[Inhoud]LANGS DE OUDE MIDDELZEE.II.LANGS DE OUDE MIDDELZEE.Als een jaar of tien geleden iemand nog voorspeld zou hebben, dat ik in mijn zomervacantie voor een weekje naar Leeuwarden zou gaan, dan had ik hem zeker heel onbeleefd vlak in zijn gezicht uitgelachen. En toch is het zoover gekomen, alles terwille van dit album en ik stel er grooten prijs op, om te verklaren, dat wij het met het allergrootste genoegen hebben gedaan. Wij Hollanders hebben over het algemeen een heel verkeerd denkbeeld van Friesland en de Friezen, maar ik ben nu gelukkig al een heel eind op weg, om bekeerd te worden van de dwalingen mijns weegs. Om te beginnen, wij vonden Leeuwarden een aardige, onderhoudende, vroolijke en vriendelijke stad en als we op den dag onze groote zwerftoeren door de provincie hadden volbracht, dan genoten wij er van, om ’s avonds, zoo lang er nog daglicht was, rond te dwalen door de aardige hoofdplaats. Dan gingen we winkelen langs den Wirdumerdijk, de Kelders, de Oosterkade (116), de Korenmarkt en de Voorstreek, waar ik bij Meijer en Schaafsma een oud reisgidsje kocht, getiteld Friesland en de Friezen. Dat boekje dateert van 1877 en is dus allergeweldigst verouderd, maar dat neemt niet weg, dat het door de oorspronkelijke bijdragen van vele brave en knappe Friezen nog altijd dubbel en dwars de moeite waard is, om geraadpleegd te worden. Van jonger datum, van 1915, is de Nieuwe Gids voor Leeuwarden en omstreken, maar wat daar van de omstreken in staat, is slechts weinig. Wij vonden, dat er heusch wel eens een heel nieuw boek over Friesland mocht verschijnen, want dat land is ’t waard.Van de Kelders, die een beetje herinneren aan de Oude Gracht te Utrecht, slenterden we dan naar de Nieuwstad, die al oud genoeg is, ik zal straks wel uitleggen, waar de naam vandaan komt. Daar staat de mooie Oude Waag (25), die omstreeks 1600 is gebouwd en er[22]net zoo vroolijk en aardig en onderhoudend uitziet, als ze in dien tijd de openbare gebouwen wisten te maken. In 1877 werd zij nog gebruikt, maar sedert moest zij door een grootere vervangen worden, die ge met Beurs gecombineerd om den hoek van het Wilhelminaplein kunt bewonderen. Vergelijk maar eens. Vergelijk ook het Paleis van Justitie op hetzelfde Wilhelminaplein met het Kanselarijgebouw (26) op de Tweebaksmarkt. Dit laatste is trouwens een van de mooiste gebouwen van heel Nederland, een cadeautje van onzen ouden goeden vriend Philips II van Spanje, die het van 1566 tot 1571 heeft laten bouwen. Het is niet heelemaal klaar gekomen door den tachtigjarigen oorlog en later onder Koning Willem I is het binnen nog al heel erg en ergerlijk verknoeid, maar aan den buitenkant is het nog altijd van verrassende schoonheid. De vier wapens, die op de mooie steenen trap door grijnzende leeuwen worden vastgehouden, zijn die van de vier kwartieren van Friesland: Oostergo, Westergo, De Elf Steden en de Zevenwolden. Tegenover de Kanselarij ligt het Friesch Museum, dat bezochten we nu niet, omdat we op den dag natuurlijk buiten moesten zijn, maar vroeger kwamen wij er toch al dikwijls, om de uren te gebruiken, die we bij onze bezoeken aan Terschelling of Rottum verloren door de slechte treinaansluitingen te Leeuwarden. Men zegt, dat dit in de toekomst beter wordt, maar dat zal de klandisie van het Friesch Museum schaden en dat is heel jammer, want er is een massa moois en merkwaardigs te zien en veel te leeren.Vlak bij de Waag is de breedste brug van heel Nederland, breeder nog dan de Torensluis, die heet de Langepijp en daar in de buurt staan de stugge Friezen ’s avonds bij troepjes te babbelen en gekheid te maken, wat hun wonder goed afgaat, want al die stuggigheid is maar een kwaadaardig verzinsel van de Hollanders. Wij hielden ervan, om over de Langepijp de oude stad in te duiken langs smalle straatjes, die soms ongelooflijk steil bergop en bergaf gingen en daar begrepen we dan heel kostelijk, dat Leeuwarden even goed als Rome op heuvelen is gebouwd. Het zijn er maar drie en ze zijn nog kunstmatig op den koop toe: drie terpen waarop eeuwen geleden de dorpen Oldenhove, Nijenhove en Hoek waren ontstaan, die eerst in de vijftiende eeuw voor goed met elkander een stad gingen vormen. Als je er niet op bedacht bent, dan zijn die steile, smalle, zeer schilderachtige straatjes inderdaad een groote verrassing. De naam Oldenhove bestaat nog. Zoo heet namelijk de groote steenklomp in het Westen van de stad, die uren ver uit den omtrek te zien is en die op het eerste gezicht herinnert aan den Toren van Babel. Hij is eveneens onvoltooid gebleven en wel doordat hij onder het bouwen al ging verzakken. Ook thans staat hij nog geweldig scheef, maar hij zal het wel uithouden en er komt een electrische lift, zoodat je makkelijk naar boven kunt gaan, om een heerlijk gezicht te hebben over de stad en haar omstreken. Ik weet niet of het Edmondo d’Amicis geweest is of Henry Havard (of een andere van de schrijvers, die in vroeger jaren allerlei overdreven bijzonderheidjes van Nederland hebben wereldkundig gemaakt) die hier boven op de Oldenhove heeft gestaan en beneden zich de straten van Leeuwarden zag flikkeren en bliksemen door al de gouden kappen van de dames, die daar wandelden. ’t Is tegenwoordig met die gouden kappen al net als met de[25]stuggigheid, je krijgt er niet veel meer van te zien en dat is maar goed ook. Ik zie liever.… nu ja, dat komt er ook niet op aan.[23]25 LEEUWARDEN—WAAG25 LEEUWARDEN—WAAG26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ27 BOLSWARD—STADHUIS27 BOLSWARD—STADHUIS28 OOSTERBIERUM—TOREN28 OOSTERBIERUM—TOREN29 BOLSWARD—KERKSTRAAT29 BOLSWARD—KERKSTRAAT30 DEERSUM—KERK30 DEERSUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH[24]31 DEINUM—TOREN31 DEINUM—TOREN32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER33 SCHARNEGOUTUM33 SCHARNEGOUTUM34 LEEUWARDEN—INGANG KERK34 LEEUWARDEN—INGANG KERK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK36 SCHARNEGOUTUM—BRUG36 SCHARNEGOUTUM—BRUGL. W. R. WENCKEBACH[25]In de buurt van de Oldehove vindt men het zeer beroemde, maar foei leelijke Burmaniahuis en een eindje verder den Prinsentuin, gesticht door Willem Frederik ter herinnering aan den Vrede van Munster. Ge herinnert u dat Willem Frederik’s weduwe Albertina Agnes het Oranjewoud gesticht heeft. Van dien Prinsentuin kuieren we weer langs een aardig binnenstraatje voorbij de keurige Sint Anthoniesstichtingen over onze terpen langs de kerk (34) huiswaarts en nu heb ik nog lang niet de helft genoemd van wat er in Leeuwarden allemaal al zoo te zien is. Doch ik heb nu trek om naar buiten te gaan.Wij hadden alweer een leuk plan, net zoo iets als die twintig dorpen van Weststellingwerf en wel, we wilden een fietstocht maken rondom de Oude Middelzee. Oldenhove en Nijenhove lagen eenmaal aan een zeeboezem, die zich diep landwaarts in uitstrekte tot voorbij Sneek, en Bolsward lag er ook aan. De winkelstraat van Leeuwarden, de Wirdumerdijk, was in dien tijd gewoonweg een zeedijk en ook de tegenwoordige straatweg naar Heerenveen tot een eind voorbij Roordahuizen. In één dag is die tocht prachtig te doen en we hebben het er dan ook best afgebracht. Door de voorstad Schrans rolden we wakker zuidwaarts en je hebt dan aanvankelijk langs den straatweg een prachtig fietspad, bevloerd met lange steenen zerken. Al dadelijk krijg je de Oude Middelzee te zien, niet als water, maar als vlak grasland rechts van den weg met nauwelijks een huis en geen enkel dorp er in, terwijl het naar links om zoo te zeggen krioelt van dorpen, gehuchten en boerderijen. Het gekste is, dat die zeebodem niet lager ligt dan het oude land, maar eer nog een beetje hooger, maar dat is wel te begrijpen als je bedenkt, dat die zee niet drooggemalen is, zooals we nu met de Zuiderzee gaan doen, doch eenvoudig dichtgeslibd en terwijl dat dichtslibben gebeurde, waren de landen achter den dijk alweer een beetje verzakt of ineengeklonken. Dat werd allemaal nog duidelijker, toen we den spoorweg gekruist hadden. Daar zag je dan heel in de verte over het hooiland heen de torens van Boxum (45), Jellum en Weidum (38,48) echt aan den anderen oever van de zee. In het blokhuisje van de spoorlijn bij dien spoorwegovergang is een kleine gedenksteen, dat zie je ook niet dikwijls. Het opschrift luidt: Bara huis; dat is de naam van een stins, die daar vroeger heeft gestaan en waar de staten van Oostergo vergaderden. Ook is daar de knapste Fries geboren, die ooit heeft geleefd, nl. Viglius van Aytta.Er is ook nog een nieuw Barra-huis (39) of Barra-state, eigenlijk een groote boerderij met een mooi plantsoen voor de deur en daar staat een levendig geschilderd soldatenbeeld in, een soort van grenadier zou je zeggen. Wat die daar te beduiden heeft, weet ik niet, sommigen brengen hem in verband met het gevecht bij Boxum, waarover misschien later. We krijgen natuurlijk op onzen Middelzee-tocht verscheidene boerderijen (141) te zien, vele nieuw, sommige ouder en die zien er vaak het aardigste uit, zooals de Venema-state (41) kort voor het dorp Wijtgaard. De meest gewone vorm is alles onder één groot dak, maar vele hebben een voorhuis, dat soms een afspiegeling is van dat Burmaniahuis in Leeuwarden.[26]Wijtgaard is een mooi, groot dorp en hetzelfde is ook te zeggen van Roordahuizen, dat zich een eind oostelijk van den straatweg uitstrekt: eerst de schoorsteen van de zuivelfabriek, dan een stuk weg met iepen, waarvan de kronen een mooie golvende lijn langs de lucht maken, daarna het eigenlijke dorp heelemaal in de boomen met een paar groote roode daken op den voorgrond, een mooi versierde torenspits, een mooi molentje en eindelijk na een massa huisjes rood en blauw één groote, alleenstaande boerderij met reusachtig blauw dak en zeegroene omlijsting. Alles groot en breed, netjes en welvarend.Weldra buigt onze zeedijk om en verlaten wij dus den weg naar Heerenveen, wat wij met genoegen doen, want onze weg naar Rauwerd en Sneek ziet er prachtig uit, breed, beschaduwd door hooge iepen en aan de kanten nog weer beplant met lager houtgewas. Daar tusschen door overzien wij nu naar het Noorden een groot stuk Middelzee in de lengte: eindeloos grasland met heel in de verte een flauw boomenrijtje, dat is de grindweg van Weidum naar Wijtgaard, die de voormalige zee dwars doorsnijdt.Recht voor ons zien we een rijtje huizen dicht aaneengeschaard, dat is Bruggebuurt, dat ligt daar echt zooals een dorpje langs de zeekust, b.v. zooals Durgerdam. Het ligt dan ook aan de overzijde van de Middelzee, we zouden er in een paar minuten kunnen zijn, want hier gaat ook een dwarsweg door het land. Halverwege is het mooie buurtje De Dille, daar wordt die weg gekruist door een vaart, de Zwette, die indertijd gegraven is niet alleen als trekvaart naar Leeuwarden, maar ook als grens tusschen Oostergo en Westergo, die eerst door de Middelzee werden gescheiden. Een aardig plekje dit. Ook moeten we hier even afstappen om een wandelingetje te maken door een mooi park, dat hier vlak aan den weg ligt, alles wat er is overgebleven van de Omega-state der Eysinga’s. Van al de gebouwen is niets blijven staan dan een met klimop begroeid poortje (35), waarop de kleurige familiewapens prijken, maar het park is heel aardig met mooie lanen van eiken, ahorns en esschen, veel plantsoen en kleurige bloemperken. Langs de stugge kleipaden bereiken we zelfs een bergje, dat den naam van belvedère zou verdienen, indien de boomgroei het uitzicht niet belemmerde. Deze State is als zooveel andere aan de Kerk vermaakt en die onderhoudt haar nu als openbare wandeling, iets, dat hier bij Rauwerd (46), zeer te waardeeren is in een streek waar elke duimbreed gronds waarde heeft voor landbouw of veeteelt. Het strekt den Friezen tot groote eer, dat zeer veel steden en dorpen op de een of andere wijze begiftigd zijn met mooie wandelparken; Leeuwarden voorop met zijn fraaie Rengerspark. Soms heeft de gemeente er zelf voor gezorgd, maar meestal zijn het rijke families of stichtingen, die het goede werk hebben verricht.Nu rijden we weer verder, eventjes hobbelend over een smalspoor, dwars over den weg, waar langs op kipkarretjes vette terpaarde wordt weggereden, maar over die terpen zullen we het hebben op een andere reis. Even afstappen om een schetsje te maken van Deersum (30): prachtig kerkje en torentje van grijzen steen, begroeid met helder geel korstmos, groot ijzeren kruis boven op het zadeldak en dat allemaal omgeven door wuivende witte wilgen. Deersum (44)? Wat heb ik daar ook van gehoord. O, ja, hier in de buurt zijn de groote veefokkerijen[27]van de firma Schaap & Co., beroemd over de heele wereld en er zijn ook mooie kostbaarheden opgegraven afkomstig van een oud klooster, dat hier vroeger gestaan heeft. Het Middelzeetje is hier maar smal geweest, want het dorp Bozum aan de overzijde is zoo dichtbij, dat ik er meteen wel even een krabbeltje van zal maken, maar laat ik den naam er bij zetten, want de toren heeft ook alweer zoo’n zadeldak. Ik ben er benieuwd naar, hoe onze artiesten afwisseling zullen brengen in de plaatjes.Vooruit weer, altijd maar tusschen de groene weiden. Hier is tenminste een dorp, dat er wat anders uitziet, het ligt ook westwaarts van den weg en er zijn schepen, een brug (36) en een haventje. Naar den kant van de kerk ziet het er heel schilderachtig uit en we zouden dit Scharnegoutum (33) ook wel even willen binnenwandelen, als daarginds in de verte niet de hooge daken blonken van het aloude Sneek, de tweede stad van Friesland, die we al zoo dikwijls zijn voorbijgespoord en nog nimmer hebben betreden.Ik zal dat eerste binnenkomen in Sneek nooit vergeten. Hier geen vies rommelbuurtje aan den ingang, zooals in zoo menige andere stad, maar een paar kloeke fabrieksgebouwen en molens (136) verspreid in het groene land en links van den weg langs het water een lange reusachtige loods, die ik later ten zeerste heb leeren waardeeren als de Jachthaven. Dan een breede vaart, de Buitensingel (139), met turfschepen en die zitten altijd vol jolige kleurplekjes. En over de brug zag je in een breede, heldere, zonnige straat met geveltjes vol afwisseling en aardig vertier van uitstallingen. Die straat werd afgesloten door een hooge kerk, het blauwe dak met het witte koepeltorentje fijn harmonieerend met de heete blauwe zomerlucht. Zoo iets doet je buitengewoon prettig aan en als je dan nog op een helder grachtje een huis ontdekt waar in frissche aquariums allerlei waterbewoners rondzwemmen, terwijl boven den ingang een uithangbord kort en krachtig niets anders vermeldt dan: „visch eten”, dan stijgt de tevredenheid ten top. Terwijl die visch werd klaargemaakt, gingen we de stad bekijken en daar vonden we weer allerlei moois. ’t Is geen heel oude stad, maar het nieuwe is er meestal niet onaangenaam. Al die flinke winkelgebouwen met ruime puien en blinkende spiegelruiten geven een prettig idee van de welvaart, die in deze streek en eigenlijk door heel Friesland heerscht. Wij kregen tenminste op onze tochten telkens en overal den indruk, dat „arm Friesland”, waarover we vroeger spraken op dezelfde manier als over arm Ierland, ook al wel weer tot het rijk der fabelen moet gerekend worden.De groote beroemdheid van Sneek is de Waterpoort en die hadden we dan ook al gauw te pakken. We hebben er net zoo lang omheen gedraaid, tot we hadden uitgemaakt, dat je het mooie gebouwtje het best ziet van af de Geeuwkade. Het behoort, om zoo te zeggen tot de familie van de Kanselarij te Leeuwarden en het stadhuis te Bolsward. Aanvankelijk was het niet anders dan een doorvaart door den vestingmuur van de stad; tusschen twee haakjes, Sneek is in zijn tijd nog al een strijdvaardig en onafhankelijk plaatsje geweest. Nu, die doorvaart is versterkt en versierd en er is een wachtershuisje, niet naast, maar bovenop gebouwd. Het eigenlijk bouwwerk is begonnen tijdens het twaalfjarig bestand, maar later is er telkens weer bijgebouwd en gerestaureerd, tot in onzen tijd toe en dat is wonder boven[28]wonder ten slotte nog heel goed uitgevallen, zoodat landgenoot en vreemdeling zich nog elken dag verlustigen aan het mooie dingske. Wij amuseerden ons er mee, om van die Geeuwkade af de Sneekenaren onder de rondbogen van die waterpoortbrug voorbij te zien wandelen; ’t was net een poppekast of zoo’n optochtje in een Friesche klok.De Geeuwkade zelf was ook wel de moeite waard; er is een drukke vaart en een ontmantelde houtzaagmolen met fabrieksgebouw vormt er een heel schilderachtig groepje juist tegenover dat juweeltje van een poort. Toen verder de stad in. Op de Harinxmakade noteerden we een mooi gevelsteentje (137) in een gewone woning, een zeilend scheepje voorstellend. Eindelijk belandden we op de veemarkt, die hier, evenals die te Leeuwarden, zeer belangrijk is en vandaar op het Oude Kerkhof bij onze kerk, die we bij het inkomen van de stad al hadden opgemerkt. Hij bleek vergezeld te zijn van een klokkenhuis (114). De windwijzer op die kerk zag er nog al merkwaardig uit, een wapenschild met een gehalveerden arend, geflankeerd door een beest en een wildeman met een knods. We ontdekten later, toen we het stadhuis vonden, dat die wildeman en de rest het wapen van Sneek moest wezen. ’t Stadhuis zelf lijkt een heel deftige achttiende-eeuwsche koopmanswoning, stoep en deur en bovenraam en torentje allerovervloedigst versierd, maar daar houden de Friezen wel van. Ze kunnen ook geen stuk hout met rust laten, snijden daar allerlei kunstige figuurtjes in. Ook staat in mijn verouderd gidsje een uitspraak uit 1630 over de burgers van Sneek: „De inwoners zijn constlievende luyden.” Deze uitspraak heb ik later op heel prettige manier nog eens leeren beamen. Nu vonden we nog een Waag en een vriendelijke inboorling, die ons zoo tevreden zag rondkijken, bracht ons naar de Eierbrug, om het mooie drukke stadsgezicht te zien en daar zijn we hem nog altijd dankbaar voor.Een uur later rolden onze karretjes de stad uit, de spoorlijn over, den zonnigen weg op naar IJlst (42). Deze weg is nog altijd een stuk dijk om de oude Middelzee, reeds voor het jaar 1300 was die hier dichtgeslibd. Nog even kijken we om naar Sneek, dat daar bedrijvig ligt te midden van de stille weiden en dan zijn we ook al heel gauw in IJlst, misschien de kleinste en wonderlijkste stad van Nederland of van de heele wereld. Als we de fabrieks- en havenbuurt aan de Geeuw uitzonderen, dan kan het vergeleken worden met een groot hofje aan weerszijden van een smalle gracht. Keurige kleine huisjes, beschaduwd door plat geschoren iepen en linden, staan dicht geschaard langs een zindelijk klinkerstraatje, elk huis heeft een rechthoekig omheind bleekveldje of tuintje. Bruggetjes met witte leuningen onderhouden het verkeer tusschen beide oevers. Hier en daar een winkeltje, een enkel huis (32) trekt even de aandacht door grooter afmeting of sprekender stijl. Het eind van de stad loopt blind, het grachtje wordt een breede sloot, in de bocht onder witte wilgen een rommelig schuurtje aan den waterkant, een blikken melkputs op den voorgrond. Een hengelaar sjokt ons voorbij, die wil de stad uit en ontsluit een hekje van latwerk aan den kant van het kerkhof, dat wij nog niet hadden gezien.[29]37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM38 WEIDUM38 WEIDUM39 HET BARRAHUIS39 HET BARRAHUIS40 WEIDUM—BUURTJE40 WEIDUM—BUURTJE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE42 IJLST42 IJLSTL. W. R. WENCKEBACH[30]43 BOLSWARD43 BOLSWARD44 DEERSUM44 DEERSUM45 BOXUM—KERK45 BOXUM—KERK46 RAUWERD46 RAUWERD47 WESTHEIM—KERKJE47 WESTHEIM—KERKJE48 WEIDUM—KERK48 WEIDUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH[28]Hoofdschuddend beklimmen wij onze fietsen en zoeken den Middelzee-dijk weer op, kruisen bij Drousterhuizen de spoorlijn en nu gaat het recht op Bolsward aan. Dat was weer een prettig[31]ritje. We merkten nu eerst dat we in de streek der meren waren, want in Sneek zie je niets van het Sneekermeer. Hier echter sloegen de golfjes van het Piekemeer (135) vroolijk tegen den dijk, het sluisje bij Piekezijl (142) geeft verbinding met de Bolswarder trekvaart. Een eindje verder hadden we weer zoo’n sluis bij Katzijl en daar kregen we rechts het kleine dorpje Westhem (47) met zijn zoo poëtisch geheel met klimop begroeiden zadeldak-toren. Nu zien we ook in de verte al heel duidelijk Bolsward (43) liggen, dat ook al op terpen is gebouwd en waar zich de grootvader van alle zadeldaktorens hoog in de lucht verheft. We maakten maar een fermen spurt over Blauwhuis en Tjerkwerd en reden in den namiddag het stadje binnen, waar, volgens het gerucht, de beste Friezen wonen. We hadden den grooten kerktoren zoo lang voor oogen gehad, dat we maar dadelijk rechtstreeks langs een paar smalle grachtjes en een klimmend straatje opreden naar de kerk (29), die we open vonden en toen we binnenstapten was de kostersvrouw, die zeker op de loer had gelegen, dadelijk bij de hand om onze kwartjes in ontvangst te nemen. We hebben toen de kerk bezichtigd, wat we anders op zoo’n vluchtigen verkenningstocht maar zelden doen en hadden er geen berouw van, want niet alleen is de groote ruimte ontzagwekkend, maar ook gaven de preekstoel en de banken de allermooiste staaltjes van Friesche houtsnijkunst te aanschouwen. Op den grond lagen rijk bewerkte grafzerken, het uitvoerigst wel die van Heer Heerema en zijn vrouw Sithia Cammingha, zoo uitvoerig, dat het eer teekenwerk in steen geleek dan beeldhouwwerk. In het kerkportaal vonden wij het marmeren borstbeeld van Gijsbert Japikx, beroemd Friesch dichter uit de zeventiende eeuw, en ook een heel ouden steen, waarop Sinte Maarten al weer eens zijn halven mantel aan dien bedelaar geeft. De kerk heet dan ook de Martinikerk. Toen naar het mooie stadhuis (27), dat haast veel te mooi is voor zoo’n afgelegen stad. Het kon in de zeventiende eeuw blijkbaar overal in ons land er nog al goed op overschieten en wat een goede keus in architecten hadden de besturen van dien tijd! Hoe is dat later toch allemaal zoo armoedig en lusteloos geworden.Wij gingen nog even den wal op en hadden ook gaarne het park (alweer een geschenk) bezichtigd, maar daar we nog den heelen westoever van de Middelzee tot Marssum toe wilden „doen”, gingen we maar weer gauw op weg. En een heerlijk ritje was het: eerst den Sneekerstraatweg op tot Zilst, toen verder langs Hartwerd, Sanlean naar Boxum, wat dichtbij een heel mooi dorp bleek te zijn met vele schilderachtig gelegen, mooi begroeide boerenplaatsen, sommige met heel listig bedachte eendennesten (37) in de boomen. Hier kregen we naar rechts onzen weg te zien van ’s morgens met Deersum en Rauwerd en we rolden nu ook door Bruggebuurt en langs den eenzaam staanden toren van Oosterwierum (28), waar ook de terp weggegraven is.Hier zien we ver naar links het dorp Wieuwerd liggen, waar we eigenlijk ook heen moesten, want daar heb je een van de wonderen van Friesland in den vorm van een grafkelder, waar lijken en ook planten en vruchten niet bederven, maar eenvoudig indrogen. Hoe dat komt, weet niemand precies. Het eerst is het wonderlijk feit geconstateerd aan het lijk van de bekende geleerde vrouw Anna Maria Schuurman, dezelfde die ook spinnen at op haar boterham.[32]In Weidum (40) was het kermis. ’t Is een mooi dorp met aanzienlijke huizen en er gaat van hier een mooie goed beplante grintweg dwars door de Middelzee naar Wijtgaard, en aangezien het laat werd en wij weer met tegenwind te kampen hadden, lieten we, hoewel ongaarne, Jellum en Boxum maar links liggen om bijtijds thuis te zijn en ’s avonds nog weer wat in ons geliefd Leeuwarden rond te wanden. We hadden een overheerlijken dag gehad en spitsten ons alweer op den volgenden.[34]Heringastate te Marssum.[35]
[Inhoud]LANGS DE OUDE MIDDELZEE.II.LANGS DE OUDE MIDDELZEE.Als een jaar of tien geleden iemand nog voorspeld zou hebben, dat ik in mijn zomervacantie voor een weekje naar Leeuwarden zou gaan, dan had ik hem zeker heel onbeleefd vlak in zijn gezicht uitgelachen. En toch is het zoover gekomen, alles terwille van dit album en ik stel er grooten prijs op, om te verklaren, dat wij het met het allergrootste genoegen hebben gedaan. Wij Hollanders hebben over het algemeen een heel verkeerd denkbeeld van Friesland en de Friezen, maar ik ben nu gelukkig al een heel eind op weg, om bekeerd te worden van de dwalingen mijns weegs. Om te beginnen, wij vonden Leeuwarden een aardige, onderhoudende, vroolijke en vriendelijke stad en als we op den dag onze groote zwerftoeren door de provincie hadden volbracht, dan genoten wij er van, om ’s avonds, zoo lang er nog daglicht was, rond te dwalen door de aardige hoofdplaats. Dan gingen we winkelen langs den Wirdumerdijk, de Kelders, de Oosterkade (116), de Korenmarkt en de Voorstreek, waar ik bij Meijer en Schaafsma een oud reisgidsje kocht, getiteld Friesland en de Friezen. Dat boekje dateert van 1877 en is dus allergeweldigst verouderd, maar dat neemt niet weg, dat het door de oorspronkelijke bijdragen van vele brave en knappe Friezen nog altijd dubbel en dwars de moeite waard is, om geraadpleegd te worden. Van jonger datum, van 1915, is de Nieuwe Gids voor Leeuwarden en omstreken, maar wat daar van de omstreken in staat, is slechts weinig. Wij vonden, dat er heusch wel eens een heel nieuw boek over Friesland mocht verschijnen, want dat land is ’t waard.Van de Kelders, die een beetje herinneren aan de Oude Gracht te Utrecht, slenterden we dan naar de Nieuwstad, die al oud genoeg is, ik zal straks wel uitleggen, waar de naam vandaan komt. Daar staat de mooie Oude Waag (25), die omstreeks 1600 is gebouwd en er[22]net zoo vroolijk en aardig en onderhoudend uitziet, als ze in dien tijd de openbare gebouwen wisten te maken. In 1877 werd zij nog gebruikt, maar sedert moest zij door een grootere vervangen worden, die ge met Beurs gecombineerd om den hoek van het Wilhelminaplein kunt bewonderen. Vergelijk maar eens. Vergelijk ook het Paleis van Justitie op hetzelfde Wilhelminaplein met het Kanselarijgebouw (26) op de Tweebaksmarkt. Dit laatste is trouwens een van de mooiste gebouwen van heel Nederland, een cadeautje van onzen ouden goeden vriend Philips II van Spanje, die het van 1566 tot 1571 heeft laten bouwen. Het is niet heelemaal klaar gekomen door den tachtigjarigen oorlog en later onder Koning Willem I is het binnen nog al heel erg en ergerlijk verknoeid, maar aan den buitenkant is het nog altijd van verrassende schoonheid. De vier wapens, die op de mooie steenen trap door grijnzende leeuwen worden vastgehouden, zijn die van de vier kwartieren van Friesland: Oostergo, Westergo, De Elf Steden en de Zevenwolden. Tegenover de Kanselarij ligt het Friesch Museum, dat bezochten we nu niet, omdat we op den dag natuurlijk buiten moesten zijn, maar vroeger kwamen wij er toch al dikwijls, om de uren te gebruiken, die we bij onze bezoeken aan Terschelling of Rottum verloren door de slechte treinaansluitingen te Leeuwarden. Men zegt, dat dit in de toekomst beter wordt, maar dat zal de klandisie van het Friesch Museum schaden en dat is heel jammer, want er is een massa moois en merkwaardigs te zien en veel te leeren.Vlak bij de Waag is de breedste brug van heel Nederland, breeder nog dan de Torensluis, die heet de Langepijp en daar in de buurt staan de stugge Friezen ’s avonds bij troepjes te babbelen en gekheid te maken, wat hun wonder goed afgaat, want al die stuggigheid is maar een kwaadaardig verzinsel van de Hollanders. Wij hielden ervan, om over de Langepijp de oude stad in te duiken langs smalle straatjes, die soms ongelooflijk steil bergop en bergaf gingen en daar begrepen we dan heel kostelijk, dat Leeuwarden even goed als Rome op heuvelen is gebouwd. Het zijn er maar drie en ze zijn nog kunstmatig op den koop toe: drie terpen waarop eeuwen geleden de dorpen Oldenhove, Nijenhove en Hoek waren ontstaan, die eerst in de vijftiende eeuw voor goed met elkander een stad gingen vormen. Als je er niet op bedacht bent, dan zijn die steile, smalle, zeer schilderachtige straatjes inderdaad een groote verrassing. De naam Oldenhove bestaat nog. Zoo heet namelijk de groote steenklomp in het Westen van de stad, die uren ver uit den omtrek te zien is en die op het eerste gezicht herinnert aan den Toren van Babel. Hij is eveneens onvoltooid gebleven en wel doordat hij onder het bouwen al ging verzakken. Ook thans staat hij nog geweldig scheef, maar hij zal het wel uithouden en er komt een electrische lift, zoodat je makkelijk naar boven kunt gaan, om een heerlijk gezicht te hebben over de stad en haar omstreken. Ik weet niet of het Edmondo d’Amicis geweest is of Henry Havard (of een andere van de schrijvers, die in vroeger jaren allerlei overdreven bijzonderheidjes van Nederland hebben wereldkundig gemaakt) die hier boven op de Oldenhove heeft gestaan en beneden zich de straten van Leeuwarden zag flikkeren en bliksemen door al de gouden kappen van de dames, die daar wandelden. ’t Is tegenwoordig met die gouden kappen al net als met de[25]stuggigheid, je krijgt er niet veel meer van te zien en dat is maar goed ook. Ik zie liever.… nu ja, dat komt er ook niet op aan.[23]25 LEEUWARDEN—WAAG25 LEEUWARDEN—WAAG26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ27 BOLSWARD—STADHUIS27 BOLSWARD—STADHUIS28 OOSTERBIERUM—TOREN28 OOSTERBIERUM—TOREN29 BOLSWARD—KERKSTRAAT29 BOLSWARD—KERKSTRAAT30 DEERSUM—KERK30 DEERSUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH[24]31 DEINUM—TOREN31 DEINUM—TOREN32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER33 SCHARNEGOUTUM33 SCHARNEGOUTUM34 LEEUWARDEN—INGANG KERK34 LEEUWARDEN—INGANG KERK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK36 SCHARNEGOUTUM—BRUG36 SCHARNEGOUTUM—BRUGL. W. R. WENCKEBACH[25]In de buurt van de Oldehove vindt men het zeer beroemde, maar foei leelijke Burmaniahuis en een eindje verder den Prinsentuin, gesticht door Willem Frederik ter herinnering aan den Vrede van Munster. Ge herinnert u dat Willem Frederik’s weduwe Albertina Agnes het Oranjewoud gesticht heeft. Van dien Prinsentuin kuieren we weer langs een aardig binnenstraatje voorbij de keurige Sint Anthoniesstichtingen over onze terpen langs de kerk (34) huiswaarts en nu heb ik nog lang niet de helft genoemd van wat er in Leeuwarden allemaal al zoo te zien is. Doch ik heb nu trek om naar buiten te gaan.Wij hadden alweer een leuk plan, net zoo iets als die twintig dorpen van Weststellingwerf en wel, we wilden een fietstocht maken rondom de Oude Middelzee. Oldenhove en Nijenhove lagen eenmaal aan een zeeboezem, die zich diep landwaarts in uitstrekte tot voorbij Sneek, en Bolsward lag er ook aan. De winkelstraat van Leeuwarden, de Wirdumerdijk, was in dien tijd gewoonweg een zeedijk en ook de tegenwoordige straatweg naar Heerenveen tot een eind voorbij Roordahuizen. In één dag is die tocht prachtig te doen en we hebben het er dan ook best afgebracht. Door de voorstad Schrans rolden we wakker zuidwaarts en je hebt dan aanvankelijk langs den straatweg een prachtig fietspad, bevloerd met lange steenen zerken. Al dadelijk krijg je de Oude Middelzee te zien, niet als water, maar als vlak grasland rechts van den weg met nauwelijks een huis en geen enkel dorp er in, terwijl het naar links om zoo te zeggen krioelt van dorpen, gehuchten en boerderijen. Het gekste is, dat die zeebodem niet lager ligt dan het oude land, maar eer nog een beetje hooger, maar dat is wel te begrijpen als je bedenkt, dat die zee niet drooggemalen is, zooals we nu met de Zuiderzee gaan doen, doch eenvoudig dichtgeslibd en terwijl dat dichtslibben gebeurde, waren de landen achter den dijk alweer een beetje verzakt of ineengeklonken. Dat werd allemaal nog duidelijker, toen we den spoorweg gekruist hadden. Daar zag je dan heel in de verte over het hooiland heen de torens van Boxum (45), Jellum en Weidum (38,48) echt aan den anderen oever van de zee. In het blokhuisje van de spoorlijn bij dien spoorwegovergang is een kleine gedenksteen, dat zie je ook niet dikwijls. Het opschrift luidt: Bara huis; dat is de naam van een stins, die daar vroeger heeft gestaan en waar de staten van Oostergo vergaderden. Ook is daar de knapste Fries geboren, die ooit heeft geleefd, nl. Viglius van Aytta.Er is ook nog een nieuw Barra-huis (39) of Barra-state, eigenlijk een groote boerderij met een mooi plantsoen voor de deur en daar staat een levendig geschilderd soldatenbeeld in, een soort van grenadier zou je zeggen. Wat die daar te beduiden heeft, weet ik niet, sommigen brengen hem in verband met het gevecht bij Boxum, waarover misschien later. We krijgen natuurlijk op onzen Middelzee-tocht verscheidene boerderijen (141) te zien, vele nieuw, sommige ouder en die zien er vaak het aardigste uit, zooals de Venema-state (41) kort voor het dorp Wijtgaard. De meest gewone vorm is alles onder één groot dak, maar vele hebben een voorhuis, dat soms een afspiegeling is van dat Burmaniahuis in Leeuwarden.[26]Wijtgaard is een mooi, groot dorp en hetzelfde is ook te zeggen van Roordahuizen, dat zich een eind oostelijk van den straatweg uitstrekt: eerst de schoorsteen van de zuivelfabriek, dan een stuk weg met iepen, waarvan de kronen een mooie golvende lijn langs de lucht maken, daarna het eigenlijke dorp heelemaal in de boomen met een paar groote roode daken op den voorgrond, een mooi versierde torenspits, een mooi molentje en eindelijk na een massa huisjes rood en blauw één groote, alleenstaande boerderij met reusachtig blauw dak en zeegroene omlijsting. Alles groot en breed, netjes en welvarend.Weldra buigt onze zeedijk om en verlaten wij dus den weg naar Heerenveen, wat wij met genoegen doen, want onze weg naar Rauwerd en Sneek ziet er prachtig uit, breed, beschaduwd door hooge iepen en aan de kanten nog weer beplant met lager houtgewas. Daar tusschen door overzien wij nu naar het Noorden een groot stuk Middelzee in de lengte: eindeloos grasland met heel in de verte een flauw boomenrijtje, dat is de grindweg van Weidum naar Wijtgaard, die de voormalige zee dwars doorsnijdt.Recht voor ons zien we een rijtje huizen dicht aaneengeschaard, dat is Bruggebuurt, dat ligt daar echt zooals een dorpje langs de zeekust, b.v. zooals Durgerdam. Het ligt dan ook aan de overzijde van de Middelzee, we zouden er in een paar minuten kunnen zijn, want hier gaat ook een dwarsweg door het land. Halverwege is het mooie buurtje De Dille, daar wordt die weg gekruist door een vaart, de Zwette, die indertijd gegraven is niet alleen als trekvaart naar Leeuwarden, maar ook als grens tusschen Oostergo en Westergo, die eerst door de Middelzee werden gescheiden. Een aardig plekje dit. Ook moeten we hier even afstappen om een wandelingetje te maken door een mooi park, dat hier vlak aan den weg ligt, alles wat er is overgebleven van de Omega-state der Eysinga’s. Van al de gebouwen is niets blijven staan dan een met klimop begroeid poortje (35), waarop de kleurige familiewapens prijken, maar het park is heel aardig met mooie lanen van eiken, ahorns en esschen, veel plantsoen en kleurige bloemperken. Langs de stugge kleipaden bereiken we zelfs een bergje, dat den naam van belvedère zou verdienen, indien de boomgroei het uitzicht niet belemmerde. Deze State is als zooveel andere aan de Kerk vermaakt en die onderhoudt haar nu als openbare wandeling, iets, dat hier bij Rauwerd (46), zeer te waardeeren is in een streek waar elke duimbreed gronds waarde heeft voor landbouw of veeteelt. Het strekt den Friezen tot groote eer, dat zeer veel steden en dorpen op de een of andere wijze begiftigd zijn met mooie wandelparken; Leeuwarden voorop met zijn fraaie Rengerspark. Soms heeft de gemeente er zelf voor gezorgd, maar meestal zijn het rijke families of stichtingen, die het goede werk hebben verricht.Nu rijden we weer verder, eventjes hobbelend over een smalspoor, dwars over den weg, waar langs op kipkarretjes vette terpaarde wordt weggereden, maar over die terpen zullen we het hebben op een andere reis. Even afstappen om een schetsje te maken van Deersum (30): prachtig kerkje en torentje van grijzen steen, begroeid met helder geel korstmos, groot ijzeren kruis boven op het zadeldak en dat allemaal omgeven door wuivende witte wilgen. Deersum (44)? Wat heb ik daar ook van gehoord. O, ja, hier in de buurt zijn de groote veefokkerijen[27]van de firma Schaap & Co., beroemd over de heele wereld en er zijn ook mooie kostbaarheden opgegraven afkomstig van een oud klooster, dat hier vroeger gestaan heeft. Het Middelzeetje is hier maar smal geweest, want het dorp Bozum aan de overzijde is zoo dichtbij, dat ik er meteen wel even een krabbeltje van zal maken, maar laat ik den naam er bij zetten, want de toren heeft ook alweer zoo’n zadeldak. Ik ben er benieuwd naar, hoe onze artiesten afwisseling zullen brengen in de plaatjes.Vooruit weer, altijd maar tusschen de groene weiden. Hier is tenminste een dorp, dat er wat anders uitziet, het ligt ook westwaarts van den weg en er zijn schepen, een brug (36) en een haventje. Naar den kant van de kerk ziet het er heel schilderachtig uit en we zouden dit Scharnegoutum (33) ook wel even willen binnenwandelen, als daarginds in de verte niet de hooge daken blonken van het aloude Sneek, de tweede stad van Friesland, die we al zoo dikwijls zijn voorbijgespoord en nog nimmer hebben betreden.Ik zal dat eerste binnenkomen in Sneek nooit vergeten. Hier geen vies rommelbuurtje aan den ingang, zooals in zoo menige andere stad, maar een paar kloeke fabrieksgebouwen en molens (136) verspreid in het groene land en links van den weg langs het water een lange reusachtige loods, die ik later ten zeerste heb leeren waardeeren als de Jachthaven. Dan een breede vaart, de Buitensingel (139), met turfschepen en die zitten altijd vol jolige kleurplekjes. En over de brug zag je in een breede, heldere, zonnige straat met geveltjes vol afwisseling en aardig vertier van uitstallingen. Die straat werd afgesloten door een hooge kerk, het blauwe dak met het witte koepeltorentje fijn harmonieerend met de heete blauwe zomerlucht. Zoo iets doet je buitengewoon prettig aan en als je dan nog op een helder grachtje een huis ontdekt waar in frissche aquariums allerlei waterbewoners rondzwemmen, terwijl boven den ingang een uithangbord kort en krachtig niets anders vermeldt dan: „visch eten”, dan stijgt de tevredenheid ten top. Terwijl die visch werd klaargemaakt, gingen we de stad bekijken en daar vonden we weer allerlei moois. ’t Is geen heel oude stad, maar het nieuwe is er meestal niet onaangenaam. Al die flinke winkelgebouwen met ruime puien en blinkende spiegelruiten geven een prettig idee van de welvaart, die in deze streek en eigenlijk door heel Friesland heerscht. Wij kregen tenminste op onze tochten telkens en overal den indruk, dat „arm Friesland”, waarover we vroeger spraken op dezelfde manier als over arm Ierland, ook al wel weer tot het rijk der fabelen moet gerekend worden.De groote beroemdheid van Sneek is de Waterpoort en die hadden we dan ook al gauw te pakken. We hebben er net zoo lang omheen gedraaid, tot we hadden uitgemaakt, dat je het mooie gebouwtje het best ziet van af de Geeuwkade. Het behoort, om zoo te zeggen tot de familie van de Kanselarij te Leeuwarden en het stadhuis te Bolsward. Aanvankelijk was het niet anders dan een doorvaart door den vestingmuur van de stad; tusschen twee haakjes, Sneek is in zijn tijd nog al een strijdvaardig en onafhankelijk plaatsje geweest. Nu, die doorvaart is versterkt en versierd en er is een wachtershuisje, niet naast, maar bovenop gebouwd. Het eigenlijk bouwwerk is begonnen tijdens het twaalfjarig bestand, maar later is er telkens weer bijgebouwd en gerestaureerd, tot in onzen tijd toe en dat is wonder boven[28]wonder ten slotte nog heel goed uitgevallen, zoodat landgenoot en vreemdeling zich nog elken dag verlustigen aan het mooie dingske. Wij amuseerden ons er mee, om van die Geeuwkade af de Sneekenaren onder de rondbogen van die waterpoortbrug voorbij te zien wandelen; ’t was net een poppekast of zoo’n optochtje in een Friesche klok.De Geeuwkade zelf was ook wel de moeite waard; er is een drukke vaart en een ontmantelde houtzaagmolen met fabrieksgebouw vormt er een heel schilderachtig groepje juist tegenover dat juweeltje van een poort. Toen verder de stad in. Op de Harinxmakade noteerden we een mooi gevelsteentje (137) in een gewone woning, een zeilend scheepje voorstellend. Eindelijk belandden we op de veemarkt, die hier, evenals die te Leeuwarden, zeer belangrijk is en vandaar op het Oude Kerkhof bij onze kerk, die we bij het inkomen van de stad al hadden opgemerkt. Hij bleek vergezeld te zijn van een klokkenhuis (114). De windwijzer op die kerk zag er nog al merkwaardig uit, een wapenschild met een gehalveerden arend, geflankeerd door een beest en een wildeman met een knods. We ontdekten later, toen we het stadhuis vonden, dat die wildeman en de rest het wapen van Sneek moest wezen. ’t Stadhuis zelf lijkt een heel deftige achttiende-eeuwsche koopmanswoning, stoep en deur en bovenraam en torentje allerovervloedigst versierd, maar daar houden de Friezen wel van. Ze kunnen ook geen stuk hout met rust laten, snijden daar allerlei kunstige figuurtjes in. Ook staat in mijn verouderd gidsje een uitspraak uit 1630 over de burgers van Sneek: „De inwoners zijn constlievende luyden.” Deze uitspraak heb ik later op heel prettige manier nog eens leeren beamen. Nu vonden we nog een Waag en een vriendelijke inboorling, die ons zoo tevreden zag rondkijken, bracht ons naar de Eierbrug, om het mooie drukke stadsgezicht te zien en daar zijn we hem nog altijd dankbaar voor.Een uur later rolden onze karretjes de stad uit, de spoorlijn over, den zonnigen weg op naar IJlst (42). Deze weg is nog altijd een stuk dijk om de oude Middelzee, reeds voor het jaar 1300 was die hier dichtgeslibd. Nog even kijken we om naar Sneek, dat daar bedrijvig ligt te midden van de stille weiden en dan zijn we ook al heel gauw in IJlst, misschien de kleinste en wonderlijkste stad van Nederland of van de heele wereld. Als we de fabrieks- en havenbuurt aan de Geeuw uitzonderen, dan kan het vergeleken worden met een groot hofje aan weerszijden van een smalle gracht. Keurige kleine huisjes, beschaduwd door plat geschoren iepen en linden, staan dicht geschaard langs een zindelijk klinkerstraatje, elk huis heeft een rechthoekig omheind bleekveldje of tuintje. Bruggetjes met witte leuningen onderhouden het verkeer tusschen beide oevers. Hier en daar een winkeltje, een enkel huis (32) trekt even de aandacht door grooter afmeting of sprekender stijl. Het eind van de stad loopt blind, het grachtje wordt een breede sloot, in de bocht onder witte wilgen een rommelig schuurtje aan den waterkant, een blikken melkputs op den voorgrond. Een hengelaar sjokt ons voorbij, die wil de stad uit en ontsluit een hekje van latwerk aan den kant van het kerkhof, dat wij nog niet hadden gezien.[29]37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM38 WEIDUM38 WEIDUM39 HET BARRAHUIS39 HET BARRAHUIS40 WEIDUM—BUURTJE40 WEIDUM—BUURTJE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE42 IJLST42 IJLSTL. W. R. WENCKEBACH[30]43 BOLSWARD43 BOLSWARD44 DEERSUM44 DEERSUM45 BOXUM—KERK45 BOXUM—KERK46 RAUWERD46 RAUWERD47 WESTHEIM—KERKJE47 WESTHEIM—KERKJE48 WEIDUM—KERK48 WEIDUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH[28]Hoofdschuddend beklimmen wij onze fietsen en zoeken den Middelzee-dijk weer op, kruisen bij Drousterhuizen de spoorlijn en nu gaat het recht op Bolsward aan. Dat was weer een prettig[31]ritje. We merkten nu eerst dat we in de streek der meren waren, want in Sneek zie je niets van het Sneekermeer. Hier echter sloegen de golfjes van het Piekemeer (135) vroolijk tegen den dijk, het sluisje bij Piekezijl (142) geeft verbinding met de Bolswarder trekvaart. Een eindje verder hadden we weer zoo’n sluis bij Katzijl en daar kregen we rechts het kleine dorpje Westhem (47) met zijn zoo poëtisch geheel met klimop begroeiden zadeldak-toren. Nu zien we ook in de verte al heel duidelijk Bolsward (43) liggen, dat ook al op terpen is gebouwd en waar zich de grootvader van alle zadeldaktorens hoog in de lucht verheft. We maakten maar een fermen spurt over Blauwhuis en Tjerkwerd en reden in den namiddag het stadje binnen, waar, volgens het gerucht, de beste Friezen wonen. We hadden den grooten kerktoren zoo lang voor oogen gehad, dat we maar dadelijk rechtstreeks langs een paar smalle grachtjes en een klimmend straatje opreden naar de kerk (29), die we open vonden en toen we binnenstapten was de kostersvrouw, die zeker op de loer had gelegen, dadelijk bij de hand om onze kwartjes in ontvangst te nemen. We hebben toen de kerk bezichtigd, wat we anders op zoo’n vluchtigen verkenningstocht maar zelden doen en hadden er geen berouw van, want niet alleen is de groote ruimte ontzagwekkend, maar ook gaven de preekstoel en de banken de allermooiste staaltjes van Friesche houtsnijkunst te aanschouwen. Op den grond lagen rijk bewerkte grafzerken, het uitvoerigst wel die van Heer Heerema en zijn vrouw Sithia Cammingha, zoo uitvoerig, dat het eer teekenwerk in steen geleek dan beeldhouwwerk. In het kerkportaal vonden wij het marmeren borstbeeld van Gijsbert Japikx, beroemd Friesch dichter uit de zeventiende eeuw, en ook een heel ouden steen, waarop Sinte Maarten al weer eens zijn halven mantel aan dien bedelaar geeft. De kerk heet dan ook de Martinikerk. Toen naar het mooie stadhuis (27), dat haast veel te mooi is voor zoo’n afgelegen stad. Het kon in de zeventiende eeuw blijkbaar overal in ons land er nog al goed op overschieten en wat een goede keus in architecten hadden de besturen van dien tijd! Hoe is dat later toch allemaal zoo armoedig en lusteloos geworden.Wij gingen nog even den wal op en hadden ook gaarne het park (alweer een geschenk) bezichtigd, maar daar we nog den heelen westoever van de Middelzee tot Marssum toe wilden „doen”, gingen we maar weer gauw op weg. En een heerlijk ritje was het: eerst den Sneekerstraatweg op tot Zilst, toen verder langs Hartwerd, Sanlean naar Boxum, wat dichtbij een heel mooi dorp bleek te zijn met vele schilderachtig gelegen, mooi begroeide boerenplaatsen, sommige met heel listig bedachte eendennesten (37) in de boomen. Hier kregen we naar rechts onzen weg te zien van ’s morgens met Deersum en Rauwerd en we rolden nu ook door Bruggebuurt en langs den eenzaam staanden toren van Oosterwierum (28), waar ook de terp weggegraven is.Hier zien we ver naar links het dorp Wieuwerd liggen, waar we eigenlijk ook heen moesten, want daar heb je een van de wonderen van Friesland in den vorm van een grafkelder, waar lijken en ook planten en vruchten niet bederven, maar eenvoudig indrogen. Hoe dat komt, weet niemand precies. Het eerst is het wonderlijk feit geconstateerd aan het lijk van de bekende geleerde vrouw Anna Maria Schuurman, dezelfde die ook spinnen at op haar boterham.[32]In Weidum (40) was het kermis. ’t Is een mooi dorp met aanzienlijke huizen en er gaat van hier een mooie goed beplante grintweg dwars door de Middelzee naar Wijtgaard, en aangezien het laat werd en wij weer met tegenwind te kampen hadden, lieten we, hoewel ongaarne, Jellum en Boxum maar links liggen om bijtijds thuis te zijn en ’s avonds nog weer wat in ons geliefd Leeuwarden rond te wanden. We hadden een overheerlijken dag gehad en spitsten ons alweer op den volgenden.[34]Heringastate te Marssum.[35]
LANGS DE OUDE MIDDELZEE.II.LANGS DE OUDE MIDDELZEE.
LANGS DE OUDE MIDDELZEE.
Als een jaar of tien geleden iemand nog voorspeld zou hebben, dat ik in mijn zomervacantie voor een weekje naar Leeuwarden zou gaan, dan had ik hem zeker heel onbeleefd vlak in zijn gezicht uitgelachen. En toch is het zoover gekomen, alles terwille van dit album en ik stel er grooten prijs op, om te verklaren, dat wij het met het allergrootste genoegen hebben gedaan. Wij Hollanders hebben over het algemeen een heel verkeerd denkbeeld van Friesland en de Friezen, maar ik ben nu gelukkig al een heel eind op weg, om bekeerd te worden van de dwalingen mijns weegs. Om te beginnen, wij vonden Leeuwarden een aardige, onderhoudende, vroolijke en vriendelijke stad en als we op den dag onze groote zwerftoeren door de provincie hadden volbracht, dan genoten wij er van, om ’s avonds, zoo lang er nog daglicht was, rond te dwalen door de aardige hoofdplaats. Dan gingen we winkelen langs den Wirdumerdijk, de Kelders, de Oosterkade (116), de Korenmarkt en de Voorstreek, waar ik bij Meijer en Schaafsma een oud reisgidsje kocht, getiteld Friesland en de Friezen. Dat boekje dateert van 1877 en is dus allergeweldigst verouderd, maar dat neemt niet weg, dat het door de oorspronkelijke bijdragen van vele brave en knappe Friezen nog altijd dubbel en dwars de moeite waard is, om geraadpleegd te worden. Van jonger datum, van 1915, is de Nieuwe Gids voor Leeuwarden en omstreken, maar wat daar van de omstreken in staat, is slechts weinig. Wij vonden, dat er heusch wel eens een heel nieuw boek over Friesland mocht verschijnen, want dat land is ’t waard.Van de Kelders, die een beetje herinneren aan de Oude Gracht te Utrecht, slenterden we dan naar de Nieuwstad, die al oud genoeg is, ik zal straks wel uitleggen, waar de naam vandaan komt. Daar staat de mooie Oude Waag (25), die omstreeks 1600 is gebouwd en er[22]net zoo vroolijk en aardig en onderhoudend uitziet, als ze in dien tijd de openbare gebouwen wisten te maken. In 1877 werd zij nog gebruikt, maar sedert moest zij door een grootere vervangen worden, die ge met Beurs gecombineerd om den hoek van het Wilhelminaplein kunt bewonderen. Vergelijk maar eens. Vergelijk ook het Paleis van Justitie op hetzelfde Wilhelminaplein met het Kanselarijgebouw (26) op de Tweebaksmarkt. Dit laatste is trouwens een van de mooiste gebouwen van heel Nederland, een cadeautje van onzen ouden goeden vriend Philips II van Spanje, die het van 1566 tot 1571 heeft laten bouwen. Het is niet heelemaal klaar gekomen door den tachtigjarigen oorlog en later onder Koning Willem I is het binnen nog al heel erg en ergerlijk verknoeid, maar aan den buitenkant is het nog altijd van verrassende schoonheid. De vier wapens, die op de mooie steenen trap door grijnzende leeuwen worden vastgehouden, zijn die van de vier kwartieren van Friesland: Oostergo, Westergo, De Elf Steden en de Zevenwolden. Tegenover de Kanselarij ligt het Friesch Museum, dat bezochten we nu niet, omdat we op den dag natuurlijk buiten moesten zijn, maar vroeger kwamen wij er toch al dikwijls, om de uren te gebruiken, die we bij onze bezoeken aan Terschelling of Rottum verloren door de slechte treinaansluitingen te Leeuwarden. Men zegt, dat dit in de toekomst beter wordt, maar dat zal de klandisie van het Friesch Museum schaden en dat is heel jammer, want er is een massa moois en merkwaardigs te zien en veel te leeren.Vlak bij de Waag is de breedste brug van heel Nederland, breeder nog dan de Torensluis, die heet de Langepijp en daar in de buurt staan de stugge Friezen ’s avonds bij troepjes te babbelen en gekheid te maken, wat hun wonder goed afgaat, want al die stuggigheid is maar een kwaadaardig verzinsel van de Hollanders. Wij hielden ervan, om over de Langepijp de oude stad in te duiken langs smalle straatjes, die soms ongelooflijk steil bergop en bergaf gingen en daar begrepen we dan heel kostelijk, dat Leeuwarden even goed als Rome op heuvelen is gebouwd. Het zijn er maar drie en ze zijn nog kunstmatig op den koop toe: drie terpen waarop eeuwen geleden de dorpen Oldenhove, Nijenhove en Hoek waren ontstaan, die eerst in de vijftiende eeuw voor goed met elkander een stad gingen vormen. Als je er niet op bedacht bent, dan zijn die steile, smalle, zeer schilderachtige straatjes inderdaad een groote verrassing. De naam Oldenhove bestaat nog. Zoo heet namelijk de groote steenklomp in het Westen van de stad, die uren ver uit den omtrek te zien is en die op het eerste gezicht herinnert aan den Toren van Babel. Hij is eveneens onvoltooid gebleven en wel doordat hij onder het bouwen al ging verzakken. Ook thans staat hij nog geweldig scheef, maar hij zal het wel uithouden en er komt een electrische lift, zoodat je makkelijk naar boven kunt gaan, om een heerlijk gezicht te hebben over de stad en haar omstreken. Ik weet niet of het Edmondo d’Amicis geweest is of Henry Havard (of een andere van de schrijvers, die in vroeger jaren allerlei overdreven bijzonderheidjes van Nederland hebben wereldkundig gemaakt) die hier boven op de Oldenhove heeft gestaan en beneden zich de straten van Leeuwarden zag flikkeren en bliksemen door al de gouden kappen van de dames, die daar wandelden. ’t Is tegenwoordig met die gouden kappen al net als met de[25]stuggigheid, je krijgt er niet veel meer van te zien en dat is maar goed ook. Ik zie liever.… nu ja, dat komt er ook niet op aan.[23]25 LEEUWARDEN—WAAG25 LEEUWARDEN—WAAG26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ27 BOLSWARD—STADHUIS27 BOLSWARD—STADHUIS28 OOSTERBIERUM—TOREN28 OOSTERBIERUM—TOREN29 BOLSWARD—KERKSTRAAT29 BOLSWARD—KERKSTRAAT30 DEERSUM—KERK30 DEERSUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH[24]31 DEINUM—TOREN31 DEINUM—TOREN32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER33 SCHARNEGOUTUM33 SCHARNEGOUTUM34 LEEUWARDEN—INGANG KERK34 LEEUWARDEN—INGANG KERK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK36 SCHARNEGOUTUM—BRUG36 SCHARNEGOUTUM—BRUGL. W. R. WENCKEBACH[25]In de buurt van de Oldehove vindt men het zeer beroemde, maar foei leelijke Burmaniahuis en een eindje verder den Prinsentuin, gesticht door Willem Frederik ter herinnering aan den Vrede van Munster. Ge herinnert u dat Willem Frederik’s weduwe Albertina Agnes het Oranjewoud gesticht heeft. Van dien Prinsentuin kuieren we weer langs een aardig binnenstraatje voorbij de keurige Sint Anthoniesstichtingen over onze terpen langs de kerk (34) huiswaarts en nu heb ik nog lang niet de helft genoemd van wat er in Leeuwarden allemaal al zoo te zien is. Doch ik heb nu trek om naar buiten te gaan.Wij hadden alweer een leuk plan, net zoo iets als die twintig dorpen van Weststellingwerf en wel, we wilden een fietstocht maken rondom de Oude Middelzee. Oldenhove en Nijenhove lagen eenmaal aan een zeeboezem, die zich diep landwaarts in uitstrekte tot voorbij Sneek, en Bolsward lag er ook aan. De winkelstraat van Leeuwarden, de Wirdumerdijk, was in dien tijd gewoonweg een zeedijk en ook de tegenwoordige straatweg naar Heerenveen tot een eind voorbij Roordahuizen. In één dag is die tocht prachtig te doen en we hebben het er dan ook best afgebracht. Door de voorstad Schrans rolden we wakker zuidwaarts en je hebt dan aanvankelijk langs den straatweg een prachtig fietspad, bevloerd met lange steenen zerken. Al dadelijk krijg je de Oude Middelzee te zien, niet als water, maar als vlak grasland rechts van den weg met nauwelijks een huis en geen enkel dorp er in, terwijl het naar links om zoo te zeggen krioelt van dorpen, gehuchten en boerderijen. Het gekste is, dat die zeebodem niet lager ligt dan het oude land, maar eer nog een beetje hooger, maar dat is wel te begrijpen als je bedenkt, dat die zee niet drooggemalen is, zooals we nu met de Zuiderzee gaan doen, doch eenvoudig dichtgeslibd en terwijl dat dichtslibben gebeurde, waren de landen achter den dijk alweer een beetje verzakt of ineengeklonken. Dat werd allemaal nog duidelijker, toen we den spoorweg gekruist hadden. Daar zag je dan heel in de verte over het hooiland heen de torens van Boxum (45), Jellum en Weidum (38,48) echt aan den anderen oever van de zee. In het blokhuisje van de spoorlijn bij dien spoorwegovergang is een kleine gedenksteen, dat zie je ook niet dikwijls. Het opschrift luidt: Bara huis; dat is de naam van een stins, die daar vroeger heeft gestaan en waar de staten van Oostergo vergaderden. Ook is daar de knapste Fries geboren, die ooit heeft geleefd, nl. Viglius van Aytta.Er is ook nog een nieuw Barra-huis (39) of Barra-state, eigenlijk een groote boerderij met een mooi plantsoen voor de deur en daar staat een levendig geschilderd soldatenbeeld in, een soort van grenadier zou je zeggen. Wat die daar te beduiden heeft, weet ik niet, sommigen brengen hem in verband met het gevecht bij Boxum, waarover misschien later. We krijgen natuurlijk op onzen Middelzee-tocht verscheidene boerderijen (141) te zien, vele nieuw, sommige ouder en die zien er vaak het aardigste uit, zooals de Venema-state (41) kort voor het dorp Wijtgaard. De meest gewone vorm is alles onder één groot dak, maar vele hebben een voorhuis, dat soms een afspiegeling is van dat Burmaniahuis in Leeuwarden.[26]Wijtgaard is een mooi, groot dorp en hetzelfde is ook te zeggen van Roordahuizen, dat zich een eind oostelijk van den straatweg uitstrekt: eerst de schoorsteen van de zuivelfabriek, dan een stuk weg met iepen, waarvan de kronen een mooie golvende lijn langs de lucht maken, daarna het eigenlijke dorp heelemaal in de boomen met een paar groote roode daken op den voorgrond, een mooi versierde torenspits, een mooi molentje en eindelijk na een massa huisjes rood en blauw één groote, alleenstaande boerderij met reusachtig blauw dak en zeegroene omlijsting. Alles groot en breed, netjes en welvarend.Weldra buigt onze zeedijk om en verlaten wij dus den weg naar Heerenveen, wat wij met genoegen doen, want onze weg naar Rauwerd en Sneek ziet er prachtig uit, breed, beschaduwd door hooge iepen en aan de kanten nog weer beplant met lager houtgewas. Daar tusschen door overzien wij nu naar het Noorden een groot stuk Middelzee in de lengte: eindeloos grasland met heel in de verte een flauw boomenrijtje, dat is de grindweg van Weidum naar Wijtgaard, die de voormalige zee dwars doorsnijdt.Recht voor ons zien we een rijtje huizen dicht aaneengeschaard, dat is Bruggebuurt, dat ligt daar echt zooals een dorpje langs de zeekust, b.v. zooals Durgerdam. Het ligt dan ook aan de overzijde van de Middelzee, we zouden er in een paar minuten kunnen zijn, want hier gaat ook een dwarsweg door het land. Halverwege is het mooie buurtje De Dille, daar wordt die weg gekruist door een vaart, de Zwette, die indertijd gegraven is niet alleen als trekvaart naar Leeuwarden, maar ook als grens tusschen Oostergo en Westergo, die eerst door de Middelzee werden gescheiden. Een aardig plekje dit. Ook moeten we hier even afstappen om een wandelingetje te maken door een mooi park, dat hier vlak aan den weg ligt, alles wat er is overgebleven van de Omega-state der Eysinga’s. Van al de gebouwen is niets blijven staan dan een met klimop begroeid poortje (35), waarop de kleurige familiewapens prijken, maar het park is heel aardig met mooie lanen van eiken, ahorns en esschen, veel plantsoen en kleurige bloemperken. Langs de stugge kleipaden bereiken we zelfs een bergje, dat den naam van belvedère zou verdienen, indien de boomgroei het uitzicht niet belemmerde. Deze State is als zooveel andere aan de Kerk vermaakt en die onderhoudt haar nu als openbare wandeling, iets, dat hier bij Rauwerd (46), zeer te waardeeren is in een streek waar elke duimbreed gronds waarde heeft voor landbouw of veeteelt. Het strekt den Friezen tot groote eer, dat zeer veel steden en dorpen op de een of andere wijze begiftigd zijn met mooie wandelparken; Leeuwarden voorop met zijn fraaie Rengerspark. Soms heeft de gemeente er zelf voor gezorgd, maar meestal zijn het rijke families of stichtingen, die het goede werk hebben verricht.Nu rijden we weer verder, eventjes hobbelend over een smalspoor, dwars over den weg, waar langs op kipkarretjes vette terpaarde wordt weggereden, maar over die terpen zullen we het hebben op een andere reis. Even afstappen om een schetsje te maken van Deersum (30): prachtig kerkje en torentje van grijzen steen, begroeid met helder geel korstmos, groot ijzeren kruis boven op het zadeldak en dat allemaal omgeven door wuivende witte wilgen. Deersum (44)? Wat heb ik daar ook van gehoord. O, ja, hier in de buurt zijn de groote veefokkerijen[27]van de firma Schaap & Co., beroemd over de heele wereld en er zijn ook mooie kostbaarheden opgegraven afkomstig van een oud klooster, dat hier vroeger gestaan heeft. Het Middelzeetje is hier maar smal geweest, want het dorp Bozum aan de overzijde is zoo dichtbij, dat ik er meteen wel even een krabbeltje van zal maken, maar laat ik den naam er bij zetten, want de toren heeft ook alweer zoo’n zadeldak. Ik ben er benieuwd naar, hoe onze artiesten afwisseling zullen brengen in de plaatjes.Vooruit weer, altijd maar tusschen de groene weiden. Hier is tenminste een dorp, dat er wat anders uitziet, het ligt ook westwaarts van den weg en er zijn schepen, een brug (36) en een haventje. Naar den kant van de kerk ziet het er heel schilderachtig uit en we zouden dit Scharnegoutum (33) ook wel even willen binnenwandelen, als daarginds in de verte niet de hooge daken blonken van het aloude Sneek, de tweede stad van Friesland, die we al zoo dikwijls zijn voorbijgespoord en nog nimmer hebben betreden.Ik zal dat eerste binnenkomen in Sneek nooit vergeten. Hier geen vies rommelbuurtje aan den ingang, zooals in zoo menige andere stad, maar een paar kloeke fabrieksgebouwen en molens (136) verspreid in het groene land en links van den weg langs het water een lange reusachtige loods, die ik later ten zeerste heb leeren waardeeren als de Jachthaven. Dan een breede vaart, de Buitensingel (139), met turfschepen en die zitten altijd vol jolige kleurplekjes. En over de brug zag je in een breede, heldere, zonnige straat met geveltjes vol afwisseling en aardig vertier van uitstallingen. Die straat werd afgesloten door een hooge kerk, het blauwe dak met het witte koepeltorentje fijn harmonieerend met de heete blauwe zomerlucht. Zoo iets doet je buitengewoon prettig aan en als je dan nog op een helder grachtje een huis ontdekt waar in frissche aquariums allerlei waterbewoners rondzwemmen, terwijl boven den ingang een uithangbord kort en krachtig niets anders vermeldt dan: „visch eten”, dan stijgt de tevredenheid ten top. Terwijl die visch werd klaargemaakt, gingen we de stad bekijken en daar vonden we weer allerlei moois. ’t Is geen heel oude stad, maar het nieuwe is er meestal niet onaangenaam. Al die flinke winkelgebouwen met ruime puien en blinkende spiegelruiten geven een prettig idee van de welvaart, die in deze streek en eigenlijk door heel Friesland heerscht. Wij kregen tenminste op onze tochten telkens en overal den indruk, dat „arm Friesland”, waarover we vroeger spraken op dezelfde manier als over arm Ierland, ook al wel weer tot het rijk der fabelen moet gerekend worden.De groote beroemdheid van Sneek is de Waterpoort en die hadden we dan ook al gauw te pakken. We hebben er net zoo lang omheen gedraaid, tot we hadden uitgemaakt, dat je het mooie gebouwtje het best ziet van af de Geeuwkade. Het behoort, om zoo te zeggen tot de familie van de Kanselarij te Leeuwarden en het stadhuis te Bolsward. Aanvankelijk was het niet anders dan een doorvaart door den vestingmuur van de stad; tusschen twee haakjes, Sneek is in zijn tijd nog al een strijdvaardig en onafhankelijk plaatsje geweest. Nu, die doorvaart is versterkt en versierd en er is een wachtershuisje, niet naast, maar bovenop gebouwd. Het eigenlijk bouwwerk is begonnen tijdens het twaalfjarig bestand, maar later is er telkens weer bijgebouwd en gerestaureerd, tot in onzen tijd toe en dat is wonder boven[28]wonder ten slotte nog heel goed uitgevallen, zoodat landgenoot en vreemdeling zich nog elken dag verlustigen aan het mooie dingske. Wij amuseerden ons er mee, om van die Geeuwkade af de Sneekenaren onder de rondbogen van die waterpoortbrug voorbij te zien wandelen; ’t was net een poppekast of zoo’n optochtje in een Friesche klok.De Geeuwkade zelf was ook wel de moeite waard; er is een drukke vaart en een ontmantelde houtzaagmolen met fabrieksgebouw vormt er een heel schilderachtig groepje juist tegenover dat juweeltje van een poort. Toen verder de stad in. Op de Harinxmakade noteerden we een mooi gevelsteentje (137) in een gewone woning, een zeilend scheepje voorstellend. Eindelijk belandden we op de veemarkt, die hier, evenals die te Leeuwarden, zeer belangrijk is en vandaar op het Oude Kerkhof bij onze kerk, die we bij het inkomen van de stad al hadden opgemerkt. Hij bleek vergezeld te zijn van een klokkenhuis (114). De windwijzer op die kerk zag er nog al merkwaardig uit, een wapenschild met een gehalveerden arend, geflankeerd door een beest en een wildeman met een knods. We ontdekten later, toen we het stadhuis vonden, dat die wildeman en de rest het wapen van Sneek moest wezen. ’t Stadhuis zelf lijkt een heel deftige achttiende-eeuwsche koopmanswoning, stoep en deur en bovenraam en torentje allerovervloedigst versierd, maar daar houden de Friezen wel van. Ze kunnen ook geen stuk hout met rust laten, snijden daar allerlei kunstige figuurtjes in. Ook staat in mijn verouderd gidsje een uitspraak uit 1630 over de burgers van Sneek: „De inwoners zijn constlievende luyden.” Deze uitspraak heb ik later op heel prettige manier nog eens leeren beamen. Nu vonden we nog een Waag en een vriendelijke inboorling, die ons zoo tevreden zag rondkijken, bracht ons naar de Eierbrug, om het mooie drukke stadsgezicht te zien en daar zijn we hem nog altijd dankbaar voor.Een uur later rolden onze karretjes de stad uit, de spoorlijn over, den zonnigen weg op naar IJlst (42). Deze weg is nog altijd een stuk dijk om de oude Middelzee, reeds voor het jaar 1300 was die hier dichtgeslibd. Nog even kijken we om naar Sneek, dat daar bedrijvig ligt te midden van de stille weiden en dan zijn we ook al heel gauw in IJlst, misschien de kleinste en wonderlijkste stad van Nederland of van de heele wereld. Als we de fabrieks- en havenbuurt aan de Geeuw uitzonderen, dan kan het vergeleken worden met een groot hofje aan weerszijden van een smalle gracht. Keurige kleine huisjes, beschaduwd door plat geschoren iepen en linden, staan dicht geschaard langs een zindelijk klinkerstraatje, elk huis heeft een rechthoekig omheind bleekveldje of tuintje. Bruggetjes met witte leuningen onderhouden het verkeer tusschen beide oevers. Hier en daar een winkeltje, een enkel huis (32) trekt even de aandacht door grooter afmeting of sprekender stijl. Het eind van de stad loopt blind, het grachtje wordt een breede sloot, in de bocht onder witte wilgen een rommelig schuurtje aan den waterkant, een blikken melkputs op den voorgrond. Een hengelaar sjokt ons voorbij, die wil de stad uit en ontsluit een hekje van latwerk aan den kant van het kerkhof, dat wij nog niet hadden gezien.[29]37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM38 WEIDUM38 WEIDUM39 HET BARRAHUIS39 HET BARRAHUIS40 WEIDUM—BUURTJE40 WEIDUM—BUURTJE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE42 IJLST42 IJLSTL. W. R. WENCKEBACH[30]43 BOLSWARD43 BOLSWARD44 DEERSUM44 DEERSUM45 BOXUM—KERK45 BOXUM—KERK46 RAUWERD46 RAUWERD47 WESTHEIM—KERKJE47 WESTHEIM—KERKJE48 WEIDUM—KERK48 WEIDUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH[28]Hoofdschuddend beklimmen wij onze fietsen en zoeken den Middelzee-dijk weer op, kruisen bij Drousterhuizen de spoorlijn en nu gaat het recht op Bolsward aan. Dat was weer een prettig[31]ritje. We merkten nu eerst dat we in de streek der meren waren, want in Sneek zie je niets van het Sneekermeer. Hier echter sloegen de golfjes van het Piekemeer (135) vroolijk tegen den dijk, het sluisje bij Piekezijl (142) geeft verbinding met de Bolswarder trekvaart. Een eindje verder hadden we weer zoo’n sluis bij Katzijl en daar kregen we rechts het kleine dorpje Westhem (47) met zijn zoo poëtisch geheel met klimop begroeiden zadeldak-toren. Nu zien we ook in de verte al heel duidelijk Bolsward (43) liggen, dat ook al op terpen is gebouwd en waar zich de grootvader van alle zadeldaktorens hoog in de lucht verheft. We maakten maar een fermen spurt over Blauwhuis en Tjerkwerd en reden in den namiddag het stadje binnen, waar, volgens het gerucht, de beste Friezen wonen. We hadden den grooten kerktoren zoo lang voor oogen gehad, dat we maar dadelijk rechtstreeks langs een paar smalle grachtjes en een klimmend straatje opreden naar de kerk (29), die we open vonden en toen we binnenstapten was de kostersvrouw, die zeker op de loer had gelegen, dadelijk bij de hand om onze kwartjes in ontvangst te nemen. We hebben toen de kerk bezichtigd, wat we anders op zoo’n vluchtigen verkenningstocht maar zelden doen en hadden er geen berouw van, want niet alleen is de groote ruimte ontzagwekkend, maar ook gaven de preekstoel en de banken de allermooiste staaltjes van Friesche houtsnijkunst te aanschouwen. Op den grond lagen rijk bewerkte grafzerken, het uitvoerigst wel die van Heer Heerema en zijn vrouw Sithia Cammingha, zoo uitvoerig, dat het eer teekenwerk in steen geleek dan beeldhouwwerk. In het kerkportaal vonden wij het marmeren borstbeeld van Gijsbert Japikx, beroemd Friesch dichter uit de zeventiende eeuw, en ook een heel ouden steen, waarop Sinte Maarten al weer eens zijn halven mantel aan dien bedelaar geeft. De kerk heet dan ook de Martinikerk. Toen naar het mooie stadhuis (27), dat haast veel te mooi is voor zoo’n afgelegen stad. Het kon in de zeventiende eeuw blijkbaar overal in ons land er nog al goed op overschieten en wat een goede keus in architecten hadden de besturen van dien tijd! Hoe is dat later toch allemaal zoo armoedig en lusteloos geworden.Wij gingen nog even den wal op en hadden ook gaarne het park (alweer een geschenk) bezichtigd, maar daar we nog den heelen westoever van de Middelzee tot Marssum toe wilden „doen”, gingen we maar weer gauw op weg. En een heerlijk ritje was het: eerst den Sneekerstraatweg op tot Zilst, toen verder langs Hartwerd, Sanlean naar Boxum, wat dichtbij een heel mooi dorp bleek te zijn met vele schilderachtig gelegen, mooi begroeide boerenplaatsen, sommige met heel listig bedachte eendennesten (37) in de boomen. Hier kregen we naar rechts onzen weg te zien van ’s morgens met Deersum en Rauwerd en we rolden nu ook door Bruggebuurt en langs den eenzaam staanden toren van Oosterwierum (28), waar ook de terp weggegraven is.Hier zien we ver naar links het dorp Wieuwerd liggen, waar we eigenlijk ook heen moesten, want daar heb je een van de wonderen van Friesland in den vorm van een grafkelder, waar lijken en ook planten en vruchten niet bederven, maar eenvoudig indrogen. Hoe dat komt, weet niemand precies. Het eerst is het wonderlijk feit geconstateerd aan het lijk van de bekende geleerde vrouw Anna Maria Schuurman, dezelfde die ook spinnen at op haar boterham.[32]In Weidum (40) was het kermis. ’t Is een mooi dorp met aanzienlijke huizen en er gaat van hier een mooie goed beplante grintweg dwars door de Middelzee naar Wijtgaard, en aangezien het laat werd en wij weer met tegenwind te kampen hadden, lieten we, hoewel ongaarne, Jellum en Boxum maar links liggen om bijtijds thuis te zijn en ’s avonds nog weer wat in ons geliefd Leeuwarden rond te wanden. We hadden een overheerlijken dag gehad en spitsten ons alweer op den volgenden.[34]Heringastate te Marssum.[35]
Als een jaar of tien geleden iemand nog voorspeld zou hebben, dat ik in mijn zomervacantie voor een weekje naar Leeuwarden zou gaan, dan had ik hem zeker heel onbeleefd vlak in zijn gezicht uitgelachen. En toch is het zoover gekomen, alles terwille van dit album en ik stel er grooten prijs op, om te verklaren, dat wij het met het allergrootste genoegen hebben gedaan. Wij Hollanders hebben over het algemeen een heel verkeerd denkbeeld van Friesland en de Friezen, maar ik ben nu gelukkig al een heel eind op weg, om bekeerd te worden van de dwalingen mijns weegs. Om te beginnen, wij vonden Leeuwarden een aardige, onderhoudende, vroolijke en vriendelijke stad en als we op den dag onze groote zwerftoeren door de provincie hadden volbracht, dan genoten wij er van, om ’s avonds, zoo lang er nog daglicht was, rond te dwalen door de aardige hoofdplaats. Dan gingen we winkelen langs den Wirdumerdijk, de Kelders, de Oosterkade (116), de Korenmarkt en de Voorstreek, waar ik bij Meijer en Schaafsma een oud reisgidsje kocht, getiteld Friesland en de Friezen. Dat boekje dateert van 1877 en is dus allergeweldigst verouderd, maar dat neemt niet weg, dat het door de oorspronkelijke bijdragen van vele brave en knappe Friezen nog altijd dubbel en dwars de moeite waard is, om geraadpleegd te worden. Van jonger datum, van 1915, is de Nieuwe Gids voor Leeuwarden en omstreken, maar wat daar van de omstreken in staat, is slechts weinig. Wij vonden, dat er heusch wel eens een heel nieuw boek over Friesland mocht verschijnen, want dat land is ’t waard.
Van de Kelders, die een beetje herinneren aan de Oude Gracht te Utrecht, slenterden we dan naar de Nieuwstad, die al oud genoeg is, ik zal straks wel uitleggen, waar de naam vandaan komt. Daar staat de mooie Oude Waag (25), die omstreeks 1600 is gebouwd en er[22]net zoo vroolijk en aardig en onderhoudend uitziet, als ze in dien tijd de openbare gebouwen wisten te maken. In 1877 werd zij nog gebruikt, maar sedert moest zij door een grootere vervangen worden, die ge met Beurs gecombineerd om den hoek van het Wilhelminaplein kunt bewonderen. Vergelijk maar eens. Vergelijk ook het Paleis van Justitie op hetzelfde Wilhelminaplein met het Kanselarijgebouw (26) op de Tweebaksmarkt. Dit laatste is trouwens een van de mooiste gebouwen van heel Nederland, een cadeautje van onzen ouden goeden vriend Philips II van Spanje, die het van 1566 tot 1571 heeft laten bouwen. Het is niet heelemaal klaar gekomen door den tachtigjarigen oorlog en later onder Koning Willem I is het binnen nog al heel erg en ergerlijk verknoeid, maar aan den buitenkant is het nog altijd van verrassende schoonheid. De vier wapens, die op de mooie steenen trap door grijnzende leeuwen worden vastgehouden, zijn die van de vier kwartieren van Friesland: Oostergo, Westergo, De Elf Steden en de Zevenwolden. Tegenover de Kanselarij ligt het Friesch Museum, dat bezochten we nu niet, omdat we op den dag natuurlijk buiten moesten zijn, maar vroeger kwamen wij er toch al dikwijls, om de uren te gebruiken, die we bij onze bezoeken aan Terschelling of Rottum verloren door de slechte treinaansluitingen te Leeuwarden. Men zegt, dat dit in de toekomst beter wordt, maar dat zal de klandisie van het Friesch Museum schaden en dat is heel jammer, want er is een massa moois en merkwaardigs te zien en veel te leeren.
Vlak bij de Waag is de breedste brug van heel Nederland, breeder nog dan de Torensluis, die heet de Langepijp en daar in de buurt staan de stugge Friezen ’s avonds bij troepjes te babbelen en gekheid te maken, wat hun wonder goed afgaat, want al die stuggigheid is maar een kwaadaardig verzinsel van de Hollanders. Wij hielden ervan, om over de Langepijp de oude stad in te duiken langs smalle straatjes, die soms ongelooflijk steil bergop en bergaf gingen en daar begrepen we dan heel kostelijk, dat Leeuwarden even goed als Rome op heuvelen is gebouwd. Het zijn er maar drie en ze zijn nog kunstmatig op den koop toe: drie terpen waarop eeuwen geleden de dorpen Oldenhove, Nijenhove en Hoek waren ontstaan, die eerst in de vijftiende eeuw voor goed met elkander een stad gingen vormen. Als je er niet op bedacht bent, dan zijn die steile, smalle, zeer schilderachtige straatjes inderdaad een groote verrassing. De naam Oldenhove bestaat nog. Zoo heet namelijk de groote steenklomp in het Westen van de stad, die uren ver uit den omtrek te zien is en die op het eerste gezicht herinnert aan den Toren van Babel. Hij is eveneens onvoltooid gebleven en wel doordat hij onder het bouwen al ging verzakken. Ook thans staat hij nog geweldig scheef, maar hij zal het wel uithouden en er komt een electrische lift, zoodat je makkelijk naar boven kunt gaan, om een heerlijk gezicht te hebben over de stad en haar omstreken. Ik weet niet of het Edmondo d’Amicis geweest is of Henry Havard (of een andere van de schrijvers, die in vroeger jaren allerlei overdreven bijzonderheidjes van Nederland hebben wereldkundig gemaakt) die hier boven op de Oldenhove heeft gestaan en beneden zich de straten van Leeuwarden zag flikkeren en bliksemen door al de gouden kappen van de dames, die daar wandelden. ’t Is tegenwoordig met die gouden kappen al net als met de[25]stuggigheid, je krijgt er niet veel meer van te zien en dat is maar goed ook. Ik zie liever.… nu ja, dat komt er ook niet op aan.[23]
25 LEEUWARDEN—WAAG25 LEEUWARDEN—WAAG26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ27 BOLSWARD—STADHUIS27 BOLSWARD—STADHUIS28 OOSTERBIERUM—TOREN28 OOSTERBIERUM—TOREN29 BOLSWARD—KERKSTRAAT29 BOLSWARD—KERKSTRAAT30 DEERSUM—KERK30 DEERSUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH
25 LEEUWARDEN—WAAG25 LEEUWARDEN—WAAG
25 LEEUWARDEN—WAAG
26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ
26 LEEUWARDEN—KANSELARIJ
27 BOLSWARD—STADHUIS27 BOLSWARD—STADHUIS
27 BOLSWARD—STADHUIS
28 OOSTERBIERUM—TOREN28 OOSTERBIERUM—TOREN
28 OOSTERBIERUM—TOREN
29 BOLSWARD—KERKSTRAAT29 BOLSWARD—KERKSTRAAT
29 BOLSWARD—KERKSTRAAT
30 DEERSUM—KERK30 DEERSUM—KERK
30 DEERSUM—KERK
[24]
31 DEINUM—TOREN31 DEINUM—TOREN32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER33 SCHARNEGOUTUM33 SCHARNEGOUTUM34 LEEUWARDEN—INGANG KERK34 LEEUWARDEN—INGANG KERK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK36 SCHARNEGOUTUM—BRUG36 SCHARNEGOUTUM—BRUGL. W. R. WENCKEBACH
31 DEINUM—TOREN31 DEINUM—TOREN
31 DEINUM—TOREN
32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER
32 IJLST, OUDE GEVEL BALK EN KLOPPER
33 SCHARNEGOUTUM33 SCHARNEGOUTUM
33 SCHARNEGOUTUM
34 LEEUWARDEN—INGANG KERK34 LEEUWARDEN—INGANG KERK
34 LEEUWARDEN—INGANG KERK
35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK
35 RAUWERD—POORTJE IN HET PARK
36 SCHARNEGOUTUM—BRUG36 SCHARNEGOUTUM—BRUG
36 SCHARNEGOUTUM—BRUG
[25]
In de buurt van de Oldehove vindt men het zeer beroemde, maar foei leelijke Burmaniahuis en een eindje verder den Prinsentuin, gesticht door Willem Frederik ter herinnering aan den Vrede van Munster. Ge herinnert u dat Willem Frederik’s weduwe Albertina Agnes het Oranjewoud gesticht heeft. Van dien Prinsentuin kuieren we weer langs een aardig binnenstraatje voorbij de keurige Sint Anthoniesstichtingen over onze terpen langs de kerk (34) huiswaarts en nu heb ik nog lang niet de helft genoemd van wat er in Leeuwarden allemaal al zoo te zien is. Doch ik heb nu trek om naar buiten te gaan.
Wij hadden alweer een leuk plan, net zoo iets als die twintig dorpen van Weststellingwerf en wel, we wilden een fietstocht maken rondom de Oude Middelzee. Oldenhove en Nijenhove lagen eenmaal aan een zeeboezem, die zich diep landwaarts in uitstrekte tot voorbij Sneek, en Bolsward lag er ook aan. De winkelstraat van Leeuwarden, de Wirdumerdijk, was in dien tijd gewoonweg een zeedijk en ook de tegenwoordige straatweg naar Heerenveen tot een eind voorbij Roordahuizen. In één dag is die tocht prachtig te doen en we hebben het er dan ook best afgebracht. Door de voorstad Schrans rolden we wakker zuidwaarts en je hebt dan aanvankelijk langs den straatweg een prachtig fietspad, bevloerd met lange steenen zerken. Al dadelijk krijg je de Oude Middelzee te zien, niet als water, maar als vlak grasland rechts van den weg met nauwelijks een huis en geen enkel dorp er in, terwijl het naar links om zoo te zeggen krioelt van dorpen, gehuchten en boerderijen. Het gekste is, dat die zeebodem niet lager ligt dan het oude land, maar eer nog een beetje hooger, maar dat is wel te begrijpen als je bedenkt, dat die zee niet drooggemalen is, zooals we nu met de Zuiderzee gaan doen, doch eenvoudig dichtgeslibd en terwijl dat dichtslibben gebeurde, waren de landen achter den dijk alweer een beetje verzakt of ineengeklonken. Dat werd allemaal nog duidelijker, toen we den spoorweg gekruist hadden. Daar zag je dan heel in de verte over het hooiland heen de torens van Boxum (45), Jellum en Weidum (38,48) echt aan den anderen oever van de zee. In het blokhuisje van de spoorlijn bij dien spoorwegovergang is een kleine gedenksteen, dat zie je ook niet dikwijls. Het opschrift luidt: Bara huis; dat is de naam van een stins, die daar vroeger heeft gestaan en waar de staten van Oostergo vergaderden. Ook is daar de knapste Fries geboren, die ooit heeft geleefd, nl. Viglius van Aytta.
Er is ook nog een nieuw Barra-huis (39) of Barra-state, eigenlijk een groote boerderij met een mooi plantsoen voor de deur en daar staat een levendig geschilderd soldatenbeeld in, een soort van grenadier zou je zeggen. Wat die daar te beduiden heeft, weet ik niet, sommigen brengen hem in verband met het gevecht bij Boxum, waarover misschien later. We krijgen natuurlijk op onzen Middelzee-tocht verscheidene boerderijen (141) te zien, vele nieuw, sommige ouder en die zien er vaak het aardigste uit, zooals de Venema-state (41) kort voor het dorp Wijtgaard. De meest gewone vorm is alles onder één groot dak, maar vele hebben een voorhuis, dat soms een afspiegeling is van dat Burmaniahuis in Leeuwarden.[26]
Wijtgaard is een mooi, groot dorp en hetzelfde is ook te zeggen van Roordahuizen, dat zich een eind oostelijk van den straatweg uitstrekt: eerst de schoorsteen van de zuivelfabriek, dan een stuk weg met iepen, waarvan de kronen een mooie golvende lijn langs de lucht maken, daarna het eigenlijke dorp heelemaal in de boomen met een paar groote roode daken op den voorgrond, een mooi versierde torenspits, een mooi molentje en eindelijk na een massa huisjes rood en blauw één groote, alleenstaande boerderij met reusachtig blauw dak en zeegroene omlijsting. Alles groot en breed, netjes en welvarend.
Weldra buigt onze zeedijk om en verlaten wij dus den weg naar Heerenveen, wat wij met genoegen doen, want onze weg naar Rauwerd en Sneek ziet er prachtig uit, breed, beschaduwd door hooge iepen en aan de kanten nog weer beplant met lager houtgewas. Daar tusschen door overzien wij nu naar het Noorden een groot stuk Middelzee in de lengte: eindeloos grasland met heel in de verte een flauw boomenrijtje, dat is de grindweg van Weidum naar Wijtgaard, die de voormalige zee dwars doorsnijdt.
Recht voor ons zien we een rijtje huizen dicht aaneengeschaard, dat is Bruggebuurt, dat ligt daar echt zooals een dorpje langs de zeekust, b.v. zooals Durgerdam. Het ligt dan ook aan de overzijde van de Middelzee, we zouden er in een paar minuten kunnen zijn, want hier gaat ook een dwarsweg door het land. Halverwege is het mooie buurtje De Dille, daar wordt die weg gekruist door een vaart, de Zwette, die indertijd gegraven is niet alleen als trekvaart naar Leeuwarden, maar ook als grens tusschen Oostergo en Westergo, die eerst door de Middelzee werden gescheiden. Een aardig plekje dit. Ook moeten we hier even afstappen om een wandelingetje te maken door een mooi park, dat hier vlak aan den weg ligt, alles wat er is overgebleven van de Omega-state der Eysinga’s. Van al de gebouwen is niets blijven staan dan een met klimop begroeid poortje (35), waarop de kleurige familiewapens prijken, maar het park is heel aardig met mooie lanen van eiken, ahorns en esschen, veel plantsoen en kleurige bloemperken. Langs de stugge kleipaden bereiken we zelfs een bergje, dat den naam van belvedère zou verdienen, indien de boomgroei het uitzicht niet belemmerde. Deze State is als zooveel andere aan de Kerk vermaakt en die onderhoudt haar nu als openbare wandeling, iets, dat hier bij Rauwerd (46), zeer te waardeeren is in een streek waar elke duimbreed gronds waarde heeft voor landbouw of veeteelt. Het strekt den Friezen tot groote eer, dat zeer veel steden en dorpen op de een of andere wijze begiftigd zijn met mooie wandelparken; Leeuwarden voorop met zijn fraaie Rengerspark. Soms heeft de gemeente er zelf voor gezorgd, maar meestal zijn het rijke families of stichtingen, die het goede werk hebben verricht.
Nu rijden we weer verder, eventjes hobbelend over een smalspoor, dwars over den weg, waar langs op kipkarretjes vette terpaarde wordt weggereden, maar over die terpen zullen we het hebben op een andere reis. Even afstappen om een schetsje te maken van Deersum (30): prachtig kerkje en torentje van grijzen steen, begroeid met helder geel korstmos, groot ijzeren kruis boven op het zadeldak en dat allemaal omgeven door wuivende witte wilgen. Deersum (44)? Wat heb ik daar ook van gehoord. O, ja, hier in de buurt zijn de groote veefokkerijen[27]van de firma Schaap & Co., beroemd over de heele wereld en er zijn ook mooie kostbaarheden opgegraven afkomstig van een oud klooster, dat hier vroeger gestaan heeft. Het Middelzeetje is hier maar smal geweest, want het dorp Bozum aan de overzijde is zoo dichtbij, dat ik er meteen wel even een krabbeltje van zal maken, maar laat ik den naam er bij zetten, want de toren heeft ook alweer zoo’n zadeldak. Ik ben er benieuwd naar, hoe onze artiesten afwisseling zullen brengen in de plaatjes.
Vooruit weer, altijd maar tusschen de groene weiden. Hier is tenminste een dorp, dat er wat anders uitziet, het ligt ook westwaarts van den weg en er zijn schepen, een brug (36) en een haventje. Naar den kant van de kerk ziet het er heel schilderachtig uit en we zouden dit Scharnegoutum (33) ook wel even willen binnenwandelen, als daarginds in de verte niet de hooge daken blonken van het aloude Sneek, de tweede stad van Friesland, die we al zoo dikwijls zijn voorbijgespoord en nog nimmer hebben betreden.
Ik zal dat eerste binnenkomen in Sneek nooit vergeten. Hier geen vies rommelbuurtje aan den ingang, zooals in zoo menige andere stad, maar een paar kloeke fabrieksgebouwen en molens (136) verspreid in het groene land en links van den weg langs het water een lange reusachtige loods, die ik later ten zeerste heb leeren waardeeren als de Jachthaven. Dan een breede vaart, de Buitensingel (139), met turfschepen en die zitten altijd vol jolige kleurplekjes. En over de brug zag je in een breede, heldere, zonnige straat met geveltjes vol afwisseling en aardig vertier van uitstallingen. Die straat werd afgesloten door een hooge kerk, het blauwe dak met het witte koepeltorentje fijn harmonieerend met de heete blauwe zomerlucht. Zoo iets doet je buitengewoon prettig aan en als je dan nog op een helder grachtje een huis ontdekt waar in frissche aquariums allerlei waterbewoners rondzwemmen, terwijl boven den ingang een uithangbord kort en krachtig niets anders vermeldt dan: „visch eten”, dan stijgt de tevredenheid ten top. Terwijl die visch werd klaargemaakt, gingen we de stad bekijken en daar vonden we weer allerlei moois. ’t Is geen heel oude stad, maar het nieuwe is er meestal niet onaangenaam. Al die flinke winkelgebouwen met ruime puien en blinkende spiegelruiten geven een prettig idee van de welvaart, die in deze streek en eigenlijk door heel Friesland heerscht. Wij kregen tenminste op onze tochten telkens en overal den indruk, dat „arm Friesland”, waarover we vroeger spraken op dezelfde manier als over arm Ierland, ook al wel weer tot het rijk der fabelen moet gerekend worden.
De groote beroemdheid van Sneek is de Waterpoort en die hadden we dan ook al gauw te pakken. We hebben er net zoo lang omheen gedraaid, tot we hadden uitgemaakt, dat je het mooie gebouwtje het best ziet van af de Geeuwkade. Het behoort, om zoo te zeggen tot de familie van de Kanselarij te Leeuwarden en het stadhuis te Bolsward. Aanvankelijk was het niet anders dan een doorvaart door den vestingmuur van de stad; tusschen twee haakjes, Sneek is in zijn tijd nog al een strijdvaardig en onafhankelijk plaatsje geweest. Nu, die doorvaart is versterkt en versierd en er is een wachtershuisje, niet naast, maar bovenop gebouwd. Het eigenlijk bouwwerk is begonnen tijdens het twaalfjarig bestand, maar later is er telkens weer bijgebouwd en gerestaureerd, tot in onzen tijd toe en dat is wonder boven[28]wonder ten slotte nog heel goed uitgevallen, zoodat landgenoot en vreemdeling zich nog elken dag verlustigen aan het mooie dingske. Wij amuseerden ons er mee, om van die Geeuwkade af de Sneekenaren onder de rondbogen van die waterpoortbrug voorbij te zien wandelen; ’t was net een poppekast of zoo’n optochtje in een Friesche klok.
De Geeuwkade zelf was ook wel de moeite waard; er is een drukke vaart en een ontmantelde houtzaagmolen met fabrieksgebouw vormt er een heel schilderachtig groepje juist tegenover dat juweeltje van een poort. Toen verder de stad in. Op de Harinxmakade noteerden we een mooi gevelsteentje (137) in een gewone woning, een zeilend scheepje voorstellend. Eindelijk belandden we op de veemarkt, die hier, evenals die te Leeuwarden, zeer belangrijk is en vandaar op het Oude Kerkhof bij onze kerk, die we bij het inkomen van de stad al hadden opgemerkt. Hij bleek vergezeld te zijn van een klokkenhuis (114). De windwijzer op die kerk zag er nog al merkwaardig uit, een wapenschild met een gehalveerden arend, geflankeerd door een beest en een wildeman met een knods. We ontdekten later, toen we het stadhuis vonden, dat die wildeman en de rest het wapen van Sneek moest wezen. ’t Stadhuis zelf lijkt een heel deftige achttiende-eeuwsche koopmanswoning, stoep en deur en bovenraam en torentje allerovervloedigst versierd, maar daar houden de Friezen wel van. Ze kunnen ook geen stuk hout met rust laten, snijden daar allerlei kunstige figuurtjes in. Ook staat in mijn verouderd gidsje een uitspraak uit 1630 over de burgers van Sneek: „De inwoners zijn constlievende luyden.” Deze uitspraak heb ik later op heel prettige manier nog eens leeren beamen. Nu vonden we nog een Waag en een vriendelijke inboorling, die ons zoo tevreden zag rondkijken, bracht ons naar de Eierbrug, om het mooie drukke stadsgezicht te zien en daar zijn we hem nog altijd dankbaar voor.
Een uur later rolden onze karretjes de stad uit, de spoorlijn over, den zonnigen weg op naar IJlst (42). Deze weg is nog altijd een stuk dijk om de oude Middelzee, reeds voor het jaar 1300 was die hier dichtgeslibd. Nog even kijken we om naar Sneek, dat daar bedrijvig ligt te midden van de stille weiden en dan zijn we ook al heel gauw in IJlst, misschien de kleinste en wonderlijkste stad van Nederland of van de heele wereld. Als we de fabrieks- en havenbuurt aan de Geeuw uitzonderen, dan kan het vergeleken worden met een groot hofje aan weerszijden van een smalle gracht. Keurige kleine huisjes, beschaduwd door plat geschoren iepen en linden, staan dicht geschaard langs een zindelijk klinkerstraatje, elk huis heeft een rechthoekig omheind bleekveldje of tuintje. Bruggetjes met witte leuningen onderhouden het verkeer tusschen beide oevers. Hier en daar een winkeltje, een enkel huis (32) trekt even de aandacht door grooter afmeting of sprekender stijl. Het eind van de stad loopt blind, het grachtje wordt een breede sloot, in de bocht onder witte wilgen een rommelig schuurtje aan den waterkant, een blikken melkputs op den voorgrond. Een hengelaar sjokt ons voorbij, die wil de stad uit en ontsluit een hekje van latwerk aan den kant van het kerkhof, dat wij nog niet hadden gezien.[29]
37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM38 WEIDUM38 WEIDUM39 HET BARRAHUIS39 HET BARRAHUIS40 WEIDUM—BUURTJE40 WEIDUM—BUURTJE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE42 IJLST42 IJLSTL. W. R. WENCKEBACH
37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM
37 EENDENNESTEN IN DE BOOMEN BIJ WEIDUM
38 WEIDUM38 WEIDUM
38 WEIDUM
39 HET BARRAHUIS39 HET BARRAHUIS
39 HET BARRAHUIS
40 WEIDUM—BUURTJE40 WEIDUM—BUURTJE
40 WEIDUM—BUURTJE
41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE
41 WIJTGAARD—VENEMA-STATE
42 IJLST42 IJLST
42 IJLST
[30]
43 BOLSWARD43 BOLSWARD44 DEERSUM44 DEERSUM45 BOXUM—KERK45 BOXUM—KERK46 RAUWERD46 RAUWERD47 WESTHEIM—KERKJE47 WESTHEIM—KERKJE48 WEIDUM—KERK48 WEIDUM—KERKL. W. R. WENCKEBACH
43 BOLSWARD43 BOLSWARD
43 BOLSWARD
44 DEERSUM44 DEERSUM
44 DEERSUM
45 BOXUM—KERK45 BOXUM—KERK
45 BOXUM—KERK
46 RAUWERD46 RAUWERD
46 RAUWERD
47 WESTHEIM—KERKJE47 WESTHEIM—KERKJE
47 WESTHEIM—KERKJE
48 WEIDUM—KERK48 WEIDUM—KERK
48 WEIDUM—KERK
[28]
Hoofdschuddend beklimmen wij onze fietsen en zoeken den Middelzee-dijk weer op, kruisen bij Drousterhuizen de spoorlijn en nu gaat het recht op Bolsward aan. Dat was weer een prettig[31]ritje. We merkten nu eerst dat we in de streek der meren waren, want in Sneek zie je niets van het Sneekermeer. Hier echter sloegen de golfjes van het Piekemeer (135) vroolijk tegen den dijk, het sluisje bij Piekezijl (142) geeft verbinding met de Bolswarder trekvaart. Een eindje verder hadden we weer zoo’n sluis bij Katzijl en daar kregen we rechts het kleine dorpje Westhem (47) met zijn zoo poëtisch geheel met klimop begroeiden zadeldak-toren. Nu zien we ook in de verte al heel duidelijk Bolsward (43) liggen, dat ook al op terpen is gebouwd en waar zich de grootvader van alle zadeldaktorens hoog in de lucht verheft. We maakten maar een fermen spurt over Blauwhuis en Tjerkwerd en reden in den namiddag het stadje binnen, waar, volgens het gerucht, de beste Friezen wonen. We hadden den grooten kerktoren zoo lang voor oogen gehad, dat we maar dadelijk rechtstreeks langs een paar smalle grachtjes en een klimmend straatje opreden naar de kerk (29), die we open vonden en toen we binnenstapten was de kostersvrouw, die zeker op de loer had gelegen, dadelijk bij de hand om onze kwartjes in ontvangst te nemen. We hebben toen de kerk bezichtigd, wat we anders op zoo’n vluchtigen verkenningstocht maar zelden doen en hadden er geen berouw van, want niet alleen is de groote ruimte ontzagwekkend, maar ook gaven de preekstoel en de banken de allermooiste staaltjes van Friesche houtsnijkunst te aanschouwen. Op den grond lagen rijk bewerkte grafzerken, het uitvoerigst wel die van Heer Heerema en zijn vrouw Sithia Cammingha, zoo uitvoerig, dat het eer teekenwerk in steen geleek dan beeldhouwwerk. In het kerkportaal vonden wij het marmeren borstbeeld van Gijsbert Japikx, beroemd Friesch dichter uit de zeventiende eeuw, en ook een heel ouden steen, waarop Sinte Maarten al weer eens zijn halven mantel aan dien bedelaar geeft. De kerk heet dan ook de Martinikerk. Toen naar het mooie stadhuis (27), dat haast veel te mooi is voor zoo’n afgelegen stad. Het kon in de zeventiende eeuw blijkbaar overal in ons land er nog al goed op overschieten en wat een goede keus in architecten hadden de besturen van dien tijd! Hoe is dat later toch allemaal zoo armoedig en lusteloos geworden.
Wij gingen nog even den wal op en hadden ook gaarne het park (alweer een geschenk) bezichtigd, maar daar we nog den heelen westoever van de Middelzee tot Marssum toe wilden „doen”, gingen we maar weer gauw op weg. En een heerlijk ritje was het: eerst den Sneekerstraatweg op tot Zilst, toen verder langs Hartwerd, Sanlean naar Boxum, wat dichtbij een heel mooi dorp bleek te zijn met vele schilderachtig gelegen, mooi begroeide boerenplaatsen, sommige met heel listig bedachte eendennesten (37) in de boomen. Hier kregen we naar rechts onzen weg te zien van ’s morgens met Deersum en Rauwerd en we rolden nu ook door Bruggebuurt en langs den eenzaam staanden toren van Oosterwierum (28), waar ook de terp weggegraven is.
Hier zien we ver naar links het dorp Wieuwerd liggen, waar we eigenlijk ook heen moesten, want daar heb je een van de wonderen van Friesland in den vorm van een grafkelder, waar lijken en ook planten en vruchten niet bederven, maar eenvoudig indrogen. Hoe dat komt, weet niemand precies. Het eerst is het wonderlijk feit geconstateerd aan het lijk van de bekende geleerde vrouw Anna Maria Schuurman, dezelfde die ook spinnen at op haar boterham.[32]
In Weidum (40) was het kermis. ’t Is een mooi dorp met aanzienlijke huizen en er gaat van hier een mooie goed beplante grintweg dwars door de Middelzee naar Wijtgaard, en aangezien het laat werd en wij weer met tegenwind te kampen hadden, lieten we, hoewel ongaarne, Jellum en Boxum maar links liggen om bijtijds thuis te zijn en ’s avonds nog weer wat in ons geliefd Leeuwarden rond te wanden. We hadden een overheerlijken dag gehad en spitsten ons alweer op den volgenden.
[34]
Heringastate te Marssum.
[35]