I.IN DE ZEVENWOLDEN.

[Inhoud]IN DE ZEVENWOLDEN.I.IN DE ZEVENWOLDEN.In hetZuiderzee-albumheb ik u verteld, hoe benieuwd wij al jaren lang waren naar het land van Kuinder en Linde. Telkens als wij naar het Noorden reisden, naar Terschelling of naar Schiermonnikoog, werd onze aandacht getrokken door het heuvelland van Steenwijkerwold en Peperga, waar de spoorweg gaat door een diepe insnijding, met brem begroeid. En verderop kruisten we dan allerlei geheimzinnige riviertjes, eerst de Linde met zijn moerassig oeverland en dan een paar van minder allooi; de eene heet Scheene en de andere voert den griezeligen naam van Metworst-vaart. Ten slotte kwam dan de Kuinder of Tjonger zelf, die vooral sinds haar kanalisatie er nog al belangrijk uitziet en afkomstig is uit de verre venen en verlokkelijke boschstreken.Eindelijk kwam het zoover en konden we een viertal zomerdagen besteden aan de uitvoering van ons geliefkoosd plan. De sneltrein naar het Noorden bracht ons vlug in Meppel, en even na den middag stapten we uit in Wolvega (17), waar we voor een dag of drie ons hoofdkwartier dachten op te slaan. Maar het eene hotel werd juist vertimmerd en in het andere was een groote drukte, zoodat we na kort beraad ons rijwiel bestegen, om een welbekend verblijf op te zoeken in Heerenveen. Intusschen, toen we in een paar minuten het bruggetje over de Scheene hadden bereikt, begrepen we, dat we nu veel te vroeg in Heerenveen zouden aankomen en dan onzen middag eigenlijk zouden versnipperen. We besloten daarom een omweg te maken en sloegen den eersten zijweg naar links in, het zindelijke klinkerweggetje naar Oldeholtwolde.Het was een groot genoegen, weer eens een zwerftocht te beginnen door een voor ons geheel nieuwe streek. Het begin zag er echter vrij gewoon uit, de weg en zijn bermen, de[8]lage elzen en wilgen, de slooten en de weilanden zagen er weinig anders uit dan in Holland. Maar toen we Oldeholtwolde door waren en nog weer een bocht hadden gepasseerd, ging de weg heel eventjes stijgen, bijna onmerkbaar, maar gestadig. We beklommen den zandrug, die de scheiding vormt tusschen de dalen van de Linde en de Tjonger. Denk u echter die dalen niet te diep en die scheiding vooral niet te hoog. Intusschen maakte het weiland plaats voor roggevelden en aardappelakkers, de slooten werden vervangen door walletjes en, wat wel het aardigst was, bij de huizen of in verloren hoekjes lagen allemaal stukjes bosch. Dat was dan soms maar een enkel eikje of berkje of een paar bremstruiken, maar de grond er om en er onder was begroeid met de echte boschplanten, met groote sterremuur, dalkruid, lelietjes van dalen, anemoontjes, varens van allerlei soort en wel heel veel de mooie koningsvaren, het schoonste sieraad van venige woudstreken.Nog voor we het hoogste punt van de waterscheiding hadden bereikt, sloeg de weg weer oostwaarts af en nu hadden we naar links voortdurend een aardig uitzicht op nog grootere boschjes, meest dennetjes en akkermaalshout, afgewisseld door akkers.Welgemoed bereikten we het dorp Oldeholtpade met zijn aardige vlugge torenspits. We zouden al spoedig merken, dat in deze streek van Friesland een mooie hooge toren met slanke spits bijzonder gewaardeerd moet worden, want er zijn er niet veel.Even voorbij de kerk staat een kring van boomen, dat ziet er net uit, of we daar te doen hebben met de een of andere geheimzinnigheid uit vroeger tijden, maar daar zijn ze toch te jong voor. Intusschen zijn we hier wel op een plek, die in de historie bekend is. Langs die boomen gaat een pad naar rechts, dat zou ons over de hoogte heen brengen naar een bruggetje over de Linde en dan verder over Westerhoeven naar Noordwolde. Tusschen twee haakjes ge moet er aan wennen, dat hier in de dorpsnamen telkens ge-old of ge-holt of ge-wold wordt; dat komt allemaal van die oude bosschen.Maar om op dat pad terug te komen, dat wij echter thans niet zullen inslaan, dat is nu een van de alleroudste toegangswegen tot Friesland, waarschijnlijk veel ouder dan de weg over Wolvega. Een paar duizend jaar geleden strekte zich hier een bijna ontoegankelijk woud uit, het Baduhenna woud. Sommige meenen, dat het „pade” in Oldeholtpade en Nijeholtpade nog aan dien naam herinnert. De oude Tacitus heeft het er ook over en vertelt dan, dat—en dat moet dan hier in de buurt van Oldeholtpade gebeurd zijn—bij gelegenheid van den opstand der Friezen tegen de Romeinen, in dat Baduhenna woud een groote afdeeling van het Romeinsche leger een nederlaag geleden heeft, wat niet belette, dat beide volken zeer kort daarop toch nog heel goede maatjes zijn geworden. Maar als je bij Tacitus leest, hoe de troepen met planken en balken, bruggen en vondertjes, schuiten en vlotten moesten werken, om in het land door te dringen, dan ga je het heden waardeeren, ofschoon de wielrijder thans nog in Friesland op menige plaats geen weg kan vinden. Dat beseften we nog eerst recht, toen we Nijeholtpade door waren en we naar links een overzicht kregen over de Tjongerlanden. Zoover het oog reikte niets dan hooiland, afgewisseld met breede, donkere veenslooten. Hoog wuifden de grassen, de boterbloemen[11]en de wilde zuring, want het was in het begin van Juni. Langbeenige, langsnavelige grutto’s zweefden met trillende vleugels boven het kleurige veld en lieten allerlei geluiden hooren van vrees of vreugd. Ook buitelden er kieviten en de kwartelkoning, verborgen tusschen het gras knarste onophoudelijk zijn „sneers, sneers”. Dan kwam er een groote zwarte plek tusschen de bloemen, daar werd nog geveend. Hier lag veenbagger over het land gespreid (12), ginds was die al gedroogd en werd ze aan stukken gesneden, die gestapeld en gedroogd, tot harde, korte turven zouden worden. Twee mannetjes in de onmetelijkheid waren daarmee bezig.[9]1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA4 WOLVEGA—STRAATJE4 WOLVEGA—STRAATJE5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA6 PEPERGA—HAVENTJE6 PEPERGA—HAVENTJEJAN VOERMAN Jr.[10]7 FINKEGA—KERKJE7 FINKEGA—KERKJE8 NOORDWOLDE8 NOORDWOLDE9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADE12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADEJAN VOERMAN Jr.[11]Langs den weg zelf lagen van afstand tot afstand aardige boerderijen in hun krans van boomen, meest wilgen en populieren, nog al ijl geplant, maar nadat we een klein half uurtje langs die hooi- en veenlanden hadden gereden, doemden dichtere boommassa’s voor ons op, de huizen stonden dichter gereid en opeens waren we in een mooi dorp met een oud rechthuis, dat was Oldeberkoop (10), een van de oudste plaatsen in Friesland. De kerk konden wij eerst niet vinden, die ligt letterlijk geheel verborgen onder reusachtige lindeboomen. Maar het was een aardige kerk, al had men het gebouw ook heelemaal geel geolieverfd. Ook kregen wij hier onzen eersten zadeldak-toren te zien, zooals we er op onze zwerftochten ze nog bij dozijnen zouden ontmoeten. Men vindt ze ook hier en daar in Drente en Overijsel, maar in Holland nergens. Wel weer in Duitschland en Zwitserland en ook in Schotland. Er zit een verhaal aan vast van bepaalde volksstammen, die juist zulke torens bouwen, maar het rechte weet ik er niet van en daarom zwijg ik er maar liever over. Wat niet wegneemt, dat ik ze u nog menigmaal hoop aan te wijzen.Wij slenterden wat door het dorp rond en vonden een voetpad door de velden, dat ons leidde naar de roggevelden omhoog en naar den zeer ouden zandweg, die door de heele lengte van de beide Stellingwerven loopt, langs de hoogte van het heuvelruggetje, dat de zuidelijke waterscheiding van de Kuinder vormt. Van hier hadden we een prachtig uitzicht op het lommerrijke dorp en op de bosschen van het Linde-dal. Bovendien waren de roggevelden vol prachtige blauwe korenbloemen, zoodat we in de allertevredenste stemming ons Oldeberkoop verlieten, om over Oudehorne en Nijehorne Heerenveen op te zoeken, het Friesche Haagje.Als je in die richting Oldeberkoop verlaat, dan rijdt je eerst door de nieuwe villabuurt en dan langs de haven en door een mooie eikenlaan op de gekanaliseerde Tjonger aan. Daar vonden wij een groene brug (96) en bij de bruggewachterswoning dwars over den weg een groot groen hek, dat echter gastvrij open stond en we reden er dus welgemoed door heen. Dit is het hek van Schoterland of liever nog het hek van Friesland, want in de Stellingwerven, in het Overtjongersche, zooals ze dat noemen, daar wonen nog niet de echte zuivere Friezen, daar spreekt men niet de echte Friesche taal. Die Tjonger is werkelijk altijd een geduchte grensrivier geweest.De weg werd hier heel mooi en leidde een heel stuk door echt oorspronkelijk woudgebied: boschjes van eiken en dennen, afgewisseld met hooge, bultige, venige hei (11). Hier[12]stond dan ook in volle praal als een kleine zonnebloem de Arnica te bloeien, de plant van de bergen en van de echte hooge grintgronden, die in den ijstijd zijn afgezet en waarop zich later het hoogveen heeft gevormd. In de Hollandsche plantkundeboeken heet die mooie bloem tegenwoordig „Valkruid”, wat een heel leelijke naam is. Naar het voorbeeld der Duitschers en Vlamingen noemt men haar ook wel Wolverlei, wat al een boel beter klinkt, maar ik blijf maar liever bij Arnica, dat klinkt goed, dat is een wetenschappelijke naam en het heilzaam aftreksel van de plant koop je in de apotheek ook onder den naam van Arnica-tinctuur. Buitengewoon goed bij verwondingen en bij vermoeidheid in de beenen: een voetbadje in water met een scheutje arnica werkt wonderen uit. Alleen door het zien van de bloem gingen we al harder trappen en weldra bereikten we de plek, waar de weg rechthoekig ombuigt naar Oudehorne. Nu kregen we weer zes kilometer echt Woldenlandschap, maar nog mooier dan bij Oldeholtpade: boerderijen afgewisseld met kampjes bosch en meestal gescheiden door walletjes, begroeid met de echte woudflora. Naast lijsterbes en meidoorn speelde hier de hulst (16) een groote rol, die groeit daar soms als een echte boom met een stam van wel twee decimeter dik.In de lagere gedeelten zijn de erven hier omgeven door slooten en die zijn dan aan den wegrand meestal met elzen beplant. Waarschijnlijk om het uitzicht vrij te houden zijn die struiken zoowat op driekwart manshoogte afgekapt en nu vormen de onderste twijgen een dak over de sloot heen, die geheel verscholen ligt onder zijn elzentunnel. Dat zag er nog al vreemd uit.Voorbij Nijehorne werd het al boschrijker, we naderden nu een van de groote beroemdheden van Friesland, het Oranjewoud (13). Eer we dat bereikten, passeerden we nog een klein dorpje, dat den griezeligen naam draagt van Katlijk, maar er overigens heel vriendelijk uitziet. Hier vonden we weer een bijzonderheid van den Frieschen bodem: het klokkenhuis (95). De kerk heeft geen toren, tenminste niet een, die groot en stevig genoeg is om de zware klokken te dragen en nu heeft men uit zwaar balkenwerk een alleraardigste stellage gebouwd, daarin hangen de klokken open en bloot, maar hoog en droog onder een afdakje. Een Hollander kijkt daar zijn oogen aan uit, wij zullen dergelijke klokkenhuizen nog op menige plaats ontmoeten.En nu, na nog een bocht, kwamen de zware grove dennen en de forsche eiken, en naast de koningsvaren (15) de adelaarsvarens, die met allerlei krullen en bochten uit den bodem ontsproten, dien zij later in den zomer onder hun dicht loover geheel zullen verbergen. Er bloeiden nog boschbessen en lelietjes van dalen en al de planten, die we, op onzen langen weg hierheen, verdwaald hadden aangetroffen tusschens akkers en weiden, tierden hier echt op de plekken, waar ze thuis behoorden, in het heerlijke bosch, dat nu op zijn mooist was, want wij schreven 10 Juni. En het leek er ons zoo aardig, dat we voorloopig Heerenveen in den steek lieten en voor de volgende dagen ons hoofdkwartier opsloegen in een alleraardigst hotelletje midden in dat Oranjewoud.Eigenlijk komt die naam toe aan het groote witte paleisachtige buiten, dat de weduwe[13]van stadhouder Willem Frederik, Albertina Agnes, in het laatst van de zeventiende eeuw heeft laten bouwen. Het zat toen in de lucht, dat vorstelijke personen en andere voorname lieden groote buitens lieten bouwen met uitgestrekte parken. Lodewijk XIV had het voorbeeld gegeven en dat werd overal vlijtig nagevolgd, o.a. door den Hollandschen stadhouder Willem III, die in dien tijd Het Loo opnieuw liet bouwen en aanleggen. Die bouw- en plantlust heeft ons, nazaten, heel veel mooie kasteelen, huizingen en wouden bezorgd en daaronder mag het Oranjewoud met eere genoemd worden. Wij hadden de zeer mooie Wandelkaart van Heerenveen en Oranjewoud bij ons, die uitgegeven is door de Vereeniging tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer te Heerenveen en waren er dus spoedig geheel en al thuis en genoten naar behooren van de Witte Brug, de Dominé’s Singel, de vijvers (13) en Oranjegrift, de ietwat kinderachtige aantrekkelijkheden van het Doolhof en den Berg van Brongerga, maar bovenal van het heerlijke sparrenbosch.Daar is het heerlijk. Er gaan slingerpaden in alle richtingen over den flauw golvenden bodem tusschen het hoog geboomte. Getrouw aan den naam zijn dat voor een groot deel fijnsparren, maar er staan eigenlijk toch nog meer grove dennen (14) en ook loofhout en heestergewas, zooveel ge maar wilt. Vooral de grove dennen zijn bijzonder prachtig, vele er van reiken zoo hoog en zien er zoo zwaar en oud uit, dat men er de oorspronkelijke aanplantingen van Albertina Agnes in zou kunnen meenen te ontdekken. Misschien is er nog zoo’n enkel oudje bij, maar ik moet u waarschuwen, dat we in ons land maar weinig boomen hebben, die tweehonderdenvijftig jaar oud zijn. We mogen al heel blij wezen met honderdjarige boomen en daarvan staan er in dit sparrenbosch zeker genoeg. Wat zijn die dennen dan mooi. Het lijkt of hun wortels den grond een eindje hebben omhoog getild, want al die oude boomen staan op een klein heuveltje, dat weer mooi begroeid is met boschbessen en hengel. De dikke stam is tot op een hoogte van vijftien tot twintig meter vrij van takken en schors, blauwachtig grijs en hier en daar bemost en gespleten in groote plakken, net de schubben van een reusachtig slangenmonster. Hoogerop, waar de vertakkingen beginnen wordt de schors fijner en bruinrood tot oranje toe en als daar de lage morgen- of avondzon in schijnt, dan krijgt ge tusschen de blauwgroene naalden een allerprachtigst kleurenspel te zien.Daar kun je gerust een half uur naar liggen kijken en dat deden wij dan ook met het allergrootste genoegen. En dat werd er niet minder op, toen hoog boven de kronen op strakke vleugels een boomvalkje kwam aanzeilen, dat onmiddellijk met veel geraas en geratel werd aangevallen door een paar mistellijsters, de moedigste van alle zangvogels. Die hadden haar nest zeker in een van die dennen. In een der toppen zat een groene specht te galmen en toen we verder wandelden, meende ik op het geluid af zijn nest te vinden ook. Ik hoorde het onophoudelijk hongergeroep van jonge spechtjes en vond ook al spoedig het gat in een eikeboom, de splinters van het uithaksel lagen nog op den grond. Maar toen we ons in de nabijheid hadden verscholen, kwam daar niet een groene specht aanvliegen, doch een bonte, prachtig zwart met wit en helderrood. Die plofte als het ware op den[14]eikenstam neer, klauterde langs de schors met forsche grepen van zijn scherpgeklauwde pooten en schoot eindelijk door het gat naar binnen. Het laatste wat je van hem zag, waren de helroode veeren onder aan zijn staart. Hier huisde dus niet alleen de groene specht, maar ook de bonte, wat trouwens wel te verwachten was.Al verder wandelden we onder allerlei geboomte en belandden op een plek, waar in den winter gekapt was. De groote stammen waren al weggereden, de diepe sporen van den mallejan waren nog zichtbaar in den mullen boschgrond. Het kleinere hout lag nog opgetast in schelven en daar boven op zaten winterkoninkjes te zingen met kneutjes en paapjes dat het een lust was. Een eekhoorn, die, ik weet heusch niet waarom, zich tot middenin de open plek had gewaagd, holde als een bezetene over den kalen bodem, naar dendichtstbijzijndenboom, die altijd nog wel honderd meter ver was. Zoo iets is voor een eekhoorn in angst een heele bijzonderheid en hij grinnikte heel tevreden, toen hij eindelijk goed en wel in zijn sparreboom zat. Wij wandelden verder onder onafgebroken vogelgezang van nachtegaal, roodborst, tuinfluiter, braamsluiper, fitis, tjiftjaf, merel, zanglijster, mistellijster, houtduif, tortelduif, het volle vogelkoor in het bosch.Nu leidde het pad de laagte in langs een smal watertje, waar hooge Koningsvarens (15) groeiden, het pad zelf werd leemig en glibberig. Maar dat duurde niet lang, dra ging het weer de hoogte in en tegelijk hoorden we nieuwe, vreemdsoortige geluiden: geblaas en gekolder, gerommel en gekras en dat kon maar éen ding beteekenen, n.l. een reigerkolonie. Weldra zagen we de nesten in de hooge dennen en groote blauwe reigers vlogen af en aan. Aardig was het om te zien, hoe ze de lange pooten lieten zakken, als ze op het nest zouden neerstrijken en hoe ze daar door hun ega ontvangen werden met hooggeheven kuif en wijd opengesperden snavel. Andere zaten doodstil op de hoogste takken, scherp afgeteekend tegen de blauwe lucht.Den volgenden dag hadden wij een ambitieus plan. We wilden n.l. een toer maken door alle twintig dorpen van de gemeente Weststellingwerf. Wel, dat hebben we bijna klaargespeeld, alleen doordat we in den voormiddag overvallen werden door een zware onweersbui, hebben we het westelijkst gedeelte gemist, wat me wel spijt. Het begin liet zich goed aanzien. Van ons hotelletje reden we langs den aardig bebouwden grintweg, naar den grooten straatweg, die hier bezet is met zeer mooie, rijk beplante buitenplaatsen. Toen kwamen we door het dorpje Oudeschoot, waar juist alles in gereedheid werd gebracht voor de groote paardenmarkt, die ieder jaar met Pinksteren een van de voornaamste gebeurtenissen is in deze streek van de wereld. Weldra kruisten we de Tjonger, hier geheel gekanaliseerd en tusschen dijken besloten en een eindje verder leidde een klein bruggetje over de beroemde Metworst-vaart. Toen de groote rechte rijksstraatweg wat eentonig dreigde te worden, kwam er afwisseling in den vorm van een allerkleurigst uitspanningtje (1), half verborgen onder een reusachtige linde en groote vlieren in vollen bloei. Een aardige hooischuur met rieten wanden stond middenin hooge, wuivende witte wilgen. Huis en schuur prijkten in de nationale kleuren van roode pannen, witte muren, blauwe deuren en[17]kozijnen, alles in stemmige tinten en boven op het dak wiegelde een blikken reiger onrustig heen en weer als windwijzer. ’t Was alles buitengewoon aangenaam, behalve het gewiegel van den reiger, dat ons de donderbui voorspelde, die ons een kwartier later even voorbij Nyelamer (2) te pakken kreeg. Een beetje nat sloegen we toen rechtsaf een wegje in naar boven en daar kregen we weer den hoogen zand- en boschgrond te pakken, de weg omzoomd met heel oude kortgehakte berken (3); we waren hier weer bovenop de waterscheiding tusschen Tjonger en Linde. In Wolvega (4) scheen het zonnetje weer, zoodat we een aangenamen indruk kregen van het welvarend plaatsje met zijn breede, schoone hoofdstraat en het aloude Lindenoord, waar Onno Zwier van Haren heeft gewoond. We besloten nu toch maar weer door te zetten en bereikten langs het kerkhof en een mooi hoog bosch de Lindebrug (5), waar we een poosje bleven baliekluiven, want het landschap was hier in één woord prachtig. De weg en de brug liggen hoog over het water heen, want ’s winters rijst de rivier verscheidene voeten. In vele kronkelingen stroomde het bruine veenwater langzaam Zuiderzeewaarts. Het jonge riet was langs de oevers al hoog opgeschoten en daartusschen kwamen de gele lisschen in bloei, die ook wijd landwaarts in stonden, want het land is hier overal laag en drassig. Een klein driftig molentje probeerde een omkaaid stukje grond droog te malen. Het was een zoogenaamde tjasgermolen (20), dat is niets anders dan een vijzel of tonmolen, met de noodige schuinte neergezet in het te bemalen slootje en de vier wieken eenvoudig bevestigd op het bovenste uiteinde van zijn as, een allereenvoudigste inrichting, die je in Friesland op veel plaatsen nog aantreft. Ze zien er heel typisch uit, die tjasgers, en ’t is eigenlijk jammer, dat ze gaandeweg vervangen worden door standerdmolentjes (19), of door die witte, blikken, veelwiekige Amerikaansche molens, of, zooals in de grootere polders, door stoomgemalen.[15]13 ORANJEWOUD—VIJVER13 ORANJEWOUD—VIJVER14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES17 WOLVEGA—KERKJE17 WOLVEGA—KERKJE18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOP18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.[16]19 STANDERDMOLEN19 STANDERDMOLEN20 TJASGERMOLEN20 TJASGERMOLEN21 OLTERTERP—BOSCH21 OLTERTERP—BOSCH22 RINSUMAGEEST22 RINSUMAGEEST23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN24 SURHUISTERVEEN24 SURHUISTERVEENJAN VOERMAN Jr.[17]Toen we verderop reden, kregen we weer sporen van vroegere verveningen te zien. Naar links lagen midden in het bonte hooiland groote, smalle, rechthoekige, groene plekken: uitgeveende plassen, die nu alweer geheel en al dichtgegroeid waren met de snelst-groeiende van alle waterplanten, de stekelige hanekam, scheeren, krabbeschaar of water-aloë. Ieder voorjaar komen die planten uit den modderbodem omhoog, ieder najaar verzinken ze weer en wat er van hen afsterft, maakt de modderlaag hoe langer hoe dikker. Nu in Juni bedekten ze het water met een wankelen vloer, waarop zwarte sterntjes en zwartkopmeeuwen (94) hun nesten hadden gebouwd. Krijschend vlogen die watervogels af en aan en toen een bruine kiekendief, dien ze hier hoanskrobber noemen, kwam kijken, of hij soms een eitje kon snappen, kreeg hij de geheele gemeente razend en tierend om hem heen, zoodat hij geheel verbouwereerd een goed heenkomen moest zoeken.Nu linksaf een hobbelig straatwegje op, dat oostwaarts leidt naar de hooge venen. Die zijn, wat Weststellingwerf betreft, al lang vergraven en in plaats daarvan is nu de weg bezet met groote en kleine boerderijen en huizingen, die met elkaar een viertal dorpen vormen, die onmerkbaar in elkander overgaan: Peperga, Steggerda, Finkega en Noordwolde. Peperga (6) heeft nog al een flinken hoogen toren, maar de kerken van de andere dorpjes zie je[18]pas als je er vlak bij bent; een ervan, ik kan mij heusch niet meer herinneren, of het Steggerda of Finkega (7) was, heeft zijn kleine kerkje onder slanke wilgeboomen heel apart en nietig in het weiland staan. Overigens was het landschap weer echt Zevenwolderig met veel herinneringen aan het aloude Budahenna. In Noordwolde (8) pleisterden we in „De Dolfijn,” zoo genoemd naar het schip van een ouden veenschipper, die in de vorige eeuw of nog eerder als zoo menig schipper de vaart er aan gaf om een tapperijtje te beginnen. Nu huisde er een Groninger, die meent dat: „hontginnen en een oenderpark ouden het mooiste is wat je in je leven kunt doen” en ons opwekte, om eens een omritje te maken over Frederiksoord, om eens wat resultaten van ontginningswerk te zien. Dat hebben we dan ook gedaan, eerst langs de rietvlechtschool naar Boyl, toen over een mooien nieuwen klinkerweg op Drente aan, eerst door schilderachtige natte hei, toen door mooie nieuwe bosschen naar het oude Doldersum en vandaar naar het nog oudere en zeer mooie Vledder met zijn grijzen zadeldaktoren. Vandaar naar Frederiksoord was maar een ommezien, en toen hebben we op ons gemak het ontginningswerk tusschen Frederiksoord en Noordwolde kunnen bekijken, want we hadden een allerafgrijselijksten tegenwind. Toch hebben wij ons dat omwegje niet beklaagd.Nu ging het weer aan op het ons reeds welbekende Oldeberkoop (10) en wel in het eerst langs hooggelegen graanvelden en aardige bosschen van dennen en berken (9), tot waar de Linde (18) weer door het groenland kronkelt en aan gene zijde van dat riviertje vonden we weer hoog opgaande bosschen, ditmaal meest eiken en populieren met weelderig onderhout. Daarna verder naar huis toe. Ditmaal was het hek van Schoterland gesloten en we moesten naar het brugwachtershuis om toegang te vragen tot de gemeente, waar we tijdelijk onze tenten hadden opgeslagen. Daarbij kwam onder meer aan het licht, dat het hek altijd gesloten is, en dat het een tolhek is en dat wij den vorigen keer, hoewel bij ongeluk, de misdaad hadden begaan van den tol te passeeren, zonder te betalen. Gelukkig konden wij het verzuim herstellen door nu eenvoudig twee cent te geven in plaats van één. Ging het altijd maar zoo gemakkelijk![20]De Oldenhove te Leeuwarden[21]

[Inhoud]IN DE ZEVENWOLDEN.I.IN DE ZEVENWOLDEN.In hetZuiderzee-albumheb ik u verteld, hoe benieuwd wij al jaren lang waren naar het land van Kuinder en Linde. Telkens als wij naar het Noorden reisden, naar Terschelling of naar Schiermonnikoog, werd onze aandacht getrokken door het heuvelland van Steenwijkerwold en Peperga, waar de spoorweg gaat door een diepe insnijding, met brem begroeid. En verderop kruisten we dan allerlei geheimzinnige riviertjes, eerst de Linde met zijn moerassig oeverland en dan een paar van minder allooi; de eene heet Scheene en de andere voert den griezeligen naam van Metworst-vaart. Ten slotte kwam dan de Kuinder of Tjonger zelf, die vooral sinds haar kanalisatie er nog al belangrijk uitziet en afkomstig is uit de verre venen en verlokkelijke boschstreken.Eindelijk kwam het zoover en konden we een viertal zomerdagen besteden aan de uitvoering van ons geliefkoosd plan. De sneltrein naar het Noorden bracht ons vlug in Meppel, en even na den middag stapten we uit in Wolvega (17), waar we voor een dag of drie ons hoofdkwartier dachten op te slaan. Maar het eene hotel werd juist vertimmerd en in het andere was een groote drukte, zoodat we na kort beraad ons rijwiel bestegen, om een welbekend verblijf op te zoeken in Heerenveen. Intusschen, toen we in een paar minuten het bruggetje over de Scheene hadden bereikt, begrepen we, dat we nu veel te vroeg in Heerenveen zouden aankomen en dan onzen middag eigenlijk zouden versnipperen. We besloten daarom een omweg te maken en sloegen den eersten zijweg naar links in, het zindelijke klinkerweggetje naar Oldeholtwolde.Het was een groot genoegen, weer eens een zwerftocht te beginnen door een voor ons geheel nieuwe streek. Het begin zag er echter vrij gewoon uit, de weg en zijn bermen, de[8]lage elzen en wilgen, de slooten en de weilanden zagen er weinig anders uit dan in Holland. Maar toen we Oldeholtwolde door waren en nog weer een bocht hadden gepasseerd, ging de weg heel eventjes stijgen, bijna onmerkbaar, maar gestadig. We beklommen den zandrug, die de scheiding vormt tusschen de dalen van de Linde en de Tjonger. Denk u echter die dalen niet te diep en die scheiding vooral niet te hoog. Intusschen maakte het weiland plaats voor roggevelden en aardappelakkers, de slooten werden vervangen door walletjes en, wat wel het aardigst was, bij de huizen of in verloren hoekjes lagen allemaal stukjes bosch. Dat was dan soms maar een enkel eikje of berkje of een paar bremstruiken, maar de grond er om en er onder was begroeid met de echte boschplanten, met groote sterremuur, dalkruid, lelietjes van dalen, anemoontjes, varens van allerlei soort en wel heel veel de mooie koningsvaren, het schoonste sieraad van venige woudstreken.Nog voor we het hoogste punt van de waterscheiding hadden bereikt, sloeg de weg weer oostwaarts af en nu hadden we naar links voortdurend een aardig uitzicht op nog grootere boschjes, meest dennetjes en akkermaalshout, afgewisseld door akkers.Welgemoed bereikten we het dorp Oldeholtpade met zijn aardige vlugge torenspits. We zouden al spoedig merken, dat in deze streek van Friesland een mooie hooge toren met slanke spits bijzonder gewaardeerd moet worden, want er zijn er niet veel.Even voorbij de kerk staat een kring van boomen, dat ziet er net uit, of we daar te doen hebben met de een of andere geheimzinnigheid uit vroeger tijden, maar daar zijn ze toch te jong voor. Intusschen zijn we hier wel op een plek, die in de historie bekend is. Langs die boomen gaat een pad naar rechts, dat zou ons over de hoogte heen brengen naar een bruggetje over de Linde en dan verder over Westerhoeven naar Noordwolde. Tusschen twee haakjes ge moet er aan wennen, dat hier in de dorpsnamen telkens ge-old of ge-holt of ge-wold wordt; dat komt allemaal van die oude bosschen.Maar om op dat pad terug te komen, dat wij echter thans niet zullen inslaan, dat is nu een van de alleroudste toegangswegen tot Friesland, waarschijnlijk veel ouder dan de weg over Wolvega. Een paar duizend jaar geleden strekte zich hier een bijna ontoegankelijk woud uit, het Baduhenna woud. Sommige meenen, dat het „pade” in Oldeholtpade en Nijeholtpade nog aan dien naam herinnert. De oude Tacitus heeft het er ook over en vertelt dan, dat—en dat moet dan hier in de buurt van Oldeholtpade gebeurd zijn—bij gelegenheid van den opstand der Friezen tegen de Romeinen, in dat Baduhenna woud een groote afdeeling van het Romeinsche leger een nederlaag geleden heeft, wat niet belette, dat beide volken zeer kort daarop toch nog heel goede maatjes zijn geworden. Maar als je bij Tacitus leest, hoe de troepen met planken en balken, bruggen en vondertjes, schuiten en vlotten moesten werken, om in het land door te dringen, dan ga je het heden waardeeren, ofschoon de wielrijder thans nog in Friesland op menige plaats geen weg kan vinden. Dat beseften we nog eerst recht, toen we Nijeholtpade door waren en we naar links een overzicht kregen over de Tjongerlanden. Zoover het oog reikte niets dan hooiland, afgewisseld met breede, donkere veenslooten. Hoog wuifden de grassen, de boterbloemen[11]en de wilde zuring, want het was in het begin van Juni. Langbeenige, langsnavelige grutto’s zweefden met trillende vleugels boven het kleurige veld en lieten allerlei geluiden hooren van vrees of vreugd. Ook buitelden er kieviten en de kwartelkoning, verborgen tusschen het gras knarste onophoudelijk zijn „sneers, sneers”. Dan kwam er een groote zwarte plek tusschen de bloemen, daar werd nog geveend. Hier lag veenbagger over het land gespreid (12), ginds was die al gedroogd en werd ze aan stukken gesneden, die gestapeld en gedroogd, tot harde, korte turven zouden worden. Twee mannetjes in de onmetelijkheid waren daarmee bezig.[9]1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA4 WOLVEGA—STRAATJE4 WOLVEGA—STRAATJE5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA6 PEPERGA—HAVENTJE6 PEPERGA—HAVENTJEJAN VOERMAN Jr.[10]7 FINKEGA—KERKJE7 FINKEGA—KERKJE8 NOORDWOLDE8 NOORDWOLDE9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADE12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADEJAN VOERMAN Jr.[11]Langs den weg zelf lagen van afstand tot afstand aardige boerderijen in hun krans van boomen, meest wilgen en populieren, nog al ijl geplant, maar nadat we een klein half uurtje langs die hooi- en veenlanden hadden gereden, doemden dichtere boommassa’s voor ons op, de huizen stonden dichter gereid en opeens waren we in een mooi dorp met een oud rechthuis, dat was Oldeberkoop (10), een van de oudste plaatsen in Friesland. De kerk konden wij eerst niet vinden, die ligt letterlijk geheel verborgen onder reusachtige lindeboomen. Maar het was een aardige kerk, al had men het gebouw ook heelemaal geel geolieverfd. Ook kregen wij hier onzen eersten zadeldak-toren te zien, zooals we er op onze zwerftochten ze nog bij dozijnen zouden ontmoeten. Men vindt ze ook hier en daar in Drente en Overijsel, maar in Holland nergens. Wel weer in Duitschland en Zwitserland en ook in Schotland. Er zit een verhaal aan vast van bepaalde volksstammen, die juist zulke torens bouwen, maar het rechte weet ik er niet van en daarom zwijg ik er maar liever over. Wat niet wegneemt, dat ik ze u nog menigmaal hoop aan te wijzen.Wij slenterden wat door het dorp rond en vonden een voetpad door de velden, dat ons leidde naar de roggevelden omhoog en naar den zeer ouden zandweg, die door de heele lengte van de beide Stellingwerven loopt, langs de hoogte van het heuvelruggetje, dat de zuidelijke waterscheiding van de Kuinder vormt. Van hier hadden we een prachtig uitzicht op het lommerrijke dorp en op de bosschen van het Linde-dal. Bovendien waren de roggevelden vol prachtige blauwe korenbloemen, zoodat we in de allertevredenste stemming ons Oldeberkoop verlieten, om over Oudehorne en Nijehorne Heerenveen op te zoeken, het Friesche Haagje.Als je in die richting Oldeberkoop verlaat, dan rijdt je eerst door de nieuwe villabuurt en dan langs de haven en door een mooie eikenlaan op de gekanaliseerde Tjonger aan. Daar vonden wij een groene brug (96) en bij de bruggewachterswoning dwars over den weg een groot groen hek, dat echter gastvrij open stond en we reden er dus welgemoed door heen. Dit is het hek van Schoterland of liever nog het hek van Friesland, want in de Stellingwerven, in het Overtjongersche, zooals ze dat noemen, daar wonen nog niet de echte zuivere Friezen, daar spreekt men niet de echte Friesche taal. Die Tjonger is werkelijk altijd een geduchte grensrivier geweest.De weg werd hier heel mooi en leidde een heel stuk door echt oorspronkelijk woudgebied: boschjes van eiken en dennen, afgewisseld met hooge, bultige, venige hei (11). Hier[12]stond dan ook in volle praal als een kleine zonnebloem de Arnica te bloeien, de plant van de bergen en van de echte hooge grintgronden, die in den ijstijd zijn afgezet en waarop zich later het hoogveen heeft gevormd. In de Hollandsche plantkundeboeken heet die mooie bloem tegenwoordig „Valkruid”, wat een heel leelijke naam is. Naar het voorbeeld der Duitschers en Vlamingen noemt men haar ook wel Wolverlei, wat al een boel beter klinkt, maar ik blijf maar liever bij Arnica, dat klinkt goed, dat is een wetenschappelijke naam en het heilzaam aftreksel van de plant koop je in de apotheek ook onder den naam van Arnica-tinctuur. Buitengewoon goed bij verwondingen en bij vermoeidheid in de beenen: een voetbadje in water met een scheutje arnica werkt wonderen uit. Alleen door het zien van de bloem gingen we al harder trappen en weldra bereikten we de plek, waar de weg rechthoekig ombuigt naar Oudehorne. Nu kregen we weer zes kilometer echt Woldenlandschap, maar nog mooier dan bij Oldeholtpade: boerderijen afgewisseld met kampjes bosch en meestal gescheiden door walletjes, begroeid met de echte woudflora. Naast lijsterbes en meidoorn speelde hier de hulst (16) een groote rol, die groeit daar soms als een echte boom met een stam van wel twee decimeter dik.In de lagere gedeelten zijn de erven hier omgeven door slooten en die zijn dan aan den wegrand meestal met elzen beplant. Waarschijnlijk om het uitzicht vrij te houden zijn die struiken zoowat op driekwart manshoogte afgekapt en nu vormen de onderste twijgen een dak over de sloot heen, die geheel verscholen ligt onder zijn elzentunnel. Dat zag er nog al vreemd uit.Voorbij Nijehorne werd het al boschrijker, we naderden nu een van de groote beroemdheden van Friesland, het Oranjewoud (13). Eer we dat bereikten, passeerden we nog een klein dorpje, dat den griezeligen naam draagt van Katlijk, maar er overigens heel vriendelijk uitziet. Hier vonden we weer een bijzonderheid van den Frieschen bodem: het klokkenhuis (95). De kerk heeft geen toren, tenminste niet een, die groot en stevig genoeg is om de zware klokken te dragen en nu heeft men uit zwaar balkenwerk een alleraardigste stellage gebouwd, daarin hangen de klokken open en bloot, maar hoog en droog onder een afdakje. Een Hollander kijkt daar zijn oogen aan uit, wij zullen dergelijke klokkenhuizen nog op menige plaats ontmoeten.En nu, na nog een bocht, kwamen de zware grove dennen en de forsche eiken, en naast de koningsvaren (15) de adelaarsvarens, die met allerlei krullen en bochten uit den bodem ontsproten, dien zij later in den zomer onder hun dicht loover geheel zullen verbergen. Er bloeiden nog boschbessen en lelietjes van dalen en al de planten, die we, op onzen langen weg hierheen, verdwaald hadden aangetroffen tusschens akkers en weiden, tierden hier echt op de plekken, waar ze thuis behoorden, in het heerlijke bosch, dat nu op zijn mooist was, want wij schreven 10 Juni. En het leek er ons zoo aardig, dat we voorloopig Heerenveen in den steek lieten en voor de volgende dagen ons hoofdkwartier opsloegen in een alleraardigst hotelletje midden in dat Oranjewoud.Eigenlijk komt die naam toe aan het groote witte paleisachtige buiten, dat de weduwe[13]van stadhouder Willem Frederik, Albertina Agnes, in het laatst van de zeventiende eeuw heeft laten bouwen. Het zat toen in de lucht, dat vorstelijke personen en andere voorname lieden groote buitens lieten bouwen met uitgestrekte parken. Lodewijk XIV had het voorbeeld gegeven en dat werd overal vlijtig nagevolgd, o.a. door den Hollandschen stadhouder Willem III, die in dien tijd Het Loo opnieuw liet bouwen en aanleggen. Die bouw- en plantlust heeft ons, nazaten, heel veel mooie kasteelen, huizingen en wouden bezorgd en daaronder mag het Oranjewoud met eere genoemd worden. Wij hadden de zeer mooie Wandelkaart van Heerenveen en Oranjewoud bij ons, die uitgegeven is door de Vereeniging tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer te Heerenveen en waren er dus spoedig geheel en al thuis en genoten naar behooren van de Witte Brug, de Dominé’s Singel, de vijvers (13) en Oranjegrift, de ietwat kinderachtige aantrekkelijkheden van het Doolhof en den Berg van Brongerga, maar bovenal van het heerlijke sparrenbosch.Daar is het heerlijk. Er gaan slingerpaden in alle richtingen over den flauw golvenden bodem tusschen het hoog geboomte. Getrouw aan den naam zijn dat voor een groot deel fijnsparren, maar er staan eigenlijk toch nog meer grove dennen (14) en ook loofhout en heestergewas, zooveel ge maar wilt. Vooral de grove dennen zijn bijzonder prachtig, vele er van reiken zoo hoog en zien er zoo zwaar en oud uit, dat men er de oorspronkelijke aanplantingen van Albertina Agnes in zou kunnen meenen te ontdekken. Misschien is er nog zoo’n enkel oudje bij, maar ik moet u waarschuwen, dat we in ons land maar weinig boomen hebben, die tweehonderdenvijftig jaar oud zijn. We mogen al heel blij wezen met honderdjarige boomen en daarvan staan er in dit sparrenbosch zeker genoeg. Wat zijn die dennen dan mooi. Het lijkt of hun wortels den grond een eindje hebben omhoog getild, want al die oude boomen staan op een klein heuveltje, dat weer mooi begroeid is met boschbessen en hengel. De dikke stam is tot op een hoogte van vijftien tot twintig meter vrij van takken en schors, blauwachtig grijs en hier en daar bemost en gespleten in groote plakken, net de schubben van een reusachtig slangenmonster. Hoogerop, waar de vertakkingen beginnen wordt de schors fijner en bruinrood tot oranje toe en als daar de lage morgen- of avondzon in schijnt, dan krijgt ge tusschen de blauwgroene naalden een allerprachtigst kleurenspel te zien.Daar kun je gerust een half uur naar liggen kijken en dat deden wij dan ook met het allergrootste genoegen. En dat werd er niet minder op, toen hoog boven de kronen op strakke vleugels een boomvalkje kwam aanzeilen, dat onmiddellijk met veel geraas en geratel werd aangevallen door een paar mistellijsters, de moedigste van alle zangvogels. Die hadden haar nest zeker in een van die dennen. In een der toppen zat een groene specht te galmen en toen we verder wandelden, meende ik op het geluid af zijn nest te vinden ook. Ik hoorde het onophoudelijk hongergeroep van jonge spechtjes en vond ook al spoedig het gat in een eikeboom, de splinters van het uithaksel lagen nog op den grond. Maar toen we ons in de nabijheid hadden verscholen, kwam daar niet een groene specht aanvliegen, doch een bonte, prachtig zwart met wit en helderrood. Die plofte als het ware op den[14]eikenstam neer, klauterde langs de schors met forsche grepen van zijn scherpgeklauwde pooten en schoot eindelijk door het gat naar binnen. Het laatste wat je van hem zag, waren de helroode veeren onder aan zijn staart. Hier huisde dus niet alleen de groene specht, maar ook de bonte, wat trouwens wel te verwachten was.Al verder wandelden we onder allerlei geboomte en belandden op een plek, waar in den winter gekapt was. De groote stammen waren al weggereden, de diepe sporen van den mallejan waren nog zichtbaar in den mullen boschgrond. Het kleinere hout lag nog opgetast in schelven en daar boven op zaten winterkoninkjes te zingen met kneutjes en paapjes dat het een lust was. Een eekhoorn, die, ik weet heusch niet waarom, zich tot middenin de open plek had gewaagd, holde als een bezetene over den kalen bodem, naar dendichtstbijzijndenboom, die altijd nog wel honderd meter ver was. Zoo iets is voor een eekhoorn in angst een heele bijzonderheid en hij grinnikte heel tevreden, toen hij eindelijk goed en wel in zijn sparreboom zat. Wij wandelden verder onder onafgebroken vogelgezang van nachtegaal, roodborst, tuinfluiter, braamsluiper, fitis, tjiftjaf, merel, zanglijster, mistellijster, houtduif, tortelduif, het volle vogelkoor in het bosch.Nu leidde het pad de laagte in langs een smal watertje, waar hooge Koningsvarens (15) groeiden, het pad zelf werd leemig en glibberig. Maar dat duurde niet lang, dra ging het weer de hoogte in en tegelijk hoorden we nieuwe, vreemdsoortige geluiden: geblaas en gekolder, gerommel en gekras en dat kon maar éen ding beteekenen, n.l. een reigerkolonie. Weldra zagen we de nesten in de hooge dennen en groote blauwe reigers vlogen af en aan. Aardig was het om te zien, hoe ze de lange pooten lieten zakken, als ze op het nest zouden neerstrijken en hoe ze daar door hun ega ontvangen werden met hooggeheven kuif en wijd opengesperden snavel. Andere zaten doodstil op de hoogste takken, scherp afgeteekend tegen de blauwe lucht.Den volgenden dag hadden wij een ambitieus plan. We wilden n.l. een toer maken door alle twintig dorpen van de gemeente Weststellingwerf. Wel, dat hebben we bijna klaargespeeld, alleen doordat we in den voormiddag overvallen werden door een zware onweersbui, hebben we het westelijkst gedeelte gemist, wat me wel spijt. Het begin liet zich goed aanzien. Van ons hotelletje reden we langs den aardig bebouwden grintweg, naar den grooten straatweg, die hier bezet is met zeer mooie, rijk beplante buitenplaatsen. Toen kwamen we door het dorpje Oudeschoot, waar juist alles in gereedheid werd gebracht voor de groote paardenmarkt, die ieder jaar met Pinksteren een van de voornaamste gebeurtenissen is in deze streek van de wereld. Weldra kruisten we de Tjonger, hier geheel gekanaliseerd en tusschen dijken besloten en een eindje verder leidde een klein bruggetje over de beroemde Metworst-vaart. Toen de groote rechte rijksstraatweg wat eentonig dreigde te worden, kwam er afwisseling in den vorm van een allerkleurigst uitspanningtje (1), half verborgen onder een reusachtige linde en groote vlieren in vollen bloei. Een aardige hooischuur met rieten wanden stond middenin hooge, wuivende witte wilgen. Huis en schuur prijkten in de nationale kleuren van roode pannen, witte muren, blauwe deuren en[17]kozijnen, alles in stemmige tinten en boven op het dak wiegelde een blikken reiger onrustig heen en weer als windwijzer. ’t Was alles buitengewoon aangenaam, behalve het gewiegel van den reiger, dat ons de donderbui voorspelde, die ons een kwartier later even voorbij Nyelamer (2) te pakken kreeg. Een beetje nat sloegen we toen rechtsaf een wegje in naar boven en daar kregen we weer den hoogen zand- en boschgrond te pakken, de weg omzoomd met heel oude kortgehakte berken (3); we waren hier weer bovenop de waterscheiding tusschen Tjonger en Linde. In Wolvega (4) scheen het zonnetje weer, zoodat we een aangenamen indruk kregen van het welvarend plaatsje met zijn breede, schoone hoofdstraat en het aloude Lindenoord, waar Onno Zwier van Haren heeft gewoond. We besloten nu toch maar weer door te zetten en bereikten langs het kerkhof en een mooi hoog bosch de Lindebrug (5), waar we een poosje bleven baliekluiven, want het landschap was hier in één woord prachtig. De weg en de brug liggen hoog over het water heen, want ’s winters rijst de rivier verscheidene voeten. In vele kronkelingen stroomde het bruine veenwater langzaam Zuiderzeewaarts. Het jonge riet was langs de oevers al hoog opgeschoten en daartusschen kwamen de gele lisschen in bloei, die ook wijd landwaarts in stonden, want het land is hier overal laag en drassig. Een klein driftig molentje probeerde een omkaaid stukje grond droog te malen. Het was een zoogenaamde tjasgermolen (20), dat is niets anders dan een vijzel of tonmolen, met de noodige schuinte neergezet in het te bemalen slootje en de vier wieken eenvoudig bevestigd op het bovenste uiteinde van zijn as, een allereenvoudigste inrichting, die je in Friesland op veel plaatsen nog aantreft. Ze zien er heel typisch uit, die tjasgers, en ’t is eigenlijk jammer, dat ze gaandeweg vervangen worden door standerdmolentjes (19), of door die witte, blikken, veelwiekige Amerikaansche molens, of, zooals in de grootere polders, door stoomgemalen.[15]13 ORANJEWOUD—VIJVER13 ORANJEWOUD—VIJVER14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES17 WOLVEGA—KERKJE17 WOLVEGA—KERKJE18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOP18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.[16]19 STANDERDMOLEN19 STANDERDMOLEN20 TJASGERMOLEN20 TJASGERMOLEN21 OLTERTERP—BOSCH21 OLTERTERP—BOSCH22 RINSUMAGEEST22 RINSUMAGEEST23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN24 SURHUISTERVEEN24 SURHUISTERVEENJAN VOERMAN Jr.[17]Toen we verderop reden, kregen we weer sporen van vroegere verveningen te zien. Naar links lagen midden in het bonte hooiland groote, smalle, rechthoekige, groene plekken: uitgeveende plassen, die nu alweer geheel en al dichtgegroeid waren met de snelst-groeiende van alle waterplanten, de stekelige hanekam, scheeren, krabbeschaar of water-aloë. Ieder voorjaar komen die planten uit den modderbodem omhoog, ieder najaar verzinken ze weer en wat er van hen afsterft, maakt de modderlaag hoe langer hoe dikker. Nu in Juni bedekten ze het water met een wankelen vloer, waarop zwarte sterntjes en zwartkopmeeuwen (94) hun nesten hadden gebouwd. Krijschend vlogen die watervogels af en aan en toen een bruine kiekendief, dien ze hier hoanskrobber noemen, kwam kijken, of hij soms een eitje kon snappen, kreeg hij de geheele gemeente razend en tierend om hem heen, zoodat hij geheel verbouwereerd een goed heenkomen moest zoeken.Nu linksaf een hobbelig straatwegje op, dat oostwaarts leidt naar de hooge venen. Die zijn, wat Weststellingwerf betreft, al lang vergraven en in plaats daarvan is nu de weg bezet met groote en kleine boerderijen en huizingen, die met elkaar een viertal dorpen vormen, die onmerkbaar in elkander overgaan: Peperga, Steggerda, Finkega en Noordwolde. Peperga (6) heeft nog al een flinken hoogen toren, maar de kerken van de andere dorpjes zie je[18]pas als je er vlak bij bent; een ervan, ik kan mij heusch niet meer herinneren, of het Steggerda of Finkega (7) was, heeft zijn kleine kerkje onder slanke wilgeboomen heel apart en nietig in het weiland staan. Overigens was het landschap weer echt Zevenwolderig met veel herinneringen aan het aloude Budahenna. In Noordwolde (8) pleisterden we in „De Dolfijn,” zoo genoemd naar het schip van een ouden veenschipper, die in de vorige eeuw of nog eerder als zoo menig schipper de vaart er aan gaf om een tapperijtje te beginnen. Nu huisde er een Groninger, die meent dat: „hontginnen en een oenderpark ouden het mooiste is wat je in je leven kunt doen” en ons opwekte, om eens een omritje te maken over Frederiksoord, om eens wat resultaten van ontginningswerk te zien. Dat hebben we dan ook gedaan, eerst langs de rietvlechtschool naar Boyl, toen over een mooien nieuwen klinkerweg op Drente aan, eerst door schilderachtige natte hei, toen door mooie nieuwe bosschen naar het oude Doldersum en vandaar naar het nog oudere en zeer mooie Vledder met zijn grijzen zadeldaktoren. Vandaar naar Frederiksoord was maar een ommezien, en toen hebben we op ons gemak het ontginningswerk tusschen Frederiksoord en Noordwolde kunnen bekijken, want we hadden een allerafgrijselijksten tegenwind. Toch hebben wij ons dat omwegje niet beklaagd.Nu ging het weer aan op het ons reeds welbekende Oldeberkoop (10) en wel in het eerst langs hooggelegen graanvelden en aardige bosschen van dennen en berken (9), tot waar de Linde (18) weer door het groenland kronkelt en aan gene zijde van dat riviertje vonden we weer hoog opgaande bosschen, ditmaal meest eiken en populieren met weelderig onderhout. Daarna verder naar huis toe. Ditmaal was het hek van Schoterland gesloten en we moesten naar het brugwachtershuis om toegang te vragen tot de gemeente, waar we tijdelijk onze tenten hadden opgeslagen. Daarbij kwam onder meer aan het licht, dat het hek altijd gesloten is, en dat het een tolhek is en dat wij den vorigen keer, hoewel bij ongeluk, de misdaad hadden begaan van den tol te passeeren, zonder te betalen. Gelukkig konden wij het verzuim herstellen door nu eenvoudig twee cent te geven in plaats van één. Ging het altijd maar zoo gemakkelijk![20]De Oldenhove te Leeuwarden[21]

IN DE ZEVENWOLDEN.I.IN DE ZEVENWOLDEN.

IN DE ZEVENWOLDEN.

In hetZuiderzee-albumheb ik u verteld, hoe benieuwd wij al jaren lang waren naar het land van Kuinder en Linde. Telkens als wij naar het Noorden reisden, naar Terschelling of naar Schiermonnikoog, werd onze aandacht getrokken door het heuvelland van Steenwijkerwold en Peperga, waar de spoorweg gaat door een diepe insnijding, met brem begroeid. En verderop kruisten we dan allerlei geheimzinnige riviertjes, eerst de Linde met zijn moerassig oeverland en dan een paar van minder allooi; de eene heet Scheene en de andere voert den griezeligen naam van Metworst-vaart. Ten slotte kwam dan de Kuinder of Tjonger zelf, die vooral sinds haar kanalisatie er nog al belangrijk uitziet en afkomstig is uit de verre venen en verlokkelijke boschstreken.Eindelijk kwam het zoover en konden we een viertal zomerdagen besteden aan de uitvoering van ons geliefkoosd plan. De sneltrein naar het Noorden bracht ons vlug in Meppel, en even na den middag stapten we uit in Wolvega (17), waar we voor een dag of drie ons hoofdkwartier dachten op te slaan. Maar het eene hotel werd juist vertimmerd en in het andere was een groote drukte, zoodat we na kort beraad ons rijwiel bestegen, om een welbekend verblijf op te zoeken in Heerenveen. Intusschen, toen we in een paar minuten het bruggetje over de Scheene hadden bereikt, begrepen we, dat we nu veel te vroeg in Heerenveen zouden aankomen en dan onzen middag eigenlijk zouden versnipperen. We besloten daarom een omweg te maken en sloegen den eersten zijweg naar links in, het zindelijke klinkerweggetje naar Oldeholtwolde.Het was een groot genoegen, weer eens een zwerftocht te beginnen door een voor ons geheel nieuwe streek. Het begin zag er echter vrij gewoon uit, de weg en zijn bermen, de[8]lage elzen en wilgen, de slooten en de weilanden zagen er weinig anders uit dan in Holland. Maar toen we Oldeholtwolde door waren en nog weer een bocht hadden gepasseerd, ging de weg heel eventjes stijgen, bijna onmerkbaar, maar gestadig. We beklommen den zandrug, die de scheiding vormt tusschen de dalen van de Linde en de Tjonger. Denk u echter die dalen niet te diep en die scheiding vooral niet te hoog. Intusschen maakte het weiland plaats voor roggevelden en aardappelakkers, de slooten werden vervangen door walletjes en, wat wel het aardigst was, bij de huizen of in verloren hoekjes lagen allemaal stukjes bosch. Dat was dan soms maar een enkel eikje of berkje of een paar bremstruiken, maar de grond er om en er onder was begroeid met de echte boschplanten, met groote sterremuur, dalkruid, lelietjes van dalen, anemoontjes, varens van allerlei soort en wel heel veel de mooie koningsvaren, het schoonste sieraad van venige woudstreken.Nog voor we het hoogste punt van de waterscheiding hadden bereikt, sloeg de weg weer oostwaarts af en nu hadden we naar links voortdurend een aardig uitzicht op nog grootere boschjes, meest dennetjes en akkermaalshout, afgewisseld door akkers.Welgemoed bereikten we het dorp Oldeholtpade met zijn aardige vlugge torenspits. We zouden al spoedig merken, dat in deze streek van Friesland een mooie hooge toren met slanke spits bijzonder gewaardeerd moet worden, want er zijn er niet veel.Even voorbij de kerk staat een kring van boomen, dat ziet er net uit, of we daar te doen hebben met de een of andere geheimzinnigheid uit vroeger tijden, maar daar zijn ze toch te jong voor. Intusschen zijn we hier wel op een plek, die in de historie bekend is. Langs die boomen gaat een pad naar rechts, dat zou ons over de hoogte heen brengen naar een bruggetje over de Linde en dan verder over Westerhoeven naar Noordwolde. Tusschen twee haakjes ge moet er aan wennen, dat hier in de dorpsnamen telkens ge-old of ge-holt of ge-wold wordt; dat komt allemaal van die oude bosschen.Maar om op dat pad terug te komen, dat wij echter thans niet zullen inslaan, dat is nu een van de alleroudste toegangswegen tot Friesland, waarschijnlijk veel ouder dan de weg over Wolvega. Een paar duizend jaar geleden strekte zich hier een bijna ontoegankelijk woud uit, het Baduhenna woud. Sommige meenen, dat het „pade” in Oldeholtpade en Nijeholtpade nog aan dien naam herinnert. De oude Tacitus heeft het er ook over en vertelt dan, dat—en dat moet dan hier in de buurt van Oldeholtpade gebeurd zijn—bij gelegenheid van den opstand der Friezen tegen de Romeinen, in dat Baduhenna woud een groote afdeeling van het Romeinsche leger een nederlaag geleden heeft, wat niet belette, dat beide volken zeer kort daarop toch nog heel goede maatjes zijn geworden. Maar als je bij Tacitus leest, hoe de troepen met planken en balken, bruggen en vondertjes, schuiten en vlotten moesten werken, om in het land door te dringen, dan ga je het heden waardeeren, ofschoon de wielrijder thans nog in Friesland op menige plaats geen weg kan vinden. Dat beseften we nog eerst recht, toen we Nijeholtpade door waren en we naar links een overzicht kregen over de Tjongerlanden. Zoover het oog reikte niets dan hooiland, afgewisseld met breede, donkere veenslooten. Hoog wuifden de grassen, de boterbloemen[11]en de wilde zuring, want het was in het begin van Juni. Langbeenige, langsnavelige grutto’s zweefden met trillende vleugels boven het kleurige veld en lieten allerlei geluiden hooren van vrees of vreugd. Ook buitelden er kieviten en de kwartelkoning, verborgen tusschen het gras knarste onophoudelijk zijn „sneers, sneers”. Dan kwam er een groote zwarte plek tusschen de bloemen, daar werd nog geveend. Hier lag veenbagger over het land gespreid (12), ginds was die al gedroogd en werd ze aan stukken gesneden, die gestapeld en gedroogd, tot harde, korte turven zouden worden. Twee mannetjes in de onmetelijkheid waren daarmee bezig.[9]1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA4 WOLVEGA—STRAATJE4 WOLVEGA—STRAATJE5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA6 PEPERGA—HAVENTJE6 PEPERGA—HAVENTJEJAN VOERMAN Jr.[10]7 FINKEGA—KERKJE7 FINKEGA—KERKJE8 NOORDWOLDE8 NOORDWOLDE9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADE12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADEJAN VOERMAN Jr.[11]Langs den weg zelf lagen van afstand tot afstand aardige boerderijen in hun krans van boomen, meest wilgen en populieren, nog al ijl geplant, maar nadat we een klein half uurtje langs die hooi- en veenlanden hadden gereden, doemden dichtere boommassa’s voor ons op, de huizen stonden dichter gereid en opeens waren we in een mooi dorp met een oud rechthuis, dat was Oldeberkoop (10), een van de oudste plaatsen in Friesland. De kerk konden wij eerst niet vinden, die ligt letterlijk geheel verborgen onder reusachtige lindeboomen. Maar het was een aardige kerk, al had men het gebouw ook heelemaal geel geolieverfd. Ook kregen wij hier onzen eersten zadeldak-toren te zien, zooals we er op onze zwerftochten ze nog bij dozijnen zouden ontmoeten. Men vindt ze ook hier en daar in Drente en Overijsel, maar in Holland nergens. Wel weer in Duitschland en Zwitserland en ook in Schotland. Er zit een verhaal aan vast van bepaalde volksstammen, die juist zulke torens bouwen, maar het rechte weet ik er niet van en daarom zwijg ik er maar liever over. Wat niet wegneemt, dat ik ze u nog menigmaal hoop aan te wijzen.Wij slenterden wat door het dorp rond en vonden een voetpad door de velden, dat ons leidde naar de roggevelden omhoog en naar den zeer ouden zandweg, die door de heele lengte van de beide Stellingwerven loopt, langs de hoogte van het heuvelruggetje, dat de zuidelijke waterscheiding van de Kuinder vormt. Van hier hadden we een prachtig uitzicht op het lommerrijke dorp en op de bosschen van het Linde-dal. Bovendien waren de roggevelden vol prachtige blauwe korenbloemen, zoodat we in de allertevredenste stemming ons Oldeberkoop verlieten, om over Oudehorne en Nijehorne Heerenveen op te zoeken, het Friesche Haagje.Als je in die richting Oldeberkoop verlaat, dan rijdt je eerst door de nieuwe villabuurt en dan langs de haven en door een mooie eikenlaan op de gekanaliseerde Tjonger aan. Daar vonden wij een groene brug (96) en bij de bruggewachterswoning dwars over den weg een groot groen hek, dat echter gastvrij open stond en we reden er dus welgemoed door heen. Dit is het hek van Schoterland of liever nog het hek van Friesland, want in de Stellingwerven, in het Overtjongersche, zooals ze dat noemen, daar wonen nog niet de echte zuivere Friezen, daar spreekt men niet de echte Friesche taal. Die Tjonger is werkelijk altijd een geduchte grensrivier geweest.De weg werd hier heel mooi en leidde een heel stuk door echt oorspronkelijk woudgebied: boschjes van eiken en dennen, afgewisseld met hooge, bultige, venige hei (11). Hier[12]stond dan ook in volle praal als een kleine zonnebloem de Arnica te bloeien, de plant van de bergen en van de echte hooge grintgronden, die in den ijstijd zijn afgezet en waarop zich later het hoogveen heeft gevormd. In de Hollandsche plantkundeboeken heet die mooie bloem tegenwoordig „Valkruid”, wat een heel leelijke naam is. Naar het voorbeeld der Duitschers en Vlamingen noemt men haar ook wel Wolverlei, wat al een boel beter klinkt, maar ik blijf maar liever bij Arnica, dat klinkt goed, dat is een wetenschappelijke naam en het heilzaam aftreksel van de plant koop je in de apotheek ook onder den naam van Arnica-tinctuur. Buitengewoon goed bij verwondingen en bij vermoeidheid in de beenen: een voetbadje in water met een scheutje arnica werkt wonderen uit. Alleen door het zien van de bloem gingen we al harder trappen en weldra bereikten we de plek, waar de weg rechthoekig ombuigt naar Oudehorne. Nu kregen we weer zes kilometer echt Woldenlandschap, maar nog mooier dan bij Oldeholtpade: boerderijen afgewisseld met kampjes bosch en meestal gescheiden door walletjes, begroeid met de echte woudflora. Naast lijsterbes en meidoorn speelde hier de hulst (16) een groote rol, die groeit daar soms als een echte boom met een stam van wel twee decimeter dik.In de lagere gedeelten zijn de erven hier omgeven door slooten en die zijn dan aan den wegrand meestal met elzen beplant. Waarschijnlijk om het uitzicht vrij te houden zijn die struiken zoowat op driekwart manshoogte afgekapt en nu vormen de onderste twijgen een dak over de sloot heen, die geheel verscholen ligt onder zijn elzentunnel. Dat zag er nog al vreemd uit.Voorbij Nijehorne werd het al boschrijker, we naderden nu een van de groote beroemdheden van Friesland, het Oranjewoud (13). Eer we dat bereikten, passeerden we nog een klein dorpje, dat den griezeligen naam draagt van Katlijk, maar er overigens heel vriendelijk uitziet. Hier vonden we weer een bijzonderheid van den Frieschen bodem: het klokkenhuis (95). De kerk heeft geen toren, tenminste niet een, die groot en stevig genoeg is om de zware klokken te dragen en nu heeft men uit zwaar balkenwerk een alleraardigste stellage gebouwd, daarin hangen de klokken open en bloot, maar hoog en droog onder een afdakje. Een Hollander kijkt daar zijn oogen aan uit, wij zullen dergelijke klokkenhuizen nog op menige plaats ontmoeten.En nu, na nog een bocht, kwamen de zware grove dennen en de forsche eiken, en naast de koningsvaren (15) de adelaarsvarens, die met allerlei krullen en bochten uit den bodem ontsproten, dien zij later in den zomer onder hun dicht loover geheel zullen verbergen. Er bloeiden nog boschbessen en lelietjes van dalen en al de planten, die we, op onzen langen weg hierheen, verdwaald hadden aangetroffen tusschens akkers en weiden, tierden hier echt op de plekken, waar ze thuis behoorden, in het heerlijke bosch, dat nu op zijn mooist was, want wij schreven 10 Juni. En het leek er ons zoo aardig, dat we voorloopig Heerenveen in den steek lieten en voor de volgende dagen ons hoofdkwartier opsloegen in een alleraardigst hotelletje midden in dat Oranjewoud.Eigenlijk komt die naam toe aan het groote witte paleisachtige buiten, dat de weduwe[13]van stadhouder Willem Frederik, Albertina Agnes, in het laatst van de zeventiende eeuw heeft laten bouwen. Het zat toen in de lucht, dat vorstelijke personen en andere voorname lieden groote buitens lieten bouwen met uitgestrekte parken. Lodewijk XIV had het voorbeeld gegeven en dat werd overal vlijtig nagevolgd, o.a. door den Hollandschen stadhouder Willem III, die in dien tijd Het Loo opnieuw liet bouwen en aanleggen. Die bouw- en plantlust heeft ons, nazaten, heel veel mooie kasteelen, huizingen en wouden bezorgd en daaronder mag het Oranjewoud met eere genoemd worden. Wij hadden de zeer mooie Wandelkaart van Heerenveen en Oranjewoud bij ons, die uitgegeven is door de Vereeniging tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer te Heerenveen en waren er dus spoedig geheel en al thuis en genoten naar behooren van de Witte Brug, de Dominé’s Singel, de vijvers (13) en Oranjegrift, de ietwat kinderachtige aantrekkelijkheden van het Doolhof en den Berg van Brongerga, maar bovenal van het heerlijke sparrenbosch.Daar is het heerlijk. Er gaan slingerpaden in alle richtingen over den flauw golvenden bodem tusschen het hoog geboomte. Getrouw aan den naam zijn dat voor een groot deel fijnsparren, maar er staan eigenlijk toch nog meer grove dennen (14) en ook loofhout en heestergewas, zooveel ge maar wilt. Vooral de grove dennen zijn bijzonder prachtig, vele er van reiken zoo hoog en zien er zoo zwaar en oud uit, dat men er de oorspronkelijke aanplantingen van Albertina Agnes in zou kunnen meenen te ontdekken. Misschien is er nog zoo’n enkel oudje bij, maar ik moet u waarschuwen, dat we in ons land maar weinig boomen hebben, die tweehonderdenvijftig jaar oud zijn. We mogen al heel blij wezen met honderdjarige boomen en daarvan staan er in dit sparrenbosch zeker genoeg. Wat zijn die dennen dan mooi. Het lijkt of hun wortels den grond een eindje hebben omhoog getild, want al die oude boomen staan op een klein heuveltje, dat weer mooi begroeid is met boschbessen en hengel. De dikke stam is tot op een hoogte van vijftien tot twintig meter vrij van takken en schors, blauwachtig grijs en hier en daar bemost en gespleten in groote plakken, net de schubben van een reusachtig slangenmonster. Hoogerop, waar de vertakkingen beginnen wordt de schors fijner en bruinrood tot oranje toe en als daar de lage morgen- of avondzon in schijnt, dan krijgt ge tusschen de blauwgroene naalden een allerprachtigst kleurenspel te zien.Daar kun je gerust een half uur naar liggen kijken en dat deden wij dan ook met het allergrootste genoegen. En dat werd er niet minder op, toen hoog boven de kronen op strakke vleugels een boomvalkje kwam aanzeilen, dat onmiddellijk met veel geraas en geratel werd aangevallen door een paar mistellijsters, de moedigste van alle zangvogels. Die hadden haar nest zeker in een van die dennen. In een der toppen zat een groene specht te galmen en toen we verder wandelden, meende ik op het geluid af zijn nest te vinden ook. Ik hoorde het onophoudelijk hongergeroep van jonge spechtjes en vond ook al spoedig het gat in een eikeboom, de splinters van het uithaksel lagen nog op den grond. Maar toen we ons in de nabijheid hadden verscholen, kwam daar niet een groene specht aanvliegen, doch een bonte, prachtig zwart met wit en helderrood. Die plofte als het ware op den[14]eikenstam neer, klauterde langs de schors met forsche grepen van zijn scherpgeklauwde pooten en schoot eindelijk door het gat naar binnen. Het laatste wat je van hem zag, waren de helroode veeren onder aan zijn staart. Hier huisde dus niet alleen de groene specht, maar ook de bonte, wat trouwens wel te verwachten was.Al verder wandelden we onder allerlei geboomte en belandden op een plek, waar in den winter gekapt was. De groote stammen waren al weggereden, de diepe sporen van den mallejan waren nog zichtbaar in den mullen boschgrond. Het kleinere hout lag nog opgetast in schelven en daar boven op zaten winterkoninkjes te zingen met kneutjes en paapjes dat het een lust was. Een eekhoorn, die, ik weet heusch niet waarom, zich tot middenin de open plek had gewaagd, holde als een bezetene over den kalen bodem, naar dendichtstbijzijndenboom, die altijd nog wel honderd meter ver was. Zoo iets is voor een eekhoorn in angst een heele bijzonderheid en hij grinnikte heel tevreden, toen hij eindelijk goed en wel in zijn sparreboom zat. Wij wandelden verder onder onafgebroken vogelgezang van nachtegaal, roodborst, tuinfluiter, braamsluiper, fitis, tjiftjaf, merel, zanglijster, mistellijster, houtduif, tortelduif, het volle vogelkoor in het bosch.Nu leidde het pad de laagte in langs een smal watertje, waar hooge Koningsvarens (15) groeiden, het pad zelf werd leemig en glibberig. Maar dat duurde niet lang, dra ging het weer de hoogte in en tegelijk hoorden we nieuwe, vreemdsoortige geluiden: geblaas en gekolder, gerommel en gekras en dat kon maar éen ding beteekenen, n.l. een reigerkolonie. Weldra zagen we de nesten in de hooge dennen en groote blauwe reigers vlogen af en aan. Aardig was het om te zien, hoe ze de lange pooten lieten zakken, als ze op het nest zouden neerstrijken en hoe ze daar door hun ega ontvangen werden met hooggeheven kuif en wijd opengesperden snavel. Andere zaten doodstil op de hoogste takken, scherp afgeteekend tegen de blauwe lucht.Den volgenden dag hadden wij een ambitieus plan. We wilden n.l. een toer maken door alle twintig dorpen van de gemeente Weststellingwerf. Wel, dat hebben we bijna klaargespeeld, alleen doordat we in den voormiddag overvallen werden door een zware onweersbui, hebben we het westelijkst gedeelte gemist, wat me wel spijt. Het begin liet zich goed aanzien. Van ons hotelletje reden we langs den aardig bebouwden grintweg, naar den grooten straatweg, die hier bezet is met zeer mooie, rijk beplante buitenplaatsen. Toen kwamen we door het dorpje Oudeschoot, waar juist alles in gereedheid werd gebracht voor de groote paardenmarkt, die ieder jaar met Pinksteren een van de voornaamste gebeurtenissen is in deze streek van de wereld. Weldra kruisten we de Tjonger, hier geheel gekanaliseerd en tusschen dijken besloten en een eindje verder leidde een klein bruggetje over de beroemde Metworst-vaart. Toen de groote rechte rijksstraatweg wat eentonig dreigde te worden, kwam er afwisseling in den vorm van een allerkleurigst uitspanningtje (1), half verborgen onder een reusachtige linde en groote vlieren in vollen bloei. Een aardige hooischuur met rieten wanden stond middenin hooge, wuivende witte wilgen. Huis en schuur prijkten in de nationale kleuren van roode pannen, witte muren, blauwe deuren en[17]kozijnen, alles in stemmige tinten en boven op het dak wiegelde een blikken reiger onrustig heen en weer als windwijzer. ’t Was alles buitengewoon aangenaam, behalve het gewiegel van den reiger, dat ons de donderbui voorspelde, die ons een kwartier later even voorbij Nyelamer (2) te pakken kreeg. Een beetje nat sloegen we toen rechtsaf een wegje in naar boven en daar kregen we weer den hoogen zand- en boschgrond te pakken, de weg omzoomd met heel oude kortgehakte berken (3); we waren hier weer bovenop de waterscheiding tusschen Tjonger en Linde. In Wolvega (4) scheen het zonnetje weer, zoodat we een aangenamen indruk kregen van het welvarend plaatsje met zijn breede, schoone hoofdstraat en het aloude Lindenoord, waar Onno Zwier van Haren heeft gewoond. We besloten nu toch maar weer door te zetten en bereikten langs het kerkhof en een mooi hoog bosch de Lindebrug (5), waar we een poosje bleven baliekluiven, want het landschap was hier in één woord prachtig. De weg en de brug liggen hoog over het water heen, want ’s winters rijst de rivier verscheidene voeten. In vele kronkelingen stroomde het bruine veenwater langzaam Zuiderzeewaarts. Het jonge riet was langs de oevers al hoog opgeschoten en daartusschen kwamen de gele lisschen in bloei, die ook wijd landwaarts in stonden, want het land is hier overal laag en drassig. Een klein driftig molentje probeerde een omkaaid stukje grond droog te malen. Het was een zoogenaamde tjasgermolen (20), dat is niets anders dan een vijzel of tonmolen, met de noodige schuinte neergezet in het te bemalen slootje en de vier wieken eenvoudig bevestigd op het bovenste uiteinde van zijn as, een allereenvoudigste inrichting, die je in Friesland op veel plaatsen nog aantreft. Ze zien er heel typisch uit, die tjasgers, en ’t is eigenlijk jammer, dat ze gaandeweg vervangen worden door standerdmolentjes (19), of door die witte, blikken, veelwiekige Amerikaansche molens, of, zooals in de grootere polders, door stoomgemalen.[15]13 ORANJEWOUD—VIJVER13 ORANJEWOUD—VIJVER14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES17 WOLVEGA—KERKJE17 WOLVEGA—KERKJE18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOP18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.[16]19 STANDERDMOLEN19 STANDERDMOLEN20 TJASGERMOLEN20 TJASGERMOLEN21 OLTERTERP—BOSCH21 OLTERTERP—BOSCH22 RINSUMAGEEST22 RINSUMAGEEST23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN24 SURHUISTERVEEN24 SURHUISTERVEENJAN VOERMAN Jr.[17]Toen we verderop reden, kregen we weer sporen van vroegere verveningen te zien. Naar links lagen midden in het bonte hooiland groote, smalle, rechthoekige, groene plekken: uitgeveende plassen, die nu alweer geheel en al dichtgegroeid waren met de snelst-groeiende van alle waterplanten, de stekelige hanekam, scheeren, krabbeschaar of water-aloë. Ieder voorjaar komen die planten uit den modderbodem omhoog, ieder najaar verzinken ze weer en wat er van hen afsterft, maakt de modderlaag hoe langer hoe dikker. Nu in Juni bedekten ze het water met een wankelen vloer, waarop zwarte sterntjes en zwartkopmeeuwen (94) hun nesten hadden gebouwd. Krijschend vlogen die watervogels af en aan en toen een bruine kiekendief, dien ze hier hoanskrobber noemen, kwam kijken, of hij soms een eitje kon snappen, kreeg hij de geheele gemeente razend en tierend om hem heen, zoodat hij geheel verbouwereerd een goed heenkomen moest zoeken.Nu linksaf een hobbelig straatwegje op, dat oostwaarts leidt naar de hooge venen. Die zijn, wat Weststellingwerf betreft, al lang vergraven en in plaats daarvan is nu de weg bezet met groote en kleine boerderijen en huizingen, die met elkaar een viertal dorpen vormen, die onmerkbaar in elkander overgaan: Peperga, Steggerda, Finkega en Noordwolde. Peperga (6) heeft nog al een flinken hoogen toren, maar de kerken van de andere dorpjes zie je[18]pas als je er vlak bij bent; een ervan, ik kan mij heusch niet meer herinneren, of het Steggerda of Finkega (7) was, heeft zijn kleine kerkje onder slanke wilgeboomen heel apart en nietig in het weiland staan. Overigens was het landschap weer echt Zevenwolderig met veel herinneringen aan het aloude Budahenna. In Noordwolde (8) pleisterden we in „De Dolfijn,” zoo genoemd naar het schip van een ouden veenschipper, die in de vorige eeuw of nog eerder als zoo menig schipper de vaart er aan gaf om een tapperijtje te beginnen. Nu huisde er een Groninger, die meent dat: „hontginnen en een oenderpark ouden het mooiste is wat je in je leven kunt doen” en ons opwekte, om eens een omritje te maken over Frederiksoord, om eens wat resultaten van ontginningswerk te zien. Dat hebben we dan ook gedaan, eerst langs de rietvlechtschool naar Boyl, toen over een mooien nieuwen klinkerweg op Drente aan, eerst door schilderachtige natte hei, toen door mooie nieuwe bosschen naar het oude Doldersum en vandaar naar het nog oudere en zeer mooie Vledder met zijn grijzen zadeldaktoren. Vandaar naar Frederiksoord was maar een ommezien, en toen hebben we op ons gemak het ontginningswerk tusschen Frederiksoord en Noordwolde kunnen bekijken, want we hadden een allerafgrijselijksten tegenwind. Toch hebben wij ons dat omwegje niet beklaagd.Nu ging het weer aan op het ons reeds welbekende Oldeberkoop (10) en wel in het eerst langs hooggelegen graanvelden en aardige bosschen van dennen en berken (9), tot waar de Linde (18) weer door het groenland kronkelt en aan gene zijde van dat riviertje vonden we weer hoog opgaande bosschen, ditmaal meest eiken en populieren met weelderig onderhout. Daarna verder naar huis toe. Ditmaal was het hek van Schoterland gesloten en we moesten naar het brugwachtershuis om toegang te vragen tot de gemeente, waar we tijdelijk onze tenten hadden opgeslagen. Daarbij kwam onder meer aan het licht, dat het hek altijd gesloten is, en dat het een tolhek is en dat wij den vorigen keer, hoewel bij ongeluk, de misdaad hadden begaan van den tol te passeeren, zonder te betalen. Gelukkig konden wij het verzuim herstellen door nu eenvoudig twee cent te geven in plaats van één. Ging het altijd maar zoo gemakkelijk![20]De Oldenhove te Leeuwarden[21]

In hetZuiderzee-albumheb ik u verteld, hoe benieuwd wij al jaren lang waren naar het land van Kuinder en Linde. Telkens als wij naar het Noorden reisden, naar Terschelling of naar Schiermonnikoog, werd onze aandacht getrokken door het heuvelland van Steenwijkerwold en Peperga, waar de spoorweg gaat door een diepe insnijding, met brem begroeid. En verderop kruisten we dan allerlei geheimzinnige riviertjes, eerst de Linde met zijn moerassig oeverland en dan een paar van minder allooi; de eene heet Scheene en de andere voert den griezeligen naam van Metworst-vaart. Ten slotte kwam dan de Kuinder of Tjonger zelf, die vooral sinds haar kanalisatie er nog al belangrijk uitziet en afkomstig is uit de verre venen en verlokkelijke boschstreken.

Eindelijk kwam het zoover en konden we een viertal zomerdagen besteden aan de uitvoering van ons geliefkoosd plan. De sneltrein naar het Noorden bracht ons vlug in Meppel, en even na den middag stapten we uit in Wolvega (17), waar we voor een dag of drie ons hoofdkwartier dachten op te slaan. Maar het eene hotel werd juist vertimmerd en in het andere was een groote drukte, zoodat we na kort beraad ons rijwiel bestegen, om een welbekend verblijf op te zoeken in Heerenveen. Intusschen, toen we in een paar minuten het bruggetje over de Scheene hadden bereikt, begrepen we, dat we nu veel te vroeg in Heerenveen zouden aankomen en dan onzen middag eigenlijk zouden versnipperen. We besloten daarom een omweg te maken en sloegen den eersten zijweg naar links in, het zindelijke klinkerweggetje naar Oldeholtwolde.

Het was een groot genoegen, weer eens een zwerftocht te beginnen door een voor ons geheel nieuwe streek. Het begin zag er echter vrij gewoon uit, de weg en zijn bermen, de[8]lage elzen en wilgen, de slooten en de weilanden zagen er weinig anders uit dan in Holland. Maar toen we Oldeholtwolde door waren en nog weer een bocht hadden gepasseerd, ging de weg heel eventjes stijgen, bijna onmerkbaar, maar gestadig. We beklommen den zandrug, die de scheiding vormt tusschen de dalen van de Linde en de Tjonger. Denk u echter die dalen niet te diep en die scheiding vooral niet te hoog. Intusschen maakte het weiland plaats voor roggevelden en aardappelakkers, de slooten werden vervangen door walletjes en, wat wel het aardigst was, bij de huizen of in verloren hoekjes lagen allemaal stukjes bosch. Dat was dan soms maar een enkel eikje of berkje of een paar bremstruiken, maar de grond er om en er onder was begroeid met de echte boschplanten, met groote sterremuur, dalkruid, lelietjes van dalen, anemoontjes, varens van allerlei soort en wel heel veel de mooie koningsvaren, het schoonste sieraad van venige woudstreken.

Nog voor we het hoogste punt van de waterscheiding hadden bereikt, sloeg de weg weer oostwaarts af en nu hadden we naar links voortdurend een aardig uitzicht op nog grootere boschjes, meest dennetjes en akkermaalshout, afgewisseld door akkers.

Welgemoed bereikten we het dorp Oldeholtpade met zijn aardige vlugge torenspits. We zouden al spoedig merken, dat in deze streek van Friesland een mooie hooge toren met slanke spits bijzonder gewaardeerd moet worden, want er zijn er niet veel.

Even voorbij de kerk staat een kring van boomen, dat ziet er net uit, of we daar te doen hebben met de een of andere geheimzinnigheid uit vroeger tijden, maar daar zijn ze toch te jong voor. Intusschen zijn we hier wel op een plek, die in de historie bekend is. Langs die boomen gaat een pad naar rechts, dat zou ons over de hoogte heen brengen naar een bruggetje over de Linde en dan verder over Westerhoeven naar Noordwolde. Tusschen twee haakjes ge moet er aan wennen, dat hier in de dorpsnamen telkens ge-old of ge-holt of ge-wold wordt; dat komt allemaal van die oude bosschen.

Maar om op dat pad terug te komen, dat wij echter thans niet zullen inslaan, dat is nu een van de alleroudste toegangswegen tot Friesland, waarschijnlijk veel ouder dan de weg over Wolvega. Een paar duizend jaar geleden strekte zich hier een bijna ontoegankelijk woud uit, het Baduhenna woud. Sommige meenen, dat het „pade” in Oldeholtpade en Nijeholtpade nog aan dien naam herinnert. De oude Tacitus heeft het er ook over en vertelt dan, dat—en dat moet dan hier in de buurt van Oldeholtpade gebeurd zijn—bij gelegenheid van den opstand der Friezen tegen de Romeinen, in dat Baduhenna woud een groote afdeeling van het Romeinsche leger een nederlaag geleden heeft, wat niet belette, dat beide volken zeer kort daarop toch nog heel goede maatjes zijn geworden. Maar als je bij Tacitus leest, hoe de troepen met planken en balken, bruggen en vondertjes, schuiten en vlotten moesten werken, om in het land door te dringen, dan ga je het heden waardeeren, ofschoon de wielrijder thans nog in Friesland op menige plaats geen weg kan vinden. Dat beseften we nog eerst recht, toen we Nijeholtpade door waren en we naar links een overzicht kregen over de Tjongerlanden. Zoover het oog reikte niets dan hooiland, afgewisseld met breede, donkere veenslooten. Hoog wuifden de grassen, de boterbloemen[11]en de wilde zuring, want het was in het begin van Juni. Langbeenige, langsnavelige grutto’s zweefden met trillende vleugels boven het kleurige veld en lieten allerlei geluiden hooren van vrees of vreugd. Ook buitelden er kieviten en de kwartelkoning, verborgen tusschen het gras knarste onophoudelijk zijn „sneers, sneers”. Dan kwam er een groote zwarte plek tusschen de bloemen, daar werd nog geveend. Hier lag veenbagger over het land gespreid (12), ginds was die al gedroogd en werd ze aan stukken gesneden, die gestapeld en gedroogd, tot harde, korte turven zouden worden. Twee mannetjes in de onmetelijkheid waren daarmee bezig.[9]

1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA4 WOLVEGA—STRAATJE4 WOLVEGA—STRAATJE5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA6 PEPERGA—HAVENTJE6 PEPERGA—HAVENTJEJAN VOERMAN Jr.

1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT

1 HERBERGJE BIJ OUDESCHOOT

2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER

2 DE WOLVEGASTERSLOOT BIJ NIJELAMER

3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA

3 WOUDWEGJE TUSSCHEN NIJELAMER EN SONNEGA

4 WOLVEGA—STRAATJE4 WOLVEGA—STRAATJE

4 WOLVEGA—STRAATJE

5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA

5 DE LINDEBRUG TUSSCHEN WOLVEGA EN PEPERGA

6 PEPERGA—HAVENTJE6 PEPERGA—HAVENTJE

6 PEPERGA—HAVENTJE

[10]

7 FINKEGA—KERKJE7 FINKEGA—KERKJE8 NOORDWOLDE8 NOORDWOLDE9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADE12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADEJAN VOERMAN Jr.

7 FINKEGA—KERKJE7 FINKEGA—KERKJE

7 FINKEGA—KERKJE

8 NOORDWOLDE8 NOORDWOLDE

8 NOORDWOLDE

9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP

9 BOERDERIJ TUSSCHEN NOORDWOLDE EN OLDEBERKOOP

10 OLDEBERKOOP10 OLDEBERKOOP

10 OLDEBERKOOP

11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP

11 HEIDELANDSCHAP BIJ OLDEBERKOOP

12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADE12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADE

12 VEENBAGGEREN BIJ OLDEHOLTPADE

[11]

Langs den weg zelf lagen van afstand tot afstand aardige boerderijen in hun krans van boomen, meest wilgen en populieren, nog al ijl geplant, maar nadat we een klein half uurtje langs die hooi- en veenlanden hadden gereden, doemden dichtere boommassa’s voor ons op, de huizen stonden dichter gereid en opeens waren we in een mooi dorp met een oud rechthuis, dat was Oldeberkoop (10), een van de oudste plaatsen in Friesland. De kerk konden wij eerst niet vinden, die ligt letterlijk geheel verborgen onder reusachtige lindeboomen. Maar het was een aardige kerk, al had men het gebouw ook heelemaal geel geolieverfd. Ook kregen wij hier onzen eersten zadeldak-toren te zien, zooals we er op onze zwerftochten ze nog bij dozijnen zouden ontmoeten. Men vindt ze ook hier en daar in Drente en Overijsel, maar in Holland nergens. Wel weer in Duitschland en Zwitserland en ook in Schotland. Er zit een verhaal aan vast van bepaalde volksstammen, die juist zulke torens bouwen, maar het rechte weet ik er niet van en daarom zwijg ik er maar liever over. Wat niet wegneemt, dat ik ze u nog menigmaal hoop aan te wijzen.

Wij slenterden wat door het dorp rond en vonden een voetpad door de velden, dat ons leidde naar de roggevelden omhoog en naar den zeer ouden zandweg, die door de heele lengte van de beide Stellingwerven loopt, langs de hoogte van het heuvelruggetje, dat de zuidelijke waterscheiding van de Kuinder vormt. Van hier hadden we een prachtig uitzicht op het lommerrijke dorp en op de bosschen van het Linde-dal. Bovendien waren de roggevelden vol prachtige blauwe korenbloemen, zoodat we in de allertevredenste stemming ons Oldeberkoop verlieten, om over Oudehorne en Nijehorne Heerenveen op te zoeken, het Friesche Haagje.

Als je in die richting Oldeberkoop verlaat, dan rijdt je eerst door de nieuwe villabuurt en dan langs de haven en door een mooie eikenlaan op de gekanaliseerde Tjonger aan. Daar vonden wij een groene brug (96) en bij de bruggewachterswoning dwars over den weg een groot groen hek, dat echter gastvrij open stond en we reden er dus welgemoed door heen. Dit is het hek van Schoterland of liever nog het hek van Friesland, want in de Stellingwerven, in het Overtjongersche, zooals ze dat noemen, daar wonen nog niet de echte zuivere Friezen, daar spreekt men niet de echte Friesche taal. Die Tjonger is werkelijk altijd een geduchte grensrivier geweest.

De weg werd hier heel mooi en leidde een heel stuk door echt oorspronkelijk woudgebied: boschjes van eiken en dennen, afgewisseld met hooge, bultige, venige hei (11). Hier[12]stond dan ook in volle praal als een kleine zonnebloem de Arnica te bloeien, de plant van de bergen en van de echte hooge grintgronden, die in den ijstijd zijn afgezet en waarop zich later het hoogveen heeft gevormd. In de Hollandsche plantkundeboeken heet die mooie bloem tegenwoordig „Valkruid”, wat een heel leelijke naam is. Naar het voorbeeld der Duitschers en Vlamingen noemt men haar ook wel Wolverlei, wat al een boel beter klinkt, maar ik blijf maar liever bij Arnica, dat klinkt goed, dat is een wetenschappelijke naam en het heilzaam aftreksel van de plant koop je in de apotheek ook onder den naam van Arnica-tinctuur. Buitengewoon goed bij verwondingen en bij vermoeidheid in de beenen: een voetbadje in water met een scheutje arnica werkt wonderen uit. Alleen door het zien van de bloem gingen we al harder trappen en weldra bereikten we de plek, waar de weg rechthoekig ombuigt naar Oudehorne. Nu kregen we weer zes kilometer echt Woldenlandschap, maar nog mooier dan bij Oldeholtpade: boerderijen afgewisseld met kampjes bosch en meestal gescheiden door walletjes, begroeid met de echte woudflora. Naast lijsterbes en meidoorn speelde hier de hulst (16) een groote rol, die groeit daar soms als een echte boom met een stam van wel twee decimeter dik.

In de lagere gedeelten zijn de erven hier omgeven door slooten en die zijn dan aan den wegrand meestal met elzen beplant. Waarschijnlijk om het uitzicht vrij te houden zijn die struiken zoowat op driekwart manshoogte afgekapt en nu vormen de onderste twijgen een dak over de sloot heen, die geheel verscholen ligt onder zijn elzentunnel. Dat zag er nog al vreemd uit.

Voorbij Nijehorne werd het al boschrijker, we naderden nu een van de groote beroemdheden van Friesland, het Oranjewoud (13). Eer we dat bereikten, passeerden we nog een klein dorpje, dat den griezeligen naam draagt van Katlijk, maar er overigens heel vriendelijk uitziet. Hier vonden we weer een bijzonderheid van den Frieschen bodem: het klokkenhuis (95). De kerk heeft geen toren, tenminste niet een, die groot en stevig genoeg is om de zware klokken te dragen en nu heeft men uit zwaar balkenwerk een alleraardigste stellage gebouwd, daarin hangen de klokken open en bloot, maar hoog en droog onder een afdakje. Een Hollander kijkt daar zijn oogen aan uit, wij zullen dergelijke klokkenhuizen nog op menige plaats ontmoeten.

En nu, na nog een bocht, kwamen de zware grove dennen en de forsche eiken, en naast de koningsvaren (15) de adelaarsvarens, die met allerlei krullen en bochten uit den bodem ontsproten, dien zij later in den zomer onder hun dicht loover geheel zullen verbergen. Er bloeiden nog boschbessen en lelietjes van dalen en al de planten, die we, op onzen langen weg hierheen, verdwaald hadden aangetroffen tusschens akkers en weiden, tierden hier echt op de plekken, waar ze thuis behoorden, in het heerlijke bosch, dat nu op zijn mooist was, want wij schreven 10 Juni. En het leek er ons zoo aardig, dat we voorloopig Heerenveen in den steek lieten en voor de volgende dagen ons hoofdkwartier opsloegen in een alleraardigst hotelletje midden in dat Oranjewoud.

Eigenlijk komt die naam toe aan het groote witte paleisachtige buiten, dat de weduwe[13]van stadhouder Willem Frederik, Albertina Agnes, in het laatst van de zeventiende eeuw heeft laten bouwen. Het zat toen in de lucht, dat vorstelijke personen en andere voorname lieden groote buitens lieten bouwen met uitgestrekte parken. Lodewijk XIV had het voorbeeld gegeven en dat werd overal vlijtig nagevolgd, o.a. door den Hollandschen stadhouder Willem III, die in dien tijd Het Loo opnieuw liet bouwen en aanleggen. Die bouw- en plantlust heeft ons, nazaten, heel veel mooie kasteelen, huizingen en wouden bezorgd en daaronder mag het Oranjewoud met eere genoemd worden. Wij hadden de zeer mooie Wandelkaart van Heerenveen en Oranjewoud bij ons, die uitgegeven is door de Vereeniging tot Bevordering van het Vreemdelingenverkeer te Heerenveen en waren er dus spoedig geheel en al thuis en genoten naar behooren van de Witte Brug, de Dominé’s Singel, de vijvers (13) en Oranjegrift, de ietwat kinderachtige aantrekkelijkheden van het Doolhof en den Berg van Brongerga, maar bovenal van het heerlijke sparrenbosch.

Daar is het heerlijk. Er gaan slingerpaden in alle richtingen over den flauw golvenden bodem tusschen het hoog geboomte. Getrouw aan den naam zijn dat voor een groot deel fijnsparren, maar er staan eigenlijk toch nog meer grove dennen (14) en ook loofhout en heestergewas, zooveel ge maar wilt. Vooral de grove dennen zijn bijzonder prachtig, vele er van reiken zoo hoog en zien er zoo zwaar en oud uit, dat men er de oorspronkelijke aanplantingen van Albertina Agnes in zou kunnen meenen te ontdekken. Misschien is er nog zoo’n enkel oudje bij, maar ik moet u waarschuwen, dat we in ons land maar weinig boomen hebben, die tweehonderdenvijftig jaar oud zijn. We mogen al heel blij wezen met honderdjarige boomen en daarvan staan er in dit sparrenbosch zeker genoeg. Wat zijn die dennen dan mooi. Het lijkt of hun wortels den grond een eindje hebben omhoog getild, want al die oude boomen staan op een klein heuveltje, dat weer mooi begroeid is met boschbessen en hengel. De dikke stam is tot op een hoogte van vijftien tot twintig meter vrij van takken en schors, blauwachtig grijs en hier en daar bemost en gespleten in groote plakken, net de schubben van een reusachtig slangenmonster. Hoogerop, waar de vertakkingen beginnen wordt de schors fijner en bruinrood tot oranje toe en als daar de lage morgen- of avondzon in schijnt, dan krijgt ge tusschen de blauwgroene naalden een allerprachtigst kleurenspel te zien.

Daar kun je gerust een half uur naar liggen kijken en dat deden wij dan ook met het allergrootste genoegen. En dat werd er niet minder op, toen hoog boven de kronen op strakke vleugels een boomvalkje kwam aanzeilen, dat onmiddellijk met veel geraas en geratel werd aangevallen door een paar mistellijsters, de moedigste van alle zangvogels. Die hadden haar nest zeker in een van die dennen. In een der toppen zat een groene specht te galmen en toen we verder wandelden, meende ik op het geluid af zijn nest te vinden ook. Ik hoorde het onophoudelijk hongergeroep van jonge spechtjes en vond ook al spoedig het gat in een eikeboom, de splinters van het uithaksel lagen nog op den grond. Maar toen we ons in de nabijheid hadden verscholen, kwam daar niet een groene specht aanvliegen, doch een bonte, prachtig zwart met wit en helderrood. Die plofte als het ware op den[14]eikenstam neer, klauterde langs de schors met forsche grepen van zijn scherpgeklauwde pooten en schoot eindelijk door het gat naar binnen. Het laatste wat je van hem zag, waren de helroode veeren onder aan zijn staart. Hier huisde dus niet alleen de groene specht, maar ook de bonte, wat trouwens wel te verwachten was.

Al verder wandelden we onder allerlei geboomte en belandden op een plek, waar in den winter gekapt was. De groote stammen waren al weggereden, de diepe sporen van den mallejan waren nog zichtbaar in den mullen boschgrond. Het kleinere hout lag nog opgetast in schelven en daar boven op zaten winterkoninkjes te zingen met kneutjes en paapjes dat het een lust was. Een eekhoorn, die, ik weet heusch niet waarom, zich tot middenin de open plek had gewaagd, holde als een bezetene over den kalen bodem, naar dendichtstbijzijndenboom, die altijd nog wel honderd meter ver was. Zoo iets is voor een eekhoorn in angst een heele bijzonderheid en hij grinnikte heel tevreden, toen hij eindelijk goed en wel in zijn sparreboom zat. Wij wandelden verder onder onafgebroken vogelgezang van nachtegaal, roodborst, tuinfluiter, braamsluiper, fitis, tjiftjaf, merel, zanglijster, mistellijster, houtduif, tortelduif, het volle vogelkoor in het bosch.

Nu leidde het pad de laagte in langs een smal watertje, waar hooge Koningsvarens (15) groeiden, het pad zelf werd leemig en glibberig. Maar dat duurde niet lang, dra ging het weer de hoogte in en tegelijk hoorden we nieuwe, vreemdsoortige geluiden: geblaas en gekolder, gerommel en gekras en dat kon maar éen ding beteekenen, n.l. een reigerkolonie. Weldra zagen we de nesten in de hooge dennen en groote blauwe reigers vlogen af en aan. Aardig was het om te zien, hoe ze de lange pooten lieten zakken, als ze op het nest zouden neerstrijken en hoe ze daar door hun ega ontvangen werden met hooggeheven kuif en wijd opengesperden snavel. Andere zaten doodstil op de hoogste takken, scherp afgeteekend tegen de blauwe lucht.

Den volgenden dag hadden wij een ambitieus plan. We wilden n.l. een toer maken door alle twintig dorpen van de gemeente Weststellingwerf. Wel, dat hebben we bijna klaargespeeld, alleen doordat we in den voormiddag overvallen werden door een zware onweersbui, hebben we het westelijkst gedeelte gemist, wat me wel spijt. Het begin liet zich goed aanzien. Van ons hotelletje reden we langs den aardig bebouwden grintweg, naar den grooten straatweg, die hier bezet is met zeer mooie, rijk beplante buitenplaatsen. Toen kwamen we door het dorpje Oudeschoot, waar juist alles in gereedheid werd gebracht voor de groote paardenmarkt, die ieder jaar met Pinksteren een van de voornaamste gebeurtenissen is in deze streek van de wereld. Weldra kruisten we de Tjonger, hier geheel gekanaliseerd en tusschen dijken besloten en een eindje verder leidde een klein bruggetje over de beroemde Metworst-vaart. Toen de groote rechte rijksstraatweg wat eentonig dreigde te worden, kwam er afwisseling in den vorm van een allerkleurigst uitspanningtje (1), half verborgen onder een reusachtige linde en groote vlieren in vollen bloei. Een aardige hooischuur met rieten wanden stond middenin hooge, wuivende witte wilgen. Huis en schuur prijkten in de nationale kleuren van roode pannen, witte muren, blauwe deuren en[17]kozijnen, alles in stemmige tinten en boven op het dak wiegelde een blikken reiger onrustig heen en weer als windwijzer. ’t Was alles buitengewoon aangenaam, behalve het gewiegel van den reiger, dat ons de donderbui voorspelde, die ons een kwartier later even voorbij Nyelamer (2) te pakken kreeg. Een beetje nat sloegen we toen rechtsaf een wegje in naar boven en daar kregen we weer den hoogen zand- en boschgrond te pakken, de weg omzoomd met heel oude kortgehakte berken (3); we waren hier weer bovenop de waterscheiding tusschen Tjonger en Linde. In Wolvega (4) scheen het zonnetje weer, zoodat we een aangenamen indruk kregen van het welvarend plaatsje met zijn breede, schoone hoofdstraat en het aloude Lindenoord, waar Onno Zwier van Haren heeft gewoond. We besloten nu toch maar weer door te zetten en bereikten langs het kerkhof en een mooi hoog bosch de Lindebrug (5), waar we een poosje bleven baliekluiven, want het landschap was hier in één woord prachtig. De weg en de brug liggen hoog over het water heen, want ’s winters rijst de rivier verscheidene voeten. In vele kronkelingen stroomde het bruine veenwater langzaam Zuiderzeewaarts. Het jonge riet was langs de oevers al hoog opgeschoten en daartusschen kwamen de gele lisschen in bloei, die ook wijd landwaarts in stonden, want het land is hier overal laag en drassig. Een klein driftig molentje probeerde een omkaaid stukje grond droog te malen. Het was een zoogenaamde tjasgermolen (20), dat is niets anders dan een vijzel of tonmolen, met de noodige schuinte neergezet in het te bemalen slootje en de vier wieken eenvoudig bevestigd op het bovenste uiteinde van zijn as, een allereenvoudigste inrichting, die je in Friesland op veel plaatsen nog aantreft. Ze zien er heel typisch uit, die tjasgers, en ’t is eigenlijk jammer, dat ze gaandeweg vervangen worden door standerdmolentjes (19), of door die witte, blikken, veelwiekige Amerikaansche molens, of, zooals in de grootere polders, door stoomgemalen.[15]

13 ORANJEWOUD—VIJVER13 ORANJEWOUD—VIJVER14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES17 WOLVEGA—KERKJE17 WOLVEGA—KERKJE18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOP18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOPJAN VOERMAN Jr.

13 ORANJEWOUD—VIJVER13 ORANJEWOUD—VIJVER

13 ORANJEWOUD—VIJVER

14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN

14 ORANJEWOUD—OUDE DENNEN

15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS

15 ORANJEWOUD—KONINGSVARENS

16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES

16 ORANJEWOUD—WEGZOOM MET HULST EN LIJSTERBES

17 WOLVEGA—KERKJE17 WOLVEGA—KERKJE

17 WOLVEGA—KERKJE

18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOP18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOP

18 DE LINDE BIJ OLDEBERKOOP

[16]

19 STANDERDMOLEN19 STANDERDMOLEN20 TJASGERMOLEN20 TJASGERMOLEN21 OLTERTERP—BOSCH21 OLTERTERP—BOSCH22 RINSUMAGEEST22 RINSUMAGEEST23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN24 SURHUISTERVEEN24 SURHUISTERVEENJAN VOERMAN Jr.

19 STANDERDMOLEN19 STANDERDMOLEN

19 STANDERDMOLEN

20 TJASGERMOLEN20 TJASGERMOLEN

20 TJASGERMOLEN

21 OLTERTERP—BOSCH21 OLTERTERP—BOSCH

21 OLTERTERP—BOSCH

22 RINSUMAGEEST22 RINSUMAGEEST

22 RINSUMAGEEST

23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN

23 SURHUIZUM—DE OUDE KERK EN TOREN

24 SURHUISTERVEEN24 SURHUISTERVEEN

24 SURHUISTERVEEN

[17]

Toen we verderop reden, kregen we weer sporen van vroegere verveningen te zien. Naar links lagen midden in het bonte hooiland groote, smalle, rechthoekige, groene plekken: uitgeveende plassen, die nu alweer geheel en al dichtgegroeid waren met de snelst-groeiende van alle waterplanten, de stekelige hanekam, scheeren, krabbeschaar of water-aloë. Ieder voorjaar komen die planten uit den modderbodem omhoog, ieder najaar verzinken ze weer en wat er van hen afsterft, maakt de modderlaag hoe langer hoe dikker. Nu in Juni bedekten ze het water met een wankelen vloer, waarop zwarte sterntjes en zwartkopmeeuwen (94) hun nesten hadden gebouwd. Krijschend vlogen die watervogels af en aan en toen een bruine kiekendief, dien ze hier hoanskrobber noemen, kwam kijken, of hij soms een eitje kon snappen, kreeg hij de geheele gemeente razend en tierend om hem heen, zoodat hij geheel verbouwereerd een goed heenkomen moest zoeken.

Nu linksaf een hobbelig straatwegje op, dat oostwaarts leidt naar de hooge venen. Die zijn, wat Weststellingwerf betreft, al lang vergraven en in plaats daarvan is nu de weg bezet met groote en kleine boerderijen en huizingen, die met elkaar een viertal dorpen vormen, die onmerkbaar in elkander overgaan: Peperga, Steggerda, Finkega en Noordwolde. Peperga (6) heeft nog al een flinken hoogen toren, maar de kerken van de andere dorpjes zie je[18]pas als je er vlak bij bent; een ervan, ik kan mij heusch niet meer herinneren, of het Steggerda of Finkega (7) was, heeft zijn kleine kerkje onder slanke wilgeboomen heel apart en nietig in het weiland staan. Overigens was het landschap weer echt Zevenwolderig met veel herinneringen aan het aloude Budahenna. In Noordwolde (8) pleisterden we in „De Dolfijn,” zoo genoemd naar het schip van een ouden veenschipper, die in de vorige eeuw of nog eerder als zoo menig schipper de vaart er aan gaf om een tapperijtje te beginnen. Nu huisde er een Groninger, die meent dat: „hontginnen en een oenderpark ouden het mooiste is wat je in je leven kunt doen” en ons opwekte, om eens een omritje te maken over Frederiksoord, om eens wat resultaten van ontginningswerk te zien. Dat hebben we dan ook gedaan, eerst langs de rietvlechtschool naar Boyl, toen over een mooien nieuwen klinkerweg op Drente aan, eerst door schilderachtige natte hei, toen door mooie nieuwe bosschen naar het oude Doldersum en vandaar naar het nog oudere en zeer mooie Vledder met zijn grijzen zadeldaktoren. Vandaar naar Frederiksoord was maar een ommezien, en toen hebben we op ons gemak het ontginningswerk tusschen Frederiksoord en Noordwolde kunnen bekijken, want we hadden een allerafgrijselijksten tegenwind. Toch hebben wij ons dat omwegje niet beklaagd.

Nu ging het weer aan op het ons reeds welbekende Oldeberkoop (10) en wel in het eerst langs hooggelegen graanvelden en aardige bosschen van dennen en berken (9), tot waar de Linde (18) weer door het groenland kronkelt en aan gene zijde van dat riviertje vonden we weer hoog opgaande bosschen, ditmaal meest eiken en populieren met weelderig onderhout. Daarna verder naar huis toe. Ditmaal was het hek van Schoterland gesloten en we moesten naar het brugwachtershuis om toegang te vragen tot de gemeente, waar we tijdelijk onze tenten hadden opgeslagen. Daarbij kwam onder meer aan het licht, dat het hek altijd gesloten is, en dat het een tolhek is en dat wij den vorigen keer, hoewel bij ongeluk, de misdaad hadden begaan van den tol te passeeren, zonder te betalen. Gelukkig konden wij het verzuim herstellen door nu eenvoudig twee cent te geven in plaats van één. Ging het altijd maar zoo gemakkelijk!

[20]

De Oldenhove te Leeuwarden

[21]


Back to IndexNext