarhet kasteel terug te trekken, waaraan dadelijk gevolg werd gegeven. De commandant zelf echter liet zich niet zenuwachtig maken: hij wandelde doodbedaard terug, onverschillig voor de hagelbui van geweerkogels, die ons thans door de Zwitsers werden toegezonden. Te meer was dit voor mij niet alles, omdat ik als adjudant denzelfden langzamen pas naast den bevelhebber moest houden, terwijl ik elk oogenblik een kogel achterin kon krijgen en het litteeken in dat geval nooit zou hebben durven vertoonen. Ik vond zoo’n begrafenispas, na den afloop der eigenlijke plechtigheid, allesbehalve noodzakelijk; maar mijn dappere commandant, die nog nooit voor de Franschen op de loop was gegaan, vond geene aanleiding om daar juist heden mede te beginnen.Onder dergelijke opmerkingen had ik achter hem geloopen, en, toen er meer en meer schoten vielen, stapte ik wat door, kwam eerst naast hem en wilde hem toen tusschen mij en het vuur in brengen. »Kolonel,” zeide ik, »daar ik nog maar adelborst ben, stel ik veel minder prijs op de eer, dan u doet; wanneer het u dus hetzelfde is, zoude ik wel graag onder uwe lij willen blijven.” Hij lachte en zeide: »o, ik wist niet, dat gij nog hier waart; ik dacht, dat gij met de anderen waart medegetrokken; maar nu gij toch uit uw gewonen doen zijt, mijnheer Mildmay, zal ik u maar liever voor mijne beschutting doen dienen. Mijn leven heeft hiernog eenige waarde, doch het uwe slechts weinig, en ik heb slechts eene boodschap te zenden om in uwe plaats van boord dadelijk een anderen adelborst te krijgen: dus wees zoo goed, laat u een beetje zakken en doe voor mij den dienst van kogelvanger!”»Zeker, sir”, zeide ik, »onmiddellijk”; en ik betrok den mij aangewezen post.»Nu”, zeide de commandant, »als zij je soms te pakken hebben, dan zal ik u op de schouders nemen!”Ik betuigde mijne erkentelijkheid voor zijne goede bedoeling en voor de eer, die mij wachtte; maar ik hoopte, toch dat ik hem dien last niet zou bezorgen. Of nu de vijand medelijden had met mijne jeugd en onschuld, of dat zij opzettelijk misschoten, weet ik niet; maar wel, dat ik zeer blijde was heelhuids in het kasteel aan te landen en genoegen zou hebben genomen met elken maatregel, die mij weer aan het meer comfortabele leven in de voorlongroom aan boord zou teruggegeven hebben. Alle menschelijke genoegens zijn toch maar betrekkelijk, en nooit werd ik hiervan beter overtuigd, dan door de gebeurtenissen bij dit gedenkwaardige beleg. Het geluk, en de welbekende lafhartigheid der Spanjaarden, verlosten mij spoedig uit dezen toestand; zij gaven de citadel over en daardoor werd het verder behoud van het kasteel nutteloos. Wij verlieten het dus zoodra mogelijk en trokken met de noodige haast op onze sloepen terug, waar wij, in weerwil van het tot ’t laatst volgehouden snelvuur der tirailleurs op den heuvel, behouden aankwamen en naar boord gingen.Er was een merkwaardig iets bij voorgevallen. De Zwitsersche huurtroepen in Franschen en in Spaanschen dienst, dus vijandig tegenover elkander staande, vochten altijd met de grootste dapperheid en deden steeds hun plicht met onnavolgbare getrouwheid; doch, op zoo korten afstand geposteerd, en zoo veelvuldig met elkaar in aanraking komende, sloten zij onderling dikwijls een wapenstilstand van een kwartier, in welken tijd zij naar wederzijdsche vrienden onderzoek deden; dikwijls herkenden zij dan over en weer vaders, zoons of nauwe betrekkingen, die aan beide zijden strijd voerden. Nadat zij te zamen gelachen en grappen gemaakt hadden, werd de wapenstilstand weer opgeheven, en kort daarop mikten en vuurden zij weer, alsof zij volkomen vreemd aan elkander waren; maar, zooals ik vroeger al eens opgemerkt heb, was voor hen het oorlogen een beroep.Van Rosas vertrokken wij nu weer, om ons met den admiraal bij Toulon te vereenigen; en, vernemende, dat eene batterij van zes metalen kanonnen, in de haven van Silva, kans had binnen weinige uren in handen der Franschen te vallen, liepen wij daar binnen en ankerden op pistoolschotsafstand daarvan. Zware gijnblokken werden nu op den top van elk der masten genaaid, daardoor stevige reepen geschoren en de einden daarvan den wal opgebracht, op de kanonnen gestoken en drie daarvan, één voor één met het spil naar boord opgedraaid. Het uiteinde was weer naar de batterij terug, om opnieuw opgestoken te worden, toen onze gasten aldaar door de Franschen overvallen werden en met verlies van één man, die gevangengenomen werd, naar den waterkant teruggejaagd werden.De partij aan wal, niet sterk genoeg om weerstand te bieden, scheepte zich in met achterlating van eene sloep onder een heftig vuur van de Franschen, die zich intusschen achter steenen en rotsblokken opgesteld hadden. Dat vuur werd van boord goed en van tijd tot tijd ook met een zwaar schot beantwoord; maar zij hadden het voordeel van hunne stelling en bezorgden ons daardoor verscheidene gekwetsten. Met zonsondergang eindigde dit; toen kwam er van den wal een bootje door een Spanjaard geroeid en bracht een brief over van den kapitein, die de Fransche afdeeling commandeerde, aan onzen bevelhebber gericht. Die brief behelsde de beleefde groeten van den Franschen chef aan den onzen, »het speet hem, dat hij genoodzaakt was geweest ons overbrengen van de kanonnen te verhinderen, klaagde over het koude weer, en dat hij in zoo groote haast had moeten afmarcheeren, dat hem de tijd had ontbroken de noodige provisiën mede te nemen, en aangezien er altijd welwillendheid bestondentre braves gens,—of wij niet voor hem en zijne manschappen een kan of wat rum te missen hadden.”Dit verzoek werd met een beleefd briefje en door den gevraagden sterken drank beantwoord. De Engelsche bevelhebber hoopte, dat de Fransche kapitein het zich zoo aangenaam mogelijk zou maken en eenbon repos mocht genieten. Doch onze commandant was van plan, den Franschman den drank te laten betalen, al was dit niet in klinkende munt; te één uur in den morgen zond hij de rekening in.Het was op dat oogenblik stil als de dood; de Fransche wacht had zich verkwikt en was in het volle genot van des commandants zegening, toen deze ons de opmerking maakte, dat het toch zonde en jammerzou zijn, die eene sloep, die nog aan wal was te verliezen en de drie andere metalen vuurmonden achter te moeten laten;—hij stelde daarom voor een en ander te gaan halen. Vijf of zes der onzen ontkleedden zich, gingen zachtjes te water en zwommen zonder het minste leven te maken naar den wal. Het water was koud en benam mij zelfs korten tijd de ademhaling. Wij landden bij de batterij, verzekerden eerst onze sloep en kropen toen zachtjes naar de plaats, waar het eind van onzen reep nog naast de stukken lag. Onder het opsteken daarvan telden wij verscheidene Franschen, die er dicht-bij lagen, de wacht hielden, maar in diepen slaap waren.Het zou ons gemakkelijk gevallen zijn hen allen te dooden, maar in aanmerking nemende, dat zij verkeerden onder den invloed van onze rum, verfoeiden wij een dergelijke inbreuk op de gastvrijheid. De meeste geweren echter, die zij naast zich neergelegd hadden, namen wij in bewaring, en, even stil als wij gekomen waren, klommen wij in de sloep, duwden af en roeiden naar boord terug met twee van de riemen. Het geplas daarvan deed enkelen der soldaten ontwaken, opspringen en met de hen overgebleven geweren op ons vuren. Hun aantal nam spoedig toe, want de schoten waren vele en juist, en daar het helder starlicht was en wij in onze naaktheid bijzonder in het oog vielen, hadden wij het hard te verantwoorden.»Wegduiken,” zeide ik, »is nog geen wegloopen,” en zoo sprongen wij op twee man na, die de sloep moesten overbrengen, te water. Ik hield mij als een schildpad onder en kwam niet boven, vóór ik mijn hoofd tegen de scheepskoperhuid aanstootte; toen zwom ik den boeg rond en werd aan de van den vijand afgekeerde zijde opgepikt. Mijn commandant zou het nemen van dergelijke maatregelen van voorzorg zeker wel weer versmaad hebben, maar, ofschoon ik, evengoed als hij, mijn trots had, dacht ik met Falstaff, »dat bescheidenheid het beste deel van de dapperheid is,” vooral bij een adelborst.De in de sloep achtergeblevenen brachten deze veilig aan boord. Dáár had men nauwelijks onze riemslagen gehoord, of lustig werden de spillen gedraaid en de kanonnetjes huppelden als kangoeroes de rotsen af. Spoedig waren zij te water nog vóórdat de Franschen een hak naar de reepen konden doen. Toen vuurden zij er op in de hoop hen stuk te schieten, maar ook dit mislukte. Wij bezorgden de kanonnen aan boord, gingen nog voor het aanbreken van den dag onder zeilen stuurden op de vloot aan, die wij kort daarna bereikten. Hier vernam ik, dat mijn eigen schip een prachtig gevecht met een vijandelijk fregat had gehad, dit had genomen, doch daarbij zooveel schade had bekomen, dat het tot herstelling naar huis was gezonden en reeds van Gibraltar naar Engeland onder weg was.Ik had aanbevelingsbrieven, aan den schout-bij-nacht gericht, bij mij. Deze vlagofficier was de tweede in het bevel, en ik ging die papieren bij Z. H. Ed.Gestr. afgeven. De vlaggekapitein bracht ze in persoon bij hem binnen en het niet overhoffelijke antwoord aan mij terug, dat ik daar aan boord kon komen, als ik daartoe genegen was, en blijven totdat mijn eigen schip in het station teruggekeerd was. Daar dit nu in mijne kraam te pas kwam, was ik genegen; doch de wijze, waarop mij deze gunst ten deel viel, ontsloeg mij van de dankbaarheid daarvoor. De ontvangst was niet zooals ik die verwacht had, en waren het niet brieven van hooggeplaatste personen en vrienden van den schout-bij-nacht geweest, dan zou ik liever gebleven zijn op dat laatste fregat, waarvan de commandant nog al met mij ingenomen was. Dit werd echter niet toegestaan.Gevolgelijk ging ik op het vlaggeschip over; wat ik daar aan boord eigenlijk doen moest, heb ik nooit kunnen vatten, tenzij het diende om er eene soort van menagerie compleet te maken; ik vond er althans tusschen de zestig en zeventig adelborsten. De meesten hunner waren nog slechts kort aan boord en hadden nog zeer weinig dienst gezien, althans vergeleken bij mij, die in den korten tijd, dat ik gevaren had, al reeds zooveel ondervinding had opgedaan. Zij luisterden dan ook met groote belangstelling naar de »stukjes”, die ik wist te vertellen, en waren allen brandende van verlangen om daartoe ook eens in de gelegenheid te komen. Talrijke aanvragen om overplaatsing, vooral aan boord van de fregatten, waren hiervan het gevolg, en daar de commandant begreep, dat ik hiervan de groote aanleiding was, werd ik er minder aangenaam om aangezien en kwam daardoor in geen goed blaadje te staan.De commandant was een groote, scheefgevormde, breedgeschouderde man, met één dof oog, een paar dikke lippen en een weinig innemend voorkomen; hij droeg een paar zeer groote epauletten, was bijzonder lastig van humeur en, wanneer zijn drift werd opgewekt, waartoe niet veel noodig was, altijd heftig en schreeuwerig. Zijne stem had veel vanden donder, en, als hij aan het uitvaren was tegen de arme jonkers, deden dezen mij altijd denken aan dien zenuwachtige vogel, die bedwelmd door het oog eener slang, zijn vermogen verliest en het monster in den bek vliegt. Was hij erg verontwaardigd, dan had hij de gewoonte zijne schouders op en neer te bewegen, en dan klapperden bij die gelegenheid zijne epauletten als de ooren van een dravenden olifant. Als hij in de verte een puntje van zijn neusgewaar werdof het geluid van zijne stem hoorde, vloog elke adelborst, die niet noodzakelijk blijven moest, weg als een der landkrabben op een West-Indisch zeestrand. Hij had het bijzonder op mij voorzien, vond altijd eene of andere aanmerking te maken en sprak schimpend over mij als: »die fregatsjonker.”Verbitterd door zijn onrechtvaardige handelingen, antwoordde ik eens op een brutale wijze op eene dergelijke aanduiding, en wanneer de schout-bij-nacht het niet verhinderd had, zou hij mij daarvoor op het halfdek lichamelijk afgestraft hebben; deze echter gaf te kennen, dat hij voor jonge officieren volstrekt geen voorstander van kastijding was. Dit redde mij voor het oogenblik; doch een aangenamer leven aan boord kreeg ik er niet door.Onder de gewone excercitiën op de vloot behoorde ook het op alle schepen te gelijk, op sein van den admiraal, met zonsondergang reven der marszeilen. Bij die gelegenheden was er altijd veel wedijver om daarmede het eerste gereed te komen. Soms ging het er ruw bij toe; herhaaldelijk kwamen er ongelukken voor, en veelvuldige straffen werden er om uitgedeeld. Bij ons liep dan altijd de commandant als een razende stier op het halfdek te brullen en te schuimbekken. Eens dat het sein weer gedaan, de marszeilen gestreken en het volk op de raas uitgeënterd was, viel een arme kerel van de grootmarsra af overboord, onder weg, door met een schouder de rust te raken, zijn arm brekende. Ik zag, dat hij niet in staat was om te zwemmen, en bemerkende, dat hij zonk, sprong ik hem na en hield hem boven, tot er eene sloep kwam om ons op te visschen. Aangezien de zee kalm en de wind flauw was en het schip niet meer dan twee mijl liep, was het gevaar voor mij niet groot.Toen ik aan dek kwam, vond ik den commandant dol van woede, omdat door dit ongeluk het weder in top hijschen der marszeilen eenigszins vertraagd was en wij daarmede bij de andere schepen achterkwamen. Hij dreigde den matroos met een pak slaag, omdat hij overboordgevallen was en joeg mij met scheldwoorden van het halfdek af. Dit was toch even onbillijk tegenover ons beiden. Ik heb, zoolang ik in dienst ben geweest, vooral in de hoogere rangen, nooit zoo’n onaangenaam mensch meer bijgewoond.Kort daarop moesten wij naar Minorca om te victualieren, en daar trof ik, tot mijne groote vreugde, mijn eigen schip weer aan. Met een licht hart ging ik naar mijn oude boord terug, het vlaggeschip met vreugde verlatende. Zoolang ik bij hem aan boord was geweest, had de admiraal nooit een mond tegen mij opengedaan. Zoo zoude ik ook zeker het schip verlaten hebben, zonder door hem »goedendag” te zijn gewenscht, ware het niet geweest ter zake van een medepassagier, een grooten, hem toebehoorenden, hond. Zijn afscheidswoord, of, beter gezegd, het laatste, wat hij mij toevoegde, herinnert aan het geval van dien man, die blufte, dat de koning hem eens aangesproken had, en toen men hem vroeg, wat sire dan wel gezegd had, antwoordde: »Hij gelastte mij om uit den weg te gaan.”Ongeveer even vriendelijk ging het met den admiraal. Pompeï en ik stonden op de kampanje. Voor tijdpasseering had ik het beest een stuk leer toegestoken om op te knabbelen. Toevallig kwam de admiraal boven en dit ziende, vroeg hij, van wien de hond dit gekregen had? De stuurmansleerling wees op mij, waarop hij mij met zijn langen kijker dreigde en toevoegde: »Mijnheer, als gij ooit Pompeï weer een stuk leder durft geven, zal ik u van de campanje schoppen!”Dit is al, wat ik van den admiraal te zeggen heb, en tevens alles, wat de admiraal ooit tegen mij zeide.
De commandant van het fregat, waarop ik nu kwam, stond bij de zeemacht zoo goed aangeschreven, dat lord Collingwood bij voorkeur aan hem de meest vertrouwelijke zendingen opdroeg; zoo kregenwij de order om de Spanjaarden te helpen in hunne verdediging der gewichtige vesting Rosas in Catalonië. Hierboven is al met een enkel woord aangestipt dat de Fransche generaal St. Cyr die provincie was binnengetrokken en, eenmaal in het bezit van Figueras en Gerona, begeerige blikken sloeg op het kasteel Trinity, zuidoostwaarts gelegen, waarvan het bezit de voorloper van den val van Rosas moest zijn.
Mijn bevelhebber nam van die versterking de verdediging op zich, ofschoon eerst kort geleden die positie door een anderen zeeofficier, als onhoudbaar, was verlaten geworden. Hoewel ik slechts tijdelijk aan boord was, deed ik aanzoek om van de landingspartij te wezen en werd ik dienovereenkomstig medegezonden. Ter bestemden plaatse aangekomen, moest ik erkennen, dat de officier, die van de verdediging afgezien had, in mijne oogen nog zoo dom niet was. Het kasteel was niet veel meer dan een bouwval. Hoopen puin en houtwerk, gebroken affuiten en gesprongen kanonnen, schenen mij een zeer ongunstig slagveld toe. Het eenige voordeel, dat ik aan onze zijde kon opmerken, was: dat de bres, die onze aanvallers in een der muren geschoten hadden, te steil was voor beklimming en dat zij daarbij onder allerlei neerstortende steenen moesten bedolven worden, terwijl wij hen van alles naar het hoofdkondenwerpen. Daar hierop onze voornaamste kans gebouwd was, hadden wij slechts te beletten, dat de vijand de vóórwerken binnenkwam, die echter niet zeer veel te beteekenen hadden.
Tegenover dit voordeel stond een zeer ernstig nadeel. Het kasteel was gebouwd dicht bij den top van een steilen heuvel, waarvan het hooger gelegen deel in de macht was van den vijand, die zich hierdoor in hetzelfde horizontale vlak bevond met ons dak. Op die hoogte waren nu driehonderd Zwitsersche scherpschutters geposteerd, die, van achter aarden wallen op vijftig ellen afstand, een geregeld geweervuur op ons onderhielden. Elk hoofd, dat zich boven den muur blootgaf, was het doelwit voor wel twintig kogels tegelijk, en dezelfde onafgebroken hoffelijkheid betoonden zij ook aan onze sloepen bij hunne landing.
Op eenen anderen, meer Noordwaarts gelegen heuvel, dus meer landwaarts in, hadden de Franschen eene batterij van zesvierentwintigponders opgesteld. Die vroolijke buurman was slechts driehonderd el van ons verwijderd, en met uitzondering van den tijd, dien de stukken af en toe noodig hadden om te bekoelen, schoten zij door van zonsopgang tot zonsondergang. Ik had in mijne jonge jaren nooit kunnendenken, dat ik ooit zooveel kans zou loopen om tot eene zeef te worden geschoten, als zich hier in dit helsche kasteel aanbood. In werkelijkheid werden wij niet royaal behandeld, tegen zulk een macht waren wij niet bestand; maar onze bevelhebber was zeer onversaagd, en ik had gevraagd om mede te gaan, en dus nu geen recht van klagen. Het vuur, waaraan wij blootstonden, was zóó juist, dat wij na elk schot wel den steen konden aanwijzen, die bij het volgende getroffen zou worden, en herhaaldelijk werden er van onze manschappen gewond door splinters die van het graniet onzer muren afstoven, terwijl anderen, als patrijzen uit een vlucht, uitgepikt werden door de Zwitserschebataljonsop den nabijzijnden heuveltop.
Onze bezetting in het kasteel bestond uit honderd en dertig Engelsche matrozen en mariniers, eene compagnie Spaansche en eene andere, bestaande uitZwitsersche troepen in Spaanschen dienst. Nooit was eenige krijgsmacht slechter betaald en gevoed en beter beschoten geworden. Wij hokten allen onder elkaar; vuil, van de vlooien levendig stroo, diende ons voor ligging; ons eten was naar evenredigheid even fijn; doch de bevelhebber had het niets beter dan de minste man. Vechten kan somtijds een aangename bezigheid zijn, maar overdaad is in alles schadelijk of onaangenaam; en hier hadden wij er meer dan genoeg van, zonder den trouwen compagnon, een behoorlijk maal eten op zijn tijd. Mij blijft het onbegrijpelijk, hoe een man zijn dienst behoorlijk kan blijven doen, zonder goede voeding; maar hier was ik met menig ander gedwongen dit te beproeven, en wanneer, wat dikwijls gebeurde, de sloepen niet aan wal konden komen, werd er pro forma toch voor ons eten geluid, omdat de commandant van een geregelden dienst hield, en in dit geval vulden wij onze magen slechts met koud water.
Menigmaal had ik mijn ouden oom hooren zeggen, dat niemand weet wat hij kan, vóór hij het beproefd heeft. Nu, hier gaf de vijand ons overvloedig gelegenheid om proeven af te leggen in vernuft, werkzaamheid, waakzaamheid en onthouding. Toen de arme Penelope, zoo zegt de fabelleer, haar net weefde, ontrafelde zij des nachts het werk van den dag. Met ons gebeurde het omgekeerde: gedurende den dag werd al onze arbeid van ’s nachts weer vernietigd. Het nachtelijk duister werd gebruikt om de zandzakken te vullen voor het dichtmaken van eenige bres en voor het wegwerken van losse steenen, om opnieuw gereed te zijn ’s vijands vuur te weerstaan, dat van zons opkomst af stellig weerzou beginnen. Dergelijke bezigheden, afgewisseld door aanhoudend en waakzaam wacht doen tegen overrompeling, namen zooveel van onzen rusttijd af, dat er van slapen al heel weinig inkwam, en, zooals gezegd is, vorderden onze maaltijden ook niet veel.
Een onzer verdedigingsmiddelen was zeer oorspronkelijk en zou zeker een ingenieur aan ’t lachen gebracht hebben. De commandant liet van lange, grenen planken, die hij van boord ontbood, een soort van brugbedekking timmeren, die hij schuin af uit de bres liet hangen; deze liet hij met allerlei koksafval vet smeeren; konden nu de vijanden in onze stelling komen, dan moesten zij daarop springen en verdwenen met vliegende vaart langs dit hellende vlak in de droge gracht beneden, waar zij, omdat het eene aanmerkelijke valhoogte was, vrij onaangenaam gestemd aankwamen en veelal zouden hebben moeten wachten tot zij door of vanwege den dokter opgezocht werden; en als zij erg netjes beneden gekomen waren, stond het geheel aan hen, om hetzelfde nog eens te beproeven. Het was een soort van vernuftig uitgedachte muizenval; destijds gaven wij juist zooveel om het leven van een Franschman, als om dat van zoo’n kleinen nachtrustverstoorder.
Nog een ander kunstje was door ons verzonnen. Aan boord was eene groote voorraad vischhaken; deze werden overal geplant, waar verwacht kon worden, dat de vijand handen of voeten plaatsen zou. De bres zelf was ondermijnd, en de mijn geladen met bommen en handgranaten; geladen geweerloopen, tot aan de monding vol kogels, waren daarop gericht en op allerlei plaatsen vastgezet. Ziedaar onze verdedigingsmiddelen; in aanmerking nemende, dat wij in de drie weken, die wij nu op het kasteel waren, bij zulke kwade tegenkansen, slechts twintig man hadden verloren, zal men toestemmen, dat dit verwonderlijk was. Intusschen naderden wij eene oplossing.
Op een morgen, heel vroeg, was het mijne beurt van uitkijk. De laag mist, die in dat land ’s nacht tusschen de heuvels hangt en in de dalen bijna tot op den bodem drukt, was aan het opstijgen en verdunnen en boven ons hoofd begon de glans der sterren te verbleeken, toen ik over den kasteelmuur in de richting van de bres keek. De commandant kwam juist te voorschijn en vroeg mij, waar ik zoo heen staarde. Ik antwoordde, dat ik dit zelf niet goed wist; maar dat zich een ongewoon verschijnsel voordeed in het dal over de bres. Hij luisterde een oogenblik, keek scherp door zijnen nachtkijker, en riep toen in eensop zijn flinken toon, doch gedempt uit: »Onder de wapens!—Daar komen zij!”
Binnen drie minuten was iedereen op zijn post, en, ofschoon alles vlug in zijn werk was gegaan, was er geen tijd te verliezen, want toen reeds was de zwarte colonne van den vijand, zich als een slang door de vallei voortkronkelende, duidelijk zichtbaar. Met de dappere volharding, waarvoor Napoleons troepen zoo bekend waren, begonnen zij in stilte de bres te beklimmen. Het was een angstig en gewichtig oogenblik, maar de kalmte en beslistheid van het kleine garnizoen waren er tegen opgewassen.
Het bevel ging rond om goed te mikken, en eene volle laag van de verdekt opgestelde kanonnen en geweren werd op het dichtste gedeelte van den vijand gelost. Zij kwamen tot staan,—en allerlei verwarde kreten stegen tot ons op. In verwarring werd eenige passen teruggetrokken, toen weer standgehouden en opnieuw tot den aanval voorwaarts gerukt; van toen af aan werd van weerszijden het vuur geregeld onderhouden. De groote vierentwintigponder-batterij, en de nog dichter bij gelegen Zwitsersche keursoldaten vuurden mede onverpoosd op ons en moedigden met luide juichtonen hunne kameraden tot de bestorming aan. Toen zij naderden en boven onze mijn kwamen, werd de mijnlont ontstoken, en met een donderenden slag vloog een groot aantal de lucht in om weer met het puin neer te komen en daaronder begraven te worden. Gekerm, gezucht, verwarde stemmen, Fransche angstkreten en Engelsche hoerrah’s werden alle dooreen gehoord! De vreugdetonen der overwinnaars weerkaatsten van heuvel tot heuvel! Ruim bedeelden wij de aanvallers met handgranaten, en kegelden wij daarmede nog heele gelederen van de been. Ik moet erkennen, dat de Franschen zich flink hielden, ofschoon zij bij hoopen waren gevallen. Ik gilde van woede en opgewondenheid, en allen vochten wij als bulhonden, wel overtuigd, dat er geen kwartier gegeven zou worden.
Tien minuten had het vuren geduurd, menig dapper krijger had in ’t zand gebeten; het hoofd der aanvalscolonne was door de mijnontploffing gedood; toch was onder hen de orde weer hersteld, en toen de dag aanbrak, was de hoofdmacht weer halverwege de bres voorwaarts gerukt. Weder naderde ons, onder aanvoering van hunnen kolonel, een uitgezochte troep van duizend man over de lijken hunner gevallen kameraden.
De dappere aanvoerder scheen even koel en berekenend, alsof hij eene danspartij leidde; met uitgetrokken degen wees hij op de bres, en duidelijk hoorden wij zijn: »suivez moi!” Ik was jaloersch op dien held—jaloersch, dat hij een Franschman was, en ik smeet hem een brandende handgranaat tusschen de voeten. Hij raapte deze op en wierp haar een grooten afstand van zich.
»Kijk mij zoo’n bedaarden kerel eens!” zeide de commandant, die naast mij stond, »ik zal hem er nog een geven;” maar ook deze schopte de ander met evenveelsang froidals waardigheid van zich af. »Die man schijnt voor niets gevoelig te zijn, dan voor een ons lood in zijne ledige maag; het is jammer zoo’n kranigen vent te dooden, maar er zit niets anders op.”
Zoo zeggende, nam hij mij een geweer uit de handen, dat ik juist geladen had, mikte en vuurde; de vijandelijke aanvoerder wankelde, bracht de hand aan zijne borst en viel achterover in de armen van een zijner manschappen, waarvan eene partij de wapens neerlegde, en hem op hunne schouders namen, als onbewust van of onverschillig voor de slachting, die in hunne onmiddellijke nabijheid plaats vond. De kleine troep werd nu het doelwit van onze schutters; allen werden daarvan neergeschoten. De kolonel, opnieuw aan zichzelf overgelaten, kroop nog enkele passen verder, tot hij een klein boschje bereikte, geen tien el verwijderd van de plek, waar hij doodelijk gewond was. Hier viel hij neer; de degen, dien hij nog in de rechtervuist klemde, bleef tegen eene struik overeind en wees opwaarts, als toonde bij den weg, dien de geest van zijn heldhaftigen eigenaar gegaan was.
Met den dood van den kolonel ging de kans van dien dag voor de Franschen verloren. Wij zagen duidelijk, dat de overige officierenhun plicht deden, door woorden en voorbeeld hun manschappen vooruit zochten te drijven en voorgingen, maar alles was tevergeefs. Wij zagen hen eigenhandig hunne vluchtelingen doorsteken; doch ook dat bleef zonder uitwerking; voorloopig hadden zij van vechten genoeg. De eerste aandrang, het eerste vuur was bekoeld met den dood van hun aanvoerder, en langzamerhand werd het een algemeensauve qui peut, dat den aanval besloot en ons den tijd liet om adem te halen en onze dooden te tellen.
Zoodra de Franschen uit hunne batterijen bespeurden, dat de aanval mislukt, en de aanvoerder der onderneming gesneuveld was, vuurdenzij van daar nog eens duchtig op ons los. Ik stak mijn hoed op de punt mijner bajonet, boven den wal uit, en kreeg er in eene minuut tijds twintig kogelgaten in; gelukkig stak mijn hoofd er op dat oogenblik niet in.
Toen het vuren der batterijen ophield, wat nu en dan op gezette tijdstippen plaats vond, hadden wij gelegenheid om een onderzoek in te stellen naar het punt, waar wij aangevallen waren. Stormladders en lijken lagen in menigte daar ter plaatse. Al de gewonden waren medegedragen; in hunne grijze kapotjassen gekleed, lag daar tal van manschappen der Fransche keurbenden, als verbruikt kanonnenvleesch dooreen. Het was een treurig gezicht, die strijders van soms meer dan zes voet lang, die menigen grooten veldslag overleefd hadden, daar voor altijd onbewegelijk te zien!
De nachten waren koud, en ik nam mij in stilte voor een dier kapotjassen te bemachtigen en mijnen commandant de sabel van den gesneuvelden kolonel ten geschenke aan te bieden. Zoodra dus de duisternis ingevallen was, wandelde ik de bres uit en wist mij eerst meester te maken van een stormladder, die ik het kasteel binnenbracht. Zooveel voor den koning gedaan hebbende, ging ik een tweede maal uit om voor mijzelven te zorgen.
Het was toen juist pikdonker. Ik strompelde voort, tegen een hevigen stormwind in, die mij door groote stof- en kalkwolken bijna blind maakte; doch van den te volgen weg was ik volkomen zeker. Toch was het iets hyena-achtigs om in die duisternis mij te midden van zooveel dooden te bewegen, en er kwam een oogenblik, dat ik met afgrijzen aan mijnen toestand dacht. Tusschen de windvlagen in was het eene huiveringwekkende stilte, waarbij ik in de zwarte duisternis soms meende mijn angstig hart te hooren kloppen. Het is juist om zoodanige reden, dat ik weinig ingenomen ben met nachtelijke aanvallen; men kan zoo zelden ten volle op zijne manschappen staat maken; meestentijds mislukken zij, omdat zoo weinigen in het duister denzelfden moed bezitten als in het licht. Vrees en duisternis gaan altijd samen, de laatste verbergt de eerste en moedigt ze daarom aan.
Van het eene lijk naar het andere tastende, kroop ik behoedzaam voorwaarts. Bij het eerste lichaam, dat ik met de hand aanraakte, stolde mij bijna het bloed in de aderen. Ik voelde den ontvleesden elleboog van een grenadier, die door een handgranaat geveld was geworden. »Vriend,”zeide ik, »naar den aard van uwe wond te oordeelen, is aan uwe overjas niet veel meer aan.” Het naastvolgende voorwerp, dat ik bevoelde, had een beteren dood gehad. Een geweerkogel door het hoofd had hem van alle aardsche zorgen ontheven. Daar zijne erfgenamen niet bij de hand waren, maakte ik er geene gewetenszaak van, zijne kapotjas van hem over te nemen, wat nu nog niet eens heel gemakkelijk ging, omdat het lichaam koud en stijf was geworden.
Ik had nu evenwel mijn plan uitgevoerd, trok dadelijk mijn nieuw kleedingstuk aan en ging nu op ’s kolonels degen af; maar hier scheen mij een Franschman vóór te zijn geweest. De kolonel lag er nog, stijf en wel, doch zijn zwaard was niet te vinden. Juist was ik op het punt terug te keeren, toen ik weer een vijand ontmoette, ditmaal geen dood maar een levend exemplaar.
»Qui vive?” vroeg een zachte stem.
»Anglais, bête,” antwoordde ik zachtjes, en voegde er bij:»mais les corsaires ne se battent pas.”
»C’est vrai,” zeide hij, en daaropbonsoirbrommende, was hij spoedig verdwenen. Ik scharrelde naar het kasteel terug, gaf het wachtwoord voor den schildwacht en pronkte, zeer voldaan, met mijn groote overjas, die mij door velen zoodanig benijd werd, dat zij er ook eens op uitgingen om iets dergelijks te bemachtigen.
In enkele dagen tijds waren de lijken vóór de bres geheel geplunderd door allerlei nachtelijke bezoekers; dat van den kolonel bleef geëerbiedigd. De gebruiken van den oorlog, zoowel als die der menschelijkheid, brachten mede, dat het stoffelijk overblijfsel van dezen held eeneeervollebegrafenis toekwam; en onze bevelhebber, die de ridderlijkheid zelve was, droeg mij op om een witte vlag, als vredesein aan eene piek omhoog te steken en de lijken te gaan begraven, als de vijand dit toeliet.
Ik ging dus, vergezeld van eenige manschappen, met eene spade en een breekijzer naar buiten; maar de tirailleurs op den heuvel begonnen zoodanig op ons te vuren, dat er een onzer gewond werd. Ik keek naar den commandant, als om te zeggen: »moet ik doorgaan?” Hij wenkte met de hand om door te zetten, en ik begon naast een der dooden een graf te graven, waarop de vijand, mijn bedoeling ziende, het vuren staakte. Verscheidenen had ik nu reeds begraven, toen de commandant ook naar buiten en bij mij kwam, met plan om van de gelegenheid gebruik te maken om ’s vijands positie te verkennen.Hij werd van uit het fort herkend en men raadde spoedig zijne bedoeling.
Wij stonden nu bij het lijk van den kolonel, gereed om dit de laatste eer te bewijzen, toen de commandant een brillanten ring aan een der vingers ziende zitten, tot een der matrozen zeide: »Neem hem dat ding maar af; hij heeft er nu toch niets meer aan.” De man beproefde het, maar kon door de stijfheid van het lid, den ring niet op of neer krijgen. »Hij zal uw mes niet voelen”, zeide de commandant. »Arme kerel, een vinger meer of minder maakt weinig voor hem uit; snijd maar af.”
De matroos begon met zijn mes het vingerlid af te zagen, toen een vierentwintigponder, midden door onzen troep heenging, ’s mans schoen van den voet medenam, en een ander de spade uit de hand sloeg. »Nu, stop hem er maar snel onder!” zeide de commandant.
Zoo gezegd, zoo gedaan; daar kwam een tweede schot, niet zoo netjes gericht als zijn voorganger, maar de kogel beploegde den grond aan onze voeten en joeg ons het zand in de oogen. Men begon het ons warm te maken. Het volk werd nu gelast omnaarhet kasteel terug te trekken, waaraan dadelijk gevolg werd gegeven. De commandant zelf echter liet zich niet zenuwachtig maken: hij wandelde doodbedaard terug, onverschillig voor de hagelbui van geweerkogels, die ons thans door de Zwitsers werden toegezonden. Te meer was dit voor mij niet alles, omdat ik als adjudant denzelfden langzamen pas naast den bevelhebber moest houden, terwijl ik elk oogenblik een kogel achterin kon krijgen en het litteeken in dat geval nooit zou hebben durven vertoonen. Ik vond zoo’n begrafenispas, na den afloop der eigenlijke plechtigheid, allesbehalve noodzakelijk; maar mijn dappere commandant, die nog nooit voor de Franschen op de loop was gegaan, vond geene aanleiding om daar juist heden mede te beginnen.
Onder dergelijke opmerkingen had ik achter hem geloopen, en, toen er meer en meer schoten vielen, stapte ik wat door, kwam eerst naast hem en wilde hem toen tusschen mij en het vuur in brengen. »Kolonel,” zeide ik, »daar ik nog maar adelborst ben, stel ik veel minder prijs op de eer, dan u doet; wanneer het u dus hetzelfde is, zoude ik wel graag onder uwe lij willen blijven.” Hij lachte en zeide: »o, ik wist niet, dat gij nog hier waart; ik dacht, dat gij met de anderen waart medegetrokken; maar nu gij toch uit uw gewonen doen zijt, mijnheer Mildmay, zal ik u maar liever voor mijne beschutting doen dienen. Mijn leven heeft hiernog eenige waarde, doch het uwe slechts weinig, en ik heb slechts eene boodschap te zenden om in uwe plaats van boord dadelijk een anderen adelborst te krijgen: dus wees zoo goed, laat u een beetje zakken en doe voor mij den dienst van kogelvanger!”
»Zeker, sir”, zeide ik, »onmiddellijk”; en ik betrok den mij aangewezen post.
»Nu”, zeide de commandant, »als zij je soms te pakken hebben, dan zal ik u op de schouders nemen!”
Ik betuigde mijne erkentelijkheid voor zijne goede bedoeling en voor de eer, die mij wachtte; maar ik hoopte, toch dat ik hem dien last niet zou bezorgen. Of nu de vijand medelijden had met mijne jeugd en onschuld, of dat zij opzettelijk misschoten, weet ik niet; maar wel, dat ik zeer blijde was heelhuids in het kasteel aan te landen en genoegen zou hebben genomen met elken maatregel, die mij weer aan het meer comfortabele leven in de voorlongroom aan boord zou teruggegeven hebben. Alle menschelijke genoegens zijn toch maar betrekkelijk, en nooit werd ik hiervan beter overtuigd, dan door de gebeurtenissen bij dit gedenkwaardige beleg. Het geluk, en de welbekende lafhartigheid der Spanjaarden, verlosten mij spoedig uit dezen toestand; zij gaven de citadel over en daardoor werd het verder behoud van het kasteel nutteloos. Wij verlieten het dus zoodra mogelijk en trokken met de noodige haast op onze sloepen terug, waar wij, in weerwil van het tot ’t laatst volgehouden snelvuur der tirailleurs op den heuvel, behouden aankwamen en naar boord gingen.
Er was een merkwaardig iets bij voorgevallen. De Zwitsersche huurtroepen in Franschen en in Spaanschen dienst, dus vijandig tegenover elkander staande, vochten altijd met de grootste dapperheid en deden steeds hun plicht met onnavolgbare getrouwheid; doch, op zoo korten afstand geposteerd, en zoo veelvuldig met elkaar in aanraking komende, sloten zij onderling dikwijls een wapenstilstand van een kwartier, in welken tijd zij naar wederzijdsche vrienden onderzoek deden; dikwijls herkenden zij dan over en weer vaders, zoons of nauwe betrekkingen, die aan beide zijden strijd voerden. Nadat zij te zamen gelachen en grappen gemaakt hadden, werd de wapenstilstand weer opgeheven, en kort daarop mikten en vuurden zij weer, alsof zij volkomen vreemd aan elkander waren; maar, zooals ik vroeger al eens opgemerkt heb, was voor hen het oorlogen een beroep.
Van Rosas vertrokken wij nu weer, om ons met den admiraal bij Toulon te vereenigen; en, vernemende, dat eene batterij van zes metalen kanonnen, in de haven van Silva, kans had binnen weinige uren in handen der Franschen te vallen, liepen wij daar binnen en ankerden op pistoolschotsafstand daarvan. Zware gijnblokken werden nu op den top van elk der masten genaaid, daardoor stevige reepen geschoren en de einden daarvan den wal opgebracht, op de kanonnen gestoken en drie daarvan, één voor één met het spil naar boord opgedraaid. Het uiteinde was weer naar de batterij terug, om opnieuw opgestoken te worden, toen onze gasten aldaar door de Franschen overvallen werden en met verlies van één man, die gevangengenomen werd, naar den waterkant teruggejaagd werden.
De partij aan wal, niet sterk genoeg om weerstand te bieden, scheepte zich in met achterlating van eene sloep onder een heftig vuur van de Franschen, die zich intusschen achter steenen en rotsblokken opgesteld hadden. Dat vuur werd van boord goed en van tijd tot tijd ook met een zwaar schot beantwoord; maar zij hadden het voordeel van hunne stelling en bezorgden ons daardoor verscheidene gekwetsten. Met zonsondergang eindigde dit; toen kwam er van den wal een bootje door een Spanjaard geroeid en bracht een brief over van den kapitein, die de Fransche afdeeling commandeerde, aan onzen bevelhebber gericht. Die brief behelsde de beleefde groeten van den Franschen chef aan den onzen, »het speet hem, dat hij genoodzaakt was geweest ons overbrengen van de kanonnen te verhinderen, klaagde over het koude weer, en dat hij in zoo groote haast had moeten afmarcheeren, dat hem de tijd had ontbroken de noodige provisiën mede te nemen, en aangezien er altijd welwillendheid bestondentre braves gens,—of wij niet voor hem en zijne manschappen een kan of wat rum te missen hadden.”
Dit verzoek werd met een beleefd briefje en door den gevraagden sterken drank beantwoord. De Engelsche bevelhebber hoopte, dat de Fransche kapitein het zich zoo aangenaam mogelijk zou maken en eenbon repos mocht genieten. Doch onze commandant was van plan, den Franschman den drank te laten betalen, al was dit niet in klinkende munt; te één uur in den morgen zond hij de rekening in.
Het was op dat oogenblik stil als de dood; de Fransche wacht had zich verkwikt en was in het volle genot van des commandants zegening, toen deze ons de opmerking maakte, dat het toch zonde en jammerzou zijn, die eene sloep, die nog aan wal was te verliezen en de drie andere metalen vuurmonden achter te moeten laten;—hij stelde daarom voor een en ander te gaan halen. Vijf of zes der onzen ontkleedden zich, gingen zachtjes te water en zwommen zonder het minste leven te maken naar den wal. Het water was koud en benam mij zelfs korten tijd de ademhaling. Wij landden bij de batterij, verzekerden eerst onze sloep en kropen toen zachtjes naar de plaats, waar het eind van onzen reep nog naast de stukken lag. Onder het opsteken daarvan telden wij verscheidene Franschen, die er dicht-bij lagen, de wacht hielden, maar in diepen slaap waren.
Het zou ons gemakkelijk gevallen zijn hen allen te dooden, maar in aanmerking nemende, dat zij verkeerden onder den invloed van onze rum, verfoeiden wij een dergelijke inbreuk op de gastvrijheid. De meeste geweren echter, die zij naast zich neergelegd hadden, namen wij in bewaring, en, even stil als wij gekomen waren, klommen wij in de sloep, duwden af en roeiden naar boord terug met twee van de riemen. Het geplas daarvan deed enkelen der soldaten ontwaken, opspringen en met de hen overgebleven geweren op ons vuren. Hun aantal nam spoedig toe, want de schoten waren vele en juist, en daar het helder starlicht was en wij in onze naaktheid bijzonder in het oog vielen, hadden wij het hard te verantwoorden.
»Wegduiken,” zeide ik, »is nog geen wegloopen,” en zoo sprongen wij op twee man na, die de sloep moesten overbrengen, te water. Ik hield mij als een schildpad onder en kwam niet boven, vóór ik mijn hoofd tegen de scheepskoperhuid aanstootte; toen zwom ik den boeg rond en werd aan de van den vijand afgekeerde zijde opgepikt. Mijn commandant zou het nemen van dergelijke maatregelen van voorzorg zeker wel weer versmaad hebben, maar, ofschoon ik, evengoed als hij, mijn trots had, dacht ik met Falstaff, »dat bescheidenheid het beste deel van de dapperheid is,” vooral bij een adelborst.
De in de sloep achtergeblevenen brachten deze veilig aan boord. Dáár had men nauwelijks onze riemslagen gehoord, of lustig werden de spillen gedraaid en de kanonnetjes huppelden als kangoeroes de rotsen af. Spoedig waren zij te water nog vóórdat de Franschen een hak naar de reepen konden doen. Toen vuurden zij er op in de hoop hen stuk te schieten, maar ook dit mislukte. Wij bezorgden de kanonnen aan boord, gingen nog voor het aanbreken van den dag onder zeilen stuurden op de vloot aan, die wij kort daarna bereikten. Hier vernam ik, dat mijn eigen schip een prachtig gevecht met een vijandelijk fregat had gehad, dit had genomen, doch daarbij zooveel schade had bekomen, dat het tot herstelling naar huis was gezonden en reeds van Gibraltar naar Engeland onder weg was.
Ik had aanbevelingsbrieven, aan den schout-bij-nacht gericht, bij mij. Deze vlagofficier was de tweede in het bevel, en ik ging die papieren bij Z. H. Ed.Gestr. afgeven. De vlaggekapitein bracht ze in persoon bij hem binnen en het niet overhoffelijke antwoord aan mij terug, dat ik daar aan boord kon komen, als ik daartoe genegen was, en blijven totdat mijn eigen schip in het station teruggekeerd was. Daar dit nu in mijne kraam te pas kwam, was ik genegen; doch de wijze, waarop mij deze gunst ten deel viel, ontsloeg mij van de dankbaarheid daarvoor. De ontvangst was niet zooals ik die verwacht had, en waren het niet brieven van hooggeplaatste personen en vrienden van den schout-bij-nacht geweest, dan zou ik liever gebleven zijn op dat laatste fregat, waarvan de commandant nog al met mij ingenomen was. Dit werd echter niet toegestaan.
Gevolgelijk ging ik op het vlaggeschip over; wat ik daar aan boord eigenlijk doen moest, heb ik nooit kunnen vatten, tenzij het diende om er eene soort van menagerie compleet te maken; ik vond er althans tusschen de zestig en zeventig adelborsten. De meesten hunner waren nog slechts kort aan boord en hadden nog zeer weinig dienst gezien, althans vergeleken bij mij, die in den korten tijd, dat ik gevaren had, al reeds zooveel ondervinding had opgedaan. Zij luisterden dan ook met groote belangstelling naar de »stukjes”, die ik wist te vertellen, en waren allen brandende van verlangen om daartoe ook eens in de gelegenheid te komen. Talrijke aanvragen om overplaatsing, vooral aan boord van de fregatten, waren hiervan het gevolg, en daar de commandant begreep, dat ik hiervan de groote aanleiding was, werd ik er minder aangenaam om aangezien en kwam daardoor in geen goed blaadje te staan.
De commandant was een groote, scheefgevormde, breedgeschouderde man, met één dof oog, een paar dikke lippen en een weinig innemend voorkomen; hij droeg een paar zeer groote epauletten, was bijzonder lastig van humeur en, wanneer zijn drift werd opgewekt, waartoe niet veel noodig was, altijd heftig en schreeuwerig. Zijne stem had veel vanden donder, en, als hij aan het uitvaren was tegen de arme jonkers, deden dezen mij altijd denken aan dien zenuwachtige vogel, die bedwelmd door het oog eener slang, zijn vermogen verliest en het monster in den bek vliegt. Was hij erg verontwaardigd, dan had hij de gewoonte zijne schouders op en neer te bewegen, en dan klapperden bij die gelegenheid zijne epauletten als de ooren van een dravenden olifant. Als hij in de verte een puntje van zijn neusgewaar werdof het geluid van zijne stem hoorde, vloog elke adelborst, die niet noodzakelijk blijven moest, weg als een der landkrabben op een West-Indisch zeestrand. Hij had het bijzonder op mij voorzien, vond altijd eene of andere aanmerking te maken en sprak schimpend over mij als: »die fregatsjonker.”
Verbitterd door zijn onrechtvaardige handelingen, antwoordde ik eens op een brutale wijze op eene dergelijke aanduiding, en wanneer de schout-bij-nacht het niet verhinderd had, zou hij mij daarvoor op het halfdek lichamelijk afgestraft hebben; deze echter gaf te kennen, dat hij voor jonge officieren volstrekt geen voorstander van kastijding was. Dit redde mij voor het oogenblik; doch een aangenamer leven aan boord kreeg ik er niet door.
Onder de gewone excercitiën op de vloot behoorde ook het op alle schepen te gelijk, op sein van den admiraal, met zonsondergang reven der marszeilen. Bij die gelegenheden was er altijd veel wedijver om daarmede het eerste gereed te komen. Soms ging het er ruw bij toe; herhaaldelijk kwamen er ongelukken voor, en veelvuldige straffen werden er om uitgedeeld. Bij ons liep dan altijd de commandant als een razende stier op het halfdek te brullen en te schuimbekken. Eens dat het sein weer gedaan, de marszeilen gestreken en het volk op de raas uitgeënterd was, viel een arme kerel van de grootmarsra af overboord, onder weg, door met een schouder de rust te raken, zijn arm brekende. Ik zag, dat hij niet in staat was om te zwemmen, en bemerkende, dat hij zonk, sprong ik hem na en hield hem boven, tot er eene sloep kwam om ons op te visschen. Aangezien de zee kalm en de wind flauw was en het schip niet meer dan twee mijl liep, was het gevaar voor mij niet groot.
Toen ik aan dek kwam, vond ik den commandant dol van woede, omdat door dit ongeluk het weder in top hijschen der marszeilen eenigszins vertraagd was en wij daarmede bij de andere schepen achterkwamen. Hij dreigde den matroos met een pak slaag, omdat hij overboordgevallen was en joeg mij met scheldwoorden van het halfdek af. Dit was toch even onbillijk tegenover ons beiden. Ik heb, zoolang ik in dienst ben geweest, vooral in de hoogere rangen, nooit zoo’n onaangenaam mensch meer bijgewoond.
Kort daarop moesten wij naar Minorca om te victualieren, en daar trof ik, tot mijne groote vreugde, mijn eigen schip weer aan. Met een licht hart ging ik naar mijn oude boord terug, het vlaggeschip met vreugde verlatende. Zoolang ik bij hem aan boord was geweest, had de admiraal nooit een mond tegen mij opengedaan. Zoo zoude ik ook zeker het schip verlaten hebben, zonder door hem »goedendag” te zijn gewenscht, ware het niet geweest ter zake van een medepassagier, een grooten, hem toebehoorenden, hond. Zijn afscheidswoord, of, beter gezegd, het laatste, wat hij mij toevoegde, herinnert aan het geval van dien man, die blufte, dat de koning hem eens aangesproken had, en toen men hem vroeg, wat sire dan wel gezegd had, antwoordde: »Hij gelastte mij om uit den weg te gaan.”
Ongeveer even vriendelijk ging het met den admiraal. Pompeï en ik stonden op de kampanje. Voor tijdpasseering had ik het beest een stuk leer toegestoken om op te knabbelen. Toevallig kwam de admiraal boven en dit ziende, vroeg hij, van wien de hond dit gekregen had? De stuurmansleerling wees op mij, waarop hij mij met zijn langen kijker dreigde en toevoegde: »Mijnheer, als gij ooit Pompeï weer een stuk leder durft geven, zal ik u van de campanje schoppen!”
Dit is al, wat ik van den admiraal te zeggen heb, en tevens alles, wat de admiraal ooit tegen mij zeide.
Achtste hoofdstuk.Tijdens ik aan boord van het vlaggeschip diende, ondergingen er twee man voor muiterij de doodstraf. Dit schouwspel was voor mij meer treffend, dan ik er ooit een bijgewoond had. Wanneer wij aan walvan een doodvonnis hooren spreken, dan brengen wij dit onwillekeurig in verband met een gepleegde vreeselijke misdaad. Bij den dienst ter zee is dit echter geheel anders; wat de krijgswetten een ernstig misdrijf noemen, is vaak niet veel anders dan eene handeling in de eerste opwelling van drift en meestal zeer ondoordacht gepleegd, en hoogst onbeduidend; daden, in één woord, die dikwijls niet gepleegd zouden zijn bij tijdige fermiteit en menschkundig toezicht van de meerderen.De schepen hadden maanden en maanden op zee gekruist, en er bestond evenmin vooruitzicht tot behoorlijk werk, als tot terugkeer in eene haven. Inderdaad kan niets op den duur vervelender en eentoniger zijn, dan het al kruisende blokkeeren eener kust, dat is, wanneer alle schepen gebruikt worden tot het sluiten der havens en het bewaken van den vijand. Van de blokkeerende zeemacht zijn de fregatten nog het beste af: lichter, kleiner, handiger in hunne bewegingen, worden zij, ook om hun minderen diepgang, meer voor kleine schermutselingen en soms ook aanvallenderwijze gebezigd. Op die fregatten is het leven dan ook veel meer afwisselend dan aan boord van de linieschepen. Nadat het een tijdlang gesmeuld had, sloeg op het vlaggeschip, waarvan ik hierboven gesproken heb, eene ernstige misnoegdheid onder de mindere schepelingen tot oproer over. Natuurlijk was men dit spoedig meester; de belhamels werden voor den zeekrijgsraad gebracht, en twee hunner veroordeeld om aan de nokken eener ra van hun eigen schip opgehangen te worden, totdat de dood er op volgde. Twee dagen nadat het vonnis was uitgesproken, zoude het worden uitgevoerd.Bij ons werden die krijgsraden altijd met de grootste plechtigheid gehouden en werden alle vormen stiptelijk in acht genomen om van de hoogsten in rang tot de minsten toe, een diepen indruk te maken. Te acht uren des morgens valt van het schip, waar een krijgsraad vergadert, een kanonschot en is de krijgsraadvlag aan den bezaansmast geheschen. Bij gunstig weder is het schip dan in zeer netten staat gebracht; de dekken zijn sneeuwwit geschuurd en vertoonen geen vlekje; de kooien zijn met zorg in de verschansingen gestuwd; het tuig is vierkant gebrast en het touwwerk stijfgehaald, zoodat nergens een los eind of eene bocht daartusschenin zichtbaar is; de kanonnen staan volkomen gericht tegen boord, en aan dek staat eene wacht van mariniersonder bevel van een luitenant gereed, om elk lid van den krijgsraad bij zijn komen aan boord, met de noodige, aan zijn rang verbonden eerbewijzingen te ontvangen. Vóór negen uren is de vergadering voltallig vereenigd in de kerk of in eene der kajuiten, waar in het midden eene lange met een groen kleed bedekte tafel gereed is. Voor elk der leden ligt papier, pen en inkt en de reglementen en de wetboeken liggen onder hun bereik. Nadat nog een schot gevallen en daarvan den voorzitter kennis is gegeven, opent deze de zitting. Aannemende, dat nu alle onderzoek vooraf heeft plaats gevonden, leest de secretaris de verschillende verhooren voor, en wordt den leden één voor één afgevraagd, of naar hunne meening voldoende licht over de zaak is verspreid, dan of zij het wenschelijk achten nog meer getuigen in verhoor te nemen. Wanneer op de eerste vraag een algemeen bevestigend, op de tweede een ontkennend antwoord gevolgd is, worden de beschuldigden, tusschen mariniers, door den provoost binnengeleid en aan de linkerzijde van den fiskaal, die aan het einde van de tafel gezeten is, geplaatst. Het hof wordt daarop herinnerd aan den te voren afgelegden eed: om onpartijdig recht te spreken en geene der mogelijk bestaande verzachtende omstandigheden uit het oog te verliezen. Na deze toespraak nemen de leden weder plaats.Alle stukken en verklaringen worden dan opnieuw den beschuldigden voorgehouden en hun afgevraagd, of zij tegen het getuigde of tegen de getuigen ook bezwaren hebben. Zij verhalen van hunne zijde opnieuw het gebeurde. Brengen zij iets bij tot hunne eigene bezwaring, dan maakt het hof hen hierop opmerkzaam, onder de vriendelijke mededeeling: »wij verlangen van u geen getuigenis tegen uzelf, maar behandelen alleen wat anderen u ten laste kunnen leggen.” Den arrestant wordt alle mogelijke hulp aangeboden. Is zijne verdediging afgeloopen, dan wordt hij in arrest teruggebracht en maakt zijne verklaring opnieuw een punt van beraadslaging uit, in verband met de getuigenverhooren en de vertrouwbaarheid der gehoorde getuigen. Wanneer dit afgeloopen is, geeft de fiskaal de wetsartikelen op, waartegen in dit geval gezondigd is geworden, en wordt in omvraag gebracht, bij het jongste lid van den krijgsraad te beginnen, ten eerste: »Zijn deze artikelen op het gepleegde feit toepasselijk?” en ten tweede: »Is het bewezen of niet bewezen, dat de arrestant schuldig is?”Wanneer allen hunne stem hebben uitgebracht, is de meerderheid vanslechts ééne voldoende voor het »schuldig” of »niet schuldig”. De volgende vraag behelst: (nl. bij muiterij, desertie of andere kapitale misdaad) »Zal de straf zijn: laarzen, of de dood?” Weer vindt de stemming op dezelfde wijze plaats.Stemt de meerderheid voor de straffe des doods, dan wordt daartoe door den fiskaal het vonnis geslagen en dit stuk door alle leden geteekend. Thans worden alle deuren geopend, de beschuldigde opnieuw binnengeleid; eene akelige stilte heerscht door het geheele schip, de krijgsraadsleden dekken het hoofd en zitten neder. Luid en indrukwekkend klinkt de stem van den fiskaal, die het vonnis leest; de gevangene wordt aan den provoost-geweldiger overgegeven, en deze bewaakt hem verder tot aan de executie.Tegen drie uren in den namiddag ontving ik een verzoek van een der op dien morgen bij ons veroordeelden om bij hem te komen, daar hij mij wenschte te spreken. Ik volgde den korporaal naar het vertrek, waarin de beide mannen, met ijzeren boeistangen aan de voeten, waren opgesloten. Zij waren op ledige granaatkisten gezeten, en hun middagmaal stond nog onaangeroerd voor hen; een van beiden weende bitterlijk; de ander, Strange geheeten, was zichzelf meer meester, ofschoon zeker niet minder aangedaan. Deze man scheen in zijn jeugd eene zeer goede opvoeding genoten te hebben, doch, daar hij nog al onstuimig van aard was, had hij eene verkeerde richting ingeslagen, en was, om van eene ernstige bestraffing vrij te komen, zijnen vrienden ontloopen en later op een oorlogsschip verdwaald. In dezen toestand had hij aan boord nog veel tijd kunnen vinden om na te denken en boeken te lezen; dit had zijne stemming niet verbeterd, hij had zich van zijne makkers meer en meer teruggetrokken en zat, wanneer anderen vroolijk waren, alleen te mokken; niet onwaarschijnlijk had zijne ontevreden stemming hem medegesleept in het komplot van muiterij, waarvoor hij nu op het punt stond zijne straf te ondergaan.Hij verontschuldigde zich over de vrijheid, die hij genomen had om mij bij zich te roepen, maar hij zoude mij niet lang ophouden. »Gij ziet, sir,” zeide hij, »dat mijn arme vriend hier geheel ontdaan is door zijnen afgrijselijken toestand; dit kan u niet verwonderen. Hij staat toch lang niet gelijk met de verharde misdadigers, die aan den wal ter dood worden gebracht: wij zijn geen van beiden bevreesd om te sterven; maar een dood, zooals deze, Mr. Mildmay, om, ten voorbeeld van de vlootals honden opgehangen te worden en eene schande voor onze vrienden en betrekkingen te zijn,—dit verscheurt ons het hart! Het is op grond hiervan, en om het gevoel mijner arme moeder te sparen, dat ik om u heb gezonden. Ik zag u overboord springen om een armen kerel van verdrinken te redden: daarom rekende ik, dat uw goed hart ook voor een anderen ongelukkige in de bres zou willen springen. Ik heb mijn uitersten wil gemaakt, en u tot uitvoerder benoemd; en met deze volmacht zult gij al mijne achterstallige gage en mijne prijsgelden in ontvangst kunnen nemen. Gij zult, hoop ik, een en ander wel aan mijne dierbare moeder willen doen toekomen; het adres heb ik hier bij geschreven. Mijn hoofddrijfveer is, dat zij nooit de geschiedenis van mijnen dood moge vernemen. Gij kunt haar zeggen, dat ik in ’s lands belang ben gestorven, en dat is waar, want ik erken de rechtvaardigheid van mijn vonnis en de noodzakelijkheid dat er een streng voorbeeld wordt gesteld. Ik ben nu elf jaren uit Engeland; dien geheelen tijd heb ik eerlijk en trouw gediend; slechts in dit ééne geval heb ik mij misdragen. Ik geloof, dat onze goede koning, als hij mijne treurige geschiedenis kende, wel gratie zou verleenen; maar Gods wil geschiede! Maar één wensch zoude ik graag vervuld zien, en die is, dat nog heden nacht ’s vijands vloot naar buiten mocht komen en dat ik dan sterven mocht zooals ik geleefd heb, in de verdediging mijns vaderlands. Maar master Mildmay, nog eene gewichtige vraag ligt mij op de lippen:—gelooft gij, dat er een leven hier namaals bestaat?”»Zeer zeker,” zeide ik, »ofschoon velen leven alsof zoo iets niet bestond. Maar waarom twijfelt gij?”»Omdat,” antwoordde de arme kerel, »eens, toen ik nog officiersbediende was en achter tafel de wacht had, er gasten waren, onder welken de commandant van een korvet. Deze, ik weet niet hoe het te pas kwam, beweerde toen, dat dit alles nonsens was,—dat er geen leven na dit leven bestond en dat de Bijbel een samenraapsel van leugens was. Van dien tijd af heb ik mij nooit gelukkig gevoeld.” Ik zeide hem, dat het mij zeer speet te hooren, dat ooit eenig officier dergelijke uitdrukkingen, en dan vooralin zijn bijzijn, had gebezigd; dat ik mijzelf niet in staat gevoelde, hem zijne gemoedsrust weer te geven; maar beloofde hem den geestelijke van boord toe te zenden, die hem wel zou weten op te wekken en te vertroosten. Hij bedankte mij hiervoor, en verklaarde nog in zijne laatste oogenblikken, dat hij hierdoor veel troost had gevonden.»En nu mijnheer,” zeide hij, »laat ikunog een raad geven. Wanneer gij eens commandant zijt geworden, drijf dan niet, uit overdreven zorg voor een net en goed geoefend schip, uwe bemanning tot wanhoop,—tot muiterij. Zindelijkheid en goede orde worden door alle schepelingen op prijs gesteld; maar dat eeuwige schrobben, blank schrabben en poetsen van ijzeren nagels en ringbouten, staat op den duur een matroos meer tegen dan een dozijn slagen, hem op den bak toegediend. Als met het reven van de marszeilen uw schip eens eene enkele maal eene minuut achteraan komt, geef daar niet om, zoolang uwe zeilen goed gereefd zijn en een harden windstoot kunnen verdragen. Menig zeil scheurt, wanneer er slecht gereefd is, menig goed zeeman is het slachtoffer geworden van die laakbare overhaasting, die bij de marine zooveel kwaad heeft gedaan. Wat kan wreeder en onrechtvaardiger zijn dan dat de man, die het laatst van de ra inlegt, met slaag gestraft wordt? Hij toch is uit den aard der zaak de meest waakzame en kan gewoonlijk niet vlugger zijn, als hij zijn nek te lief heeft om die te breken; maar bovendien altijd tochmoeter een de laatste zijn. Wees verzekerd mijnheer, »dat, wat haastig verricht wordt, zelden goed wordt gedaan.” Maar ik heb u reeds te lang opgehouden. God zegene u, mijnheer, denk aan mijne arme moeder, en morgen ziet gij mij nog éénmaal vóór op den bak terug.”De noodlottige morgen brak aan. Het was acht uren. Het schot viel,—het sein van de strafoefening woei van top. De arme veroordeelden gaven een diepen zucht, en riepen uit: »De Heer zij ons genadig!—onze aardsche werkkring en zorgen zijn bijna ten eind!” De provoost kwam binnen, opende het slot van de boeistang, schoof de voetboeien af en gelastte aan de daarvoor gereedstaande mariniers de gevangenen op het halfdek te brengen.Hier was een tooneel, waarvan ik het haast niet waag de plechtigheid te beschrijven. Het weer was helder, de lucht zonder wolken; aan boord van alle schepen waren de bramraas gekruist; de vlaggen waren geheschen; overal was de bemanning in het Zondagsch tenue gekleed en stond, aan de naar ons schip toegekeerde zijde, opeengepakt in het want; eene wacht, van mariniers onder de wapens, stond overal aan weerszijden op de loopplank; bij ons aan boord echter waren zij op het halfdek aangetreden. Van elk schip lagen langs onze zijde twee sloepen op de riemen, met eene luitenants- en korporaalswacht met de bajonettenop. De schrille fluitjes van den bootsman en zijne maats deden zich boven elk luik hooren en riepen »alle hens op” tot het bijwonen der executie.Men hoorde het vlugge getrappel der voeten van het volk, dat zich naar boven spoedde, doch geen woord werd er gesproken. De veroordeelden stonden midden op het halfdek, terwijl de commandant het vonnis van den krijgsraad en het fiat tot de tenuitvoerlegging voorlas. Toen de toepasselijke gebeden en psalmen, met veel gevoel door den geestelijke waren voorgedragen, werd den armen gevangenen afgevraagd, of zij gereed waren; beiden antwoordden bevestigend, doch verzochten een glas wijn, dat hun onmiddellijk gebracht werd. Onder eene eerbiedige buiging voor den commandant en de officieren ledigden zij dit.De admiraal kwam niet te voorschijn, daar dit zoo bepaald is; de gevangenen verzochten echter hem hunne dankbare en eerbiedige groeten over te brengen; daarna verzochten zij den commandant en de officieren de hand te mogen drukken en toen om de equipage eenige woorden toe te spreken. Op last van den commandant kwam daartoe de bemanning »voor den boeg.” De grootste stilte heerschte en aller oogen waren vochtig.William Strange, de man, die om mij gezonden had, sprak toen met eene duidelijke stem:—»Kameraden, luistert naar de laatste woorden van iemand, die gaat sterven. Wij zijn hier gebracht door het aanstoken van eenigen, die nu hier veilig onder de menigte staan. Zij hebben ons bedrogen, en wij zullen de slachtoffers zijn van de gerechte wraak der wet. Indien gij geslaagd waart in het schandelijke, door u gesmede complot, wat zouden dan wel de gevolgen zijn geweest? Ondergang voor uzelf en voor uwe familiebetrekkingen; eene schande voor uw vaderland; en de verachting van diezelfde vreemdelingen, aan wie gij voornemens waart het schip over te leveren. Dankt God! het is u niet gelukt. Laat ons lot u ter waarschuwing zijn, en tracht door uwe verdere daden uw berouw te toonen voor uwe vroegere handelingen. En nu, sir,” voegde hij er, zich tot den commandant wendende, bij, »wij zijn gereed.”Deze schoone aanspraak, uit den mond van een gewoon matroos, zal ongetwijfeld den lezer evenzeer verwonderen, als hij dit destijds den commandant en de officieren van het schip deed. Maar Strange was,zooals ik hierboven reeds vermeldde, geen alledaagsche man; hij had alle voordeelen eener goede opvoeding genoten, en zooals verscheidenen der belhamels van de muiterij op de Nore, was hij gebracht tot de dwaling om gehoorzaamheid te weigeren, uit inbeelding van geboren te zijn tot bevelen.Toen alles gereed was, gaf de commandant, door met een witten doek te wuiven, een sein en binnen weinige oogenblikken hadden de ongelukkigen opgehouden te leven. Na een uur werden hunne lijken gekist en aan den wal ter aarde besteld.Bij mijne aankomst in Engeland, negen maanden later, vervulde ik mijne belofte en betaalde aan de moeder van William Strange meer dan vijftig pond aan gage en prijsgeld uit. Ik verhaalde aan de arme vrouw, dat haar zoon als een Christen gestorven was en voor het welzijn van zijn land het leven liet. Toen ik dit gezegd had, nam ik een haastig afscheid, bevreesd, dat zij mij uitvragen zou.Maar laat mij nu tot een vroolijke tafreel overgaan. Ter eere van de Engelschen, werd op Minorca een groote carnaval-maskerade gegeven. Ik had een zotskap opgezet en mij verder onkenbaar gemaakt en ontmoette daar verscheidenen mijner medeofficieren. Het was een zonderling gezicht al die dwaas uitgedoste groepen zoo dooreen te zien dwalen. De admiraal, de schout-bij-nacht, de meeste hoofd- en andere officieren van de vloot waren aanwezig. De plaats van samenkomst was ongeveer eene mijl buiten de stad gelegen.Daar ik eene zotskleeding gehuurd had, besteeg ik ook den daarbij passenden viervoeter—een ezel, en reed af onder het gejuich van wel duizend havelooze straatslijpers. Bij mijne aankomst maakte ik allerlei dwaze sprongen, die er zoo bij behooren en verzon allerlei grappen. De wijze, waarop ik mijne rol speelde, bezorgde mij spoedig eenige omstanders. Ik sprak nooit den admiraal of eenig hoofdofficier aan, dan wanneer hij het eerst iets tegen mij gezegd had, en dan verkocht ik eenige toepasselijke hatelijkheid, welke mij niet zeer moeielijk viel, omdat ik de meeste karakters kende en wist wat er alzoo op de verschillende schepen omging. Eén vroeg mij, of ik niet op zijn schip dienst wilde nemen. »Neen”, antwoordde ik, »gij zoudt mij al te gauw drie dozijn laten toedienen, omdat ik mijn kooi niet behoorlijk gesjord had.” »Ga maar met mij mede,” zeide een ander. »Dank je,” was mijn antwoord,»bij u is het schellekoord te kort;—gij kunt er niet bijkomen om nog een flesch wijn te bestellen, vóór al de officieren van tafel opgestaan zijn.” Weer een ander beloofde mij eene minzame behandeling en overvloed van wijn. »Ik moet er niets van hebben,” zeide ik. »Op uw schip zou ik zoo te veel zijn als de steenkolen bij Newcastle; bovendien is bij u de koffie te slap; uw hofmeester zet van één ons zes kopjes.”Al die zetten gaven veel vroolijkheid onder de omstanders, en zelfs de admiraal verwaardigde zich mij glimlachend toe te knikken. Ik boog eerbiedig voor zijne lordschap, die daarop zeide: »Wel zot, wat verlangt gij wel van mij?” »O niemendal, mylord,” antwoordde ik; »ja, ik heb toch een kleine gunst van U te vragen.” »Spreek op,” zeide de admiraal. »Alleen maar om mij kolonel, commandant van een schip, te maken, mylord.” »Neen, neen,” was het antwoord, »wij maken nooit gekken tot commandant.” »Niet!” zei ik weer, op eene onbeschaamde wijze mijne armen over de borst kruisende, »dat is dan zeker eene geheel nieuwe bepaling. Van wanneer dateert die?”De goedaardige oude chef lachte hartelijk om dit staaltje van brutaliteit; maar de commandant van mijn vorig schip gevoelde zich er door beleedigd. Hij wist mij uit te vinden en klaagde mij bij mijn eigen bevelhebber aan; maar deze lachte hem uit, zeide, dat hij het een aardige grap vond, en noodigde mij bij zich te dineeren.Ons schip kreeg last om naar Gibraltar te stevenen, dat wij spoedig bereikten; daar vonden wij een post van Engeland en ontving ik brieven van huis, waarvan een den dood mijner dierbare moeder behelsde. O, hoe kwam mij bij die tijding al het verdriet voor den geest, dat ik haar al zoo had aangedaan; welke gewetenswroegingen over al mijne slechte streken bestormden mij toen; hoe duidelijk stond mij het laatste oogenblik, dat ik haar gezien had, voor oogen! Nooit had ik kunnen denken, dat ik haar verlies zoo diep zou gevoelen. Mijn vader schreef, dat zij in hare laatste oogenblikken nog het grootste belang in mijn welvaren had gesteld. Zij had hare vrees te kennen gegeven, dat de betrekking mijner keus niet bevorderlijk kon wezen aan het heil mijner ziel, hoe veelbelovend die ook zijn mocht voor mijn tijdelijk voordeel. Hare laatste aanbeveling aan mij, op haar sterfbed geuit, was, nooit de zedelijke en godsdienstige beginselen, waarin zij mij opgevoed had, te vergeten; met hare laatste zegening smeekte zij mij trouw mijnBijbel te lezen en dien als mijn richtsnoer door het leven te beschouwen.Mijns vaders brief was ook een ernstig beroep op mij, waarin eene groote genegenheid doorstraalde; nooit in mijn verdere leven is zoo met gunstigen uitslag als toen op mijn gevoel gewerkt geworden. Ik zonderde mij af met een hoofd dat haast barstte, een hart dat bijkans gebroken was. Een terugblik op mijn voorbijgegaan leven gaf mij geene kalmte. De talrijke daden van slechtheid of trots, van wraakneming of misleiding, waaraan ik mij meermalen bezondigd had, ruischten door mijn gemoed, als de stormwind door het tuig, en wekten de droefgeestigste en ernstigste overdenkingen in mij op. Hoe menigmaal had ik reeds in het grootste levensgevaar verkeerd! Hoe zou het met mij gevaren zijn, als ik niet altijd goed daar doorheen was gekomen? Ik sidderde bij die gedachte, want sinds ik aan de moederlijke zorg onttrokken was, kon ik mij geen enkele deugdzame daad, uit een zuivere bron ontsproten, te binnen brengen.Te twaalf uren dien nacht, vóór het mij gelukt was een oog te luiken, werd ik voor de hondenwacht (van twaalf tot vier uren) gewekt. Daags te voren hadden wij een kwartiermeester, Quid bijgenaamd, begraven. Quid had zich doodgedronken, wat in den zeedienst nog al eens voorvalt. Iemand die sterft, ten gevolge van onmatigheid, heeft gewoonlijk reeds een verwoestlichaam; zijn lijk gaat, vooral in een warm klimaat, snel tot ontbinding over. Kort na den dood van Quid bleek de noodzakelijkheid tot eene spoedige begrafenis. Zijn lichaam werd in een hangmat genaaid; en daar het schip in diep water ten anker lag en er een flinke stroom de baai rondliep, terwijl bovendien de meeste sloepen van boord naar de werf waren, liet de eerste officier een paar kogels aan het voeteneinde vastmaken en, na het voorlezen van den lijkdienst, het lijk bij den valreep overboord zetten.Na het overnemen der wacht liep ik in een gedrukte gemoedsstemming het halfdek op en neer, ernstig nadenkende over allerlei teksten uit den Bijbel, dien ik zeker in geen twee jaren ingekeken had, toen mij in eens de dood van Quid te binnen schoot, en de schoonheid van den lijkdienst, dien ik over hem had hooren voorlezen—»ik ben de opstanding en het leven.” De maan, die eenigen tijd geschuild had, brak eensklaps door de wolken en te gelijk hoorde ik een angstkreet van den uitkijk op stuurboordsloopplank. Ik ging naar de reden daarvan onderzoek doen on vond den man in zulk een staat van zenuwachtigeontroering, dat hij niet anders kon uitbrengen dan: »Quid! Quid!” daarbij overboord wijzende.Ik keek in die richting en daar zag ik inderdaad het lichaam van Quid terug, in zijn kooi gepakt, rechtstandig, met hoofd en schouders er buiten, zachtkens in het water op en neer gaande, bewogen door een lichte uit zee opgekomen deining, die mede het hoofd scheen in beweging te brengen; het maanlicht bescheen zelfs het onder water stekende gedeelte van het lichaam. Eenige oogenblikken lang gevoelde ik mij onder den indruk van een onbeschrijfelijken afschuw en aanschouwde in angstig stilzwijgen het voorwerp; mijn bloed was ijskoud en ik verbeeldde mij, dat de schrik mijne haren overeind gejaagd had. Het verschijnsel had mij geheel verrast, en ik dacht een oogenblik, dat het lichaam weer opgestaan was als eene waarschuwing voor mij; spoedig kwam ik weer tot bezinning en werd mij de oorzaak van de wederverschijning van het lijk duidelijk. Ik liet de barkas op zijde komen en er in gaan, en ging onderwijl zelf omlaag om den eersten officier het gebeurde mede te deelen. Hij lachte en zeide: »Ik houd het er voor, dat de oude jongen het zoute water niet zoo smakelijk vindt als den grog. Maak nog wat meer ballast aan zijn voeten vast en laat hem naar zijn oude peilingen terugkeeren. Zeg hem, dat hij daar zijn anker maar laat vallen en niet meer tegen ons aanzwaait.” Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en viel weder in slaap.Dit schijnbaar vreemde geval is gemakkelijk te verklaren. Lichamen in ontbinding geven aanleiding tot de vorming van gassen, waardoor zij in omvang belangrijk toenemen en in gisting geraken. Het lijk van dezen man was overboord gezet, toen het ontbindingsproces reeds begonnen was; voor het oogenblik was de ballast, dien men aan de voeten had vastgemaakt, voldoende geweest om het te doen zinken, doch enkele uren later was die niet zwaar genoeg meer om het beneden te doen blijven. Hierdoor kwam het in de door mij beschreven houding, rechtstandig weer naar boven. Daar de stroom in de helft van den tijd, sedert de plechtigheid verloopen, gekenterd en nu zeer zwak was, dreef het nagenoeg juist op de plek, waar het te water was gelaten.De sloep stak van boord met nog een paar kogels, om voor meerderen ballast te dienen en op die wijze het lijk te laten zinken. Toen men beproefde er met den sloepshaak vat op te krijgen, week het af en draaide steeds rond, of dook onder water en kwam dan weer naar boven, alsofhet een dartel spelletje was. Maar het toeval bespaarde hier verdere moeite; de man bij den haak, die door zijne makkers geplaagd werd, dat hij Quid zelfs na zijn dood nog niet aandurfde, werd boos en stak met den haak met zooveel kracht naar het lijk, dat hij eene opening in den buik maakte, waardoor het samengeperste gas met veel geluid ontsnapte, en het lichaam verder als een baksteen zonk. Over dit voorval werden nog al grappen verkocht, doch ik was niet in eene stemming om daarin mede te doen; en vóór de wacht om was, had ik het stellige plan opgevat om naar huis terug te gaan en den dienst vaarwel te zeggen, daar ik geene kans zag aan de laatste wenschen van mijne moeder te voldoen indien ik bleef, waar ik was.Den volgenden morgen verzocht ik den commandant te mogen spreken en deelde hem mijn verlangen mede, niet om den dienst te verlaten, maar om voor dringende familiebelangen naar huis te gaan. Wat de noodzakelijkheid hiertoe betrof, had ik evengoed kunnen beweren, dat het dringend voor mij was om een pelgrimstocht naar Jeruzalem te maken. Het treurige nieuws, dat ik ontvangen had, was den commandant reeds ter oore gekomen, en na mij te hebben laten uitspreken, antwoordde hij, dat het hem voor mij het beste toescheen, om aan boord bij hem te blijven.»Gij zijt nu hier,” zoo sprak hij, »aan mij en aan den gang van zaken gewend geraakt; gij kent uwe plichten en gij zijt op de hoogte van uwen dienst; ik ben over u in alle opzichten tevreden en heb gunstig over u aan de admiraliteit gerapporteerd; maar—gij kent uwe eigene belangen het beste” (hier vergiste hij zich: hij had om de door mij aangevoerde redenen, mij niet moeten laten gaan),—»maar ik geef u in overweging om te blijven.”Ik bedankte hem voor zijne goedgunstigheid,—doch daar ik het er op gezet had om naar huis te gaan, stond hij mijn verzoek toe en gaf mij mijn ontslag onder toevoeging van een mooi getuigschrift van goed gedrag, geheel zelfs buiten den voorgeschreven vorm; hij deelde mij mede, dat, wanneer ik er nog tijdig toe overging om terug te komen, hij eene plaats voor mij zou openhouden. Van de officieren, van mijne kameraden en van de equipage nam ik met leedwezen afscheid. Ik was langer dan drie jaren aan boord geweest. Na de zoo stormachtige dagen in het begin, had ik mij eene behoorlijke plaats in de voorlongroom weten te verwerven; om enkele mijner eigenschappen was ik zelfs de algemeenegunsteling geworden en ik verliet het schip met de hartelijkste wenschen voor mijn welzijn van allen. Met de groote sloep werd ik aan boord van een linieschip gebracht, waarmede men voor mij passage naar Engeland aangevraagd had.
Tijdens ik aan boord van het vlaggeschip diende, ondergingen er twee man voor muiterij de doodstraf. Dit schouwspel was voor mij meer treffend, dan ik er ooit een bijgewoond had. Wanneer wij aan walvan een doodvonnis hooren spreken, dan brengen wij dit onwillekeurig in verband met een gepleegde vreeselijke misdaad. Bij den dienst ter zee is dit echter geheel anders; wat de krijgswetten een ernstig misdrijf noemen, is vaak niet veel anders dan eene handeling in de eerste opwelling van drift en meestal zeer ondoordacht gepleegd, en hoogst onbeduidend; daden, in één woord, die dikwijls niet gepleegd zouden zijn bij tijdige fermiteit en menschkundig toezicht van de meerderen.
De schepen hadden maanden en maanden op zee gekruist, en er bestond evenmin vooruitzicht tot behoorlijk werk, als tot terugkeer in eene haven. Inderdaad kan niets op den duur vervelender en eentoniger zijn, dan het al kruisende blokkeeren eener kust, dat is, wanneer alle schepen gebruikt worden tot het sluiten der havens en het bewaken van den vijand. Van de blokkeerende zeemacht zijn de fregatten nog het beste af: lichter, kleiner, handiger in hunne bewegingen, worden zij, ook om hun minderen diepgang, meer voor kleine schermutselingen en soms ook aanvallenderwijze gebezigd. Op die fregatten is het leven dan ook veel meer afwisselend dan aan boord van de linieschepen. Nadat het een tijdlang gesmeuld had, sloeg op het vlaggeschip, waarvan ik hierboven gesproken heb, eene ernstige misnoegdheid onder de mindere schepelingen tot oproer over. Natuurlijk was men dit spoedig meester; de belhamels werden voor den zeekrijgsraad gebracht, en twee hunner veroordeeld om aan de nokken eener ra van hun eigen schip opgehangen te worden, totdat de dood er op volgde. Twee dagen nadat het vonnis was uitgesproken, zoude het worden uitgevoerd.
Bij ons werden die krijgsraden altijd met de grootste plechtigheid gehouden en werden alle vormen stiptelijk in acht genomen om van de hoogsten in rang tot de minsten toe, een diepen indruk te maken. Te acht uren des morgens valt van het schip, waar een krijgsraad vergadert, een kanonschot en is de krijgsraadvlag aan den bezaansmast geheschen. Bij gunstig weder is het schip dan in zeer netten staat gebracht; de dekken zijn sneeuwwit geschuurd en vertoonen geen vlekje; de kooien zijn met zorg in de verschansingen gestuwd; het tuig is vierkant gebrast en het touwwerk stijfgehaald, zoodat nergens een los eind of eene bocht daartusschenin zichtbaar is; de kanonnen staan volkomen gericht tegen boord, en aan dek staat eene wacht van mariniersonder bevel van een luitenant gereed, om elk lid van den krijgsraad bij zijn komen aan boord, met de noodige, aan zijn rang verbonden eerbewijzingen te ontvangen. Vóór negen uren is de vergadering voltallig vereenigd in de kerk of in eene der kajuiten, waar in het midden eene lange met een groen kleed bedekte tafel gereed is. Voor elk der leden ligt papier, pen en inkt en de reglementen en de wetboeken liggen onder hun bereik. Nadat nog een schot gevallen en daarvan den voorzitter kennis is gegeven, opent deze de zitting. Aannemende, dat nu alle onderzoek vooraf heeft plaats gevonden, leest de secretaris de verschillende verhooren voor, en wordt den leden één voor één afgevraagd, of naar hunne meening voldoende licht over de zaak is verspreid, dan of zij het wenschelijk achten nog meer getuigen in verhoor te nemen. Wanneer op de eerste vraag een algemeen bevestigend, op de tweede een ontkennend antwoord gevolgd is, worden de beschuldigden, tusschen mariniers, door den provoost binnengeleid en aan de linkerzijde van den fiskaal, die aan het einde van de tafel gezeten is, geplaatst. Het hof wordt daarop herinnerd aan den te voren afgelegden eed: om onpartijdig recht te spreken en geene der mogelijk bestaande verzachtende omstandigheden uit het oog te verliezen. Na deze toespraak nemen de leden weder plaats.
Alle stukken en verklaringen worden dan opnieuw den beschuldigden voorgehouden en hun afgevraagd, of zij tegen het getuigde of tegen de getuigen ook bezwaren hebben. Zij verhalen van hunne zijde opnieuw het gebeurde. Brengen zij iets bij tot hunne eigene bezwaring, dan maakt het hof hen hierop opmerkzaam, onder de vriendelijke mededeeling: »wij verlangen van u geen getuigenis tegen uzelf, maar behandelen alleen wat anderen u ten laste kunnen leggen.” Den arrestant wordt alle mogelijke hulp aangeboden. Is zijne verdediging afgeloopen, dan wordt hij in arrest teruggebracht en maakt zijne verklaring opnieuw een punt van beraadslaging uit, in verband met de getuigenverhooren en de vertrouwbaarheid der gehoorde getuigen. Wanneer dit afgeloopen is, geeft de fiskaal de wetsartikelen op, waartegen in dit geval gezondigd is geworden, en wordt in omvraag gebracht, bij het jongste lid van den krijgsraad te beginnen, ten eerste: »Zijn deze artikelen op het gepleegde feit toepasselijk?” en ten tweede: »Is het bewezen of niet bewezen, dat de arrestant schuldig is?”
Wanneer allen hunne stem hebben uitgebracht, is de meerderheid vanslechts ééne voldoende voor het »schuldig” of »niet schuldig”. De volgende vraag behelst: (nl. bij muiterij, desertie of andere kapitale misdaad) »Zal de straf zijn: laarzen, of de dood?” Weer vindt de stemming op dezelfde wijze plaats.
Stemt de meerderheid voor de straffe des doods, dan wordt daartoe door den fiskaal het vonnis geslagen en dit stuk door alle leden geteekend. Thans worden alle deuren geopend, de beschuldigde opnieuw binnengeleid; eene akelige stilte heerscht door het geheele schip, de krijgsraadsleden dekken het hoofd en zitten neder. Luid en indrukwekkend klinkt de stem van den fiskaal, die het vonnis leest; de gevangene wordt aan den provoost-geweldiger overgegeven, en deze bewaakt hem verder tot aan de executie.
Tegen drie uren in den namiddag ontving ik een verzoek van een der op dien morgen bij ons veroordeelden om bij hem te komen, daar hij mij wenschte te spreken. Ik volgde den korporaal naar het vertrek, waarin de beide mannen, met ijzeren boeistangen aan de voeten, waren opgesloten. Zij waren op ledige granaatkisten gezeten, en hun middagmaal stond nog onaangeroerd voor hen; een van beiden weende bitterlijk; de ander, Strange geheeten, was zichzelf meer meester, ofschoon zeker niet minder aangedaan. Deze man scheen in zijn jeugd eene zeer goede opvoeding genoten te hebben, doch, daar hij nog al onstuimig van aard was, had hij eene verkeerde richting ingeslagen, en was, om van eene ernstige bestraffing vrij te komen, zijnen vrienden ontloopen en later op een oorlogsschip verdwaald. In dezen toestand had hij aan boord nog veel tijd kunnen vinden om na te denken en boeken te lezen; dit had zijne stemming niet verbeterd, hij had zich van zijne makkers meer en meer teruggetrokken en zat, wanneer anderen vroolijk waren, alleen te mokken; niet onwaarschijnlijk had zijne ontevreden stemming hem medegesleept in het komplot van muiterij, waarvoor hij nu op het punt stond zijne straf te ondergaan.
Hij verontschuldigde zich over de vrijheid, die hij genomen had om mij bij zich te roepen, maar hij zoude mij niet lang ophouden. »Gij ziet, sir,” zeide hij, »dat mijn arme vriend hier geheel ontdaan is door zijnen afgrijselijken toestand; dit kan u niet verwonderen. Hij staat toch lang niet gelijk met de verharde misdadigers, die aan den wal ter dood worden gebracht: wij zijn geen van beiden bevreesd om te sterven; maar een dood, zooals deze, Mr. Mildmay, om, ten voorbeeld van de vlootals honden opgehangen te worden en eene schande voor onze vrienden en betrekkingen te zijn,—dit verscheurt ons het hart! Het is op grond hiervan, en om het gevoel mijner arme moeder te sparen, dat ik om u heb gezonden. Ik zag u overboord springen om een armen kerel van verdrinken te redden: daarom rekende ik, dat uw goed hart ook voor een anderen ongelukkige in de bres zou willen springen. Ik heb mijn uitersten wil gemaakt, en u tot uitvoerder benoemd; en met deze volmacht zult gij al mijne achterstallige gage en mijne prijsgelden in ontvangst kunnen nemen. Gij zult, hoop ik, een en ander wel aan mijne dierbare moeder willen doen toekomen; het adres heb ik hier bij geschreven. Mijn hoofddrijfveer is, dat zij nooit de geschiedenis van mijnen dood moge vernemen. Gij kunt haar zeggen, dat ik in ’s lands belang ben gestorven, en dat is waar, want ik erken de rechtvaardigheid van mijn vonnis en de noodzakelijkheid dat er een streng voorbeeld wordt gesteld. Ik ben nu elf jaren uit Engeland; dien geheelen tijd heb ik eerlijk en trouw gediend; slechts in dit ééne geval heb ik mij misdragen. Ik geloof, dat onze goede koning, als hij mijne treurige geschiedenis kende, wel gratie zou verleenen; maar Gods wil geschiede! Maar één wensch zoude ik graag vervuld zien, en die is, dat nog heden nacht ’s vijands vloot naar buiten mocht komen en dat ik dan sterven mocht zooals ik geleefd heb, in de verdediging mijns vaderlands. Maar master Mildmay, nog eene gewichtige vraag ligt mij op de lippen:—gelooft gij, dat er een leven hier namaals bestaat?”
»Zeer zeker,” zeide ik, »ofschoon velen leven alsof zoo iets niet bestond. Maar waarom twijfelt gij?”
»Omdat,” antwoordde de arme kerel, »eens, toen ik nog officiersbediende was en achter tafel de wacht had, er gasten waren, onder welken de commandant van een korvet. Deze, ik weet niet hoe het te pas kwam, beweerde toen, dat dit alles nonsens was,—dat er geen leven na dit leven bestond en dat de Bijbel een samenraapsel van leugens was. Van dien tijd af heb ik mij nooit gelukkig gevoeld.” Ik zeide hem, dat het mij zeer speet te hooren, dat ooit eenig officier dergelijke uitdrukkingen, en dan vooralin zijn bijzijn, had gebezigd; dat ik mijzelf niet in staat gevoelde, hem zijne gemoedsrust weer te geven; maar beloofde hem den geestelijke van boord toe te zenden, die hem wel zou weten op te wekken en te vertroosten. Hij bedankte mij hiervoor, en verklaarde nog in zijne laatste oogenblikken, dat hij hierdoor veel troost had gevonden.
»En nu mijnheer,” zeide hij, »laat ikunog een raad geven. Wanneer gij eens commandant zijt geworden, drijf dan niet, uit overdreven zorg voor een net en goed geoefend schip, uwe bemanning tot wanhoop,—tot muiterij. Zindelijkheid en goede orde worden door alle schepelingen op prijs gesteld; maar dat eeuwige schrobben, blank schrabben en poetsen van ijzeren nagels en ringbouten, staat op den duur een matroos meer tegen dan een dozijn slagen, hem op den bak toegediend. Als met het reven van de marszeilen uw schip eens eene enkele maal eene minuut achteraan komt, geef daar niet om, zoolang uwe zeilen goed gereefd zijn en een harden windstoot kunnen verdragen. Menig zeil scheurt, wanneer er slecht gereefd is, menig goed zeeman is het slachtoffer geworden van die laakbare overhaasting, die bij de marine zooveel kwaad heeft gedaan. Wat kan wreeder en onrechtvaardiger zijn dan dat de man, die het laatst van de ra inlegt, met slaag gestraft wordt? Hij toch is uit den aard der zaak de meest waakzame en kan gewoonlijk niet vlugger zijn, als hij zijn nek te lief heeft om die te breken; maar bovendien altijd tochmoeter een de laatste zijn. Wees verzekerd mijnheer, »dat, wat haastig verricht wordt, zelden goed wordt gedaan.” Maar ik heb u reeds te lang opgehouden. God zegene u, mijnheer, denk aan mijne arme moeder, en morgen ziet gij mij nog éénmaal vóór op den bak terug.”
De noodlottige morgen brak aan. Het was acht uren. Het schot viel,—het sein van de strafoefening woei van top. De arme veroordeelden gaven een diepen zucht, en riepen uit: »De Heer zij ons genadig!—onze aardsche werkkring en zorgen zijn bijna ten eind!” De provoost kwam binnen, opende het slot van de boeistang, schoof de voetboeien af en gelastte aan de daarvoor gereedstaande mariniers de gevangenen op het halfdek te brengen.
Hier was een tooneel, waarvan ik het haast niet waag de plechtigheid te beschrijven. Het weer was helder, de lucht zonder wolken; aan boord van alle schepen waren de bramraas gekruist; de vlaggen waren geheschen; overal was de bemanning in het Zondagsch tenue gekleed en stond, aan de naar ons schip toegekeerde zijde, opeengepakt in het want; eene wacht, van mariniers onder de wapens, stond overal aan weerszijden op de loopplank; bij ons aan boord echter waren zij op het halfdek aangetreden. Van elk schip lagen langs onze zijde twee sloepen op de riemen, met eene luitenants- en korporaalswacht met de bajonettenop. De schrille fluitjes van den bootsman en zijne maats deden zich boven elk luik hooren en riepen »alle hens op” tot het bijwonen der executie.
Men hoorde het vlugge getrappel der voeten van het volk, dat zich naar boven spoedde, doch geen woord werd er gesproken. De veroordeelden stonden midden op het halfdek, terwijl de commandant het vonnis van den krijgsraad en het fiat tot de tenuitvoerlegging voorlas. Toen de toepasselijke gebeden en psalmen, met veel gevoel door den geestelijke waren voorgedragen, werd den armen gevangenen afgevraagd, of zij gereed waren; beiden antwoordden bevestigend, doch verzochten een glas wijn, dat hun onmiddellijk gebracht werd. Onder eene eerbiedige buiging voor den commandant en de officieren ledigden zij dit.
De admiraal kwam niet te voorschijn, daar dit zoo bepaald is; de gevangenen verzochten echter hem hunne dankbare en eerbiedige groeten over te brengen; daarna verzochten zij den commandant en de officieren de hand te mogen drukken en toen om de equipage eenige woorden toe te spreken. Op last van den commandant kwam daartoe de bemanning »voor den boeg.” De grootste stilte heerschte en aller oogen waren vochtig.
William Strange, de man, die om mij gezonden had, sprak toen met eene duidelijke stem:—»Kameraden, luistert naar de laatste woorden van iemand, die gaat sterven. Wij zijn hier gebracht door het aanstoken van eenigen, die nu hier veilig onder de menigte staan. Zij hebben ons bedrogen, en wij zullen de slachtoffers zijn van de gerechte wraak der wet. Indien gij geslaagd waart in het schandelijke, door u gesmede complot, wat zouden dan wel de gevolgen zijn geweest? Ondergang voor uzelf en voor uwe familiebetrekkingen; eene schande voor uw vaderland; en de verachting van diezelfde vreemdelingen, aan wie gij voornemens waart het schip over te leveren. Dankt God! het is u niet gelukt. Laat ons lot u ter waarschuwing zijn, en tracht door uwe verdere daden uw berouw te toonen voor uwe vroegere handelingen. En nu, sir,” voegde hij er, zich tot den commandant wendende, bij, »wij zijn gereed.”
Deze schoone aanspraak, uit den mond van een gewoon matroos, zal ongetwijfeld den lezer evenzeer verwonderen, als hij dit destijds den commandant en de officieren van het schip deed. Maar Strange was,zooals ik hierboven reeds vermeldde, geen alledaagsche man; hij had alle voordeelen eener goede opvoeding genoten, en zooals verscheidenen der belhamels van de muiterij op de Nore, was hij gebracht tot de dwaling om gehoorzaamheid te weigeren, uit inbeelding van geboren te zijn tot bevelen.
Toen alles gereed was, gaf de commandant, door met een witten doek te wuiven, een sein en binnen weinige oogenblikken hadden de ongelukkigen opgehouden te leven. Na een uur werden hunne lijken gekist en aan den wal ter aarde besteld.
Bij mijne aankomst in Engeland, negen maanden later, vervulde ik mijne belofte en betaalde aan de moeder van William Strange meer dan vijftig pond aan gage en prijsgeld uit. Ik verhaalde aan de arme vrouw, dat haar zoon als een Christen gestorven was en voor het welzijn van zijn land het leven liet. Toen ik dit gezegd had, nam ik een haastig afscheid, bevreesd, dat zij mij uitvragen zou.
Maar laat mij nu tot een vroolijke tafreel overgaan. Ter eere van de Engelschen, werd op Minorca een groote carnaval-maskerade gegeven. Ik had een zotskap opgezet en mij verder onkenbaar gemaakt en ontmoette daar verscheidenen mijner medeofficieren. Het was een zonderling gezicht al die dwaas uitgedoste groepen zoo dooreen te zien dwalen. De admiraal, de schout-bij-nacht, de meeste hoofd- en andere officieren van de vloot waren aanwezig. De plaats van samenkomst was ongeveer eene mijl buiten de stad gelegen.
Daar ik eene zotskleeding gehuurd had, besteeg ik ook den daarbij passenden viervoeter—een ezel, en reed af onder het gejuich van wel duizend havelooze straatslijpers. Bij mijne aankomst maakte ik allerlei dwaze sprongen, die er zoo bij behooren en verzon allerlei grappen. De wijze, waarop ik mijne rol speelde, bezorgde mij spoedig eenige omstanders. Ik sprak nooit den admiraal of eenig hoofdofficier aan, dan wanneer hij het eerst iets tegen mij gezegd had, en dan verkocht ik eenige toepasselijke hatelijkheid, welke mij niet zeer moeielijk viel, omdat ik de meeste karakters kende en wist wat er alzoo op de verschillende schepen omging. Eén vroeg mij, of ik niet op zijn schip dienst wilde nemen. »Neen”, antwoordde ik, »gij zoudt mij al te gauw drie dozijn laten toedienen, omdat ik mijn kooi niet behoorlijk gesjord had.” »Ga maar met mij mede,” zeide een ander. »Dank je,” was mijn antwoord,»bij u is het schellekoord te kort;—gij kunt er niet bijkomen om nog een flesch wijn te bestellen, vóór al de officieren van tafel opgestaan zijn.” Weer een ander beloofde mij eene minzame behandeling en overvloed van wijn. »Ik moet er niets van hebben,” zeide ik. »Op uw schip zou ik zoo te veel zijn als de steenkolen bij Newcastle; bovendien is bij u de koffie te slap; uw hofmeester zet van één ons zes kopjes.”
Al die zetten gaven veel vroolijkheid onder de omstanders, en zelfs de admiraal verwaardigde zich mij glimlachend toe te knikken. Ik boog eerbiedig voor zijne lordschap, die daarop zeide: »Wel zot, wat verlangt gij wel van mij?” »O niemendal, mylord,” antwoordde ik; »ja, ik heb toch een kleine gunst van U te vragen.” »Spreek op,” zeide de admiraal. »Alleen maar om mij kolonel, commandant van een schip, te maken, mylord.” »Neen, neen,” was het antwoord, »wij maken nooit gekken tot commandant.” »Niet!” zei ik weer, op eene onbeschaamde wijze mijne armen over de borst kruisende, »dat is dan zeker eene geheel nieuwe bepaling. Van wanneer dateert die?”
De goedaardige oude chef lachte hartelijk om dit staaltje van brutaliteit; maar de commandant van mijn vorig schip gevoelde zich er door beleedigd. Hij wist mij uit te vinden en klaagde mij bij mijn eigen bevelhebber aan; maar deze lachte hem uit, zeide, dat hij het een aardige grap vond, en noodigde mij bij zich te dineeren.
Ons schip kreeg last om naar Gibraltar te stevenen, dat wij spoedig bereikten; daar vonden wij een post van Engeland en ontving ik brieven van huis, waarvan een den dood mijner dierbare moeder behelsde. O, hoe kwam mij bij die tijding al het verdriet voor den geest, dat ik haar al zoo had aangedaan; welke gewetenswroegingen over al mijne slechte streken bestormden mij toen; hoe duidelijk stond mij het laatste oogenblik, dat ik haar gezien had, voor oogen! Nooit had ik kunnen denken, dat ik haar verlies zoo diep zou gevoelen. Mijn vader schreef, dat zij in hare laatste oogenblikken nog het grootste belang in mijn welvaren had gesteld. Zij had hare vrees te kennen gegeven, dat de betrekking mijner keus niet bevorderlijk kon wezen aan het heil mijner ziel, hoe veelbelovend die ook zijn mocht voor mijn tijdelijk voordeel. Hare laatste aanbeveling aan mij, op haar sterfbed geuit, was, nooit de zedelijke en godsdienstige beginselen, waarin zij mij opgevoed had, te vergeten; met hare laatste zegening smeekte zij mij trouw mijnBijbel te lezen en dien als mijn richtsnoer door het leven te beschouwen.
Mijns vaders brief was ook een ernstig beroep op mij, waarin eene groote genegenheid doorstraalde; nooit in mijn verdere leven is zoo met gunstigen uitslag als toen op mijn gevoel gewerkt geworden. Ik zonderde mij af met een hoofd dat haast barstte, een hart dat bijkans gebroken was. Een terugblik op mijn voorbijgegaan leven gaf mij geene kalmte. De talrijke daden van slechtheid of trots, van wraakneming of misleiding, waaraan ik mij meermalen bezondigd had, ruischten door mijn gemoed, als de stormwind door het tuig, en wekten de droefgeestigste en ernstigste overdenkingen in mij op. Hoe menigmaal had ik reeds in het grootste levensgevaar verkeerd! Hoe zou het met mij gevaren zijn, als ik niet altijd goed daar doorheen was gekomen? Ik sidderde bij die gedachte, want sinds ik aan de moederlijke zorg onttrokken was, kon ik mij geen enkele deugdzame daad, uit een zuivere bron ontsproten, te binnen brengen.
Te twaalf uren dien nacht, vóór het mij gelukt was een oog te luiken, werd ik voor de hondenwacht (van twaalf tot vier uren) gewekt. Daags te voren hadden wij een kwartiermeester, Quid bijgenaamd, begraven. Quid had zich doodgedronken, wat in den zeedienst nog al eens voorvalt. Iemand die sterft, ten gevolge van onmatigheid, heeft gewoonlijk reeds een verwoestlichaam; zijn lijk gaat, vooral in een warm klimaat, snel tot ontbinding over. Kort na den dood van Quid bleek de noodzakelijkheid tot eene spoedige begrafenis. Zijn lichaam werd in een hangmat genaaid; en daar het schip in diep water ten anker lag en er een flinke stroom de baai rondliep, terwijl bovendien de meeste sloepen van boord naar de werf waren, liet de eerste officier een paar kogels aan het voeteneinde vastmaken en, na het voorlezen van den lijkdienst, het lijk bij den valreep overboord zetten.
Na het overnemen der wacht liep ik in een gedrukte gemoedsstemming het halfdek op en neer, ernstig nadenkende over allerlei teksten uit den Bijbel, dien ik zeker in geen twee jaren ingekeken had, toen mij in eens de dood van Quid te binnen schoot, en de schoonheid van den lijkdienst, dien ik over hem had hooren voorlezen—»ik ben de opstanding en het leven.” De maan, die eenigen tijd geschuild had, brak eensklaps door de wolken en te gelijk hoorde ik een angstkreet van den uitkijk op stuurboordsloopplank. Ik ging naar de reden daarvan onderzoek doen on vond den man in zulk een staat van zenuwachtigeontroering, dat hij niet anders kon uitbrengen dan: »Quid! Quid!” daarbij overboord wijzende.
Ik keek in die richting en daar zag ik inderdaad het lichaam van Quid terug, in zijn kooi gepakt, rechtstandig, met hoofd en schouders er buiten, zachtkens in het water op en neer gaande, bewogen door een lichte uit zee opgekomen deining, die mede het hoofd scheen in beweging te brengen; het maanlicht bescheen zelfs het onder water stekende gedeelte van het lichaam. Eenige oogenblikken lang gevoelde ik mij onder den indruk van een onbeschrijfelijken afschuw en aanschouwde in angstig stilzwijgen het voorwerp; mijn bloed was ijskoud en ik verbeeldde mij, dat de schrik mijne haren overeind gejaagd had. Het verschijnsel had mij geheel verrast, en ik dacht een oogenblik, dat het lichaam weer opgestaan was als eene waarschuwing voor mij; spoedig kwam ik weer tot bezinning en werd mij de oorzaak van de wederverschijning van het lijk duidelijk. Ik liet de barkas op zijde komen en er in gaan, en ging onderwijl zelf omlaag om den eersten officier het gebeurde mede te deelen. Hij lachte en zeide: »Ik houd het er voor, dat de oude jongen het zoute water niet zoo smakelijk vindt als den grog. Maak nog wat meer ballast aan zijn voeten vast en laat hem naar zijn oude peilingen terugkeeren. Zeg hem, dat hij daar zijn anker maar laat vallen en niet meer tegen ons aanzwaait.” Dit gezegd hebbende draaide hij zich om en viel weder in slaap.
Dit schijnbaar vreemde geval is gemakkelijk te verklaren. Lichamen in ontbinding geven aanleiding tot de vorming van gassen, waardoor zij in omvang belangrijk toenemen en in gisting geraken. Het lijk van dezen man was overboord gezet, toen het ontbindingsproces reeds begonnen was; voor het oogenblik was de ballast, dien men aan de voeten had vastgemaakt, voldoende geweest om het te doen zinken, doch enkele uren later was die niet zwaar genoeg meer om het beneden te doen blijven. Hierdoor kwam het in de door mij beschreven houding, rechtstandig weer naar boven. Daar de stroom in de helft van den tijd, sedert de plechtigheid verloopen, gekenterd en nu zeer zwak was, dreef het nagenoeg juist op de plek, waar het te water was gelaten.
De sloep stak van boord met nog een paar kogels, om voor meerderen ballast te dienen en op die wijze het lijk te laten zinken. Toen men beproefde er met den sloepshaak vat op te krijgen, week het af en draaide steeds rond, of dook onder water en kwam dan weer naar boven, alsofhet een dartel spelletje was. Maar het toeval bespaarde hier verdere moeite; de man bij den haak, die door zijne makkers geplaagd werd, dat hij Quid zelfs na zijn dood nog niet aandurfde, werd boos en stak met den haak met zooveel kracht naar het lijk, dat hij eene opening in den buik maakte, waardoor het samengeperste gas met veel geluid ontsnapte, en het lichaam verder als een baksteen zonk. Over dit voorval werden nog al grappen verkocht, doch ik was niet in eene stemming om daarin mede te doen; en vóór de wacht om was, had ik het stellige plan opgevat om naar huis terug te gaan en den dienst vaarwel te zeggen, daar ik geene kans zag aan de laatste wenschen van mijne moeder te voldoen indien ik bleef, waar ik was.
Den volgenden morgen verzocht ik den commandant te mogen spreken en deelde hem mijn verlangen mede, niet om den dienst te verlaten, maar om voor dringende familiebelangen naar huis te gaan. Wat de noodzakelijkheid hiertoe betrof, had ik evengoed kunnen beweren, dat het dringend voor mij was om een pelgrimstocht naar Jeruzalem te maken. Het treurige nieuws, dat ik ontvangen had, was den commandant reeds ter oore gekomen, en na mij te hebben laten uitspreken, antwoordde hij, dat het hem voor mij het beste toescheen, om aan boord bij hem te blijven.
»Gij zijt nu hier,” zoo sprak hij, »aan mij en aan den gang van zaken gewend geraakt; gij kent uwe plichten en gij zijt op de hoogte van uwen dienst; ik ben over u in alle opzichten tevreden en heb gunstig over u aan de admiraliteit gerapporteerd; maar—gij kent uwe eigene belangen het beste” (hier vergiste hij zich: hij had om de door mij aangevoerde redenen, mij niet moeten laten gaan),—»maar ik geef u in overweging om te blijven.”
Ik bedankte hem voor zijne goedgunstigheid,—doch daar ik het er op gezet had om naar huis te gaan, stond hij mijn verzoek toe en gaf mij mijn ontslag onder toevoeging van een mooi getuigschrift van goed gedrag, geheel zelfs buiten den voorgeschreven vorm; hij deelde mij mede, dat, wanneer ik er nog tijdig toe overging om terug te komen, hij eene plaats voor mij zou openhouden. Van de officieren, van mijne kameraden en van de equipage nam ik met leedwezen afscheid. Ik was langer dan drie jaren aan boord geweest. Na de zoo stormachtige dagen in het begin, had ik mij eene behoorlijke plaats in de voorlongroom weten te verwerven; om enkele mijner eigenschappen was ik zelfs de algemeenegunsteling geworden en ik verliet het schip met de hartelijkste wenschen voor mijn welzijn van allen. Met de groote sloep werd ik aan boord van een linieschip gebracht, waarmede men voor mij passage naar Engeland aangevraagd had.